<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>     Richtsnoer
    Ganzendoden
RDA     Richtsnoer Ganzendoden 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>AANBIEDINGSBRIEF
Excellentie,
Voor u ligt het Richtsnoer Ganzendoden in reactie op de vraag van uw
ambtsvoorganger in juni van dit jaar: “Wat is — in enkele specifiek aan te wijzen
praktijksituaties — een uitvoerbare en maatschappelijk geaccepteerde methode
voor het doden van wilde (stand)ganzen die het onnodig lijden van de dieren
voorkomt; afgewogen tegen de alternatieve dodingmogelijkheden.” Het opstellen
van dit Richtsnoer is geen sinecure gebleken: specifieke, wetenschappelijk
onderbouwde informatie over het doden van ganzen en vooral over de
maatschappelijke opvattingen dienaangaande is spaarzaam. Het is echter
duidelijk dat het doden van ganzen, zeker wanneer dat in grote hoeveelheden
tegelijk gebeurt en in het bijzonder wanneer dat door middel van vergassing
plaatsvindt, veel ongemak bij mensen oproept.
De aan de Raad gestelde vraag is gebaseerd op het uitgangspunt dat het doden
van grote aantallen wilde ganzen nodig is. De meningen over dit uitgangspunt
zijn echter verdeeld, zowel in het maatschappelijke debat alsook in de Raad. Het
valt dan ook niet te verwachten dat acceptatie voor een bepaalde
dodingmethode bestaat bij personen die het uitgangspunt niet delen. Enkele
raadsleden zijn dan ook van mening dat de Raad deze adviesvraag alleen had
moeten aannemen als zij de volledige context van het ganzenvraagstuk –
inclusief een beschouwing van de aanleiding en de afweging van de alternatieven
voor doding – had beslagen.
Verder zijn ook de meningen over de aanvaardbaarheid van dodingmethoden
niet unaniem. Een ruime meerderheid van de Raad ziet dat alsnog anders en
daarom ligt dit Richtsnoer er nu. Ik hecht er echter wel aan deze
minderheidsstandpunten expliciet onder uw aandacht te brengen. De boodschap
daarbij is dat het niet eenvoudig zal zijn om te komen tot breed gedragen,
algemeen maatschappelijk aanvaarde strategieën voor de aanpak van de
ganzenproblematiek in Nederland. Toch moet u daar naar streven, en ik
vertrouw er op u middels dit Richtsnoer duidelijkheid verschaft te hebben over
de dodingmethoden die in de finale afweging van beheerstrategieën aan de orde
zullen moeten komen.
Den Haag, 17 december 2012
Prof. dr. Frauke Ohl,
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
RDA                            Richtsnoer Ganzendoden                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>INHOUD
1.    Inleiding Richtsnoer ganzendoden .................................................................. 5
  1.1    Aanleiding ................................................................................................ 5
  1.2    Adviesvraag .............................................................................................. 5
  1.3    Afwegingsmodel ........................................................................................ 6
  1.4    Scope en verantwoording ........................................................................... 8
  1.5    Aanvullende cases ..................................................................................... 8
  1.6    Maatschappelijke opvattingen ..................................................................... 8
2.    OVERZICHT DODINGMETHODEN met AFWEGINGEN ........................................10
  2.1    Wegingsfactoren ......................................................................................10
  2.2    Kanttekeningen bij de dodingmethoden ......................................................11
  2.3    Dodingmethoden per casus: afwegingen .....................................................14
    2.3.1     Populatiereductie overzomerende standganzen in watergebieden .............14
    2.3.2     Veiligheid van het vliegverkeer ............................................................16
    2.3.3     In geval van acute schade bij agrarische bedrijven .................................17
    2.3.4     Zieke ganzen in een stedelijke omgeving ..............................................18
    2.3.5     Invasieve exoten in een stedelijke omgeving .........................................19
3.    RICHTSNOER ..............................................................................................20
  3.1    Inleiding .................................................................................................20
  3.2    Richtsnoer ganzendoden ...........................................................................20
    3.2.1     Populatiereductie ...............................................................................21
    3.2.2     Vliegverkeer ......................................................................................21
    3.2.3     Landbouwschade ................................................................................22
    3.2.4     Zieke ganzen .....................................................................................22
    3.2.5     Invasieve exoten ................................................................................22
    3.2.6     Samenvattend overzicht .....................................................................23
4.    MINDERHEIDSSTANDPUNTEN .......................................................................24
5.    LITERATUUR ...............................................................................................25
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                                               3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>LEESWIJZER
Hoofdstuk 1 schetst de noodzakelijke context voor het door de Raad voor
Dierenaangelegenheden gepresenteerde richtsnoer. In dit hoofdstuk worden
achtereenvolgens de aanleiding, het gehanteerde afwegingsmodel, de reikwijdte
van deze zienswijze, de breedte van de adviesvraag en het referentiekader voor
de afwegingen gepresenteerd. In paragraaf 1.2 kunt u de exacte formulering van
de adviesvraag lezen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 eerst een beschrijving
van de voor dit richtsnoer relevante eigenschappen van de verschillende
dodingmethoden gegeven, waarna per gevraagde casus de voor- en nadelen van
de verschillende dodingmethoden worden uitgewerkt. Dit resulteert in een
oordeel van de Raad over welke dodingmethode op basis van breed gedragen
maatschappelijke opvattingen per casus de meest aanvaardbare is. Dit is in
verkorte vorm weergegeven in hoofdstuk 3, het uiteindelijke Richtsnoer.
TOTSTANDKOMING
Voor de totstandkoming van deze zienswijze van de Raad voor
Dierenaangelegenheden is door het ambtelijk bureau van de Raad een
concepttekst opgesteld op basis van de voorhanden zijnde literatuur- en
expertkennis. Deze concepttekst is voor een eerste beoordelingsronde
voorgelegd aan de raadsleden en tegelijkertijd door het ministerie van
Economische Zaken (, Landbouw en Innovatie) ter consultatie voorgelegd aan de
partijen die deelnemen in de Ganzen-7, de Dierenbescherming en de Koninklijke
Nederlandse Jagersvereniging. De beoordelingen van de raadsleden zijn door het
bureau van de Raad verwerkt in een tweede concepttekst, na kennisname van
de resultaten van de consultatieronde. De tweede concepttekst is vervolgens
voor een finale beoordelingsronde voorgelegd aan de raadsleden. Deze
zienswijze is daarmee nadrukkelijk een product van de Raad voor
Dierenaangelegenheden. Dat betekent overigens niet dat de opvattingen van
individuele leden volledig in overeenstemming hoeven te zijn met alle elementen
van deze zienswijze. Daar waar meningen sterk verschillen is dit in de bijlage
van deze zienswijze expliciet aangegeven.
RDA                             Richtsnoer Ganzendoden                        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1.      Inleiding Richtsnoer ganzendoden
1.1     Aanleiding
De overheid besteedt jaarlijks ca. 26 miljoen euro aan de opvang en schade ten
gevolge van ganzen in Nederland. Bij ongewijzigd beleid zal volgens
voorspellingen van het LEI in de periode 2011-2018 het aantal overzomerende
ganzen in Nederland toegenomen zijn van 370.000 naar 1.350.000 stuks en zal
het aantal overwinterende ganzen groeien van 2.240.000 naar 3.290.000 stuks.
Het LEI heeft berekend dat de netto economische schade ten gevolge van de
grote aantallen ganzen voor Nederland zou oplopen tot ruim 38 miljoen euro1.
Wanneer de populatie overzomerende ganzen sterk wordt gereduceerd neemt
die jaarlijkse kostenpost niet toe of neemt ze af tot ca. 15 miljoen euro,
afhankelijk van het gekozen (Ganzen-7 of IPO) beheerscenario. Het uiteindelijk
vastgestelde Ganzenakkoord is een mengvorm van beide scenario‟s. Op het
moment van het vaststellen van dit Richtsnoer is nog geen doorberekening van
dit akkoord bekend. Bij voornoemde bedragen is de niet-vergoede schade die
ganzen aan boerenbedrijven toebrengen nog buiten beschouwing gelaten.
Behalve een bron van economische schade vormen de groeiende
ganzenpopulaties ook een risico voor de veiligheid van ons vliegverkeer.
Om de schade aan boerenbedrijven en de risico's voor het (vlieg)verkeer tot
aanvaardbare proporties terug te brengen zijn verschillende beheermaatregelen
mogelijk. Het doden van ganzen kan onderdeel uitmaken van die
beheermaatregelen. Hoewel het doden van ganzen uit het oogpunt van
beleidsmakers en beheerders noodzakelijk lijkt te zijn, wil dat nog niet zeggen
dat doden van ganzen ook maatschappelijk aanvaardbaar is.
1.2     Adviesvraag
Staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
formuleerde zijn vraag aan de Raad voor Dierenaangelegenheden als volgt:
Wat is — in enkele specifiek aan te wijzen praktijksituaties — een uitvoerbare en
maatschappelijk geaccepteerde methode voor het doden van wilde
(stand)ganzen die het onnodig lijden van de dieren voorkomt; afgewogen tegen
de alternatieve dodingmogelijkheden.
Bij deze adviesvraag gaf de staatssecretaris de volgende toelichting:
“In het zgn. Ganzenakkoord van de G7-partijen zijn afspraken gemaakt over het
bestrijden van schade aan landbouwgewassen en de natuurdoelstellingen die
worden veroorzaakt door sterk toenemende aantallen standganzen in Nederland.
Het doden van standganzen (exotische en inheemse) is daar onderdeel van. De
inschatting is dat de komende 5 jaar intensief vele ganzen (ca. 200.000 ganzen
per jaar) gedood zullen moeten worden.
De vraag die nu voorligt is welke methode het meest geëigend is om de
standganzen in het bijzonder maar eigenlijk ook de gans in het algemeen te
doden. Wij zullen een aantal specifieke praktijksituaties benoemen waarvoor een
advies wordt gevraagd. De vraag of ganzen gedood moeten worden is
nadrukkelijk geen onderdeel van deze adviesvraag.
1
  Doorrekenen Ganzenscenario G7 en IPO, LEI (2012)
RDA                                Richtsnoer Ganzendoden                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Hoewel er wettelijke bepalingen zijn ten aanzien van het gebruik van bepaalde
dodingmethoden, vormen deze geen inkadering voor de adviesvraag.
Met de RDA is afgesproken dat hij de beschikbare wetenschappelijke kennis
inventariseert en met behulp van deze kennis en zijn Afwegingmodel voor
dierbeleid een moreelethische afweging van de verschillende dodingmethoden
maakt. Deze afweging zal voor enkele specifieke voorbeeldsituaties gemaakt
worden. Het beoogde resultaat van deze afwegingen vormt het richtsnoer voor
het doden van wilde (stand)ganzen.”
De volgende specifieke praktijksituaties zijn aangewezen:
      populatiereductie van grote aantallen standganzen in watergebieden;
      de veiligheid van het vliegverkeer;
      acute schade bij agrarische bedrijven;
      zieke ganzen in een stedelijke omgeving en;
      invasieve exoten in een stedelijke omgeving.
1.3      Afwegingsmodel
Voor het bepalen van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van voorgenomen
beheermaatregelen heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden in zijn zienswijze
Zorgplicht Natuurlijk Gewogen in 2012 nut, noodzaak en methode beschreven.
Voor het bepalen van de maatschappelijke aanvaardbaarheid moeten de
verschillende belangen die in het geding zijn - in dit geval onder andere
dierenwelzijn2, economie, ecologie en veiligheid van de mens - tegen elkaar
worden afgewogen op basis van breed gedragen maatschappelijke waarden en
normen. Die afweging betreft zowel de voorgenomen maatregelen, alsook de
mogelijke mitigerende maatregelen en het netto resultaat. Wordt de netto
resulterende dierenwelzijnaantasting onaanvaardbaar gevonden, dan zullen
beleidsmakers en beheerders hun beheerstrategieën moeten heroverwegen.
De totale afweging wordt bij voorkeur vooraf (ex ante) gemaakt, zodat ze een
preventief effect heeft en onaanvaardbaar lijden voorkomen wordt. Met een
eenmalige afweging is de beheerder er nog niet: gedurende de uitvoering van de
praktijk moet hij zich er van vergewissen dat de beoogde welzijnseffecten
inderdaad zin zoals verwacht. Bovendien kunnen veranderingen in breed
gedragen maatschappelijke waarden en normen leiden tot verschuivingen in de
afwegingen over de aanvaardbaarheid van lijden en dus, over de
aanvaardbaarheid van de praktijk.
Let wel: deze afweging (schematisch weergegeven in figuur 1 op de volgende
bladzijde) heeft uitsluitend betrekking op de aanvaardbaarheid van potentiële
dierenwelzijnaantastingen als gevolg van een bepaalde praktijk – en niet op de
principiële aanvaardbaarheid van bepaalde praktijken.
Het doden van ganzen kan lijden veroorzaken. Dat lijden is (technisch gezien)
vermijdbaar, omdat de mens kan besluiten om geen ganzen te doden. Mens- en
diergerichte doelen (zoals vliegveiligheid garanderen, economische schade
voorkomen, zieke dieren uit hun lijden verlossen) kunnen het doden van ganzen
echter noodzakelijk maken. Het doden van ganzen is voor beheerders een reële
en realistische maatregel en het lijden dat uit die maatregel volgt is in die optiek
noodzakelijk lijden. Pas uit de ethische afweging wordt duidelijk of dat
noodzakelijk lijden ook (maatschappelijk) aanvaardbaar is. Wanneer dat niet het
2
  Zie Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (RDA, 2012) voor de vernieuwde definitie van dierenwelzijn, die
ook voor nietgehouden dieren toepasbaar is.
RDA                                   Richtsnoer Ganzendoden                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>geval blijkt te            zijn,    moet   de   beheerder        zijn  voorgenomen handelen
heroverwegen.
In figuur 1 begint deze zienswijze op het punt waar de beheerder besloten heeft
dat er mens- en diergerichte doelstellingen zijn die het doden van ganzen
noodzakelijk maken (het eerste witte blok) en draait om de afweging van de
verschillende dodingmethoden en de daar uit volgende inschatting van
aanvaardbaarheid.
                      Is het
            aanpassingsvermogen           nee    Geen interventie
                   van het dier
                 overschreden?
                                 ja
                       Zijn               nee
            interventiemaatregelen                Onvermijdbaar
                   (technisch)                          lijden
             uitvoerbaar/mogelijk?
                                 ja
                  Zijn mens- of
                                                    Interventie
              diergerichte doelen
                                          nee     uitvoeren (om
            oorzaak voor het lijden
                                                 onaanvaardbaar
              en zijn deze doelen
                                                      lijden te
               beperkend voor de
           interventiemaatregelen?                 voorkomen)
                                 ja
               Noodzakelijk lijden
             (noodzakelijk om een
            bepaalde doelstellingen
                  te realiseren)
               Ethische Afweging                        Onaanvaardbaar lijden:
            op basis van relevante                           heroverwegen
                 feiten, intuïties,                interventiemaatregelen en/of
                  waarden, etc.)                  menslijk handelen (indien dat de
                                                  primaire oorzaak voor het lijden
                                                                  is).
                Aanvaardbaar lijden: lijden dat
             maatschappelijk breed gedragen en
                  moreel geaccepteerd wordt
Figuur 1: Afwegingsstappen aanvaardbaar lijden.
De afwegingen vinden achtereenvolgens plaats op technisch niveau, op beheerderniveau en op
maatschappelijk niveau. Het spreekt voor zich dat deze afwegingen in de openbaarheid en bij
voorkeur ex ante plaatsvinden.
RDA                                      Richtsnoer Ganzendoden                           7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1.4     Scope en verantwoording
De staatssecretaris van EL&I (nu EZ) stelt expliciet dat de afweging óf er wel of
geen ganzen gedood moeten worden, geen onderdeel is van zijn adviesvraag
aan de Raad voor Dierenaangelegenheden. Wat hij wél vraagt van de Raad is
om, gegeven het feit dat er ganzen gedood moeten worden, aan te geven welke
dodingmethode het meest geëigend is om de standganzen in het bijzonder, maar
eigenlijk ook de gans in het algemeen te doden. Het ministerie heeft vervolgens
een aantal specifieke praktijksituaties benoemd waarvoor advies wordt
gevraagd.
Voor de totstandkoming van dit richtsnoer heeft de Raad een inventarisatie
gemaakt van de relevante eigenschappen van de verschillende dodingmethoden.
Vervolgens heeft de Raad op basis van die eigenschappen, per praktijksituatie
ingeschat welke methode(n) de grootste kans maken om als maatschappelijk
aanvaardbaar te worden beoordeeld. Omdat er geen brede maatschappelijke
consultaties over dit onderwerp hebben plaatsgevonden, is het oordeel van de
Raad een inschatting op basis van breed gedragen maatschappelijke opvattingen
over het doden van dieren in het algemeen.
Let wel: het Richtsnoer betreft alleen een vergelijking van de maatschappelijke
aanvaardbaarheid van de dodingmethoden onderling en niet de finale afweging
van de volledige aanpak van de ganzenschade. Die finale afweging ligt buiten de
scope van dit Richtsnoer, omdat daarin ook nadrukkelijk de alternatieven voor
het doden aan de orde zijn. Voor het maken van finale keuzes in de totale
beheerstrategieën voor de geschetste scenario‟s is deze finale afweging, met
meeneming van de alternatieven en inschatting van de maatschappelijke
aanvaardbaarheid van beheermaatregelen, alternatieven en beoogde resultaten
wél noodzakelijk. Het voorliggende Richtsnoer maakt op voorhand duidelijk
welke dodingmethoden daarin afgewogen moeten worden tegen mogelijke
alternatieven. Op dit ogenblik bestaat daar nog teveel onduidelijkheid over,
waardoor verschillende partijen met verschillende beelden en verwachtingen die
finale afweging ingaan.
1.5     Aanvullende cases
Naast de casus van het doden van grote aantallen ganzen om de zomerstand
terug te brengen naar het niveau van 2007, heeft het ministerie van
Economische Zaken nog vier cases over het doden van ganzen aan de Raad
voorgelegd. Omdat de mee te wegen belangen en de zwaarte van de belangen
per casus wisselen, is het nodig om per casus een afweging over de
maatschappelijke aanvaardbaarheid van de dodingmethode(n) te maken. Die
vier aanvullende cases betreffen het doden van ganzen ter voorkoming van
gevaar voor het vliegverkeer, het doden van ganzen in geval van acute schade
aan landbouwbedrijven, het doden van zieke ganzen in een stedelijke omgeving
en het doden van invasieve exotische ganzen. Ook voor deze cases geldt dat de
Raad een inschatting maakt van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de
dodingmethode(n) en niet van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van de
totale beheerstrategie.
1.6     Maatschappelijke opvattingen
Er zijn geen wetenschappelijk onderbouwde gegevens over de brede
maatschappelijke opvattingen over de aanvaardbaarheid van de verschillende
dodingmethoden bij ganzen. Voor zijn inschatting van de aanvaardbaarheid van
RDA                            Richtsnoer Ganzendoden                           8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>de verschillende dodingmethoden heeft de Raad zich dus moeten baseren op
maatschappelijke opvattingen over het doden van andere dieren in andere
contexten. In de in 2012 uitgevoerde Trendanalyse Denken over Dieren 3 staat
onder andere dat van de 17 negatieve aspecten van de omgang met dieren de
dodingmethoden in de veehouderij, het verhongeren van wilde dieren in de
winter en het afschot van wilde (schadelijke ) dieren zoals ganzen, het minst
belangrijk worden gevonden. Verder kunnen we uit de Trendanalyse opmaken
dat 94% van de respondenten vindt dat dieren gedood mogen worden als ze
ernstig en uitzichtloos lijden en dat 84% vindt dat dieren gedood mogen worden
als ze een gevaar vormen voor de mens. Ongeveer de helft (51%) van de
respondenten vindt dat dieren gedood mogen worden voor voedsel. Datzelfde
percentage geldt ook voor het geval dat dieren schade aanbrengen aan
eigendommen van de mens. Ca. één derde (31%) vindt het aanvaardbaar om
dieren te doden wanneer ze een gevaar vormen voor andere dieren. Hetzelfde
percentage geldt voor de aanvaardbaarheid van het doden van dieren in het
kader van de beheersjacht. Ongeveer een kwart van de respondenten vindt dat
dieren gedood worden als vreemde diersoorten de Nederlandse diersoorten
verdringen.
3
  Opgesteld naar aanleiding van de RDA-zienswijze Agenda voor het Dierbeleid (2010)
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>2. OVERZICHT DODINGMETHODEN met
AFWEGINGEN
2.1      Wegingsfactoren
Er zijn ongeveer tien verschillende methoden bekend om ganzen te doden.
Daaronder verstaan we in het kader van dit richtsnoer ook de methoden die
betrekking hebben op de legsels (eieren). Voor het beoordelen van de
maatschappelijke aanvaardbaarheid van een bepaalde dodingmethode is het van
belang te weten welk effect de dodingmethode, inclusief de eventueel vooraf
benodigde hantering, op het welzijn van de ganzen heeft. Ook de
uitvoerbaarheid, de veiligheid, de beschikbare dodingcapaciteit en de
verstorende effecten op de omgeving zijn voor de afweging relevante factoren.
Hoewel de ganzen niet primair voor consumptie gedood worden, kan het feit dat
een bepaalde dodingmethode consumeerbaar ganzenvlees oplevert wel
bijdragen aan de maatschappelijke aanvaardbaarheid van die dodingmethode 4.
Dit geldt voor alle dodingmethoden met uitzondering van vergiftig lokvoer, letale
injectie en dodingmethoden waarbij voorafgaand verdovend lokvoer wordt
gebruikt om de ganzen in handen te krijgen.
De ideale dodingmethode voor wilde ganzen voldoet globaal gezien aan de
volgende criteria:
M.b.t.  dierenwelzijn:
        acuut dodelijk of acuut bewustzijnsverlies tot de dood intreedt;
        hanteren vooraf (opdrijven, vangen, etc.) niet nodig;
        geen kans op niet-dodelijke verwondingen;
        niet verstorend voor andere dieren;
M.b.t.  uitvoerbaarheid:
        geen bijzondere apparatuur nodig;
        geen bijzondere kwalificaties (opleiding) nodig;
        gemakkelijk uitvoerbaar;
M.b.t. veiligheid:
     selectief ten aanzien van de te doden dieren;
     veilig voor zowel de uitvoerder als de omgeving;
M.b.t. capaciteit:
     grote aantallen tegelijk mogelijk;
M.b.t. consumptie:
     het vlees is nadien nog geschikt voor consumptie.
Het verstorend effect dat een dodingmethode heeft kan zowel een nadeel als een
voordeel zijn: in geval van acute schade aan landbouwgewassen of bij de
bevordering van de veiligheid van vliegverkeer is verstoring over het algemeen
een gewenst effect. In alle andere gevallen is verstoring juist ongewenst.
Vrijwel alle dodingmethoden – met uitzondering van de methoden waar de
nesten en/of legsels vernietigd worden – hebben als gevolg dat paar- en
familieverbanden in de ganzenpopulatie verbroken worden. Hoewel er
4
  Enkele raadsleden geven daarbij te kennen dat zij het onwenselijk zouden vinden als het
produceren van ganzenvlees op termijn de belangrijkste drijvende kracht achter het doden van
ganzen zou worden. Andere raadsleden zijn voorstander van een duurzame benutting van wild.
RDA                                   Richtsnoer Ganzendoden                                 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>aanwijzingen zijn dat dit het welzijn van de dieren aantast is er geen
wetenschappelijke literatuur over de ernst en de duur van die
welzijnsaantasting.
In onderstaande tabel is voor de verschillende dodingmethoden aangegeven in
hoeverre zij aan de verschillende beoordelingscriteria voldoen. Een „J‟ betekent
dat de methode sterk aan het criterium voldoet, een „J/N„ betekent matig en een
„N„ betekent zwak. De aan de dodingmethode voorafgaande handelingen
aan/met de ganzen zijn in de score meegenomen. Bij een aantal
dodingmethoden staan één of meer verwijzingen naar bijbehorende
kanttekeningen in paragraaf 3.2. Deze kanttekeningen zijn essentieel voor de
duiding van de scores in de tabel en voor inschatting van de inzetbaarheid van
de dodingmethode in een bepaalde praktijksituatie.
                                                                                                                           Gemakkelijk
                                                   Geen                                                       Geen
                                                                                                 Verstorend
                                      Hanteren                  Grote                                                                    Vlees-
                              Acuut   niet nodig   verwonding   aantallen   Selectief   Veilig                apparatuur                 opbrengst
Methode
Afschot: kogel                  J       J            J            N             J       J/N           J         N           J/N            J
Zie 2.2: 1, 2
Afschot: hagel                  J       J          J/N            N             J       J/N           J         N           J/N            J
Zie 2.2: 1
Cervicale dislocatie
Zie 2.2: 3, Fout!
                              J/N      N             J          J/N             J          J     J/N            J               N          J
Verwijzingsbron niet
gevonden.
Decapitatie
Zie 2.2: 3, Fout!
                                J      N             N          J/N             J          J     J/N          J/N                J         J
Verwijzingsbron niet
gevonden.
Eieren
                                *       J            J          J/N             J          J          J         N           J/N           N
rapen/vertrappen
Eieren
                                *       J            J          J/N             J          J     J/N          J/N           J/N           N
prikken/schudden/oliën
Elektrocutie                    J      N             J            J             J       J/N      J/N            N               N          J
Zie 2.2: 3, 5
Letale injectie                 J      N             J          J/N             J       J/N      J/N            N           J/N           N
Zie 2.2: 3
Neksteek                        J      N             J          J/N             J          J     J/N            J           J/N            J
Zie 2.2: 3
Vergassen met CO2               J      N             J            J             J          J     J/N            N               N          J
Zie 2.2: 3, 5
Vergiftigen                     N       J            N            N            N          N           J         J                J        N
Zie 2.2: 7
Tabel 1: Dodingmethoden (inclusief voorafgaande vang- en hanteringprocedures) vergeleken.
Legenda: J = ja/veel |J/N = matig | N = nee/weinig | * = n.v.t.
2.2      Kanttekeningen bij de dodingmethoden
1. Voor de veiligheid van het doden met een geweerschot is de keuze van het
   juiste kaliber en de juiste kogel is belangrijk: het moet voldoende zijn om
   dodelijk te zijn, maar een té groot kaliber of een te sterke kogel geeft risico
   op ricochet (het afkaatsen van de kogel) en/of „doorschot‟ (het doorvliegen
RDA                                   Richtsnoer Ganzendoden                                                                              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>     van de kogel) en kan daardoor gevaarlijk zijn voor de omgeving. Vanwege
     het gevaar van ricochet dient het kogelgeweer terughoudend gebruikt te
     worden       bij    wateroppervlakken           en     in     vlakke     omgevingen         zoals
     polderlandschappen.
     Het gebruik van een hagelgeweer is veiliger voor de omgeving, omdat
     afgeschoten hagelkorrels kleiner zijn en slechts enkele honderden meters
     vliegen (een kogel kan in sommige gevallen over meer dan een kilometer
     nog dodelijk zijn). Met het hagelgeweer wordt meestal geschoten op
     vliegende ganzen. Daardoor is het schot minder nauwkeurig en is de kans op
     niet-dodelijke verwondingen groter. Er is een publicatie5 die aangeeft dat het
     aandeel niet-dodelijke verwondingen ongeveer 30% bedraagt. Dat betreft
     vooral verwondingen met loodhagel en jacht met loodhagel is in Nederland al
     bijna 20 jaar verboden.
     Het doden met het geweer wordt meestal uitgevoerd door jagers in een niet-
     beroepsmatige setting. Onder de huidige wettelijke beperkingen6 ten aanzien
     van de jacht en schadebestrijding met het geweer is de jacht weinig effectief
     gebleken voor het verkleinen van grote populaties ganzen. Jagers en boeren
     geven aan dat ganzen leren waar en wanneer ze niet bejaagd kunnen
     worden.
2. Het gebruik van een geluiddemper7, eventueel in combinatie met
     subsonische munitie, kan het verstorende effect van het schot met een
     kogelgeweer sterk verminderen. Daardoor kunnen meer ganzen worden
     gedood en is het verstorende effect op de omgeving minder. Het
     „verdrijvende‟ effect van het afschot wordt dan ook minder.
3. Voor doden door middel van letale injectie8, neksteek9, cervicale
     dislocatie10, decapitatie11, elektrocutie en vergassing met CO2 moeten
     de dieren eerst gevangen worden. De (beperkte) literatuur geeft aan dat dit
     alleen relatief eenvoudig en weinig verstorend is in de ruiperiode, aan het
     einde van het broedseizoen. Op andere momenten zijn aanvullende
     maatregelen zoals verdovend lokvoer of meer welzijnsaantastende
     vangmethoden nodig. Vanuit welzijnsoogpunt heeft het de voorkeur om
     complete gezinsverbanden (ouders + jongen) te vangen. Die kans is het
     grootst in de ruiperiode.
     N.B.: de periode aan het einde van het broedseizoen wanneer de dieren nog
     in de rui zijn is slechts enkele weken lang. Er moeten in een relatief korte
     periode (3 weken) in beginsel 150.000 dieren worden gevangen, hetgeen een
     aanzienlijke arbeidsinzet vergt.
     Er zijn signalen uit de praktijk dat het verstorende en welzijnaantastende
     effect van het vangen en bijeen drijven verschilt per ganzensoort. Vooral de
     grauwe ganzen zouden onrustiger reageren dan andere soorten. Nader
     onderzoek is gewenst. Hetzelfde geldt voor het verstorende effect van het
5
  Noer & Madsen, Shotgun pellet loads and infliction rates in pink-footed geese Anser
brachyrhynchus. WildlifeBiology 2: 65-73 (1996), via Jeugd, H. van der, et al, Overzomerende
ganzen in Nederland: grenzen aan de groei?, SOVON (2006)
6
  Beperkingen in de tijd (seizoen en tijd op de dag), in gebied (via vergunningplicht) en in toegelaten
middelen (vrijwel uitsluitend met het hagelgeweer).
7
  Geluiddempers kunnen alleen gebruikt worden op kogelgeweren, niet op hagel- of
verdovingsgeweren.
8
  Injectie met een euthanasiemiddel
9
  Doorsnijden van het ruggenmerg ter hoogte van de kop-halsovergang
10
   Beschadigen van het ruggenmerg door het breken van de kop-halsovergang
11
   Onthoofden
RDA                                     Richtsnoer Ganzendoden                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>     vangen van de ganzen op andere dieren (en planten) in deze wetlands,
     omdat significante verstoring vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn een grote
     belemmering kan zijn om de ruiende ganzen te mogen vangen.
     Omdat ruiende ganzen zich over het algemeen niet op landbouwgronden
     begeven, maar zich schuilhouden in de wetlands, zijn deze dodingmethoden
     minder relevant c.q. minder geschikt voor het bestrijden van acute schade
     aan landbouwgronden. Wanneer de schade vooral veroorzaakt wordt door
     standganzen dan zou populatiereductie echter wel degelijk kunnen bijdragen
     aan het verminderen van schade aan landbouwgronden 12.
4. Cervicale dislocatie is niet gemakkelijk uitvoerbaar en leidt alleen wanneer
     deze technisch goed wordt uitgevoerd tot een snelle dood. Cervicale
     dislocatie en met name decapitatie zijn bovendien niet prettig om te zien.
     In een stedelijke omgeving zal daarom voorafgaand transport meestal
     noodzakelijk        zijn    bij   deze      dodingmethoden.             Dit levert extra
     welzijnsaantasting op.
5. Het hanteren van natte vogels in combinatie met elektrische stroom roept
     vragen t.a.v. de veiligheid van de uitvoerders op. Over elektrocutie als
     bedwelmingsmethode voor pluimvee is veel wetenschappelijke informatie
     voorhanden. Over het gebruik van elektrocutie als dodingmethode voor
     ganzen is nog onvoldoende bekend. De Raad adviseert het ministerie van
     Economisch Zaken om nader onderzoek te (laten) doen naar de effectiviteit
     en welzijnsaantasting van deze dodingmethode voor ganzen en andere
     watervogels.
6. Van de verschillende dodingmethoden roept het doden van ganzen door
     verstikking met een gasmengsel de heftigste maatschappelijke reacties op.
     Door sommigen worden er vergelijkingen getrokken met het massaal
     vergassen van mensen in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel men vraagtekens
     kan zetten bij de rechtvaardiging van deze abjecte vergelijking, is erkenning
     van deze gevoelens in de maatschappij wel noodzakelijk. Het is overigens
     opmerkelijk dat deze vergelijking niet of veel minder gehoord wordt in
     verband met het bedwelmen van vleeskuikens en vleesvarkens voor de
     productie van voedsel.
     Bij het doden door middel van vergassing met CO2 is het belangrijk dat de
     concentratie CO2 geleidelijk opgebouwd wordt, zodat eerst bedwelming en
     daarna de dood intreedt, met zo min mogelijk stuiptrekkingen. Het is
     essentieel dat de CO2 concentratie voor alle ganzen in de vergassingsruimte
     geleidelijk opbouwt of dat een tweefasen-methode wordt toegepast. Dit moet
     gemonitord, geverifieerd en gehandhaafd worden. Wetenschappelijk
     onderzoek heeft aangetoond dat de toevoeging van Argon aan het
     gasmengsel geen welzijnverbeterend effect heeft. Het gebruik van CO wordt
     uit het oogpunt van veiligheid ontraden.
     Praktijkdeskundigen geven aan dat een team van drie personen in één
     dagdeel gemiddeld 250 tot 500 ganzen kan vangen en vergassen13. Dat
     betekent dat er 350 tot 700 dagdelen nodig zijn om de in eerste instantie
     beoogde aanvullende 175.000 ganzen (zie 2.3.1) te kunnen doden. De
     welzijnaantasting is het kleinst wanneer de dieren aan het einde van de
     broedperiode in de rui gevangen en gedood worden. Dat is in de praktijk een
     periode van ongeveer vier weken. Om in vier weken 350 tot 700 vang- en
12
   Zie: Pilot onderzoek grauwe ganzen op Texel, Kleijn et al, Alterra (2012)
13
   Guldemond, Rijk, Den Hollander, Doorrekenen ganzenscenario G-7 en IPO, CLM 790 – 2012; LEI-
publicatie 12-082 (2012)
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                                 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    dodingacties uit te voeren, waarbij één team twee acties op een dag kan
    uitvoeren, zijn 10 tot 20 vangteams met mobiele vergassingsinstallaties
    nodig (350-700 dagdelen gedeeld door 2 rondes per dag, gedeeld door 4
    weken van 5 werkdagen).
    Desgevraagd geven de praktijkdeskundigen aan dat de beperkende factor
    niet de beschikbaarheid van de vergassinginstallaties, maar veeleer de
    beschikbaarheid van competente vangteams is. De welzijnaantasting van de
    te doden ganzen is direct gerelateerd aan de kundigheid van de vangers en
    de competentie van de vangers is dus van groot belang. Ook de
    vergunningverlening voor het doden met CO2 is een belangrijke beperkende
    factor. Wanneer de belemmeringen daarin worden weggenomen, verwacht
    men met het personeel en materieel dat op dit moment voorhanden is tot
    50.000 ganzen per jaar te kunnen vangen en doden met CO 2.
7. Het doden van ganzen door verspreiding van giftig lokvoer is aspecifiek: ook
    andere (water)vogels kunnen dit lokvoer opnemen. Het gif kan bovendien
    terecht komen in aaseters zoals de vos, maar ook in honden en katten die
    eventuele ganzenkadavers aanvreten. Dit is daarom geen acceptabele
    dodingmethode. Tot slot is vergiftiging over het algemeen een langzame en
    pijnlijke – en dus welzijnaantastende – dodingmethode.
2.3      Dodingmethoden per casus: afwegingen
2.3.1 Populatiereductie overzomerende standganzen in
watergebieden
Zowel het IPO als de Ganzen-7 maakten voor de CLM/LEI-berekeningen de
inschatting dat de komende vijf jaar bovenop het jaarlijkse afschot van ca.
250.000 ganzen er in beginsel ongeveer 175.000 (stand)ganzen extra gedood
zullen moeten worden, aflopend in vijf jaar tot ca. 50.000 stuks extra per jaar.
Op de lange termijn zullen dus jaarlijks 300.000 ganzen in Nederland gedood
moeten worden om de populatie ganzen op een aanvaardbaar niveau te
houden14. Het gaat hier om het doden van grote aantallen gezonde dieren.
Het rapen, vertrappen, prikken, schudden of oliën van eieren is niet geschikt om
grote populaties ganzen te verkleinen en is bovendien verstorend voor de
(broedende) vogels in de omgeving van de ganzennesten.
Afschot is het meest effectief wanneer dit broedparen zijn die in februari-maart,
vlak voor het broedseizoen, worden geschoten (Van der Jeugd et al., 2006; zie
ook Trouw, 26 maart 2012). Deze individuen produceren dan geen
nakomelingen. Afschot na het broedseizoen tot in de herfst betreft inheemse
broedvogels en draagt daarmee ook bij aan een reductie van de populatie, maar
hierbij worden veel jonge vogels geschoten die van nature toch al een lagere
overlevingskans hebben. Afschot in de winter kan ook overwinterende grauwe
ganzen betreffen en heeft daardoor minder effect op de broedpopulatie, tenzij in
gebieden wordt geschoten waarvan het bekend is dat het broedvogels betreft.
Het doden van grote hoeveelheden ganzen door middel van afschot vereist grote
personele inzet en een gecoördineerde aanpak. Afschot heeft bovendien
verstorende effecten op de (andere dieren in de) omgeving.
14
   Guldemond, Rijk, Den Hollander, Doorrekenen ganzenscenario G-7 en IPO, CLM 790 – 2012; LEI-
publicatie 12-082 (2012)
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                                 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Lensink et al. (2010) geven aan dat een combinatie van prikken,schudden en/of
oliën van eieren met afschot/vangen van ganzen het meest effectief is. Zij
hebben doding met CO2 buiten beschouwing gelaten, omdat daar nog
onvoldoende wettelijke ruimte voor is. De Raad is nadrukkelijk gevraagd zijn
zienswijze niet door wettelijke bepalingen te laten inkaderen.
Het vangen van ganzen in de ruiperiode is effectief omdat in één keer een groot
aantal ganzen wordt gevangen en gedood, met relatief weinig verstoring in
vergelijking met het afschieten van vergelijkbare aantallen. Voor een letale
injectie, neksteek, cervicale dislocatie en decapitatie is extra handling nodig,
hetgeen aanvullende welzijnsaantasting veroorzaakt. De cervicale dislocatie is bij
ganzen niet goed uitvoerbaar en bovendien zijn de dieren, net zoals bij de
neksteek en de decapitatie niet meteen buiten bewustzijn en/of dood. Voor
elektrocutie is nog geen praktijkrijpe methode voorhanden. Het doden van
ganzen door vergassing met een oplopende concentratie CO 215 is vooralsnog de
meest aanvaardbare methode voor populatiereductie door het doden van grote
aantallen standganzen in watergebieden. Deze methode wordt bij voorkeur ter
plaatse in mobiele vergassingsapparatuur uitgevoerd, omdat transport een
aanvullende, vermijdbare welzijnsaantasting oplevert. De uitvoering (in het
bijzonder het verloop van de CO2-concentratie) moet gemonitord en geverifieerd
worden.
In vijf jaar tijd loopt de benodigde aanvullende dodingcapaciteit terug naar
50.000 stuks per jaar. Het ligt in de rede dat voor deze aanvullende capaciteit en
voor een deel van de nu al jaarlijks te doden hoeveelheden ganzen extra
vergassingscapaciteit wordt ontwikkeld. Met betrekking tot de overige extra te
doden ganzen, in vijf jaar tijd aflopend tot 0 stuks moet een belangrijke keuze
worden gemaakt: wanneer op korte termijn begonnen moet worden met het
doden van 175.000 extra ganzen per jaar, zijn er nog onvoldoende vang- en
dodingteams om dat met CO2 te kunnen doen en zal een belangrijk deel van de
ganzen door middel van afschot gedood moeten worden. Dit afschot betreft bij
voorkeur broedparen in februari en maart, vóór het broedseizoen en vereist een
gecoördineerde, regionale aanpak. Het aandeel afschot is overigens groter
wanneer er niet optimaal gebruik gemaakt kan worden van de CO 2-
dodingmethode als de huidige wettelijke beperkingen dienaangaande van kracht
blijven. Er dient nauwkeurig gemonitord te worden of de beoogde aantallen te
doden ganzen daadwerkelijk gehaald worden en of de verwachte terugloop van
de jaarlijks aanvullend te doden hoeveelheden ganzen gelijk loopt met de
projectie van IPO en Ganzen-7. Wanneer blijkt dat er langduriger grotere
aantallen ganzen dan voorspeld gedood moeten worden, moet er blijvend
ingezet worden op meer welzijnsvriendelijke dodingmethoden. Het alternatief is
enkele jaren wachten met het doden van de benodigde 175.000 extra ganzen
per jaar en in te zetten op maximale benutting en verdere uitbouw van de CO2-
dodingcapaciteit.
Kortom: wanneer men op korte termijn de beoogde aantallen standganzen wil
doden, zal men voor een periode van ca. vijf jaar een grotere welzijnaantasting
moeten accepteren. Gezien de tijdelijkheid van deze extra welzijnaantasting en
gezien de omvang van de economische schade schat de Raad in dat deze extra
welzijnaantasting maatschappelijk aanvaardbaar is.
15
   Conform de adviezen van dr. ing. M. Gerritzen (Het doden van ganzen met CO2 en Argon, rapport
338a, WUR (2010))
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2.3.2 Veiligheid van het vliegverkeer
Bij het doden van ganzen ten behoeve van de veiligheid van het vliegverkeer
gaat het om het doden en verjagen van relatief grote groepen ganzen in de
omgeving van vliegvelden. Omdat het hier de veiligheid van de mens (i.c. de
vliegtuigpassagiers,      vliegtuigbemanningen,       luchthavenpersoneel      en
omwonenden) betreft, acht de Raad een grotere aantasting van het welzijn van
de    ganzen     maatschappelijk    aanvaardbaar    dan    bijvoorbeeld   bij  de
schadebestrijding op agrarische bedrijven of voor de populatiereductie van
standganzen het geval is – dit naar analogie van de aanvaardbaarheid van het
doden van dieren bij de bestrijding van een voor de mens gevaarlijke dierziekte.
Het rapen, vernietigen, prikken, schudden of oliën van eieren zal de acute
schade door ganzen niet verminderen. Dit zijn daarom geen relevante
dodingmethoden.
Het doden van ganzen door middel van afschot heeft aan afschrikkend effect dat
bovendien bij herhaalde uitvoering kan leiden tot het verplaatsen van groepen
ganzen. Daarbij zij aangetekend dat alleen een geografische verplaatsing (weg
van de vliegvelden) een wenselijk effect is. Daarvoor is gecoördineerde,
regionale samenwerking nodig. Verplaatsing in de tijd (op een later moment op
de vliegvelden komen) is een ongewenst neveneffect. Beperkingen in het
toegelaten tijdstip van afschot werken dat laatste in de hand en zijn daarom
onwenselijk. Het doden van ganzen door middel van afschot met het
hagelgeweer kan leiden tot meer niet-dodelijke verwondingen dan door middel
van afschot met het kogelgeweer. Die laatste methode heeft dan ook de
voorkeur, tenzij er sprake is van druk vliegverkeer of geografische
omstandigheden (water, open en vlak landschap) waarbij het gebruik van een
kogelgeweer onaanvaardbare risico‟s oplevert.
Overigens wil de Raad aantekenen dat afschot niet geschikt is voor het doden
van grote hoeveelheden ganzen ineens, hetgeen betekent dat bij structurele
schade door grote groepen ganzen herhaald afschot en aanvullende
(doding)methoden overwogen moeten worden. Wanneer het gevaar veroorzaakt
wordt door populaties standganzen, kan het wegvangen en/of doden van die
populatie(s) een effectieve preventieve maatregel zijn.
De directe risico‟s voor het vliegverkeer worden niet veroorzaakt door ruiende
ganzen, omdat deze niet kunnen vliegen. Dat betekent dat er voor het doden
door middel van methoden waarvoor de dieren in handen moeten zijn (letale
injectie, cervicale dislocatie, neksteek, decapitatie, elektrocutie en vergassing
met CO2) gebruik gemaakt moet worden van verdovend lokvoer of
vangmethoden die het welzijn meer aantasten dan het bijeendrijven van ruiende
ganzen. Anders dan bij acute schade aan agrarische bedrijven, is in dit geval
deze aanvullende welzijnsaantasting acceptabel in de afweging ten opzichte van
de veiligheid van de mens. Daarbij moet de additionele welzijnsaantasting
vanzelfsprekend zo klein mogelijk gehouden worden. In dat licht is het doden
van ganzen met een oplopende concentratie CO2-gas de eerste keuze methode,
ook als daarbij voor het vangen gebruik gemaakt moet worden van verdovend
lokvoer en/of vangmethoden die meer welzijnsaantasting veroorzaken. De
ganzen moeten bij voorkeur ter plaatse worden gedood, omdat transport een
additionele doch vermijdbare welzijnsaantasting veroorzaakt. In dat licht dient
ook overwogen te worden een standpopulatie ganzen te doden in een periode die
de minste welzijnsaantasting oplevert, namelijk in de ruiperiode, waarbij zoveel
mogelijk complete populaties worden weggevangen en gedood. Afschot kan
gebruikt worden als aanvullende dodingmethode met een acuut verdrijvend
effect. Dit afschot moet planmatig en gecoördineerd plaatsvinden.
RDA                             Richtsnoer Ganzendoden                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2.3.3 In geval van acute schade bij agrarische bedrijven
Onder het doden van ganzen ter bestrijding van acute schade bij agrarische
bedrijven verstaan wij het doden van ganzen die hier en nu op landbouwgronden
worden aangetroffen en daar schade veroorzaken. Deze paragraaf gaat dus
nadrukkelijk niet over het beheren van ganzenpopulaties ter voorkoming van die
schade.
Het rapen, vernietigen, prikken, schudden of oliën van eieren zal op korte
termijn de schade door volwassen ganzen niet verminderen. Op de langere
termijn zouden deze methoden de groei van kleine populaties standganzen
kunnen beperken. Daardoor zou de schade als gevolg van de populatie
standganzen niet verder toenemen. Het heeft echter geen effect op de schade
veroorzaakt door ganzen die niet in de nabije omgeving nestelen.
Praktijkonderzoek op o.a. Texel (Alterra, 2012) laat zien dat prikken, schudden
of oliën van eieren slechts een zeer beperkt effect op de schade bij agrarische
bedrijven heeft.
Acute schade bij boerenbedrijven wordt over het algemeen niet veroorzaakt door
ruiende ganzen, omdat deze zich in de wetlands terugtrekken en zich niet op de
open graslanden begeven. Dat betekent dat er voor het doden door middel van
methoden waarvoor de dieren in handen moeten zijn (letale injectie, cervicale
dislocatie, neksteek, decapitatie, elektrocutie en vergassing met CO 2) gebruik
gemaakt moet worden van verdovend lokvoer of vangmethoden die het welzijn
meer aantasten dan het bijeendrijven van ruiende ganzen. Dat maakt deze
dodingmethoden minder acceptabel voor acute schadebestrijding bij agrarische
bedrijven.
Het doden van ganzen door middel van afschot heeft een afschrikkend effect dat
bovendien bij herhaalde uitvoering kan leiden tot het verplaatsen van groepen
ganzen. Daarbij zij aangetekend dat alleen een geografische verplaatsing weg
van de agrarische gronden een wenselijk effect is. Deze vereist gecoördineerde,
regionale samenwerking. Verplaatsing in de tijd (op een later moment van de
dag op de agrarische gronden terugkomen) is een ongewenst neveneffect.
Beperkingen in het toegelaten tijdstip van afschot werken dat laatste in de hand
en moeten vermeden worden.
Het doden van ganzen door middel van afschot met het hagelgeweer kan leiden
tot meer niet-dodelijke verwondingen dan door middel van afschot met het
kogelgeweer. Die laatste methode is dan ook meer aanvaardbaar. Vanwege
veiligheidsredenen moet het gebruik van het kogelgeweer bij wateroppervlakken
en in open, vlakke landschappen terughoudend plaatsvinden.
Het verstorende effect van afschot op de omgeving en de welzijnsaantasting
door het verbreken van familie- en groepsverbanden acht de Raad aanvaardbaar
in de afweging ten opzichte van de economische schade aan het agrarische
bedrijf. Over de afweging of welzijnsaantasting door niet-dodelijke verwondingen
als gevolg van afschot met het hagelgeweer opweegt tegen de economische
schade aan het agrarisch bedrijf en het verkrijgen van voedsel voor de mens, is
de Raad verdeeld. Tot slot wil de Raad aantekenen dat afschot niet geschikt is
voor het ineens doden van grote hoeveelheden ganzen. Dit betekent dat bij
structurele schade door grote groepen ganzen herhaald of langdurig afschot zal
moeten plaatsvinden. Ook zullen aanvullende (doding)methoden die de populatie
overlastgevende ganzen verminderen overwogen moeten worden. Voor de
afwegingen inzake die aanpak verwijzen wij u naar paragraaf 3.3.3.
RDA                            Richtsnoer Ganzendoden                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2.3.4 Zieke ganzen in een stedelijke omgeving
De methoden voor het vernietigen of onvruchtbaar maken van eieren zijn hier
niet relevant, omdat het gaat om het vangen en doden van zieke ganzen.
Afschot veroorzaakt een behoorlijke verstoring in de omgeving en is derhalve
niet erg publieksvriendelijk. Deze verstoring kan verminderd worden door bij
afschot met het kogelgeweer gebruik te maken van een geluiddemper in
combinatie met subsonische munitie. Daarbij blijft bij mis- of uitschot de kogel
een gevaar voor de omgeving. Deze methode moet daarom ontraden worden.
Zieke ganzen zijn over het algemeen redelijk gemakkelijk in handen te krijgen.
Wanneer dat niet het geval is, moet men zich afvragen of deze ganzen wel
gedood zouden moeten worden. Nadat de dieren in handen gekregen zijn, is
doding door middel van een letale injectie het meest welzijnsvriendelijk, tenzij
de dieren daarvoor eerst op transport moeten. De neksteek, cervicale dislocatie
en decapitatie zijn pijnlijk en niet meteen dodelijk. Bovendien is cervicale
dislocatie   moeilijk    uitvoerbaar   bij  ganzen     en   is   decapitatie  niet
publieksvriendelijk vanwege de bloederigheid.
De meest aanvaardbare methode voor het doden van zieke ganzen in een
stedelijke omgeving is vergassing met CO2 in een mobiele vergassingsunit.
Daarbij is het belangrijk dat de concentratie CO2 geleidelijk opgebouwd wordt,
zodat eerst bedwelming en daarna de dood intreedt zonder dat er convulsies
plaatsvinden. Dit moet gemonitord, geregistreerd en gehandhaafd worden.
Als tweede keuze methode adviseert de Raad de letale injectie en als derde
keuze de neksteek. Daarbij wordt aangetekend dat eventueel transport naar een
dierenarts (voor het toedienen van de letale injectie) een extra welzijnaantasting
oplevert. Hetzelfde geldt voor de extra handling bij de neksteek en voor het feit
dat deze niet meteen dodelijk is. Desondanks is enige mate van
welzijnaantasting aanvaardbaar, omdat erger lijden (namelijk langzame sterfte
door ziekte) voorkomen wordt.
In potentie lijkt elektrocutie ook een aanvaardbare dodingmethode. Er is echter
nu nog te weinig kennis voorhanden om dat met zekerheid te zeggen. De Raad
adviseert het ministerie van Economische Zaken om aanvullend onderzoek naar
de effectiviteit en de welzijnsaantasting van het doden van ganzen en eenden
door middel van elektrocutie te (laten) doen.
RDA                             Richtsnoer Ganzendoden                          18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>2.3.5 Invasieve exoten in een stedelijke omgeving
Het doel – het doden van gezonde dieren van specifieke populaties ganzen in
een stedelijke omgeving ten behoeve van soortenregulatie – is minder
zwaarwegend dan bijvoorbeeld het bestrijden van economische schade aan
landbouwgewassen, het doden van zieke ganzen of het bestrijden van risico‟s
voor het vliegverkeer. De mate van welzijnsaantasting die voor dit doel
aanvaardbaar is zal daarom ook minder zijn.
Afschot veroorzaakt een behoorlijke verstoring in de omgeving en is derhalve
niet erg publieksvriendelijk. Deze verstoring kan verminderd worden door bij
afschot met het kogelgeweer gebruik te maken van een geluiddemper in
combinatie met subsonische munitie. Daarbij blijft bij mis- of uitschot de kogel
een gevaar voor de omgeving. Deze methode moet daarom ontraden worden.
In tegenstelling tot de zieke ganzen (zie 2.3.2) zijn gezonde ganzen niet
gemakkelijk in handen te krijgen. Het gebruik van verdovend lokvoer kan
noodzakelijk zijn, maar is niet wenselijk in een stedelijke omgeving omdat ook
andere dieren dit lokvoer kunnen opnemen. Andere vangmethoden zullen het
welzijn meer aantasten en zijn daarom in dit geval niet wenselijk. Dat betekent
dat de dodingmethoden waarvoor de ganzen in handen moeten zijn (letale
injectie, neksteek, cervicale dislocatie, decapitatie, elektrocutie en doding met
CO2-gas) niet aanvaardbaar zijn voor dit doeleinde.
Het rapen of vertrappen van eieren is niet geschikt om populaties te
verminderen en is daarom geen geschikte dodingmethode voor dit doeleinde. De
enige aanvaardbare methode om de populatie invasieve exoten in een stedelijke
omgeving te verkleinen is het prikken, schudden of oliën van eieren. Deze
methode kan soortgericht worden toegepast en heeft een minimale impact op
het welzijn van de dieren. Om een effect op de hele doelpopulatie te hebben zal
dit evenwel langdurig en intensief moeten plaatsvinden, waarbij het te
verwachten effect op grote populaties minimaal is. Als aanvullende maatregel
kan worden overwogen om afschot met een kogelgeweer met geluiddemper en
subsonische munitie toe te passen.
RDA                            Richtsnoer Ganzendoden                          19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>3.     RICHTSNOER
3.1    Inleiding
Het Richtsnoer voor dodingmethoden van wilde ganzen van de Raad voor
Dierenaangelegenheden       geeft  aan    welke    dodingmethode     het    meest
aanvaardbaar is voor respectievelijk populatiereductie van grote aantallen
standganzen in watergebieden, het bevorderen van de veiligheid van het
vliegverkeer, het bestrijden van acute schade bij agrarische bedrijven, het doden
van zieke ganzen in een stedelijke omgeving en het bestrijden van invasieve
exoten in een stedelijke omgeving.
Wanneer er alternatieve interventiemethoden voorhanden zijn is het lijden dat
doden veroorzaakt in principe vermijdbaar; nietsdoen is daar een voorbeeld van.
Beheerders (inclusief de overheid) kunnen echter mens- of diergerichte
doelstellingen voor ogen hebben die ingrijpen wenselijk maken; voorbeelden
daarvan zijn de veiligheid van het vliegverkeer, het economische belang van de
landbouwer, het voorkomen van langzame sterfte van zieke ganzen, of de
bedreiging van populaties inheemse diersoorten door invasieve exoten. Het
lijden dat er ten behoeve van die doelstellingen zal plaatsvinden noemen we
noodzakelijk lijden. Vervolgens moeten de beheerder afwegen welke soort en
mate van lijden maatschappelijk aanvaardbaar is, indachtig de andere belangen
en doelstellingen die er spelen. Een en ander staat in paragraaf 1.1 t/m 1.3
uitgewerkt.
De wetenschappelijke kennis heeft de Raad verkregen uit de rapporten van WUR
Livestock Research, SOVON, het Faunafonds, het Landbouw Economisch
Instituut en via de website van de Australische overheid. Een overzicht vindt u in
hoofdstuk 5. Over het algemeen is de wetenschappelijke kennis over het welzijn
van wilde ganzen zeer beperkt. De informatie vanuit de praktijk is bovendien
zeer uiteenlopend, bijvoorbeeld ten aanzien van de mate van welzijnsaantasting
die het vangen en hanteren van verschillende soorten ganzen zou veroorzaken.
Dat maakt de uiteindelijke afwegingen lastig en zeker niet onomstreden. Eén van
de belangrijke aanbevelingen van de Raad is dan ook dat op korte termijn meer
wetenschappelijk onderzoek ten aanzien van deze aspecten moet plaatsvinden.
3.2    Richtsnoer ganzendoden
De Raad voor Dierenaangelegenheden heeft per door de staatsecretaris van EL&I
aangeduide praktijksituatie de verschillende dodingmethoden op basis van de
voorhanden zijnde wetenschappelijke kennis en uitgaande van de huidige
maatschappelijke moraal in Nederland tegen elkaar afgewogen. Gedetailleerde
informatie en een uitwerking van de afweging vindt u in Hoofdstuk 3. Deze
afweging moet meegenomen worden als onderdeel van de bredere afweging
over de wijzen waarop schade en overlast door wilde ganzen in Nederland
bestreden zou moeten worden.
Als richtsnoer voor het doden van wilde ganzen adviseert de Raad voor
Dierenaangelegenheden als volgt:
RDA                            Richtsnoer Ganzendoden                          20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>3.2.1 Populatiereductie
Ten behoeve van populatiereductie door het doden van grote aantallen
overzomerende standganzen in watergebieden in Nederland is de meest
aanvaardbare dodingmethode vergassing met een oplopende concentratie CO 2.
Deze methode wordt bij voorkeur ter plaatse in mobiele vergassingsapparatuur
uitgevoerd, omdat transport een aanvullende, vermijdbare welzijnsaantasting
oplevert. Het is essentieel dat de CO 2 concentratie geleidelijk opbouwt of dat een
tweefasen-methode wordt toegepast. Dit moet gemonitord, geverifieerd en
gehandhaafd worden.
Volgens de projecties van IPO en Ganzen-7 moeten het eerste jaar 175.000
ganzen aanvullend op het jaarlijkse afschot van 250.000 ganzen gedood worden.
Het aanvullend te doden aantal ganzen neemt in vijf jaar tijd af tot 50.000 stuks
per jaar. Het lijkt praktisch onhaalbaar om de 175.000 aanvullend te doden
ganzen in het eerste jaar allemaal in de ruiperiode door middel van CO 2 te
doden. De Raad is van mening dat de 50.000 jaarlijks extra te doden ganzen –
en de regulier jaarlijks te doden ganzen - in ieder geval op de minst
welzijnaantastende methode gedood moeten worden. Met de huidige kennis is
dat vergassing met CO2 in de ruiperiode.
Aanvullend afschot – bij voorkeur van broedparen in het begin van de
broedperiode – zal naar verwachting in de eerste jaren nodig zijn. De Raad schat
in dat de extra welzijnaantasting die afschot ten opzichte van CO 2-doding
veroorzaakt maatschappelijk aanvaardbaar kan worden gevonden, gezien het
tijdelijke karakter ervan en in het licht van de omvang van de economische
schade. Er dient nauwkeurig gemonitord te worden of de beoogde aantallen te
doden ganzen daadwerkelijk gehaald worden en of de verwachte terugloop van
de jaarlijks aanvullend te doden hoeveelheden ganzen gelijk loopt met de
projectie van IPO en Ganzen-7. Wanneer blijkt dat er langduriger grotere
aantallen ganzen dan voorspeld gedood moeten worden, moet er geïnvesteerd
worden in meer welzijnsvriendelijke dodingmethoden.
3.2.2 Vliegverkeer
Ten behoeve van het doden van ganzen ten behoeve van de veiligheid van het
vliegverkeer acht de Raad een grotere mate van welzijnsaantasting
maatschappelijk aanvaardbaar dan voor andere doeleinden, omdat hier de
veiligheid van mensen en mogelijk mensenlevens in het geding zijn. Wanneer
het gevaar voor het vliegverkeer veroorzaakt wordt door populaties standganzen
is de meest geëigende dodingmethode vergassing met CO 2 in een mobiele
vergassingsunit. Het is essentieel dat de CO2 concentratie geleidelijk opbouwt of
dat een tweefasen-methode wordt toegepast. Dit moet gemonitord, geverifieerd
en gehandhaafd worden. Als aanvullende methode of als alternatief voor het
doden van kleinere groepen (trekkende) ganzen in de omgeving van vliegvelden
adviseert de Raad afschot, bij voorkeur door middel van het kogelgeweer. Bij
druk vliegverkeer, in vlakke, open landschappen en bij wateroppervlakken heeft
afschot met het hagelgeweer de voorkeur vanwege de veiligheidsaspecten. Een
regionaal gecoördineerde aanpak is wenselijk, om zo de ganzen naar niet-
schadegevoelige gebieden te sturen. Aan het afschot moeten geen beperkingen
in het tijdstip op de dag worden opgelegd. Het is aanbevelenswaardig om
randvoorwaarden voor de te gebruiken munitie (minimum- en maximumkaliber,
type kogel) op te stellen.
RDA                             Richtsnoer Ganzendoden                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>3.2.3 Landbouwschade
Ten behoeve van het doden van ganzen in geval van acute schade bij agrarische
bedrijven is de meest geëigende dodingmethode afschot door middel van het
(kogel)geweer. Een regionaal gecoördineerde aanpak is wenselijk, om zo de
ganzen naar niet-schadegevoelige gebieden te sturen. Aan dit afschot moeten
geen beperkingen in het tijdstip op de dag worden opgelegd. Het is
aanbevelenswaardig om randvoorwaarden voor de te gebruiken munitie
(minimum- en maximumkaliber, type kogel) op te stellen. In open, vlakke
landschappen en bij wateroppervlakken moet het kogelgeweer terughoudend
worden ingezet en heeft het hagelgeweer de voorkeur. Bij structurele schade
door grote groepen ganzen kan ook ingezet worden op aanvullende
dodingmethoden die de populatie overlastgevende ganzen verkleinen.
3.2.4 Zieke ganzen
Ten behoeve van het doden van zieke ganzen in een stedelijke omgeving is de
meest geëigende dodingmethode vergassing met CO 2. Deze methode wordt bij
voorkeur ter plaatse in mobiele vergassingsapparatuur uitgevoerd, omdat
transport een aanvullende, vermijdbare welzijnsaantasting oplevert. Het is
essentieel dat de CO2 concentratie geleidelijk opbouwt of dat een tweefasen-
methode wordt toegepast. Dit moet gemonitord en geverifieerd worden. Als
tweede keuze methode adviseert de Raad de letale injectie en als derde keuze
de neksteek. Daarbij wordt aangetekend dat eventueel transport naar een
dierenarts een extra welzijnaantasting oplevert. Hetzelfde geldt voor de extra
handling bij de neksteek en voor het feit dat deze niet meteen dodelijk is.
Desondanks is enige mate van welzijnaantasting aanvaardbaar, omdat erger
(namelijk langzame sterfte door ziekte) voorkomen wordt.
3.2.5 Invasieve exoten
Ten behoeve van het reduceren van populaties ganzen in geval van invasieve
exoten in een stedelijke omgeving is de meest aanvaardbare methode het
prikken, schudden of oliën van eieren. Om een effect op de hele doelpopulatie te
hebben zal dit evenwel langdurig en intensief moeten plaatsvinden, waarbij het
te verwachten effect op grote populaties minimaal is. Als aanvullende maatregel
kan worden overwogen om afschot met een kogelgeweer met geluiddemper en
subsonische munitie toe te passen.
RDA                           Richtsnoer Ganzendoden                         22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>3.2.6 Samenvattend overzicht
                                               Populatiereductie   Vliegverkeer   Landbouwschade   Zieke ganzen   Invasieve exoten
Methode
Afschot: kogel                                       2                2              1                                        2
Afschot: hagel                                       3                3              2
Cervicale dislocatie                               NGU              NGU            NGU              NGU             NGU
Decapitatie                                         NA               NA             NA               NA              NA
Eieren rapen/vertrappen                                                                                               1
Eieren prikken/schudden/oliën                                                                                         1
Elektrocutie                                       NGU              NGU            NGU              NGU             NGU
Letale injectie                                                                                       2
Neksteek                                                                                              3
Vergassen met CO2                                       1                1                            1
Vergiftigen                                            NA               NA              NA           NA                  NA
Tabel 2: Prioritering dodingmethoden per context
         1, 2, 3 = prioritaire dodingsmethode
         NA = Niet aanvaardbaar
         NGU = Niet goed uitvoerbaar
RDA                                  Richtsnoer Ganzendoden                                                                          23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>4.      MINDERHEIDSSTANDPUNTEN
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestaat uit raadsleden met zeer
verschillende (maatschappelijke) achtergronden en expertises. Alle raadsleden
hebben op persoonlijke titel en zonder last of ruggespraak zitting in de Raad. De
brede variatie in kennis en opvattingen onder de raadsleden draagt bij aan de
kwaliteit van de zienswijzen van de Raad. Tegelijkertijd betekent deze brede
variatie dat niet altijd unanieme standpunten in de Raad bereikt kunnen worden,
maar dat naast een meerderheidsstandpunt ook minderheidsstandpunten
kunnen blijven bestaan. Deze minderheidsstandpunten worden expliciet in de
zienswijze vermeld, omdat zij aangeven op welke punten in het politieke en
maatschappelijke debat er grote kans bestaat op conflicterende meningen. De
Raad is van mening dat het expliciteren van minderheidsstandpunten bijdraagt
aan de kwaliteit van een zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden.
Minderheidsstandpunten ‘Ganzendoden’
In het kader van de voorliggende zienswijze bestaan de volgende
minderheidsstandpunten:
1) Hoewel veel raadsleden graag hadden gezien dat de adviesvraag de gehele
    breedte van het ganzenvraagstuk, inclusief de alternatieven voor doden, had
    omvat, heeft de Raad ingestemd met het opstellen van een zienswijze binnen
    de beperkte kaders van de actuele vraagformulering. Een minderheid van de
    raadsleden is echter van mening dat de beperking van de vraagstelling een
    zinvol advies (in het bijzonder met betrekking tot de maatschappelijke
    acceptatie en de effectiviteit) niet toestaat.
2) Een daaraan aansluitend standpunt is dat de Raad op dit moment geen
    uitspraken zou moeten doen over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van
    dodingmethoden voor wilde ganzen, om reden van het ontbreken van
    voldoende wetenschappelijke informatie, in het bijzonder over de
    welzijnaantastende      effecten    van    het verbreken    van     paar-   en
    gezinsverbanden.
3) Een derde minderheidsstandpunt is dat veel van de in deze zienswijzen
    overwogen en uiteindelijk geadviseerde dodingmethoden zodanig conflicteren
    met de weidelijkheidsregels voor de jacht dat de zienswijze in zijn geheel niet
    onderschreven kan worden en dat andere methoden pas overwogen kunnen
    worden als blijkt dat het toestaan van de jacht zonder allerlei beperkingen
    onvoldoende effect heeft.
RDA                              Richtsnoer Ganzendoden                         24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>5.     LITERATUUR
o  Bommel F.P.J. Literatuur over de stuurbaarheid van ganzen d.m.v. bejaging
   of ondersteunend afschot. Memo, Faunafonds Dordrecht (2010)
o  De Cock Buning et al, Trendanalyse Denken over Dieren. (2012)
o  EFSA, The welfare aspects of the main systems of stunning and killing
   applied to commercially farmed deer, goats, rabbits, ostriches, ducks, geese
   and quail. (2005)
o  Gerritzen, dr. ing. M., Het doden van ganzen met CO2 en Argon, rapport
   338a, WUR (2010)
o  Guldemond, Rijk, Den Hollander, Doorrekenen ganzenscenario G-7 en IPO,
   CLM 790 – 2012; LEI-publicatie 12-082 (2012)
o  Jeugd, H. van der, et al, Overzomerende ganzen in Nederland: grenzen aan
   de groei?, SOVON (2006)
o  Kleijn et al, Pilot onderzoek grauwe ganzen op Texel, Alterra, in opdracht van
   Faunafonds (2012) + Bestuursreactie Faunafonds (2012)
o  Lensink, R., P.W. van Horssen & J. de Fouw, Faunabeheerplan zomerganzen
   Zuid-Holland. Hoofddocument bij zeven regioplannen. Bureau Waardenburg
   (2010)
o  Zijlstra, J. et al, Overzomerende ganzen op melkveebedrijven, rapport 267,
   WUR (2009)
o  Australische overheid, website: http://www.daff.gov.au/animal-plant-
   health/welfare/aaws/humaneness-of-pest-animal-control-methods
o  Raad voor Dierenaangelegenheden, Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (2012)
RDA                             Richtsnoer Ganzendoden                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een raad van deskundigen die op verzoek
van de minister en staatssecretaris van Economische Zaken en op eigen initiatief
adviseert over vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en
dierethiek. De Raad baseert zich daarbij op de meest recente wetenschappelijke,
maatschappelijke en ethische ontwikkelingen. De RDA bestaat uit wetenschappelijke
experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak,
zitting hebben in de Raad.
Deze zienswijze van de Raad is voorbereid door het ambtelijk bureau van de RDA. De
conceptzienswijze is tweemaal ter beoordeling voorgelegd aan alle raadsleden.
Uiteindelijk heeft de RDA-voorzitter met inachtneming van de reacties uit deze
Horizontale Toetsing de zienswijze vastgesteld. Deze zienswijze is – daarmee –
nadrukkelijk een product van de gehele Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestaat uit de volgende deskundigen:
De heer prof. dr. ir. J.A.M. van Arendonk
Mevrouw dr. H.M.G. van Beers-Schreurs
De heer dr. F.W.A. Brom
De heer W.H.B.J. van Eijk
Mevrouw prof. mr. A.A. Freriks
De heer prof. dr. L.J. Hellebrekers
De heer prof. dr. ir. W.H. Hendriks
Mevrouw dr. S.A. Hertzberger
Mevrouw J.E. Hesterman
De heer A.J.M. van Hoof
De heer dr. ing. H. Hopster
De heer prof. dr. ir. R.B.M. Huirne
De heer ir. M.J.B. Jansen
De heer prof. dr. ir. M.C.M. de Jong
Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman
De heer J.Th. de Jongh
De heer drs. J. Kaandorp
De heer prof. dr. F. van Knapen
De heer prof. dr. P.A. Koolmees
De heer ir. J. Lokhorst
Mevrouw prof. dr. F. Ohl, voorzitter
Mevrouw drs. P.I. Polman, MPH
De heer ir. P. Poortinga
De heer ir. F.C. van der Schans
Mevrouw dr. M.M. Sloet van
Oldruitenborgh - Oosterbaan
De heer prof. dr. J.A. Stegeman
De heer ir. M.H.A. Steverink, MFM
De heer H.W.A. Swinkels
Mevrouw drs. H.M. van Veen
De heer P.J. Vingerling
De heer W. Zwanenburg
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
www.RDA.nl Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden. U kunt zich
tevens abonneren op onze nieuwsbrief.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Postbus 20401
2500 EK ‟s-Gravenhage
T: 070-3785266
www.RDA.nl
RDA                                 Richtsnoer Ganzendoden                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>