<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>            Winstgevend
               Welzijn
             Over het creëren van kansen
                      RDA/2012/01
RDA/2012/01          Winstgevend Welzijn 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Excellentie,
Het is mij een genoegen om u de zienswijze Winstgevend Welzijn van de Raad
voor Dierenaangelegenheden te kunnen aanbieden. Het initiatief voor deze
zienswijze werd genomen door mijn zeer gewaardeerde voorganger prof. dr.
Henk Vaarkamp. Het idee ontstond kort na de fusie van de ministeries van
Landbouw en Economische Zaken en het is dan ook niet toevallig dat deze
zienswijze    betrekking    heeft   op    landbouw,    op    economie    en    op
innovatieprocessen.
Het doel van deze zienswijze is het geven van een nieuwe impuls aan het
maatschappelijke vraagstuk rondom het dierenwelzijn in de Nederlandse
veehouderij. Al sinds het rapport Toekomst voor de veehouderij van de
commissie Wijffels (2001) staat de maatschappelijke wens voor een beter
dierenwelzijn in de veehouderij prominent op de agenda. Ondanks diverse
commissies, convenanten en rapporten lijkt er echter nog steeds te weinig
structurele vooruitgang geboekt te worden.
De toekomst van de sterk op export gerichte Nederlandse veehouderij ligt niet in
de gangbare bulkproductie tegen wereldmarktprijzen. Ze ligt in het vinden,
bedienen en uitbouwen van marktsegmenten die bovengemiddeld belang
hechten aan duurzaamheid, inclusief een hoog niveau van dierenwelzijn. Ze
hangt af van het stimuleren van een nieuwe productbeleving en het vermarkten
van innovatieve producten als onderscheidende merken die passen bij deze
nieuwe productbeleving, met een perspectief op economische meerwaarde voor
alle delen van de keten en zonder aan concurrentiekracht in te boeten.
De Raad voor Dierenaangelegenheden adviseert nadrukkelijk anders dan de
commissies Wijffels (2001), Alders (2011) en Van Doorn (2011), dat het
verbeteren van dierenwelzijn in de veehouderij moet plaatsvinden door middel
van verschillende, private plusnormen voor dierenwelzijn - in plaats van door het
verhogen van de (wettelijke) minimumnormen voor alle veehouders.
Wanneer namelijk de minimumnormen verhoogd worden vooruitlopend op de
Europese normen zal dat vrijwel zeker een concurrentienadeel opleveren voor de
Nederlandse veehouders, die nu vooral generieke producten voor de Europese
en mondiale markt maken en op prijs concurreren. Het enkel verhogen van de
minimumnormen gelijk met of alleen via de Europese regelgeving duurt te lang;
dat doet onvoldoende recht aan de – al zeker sinds 2001 bestaande –
maatschappelijke wens voor een hoger dierenwelzijnniveau in Nederland.
De Raad pleit niet voor een verdere verfijning van het bestaande
veehouderijsysteem      (nu    op     dierenwelzijnaspecten,    na    voorgaande
verfijningstappen op het gebied van o.a. milieu en gezondheid), maar voor een
systeemverandering: er moet gekozen worden voor andere, meer diverse
productiedoelen en voor het bedienen van andere markten.
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Raad is ervan overtuigd dat deze omschakeling naar gedifferentieerde
productie voor toegevoegde waarde het snelst en het best gaat door het
stimuleren van particuliere initiatieven op de vrije markt. Op de vrije markt
kunnen en zullen nieuwe concepten het best, het snelst en met het breedste
draagvlak kunnen worden ontwikkeld en weggezet.
Het stimuleren en faciliteren van vernieuwers en vroege volgers op het gebied
van dierenwelzijnverbeteringen biedt de veehouderij de kans om producten met
een dierenwelzijn-plus te ontwikkelen die voor de consument een toegevoegde
waarde hebben. Door weg te bewegen van de ‘markt op prijsconcurrentie’ naar
de ‘markt voor toegevoegde waarde’ kunnen de veehouderijketens (van
veehouder tot en met retailer) tegemoetkomen aan de maatschappelijke wens
voor een hoger dierenwelzijnniveau in Nederland en tegelijkertijd werken aan
een betere inkomenspositie.
Het is de overheid die de ruimte voor deze beweging moet creëren, maar het
zijn de partijen in de veehouderijketens die deze beweging moeten uitvoeren.
Samenwerking van alle partijen in de keten is daarbij essentieel, evenals het
bieden van ruimte voor kleinere innovatieve partijen en het rekening houden
met de internationale context waarin de Nederlandse veehouderij werkt.
U hebt in uw Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid aangegeven dat Nederland
koploper in dierenwelzijn moet zijn. Recente ontwikkelingen in de markt, zoals
het voornemen van de retail om één ster Beter Leven als minimumniveau te
gaan hanteren, laten zien dat ook daar de ambities liggen. Met het
Topsectorenbeleid is een basis voor een betere samenwerking gelegd. Nu is het
zaak om deze ontwikkelingen samen te smeden tot een duurzame,
toekomstbestendige omvorming van de Nederlandse agrofoodsector. Ik vertrouw
er op u met deze zienswijze nieuwe instrumenten in handen gegeven te hebben
die dat mogelijk maken.
Prof. dr. Frauke Ohl,
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
RDA/2012/01                      Winstgevend Welzijn                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoud
    Leeswijzer ......................................................................................................5
1. Samenvatting .................................................................................................6
2. Inleiding .........................................................................................................8
    Morele vragen en eisen vanuit de samenleving ....................................................8
    De positie van de productieketens......................................................................9
    De centrale vraag .......................................................................................... 10
    Op weg naar oplossingen: innoveren en vermarkten ........................................... 10
3. Innovatie...................................................................................................... 11
3.1 De gewenste ontwikkelingen en de praktijk ....................................................... 11
    De stand van zaken ....................................................................................... 11
    De eerste stap .............................................................................................. 11
3.2 Innovatieprocessen ........................................................................................ 12
    Kennis en opschaling naar de praktijk............................................................... 12
    Tempo ......................................................................................................... 13
    Overheidssteun nu en straks ........................................................................... 13
    De rol van nationale wet- en regelgeving .......................................................... 13
    Het Europese speelveld: hoger plan en concurrentievoordeel ............................... 14
4. Marktwerking en meerwaarde.......................................................................... 15
4.1 Consumentengedrag en meerwaarde ................................................................ 15
    Internationale markten en samenwerking.......................................................... 15
4.2 De aard en effectiviteit van keurmerken............................................................ 16
    Effectiviteit ................................................................................................... 16
    De rol van de overheid ................................................................................... 16
4.3 Consumentenbewustzijn ................................................................................. 17
    Educatie ....................................................................................................... 17
    Het groene onderwijs en de productieketens...................................................... 17
5. Toekomstvisie ............................................................................................... 19
    Overheidstaken ............................................................................................. 19
Bijlage 1: Literatuurlijst....................................................................................... 21
RDA/2012/01                               Winstgevend Welzijn                                               4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Leeswijzer
Hoofdstuk 1 vat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen samen. Hoofdstuk
2 behandelt de aanleiding en de inkadering van deze zienswijze, waarna
Hoofdstuk 3 ingaat op het innovatiebeleid in de agrofoodsector, met meer
aanbevelingen ten aanzien van de innovatierichting en de innovatieprocessen. In
Hoofdstuk 4 komt de marktwerking in de agrofoodsector aan de orde, met
aanbevelingen    op   het   gebied    van conceptdenken,      keurmerken     en
bewustwordingsbevordering. Hoofdstuk 5 schetst tot besluit hoe de Raad de
toekomst ziet, met nadruk op de rol van de overheid en de wijze waarop zij
daaraan invulling zou moeten geven.
RDA/2012/01                     Winstgevend Welzijn                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1. Samenvatting
De toekomst van de sterk op export gerichte Nederlandse veehouderij ligt niet in
de gangbare bulkproductie tegen wereldmarktprijzen. Ze ligt in het vinden,
bedienen en uitbouwen van marktsegmenten die bovengemiddeld belang
hechten aan duurzaamheid, inclusief een hoog niveau van dierenwelzijn. Ze
hangt af van het stimuleren van een nieuwe productbeleving en het vermarkten
van innovatieve producten als onderscheidende merken die passen bij deze
nieuwe productbeleving, met een perspectief op economische meerwaarde voor
alle delen van de keten en zonder aan concurrentiekracht in te boeten.
De Raad is ervan overtuigd dat deze omschakeling naar gedifferentieerde
productie voor toegevoegde waarde het snelst en het best gaat door het
stimuleren van particuliere initiatieven op de vrije markt. Op de vrije markt
kunnen en zullen nieuwe concepten het best, het snelst en met het breedste
draagvlak worden ontwikkeld en weggezet. Daaruit vloeit de centrale
vraagstelling van deze zienswijze voort:
   Hoe kan de overheid bevorderen dat via marktwerking het dierenwelzijn in
    de diverse schakels van de productieketens toeneemt?
Het antwoord op die vraag luidt: Door
   dierenwelzijn als community-shared-value 1 , in een nieuwe productbeleving te
    integreren;
   de duurzaamheidsdoelen, inclusief dierenwelzijn, voor de veehouderijketens
    te verduidelijken, aan te scherpen en consistent in beleid te hanteren;
   innovatie als integraal ketenproces te bevorderen;
   toe te werken naar de verwezenlijking van één goed geborgd keurmerk voor
    dierenwelzijn, wat vervolgens op Europees niveau doorontwikkeld kan
    worden;
   verhoging van de Europese minimumnormen voor dierenwelzijn te blijven
    stimuleren.
Nu al ontstaan veel innovatieve oplossingen en vernieuwingen in de
agrofoodsector zelf. Desondanks halen de innovatieve producten met een
dierenwelzijn-plus over het algemeen nog geen robuuste marktaandelen. Om
daar verandering in te brengen moet het onderzoek zich niet vooral richten op
nieuwe technieken, maar moet de focus verschuiven naar het proces van
productie tot en met afzet en naar productbeleving. Wetenschappelijke kennis
moet meer toegepast worden, onder meer door vertaling voor en verspreiding
ervan in de praktijk. Al dan niet vermeende conflicten tussen bijvoorbeeld
dierenwelzijn, milieu- en volksgezondheid in bestaande innovatieve systemen
moeten worden opgelost. De gezamenlijke ketenpartners benutten deze kennis
bij het ontwikkelen van nieuwe producten en de productbeleving die daar bij
past.
1
   “Corporate policies and practices that enhance competitiveness of the company while
simultaneously advancing social and economic conditions in the communities in which it sells and
operates”, prof. M. Porter, (Dutch Sustainable Trade Initiative Video Conference, New York, NY
December 15, 2011).
RDA/2012/01                            Winstgevend Welzijn                                     6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Innovatiebevordering betekent ook het wegnemen van belemmeringen door
vergunningprocedures        voor     duurzamere      veehouderijconcepten        te
vereenvoudigen en te verkorten, en door afdekking van ontwikkel- en
implementatierisico’s. Niet alleen de technische ontwikkeling is risicovol, ook het
aansluiten op een marktsegment, de juiste beleving, introductie en uitrol.
Kennis over en bewustzijn van wat er in de veehouderij omgaat, laat bij
consumenten ernstig te wensen over. Het is belangrijk dat burgers al op jonge
leeftijd in het (basis-) onderwijs meer leren over dierhouderij en dierenwelzijn.
Degenen die in de agrofoodsector werken, dienen een beter besef te ontwikkelen
van de behoeften van dieren, van dierenwelzijn en van het belang dat de
hedendaagse Nederlandse maatschappij daar aan hecht. Daartoe zijn
aanpassingen van en integratie van de wetenschappelijke en beroepsopleidingen
noodzakelijk.
Voor keurmerken dient de overheid grondregels op te stellen, zodat de
consument zeker weet dat zijn besluit tot aankoop daadwerkelijk bijdraagt aan
beter dierenwelzijn. Deze grondregels betreffen meetinstrumentarium en het
keurmerksysteem; de te stellen criteria blijven een zaak van de
keurmerkhouder.
De afzetzekerheid van in Nederland geproduceerde producten met een plus op
het gebied van dierenwelzijn is ook gediend met het streven naar één breed
gedragen keurmerk op Europese schaal – in eerste instantie in Noordwest-
Europa, waar zich nu al een voor het welzijnsargument gevoelige markt begint af
te tekenen. Zo ontstaat een nieuwe standaard, die ook het exporteren en te
gelde maken van de voorhoedepositie van de Nederlandse duurzame
veehouderij als kennis- en kwaliteitsproduct mogelijk maakt.
Door zich in te zetten voor verantwoorde verhoging van de Europese wettelijke
minimumniveaus kunnen de nieuw ontwikkelde concepten worden verankerd in
wet-     en   regelgeving    en    verwerft   de   Nederlandse      agrofoodsector
concurrentievoordeel. Bovendien draagt dit bij aan de rol van Nederland als
gidsland voor dierenwelzijn.
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2. Inleiding
De roep om verbetering van het welzijn van dieren in de veehouderij blijft in
Nederland hoog op de politieke en maatschappelijke agenda staan. De Raad voor
Dierenaangelegenheden constateert dat onze maatschappij met klem vraagt om
niveaus van dierenwelzijn die hoger liggen dan het huidige wettelijke, op
Europese normen gebaseerde minimumniveau, terwijl de Nederlandse
veehouderij voornamelijk produceert voor de in hoofdzaak Europese
internationale markt.
De grote belangen die met de veehouderijsector samenhangen rechtvaardigen
dat met grote inzet manieren gezocht worden om de betere niveaus van
dierenwelzijn die de samenleving wenst te realiseren, zonder daarbij aan
concurrentiekracht in te boeten. Hoe dat zijn beslag kan krijgen, is het
onderwerp van deze zienswijze.
De aanbevelingen in deze zienswijze zijn in de eerste plaats aan de overheid
gericht, maar daarnaast ook, waar van toepassing, aan de andere bij de
productieketens betrokken partijen. Voorts richt de Raad zich uitdrukkelijk op
factoren die overheid, veehouders, retailers en andere ketenpartijen en NGO’s
zelf kunnen beïnvloeden, en niet op minder grijpbare factoren als tijdgeest,
cultuur en conjunctuur.
Morele vragen en eisen vanuit de samenleving
In 2010 presenteerde de Raad in haar Agenda voor het Dierbeleid (RDA, 2010)
het Afwegingsmodel voor Dierbeleid (Afbeelding 1) met daarin de drie
fundamentele morele vragen die de dierhouderij beheersen:
    Mogen wij dieren houden?
    Voor welke doeleinden mogen wij dieren houden?
    Hoe mogen we dieren houden?
Het is in Nederland algemeen geaccepteerd dat we dieren houden om voedsel
voor de mens te produceren in de vorm van dierlijke eiwitten. Dat is het
uitgangspunt van het beleid van het ministerie van EL&I en van deze zienswijze
van de RDA. Op die basis formuleerde de Raad de volgende drie specifieke
morele vragen:
   I.   Staat erkenning van de intrinsieke waarde van het dier op gespannen
        voet met zijn bestaan als product?
  II.   Staat de wens van de mens om dierlijke eiwitten te produceren op
        gespannen voet met de wens om dierenwelzijn op een hoog niveau te
        waarborgen?
 III.   Staat het belang van de Nederlandse veehouderij- en foodsector op
        gespannen voet met de Nederlandse maatschappelijke wens om
        dierenwelzijn op een hoog niveau te borgen?
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De positie van de productieketens
De Raad constateert dat het vooral de specifieke context waarbinnen de
Nederlandse veehouderij opereert is, die deze vragen oproept. Het is een
economisch belangrijke, grotendeels op export gerichte sector die internationaal
moet concurreren, waardoor het welzijn van de dieren onder druk komt te staan.
Tegelijkertijd werkt de sector binnen een verstedelijkte, relatief goed opgeleide
en welvarende samenleving met nog maar weinig kennis van en affiniteit met de
veehouderij, maar met een grote aandacht voor het welzijn van dieren.
Afbeelding 1: Afwegingsmodel voor dierbeleid:
Morele vragen en Dilemma’s rondom de Nederlandse veehouderij anno 2012
          Afwegingsmodel                          Fundamentele morele vragen
                  voor                             Mogen we dieren houden?
  Winstgevend Dierenwelzijn
         Aan de hand van:
                                                   Zo ja, voor welke doeleinden
                                                   mogen we dieren houden?
   Maatschappelijke Moraal
   Breed gedragen en idealiter
   gebaseerd op:
      Intuïties                                   Op welke wijze mogen we dieren
      Principes                                   houden?
      Feiten
         en
                                                Specifieke morele vragen:
   Wetenschappelijke
                                                  Indien wij dieren voor productiedoel-
   kennis(relevant en actueel)                     einden     mogen    houden,   staat de
                                                   intrinsieke waarde van het dier dan op
                                                   gespannen voet met zijn waarde als
         worden belangen gewogen                   ‘product’?
                                                  Staat de wens van de mens om dierlijke
 Onder andere:                                     eiwitten te produceren op gespannen
    Economische belangen                          voet met de wens om dierenwelzijn op
    Dierenwelzijn (incl. -gezondheid)             een hoog niveau te waarborgen?
    Mensenwelzijn                  (incl
     voedselzekerheid)                            Staat het belang van de Nederlandse
    Milieu                                        veehouderij-     en     foodsector  op
    Individuele Gezondheid                        gespannen voet met de Nederlandse
                                                   maatschappelijke wens om dierenwelzijn
    Volksgezondheid (Global Health)               op een hoog niveau te borgen?
RDA/2012/01                         Winstgevend Welzijn                                 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>De centrale vraag
De Raad is ervan overtuigd dat de economische belangen van de Nederlandse
agrofoodketens verenigbaar zijn met de maatschappelijke vraag naar beter
dierenwelzijn, en ziet innovatie, marktwerking en het creëren van meerwaarde
als de belangrijkste en snelst werkende instrumenten om dat doel te bereiken.
Daarmee is de RDA overigens niet de eerste, noch staat hij daarin alleen. De
centrale vraag in deze zienswijze is dan ook:
    Hoe kan de overheid bevorderen dat via marktwerking het dierenwelzijn in
     de diverse schakels van de productieketens toeneemt?
Bijlage 1 bevat een bloemlezing uit de vele door de Raad geraadpleegde
rapporten en adviezen hierover die in de afgelopen decennia verschenen zijn.
Zelf maakte de Raad in zijn zienswijze Verantwoord Houden al onderscheid in
minimum- en plusnormen voor dierenwelzijn en duidde hij de rollen en
verantwoordelijkheden die de verschillende actoren ten aanzien van
dierenwelzijn hebben. In de Agenda voor het Dierbeleid adviseerde de Raad ten
aanzien van marktwerking in de dierhouderij onder andere:
1. De overheid dient een goed gereflecteerde afweging te maken welke positie
     zij wil en kan innemen ten aanzien van marktwerking in de dierhouderij.
2. Enerzijds is het wenselijk dat burgers zich bewust worden van de knelpunten
     in gangbare dierhouderijpraktijken en van hun eigen mogelijkheden om via
     bewust aankoopgedrag daar wat aan te doen. Anderzijds is het bezwaarlijk
     om dierhouderijpraktijken die de geldende regels in acht nemen te
     diskwalificeren.
3. Aan de hand van het Afwegingsmodel voor Dierbeleid dient in beeld te
     worden gebracht welke effecten de keuze voor of tegen marktwerking in de
     dierhouderij     heeft   op    alle   gerelateerde    aspecten,    waaronder
     voedselzekerheid, voedselveiligheid, dierenwelzijn en economie.
In algemene zin adviseerde de Raad dat ten behoeve van transparantie en
consistentie van haar beleid de overheid zich zou moeten bedienen van een
openbaar, transparant en integraal ‘Afwegingsmodel voor Dierbeleid’.
Op weg naar oplossingen: innoveren en vermarkten
De weg naar oplossingen begint ermee dat we de problematische context van de
Nederlandse veehouderij ombuigen naar een pluspunt. Een eerste stap in die
richting is het stimuleren van innovaties die het welzijnsniveau verbeteren, zoals
de Rondeelstallen voor pluimvee, de Comfort Class-stallen voor varkens, de
vrijloopstallen voor koeien en Comfort Class-transportauto’s. De volgende stap is
het vermarkten van het hogere welzijnsniveau middels nieuwe productconcepten
die aantrekkelijk zijn voor grote groepen consumenten zoals het Rondeel-ei of
premiumproducten van huis- en A-merken zoals scharrelkip van AH,
scharrelrookworst van Unox en kalfsvlees van Peter’s Farm. Het gaat om
innovaties die een voldoende groot aandeel in de internationale markt kunnen
veiligstellen en economisch perspectief bieden voor álle schakels in de
productieketen. Dat laatste kan een hoger inkomen betekenen, maar naar de
mening       van    de   Raad    ook    meer   inkomenszekerheid     of  prettiger
werkomstandigheden bij gelijkblijvend inkomen.
RDA/2012/01                        Winstgevend Welzijn                          10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3. Innovatie
In de afgelopen 25 jaar is stap voor stap een tamelijk helder en consistent beeld
ontstaan over waar het op de lange termijn met de Nederlandse veehouderij
heen moet. al in 1989 adviseerde de Commissie Van der Stee overschakeling
van laagwaardige bulkproductie naar “productie met toegevoegde waarde” 2 . In
2001 kwam daar duurzaamheid als doelstelling bij 3 , en in 2011 en 2012 de
noodzaak van omschakeling naar generieke duurzame productie voor de
Nederlandse markt 4 . Deze adviezen zijn voor een deel door de overheid
overgenomen.
3.1     De gewenste ontwikkelingen en de praktijk
De stand van zaken
Nog ten tijde van het kabinet Balkenende IV (2007-2010) vervulde de overheid
een stimulerende en faciliterende rol bij het verbeteren van dierenwelzijn in de
veehouderij tot bovenwettelijke niveaus, maar sinds het aantreden van het
kabinet Rutte in 2010 heeft de overheid zich teruggetrokken en weer “alles aan
de markt gelaten”. Ondanks het succes van het Beter Leven-keurmerk lijkt de
markt op eigen kracht nog onvoldoende in staat het dierenwelzijn structureel te
verbeteren. De Raad constateert dat nieuwe producten met een bovenwettelijk
welzijnsniveau weliswaar af en toe met succes in de markt worden gezet, maar
dat het opschalen naar substantiële volumes meestal niet lukt. De ambities die
spraken uit de visies van Van der Stee en Wijffels worden in de praktijk niet
waargemaakt. Om over de visie van Van Doorn, Alders, of over
marktvoornemens zoals van het CBL te oordelen, is het nog te vroeg.
Deze stand van zaken vraagt van de Nederlandse overheid dat ze betere kansen
schept voor innovatie en verbetering van het welzijn van dieren in de
veehouderij. Maar ook dat de ketenpartijen in de sector die kansen vaker en
beter benutten. De Raad constateert dat er zowel vanuit maatschappelijk als
wetenschappelijk oogpunt voldoende duidelijkheid is over de meest wenselijke
koers. Het is nu aan de overheid om de gewenste ontwikkelingen praktisch te
realiseren en toekomstbestendig te maken.
De eerste stap
Een noodzakelijke eerste stap is dat de overheid de duurzaamheidsdoelstellingen
duidelijker formuleert, in samenspraak met de stakeholders (bedrijfsleven én
NGO’s). In verband met bijvoorbeeld de renovatie van stallen hebben
ondernemers behoefte aan een heldere visie voor de komende tien jaar en een
langetermijnperspectief voor de tien tot vijftien jaar die daarop aansluiten, in
verband met bijvoorbeeld de nieuw- of herbouw van stallen. Zo’n
langetermijnvisie vormt, mits wetenschappelijk onderbouwd en maatschappelijk
geaccepteerd, de license to produce van de agrofoodsector en biedt de
ondernemers continuïteit.
2
  Om schone zakelijkheid, Cie. Van der Stee (1989)
3
  Toekomst voor de veehouderij, Cie. Wijffels (2001)
4
  Onder andere Al het vlees duurzaam, Cie. Van Doorn (2011); Van mega naar
beter, Cie. Alders (2011) en Duurzaamheid, innovatie en risico’s, LEI (2011)
RDA/2012/01                      Winstgevend Welzijn                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>3.2     Innovatieprocessen
Innovatie is meer dan het ‘aanbodsgericht’ ontwikkelen van nieuwe technieken,
en omvat ook het bedenken, concretiseren en tot staande praktijk maken van
nieuwe werkwijzen, diensten en goederen. Nieuwe ideeën en daaruit ontwikkelde
praktische concepten ontstaan meestal in niches waar vernieuwers actief zijn en
daar waar verschillende partijen met elkaar samenwerken en overleggen.
Een belangrijk struikelblok vormt de marktontwikkelingsfase: het daadwerkelijk
introduceren en het opschalen naar het niveau waarop robuuste volumes
gerealiseerd kunnen worden. Hier spelen ook de dominante gevestigde
marktpartijen een belangrijke rol 5 . Bij innovatie- en marktontwikkelingprocessen
is het van belang dat er ruimte en steun is voor alle partijen en niet alleen voor
de gevestigde orde. Of het komt tot een samenwerking tussen nieuwe en/of
kleinschalige partijen met de grootschalige gevestigde partijen is een zaak van
de markt. Ruimte bieden aan en faciliteren van open innovaties en
marktontwikkelingsprocessen zijn belangrijke taken voor de overheid. Het
Topsectorenbeleid voor de Agrofoodsector moet zo worden aangescherpt dat
vernieuwers nadrukkelijk ruimte geboden wordt en dat productief contact met de
gevestigde orde wordt bevorderd. Overigens mag van de overheid verwacht
worden dat zij in haar voorlichtingsprogramma’s aantoonbaar innovatieve
projecten positief ondersteunt.
Kennis en opschaling naar de praktijk
Er is op het gebied van de veehouderij voldoende technisch-wetenschappelijke
kennis voorhanden om nu belangrijke stappen te zetten naar een beter
welzijnsniveau van dieren. Wat onvoldoende lukt, is dat opschalen: het vertalen
van die mede dankzij steun van de overheid verworven kennis naar de praktijk.
Nederland behoort op dat gebied allang niet meer tot de koplopers. 6
Bij het toepasbaar maken van reeds verworven kennis voor innovatieprocessen
kan de overheid haar investeringen beter laten renderen. Bijvoorbeeld door een
belangrijk deel van het huidige en toekomstige R&D-budget binnen het
topsectorenbeleid in de Agrofoodketen daarvoor te oormerken. Maar ook door
openheid te bevorderen en ervoor te zorgen dat kennis en regelingen voor alle
betrokkenen toegankelijk zijn. De resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat
in opdracht en geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid is verricht,
moeten voor iedereen gemakkelijk en overzichtelijk toegankelijk zijn. Dat geldt
trouwens ook voor de inhoud en doelstellingen van programma’s en initiatieven
van de ministeries van EL&I, I&M en VWS.
Onder deze omstandigheden moet onderzoek zich ook in belangrijke mate
richten op het opsporen en oplossen van conflicten en dilemma’s tussen het
welzijn van dieren enerzijds en anderzijds het belang van het milieu, de
volksgezondheid en wat dies meer zij, die innovatieve productieconcepten met
zich kunnen meebrengen.
5
  Van onderstroom naar draaggolf, Rotmans (2007)
6
  Dit geldt voor kennisvalorisatie in den breedte, zie: De innovatie vernieuwd,
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2008)
RDA/2012/01                      Winstgevend Welzijn                            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Tempo
In elk geval ontbreekt het momenteel nog aan tempo. Niet alleen moet de
doorlooptijd van innovaties fors omlaag, ook moet het aantal innovatieve
producten dat de markt bereikt omhoog. Daaraan kan de overheid een
doorslaggevende bijdrage leveren, bijvoorbeeld door:
   de regels te vereenvoudigen, bijvoorbeeld voor het realiseren van
    innovatieve stalconcepten;
   de doorlooptijd voor vergunningen te maximeren op 6 maanden als een
    veehouder aantoont dat zijn nieuwe concept in aanmerking komt voor een
    dierenwelzijnskeurmerk dat voldoet aan door de overheid gestelde
    grondregels;
   dierenwelzijn op één lijn te stellen met milieu en ruimtelijke ordening bij het
    verlenen van vergunningen bij oprichting of wijziging van een
    veehouderijbedrijf: de milieu-effectrapportage moet een maatschappelijk-
    effectrapportage 7 worden.
Overheidssteun nu en straks
Momenteel is overheidssteun voornamelijk gericht op directe financiële
ondersteuning van ondernemers via complexe en nog onvoldoende bekende
stimuleringsregelingen. Dat moet volgens de Raad anders. De regelingen moeten
eenvoudiger, duidelijker en overzichtelijker worden, maar er valt voor de
overheid ook winst te behalen door:
   Het verminderen van het ondernemersrisico bij innovatie, pilotprojecten en
    het algemeen ingang doen vinden van een innovatief concept;
   In te calculeren dat er vaak vele mislukkingen nodig zijn om tot vernieuwing
    te komen. Mislukking is inherent aan innovatie, overheidssteun zorgt dat er
    toch een goede voedingsbodem voor het ontwikkelen van nieuwe ideeën
    blijft.
Een revolving fund voor het afdekken van opstartrisico’s, zoals het per 1 januari
2012 bestaande Innovatiefonds MKB+, zou daar een geschikt instrument voor
kunnen      zijn.   De    Raad      adviseert    de   overheid     de    mogelijke
stimuleringsmaatregelen die passen bij reduceren van risico’s van innovatoren in
de verschillende fase van het innovatieproces te inventariseren en beoordelen op
hun effectiviteit.
De rol van nationale wet- en regelgeving
Natuurlijk dient de overheid de minimumnormen voor dierenwelzijn wettelijk
vast te leggen en te handhaven. Maar van verdergaande wet- en regelgeving
valt betrekkelijk weinig te verwachten. De ontwikkelingen in markt en
maatschappij gaan zo snel, dat wetgeving daar onvermijdelijk jaren bij
achterloopt. Tegelijkertijd is er een tekort aan handhavingscapaciteit voor de
bestaande wetgeving. Bovendien lopen de maatschappelijke waarden en normen
– en daarmee de ambities op het gebied van dierenwelzijn – in Europa sterk
uiteen.
7
   Met een helder toetsingskader ter beoordeling           van   o.a.  de  milieu-,
dierenwelzijn-, dier- en mensgezondheidseffecten.
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>De beëindiging van het castreren van beerbiggen inclusief de uitrol van dit
Nederlandse initiatief in Europa, is een goed voorbeeld van hoe snel
maatschappelijke ontwikkelingen zonder overheidsdwang kunnen leiden tot
verbetering van het welzijn van dieren. De overheid zou zich daarom op
nationaal niveau vooral moeten richten op:
   het wegnemen van belemmeringen voor het ontwikkelen en invoeren van
    productiewijzen met een bovenwettelijk welzijnsniveau;
   het voorkómen van het ontstaan van nieuwe stapelende, elkaar
    overlappende en zelfs tegensprekende regels;
   het in dat verband zorgen voor een betere afstemming tussen Rijk,
    provincies en gemeenten.
Het Europese speelveld: hoger plan en concurrentievoordeel
Parallel aan het stimuleren van innovatie in eigen land moet de overheid gedurig
werken aan verhoging van de minimumniveaus van dierenwelzijn in de Europese
regelgeving. Op die manier raakt de door private initiatieven geboekte
welzijnswinst verankerd in de publiekrechtelijke regelgeving. Daarmee maakt
Nederland niet alleen zijn verantwoordelijkheid waar als gidsland op het terrein
van dierenwelzijn, maar worden ook de innovatieve voorlopers beloond – in het
onderhavige     geval    de    Nederlandse      agrofoodsector   –   met    een
concurrentievoordeel gedurende de overgangsperiode naar het van kracht
worden van Europese regels. Dat gebeurde bijvoorbeeld al bij de verplichting
voor groepshuisvesting van kalveren en bij het onlangs ingevoerde Europese
verbod op legbatterijen.
RDA/2012/01                      Winstgevend Welzijn                         14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4. Marktwerking en meerwaarde
Innovatieve vindingen doen en die rijp maken voor de praktijk is maar de helft
van het verhaal. De diervriendelijker producten die eruit voortvloeien moeten
ook hun weg vinden naar de consument. Pas als de consumentenvoorkeur
economisch voordeel oplevert voor de vooroplopende partijen in de
productieketen, gaat marktwerking als katalysator fungeren voor initiatieven
voor verdere verbetering van het welzijnsniveau van dieren.
4.1     Consumentengedrag en meerwaarde
Uit diverse onderzoeken is komen vast te staan dat de dagelijkse boodschappen
een zaak van routine zijn. Marketing kan die routine met behulp van duidelijke
productconcepten beïnvloeden, bijvoorbeeld huismerk tegenover A-merk,
Rondeel of Puur& Eerlijk. Een keurmerk als Label Rouge, biologisch of Beter
Leven kan als onderdeel van zulke concepten bovenwettelijk dierenwelzijn beter
vermarktbaar maken.
Vooralsnog is het element dierenwelzijn bij aankoopbeslissingen voor de meeste
consumenten van ondergeschikt belang. Verschillen twee producten alleen in
prijs, dan kiest men het goedkoopste. De kansen van in termen van
dierenwelzijn hoogwaardiger producten stijgen als ook andere factoren positief
bijdragen aan de beleving van de consument. De synergie die optreedt tussen
verschillende duurzaamheidsdoelstellingen helpt daarbij een handje: in de
praktijk neemt in sommige moderne duurzame houderijsystemen niet alleen het
welzijn van de dieren toe, maar kan tegelijk ook (nagenoeg) antibioticumvrij
geproduceerd worden.
In de Europese en wereldmarkt wordt dierenwelzijn op zichzelf nu (nog) niet als
economische       meerwaarde     gezien.    Over    het    algemeen    brengen
welzijnsverbetering wel hogere kosten met zich mee. Daarom is het niet
verstandig om de welzijnseisen over de hele linie van de Nederlandse
veehouderij dwingend te verhogen. Beter is marktsegmentatie, waarbij
specifieke totaalconcepten met een bovenwettelijk welzijnsniveau in de markt
gezet worden naast bestaande standaardproductlijnen. Het is daarbij
nadrukkelijk de bedoeling dat deze nieuwe marktsegmenten snel voldoende
omvang krijgen, zodat op termijn het hogere dierenwelzijnniveau de standaard
voor productie in Nederland wordt.
Internationale markten en samenwerking
De nu gangbare bulkproductie tegen wereldmarktprijzen is niet verenigbaar met
bovenwettelijke niveaus van dierenwelzijn. De toekomst van de Nederlandse
veehouderij ligt in het vinden en bedienen van marktsegmenten die meer belang
hechten aan duurzaamheid, inclusief beter dierenwelzijn. Zo’n markt begint zich
in het noordwestelijke deel van Europa af te tekenen. De Raad verwacht dat o.a.
het NWO- project Mobilizing the latent consumer demand for animal welfare
friendly products daarover in de komende twee jaar meer duidelijkheid zal
verschaffen.
RDA/2012/01                      Winstgevend Welzijn                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Het ontwikkelen van voor dat Noordwest-Europese marktsegment geschikte
totaalconcepten staat of valt met twee voorwaarden:
   Een overheid die vooral open, internationale concepten ondersteunt, plus
    nationale initiatieven die naar internationaal niveau kunnen worden
    opgeschaald.
   Samenwerking van alle ketenpartijen, hun toeleveranciers en hun adviseurs:
    veevoerbedrijven, stallenbouwers, producenten van uitgangsmateriaal,
    veehouders, financiers, dierenartsen, overige adviseurs, vleesverwerkers,
    detailhandels-, horeca- en cateringbedrijven en consumenten met
    medewerking van de NGO’s
Voor alle partijen in de productieketen moet er meerwaarde zijn te behalen. Die
kan bestaan uit hogere inkomsten, maar ook de vorm aannemen van grotere
continuïteit, behoud van marktaandeel, meer arbeidsvreugde en een betere
maatschappelijke acceptatie van de dierhouderijsector in Nederland.
4.2     De aard en effectiviteit van keurmerken
De kracht van een merk is dat het de consument een bepaald gevoel geeft bij
het product: status, clubgevoel, vertrouwdheid, betrouwbaarheid, traditie en zo
voort. Het Rondeel-ei is een voorbeeld van zo’n merk, net zoals Albert Heijn
(scharrelkip) en Unox (scharrelrookworst). Een keurmerk geeft vertrouwen dat
een (merk)product een bepaalde geclaimde kwaliteit ook werkelijk bezit. Ten
aanzien van dierenwelzijn is Beter Leven een zuiver voorbeeld van een
keurmerk. Keurmerken als Biologisch en Label Rouge worden ook ervaren als
merk.
Effectiviteit
Een keurmerk is alleen effectief als het gemakkelijk herkenbaar is, eenduidig
ergens voor staat en door de consument vertrouwd wordt. Beter Leven is een
goed voorbeeld: het gaat duidelijk over beter dierenwelzijn dan het wettelijk
minimum, en de consument heeft er vertrouwen in.
In het beste geval is er naar de overtuiging van de Raad één keurmerk voor
dierenwelzijn, waarbinnen ruimte kan zijn voor verschillende niveaus. Dan is
voor de consument steeds duidelijk of een product aan bepaalde eisen ten
aanzien van het dierenwelzijn voldoet.
De rol van de overheid
De betrokkenheid van de overheid bij een keurmerk blijft beperkt tot vijf dingen:
   het vaststellen van grondregels;
   het ontwikkelen van een meet- en waarderingssysteem voor dierenwelzijn;
   het bevorderen van acceptatie van het keurmerk op Europees niveau;
   het bevorderen van het gebruik ervan in andere (Europese) landen;
   het uitdragen in communicatie- en voorlichtingsprogramma’s.
De grondregels maken dat de consument een keurmerk als toetssteen kan
hanteren. Ze betreffen dus het systeem achter het keurmerk, niet de criteria
zelf. Zo moet de overheid garanderen dat welzijnscriteria wetenschappelijk
onderbouwd zijn, dat er voldoende vaak geïnspecteerd wordt en dat certificatie
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                          16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>onafhankelijk geschiedt. Maar het is aan de keurmerkhouder om te bepalen aan
welke criteria voldaan moet worden. Ook verdient het aanbeveling dat de
overheid periodiek vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid laat
onderzoeken in hoeverre een keurmerk het dierenwelzijn daadwerkelijk
bevordert.
Om te kunnen spreken van ‘beter’ dierenwelzijn is het nodig om op eenduidige
en betrouwbare wijze dierenwelzijn te kunnen meten en deze metingen
vervolgens te waarderen (van waarde te voorzien) in een bijbehorend
afwegingsmodel.
Het bevorderen van de acceptatie van een keurmerk op Europees niveau, zoals
de overheid dat destijds voor het nationale gezondheidslogo heeft gedaan is, net
als bevordering van het gebruik ervan in het buitenland, van groot belang. Door
het uitdragen van een dierenwelzijnskeurmerk ontstaat een nieuwe standaard
voor de Europese markt, die goed is voor de afzet van Nederlandse producten
met een plus ten aanzien van dierenwelzijn. Ook helpt het om de voorsprong
van de Nederlandse veehouderij op het gebied van duurzaamheid als
kennisproduct te exporteren en te gelde te maken.
4.3      Consumentenbewustzijn
Marketing- en voorlichtingsactiviteiten kunnen alleen het beoogde effect
bereiken bij een voldoende mate van consumentenbewustzijn: kopers moeten
voldoende weet hebben van wat er achter hun aankoop schuilgaat. Van hoe
dieren gehouden worden, welke behoeften dieren hebben en hoe de
maatschappij tegen de omgang met dieren aankijkt.
Educatie
Uit diverse onderzoeken is gebleken dat mensen vinden dat het met hun kennis
over dierhouderij en dierenwelzijn slecht gesteld is. De plaats bij uitstek om de
basis te leggen voor een toekomstig referentiekader dat goed genoeg is om
consumenten in staat te stellen verantwoorde aankoopbeslissingen te nemen, is
het (basis-)onderwijs. Hoewel het effect pas op langere termijn zichtbaar zal
zijn, ligt hier op de korte termijn een taak voor de overheid 8 .
Het groene onderwijs en de productieketens
Het huidige groene MBO- en HBO-veehouderijonderwijs is nog behoorlijk
traditioneel en gesloten. In de regel zijn bijvoorbeeld de op zorg gerichte
dieropleidingen strikt gescheiden van de op veehouderij gerichte opleidingen.
Ook de verbinding tussen “grijs” en “groen” laat te wensen over. Opleidingen op
het gebied van de horeca, levensmiddelentechnologie, slagersvakopleidingen en
detailhandel staan vrijwel geheel los van het groene onderwijs. Dit is niet
bevorderlijk voor de uitwisseling van cultuur, visies en ideeën over het houden
van dieren en belemmert het innovatief ketendenken onder huidige en
toekomstige veehouders en medewerkers en ondernemers in de detailhandel en
verwerkende industrie. Ook is het de vraag of toekomstige ondernemers in de
besloten omgeving van het groene veehouderijonderwijs voldoende kunnen
8
   Zie ook de eerdere aanbevelingen in Verantwoord Houden, RDA (2009) en
Agenda voor het Dierbeleid, RDA (2010)
RDA/2012/01                        Winstgevend Welzijn                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>worden voorbereid op hun latere rol in een kritische en pluriforme samenleving.
Er is dus behoefte aan:
   ontschotting, attitudeverandering en kennisontwikkeling in het groene
    onderwijs en, in het verlengde daarvan, de productieketens in het algemeen;
   druk van overheidswege op hervorming van het onderwijscurriculum ter
    zake;
   integratie van het groene en het daaraan gerelateerde grijze onderwijs;
   - te zijner tijd – het opheffen van de aparte categorie ‘Groen’ onderwijs.
RDA/2012/01                        Winstgevend Welzijn                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>5. Toekomstvisie
De Nederlandse agrofoodsector presteert wereldwijd op topniveau als het gaat
om efficiënt produceren en voedselveiligheid. De Nederlandse regering heeft
verklaard ook op andere gebieden tot de wereldtop te willen gaan behoren,
waaronder dierenwelzijn. 9
Dat vereist een versnelling van het verbeteren van niveaus van dierenwelzijn en
omschakeling van het produceren van generieke producten tegen
wereldmarktprijzen naar gedifferentieerde productie voor toegevoegde waarde.
Het is de overtuiging van de Raad dat die omschakeling het snelst zal
plaatsvinden door het stimuleren van particuliere initiatieven op de vrije markt.
Op de vrije markt kunnen en zullen nieuwe concepten het best, het snelst en
met het breedste draagvlak worden ontwikkeld en weggezet.
De rol van de overheid bij dat alles is belangrijk, maar ligt dus in eerste instantie
niet in het rechtstreeks ontwikkelen of ondersteunen van vernieuwende
concepten. Ze ligt bij uitstek wel in het bevorderen van kennis en bewustwording
van o.a. veehouders en consumenten en in het creëren van een
innovatievriendelijke omgeving op het gebied van dierenwelzijn en de marketing
ervan. De agrofoodsector moet de geboden kansen grijpen en maatschappelijk
geaccepteerde, diervriendelijke producten ontwikkelen die in een internationale
context leden tot een goed economisch perspectief voor alle ketenschakels.
Overheidstaken
In concreto staat de overheid bij het creëren van kansrijke omgevingen voor de
volgende taken:
   Bevordering van kennis en bewustzijn bij consumenten en veehouders,
    bijvoorbeeld door daarvoor ruimte te scheppen in het (basis-)onderwijs.
   Groen en grijs onderwijs integreren en in het aan de veehouderij
    gerelateerde onderwijs (groen en grijs MBO, HBO en Universitair onderwijs,
    Wageningen UR en de faculteit Diergeneeskunde UU) expliciet ruimte
    scheppen voor bewustwording en attitudeverandering op het gebied van
    dierenwelzijn en innovatie.
   Een duidelijke duurzaamheidsvisie schetsen, waaruit blijkt waar de
    ontwikkel- en innovatiekansen voor de dierhouderij liggen in samenwerking
    met het bedrijfsleven en NGO’s. Op den duur kan de agrofoodsector aan de
    hand daarvan een zowel maatschappelijk als economisch gedragen license to
    produce verwerven. Onderdeel van de duurzaamheidsvisie is een
    onderzoeksstrategie voor de lange termijn, gericht op het proactief oplossen
    van maatschappelijke problemen. De overheid maakt duidelijk wat zij
    dienaangaande doet en houdt vast aan de eenmaal ingezette strategie.
   In het onderzoek het accent verleggen naar een afzet- en
    ketengeoriënteerde aanpak. Daardoor komt bestaande kennis gemakkelijker
    en beter beschikbaar voor de praktijk, met meer en snellere innovatie van
    markt en producten als gevolg. Nieuw onderzoek moet zich ook richten op
    oplossingen voor conflicten tussen verschillende aspecten van duurzaamheid
    binnen innovatieve productieconcepten.
9
  Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid, Ministerie van EL&I (2012)
RDA/2012/01                       Winstgevend Welzijn                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre> Praktische belemmeringen verwijderen die grote en kleine innovators
  tegenkomen, bijvoorbeeld door vergunningsprocedures te vereenvoudigen,
  onnodig stapelende of zelfs tegenstrijdige regels en procedures af te schaffen
  en het ontstaan van nieuwe te voorkomen, onder meer door betere
  onderlinge afstemming tussen gemeentes, provincies en het rijk. Overwogen
  moet worden om de milieu-effect-rapportage om te zetten naar een
  maatschappelijk-effect-rapportage.
 Via Topsectorenbeleid een open innovatieve omgeving creëren met
  focus op marktsegmenten. Het vernieuwde Topsectorenbeleid biedt
  kansen om grote en kleine spelers, innovators, onderzoekers, uitvoerders,
  marketeers en NGO’s met elkaar in contact te brengen, mits de
  randvoorwaarden voor dit soort transitie- en innovatieprocessen goed worden
  ingevuld. De daarvoor benodigde kennis is ruim voorhanden. In het
  topsectorenbeleid moet meer ruimte worden gemaakt voor kleine innovators,
  voor meerdere nationale en internationale kennisinstellingen en voor
  maatschappelijke organisaties. Resultaten moeten zo veel als mogelijk
  publiek toegankelijk zijn.
 Risicodekking in plaats van adhoc inkomenssteun: De overheid heeft
  verschillende instrumenten (subsidies, regelingen) tot haar beschikking om
  de ontwikkeling en het in de praktijk brengen van innovaties te
  ondersteunen. Het is vruchtbaarder om overheidsgelden te besteden aan het
  afdekken van verschillende risico’s in verschillende fasen van ontwikkeling en
  implementatie dan ze aan te wenden voor rechtstreekse financiële steun voor
  ‘gangbare’ (basis)producten. De Raad adviseert de overheid om haar
  arsenaal aan instrumenten in dit licht te inventariseren, te evalueren en –
  waar nodig – aan te passen. Bovendien zou de overheid zich moeten inzetten
  om zo veel mogelijk EU-gelden die voor bovenstaande doelen geëigend zijn
  naar Nederland te halen en in te zetten ten behoeve van de omvorming van
  de veehouderijsectoren.
 Werken naar één Europees keurmerk voor dierenwelzijn in een zich al
  enigszins aftekenende Noordwest-Europese markt voor duurzamere
  agroproducten. Dat doet de Nederlandse overheid door met overheden uit
  andere landen duurzaamheidskeurmerken te valideren om zo draagvlak te
  verwerven in Europa.
RDA/2012/01                    Winstgevend Welzijn                            20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Bijlage 1: Literatuurlijst
- Abma, R., Briene, M., Buter, E., Overmars, K., Quist, J., Sloot, P., Verbeek,
  L., Maatschappelijke effecten van de intensieve veehouderij. Een vergelijking
  van productiesystemen. (2008)
- Alders, H., Van Mega naar Beter. Rapportage van de maatschappelijke
  dialoog over schaalgrootte en toekomst van de veehouderij (2011)
- Bakker, J., Monitor Duurzame Dierlijke Producten 2009, Diervriendelijke
  keuzes door consumenten. LEI (2009)
- Bakker, J.H., Bunte, F.H.J., Biologische internationale handel. LEI-rapport,
  (2009)
- Bakker, T., Dijk, S. van, Galen, M. van, Lauwere, C. de, Meulen, H. van der,
  Ruijs, M., Wolf, P. de, Duurzaamheid, innovatie en risico. Vier cases uit de
  agrarische sector. LEI-rapport 2011-078 (2011)
- Bartels. J., Fischer. A.R.H., Meeusen. M.J.G., Onwezen. M.C., Ronteltap. A.,
  Denken,       doen     en     duurzame      voeding.      Verschillen    tussen
  consumentengroepen. LEI-rapport 2010-060, (2011)
- Bellis, E., Are quality labels making their mark in the poultry industry?,
  Poultry International, 21 februari (2011)
- Berkhout, P., Esch, J.W.J., van, Massink, H.F., Poppe, K.J., Riphagen, H.J.,
  Timmers, J.C.M., In perspectief. Over de toekomst van de Nederlandse
  agrosector. LEI (2011)
- Berg, B. van den, Cornelisse, A., Dobbe, J., Dorland, N., Jong-Timmerman,
  A. de, Kossen, J., Mellema, D., Zaat, M., Ieder jaar een beter leven voor
  steeds meer dieren. Dierenbescherming, Jaarrapport Beter Leven kenmerk
  2007-2010. (2011)
- Beukers, R., Bolhuis, J., Galen, M. van, Knijff, A. van der, Verduurzaming
  voedselproductie. Inzicht in productie, import, export en consumptie van
  voedsel. LEI (2011)
- Bodde, R., Niet zeuren over prijzen. Boerderij 97 – no. 15 (10 januari 2012)
- Bolhuis, J., Bont, C.J.A.M. de, Galen, M. van, Coöperaties onder druk van de
  supermarktoorlog (2006)
- Bont, K. de, Dijk, S. van, Jongeneel, R., Smit, B., Wolf, P. de, Stimuleren van
  concurrentie en duurzaamheid bij nieuw Europees landbouwbeleid. LEI-
  rapport 2010-095 (2010)
- Bremmer, B., Hoste, R., Greef, K.H. de, Oosterkamp, E.B., Verkenning van
  dierlijke tussensegmenten in onze buurlanden. Duurzaam varkensvlees,
  pluimveevlees en eieren. LEI-rapport 2011-028 (2011)
RDA/2012/01                     Winstgevend Welzijn                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>- Buller, H., The marketing and communication of animal welfare: a review of
  existing tools, strategies and practice. European Animal Welfare Platform.
  University of Exeter (2010)
- Bunte, F.H.J., Galen, M.A. van, Goddijn, S.T., Kuiper, W.E., Macht en
  prijsvorming in agrofoodketens. LEI (2003)
- Bunte, F., Georgiev, E., Logatcheva, K., Meulen, B. van der, Mededinging en
  transparantie. Randvoorwaarden voor concurrentie en duurzaamheid. LEI-
  rapport 2011-050 (2011)
- Butter, F. den, Nederland mist handelsinnovatie. Trouw 10 augustus 2011
- Centrale     Organisatie    voor     de   Vleessector,    Dierenbescherming,
  Interprovinciaal Overleg, Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, Natuur &
  Milieu, Ministerie van EL&I, Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie,
  Nederlandse Zuivel Organisatie, Rabobank Nederland. Uitvoeringsagenda
  duurzame veehouderij. 2e voortgangsrapportage samenwerkingsverband
  (2011)
- De Cock Buning, prof. Tj. et al, Trendanalyse Denken over Dieren (2012)
- Deloitte, Branchegroep Retail, Consumentenonderzoek 2011 (2011)
- Deloitte, Consument besteedt weer meer aan duurzame producten in de
  supermarkt. Persbericht. 7 september 2011
- Doorn, van, Commissie, Al het vlees duurzaam. De doorbraak naar een
  gezonde, veilige en gewaardeerde veehouderij in 2020 (2011)
- Ennik, I., Erp, Lenny, van, Hopster, H., Meijberg, W., Poorthuis, M., Ruis, M.,
  Dierbare metgezellen. Domeinbeschrijving Dierenwelzijn. St. Veldwerk
  Nederland/WUR (2011)
- European Commission, Green Paper on promotion measures and information
  provision for agricultural products: a reinforced value-added European
  strategy for promoting the tastes of Europe (2011)
- Farm Animal Welfare Council (UK), Economics and Farm Animal Welfare
  (2011)
- Galen, M.A. van, Innovatie in de agrosector. LEI, (2011)
- Galen, M. Van, Innovatie: ontbreken financiering belangrijkste belemmering.
  LEI, Agri-Monitor, juni (2006)
- Galen, M. van, Verstegen, J., Innovatie in de agrarische sector. We kunnen
  er niet genoeg van krijgen! LEI-rapport, (2008)
- Galen, M. van, Vlist, A.J. van der, Innovatiemanagement en de rol van LNV.
  Inventarisatie van Studies en Aanbevelingen. LEI-rapport, (2005)
- Hoogendam, K., Wijk-Jansen, E. van, Winter, M. de, Vee in zicht. Boeren en
  burgers over transparantie in de veehouderij. LEI-rapport 2011-021 (2011)
RDA/2012/01                     Winstgevend Welzijn                           22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>- Immink, V., Ingenbleek, P., Vogelzang, T.A., Winter, M.A. de, ‘De prijs is
  onredelijk’: Over de verwaarding van duurzaamheid in de biologische
  zuivelsector. LEI-rapport 2008-007 (2008)
- Miele, M., Report concerning perceptions and atitudes towards farm animal
  welfare. European animal welfare platform. Cardiff University (2010)
- Ministerie EL&I, Naar de top. Het bedrijvenbeleid in actie(s) (2011)
- Ministerie van EL&I, Nota Dierenwelzijn en Diergezondheid (2012)
- Porter, prof. M., Dutch Sustainable Trade Initiative Video Conference, New
  York, NY December 15 (2011)
- Raad voor Dierenaangelegenheden, Verantwoord Houden (2009)
- Raad voor Dierenaangelegenheden, Agenda voor het Dierbeleid (2010)
- Raden voor de leefomgeving en infrastructuur, Het Europees landbouwbeleid
  als transitie-instrument voor de land- en tuinbouw (2011)
- Rotmans, prof. J.,Van onderstroom naar draaggolf (2007)
- Stee, commissie van der, Om schone zakelijkheid (1989)
- Stevenson, P., Reviewing the costs. The economics of moving to higher
  welfare farming. (2011)
- Topsector Agro&Food, Agro&Food: De Nederlandse groeidiamant (2011)
- Verhagen, M.J.M., Kabinetsreactie op SER-advies: Overheid én markt: Het
  resultaat telt! Voorbereiding bepalend voor succes (2011)
- Wetenschappelijke Raad voor integrale Duurzame Landbouw en Voeding,
  Naar een integrale benadering van duurzame landbouw en gezonde voeding
  (2011)
- Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, De innovatie vernieuwd
  (2008)
- Wijffels, commissie, Toekomst voor de veehouderij (2001)
- www.rondeel.org
- www.voedingscentrum.nl
RDA/2012/01                     Winstgevend Welzijn                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een raad van deskundigen die op verzoek van de
minister en staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en op eigen initiatief
adviseert over vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en dierethiek. De
Raad baseert zich daarbij op de meest recente wetenschappelijke, maatschappelijke en ethische
ontwikkelingen. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op
persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
Elke zienswijze van de Raad wordt voorbereid door een Forum. Een Forum bestaat uit raadsleden
met voor het vraagstuk relevante expertise, eventueel aangevuld met externe deskundigen. De
leden van het Forum dat deze zienswijze voor de Raad heeft voorbereid zijn in onderstaande lijst
met een asterisk gemarkeerd. Het Forum legt een concept zienswijze ter beoordeling voor aan alle
raadsleden. Het Forum stelt vervolgens, met inachtneming van de reacties uit deze Horizontale
Toetsing en in overeenstemming met de voorzitter van de Raad, de zienswijze vast. Een zienswijze
van de RDA is – daarmee – nadrukkelijk een product van de gehele Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestaat uit de volgende deskundigen:
De heer prof. dr. ir. J.A.M. van Arendonk                De heer drs. J. Kaandorp
Mevrouw dr. H.M.G. van Beers-Schreurs                    De heer prof. dr. F. van Knapen
De heer dr. F.W.A. Brom                                  De heer prof. dr. P.A. Koolmees
De heer W.H.B.J. van Eijk                                De heer ir. J. Lokhorst
Mevrouw prof. mr. A.A. Freriks                           Mevrouw prof. dr. F. Ohl, voorzitter
De heer prof. dr. L.J. Hellebrekers                      Mevrouw drs. P.I. Polman, MPH
De heer prof. dr. ir. W.H. Hendriks                      De heer ir. P. Poortinga *
Mevrouw dr. S.A. Hertzberger *                           De heer ir. F.C. van der Schans
Mevrouw J.E. Hesterman                                   Mevrouw dr. M.M. Sloet van
De heer A.J.M. van Hoof                                  Oldruitenborgh - Oosterbaan
De heer dr. ing. H. Hopster *                            De heer prof. dr. J.A. Stegeman
De heer prof. dr. ir. R.B.M. Huirne                      De heer ir. M.H.A. Steverink, MFM *
De heer ir. M.J.B. Jansen                                De heer H.W.A. Swinkels *
De heer prof. dr. ir. M.C.M. de Jong                     Mevrouw drs. H.M. van Veen *
Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman                         De heer P.J. Vingerling *
De heer J.Th. de Jongh                                   De heer W. Zwanenburg *
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl
Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden. U kunt zich tevens abonneren op
onze nieuwsbrief.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Postbus 20401
2500 EK ’s-Gravenhage
T: 070-3785266
www.RDA.nl
      RDA/2012/01                           Winstgevend Welzijn                               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>