<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>              Zorgplicht
               Natuurlijk
               Gewogen
                over het welzijn van
            semi- en nietgehouden dieren
                           RDA_2012-02
RDA_2012-02        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen 1/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>AANBIEDINGSBRIEF
                                                                 Den Haag, 12 november 2012
Excellentie,
Het welzijn van nietgehouden dieren staat de afgelopen jaren steeds meer in de publieke
belangstelling. Politieke debatten over het welzijn en het beheer van ‘wilde’ dieren in
gebieden als de Oostvaardersplassen, de Amsterdamse Waterleidingduinen en de Veluwe
laten zien dat het beheer van deze dieren niet langer uitsluitend een zaak van de biologen,
ecologen en terreinbeheerders is, maar dat de maatschappij daar nadrukkelijk in gekend wil
worden.
De decentralisatie en de privatisering van het natuurbeleid vragen meer inspanning van Rijk,
provincies en andere natuurbeherende organisaties om hun beleid dienaangaande goed op
elkaar aan te laten sluiten. Een gezamenlijk fundament en gedeelde uitgangspunten kunnen
daarbij helpen. Met de voorliggende zienswijze beoogt de Raad voor Dierenaangelegenheden
daar een aanzet voor te geven – in ieder geval met betrekking tot het diergerelateerde
gedeelte van het natuurbeleid.
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden bouwt voort op recente RDA-
zienswijzen over onze verantwoordelijkheden ten opzichte van gehouden dieren. Zorgplicht
Natuurlijk Gewogen laat zien hoe de daarin ingenomen standpunten vertaald kunnen en
moeten worden naar nietgehouden dieren, zodat we op een consistente wijze invulling
kunnen geven aan onze morele verantwoordelijkheid en de daaruit volgende zorgplicht voor
alle dieren – individueel én op groepsniveau.
De morele verantwoordelijkheid voor dieren is contextonafhankelijk en geldt dus evenzeer
voor gehouden als voor nietgehouden dieren. Tegelijkertijd spelen ‘houderij-contexten’ voor
de praktische invulling van onze zorgplicht een belangrijke rol. Enerzijds omdat deze de
omgevingsomstandigheden voor het dier in hoge mate bepalen, en anderzijds omdat de
praktische zorgplicht het resultaat is van een afweging van alle relevante aspecten, inclusief
de afweging van de belangen van mens en dier.
De Raad laat zien dat wij de invulling van onze zorgplicht over verschillende contexten heen
op dezelfde uitgangspunten kunnen baseren. Het aanpassingsvermogen van een dier (of
groep dieren) in relatie tot de uitdagingen die zijn omgeving biedt, staat hierbij centraal.
Het denkproces dat ten grondslag ligt aan deze zienswijze heeft een integraal kader voor het
duiden van dierenwelzijn en van de bijbehorende zorgplicht voor alle dieren opgeleverd. In
deze zienswijze gaan we vooral in op de toepassing van dit kader in de context van de semi-
en nietgehouden dieren. In een volgende zienswijze wil de Raad het integraal kader voor het
welzijn en de zorgplicht voor alle dieren in de volle breedte schetsen, met een bijbehorende
duiding van de daaruit volgende rollen en verantwoordelijkheden.
Met vriendelijke groet,
Prof. Dr. Frauke Ohl
Voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          2/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>INHOUD
1.      Samenvatting ................................................................................................... 4
2.      Inleiding .......................................................................................................... 8
   2.1    Centrale Vraag ............................................................................................... 8
   2.2    Aanleiding ..................................................................................................... 8
3.      Dierenwelzijn herzien ....................................................................................... 10
   3.1    Uitgangspunten ........................................................................................... 10
   3.2    Het concept Dierenwelzijn ............................................................................. 11
   3.3.   Welzijn en populaties .................................................................................... 12
   3.4    Welzijn en ‘Lijden’ ........................................................................................ 13
   3.5    Conclusies ................................................................................................... 13
4.      Morele verantwoordelijkheid en Zorgplicht .......................................................... 14
   4.1    Morele verantwoordelijkheid .......................................................................... 14
   4.2    Zorgplicht (inclusief Afblijfplicht) .................................................................... 15
   4.3    Conclusies ................................................................................................... 16
5.      Zorgplicht vormgeven ...................................................................................... 17
   5.1    Zorgplicht en Verantwoordelijkheid ................................................................. 17
   5.2    Lijden en zorgplicht ...................................................................................... 17
   5.3    Ex-ante evaluatie ......................................................................................... 21
6.      Praktijkvoorbeelden ......................................................................................... 22
   6.1    Een muis is een muis is een muis ................................................................... 22
   6.2    Muizen, muggen en amoeben......................................................................... 22
   6.3    Zwerfdieren ................................................................................................. 23
Bijlage I: Afwegingsmodel zorgplicht en (on)aanvaardbaar lijden .................................... 24
Bijlage II: Belangrijke definities.................................................................................. 25
Bijlage III: Totstandkoming zienswijze ........................................................................ 26
RDA_2012-02                              Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                              3/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1.      Samenvatting
De centrale vraag van deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden
(RDA) is wat de (morele) verantwoordelijkheid van mens en maatschappij ten
aanzien van het welzijn (inclusief de gezondheid) van nietgehouden dieren zou
moeten zijn; en op welke wijze we deze verantwoordelijkheid in de praktijk kunnen,
mogen en moeten vormgeven.
De Raad constateert dat er beleidsmatig – zowel centraal als decentraal – een strikte
scheiding tussen het beleidsdomein van de gehouden en van de nietgehouden dieren
gehanteerd wordt. De dieren in het nietgehouden domein worden vrijwel uitsluitend bezien
als onderdeel van ecosystemen en de zogeheten afblijfplicht is een dominante leidraad in dit
domein. Bij de gehouden dieren ligt de focus op het welzijn van het individuele dier en is de
zorgplicht dominant. De uitwisseling van kennis en de afstemming van doelstellingen tussen
beide domeinen is zeer beperkt, omdat de uitgangspunten en argumentatie vanuit het ene
domein vaak als contrair met de eigen doelstellingen ervaren wordt door het andere domein
– en vice versa.
De Raad constateert ook dat deze strikte scheiding van beleidsdomeinen en onderliggende
uitgangspunten in de praktijk steeds vaker tot vragen leidt. Zo worden gehouden dieren in
steeds grotere groepen gehouden waarin de zorg vooral op groepsniveau plaatsvindt. Ook
worden extensievere manieren om dieren te houden – zoals het uitscharen van runderen en
paarden in uiterwaarden – populairder. Tegelijkertijd worden dieren die formeel als
nietgehouden worden gezien in hun doen en laten steeds meer door de mens beïnvloed.
Recente discussies rondom de vraag of een afblijfplicht inderdaad leidend mag zijn voor het
menselijke handelen gaan over de grote grazers in het Oostvaardersplassengebied en over
de damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen.
De juridisch gedefinieerde en beleidsmatig strak georganiseerde scheidslijn tussen gehouden
en nietgehouden dieren wordt dus in de praktijk een steeds breder overgangsgebied in
grijstinten. Hierbij wordt ook zichtbaarder dat bepaalde morele uitgangspunten die
Nederland als maatschappij heeft ingenomen in de praktijk niet noodzakelijk tot uniforme
beheermaatregelen voor alle omstandigheden leiden.
De fundamentele erkenning van de intrinsieke waarde van dieren en van het feit dat dieren
sentient beings zijn geldt voor álle dieren, gehouden en nietgehouden. Hetzelfde geldt voor
de daaruit volgende morele verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd verschilt de wijze waarop wij
invulling geven aan die morele verantwoordelijkheid in de praktijk sterk. Actuele vragen
daarbij zijn o.a.: Zijn wij verplicht om wilde dieren tijdens voedselschaarste in de winter bij
te voeren? En wanneer moeten we een wild dier wel of niet opvangen?
De Raad beoogt met deze zienswijze een brug te slaan tussen de beleidsdomeinen voor
gehouden en nietgehouden dieren. Tegelijkertijd wil de Raad de natuurbeherende
organisaties in Nederland mogelijkheden voor gezamenlijke uitgangspunten voor hun
dierbeleid aanreiken. Daartoe biedt de Raad handvatten voor het consistent invullen van
onze plichten ten opzichte van het welzijn van dieren over alle contexten heen. De Raad laat
zien hoe één en hetzelfde morele uitgangspunt in uiteenlopende dierpraktijken tóch tot
verschillende maatregelen kan leiden.
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                        4/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Ten aanzien van de definitie van dierenwelzijn als onderliggend concept, de morele
verantwoordelijkheid van de mens voor het welzijn van dieren en de daaruit volgende
zorgplicht van mensen voor het welzijn van dieren concludeert de Raad voor
Dierenaangelegenheden het volgende:
Dierenwelzijn wordt hier gedefinieerd als het resultaat van het dynamische samenspel
tussen een dier en zijn omgeving. Daarin is de welzijnsstatus van dat dier gerelateerd aan
de mate waarin hij zich kan aanpassen aan de uitdagingen die de heersende
omgevingsomstandigheden bieden en de vrijheid die hij heeft om normale, soortspecifieke
gedragspatronen 1 te vertonen, teneinde een staat te bereiken die hij als positief ervaart 2 .
     Wanneer de omgevingsomstandigheden het aanpassingsvermogen van het dier te boven
     gaan zijn interventiemaatregelen vereist. Een momentane negatieve welzijnsstaat kan
     echter binnen het aanpassingsvermogen van een dier liggen en betekent niet
     noodzakelijk een toestand van zodanig lijden dat interventie is vereist.
     Het dynamische dierenwelzijnconcept kan ook worden toegepast op groepen en
     populaties. Een groep dieren moet de vrijheid hebben om zich aan te passen aan de
     heersende omgevingsomstandigheden, waarbij de mate van vrijheid voor alle individuen
     van een gegeven groep of populatie als functioneel onderdeel van het geheel wordt
     beschouwd. Verschillen tussen individuen kunnen juist van belang zijn voor het
     aanpassingsvermogen en de zelfredzaamheid van de groep als geheel. Interventie
     gericht op een individu kan dus mogelijk (direct of op termijn) een negatief effect
     hebben op het welzijn van (andere) individuen. Daarom moet de zorgplicht ook de groep
     of populatie als belangrijk deel van de leefomgeving van het individu in acht nemen.
Onze morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren is context-
overschrijdend en staat in eerste instantie los van de vraag hoe we, gelet op de andere
waarden en de praktische mogelijkheden, hieraan invulling geven.
De zorgplicht is de wijze waarop we in de praktijk invulling kunnen en moeten geven aan
onze morele verantwoordelijkheid. Deze zorgplicht is wél gerelateerd aan de context waarin
het dier zich bevindt. De zorgplicht wordt mede bepaald door de menselijke
beschikkingsmacht en door de mate waarin dieren ingeperkt worden in hun mogelijkheden
om zich te kunnen aanpassen aan bestaande omgevingscondities.
     Wanneer het aanpassingsvermogen van dieren niet is overschreden is de zorgplicht van
     de mens beperkt tot het in stand houden van deze toestand. Deze afwezigheid van de
     plicht om in te grijpen kan opgevat worden als een ‘afblijfplicht’.
     Wanneer het aanpassingsvermogen van dieren wél is overschreden, bestaat de
     zorgplicht van de mens uit het overwegen en uiteindelijk nemen van maatregelen om
     onaanvaardbaar lijden te voorkomen. Dat kan door maatregelen die gerelateerd zijn aan
     het aanpassingsvermogen van het dier (zoals vaccinatie of bijvoeren) of door
     maatregelen gericht op de omgevingsomstandigheden die een belasting vormen voor het
     dier (zoals verbetering van de habitat).
1
  Stereotypieën en depressie zijn weliswaar reacties om beter met (vroegere of heersende) negatieve
omgevingsomstandigheden te kunnen omgaan, maar worden hier gezien als symptoom voor het overschrijden van
het aanpassingsvermogen van een individu.
2
  Negatief en positief welzijn zijn, net zoals gezond en ziek, uitersten van een glijdende schaal.
RDA_2012-02                                 Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                           5/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De zorgplicht kan worden ingeperkt door fysieke en/of technische beperkingen, door
mens- of diergerichte belangen, indien deze zwaarder wegen dan de welzijnsaantasting en
door de maatschappelijke (on)aanvaardbaarheid van interventiemaatregelen c.q. van het
resulterende lijden. De vraag of interventiemaatregelen vereist zijn dient in een stapsgewijs
proces geanalyseerd te worden, waarbij het volledige analyseproces nodig is om tot een
maatschappelijk breed gedragen conclusie te komen:
A) Wanneer er sprake is van een welzijnsaantasting               beoordelen    we   eerst   of
   interventiemaatregelen (praktisch) mogelijk zijn.
   A1) Wanneer er geen interventiemaatregelen mogelijk zijn, dan zal potentieel dierenleed
   als onvermijdbaar geaccepteerd moeten worden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer
   nietgehouden dieren buiten de beschikkingmacht van de mens in de winter van de
   honger overlijden.
   A2) Wanneer er in de praktijk geen mogelijkheden voor effectieve vermindering van de
   welzijnsaantasting zijn, maar de welzijnsaantasting het gevolg is van (direct of indirect)
   menselijk handelen, moet het belang van dat menselijk handelen worden afgewogen
   tegen de belangen van het dier. Dit is bijvoorbeeld het geval bij dieren die in het kader
   van medisch onderzoek pijnlijke handelingen moeten ondergaan waarvoor geen
   alternatief voorhanden is.
B) Wanneer er wél interventiemaatregelen mogelijk zijn, kan het zijn dat de primair
   verantwoordelijke beheerder/houder deze niet uitvoert omdat hij het belangrijker vindt
   om bepaalde (mens- of diergerichte) doelstellingen te realiseren, en deze doelstellingen
   een interventie beperken:
   B1) Zijn er geen mens- of diergerichte doelstellingen die uit perspectief van de
   beheerder/houder belangrijker worden geacht dan de interventiemaatregelen, dan
   moeten de interventiemaatregelen worden uitgevoerd.
   B2) Zijn er wel mens- of diergerichte doelen die uit perspectief van de beheerder/houder
   zwaarder wegen dan de interventiemaatregelen, dan noemen we het resulterende lijden
   (subjectief) noodzakelijk lijden en moet er vervolgens een ethische afweging
   plaatsvinden om te bepalen of dat noodzakelijke lijden maatschappelijk aanvaardbaar is,
   of niet.
C) In de ethische afweging wordt bepaald of de (subjectieve) mens- of diergerichte doelen
   op basis van bestaande, maatschappelijk breed gedragen morele standpunten zwaarder
   wegen dan de aantasting van het welzijn van het dier. Deze afweging wordt gemaakt op
   basis van relevante feiten, intuïties en maatschappelijk breed gedragen waarden en
   normen.
   C1) Wanneer uit de ethische afweging blijkt dat de mens- of diergerichte doelen niet
   zwaarder wegen dan de aantasting van het welzijn van het dier, dan moet de beheerder
   of houder andere interventiemaatregelen voorstellen, of zijn handelen dat primair leidt
   tot de welzijnsaantasting aanpassen.
   C2) Wanneer uit de ethische afweging blijkt dat de mens- of diergerichte doelen wél
   zwaarder wegen dan de aantasting van het welzijn van dieren, dan is er sprake van
   (maatschappelijk) aanvaardbaar lijden.
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                         6/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De menselijke verantwoordelijkheden ten opzichte van nietgehouden dieren ontstaan niet
als gevolg van het gegeven dat de mens dieren houdt, maar als gevolg van de erkenning
van de intrinsieke waarde van alle dieren, de erkenning dat dieren voelende wezens zijn en
het gegeven dat de mens de leefomgeving (en als gevolg daarvan de zelfredzaamheid) van
dieren beïnvloedt.
Onze (menselijke) zorgplicht is gerelateerd aan de mate waarin de mens de zelfredzaamheid
van het dier beïnvloedt – hetzij door het dier zelf te beïnvloeden, hetzij door de omgeving
van het dier te beïnvloeden. Daarbij tekent de Raad aan dat het rentmeesterschap –
inhoudende dat de mens het recht heeft om dieren te houden, benutten en doden, het recht
heeft om de levensruimte van dieren te beïnvloeden en de plicht heeft om in zijn handelen
met de belangen van dieren rekening te houden – heden ten dage in Nederland een
maatschappelijk breed gedragen grondhouding is. Dat betekent dat het inperken van de
zelfredzaamheid van dieren ten principale aanvaardbaar is wanneer dat bepaalde belangen
van de mens dient. Of de compenserende interventiemaatregelen en de resterende
welzijnsaantasting aanvaardbaar zijn zal per context afgewogen moeten worden.
Deze afweging wordt bij voorkeur vooraf (ex ante) gemaakt, zodat ze een preventief effect
heeft en onaanvaardbaar lijden voorkomen wordt. Met een eenmalige afweging is de
beheerder (of houder of hoeder) er nog niet: gedurende de looptijd van de praktijk moet hij
zich er van vergewissen dat de beoogde welzijnseffecten inderdaad gerealiseerd worden.
Bovendien kunnen veranderingen in breed gedragen maatschappelijke waarden en normen
leiden tot verschuivingen in de afwegingen over de aanvaardbaarheid van lijden.
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                       7/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2.        Inleiding
           “Ten aanzien van de wijze waarop wij dieren houden, verwijst de Raad naar zijn
          zienswijze Verantwoord Houden (gepubliceerd maart 2010), over de rollen en
          verantwoordelijkheden ten aanzien van gehouden dieren. De Raad is van mening dat
          er ook een dergelijke zienswijze ten aanzien van niet- en semigehouden dieren moet
          komen, onder andere vanwege de publieke en politieke debatten over het welzijn van
          grote grazers in natuurgebieden. Daarbij is de Raad van mening dat het
          Afwegingsmodel voor Dierbeleid ook ingezet kan worden om tot een heldere en
          maatschappelijk breed gedragen definitie te komen van ‘gehouden’ en ‘niet
          gehouden’ dieren – en de eventuele gradaties daarin.”
                                                                       Uit: Agenda voor het Dierbeleid (2010)
2.1       Centrale Vraag
De centrale vraag van deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is
wat de (individuele of collectieve) verantwoordelijkheid van de maatschappij ten aanzien van
het welzijn (inclusief de gezondheid) van nietgehouden dieren zou moeten zijn; en op welke
wijze we deze verantwoordelijkheid in de praktijk kunnen, mogen en moeten vormgeven.
2.2       Aanleiding
De decentralisatie en de privatisering van het natuurbeleid vragen meer inspanning van Rijk,
provincies en andere natuurbeherende organisaties om hun beleid dienaangaande goed op
elkaar aan te laten sluiten. Een gezamenlijk fundament en gedeelde uitgangspunten kunnen
daarbij helpen. Met deze zienswijze beoogt de Raad voor Dierenaangelegenheden daar een
aanzet voor te geven – in ieder geval met betrekking tot het diergerelateerde gedeelte van
het natuurbeleid.
In eerdere publicaties 3 stelde de RDA dat de rol van de maatschappij ten aanzien van het
voorkómen van welzijnsschade niet beperkt is tot dieren die door mensen worden gehouden.
Nederland is het enige land met wet- en regelgeving waarin een principiële zorgplicht voor
alle dieren (waaronder dieren in de natuur) 4 is opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat
mensen “verplicht zijn de nodige zorg te verlenen als een dier hulpbehoevend is”. Wat de
nodige zorg exact inhoudt en wanneer een dier hulpbehoevend is, lijkt echter wél afhankelijk
van zijn status als wel- of nietgehouden dier 5 .
In de praktijk zien we dat nietgehouden en gehouden dieren volgens juridisch haaks op
elkaar staande principes behandeld worden: in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
(Gwwd) en zijn opvolger, de Wet Dieren, staat de zorgplicht voor het gehouden dier
centraal, terwijl in de Flora- en faunawet (FF-wet) de afblijfplicht jegens de natuur een
dominante rol speelt. Steeds duidelijker blijkt echter dat het onderscheid tussen gehouden
en nietgehouden dieren niet zwart-wit is: er is een groeiende tussencategorie van ofwel zeer
extensief gehouden dieren (zoals runderen en pony’s die grazen in de uiterwaarden en
3
  Verantwoord Houden (2009) en Agenda voor het Dierbeleid (2010)
4
  Art. 36 in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
5
  zie bijvoorbeeld Swart & Keulartz over Duty of Care (2005 en 2010)
RDA_2012-02                              Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                8/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>scharrelvarkens in bosgebieden), ofwel in hun gedragsmogelijkheden significant beperkte
nietgehouden dieren (zoals de grote grazers in het Oostvaardersplassengebied en de
damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen). Bij een toenemende bevolkingsgroei in
Nederland zullen de nietgehouden dieren te maken krijgen met steeds meer menselijke
invloeden. Als gevolg van die toenemende verstedelijking en van het groeiende aantal
vormen van extensieve veehouderij, is de verwachting dat de categorie dieren ‘tussen
gehouden en nietgehouden in’ verder toeneemt. Tot slot bestaat er onduidelijkheid over de
categorisering van de gededomesticeerde (opzettelijk of per ongeluk verwilderde) dieren en
over de groeiende groep “wilde dieren” (vos, reiger, steenmarter) die zich vestigen in een
stedelijke omgeving.
De huidige juridische verdeling in gehouden en nietgehouden dieren voorziet echter niet in
een tussencategorie. Dat wringt: zo laten maatschappelijke discussies en politieke debatten
zien dat een afblijfplicht voor nietgehouden dieren in een afgegrensde leefomgeving niet
meer past bij onze huidige maatschappelijke waarden en normen. Een heroverweging van
de categorieën waarin we dieren indelen en een nadere duiding van onze
verantwoordelijkheden en rollen ten opzichte van die verschillende categorieën dieren is dus
aan de orde.
De Raad voor Dierenaangelegenheden heeft een denkkader ontwikkeld dat de kunstmatige
categorisatie van de zorgplicht voor dieren, bepaald door de specifieke relatie tussen mens
en dier, overstijgt. Dit denkkader is een uniforme en integrale manier om de plichten en
verantwoordelijkheden voor iedere vorm van mens-dierrelatie op een consistente wijze te
kunnen duiden.
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                        9/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre> 3.        Dierenwelzijn herzien
 3.1       Uitgangspunten
           “Uit de publieksenquête blijkt dat het veld Relatie als belangrijkst wordt beschouwd.
           De meeste positieve aspecten in de omgang met dieren zijn gericht op de relatie
           mens-dier, en wel vanuit de beleving van de mens. Waarden als vrijheid, plezier en
           welbevinden spelen hier een belangrijke rol. Maar in de relatie met het dier staan ook
           waarden als respect voor het dier en zorgen voor het dier centraal.” En: “Nut voor de
           mens en de rol in de natuur wordt door velen gezien als het meest waardevolle
           aspect van dieren.”
                                                            (Uit: rapport Denken over Dieren, De Cock Buning et al (2012))
 De overwegingen van de Raad in deze zienswijze hebben uitsluitend betrekking op onze
 menselijke verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn. Het is niet de bedoeling om in deze
 zienswijze de ethische principes van het houden van dieren, het recht van de mens om
 dieren als voedselbron te exploiteren, om dieren als proefdieren te gebruiken, om op dieren
 te jagen of om dieren als gezelschapsdier te houden te onderzoeken.
 De Raad constateert dat de huidige maatschappij in moreel opzicht achter het bestaan van
 een menselijke verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren staat en dat – in lijn met de
 RDA-zienswijzen Verantwoord Houden (2009) en Agenda voor het Dierbeleid (2010) – het
 houden, benutten en doden van dieren ten behoeve van de mens conform breed gedragen
 maatschappelijke waarden aanvaardbaar wordt geacht.
 Uit de morele verantwoordelijkheid volgt een zorgplicht. De Raad beperkt zich in deze
 zienswijze tot de vraag hoe ver die zorgplicht moet gaan om het welzijn van niet- en
 semigehouden dieren te waarborgen. De Raad laat zien hoe de onderliggende morele
 standpunten naar de praktijk vertaald kunnen en moeten worden om op een consistente
 wijze invulling te kunnen geven aan onze zorgplicht.
            Ethische principes
       Zie ook: Agenda voor het Dierbeleid
       Morele verantwoordelijkheid
afgeleid van ‘ethische principes’ en contextoverschrijdend
                                                                                  zienswijze
                                                             Zorgplicht Natuurlijk Gewogen
 Praktische invulling van de verantwoordelijkheid
                          in beleid/beheer
   context-specifiek; gerelateerd aan en morele en praktische aspecten
 RDA_2012-02                                   Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                       10/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3.2      Het concept Dierenwelzijn
Bij onze overwegingen over hoe we onze morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van
dieren en onze bijbehorende zorgplicht dienen in te vullen, is een wetenschappelijk
verantwoord en praktisch toepasbaar concept voor Dierenwelzijn essentieel.
Dierenwelzijn is een begrip dat op verschillende manieren kan worden uitgelegd. Een
veelgebruikte conceptuele benadering van dierenwelzijn is die van de ‘vijf vrijheden’ van
dieren. Deze richtlijn is gebaseerd op de bevindingen van de Brambell Committee uit 1965.
De Britse Farm Animal Welfare Council heeft deze in 1993 uitgewerkt tot de zogenoemde
Five Freedoms.
De Vijf Vrijheden bieden echter weinig handvatten om het welzijn van dieren op
groepsniveau te beoordelen, noch om het welzijn van vrij, onder niet controleerbare
omstandigheden, levende dieren te beoordelen. Dit komt doordat ze zijn vastgesteld om
welzijnsaantasting in te kunnen schatten van individuele dieren die onder controleerbare
omstandigheden gehouden worden en omdat zij uitgaan van het principe dat het
waarborgen van het welzijn van een dier de afwezigheid van ’negatieve’ toestanden vereist.
Veel wetenschappelijk geaccepteerde concepten benaderen welzijn als een continuüm tussen
slecht en goed welzijn. Zij gaan er van uit dat tijdelijke negatieve toestanden wel degelijk
gecompenseerd kunnen worden. Daarnaast betekent de afwezigheid van een negatieve
toestand nog niet noodzakelijk het bestaan van een positieve toestand. Dit is uitermate
relevant, omdat de (Nederlandse) maatschappij er in toenemende mate op aandringt om te
streven naar situaties waarin het dier zijn toestand als positief ervaart – ook wel positief
dierenwelzijn genoemd.
Zoals de Raad eerder schreef, beschouwen meer recente – wetenschappelijk onderbouwde –
concepten dierenwelzijn als een interne toestand die door het dier zelf als positief wordt
ervaren: “een dier verkeert in een staat van (goed) welzijn als het in staat is zich aan zijn
levensomstandigheden aan te passen en tegelijk een toestand bereikt die het als positief
ervaart” 6 .
De bestaande kennis over het belang van het natuurlijke aanpassingsvermogen voor het
welzijn van dieren kan vertaald worden naar een biologisch verankerd welzijnsconcept. Dit
concept is wel gerelateerd aan de Vijf Vrijheden, maar doorontwikkeld naar een meer
dynamische benadering van dierenwelzijn. Het biedt een handvat om het welzijn van
individuele dieren en groepen dieren te relateren aan de interactie van het dier zelf met zijn
omgeving, ongeacht de specifieke context. Het is dus zowel op gehouden als op semi- en
nietgehouden dieren toepasbaar.
Een dier verkeert in een positieve staat van welzijn indien het in staat is om adequaat te
reageren op: honger, dorst en onjuiste voeding; thermaal en fysiek ongemak; verwondingen
en ziekten; angst en chronische stress, en het de vrijheid heeft om normale, soortspecifieke
gedragspatronen te vertonen, die het dier in staat stellen om zich aan te passen aan de
uitdagingen die de heersende omgevingsomstandigheden bieden, zodat het dier een staat
bereikt die het als positief ervaart.
6
  Verantwoord houden, RDA (2009)
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                       11/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                    Aanpassingsvermogen =
                    Aanleg + Ervaring + Omgevingsomstandigheden
        Het aanpassingsvermogen van een individu wordt bepaald door het samenspel van
        genetische aanleg, verworven eigenschappen en omgevingsfactoren. Dit samenspel is
        dynamisch van aard, omdat het individu zelf veranderingen doorloopt (bijvoorbeeld
        door leeftijd en eerdere ervaringen), en doordat omgevingsfactoren sterk kunnen
        veranderen. Uitgaande van (genetisch bepaalde) basiscapaciteiten zal het
        aanpassingsvermogen van het dier meer belast worden naarmate de inperking door
        omgevingsfactoren toeneemt. Dit resulteert in een grotere kans op welzijnsaantasting
        als gevolg van het overschrijden van het aanpassingsvermogen.
3.3. Welzijn en populaties
De Raad erkent dat het aanpassingsvermogen van dieren in het concept Dierenwelzijn een
centrale plaats inneemt. Indien de omstandigheden een groot of langdurig beroep doen op
het aanpassingsvermogen van een dier, dan neemt het risico toe dat het dier in een
toestand geraakt die het als negatief ervaart en die gekenmerkt kan worden door
lichamelijke problemen, een tekort aan soorteigen en een overmaat aan afwijkend gedrag.
De Raad neemt daarom in zijn overwegingen het aanpassingsvermogen van het dier in
relatie tot zijn levensomstandigheden als uitgangspunt voor het duiden van de kwaliteit van
dierenwelzijn, en van de praktische invulling van de zorgplicht dienaangaande.
Vooral bij dieren in het wild lijken de behoeften van individuele dieren te kunnen conflicteren
met de behoeften van een dierpopulatie, wanneer maatregelen die vanuit ecologisch belang
nodig zijn om een gegeven dierpopulatie te beschermen een nadelig effect hebben op het
welzijn van sommige individuen binnen dezelfde populatie.
De Raad meent dat de ogenschijnlijke tegenstellingen tussen het welzijn van individuele
dieren en de belangen van dierpopulaties en ecologie verdwijnen wanneer het dynamische
concept van dierenwelzijn ook wordt toegepast om het welzijn van dierpopulaties te duiden.
Een groep dieren moet de vrijheid hebben om zich aan te passen aan de heersende
omgevingsomstandigheden, waarbij de mate van vrijheid voor alle individuen van een
gegeven groep of populatie als functioneel onderdeel van het geheel wordt beschouwd. Hier
ligt voor de overheid een kans om de welzijnsbelangen van individuele dieren in lijn te
brengen met het belang van het behoud van diersoorten (of intrinsieke waarde van de
soorten).
Zo kan interventie gericht op een individu een negatief effect hebben op het welzijn van
(andere) individuen. Het is bijvoorbeeld een biologische realiteit dat binnen (sociale)
groepen van dieren niet alle individuele dieren op ieder moment in een maximale staat van
welzijn kunnen verkeren. Deze verschillen tussen individuen kunnen echter juist van belang
zijn voor het aanpassingsvermogen en de zelfredzaamheid van de groep als geheel. Daarom
moet de zorgplicht ook de groep of populatie als belangrijk deel van de leefomgeving van
het individu in acht nemen.
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                         12/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>3.4       Welzijn en ‘Lijden’
De huidige wet- en regelgeving is voornamelijk erop gericht onnodig lijden van dieren te
voorkomen. Hoewel deze gedachtelijn logisch lijkt, is de vraag wat onnodig lijden feitelijk
inhoudt niet eenvoudig te beantwoorden. In de controversiële discussie rond de vraag of
hongeren tijdens de winter bij grote grazers in de Oostvaardersplassen onnodig lijden is, ziet
de Raad dat in de praktijk uiteenlopende definities van het begrip onnodig lijden gehanteerd
worden. Daarom is het verstandig om te beginnen met een preciezere duiding van het
begrip onnodig lijden. Een verdere toelichting volgt in paragraaf 5.2.
Daarnaast is ook de vraag hoe de concepten van welzijn en lijden aan elkaar gerelateerd
zijn. Als wij welzijn verstaan als een continuüm tussen slecht en goed welzijn, waar langs dit
continuüm begint dan lijden? En verder, als het streven moet zijn om een positieve
welzijnstoestand van dieren te bereiken, zoals wij dit in 2009 in Verantwoord Houden
hebben gesteld, onder welke voorwaarden zal dierenleed dan überhaupt nog aanvaardbaar
kunnen zijn?
Indien we ervan uitgaan dat de welzijnsstatus van een dier bepaald wordt door de mate
waarin       hij    zich      kan      aanpassen         aan      de     uitdagingen       van     de heersende
omgevingsomstandigheden 7,8 , dan is er zeker sprake van lijden wanneer het
aanpassingsvermogen van het dier wordt overschreden. Een momentane staat van lijden
kan echter binnen het aanpassingsvermogen van een dier liggen en betekent niet
noodzakelijk dat interventie is vereist.
3.5       Conclusies
    De Raad neemt het aanpassingsvermogen van het dier in relatie tot                                       zijn
     levensomstandigheden als uitgangspunt voor het duiden van de kwaliteit                                  van
     dierenwelzijn, en van de praktische invulling van de zorgplicht dienaangaande.
    Wanneer het aanpassingsvermogen van het dier wordt overschreden is interventie
     vereist. Een momentane staat van lijden kan echter binnen het aanpassingsvermogen
     van een dier liggen en betekent niet noodzakelijk dat interventie is vereist.
    Het dynamische dierenwelzijnconcept kan ook worden toegepast op niet gehouden
     dieren en op groeps- en populatieniveau.
    De schijnbaar tegengestelde doelstellingen tussen welzijn en ecologie vallen weg
     wanneer we dit dynamische concept voor dierenwelzijn hanteren.
7
  Stereotypieën en depressie zijn weliswaar reacties om beter met negatieve omgevingsomstandigheden te kunnen
omgaan, maar worden hier gezien als symptoom voor het overschrijden van het aanpassingsvermogen van een
individu.
8
  Negatief en positief welzijn zijn, net zoals gezond en ziek, uitersten van een glijdende schaal.
RDA_2012-02                                 Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                 13/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>4.      Morele verantwoordelijkheid en Zorgplicht
4.1     Morele verantwoordelijkheid
Dieren zijn sentient beings: wezens met gevoel, die pijn en leed kunnen ervaren. Dit werd in
1997 formeel vastgelegd in het Verdrag van Amsterdam en in 2009 nogmaals bekrachtigd in
het Verdrag van Lissabon. De erkenning dat dieren sentient beings zijn, is context
overschrijdend: zowel gehouden als nietgehouden dieren zijn wezens met gevoel.
Naast het erkennen van sentience van dieren erkennen we ook dat (individuele) dieren een
intrinsieke waarde hebben. Deze erkenning werd in Nederland voor het eerst vastgelegd in
1981, als een van de grondslagen voor de omgang met dieren in de Nota rijksoverheid en
dierenbescherming, en is in Art 1.3 één van de uitgangspunten van de Nederlandse Wet
Dieren. De intrinsieke waarde van dieren is de waarde van de kwaliteiten van een individu of
de soort an sich, ongeacht de waarde die het individu of de soort heeft voor mensen.
De erkenning van dieren als zijnde sentient beings en de erkenning van de intrinsieke
waarde van dieren leiden er toe dat de mens moreel gezien de verantwoordelijkheid
heeft om in zijn handelen rekening te houden met het welzijn van alle dieren, ongeacht
soort of context. In het verdrag van Lissabon is deze morele verantwoordelijkheid zelfs
formeel vastgelegd.
Bij gehouden dieren worden de gehele leefomgeving en gedeeltelijk zelfs hun soortspecifieke
kenmerken door mensen bepaald. De morele verantwoordelijkheid van de mens voor het
welzijn van het dier lijkt in deze context evident: Men zou kunnen beargumenteren dat daar
waar geen sprake is (of gaat zijn) van invloed van menselijk handelen op het dier, er ook
geen sprake kan zijn van verantwoordelijkheid van mensen. Wanneer we natuur in zijn
meest strikte definitie – “niet door de mens beïnvloede plant- en dierpopulaties” – nemen,
zou de mens geen verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren in de natuur kunnen
hebben. Er is overigens in Nederland geen, en in Europa nauwelijks nog zuivere natuur: de
leefomgeving en bewegingspatronen van vrijwel alle dieren in de natuurlijke omgeving
worden door menselijk landgebruik en landbeheer beïnvloed en vele dierpopulaties worden
rechtstreeks beheerd. De raad is van mening dat de mate van natuurlijkheid de morele
verantwoordelijkheid als zodanig niet verandert, omdat deze morele verantwoordelijkheid
voortvloeit uit de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en uit de overtuiging dat
dieren sentient beings zijn. Deze morele verantwoordelijkheid gaat overigens nadrukkelijk
over het menselijk handelen en heeft geen betrekking op de interactie van dieren onderling.
De Raad is zich bewust van de uiteenlopende opvattingen over de mens-dierrelatie en over
de mens-natuurrelatie. Daaronder zijn stromingen die vinden dat de mens geen
zeggenschap over of verantwoordelijkheden jegens de natuur heeft en stromingen die
vinden dat de mens geen verantwoording hoeft af te leggen over de wijze waarop hij met
dieren of natuur omgaat. De Raad baseert zich in deze zienswijze echter op de in de
Nederlandse maatschappij breed gedragen opvattingen dat de mens een participant in en/of
hoeder van de natuur en van de dieren is, dat hij daardoor een principiële morele
verantwoordelijkheid draagt en dat hij daarover verantwoording aflegt.
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                       14/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4.2     Zorgplicht (inclusief Afblijfplicht)
De wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid
voor het welzijn van dieren noemen we zorgplicht. Deze zorgplicht kan ook bestaan in de
plicht om NIET in te grijpen. Dit wordt vaak ‘afblijfplicht’ genoemd. In dit rapport wordt geen
onderscheid gemaakt tussen deze twee begrippen, maar wordt zorgplicht bedoeld als term
die alle gradaties van zorg omvat.
Anders dan de morele verantwoordelijkheid – die zonder gradaties is – verschilt de mate
waarin de zorgplicht praktisch uitgeoefend kan, moet en mag worden. Dat komt doordat de
praktische en technische mogelijkheden per diersoort en situatie kunnen verschillen en
doordat dieren (zowel gehouden als nietgehouden) of hun leefomgeving in wisselende mate
en al dan niet opzettelijk, door menselijke activiteiten worden beïnvloed.
Swart en Keulartz betoogden al in 2005 en in 2010 dat er sprake is van een glijdende schaal
van specifieke zorg (op het niveau van het individuele dier) naar aspecifieke zorg (op het
niveau van de leefomgeving van de dierpopulatie) en dat de mate waarin de zorg specifiek
of aspecifiek moet zijn, afhangt van de invloed van de mens op de leefomgeving van het
dier: hoe groter de invloed van de mens, hoe specifieker de zorg van de mens voor het
welzijn van het dier moet zijn.
                                                                 morele
                                                                 verantwoordelijkheid
        hoog                                                    aanpassingvermogen
                                                                (dier/omgeving)
                                                                 praktische
                                                                 zorgplicht
         laag
Figuur 2:
De praktische zorgplicht is gerelateerd aan de mate waarin het aanpassingsvermogen van
het dier (als gevolg van inperking van het eigen aanpassingsvermogen of als gevolg van
veranderingen in de omgevingsomstandigheden) beperkt is.
De morele verantwoordelijkheid is de grondslag voor de praktische zorgplicht en is ten
aanzien van alle sentient beings gelijk.
RDA_2012-02                       Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          15/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Het aanpassingsvermogen van het dier staat centraal bij de vaststelling van de kwaliteit van
dierenwelzijn (zie paragraaf 3.2). Daaruit volgt dat de zorgplicht beperkt is tot die situaties
waarin het dier over onvoldoende mogelijkheden beschikt of gaat beschikken om zich goed
te kunnen aanpassen (door wijzigingen van zijn gedrag die afdoende zijn om zich goed aan
zijn omgeving te kunnen aanpassen en zo, op termijn, een staat van goed welzijn te
bereiken). De Raad accepteert hierbij als biologisch feit dat perioden van suboptimaal of
zelfs slecht welzijn deel uit kunnen maken van dit aanpassingsproces en van het natuurlijke
bestaan (zoals blootstelling aan slechte weercondities of periodiek voedseltekort).
De zorgplicht wordt verder beperkt door de praktische kant van interventie en de
beschikbaarheid van realistische maatregelen om een verbetering van het welzijn te
bewerkstelligen. Een gebrek aan praktische mogelijkheden leidt per definitie tot een
uitsluiting van de plicht om actie te ondernemen. Wanneer de welzijnsaantasting (in)direct
wordt veroorzaakt door menselijk handelen, staat de rechtvaardiging van dat menselijke
handelen in dergelijke gevallen overigens wel ter discussie.
Tot slot kan de plicht om voor een goed welzijn van dieren te zorgen verder worden
ingeperkt wanneer we op basis van een ethische afweging tot de conclusie komen dat het
belang van mens- of diergerichte doelstellingen zwaarder weegt dan de aantasting van het
welzijn van het dier. Zo wordt bijvoorbeeld in de huidige situatie een potentiële
welzijnsaantasting maatschappelijk geaccepteerd wanneer we dieren gebruiken als proefdier
of voor de voedselproductie, maar ook wanneer we dieren bejagen, o.a. in het kader van
verkeersveiligheid of ter bevordering van de biodiversiteit. Als diergerichte doelstellingen
zijn handelingen te noemen die op de langere termijn als welzijnsbeschermend of –
verhogend worden beschouwd, maar ook het achterwege laten van interventiemaatregelen,
wanneer maatregelen tot bescherming van een individueel dier leiden tot onaanvaardbare
welzijnsaantasting van andere dieren.
In hoeverre mens- of diergerichte doelstellingen zwaarder wegen dan een bepaalde
dierenwelzijnaantasting en in hoeverre menselijk handelen dat leidt tot niet-compenseerbare
dierenwelzijnaantasting aanvaardbaar is, moet zorgvuldig worden afgewogen. De Raad
adviseert om daarvoor gebruik te maken van het Afwegingsmodel voor Dierbeleid dat hij in
2010 in zijn zienswijze Agenda voor het Dierbeleid presenteerde. In bijlage I vindt u een op
deze zienswijze toegesneden versie van het Afwegingsmodel.
4.3      Conclusies
De mens heeft een morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren, omdat dieren
voelende wezens zijn en omdat de mens direct of indirect invloed heeft op de mogelijkheden
van individuele dieren en van dierpopulaties om zich aan te passen aan de heersende
omstandigheden.
De praktische uitoefening van deze morele verantwoordelijkheid noemen we zorgplicht. De
invulling van de zorgplicht kan worden ingeperkt door de praktische onmogelijkheid om het
welzijn van een dier of een populatie dieren te waarborgen en door mens- en diergerichte
doelstellingen die zwaarder kunnen wegen dan welzijnsaantasting. Er moet altijd een
ethische afweging van de aanvaardbaarheid van de welzijnsaantasting plaatsvinden.
RDA_2012-02                       Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          16/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>5.      Zorgplicht vormgeven
5.1     Zorgplicht en Verantwoordelijkheid
In Verantwoord Houden (2009) stelde de Raad vast dat in de mens-dierrelatie het dier de
zwakkere partij is en dat dierhouders daarom bereid moeten zijn verantwoording af te
leggen over de wijze waarop zij hun dieren houden. Dat geldt mutatis mutandis ook voor
semi- en nietgehouden dieren. Een logische vraag daarbij is wie er verantwoordelijk is en
wie er verantwoording moet afleggen.
Verantwoordelijkheid dragen
Artikel 2 van de Flora- en faunawet geeft een goede indicatie: daarin wordt gesteld dat
“eenieder die door zijn handelen nadelige gevolgen bij het dier veroorzaakt, verplicht is alle
maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die gevolgen
te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken”. Dit betekent dat
de zorgplicht ligt bij diegene die de zelfredzaamheid van de dieren zodanig inperkt of dreigt
in te perken dat het aanpassingsvermogen van die dieren overschreden wordt.
Verantwoording afleggen
De Raad is van mening dat deze zorgplicht niet alleen het nalaten van benadelende
handelingen of het uitvoeren van interventiemaatregelen omvat. Ook het op een
transparante en maatschappelijk verantwoorde wijze maken van de daar aan ten grondslag
liggende afwegingen is een essentieel onderdeel van die zorgplicht. Hij die
verantwoordelijkheden draagt, moet daarover verantwoording willen afleggen. De Raad
vindt dat dit zeker ook zou moeten gelden voor die dieren die wij de juridische status ‘res
nullius’ hebben toegedicht: dit beantwoordt aan de huidige maatschappelijke opvatting dat
deze dieren van niemand persoonlijk zijn en – daarmee – van ons allemaal.
5.2     Lijden en zorgplicht
De huidige wet- en regelgeving (i.c. de Flora- en faunawet, de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren en de Wet dieren) bepaalt dat onnodig lijden voorkomen moet worden. Het
begrip onnodig lijden wordt echter niet nader geduid en in de praktijk zeer verschillend
geïnterpreteerd. Daardoor ontbreekt het ook aan eenduidigheid in de manier waarop wij
onze verplichtingen jegens dieren interpreteren en vormgeven.
Lijden is een subjectieve emotionele toestand en de mate van lijden kan alleen door het
lijdende individu zelf beoordeeld worden. Wanneer we lijden definiëren als “een negatieve
toestand die onwenselijk is en die, indien mogelijk, voorkomen of beëindigd moet worden”
dan is het belangrijk om te beseffen dat negatieve emoties niet altijd lijden betekenen.
Angst is bijvoorbeeld een emotie die belangrijk is om schade te voorkomen, net zoals pijn.
Negatieve emoties zijn dus van waarde voor het individu, omdat zij hem in staat stellen zich
aan zijn omstandigheden aan te passen. Pas wanneer een individu niet de mogelijkheid
heeft om adequaat op een negatieve emotie te reageren - door zich bijvoorbeeld te
onttrekken aan een angstveroorzakende situatie - ontstaat er een belasting die het
aanpassingvermogen van het individu kan overstijgen.
Verder moeten wij ons realiseren dat dezelfde omstandigheden voor verschillende
diersoorten niet noodzakelijk dezelfde gevolgen hebben: bepaalde diersoorten zijn er
bijvoorbeeld op aangepast om periodes van voedselschaarste te doorstaan door op hun
vetreserves terug te vallen. Voor deze soorten betekent dus de blootstelling aan een
RDA_2012-02                       Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                        17/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>voedseltekort niet dat zij honger lijden. Uiteraard heeft ieder aanpassingvermogen zijn
grenzen: een dier dat uiteindelijk een hongerdood sterft omdat de voedselschaarste zijn
aanpassingsvermogen te boven gaat, zal wel een toestand van lijden ervaren.
Wanneer bestaat er een zodanige toestand van lijden dat wij moeten ingrijpen? Om dit te
bepalen kijken we naar het aanpassingsvermogen van een dier: wanneer het
aanpassingsvermogen van het dier niet overschreden wordt kan er weliswaar sprake zijn
van een momentane negatieve (emotionele) status, maar is ingrijpen niet noodzakelijk aan
de orde. De zorgplicht houdt in dat geval vooral in dat men die handelingen moet nalaten
die eraan kunnen bijdragen dat het aanpassingsvermogen van het dier overschreden wordt.
Dit kan opgevat worden als een afblijfplicht 9 .
Als het dier niet in staat is om zich aan te passen aan de uitdagingen van zijn
omgevingsomstandigheden is ingrijpen wel vereist. Het kan echter zo zijn dat het
aanpassingsvermogen van het dier overschreden wordt, terwijl interventiemaatregelen
technisch onmogelijk of praktisch onhaalbaar zijn. In dat geval spreken we van
onvermijdbaar lijden. Wanneer onvermijdbaar lijden (direct of indirect) ontstaat als gevolg
van menselijk handelen (bijvoorbeeld doordat de mens de leefomgeving van dieren
beïnvloedt, of doordat de mens dieren in een bepaalde leefomgeving brengt) bestaat de
zorgplicht uit het toetsen van de (maatschappelijke) aanvaardbaarheid van dat menselijke
handelen en het daaruit volgende lijden van dieren.
Wanneer er wel interventiemaatregelen mogelijk zijn, moeten we kijken of er (subjectieve)
mens- of diergerichte doelstellingen zijn die beperkend zijn voor mogelijke
interventiemaatregelen. Is dat niet het geval dan bestaat de zorgplicht uit het uitvoeren van
de interventiemaatregelen. Zouden we het uitvoeren van die interventiemaatregelen
nalaten, dan is er sprake van onnodig lijden.
           De natuurlijke sterfte als gevolg van verhongering van grote grazers in het
           Oostvaardersplassengebied werd bijvoorbeeld door ICMO2 als onnodig lijden
           beoordeeld, omdat de beheerder van dat gebied interventiemaatregelen (in de vorm
           van afschot van zwakke dieren) praktisch kan uitvoeren. De managementdoelstelling
           ‘natuurlijk beheer met zo min mogelijk ingrepen’ werd hierbij als niet voldoende
           beschouwd om op te kunnen wegen tegen het lijden van de dieren. Als resultaat werd
           het als moreel onaanvaardbaar beoordeeld om niet in te grijpen bij dieren die in een
           dermate slechte staat verkeren dat zij daaraan naar verloop van tijd zullen sterven.
Wanneer er interventiemaatregelen mogelijk zijn, maar mens- of diergerichte doelstellingen
(zoals populatiebelangen) de uitvoering van mogelijke interventiemaatregelen beperken,
dan noemen we dat nodig lijden (nodig om bepaalde doelstellingen te bereiken). In geval
van nodig lijden moet er een ethische afweging plaatsvinden om te bepalen of deze
doelstellingen wel of niet maatschappelijk breed wordt gedragen en lijden als gevolg van het
niet uitvoeren van interventiemaatregelen aanvaardbaar is. Wanneer uit deze afweging komt
dat het lijden aanvaardbaar is, blijft de zorgplicht beperkt tot het zorgvuldig en transparant
uitvoeren van dit afwegingsproces. Indien het lijden niet aanvaardbaar blijkt, omvat de
zorgplicht vervolgens ook het uitvoeren van de interventiemaatregelen.
           Wanneer bijvoorbeeld nietgehouden dieren gevaar opleveren voor het weg- of
           vliegverkeer kunnen die dierpopulaties beheerd worden (d.m.v. toegang beperkende
           maatregelen, populatiereductie, etc.) om het gevaar voor de mens te verminderen.
9
  Deze aan het dierenwelzijn gerelateerde afblijfplicht gaat uit van de gegeven situatie. Een besluit om het dier ten behoeve van de mens te
benutten verandert de gegeven situatie, hetgeen een nieuwe inschatting van de welzijnssituatie van het dier vereist. Deze inschatting vindt bij
voorkeur voorafgaand aan het besluit om een dier ten behoeve van de mens te benutten plaats.
RDA_2012-02                                         Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                                       18/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>        Dat beheer kan de dieren en de dierpopulaties zodanig beïnvloeden dat hun
        aanpassingsvermogen wordt overschreden. Dat lijden is weliswaar vermijdbaar (want
        we zouden er voor kunnen kiezen om de dierpopulaties niet te beheren), maar ook
        noodzakelijk (want nodig om de veiligheid van de mens te bevorderen) en
        aanvaardbaar wanneer we in een ethische afweging hebben vastgesteld dat in dit
        geval de veiligheid van de mens zwaarder weegt dan het lijden van de dieren en/of
        dierpopulaties.
De vraag of interventiemaatregelen vereist zijn dient in een stapsgewijs proces geanalyseerd
te worden, waarbij het volledige analyseproces nodig is om tot een maatschappelijk breed
gedragen conclusie te komen. Onderstaand schema laat zien welke vragen beantwoord
moeten worden om te komen tot een consistente en transparante invulling van onze
zorgplicht voor het welzijn van dieren.
Het analyseproces begint altijd met de vraag of het aanpassingsvermogen van een individu
of groep is overschreden, en er dus sprake is van dierenleed. Indien deze vraag met ‘ja’
beantwoord wordt, volgt de analyse of het lijden onvermijdbaar danwel noodzakelijk is. Dit
zijn echter nog steeds tussenstappen. Het volledige analyseproces zal moeten aantonen of
potentieel dierenleed maatschappelijk aanvaardbaar is.
Wanneer een bepaalde praktijk en/of bepaalde maatregelen in onaanvaardbaar lijden
resulteren, moeten de praktijk en/of de interventiemaatregelen heroverwogen worden. Het
staken van primair, lijden veroorzakend, menselijk handelen is nadrukkelijk onderdeel van
die heroverweging.
De totale afweging wordt bij voorkeur vooraf (ex ante) gemaakt, zodat ze een preventief
effect heeft en onaanvaardbaar lijden voorkomen wordt. Met een eenmalige afweging is de
beheerder (of houder of hoeder) er nog niet: gedurende de uitvoering van de praktijk moet
hij zich er van vergewissen dat de beoogde welzijnseffecten inderdaad gerealiseerd worden.
Bovendien kunnen veranderingen in breed gedragen maatschappelijke waarden en normen
leiden tot verschuivingen in de afwegingen over de aanvaardbaarheid van lijden en dus,
over de aanvaardbaarheid van de praktijk.
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                         19/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Let wel: conform de in paragraaf 3.1 geformuleerde uitgangspunten hebben dit schema en
de in deze zienswijze bepleite afweging uitsluitend betrekking op de aanvaardbaarheid van
potentiële dierenwelzijnaantastingen als gevolg van een bepaalde praktijk – en niet op de
principiële aanvaardbaarheid van bepaalde praktijken,. Daarbij tekent de Raad aan dat voor
veel dierhouderijpraktijken vandaag de dag op basis van breed gedragen maatschappelijke
waarden en normen enige mate van dierenwelzijnaantasting aanvaardbaar wordt geacht.
                           Is het              nee
                 aanpassingsvermogen                     Geen interventie
                        van het dier
                      overschreden?
                                     ja
                            Zijn               nee
                 interventiemaatregelen                   Onvermijdbaar
                        (technisch)                                lijden
                  uitvoerbaar/mogelijk?
                                     ja
               Zijn mens- of diergerichte                     Interventie
                doelen oorzaak voor het        nee         uitvoeren (om
               lijden en zijn deze doelen                onaanvaardbaar
                    beperkend voor de                           lijden te
                interventiemaatregelen?                      voorkomen)
                                     ja
                    Noodzakelijk lijden
                  (noodzakelijk om een
                 bepaalde doelstellingen
                       te realiseren)
                   Ethische Afweging
                 op basis van relevante                            Onaanvaardbaar lijden: heroverwegen
              feiten, intuïties, waarden,                  interventiemaatregelen en/of menslijk handelen
                           etc.)                         (indien dat de primaire oorzaak voor het lijden is).
                [Zie Afwegingsmodel voor
                   Dierbeleid, bijlage II]
                     Aanvaardbaar lijden: lijden dat
                  maatschappelijk breed gedragen en
                       moreel geaccepteerd wordt
De afwegingen vinden achtereenvolgens plaats op technisch niveau, op beheerderniveau en op maatschappelijk
niveau. Het spreekt voor zich dat deze afwegingen in de openbaarheid en bij voorkeur ex ante plaatsvinden.
RDA_2012-02                                Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                                      20/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>5.3     Ex­ante evaluatie
De Raad voor Dierenaangelegenheden pleitte in zijn zienswijze Winstgevend Welzijn (2012)
voor een verbreding van de milieueffectrapportage (m.e.r.) naar een maatschappelijk-effect-
rapportage. Deze aanbeveling herhaalt de Raad hier, waarbij hij van mening is dat de
afwegingen zoals beschreven in paragraaf 5.2 van deze zienswijze een integraal onderdeel
van die m.e.r. zouden moeten zijn.
Praktisch gezien betekent dit dat eenieder die plannen wil gaan uitvoeren waarvan
redelijkerwijs te verwachten is dat die het welzijn (i.c. de zelfredzaamheid) van dieren of
dierpopulaties gaan aantasten, daar in een ex ante evaluatie verantwoording over aflegt en
– dus – laat zien of en in welke mate er sprake kan gaan zijn van welzijnsaantasting, welke
technisch mogelijke en maatschappelijk aanvaardbare interventiemaatregelen hij zal gaan
nemen en welke maatschappelijk aanvaardbare welzijnsaantasting hij verwacht dat er
uiteindelijk resteert.
In veel gevallen wordt een dergelijke ex ante evaluatie al min of meer uitgevoerd,
bijvoorbeeld in de vorm van milieueffectrapportages en faunabeheerplannen, maar de Raad
is van mening dat de afwegingen en conclusies ten aanzien van de zorgplicht jegens dieren
explicieter moeten worden gemaakt. In geval van het Oostvaardersplassengebied is deze
evaluatie gaandeweg gemaakt door de tweede ICMO-commissie. In geval van de damherten
in de Amsterdamse Waterleidingduinen, voor het uitzetten van dieren in nieuwe
natuurgebieden (het zgn. rewilding) en voor het inperken van leefgebieden door
bijvoorbeeld infrastructurele projecten is het nú tijd om deze ex ante evaluatie in te voeren.
Ook de slepende discussie over het wel of niet opvangen van zieke zeehonden (of andere
nietgehouden dieren) zou geholpen zijn met een ex ante evaluatie van de zorgplicht, de
maatschappelijk aanvaardbare interventiemaatregelen en het maatschappelijk aanvaardbaar
lijden.
5.4     Conclusies
       De zorgplicht ligt bij diegene die door zijn (voorgenomen) handelen het
        aanpassingsvermogen van een dier of diergroep zou kunnen inperken. Diegene dient
        voorafgaand aan zijn voorgenomen handelen zichtbaar te maken op welke wijze hij
        invulling geeft aan zijn zorgplicht. Dit is nadrukkelijk ook onderdeel van de zorgplicht.
       Het begrip ‘onnodig lijden’ kan verder verfijnd worden naar ‘(on)vermijdbaar lijden’
        en ‘(on)aanvaardbaar lijden’. Deze verfijning vindt plaats op achtereenvolgens een
        wetenschappelijk       (biologisch)       niveau,      een   praktisch   niveau,     een
        houder/beheerderniveau en tot slot een maatschappelijk-ethisch niveau.
       De zorgplicht voor dieren of diergroepen is gerelateerd aan de (on)vermijdbaarheid
        van het lijden en aan de (on)aanvaardbaarheid van het lijden.
       Het verbreden van de milieueffectrapportage (m.e.r) naar een maatschappelijk-
        effect-rapportage biedt, met inpassing van het afwegingskader van de RDA, goede
        handvatten voor het transparant maken van de afwegingen ten aanzien van het
        welzijn en de zorgplicht van semi- en nietgehouden dieren.
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          21/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>6.      Praktijkvoorbeelden
6.1     Een muis is een muis is een muis
Als we vinden dat we een zorgplicht hebben voor alle soorten dieren (dus voor levende
wezens met gevoel en met een intrinsieke waarde), dan geldt onze morele zorgplicht ook
voor een muis, ongeacht of deze als 'dier in het wild', 'plaagdier', ‘huisdier’ of 'proefdier'
wordt aangemerkt. Vergeleken bij een dier in het wild wordt een muis die als huisdier of
proefdier wordt gehouden echter blootgesteld aan leefomstandigheden die zijn vrijheid om
zich aan omgevingsomstandigheden aan te passen aanzienlijk beperken. Zo moet deze muis
bijvoorbeeld voedsel en water worden gegeven, omdat hij niet de vrijheid heeft zelf zijn
voedsel te verzamelen. Onze praktische zorgplicht voor een muis als huisdier of proefdier is
blijkbaar aanzienlijk groter dan die voor een muis in het wild. Wanneer een wilde muis
daarentegen als plaagdier een potentiële bedreiging vormt voor de volksgezondheid, dan
moet diezelfde zorgplicht voor de muis wijken voor het menselijk belang (d.w.z. de
bescherming van de volksgezondheid). Zo wordt gerechtvaardigd dat plaag-muispopulaties
op iedere noodzakelijk geachte wijze worden beheerd, zelfs als dit beheer leidt tot het lijden
van individuele dieren. Het is echter wel onze verantwoordelijkheid om hierbij voor
maatregelen te kiezen die zo veel mogelijk rekening houden met de intrinsieke waarde van
het dier (door bijvoorbeeld preventieve werende maatregelen toe te passen), en die
onaanvaardbaar lijden van het dier voorkomen.
6.2     Muizen, muggen en amoeben
Er ligt een gelijksoortig argument ten grondslag aan de verschillen in onze
verantwoordelijkheid voor het welzijn van muizen, muggen en amoeben. Maar hoewel we
kunnen stellen dat muizen duidelijk wezens zijn met gevoel en bewustzijn (tenminste in de
mate dat zij kunnen lijden of enig bewustzijn van hun interne toestand hebben), geldt dat
wellicht niet voor minder complexe organismen. Als welzijn uitsluitend wordt bepaald in
relatie tot de perceptie van het dier van zijn eigen status, dan zou men kunnen stellen dat
een eventuele menselijke verantwoordelijkheid voor de bescherming/facilitering van het
welzijn van een dier zich beperkt tot wezens met gevoel.
Het is echter niet helemaal duidelijk welke diersoorten over 'gevoel' beschikken, en
beoordeling van een 'bewustzijn' is vooral een subjectief menselijk oordeel dat voortkomt uit
onze eigen beperkte kennis. Hoewel wetgeving over proefdieren zich bijvoorbeeld al
decennialang beperkt tot gewervelde dieren, zijn in recente amendementen ook
cephalopoda (koppotigen zoals inktvissen) opgenomen, omdat men tegenwoordig van
mening is dat hun cognitieve capaciteiten gelijkwaardig zijn aan die van lagere gewervelde
diersoorten. Dus, terwijl we accepteren dat onze verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn
zich beperkt tot dieren die leed of een positieve welzijnstoestand kunnen ervaren, hangt de
onderverdeling van dieren in wezens met of zonder gevoel af van onze eigen kennis.
Aangezien onze kennis beperkt is, zijn wij er geen voorstander van dat deze
verantwoordelijkheid wordt beperkt tot dieren die a priori als wezens met gevoel zijn
gedefinieerd. Zoals het eerdere voorbeeld al aangaf, kan iedere verplichting tot interventie
of het ondernemen van actie echter praktisch worden beperkt door overige afwegingen (dat
het bijvoorbeeld moeilijk is de omgevingsrelaties van een mug of een amoebe te
veranderen).
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                         22/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>6.3    Zwerfdieren
Het natuurlijke gedrag van wilde dieren is het resultaat van een evolutionair selectieproces.
Het gedrag van wilde dieren is bijgevolg nauwkeurig afgestemd geraakt op de beperkingen
en de mogelijkheden van hun natuurlijke leefomgeving. Voor gedomesticeerde diersoorten
(en -rassen) kan het echter problematisch zijn om een ‘natuurlijke’ leefomgeving vast te
leggen, omdat het corresponderende wildtype niet noodzakelijk een referentiewaarde vormt.
Bij gedomesticeerde diersoorten is echter vastgesteld dat het complete gedragsrepertoire
van de wilde voorouders nog steeds (latent) aanwezig is en zich na introductie in een
seminatuurlijke omgeving snel herstelt.
Derhalve zou ook de zorgplicht voor zwerfdieren gerelateerd kunnen worden aan hun
vermogen om zich aan te kunnen passen aan niet-gehouden leefcondities. Echter,
zwerfdieren zijn zelf ook van invloed op de omgevingscondities van ‘echte wilde’ dieren.
Onze zorgplicht t.o.v. zwerfdieren moet daarom niet alleen gerelateerd worden aan het
mogelijke lijden van het zwerfdier, maar ook aan de potentiële welzijnsaantasting die een
(door de mens in de natuur ingebracht) zwerfdier voor andere dieren zou kunnen
betekenen.
RDA_2012-02                     Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          23/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Bijlage I: Afwegingsmodel zorgplicht en (on)aanvaardbaar lijden
Er is een essentieel verschil tussen noodzakelijk lijden en aanvaardbaar lijden. Noodzakelijk
lijden is het lijden dat nodig is om bepaalde – subjectieve – managementdoelen te kunnen
behalen. De noodzakelijkheid bestaat dus vanuit het perspectief van degene die bepaalde
interventiemaatregelen zou moeten nemen, maar er voor kiest om dat niet te doen omdat er
andere mens- of diergerichte doelstellingen prevaleren. Die keuze is echter vandaag de dag
nadrukkelijk niet meer uitsluitend aan de beheerder of houder. De maatschappij wil gekend
worden in deze afwegingen en de breed gedragen en goed onderbouwde maatschappelijke
moraal bepaalt samen met de relevante, actuele wetenschappelijke kennis of die mens- of
diergerichte doelstellingen zwaarder wegen dan het lijden van de dieren of dierpopulaties. Is
dat het geval, dan spreken we van aanvaardbaar lijden.
           Fundamentele
    Ethische         afweging    moreleinzake
                 vraagstukken
           de zorgplicht voor                                      Wordt het aanpassingsvermogen
                                                                   van het dier overschreden?
               dierenwelzijn
    Gebaseerd op:
                                                                    Zijn interventiemaatregelen
       Maatschappelijk moraal                                       (technisch, praktisch) uitvoerbaar?
       Breed geaccepteerd en gebaseerd
       op:
           Intuïtie/gevoelens (bijv. perceptie                    Zijn er mens- en diergerichte
            van dierenwelzijn)                                     doelstellingen die conflicteren met
           Principes     (bijv.     intrinsieke                   de interventiemaatregelen?
            waarde,                 autonomie,
            rechtvaardigheid)
           Feiten (geconfronteerd worden
            met lijdende dieren)
                                                               Specifieke overwegingen:
    en
                                                                  Wegen de conflicterende mens- en
       Wetenschappelijke kennis over                               diergerichte doelstellingen zwaarder
       (relevant en actueel)                                       dan de welzijnsaantasting van het
                                                                   dier?
           Emotie & cognitie
           Economische belangen                               •   Wegen de conflicterende mens- en
                                                                   diergerichte doelstellingen zwaarder
           Milieu                                                 dan de mogelijke
           Mens-dierrelatie                                       interventiemaatregelen?
           Adaptatie
              belangen zijn afgewogen
           Natuur
           Domesticatie
           Evolutie
    worden belangen afgewogen.
Wanneer menselijk handelen de zelfredzaamheid van een dier inperkt waardoor er lijden
ontstaat waarvoor geen praktische interventiemogelijkheden zijn, moet de resulterende
welzijnsaantasting ethisch getoetst – en het menselijk handelen eventueel heroverwogen –
worden.
RDA_2012-02                                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          24/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Bijlage II: Belangrijke definities
Aanpassingvermogen
Het aanpassingvermogen omschrijft de (lichamelijke en geestelijke)vaardigheden waarmee
een diersoort is toegerust en die een individu in het verloop van zijn eigen leven ontwikkelt.
De soortspecifieke vaardigheden vormen dus de basis, welke individueel wordt verfijnd. Het
aanpassingsvermogen van een individu is niet statisch, maar is afhankelijk van de interne
toestand van een individu en zijn veranderende omgevingsomstandigheden.
Ook een groep of populatie heeft een (gemeenschappelijk) aanpassingvermogen, omdat het
vermogen van een groep om zich aan te kunnen passen aan veranderende
omgevingsomstandigheden gerelateerd is aan het samenspel van alle individuen van deze
groep.
Afblijfplicht
Afblijfplicht is het vervullen van onze zorgplicht door niet-ingrijpen wanneer interventie niet
noodzakelijk of wenselijk is. Afblijfplicht is een vorm van zorgplicht (en niet de afwezigheid
daarvan).
Lijden
Lijden is een subjectieve emotionele toestand. Kortdurende negatieve emoties zoals honger
en angst kunnen dienen als prikkel voor het dier om zijn gedrag aan te passen en hebben
een functie. Een kortdurende toestand van lijden kan dus binnen het aanpassingvermogen
van het dier vallen en vereist niet noodzakelijk een ingrijpen. Wanneer een individu niet het
vermogen of de gelegenheid heeft om adequaat op lijden te reageren (bijvoorbeeld door zich
te onttrekken aan een angstveroorzakende situatie) ontstaat een belasting die het
aanpassingvermogen van het individu kan overstijgen en spreken we van zodanig lijden dat
interventie vereist is.
Morele verantwoordelijkheid
Onze morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren is gebaseerd op de erkenning
van de intrinsieke waarde van dieren en staat (daarmee) los van de diersoort en van de
context waarin we een dier tegenkomen.
Welzijn
Het welzijn van een individu beschrijft een interne toestand, zoals die door het individu zelf
ervaren wordt. Deze welzijnstoestand is het resultaat van de eigenschappen van een
individu en van de omgevingsomstandigheden waaraan het individu wordt blootgesteld. De
beoordeling van de welzijnstoestand van een dier door de mens kan alleen op basis van
waarnemingen aan het dier zelf geschieden. Een negatieve welzijnstoestand zal zich vertalen
in reacties die erop gericht zijn de bestaande situatie te veranderen. Een positieve
welzijnstoestand zal zich vertalen in reacties die erop gericht zijn de bestaande situatie in
stand te houden.
Zorgplicht
De zorgplicht is de wijze waarop wij in de praktijk invulling geven aan onze morele
verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren. De zorgplicht is gerelateerd aan praktische
aspecten (zoals technische uitvoerbaarheid van maatregelen) en de ethische afweging van
de doelstellingen van ons handelen en de gevolgen daarvan. De zorgplicht ligt bij diegene
onder wier handelingsbereik het dier of de groep dieren valt.
RDA_2012-02                        Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                          25/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Bijlage III: Totstandkoming zienswijze
De totstandkomingprocedure van deze zienswijze is anders dan voor de Raad voor
Dierenaangelegenheden gebruikelijk is. In de normale werkwijze stellen enkele Raadsleden
een concepttekst over een vraagstuk op en brengen alle Raadsleden hun expertise in door
middel van een Horizontale Toetsing van deze concepttekst. Bij ‘Zorgen of afblijven’ gaat het
om een voor de RDA nieuw thema waarvoor naast de expertise van de Raadsleden ook een
aanzienlijke hoeveelheid expertise van buiten de Raad benodigd is. Daarom heeft het
ondersteunend bureau van de Raad na een brainstormsessie met enkele externe experts
een discussiestuk opgesteld. Dit discussiestuk is getoetst door de Raad. Vervolgens is een
aantal externe organisaties met deskundigheid op het gebied van het maken en uitvoeren
van natuurbeleid gevraagd om op hun expertise voor deze zienswijze in te brengen door op
dit discussiestuk te reageren en enkele bijbehorende vragen te beantwoorden. Het
discussiestuk en de externe inbreng zijn door het RDA-bureau verwerkt tot een
conceptzienswijze welke vervolgens in twee rondes Horizontale Toetsing aan de Raadsleden
is voorgelegd.
Voor de totstandkoming van deze zienswijze zijn onder andere de volgende organisaties
geraadpleegd:
o   Dierenbescherming
o   Faunabescherming
o   Faunafonds
o   Interprovinciaal Overleg (IPO)
o   Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging
o   12 Landschappen
o   Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur
o   Staatsbosbeheer
o   Vereniging Natuurmonumenten
o   Vereniging Vond
De Raad voor Dierenaangelegenheden heeft voor deze zienswijze dankbaar gebruik gemaakt
van de door deze organisaties geleverde kennis en standpunten. Het is de Raad gebleken
dat de standpunten van de geraadpleegde organisaties over dit onderwerp uiteenlopen en
soms sterk kunnen verschillen met de uiteindelijke zienswijze van de Raad. Een vermelding
in deze lijst van geraadpleegde deskundigengroepen mag dan ook niet worden opgevat als
een onderschrijven van de zienswijze door de betreffende organisatie. De Raad voor
Dierenaangelegenheden is zelf en als enige verantwoordelijk voor de inhoud van deze
zienswijze.
RDA_2012-02                      Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                         26/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een raad van deskundigen die op verzoek van de
minister en staatssecretaris van Economische Zaken en op eigen initiatief adviseert over vraagstukken
op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en dierethiek. De Raad baseert zich daarbij op de
meest recente wetenschappelijke, maatschappelijke en ethische ontwikkelingen. De RDA bestaat uit
wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak,
zitting hebben in de Raad.
Deze zienswijze van de Raad is voorbereid door het ambtelijk bureau van de RDA. Bij deze
voorbereiding is dankbaar gebruik gemaakt van de expertise van prof. dr. Rory Putman, Mr. Andreas
Dijkhuis, prof. dr. Ludo Hellebrekers en prof. dr. Frauke Ohl en van de in Bijlage III genoemde
organisaties. De conceptzienswijze is tweemaal ter beoordeling voorgelegd aan alle raadsleden.
Uiteindelijk heeft de RDA-voorzitter met inachtneming van de reacties uit deze Horizontale Toetsing de
zienswijze vastgesteld. Deze zienswijze is – daarmee – nadrukkelijk een product van de gehele Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestaat uit de volgende deskundigen:
De heer prof. dr. ir. J.A.M. van Arendonk                  De heer drs. J. Kaandorp
Mevrouw dr. H.M.G. van Beers-Schreurs                      De heer prof. dr. F. van Knapen
De heer dr. F.W.A. Brom                                    De heer prof. dr. P.A. Koolmees
De heer W.H.B.J. van Eijk                                  De heer ir. J. Lokhorst
Mevrouw prof. mr. A.A. Freriks                             Mevrouw prof. dr. F. Ohl, voorzitter
De heer prof. dr. L.J. Hellebrekers                        Mevrouw drs. P.I. Polman, MPH
De heer prof. dr. ir. W.H. Hendriks                        De heer ir. P. Poortinga
Mevrouw dr. S.A. Hertzberger                               De heer ir. F.C. van der Schans
Mevrouw J.E. Hesterman                                     Mevrouw dr. M.M. Sloet van
De heer A.J.M. van Hoof                                    Oldruitenborgh - Oosterbaan
De heer dr. ing. H. Hopster                                De heer prof. dr. J.A. Stegeman
De heer prof. dr. ir. R.B.M. Huirne                        De heer ir. M.H.A. Steverink, MFM
De heer ir. M.J.B. Jansen                                  De heer H.W.A. Swinkels
De heer prof. dr. ir. M.C.M. de Jong                       Mevrouw drs. H.M. van Veen
Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman                           De heer P.J. Vingerling
De heer J.Th. de Jongh                                     De heer W. Zwanenburg
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl Daar
kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden. U kunt zich tevens abonneren op onze
nieuwsbrief.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Postbus 20401
2500 EK ’s-Gravenhage
T: 070-3785266
www.RDA.nl
RDA_2012-02                          Zorgplicht Natuurlijk Gewogen                               27/27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>