<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>       Toetsingskader voor
             Productiedieren
“All animals are equal but some animals are more equal than others”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanbiedingsbrief
                                                                     Den Haag, april 2016
Excellentie,
Met veel genoegen bied ik u hierbij de zienswijze “Eén toetsingskader productiedieren”
aan die de Raad voor Dierenaangelegenheden op uw verzoek heeft opgesteld.
De keuze of een dier gehouden mag worden als productiedier is in essentie een
normatieve keuze. Bij het besluit om een diersoort (al dan niet) te houden voor productie
moet steeds opnieuw het evenwicht bepaald worden tussen het doel van productie en de
mogelijke gevolgen voor gezondheid en welzijn van mens, dier en ecosysteem.
Voorliggend toetsingskader is bedoeld om deze keuze op een zorgvuldige, consistente
wijze te kunnen maken. Het kader kan toegepast worden op alle diersoorten en is
geschikt om zowel diersoorten die nog niet gehouden worden als diersoorten die reeds op
de “productiedierenlijst” staan te toetsen. Er wordt een systematiek geïntroduceerd van 3
stappen: het verzamelen van informatie, het maken van een analyse en het afwegen van
argumenten.
Daarnaast doet de Raad een aantal aanbevelingen bij het toepassen van dit
toetsingskader. Aanbevolen wordt om eerst de geschiktheid van de diersoort om te
worden gehouden te toetsen, en daarna pas de geschiktheid om voor productie te
beoordelen. Bij nieuw geïntroduceerde productiediersoorten is het advies om eerst ont-
heffing te verlenen op individuele en tijdelijke basis en onder voorwaarden. Deze
voorwaarden leveren een bruikbare verkenning op voor houderijvoorwaarden. Leg de
bevindingen hiervan vast in een dossier en zorg ervoor dat de overwegingen bij een
beslissing openbaar zijn. Naast de nodige procedurele kennis acht de Raad het van
belang dat inhoudelijke kennis omtrent productiedieren een duidelijke plek krijgt in het
proces. Tot slot adviseert de Raad om deze afweging ook te maken voor dieren die al een
lange historie hebben als productiedier.
De Raad heeft met genoegen aan dit onderwerp gewerkt. Vanzelfsprekend lichten we het
voorstel graag toe. De RDA wenst u veel succes toe bij de toepassing van dit kader.
Hoogachtend,
Ir. M.H.W. Schakenraad
Secretaris Raad voor Dierenaangelegenheden
                                                                                        2
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting ..................................................................................................... 5
1.     Inleiding .................................................................................................... 8
  1.1.     Adviesvraag ........................................................................................... 8
  1.2.     Afbakening ............................................................................................ 8
2.     Achtergrond .............................................................................................. 9
  2.1.     Wettelijk kader ...................................................................................... 9
  2.2.     Gehanteerde begrippen ..........................................................................10
  2.3.     Eerdere toetsingskaders .........................................................................11
3.     Uitgangspunten bij het toetsingskader .................................................... 13
  3.1.     Inleiding ..............................................................................................13
  3.2.     Zienswijze One Health ...........................................................................13
  3.3.     Relatie met de Huisdierenlijst .................................................................15
  3.4.     Wettelijke procedure ..............................................................................16
    3.4.1.    Ontheffing .........................................................................................16
    3.4.2.    Toevoegen ........................................................................................16
    3.4.3.    Verwijderen .......................................................................................17
  3.5.     Overwegingen .......................................................................................17
4.     Toetsingskader ........................................................................................ 19
  4.1.     Drie stappen .........................................................................................19
  4.2.     Stap 1: Verzamelen van informatie..........................................................19
  4.3.     Stap 2: Analyse ....................................................................................22
  4.4.     Stap 3: Argumenten en afweging ...........................................................23
5.     Conclusies en aanbevelingen ................................................................... 25
Geraadpleegde Bronnen ................................................................................... 27
Bijlage. One Health: af te wegen waarden ........................................................ 28
Colofon ............................................................................................................. 33
                                                                                                                       3
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum
bestaande uit de Raadsleden drs. H.M. van Veen, prof.dr. L.J. Hellebrekers en dr.ing. H.
Hopster (voorzitter). Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum zes maal bijeen
geweest. Het forum is bij zijn werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W.
Schakenraad en adjunct-secretaris drs. M.W. Oonk van het RDA-team.
Leeswijzer
Deze zienswijze begint met een inleiding waarin de adviesvraag geschetst wordt. In
hoofdstuk twee wordt de achtergrond bij de adviesvraag toegelicht. In hoofdstuk drie
wordt ingegaan op het doel en de uitgangspunten van het toetsingskader en wordt de
relatie met andere zienswijzen gelegd. Hoofdstuk vier bevat een voorstel voor een
toetsingskader. De Raad sluit deze zienswijze af met zijn conclusies en aanbevelingen.
                                                                                       4
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Op verzoek van de staatssecretaris van Economische Zaken heeft de Raad voor
Dierenaangelegenheden een toetsingskader ontwikkeld voor alle voor productie te
houden diersoorten. De Raad hecht grote waarde aan transparante en consistente
beleidsafwegingen. Eerder gaf de Raad zijn zienswijze over nieuwe, voor productie te
houden vissoorten (2002) en de dromedaris als productiedier (2006). Met dit nieuwe
toetsingskader kan een integrale, consistente afweging gemaakt worden of het houden
van een diersoort als productiedier aanvaardbaar is. Deze afweging wordt gemaakt op
basis van feiten, analyses en waarden volgens de One Health benadering.
De keuze om een diersoort toe te voegen aan, dan wel te verwijderen van de
productiedierenlijst betreft in essentie een normatieve keuze. Op het moment dat er een
concrete aanvraag voorligt zullen belangen van mens, dier en ecosysteem tegen elkaar
afgewogen moeten worden.
Op basis van de Wet dieren is het verboden dieren te houden voor productie tenzij de
diersoort geplaatst is op bijlage II van het Besluit houders van dieren. In dit Besluit
kunnen ook specifieke houderijvoorschriften opgenomen worden met betrekking tot
productiedieren. Daarnaast is het mogelijk om op basis van de Wet een individuele,
concrete uitzondering op het verbod tot het houden van een diersoort voor productie toe
te passen: een ontheffing.
Daarmee zijn er drie situaties mogelijk met betrekking tot productiedieren:
    a) Een aanvrager verzoekt om een individuele ontheffing om een bepaalde diersoort
       voor productiedoeleinden te mogen houden;
    b) Een aanvrager verzoekt om een diersoort toe te voegen aan bijlage II van het
       Besluit;
    c) Een aanvrager verzoekt om een diersoort te verwijderen van bijlage II van het
       Besluit.
Het toetsingskader kan toegepast worden op elk van deze situaties, al kunnen de
argumenten om toe te voegen of te verwijderen verschillen. Het toetsingskader kan ook
gebruikt worden voor diersoorten die andersoortige producten of diensten leveren. Het is
wenselijk om het kader regelmatig te evalueren om het actueel te houden.
Het toetsingskader is als volgt opgebouwd:
Stap 1: Het verzamelen van informatie
In deze stap wordt informatie verzameld over de consequenties van het houden van de
diersoort voor productiedoeleinden aangaande de drie aspecten: dier, mens en
ecosysteem. Het bestaat uit feitelijke informatie over de diersoort en diens beoogde
houderij-omstandigheden        en    economische,    bedrijfskundige,   ecologische  en
volksgezondheidsaspecten.
Stap 2: Analyse
Op basis van de feitelijke informatie die is verzameld in stap 1 wordt een analyse
gemaakt van mogelijke knelpunten die voorzien worden voor het welzijn (inclusief
gezondheid) van het dier. Daarnaast wordt er gekeken naar mogelijke risico’s met
                                                                                       5
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>betrekking tot volksgezondheid en het ecosysteem. Tot slot wordt bekeken hoe de
aanvrager voor de gesignaleerde knelpunten in maatregelen heeft voorzien die de kans
op deze knelpunten minimaliseren.
Stap 3: Argumenten en afweging
In de laatste stap worden de verschillende argumenten betrokken bij het toelaten of juist
afwijzen van een diersoort als productiedier op een rij gezet gerelateerd aan de waarden
zoals beschreven in de zienswijze One Health. Op basis hiervan kan worden besloten
welke argumenten doorslaggevend zijn bij het toelaten of juist afwijzen van een diersoort
als productiedier.
Bij gebruik van het toetsingskader geeft de Raad de volgende uitgangspunten en
aanbevelingen:
1.     Maak een koppeling tussen de huisdierenlijst en de productiedierenlijst. Voordat
       de vraag ‘kan deze diersoort gehouden worden voor productie’ beantwoord kan
       worden, dient eerst de primaire vraag ‘kan deze diersoort gehouden worden?’
       bevestigend beantwoord te zijn.
2.     In geval er voor een diersoort sprake is van wezenlijk verschillende
       houderijsystemen of productiedoelen beveelt de Raad aan dat de afweging voor
       ieder van de verschillende houderijsystemen of productiedoelen afzonderlijk wordt
       gemaakt.
3.     Bij het toelaten als productiedier van een diersoort die in Nederland niet eerder
       voor productiedoeleinden is gebruikt, wordt geadviseerd om dit – na volledige
       toetsing - altijd eerst op basis van individuele ontheffingen te doen. Aan deze
       ontheffing dienen voorwaarden aan het houden gekoppeld te zijn om het welzijn
       van de betreffende dieren te borgen. Ook kunnen er voorwaarden worden gesteld
       om aanvullende diergerichte gegevens (output parameters) te registreren ten
       behoeve van eventuele vervolgbeoordelingen.
4.     Het toevoegen van een diersoort aan de lijst van diersoorten voor
       productiedoeleinden     dient   altijd   gepaard     te   gaan    met     specifieke
       houderijvoorschriften die verankerd worden in het daartoe bestemde Besluit. Daar
       waar dit voor de reeds aangewezen diersoorten nog niet het geval is, adviseert de
       Raad om alsnog voor deze diersoorten specifieke houderijvoorschriften op te
       nemen.
5.     Maak het mogelijk om voor de voor productiedoeleinden aangewezen diersoorten
       een verzoek tot herbeoordeling aan te vragen. Zorg hierbij wel voor stabiliteit
       door de conclusie van een (her)beoordeling tenminste vijf jaar geldig te laten zijn.
6.     Pas het Toetsingskader niet alleen toe voor productiedieren zoals bedoeld in het
       Besluit maar gebruik het ook voor diersoorten die bedrijfsmatig andersoortige
       producten of diensten leveren.
7.     Toets alle diersoorten van de huidige bijlage II van het Besluit met behulp van dit
       toetsingskader en leg de bevindingen vast in een dossier.
                                                                                          6
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>8.     Maak de feiten, analyses en waarden op basis waarvan een besluit genomen
       wordt om een diersoort al dan niet te houden voor productie, transparant en
       inzichtelijk.
Tot slot merkt de Raad op dat voorliggend toetsingskader aangepast kan worden aan
nieuwe inzichten op basis van nieuw beschikbare kennis en ervaring.
                                                                                 7
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
            1.1.       Adviesvraag
Op 21 augustus 2015 legde de staatssecretaris van Economische Zaken de voorzitter van
de Raad voor Dierenaangelegenheden (verder: de Raad) de volgende adviesvraag voor:
“Om een afweging te kunnen maken of het houden van een diersoort als productiedier
aanvaardbaar is, heeft de Raad specifieke toetsingskaders ontwikkeld. Deze
toetsingskaders zijn ontwikkeld voor diersoorten behorende tot zoogdieren, vogels en
vissen. Wageningen UR heeft een toetsingskader ontwikkeld voor insecten, dat mede
gebaseerd is op de door de Raad ontwikkelde toetsingskaders.
Er is behoefte aan één toetsingskader waarmee, ongeacht de diersoort, op een
consistente wijze afgewogen kan worden of de soort verantwoord gehouden kan worden
als productiedier.”
Vóór 1 januari 2016 ontvang ik van u graag het volgende:
•       Eén toetsingskader waarmee ongeacht de diersoort en ingedachte de al eerder
ontwikkelde toetsingskaders een afweging gemaakt kan worden om diersoorten op de
productiedierenlijst te plaatsen. Het kader dient rekening te houden met gezondheid en –
welzijn van het dier. Risico’s voor mens (niet zijnde voedselveiligheid), plant en milieu
dienen te worden uitgesloten waarbij ook aandacht dient te worden geschonken aan deze
risico’s tijdens transport.
•       Een systematiek hoe nu opgenomen diersoorten desgewenst weer van de lijst
kunnen worden verwijderd.”
            1.2.       Afbakening
Diersoorten die voor productie gehouden mogen worden zijn opgenomen in bijlage II bij
het Besluit houders van dieren. Dieren die niet vermeld worden in deze bijlage mogen
niet gehouden worden voor productiedoeleinden. Het ministerie van EZ vraagt om een
systematiek waarmee diersoorten kunnen worden toegevoegd aan, of verwijderd van, de
productiedierenlijst. In deze zienswijze richt de Raad zich op het ontwerpen van een
procedure en een kader hiervoor.
In de vraagstelling van het ministerie van EZ wordt voedselveiligheid uitgesloten van het
Toetsingskader. De Raad kiest ervoor om dit wel mee te nemen in het toetsingskader als
onderdeel van volksgezondheid.
                                                                                        8
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>2. Achtergrond
             2.1.             Wettelijk kader
In de Wet dieren is de intrinsieke waarde van een dier een moreel vertrekpunt (artikel
1.3). Intrinsieke waarde is echter geen zelfstandig afwegingscriterium en dient vooral om
de wetgever en de beleidsmaker er op te wijzen dat het belang van het dier bij iedere
afweging een plek moet krijgen. Met andere woorden, elke vorm van diergebruik moet
over een drempel van nut en noodzaak, waarbij het belang van het dier als zodanig
wordt meegewogen.1
Voor bepalingen inzake het houden van dieren geldt in Nederland verder het nee-tenzij
beginsel. Dit grondbeginsel is vanuit de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (1992)
in de huidige Wet dieren (2011, verder Wet) overgenomen. Inzake het gebruik van
dieren voor productiedoeleinden wordt dit beginsel toegepast in artikel 2.3 van de Wet.
Dit artikel, eerste lid, luidt: ‘Het is verboden dieren te gebruiken met het oog op de
productie van producten, afkomstig van die dieren’. Op dit verbod wordt een uitzondering
gemaakt voor diersoorten of diercategorieën (verder: diersoorten) die door de
bewindspersoon zijn aangewezen krachtens een algemene maatregel van bestuur. De
vraag die de Raad is gesteld, betreft de ontwikkeling van een afwegingskader voor
toevoegen of verwijderen van diersoorten die voor productiedoeleinden kunnen worden
gehouden als uitzondering op dit verbod.
In hoofdstuk 1 van het Besluit houders van dieren (2014, verder: Besluit) wordt eerst
een algemeen kader geschetst voor het houden van dieren. Vervolgens geeft het Besluit
specifiekere regels voor het ‘houden van een dier voor landbouwdoeleinden’ ofwel ‘het
houden van dieren voor productie’.
Een diersoort mag als zodanig gehouden worden als deze op grond van artikel 2.2,
eerste lid, van de Wet is aangewezen als hiervoor geschikt blijkens plaatsing op de
huisdierenlijst. De criteria hiervoor zijn uitgewerkt in artikel 1.4 van het Besluit. De
diersoort mag door deze te houden geen onaanvaardbare mate van gevaar op schade
voor mens en/of dier opleveren en mag geen onaanvaardbare aantasting van welzijn en
gezondheid van het dier opleveren. Voor risicovolle diersoorten wordt gewerkt aan
soortspecifieke houderijvoorschriften. Tevens mag het houden van het dier niet verboden
zijn op basis van de Flora- en faunawet. De huisdierenlijst wordt vooralsnog alleen voor
zoogdieren opgesteld.
In het Besluit wordt het aanwijzen van dieren voor productie uitgewerkt in artikel 2.1. In
artikel 2.1 wordt verwezen naar bijlage II bij het Besluit waarin soorten en categorieën
van in Nederland te houden productiedieren opgesomd worden.2
In artikel 2.2 – 2.5 van het Besluit worden algemene huisvestings- en
verzorgingsnormen voor productiedieren beschreven. Naast deze algemene normen
1
  Gebaseerd op de memorie van toelichting bij de Wet dieren , onderdeel erkenning van de intrinsieke waarde
van het dier (paragraaf 3.4.1).
2
  De volledige lijst van bijlage II bij het Besluit houders van dieren is te vinden op
http://wetten.overheid.nl/BWBR0035217/2015-09-15#BijlageII
                                                                                                           9
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>kunnen er in het Besluit specifieke houderijvoorschriften uitgewerkt worden. Specifieke
houderijvoorschriften zijn er bijvoorbeeld voor het houden van varkens voor productie
(hoofdstuk 2, paragraaf 4, artikel 2.11 – 2.27) en voor het houden van pluimvee
(hoofdstuk 2, paragraaf 6, artikel 2.47 – 2.76).
              2.2.          Gehanteerde begrippen
De Raad hanteert bij het uitwerken van het rapport de volgende definities. De Raad is
zich daarbij bewust dat geen enkele omschrijving sluitend is, maar wil met deze
paragraaf een beschrijving geven met welke elementen rekening gehouden dient te
worden.
Productiedieren
Dieren die gehouden worden voor de productie van dierlijke producten (zie definitie
dierlijke producten).
Dierlijke producten
Van dieren afkomstige producten, al dan niet bewerkt of verwerkt, en daarvan afgeleide
producten, met inbegrip van levende producten als broedeieren, sperma, eicellen en
embryo’s.3
Dierenwelzijn
In de zienswijze “Zorgplicht Natuurlijk Gewogen” uit 2012 hanteert de Raad het volgende
begrip van dierenwelzijn:
“Een dier verkeert in een positieve staat van welzijn indien het in staat is om adequaat te
reageren op: honger, dorst en onjuiste voeding; thermaal en fysiek ongemak;
verwondingen en ziekten; angst en chronische stress, en het de vrijheid heeft om
normale, soortspecifieke gedragspatronen te vertonen, die het dier in staat stellen om
zich aan te passen aan de uitdagingen die de heersende omgevingsomstandigheden
bieden, zodat het dier een staat bereikt die het als positief ervaart.”
Inschattingen met betrekking tot dierenwelzijn 4
Inschattingen van het welzijn van dieren dienen bij voorkeur te zijn gebaseerd op
signalen, kenmerken en gedragingen van het dier zelf (prestatie- of output indicatoren)
en niet uitsluitend op aspecten van de houderijomstandigheden (design- of input
indicatoren).
Bovendien is voor het vaststellen van prestatie-indicatoren van belang, dat prestaties
niet uitsluitend worden gemeten als maat voor welzijnsschade, maar dat het repertoire
ook positieve kenmerken van het soortspecifieke gedrag moet bevatten die voor het dier
bijdragen aan een goede staat van welzijn.
Prestatie-indicatoren voor dierenwelzijn zijn globaal in te delen in de onderstaande drie
categorieën:
1.        Indicatoren voor fysieke gezondheid en vitaliteit;
2.        Indicatoren voor gedrag en mentale gezondheid;
3
  Definitie uit de Wet dieren, artikel 1.1.
4
  Uit de zienswijze “Fokkerij en Voortplantingstechnieken”, RDA 2010
                                                                                        10
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3.       Indicatoren voor integriteit.
Dergelijke indicatoren, of de inschatting van hoe deze in de praktijk zullen uitpakken
indien de dieren niet eerder voor productie zijn gehouden, vormen de basis voor de
beoordeling van de geschiktheid van de diersoort of diercategorie voor
productiedoeleinden.
Biologische karakteristieken
Hierbij worden bedoeld de biologische karakteristieken van het dier zoals omschreven in
artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren.
            2.3.       Eerdere toetsingskaders
Het is niet de eerste keer dat de Raad een toetsingskader voor productiedieren maakt of
dat een toetsingskader is toegepast in de afweging om een diersoort toe te laten als
productiedier. In 2002 bracht de Raad een gevraagd advies uit met een toetsingskader
voor nieuwe, voor productie te houden vissoorten. In 2006 gaf de Raad advies over het
toelaten van de dromedaris als productiedier inclusief een toetsingskader. In 2008 en
2012 publiceerde Wageningen UR een rapport over het houden van de dromedaris als
productiedier. Daarnaast publiceerde Wageningen UR in 2012 een rapport “Het toelaten
van insecten als mini-vee” dat mede is gebaseerd op de door de Raad ontwikkelde
toetsingskaders.
Het toetsingskader voor de aanwijzing van nieuwe, voor productie te houden vissoorten
lijkt sterk op het toetsingskader voor de dromedaris. Beiden gaan uit van informatie over
de biologische karakteristieken van de diersoort, van algemene informatie met
betrekking tot de productie en de productieomstandigheden en van specifieke
welzijnsrisico’s als gevolg van de productie.
Hierbij dient uit zoötechnische parameters te blijken dat er geen onaanvaardbare
welzijnsproblemen optreden bij productie en hoe in praktijk invulling zal worden gegeven
aan het managen van de productie. Bij de dromedaris wordt daarnaast het productiedoel
toegevoegd aan het kader en wordt er expliciet aangegeven dat uit de informatie moet
blijken dat de soort geschikt is als productiedier.
Het rapport “Het toelaten van insecten als mini-vee” kiest een andere invalshoek. Gesteld
wordt dat het onwaarschijnlijk is dat insecten pijn kunnen beleven. Wel wordt gesteld dat
uitgegaan moet worden van het voorzorgsprincipe aangezien de afwezigheid van bewijs
dat insecten pijn kunnen beleven geen bewijs is van de afwezigheid van pijnbeleving. Bij
insecten wordt het belangrijk geacht dat de basisbehoeften binnen de juiste marges
vallen, te weten temperatuur, luchtvochtigheid en soort voedsel.
Gekozen wordt voor een benadering waarbij het kweken van insecten geen onnodige
risico’s met betrekking tot de Nederlandse volksgezondheid, economie en ecologie met
zich meebrengen en de integriteit en gezondheid van het insect dienen tijdens de
productie zoveel mogelijk in stand gehouden te worden. De risicoanalyse wordt gebruikt
als uitgangspuntpunt, er dient geverifieerd te worden of de insectensoort tot de Q-
                                                                                       11
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>organismen of Q-waardige organismen5 hoort. Daarna volgt het kader de weg van het
verzamelen van biologische karakteristieken van de insectensoort, informatie met
betrekking tot het productieproces en hoe aan diverse basisbehoeften van het insect
tegemoet gekomen gaat worden.
Verder wordt er bij insecten specifiek ingegaan op de methoden (invriezen, verhitten en
vermalen) waarop insecten het beste gedood kunnen worden. De toetsingskaders voor
vissen en de dromedaris vragen alleen om een beschrijving van het dodingsproces
zonder specifiek in te gaan op de methode.
Kortom, eerder vastgestelde toetsingskaders vertonen - naast verschillen -
overeenkomsten voor wat betreft het aspect van relevantie van de biologische
karakteristieken van de diersoort in relatie tot de huisvesting. Verschillen betreffen de
uitgangspunten van de analyse om tot een afweging te komen of een diersoort
verantwoord te houden is als productiedier.
Wat ontbreekt is een eenduidige manier om voor alle diersoorten een consistente
afweging te maken op basis van feiten, analyses en waarden. Daarnaast gaan eerdere
toetsingskaders vooral in op de feiten en analyse rond welzijn en gezondheid van de
diersoort en worden andersoortige argumenten (bijvoorbeeld rond economische waarde
of verontreiniging van het ecosysteem) niet geadresseerd.
Het ontwikkelde toetsingskader in deze zienswijze beoogt een kader voor een integrale
afweging te zijn, waarbinnen alle relevante waarden een plek krijgen. Dit wordt
uitgewerkt in hoofdstuk 3 en 4.
5
  Q-(waardige) organismen staat voor Quarantaine (waardige) organismen, dit zijn voor planten of plantaardige
producten schadelijke organismen gebaseerd op de Europese Fytorichtlijn (2000/29/EC).
                                                                                                           12
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>3. Uitgangspunten bij het toetsingskader
             3.1.         Inleiding
De keuze om een diersoort toe te voegen aan, dan wel te verwijderen van, de
productiedierenlijst is in essentie een normatieve keuze. Op het moment dat er een
concrete aanvraag voorligt om een diersoort te gebruiken voor productiedoeleinden,
zullen belangen van dier, mens en ecosysteem tegen elkaar afgewogen moeten worden.
Het uitgangspunt is daarbij de zienswijze One Health (2016)6. Hiermee kan er een
integrale afweging gemaakt worden bij het toelaten van een dier als productiedier.
Nederland kent een lijst met daarop diersoorten die in ons land gehouden kunnen
worden: de huisdierenlijst. De Raad neemt deze huisdierenlijst als uitgangspunt. Voor
plaatsing op de huisdierenlijst wordt de vraag beantwoord ‘kan dit dier gehouden
worden?’. Pas daarna wordt de vraag ‘kan dit dier voor productiedoeleinden’ worden
gehouden?’ beantwoord.
Het voorliggende toetsingskader heeft als doel om een handvat te geven voor de
afweging van dier-, mens- en ecosysteembelangen op basis van feiten, analyses en
waarden. Het toetsingskader ordent deze en maakt ze expliciet en transparant. Het
toetsingskader kan zowel gebruikt worden voor een individuele ontheffing om een
bepaalde diersoort te houden voor productie als voor een besluit een diersoort of
diercategorie toe te voegen aan of te verwijderen van bijlage II van het Besluit.
In onderstaande paragrafen worden bovenstaande uitgangspunten toegelicht.
             3.2.         Zienswijze One Health
In de zienswijze “One Health” schetst de Raad een afwegingskader voor
beleidsbeslissingen. Doel van dit afwegingskader is om op transparante en evenwichtige
wijze het geheel van welzijn (inclusief gezondheid) van mens, dier en ecosysteem te
optimaliseren. De basis voor dit afwegingskader is gelegd in de “Agenda voor het
Dierbeleid” (RDA, 2010). Het afwegingskader bestaat uit een schema dat de
verschillende onderdelen laat zien die deel uitmaken van een afweging, en een lijst met
punten waaraan aandacht besteed zou moeten worden.
Het voorliggende toetsingskader is een toepassing en concretisering van dit
afwegingskader met als achterliggende morele vraag “Mag deze diersoort voor productie
gehouden worden (ten behoeve van de mens)?” en met als potentieel moreel dilemma
“Hoe bepaal je het evenwicht tussen het productiedoel en de (mogelijke) schade aan
gezondheid en welzijn van het dier, volksgezondheid en ecosysteem?
Het One Health model beschrijft de relevante waarden bij deze afweging. De verzamelde
informatie voor het toetsingskader en de analyse bieden aanknopingspunten om deze
waarden tegen elkaar af te wegen.
6
  Zienswijze “One Health” (RDA, 2016)
                                                                                     13
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>In bijgevoegde figuur staat het afwegingskader uit de zienswijze “One Health” verder
uitgewerkt. In de bijlage worden de waarden genoemd in onderstaand kader verder
toegelicht.
            Afwegingskader
      Toetsingskader Productiedieren
   Concrete beleidsafweging voor verschillende
               handelingsalternatieven
         Wetenschappelijke kennis
         (relevant en actueel)                     Fundamentele morele vraag
          Levert een objectief en realistisch          Mag      deze     diersoort      voor
          beeld van handelingsalternatieven            productie worden gehouden ten
                                                       behoeve van de mens?
                                                   Fundamentele vooronderstellingen
         Maatschappelijke moraal
                                                               Fundamentele vooronderstellingen
         Breed gedragen en gebaseerd
         op:
                  Intuïties
                  Principes                       Potentieel moreel dilemma
                  Feiten
                                                   Hoe bepaal je het evenwicht tussen het
         Om handelingsalternatieven te             productiedoel en de (mogelijke) schade aan
         beoordelen aan de hand van                gezondheid en welzijn van het dier, mens en
                                                   ecosysteem?
         maatschappelijke en ethische
         opvattingen                               Dilemma’s die ondanks de afweging blijven
                                                   bestaan
  Het afwegingskader One Health toegepast voor
     ‘toetsingskader productiedieren’ leidt tot
  specifieke vragen, zie hiervoor de uitwerking in
                    hoofdstuk 4.
   Relevante waarden
   Relevante waarden uit de drie
   domeinen die in de eindafweging
   moeten worden meegenomen
                                                                                   Dier
                                                                                               14
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>             3.3.          Relatie met de Huisdierenlijst
Het al dan niet toelaten van een diersoort als productiedier geschiedt volgens de Raad in
twee stappen die logischerwijs voortvloeien uit de Wet. Voordat de vraag ‘kan deze
diersoort gehouden worden voor productie?’ beantwoord kan worden, dient eerst de
primaire vraag ‘kan deze diersoort gehouden worden?’ beantwoord te worden.
Nederland kent hiervoor de systematiek van de huisdierenlijst (voorheen ook aangeduid
als positieflijst). Als een diersoort op de huisdierenlijst staat mag deze gehouden worden.
Er zijn diersoorten die door een ieder gehouden mogen worden volgens de algemene
huisvestings- en verzorgingsnormen zoals opgenomen in het Besluit (paragraaf 2, tabel
1). Daarnaast zijn er diersoorten die uitsluitend gehouden mogen worden met
inachtneming van soortspecifieke houderijvoorschriften (tabel 2). Staat de diersoort niet
op een van deze twee lijsten dan is het volgens het nee-tenzij beginsel verboden om
deze diersoort te houden.7
Uitgangspunt van de Raad is dat diersoorten die worden getoetst op de wenselijkheid om
deze voor productie te houden vooraleerst geschikt zijn bevonden om, al dan niet met
soortspecifieke houderijvoorschriften, door de mens gehouden te worden. In de praktijk
betekent dat, dat diersoorten niet eerder op de lijst voor productiedieren kunnen worden
geplaatst dan nadat ze door de bewindspersoon voor de huisdierenlijst zijn aangewezen
in tabel 1 of 2.
Voor de huisdierenlijst worden per diersoort de biologische karakteristieken van het te
houden dier in kaart gebracht op basis van literatuurgegevens en beschikbare
praktijkinformatie. Vervolgens wordt er een argumentenkaart opgesteld waarbij de
risico’s voor welzijn en gezondheid van het dier verder uitgewerkt worden. Naast
gezondheid en welzijn van het dier wordt ook gekeken naar risico’s voor de mens zoals
letselschade en zoönosen. Op basis hiervan besluit de bewindspersoon of de diersoort
wordt toegevoegd aan de huisdierenlijst.
Het houden van diersoorten voor productie onderscheidt zich van het houden van
diersoorten van de huisdierenlijst voor gezelschap of hobby met name door het
bedrijfsmatige aspect. Dit komt tot uiting in de commerciële doelstelling van de houderij
van productiedieren en het geldende wettelijke kader. Deze bedrijfsmatige aspecten
hebben in de regel gevolgen voor de manier waarop de diersoort gehouden wordt. Veelal
betreft het grotere aantallen dieren die individueel over minder ruimte beschikken. Hun
omgeving is gericht op efficiëntie en als ze buiten komen, is de verblijfstijd meestal
beperkt.
Voor de huisdierenlijst worden vooralsnog alleen zoogdieren getoetst. Als bij een
aanvraag om een diersoort voor productie te mogen houden het betreffende zoogdier
nog niet getoetst is, adviseert de Raad dit te doen voordat er een beslissing kan worden
genomen over het houden van de diersoort voor productie.
7
  Aan het opstellen van de huisdierenlijst gaat een geschiedenis vooraf die teruggaat tot de publicatie van de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (1992). De volledige context is na te lezen in de toelichting bij de
wijziging van de Regeling houders van dieren in de Staatscourant (nr. 2934 ,publicatie 30 januari 2015).
                                                                                                               15
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Voor andere diercategorieën dan zoogdieren kan ook gebruik gemaakt worden van het
voorliggende toetsingskader voor productiedieren. Op het moment dat andere
diercategorieën dan zoogdieren getoetst worden voor plaatsing op de huisdierenlijst,
adviseert de Raad deze plaatsing als uitgangspunt te nemen. Ook hier geldt dan dat
diersoorten die niet op de huisdierenlijst staan, niet getoetst kunnen worden voor
plaatsing op de productiedierenlijst.
            3.4.        Wettelijke procedure
Op basis van de Wet is het verboden dieren te houden voor productie tenzij de diersoort
geplaatst is op bijlage II van het Besluit. Daarnaast is het mogelijk om op basis van de
Wet een individuele, concrete uitzondering op het verbod tot het houden van een
diersoort voor productie toe te passen: een ontheffing.
Daarmee zijn er drie situaties mogelijk met betrekking tot productiedieren:
    a. Een aanvrager8 verzoekt om een individuele ontheffing om een bepaalde diersoort
        voor productiedoeleinden te mogen houden;
    b. Een aanvrager verzoekt om een diersoort toe te voegen aan bijlage II van het
        Besluit;
    c. Een aanvrager verzoekt om een diersoort te verwijderen van bijlage II van het
        Besluit.
Het toetsingskader kan toegepast worden bij elk van deze situaties. In geval er voor een
diersoort sprake is van wezenlijk verschillende houderijsystemen of productiedoelen
beveelt de Raad aan dat de afweging voor ieder van de verschillende houderijsystemen
of productiedoelen afzonderlijk wordt gemaakt. In onderstaande paragrafen worden de
verschillende situaties verder toegelicht.
3.4.1. Ontheffing
Met een ontheffing kan een diersoort worden gehouden voor productie ook al staat deze
niet op bijlage II van het Besluit. Een ontheffing zal in de regel worden toegekend aan
een individuele ondernemer.
Als een diersoort in Nederland wordt geïntroduceerd als productiedier adviseert de Raad
om, na volledige toetsing, altijd eerst te werken met een ontheffing. Op het moment van
introductie wordt het dier in principe nog niet gehouden als productiedier en ontbreekt
praktijkkennis over het houden van het dier voor productie in de Nederlandse situatie.
De Raad adviseert om een ontheffing altijd voor maximaal 5 jaar te verlenen. In deze
periode dient de aanvrager praktijkinformatie te verzamelen met betrekking tot de
relevante aspecten van het toetsingskader. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden
gekoppeld worden om welzijn en gezondheid van de betreffende diersoort te borgen.
3.4.2. Toevoegen
8
  Met een aanvrager wordt hier “een belanghebbende” bedoeld
                                                                                       16
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Het toekennen van een verzoek tot plaatsing van een diersoort op bijlage II van het
Besluit heeft als gevolg dat een ieder die dat wil de betreffende diersoort kan houden
voor productie.
De Raad hecht grote waarde aan een zorgvuldige toepassing van het toetsingskader
waarin praktijkervaring in de Nederlandse situatie een belangrijke rol speelt. De Raad
adviseert om voordat een diersoort geïntroduceerd wordt als productiedier eerst
praktijkervaring in de Nederlandse situatie op te doen middels individuele ontheffingen
alvorens eventueel wordt overgegaan tot plaatsing op bijlage II. Om dierenwelzijn en
diergezondheid te kunnen borgen en het risico op onaanvaardbare knelpunten te
minimaliseren adviseert de Raad tevens om het toevoegen van een diersoort aan de lijst
van diersoorten voor productiedoeleinden, altijd gepaard te laten gaan met specifieke
houderijvoorschriften in het Besluit. Daar waar het bij de reeds geplaatste diersoorten
nog niet het geval is, adviseert de Raad om hiervoor alsnog houderijvoorschriften op te
stellen.
3.4.3. Verwijderen
Het toekennen van een verzoek tot verwijderen van een diersoort van de
productiedierenlijst heeft als gevolg dat de betreffende diersoort in Nederland niet meer
voor productiedoeleinden gehouden mag worden. Hiertoe kan besloten worden als er
nieuwe informatie beschikbaar is, als zich technologische doorbraken voordoen waardoor
de afweging in een ander licht komt te staan of als er een verschuiving plaatsvindt in de
maatschappelijke moraal waardoor het doel van de productie niet langer opweegt tegen
de (mogelijke) schade aan dier, mens en/of ecosysteem.
De Raad adviseert om het mogelijk te maken om voor een diersoort een herbeoordeling
in het kader van de productiedierenlijst aan te vragen in lijn met de herbeoordelingen die
aangevraagd kunnen worden voor diersoorten op de huisdierenlijst. Er dient echter
voorkomen te worden dat er voortdurend sprake kan zijn van herbeoordelingen, ook met
het oog op de continuïteit van de bedrijfsvoering van de betrokken dierhouders. De Raad
adviseert om voor de conclusie van een (her)beoordeling een geldigheidsduur van
tenminste vijf jaar te hanteren, tenzij er sprake is van zwaarwegende redenen om dit in
te korten.
Als er overgegaan wordt tot het verwijderen van een diersoort van bijlage II gaat de
Raad er vanuit dat hier voor bestaande bedrijven altijd een reële overgangstermijn aan
gekoppeld is.
           3.5.       Overwegingen
Bij het toestaan van een diersoort voor productiedoeleinden – via een ontheffing of door
plaatsing op de productiedierenlijst – zullen meestal andersoortige argumenten gebruikt
worden dan bij het verwijderen van een diersoort van die lijst.
Bij introductie van een niet eerder in ons land voor productie gehouden diersoort gaat
het om één of hooguit enkele bedrijven die de betreffende diersoort willen houden als
productiedier. Op het moment van de eerste aanvragen zal de diersoort in Nederland in
principe niet of slechts op enkele bedrijven voor productie gehouden worden. Macro-
economische argumenten en argumenten met betrekking tot schade aan het ecosysteem
                                                                                       17
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>zullen in de afweging bij een of enkele bedrijven niet snel een belangrijke rol spelen,
deze zijn veeleer gerelateerd aan grotere aantallen dieren of bedrijven.
Bij het verwijderen van een diersoort of diercategorie die reeds op de productiedierenlijst
is geplaatst, zal er in een aantal gevallen sprake zijn van een sector die een economische
waarde vertegenwoordigt welke komt te vervallen als de diersoort niet meer gehouden
mag worden. De inbreuk op het eigendomsrecht van de dierhouder, het zelf kunnen
beschikken en besluiten over hun dierhouderij (autonomie) en de rechtvaardiging van de
eisen van algemeen belang ten opzichte van de bescherming van de fundamentele
rechten van dierhouder (fair balance) spelen in dergelijke gevallen een belangrijke rol.
Dit krijgt in de regel zijn weerslag in discussies over schadeloosstelling en
uitfaseringsperiode. Met het besluit om een diersoort van de lijst voor productiedieren te
verwijderen wordt immers verboden wat tot dan toe wettelijk was toegestaan.
Daarnaast constateert de Raad dat dieren in toenemende mate ingezet worden voor
andere producten en diensten die steeds sterker een bedrijfsmatig karakter kennen. Dit
kan bijvoorbeeld betrekking hebben op activiteiten en werkzaamheden waarbij dieren
een ondersteunende of assisterende rol hebben in de zorg, in onderzoek en in het
onderwijs. Hier heeft het Besluit op dit moment geen betrekking op omdat zij zich
beperkt tot het aanwijzen van diersoorten die te houden zijn voor productie. De Raad
adviseert daarom om het toetsingskader niet alleen te benutten voor productiedieren
zoals bedoeld in het Besluit maar voor alle dieren die bedrijfsmatig ingezet worden om
producten of diensten te leveren aan mensen.
Kortom: Het toetsingskader is in essentie gelijk voor zowel het toevoegen aan als voor
het verwijderen van diersoorten aan bijlage II, maar de argumenten om toe te voegen of
te verwijderen kunnen verschillen. Het voorliggende toetsingskader beoogt de feiten,
analyse en waarden die gebruikt worden om over te gaan tot plaatsen of verwijderen
helder te krijgen. Deze afweging zou zowel gemaakt moeten worden voor
productiedieren zoals genoemd in het Besluit als voor dieren die andere producten en
diensten kunnen leveren. Of je bedrijfsmatig biggen of puppy’s produceert, maakt voor
het toetsingskader geen verschil. De Raad acht het van groot belang dat ook
besluitvorming over het gebruik van diersoorten voor productie zorgvuldig, transparant
en consistent plaatsvindt.
           “All animals are equal, but some animals are more equal than others”
                                                                                        18
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>4. Toetsingskader
          4.1.        Drie stappen
De Raad hanteert het uitgangspunt dat de productiedierenlijst op het niveau van
(onder)soorten (zo nodig met vermelding ‘gedomesticeerde vorm’) wordt samengesteld.
Om te kunnen afwegen of een diersoort toegevoegd aan, of verwijderd van de
productiedierenlijst kan worden, wordt in dit hoofdstuk een systematiek bestaande uit
drie stappen voorgesteld.
Stap 1: Verzamelen van informatie.
In deze stap wordt er informatie verzameld over de consequenties van het houden van
de diersoort voor productiedoeleinden aangaande de drie aspecten: dier, mens en
ecosysteem. Dit bestaat uit feitelijke informatie over de diersoort en diens beoogde
houderij-omstandigheden. Daarnaast wordt er informatie verzameld over economische,
bedrijfskundige, ecologische en volksgezondheidsaspecten. Als een bepaald aspect niet
van belang wordt geacht dient onderbouwd te worden waarom dit het geval is.
Stap 2: Analyse
Op basis van de feitelijke informatie, verzameld in stap 1, wordt een analyse gemaakt
van mogelijke knelpunten die voorzien worden voor het welzijn (inclusief gezondheid)
van het dier gelijk aan de systematiek van de huisdierenlijst. Daarnaast wordt er
gekeken naar mogelijke risico’s met betrekking tot volksgezondheid en het ecosysteem.
Indien de verzamelde informatie in stap 1 te beperkt is, zal er eerst meer informatie
aangeleverd moeten worden.
Tot slot wordt bekeken op welke manier de aanvrager voor de gesignaleerde knelpunten
in maatregelen heeft voorzien die de kans op deze knelpunten minimaliseren. Op basis
van deze analyse kunnen eventuele houderijvoorschriften en managementmaatregelen
worden geformuleerd.
Stap 3: Afweging
In de laatste stap worden de verschillende argumenten betrokken op het toelaten of juist
afwijzen van een diersoort voor productie op een rij gezet, gerelateerd aan de waarden
zoals beschreven in de zienswijze ‘One Health’ (RDA, 2016). Op basis hiervan kan
besloten worden welke argumenten doorslaggevend zijn bij toelaten of afwijzen van een
diersoort voor productie.
In onderstaande paragrafen wordt toegelicht welke informatie gewenst is en door wie
deze aangeleverd dient te worden, welke vragen er beantwoord dienen te worden en wie
de mogelijke beoordelaar hiervan is.
          4.2.        Stap 1: Verzamelen van informatie
    1) Dier
Algemeen                         Soortnaam
                                 Ras
                                                                                     19
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Biologische Karakteristieken9                   Leefomgeving: de mate waarin het dier van nature
(beschrijvend, als                         1    beweegt en de wijze waarop het dier van nature leeft in
uitgangspunt voor huisvesting                   een specifieke omgeving
& verzorging)                                   Grootte: de gemiddelde grootte van het dier op
                                           2
                                                volwassen leeftijd
                                                Activiteit: De mate waarin het dier van nature periodes
                                           3    van activiteit afwisselt met periodes van inactiviteit
                                                gedurende een dag of seizoen
                                                Voedsel en foerageren: De mate waarin en de wijze
                                           4    waarop een dier van nature foerageert en eet, inclusief
                                                de samenstelling van het opgenomen rantsoen
                                                Veiligheid: de mate waarin het dier van nature veiligheid
                                           5
                                                zoekt en gebruik maakt van schuilgelegenheid
                                                Voortplanting: de wijze waarop het dier zich van nature
                                           6
                                                voortplant en jongen grootbrengt
                                                Hygiëne en comfort: De mate waarin en de wijze waarop
                                           7    het dier van nature schoonmaak- en comfortgedrag
                                                vertoont
                                                Sociaal gedrag: De wijze waarop het dier van nature
                                           8    leeft met soortgenoten of andere dieren en daarmee
                                                sociale relaties onderhoudt
                                                Afleiding en speelgedrag: De mate waarin het dier van
                                           9
                                                nature reageert op prikkels en afleiding
                                                Ziekten: De wijze waarop het dier zich van nature te
                                          10
                                                weer stelt tegen ziekteverwekkers
Houderijsysteem10
Huisvesting                              111    Leefomgeving: a) wanden, vloer en grond, b) verlichting,
(binnen en buiten)                              luchtverversing en verwarming, c) afrastering en
                                                beschutting
                                         2      Grootte: afmeting, uitvoering en vormgeving
                                         5      Veiligheid: rust- en schuilmogelijkheden
                                         7      Hygiëne en comfort: mogelijkheid tot schoonmaak- en
                                                comfortgedrag
                                         8      Sociaal gedrag: huisvesting individueel/ groep, het aantal
                                                dieren dat in een groep wordt gehouden,
                                                bezettingsdichtheid , wanneer en op welk moment
                                                contact met overig gehuisveste dieren
Verzorging & voeding                     3      Activiteit: rustmogelijkheden
                                         4      Voedsel en foerageren: type voer (incl. verhoudingen bij
                                                verschillende type), hoeveelheid voer, herkomst voer.
                                                Voermethode: toegang tot water en voer, wanneer
                                                voeren/ voeronthouding, stressbeperking bij voeren.
                                         9      Afleiding en speelgedrag: omgevingsverrijking
                                         10     Ziekten: voorkomende ziekten, ziekte incidentie,
                                                preventieve zorg, curatieve zorg (medicijnen ea),
                                                onderbrengen/afzonderen zieke dieren, reiniging en
9
  Gebaseerd op artikel 1.4. Besluit houders van dieren
10
   Gebaseerd op art. 2.2. van de Wet dieren
11
   De nummers corresponderen met de bijbehorende nummers bij het onderdeel biologische karakteristieken
                                                                                                       20
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                ontsmetting van de ruimte
                                          -     Handelingen aan het dier: ingrepen, biotechnologische
                                                handelingen, overige handelingen
Fokkerij                                  6     Voortplanting: mogelijkheden en de wijze van
                                                voortplanten, aanlevering uitgangsmateriaal (incl evt
                                                wildvang), omgang met nakomelingen, surplus dieren
Transport (aanvoer en afvoer)             Wijze van transport: type vervoer, bezettingsdichtheid,
                                          afstand en duur
Doden                                     Wijze van doden: methode12
     2) Mens
                                          Ervaringen met houden elders
                                          Doeleinde van productie
Bedrijfskundige informatie                Kwantiteit en kwaliteit van productie
                                          Productieproces
                                          Productiecyclus
                                          Deskundigheid & vakbekwaamheid personeel en erfbetreders
                                          Supervisie en inspectie
                                          Bedrijfsbegeleiding
                                          Benodigde apparatuur
                                          Operatieve ingrepen & onderzoeken (inclusief registratie
                                          medische zorg en sterfte)
                                          Administratie: Herkomst, bestemming of verplaatsing van
                                          dieren
                                          Bedrijfsgrootte (aantallen te houden dieren)
Economische informatie                    Jaarlijkse omzet*
                                          Productievolume
                                          % BNP (Bruto Nationaal Product)*
                                          Aantal arbeidsplaatsen
                                          Aantal bedrijven
         *Niet van toepassing op individueel bedrijf/ individuele aanvrager
                                          Risico op ontsnapping uit bedrijf
Volksgezondheid                           Risico op verwonding (oa letselschade)
                                          Zoönosen
                                          Overlast (geluid, geur)
                                          Voedselveiligheid
                                          Voorkomen verspreiding van ziekten
     3) Ecosysteem
         Hierbij kan gedacht worden aan zowel lokaal, regionaal als nationaal niveau
12
   Conform geldende wet- en regelgeving: art. 5.1 Besluit houders van dieren en EU verordening 1099/2009.
Indien er voor de soort geen specifieke regelgeving geldt, dient te worden aangetoond dat bij het doden van
dieren en daarmee verband houdende activiteiten dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden
bespaard wordt (paragraaf 1.3, Besluit houders van dieren).
                                                                                                            21
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                  Emissies: o.a mest, ammoniak, broeikasgassen
Milieu & omgeving                 Gebruikte energie
                                  Waterbehoefte en -vervuiling
                                  Bodemkwaliteit
                                  Luchtkwaliteit
                                  Biodiversiteit & plantgezondheid
                                  Inrichting landschap
                                  Risico op invasiviteit (plaagvorming) en ontsnapping uit het
                                  bedrijf
Output parameters
                                  Algemene fysiologische parameters
Output parameters algemeen        Conditie ( ‘body condition score’)
                                  Normaal en afwijkend gedrag
                                  (Zelf)beschadigend gedrag/ beschadigingen aan het dier
                                  Eetlust
                                  Voortplanting
                                  Groei
                                  Mortaliteit
                                  Morbiditeit
 Door wie wordt de informatie aangeleverd?
 Door de aanvrager
 Welke vragen worden er beantwoord?
      Is de informatie volledig?
      Is de informatie van voldoende kwaliteit?
 Door wie wordt de vraag beantwoord?
 Op basis van ‘expert evaluatie’, bijvoorbeeld een beoordelingscommissie
          4.3.      Stap 2: Analyse
                    Aandachtspunten             Aanvragend              Maatregel/
                                                bedrijf                 houderijvoorschrift
Huisvesting
Verzorging en
voeding
Fokkerij
Transport en
doden
Volksgezondheid
Ecosysteem
                                                                                               22
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre> Door wie wordt de informatie aangeleverd?
 Eerste analyse door de aanvrager aangevuld met een analyse op basis van expert
 evaluatie
 Welke vragen worden er beantwoord?
    Kan er voldaan worden aan geldende wet- en regelgeving?
    In hoeverre worden welzijn, gezondheid en integriteit geschaad? Wat is de
      ernst van mogelijke welzijnsproblemen? Indien welzijn en gezondheid
      worden geschaad, zijn er voldoende mogelijkheden voor managen van het
      bedrijfsmatig houden van de betreffende diersoort om risico’s op
      diergezondheids- en/of dierenwelzijnsproblemen te minimaliseren?
    Zijn er risico’s met betrekking tot volksgezondheid en ecosysteem waarmee
      rekening gehouden dient te worden? Zo ja, zijn er voldoende
      mogelijkheden voor het managen om deze risico’s te minimaliseren?
 Door wie wordt de vraag beantwoord?
 Op basis van ‘expert evaluatie, bijvoorbeeld een beoordelingscommissie
             4.4.     Stap 3: Argumenten en afweging
Argumenten hebben betrekking op de gehele productieketen inclusief fokkerij, houderij-
omstandigheden, transport en doden.
Het wettelijk kader wordt als eerste benoemd. Het wettelijk kader kan direct de
handelingsalternatieven beïnvloeden. Met het wettelijk kader wordt niet bedoeld bijlage
II bij het Besluit, dit is immers het wettelijk kader dat voor wijziging voorligt.
Een toelichting bij bovenstaande waarden kunt u vinden in de bijlage. De waarde welzijn
is in bovenstaand kader bij het onderdeel dier verder gespecificeerd.
                                                                   Weging
Domein              Waarde                                 Zwaar   Middel    Licht
                    Wettelijk kader
                    Welzijn van het dier (zie definitie)
      Dier
                    Gezondheid van het dier
                    Integriteit van het dier (inclusief
                    ingrepen)
                    Volksgezondheid
                    Publieke opinie & maatschappelijke
      Mens &
                    impact
                    Economische waarde
                    Doel van productie (‘instrumentele
    Ecosysteem
                    waarde’)
                    Culturele en relationele waarde
                    Inherente waardigheid en
                    autonomie
                                                                                     23
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                   Verontreiniging (bv emissies,
                   energie, bodemkwaliteit,
                   waterkwaliteit, luchtkwaliteit)
                   Biodiversiteit
                   Landschap
                   Gezondheid dierpopulatie
 Door wie wordt de informatie aangeleverd?
 Informatie voor de feiten en argumenten komt uit de twee voorgaande stappen.
 Daarnaast is er plaats voor argumenten voortkomend uit de maatschappelijke
 context.
 Welke vragen worden er beantwoord?
      Welke argumenten zijn er pro en contra het toelaten of verbieden van het
        houden van een diersoort voor productie? Welk gewicht hebben deze
        argumenten?
      Wegen de risico’s op kosten voor dier, volksgezondheid en ecosysteem op
        tegen het perspectief op baten?
 Door wie wordt de vraag beantwoord?
 De bewindspersoon besluit op basis van welke argumenten een diersoort een
 ontheffing krijgt of toegevoegd/geschrapt wordt van bijlage II van het Besluit.
 In geval van toevoegen/ verwijderen van een diersoort aan bijlage II zal de
 gebruikelijke voorhangprocedure bij een wetswijziging gevolgd worden.
                                                                                 24
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>5. Conclusies en aanbevelingen
De Raad vindt het van groot belang dat bij het al dan niet toelaten van een diersoort als
productiedier er een zorgvuldige, consistente en transparante afweging plaatsvindt
waarbij alle relevante waarden in voldoende mate worden meegewogen. Dat geldt
evenzo voor het verwijderen van een diersoort van de productiedierenlijst. Deze
afweging kan gemaakt worden met behulp van het voorliggende toetsingskader. Het
toetsingskader is in essentie zowel voor toevoegen als voor het verwijderen van
diersoorten aan bijlage II gelijk al kunnen de argumenten om toe te voegen of te
verwijderen verschillen. Het is wenselijk dat het kader regelmatig geëvalueerd wordt om
het actueel te houden.
Om dit te realiseren doet de Raad de volgende aanbevelingen:
    1. Maak een koppeling tussen de huisdierenlijst en de productiedierenlijst. Voordat
       de vraag ‘kan deze diersoort gehouden worden voor productie’ beantwoord kan
       worden, dient eerst de primaire vraag ‘kan deze diersoort gehouden worden?’
       bevestigend beantwoord te zijn.
    2. In geval er voor een diersoort sprake is van wezenlijk verschillende
       houderijsystemen of productiedoelen beveelt de Raad aan dat de afweging voor
       ieder van de verschillende houderijsystemen of productiedoelen afzonderlijk wordt
       gemaakt.
    3. Bij het toelaten als productiedier van een diersoort die in Nederland niet eerder
       voor productiedoeleinden is gebruikt, wordt geadviseerd om dit - na volledige
       toetsing - altijd eerst op basis van individuele ontheffingen te doen. Aan deze
       ontheffing dienen voorwaarden aan het houden gekoppeld te zijn om het welzijn
       van de betreffende dieren te borgen. Ook kunnen er voorwaarden worden gesteld
       om aanvullende diergerichte gegevens (output parameters) te registreren ten
       behoeve van eventuele vervolgbeoordelingen.
    4. Het toevoegen van een diersoort aan de lijst van diersoorten voor
       productiedoeleinden     dient    altijd  gepaard    te   gaan    met      specifieke
       houderijvoorschriften die verankerd worden in het daartoe bestemde Besluit. Daar
       waar dit voor de reeds aangewezen diersoorten nog niet het geval is, adviseert de
       Raad om alsnog voor deze diersoorten specifieke houderijvoorschriften op te
       nemen.
    5. Maak het mogelijk om voor de voor productiedoeleinden aangewezen diersoorten
       een verzoek tot herbeoordeling aan te vragen. Zorg hierbij wel voor stabiliteit
       door de conclusie van een (her)beoordeling tenminste vijf jaar geldig te laten zijn.
    6. Pas het Toetsingskader niet alleen toe voor productiedieren zoals bedoeld in het
       Besluit maar gebruik het ook voor diersoorten die bedrijfsmatig andersoortige
       producten of diensten leveren.
Overige aanbevelingen
Op het moment dat een diersoort of diercategorie ontheffing krijgt om voor
productiedoeleinden gehouden te worden of toegevoegd/verwijderd wordt van bijlage II
                                                                                         25
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>van het Besluit ligt er een dossier op basis van welke feiten en argumenten het
toegestaan of verboden is om de betreffende diersoort te houden.
Echter, diersoorten die op de huidige bijlage II van het Besluit staan, zijn niet beoordeeld
door middel van een toetsingskader. De Raad adviseert om dit alsnog te doen en
daarmee een dossier aan te leggen voor alle diersoorten die in ons land voor productie
worden gehouden.
Het werken met dossiers biedt eveneens de mogelijkheid om eenvoudiger
herbeoordelingen uit te kunnen voeren. Als er al een dossier ligt hoeft de aanvrager
alleen nog maar aan te geven op welke punten de informatie dusdanig veranderd is dat
er een herbeoordeling zou moeten plaatsvinden. Daarmee wordt bevorderd dat een
herbeoordeling op een zorgvuldige, consistente wijze wordt uitgevoerd.
    7. Toets alle diersoorten van de huidige bijlage II van het Besluit met behulp van dit
       toetsingskader en leg de bevindingen vast in een dossier.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) publiceert de afgegeven ontheffingen
op basis van het Besluit op haar website. In het verlengde hiervan adviseert de Raad om
naast de toegekende ontheffingen ook inzicht te geven op basis van welke feiten,
analyses en argumenten een diersoort gehouden of juist niet gehouden mag worden voor
productie. Dit kan bijvoorbeeld door openbare publicatie van de in aanbeveling 7
genoemde dossiers per diersoort. Uiteraard dient hierbij specifieke bedrijfsgevoelige
informatie niet meegenomen te worden.
    8. Maak de feiten, analyses en waarden op basis waarvan een besluit genomen
       wordt om een diersoort al dan niet te houden voor productie, transparant en
       inzichtelijk.
Op deze wijze is het voor een ieder inzichtelijk op basis van welke argumenten een
bepaalde diersoort gehouden kan worden voor productie.
Tot slot merkt de Raad op dat voorliggend toetsingskader aangepast kan worden aan
nieuwe inzichten op basis van nieuw beschikbare kennis en ervaring.
                                                                                         26
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde Bronnen
      1. Bokkers, E.A.M., Schipper, W.A.H., Eilers, C.H.A.M. 2008. De dromedaris
          ingelijst? Een onderzoek naar de regelgeving bij de introductie van nieuwe
          productiedieren in Nederland met een casestudie over de dromedaris
          (Camelus dromedarius). Wetenschapswinkel Wageningen UR, Rapport 242,
          Wageningen.
      2. Bokma-Bakker, M.H., Hopster, H. Kaandorp, J. Ohl, F., Poelarends, J. 2012.
          Advies over toevoegen van Camelus dromedarius aan de positieflijst voor
          productiedieren. Wageningen UR Livestock Research, Lelystad.
      3. Hakman, A., Peters, M., Van Huis, A. 2013. Toelatingsprocedure voor insecten
          als mini-vee. Voor het plaatsen van nieuwe insectensoorten op de lijst voor
          productie te houden dieren. Wageningen UR, Laboratorium voor entomologie,
          Wageningen.
      4. Lourens, S., Bokma-Bakker, M.H. en H. Hopster. 2016. Advies over de
          geschiktheid van de kwartel als productiedier. Wageningen UR Livestock
          Research, Rapport 929, Wageningen..
      5. Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie. 2011. Ethiek in
          Beleid: waarden wegen met gevoel en verstand. Directie Voedsel, Dier en
          Consument, Den Haag.
      6. Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie. 2012. Project
          rechtvaardiging voor het houden van dieren. Directie Plantaardige Agroketens
          en Voedselkwaliteit, Den Haag.
      7. Neijenhuis, F., Ruis, M.A.W., Bokma-Bakker, M.H. 2015. Advies over de
          geschiktheid van de alpaca als productiedier. Lelystad, Wageningen UR
          Livestock Research, Rapport 928.
      8. Ruis, M.A.W., Bokma-Bakker, M.H. 2014. Advies over de geschiktheid van de
          barbarie-eend als productiedier. Wageningen UR Livestock Research, Rapport
          817, Lelystad.
      9. Twee adviseurs dierenwelzijn, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
          (persoonlijke mededeling)
      10. Raad     voor   Dierenaangelegenheden.   2002.    Een    toetsingskader   en
          toelatingsprocedure voor aanwijzing van nieuwe voor productie te houden
          vissoorten. Den Haag.
      11. Raad voor Dierenaangelegenheden. 2006. Dromedaris als productiedier. Den
          Haag.
      12. Raad voor Dierenaangelegenheden. 2010. Agenda voor het Dierbeleid. Den
          Haag.
      13. Raad voor Dierenaangelegenheden. 2010. Fokkerij en Voortplantings-
          technieken. Den Haag.
      14. Raad voor Dierenaangelegenheden. 2012. Zorgplicht Natuurlijk Gewogen. Den
          Haag.
      15. Raad voor Dierenaangelegenheden. 2016. One Health. Den Haag.
      16. www.wetten.nl. 2015. Wet Dieren.
      17. www.wetten.nl. 2015. Besluit houders van dieren.
                                                                                    27
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Bijlage. One Health: af te wegen waarden
Het afwegingskader biedt een reeks van relevante waarden om in aanmerking te nemen
bij het maken van een afweging volgens het One Health-principe. Hieronder worden ze
toegelicht en aangevuld met enkele relevante vragen om het geheel nog concreter
maken. Het wettelijk kader staat bovenaan, omdat wettelijke onmogelijkheden een
handelingsalternatief direct kunnen beëindigen. Het aspect ‘individuele gezondheid’ is
onder de waarde ‘welzijn’ geschaard, in overeenstemming met andere zienswijzen van de
RDA. De andere waarden zijn op alfabetische volgorde gerangschikt.
Wettelijk kader
Domeinen mens, dier en ecosysteem
Rechten en plichten volgens de in Nederland geldende wetten en regels, alsmede de
uitvoering en handhaving daarvan. Voor de domeinen mens, dier en ecosysteem zijn
voornamelijk de Wet publieke gezondheid, de Wet dieren en de Wet natuurbescherming
van belang.
•      Welk wettelijk kader geldt voor een bepaald vraagstuk?
•      Welke ruimte biedt het wettelijk kader?
Autonomie
Domein mens
Bij autonomie gaat het erom dat mensen zelf kunnen beschikken over hun eigendommen
en dat ze zelfstandig hun beslissingen kunnen nemen. Soms kan deze vrijheid wordt
beperkt door een genomen besluit van de overheid. Bijvoorbeeld als het transport van
dieren of goederen wordt beperkt bij een standstill of wanneer dieren op een bedrijf
moeten worden geruimd.
•      Wat betekent het nemen van een bepaald besluit voor de autonomie van mensen?
Biodiversiteit
Domeinen dier en ecosysteem
Hier gaat het over de variatie binnen en tussen soorten organismen in het ecosysteem.
Door een besluit om zeldzame of bijzondere dieren te doden kunnen bijvoorbeeld
bepaalde genen verloren gaan voor die populatie dieren: minder biodiversiteit. Vervuiling
van een ecosysteem kan het voortbestaan van een biologische soort bedreigen, wat ten
koste kan gaan van de biodiversiteit.
•      Welke uitwerking kan een besluit hebben op de biodiversiteit van dieren?
•      Welke uitwerking kan een besluit hebben op de biodiversiteit in het ecosysteem?
Culturele waarde
Domeinen mens, dier en ecosysteem
Culturele waarde heeft betrekking op gewoonten en opvattingen van mensen vanuit hun
culturele achtergrond. De waarde die iemand aan dieren of het ecosysteem toekent, is
deels gebaseerd op zijn culturele achtergrond, inclusief religie.
•      Welke rol spelen dieren in verschillende culturen?
•      Welke rol speelt het ecosysteem in verschillende culturen?
•      Welke uitwerking kan het nemen van een bepaald besluit hebben op culturele
       waarden?
Economische waarde
                                                                                       28
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Domeinen mens, dier en ecosysteem
Het maken van een kosten-batenanalyse is onderdeel van de besluitvorming. Onder
‘kosten’ spelen negatieve imago-effecten en schade een rol, evenals de eventueel
gederfde inkomsten door bijvoorbeeld het verlies van jarenlange genetische vooruitgang
bij een ruiming. Ook (on)gelijkheid van handelspositie en handelsbelangen bij import en
export kunnen een rol spelen, en kosten voor medische handelingen aan dieren of
mensen. Er kunnen ook ‘baten’ zijn van een bepaald alternatief: bespaarde kosten of
directe opbrengsten. Kosten en baten kunnen afzonderlijk van elkaar in verschillende
domeinen terechtkomen: het ene domein draait op voor de kosten, terwijl een ander
domein daar baat bij heeft. Tot slot heeft het ecosysteem een economische waarde die
moet worden meegewogen.
•       Welk besluit heeft uit economisch oogpunt de voorkeur?
•       Wat betekent een bepaald besluit voor de handelspositie van Nederland?
•       Welk besluit is economisch gezien op de lange termijn het meest duurzaam?
•       Hoe is de economische waarde van het ecosysteem uit te drukken?
Gezondheid dierpopulatie
Domeinen dier en ecosysteem
Deze waarde betreft de gezondheid van dieren op populatieniveau en staat in de
overlapping tussen de domeinen dier en ecosysteem. Dat is om meer redenen zo
opgeschreven: ten eerste omdat het over zowel gehouden als niet-gehouden dieren gaat,
ten tweede omdat de gezondheid van deze verschillende populaties elkaar kan
beïnvloeden (met het oog op infectieziekten zoals bijvoorbeeld aviaire influenza of
varkenspest) en ten derde omdat ze beide invloed hebben op het ecosysteem en vice
versa. Factoren die invloed hebben op de gezondheid van een populatie gehouden dieren
zijn bijvoorbeeld vaccinatie, huisvesting en leefomgeving, voedsel en diergeneeskundige
zorg. Bij besmettelijke dierziekten spelen de wijze van verspreiden, de morbiditeit, de
mortaliteit, het risico, de ernst en de duur van de ziekte een rol voor de gezondheid van
de populatie. Onder risico wordt de kans verstaan dat een bepaalde situatie zich voordoet
maal de consequenties die het voorkomen van een dergelijke situatie zou hebben. De
gezondheid van een populatie dieren houdt soms direct verband met de volksgezondheid,
namelijk bij (de epidemiologie van) zoönosen en voedsel-veiligheid. De gezondheid van
dieren kan daarnaast implicaties hebben voor handel en handelsbelangen. De
Nederlandse overheid zal in bepaalde gevallen moeten besluiten om wel of niet te
handelen, en in het eerste geval moeten alternatieven tegen elkaar worden afgewogen.
•       Wat zijn de ziektematen (wijze van verspreiden, morbiditeit, mortaliteit, het risico,
        de ernst en de duur) van een besmettelijke dierziekte?
•       Hoe groot is het risico voor de gezondheid van dierpopulaties op basis van deze
        ziektematen?
Inherente waardigheid
Domein mens
Hier gaat het om de waardigheid van de mens zoals die als grondbeginsel is vastgelegd
in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
•       Welke impact heeft een bepaald besluit op de waardigheid en autonomie van de
        mens?
•       Welke invloed heeft een bepaalde aandoening op het functioneren van mensen?
Instrumentele waarde
Domeinen dier en ecosysteem
                                                                                          29
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Waarde van een dier of het ecosysteem in dienst van menselijke doelen. Mensen kunnen
aan hetzelfde dier of ecosysteem verschillende instrumentele waarden toekennen. De
instrumentele waarde van een koppel dieren is bijvoorbeeld voor een veehouder anders
dan voor de rest van de samenleving.
•       Welke instrumentele waarde heeft een dier of een groep dieren, en voor wie?
•       Welke instrumentele waarde heeft het ecosysteem, en voor wie?
Intrinsieke waarde
Domeinen dier en ecosysteem
Dit is de waarde die een dier of het ecosysteem van zichzelf heeft, los van de functionele
waarde die het heeft voor de mens. Zowel gehouden als niet-gehouden dieren hebben
een intrinsieke waarde. Onder de intrinsieke waarde van het ecosysteem vallen het
groene en het grijze milieu, dus de natuur en de flora en fauna alsmede de kwaliteit van
lucht en water. Onder intrinsieke waarde valt ook de gezondheid van een individuele
boom of juist een heel bos.
•       Welk effect heeft een bepaald besluit op de intrinsieke waarde van een dier?
•       Welk effect heeft een bepaald besluit op de intrinsieke waarde van het
        ecosysteem?
Landschapsinrichting
Domein mens en ecosysteem
De inrichting van het landschap beïnvloedt zowel mensen als het ecosysteem. Zie
bijvoorbeeld ecoducten, urban ecology en de inrichting van gebieden naar gelang het
bodemgebruik. Landschapsinrichting beïnvloedt de gezondheid van dieren en mensen
door de rol en verspreidingspatronen van niet-gehouden dieren en eventuele (andere)
vectoren bij infectieziekten.
•       Welke invloed heeft een bepaalde landschapsinrichting op mensen?
•       Welke invloed heeft een bepaalde landschapsinrichting op het ecosysteem?
Maatschappelijke impact
Domein mens
De gevolgen van een bepaalde gebeurtenis of besluit voor de samenleving en de mate
waarin die gevolgen worden gevoeld omdat ze wel of niet overeenkomen met
gepercipieerde maatschappelijke morele waarden. Maatschappelijke impact hangt nauw
samen met culturele waarde en publieke opinie, maar is daar niet identiek aan. Het
nemen van een besluit volgens de One Health-benadering kan een bepaalde impact
hebben op iemand, een groep mensen of op de hele Nederlandse bevolking.
    •    Welke maatschappelijke impact brengt het nemen van een bepaald besluit
        vermoedelijk teweeg?
Publieke opinie
Domein mens
Publieke opinie is een breed gedragen, heersende mening, gebaseerd op gepercipieerde
maatschappelijke waarden. Uit respect voor de autonomie van burgers erkent de
overheid de publieke opinie als een relevante factor die in de besluitvorming moet
worden benoemd en gewogen. Verschillende partijen, zoals onder andere de media, spe-
len een rol in het uitdragen, maar ook het beïnvloeden van de publieke opinie. Er is een
nauwe samenhang met culturele waarde: de waarde die mensen subjectief aan een
bepaald dier of diersoort of het ecosysteem toekennen is van invloed op de publieke
opinie.
                                                                                       30
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>•       Wat is de publieke opinie over datgene of diegene waar een besluit over wordt
        genomen?
•       Welke rol spelen verschillende partijen, zoals de media, in de beïnvloeding van de
        publieke opinie?
•       Hoe groot is de beleving van een bepaald risico voor de volksgezondheid?
Relationele waarde
Domeinen mens, dier en ecosysteem
Relatie betekent hier emotionele verbondenheid van een individu met andere mensen,
met een dier of dieren, of met het ecosysteem. Een eigenaar kan gehecht zijn aan zijn
dieren of aan een bepaalde plek, zoals een bos. Ook interacties tussen mensen tellen hier
mee, bijvoorbeeld sociale interactie bij het wandelen met een huisdier, of interacties
tussen veehouders en hun familie met de rest van de samenleving.
•       Welke uitwerking heeft een bepaald besluit op de relatie tussen mensen?
•       Welke uitwerking heeft een bepaald besluit op de relatie tussen een dierhouder en
        zijn dieren?
•       Welke relationele waarde hechten mensen aan het ecosysteem of een onderdeel
        daarvan?
Verontreiniging
Domein ecosysteem
Verontreiniging van het ecosysteem door schadelijke stoffen. Broeikasgassen, CO2-
footprint en verontreiniging van bodem en oppervlakte- of grondwater zijn voorbeelden.
Zowel de korte- als de langetermijneffecten van een besluit horen thuis in de afweging.
•       Leidt het nemen van een bepaald besluit tot verontreiniging van het ecosysteem?
•       Wat zijn de korte- en langetermijneffecten van een besluit op het gebied van
        verontreiniging van het ecosysteem?
Volksgezondheid
Domein mens
Hieronder wordt de gezondheid van de Nederlandse bevolking in al zijn aspecten op een
hoger (maatschappelijk) aggregatieniveau verstaan. Veel factoren hebben hier invloed
op, zoals voedselzekerheid en voedselveiligheid, maar ook de mogelijkheid om te sporten
of te ontspannen in een recreatie- of natuurgebied. Een besmettelijke dierziekte die op
mensen over kan gaan, vormt een risico voor de volksgezondheid. Voor een oordeel over
dat risico zijn de morbiditeit, de mortaliteit, kans op voorkomen, de ernst en de duur van
de ziekte voor zowel mensen als dieren van belang. Onder risico wordt ook hier de kans
op voorkomen maal de consequenties verstaan. Het verkeer van personen en goederen
heeft invloed op de volksgezondheid omdat het kan bijdragen aan de verspreiding van
vectoren of ziekten. Mensen die beroepsmatig met dieren in aanraking komen lopen een
groot risico, maar zijn zich daar in principe van bewust: bijvoorbeeld slagers, veehouders
en dierenartsen. Daarnaast zijn er de mensen die zich niet bewust zijn van risico of
onvrijwillig risico lopen op infectie, zoals omwonenden en toevallige passanten of
betrokkenen. Er zijn ook mensen die al dan niet bewust een risico lopen door bepaalde
acties te ondernemen of producten aan te schaffen. Binnen al die groepen zijn er mensen
met en zonder verzwakt immuunsysteem. Onder meer kinderen, bejaarden, zwangere
vrouwen en mensen die behandeld worden voor een chronische aandoening zijn groepen
met een minder adequaat werkend immuunapparaat.
•       Wat zijn de ziektematen (wijze van verspreiden, morbiditeit, mortaliteit, het risico,
        de ernst en de duur) van een bepaalde zoönose?
                                                                                          31
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>•       Hoe groot is het risico voor de volksgezondheid op basis van deze ziektematen?
•       Hoe beïnvloeden gehouden en niet-gehouden dieren de volksgezondheid?
•       Hoe beïnvloedt het ecosysteem de volksgezondheid?
Welzijn (inclusief gezondheid)
Domeinen mens en dier
De RDA vindt dat dieren een eigen intrinsieke waarde hebben en kent aan het dier als
voelend wezen dan ook een eigen welzijn toe. De intrinsieke waarde van een dier is in
Nederland ook bij wet vastgelegd. Een individu – mens of dier – verkeert volgens de
definitie die de RDA hanteert in een staat van welzijn wanneer het zich actief aan zijn
levensomstandigheden kan aanpassen en daarmee een toestand kan bereiken die het als
positief ervaart.
•       Wat betekent een bepaald besluit voor het welzijn van de betrokken mensen?
•       Wat betekent een bepaald besluit voor het welzijn van de betrokken dieren?
De raad ziet gezondheid als onderdeel van welzijn. Gezondheid gaat op individueel
niveau over het functioneren van een mens of dier binnen zijn normale biologische
grenzen. Daarbij hoort het ‘in een staat van compleet fysiek, mentaal en sociaal welzijn
verkeren’, naar de definitie van de Wereld Gezondheidsorganisatie WHO. De gezondheid
van een mens en een dier kunnen nauw met elkaar verbonden zijn. In negatieve zin is
dat het geval bij een zoönose, een infectieziekte uit het dierdomein die ook voor mensen
problemen kan veroorzaken. Het houden van dieren kan positieve invloed hebben op de
ontwikkeling van kinderen of op de gezondheid van mensen (bijvoorbeeld omdat zij meer
lichaamsbeweging krijgen door het uitlaten van een huisdier).
•       Welk effect heeft een besluit op de individuele gezondheid van mensen?
•       Welk effect heeft een besluit de individuele gezondheid van dieren?
•       Op welke manier en in welke mate beïnvloeden de gezondheid en het welzijn van
        een individueel mens en een individueel dier elkaar?
                                                                                       32
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen
die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over
multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De
RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke
titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad. Deze zienswijze
is daarmee een product van de hele Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bestond op 1 maart 2016 uit de volgende
deskundigen:
De heer prof.dr. J.J.M. van Alphen                De heer drs. J. Kaandorp
De heer dr.ir. G.B.C. Backus                      De heer prof.dr.ir. B. Kemp
Mevrouw dr. H.M.G. Beers-Schreurs                 De heer prof.dr. F. van Knapen
De heer W.T.A.A.G.M. van den Bergh                De heer prof.dr. P.A. Koolmees
De heer mr. A.G. Dijkhuis                         Mevrouw prof.dr. M.P.G Koopmans
Mevrouw prof.mr. A.A. Freriks                     De heer dr. F.L.B. Meijboom
De heer prof.dr. S. Haring                        De heer ir. F.C. v.d. Schans
De heer prof.dr. ir. L.A. den Hartog              De heer dr.ir. M.C.Th. Scholten
Mevrouw A.L. ten Have- Mellema                    Mevrouw prof. dr. M.M. Sloet v.
De heer prof.dr. L.J. Hellebrekers                Oldruitenborgh-Oosterbaan
Mevrouw dr. S.A. Hertzberger                      De heer prof.dr. J.A. Stegeman (MFM)
Mevrouw J.E. Hesterman                            De heer ir. M.H.A. Steverink
De heer A.J.M. van Hoof                           De heer H.W.A. Swinkels
De heer dr.ing. H. Hopster                        De heer dr.ir. J.W.G.M. Swinkels
De heer prof.dr.ir. A. van Huis                   De heer drs. R.A. Tombrock
Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman                  De heer prof.dr.ir. van Trijp
De heer J.Th. de Jongh                            Mevrouw drs. H.M. van Veen
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
                                                                                       33
RDA.2016.060 Gevraagde Zienswijze Toetsingskader Productiedieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>