<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>              Zichtbaar Veranderd
              Biotechnologie en het
            Tentoonstellen van Dieren
RDA.2015.59          Zichtbaar Veranderd 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanbiedingsbrief
                                                                                  Den Haag, 15 april 2015
Excellentie,
Met plezier bied ik u hierbij de zienswijze ‘Zichtbaar Veranderd – Biotechnologie en het Tentoonstellen
van Dieren’ aan van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA). De RDA doet in deze zienswijze een
appèl op het gezonde verstand en de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen en ontraadt extra
regelgeving op het voorliggende terrein.
Op 2 juli 2014 heeft u de RDA gevraagd om een zienswijze te geven over het tentoonstellen van
genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). De RDA heeft in de voorliggende zienswijze de
maatschappelijke en ethische vragen met betrekking tot het tentoonstellen van genetisch
gemodificeerde dieren in kaart gebracht en geëxpliciteerd, waarbij zij echter geen uitspraken doet
over het Nederlandse kunstbeleid. Vanwege de complexiteit van het onderwerp heeft de RDA wel het
gehele veld van de bestaande regelgeving geïnventariseerd. Uit deze inventarisatie blijkt dat de
mogelijkheid om mede op basis van ethische afwegingen tot een besluit over tentoonstellen van gg-
dieren te komen, alleen specifiek is voorgeschreven in de Wd en de Wod. De RDA heeft zich
vervolgens de vraag gesteld of er redenen zijn om de scope van de huidige regelgeving zodanig te
verbreden dat deze aspecten er wel onder vallen en welke ethische overwegingen daarbij een rol
zouden kunnen spelen.
De RDA onderkent dat het tonen of gebruik van gg-dieren mee kan helpen aan een meer evenwichtige
discussie over het gebruik van biotechnologische technieken bij dieren en komt tot het advies om:
    •        de huidige regelgeving niet aan te passen omdat de reikwijdte van de huidige wet en
             regelgeving volstaat. Een organisator van een tentoonstelling/ en of kunstenaar heeft een
             wettelijke verplichting zorg te dragen voor de welzijn en integriteit van dieren.
    •        bij een vergunningaanvraag voor het maken van een gg-dier, de aanvrager en andere
             verantwoordelijke partijen te verplichten om de ethische afweging en welzijnswaarborging
             te laten expliciteren. Bij een vergunningverlening moet deze afweging openbaar worden
             gemaakt. Om dit te bereiken dienen de aanvraagformulieren voor het maken van een gg-
             dier voor tentoonstellingen aangepast te worden zodat deze ethische overweging zichtbaar
             en openbaar wordt.
    •        verantwoordelijke partijen na te laten denken over de vraag of zelfs binnen het huidige
             juridisch kader alles mag wat kan en of er alternatieven bestaan zonder diergebruik om
             het gewenste doel te bereiken.
De RDA is vanzelfsprekend bereid om uw ministerie en andere betrokken partijen nader te adviseren
over de implementatie van de aanbevelingen uit deze zienswijze.
Met vriendelijke groet,
prof.dr. F.Ohl
Voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
Cc
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mevrouw W. Mansfeld,
De voorzitter van de commissie Genetische Modificatie (COGEM), Prof. Dr. Ing. Sybe Schaap
RDA.2015.59                                Zichtbaar Veranderd                                       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren
Inhoudsopgave
Aanbiedingsbrief                                                                     2
Het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren                               3
Inhoudsopgave                                                                        3
Samenvatting                                                                         5
1.   Inleiding                                                                       8
   1.1.  Adviesaanvraag                                                              8
   1.2.  Aanleiding en COGEM-signalering                                             8
   1.3.  Focus en kader                                                              8
2.   Tentoonstellingen                                                             10
   2.1.  Dieren en tentoonstellingen                                                10
   2.2.  Het doel als probleem                                                      11
3.   Relevante wetgeving                                                           12
   3.1.  Vergunning verlenende regelgeving                                          12
     3.1.1.   Wet milieubeheer, Besluit ggo en Regeling ggo                         12
     3.1.2.   Wet dieren, biotechnologie bij dieren                                 14
     3.1.3.   Wet op de dierproeven                                                 14
     3.1.4.   Flora- en faunawet                                                    17
   3.2.  Randvoorwaarden stellende regelgeving                                      18
     3.2.1.   Wet dieren, tentoonstellen van dieren                                 18
     3.2.2.   Wet Dieren, verbod op dierenmishandeling                              18
     3.2.3.   Analyse van reikwijdte en ruimte voor ethische afweging en toetsing   18
4.   Maatschappelijke en ethische diversiteit                                      20
   4.1.  Intrinsieke waarde en wezens met gevoel                                    20
   4.2.  Meer dan een welzijnsaantasting                                            21
   4.3.  Dieren of dingen?                                                          22
   4.4.  Analyse                                                                    24
5.   Conclusie en Advies                                                           25
   5.1.  Huidige regelgeving                                                        25
   5.2.  Ethische diversiteit                                                       25
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  5.3.   Extra verantwoordelijkheid organisator, kunstenaar en vergunningverlener             26
  5.4.   Samengevat Advies                                                                    27
Geraadpleegde bronnen                                                                        28
Bijlage 1. Casus Zebravis                                                                    29
Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum
bestaande uit de raadsleden Prof. Mr. A.A. Freriks, Ir. F.C. van der Schans, Prof. Dr. L.J.
Hellebrekers, J.Th. de Jongh onder voorzitterschap van Dr. F.L.B. Meijboom.
Doel en activiteiten
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen
die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over
multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn inclusief diergezondheid. De
RDA bestaat op dit moment uit circa veertig leden met zeer uiteenlopende achtergrond en
deskundigheid, die er op persoonlijke titel en zonder last of ruggespraak zitting in hebben.
De Raad voor Dierenaangelegenheden behandelt vraagstukken over de volle breedte van
het dierbeleid: over gehouden en niet-gehouden, dus ‘in het wild levende’ dieren, over
hobbydieren, over gezelschapsdieren, en over productie- en proefdieren. De raad legt het
resultaat van zijn beraadslagingen neer in een zogenaamde zienswijze. Die geeft een
overzicht van wetenschappelijke en maatschappelijke achtergronden van een vraagstuk, en
adviseert over beleidsrichtingen en oplossingsrichtingen voor dilemma’s. Consensus is niet
noodzakelijk: een zienswijze van de raad kan minderheidsstandpunten bevatten.
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                    4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In deze zienswijze geeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (hierna: de Raad) advies
over mogelijke ethische en maatschappelijke aspecten die verbonden zijn aan het
tentoonstellen van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). Onder tentoonstellen
wordt verstaan het op een geordende wijze presenteren van het tentoongestelde aan het
publiek. Een tentoonstelling is daarmee niet een doel op zich maar een middel om iets te
laten zien aan het publiek.
In deze adviesaanvraag zitten drie thema’s, te weten: het gebruik van genetische
modificatie, de inzet van dieren, en het gebruik van een tentoonstelling als medium. Ieder
thema op zich roept al politieke en maatschappelijk relevante vragen op. De combinatie van
deze drie thema’s leidt tot maatschappelijke en ethische vragen, omdat:
     ggo’s maatschappelijk omstreden zijn;
     bepaalde diersoorten of ontwikkelingsstadia wettelijk niet worden beschouwd als
        (proef)dier, maar door een deel van de samenleving gevoelsmatig wel als
        beschermwaardig worden gezien (zoals bijvoorbeeld de eerste fase van de
        embryonale ontwikkeling);
     de meningen over het middel tentoonstellingen in relatie tot het doel uiteen lopen
        (en daarmee de ethische vraag of er grenzen zijn aan het tentoonstellen van iets).
De Raad heeft in deze zienswijze de maatschappelijke en ethische vragen met betrekking
tot het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren in kaart gebracht en
geëxpliciteerd. De zienswijze doet geen uitspraken over het Nederlandse kunstbeleid.
Er is zowel op Europees als nationaal niveau veel geregeld op deze drie thema’s. Hierbij kan
een onderscheid worden gemaakt tussen regelgeving waarbij het verlenen van toestemming
voor bepaalde handelingen centraal staat en regelgeving die meer in algemene zin
randvoorwaarden stelt aan het gebruik van dieren in een bepaalde setting. Tot de eerste
categorie behoren de Wet milieubeheer (Wm) en het daarop gebaseerde Besluit ggo en de
Regeling ggo, de Wet dieren (Wd) voor zover het biotechnologie bij dieren betreft, de Wet
op de dierproeven (Wod) en de Flora- en faunawet (Ffw).
Tot de tweede categorie behoort de Wet dieren, waarbij het gaat om tentoonstellen van
dieren en het verbod op dierenmishandeling.
Vanwege de complexiteit van het onderwerp heeft de Raad het gehele veld van de
bestaande regelgeving in beeld gebracht. Uit deze analyse blijkt dat de mogelijkheid om
mede op basis van ethische afwegingen tot een besluit over tentoonstellen van gg-dieren te
komen, alleen specifiek is voorgeschreven in de Wd en de Wod.
Het toepassingsgebied van de Wod, en daarmee de ethische toetsing, is echter beperkt. In
het kader van tentoonstellingen zal niet snel sprake zijn van een dierproef, tenzij deze
samenvalt met een van de doelen waarvoor een dierproef mag worden uitgevoerd,
bijvoorbeeld in het kader van onderwijs.
De Wd geeft voldoende mogelijkheid om op basis van ethische toetsing te bepalen of een
genetische modificatie maatschappelijk acceptabel wordt gevonden voor het beoogde doel.
Daarbij in acht nemend dat voor bepaalde doeleinden geen toetsing nodig is omdat het
tentoonstellen van ggo’s reeds verboden is (sport en vermaak), dan wel juist is toegestaan
(biomedische toepassing).
De Wm en het daarop gebaseerde besluit ggo en de regeling ggo hebben deze mogelijkheid
van een ethische toetsing niet. Dat betekent dat de ‘wenselijkheidsvraag’ bij een
vergunningaanvraag niet in aanmerking mag worden genomen. Enkel de risico’s voor mens
en milieu vormen onderdeel van het afwegingskader.
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Wat betreft het ontwikkelingsstadium van een dier constateert de Raad dat de reikwijdte
van de Wod is beperkt tot levende, niet-menselijke gewervelde dieren, met inbegrip van
zich zelfstandig voedende larvale vormen, foetale vormen van zoogdieren vanaf het laatste
derde deel van hun normale ontwikkeling, op levende koppotigen en andere bij algemene
maatregel van bestuur aangewezen ongewervelde diersoorten waarvan redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat zij ongerief ondervinden van een dierproef. Dieren die worden
gebruikt in dierproeven en die zich in een vroeger ontwikkelingsstadium bevinden (dus het
eerste tweederde deel van de embryonale ontwikkeling), vallen onder de Wod indien deze
dieren bestemd zijn om na dat ontwikkelingsstadium in leven te blijven en ten gevolge van
de uitgevoerde dierproef gevaar lopen om na het bereiken van dat ontwikkelingsstadium
pijn, lijden, angst of blijvende schade te ondervinden.
De Wet dieren, hoofdstuk biotechnologie bij dieren, ziet op alle gehouden dieren, zowel
gewerveld als ongewerveld. De vergunningplicht ziet ook op het toepassen van
biotechnologische technieken bij dierlijke embryo’s. Bacteriën worden echter niet gezien als
dieren en vallen daarmee niet onder deze regelgeving.
De Raad heeft op basis van deze inventarisatie zich de vraag gesteld of er redenen zijn om
de scope van de huidige regelgeving zodanig te verbreden dat deze aspecten er wel onder
vallen en welke ethische overwegingen daarbij een rol zouden kunnen spelen.
De Raad constateert dat er in Nederland een fundamentele diversiteit aan visies bestaat op
de positie en de beschermwaardigheid van dieren. De intrinsieke waarde van dieren is in de
huidige wetgeving het uitgangspunt. Dat is een breed gedragen opvatting, maar omvat niet
de volle breedte van maatschappelijke visies op het dier, en omvat geen visie op de
beschermwaardigheid van niet-voelende dieren en embryo’s. Daarmee is ook te verklaren
dat er een voortgaande maatschappelijk ethische discussie over de positie van dieren blijft,
zoals de combinatie van biotechnologie met embryo’s als onderdeel van biokunst.
De Raad heeft vervolgens gekeken of deze visies voldoende sterk zijn om het vigerende
wettelijke kader aan te passen. Zij komt tot de conclusie dat een aanpassing van de
regelgeving specifiek voor het tentoonstellen van gg-dieren op dit moment niet nodig is.
Ten eerste omdat er ook op andere vlakken buiten de biokunst mens-dier interacties
bestaan waarvoor de mens morele verplichtingen heeft ten aanzien van het dier, maar die
ook niet in wetgeving zijn gedefinieerd. Aanpassing van de regelgeving zou daarmee ook
van invloed zijn op andere mens-dier interacties, terwijl de huidige regelgeving met
betrekking tot dieren in veel andere context wel voldoet.
Ten tweede kunnen binnen het huidige wettelijke kader de zorgen die men kan hebben ten
opzichte van biokunst waarbij genetische modificatie en embryo’s worden gebruikt, worden
geadresseerd. Gezien de maatschappelijke diversiteit aan visies op de beschermwaardigheid
van embryo’s zal dit niet direct leiden tot een aanpassing van het proces van
vergunningverlening.
Ten derde zou aanpassing van regelgeving op zijn plaats zijn als er duidelijke publieke
waarden in het geding zijn. Voor zover dit het geval is, bijvoorbeeld volksgezondheid, milieu
of dierenwelzijn, is dit al in wetgeving geformuleerd. In gevallen waar het niet gaat om
publieke waarden is er in Nederland een traditie om als overheid met regelgeving
terughoudend te zijn.
In de meeste gevallen biedt de combinatie van de huidige wetgeving derhalve voldoende
grond om tot een oordeel te komen om al dan niet een vergunning te verlenen. Dit is het
geval als:
     er sprake is van een biotechnologische handeling met risico voor mens en milieu;
     er sprake is van dieren die onder de Wod en de Wd vallen en waarbij het welzijn
         (inclusief gezondheid) en de integriteit van het dier in het geding is;
RDA.2015.59                            Zichtbaar Veranderd                               6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>      er sprake is van biotechnologische handelingen aan dieren en embryo’s die vallen
       onder de Wd, hoofdstuk biotechnologie bij dieren.
De Raad adviseert daarom dat het voor beleid en wetgeving belangrijk is om deze diversiteit
aan visies serieus te nemen, maar ziet op basis van deze inventarisatie geen directe
aanleiding om te adviseren de reikwijdte van de huidige wet- en regelgeving te verbreden.
Aan de scope van de vigerende wetgeving liggen expliciete afwegingen ten grondslag met
betrekking tot de positie van het dier, de veiligheid voor mens en milieu en overwegingen
van consistentie en level playing field.
Een organisator van een tentoonstelling en/of een kunstenaar heeft een wettelijke
verplichting zorg te dragen voor het welzijn en de integriteit van dieren. De Raad vindt
echter dat professionals in het veld van biotechnologie, kunstenaars en organisatoren van
tentoonstellingen, een expliciete verantwoordelijkheid hebben om op basis van hun
professionele en maatschappelijke rol rekening te houden met hun ethisch maatschappelijke
verplichting om verantwoordelijkheid af te leggen van hun gebruik van dieren. Zij dienen
hun beslissingen transparant te onderbouwen in het licht van de maatschappelijke pluraliteit
en zich niet te beperken tot het wettelijk vereiste kader.
De Raad adviseert daarom om bij elke vergunningaanvraag een reflectie en verantwoording
te vragen, zoals dat nu wordt gedaan middels de zgn. Niet Technische Samenvatting die
een verplicht onderdeel vormt van de vergunningaanvraag bij dierproeven. Bij een
vergunningverlening moet deze reflectie openbaar worden gemaakt.
Hoewel de Raad erkent dat de Wd een individuele toetsing van aanvragen voor genetische
modificatie van dieren vereist, adviseert de Raad om in het kader van het “nee, tenzij-
beleid” potentiële vergunning aanvragers meer duidelijkheid te geven voor welke
maatschappelijk geaccepteerde toepassingen dieren genetisch gemodificeerd zouden mogen
worden. Dat kan voorkomen dat onterecht en onnodig vergunningen worden aangevraagd.
RDA.2015.59                            Zichtbaar Veranderd                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1. Adviesaanvraag
Op 2 juli 2014 heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (hierna: de Raad) van de
Staatssecretaris van Economische Zaken (EZ) het verzoek gekregen om een advies te
geven over de wenselijkheid van het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde
organismen (ggo's). Het verzoek is om een advies op te stellen over mogelijke ethische en
maatschappelijke aspecten die verbonden zijn aan het tentoonstellen van ggo's. Daarbij is
verzocht de volgende punten mee te nemen in het advies. Deze punten zijn:
     •   Rekening houden met vigerende wetgeving op het terrein van diergezondheid en
         dierenwelzijn, proefdieren, bijproducten van dieren en biotechnologie bij dieren
         waarvoor een vergunningsprocedure vereist is met daarin ook een ethische
         afweging gerelateerd aan de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het doel.
     •   Bekijken of er onderscheid gemaakt kan worden tussen het tentoonstellen van
         ggo's in het algemeen en het tentoonstellen van verschillende groepen ggo's zoals
         bijvoorbeeld bacteriën, planten, dieren of embryo's van dieren, inclusief vissen.
         Daarnaast kan bekeken worden of de doelstelling van de tentoonstelling in dit kader
         relevant is. Daarbij valt te denken aan tentoonstellingen die bedoeld zijn als
         kunstuiting, of die een educatief of informatief doel dienen.
1.2. Aanleiding en COGEM-signalering
De aanleiding tot het verzoek voor deze zienswijze is een aanvraag in 2013 van het
gemeentemuseum in Den Haag voor een vergunning voor het tentoonstellen van genetisch
gemodificeerde bacteriën in een zebravisembryo. Uit bestudering van de wetgeving door het
ministerie bleek dat het huidige wettelijke kader geen rekening houdt met dit soort
tentoonstellingen. Daarom is besloten advies te vragen aan de Raad en de Commissie
Genetische Modificatie (COGEM) over mogelijke ethische en maatschappelijke aspecten die
verbonden zijn aan het tentoonstellen van ggo's.
De COGEM heeft vanuit haar eigen expertise en taakstelling een signalering gepubliceerd
over dit onderwerp met de titel “GGO’s te kijk gezet: Het gebruik van genetisch
gemodificeerde organismen in tentoonstellingen” (2014, cGM/141219-01). Bij het opstellen
van deze zienswijze heeft de Raad contact gehad met de COGEM om beide verzoeken af te
stemmen en de vragen van beide ministeries zo goed mogelijk te kunnen beantwoorden. De
Raad en COGEM zijn van mening dat de ministeries van EZ en I&M het beste bediend
worden met twee afzonderlijke rapporten waarin beide commissies vanuit hun eigen
expertise en taakstelling reageren op de vragen. Echter, het is juist de combinatie van de
elementen ggo’s, dieren en tentoonstellingen die de aanleiding vormen voor het verzoek
van het ministerie. Er is daarmee een onvermijdelijke en bewuste overlap tussen beide
rapporten.
1.3. Focus en kader
De adviesvraag richt zich op een onderwerp waarbij drie verschillende thema’s
bijeenkomen. Het gaat daarbij om: het gebruik van genetische modificatie, de inzet van
dieren en het gebruik van een tentoonstelling als medium. Ieder thema op zich roept al
politieke en maatschappelijk relevante vragen op. De combinatie van deze drie thema’s leidt
tot maatschappelijke en ethische vragen, omdat:
   • Ggo’s maatschappelijk ter discussie staan.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>   • Bepaalde diersoorten of ontwikkelingsstadia wettelijk niet worden beschouwd als
      (proef)dier, maar door een deel van de samenleving gevoelsmatig wel als
      beschermwaardig worden gezien (zoals bijvoorbeeld de eerste fase van de embryonale
      ontwikkeling).
   • De meningen over het middel tentoonstellingen in relatie tot het doel uiteen lopen (en
      daarmee de ethische vraag of er grenzen zijn aan het tentoonstellen).
Het doel van de zienswijze is om de maatschappelijke en ethische vragen met betrekking
tot het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren in kaart te brengen en te
expliciteren. De Raad richt zich hierbij alleen op het gebruik van dieren in de context van
het tentoonstellen van ggo's. De zienswijze gaat uitdrukkelijk niet in op de vraag of het
Nederlandse kunstbeleid, en daarmee de inschakeling van kunstenaars om
maatschappelijke thema’s bespreekbaar te maken, aan herziening toe is. Dat is een
onderwerp dat op het terrein van de Raad voor Cultuur zou kunnen liggen.
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het doel en verschijningsvorm van tentoonstellingen.
Vervolgens zal De Raad kort beschrijven of en in hoeverre de onderdelen van de
adviesvraag in de vigerende wetgeving geadresseerd worden. Hiertoe wordt in hoofdstuk 3
het huidige wettelijke kader gepresenteerd, waarbij expliciet gekeken wordt op welke wijze
maatschappelijke en ethische vragen daarin een plaats hebben. Daarnaast zal deze
zienswijze ingaan op de vraag of aanvullende wetgeving of andere (beleids)instrumenten
nodig zijn om te komen tot een betere beoordeling en afweging van het tentoonstellen van
genetisch gemodificeerde dieren. In hoofdstuk 4 zal daarom nader worden ingegaan op de
ethische aspecten die een rol spelen bij de overwegingen om genetisch gemodificeerde
dieren ten toon te stellen. Het gaat hierbij vooral om het in kaart brengen van visies op de
beschermwaardigheid van dieren en embryo’s. Daarbij speelt in eerste instantie de
reikwijdte van de huidige wetgeving geen rol. De maatschappelijk ethische discussie over de
positie van dieren wordt gekenmerkt door diversiteit. Hierdoor omvat het debat meer visies
en thema’s dan wat wettelijke geregeld is. Voor het vaststellen van de relevantie en de
noodzaak van een wijziging van de wetgeving wordt een aantal visies op de waarde van
dieren geanalyseerd. Tenslotte zal hoofdstuk 5 de conclusies en het advies van deze
zienswijze beschrijven.
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>2. Tentoonstellingen
Biokunsttentoonstellingen met gg-dieren of embryo’s, die de aanleiding vormen voor deze
Zienswijze, roepen de vraag op of het medium tentoonstelling een rol speelt in de reacties
op en waardering van biokunst. Hieronder wordt daarom in gegaan op de rol die het aspect
‘tentoonstelling’ speelt.
Tentoonstelling is een verzamelbegrip voor het op een geordende wijze presenteren van het
tentoongestelde aan het publiek. Een tentoonstelling is daarmee niet een doel op zich maar
een middel om iets te laten zien aan het publiek. Zowel in vorm als doel kan het daarbij op
zeer verschillende wijzen worden uitgevoerd. De COGEM gaat in haar signalering in op
allerlei vormen van projecten met biokunst. In deze zienswijze zal ter afbakening worden
ingegaan op het tentoonstellen van dieren of waar dieren bij betrokken zijn.
2.1. Dieren en tentoonstellingen
Dieren spelen op allerlei wijzen een rol bij tentoonstellingen en kunnen daarbij ook
verschillende gevoelens oproepen. Er is een breed continuüm waarbij dieren in verschillende
vormen en voor verschillende doeleinden worden tentoongesteld.
Weergave van dieren in kunst
Hierbij kan gedacht worden aan schilderijen met dieren erop, dood of levend afgebeeld, die
in het algemeen worden gewaardeerd vanwege de esthetische en educatieve waarden.
Levende dieren op tentoonstellingen
Aan de andere kant wordt de combinatie van dieren met tentoonstellingen vaak
geassocieerd met dierententoonstellingen met levende dieren, zoals katten-, honden- en
pluimveetentoonstellingen. Het gaat hierbij vaak om dieren waarmee mensen een nauwe
relatie hebben en die een hoog aaibaarheidsgehalte hebben. Dergelijke tentoonstellingen
functioneren als ontspanning (bv. een gezinsuitje), maar ook als de basisplaats voor de
specifieke liefhebbers en fokkers van de (ras)dieren. De maatschappelijk reacties op deze
tentoonstellingen zijn beperkt. Toch is er wel discussie over de rol die dergelijke
tentoonstellingen spelen. Het gaat dan echter om de functie die deze tentoonstellingen
(kunnen) spelen op het terrein van de gezondheid en het welzijn van dieren, in het
bijzonder bij rasdieren. Hierbij valt te denken aan de voorbeeldrol die dieren, die tot
kampioen worden uitgeroepen tijdens tentoonstellingen, spelen binnen de fokkerij. Op het
moment dat dieren die op basis van hun exterieur kampioen worden, maar tegelijk erfelijke
gebreken hebben, die leiden tot welzijns- en gezondheidsproblemen dan heeft dat direct
invloed op de fokkerij aangezien kampioenen graag gebruikt worden voor de fok. De
discussie over het gebruik van kampioensdieren met zichtbare welzijns- en
gezondheidsproblemen, als basis voor de verdere fok van de rasdieren is daarvan een
gevolg. Deze langlopende discussie lijkt, mede onder invloed van onlangs van kracht
geworden regelgeving (Algemene Maatregel van Bestuur [AMvB] Houden van dieren) een
nieuwe impuls hebben gekregen.
Deze discussie is echter niet beperkt tot gezelschapsdieren. Vergelijkbare voorbeelden zijn
rundveetentoonstellingen. Op een aantal van deze tentoonstellingen is de dikbilfactor een
belangrijk criterium voor de beoordeling van de dieren en daarmee de kan om een prijs te
winnen. Dit criterium is voor de liefhebber essentieel, maar vanuit dierenwelzijnsoogpunt is
de dikbilfactor een probleem.
Het doel van deze tentoonstellingen is grotendeels te karakteriseren als amusement.
Daarnaast heeft het een economische waarde.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Dier in de natuur
Een andere vorm van tentoonstellingen waarbij dieren zijn betrokken zijn bijvoorbeeld de
natuurtentoonstellingen zoals aanwezig bij de bezoekerscentra van Natuurmonumenten en
Staatsbosbeheer. Deze hebben in de eerste plaats een educatief en informerend karakter.
Hoewel het hierbij gaat om opgezette dieren, heerst er daarbij bij het publiek blijkbaar een,
waarschijnlijk terecht, gevoel dat deze dieren niet met opzet voor dit doel zijn gedood. Het
gevolg hiervan is dat de maatschappelijke reacties beperkt zijn er in het algemeen geen
ethische bezwaren worden geuit.
2.2. Het doel als probleem
Bij de adviesvraag voor deze Zienswijze over tentoonstellen van gg-dieren komt de vraag
naar boven wat het doel is van een tentoonstelling. Die vraag naar het doel van de
tentoonstelling is belangrijk, omdat doelen in de discussie over de (wettelijke)
toelaatbaarheid biotechnologie bij dieren een belangrijke rol spelen. Zo geldt in Nederland
dat biotechnologie bij dieren met als doel sport of vermaak verboden is op basis van artikel
2.23 van de Wet Dieren. Als er echter sprake is van import van gg-dieren dan is artikel 2.23
van de Wet Dieren niet van toepassing en mogen de genetische veranderde dieren ook voor
sport of vermaak worden ingezet.
Uit bovenstaande inventarisatie van tentoonstellingen wordt duidelijk dat de doelen niet
samenvallen met enkel sport en vermaak. In praktijk kunnen verschillende doelen in een
tentoonstelling door elkaar heen lopen en zelfs op verschillende wijze worden
geïnterpreteerd. Wat voor de één informerend en educatief van aard is, kan door een ander
worden gezien als amusement of vermaak. Hierbij kan zelfs het soort publiek en leeftijd van
het publiek van belang zijn. Voor een kind kan een tentoonstelling, waarbij ze zelf iets
mogen doen, een heel ander doel hebben dan voor een volwassene. Zo was er in Delft op
10 november 2014 door onderzoekers een tentoonstelling georganiseerd over drones en
robots waarin onderzoekers hun onderzoeksprojecten en uitvindingen aan iedereen te laten
zien. Dit onder de naam “Research Exhibition”. Hoewel hieraan vermakelijke kanten kunnen
zitten is het doel toch vooral om mensen kennis te laten maken met ontwikkelingen in
toekomstgericht onderzoek en toepassingen. Met in gedachte de bijna levensechte
robotspelletjes die ontwikkeld worden voor de game-industrie is het voor te stellen dat
kinderen en jongeren heel anders tegen de robotisering aankijken dan ouderen en daarmee
tegen het doel van een dergelijke tentoonstelling.
Deze voorbeelden geven aan dat de waardering en de doelen van een tentoonstelling op
verschillende wijze kunnen worden ervaren. Een discussie over de waardering van doelen is
daarmee weliswaar relevant, maar tegelijk ook uiterst complex en zal altijd een open einde
houden. Het zal in praktijk onmogelijk zijn om aan te wijzen wie, en op basis waarvan, vast
zou moeten stellen wat het doel van een tentoonstelling is. Op dit punt gaat de Raad met de
COGEM mee in haar conclusie dat er geen “eenduidige grens is te trekken tussen
kunsttentoonstellingen en educatieve tentoonstellingen. Het maken van een dergelijk
onderscheid is alleen op papier mogelijk, en levert in de praktijk geen bijdrage aan een
oplossing voor de geïdentificeerde bezwaren.”
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>3. Relevante wetgeving
De vigerende Nederlandse regelgeving die van toepassing is op het tentoonstellen van
genetisch gemodificeerde dieren kan worden gesplitst in regelgeving waarbij het verlenen
van toestemming voor bepaalde handelingen centraal staat en in regelgeving die meer in
algemene zin randvoorwaarden stelt aan het gebruik van dieren in een bepaalde setting.
Tot de   eerste categorie behoren:
        Wet milieubeheer (Wm), Besluit ggo en Regeling ggo
        Wet dieren (Wd), biotechnologie bij dieren
        Wet op de dierproeven (Wod)
        Flora- en faunawet (Ffw)
Tot de tweede categorie behoren:
      Wet dieren (tentoonstellen van dieren)
      Wet dieren (verbod op dierenmishandeling)
In de paragrafen 3.1 en 3.2 zal de inhoud en reikwijdte van deze regelgeving worden
toegelicht, waarna in paragraaf 3.3 ingegaan wordt op de vraag of de wetgeving zich leent
voor een ethische afweging en toetsing van tentoonstelling van ggo’s.
3.1. Vergunning verlenende regelgeving
3.1.1. Wet milieubeheer, Besluit ggo en Regeling ggo
Voor het genereren van en werken met ggo’s geldt specifieke wet- en regelgeving die is
opgenomen in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer (Besluit ggo)
en de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer (Regeling ggo). Dit
wettelijk kader komt voort uit Europese en internationale regelgeving.1 De achtergrond van
deze regelgeving is de wens om van geval tot geval de potentiële risico’s voor de menselijke
gezondheid en het milieu van het gebruik van ggo’s te beoordelen. De regelgeving heeft
derhalve betrekking op veiligheid en milieu.
Onder ggo’s worden verstaan organismen, met uitzondering van menselijke wezens,
waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is
door voortplanting of natuurlijke recombinatie. Het begrip organismen omvat alle micro‐
organismen en andere biologische entiteiten met het vermogen tot vermenigvuldiging of tot
overbrenging van genetisch materiaal. In de Europese en nationale wetgeving wordt een
onderscheid gemaakt tussen Ingeperkt gebruik, Introductie in het milieu en
Marktaanvragen. Op deze drie typen zal hierna worden ingegaan.
Voor Ingeperkt gebruik en Introductie in het milieu moet (in beginsel) een vergunning van
de staatssecretaris van I&M worden verkregen. De aanvraag wordt behandeld door het
Bureau ggo. De staatssecretaris van I&M bepaalt of een vergunning wordt verleend en laat
zich daarbij adviseren door de COGEM. In het kader van de vergunningprocedure wordt een
milieurisicoanalyse uitgevoerd waarbij gekeken wordt naar de eventuele risico’s voor mens
en milieu. In de vergunning kunnen maatregelen worden opgelegd om de risico’s in te
1
  Voor zover hier relevant: Richtlijn 2009/41/EG (ingeperkt gebruik van ggo’s), Richtlijn 2001/18/EG (doelbewuste
introductie in het milieu), Verdrag inzake biologische diversiteit, Cartagena-protocol, ook wel Bioveiligheidsprotocol
(Biosafety Protocol, BSP) genoemd.
RDA.2015.59                                     Zichtbaar Veranderd                                             12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>perken. Bij een vergunningprocedure voor Introductie in het milieu worden eventuele
opmerkingen van andere lidstaten en de Europese Commissie in aanmerking genomen.
Voor Marktaanvragen geldt een Europese procedure. In het kader van deze procedure
worden andere lidstaten en de Europese Commissie geconsulteerd. Indien door andere
lidstaten of de Europese Commissie bezwaar wordt gemaakt, wordt de beslissing
opgeschort. De staatssecretaris van I&M is het bevoegd gezag om de vergunning te
verlenen.
Ingeperkt gebruik (afgesloten ruimte)
Werkzaamheden met ggo’s die worden uitgevoerd in een zogenaamde geclassificeerde
ruimte vallen onder het ingeperkt gebruik. Het gaat dan bijvoorbeeld om een laboratorium,
een bedrijf, een dierverblijf of een plantenkas. Onder werkzaamheden wordt verstaan: de
genetische modificatie van organismen, het vermeerderen, het opslaan, het aan een ander
ter beschikking stellen, het toepassen, het voorhanden hebben, het vervoeren (als dit niet
onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen valt en als dit niet gebeurt conform bijlage 9 van
de Regeling ggo) en het zich ontdoen of vernietigen van ggo's. Inrichtingen zijn tevens
vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer (Wm), het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
(Wabo). De vergunning is locatiegericht. De bepalingen van hoofdstuk 9 van de Wm hebben
betrekking op handelingen, in principe los van een bepaalde locatie. Zij zijn
handelingsgericht. Bij deze regels gaat het om de aard en de omvang van de handelingen,
de locatie speelt daarbij geen, althans geen primaire, rol.
Introductie in het milieu
Bij werkzaamheden met ggo’s buiten een geclassificeerde ruimte wordt er gesproken van
introductie in het milieu. Veldproeven en gentherapie zijn hier voorbeelden van. Voor deze
activiteiten met ggo’s geldt een vergunningplicht op grond van het Besluit ggo.
Werkzaamheden met ggo's die via Europese regelgeving reeds tot de markt zijn toegelaten
en waarbij een milieurisicobeoordeling is uitgevoerd conform de Europese richtlijn voor
Introductie in het milieu, hoeven geen vergunning voor introductie in het milieu aan te
vragen. De voorwaarden voor introductie in het milieu van een ggo zijn strikter dan voor
ingeperkt gebruik omdat de mogelijkheden voor inperkingsmaatregelen geringer zijn.
Marktaanvraag
Een marktaanvraag is een vergunningaanvraag voor het op de markt brengen van genetisch
gemodificeerde producten. Dit is een Europese procedure op basis van de EU richtlijn
2001/18/EG. Marktaanvragen betreffen ook introductie in het milieu. Ook hier geldt dat
voor werkzaamheden met ggo's die via Europese regelgeving reeds tot de markt zijn
toegelaten en waarbij een milieurisicobeoordeling is uitgevoerd volgens richtlijn
2001/18/EG, geen vergunning voor introductie in het milieu meer hoeft te worden
aangevraagd. Voordat ggo's als product op de markt mogen worden gebracht moeten deze
ook via specifieke Europese productregelgeving tot de markt zijn of worden toegelaten.
In de Regeling ggo zijn nadere regels, algemene veiligheidsvoorschriften en inrichtings- en
werkvoorschriften, opgenomen. De Regeling ggo is voornamelijk van toepassing op het
ingeperkt gebruik van ggo’s.
Inmiddels zijn zowel het Besluit ggo als de Regeling ggo herzien. De nieuwe regelgeving zal
niet leiden tot fundamentele veranderingen in de hiervoor geschetste systematiek. In een
aantal gevallen zal de vergunningplicht Ingeperkt gebruik worden vervangen door een
kennisgevingsplicht.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>3.1.2. Wet dieren, biotechnologie bij dieren
Sinds 1 juli 2014 is (onder andere) de regeling inzake biotechnologie bij dieren in de Wd
opgenomen (voorheen Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en Besluit biotechnologie
bij dieren). De Wd en daarmee ook het onderdeel biotechnologie, is in zijn algemeenheid
van toepassing op alle gehouden dieren, zowel gewerveld als ongewerveld (tenzij de wet
anders is bepaald). Op grond van art. 2.23, eerste lid Wd geldt een algemeen verbod om
uitsluitend voor sportprestaties of vermaak het genetisch materiaal van dieren te wijzigen
op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting
en van recombinatie.
Daarnaast is het op grond van het tweede lid van dat artikel behoudens een vergunning van
de minister (lees: staatssecretaris) van EZ verboden:
     Het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de
         natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;
     Biotechnologische technieken bij een dier of een dierlijk embryo toe te passen.
Het verbod behoudens vergunning geldt niet voor zover handelingen worden verricht ten
behoeve van biomedisch onderzoek. Opgemerkt wordt dat handelingen ten behoeve van
biomedisch onderzoek veelal wel kwalificeren als dierproef als bedoeld in de Wod en in dat
geval zijn onderworpen aan de toetsing op grond van dat wettelijk kader.
In art. 2.23, lid 4 Wd is het toetsingskader opgenomen. Daaruit volgt dat de vergunning
alleen wordt verleend indien naar het oordeel van de staatssecretaris:
     De handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het
         welzijn van dieren; en
     Tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
In tegenstelling tot het in paragraaf 3.1.1 besproken ggo-kader, is op grond van de Wd wel
een ethische toets vereist. De achtergrond van de Wd is ook een andere dan het ggo-kader.
Terwijl in het ggo-kader volksgezondheid en milieu centraal staan, heeft de Wd juist
specifiek betrekking op gezondheids- en welzijnsaspecten van dieren, en op de ethische
afweging. Bij iedere vergunningaanvraag op grond van de Wd wordt advies gevraagd aan
een met betrekking tot de aanvraag in te stellen commissie van onafhankelijke
deskundigen. Omdat de vergunningplicht niet geldt voor biomedisch onderzoek adviseert de
commissie niet over dit type handelingen.
In de casus die heeft geleid tot deze adviesaanvragen (zie Bijlage 1 Casus Zebravis van dit
advies) zou deze commissie van onafhankelijke deskundigen niet ingeschakeld behoeven te
worden, omdat er in dit geval sprake is van en genetische modificatie van een bacterie.
Bacteriën vallen niet onder de Wd. Mocht een aanvraag wel gaan over gg-dieren voor
tentoonstellingen, en die wel vallen binnen de reikwijdte van de wet, dan zal deze
commissie daarover een ethisch oordeel moeten geven. Dit houdt in dat ook
beargumenteerd moet worden of tentoonstelling een maatschappelijke aanvaard doel is.
3.1.3. Wet op de dierproeven
Dierproef
De Wod is van toepassing als er sprake is van een ‘dierproef’. Op 18 december 2014 is de
gewijzigde Wod in werking getreden.2 In dit wetsvoorstel wordt de werkingssfeer van de
wet uitgebreid. De herziene Wod is van toepassing op levende niet-menselijke gewervelde
dieren, met inbegrip van zich zelfstandig voedende larvale vormen, foetale vormen van
2
  Staatsblad 2014, 473 (KB inwerkingtreding Staatsblad 2014, 476). Zie voor de parlementaire stukken:
Kamerstukken 33 692.
RDA.2015.59                                 Zichtbaar Veranderd                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>zoogdieren vanaf het laatste derde deel van hun normale ontwikkeling, en op levende
koppotigen en andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ongewervelde
diersoorten waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij ongerief ondervinden
van een dierproef (art. 1b, vijfde lid Wod). In afwijking daarvan bepaalt het zesde lid dat de
Wod ook van toepassing is op dieren die worden gebruikt in dierproeven die zich in een
vroeger ontwikkelingsstadium bevinden dan de hiervoor genoemde (dus in het eerste
tweederde deel van de embryonale ontwikkeling), indien deze dieren bestemd zijn om na
dat ontwikkelingsstadium in leven te blijven en ten gevolge van de uitgevoerde dierproef
gevaar lopen om na het bereiken van dat ontwikkelingsstadium pijn, lijden, angst of
blijvende schade te ondervinden.
In de gewijzigde Wod is een uitgebreidere definitie opgenomen van hetgeen onder een
dierproef moet worden verstaan. De omschrijving luidt: elk al dan niet invasief gebruik van
een dier voor experimentele of andere doeleinden, waarvan het resultaat bekend of
onbekend is, of onderwijskundige doeleinden, die bij het dier evenveel of meer pijn, lijden,
angst of blijvende schade kan veroorzaken als, dan wel dan het inbrengen van een naald
volgens goed diergeneeskundig vakmanschap. Dit omvat ieder gebruik waarvan het doel of
het mogelijke gevolg de geboorte of het uit het ei breken van een dier is, dan wel het in een
dergelijke toestand brengen en houden van een genetisch gemodificeerde dierenlijn, met
inbegrip van het doden van dieren ten behoeve van het gebruik van hun organen, weefsels
of lichaamsvloeistoffen voor een doel genoemd in het wetsvoorstel.
Doelen
Voorts is van belang dat sprake is van een dierproef indien de proef wordt uitgevoerd met
het oog op de in de wet genoemde doelen.
In art. 1c Wod wordt aangegeven dat de dierproeven slechts in verband met de volgende
doeleinden worden verricht:
      Fundamenteel onderzoek.
      Translationeel of toegepast onderzoek met een van de volgende doelstellingen:– de
        vermijding,     voorkoming,        diagnose        of behandeling     van     ziekten,
        gezondheidsstoornissen of andere afwijkingen, dan wel de gevolgen daarvan, bij
        mensen, dieren of planten,– de beoordeling, opsporing, regulering of wijziging van
        fysiologische toestanden bij mensen, dieren of planten, of– het welzijn van dieren en
        de verbetering van de productie-omstandigheden voor dieren die met het oog op
        landbouwdoeleinden worden gefokt.
      Elke in onderdeel b genoemde doelstelling, tijdens de ontwikkeling, vervaardiging of
        beproeving van de kwaliteit, doeltreffendheid en veiligheid van geneesmiddelen,
        levensmiddelen en diervoeders en andere stoffen of producten.
      Bescherming van het milieu in het belang van de gezondheid of het welzijn van mens
        of dier.
      Onderzoek gericht op het behoud van de soort.
      Hoger onderwijs of opleiding voor het verwerven, op peil houden of verbeteren van
        beroepsvaardigheden.
      Forensisch onderzoek.
Veldbiologische proeven
Een aparte categorie dierproeven wordt gevormd door veldbiologische dierproeven.
Vanwege de verzorging van de dieren en de relatie met het natuurbeschermingsbelang,
roept deze categorie proeven eigen proefdierkundige en ethische vragen op. Veldproeven
kunnen ook effecten hebben op dieren die niet direct bij de proef betrokken zijn. Gezien
vanuit het belang van natuurbescherming tellen bij veldproeven niet alleen gewervelde
maar ook ongewervelde dieren mee en draait de ethische afweging niet uitsluitend of
RDA.2015.59                            Zichtbaar Veranderd                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>voornamelijk om het beperken van eventueel ongerief (zie daarover hierna de paragraaf
over de Ffw).
In de Wod is in art. 10f een specifieke bepaling opgenomen over proeven met in het wild
levende dieren. Uitgangspunt is dat in het wild gevangen dieren niet worden gebruikt in
dierproeven. Er kan echter een projectvergunning worden verleend voor het gebruik van
deze dieren, indien:
     Er een essentiële behoefte bestaat aan dierproeven op het terrein van de gezondheid
        en het welzijn van deze dieren of op het terrein van ernstige bedreigingen voor het
        milieu of de gezondheid van mens en dier; en
     Door middel van wetenschappelijke motivering wordt aangetoond dat het doel van
        de dierproef alleen door het gebruik van een zwerfdier of een verwilderd dier kan
        worden bereikt.
In aanvulling op de Ffw bevat de Wod de verplichting dat het vangen van het dier in het
wild moet plaatsvinden door een deskundig persoon met methoden die bij de dieren geen te
vermijden pijn, lijden, angst of blijvende schade veroorzaken. Dieren waarvan bij of na de
vangst wordt vastgesteld dat zij gewond zijn of in slechte gezondheid verkeren, worden
onderzocht door een dierenarts of andere ter zake deskundige persoon. Met betrekking tot
deze dieren worden maatregelen getroffen om de dieren zo min mogelijk te laten lijden.
Hiervan kan worden afgeweken indien daarvoor een wetenschappelijke motivering bestaat.
Vergunningplicht instelling
Ook onder de Wod (nieuw) moeten instellingen die dierproeven uitvoeren beschikken over
een vergunning: de instellingsvergunning. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) verleent deze vergunning. De vergunning tot het verrichten van dierproeven is de
facto vooral een kwaliteitstoets van de betrokken instelling.
Inhoudelijke toets
Instellingen dienen voor elk project waarbij een of meerdere dierproeven plaatsvinden een
vergunning aan te vragen om een dierproef te mogen verrichten. Deze projectvergunning
vragen de instellingen aan bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Hiervoor schrijft
de instelling voor elk project onder andere een projectvoorstel en een niet technische
samenvatting. Een project kan bestaan uit één of meerdere dierproeven. De CCD beoordeelt
de aanvraag voor een projectvergunning en vraagt advies aan een Dier Experimenten
Commissie (DEC) en eventueel aan de NVWA. Elke instelling moet onder de Wod beschikken
over een instantie voor dierenwelzijn (art. 14a). Projectvoorstellen moeten voor indiening
bij de CCD met deze instantie worden afgestemd.
De CCD verleent slechts een projectvergunning voor een project indien:
     Het project vanuit wetenschappelijk of onderwijskundig oogpunt verantwoord of
        wettelijk vereist is;
     De doeleinden van het project het gebruik van dieren rechtvaardigen;
     Het project zo is opgezet dat de dierproeven zo humaan en milieuvriendelijk mogelijk
        kunnen worden uitgevoerd; en
     Het project is opgezet overeenkomstig artikel 9.
Meer in het bijzonder moeten worden beoordeeld:
     Een beoordeling van de doelstellingen van het project en de voorspelde
        wetenschappelijke opbrengsten of educatieve waarde.
     Een beoordeling van de vraag of het project in overeenstemming is met artikel 10.
     Een beoordeling van de indeling van het project naar de ernst van de dierproeven.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                             16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>       Een analyse van de schade en de baten die het project oplevert, waarbij wordt
        nagegaan of de schade in de vorm van pijn, lijden, angst of blijvende schade bij de
        dieren wordt gerechtvaardigd door het te verwachte resultaat met inachtneming van
        de ethische overwegingen, en op termijn voordelen kan opleveren voor mens, dier of
        milieu.
       Een beoordeling van de motivering waarom wordt afgeweken van het bij of
        krachtens de artikelen 1e, eerste lid, 10e, tweede tot en met het vierde lid, 10f,
        eerste en vierde lid, 10g, eerste lid, 10h, eerste lid, 11, eerste lid, 13, derde lid, 13c,
        tweede lid, bepaalde, dan wel van de redenen, bedoeld in artikel 13f, tweede lid,
        onderdeel f.
       een besluit over de vraag of, en zo ja wanneer, het project achteraf moet worden
        beoordeeld.
3.1.4. Flora- en faunawet
Op grond van de Ffw worden inheemse in het wild levende vogels, zoogdieren, amfibieën,
reptielen en vissen als beschermd aangewezen. Daarnaast kunnen bij AMvB dieren worden
aangewezen die in het bijzonder moeten worden beschermd en die niet al op grond van het
de wet en uitvoeringsregelgeving beschermd zijn. Op grond van de Ffw is een groot aantal
handelingen met in het wild voorkomende dieren verboden. Deze handelingen zijn specifiek
omschreven in de wet. Van de verbodsbepalingen in de Ffw kunnen vrijstellingen en
ontheffingen worden verleend. De mogelijkheden daartoe zijn verschillend afhankelijk van
de vraag of het gaat om soorten die uitsluitend op grond van nationale wetgeving zijn
beschermd, ofwel soorten die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn
zijn beschermd. Inbreuken op het beschermingsregime van de Ffw kan voor uitsluitend in
Nederland beschermde soorten worden toegestaan indien de gunstige staat van
instandhouding niet wordt bedreigd. Voor soorten die op grond van de Europese Richtlijnen
moeten worden beschermd moet tevens worden bezien of geen andere bevredigende
oplossing bestaat dan deze inbreuk (alternatieventoets). Is er geen alternatief dan kan
onder andere vrijstelling en ontheffing worden verleend ten behoeve van in de wet
omschreven (zwaarwegende) belangen, waaronder onderzoek en onderwijs.
In relatie tot de Wod valt op dat het ervaren van ongerief dat in de Wod bepalend is voor
beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een dierproef, de
verbodsbepalingen van de Ffw geen zelfstandig criterium vormen. Dit heeft tot gevolg dat
handelingen met in het wild levende dieren die geen ongerief veroorzaken op grond van de
Ffw toch verboden kunnen zijn. Deze kunnen dan echter niet als dierproef worden
gekwalificeerd, zodat deze buiten de werkingssfeer van de Wod vallen. Er zijn echter vele
handelingen denkbaar waar de systematiek van beide wetten elkaar kan overlappen,
bijvoorbeeld waar het gaat om het in het kader van een experiment verwonden, vangen,
verontrusten van dieren.
De Ffw hanteert de ethische erkenning van het autonome bestaansrecht van soorten als
motief en als maatstaf van het soortenbeschermingsrecht. Soorten moeten niet alleen
worden beschermd als zij bedreigd zijn, maar altijd en algemeen, ongeacht of zij zeldzaam
zijn of algemeen voorkomen. Elke handeling met negatieve gevolgen voor welke soort dan
ook dient alleen toegelaten te worden indien daarvoor een rechtvaardiging kan worden
aangevoerd. De wetgever heeft in het licht van de ethische beschouwingen in de
considerans een nadrukkelijke verwijzing opgenomen naar de erkenning van de intrinsieke
waarde van het dier. Er is niet voor gekozen de intrinsieke waarde van in het wild levende
dieren in de wettekst zelf op te nemen.
RDA.2015.59                            Zichtbaar Veranderd                                    17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>3.2. Randvoorwaarden stellende regelgeving
3.2.1. Wet dieren, tentoonstellen van dieren
Naast de hiervoor besproken regelingen is verder van belang dat de Wd in art. 2.16 een
specifieke bepaling bevat met betrekking tot het houden van keuringen, tentoonstellingen
en andere gelegenheden of inrichtingen waar dieren worden gehouden en aan het publiek
worden getoond wegens recreatieve, sportieve of opvoedkundige doeleinden. De bepaling
ziet op gehouden dieren. De wet zelf bevat een grondslag voor het stellen van nadere regels
in een AMvB. Daarin kan bijvoorbeeld een verbod op het met bepaalde dieren deelnemen
aan een tentoonstelling worden opgenomen, een verbod op het toelaten van bepaalde
dieren tot een tentoonstelling, een gelegenheid of een inrichting, of bepalingen over
informatie en educatie met betrekking tot de tentoongestelde diersoorten. De wet verbiedt
om deel te nemen aan tentoonstellingen of keuringen met dieren waarbij een verboden
lichamelijke ingreep (art. 2.8 Wd) is verricht. In het Besluit houders van dieren zijn nadere
voorschriften opgenomen. Deze richten zich echter vooralsnog specifiek op dierentuinen.
3.2.2. Wet Dieren, verbod op dierenmishandeling
Op grond van art. 2.1 Wd geldt een algemeen verbod om zonder redelijk doel of met
overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of
letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen. Het
verbod is van toepassing op gehouden dieren, zowel gewerveld als ongewerveld, en andere
dan gehouden dieren.
Deze bepaling bevat een algemeen vangnet voor die gevallen waarin de wetgever
handelingen met dieren niet specifiek heeft gereguleerd. In de wet worden enkele (hier
minder relevante) verboden handelingen genoemd. Deze lijst kan bij AMvB nog worden
aangevuld. Van deze mogelijkheid is ook gebruik gemaakt, maar deze uitwerking is voor
deze zienswijze niet van belang. De minister kan ook bij ministeriële regeling vastleggen dat
voor bepaalde bij AMvB aangewezen gedragingen een toelating geldt.
3.2.3. Analyse van reikwijdte en ruimte voor ethische afweging en toetsing
Op grond van bovenstaande uiteenzetting kan worden vastgesteld dat het algemene ggo-
kader in vergelijking tot andere kaders een ruimere reikwijdte heeft. Onder dit kader vallen
zowel micro-organismen, planten, en gewervelde en ongewervelde dieren. Ook de
werkingssfeer is breed. De handelingen die onder het ggo-kader moeten worden beoordeeld
zijn ruim omschreven en omvatten ook handelingen in het kader van tentoonstellingen. In
dit wettelijk kader ontbreekt echter een ethische toets. Dat betekent dat de
‘wenselijkheidsvraag’ bij de beoordeling van een vergunningaanvraag niet in aanmerking
mag worden genomen. Enkel de risico’s voor mens en milieu vormen onderdeel van het
afwegingskader. Dit houdt verband met de achtergrond van de betrokken wetgeving. Zie
daarover par. 3.1.
Een ethische toets is er wel indien het ggo-kader samenvalt met andere kaders, meer in het
bijzonder de Wod en/of de bepalingen omtrent biotechnologische handelingen in de Wd. Een
bepalende rol en een bijzondere verantwoordelijkheid is hierbij weggelegd voor de
aanvrager van de tentoonstelling en de vergunningverlener. Het toepassingsgebied van de
Wod is echter beperkt. In het kader van tentoonstellingen zal niet snel sprake zijn van een
dierproef tenzij deze samenvalt met een van de doelen waarvoor een dierproef mag worden
uitgevoerd, dat zou in theorie het geval kunnen zijn in het kader van onderwijs. Ook is de
reikwijdte van de Wod beperkter dan het algemene ggo-kader.
De bepalingen over biotechnologische handelingen in de Wd zien op zowel gewervelde als
ongewervelde gehouden dieren (dus niet in het wild levende dieren), en op embryo’s van
gehouden dieren (bij toepassing van biotechnologische technieken). Hier is sprake van een
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>ethische toets in het kader van vergunningverlening, behoudens indien sprake is van
biomedische handelingen, aangezien daarvoor geen vergunningplicht geldt.
Samengevat ontbreekt dus in het wettelijk kader een ethische afweging bij andere
organismen dan gehouden dieren en embryo’s van deze dieren. Handelingen met in het wild
levende dieren zijn uit de aard van de regelgeving slechts zeer beperkt toelaatbaar. Een
handeling met een in het wild levend dier die op grond van de Ffw wordt toegestaan, zal
alleen ethisch worden getoetst indien tevens sprake is van een dierproef. Het onderdeel
biotechnologie uit de Wd is op deze dieren niet van toepassing. Hoewel de Wd de
mogelijkheid biedt om specifiek regels te stellen over tentoonstellingen, zijn deze regels
beperkt tot gewervelde en ongewervelde gehouden dieren.
Op basis van deze inventarisatie stelt de Raad dat de aanleiding voor de vraag naar een
verruiming van regelgeving bij het tentoonstellen van gg-dieren en embryo’s in eerste
instantie start in een aantal ethisch maatschappelijk vraagstukken. Het gaat hier, onder
andere om de vraag
     of en tot in hoeverre het stadium van ontwikkeling van een dier van belang is voor
        de beoordeling van een biotechnologische handeling, en
     of een ethische toetsing gewenst of noodzakelijk is.
Op deze vragen wordt nader ingegaan in hoofdstuk 4.
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>4. Maatschappelijke en ethische diversiteit
Biotechnologie, de inzet van dieren en het tentoonstellen van dieren zijn elk thema’s die
leiden tot maatschappelijke en ethische discussie. Het feit dat op deze terreinen wet- en
regelgeving bestaat, kan gezien worden als een weerslag daarvan. Toch betekent het
bestaan van wetgeving niet dat de ethische discussie daarmee is afgerond. Sterker nog,
met betrekking tot de aanvaardbaarheid van biotechnologie en de beschermwaardigheid
van dieren bestaat in de samenleving nog altijd een diversiteit aan meningen. Die veelheid
aan visies komen niet altijd overeen met de uitgangspunten in de wetgeving. Gezien de
competentie van de Raad richt dit hoofdstuk zich vanuit de diversiteit aan perspectieven op
de beschermwaardigheid van dieren.
4.1. Intrinsieke waarde en wezens met gevoel
Dieren worden in Nederland op verschillende manieren en voor verschillende doeleinden
ingezet. In alle gevallen geldt het uitgangspunt in beleid en wetgeving dat dieren niet enkel
waarde hebben vanwege hun bijdrage aan menselijke belangen, maar dat ze een eigen
waarde hebben. Deze eigen waarde of intrinsieke waarde houdt in dat de morele waarde
van een dier niet samenvalt met de gebruikswaarde. Dit geeft dieren een
beschermwaardigheid en vertaalt zich in directe verplichtingen ten opzichte van dieren. Dit
wordt in Nederland vertaald in termen van zorg voor het welzijn en de integriteit van
dieren (Wd, art 1.3). Het gaat hierbij echter niet om alle dieren, maar om dieren die de
capaciteit hebben om pijn en plezier te ervaren. Het zijn daarmee wezens met gevoel. We
hebben ten opzichte van deze voelende wezens directe verplichtingen om onnodig lijden te
voorkomen en het welzijn te verbeteren.
Dit algemene uitgangspunt geldt ook voor de context, waarin dieren worden ingezet voor
het tentoonstellen van genetisch veranderde organismen als kunstuiting. Zowel bij het
genetisch veranderen van dieren als bij het tentoonstellen van dieren is er sprake een
verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor het welzijn van dieren. Hierbij gaat het
nadrukkelijk om meer dan het voorkomen van onnodig lijden. In eerdere Zienswijzen heeft
de Raad dierenwelzijn opgevat als een dynamisch concept. Dierenwelzijn is in deze visie:
        “…het resultaat van het dynamische samenspel tussen een dier en zijn
        omgeving. Daarin is de welzijnsstatus van dat dier gerelateerd aan de
        mate waarin hij zich kan aanpassen aan de uitdagingen die de heersende
        omgevingsomstandigheden bieden en de vrijheid die hij heeft om
        normale, soortspecifieke gedragspatronen te vertonen, teneinde een
        staat te bereiken die hij als positief ervaart.” (RDA, 2012)
In dit welzijnsconcept is de vraag of een situatie binnen het aanpassingsvermogen van een
dier past, bepalend voor de invulling van onze morele verplichtingen jegens dieren. Pas
wanneer het aanpassingsvermogen van een dier wordt overschreden is interventie vereist
of vraagt het om een morele rechtvaardiging van een welzijnsaantasting als een interventie
omwille van andere belangen en waarden niet mogelijk of wenselijk is. Dit dynamische
welzijnsconcept vraagt per casus om interpretatie, maar kan in praktijk voldoende grip
bieden om bij tentoonstellingen te bepalen of een interventie nodig is. De huidige wet- en
regelgeving geeft daarvoor ook voldoende handvatten. Het gaat dan, bijvoorbeeld om de
vraag of de (tijdelijke) huisvesting van de dieren ten behoeve van de tentoonstelling past
binnen het aanpassingsvermogen van het dier. Wanneer er sprake is van een
welzijnsvermindering als gevolg van het tentoonstellen of het genetisch veranderen van
RDA.2015.59                             Zichtbaar Veranderd                              20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>een dier dan vraagt dat om een aanpassing van de wijze van tentoonstelling of van de
inzet van de technologie met als doel het welzijn niet te schaden. 3
In de maatschappelijk discussie over biokunst, waarbij genetisch gemodificeerde dieren of
embryo’s worden tentoongesteld, spelen naast welzijn nog andere overwegingen een rol,
die in de huidige wetgeving niet of slechts een beperkte rol kunnen spelen. Het gaat hierbij
om:
      De relevantie van een onderscheid tussen gewervelde of ongewervelde dieren voor
         beschermwaardigheid van dieren.
      De centrale en soms zelfs exclusieve rol die welzijn speelt in de beoordeling van de
         aanvaardbaarheid van de inzet van dieren.
Beide punten zullen hieronder worden uitgewerkt om de morele intuïties en overtuigingen
met betrekking tot de aanvaarbaarheid van het tentoonstellen van gg-dieren en embryo’s
te expliciteren en te duiden.
4.2. Meer dan een welzijnsaantasting
Wanneer er sprake is van een aantasting van het welzijn van het dier biedt de huidige wet-
en regelgeving mogelijkheden om de vrijheid van mensen te beperken. Concreet kan dat
betekenen dat een vergunning voor een biotechnologische handeling aan een dier niet
wordt verleend op grond van het risico op schade voor het dier. Ondanks die mogelijkheid
is er discussie of de bescherming van welzijn als handelingskader breed genoeg is om alle
risico’s op schade voor het dier te omvatten.
In de wet wordt dit erkend door naast welzijn te wijzen op de integriteit van het dier. Het
gaat daarbij om de fysieke en psychische vermogens die nodig zijn wil een dier tot “z’n
recht kunnen komen” (Musschenga, 2009). Dit omvat meer dan het aanpassingsvermogen
van het dier. Het veronderstelt dat je een dier ook kunt schaden als zijn subjectieve welzijn
niet direct in het geding is. Integriteit van het dier omvat de “soortspecifieke heelheid en
compleetheid van een dier en zijn vermogen om zich onafhankelijk te handhaven in een bij
de soort passende omgeving” (Rutgers en Heeger, 1999). In de ethische beoordeling van
het tentoonstellen van gg-dieren kan dus de vraag gesteld worden of de integriteit van het
dier aangetast wordt. Het beantwoorden van die vraag is niet eenvoudig aangezien het
concept integriteit lastig te operationaliseren is. Toch kan het zinvol zijn om te spreken
over integriteit als de fysieke of mentale heelheid en gaafheid van een dier in het geding is
of dieren afhankelijker van de mens worden. Dat laatste criterium roept echter de vraag op
welke situatie als referentiepunt gebruikt moet worden. Bij de beoordeling van bepaalde
nutsingrepen kan het nog relatief eenvoudig zijn: bij het couperen van de staart van een
big is duidelijk dat het dier iets ontnomen wordt en dat je kunt spreken over een situatie
voor en na de ingreep. Bij de fok van dieren en in het bijzonder bij biotechnologie bij dieren
ligt dit ingewikkelder. Desondanks is het mogelijk om bij biotechnologische handelingen bij
dieren, naast gezondheid en welzijn van het dier, de effecten ervan op uiterlijk en
zelfredzaamheid als zelfstandige beoordelingscriteria mee te nemen. De adviezen van de
Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD) laten zien dat het begrip integriteit wel gebruikt
kan worden in de ethische afweging van biotechnologie bij dieren.
3
  Als dat niet kan, vraagt het om een ethische afweging tussen de waarden en belangen van het dier en van de
mens. Op basis hiervan moet worden bepaald of de welzijnsaantasting te rechtvaardigen valt op basis van andere
waarden en belangen of dat die vorm van tentoonstelling of technologie niet acceptabel is gezien de erkenning van
het dier als een voelend wezen.
RDA.2015.59                                 Zichtbaar Veranderd                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>4.3. Dieren of dingen?
De wettelijke aandacht voor welzijn en integriteit van het dier start in de erkenning van het
dier als een voelend wezen. Bij biokunst gaat het echter in sommige gevallen ook om het
tentoonstellen van dieren die volgens de huidige stand van kennis niet of nog niet de
capaciteit hebben om pijn en plezier te ervaren. In die gevallen gaat het om wezens zonder
gevoel en voldoen ze niet aan de formele criteria, die de wetgever stelt met betrekking tot
de intrinsieke waarde. Hierbij valt te denken aan embryo’s in een vroeg stadium van
ontwikkeling, waarbij het zeer onwaarschijnlijk is dat ze pijnervaringen kunnen hebben.
Argumenten die direct verwijzen naar welzijn zijn in die gevallen niet op hun plaats. Toch
roept het tentoonstellen van niet-voelende dieren of embryo’s morele intuïties op waarbij
mensen bezwaren uiten tegen het gebruiken, of specifieker het tentoonstellen hiervan. De
vraag is echter of dergelijke intuïties inhoudelijk onderbouwd kunnen worden. Uiteraard is
dit afhankelijk van de concrete intuïtie die mensen hebben.
De meest voorkomende intuïtie verwijst naar het argument van verzakelijking of
objectivering van dieren. Het gaat hierbij enerzijds om de bezwaren om dieren in te zetten
op een wijze waardoor ze steeds meer gepercipieerd worden als dingen. Anderzijds omvat
het de bezwaren tegen het veranderen van dieren op een wijze waardoor hun functionele
aspect steeds centraler komt te staan. Beide aspecten van het argument spelen in de
discussie over het tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren een belangrijker rol,
maar het is de vraag hoe steekhoudend dit argument is als we te maken hebben met
wezens die de capaciteit tot pijnervaring (nog) missen. Binnen de huidige wettelijke
kaders lijkt de objectivering van dieren immers voornamelijk problematisch als er sprake is
van een erkenning van de intrinsieke waarde van een dier. In dat geval kan een handeling
aan of met een dier teken zijn van een gebrek aan respect voor die eigen waarde. Toch is
het mogelijk om de morele intuïtie over de beschermwaardigheid van niet-voelende wezens
inhoudelijk te duiden en te onderbouwen. Daarvoor zijn drie strategieën.
Leven is een voldoende voorwaarde voor beschermwaardigheid
Een eerste onderbouwing voor de morele intuïties met betrekking tot het tentoonstellen
van genetisch veranderde dieren en embryo’s start een andere definitie van de
voorwaarden voor de erkenning van intrinsieke waarde. In de huidige wetgeving is pas
sprake van intrinsieke waarde als een dier een voelend wezen is. Dit is binnen de ethiek
een breed gedragen visie, maar er zijn ook inhoudelijk sterke voorstellen om intrinsieke
waarde los te koppelen van de capaciteit om pijn of plezier te ervaren. Taylor (1986) stelt
bijvoorbeeld dat we zinvol kunnen spreken over intrinsieke waarde bij wezens die tot bloei
kunnen komen. Het gaat hierbij om de notie van het hebben van een “goed van zichzelf”.
Als je zinvol kunt spreken over “in het belang van x” dan heeft “x” een “goed van zichzelf”.
Dat goed en de daaruit volgende belangen kunnen losstaan van andere (menselijke)
belangen. Volgens Taylor hebben alle wezens die zo’n “goed van zichzelf” hebben een
intrinsieke waarde.4 In onze relaties met deze wezens zien we weliswaar verschillen, maar
herkennen we het zelfstandige belang van deze wezens dat een moreel appèl op ons doet.
Hierbij draait het om respect voor de intrinsieke waarde zonder de vereiste dat dieren
kunnen lijden. Dit houdt in dat we verplichtingen hebben om ook de belangen van niet-
voelende dieren serieus te nemen en hen tot bloei te laten komen. Vanuit dit perspectief is
het genetisch veranderen en tentoonstellen van embryo’s principieel niet anders dan in het
geval van volwassen gewervelde dieren. In beide gevallen is het beoordelingscriterium de
vraag of het in voldoende mate respect toont voor de intrinsieke waarde van het dier of de
embryo.
4
  Taylor zelf spreekt op dit punt over ‘inherent worth’, maar dat is vergelijkbaar met het Nederland vigerende
gebruik van intrinsieke waarde.
RDA.2015.59                                    Zichtbaar Veranderd                                           22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Verplichtingen ten opzichte van mensen als start
Een tweede onderbouwing start bij de mens. Los van de morele positie van dieren is het
mogelijk om de zorg en aandacht voor dieren te zien als verplichtingen jegens onszelf en
anderen. Uit respect voor de menselijke autonomie volgen indirecte verplichting met
betrekking tot dieren. Het kan hierbij gaan om verplichtingen die starten in het
schadebeginsel. Het staat iemand, bijvoorbeeld, niet vrij om genetisch iets aan een dier te
veranderen zonder instemming van de eigenaar van dat dier. Die verplichting staat los van
de belangen van het dier en is gebaseerd op de mogelijke schade die de eigenaar van het
dier heeft van de ingreep. Daarnaast kunnen op basis van het aanstootbeginsel
verplichtingen volgen met betrekking tot onze omgang met dieren. Op het moment dat een
handeling met of aan dieren leidt tot ervaringen zoals afschuw, schaamte of ontgoocheling
kan dat een voldoende reden zijn om grenzen te stellen aan de vrijheid van burgers. Toch
betekent dit niet automatisch dat als het tentoonstellen van een dier bij een persoon
afschuw of angst oproept het ook onmiddellijk onwenselijk is of zelfs verboden zou moeten
worden. Zeker in dat laatste geval moet er sprake zijn van een rechtsaantasting en moeten
de aanstootervaringen maatschappelijk breed gedragen zijn. Tot slot, kunnen
verplichtingen met betrekking tot onze omgang met dieren gebaseerd worden door een
verwijzing naar de menselijke waardigheid: sommige handelingen zijn mens-onwaardig. De
eerste dierenbeschermingsbewegingen en wetgeving op dit terrein startten vanuit dit
perspectief. Het mishandelen of verwaarlozen van dieren is binnen deze visie onwenselijk
omwille van het uitstralingseffect op de menselijke zeden of het feit dat niet past binnen de
heersende zedelijkheidsprincipes.
In alle gevallen is dus sprake van verplichtingen met betrekking tot dieren, maar niet
omwille van het dier zelf. Grenzen aan onze vrijheid met betrekking tot onze omgang met
dieren zijn we in deze visie aan onszelf verplicht. De cognitieve capaciteiten van dieren zijn
in deze benadering van secundair belang. Dit betekent dat de vraag of een dier een
voelend wezen is of andere capaciteiten heeft niet wezenlijk is voor de beoordeling van het
tentoonstellen van genetisch gemodificeerde dieren of embryo’s.
Beschermwaardigheid als een legpuzzel
Tot slot, is het mogelijk om morele intuïties te onderbouwen met een verwijzing naar een
waardencomplex, waardoor een entiteit als intrinsiek waardevol kan worden beschouwd.
De capaciteit om pijn en plezier te kunnen ervaren is hierbij geen noodzakelijke
voorwaarde. Vanuit deze visie is het bijvoorbeeld mogelijk om te spreken over de
intrinsieke waarde van kunst, zoals het schilderij “Meisje met de parel” van Johannes
Vermeer. Het gaat hierbij om een oud schilderij, waarbij de eigenschap van ouderdom
bijdraagt aan de waarde van het schilderij. Daarnaast is het een uniek schilderij. Ook deze
uniciteit draagt bij aan de waarde van het schilderij. Bovendien heeft het schilderij een
specifieke schilderstijl en kleurgebruik die eveneens bijdraagt aan de waarde van dit
kunstwerk. Het is dus mogelijk om de intrinsieke waarde van dit schilderij te onderbouwen
op basis van het complex van waarde-elementen die verbonden zijn aan het schilderij. Elk
van die waarden is belangrijk voor intrinsieke waarde van het schilderij zonder dat die
waarde te reduceren is tot één van die waarden. Op basis hiervan is het ook mogelijk om
verplichtingen te formuleren. Bijvoorbeeld, voor wie 17 e eeuws hout en canvas nodig heeft,
is het niet toegestaan om Vermeers schilderij te ontmantelen. Zo kun je ook
beargumenteren dat een dier of een embryo verschillende waarden vertegenwoordigt, die
ieder voor zich en in samenhang om bescherming vragen. Dit houdt in dat dieren of
embryo’s die tentoongesteld worden, maar niet voldoen aan de wettelijke criteria om aan
hen intrinsieke waarde toe te kennen toch beschermwaardig zijn.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>4.4. Analyse
Er is in Nederland een fundamentele diversiteit aan visies op de positie en de
beschermwaardigheid van dieren. De huidige wetgeving neemt de intrinsieke waarde van
dieren als uitgangspunt: “Onder erkenning van de intrinsieke waarde wordt verstaan de
erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel”. Dat is een breed
gedragen opvatting, maar omvat niet de volle breedte van maatschappelijke visies op het
dier, en omvat geen visie op de beschermwaardigheid van niet-voelende dieren en
embryo’s. Dit heeft als gevolg dat bij een besluit tot vergunningverlening voor het
tentoonstellen van gg-dieren en embryo’s, die geen pijn en plezier kunnen ervaren,
wettelijk alleen milieurisico-overwegingen kunnen worden meegenomen.
Dit uitgangspunt van de wetgeving verklaart de voortgaande maatschappelijk ethische
discussie over de positie van dieren ondanks de bestaande wetgeving. Het verklaart ook de
morele intuïties en zorgen met betrekking tot de combinatie van biotechnologie met
embryo’s als onderdeel van biokunst.
Bovenstaande schets van de normatieve visies op de beschermwaardigheid van dieren en
embryo’s laat zien dat deze morele intuïties ook (deels) theoretisch onderbouwd kunnen
worden. De vraag is echter of deze visies ook sterk genoeg zijn om het vigerende wettelijke
kader aan te passen.
       Ten eerste kan de onderbouwing van intrinsieke waarde breder worden opgevat dan
        de huidige verwijzing naar de capaciteit om pijn en plezier te ervaren. Dit impliceert
        dat de morele gemeenschap jegens wie we morele verplichtingen hebben ruimer is
        dan dat tot nu toe in de wetgeving wordt gedefinieerd. Deze visie is legitiem, maar
        roept veel nieuwe vragen op over hoe de extra verplichtingen zich tot elkaar
        verhouden. Dit geldt niet enkel voor de casus van biokunst, maar heeft gevolgen op
        alle terreinen van mens-dier interacties. Aangezien de huidige regelgeving met
        betrekking tot dieren in veel andere context wel voldoet, lijkt het disproportioneel
        om in dit stadium de wetgeving aan te passen.
       De tweede onderbouwing van de zorgen die men kan hebben ten opzichte van
        biokunst waarbij genetische modificatie en embryo’s worden gebruikt, kan al binnen
        het huidige wettelijke kader worden geadresseerd. Met verwijzing naar het schade-
        of aanstootbeginsel is het mogelijk bezwaren met betrekking tot biokunst in te
        brengen.     Gezien    de   maatschappelijke      diversiteit aan    visies   op    de
        beschermwaardigheid van embryo’s zal dit echter niet direct leiden tot een
        aanpassing van het proces van vergunningverlening.
       De laatste onderbouwing kan morele gevoelens met betrekking tot de
        beschermwaardigheid van gg-embryo’s goed verklaren, maar is lastiger om concreet
        te operationaliseren in wetgeving. Het past enkel in wetgeving als er duidelijke
        publieke waarden in het geding zijn. Voor zover dit het geval is, bijvoorbeeld
        volksgezondheid, milieu of dierenwelzijn, is al wetgeving geformuleerd. In gevallen
        waar het niet gaat om publieke waarden is er in Nederland een traditie om als
        overheid met regelgeving terughoudend te zijn. De casus van de biokunst waarbij
        gg-embryo’s worden ingezet, geeft geen aanleiding dat standpunt te herzien.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                                24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>5. Conclusie en Advies
5.1. Huidige regelgeving
Gekeken naar de huidige wet en regelgeving op het gebied van het tentoonstellen van gg-
dieren, kan geconcludeerd worden dat voor alle drie de aspecten die samenkomen in deze
zienswijze (biotechnologie, de inzet van dieren en het tentoonstellen van dieren) wet- en
regelgeving bestaat. De handelingen die onder het ggo-kader moeten worden beoordeeld
zijn ruim omschreven en omvatten handelingen in het kader van tentoonstellingen voor
zowel micro-organismen, planten en gewervelde en ongewervelde dieren. Echter, geen van
de wettelijke kaders is opgesteld om de specifieke combinatie van genetische modificatie bij
embryo’s en het doel tentoonstelling te toetsen. Gegeven de brede reikwijdte van de ggo-
regelgeving valt het tentoonstellen van deze embryo’s wel onder dit wettelijke kader. Deze
regelgeving biedt echter alleen de mogelijkheid om aanvragen te beoordelen in termen van
milieurisico’s. Voor ethische en maatschappelijke overwegingen gericht op de belangen van
dieren of de waarde van het doel waarvoor biotechnologie wordt toegepast is geen ruimte.
De Wod en de Wd bieden wel handvatten om biotechnologie bij dieren te beoordelen in
termen van dierenwelzijn (inclusief diergezondheid) en integriteit en omschrijven ook voor
welke doelen de inzet van proefdieren cq biotechnologie bij dieren is toegestaan. Bij deze
wettelijke kaders is echter de reikwijdte beperkter dan de ggo-regelgeving. Wat betreft de
in het wild levende dieren zijn handelingen uit de aard van de regelgeving slechts zeer
beperkt toelaatbaar. Een handeling met een in het wild levend dier die op grond van de Ffw
wordt toegestaan, zal alleen ethisch worden getoetst indien tevens sprake is van een
dierproef. Het onderdeel biotechnologie uit de Wd is op deze dieren niet van toepassing.
Hoewel de Wet dieren de mogelijkheid biedt om specifiek regels te stellen met betrekking
tot tentoonstellingen, zijn deze regels beperkt tot gewervelde en ongewervelde gehouden
dieren.
In de meeste gevallen biedt de combinatie van de huidige wetgeving voldoende grond om
tot een oordeel te komen om al dan niet een vergunning te verlenen. Dit is het geval als:
     Er sprake is van een biotechnologische handeling met risico voor mens en milieu.
     Er sprake is van dieren die onder de Wod en de Wd vallen en waarbij het welzijn
        (inclusief gezondheid) en de integriteit van het dier in het geding is.
     Er sprake is van biotechnologische handelingen aan dieren en embryo’s die vallen
        onder de Wd, hoofdstuk biotechnologie bij dieren.
Op basis van deze inventarisatie ziet de Raad geen directe aanleiding om de reikwijdte van
de huidige wet- en regelgeving te verbreden. Aan de scope van de vigerende wetgeving
liggen expliciete afwegingen ten grondslag met betrekking tot de positie van het dier, de
veiligheid voor mens en milieu en overwegingen van consistentie en level playing field.
5.2. Ethische diversiteit
De Raad stelt dat de aanleiding voor de vraag naar een verruiming van regelgeving bij het
tentoonstellen van gg-dieren en embryo’s in eerste instantie start in een aantal ethisch
maatschappelijke vraagstukken. Concluderend stelt de Raad dat de zorgen die men kan
formuleren bij het tentoonstellen van gg-dieren en embryo’s legitiem kunnen zijn en een
direct gevolg zijn van de maatschappelijke diversiteit van opvattingen over de
beschermwaardigheid van het dier en in het bijzonder niet-voelende dieren, inclusief
embryo’s. Het is voor beleid en wetgeving belangrijk om deze diversiteit aan visies serieus
te nemen, maar op dit moment geen reden tot aanpassing van de huidige wetgeving. De
Raad ziet echter wel een expliciete verantwoordelijkheid voor professionals in het veld van
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                               25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>biotechnologie, kunstenaars en organisatoren van tentoonstellingen om expliciet rekening te
houden met en hun beslissingen transparant te onderbouwen in het licht van de
maatschappelijke pluraliteit en zich niet te beperken tot het wettelijk vereiste kader.
5.3. Extra verantwoordelijkheid organisator, kunstenaar en
     vergunningverlener
Gelet op de regelgeving, speelt degene die de tentoonstelling aanvraagt een bepalende rol.
Dit lijkt gezien de problematiek bij het vaststellen van het doel van een tentoonstelling een
terecht startpunt. Dit betekent echter dat er bijzondere verantwoordelijkheid ligt bij de
organisator, de kunstenaar en de vergunningverlener.
Dat betekent voor de organisator van een tentoonstelling dat hij/zij in de aanvraag voor een
vergunning moet onderbouwen en laten zien dat voor het doel van de tentoonstelling het
gerechtvaardigd is om hiervoor gg-dieren te gebruiken. Hierbij zou met name moeten
worden ingegaan op de mogelijke gevolgen en aantasting van de intrinsieke waarde van het
dier en de daaruit volgende verantwoordelijkheden ten opzichte van het welzijn van en het
respect jegens het dier. Deze afweging zou door de aanvrager openbaar gemaakt moeten
worden. De Raad adviseert daarom om bij elke vergunningaanvraag een reflectie en
verantwoording te vragen zoals dat nu wordt gedaan middels een zogenaamde ‘Niet
Technische Samenvatting”, die een verplicht onderdeel vormt van de vergunningaanvraag
bij proefdieren.
Ook van de kunstenaar moet worden verwacht dat hij/zij moet kunnen onderbouwen
waarom zijn kunstproject het gebruik van gg-dieren rechtvaardigt en hoe het project de
aantasting van de intrinsieke waarde van het dier en de gevolgen voor het welzijn van de
betrokken dieren minimaliseert en hoe hiermee het respect jegens het dier wordt
gewaarborgd. Hierbij zal ook moeten worden uitgelegd of het doel van het kunstproject ook
op een alternatieve wijze kan worden uitgevoerd waarbij de intrinsieke waarde van het dier
minder wordt aangetast en de gevolgen voor het welzijn van het dier worden beperkt.
Van de vergunningverlener moet worden verwacht dat een beoordeling van een aanvraag
wordt uitgevoerd binnen de vastgestelde beleidslijnen. Dat betekent dan ook dat er voor
gewaakt moet worden dat de individuele gevoelens van de vergunningverlener, hoe
begrijpelijk ook, bovengeschikt wordt gemaakt aan het collectief vastgestelde beleid. Mocht
een dergelijke situatie zich toch voordoen, dan is het gewenst om dit eerst in breder
verband ter discussie te stellen, waaruit mogelijk een aangepaste beleidslijn kan
voortvloeien. De Raad acht dit van groot belang omdat anders de kans op onduidelijke en
mogelijk wisselende beoordelingen en daarmee het vertrouwen in de overheid wordt
geschaad. De beleidslijn over het gebruik van gg-dieren zou echter verder moeten gaan dan
alleen tentoonstellingen. De Raad adviseert daarom de vergunningverlener om in het kader
van het “nee, tenzij-beleid” meer duidelijkheid te geven over voor welke toepassingen
dieren genetisch gemodificeerd zouden mogen worden.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                               26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>5.4. Samengevat Advies
De Raad onderkent dat het tonen of gebruik van gg-dieren mee kan helpen aan een meer
evenwichtige discussie over het gebruik van biotechnologische technieken bij dieren.
De Raad komt tot het advies om:
    De huidige regelgeving niet aan te passen omdat de reikwijdte van de huidige wet en
       regelgeving volstaat. Een organisator van een tentoonstelling/ en of kunstenaar
       heeft een wettelijke verplichting zorg te dragen voor de welzijn en integriteit van
       dieren.
    Bij een vergunningaanvraag voor het maken van een gg-dier, de aanvrager en
       andere verantwoordelijke partijen te verplichten om de ethische afweging en
       welzijnswaarborging te laten expliciteren. Bij een vergunningverlening moet deze
       afweging openbaar worden gemaakt. Om dit te bereiken dienen de
       aanvraagformulieren voor het maken van een gg-dier voor tentoonstellingen
       aangepast te worden zodat deze ethische overweging zichtbaar en openbaar wordt.
    Verantwoordelijke partijen na te laten denken over de vraag of zelfs binnen het
       huidige juridisch kader alles mag wat kan en of er alternatieven bestaan zonder
       diergebruik om het gewenste doel te bereiken.
RDA.2015.59                         Zichtbaar Veranderd                              27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde bronnen
  Brom, F.W.A. (1997). Onherstelbaar Verbeterd, Assen: Van Gorcum.
  Cock Buning, T. de, Pompe, V., Hopster, H., Brauw, C. de. (2012). Denken over Dieren:
   dier en ding, zegen en zorg. Athena Instituut Vrije Universiteit, Amsterdam, NL.
  COGEM (2014) GMOs on display: The use of genetically modified organisms in
   exhibitionsreport. cGM/141219-01
  Jaarverslag Commissie Biotechnologie bij Dieren (2001).
  Feinberg, J. (1985). Offense to others. New York: Oxford University Press.
  Musschenga, B. (2009). De rol van het begrip ‘intrinsieke waarde’ in de dierethiek, in:
   Swart, J.A.A., Jonker M., Tramper, R. (Eds.), De weging gewogen. Beschouwingen over
   ethiek en dierproeven. Budel: Damon
  Musschenga, A.W., (2002). Naturalness: Beyond Animal Welfare, Journal of Agricultural
   and Environmental Ethics 15, 171–186
  Rutgers, B., Heeger, F.R. (1999). Inherent worth and respect for animal integrity. In:
   Dol, M., Fentener van Vlissingen, M., Kasanmoentalib, S., Visser, Th., Zwart, H. (eds.)
   Recognizing the Intrinsic Value of Nature. Assen: Van Gorcum: 41–53.
  TNS NIPO (2014). De staat van het dier, Rapport in opdracht van Trouw.
  Visak, T., Meijboom, F.L.B. (2002). Integriteit van dieren: Bouwsteen of Struikelblok?
   Verslag van de eerste discussiebijeenkomst over biotechnologie bij dieren. Gehouden op
   21 november 2002 te Rotterdam, Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht -
   Universiteit Utrecht.
  Visser, M.B.H., Grommers, F.J. (red.) (1988). Dier of ding. Objectivering van dieren.
   Wageningen, Pudoc, 138p.
  Vries, R.B.M. de. (2008). Genetic engineering and our duties to laboratory animals. A
   theoretical and empirical analysis of the concepts of intrinsic value and animal integrity,
   dissertation Radboud University, Nijmegen.
Zienswijzen
 Zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (2009). Verantwoord houden.
 Zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (2010). Agenda voor het
   Dierbeleid.
 Zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (2010). Fokkerij &
   Voortplantingstechnieken.
 Zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden (2012) Zorgplicht Natuurlijk
   Gewogen.
RDA.2015.59                          Zichtbaar Veranderd                                28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Bijlage 1. Casus Zebravis
1.      De beschrijving van de aanvraag
In het kader van de internationale kunstmanifestatie "Ja, natuurlijk" in het
Gemeentemuseum van Den Haag is 2013 een vergunning aangevraagd om in een ingeperkt
systeem (soort aquarium) genetisch gemodificeerde (gg-) cyanobacteriën te mogen
tentoonstellen. De gg-bacteriën worden ingebracht in doorzichtige niet genetisch
gemodificeerde vissenembryo’s die het door de bacteriën geproduceerde lactaat als
voedingsbron gebruiken. Het doel van deze tentoonstelling is om het publiek kennis te laten
maken met genetisch gemodificeerde organismen en om een impuls te geven aan het
maatschappelijk debat rond de maakbaarheid van levende organismen en de biobased
economy.
De vissenembryo's zijn m.b.v. klassieke mutagenese doorzichtig gemaakt als gevolg
waarvan processen in het embryo goed zichtbaar zijn. Klassieke mutagenese is een techniek
die is uitgezonderd van de vergunningplicht onder het Besluit Genetisch Gemodificeerde
Organismen (BGGO). Dit betekent dat de vissenembryo’s dus niet genetisch gemodificeerd
zijn. Deze techniek is wel een biotechnologische handeling en valt in Nederland onder het
besluit Biotechnologie bij dieren (BBD).
De embryo’s met de cyanobacteriën kunnen worden bezichtigd door een microscoop die in
het systeem is verankerd. De embryo’s worden iedere week vervangen. In het systeem
zullen 20-35 vissenembryo’s met circa 50-150 cyanobacteriën per vissenembryo worden
geïntroduceerd. Daar de embryo's elke week zullen worden vervangen, gaat het gedurende
de tentoonstelling in totaal om zo'n ruim 400 tot 900 exemplaren die worden gebruikt (en
na een week gedood).
2. De ethische afweging
In de Wet dieren is het tentoonstellen van dieren voor opvoedkundige doeleinden
toegestaan. In de casus van de zebravis kunnen verschillende punten worden genoemd
waarop een ethische afweging op zijn plaats is. Deze punten zijn:
     Het toedienen van gg-bacteriën aan een zebravis.
     De mogelijke gevolgen voor de gezondheid en welzijn van de zebravis.
     De snelle vervanging van de zebravis-embryo’s.
     Hoe draagt een dergelijke tentoonstelling bij aan de maatschappelijke debat rond
        maakbaarheid en biobased economy.
     Het doel van de tentoonstelling
Voor de finale afweging van de maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gebruik
gemaakt van de methodiek van het Afwegingsmodel voor Dierbeleid 5. Hierbij moet gebruik
worden gemaakt van de meest recente wetenschappelijke kennis en breed gedragen morele
waarden en principes.
2.1     Het toedienen van gg-bacteriën aan een embryo van de zebravis.
Het toedienen van de gg-bacteriën wordt uitgevoerd door middel van een injectie met een
dunne naald. Het verbreken van levend weefsel is in principe, op basis van de Wet Dieren,
voorbehouden aan daartoe bevoegde personen. Echter de Wet Dieren is niet van toepassing
op embryo’s in het stadium waarin ze in deze opstelling worden gebruikt.
5
  Agenda voor het Dierbeleid, RDA (2010a)
RDA.2015.59                               Zichtbaar Veranderd                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>2.2     De mogelijke gevolgen voor de gezondheid en welzijn van de zebravis.
Gelet op de beperkte tijd dat de zebravisembryo’s worden gebruikt in deze kunstuitstalling
is niet aannemelijk dat de gezondheid en het welzijn van de embryo zal zijn aangetast.
Hierbij speelt echter de onzekerheid over de vraag wanneer een zebravisembryo in staat is
om prikkels waar te nemen en daarmee in hoeverre vanaf welk tijdstip van ontwikkeling
meetbaar het welzijn van de embryo kan worden aangetast (ongeacht of dat ook werkelijk
het geval is). In navolging van de Wet op de dierproeven kan gesteld worden dat na
ongeveer vijf dagen een zebravisje in staat is om zelf voedsel op te nemen. Vanaf dat
moment wordt de vis beschouwd als een voelend wezen. Voor die tijd worden de vissen
echter al uit de opstelling gehaald. Daarnaast is het onduidelijk of de door de gg-bacterie
geproduceerde lactaat ten goede komt aan de gezondheid en welzijn van de embryo’s, wat
volgens de kunstenaar het geval zou zijn.
2.3     De snelle vervanging van de zebravis-embryo’s.
De snelle vervanging van de embryo’s is wettelijk niet geregeld. Vanuit ethisch perspectief
roept het echter wel vragen op. Ten eerste is het in strijd met de maatschappelijke wens om
te komen tot het beperken van het aantal dierexperimenten en daarmee het aantal dieren
dat daarbij betrokken wordt. Ook het huidige kabinetsbeleid is gericht op het verminderen,
verfijnen en vervangen (3-V’s) van het aantal proefdieren. Daarnaast roept het de vraag op
of en tot in hoeverre de vervanging van embryo’s past in de visie dat dieren respect
verdienen omwille van hun eigenwaarde en niet enkel beschouwd dienen te worden als
middel om menselijke doelen te verwezenlijken. De embryo’s voldoen weliswaar niet aan de
wettelijke voorwaarden voor de toekenning van intrinsieke waarde, maar de analyse in
hoofdstuk 4 laat zien dat er desondanks goede redenen zijn om zorgvuldig met deze
embryo’s om te gaan.
2.4 Hoe draagt een dergelijke tentoonstelling bij aan de maatschappelijke debat
rond maakbaarheid en biobased economy?
Het is de vraag of de opzet van deze tentoonstelling bijdraagt aan een evenwichtige
maatschappelijke discussie over het gebruik van gg-methodiek aan de biobased economy.
Hetzelfde experiment is tijdens het Lowland-festival gehouden. De indruk van bezoekers
varieerde van leuk tot afwijzend, waarbij zowel intuïtieve en principiële argumenten werden
gebruikt. Daarmee is intrinsiek wel een basis aanwezig voor discussie over kansen en
bedreigingen van het gebruik van biotechnologische technieken, maar of dit daarmee ook
een juiste bijdrage aan een debat in het kader van biobased economy en maakbaarheid
oplevert is nog onduidelijk. In die zin kan een tentoonstelling wel bijdragen aan een
maatschappelijke discussie, maar het zal dan ingekaderd moeten worden in een groter
geheel. Het gevaar bestaat dat door framing en beperkte kennis van mogelijke andere
toepassingen van biotechnologische technieken een discussie snel verzand of leidt tot een
verdere polarisatie tussen voor- en tegenstanders.
2.5     Het doel van de tentoonstelling
Hoewel in dit experiment geen sprake is van genetische modificatie waarop de Wd van
toepassing is, blijft wel de vraag of in de situatie dat een aanvraag voor het uitvoeren van
een genetische modificatie van dieren ten behoeve van een tentoonstelling vanwege het
“Nee, tenzij”- beleid toegestaan zou kunnen worden. De Wd bepaalt dat het genetisch
modificeren van dieren ten behoeve van sport en vermaak niet is toegestaan. De vraag die
in dit kader dan beantwoord moet worden is of de betreffende tentoonstelling moet worden
gekarakteriseerd als sport of vermaak of dat het moet worden gezien als een vorm van
educatie? In dat laatste geval is de vervolgvraag of het doel van de manifestatie “bijdrage
aan een debat in het kader van biobased economy en maakbaarheid” door deze vorm van
presentatie wordt bereikt, en of er geen alternatieven zijn die hetzelfde kunnen
teweegbrengen zonder gebruik te maken van deze grote hoeveelheid dieren.
RDA.2015.59                           Zichtbaar Veranderd                              30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>