<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>               Verantwoord
            Honden Houden
            Paal en perk aan onaanvaardbaar gedrag
                  van honden en hun houders
RDA 2013_02             Verantwoord Honden Houden  1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanbiedingsbrief
Den Haag, 15 augustus 2013
Excellentie,
Het is mij een genoegen u hierbij de zienswijze van de Raad voor
Dierenaangelegenheden over het maatschappelijk (on)aanvaardbaar gedrag van honden
en in het bijzonder door honden veroorzaakte bijtincidenten te kunnen aanbieden.
De maatschappelijke onrust over bijtincidenten en hondenbetenbeleid is niet nieuw. De
uitvoerders van het beleid zijn welwillend, maar worstelen met het hen ter beschikking
staande instrumentarium. De betrokken slachtoffers en houders reageren vaak oprecht
emotioneel. Enerzijds omdat een bijtincident een enorme geestelijke (en soms fysieke)
impact kan hebben, anderzijds omdat soms verstrekkende maatregelen genomen worden
ten opzichte van een dier dat door houders als onderdeel van het gezin gezien wordt.
Daarenboven is onaanvaardbaar hondengedrag niet alleen zorgelijk uit het oogpunt van
de veiligheid en het welzijn van de mens, maar ook uit het oogpunt van het welzijn van
de hond. Er is duidelijk behoefte aan consistent en transparant beleid dat toegesneden is
op de verschillende contexten waarin bijtincidenten plaatsvinden en dat rekening houdt
met de belangen van alle betrokken partijen.
In deze zienswijze concludeert de Raad dat het weliswaar gemeenten, politie en
Openbaar Ministerie zijn die de uitvoering van het hondenbetenbeleid ter hand nemen,
maar dat ú hen moet voorzien van adequate rechtsmiddelen om dat op een effectieve en
consistente wijze te kunnen doen. Wij doen daar een aantal specifieke aanbevelingen
voor.
Daar waar preventie van maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag van honden en hun
houders aan de orde is, ligt het initiatief nog sterker bij u. De Raad ziet voldoende
gronden om de diersoort hond alsnog te laten toetsen volgens de systematiek die ter
classificering van de positieflijsten voor te houden hobby- en gezelschapsdieren is
opgezet. Deze toetsing is een eerste stap naar meer en effectievere preventieve
maatregelen. Al naar gelang de uitkomsten van deze toetsing kan gekeken worden of en
zo ja welke aanvullende voorwaarden aan het houden van honden gesteld moeten
worden.
De Raad is vanzelfsprekend bereid om uw ministerie en andere betrokken partijen nader
te adviseren over de implementatie van de aanbevelingen uit deze zienswijze.
Prof. dr. Frauke Ohl
voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
RDA 2013_02                       Verantwoord Honden Houden                            2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Aanbiedingsbrief .................................................................................................. 2
1. Samenvatting .................................................................................................. 4
2. Adviesvraag..................................................................................................... 6
3. Situatieschets .................................................................................................. 8
  3.1 Aantallen en gevolgen................................................................................... 8
  3.2 Contexten ................................................................................................... 9
  3.3 Adviezen van de Commissie van Wijzen......................................................... 10
4. Oplossingsrichtingen ....................................................................................... 11
  4.1 Preventie .................................................................................................. 11
  4.2 Reactie op een (dreigend) incident................................................................ 13
  4.3 Randvoorwaarden ...................................................................................... 20
5. Overzicht adviezen ......................................................................................... 23
Bijlage I: Wetteksten inzake bijthonden................................................................. 25
Bijlage II: Wet- en regelgeving ons omringende landen. .......................................... 27
Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum
bestaande uit de raadsleden Van Arendonk, Freriks, Hopster, De Jongh, Polman en Van
Veen (voorzitter). Ter voorbereiding van de werkzaamheden van het forum heeft het
ondersteunende bureau van de Raad de ontwikkeling van het Nederlandse beleid, de
daaruit volgende wet- en regelgeving en de vergelijkbare wet- en regelgeving in ons
omringende landen beschreven. Het rapport Hondenbeten in perspectief van de
Commissie van Wijzen (2009) is daarbij het meest recente onderzoek naar de
Nederlandse situatie gebleken. De RDA-secretaris heeft tevens verkennende en
informerende gesprekken gevoerd met diverse partijen die bij de uitvoering van het
hondenbetenbeleid in Nederland betrokken zijn.
Leeswijzer
Deze zienswijze begint met de samenvatting in hoofdstuk 1, gevolgd door de adviesvraag
van staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken en de wijze waarop de Raad deze
geïnterpreteerd heeft in hoofdstuk 2.
In hoofdstuk 3 schetst de Raad een beeld van de hondenbetenproblematiek. Dit
hoofdstuk sluit af met een kort overzicht van de aanbevelingen die de Commissie van
Wijzen destijds aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uitbracht.
In hoofdstuk 4 beschrijft de Raad zijn bevindingen en aanbevelingen voor preventief
beleid en voor beleid als reactie op een (dreigend) bijtincident. Paragraaf 4.2.4. is het
Afwegingskader voor Hondenbetenbeleid en in paragraaf 4.2.5 wordt dat schematisch
weergegeven. Dit hoofdstuk sluit af met aanbevelingen voor de randvoorwaarden voor
het beleid.
In de bijlagen vindt u – ter informatie – de vigerende Nederlandse wet- en regelgeving
met betrekking tot hondenbetenbeleid en een globaal overzicht van de betreffende wet-
en regelgeving in ons omringende landen.
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                                                   3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1. Samenvatting
In deze zienswijze doet de Raad voor Dierenaangelegenheden aanbevelingen om
bijtincidenten met honden beter dan nu te voorkómen en om het huidige beleid als
reactie op bijtincidenten consistenter, effectiever en kostenefficiënter te maken.
Hoewel het de hond is die bijt, speelt de houder 1 een belangrijke rol: de houder is
eerstverantwoordelijk voor het gedrag van de hond. Hij of zij bepaalt welk dier wordt
aangeschaft, hoe de hond wordt opgevoed, en de context waarin de hond wordt
gehouden. Het is dan ook niet alleen logisch, maar zelfs noodzakelijk om de houder meer
dan tot nu toe het geval is te betrekken bij het voorkomen en bestrijden van
bijtincidenten met honden. Het bevorderen van ‘goed houderschap’ draagt overigens niet
alleen bij aan de veiligheid en het welzijn van de mens, maar ook aan het welzijn van de
hond.
Om hondenbeten te voorkómen moet kwalitatief goede kennis gemakkelijk beschikbaar
zijn voor (potentiële) houders die daar actief naar zoeken. Het Landelijk
Informatiecentrum          Gezelschapsdieren          heeft      een aantal projecten  over
hondenbetenpreventie lopen, waaronder het ‘Blauwe Hond’-project voor voorlichting aan
jonge kinderen. De Raad is van mening dat er meer moeite gedaan moet worden om de
kennisverwerving van – met name – ‘onbewust onbekwame’ hondenhouders te
bevorderen. Daartoe moet kennis op maat worden aangeboden via de media, fokkers,
hondenclubs, dierenartsen, dierenspeciaalzaken en consultatiebureaus. Voor de houders
die bewust onbekwaam zijn en dat willen blijven, zou een dwingender systeem van
kennisverwerving opgezet moeten worden. Wellicht dat de positieflijstensystematiek daar
goede handvatten voor biedt.
De Raad is overigens van mening dat, omdat de hond meer dan welk ander
gezelschapsdier in het menselijke sociale verkeer gebracht wordt (hetgeen
welzijnsriciso’s voor de hond en veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor de mens
meebrengt), het wenselijk is om de hond alsnog te beoordelen volgens de systematiek
die Wageningen UR onlangs heeft toegepast in zijn rapport ten behoeve van het opstellen
van de positieflijsten voor te houden zoogdieren.
De – inmiddels – goed geïnformeerde houder moet er overigens van uit kunnen gaan dat
de pup of herplaatsingshond die hij koopt geen erfelijke aanleg voor overmatige agressie
heeft en goed gesocialiseerd is. Daar ligt een belangrijke verantwoordelijkheid voor de
fokkers, c.q. de herplaatsende instantie.
Wanneer een bijtincident heeft plaatsgevonden moet worden ingezet op voorkoming van
herhaling. Dat kan in eerste instantie door een aanlijn- en muilkorfgebod in te stellen. De
Raad ziet dat echter als een tussenoplossing en vindt dat er zoveel mogelijk gestreefd
moet worden naar heropvoeding van de hond welke een bijtincident veroorzaakt en zijn
houder. Het bestuursrecht biedt daartoe de beste mogelijkheden, zeker wanneer de
huidige beperkingen daarin worden opgelost. Voor houders die moedwillig of bij herhaling
bijtincidenten veroorzaken is het strafrechtelijke traject overigens de aangewezen route.
Dat moet vaker dan nu het geval is leiden tot een houdverbod als tijdelijke of
permanente maatregel.
1
  Hieronder verstaan we zowel de eigenaar als de hoeder van de hond
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                         4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Het hondenbetenbeleid wordt in de praktijk uitgevoerd door de gemeenten, politie en het
Openbaar Ministerie. Om het bestuursrechtelijke traject zo effectief mogelijk te laten zijn,
is een verbreding van de wettelijke grondslagen voor het optreden van gemeenten
noodzakelijk. De huidige basis – de Gemeentewet – beperkt ingrijpen van de
burgemeester of Burgemeester & Wethouders tot die gevallen waarin er sprake is van
een (dreigende ) verstoring van de openbare orde. Bovendien zijn de door B&W op te
leggen maatregelen onder de Gemeentewet beperkt tot de (deel)gemeente waarin ze zijn
opgelegd. Dat is in het bijzonder in grote steden onvoldoende effectief. De Raad
adviseert de staatssecretaris van Economische Zaken om in de Wet Dieren een basis te
creëren voor het handelen van de burgemeester/B&W ten aanzien van bijthonden en hun
houders – naar analogie van de Artikelen 73 en 74 van de Gezondheids- en welzijnswet
voor dieren. Er zou een grondslag moeten worden gecreëerd zodat zij ook maatregelen
kunnen nemen wanneer bijvoorbeeld professionele zorgverleners melding maken van
(dreigende) bijtincidenten in de huiselijke kring. Ook moet de wettelijke voorziening
ertoe leiden dat de opgelegde maatregelen niet alleen binnen de betreffende
(deel)gemeente gelden, maar landelijk .
De Raad is vanzelfsprekend bereid om de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te
adviseren bij het verder uitwerken van het in deze zienswijze voorgestelde
Afwegingskader voor Hondenbetenbeleid (zie paragraaf 4.2.4 en 4.2.5) naar modellen
voor Algemene Plaatselijke Verordeningen, Beleidsregels, Beleidsafspraken en daarbij
behorende documenten.
Naast het opnemen van bepalingen ten behoeve van gemeentelijk hondenbetenbeleid in
de Wet Dieren, moet de wetgeving op rijksniveau op een aantal andere punten
aangescherpt en uitgebreid worden om effectief beleid mogelijk te maken. Als eerste
adviseert de Raad verbreding van het huidige Art. 425 Wetboek van Strafrecht, zodat
deze bepaling niet alleen betrekking heeft op het ophitsen of onvoldoende terughouden
van agressieve honden jegens mensen, maar ook jegens dieren. Om verschillende
redenen adviseert de Raad bovendien om een inbreuk op dit artikel aan te merken als
een misdrijf, in plaats van een overtreding. De Raad adviseert voorts om art. 14b
Wetboek van Strafrecht zodanig aanpassen dat een tijdelijk en eventueel permanent
houdverbod ook voor houders waarvan honden herhaaldelijk bij bijtincidenten betrokken
zijn mogelijk wordt. Als laatste aanpassing adviseert de Raad om een houdverbod als
gedragsaanwijzing (ex art. 509hh Wetboek van Strafvordering) mogelijk te maken, om te
voorkomen dat een houder die er van verdacht wordt opzettelijk of herhaaldelijk
bijtincidenten veroorzaakt te hebben gedurende de soms langdurige strafrechtelijke
procedure weer een hond aanschaft.
Tot slot constateert de Raad dat er dringend behoefte is aan een centrale databank
waarin de bijtincidenten, compleet met gegevens van de betrokken hond, zijn houder, de
opgelegde maatregelen en de resultaten van eventuele gedragsbeoordelingen zijn
opgenomen. Deze databank moet toegankelijk zijn voor o.a. gemeenten, politie,
Openbaar Ministerie, herplaatsingsinstanties en de Rijksoverheid, zodat handhaving
vergemakkelijkt wordt, recidive van hond en/of houder snel in beeld komen, risico’s bij
herplaatsingen verkleind worden en de overheid zich een goed beeld kan vormen van de
effectiviteit van het door haar ingezette beleid.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                              5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>2. Adviesvraag
Op 14 februari 2013 legde staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken de volgende
vraag aan de Raad voor Dierenaangelegenheden voor (kenmerk DGA-DAD/13024829):
Hoe kunnen wij maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag van honden ten algemene ‐ en agressie in
het bijzonder ‐ voorkómen, zowel in preventieve als in curatieve zin, met als doel beter gesocialiseerde
honden en in het verlengde daarvan een substantiële vermindering van het aantal bijtincidenten te
verkrijgen?
         De staatssecretaris verzocht tevens om bij de behandeling van dit vraagstuk:
    1) de effectiviteit en de proportionaliteit van het huidige beleid te beoordelen en
         aanbevelingen te doen waarbij expliciet gekeken moet worden naar mogelijkheden om de
         eigen verantwoordelijkheid van de houder/eigenaar te versterken;
    2) waar van toepassing eerder Nederlands beleid en soortgelijk beleid in andere landen erbij te
         betrekken;
    3) de rol van zowel het dier als de diereigenaar te belichten;
    4) een balans te zoeken tussen de belangen van de maatschappij, van de eigenaar en van het
         dier;
    5) de veiligheid van de mens hierbij voorop te stellen;
    6) aandacht te besteden aan preventie van bijtincidenten met honden in het algemeen én aan
         het omgaan met honden die al bij een bijtincident betrokken zijn geweest.
Op 5 februari 2013 bracht staatssecretaris Dijksma de Tweede Kamer der Staten
Generaal middels een brief (kenmerk: DGA-DAD/13008560) op de hoogte van haar
verzoek aan de Raad. Daarin wordt opgemerkt:
         “Het beleid moet erop gericht zijn om het aantal bijtincidenten zowel preventief als curatief te
         verminderen en gelijktijdig het onnodig doden van honden te voorkomen. Het feit dat zowel vanuit
         gemeentes als maatschappelijke organisaties zorgen worden geuit over de werking van het huidige
         beleid, is voor mij aanleiding om te bezien of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
         Voortschrijdend inzicht maakt duidelijk dat de focus wellicht minder op het type dier of incident zou
         moeten liggen maar meer op de eigenaar. Onkunde of gedrag van de eigenaar lijkt vaak de oorzaak te
         zijn. Vergroting van kennis en kunde van de eigenaar zou preventief kunnen werken. Daarbij denk ik
         onder andere aan bijvoorbeeld hondengedragscursussen. Om die reden wil ik de Raad voor
         Dierenaangelegenheden vragen om mij op dit punt te adviseren. Ik zal de Raad vragen om hierbij
         expliciet te kijken naar mogelijkheden om de eigen verantwoordelijkheid van de houder/eigenaar te
         versterken.
         De zienswijze moet ook handvatten gaan bieden voor gemeentes om tot een maatschappelijk
         aanvaardbaar beleid ten aanzien van dit onderwerp te komen.”
RDA 2013_02                               Verantwoord Honden Houden                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De Raad heeft de adviesvraag van de staatssecretaris over onaanvaardbaar gedrag van honden
geïnterpreteerd als vooral betrekking hebbende op bijtincidenten veroorzaakt door particulier
gehouden honden. Bijtincidenten van honden die professioneel worden ingezet voor ordebewaking,
waak- en verdedigingsfuncties alsmede het legale gebruik van honden voor de jacht vallen buiten
de strekking van deze zienswijze. De Kamerbrief van 5 februari 2013 sterkt de Raad in deze
interpretatie.
Uit de in 2009 uitgevoerde inventarisatie van wet- en regelgeving in ons omringende landen blijkt
dat sommige landen geen wettelijke regelingen hebben, sommige landen rasspecifieke regelingen
hebben en sommige landen regelingen hebben met betrekking tot het houden onder voorwaarden.
Het absoluut voorkómen van agressie acht de Raad onmogelijk, omdat agressie een functioneel
onderdeel van het normale gedragsrepertoire van de hond is. Het in goede banen leiden van
hondengedrag – inclusief agressie – en daardoor het verminderen van bijtincidenten en het
verbeteren van maatschappelijk aanvaardbaar gedrag van honden en hun houders 2 acht de Raad
goed realiseerbaar.
2
  Hieronder verstaan we zowel de eigenaar als de hoeder van de hond.
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>3. Situatieschets
Bijten is onderdeel van het natuurlijke gedrag van honden. Vaak is bijten spelgedrag,
speelt het een rol in rangordebepaling of is het een uiting van angst. Incidenteel
manifesteert bijten zich op een aanvallende, agressieve manier waarbij mens of dier
ernstig trauma oplopen of zelfs als gevolg van een bijtincident overlijden. In de context
van de hond als gezelschapsdier wordt bijten van andere dieren of bijten van mensen
onaanvaardbaar geacht, zeker wanneer deze bijtincidenten schade en/of letsel
veroorzaken en/of de openbare orde aantasten.
3.1 Aantallen en gevolgen
In 2008 heeft de Commissie van Wijzen in opdracht van de toenmalige minister van LNV
de Regeling Agressieve Dieren (RAD) geëvalueerd. Dit rapport ‘Hondenbeten in
perspectief’ bevat de meest recente cijfers en feiten m.b.t. bijtincidenten in Nederland en
werd opgesteld op basis van uitgebreid onderzoek naar de ernst, aard en oorzaken van
bijtincidenten. De aanbeveling van de Commissie van Wijzen om een landelijke database
voor bijtincidenten in te stellen is niet opgevolgd. Omdat de zienswijze van de Raad
binnen een kort tijdsbestek moest worden opgeleverd en actuele gegevens niet
beschikbaar waren, is uitgegaan van de cijfers uit Hondenbeten in perspectief. In deze
zienswijze verwijst de Raad daarom regelmatig naar het genoemde rapport. De
Commissie van Wijzen heeft in het evaluatieonderzoek de volgende conclusies getrokken
ten aanzien van de aantallen en de ernst van de bijtincidenten:
       “Het aantal bijtincidenten lijkt met 150.000 per jaar op het eerste gezicht
       misschien groot, maar hiervan bestaat twee derde uit minder ernstige
       incidenten die geen medische zorg vereisen. Ernstige incidenten die uitlopen
       op opname in een ziekenhuis (230 per jaar) of overlijden (1-2 per jaar) doen
       zich slechts zelden voor. Kinderen worden vaker gebeten dan volwassenen.
       Bijtincidenten kunnen psychische schade veroorzaken in de vorm van
       posttraumatische stress stoornissen.”
        “In een op feiten gebaseerde benadering wordt het risico van een
       gebeurtenis gemeten aan de hand van de door de gebeurtenis jaarlijks
       toegevoegde kans op overlijden van een individu. Voor de gebeurtenis
       'overlijden door hondenbeet' is deze kans ongeveer 1 op 13 miljoen. Dat is
       zeer klein, maar de berekende objectieve kans op overlijden is slechts een
       van de vele aspecten die bepalen hoe de burger een risico beleeft.
       Subjectieve aspecten zoals gevoelens van angst of bedreiging zijn evenzeer
       van belang. Kinderen kunnen door bijtincidenten psychische schade oplopen
       in de vorm van posttraumatische stressstoornissen en zowel kinderen als
       volwassenen kunnen zich in de openbare ruimte door honden bedreigd
       voelen. In dit verband is het relevant om ook aandacht te besteden aan
       sociale context waarin de incidenten zich afspelen en aan de eigenaren van de
       in beslag genomen of bijtende honden.”
Het aantal bijtincidenten dat leidt tot een ziekenhuisopname of het overlijden van een
slachtoffer is dus relatief gering. Het risico op bijtincidenten wordt echter als reëel en
maatschappelijk relevant beleefd.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>3.2 Contexten
De contexten waarin bijtincidenten plaatsvinden zijn uiteenlopend, de onderliggende
oorzaken eveneens. Bijtincidenten kunnen al dan niet opzettelijk plaatsvinden.
Opzettelijke bijtincidenten vinden niet zelden plaats in de context van strafbare feiten. Bij
de niet-opzettelijke bijtincidenten kan een onderscheid worden gemaakt in bijtincidenten
in het privédomein en bijtincidenten in de openbare ruimte. Voor een adequate aanpak
van bijtincidenten (zowel preventief als in reactie op) is het nodig om in deze
verschillende contexten verschillende accenten te leggen. Zo zal in een criminele context
over het algemeen een aanpak via een strafrechtelijke procedure aangewezen zijn,
terwijl in de niet criminele context de bestuursrechtelijke procedure eerder geëigend zal
zijn. Om bijtincidenten in het privédomein tegen te gaan, spelen voorlichting en scholing
van de houder en zijn huisgenoten een belangrijke rol. Bij bijtincidenten in de openbare
ruimte is ook de openbare orde in het geding en zal met name de gemeente via de inzet
van bestuursrechtelijke maatregelen kunnen optreden. Verwezen wordt naar paragraaf
4.2 van deze zienswijze.
De Commissie van Wijzen trok de volgende conclusies ten aanzien van de context waarin
de bijtincidenten plaatsvinden:
      “Het grootste (twee derde) deel van de bijtincidenten doet zich voor in de
      privésfeer. Hiervoor kunnen verschillende oorzaken worden aangewezen: het
      onvoldoende op de hoogte zijn van normaal gedrag van honden, het niet goed
      kunnen inspelen op dit gedrag, het zonder toezicht in een ruimte achterlaten
      van kinderen en honden, het niet onderkennen van gevaarlijke situaties,
      onvoldoende kennis van de mate waarin het gekozen ras geschikt is voor de
      privésituatie, enz. Bijtincidenten in de openbare ruimte maken weliswaar
      slechts een derde deel uit van het totale aantal bijtincidenten, maar ze dragen
      in belangrijker mate bij aan een gevoel van onveiligheid bij de burger dan de
      beten in de privésfeer.”
Over bijtincidenten met honden als slachtoffer zegt de Commissie van Wijzen het
volgende:
      “De registratie van bijtincidenten met mensen als slachtoffer is weliswaar niet
      perfect, maar voldoende uitgebreid om een beeld te krijgen van de omvang
      en de aard van de problematiek. Dit geldt niet voor bijtincidenten waarvan
      honden het slachtoffer zijn. Er is geen doodsoorzaken statistiek voor honden
      en ook geen centrale registratie van behandelingen bij dierenartsen of
      opnames in dierenklinieken.”
       “Bijtincidenten waarbij honden ernstig worden gewond of gedood krijgen
      even goed aandacht van de media als incidenten met menselijke slachtoffers
      en dragen hierdoor bij aan een gevoel van onveiligheid bij de burgers.”
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>3.3 Adviezen van de Commissie van Wijzen
De Commissie van Wijzen kwam tot de volgende zeven adviezen na evaluatie van de
RAD.
    1. Intrekken van de Regeling Agressieve Dieren
    2. Stimuleren en faciliteren van voorlichting over (de gevaren van) het houden van
         honden
    3. Opnemen van regels voor het houden van honden in algemene plaatselijke
         verordeningen (APV's)
    4. Actieve handhaving van APV's in gebieden met veel overlast door agressieve
         honden
    5. Verdere ontwikkeling van de MAG-test naar een grotere positief voorspellende
         waarde.
    6. Uitbreiden van de strekking van artikel 425 Stafrecht tot mensen én dieren
    7. Verplichte identificatie en registratie (I&R) van honden die betrokken waren bij
         een bijtincident
Van deze adviezen is de eerste (intrekken RAD) geheel opgevolgd. De tweede
aanbeveling (stimuleren en faciliteren van voorlichting) is opgevolgd door het Landelijk
Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) in het algemeen te faciliteren en door
LICG-campagnes zoals De Blauwe Hond, Hond & Kind en www.Minderhondenbeten.nl te
faciliteren. De derde en vierde aanbeveling (het opnemen van regels voor het houden
van honden in APV’s en daarop actief handhaven) zijn aan de gemeenten overgelaten.
De vijfde aanbeveling (het verder ontwikkelen van de MAG-test) is aan ‘de markt’
overgelaten en de zesde en zevende aanbeveling (respectievelijk het uitbreiden van de
strekking van art 425 WvS en verplichte I&R voor bijthonden) zijn niet opgevolgd. Sinds
de intrekking van de RAD ligt de nadruk bij de aanpak van bijtincidenten bij gemeenten.
De aandacht voor de problematiek en de aanpak verschilt en mede daardoor is de het
huidige hondenbetenbeleid gefragmenteerd en nog steeds aanleiding voor
maatschappelijk protest.
RDA 2013_02                       Verantwoord Honden Houden                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>4. Oplossingsrichtingen
In zijn zienswijze Verantwoord Houden (2009) heeft de Raad al aangegeven dat de
primaire verantwoordelijkheid voor het welzijn (inclusief de gezondheid) van een dier bij
de houder ligt. Die primaire verantwoordelijkheid betreft het verantwoord houden van
een dier en impliceert ook de verantwoordelijkheid om een dier zodanig te houden dat
het geen gevaar voor de omgeving oplevert. Deze gedachte ligt ook ten grondslag aan
art. 425 lid 2 WvSr 3 . Bovendien moet iemand zich voordat hij een dier gaat houden op
de hoogte stellen van de behoeften van het dier en hoe daarin kan worden voorzien. Hij
dient het dier zo goed mogelijk te verzorgen, te huisvesten en op te voeden en dient zijn
kennis en kunde op dit gebied actueel te houden.
In Verantwoord Houden zet de Raad ook uiteen dat de overheid een ordenende,
beschermende en bevorderende rol heeft. Onder die beschermende rol valt het vervullen
van een vangnetfunctie wanneer de houder zijn verantwoordelijkheid niet kan of wil
nakomen. Onder de bevorderende rol valt o.a. het stimuleren en het faciliteren van de
bewustwording van de dierhouder. Wat betreft het gedrag van dieren en dierhouders in
de openbare ruimte is van belang op te merken dat de gemeentelijke overheid
eerstverantwoordelijke is voor de handhaving van de openbare orde. De inzet van
bestuursrechtelijke maatregelen, maar ook de afstemming en samenwerking met de
strafrechtelijke handhaving is in dit verband relevant.
Een adequaat beleid ten aanzien van bijtincidenten bestaat op hoofdlijnen uit twee
onderdelen. Enerzijds moeten beleid en maatregelen zijn gericht op preventie. Anderzijds
is een effectieve, doelgerichte reactie op bijtincidenten nodig om de veiligheid van
mensen en dieren te borgen. Repressief optreden kan tevens een opvoedend effect
hebben.
4.1 Preventie
Het beleid om bijtincidenten te voorkomen zou zich moeten richten op een drietal
aspecten:
1) bewustwording van burgers in het algemeen en (aankomende) hondenhouders in het
bijzonder; 2) houden onder voorwaarden;
3) gericht fokbeleid.
4.1.1 Bevorderen bewustwording
Het bevorderen van de bewustwording van de houder (inclusief de fokker) moet er voor
zorgen dat de socialisatie van honden verder verbetert, ongelukken ten gevolge van
misverstanden tussen honden en mens zullen afnemen en houders van honden zich
bewuster zullen zijn van de mogelijke risico’s die het houden van een hond met zich
meebrengt en van hun verantwoordelijkheden dienaangaande. De Raad vindt deze
bewustwording van hondenhouders in het bijzonder van belang, omdat de hond door hen
veel meer dan andere soorten dieren in het dagelijkse sociale verkeer van mensen wordt
betrokken.
Voor het bevorderen van de bewustwording van hondenhouders is niet alleen de kwaliteit
van de informatie van belang, maar ook het bewust en op maat kiezen van de kanalen
langs welke deze informatie bij de verschillende doelgroepen terecht moet komen. Dit
kunnen verschillende mediakanalen zijn, maar ook rasverenigingen, hondenclubs,
dierenartsen,         pensionhouders,         trimsalons,       dierenspeciaalzaken            en        zelfs
3
  Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft: 2) hij die
geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.
RDA 2013_02                            Verantwoord Honden Houden                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>consultatiebureaus zouden een belangrijke rol in de bewustwording van de hondenhouder
moeten spelen.
De overheid moet er ook van uitgaan dat er ook hondenhouders zijn die niet op eigen
initiatief de benodigde kennis willen vergaren – en juist die groepen zouden wel eens het
grootste kennistekort kunnen hebben.
4.1.2 Houden onder voorwaarden?
Het aanbieden of beschikbaar stellen van informatie garandeert niet dat álle
hondenhouders voldoende kennis en kunde verwerven, omdat dit alleen effect heeft op
die eigenaren die zich realiseren dat zij een kennistekort hebben en die bereid zijn dat
kennistekort actief aan te vullen. Bovendien wordt de hond meer dan welk ander huisdier
in het menselijke sociale verkeer gebracht, hetgeen welzijnsrisico’s voor de hond en
veiligheids- en gezondheidsrisico’s voor de mens oplevert. Om die redenen dient te
worden onderzocht of aan het houden van honden voorwaarden zouden moeten worden
verbonden. De Raad is van mening dat de hond daartoe alsnog beoordeeld moet worden
volgens de systematiek die Wageningen UR onlangs heeft toegepast in zijn rapport ten
behoeve van het opstellen van de positieflijsten 4 voor te houden zoogdieren. Pas
wanneer die beoordeling bekend is kunnen verdere uitspraken gedaan worden over de
aard en de reikwijdte van eventuele preventieve maatregelen, alsmede over de
proportionaliteit van die maatregelen.
Daarop vooruitlopend constateert de Raad op basis van de nu voorhanden zijnde kennis
dat eventuele aanvullende voorwaarden niet rasgebonden zouden moeten zijn. Er zijn
weliswaar verschillen in agressie tussen rassen maar de verschillen binnen een ras zijn
aanzienlijk. Agressie is deels erfelijk bepaald maar er is geen één-op-één-relatie tussen
erfelijk aanleg (inclusief ras) en agressie. Dit komt enerzijds doordat dieren binnen een
ras genetisch van elkaar verschillen en anderzijds doordat naast erfelijke aanleg ook
omgeving en opvoeding van invloed zijn op het gedrag. Daar komt bij dat de mate
waarin agressie in het maatschappelijk verkeer ook daadwerkelijk tot schade leidt sterk
wordt beïnvloed door de houder van de hond. Daarom stelt de Raad dat het probleem
van bijtincidenten eerder ligt bij de houder, omdat die een bepaald ras of type hond kiest
en sterk bepalend is voor de opvoeding die deze hond krijgt en voor hoe er met de hond
wordt omgegaan. Erfelijke aanleg voor agressie is één, maar niet de enige factor.
Maatregelen die uitsluitend gericht zijn op ras of type hond zullen daarom onvoldoende
effectief zijn.
4.1.3 Fokbeleid
Ten aanzien van de fokkers is de Raad van mening dat zij verantwoord gefokte en goed
gesocialiseerde honden dienen af te leveren. Een goede socialisatie vormt niet alleen het
uitgangspunt voor een goed hondenwelzijn, maar is ook de basis voor maatschappelijk
aanvaardbaar gedrag. De fokker heeft bovendien de verantwoordelijkheid de houder
goed voor te lichten over het houden en opvoeden van een hond.
Het is bekend dat agressief gedrag (zowel dominantieagressie als angstgerelateerde
agressie) een erfelijke component heeft. Bij tijd en wijle komen er in verschillende rassen
foklijnen voor met een verhoogde aanleg voor agressie. We hebben dat in het verleden
onder andere gezien bij de Golden Retriever en de Berner Sennenhond. Alle
rasverenigingen en in het bijzonder de verenigingen van fokkers van werkhonden en van
4
  Het feit dat bijtende honden gevaar voor de mens kunnen opleveren en dat honden bepaalde ziekten op
mensen kunnen overbrengen zijn sterke aanwijzingen dat de hond niet zonder meer op een ‘zonder
aanvullende voorwaarden te houden’-lijst geplaatst zou moeten worden.
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>rassen die veelvuldig bij bijtincidenten betrokken zijn of waarin ongewenste agressie
veelvuldig voorkomt, moeten in hun fokbeleid actief streven naar het terugdringen van
de genetische aanleg voor agressie bij honden. Dit kan in eerste instantie aan de
verantwoordelijkheid van de rasverenigingen en hun overkoepelende organisatie
overgelaten worden. Daarbij tekent de Raad aan dat lang niet alle fokkers – zelfs niet alle
beroepsmatige – zijn aangesloten bij een overkoepelende organisatie. Ter ondersteuning
c.q. als vangnet kan de overheid besluiten om honden ook onder het fokkerijbesluit te
laten vallen. De Raad adviseerde dit al eerder in Fokkerij & Voortplantingstechnieken
(2010). Ook het Besluit gezelschapsdieren (Art. 19 lid 2c) biedt aanknopingspunten om
aanvullende voorwaarden te stellen om tot verantwoorde hondenfokkerij te komen.
Ten aanzien van het houden van zogenaamde ‘afgekeurde politiehonden’ geeft de Raad
het volgende, aanvullende advies. Het is de Raad bekend dat er ten behoeve van het
gebruik als werkhond bij de politie en bij defensie honden gefokt worden waarbij een
bepaalde mate van bereidheid tot agressie gewenst is om de beoogde werkzaamheden
goed te kunnen vervullen. Het is de Raad ook bekend dat niet al deze honden worden
goedgekeurd voor de werkzaamheden waarvoor de dieren worden gefokt en getraind. De
reden daarvoor kan zijn dat de betreffende hond door de politie niet veilig genoeg wordt
geacht. Aanvullende maatregelen zijn nodig om er voor te zorgen dat die honden en de
werkhonden na afloop van hun actieve dienst niet in handen van particulieren komen. De
Raad is van mening dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de overheid (i.c. de politie
en defensie) ligt.
4.2 Reactie op een (dreigend) incident
Onder reactief handelen verstaat de Raad zowel de maatregelen die genomen worden
nadat een bijtincident heeft plaatsgevonden, als de maatregelen die genomen worden
wanneer er een ernstig vermoeden bestaat dat een bijtincident zou kunnen plaatsvinden.
Daarbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen maatregelen gericht op de hond
die een bijtincident veroorzaakt en maatregelen die de bestraffing van de houder als doel
hebben.
In de volgende paragrafen worden achtereenvolgens de wettelijke basis voor de te
nemen maatregelen (§ 4.2.1, § 4.2.2 en § 4.2.3), het door de Raad voorgestelde
Afwegingskader en het Schema voor bijtincidenten (§ 4.2.4 en § 4.2.5) uitgewerkt. § 4.3
Bevat de aanbevelingen van de Raad met betrekking tot de noodzakelijke
randvoorwaarden.
4.2.1. Wettelijke basis voor maatregelen gericht op de hond en de
goedwillende houder
A. Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Artikel 73 GWWD is in het verleden gehanteerd als de grondslag voor het vaststellen van
de Regeling Agressieve Dieren (RAD). Ten aanzien van op deze grondslag aangewezen
dieren kon de burgemeester op grond van artikel 74 GWWD de in dat artikel genoemde
maatregelen gelasten. Met de intrekking van de RAD biedt artikel 74 GWWD geen
grondslag meer voor het treffen van maatregelen.
B. Wet dieren
Op grond van art. 5.13 Wet dieren (dd augustus 2013 nog niet inwerking) kan de
burgemeester van de gemeente waar een dier zich bevindt dat in strijd met de Wet
dieren is gefokt of wordt gehouden in beslag nemen en laten doden. Het dier mag niet
worden gedood indien de houder binnen zes weken nadat het besluit van de
burgemeester aan hem is bekendgemaakt, een verzoek tot schorsing als bedoeld in
artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht heeft ingediend en op dat verzoek niet
RDA 2013_02                       Verantwoord Honden Houden                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>afwijzend is beslist. De bedoelde maatregelen zien uitsluitend toe op overtreding van een
houd- of fokverbod, dus zijn alleen in die context relevant.
De Raad adviseert de staatssecretaris van Economische Zaken om in de Wet Dieren een
basis te creëren voor het bestuursrechtelijk handelen van de burgemeester/B&W ten
aanzien van bijthonden en hun houders – naar analogie van de Artikelen 73 en 74 van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Daarbij moet worden geborgd dat de
opgelegde maatregelen een landelijke geldigheid 5 hebben en moet het onder
voorwaarden mogelijk zijn om maatregelen te nemen bij (dreigende) bijtincidenten in de
huiselijke kring.
C. Algemene plaatselijke verordening (APV)
In art. 2:59 model-APV is een bepaling opgenomen over gevaarlijke honden. Deze
bepaling biedt de grondslag voor het college van burgemeester en wethouders om de
eigenaar of houder van een gevaarlijke hond te verplichten tot het aanlijnen of
muilkorven van deze hond. In deze bepaling is ook een identificatieverplichting
opgenomen voor honden ten aanzien waarvan een aanlijn- of muilkorfgebod is opgelegd.
Het besluit tot oplegging van een aanlijn- of muilkorfgebod is een besluit waartegen
rechtsmiddelen openstaan (d.w.z. bezwaar en beroep). Overtreding van het gebod kan
worden gehandhaafd door middel van bestuursdwang 6 of een last onder dwangsom. Ook
tegen deze sanctiebesluiten kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
Het college van burgemeester en wethouders kan tevens op grond van art. 2:60 model-
APV plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het verboden is een in de aanwijzing
genoemd dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben. Overtreding kan leiden
tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom door het college.
D. Gemeentewet
Op grond van artikel 172, lid 3 Gemeentewet kan de burgemeester maatregelen nemen
in geval van een (dreigend) bijtincident. Deze maatregelen kunnen in ieder geval
inbeslagname behelzen, en uiteindelijk euthanasie. De maatregel dient een evenredige
maatregel te zijn. In de praktijk betekent dit dat de bevoegdheid pas wordt toegepast als
de APV-middelen niet toereikend zijn of geen recht doen aan de ernst van het incident.7
E. Wetboek van strafrecht
Inbeslagname bij delicten als bedoeld in § 4.2.2 (maatregel gericht op de houder). 8
5
  De Raad kiest nadrukkelijk niet voor het bewerkstelligen van landelijke dekking door het over en weer
erkennen van opgelegde maatregelen door gemeenten, omdat dit een aanpassing van de Algemene Plaatselijke
Verordening van álle gemeenten vergt.
6
   In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 20 juni 2012,
201108119/1/A3, LJN: BW8821 accepteerde de Afdeling een besluit tot toepassing bestuursdwang strekkende
tot verwijdering van de hond en het op kosten van de eigenaar vervoeren en euthanaseren van het dier.
7
  Zie VNG-Ledenbrief ‘Incidenten met honden naar aanleiding intrekking RAD’ 22 juni 2009. Zie ook: Rb.
Groningen 8 augustus 2005, AWB 05/850 BESLU V02, LJN: AU 1024 (bestuursrecht)
8
  Zie voor opheffing inbeslagname onder voorwaarden: Rb. Maastricht 21 december 2012, 11/598, LJN: BU
9197 (strafrecht)
RDA 2013_02                              Verantwoord Honden Houden                                    14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4.2.2. Wettelijke basis voor maatregelen gericht op de kwaadwillende
houder/eigenaar
Wetboek van strafrecht
De strafrechtelijke procedure is gebaseerd op de artikelen 300, 302, 308, 350 en 425
Wetboek van Strafrecht. In de strafrechtelijke procedure ligt de beslisbevoegdheid bij de
officier van justitie. De officier van justitie kan afstemmen met de gemeente om te
bezien of tevens bestuursrechtelijke maatregelen aangewezen zijn. De kosten van de
strafrechtelijke procedure komen ten laste van de maatschappij.
Deze strafrechtelijke aanpak kent zijn beperkingen, omdat Art. 425 WvS in de huidige
formulering uitsluitend betrekking heeft op het aanhitsen van een hond jegens een mens,
terwijl er ook bijtincidenten van honden jegens dieren zijn. In die gevallen zijn er nu
onvoldoende rechtsgronden om de houder te bestraffen. De Raad herhaalt hierbij de
aanbeveling van de Commissie van Wijzen en stelt dat het voor een sluitend
hondenbetenbeleid noodzakelijk is om Art. 425 te verbreden naar ophitsen en
onvoldoende terughouden jegens dieren. Gezien de aard en de ernst van de schade die
kan optreden adviseert de Raad tevens om Art. 425 WvS aan te merken als een misdrijf
in plaats van als een overtreding. Dat maakt inbeslagname onder dit wetsartikel tevens
mogelijk bij ‘niet-heterdaad’-zaken.
4.2.3 Bestuursrecht of Strafrecht?
De Raad is van mening dat over het algemeen de aanpak van bijtincidenten via het
bestuursrecht 9 de voorkeur verdient boven strafrecht. De bestuursrechtelijke route biedt
betere mogelijkheden om met de welwillende houder en zijn hond te werken aan het
voorkómen van herhaling van bijtincidenten. Het is bovendien mogelijk om de kosten ten
laste van de hondenhouder te laten komen, in plaats van ten laste van de maatschappij.
Bovendien kan bestuursdwang eerder – ook al bij een ernstig vermoeden dat een
bijtincident kan gaan plaatsvinden – ingezet worden en blijkt de doorlooptijd van een
bestuursrechtelijke procedure in de praktijk vaak korter dan die van een strafrechtelijke
procedure. Voor wat betreft de uitvoering is de Raad er voorstander van dat in honden
gespecialiseerde politiemensen (Hondenbrigade, Dierenpolitie) en wijkagenten binnen
gemeentes nauw betrokken zijn bij de handhaving.
Het strafrecht moet als vangnet voor de bestuursrechtelijke aanpak dienen. Een
strafrechtelijke procedure zal voor de houder aangewezen zijn wanneer hij zich in de
bestuursrechtelijke hondenbetenprocedure aan zijn verantwoordelijkheden onttrekt,
wanneer de houder bij herhaling bij bijtincidenten betrokken is en/of wanneer er sprake
is van moedwillige of zeer ernstige bijtincidenten. Daarnaast zullen bestuursrechtelijke of
strafrechtelijke maatregelen genomen moeten worden gericht op het in de toekomst
voorkomen van bijtincidenten met de betrokken hond.
De Raad is van mening dat de houder meer dan nu het geval is betrokken moet worden
bij de procedure, aangezien de houder primair verantwoordelijk is voor zijn hond. Hij
bepaalt welke hond gekocht wordt, hoe deze opgevoed en gehouden wordt. Bovendien
vergroot het betrekken van de houder het draagvlak voor de op te leggen maatregelen,
indien onverhoopt toch een bijtincident plaatsvindt. Tot slot kunnen vergroting van de
bewustwording, kennis en vaardigheden van de houder bijdragen aan het voorkómen van
bijtincidenten. Niet in de laatste plaats maakt het betrekken van de houder bij de
procedure inzake bijtincidenten het mogelijk om de kosten van deze procedure
grotendeels bij de houder neer te leggen.
9
  Hier wordt primair gedoeld op de door het college van burgemeester en wethouders c.q. de burgemeester te
nemen maatregelen.
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>4.2.4 Afwegingskader voor bijtincidenten
De bestuurs- en strafrechtelijke procedures zullen vooral betrekking hebben op
bijtincidenten in de openbare ruimte. Het begint immers met de melding van een
bijtincident en een dergelijke melding zal niet vaak gemaakt worden als het een
bijtincident in de huislijke kring betreft. Dat kán overigens wel, als bijvoorbeeld
dierenartsen of professionele zorg- en hulpverleners daar aanleiding toe zien 10 . Voor
toepassing van dit afwegingskader in dergelijke niet-openbare-orde-gevallen kunnen
aanpassingen in het afwegingskader nodig zijn, afhankelijk van de precieze formulering
van de onderliggende bepalingen in de Wet Dieren, waarover de Raad in het voorgaande
aanbevelingen heeft geformuleerd.
A. Melding en registratie
In alle gevallen adviseert de Raad om onderstaande stappen te doorlopen om te bepalen
of en zo ja welke maatregelen in het geval van een bijtincident moeten worden
genomen:
Stap 1: Er wordt melding gemaakt van een bijtincident 11 of dreigend bijtincident.
    Opmerking: Het maken van een melding moet gemakkelijk en laagdrempelig
        mogelijk zijn. Dit moet op gemeentelijk niveau geregeld worden.
Stap 2: In samenspraak tussen gemeente en politie gaat de politie (bij voorkeur de
wijkagent of een dierenpolitieagent of hondengeleider van de plaatselijke politie) na of
het een melding betreft die om vervolgstappen vraagt 12 . Zo ja, dan wordt de context van
het bijtincident bezien.
    Melding ontvankelijk: registreren in landelijke database 13 en naar stap 3
    Overige meldingen: geen vervolgstappen
Stap 3: Is de hond geïdentificeerd en geregistreerd?
    Ja: naar stap 4
    Nee: identificatie en registratie verzorgen, registratie bijtincident bijwerken en
        daarna naar stap 4.
Stap 4: Is de houder van de hond bekend?
    Ja: naar stap 5
    Nee: beschouwen als zwerfhond en behandelen conform artikel 5:8 Burgerlijk
        Wetboek en het desbetreffende gemeentebeleid.
Stap 5:
a) Is de houder met deze hond of een andere hond bij herhaling bij bijtincidenten
     betrokken? en/of
b) Heeft de houder zich bij een eerder bijtincident in een bestuursrechtelijke procedure
     aan zijn verantwoordelijkheden onttrokken? en/of
c) Is de houder met deze of een andere hond eerder in een strafrechtelijke procedure
     betrokken geweest? en/of
d) Is sprake van een moedwillig of zeer ernstig bijtincident?
10
   Daartoe is een wijziging van de Wet Dieren noodzakelijk, zie 4.2.1.B
11
   Zowel naar mensen als naar dieren
12
   De Raad gaat er van uit dat niet alle meldingen als ‘opvolgbaar’ beoordeeld worden (bijvoorbeeld wanneer
het een lichte hond-hond schermutseling betreft), maar kiest er expliciet voor om hier geen criteria voor op te
stellen en deze beoordeling aan de professionele expertise van de betreffende politiebeambte over te laten.
13
   Zie paragraaf 4.3.7
RDA 2013_02                              Verantwoord Honden Houden                                          16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>      Ja: naar de mening van de Raad geven genoemde omstandigheden aanleiding voor
       een strafrechtelijke aanpak van de houder, in combinatie met bestuursrechtelijke of
       strafrechtelijke maatregelen ten aanzien van de hond.
      Nee: bestuursrechtelijke procedure.
B. Bestuursrechtelijke procedure
In de bestuursrechtelijke procedure ligt de besluitvorming in eerste instantie bij
burgemeester & wethouders (B&W) en in ernstige gevallen waar acuut gevaar en/of
verstoring van de openbare orde dreigt bij de Burgemeester. B&W kunnen besluiten om
een aanlijngebod en/of een muilkorfgebod op te leggen. Bij overtreding van het gebod
kunnen bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen worden genomen waarvan de
kosten op de eigenaar/houder kunnen worden verhaald. De burgemeester kan besluiten
een hond in beslag te nemen men met het doel deze te herplaatsen of te laten
euthanaseren.
De Raad is van mening dat bij bijtincidenten die naar de mening van de politie
(dierenpolitie, hondenbrigade en/of wijkagent) om opvolging vragen altijd meteen een
gecombineerd muilkorf- en aanlijngebod moet worden opgelegd ook wanneer dit het
eerste bijtincident is dat de betreffende hond veroorzaakt. Tegelijkertijd moeten B&W de
houder aanbieden dat zij het muilkorf- en aanlijngebod in zullen trekken wanneer de
houder door middel van een gedragsbeoordeling door een erkende hondengedragstester
kan aantonen dat de kans op herhaling van een bijtincident zeer gering is.
Door deze procedure te volgen wordt de houder veel meer zelf verantwoordelijk voor het
laten beoordelen van de hond, het laten trainen van hond en het eventueel laten
herbeoordelen. De met een bijtincident samenhangende kosten worden op die manier
ook deels neergelegd bij de houder en komen minder ten laste van de maatschappij.
De Raad stelt voor om landelijk hetzelfde, onderstaande stappenplan te
hanteren.
Stap B1: Afhankelijk van de context waarin het bijtincident heeft plaatsgevonden en de
inschatting van de ernst van het bijtincident kunnen Burgemeester & Wethouders
besluiten:
   1) Geen verdere maatregelen te nemen. Het bijtincident is afgedaan met de registratie
   van de melding.
   2) Een muilkorf- en aanlijngebod op te leggen; en eventueel naar stap B3.
   Deze maatregelen zouden middels openbare kennisgeving publiek bekend moeten
   worden gemaakt. Op die manier draagt de sociale controle bij aan de handhaving van
   het gebod. Deze aanvullende maatregelen zouden tevens in de landelijke I&R-database
   aan de gegevens van de hond moeten worden toegevoegd. Wanneer de houder zich
   niet houdt aan het aanlijn- en muilkorfgebod kunnen B&W handhavend optreden.
   3) Bij verstoring van de openbare orde (i.c. in geval van een ernstig bijtincident) kan
   de burgemeester besluiten de hond in beslag te laten nemen en per onmiddellijk bij
   een erkende diergedragstherapeut te plaatsen. Vervolgens naar stap B2.
   4) In geval een hond eerder bij een ernstig incident betrokken is geweest, dan wel
   sprake is van een zeer ernstig bijtincident (met ernstige verwondingen of de dood van
   een persoon tot gevolg) kan de burgemeester bij verstoring van de openbare orde de
   hond in beslag laten nemen en besluiten de hond te laten euthanaseren. In
   afstemming met het Openbaar Ministerie wordt bezien of deze maatregel van de
   Burgemeester passend is of strafrechtelijke inbeslagname en vervolgens euthanasie
   dient plaats te vinden (zie hierna onder strafrechtelijke procedure).
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Stap B2: De in beslag genomen hond wordt zo snel mogelijk – uiterlijk binnen één week
– door een erkende gedragstester beoordeeld, waar mogelijk in aanwezigheid van de
houder. Doel van deze beoordeling is in te schatten of er kans is op recidive en te
bepalen of de hond trainbaar is om in handen van de houder recidive te voorkomen.
        Wanneer de beoordeling laat zien dat er zeer geringe kans op recidive is wordt de
         hond aan de houder geretourneerd.
        Wanneer de beoordeling laat zien dat er meer dan geringe kans is op recidive en
         de hond wel trainbaar wordt geacht, krijgt de houder de kans om het traject van
         training en hertesten in te gaan. Vanzelfsprekend wordt een aanlijn- en
         muilkorfgebod opgelegd totdat een test heeft aangetoond dat de kans op
         herhaling van een bijtincident zeer gering is. De verantwoordelijkheid en de
         kosten van de training en hertesten komen voor rekening van de houder. Indien
         de houder daartoe niet bereid is wordt geprobeerd de hond te herplaatsen.
        Wanneer de beoordeling laat zien dat er aanzienlijke kans is op recidive en de
         hond niet trainbaar wordt geacht, wordt de hond geëuthanaseerd.
Stap B3: Als de houder de in stap B1, of B2 tweede bullet opgelegde aanvullende
maatregelen wil laten opheffen moet hij de hond laten beoordelen bij een erkende
hondengedragstester. Het doel van deze beoordeling is te in te schatten of er kans is op
recidive.
Wanneer de beoordeling laat zien dat er zeer geringe kans op recidive is kunnen B&W op
verzoek van de houder besluiten de aanvullende maatregelen op te heffen. Ook dit wordt
middels algemene kennisgeving openbaar gemaakt en in de landelijke database
bijgewerkt.
C. Strafrechtelijke procedure
De Raad adviseert om een strafrechtelijk traject te starten indien:
a) de houder met deze hond of een andere hond bij herhaling bij bijtincidenten betrokken
is geweest en/of
 b) de houder zich bij een eerder bijtincident in een bestuursrechtelijke procedure aan
zijn verantwoordelijkheden onttrokken heeft en/of
 c) de houder met deze of een andere hond eerder in een strafrechtelijke procedure
betrokken is geweest en/of
d) Er sprake is van een moedwillig of zeer ernstig bijtincident. In dergelijke gevallen kan
het Openbaar Ministerie (veelal na overleg met gemeente en politie) besluiten om bij een
bijtincident meteen de strafrechtelijke procedure in te gaan.
Ten behoeve van een effectieve strafrechtelijke procedure adviseert de Raad de volgende
aanpassingen in het Wetboek van Strafrecht c.q. Wetboek van Strafvordering door te
voeren:
1. Art. 425 WvS verbreden, zodat naast het ophitsen of onvoldoende terughouden van
     een hond jegens mensen dit artikel ook het ophitsen of onvoldoende terughouden
     jegens dieren omvat en overtreding van dit Artikel aan te merken als een misdrijf.
2. Art. 14b WvS zodanig aanpassen dat een tijdelijk en eventueel permanent
     houdverbod ook voor houders waarvan honden herhaaldelijk bij bijtincidenten
     betrokken zijn mogelijk wordt.
3. Een houdverbod als gedragsaanwijzing (ex Art. 509hh Wetboek van Strafvordering)
     mogelijk te maken, om te voorkomen dat een houder gedurende de soms langdurige
     strafrechtelijke procedure weer een hond aanschaft.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                            18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>4.2.5 Schema bijtincidentenbeleid
RDA 2013_02                Verantwoord Honden Houden 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>4.3 Randvoorwaarden
Voor een effectief beleid is het noodzakelijk dat een aantal randvoorwaarden op orde is.
In de volgende paragrafen doet de Raad daartoe een aantal aanbevelingen.
4.3.1 Gedragstesten
Gedragstesten kunnen voor twee doeleinden gebruikt worden. Ten eerste om een
inschatting te maken van de kans dat een hond een bijtincident veroorzaakt. De
gedragstest vormt bij de bestuurs- en strafrechtelijke procedures in het reactieve beleid
(§ 4.2.4) samen met de beschrijving van de context waarin de hond gehouden wordt en
de beschrijving van het eventuele bijtincident, de risicobeoordeling. Ten tweede kan een
gedragstest gebruikt worden om de aanleg voor bereidheid tot agressief gedrag van een
hond in kaart te brengen ten behoeve van selectie van honden voor het preventieve
fokbeleid (paragraaf 4.1.3) en ten behoeve van een goede matching van hond en houder
bij aanschaf of herplaatsing.
Een gedragstest geeft geen garanties, maar is een instrument om een inschatting van
het te verwachten gedrag van de hond te maken. Hoewel gedragstesten zo goed
mogelijk gevalideerd moeten worden is het onmogelijk om de voorspelbaarheid van een
agressietest volledig wetenschappelijke te onderbouwen. Daartoe zouden namelijk ook
positief geteste honden weer in de maatschappij teruggebracht moeten worden om te
zien of zij inderdaad ook weer bijtincidenten veroorzaken. Dat is ten principale
onaanvaardbaar en daarom moeten we accepteren dat de voorspelbaarheid van een
agressietest nooit volledig onderbouwd kan worden. Het is aan de staatssecretaris van
Economische Zaken om te bepalen wat de kwaliteitsnormen moeten zijn voor een test
die gebruikt mag worden in de bestuurs- en strafrechtelijke procedures. De fundamentele
vraag hierbij is: “welk percentage mogelijk onnodige euthanasie accepteren wij omwille
van het borgen van de publieke veiligheid en openbare orde?”
4.3.2 Gedragstesters en ­therapeuten
Een gedragstest levert geen cijfermatige score op, maar een serie waarnemingen die
geïnterpreteerd moet worden. Om de voorspellende waarde – en dus de kwaliteit – van
de gedragstest zo hoog mogelijk te maken, moeten deze waarnemingen op een uniforme
en consistente wijze geïnterpreteerd worden. Dat rechtvaardigt het stellen van eisen aan
degene die de gedragstest afneemt en interpreteert. De Raad adviseert de
staatssecretaris van Economische Zaken om specifieke vakbekwaamheidseisen voor
gedragstesters op te nemen in het Besluit Gezelschapsdieren. Voorts verdient opname
van deskundigen in het Nederlandse Register Gerechtelijke Deskundigen aandacht.
De Raad acht het overigens ook raadzaam om specifieke vakbekwaamheidseisen voor
gedragstherapeuten op te nemen in het Besluit Gezelschapsdieren.
4.3.3 Identificatie & Registratie
Identificatie- en registratie (I&R) van honden die een bijtincident hebben veroorzaakt is
een belangrijke steun bij de handhaving omdat hiermee eenduidig kan worden
vastgesteld of een hond eerder betrokken was bij een bijtincident en of er voor deze
hond een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd. Door middel van een actuele
houderregistratie kan bovendien worden vastgesteld of andere honden van de houder
eerder betrokken zijn geweest bij een bijtincident. Wij adviseren om I&R voor honden die
betrokken zijn bij een bijtincident verplicht te stellen. Zie ook de aanbevelingen onder
4.3.6.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                          20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>4.3.4 Houdverbod
Hoewel het de hond is die bijt, speelt de houder 14 een belangrijke rol. De houder is
eerstverantwoordelijk voor het gedrag van de hond. Hij of zij bepaalt welk dier wordt
aangeschaft, de opvoeding van de hond en de context waarin de hond zich bevindt.
Houders waarvan herhaaldelijk honden bijtincidenten veroorzaken zouden in eerste
instantie een tijdelijk houdverbod en bij verdere recidive een permanent houdverbod
opgelegd moeten krijgen 15 . Art. 14b WvS voorziet momenteel in de mogelijkheid om bij
een voorwaardelijke veroordeling een proeftijd van maximaal tien jaren op te leggen
indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom
een misdrijf zal begaan dat de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren
benadeelt. De Raad adviseert de staatssecretaris om art. 14b WvS aldus aan te passen
dat ook bij een voorwaardelijke strafrechtelijke veroordeling voor betrokkenheid bij een
(herhaald) bijtincident een proeftijd kan worden opgelegd.
4.3.5 Landelijke werking bestuursrechtelijke maatregelen
Voor een sluitend beleid zouden aan een houder opgelegde maatregelen, zoals aanlijn-
en muilkorfgeboden, landelijke werking moeten hebben. Omdat de huidige bevoegdheid
van burgemeester/B&W gebaseerd is op de Gemeentewet, beperkt de werking van deze
maatregelen zich tot het grondgebied van de betreffende gemeente. Het is in de praktijk
echter heel goed mogelijk dat een hond die in de ene gemeente een aanlijn- en
muilkorfgebod heeft, buiten de gemeentegrenzen straffeloos zonder muilkorf los mag
lopen. Dat levert onaanvaardbare risico’s op.
De Raad adviseert de staatssecretaris van Economische Zaken om in de Wet Dieren een
basis te creëren voor het bestuursrechtelijk handelen van de burgemeester/B&W ten
aanzien van bijthonden en hun houders – naar analogie van de Artikelen 73 en 74 van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Daarbij moet worden geborgd dat de
opgelegde maatregelen een landelijke geldigheid 16 hebben en moet het onder
voorwaarden mogelijk zijn om maatregelen te nemen bij (dreigende) bijtincidenten in de
huiselijke kring.
4.3.6 Registratie
De Raad herhaalt de oproep van de Commissie van Wijzen om een landelijke databank
voor bijtincidenten in te stellen. Een dergelijke databank maakt het voor gemeenten
mogelijk om informatie op te vragen over elders opgelegde muilkorf- en aanlijngeboden.
De databank maakt het ook mogelijk om bij recidive van bijtincidenten passende
maatregelen te nemen tegen hond en/of houder. Tot slot maakt een dergelijke registratie
het mogelijk te beoordelen of en in welke mate het beleid effectief is. De registratie in
deze databank zou zowel de gegevens van het dier als die van de houder moeten
omvatten en een koppeling met de landelijke I&R-database voor honden wordt dringend
aanbevolen. Vanzelfsprekend moeten gemeenten en politie volledige toegang tot deze
databank hebben.
14
   Hieronder verstaan we zowel de eigenaar als de hoeder van de hond
15
   De Raad is zich er van bewust dat een houdverbod persoonsgebonden is en dus geen betrekking heeft op de
huisgeno(o)t(en) van degene aan wie een houdverbod is opgelegd.
16
   De Raad kiest nadrukkelijk niet voor het bewerkstelligen van landelijke dekking door het over en weer
erkennen van opgelegde maatregelen door gemeenten, omdat dit een aanpassing van de Algemene Plaatselijke
Verordening van álle gemeenten vergt.
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>4.3.7 Handhaving
Door muilkorf- en aanlijngeboden op een zelfde wijze openbaar te maken als de
gemeentelijke omgevingsvergunningen (kapvergunningen, bouwvergunningen, etc.) kan
sociale controle worden ingezet om deze verboden te handhaven. De Raad is van mening
dat de eventuele aantasting van de privacy van de hondenhouder ondergeschikt is aan
de openbare orde en veiligheid.
RDA 2013_02                      Verantwoord Honden Houden                       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>5. Overzicht adviezen
Om te komen tot een effectief en proportioneel beleid ter bevordering van
maatschappelijk aanvaardbaar gedrag van honden en hun houders in het algemeen en
ter voorkoming en bestrijding van bijtincidenten in het bijzonder is inzet van zowel de
rijksoverheid als van de gemeentelijke overheden nodig. In deze zienswijze doet de Raad
aanbevelingen aan de staatssecretaris van Economische Zaken en biedt de Raad de
gemeentelijke overheden, politie en Openbaar Ministerie uitgangspunten voor hun beleid
in de vorm van een afwegingskader voor hondenbetenbeleid.
De Raad adviseert de staatssecretaris van Economische Zaken om:
1. In te zetten op preventie van hondenbeten door:
        a. Kwalitatief goede voorlichting over honden en hondengedrag op te (laten)
            stellen en via doelgroepspecifieke kanalen – waaronder fokkers, dierenartsen,
            hondenverenigingen, dierenspeciaalzaken, en consultatiebureaus - te (laten)
            verspreiden.
        b. De diersoort hond te laten toetsen volgens de positieflijstensystematiek van de
            WUR en indien de toetsing daar aanleiding toe geeft aanvullende voorwaarden
            aan het houden van honden te stellen.
        c. Het terugdringen van aanleg voor agressief gedrag door middel van fokbeleid te
            stimuleren en te ondersteunen.
        d. Te voorkómen dat ‘afgekeurde politiehonden’ in handen van particulieren
            kunnen komen.
2. Goede randvoorwaarden voor het beleid ter bestrijding van bijtincidenten te
    creëren door:
        a. De identificatie en registratie van honden die bij een bijtincident betrokken zijn
            verplicht te stellen.
        b. Een landelijke databank voor bijtincidenten in te stellen, gekoppeld aan de
            landelijke I&R-databank voor honden en deze databank toegankelijk te maken
            voor gemeenten en politie.
        c. Kwaliteitsnormen voor hondengedragstesten vast te stellen
        d. Vakbekwaamheidseisen voor            hondengedragstesters    en   hondengedrags-
            therapeuten in te stellen.
        e. In de Wet Dieren bepalingen op te nemen die een wettelijke basis bieden voor
            het bestuursrechtelijke optreden van gemeenten, politie en Openbaar
            Ministerie inzake bijtincidenten.
        f. Artikel 14b WvS aan te passen, zodat een houdverbod ook mogelijk wordt voor
            houders die herhaaldelijk honden hebben die bijtincidenten veroorzaken .
        g. Artikel 425 WvS te laten verbreden, zodat ook het ophitsen van een hond
            jegens dieren strafbaar wordt.
        h. Artikel 425 WvS te verzwaren van een overtreding naar een misdrijf.
RDA 2013_02                         Verantwoord Honden Houden                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>        i. Onder Art. 509hh Wetboek van Strafvordering              een  houdverbod     als
             gedragsaanwijzing mogelijk te maken.
3. Het strafrechtelijke deel van de bestrijding van bijtincidenten goed en effectief op het
    bestuursrechtelijke traject aan te laten sluiten, onder andere door goede afstemming
    tussen gemeente, politie en Openbaar Ministerie op dit onderwerp te faciliteren.
4. Deze zienswijze en in het bijzonder het in deze zienswijze voorgestelde
    Afwegingskader voor hondenbetenbeleid van harte aan te bevelen bij de Vereniging
    van Nederlandse Gemeenten.
De Raad adviseert de gemeentelijke overheden om:
5. Een effectief en maatschappelijk aanvaardbaar beleid voor bijtincidenten in te
    stellen door:
        a. Het doen van een melding (niet zijnde een aangifte) van een bijtincident
             gemakkelijk en laagdrempelig mogelijk te maken.
        b. Het in deze zienswijze voorgestelde Afwegingskader voor Hondenbetenbeleid
             als basis voor afspraken tussen gemeente, politie en OM te hanteren,
             waardoor er eerder en sneller ingegrepen kan worden, de houder meer bij de
             procedure betrokken wordt en de kosten veelal ten laste van de houder
             komen.
        c. Procedures voor hondenbetenbeleid vast te leggen in APV’s, Beleidsregels,
             Beleidsafspraken en ondersteunende standaarddocumenten.
        d. De meldingen en maatregelen te registreren in de landelijke database voor
             bijtincidenten.
        e. De opgelegde maatregelen te publiceren.
RDA 2013_02                       Verantwoord Honden Houden                             24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre> Bijlage I: Wetteksten inzake bijthonden
Wetboek van Strafrecht
  Art 300 WvS: mishandeling
   1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of
      geldboete van de vierde categorie.
   2. Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige
      gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde
      categorie.
   3. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
      van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
   4.Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.
   5.Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.
  Art 302 WvS: zware mishandeling
   1. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als
       schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
       acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
   2. Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met
       gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de vijfde categorie.
  Art 308 WvS: lichamelijk letsel door schuld
   1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of
      zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
      uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met
      gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
   2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
      van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
  Art 350 WvS: vernieling
   1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een
      ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt
      gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de
      vierde categorie.
   2. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde
      categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of
      ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of
      wegmaakt.
  Art 425 WvS: ophitsen van dier tegen een persoon
   Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie
   wordt gestraft:
   1. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer
      het een mens aanvalt, niet terughoudt;
   2. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder
      zijn hoede staand gevaarlijk dier.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren
   Art 36 GWWD: geen schade of letsel toebrengen zonder redelijk doel
    1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter
        bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken
        dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.
    2. Tot de in het eerste lid verboden gedragingen worden in ieder geval gerekend:
       a. een dier arbeid doen verrichten, welke kennelijk zijn krachten te boven gaat of
            waartoe het uit hoofde van zijn toestand ongeschikt is;
       b. een koe met overvolle uier vervoeren of op een markt of openbare verkoping
            ten verkoop houden;
       c. bij de verlossing van een koe gebruik te maken van dierlijke trekkracht of van
            een niet door Onze Minister daarvoor toegelaten krachttoestel;
       d. een hond als trekkracht gebruiken.
    3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.
   Art 73 GWWD: een gevaarlijk dier voor handen hebben
    1. Het is verboden dieren, behorende tot door Onze Minister aangewezen soorten of
       categorieën van dieren te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden
       of te verkopen.
    2. Het is verboden dieren behorende tot ingevolge het eerste lid aangewezen soorten
       of categorieën van dieren voorhanden te hebben.
    3. Ingevolge het eerste lid worden slechts aangewezen soorten of categorieën,
       waarvan de dieren een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of
       dier.
   Art 74 GWWD: een gevaarlijk dier laten doden
    1. De burgemeester van de gemeente waar een dier dat in strijd met het bepaalde in
       artikel 73 is gefokt of voorhanden wordt gehouden, zich bevindt, kan bepalen dat
       dat dier naar een nader door hem aangewezen plaats moet worden vervoerd en
       aldaar moet worden gedood.
    2. De burgemeester legt een maatregel als bedoeld in het eerste lid, voor zover het
       betreft het doden van het dier, niet ten uitvoer indien binnen zes weken, nadat de
       desbetreffende beschikking aan de houder van het dier is bekendgemaakt, de
       houder een verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht
       heeft ingediend en op dat verzoek niet afwijzend is beslist.
NB: Artikel 74 ziet alleen op soorten en categorieën van dieren die door de Minister van
LNV zijn aangewezen. Pitbulterriërs waren door de minister aangewezen in de RAD. Met
het wegvallen van de RAD kan de burgemeester zich dan ook niet meer beroepen op
artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bij het in beslag laten nemen en
eventueel laten afmaken van pitbullterriërs. Bij de aanpak van bijtincidenten met honden
staat de overheid wel een aantal andere wettelijke instrumenten ter beschikking.
Gemeentewet
Op grond van artikel 172, derde lid van de Gemeentewet kan de burgemeester bij
verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor de maatregelen bevelen die
hij of zij noodzakelijk acht. Dat kan in voorkomende gevallen ook betekenen dat in
reactie op een bijtincident een hond in beslag wordt genomen.
Art 172:3 Gemeentewet Openbare orde en veiligheid en vrees voor verstoring ervan
De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees
voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de
handhaving van de openbare orde.
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                              26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Bijlage II: Wet­ en regelgeving ons omringende landen.
Overige landen in Europa hanteren ieder een eigen beleid omtrent omgang met
agressieve dieren. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste regels per land
weergegeven. (bron: www.minderhondenbeten.nl)
Land            Beleid
België          Hanteert geen rasspecifieke wetgeving.
                Legt de nadruk op preventie door voorlichting en het verplicht uitreiken van
                opvoedingsrichtlijnen aan nieuwe hondeneigenaren.
                Heeft een verplichte Identificatie & Registratie van honden.
Duitsland       Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert twee categorieën gevaarlijke hondenrassen*.
                Het houden van de in de wet genoemde hondenrassen is verboden, maar
                uitzonderingen zijn mogelijk. De dieren mogen dan onder voorwaarden worden
                gehouden**.
Groot Brittanië Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert één categorie gevaarlijke hondenrassen*.
                Het houden van de in de wet genoemde hondenrassen is verboden, maar
                uitzonderingen zijn mogelijk. De dieren mogen dan onder voorwaarden worden
                gehouden**.
Denemarken      Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert één categorie gevaarlijke hondenrassen*.
                Hanteert daarnaast ook niet-rasgebonden wetgeving. Honden die niet tot de
                gecategoriseerde rassen behoren kunnen in beslag worden genomen als zij als
                gevaarlijk worden beschouwd. Zij moeten een gedragstest ondergaan, die wordt
                afgenomen door een door de overheid aangestelde dierenarts. Als deze vindt
                dat de hond gevaarlijk is wordt het dier gedood.
                Heeft daarnaast een verplichte Identificatie & Registratie voor honden van vier
                maanden en ouder.
Zwitserland     Verplicht hondeneigenaren om opvoedcursus te volgen
                Hanteert geen rasspecifieke wetgeving
Frankrijk       Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert twee categorieën gevaarlijke hondenrassen*.
                De in de wet genoemde hondenrassen mogen onder voorwaarden gehouden
                worden**.
Spanje          Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert drie categorieën gevaarlijke hondenrassen*.
                De in de wet genoemde hondenrassen mogen onder voorwaarden gehouden
                worden**.
Ierland         Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert één categorie gevaarlijke hondenrassen*.
                Het houden van de in de wet genoemde hondenrassen is verboden, maar
                uitzonderingen zijn mogelijk. De dieren mogen dan onder voorwaarden worden
                gehouden**.
Roemenië        Hanteert rasspecifieke wetgeving.
                Hanteert twee categorieën gevaarlijke hondenrassen*.
                De in de wet genoemde hondenrassen mogen onder voorwaarden gehouden
                worden**.
Toelichting * en ** op volgende pagina
RDA 2013_02                        Verantwoord Honden Houden                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre> *Honden van het type pitbull terriër, American Staffordshire terriër, bull terriër en
Staffordshire bull terriër worden in vrijwel alle landen ingedeeld in de hoogste categorie.
Hier speelt echter wel het probleem van 'ras' of 'type'. In Frankrijk worden honden
behorend tot de genoemde rassen alleen ingedeeld in de categorie 'vechthonden' als ze
geen stamboom hebben. Als ze wel zijn ingeschreven in een stamboek vallen ze in een
lagere categorie van 'bewakings- of verdedigingshonden'.
** Deze voorwaarden kunnen zowel de eigenaar betreffen als de wijze waarop de hond
wordt gehouden. Voorwaarden die aan de eigenaar worden gesteld zijn o.a. een
minimumleeftijd van 18 jaar, niet veroordeeld zijn geweest voor een misdaad, niet
eerder een hond hebben gehad die onder de betreffende wet in beslag is genomen en
een adequate aansprakelijkheidsverzekering hebben afgesloten om eventuele bijtschade
te kunnen vergoeden. Spanje gaat nog verder en eist bovendien door geautoriseerde
centra afgegeven certificaten, waarin wordt verklaard dat de eigenaar fysiek capabel en
psychologisch geschikt is om een hond van een in de wet genoemd type te kunnen
houden. De voorwaarden voor het houden betreffen o.a. kort aanlijnen, muilkorven en
het niet mogen betreden van openbare gebouwen en openbaar vervoer.
RDA 2013_02                       Verantwoord Honden Houden                            28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een raad van deskundigen die op verzoek van de
minister en staatssecretaris van Economische Zaken en op eigen initiatief adviseert over
vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid en dierethiek. De Raad baseert zich
daarbij op de meest recente wetenschappelijke, maatschappelijke en ethische ontwikkelingen. De
RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder
last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
Deze zienswijze van de Raad is voorbereid door een werkgroep van De Raad. De raadsleden die
zitting hadden in deze werkgroep zijn in onderstaande lijst met een * gemarkeerd. De
conceptzienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan alle raadsleden. Uiteindelijk heeft de RDA-
voorzitter met inachtneming van de reacties uit deze Horizontale Toetsing de zienswijze
vastgesteld. Deze zienswijze is – daarmee – nadrukkelijk een product van de gehele Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestaat uit de volgende deskundigen:
         De heer prof. dr. ir. J.A.M. van Arendonk *
         Mevrouw dr. H.M.G. van Beers-Schreurs
         De heer mr. A. Dijkhuis
         De heer W.H.B.J. van Eijk
         Mevrouw prof. mr. A.A. Freriks *
         De heer prof. dr. L.J. Hellebrekers
         De heer prof. dr. ir. W.H. Hendriks
         Mevrouw dr. S.A. Hertzberger
         Mevrouw J.E. Hesterman
         De heer A.J.M. van Hoof
         De heer dr. ing. H. Hopster *
         De heer prof. dr. ir. R.B.M. Huirne
         De heer ir. M.J.B. Jansen
         De heer prof. dr. ir. M.C.M. de Jong
         Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman
         De heer J.Th. de Jongh *
         De heer drs. J. Kaandorp
         De heer prof. dr. F. van Knapen
         De heer prof. dr. P.A. Koolmees
         De heer ir. J. Lokhorst
         De heer dr. F.J.M. Meijboom
         Mevrouw prof. dr. F. Ohl, voorzitter
         De heer dr. A. Ploeg
         Mevrouw drs. P.I. Polman, MPH *
         De heer ir. F.C. van der Schans
         Mevrouw dr. M.M. Sloet van Oldruitenborgh - Oosterbaan
         De heer prof. dr. J.A. Stegeman
         De heer ir. M.H.A. Steverink, MFM
         De heer H.W.A. Swinkels
         Mevrouw drs. H.M. van Veen *
         De heer P.J. Vingerling
         De heer W. Zwanenburg
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl
Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden. U kunt zich tevens abonneren op
onze nieuwsbrief.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Postbus 20401, 2500 EK ’s-Gravenhage
T: 070-3785266 | www.RDA.nl
RDA 2013_02                             Verantwoord Honden Houden                              29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>