<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>GRIP
 OP N
    G
    R
    E
    P
    E
    N
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanbiedingsbrief
Excellentie,
 Ingrepen bij dieren ‐ modificaties aan dieren door middel van een lichamelijke, vaak
chirurgische ingreep ‐ staan volop in de belangstelling: de onderhandelingen over
het uitfaseren van snavelbehandelen bij pluimvee zijn vergevorderd, u heeft het
leewieken van vogels recentelijk verboden en de Nederlandse retailers hebben
onlangs besloten alleen nog maar vlees van ongecastreerde varkens te verkopen.
Waarom levert het verbieden van ingrepen zoveel debat op?
 Ten eerste omdat in de Nederlandse dierhouderij de ingrepen vaak integraal
onderdeel zijn van het houderijsysteem. Een maatschappelijk protest tegen een
ingreep is dan ook vaak impliciet een protest tegen het houderijsysteem waarin die
ingreep plaatsvindt. Het verbieden van een ingreep veroorzaakt verschuivingen in
het hele systeem, die in eerste instantie ten koste van andere factoren zoals
efficiëntie en winstgevendheid kunnen gaan. Als er geen aanvaardbare aanpassingen
mogelijk zijn kan het verbieden van een ingreep ook het einde van een
houderijsysteem of van het houden van bepaalde diersoorten betekenen.
 Ten tweede is het vaak niet eenvoudig te bepalen waar en waarom we grenzen
moeten trekken. De mens houdt dieren om in zijn eigen behoeften te voorzien. De
mens heeft de door hem gehouden dieren aan zijn behoeften aangepast door
fokkerij, houderijomstandigheden en ingrepen. Hoe ver mag de mens daar in gaan?
Waar ligt de grens?
 Enkele maanden geleden vroeg u de Raad voor Dierenaangelegenheden om een
zienswijze over lichamelijke ingrepen bij dieren op te stellen. In deze zienswijze
leveren wij u een Afwegingsinstrument voor Ingrepen op. Dit afwegingsinstrument is
een stappenplan waarmee u op transparante en consistente wijze uw afwegingen
ten aanzien van het wel of niet toelaten van ingrepen kunt maken en presenteren.
Het Afwegingsinstrument voor Ingrepen bouwt voort op de RDA‐zienswijzen Agenda
voor het Dierbeleid (2010) en Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (2012) en is door
middel van een aantal praktische vragen gebruiksklaar gemaakt.
Het afwegingsinstrument is toepasbaar op alle ingrepen, inclusief lichamelijke. De
toepassing op andere dan lichamelijke ingrepen – zoals het veranderen van dieren
door middel van fok en door middel van genetische modificatie, evenals het
beïnvloeden van dieren door middel van huisvestingsomstandigheden (o.a. licht‐
donkerregimes) en door middel van medicatie – is stof voor een volgende zienswijze.
De Raad zou in zo'n vervolgzienswijze ook willen ingaan op de consequenties van het
verbieden van de ingrepen en de wijze waarop de ingrepen zouden moeten worden
uitgefaseerd.
Prof. dr. Frauke Ohl,
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
RDA_2013_01                            Grip op Ingrepen                             1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoud
1. Samenvatting....................................................................................................................................3
2. Inleiding..............................................................................................................................................7
   2.1 Vraag staatssecretaris...........................................................................................................7
   2.2 Focus en kader .........................................................................................................................8
3. Definities ......................................................................................................................................... 10
   3.1 Lichamelijke ingrepen ....................................................................................................... 10
   3.2 Dierenwelzijn ........................................................................................................................ 10
   3.3 Integriteit ................................................................................................................................ 10
   3.4 Welzijn vs. Integriteit......................................................................................................... 10
4. Afwegingsinstrument voor ingrepen aan dieren .......................................................... 11
   4.1 Inleiding en moreel ethische onderbouwing........................................................... 11
   4.2 Afwegingsinstrument......................................................................................................... 11
   4.3 Inventariserende vragen .................................................................................................. 16
   4.4 Ethische afweging en reflectief evenwicht ............................................................... 17
5. Epiloog ............................................................................................................................................. 19
   5.1 Gevolgen van het verbieden van ingrepen ............................................................... 19
   5.2 Uitfaseren van ingrepen.................................................................................................... 19
   5.3 Cases.......................................................................................................................................... 20
Bijlage I: cases.................................................................................................................................... 21
   I.1 Koudmerken melkkoeien .................................................................................................. 21
   I.2 Castratie kater........................................................................................................................ 22
   I.3 Castratie hengst..................................................................................................................... 25
   I.4 Castratie beerbig (onder CO 2 ‐verdoving).................................................................. 28
Bijlage II: doeleinden ingrepen .................................................................................................. 32
Leeswijzer
Hoofdstuk             1           is           de             samenvatting,                            waarin                   vraagstelling,
afwegingsinstrument voor ingrepen en enkele kritische kanttekeningen bij
elkaar gebracht zijn. In hoofdstuk 2 vindt u de adviesvraag van de
staatsecretaris van Economische Zaken en de inkadering van de
zienswijze. In hoofdstuk 3 worden de voor deze zienswijze belangrijkste
begrippen en hun onderlinge samenhang geduid. In Hoofdstuk 4 wordt
vervolgens het afwegingsinstrument voor ingrepen gepresenteerd en
toegelicht. Hoofdstuk 5 is de epiloog, waarin enkele belangrijke
kanttekeningen bij het besluiten over de aanvaardbaarheid van ingrepen
worden gemaakt. De door de staatssecretaris gevraagde casussen vindt u
in bijlage I. Een bloemlezing van doeleinden waarvoor ingrepen vandaag
de dag gebruikt worden vindt u in bijlage II.
RDA_2013_01                                                     Grip op Ingrepen                                                                          2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1. Samenvatting
Bij wet is bepaald dat het verrichten van lichamelijke ingrepen 1 bij dieren
in beginsel verboden is, tenzij er sprake is van diergeneeskundige
indicatie of tenzij de ingreep is aangewezen op grond van artikel 2.8 van
de Wet dieren. In de praktijk is het aantal ingrepen dat routinematig en
op basis van deze regelingen wordt uitgevoerd aanzienlijk. Zo worden
katers vrijwel allemaal gecastreerd, wordt het merendeel van de hengsten
gecastreerd, terwijl in de varkenshouderij het castreren van beerbiggen
wordt uitgefaseerd. Waarom wordt een ingreep in de ene context wel
routinematig uitgevoerd – en wordt er zelfs op aangedrongen - en wordt
in de andere context gestreefd naar het uitfaseren van die ingreep? Maar
ook: waarom zou binnen dezelfde diersoort in dezelfde context de ene
ingreep (bijvoorbeeld castratie van hengsten) wel aanvaardbaar zijn en de
andere (bijvoorbeeld staartcouperen bij paarden) niet?
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft de Raad voor
Dierenaangelegenheden op 5 maart 2013 gevraagd om een
afwegingsinstrument voor de toelaatbaarheid van ingrepen bij dieren op
te stellen en uiterlijk 1 juni 2013 aan haar op te leveren. In verband met
dit korte tijdsbestek heeft de Raad ervoor gekozen om nu een
afwegingsinstrument op te leveren en de essentiële bijkomende vragen –
over de consequenties van het uitsluiten van bepaalde ingrepen voor het
houden van bepaalde diersoorten of voor bepaalde houderijsystemen en
over het traject van het uitfaseren van een bepaalde ingreep – in een
vervolgzienswijze te behandelen.
Het afwegingsinstrument voor ingrepen is gebaseerd op het
interventieschema dat de Raad formuleerde in zijn zienswijze Zorgplicht
Natuurlijk Gewogen. Het doel van dat interventieschema was onder
andere om de juridische term ‘onnodig lijden’ nauwkeuriger te duiden en
operationeel te maken door deze te preciseren naar de begrippen
‘onvermijdbaar lijden’, ‘noodzakelijk lijden’ en ‘aanvaardbaar lijden’. Op
basis van die differentiatie en de onderliggende denklijn kan geduid
worden wanneer een welzijnsaantasting aanvaardbaar is. Ten behoeve
van het afwegingsinstrument voor ingrepen is dit interventieschema
doorontwikkeld, om te kunnen duiden wanneer menselijk handelen in de
vorm van een lichamelijke ingreep aan het dier aanvaardbaar is.
Het afwegingsinstrument voor ingrepen bij dieren is een stappenplan dat
uitgaat van het voornemen om een bepaalde ingreep bij een bepaalde
diersoort in een bepaalde context toe te passen. In dit stappenplan
worden de verschillende afwegings- en beslismomenten die nodig zijn om
een ingreep op zijn aanvaardbaarheid te beoordelen op een logische wijze
gepresenteerd. Daardoor kan het afwegingsproces op een transparante en
consistente wijze worden doorlopen. De eerste drie stappen in het
afwegingsmodel resulteren in feitelijke conclusies. In de finale stap vindt
het afwegen van belangen en waarden plaats. Hierbij wordt gebruik
1
  De vigerende juridische definitie van een lichamelijke ingreep is: ”Ingreep bij een dier, waarbij de
natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van
bloed en het geven van injecties en met uitzondering van het doden van het dier.”
RDA_2013_01                                    Grip op Ingrepen                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>gemaakt van het afwegingsmodel dat de Raad formuleerde in zijn
zienswijze Agenda voor het Dierbeleid. In deze zienswijze heeft de Raad
een aantal vragen geformuleerd om deze finale afweging verder te
operationaliseren. Die finale afweging onderbouwt de beslissing om een
specifiek omschreven ingreep bij een bepaalde diersoort in een bepaalde
context wel of niet toe te laten.
Het Afwegingsinstrument voor Ingrepen bestaat uit de volgende vier
stappen:
Stap 1)
Wordt het welzijn en/of de integriteit van het dier door de handeling
blijvend aangetast?
      Nee = Voorgenomen handeling is geen Ingreep
      Ja = Naar Stap 2
Stap 2)
Is de ingreep noodzakelijk vanwege diergerichte doelstellingen?
      Ja = Ingreep uitvoeren + onderzoeken of de onderliggende oorzaak
         maatschappelijk aanvaardbaar is.
      Nee = naar Stap 3
     In dit licht bezien is bij de routinematige keizersnede bij dikbilrund en
     buldog niet de keizersnede zelf de ingreep die beoordeeld moet worden
     op aanvaardbaarheid, maar de fok die de keizersnede noodzakelijk
     maakt. De keizersnede an sich is immers een noodzakelijke ingreep op
     het moment dat het kalf/de pup niet op de natuurlijke manier geboren
     kan worden.
     Het besluit dat een ingreep omwille van diergerichte doelstellingen
     noodzakelijk is, impliceert niet dat de onderliggende oorzaak voor die
     de ingreep (fok, houderijsysteem, etc.) aanvaardbaar is.
Stap 3)
Is de ingreep noodzakelijk om bepaalde mensgerichte doelstellingen te
realiseren 2 ?
      Nee = Ingreep niet uitvoeren + alternatieven verkennen 3
      Ja = Noodzakelijke 4 welzijnsaantasting en/of noodzakelijke
         integriteitaantasting; en naar Stap 4
Stap 4)
In geval van noodzakelijke4 welzijns- en/of integriteitaantasting vindt
vervolgens de (ethische) afweging plaats of de ingreep en de resulterende
welzijnsaantasting c.q. de resulterende integriteitaantasting wel of niet
maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Deze afwegingen worden gemaakt
volgens het Afwegingsmodel voor Dierbeleid.
      Nee: Ingreep mag niet uitgevoerd worden: alternatieven verkennen
      Ja: Ingreep mag uitgevoerd worden
2
  Bijvoorbeeld: economie, gezelschap, vermaak, maar ook ecologie.
3
  Voor elk van de alternatieven moet het afwegingsinstrument afzonderlijk doorlopen worden.
4
  Noodzakelijk = noodzakelijk vanuit het oogpunt van de houder/beheerder
RDA_2013_01                                  Grip op Ingrepen                               4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De centrale vraag in de finale afweging is dus:
“Weegt de uit de ingreep resulterende welzijns- en/of integriteitschade op
tegen de schade aan mensenwelzijn (inclusief –gezondheid), dierenwelzijn
(inclusief –gezondheid), ecologie en/of economie, wanneer deze ingreep
achterwege gelaten zou worden?”
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten onder andere de
volgende vragen gesteld worden:
       4a) Leidt de ingreep tot absoluut onaanvaardbare schade aan de
       integriteit en/of het welzijn van het dier, ongeacht de context
       waarin de ingreep wordt uitgevoerd?
       4b) Leidt het achterwege laten van de ingreep tot onaanvaardbare
       schade aan mensenwelzijn (inclusief –gezondheid), dierenwelzijn
       (inclusief –gezondheid), ecologie en/of economie?
       4c) Zijn er aanpassingen in het houderijsysteem mogelijk die de
       ingreep overbodig maken?
       4d) Leiden de aanpassingen in het houderijsysteem tot
       onaanvaardbare schade aan mensenwelzijn (inclusief –gezondheid),
       dierenwelzijn (inclusief –gezondheid), ecologie en/of economie?
De moeilijkheid bij het maken van de afwegingen binnen dit instrument is
dat de waarden van mensenwelzijn (inclusief –gezondheid), dierenwelzijn
(inclusief –gezondheid), ecologie en economie niet eenduidig in
vergelijkbare eenheden zijn uit te drukken. Bovendien verschilt het per
cultuur, in de tijd en zelfs per context welke waarden we aan de
verschillende deelaspecten toekennen. De consequentie daarvan is dat de
afweging over het wel of niet toelaten van een bepaalde ingreep niet
generiek op het niveau van de ingreep, maar specifiek op het niveau van
de ingreep in een bepaalde context moet plaatsvinden. De consequentie is
tevens dat de aanvaardbaarheid van bepaalde ingrepen in de tijd, maar
bijvoorbeeld ook per land kan verschillen. De Nederlandse (wettelijke)
minimumnormen moeten worden gebaseerd op de in de Nederlandse
maatschappij breed gedragen waarden en normen.
Het afwegingsinstrument voor ingrepen is geen rekenkundig model, dat
op basis van eenduidige, vergelijkbare parameters een helder en
eensluidend besluit oplevert. Het afwegingsinstrument levert wel een
systematiek op waarmee op transparante en consistente wijze de
afwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit om een ingreep wel of
niet toe te laten zichtbaar kunnen worden gemaakt. Daarmee is de
politieke besluitvorming, die uiteindelijk het brede draagvlak voor de
maatschappelijke opvattingen in deze afwegingen moet borgen, gediend.
RDA_2013_01                       Grip op Ingrepen                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Figuur 1: Afwegingsinstrument voor Ingrepen
   Stap 1: Wordt het welzijn            Nee
   en/of de integriteit van het                          Voorgenomen handeling is
   dier door de handeling                                geen ingreep
   blijvend aangetast?
                      Ja
    Stap 2: Is de ingreep                                Ingreep wel uitvoeren
                                         Ja
    noodzakelijk vanwege                                 +
    diergerichte doelstellingen?                         beoordelen aanvaardbaarheid
                                                         onderliggende oorzaak
                      Nee
    Stap 3: Is de ingreep               Nee             Ingreep niet uitvoeren
    noodzakelijk vanwege                                +
    bepaalde mensgerichte                               verkennen alternatieven
    doelstellingen?
                      Ja
   Stap 4: (Ethische) afweging of de ingreep en de
   resulterende welzijnsaantastingen/of
   integriteitaantasting wel of niet
   maatschappelijk aanvaardbaar zijn.
   Deze afweging wordt gemaakt volgens het
   Afwegingsmodel voor Dierbeleid
    De resulterende welzijns‐                   De resulterende welzijns‐
    en/of integriteitaantasting is              en/of integriteitaantasting is
    wel maatschappelijk                         niet maatschappelijk
    aanvaardbaar                                aanvaardbaar
        Ingreep wel uitvoeren
RDA_2013_01                           Grip op Ingrepen                            6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2. Inleiding
2.1 Vraag staatssecretaris
Op 5 maart 2013 legde staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken
de Raad voor Dierenaangelegenheden de volgende adviesvraag voor:
Hierbij verzoek ik de Raad voor Dierenaangelegenheden een
afwegingskader op te stellen voor het al dan niet toestaan van ingrepen
bij gehouden dieren.
Ik vraag u:
    1. een instrument om de afweging te kunnen maken die kan leiden tot
       het wel of niet toestaan van een ingreep;
    2. als voorbeeld, voor de hieronder genoemde casussen aan de hand
       van het afwegingskader relevante informatie te genereren, inclusief
       de praktische consequenties van het wel of niet toestaan van de
       ingreep, op basis waarvan ik zou kunnen besluiten om de ingreep
       wel of niet toe te staan.
       Casus 1: het vriesbranden van koeien; koeien krijgen een merk
       d.m.v. vriesbranden om – op afstand – herkenbaar te zijn in een
       groep.
       Casus 2: het (routinematig) castreren van hengsten, katers en
       varkens; ik vraag u om in deze casus de afwegingskaders van
       dezelfde ingreep die om verschillende redenen bij verschillende
       diersoorten wordt toegepast naast elkaar te zetten.
U dient daarbij de huidige breed maatschappelijk gedragen
uitgangspunten te betrekken: (1) de integriteit van het dier niet aantasten
en (2) geen ingrepen als gevolg van de wijze waarop dieren worden
gehuisvest of om cosmetische redenen.
Ik verzoek u mij de zienswijze graag uiterlijk 1 juni 2013 te doen
toekomen.
Toelichting
Op grond van artikel 2.8 van de Wet dieren is het verrichten van
lichamelijke ingrepen bij dieren in beginsel verboden. Op grond van het
tweede lid, onderdeel a, van artikel 2.8 van de wet, bestaat er een
uitzondering     op    dat    verbod     voor   ingrepen,  waarvoor     een
diergeneeskundige noodzaak bestaat. Voorts geldt voornoemd verbod op
grond van artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet niet voor
ingrepen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn
aangewezen. De – buiten medische noodzaak – toegestane ingrepen zijn
opgenomen in het Besluit diergeneeskundigen.
RDA_2013_01                        Grip op Ingrepen                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Deze ingrepen worden, gelet op de wijze waarop de betreffende dieren in
Nederland worden gehouden, momenteel nog aanvaardbaar en gelet op
de borging van dierenwelzijn en diergezondheid in gevallen zelfs
noodzakelijk geacht. Mijn beleid is er evenwel permanent op gericht om
het verrichten van lichamelijke ingrepen bij dieren verder te verminderen.
De Tweede Kamer heeft recentelijk vragen gesteld en moties ingediend
over de toelaatbaarheid van ingrepen bij dieren. Ook maatschappelijke
organisaties oefenen druk uit om lichamelijke ingrepen te verbieden. Met
name cosmetische ingrepen en ingrepen die betrekking hebben op de
wijze van houden worden in steeds grotere mate maatschappelijk
onaanvaardbaar geacht. Ook de medisch noodzakelijke ingrepen die hun
oorsprong vinden in het fokken op specifieke eigenschappen worden in
toenemende mate maatschappelijk ter discussie gesteld.
De         maatschappelijke              belangstelling             voor       welzijns-        of
integriteitsaantastende ingrepen bij dieren groeit. Mijn voorgangers en
ondergetekende hebben voor de nu toegestane dan wel verboden
ingrepen een weloverwogen besluit genomen. De validiteit van deze
besluiten wordt echter soms in twijfel getrokken. Mede omdat een verbod
op lichamelijke ingrepen grote economische én sociale consequenties kan
hebben, heb ik behoefte aan een afwegingskader waarmee helderheid
verschaft kan worden in de afwegingen die ten grondslag liggen aan de
genomen en mogelijk nog te nemen besluiten.
2.2 Focus en kader
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken vraagt de Raad om een
denkkader op te stellen waarmee de afwegingen voor het al dan niet
toestaan van ingrepen bij gehouden dieren op een transparante en
consistente wijze kunnen worden gemaakt. Uit de toelichting bij de vraag
blijkt dat deze adviesvraag zich beperkt tot lichamelijke ingrepen, zoals
gedefinieerd in de Wet Dieren 5 .
In lijn met de adviesvraag zal de zienswijze zich beperken tot de
lichamelijke ingrepen, die veelal uitgevoerd worden ter voorkoming van
risico’s op fysieke en materiële schade, omwille van cosmetische
doeleinden, vanwege houderijomstandigheden en/of ten gevolgen van
(fokken op) bepaalde eigenschappen. Vaak betreft het een combinatie van
deze factoren, zoals erfelijke eigenschappen en houderijomstandigheden.
De Raad is van mening dat het voorgestelde denkkader ook gebruikt kan
(en moet) worden voor de afwegingen ten aanzien van andere ingrepen,
zoals het veranderen van dieren door middel van fok en door middel van
genetische modificatie, alsmede het beïnvloeden van dieren door middel
van huisvestingsomstandigheden (zoals licht-donkerregimes) en door
5
  Lichamelijke ingreep: ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels
wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties en met
uitzondering van het doden van het dier.
RDA_2013_01                                   Grip op Ingrepen                                   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>middel van medicatie (zoals anticonceptie). Een verkenning op deze
gebieden zal echter pas in een vervolgzienswijze plaats kunnen vinden.
Overigens     moet    nadrukkelijk   niet    verwacht  worden     dat  het
afwegingsinstrument vooringrepen een rekenkundig model oplevert
waaruit op basis van inputparameters een eenvoudig ‘wel of niet toelaten’
rolt. Het afwegingsinstrument is een methode om de besluitvorming
transparant en consistent te maken door een stappenplan van vragen en
een overzicht van de meest relevante mee te wegen belangen en waarden
te bieden. Zoals in onze eerdere zienswijze Zorgplicht Natuurlijk Gewogen
wordt benadrukt, worden ook keuzes over (on)aanvaardbaar lijden bij
dieren niet meer uitsluitend gemaakt door de beheerder of houder, maar
moet de maatschappij uitdrukkelijk gekend worden in deze afwegingen.
De resultaten van een afweging op basis van dit denkkader zijn dan ook
een afspiegeling van de heersende, tijd- en contextgebonden
overwegingen.
Voor het opstellen van deze zienswijze gaat de Raad uit van de in
Nederland breed gedragen maatschappelijke opvatting dat de mens
dieren mag houden. Tegelijkertijd constateert de Raad dat er een
toenemende diversificatie bestaat in de opvattingen over de wijze waarop
en voor welke doeleinden wij dieren mogen houden. Die toenemende
diversificatie in opvattingen raakt rechtstreeks aan de discussie over het
al dan niet toelaten van ingrepen bij dieren. Wanneer bepaalde ingrepen
in bepaalde contexten als onaanvaardbaar beoordeeld worden kan dat
immers de consequentie hebben dat de betreffende vorm van dierhouderij
of het houden van de betreffende diersoort niet langer op een
aanvaardbare wijze kan plaatsvinden.
Bij het ontwerpen van het afwegingsinstrument hebben de mogelijke
gevolgen van het wel of niet toelaten van een bepaalde ingreep in een
bepaalde context geen rol gespeeld. Bij het in de praktijk uitvoeren van
de afweging van de aanvaardbaarheid van een specifieke ingreep bij een
specifieke diersoort in een specifieke context zullen deze consequenties
wel nadrukkelijk moeten worden meegewogen.
De Staatssecretaris heeft de Raad gevraagd aan de hand van het
afwegingsmodel de praktische consequentie van het wel of niet toestaan
van een ingreep in een viertal casussen te toetsen. In de bijlagen van
deze zienswijze zullen op basis van het ontwikkelde afwegingsmodel deze
casussen worden uitgewerkt en gepresenteerd op een zodanige wijze dat
besluitvorming over het al dan niet toestaan van de betreffende ingrepen
transparant en onderbouwd kan plaatsvinden. Volledigheidshalve wordt in
de bijlagen bovendien een overzicht gegeven van diverse doelen waarvoor
ingrepen bij dieren op dit moment worden gedaan.
RDA_2013_01                       Grip op Ingrepen                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3. Definities
In deze zienswijze hanteert de raad de volgende definities:
3.1 Lichamelijke ingrepen
Een lichamelijke ingreep is een handeling bij een dier waarbij de
natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met
inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties en met
uitzondering van het doden van het dier.
3.2 Dierenwelzijn
Dierenwelzijn is het resultaat van het dynamische samenspel tussen een
dier en zijn omgeving. Daarin is de welzijnsstatus van dat dier gerelateerd
aan de mate waarin hij zich kan aanpassen aan de uitdagingen die de
heersende omgevingsomstandigheden bieden en de vrijheid die hij heeft
om normale, soortspecifieke gedragspatronen te vertonen, teneinde een
staat te bereiken die hij als positief ervaart. Negatief en positief welzijn
zijn daarbij, net zoals gezond en ziek, uitersten van een glijdende schaal.
3.3 Integriteit
Naast dierenwelzijn speelt ook het begrip integriteit een belangrijke rol bij
de afweging over de aanvaardbaarheid van ingrepen. Onder integriteit
verstaan we in het kader van deze zienswijze de heelheid en gaafheid van
het dier en het vermogen om soortspecifiek gedrag te kunnen uitoefenen.
3.4 Welzijn vs. Integriteit
Integriteit en welzijn liggen vaak in elkaars verlengde: het aantasten van
de heelheid van een dier levert vaak een aantasting van het welzijn op,
omdat het dier lijdt aan de ingreep of omdat de ingreep het vermogen van
het dier om zichzelf te handhaven in een voor de soort geschikte
omgeving aantast.
Integriteit en welzijn kunnen ook tegengesteld aan elkaar zijn, in het
geval dat aantasting van de integriteit (door het uitvoeren van een
ingreep) plaatsvindt om een welzijnsprobleem op te lossen of om een
potentieel welzijnsprobleem te voorkomen. Dergelijke (potentiële)
welzijnsprobleem kunnen samenhangen met de houderijcontext, of met
het fokken op specifieke eigenschappen. Het dier ‘kunstmatig’ aanpassen
aan onze belangen kan beoordeeld worden als een gebrek aan respect
voor de heelheid en gaafheid van het dier.
RDA_2013_01                       Grip op Ingrepen                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>4. Afwegingsinstrument voor ingrepen aan dieren
4.1 Inleiding en moreel ethische onderbouwing
De huidige wet- en regelgeving is voornamelijk erop gericht onnodig lijden
van dieren te voorkomen. Hoewel deze gedachtelijn logisch lijkt, is de
vraag wat onnodig lijden feitelijk inhoudt niet eenvoudig te beantwoorden.
Daarnaast is het van belang te duiden hoe de concepten van welzijn,
integriteit en lijden aan elkaar gerelateerd zijn.
Er kan op verschillende gronden in opeenvolgende niveaus waarde aan
dieren worden toegekend. De meest basale waardetoekenning is de
erkenning dat dieren nutswaarde hebben: zij leveren producten (wol,
vlees, melk, maar ook gezelschap) voor de mens. Bovendien erkennen we
vandaag de dag dat dieren pijn kunnen ervaren en kunnen lijden: dieren
zijn ‘voelende wezens’. Tot slot erkennen we dat dieren intrinsieke waarde
hebben: het dier heeft waarde omwille van zichzelf en niet alleen omdat
hij de mens ter nutte is.
De grondslag voor het respecteren van de integriteit van dieren ligt in de
erkenning van de intrinsieke waarde van dieren: het is niet zomaar
gerechtvaardigd om de integriteit van een dier aan te tasten. De huidige
maatschappelijke grondslag in Nederland om rekening te houden met het
welzijn van dieren ligt in de combinatie van de erkenning dat dieren
voelende wezens zijn en de erkenning dat dieren intrinsieke waarde
hebben.
4.2 Afwegingsinstrument
Het afwegingsinstrument voor ingrepen bij dieren is een stappenplan
waarin de verschillende afwegings- en beslismomenten op een logische
wijze worden gepresenteerd, waardoor het afwegingsproces op een
transparante en consistente wijze kan worden doorlopen. De eerste drie
stappen in het afwegingsmodel resulteren in eenduidige, feitelijke
conclusies. In de finale stap vindt het afwegen van belangen en waarden
plaats.
Het afwegingsinstrument voor ingrepen is gebaseerd op het
interventieschema dat de Raad formuleerde in zijn zienswijze Zorgplicht
Natuurlijk Gewogen. Het doel van dat interventieschema was onder
andere om de juridische term ‘onnodig lijden’ nauwkeuriger te duiden en
operationeel te maken door deze te preciseren naar de begrippen
‘onvermijdbaar lijden’, ‘noodzakelijk lijden’ en ‘aanvaardbaar lijden’. Op
basis van die differentiatie en de onderliggende denklijn kan geduid
worden of de situatie waarin een dier zich bevindt ingrijpen door de mens
vereist.
In de nu voorliggende zienswijze wordt uitgegaan van een voorgenomen
ingreep. Gevolgen, aanleiding en doelstelling van deze ingreep worden in
de loop van het analyseproces onderzocht. De finale afweging van
belangen en waarden, die resulteert in de duiding van de
aanvaardbaarheid van de ingreep – en dus tot de beslissing om een
RDA_2013_01                        Grip op Ingrepen                     11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>ingreep al dan niet toe te laten, wordt gemaakt met behulp van het
afwegingsmodel dat de Raad formuleerde in zijn zienswijze Agenda voor
het Dierbeleid. In het kader van het afwegingsinstrument voor ingrepen
zijn een aantal vragen geformuleerd om deze finale afweging verder te
operationaliseren. In paragraaf 4.2 en 4.3 wordt nader ingegaan op de te
hanteren methode voor deze finale afweging.
Figuur 1: Afwegingsinstrument voor Ingrepen
   Stap 1: Wordt het welzijn            Nee
   en/of de integriteit van het                          Voorgenomen handeling is
   dier door de handeling                                geen ingreep
   blijvend aangetast?
                      Ja
                                       Ja                Ingreep wel uitvoeren
    Stap 2: Is de ingreep
    noodzakelijk vanwege                                 +
    diergerichte doelstellingen?                         beoordelen aanvaardbaarheid
                                                         onderliggende oorzaak
                      Nee
    Stap 3: Is de ingreep               Nee             Ingreep niet uitvoeren
    noodzakelijk vanwege                                +
    bepaalde mensgerichte                               verkennen alternatieven
    doelstellingen?
                      Ja
   Stap 4: (Ethische) afweging of de ingreep en de
   resulterende welzijnsaantastingen/of
   integriteitaantasting wel of niet
   maatschappelijk aanvaardbaar zijn.
   Deze afweging wordt gemaakt volgens het
   Afwegingsmodel voor Dierbeleid
    De resulterende welzijns‐                   De resulterende welzijns‐
    en/of integriteitaantasting is              en/of integriteitaantasting is
    wel maatschappelijk                         niet maatschappelijk
    aanvaardbaar                                aanvaardbaar
        Ingreep wel uitvoeren
RDA_2013_01                           Grip op Ingrepen                           12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Het Afwegingsinstrument voor Ingrepen gaat uit van het voornemen
om een bepaalde ingreep bij een bepaalde diersoort in een bepaalde
context te verrichten. Het afwegingsinstrument bestaat uit vier stappen:
Stap 1)
Wordt het welzijn en/of de integriteit van het dier door de handeling
blijvend aangetast?
      Nee = Voorgenomen handeling is geen Ingreep
      Ja = Naar Stap 2
Stap 2)
Is de ingreep noodzakelijk vanwege diergerichte doelstellingen?
      Ja = Ingreep uitvoeren + verkennen van de maatschappelijke
         aanvaardbaarheid van de onderliggende oorzaak.
      Nee = Naar Stap 3
     In dit licht bezien is bij de routinematige keizersnede bij dikbilrund en
     buldog niet de keizersnede zelf de ingreep die beoordeeld moet worden
     op aanvaardbaarheid, maar de fok die de keizersnede noodzakelijk
     maakt. De keizersnede is immers een noodzakelijke ingreep op het
     moment dat het kalf/de pup niet op de natuurlijke manier geboren kan
     worden.
     Het besluit dat een ingreep omwille van diergerichte doelstellingen
     noodzakelijk is, impliceert niet dat de onderliggende oorzaak voor die
     de ingreep (fok, houderijsysteem, etc.) aanvaardbaar is.
Stap 3)
Is de ingreep noodzakelijk om bepaalde mensgerichte doelstellingen te
realiseren 6 ?
      Nee = ingreep niet uitvoeren + alternatieven verkennen 7
      Ja = noodzakelijke 8 welzijnsaantasting en/of noodzakelijke
         integriteitaantasting; en naar Stap 4
Stap 4)
In geval van noodzakelijke8 welzijns- of integriteitaantasting vindt
vervolgens de (ethische) afweging plaats of de ingreep en de resulterende
welzijnsaantasting c.q. de resulterende integriteitaantasting wel of niet
maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Voor deze afwegingen wordt gebruik
gemaakt van de methode van het Afwegingsmodel voor Dierbeleid 9 .
          Wel aanvaardbaar: ingreep mag uitgevoerd worden
          Niet aanvaardbaar: ingreep niet uitvoeren en alternatieven
              verkennen
6
  Bijvoorbeeld: economie, gezelschap, vermaak, maar ook ecologie.
7
  Voor elk van de alternatieven moet het afwegingsinstrument afzonderlijk doorlopen worden.
8
  Noodzakelijk = noodzakelijk vanuit het oogpunt van de houder/beheerder
9
  Agenda voor het Dierbeleid, RDA (2010)
RDA_2013_01                                  Grip op Ingrepen                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>In de eerste drie stappen van het afwegingsmodel wordt getoetst of een
handeling wel of niet een ingreep is, of de ingreep onvermijdelijk is en of
de ingreep – vanuit het oogpunt van de houder – noodzakelijk is. De
laatste en moeilijkste stap is te bepalen of een noodzakelijke ingreep ook
maatschappelijk aanvaardbaar is. Wanneer een ingreep beoordeeld wordt
als maatschappelijk onaanvaardbaar, dan moet dat ertoe leiden dat deze
ingreep in– wettelijk vastgelegde – minimumnormen voor de dierhouderij
verboden wordt.
In de derde stap van het afwegingsinstrument wordt geoordeeld dat de
dierhouder de ingreep noodzakelijk acht binnen zijn houderijsysteem.
Vervolgens wordt getoetst of dit oordeel van noodzakelijkheid door de
maatschappij      gedeeld    wordt.    Daartoe    moet   niet   alleen  de
aanvaardbaarheid van de aantasting van de integriteit en het welzijn die
de ingreep veroorzaakt beoordeeld worden, maar ook de consequenties
van het niet uitvoeren van de ingreep. Daarbij is het van belang om een
beeld te vormen van de betreffende context (houderijsysteem,
management, fokkerij, etc.) zonder dat daarin de ingreep wordt toegepast
en van alternatieven voor de context waarin de ingreep niet (meer) nodig
is. De centrale vraag in deze finale afweging is dus:
       4) Weegt de uit de ingreep resulterende welzijns- en/of
       integriteitschade op tegen de schade aan mensenwelzijn (inclusief –
       gezondheid), dierenwelzijn (inclusief –gezondheid), ecologie en/of
       economie, wanneer deze ingreep achterwege gelaten zou worden?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moeten onder andere de
volgende vragen gesteld worden:
       4a) Leidt de ingreep tot absoluut onaanvaardbare schade aan de
       integriteit en/of het welzijn van het dier, ongeacht de context
       waarin de ingreep wordt uitgevoerd?
       4b) Leidt het achterwege laten van de ingreep tot onaanvaardbare
       schade aan mensenwelzijn (inclusief –gezondheid), dierenwelzijn
       (inclusief –gezondheid), ecologie en/of economie?
       4c) Zijn er aanpassingen in het houderijsysteem mogelijk die de
       ingreep overbodig maken?
       4d) Leiden de aanpassingen in het houderijsysteem tot
       onaanvaardbare schade aan mensenwelzijn (inclusief –gezondheid),
       dierenwelzijn (inclusief –gezondheid), ecologie en/of economie?
De moeilijkheid bij het maken van de afwegingen binnen dit instrument is
dat de waarden van mensenwelzijn (inclusief –gezondheid), dierenwelzijn
(inclusief –gezondheid), ecologie en economie niet eenduidig in
vergelijkbare eenheden zijn uit te drukken. Bovendien verschilt het per
cultuur, in de tijd en zelfs per context welke waarden we aan de
verschillende deelaspecten toekennen. De consequentie daarvan is dat de
afweging over het wel of niet toelaten van een bepaalde ingreep niet
RDA_2013_01                       Grip op Ingrepen                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>generiek op het niveau van de ingreep, maar specifiek op het niveau van
de ingreep in een bepaalde context moet plaatsvinden. De consequentie is
tevens dat de aanvaardbaarheid van bepaalde ingrepen in de tijd, maar
bijvoorbeeld ook per land kan verschillen. De Nederlandse (wettelijke)
minimumnormen moeten worden gebaseerd op de in de Nederlandse
maatschappij breed gedragen waarden en normen. De import van dieren
en dierlijke producten die niet aan die normen voldoen is vanwege
Europese regelgeving weliswaar moeilijk te verbieden, maar dieren en
dierlijke producten die worden geïmporteerd zouden eigenlijk aan dezelfde
normen moeten voldoen. Dat betekent bijvoorbeeld dat op Nederlandse
dierenshows geen gecoupeerde honden en paarden meer zouden mogen
deelnemen en dat in de Nederlandse supermarkten geen vlees van
onverdoofd gecastreerde varkens meer verkocht zou moeten worden.
In de huidige Nederlandse maatschappij is het algemeen aanvaard dat de
mens dieren houdt om te voorzien in zijn eigen behoeften: dieren worden
gehouden voor gezelschap, sport, arbeid, voedsel, etc. De mate van
aanvaardbaarheid van een doeleinde om dieren voor te houden varieert:
zo oordeelden de Tweede en Eerste Kamer afgelopen jaar dat
bontproductie geen aanvaardbaar doel is om dieren voor te houden.
De systemen waarin dieren worden gehouden zijn – in het bijzonder in de
veehouderij – verregaand geoptimaliseerd voor bepaalde aspecten. De
intensieve veehouderij is bijvoorbeeld geoptimaliseerd voor het
kostenefficiënt produceren van dierlijke eiwitten. Belangrijke elementen
van de houderijsystemen, zoals huisvesting en management, hangen
nauw met elkaar samen en zijn geoptimaliseerd voor de voor dat
houderijsysteem belangrijke aspecten. Ingrepen kunnen een onderdeel
van dat houderijsysteem zijn. Het wel of niet toelaten van een bepaalde
ingreep zal daarom vrijwel altijd gevolgen hebben voor de andere factoren
in en voor de optimalisatie van het houderijsysteem. Dat hoeft overigens
geen kwalijke zaak te zijn: duurzaamheid anno nu ziet er nadrukkelijk
anders uit dan enkele decennia geleden, vanwege voortschrijdende
wetenschappelijke inzichten en vanwege veranderende maatschappelijke
waarden en normen.
Het voorgaande in ogenschouw nemende kan het afwegingsinstrument
voor ingrepen dan ook geen rekenkundig model zijn, dat op basis van
eenduidige, vergelijkbare parameters een helder en eensluidend besluit
oplevert. Het afwegingsinstrument levert wel een systematiek op
waarmee op transparante en consistente wijze de afwegingen die ten
grondslag liggen aan het besluit om een ingreep wel of niet toe te laten
zichtbaar kunnen worden gemaakt. Daarmee is de politieke
besluitvorming, die uiteindelijk het brede draagvlak voor de
maatschappelijke opvattingen in deze afwegingen moet borgen, gediend.
RDA_2013_01                       Grip op Ingrepen                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>4.3 Inventariserende vragen
Het afwegingsinstrument voor ingrepen bij dieren moet gebruik maken
van de meest recente wetenschappelijke kennis. Voor de finale afweging
van de maatschappelijke aanvaardbaarheid wordt gebruik gemaakt van
de methodiek van het Afwegingsmodel voor Dierbeleid 10 . Voor die
methodiek moeten behalve de onderliggende feiten ook de relevante
belangen en de maatschappelijk breed gedragen opvattingen ten aanzien
van dierhouderij (inclusief -fokkerij), dierenwelzijn en diergezondheid
worden geïnventariseerd. Dit impliceert dat beleid en regelgeving telkens
opnieuw, met de meest recente kennis en indachtig de heersende
maatschappelijke opvattingen, geactualiseerd moeten worden. Het
impliceert tevens dat de overheid de kennis en morele opvattingen over
dieren regelmatig inventariseert in de ‘Trendanalyse Denken over Dieren’,
waarvan de eerste versie in 2012 is opgesteld.
Om de voor de afweging over ingrepen benodigde informatie in beeld te
brengen stellen we onder andere de volgende vragen:
De inventarisatie van relevante wetenschappelijke en praktische feiten.
      Wat is de ernst en de duur van de welzijnsaantasting die de ingreep
        veroorzaakt? [zie ook Stap 1]
      Wat is de ernst en de duur van de integriteitaantasting die de
        ingreep veroorzaakt? [zie ook Stap 1]
      Hoe en in welke mate tast het achterwege laten van de ingreep het
        welzijn van het dier aan, onder gelijkblijvende omstandigheden?
        [zie ook Stap 2]
      Zijn er alternatieven voor de ingreep, danwel mitigerende
        maatregelen ten aanzien van de welzijnsaantasting bij het
        achterwege laten van de ingreep, onder gelijkblijvende
        houderijomstandigheden, denkbaar en uitvoerbaar?
      Welke wijzigingen in de houderijomstandigheden zijn nodig om
        deze ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
        welzijnsaantasting optreedt?
      Wat is de sociale, ecologische en economische impact van de
        alternatieven voor de ingreep, van de mitigerende maatregelen bij
        het achterwege laten van de ingreep en van de wijzigingen in de
        houderijomstandigheden die nodig zijn om de ingreep achterwege
        te kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting optreedt?
De inventarisatie van relevante belangen.
      Welke actoren zijn er bij deze ingreep betrokken? [zie ook Stap 3]
      Wat zijn de belangen van deze actoren m.b.t. het houderijsysteem,
        de ingreep, de alternatieven voor de ingreep, de mitigerende
        maatregelen bij het achterwege laten van de ingreep, de
        alternatieve houderijomstandigheden die nodig zijn om de ingreep
        achterwege te kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting
        optreedt? [zie ook Stap 3]
10
   Agenda voor het Dierbeleid, RDA (2010)
RDA_2013_01                               Grip op Ingrepen               16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>De inventarisatie van de relevante maatschappelijke opvattingen en de
onderliggende breed gedragen maatschappelijke waarden. Het gewicht
dat aan de verschillende belangen wordt toegekend baseren we op de
breed gedragen maatschappelijke waarden.
      Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende
         waarden t.a.v. deze ingreep bij deze diersoort in deze context?
      Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en de onderliggende
         waarden t.a.v. deze ingreep bij deze diersoort in andere context?
      Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende
         waarden t.a.v. andere ingrepen bij deze diersoort in vergelijkbare
         context? 11
      Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende
         waarden t.a.v. deze ingreep bij andere diersoorten in vergelijkbare
         context?11
4.4 Ethische afweging en reflectief evenwicht
In de laatste fase van het afwegingsmodel worden belangen en waarden
tegen elkaar afgewogen om te kunnen beslissen of een ingreep wel of niet
maatschappelijk aanvaardbaar is. De Raad adviseert om voor deze
afweging gebruik te maken van de methode van reflectief evenwicht. Bij
reflectief evenwicht gaat het om het maken van een beredeneerde
afweging, waarin geprobeerd wordt om gevoelsmatige inschattingen,
principes en relevante feiten met elkaar in evenwicht te brengen.
Het proces van reflectief evenwicht begint bij onze gevoelsmatige
inschattingen: de eerste indrukken. In de discussies over dieren en met
name ingrepen bij dieren komen vaak intuïtieve antwoorden naar voren.
Voor het zoeken naar een reflectief evenwicht zijn deze intuïties een
belangrijk signaal. Een eerste reactie kan waardevol zijn, maar mensen
kunnen er ook volledig naast zitten uit onwetendheid, bijvoorbeeld omdat
iemand het doel van een diergebruik onjuist inschat of de belangen van
het dier niet serieus neemt.
Zeker bij gevoelsmatige inschattingen bestaat het gevaar dat iemand
alleen oog heeft voor dat wat hij zelf wil zien. Dat botst met het beginsel
van de ethiek dat degene die een ethische afweging maakt, probeert om
de belangen van alle partijen in de afweging serieus te nemen. Daarnaast
kunnen gevoelsmatige morele oordelen tegenstrijdig zijn: waar de ene
persoon geen probleem heeft met een gebruiksdoel kan een andere
persoon van mening zijn dat hetzelfde doel volledig onaanvaardbaar is.
Daarom is het voor de ethische afweging niet voldoende om alleen te
kijken naar gevoelsmatige inschattingen.
11
   Ten behoeve van de consistentie in het beleid
RDA_2013_01                                  Grip op Ingrepen              17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>In het streven naar een reflectief evenwicht zijn er nog twee andere
onderdelen essentieel. Ten eerste is het van belang om duidelijk te maken
welke ethische principes ten grondslag liggen aan de gevoelsmatige
inschattingen. En ten tweede spelen feiten een belangrijke rol in de
ethische afweging.
In de methode van het reflectief evenwicht worden ethische principes en
relevante feiten gebruikt om kritisch over gevoelsmatige inschattingen na
te denken. Dit vraagt om een kritische blik naar de overeenkomsten en
verschillen tussen de eerste indruk, de principes en de feiten. Als daaruit
inconsistentie blijkt, dan gaat men op zoek naar de oorzaak en kijkt men
welke onderdelen er aangepast dienen te worden. Als er een
overeenkomst is bereikt tussen de gevoelsmatige inschattingen, de
principes en de feiten dan kunnen we spreken van een reflectief
evenwicht.
Voor een complete morele afweging is het noodzakelijk om alle
beschikbare kennis in samenhang met de principes die men bindend acht
voor de samenleving in overweging te nemen.
RDA_2013_01                      Grip op Ingrepen                       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>5. Epiloog
5.1 Gevolgen van het verbieden van ingrepen
Hoewel de afweging over de aanvaardbaarheid en het toelaten van een
ingreep in eerste instantie uitsluitend over het welzijn en de integriteit van
dieren lijken te gaan, is de praktijk gecompliceerder. Het niet meer
toelaten van bepaalde ingrepen heeft als consequentie dat het houden
van bepaalde diersoorten in de huidige vorm of omstandigheid niet meer
mogelijk is, dat bepaalde houderijsystemen niet meer mogelijk zijn, of dat
bepaalde fokkerijen beëindigd moeten worden. In de finale afweging van
de maatschappelijke aanvaardbaarheid van een ingreep worden daarom
bijvoorbeeld ook (bedrijfs)economische consequenties meegewogen. Het
uiteindelijke besluit dat een ingreep wel of niet maatschappelijk
aanvaardbaar is, impliceert ook een besluit over de maatschappelijke
aanvaardbaarheid van de context (houderij, houderijsysteem, fokdoel)
waarvoor de betreffende ingreep noodzakelijk is.
5.2 Uitfaseren van ingrepen
Met het politieke besluit dat een bepaalde ingreep niet langer
maatschappelijk aanvaardbaar is, is de overheid er nog niet. Dit besluit
moet vervolgens in de praktijk gebracht worden. Daarbij is het van belang
te beseffen dat de huidige maatschappelijke waarden en normen kennelijk
de betreffende ingreep (en de bijbehorende houderij) niet langer
aanvaardbaar vinden, terwijl er ook dierhouders zijn die hun dieren
houden op een manier waarvoor de ingreep noodzakelijk is. Er moet een
goede balans gevonden worden tussen de maatschappelijke wens om de
ingreep nu te beëindigen en de belangen van de dierhouders. Het stellen
van een goede overgangstermijn is een precair proces, en verlenging van
overgangstermijnen is ten principale een ongewenste stap, wetende dat
daarmee een maatschappelijk ongewenste situatie wordt verlengd.
Een deel van de ingrepen vindt buiten het blikveld van de maatschappij
plaats. Dat maakt de handhaving niet gemakkelijker, hoewel de
onomkeerbare aard van een lichamelijke ingreep het altijd mogelijk maakt
om op een veel later tijdstip dan dat de ingreep heeft plaatsgevonden
alsnog te handhaven. Voor het verrichten van sommige ingrepen worden
dieren tijdelijk geëxporteerd naar een buitenland waar de ingreep wel is
toegelaten, waarna de dieren weer worden geïmporteerd in Nederland.
Deze ongewenste praktijken zijn onvermijdelijk zolang er geen
internationale harmonisatie van het ingrepenbesluit bestaat, maar moeten
volgens de Raad geen aanleiding zijn om ingrepen in Nederland niet te
verbieden. Aangezien Nederland een soevereine staat is, zijn onze wetten
en regels gebaseerd op de Nederlandse waarden en normen.
RDA_2013_01                        Grip op Ingrepen                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>5.3 Cases
In het kader van deze zienswijze was er ruimte voor vier casussen die als
proof of principle van het afwegingmodel in de eerste bijlage zijn
uitgewerkt. De cases m.b.t. de castratie tonen aan dat de afwegingen
over de toelaatbaarheid van een ingreep niet generiek op het niveau van
de ingreep, maar specifiek op het niveau van de casus gemaakt moeten
worden.     Zo    kan    de    onderbouwing       voor   eenzelfde    oordeel
(aanvaardbaar/niet aanvaardbaar) verschillen, omdat er verschillende
belangen in de afweging meespelen. Maar de verschillen in belangen
kunnen er ook toe leiden dat een ingreep in de ene context wel
aanvaardbaar wordt geacht en in de andere context niet. De Raad
realiseert zich dat een dergelijk verschil als rechtsongelijkheid ervaren kan
worden, vooral door die houders die een door hen gewenste ingreep niet
(meer) mogen toepassen. Daarom is het van groot belang om de
afwegingen die ten grondslag liggen aan deze besluitvorming transparant
te maken en de besluitvorming op consistente wijze uit te voeren.
Met betrekking tot de drie castratiecases merkt de Raad bovendien het
volgende op:
De castratie van mannelijke varkens voor de Nederlandse vleesproductie
lijkt door de vleesvarkenssector uitgefaseerd te worden, omdat zij een
onaanvaardbare integriteitaantasting oplevert. Over de alternatieven –
immunocastratie, aanpassingen in het houderijsysteem, de fokkerij en
berengeurdetectie – is men het echter nog niet eens.
De castratie van mannelijke katten en paarden is gemeengoed in de
Nederlandse maatschappij en wordt over het algemeen zelfs aanbevolen.
De vraag of deze ingreep breed maatschappelijk aanvaard is, is echter
nooit expliciet gesteld. Ook verschillen de redenen voor deze ingreep sterk
tussen deze twee diersoorten: bij het paard gaat het vooral om veiligheid
voor en hanteerbaarheid door de mens, bij de kat gaat het om zaken als
geuroverlast in huis en het binnen de perken houden van de populatie
zwerfkatten. In beide gevallen lijken alternatieven voor de ingreep weinig
kansrijk.
RDA_2013_01                        Grip op Ingrepen                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Bijlage I: cases
I.1 Koudmerken melkkoeien
Het koudmerken van melkkoeien is het plaatselijk, in een cijferpatroon
bevriezen van de huid op een bil van het rund, waardoor de zwarte haren
ter plaatse hun pigment verliezen en er in de beharing een wit cijfer tegen
een zwarte achtergrond ontstaat. Deze ingreep wordt uitgevoerd om
individuele melkkoeien eenvoudig te kunnen identificeren (gebruiksgemak
voor de veehouder).
  De ingreep veroorzaakt kort-
  durende pijn gevolgd door een
  ontstekingreactie van ca. vier
  dagen, waarvan de koe over het
  algemeen spontaan herstelt. Er
  is   dus     sprake   van     een
  welzijnsaantasting die binnen
  het aanpassingsvermogen van
  het rund ligt.
  Het resultaat van de handeling
  is een permanente, plaatselijke
  verandering         aan        de
  eigenschappen van het dier (i.c.
  de haarkleur). De integriteit van
  het dier is dus aangetast.
  De ingreep is niet noodzakelijk
  om in de behoeften van het dier
  te voorzien.
  De ingreep dient het gebruiks-
  gemak van de dierhouder, maar
  niet noodzakelijk om in de
  doelstelling van de houder te
  voorzien. 90% van de melkvee-
  houders – ook in vergelijkbare
  bedrijfssystemen – maakt geen
  gebruik van koudmerken als
  identificatiemethode.
  Deze ingreep is niet noodzakelijk om in de behoeften van het dier te
  voorzien en niet noodzakelijk om mensgerichte doelstellingen te
  bereiken. Op basis van deze criteria wordt de ingreep al als niet
  toelaatbaar gekwalificeerd. Een aanvullende afweging over de
  maatscappelijke aanvaardbaarheid van deze ingreep is niet aan de
  orde.
RDA_2013_01                         Grip op Ingrepen                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>I.2 Castratie kater
De te beoordelen ingreep is het castreren van katers die als
gezelschapsdier worden gehouden. De ingreep betreft het onder algehele
anesthesie, of onder sedatie met locale anesthesie, operatief verwijderen
van de teelballen van de mannelijke huiskat. Het doel van de ingreep is
het verwijderen van de bron van de mannelijke geslachtshormonen,
waardoor territoriaal gedrag zoals markeren met urinegeurvlaggen en
vechtgedrag wordt voorkomen. Doel is tevens er voor te zorgen dat de
betreffende kater geen nageslacht meer kan verwekken.
  De       ingreep       veroorzaakt
  kortdurende welzijnsaantasting
  gevolgd door enkele dagen
  napijn, waarvan de kat over het
  algemeen volledig herstelt en
  die dus binnen het aanpassings-
  vermogen van de kat ligt.
  Het verwijderen van de testikels
  betekent een aantasting van de
  heelheid van het dier. Bovendien
  zorgt het er voor dat de kater
  geen sexueel gedrag meer kan
  uitvoeren, wat inhoudt dat hij
  een deel van zijn normale
  soortspecifieke gedrag niet meer
  kan       uitvoeren.      Derhalve
  resulteert de ingreep in een
  aantasting van het welzijn en
  van de integriteit.
  De ingreep draagt weliswaar
  indirect bij aan het welzijn van
  het dier door de kans op
  verwondingen,        ziekten     en
  ongevallen te verkleinen, maar
  is niet noodzakelijk om in de
  behoeften van het dier te
  voorzien.
   De ingreep is wel noodzakelijk
   om in de doelstelling van de
   houder         te        voorzien:
   ongecastreerde katers kunnen
   vanwege hun markeergedrag
   niet als gezelschapsdier in huis
   gehouden worden.
   Bovendien       kunnen      gecas-
   treerde huiskaters niet meer
   bijdragen aan de groei van de
   populaties zwerf- en asielkatten.
RDA_2013_01                           Grip op Ingrepen                 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>  Informatie voor Stap 4, de afweging van de maatschappelijke
  aanvaardbaarheid van de welzijns- en integriteitaantasting.
Feiten
1. Wat is de ernst en de duur van de welzijnsaantasting die de ingreep
    veroorzaakt?
          Kortdurende stress en (enkele dagen) napijn.
2. Wat is de ernst en de duur van de integriteitaantasting die de ingreep
    veroorzaakt?
          De testikelszijn verwijderd, geen mogelijkheid voor sexueel
           gedrag meer.
3. Hoe en in welke mate tast het achterwege laten van de ingreep het welzijn
    van het dier aan, onder gelijkblijvende houderijomstandigheden?
          Niet direct, maar vrijwel geen enkele kater is ongecastreerd te
           houden vanwege het territoriumgedrag (markeren met urine
           geurvlaggen). Ongecastreerde katers die buiten lopen hebben
           een verhoogd risico om verkeersslachtoffer te worden en om
           vechtverwondingen en ziekten zoals FELV, FIP en FIV op te
           lopen.
4. Zijn er alternatieven voor de ingreep, danwel mitigerende maatregelen ten
    aanzien van de welzijnsaantasting bij het achterwege laten van de ingreep,
    onder gelijkblijvende houderijomstandigheden, denkbaar en uitvoerbaar?
          Nee, ongecastreerde katers zijn niet in huis te houden, enkele
           uitzonderingen daargelaten.
5. Welke wijzigingen in de houderijomstandigheden zijn nodig om deze ingreep
    achterwege te kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting optreedt?
          Ongecastreerde katers kunnen separaat (niet in het woonhuis)
           gehuisvest worden. Dit is gebruikelijk bij catteries. NB: het niet
           meer       buiten    kunnen       lopen    kan    een    aanvullende
           welzijnsaantasting opleveren.
6. Wat is de sociale, ecologische en economische impact van de alternatieven
    voor de ingreep, van de mitigerende maatregelen bij het achterwege laten
    van de ingreep en van de wijzigingen in de houderijomstandigheden die nodig
    zijn om de ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
    welzijnsaantasting optreedt?
          Minder katten buiten is gunstig voor de kleine fauna.
Belangen
1. Welke actoren zijn er bij deze ingreep betrokken?
          Katteneigenaar, dierenarts, dierenasiels.
2. Wat zijn de belangen van deze actoren m.b.t. het houderijsysteem, de
    ingreep, de alternatieven voor de ingreep, de mitigerende maatregelen bij het
    achterwege laten van de ingreep, de alternatieve houderijomstandigheden die
    nodig zijn om de ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
    welzijnsaantasting optreedt?
          Belangen katteneigenaar: kat in huis kunnen houden zonder
           stankoverlast, verlagen risico’s voor kat bij buitenuitloop,
          Belangen dierenarts: inkomsten
          Belangen maatschappij: beperken aanwas zwerfkattenpopulatie,
           behoud kleine fauna.
RDA_2013_01                           Grip op Ingrepen                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Opvattingen en waarden
1. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
    deze ingreep bij deze diersoort in deze context?
           Castratie van huiskaters is algemeen aanvaard.
2. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
    andere ingrepen bij deze diersoort in vergelijkbare contexten?
           Castreren van huispoezen is algemeen aanvaard.
           Chippen van huiskatten is algemeen aanvaard.
3. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
    deze ingreep bij andere diersoorten in vergelijkbare contexten?
           Castreren van huishonden is algemeen aanvaard.
4. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
    deze ingreep bij andere diersoorten in andere contexten?
           Castreren van hengsten is algemeen aanvaard.
           De maatschappij heeft moeite met de onverdoofde castratie van
            beerbiggen. Er is geen onderbouwde uitspraak te doen over de
            maatschappelijke aanvaardbaarheid van verdoofd castreren van
            beerbiggen.
Bronnen: Denken Over Dieren, Athena Instituut (2012)
4d, Belangrijkste feiten en overwegingen ten behoeve van de
beoordeling van de aanvaardbaarheid van het verdoofd castreren
van katers:
Feiten:
‐ In huidige uitvoering levert de castratie een welzijnsaantasting van
    korte duur op, die binnen het aanpassingsvermogen van het dier ligt.
‐ De castratie veroorzaakt een significante integriteitaantasting, die door
    de maatschappij algemeen aanvaard lijkt te zijn.
‐   Voordelen: 1) castratie is noodzakelijk voor het houden van katers als
    gezelschapsdier, 2) castratie beperkt de groei van de populatie
    zwerfkatten, 3) gecastreerde katers vechten minder en hebben minder
    kans om verkeersslachtoffer te worden.
Overwegingen:
‐ Verdoofd castreren van katers leidt niet tot een                  absoluut
    onaanvaardbare welzijns- of integriteitschade aan het dier.
‐   Wanneer katers niet meer gecastreerd zouden mogen worden kunnen
    ze niet meer op de huidige wijze, als gezelschapsdier in het woonhuis
    van de eigenaar, gehouden worden. Wanneer de ongecastreerde
    huiskatten nog wel vrij buiten mogen lopen zal de populatie
    zwerfkatten toenemen en zal het aantal vecht- en verkeersslachtoffers
    onder de huiskatten toenemen.
‐   Ongecastreerde katers kunnen in aparte catteries gehuisvest worden.
    Dat ondermijnt de functie die zij hebben als gezelschapsdier en
    bovendien zijn ze zonder vrije uitloop beperkt in hun natuurlijke
    gedrag.
RDA_2013_01                                Grip op Ingrepen               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>I.3 Castratie hengst
De te beoordelen ingreep is het castreren van mannelijke paarden die als
sport- en recreatiedier worden gehouden. De ingreep betreft het onder
algehele anesthesie, of onder sedatie met locale anesthesie, operatief
verwijderen van de teelballen van het mannelijke paard. Het doel van de
ingreep is het verwijderen van de bron van de mannelijke
geslachtshormonen, waardoor dekgedrag en rangordegevechten worden
voorkomen en het dier rustiger en gemakkelijker hanteerbaar wordt.
  De ingreep veroorzaakt een
  kortdurende welzijnsaantasting
  gevolgd door enkele dagen
  napijn, waarvan het paard over
  het       algemeen         volledig
  herstelt,en dat dus binnen het
  aanpassingsvermogen van het
  paard ligt.
  Het verwijderen van de testikels
  betekent een aantasting van de
  heelheid van het dier. Bovendien
  zorgt het er voor dat de hengst
  geen sexueel gedrag meer kan
  uitvoeren, wat inhoudt dat hij
  een deel van zijn normale
  soortspecifieke gedrag niet meer
  kan      uitvoeren.       Derhalve
  resulteert de ingreep in een
  aantasting van het welzijn en
  De ingreep is niet noodzakelijk
  om in de behoeften van het dier
  te voorzien.
  De ingreep is in de huidige
  houderijcontext noodzakelijk om
  in de doelstelling van de houder
  te   voorzien:     ongecastreerde
  hengsten kunnen vanwege hun
  gedrag niet in groepen met
  merries gehouden worden. Het
  creëren van aparte hengsten-
  groepen is onder Nederlandse
  omstandigheden meestal niet
  mogelijk. Solitair huisvesten van
  hengsten           leidt        tot
  onaanvaardbare
  welzijnsaantasting.
  Hengsten zijn vaak moeilijk
  hanteerbaar en gevaarlijk in het
  gebruik      als      sport-     of
  recreatiedier.
RDA_2013_01                           Grip op Ingrepen               25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre> Informatie voor Stap 4, de afweging van de maatschappelijke
 aanvaardbaarheid van de welzijns- en integriteitaantasting.
Feiten
1. Wat is de ernst en de duur van de welzijnsaantasting die de ingreep
   veroorzaakt?
        Kortdurende stress en (enkele dagen) napijn.
2. Wat is de ernst en de duur van de integriteitaantasting die de ingreep
   veroorzaakt?
        Een orgaan (de testikels) zijn verwijderd, geen mogelijkheid
          voor sexueel gedrag meer.
3. Hoe en in welke mate tast het achterwege laten van de ingreep het
   welzijn      van     het     dier     aan,     onder    gelijkblijvende
   houderijomstandigheden?
        Instandhouding solitaire huisvesting, waardoor sociaal gedrag
          niet mogelijk is.
4. Zijn er alternatieven voor de ingreep, danwel mitigerende maatregelen
   ten aanzien van de welzijnsaantasting bij het achterwege laten van de
   ingreep, onder gelijkblijvende houderijomstandigheden, denkbaar en
   uitvoerbaar?
        Nee.
5. Welke wijzigingen in de houderijomstandigheden zijn nodig om deze
   ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
   welzijnsaantasting optreedt?
        Hengsten in separate groepen (niet met merries) huisvesten,
          hetgeen onder Nederlandse omstandigheden vrijwel nooit
          mogelijk is.
6. Wat is de sociale, ecologische en economische impact van de
   alternatieven voor de ingreep, van de mitigerende maatregelen bij het
   achterwege laten van de ingreep en van de wijzigingen in de
   houderijomstandigheden die nodig zijn om de ingreep achterwege te
   kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting optreedt?
        In separate groepen huisvesten van hengsten vereist voldoende
          ruimte en aangepast management op paardenhouderijbedrijven.
  Belangen
  1. Welke actoren zijn er bij deze ingreep betrokken?
          paardeneigenaar, dierenarts
  2. Wat zijn de belangen van deze actoren m.b.t. het houderijsysteem,
     de ingreep, de alternatieven voor de ingreep, de mitigerende
     maatregelen bij het achterwege laten van de ingreep, de alternatieve
     houderijomstandigheden die nodig zijn om de ingreep achterwege te
     kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting optreedt?
          Belangen paardeneigenaar: paard beter en veiliger kunnen
            hanteren, paard gemengd met merries kunnen huisvesten.
          Belangen dierenarts: veiligheid, inkomsten
RDA_2013_01                      Grip op Ingrepen                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   Opvattingen en Waarden
   1. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden
       t.a.v. deze ingreep bij deze diersoort in deze context?
              Castratie van hengsten is algemeen aanvaard.
   2. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden
       t.a.v. andere ingrepen bij deze diersoort in vergelijkbare contexten?
              Chippen van paarden is algemeen aanvaard. Staart couperen
                  en brandmerken zijn niet aanvaard en verboden.
   3. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden
       t.a.v. deze ingreep bij andere diersoorten in vergelijkbare contexten?
             
   4. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden
       t.a.v. deze ingreep bij andere diersoorten in andere contexten?
              Castreren van honden en katten is algemeen aanvaard
Bronnen:
A Possibility to Keep Stallions in Group, Briefer et al (2013); Ongerief bij rundvee, varkens pluimvee,
nertsen en paarden. ASG rapport 71 (2007); Denken Over Dieren, Athena Instituut (2012)
4d, Belangrijkste feiten en overwegingen ten behoeve van de
beoordeling van de aanvaardbaarheid van het verdoofd castreren
van hengsten:
Feiten:
‐ In huidige uitvoering levert de castratie een welzijnsaantasting van
    korte duur op, die binnen het aanpassingsvermogen van het dier ligt.
‐ De castratie veroorzaakt een significante integriteitaantasting, die door
    de maatschappij algemeen aanvaard lijkt te zijn.
‐   Voordelen: castratie van hengsten is nodig om ze veilig (voor de
    mens) te kunnen hanteren, om ze te kunnen gebruiken als
    recreatiedier en om ze in groepen met merries te kunnen houden.
Overwegingen:
‐ Verdoofd castreren van hengsten leidt niet tot een                                          absoluut
    onaanvaardbare welzijns- of integriteitschade aan het dier.
‐   Wanneer hengsten niet meer gecastreerd mogen worden wordt het
    hanteren van deze dieren zeer risicovol voor de mens en kunnen ze
    niet meer in groepen met merries gehuisvest worden. Veel hengsten
    zijn niet geschikt voor gebruik als recreatiedier.
‐   Ongecastreerde hengsten kunnen in groepen gehuisvest worden,
    waarbij er in de eerste dagen van de groepsvorming stevige
    rangordegevechten kunnen plaatsvinden. Deze groepshuisvesting
    mitigeert niet voor de veiligheid van de mens en de bruikbaarheid van
    de ongecastreerde hengst als recreatiedier. Hengsten in separate
    groepen (niet met merries) huisvesten is onder Nederlandse
    omstandigheden vrijwel nooit mogelijk.
RDA_2013_01                                     Grip op Ingrepen                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>I.4 Castratie beerbig(onder CO 2 ­verdoving)
De huidige praktijk is tweeledig: de biggen voor de binnenlandse markt
worden met CO 2 verdoofd gecastreerd, de biggen voor de buitenlandse
markt worden onverdoofd gecastreerd. De te beoordelen ingreep betreft
het onder CO 2 -anaesthesie verwijderen van de teelballen van het
mannelijke varken. Het doel van de ingreep is het verwijderen van de
bron van de mannelijke geslachtshormonen, waardoor een afwijkende
geur (de zgn. berengeur) aan het vlees wordt voorkomen. Tevens worden
dek- en vechtgedrag voorkomen.
  De ingreep veroorzaakt een
  kortdurende welzijnsaantasting
  gevolgd door enkele dagen
  napijn, waarvan het varken over
  het algemeen volledig herstelt
  en    dat    dus    binnen    het
  aanpassingsvermogen van het
  varken ligt.
  Het verwijderen van de testikels
  betekent een aantasting van de
  heelheid van het dier. Bovendien
  zorgt het er voor dat het varken
  geen sexueel gedrag meer kan
  uitvoeren, wat inhoudt dat hij
  een deel van zijn normale
  soortspecifieke gedrag niet meer
  kan      uitvoeren.     Derhalve
  resulteert de ingreep in een
  aantasting van het welzijn en
  van de integriteit.
  De ingreep is niet noodzakelijk
  om in de behoeften van het dier
  te voorzien.
  De ingreep is wel noodzakelijk
  om in de doelstelling van de
  houder te voorzien: vanwege
  het risico op een afwijkende
  geur van het vlees is de
  verwerkende industrie terug-
  houdend in het accepteren van
  ongecastreerde varkens. Beren-
  geur is nog niet goed te
  detecteren aan de slachtlijn.
RDA_2013_01                         Grip op Ingrepen               28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre> Informatie voor Stap 4, de afweging van de maatschappelijke
 aanvaardbaarheid van de welzijns- en integriteitaantasting.
Feiten
1. Wat is de ernst en de duur van de welzijnsaantasting die de ingreep
   veroorzaakt?
         Stress en acute welzijnsaantasting bij uitvoering. Enkele dagen
          napijn, zeker wanneer postoperatieve pijnstilling achterwege
          blijft.
2. Wat is de ernst en de duur van de integriteitaantasting die de ingreep
   veroorzaakt?
         De testikels zijn verwijderd
         Geen mogelijkheid voor sexueel gedrag meer.
3. Hoe en in welke mate tast het achterwege laten van de ingreep het welzijn
   van het dier aan, onder gelijkblijvende houderijomstandigheden?
         Ongecastreerde beren vertonen meer vechtgedrag
4. Zijn er alternatieven voor de ingreep, danwel mitigerende maatregelen ten
   aanzien van de welzijnsaantasting bij het achterwege laten van de ingreep,
   onder gelijkblijvende houderijomstandigheden, denkbaar en uitvoerbaar?
         Immunocastratie
         Niet castrerend met detectie berengeur aan de slachtlijn
         Fokkerijaanpassingen
         Spermaselectie (alleen zeugen mesten).
5. Welke wijzigingen in de houderijomstandigheden zijn nodig om deze ingreep
   achterwege te kunnen laten zonder dat er extra welzijnsaantasting optreedt?
         Fokken van varkens met genetisch lagere aanleg voor berengeur
          en voor minder agressief gedrag.
         Gescheiden opfokken zeugen en beren.
         Beren op jongere leeftijd slachten.
         Aanbieden van meer afleidingsmateriaal.
         Stalinrichting met meer vluchtmogelijkheden.
6. Wat is de sociale, ecologische en economische impact van de alternatieven
   voor de ingreep, van de mitigerende maatregelen bij het achterwege laten
   van de ingreep en van de wijzigingen in de houderijomstandigheden die nodig
   zijn om de ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
   welzijnsaantasting optreedt?
         Ongecastreerde mannelijke varkens hebben een betere
          voederconversie, wat economische en ecologische voordelen
          oplevert.
Belangen
1.   Welke actoren zijn er bij deze ingreep betrokken?
         Varkensvleesketen (inclusief voerleveranciers, fokkerijbedrijven,
          varkenshouders, slachterijen, retail) farmaceutische industrie,
          dierenartsen
2.   Wat zijn de belangen van deze actoren m.b.t. het houderijsysteem, de
   ingreep, de alternatieven voor de ingreep, de mitigerende maatregelen bij het
   achterwege laten van de ingreep, de alternatieve houderijomstandigheden die
   nodig zijn om de ingreep achterwege te kunnen laten zonder dat er extra
   welzijnsaantasting optreedt?
RDA_2013_01                          Grip op Ingrepen                        29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>             Varkenshouder:            afzetmarkt          biggen        en       vleesvarkens,
              maatschappelijk aanvaardbaar veehouden.
             Varkensvleesketen:                       afzetmarkt                  varkensvlees,
              concurrentievoordeel indien als eerste goed werkende detectie
              berengeur.
             Farmaceutische industrie: verkoop Improvac
             Dierenartsen: toedienen Improvac
Opvattingen en Waarden
1. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
     deze ingreep bij deze diersoort in deze context?
             De maatschappij heeft moeite met de onverdoofde castratie van
              beerbiggen. Er is geen onderbouwde uitspraak te doen over de
              maatschappelijke aanvaardbaarheid van verdoofd castreren van
              beerbiggen.
2. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden t.a.v.
     andere ingrepen bij deze diersoort in vergelijkbare contexten?
             Identificatie d.m.v. oormerken is algemeen aanvaard.
             Staartcouperen en tandenslijpen zijn toegelaten, maar deze
              ingrepen staan onder toenemende maatschappelijke druk.
3. Wat zijn de maatschappelijke opvattingen en onderliggende waarden
     t.a.v. deze ingreep bij andere diersoorten in andere contexten?
          Castreren van hengsten, honden en katten is algemeen
              aanvaard
Bronnen:
Ongerief bij rundvee, varkens pluimvee, nertsen en paarden. ASG rapport 71 (2007); Economische
effecten van het per direct stoppen met castratie van beerbiggen in Nederland, LEI (2008); Denken
Over Dieren, Athena Instituut (2012)
4d, Belangrijkste feiten en overwegingen ten behoeve van de
beoordeling van de aanvaardbaarheid van het verdoofd castreren
van beerbiggen:
Feiten:
‐ De huidige uitvoering is tweeledig: biggen voor de binnenlandse markt
     worden met CO 2 verdoofd gecastreerd, biggen voor de buitenlandse
     markt worden onverdoofd gecastreerd. Het is niet duidelijk of en hoe
     er toezicht op de uitvoering plaatsvindt.
‐ Bij verdoofde castratie is er sprake van een matige welzijnsaantasting
     van korte duur, die binnen het aanpassingsvermogen van het dier ligt.
‐    De maatschappelijke bezwaren die de aanleiding vormden voor het
     Verdrag van Noordwijk, gingen over de welzijnsaantasting die
     onverdoofde castratie veroorzaakt. Tegen de integriteitaantasting werd
     geen bezwaar gemaakt.
RDA_2013_01                                  Grip op Ingrepen                                    30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>‐ Voordelen: 1) geen kans op berengeur aan het vlees, 2) geen dek- en
  vechtgedrag meer, en daardoor minder onrust in de groep.
‐ Nadelen: gecastreerde varkens hebben een slechtere voederconversie,
  waardoor het economische rendement lager en de milieubelasting
  hoger is.
Overwegingen:
‐ Verdoofd castreren van beerbiggen leidt niet tot een absoluut
  onaanvaardbare welzijns- of integriteitschade aan het dier.
‐ Wanneer biggen niet meer gecastreerd mogen worden zal er in het
  huidige houderijsysteem bij 3-5% van de karkassen een afwijkende
  geur optreden, die het vlees minder aantrekkelijk maken voor humane
  consumptie. Dat is een economische schadepost.
‐ Ongecastreerde mannelijke varkens kunnen apart van de vrouwelijke
  varkens worden opgefokt in een omgeving met meer afleiding, om
  vecht- en dekgedrag te voorkomen. De varkens kunnen op jongere
  leeftijd (6 in plaats van 8 maanden) geslacht worden om berengeur te
  voorkomen. Er kan gefokt worden op minder berengeur. De karkassen
  kunnen aan de slachtlijn gecontroleerd worden op berengeur. Tot slot
  kunnen de varkens in de laatste maanden van de afmestperiode
  gevaccineerd      worden    zodat   ze    niet  geslachtsrijp worden
  (immunocastratie).
‐ Apart afmesten van beren en zeugen, meer afleiding voor beren en op
  een jongere leeftijd slachten vereisen (geringe) aanpassingen in het
  houderijsysteem. Controle op berengeur aan de slachtlijn is mogelijk,
  maar technisch nog niet vervolmaakt. Het risico op het missen van
  karkassen met een afwijkende geur wordt door sommige slachters
  onaanvaardbaar hoog gevonden. Immunocastratie is gemakkelijk
  uitvoerbaar, maar varkensvleesproducenten zijn bang dat de
  consument vlees van deze varkens niet wil kopen.
RDA_2013_01                     Grip op Ingrepen                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Bijlage II: doeleinden ingrepen
Deze bijlage bevat een bloemlezing van doeleinden waarvoor lichamelijke
ingrepen bij dieren worden uitgevoerd.
1. Identificatie
Voorbeelden: microchip; oormerk; tatoeage; vleugelmerk; inknippen
teenvliezen of oren; koudmerken etc.
2. Onvruchtbaar maken
        T.b.v. voorkomen van overschot (katten)
        T.b.v. veranderen (ongewenst) gedrag (honden, katten,
           paarden, stieren)
        T.b.v. veranderen vleeskwaliteit (varkens, kippen, kalkoenen)
3. Compenseren voor ‘bijwerkingen’ van fokdoelstellingen
Voorbeelden: routinematige keizersnede (dikbilkoeien, Engelse Buldog);
verwijderen overmatige huidplooien; verwijderen bijspenen; couperen
schapenstaarten (3 rassen); verwijderen bijklauwtjes (honden).
4. Compenseren voor houderijomstandigheden
Voorbeelden: snavelbehandelen leghennen; verwijderen sporen, achterste
teen, kammen bij pluimvee; couperen varkensstaarten; onthoornen
melkkoeien en -geiten; vijlen hoektanden van biggen; aanbrengen gladde
roestvrijstalen neusring (varkens, stieren); leewieken van vogels;
verwijderen gewei (herten).
5. Ten behoeve van ‘schoonheidsideaal’
Voorbeelden: oren couperen (honden); staarten couperen (honden,
paarden)
   N.B. Het is verboden om deze ingrepen in Nederland toe te passen,
   maar dieren waar deze ingrepen op zijn toegepast komen wel voor in
   Nederland, komen ook op tentoonstellingen en nemen deel aan
   wedstrijden. Deze ingrepen worden dan in het buitenland gedaan, of
   illegaal in Nederland.
6. Voortplantingstechnieken
Voortplantingstechnieken vallen buiten de scope van de RDA-zienswijze
over ingrepen. Zie voor een inventarisatie van de ethische aspecten van
voortplantingstechnieken      de      RDA-zienswijze       Fokkerij     &
Voortplantingstechnieken (2010).
RDA_2013_01                     Grip op Ingrepen                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>RDA_2013_01 Grip op Ingrepen 33</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>