<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>  Dierbare
Hulpverleners
 Welzijn voor mens en dier?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Procedure ........................................................................................................... 3
Leeswijzer .......................................................................................................... 3
1.   Inleiding ..................................................................................................... 4
     1.1     Aanleiding en vraagstelling ................................................................... 4
     1.2     Aanpak .............................................................................................. 5
2.   Dierondersteunde interventies ................................................................... 6
     2.1     Definiëring en voorbeelden ................................................................... 6
     2.2     Beoogde effecten dierondersteunde interventies ..................................... 7
3.   Situatieschets ............................................................................................. 8
     3.1     Dierondersteunde interventies in Nederland............................................ 8
     3.2     Aanspraak op vergoeding ..................................................................... 9
4.   Wet- en regelgeving (inter)nationaal ....................................................... 11
5.   Mogelijke welzijnsproblemen ................................................................... 13
     5.1     Wat is welzijn? ...................................................................................13
     5.2     Welzijnsrisico’s dieren .........................................................................14
     5.3     Welzijnsrisico’s mensen.......................................................................16
     5.4     Dierparameters/welzijnsbeoordeling .....................................................17
6.   Conclusie .................................................................................................. 18
7.   Aanbevelingen .......................................................................................... 19
     7.1     Aanbevelingen aan de sector ter professionalisering ...............................19
     7.2     Aanbevelingen aan de ministeries LNV en VWS ......................................21
     7.3     Aanbevelingen onderzoek ....................................................................22
     7.4     Aanbevelingen aan zorgverzekeraars en gemeenten ...............................22
     7.5     Aanbevelingen aan instellingen ............................................................22
8.   Bronnen .................................................................................................... 24
9.   Bijlagen .................................................................................................... 27
     Bijlage 1: Definities en begrippen ...................................................................27
     Bijlage 2: Overzicht scholing dierondersteunde therapie ....................................29
     Bijlage 3: Overzicht aanbieders hulphonden .....................................................31
     Bijlage 4: Het vijf domeinen model .................................................................33
     Bijlage 5: Profesionalisering andere sectoren ...................................................34
Samenstelling Raad voor Dierenaangelegenheden ........................................... 35
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum
bestaande uit de raadsleden N. (Nienke) Endenburg (voorzitter), W.T.A.A.G.M. (Ted) van
den Bergh, L.J.A. (Len) Lipman, R.A. (Ruud) Tombrock en oud raadslid H. (Hans) Hopster.
De Raad is ondersteund door adjunct-secretaris D. (Daniëlle) Hartman, adjunct-secretaris
A.E. (Anne) van den Ende en secretaris M.H.W. (Marc) Schakenraad van het bureau van
de Raad.
Leeswijzer
Deze zienswijze begint met een inleidend hoofdstuk over aanleiding, vraagstelling en
aanpak    van   de   zienswijze.  Hoofdstuk   2   geeft  nadere   informatie  betreffende
dierondersteunde interventies en haar beoogde effecten. In hoofdstuk 3 wordt geschetst
wat het aanbod aan interventies in Nederland is en worden de mogelijkheden tot
vergoeding uiteengezet. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op de nationale
en internationale regelgeving omtrent dierondersteunde interventies. Hoofdstuk 5 is gewijd
aan het welzijn van mens en dier, de risico’s op inbreuk hiervan en hoe het welzijn van
dieren gemeten kan worden. De zienswijze wordt afgesloten met aanbevelingen voor
onderzoek, de overheid en de opererende sector op het gebied van dierondersteunde
interventies.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1 Aanleiding en vraagstelling
Dierondersteunde interventies zijn interventies bij mensen met een fysieke en/of mentale
beperking met behulp van dieren. Het uiteindelijke doel van de interventie is om
vooruitgang te krijgen in de fysieke, sociale, emotionele en/of cognitieve gezondheid of
functioneren van een persoon. Dergelijke interventies worden in toenemende mate
uitgevoerd. Zo waren er in het jaar 2000 een ruime 200 zorgboerderijen in Nederland; nu
zijn dit er meer dan 1000 volgens de Federatie Landbouw en Zorg. Ook de organisaties
KNGF geleidehonden en Stichting Hulphond Nederland laten groei zien. Zo zegt het
jaarverslag van KNGF Geleidehonden in 2010 dat er 451 actieve combinaties (cliënt-hond
combinatie) in Nederland aanwezig zijn en dit aantal is in 2016 gestegen naar 652 actieve
combinaties. De jaarverslagen van Stichting Hulphond Nederland vermelden dat in 2014
er 2.000 therapiesessies bij kinderen in combinatie met honden hebben plaatsgevonden;
dit aantal is in 2016 gestegen naar 3.300 sessies.
De Raad voor Dierenaangelegenheden (hierna te noemen: de Raad) constateert op basis
van voornoemde cijfers dat het aantal activiteiten rondom dierondersteunde interventies
(in de literatuur bekend als Animal Assisted Interventions; AAI) de laatste jaren is
gestegen. Het onderwerp is ook bij de media in beeld, getuige de volgende recente
voorbeelden:
      “Puppy’s knuffelen tegen stress: in Amsterdam gebeurt het, ondanks kritiek”, de
      Volkskrant, 22 oktober 2018
      “ADHD-therapie met behulp van paarden”, Vrij Nederland, 17 april 2019
      “Therapie met ezels is heilzaam om angsten te overwinnen”, Het Laatste Nieuws, 18
      maart 2019
Dierondersteunde interventies hebben direct of indirect als doel het welzijn van de
doelpersoon te verhogen. De Raad ondersteunt het idee dat interacties en relaties tussen
individuen het welzijn van de betrokkenen kan beïnvloeden en stelt dat dit zich niet laat
beperken door de diersoort. Hierbij maakt zij gebruik van het begrip wederzijds welzijn,
ofwel One Welfare (bijlage 1), wat in het verlengde ligt van het begrip One Health (RDA,
One Health; Een afwegingskader voor beleidsbeslissingen, 2016). Met het begrip One
Welfare wordt erkend dat de relatie en interactie tussen mens en dier weerslag heeft op
hun wederzijds welzijn. De welzijnsbalans kan voor beide partijen in een interactie zowel
positief of negatief uitvallen. In het kader van dierondersteunde interventies wordt het dier
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>primair ingezet als middel om het welzijn van de mens te bevorderen. Dit kan het welzijn
van de betrokken dieren schaden. Zonder redelijk doel staat de Wet Dieren (art. 2.1.1)
inbreuk op het welzijn van dieren niet toe. Tevens erkent de Wet Dieren dat dieren een
eigen -ofwel intrinsieke- waarde hebben, die losstaat van de gebruikswaarde voor de mens
(art. 1.3). De Raad operationaliseert het begrip intrinsieke waarde in een moreel vereiste
dat menselijk handelen niet leidt tot structurele of substantiële aantasting van
dierenwelzijn, diergezondheid en integriteit van het dier (Denkkader, RDA, 2018). De inzet
van dieren ten behoeve van de mens vraagt om een afweging tussen het nut en de
noodzaak van de handeling ten opzichte van de (eventuele) inbreuk op het dierenwelzijn.
Reden voor de Raad om te onderzoeken of het dierwelzijn in de groeiende praktijken
rondom de dierondersteunde interventies voldoende gewaarborgd wordt en op welke wijze
de sector geholpen kan worden het welzijn van dier en mens in de toekomst te blijven
borgen. Daarom wil de Raad haar visie geven over het gebruik van hulpdieren ten behoeve
van de mens. Hiertoe zal hij het nut en de noodzaak van de interventies evalueren en de
centrale vraag beantwoorden:
  “Wat is er nodig om dierondersteunde interventies op een verantwoorde wijze
    in te zetten, zodanig dat het welzijn van mens en dier gewaarborgd blijft?”
1.2 Aanpak
Om het beeld te kunnen schetsen en de stand der zaken op te kunnen maken is er een
korte literatuurstudie gedaan. Ook is er met meerdere partijen in de aanbiedende kant van
dierondersteunde interventies gesproken; onder meer in een stakeholder bijeenkomst en
in een werkbezoek aan het Institut für soziales Lernen mit Tieren (www.lernen-mit-
tieren.de) in Duitsland.
Ter beantwoording van de centrale vraag van de zienswijze komen de volgende punten
aan bod:
-      Definiëring van dierondersteunde interventies;
-      Beoogde en behaalde effecten van dierondersteunde interventies;
-      Wet- en regelgeving;
-      Situatieschets dierondersteunde interventies in Nederland;
-      Mogelijke welzijnsproblemen bij dier en mens gebaseerd op wetenschappelijke
       literatuur en interviews;
-      Nut en noodzaak van dierondersteunde interventies;
-      Alternatieven;
-      Mogelijkheden tot het waarborgen van het wederzijds welzijn bij dierondersteunde
       interventies;
RDA.2019.107          Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Gegeven dat honden en paarden het meeste gebruikt worden bij de dierondersteunde
interventies, zal in deze zienswijze de nadruk op genoemde soorten liggen.
2. Dierondersteunde interventies
2.1 Definiëring en voorbeelden
Er circuleren verschillende definities van dierondersteunde interventies. De Raad hanteert
de definities zoals omschreven door de International Association of Human-Animal
Interaction Organizations (IAHAIO, 2018). Dit is een internationale overkoepelende
organisatie dat zich bezighoudt met dierondersteunde interventies.
      Dierondersteunde Interventie / Animal Assisted Intervention: is een
      doelgerichte en gestructureerde interventie bij mensen waarbij door middel van het
      intentioneel inzetten van dieren getracht wordt vooruitgang te bewerkstelligen in de
      fysieke, sociale, emotionele en/of cognitieve gezondheid of functioneren van een
      persoon.
Dierondersteunde interventies kunnen verder onderverdeeld worden in de categorieën
dierondersteunde therapie, dierondersteunde educatie, dierondersteunde activiteiten en
dierondersteunde coaching (bijlage 1).
Voorbeelden van dierondersteunde interventies zijn:
-     Een hond wordt ingezet om de sociale vaardigheden en empathische vermogen van
      een autistisch kind te bevorderen (therapie);
-     Een hond wordt bij een kind gezet door een pedagoog tijdens het lezen van een boek
      met als doel de leesvaardigheid te verbeteren (educatie);
-     Een hond/kat/konijn wordt door een begeleider meegenomen naar een zorginstelling
      zodat senioren deze kunnen aaien met als doel de senioren op te vrolijken (activiteit);
-     Een paard (of een kudde paarden) wordt ingezet bij iemand met klachten van
      overspannenheid door een gecertificeerd coach met als doel een manier te vinden
      om zich beter te ontspannen (coaching);
-     Een blindengeleidehond wordt ingezet zodat een persoon met verminderd of afwezige
      visus, zich op een veilige manier in de samenleving kan bewegen (assistentie).
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Activiteiten die alleen voor de recreatie bedoelt zijn, zonder aanvullend doel vallen niet
onder dierondersteunde interventies. Voorbeelden hiervan zijn:
-     Wandelen met alpaca’s;
-     Paardrijden voor sport en recreatie;
-     Een bezoek aan een kinderboerderij;
-     Koeien knuffelen op een open dag van de boer.
De categorieën onderscheiden zich voornamelijk op de doelen die voor de persoon in de
interventie zijn gesteld. De categorieën gaan gepaard met een meer of mindere formele
werkwijze, mate van structuur en een bepaalde achtergrond of licentie van de begeleider
in kwestie. Er kan sprake zijn van overlap van categorieën: een interventie kan
bijvoorbeeld in enkele gevallen zowel therapeutische als educatieve waarden bevatten.
Verder kan de inzet van assistentiedieren, zoals blindengeleidehonden, gezien worden als
een continue interventie in de vorm van een langdurig bestaand mens-dier team ten
behoeve van de mens (Bijlage 1).
2.2 Beoogde effecten dierondersteunde interventies
Er zijn veel effecten van de interactie tussen mensen en andere dieren beschreven. De
meest bekende effecten zijn het toenemen van het hormoon oxytocine, het dalen van de
hartslag en het dalen van de bloeddruk bij zowel mensen als dieren (Kis, Ciobica, & Topál,
2017) (Bert et al., 2016). Daarnaast beschrijft Beetz et al. (2012) dat contact met
gezelschapsdieren (of dit nu een huisdier is of een therapiedier) de potentie heeft om
sociaal functioneren te bevorderen bij kinderen en volwassenen. Ook zou dit contact een
positief humeur bevorderen en depressieve klachten verminderen bij mensen en kinderen
met psychische klachten (Beetz et al., 2012) (Bert et al., 2016). De aanwezigheid van een
dier werkt tevens kalmerend en vermindert angst in diverse stressvolle omstandigheden
(Beetz et al., 2012). Volgens de literatuur kan de interactie tussen mens en dier dus leiden
tot positieve effecten ten gunste van het welzijn van de mens. Bert et al. (2016)
beschrijven in hun review naar de voordelen en risico’s van dierondersteunde interventies,
dat de inzet van dieren in de vorm van dierondersteunde interventies tevens bruikbaar kan
zijn voor gehospitaliseerde patiënten met verscheidene problematiek. Significante
positieve effecten worden gevonden op zowel psychisch als fysiek gebied met parameters
als de ervaring van angst/depressie/pijn, fysieke activiteit (stappen per dag) en systolische
bloeddruk (Bert, et al., 2016). De waarde van deze studies wordt echter bekritiseerd.
Marino (2012), die 137 studies over dierondersteunde therapie en activiteiten heeft
onderzocht, vond dat bij vrijwel alle studies de methodologie zwak was. Methodiek wordt
vaker beschreven als het struikelblok van studies naar dierondersteunde interventies. Dit
beschrijft Brelsford et al. (2017) ook in haar review naar dierondersteunde interventies
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>over honden in de klas en Anestis et al. (2014) in hun review naar dierondersteunde
interventies met paarden. Bovendien bemoeilijkt het ontbreken van standaardisatie in
methodes     het   vergelijken  van    studies.  De   volgende   zwaktes   in   studies naar
dierondersteunde interventies zijn het meest voorkomend (Bert et al., 2016) (Marino,
2012) (Brelsford, 2017) (Anestis et al., 2014) (Herzog, 2014):
-     Een te kleine onderzoeksgroep;
-     Het missen van een controlegroep;
-     Geen dubbelblind uitgevoerde onderzoeken;
-     Geen gestandaardiseerde behandelings- en rapporteringsprocedure;
-     Weinig langdurige follow-up studies;
-     Geen controle voor het effect van nieuwe ervaringen;
-     Het alleen publiceren van studies met een positief resultaat.
Het merendeel van de onderzoeken gedaan naar dierondersteunde interventies zijn
zodanig van kwaliteit, dat het lastig is om een harde conclusie over het effect van
dierondersteunde interventies te trekken. Bij enkele assistentiehonden staat de effectiviteit
minder ter discussie. Er kan empirisch worden waargenomen dat een blindengeleide hond
zijn baas succesvol de weg over kan laten steken, dat een signaalhond de eigenaar laat
weten wanneer de deurbel gaat en dat een Algemene-Dagelijkse-Levensverrichtingen
hond    (ADL-hond)      de   krant   uit   de   brievenbus   kan    halen.   Eigenaren   van
blindengeleidehonden bevestigen dat de hond hun mobiliteit verhoogt, maar melden ook
versterking van psychosociale factoren, zoals meer sociale interactie en een gevoel van
onafhankelijkheid en zelfvertrouwen (Whitmarsh, 2004).
Het is niet uitgesloten dat positieve en helende effecten van dierondersteunde interventies
geheel of ten dele ook kunnen worden verkregen met alternatieve, hulpdiervrije methoden.
Innovaties zoals robots zouden niet alleen de primaire functie van hulpdieren voorbij
kunnen streven, maar mogelijk ook een vorm van gezelschap kunnen bieden (Melson et
al., 2009), ook al kleven hier stellig ook ethische vragen aan.
3. Situatieschets
3.1 Dierondersteunde interventies in Nederland
Zoals eerdergenoemd, lijkt het aantal activiteiten rondom dierondersteunde interventies
de laatste jaren te zijn toegenomen. Exacte statistieken zijn er niet, omdat er geen centrale
registratie plaatsvindt binnen de branche. In Nederland worden dierondersteunde
interventies toegepast op de praktijk van een coach of therapeut (psycholoog,
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>(ortho)pedagoog, logopediste, fysiotherapeut, ergotherapeut etc.), thuis bij de patiënt of
op locatie waar de dieren verblijven. Dit laatste is vaak het geval als het gaat om therapie
met paarden of andere grote dieren. Ook zorgboeren met een zorgboerderij en
bijvoorbeeld medewerkers/vrijwilligers van een zorginstelling organiseren geregeld
dierondersteunde interventies. Honden, paarden en konijnen worden veelvuldig ingezet
voor dierondersteunde interventies, maar ook andere dieren zoals katten, kippen, schapen
en koeien. Dierondersteunde interventies worden toegepast bij mensen van alle leeftijden
en een verscheidenheid aan problematiek waaronder autisme spectrum stoornis,
gedragsproblematiek, ADHD, syndroom van Down, depressie en dementie.
De manier van werken met dieren is uiteenlopend. Behandelaren kunnen ervoor kiezen om
met zijn of haar eigen dier(en) te werken of gebruik te maken van een begeleider-dier
combinatie die aansluit in de therapie. Een dier kan een huisdier zijn die een paar keer per
week opgehaald wordt om ingezet te worden als therapiedier. In een ander geval wordt er
gebruik gemaakt van gefokte en middels een uitgebreid traject opgeleide dieren. Het ene
dier is van jongs af aan getraind voor dit werk, het andere dier stapt pas op latere leeftijd
in, soms zonder voorafgaande training.
Iedereen kan zonder enige vorm van scholing, vaardigheden of kennis dierondersteunde
interventies aanbieden zolang dit niet in strijd is met de Wet op de beroepen in de
individuele   gezondheidszorg.     Ook   voor   de    dieren  die  gebruikt   worden    voor
dierondersteunde interventies zijn er geen specifieke regels waar deze dieren aan moeten
voldoen alvorens ingezet te worden. Diegene die zichzelf willen scholen in het toepassen
van dierondersteunde interventies krijgen te maken met verschillende aanbieders van
scholing (zie bijlage 2), waarbij de inhoud niet uniform is. Daarnaast kunnen diegene die
zich professioneler willen scholen zich niet onderscheiden van mensen die hun beroep
minder professioneel aanpakken. Interviews met aanbieders van interventies toonden dat
er in de branche een beweging en verlangen bestaat tot professionalisering. Er is behoefte
aan kwalitatieve opleidingsinstituten met een uniform curriculum die in voldoende mate
aandacht besteed aan onder andere dierenwelzijn, diergezondheid, diergedrag en risico op
zoönose.
3.2 Aanspraak op vergoeding
De meeste dierondersteunde interventies komen niet in aanmerking voor vergoeding
vanuit de zorgverzekering (zowel de basisverzekering, als de aanvullende verzekeringen).
De    basisverzekering    vergoedt    deze    interventies   niet   vanwege     ontoereikend
wetenschappelijk bewijs van effectiviteit van de interventie (Zorginstituut Nederland).
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Aanvullende verzekeringen vergoeden de interventies in de meeste gevallen niet vanwege
de ongeorganiseerde sector (Barten & de Boer, 2013).
Zorgverzekering moeten wel tegemoetkomingen verlenen voor de redelijk te achten
gebruikskosten van blindengeleidehonden, signaalhonden (voor slechthorenden) en ADL-
honden (Regeling zorgverzekering: Art. 2.6). Om voor deze vergoeding in aanmerking te
komen is er een medische indicatie nodig. De gehele kosten voor de aanschaf van de hond
worden doorgaans vergoed uit de basisverzekering. Tevens ontvangt de gebruiker van de
hond een bepaald bedrag voor gebruikskosten van de hond. Een resultaat van een
constructie zoals deze is dat zorgverzekeraars aanvullende eisen stellen aan organisaties
die de honden leveren. Zo eisen zij bijvoorbeeld dat de leverancier van de hond
aangesloten is bij een overkoepelende organisatie zoals de Assistance Dogs International
(ADI)   en   de  Internationale   Federatie   van   Geleidehondenscholen    (IGDF).   Deze
overkoepelende organisaties stellen eisen aan organisaties voordat zij lid kunnen worden.
Lidmaatschap is niet verplicht, iedereen in Nederland mag een geleidehond opleiden en
afleveren,  maar    om   in  aanmerking    te   komen    voor volledige   vergoeding   van
zorgverzekeraars moet je lid zijn van een dergelijke overkoepelende organisatie. Dit maakt
dat deze tak van dierondersteunde interventies georganiseerder is en wellicht als voorbeeld
kan dienen voor de professionalisering van de rest van de sector. In bijlage 3 is een
overzicht van aanbieders van hulphonden opgenomen.
Men kan voor de overige dierondersteunde interventies die niet vergoed worden vanuit de
zorgverzekering vaak ook geen aanspraak doen op vergoeding vanuit de Wet
Maatschappelijk Ondersteuning (WMO). De gemeente is verantwoordelijk voor de
uitvoering van de WMO en deze heeft als doel de zelfredzaamheid van burgers te vergroten
en de mogelijkheid tot participatie aan de maatschappij te ondersteunen. Sommige
dierondersteunde interventies, zoals gebeurt bij hulphonden die mensen met Post
Traumatisch Stress Syndroom ondersteunen (PTSS-hulphond), worden door enkele
gemeenten gezien als behandeling of onderdeel van een behandeling, waardoor zij buiten
de WMO valt. Naar aanleiding van wisselende uitspraken van gemeenten ten aanzien van
PTSS-hulphonden binnen de WMO voorziening heeft de Centrale Raad van Beroep op 12
september 2018 uitspraak gedaan dat gemeenten terecht de aanvraag voor vergoeding
van kosten en aanschaf van een PTSS-hulphond mogen afwijzen op basis van onvoldoende
wetenschappelijk bewijs voor het gewenste effect van de voorziening. Echter, in dezelfde
uitspraak word erkent dat het inzetten van PTSS-hulphonden een recente ontwikkeling is
waar onderzoek nog gaande is en dat gemeenten hen inziens wel tot het verstrekken van
een PTSS-hulphond over kunnen gaan als dat in een individuele situatie als meest passend
wordt ervaren.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Voor de zorgboerderijen zijn vergoedingen anders geregeld. In deze branche bestond er
een beweging tot professionalisering die heeft geleid tot het Kwaliteitskeurmerk van
Zorgboerderijen     ‘Kwaliteit   laat  je  zien’ van  de  Federatie   Landbouw   en    Zorg.
Zorgboerderijen kunnen met dit keurmerk wel in aanmerking komen voor vergoeding van
hun zorg vanuit bijvoorbeeld het Persoonsgebonden Budget of de Wet Maatschappelijke
Ondersteuning. Zorgboerderijen en hun activiteiten vallen onder dierondersteunde
interventies, maar worden door de overheid en gemeenten gezien als dagbesteding.
Daarom is hier vergoeding mogelijk vanuit het Persoonsgebonden Budget en/of de Wet
Maatschappelijke Ondersteuning.
4. Wet- en regelgeving (inter)nationaal
In Nederland is er geen specifieke wetgeving voor dierondersteunde interventies. De
belangrijkste wetgeving in het kader van dierondersteunde interventies is de Wet Dieren
met het Besluit houders van dieren.
De Wet Dieren erkent de intrinsieke waarde van dieren (Artikel 1.3, lid 1). De wet verstaat
hieronder de erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel.
Inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren moet, verder dan redelijkerwijs
noodzakelijk, worden voorkomen en de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven worden
verzekerd. Deze zorg wordt door de wet geoperationaliseerd als in elke geval een
vrijwaring van dorst, honger en onjuiste voeding; fysiek en fysiologische ongerief; pijn,
verwonding en ziektes; angst en chronische stress; en beperking van hun natuurlijk
gedrag, voor zover dit redelijkerwijs kan worden verlangd. Het is verboden om zonder
redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar
is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het
dier te benadelen (Wet dieren, Artikel 2.1, lid 1).
Er wordt in artikel 2.3 van de Wet dieren gesproken over gebruik van dieren. Hoewel er
dieren worden ingezet zijn hier voor het inzetten van dierondersteunde interventies geen
aanvullende verordeningen, richtlijnen of aanbevelingen in opgenomen, ook niet als
onderdeel van EU-rechtshandelingen.
In het Besluit Houders van dieren (hoofdstuk 3, paragraaf 2) wordt regelgeving beschreven
betreffende het bedrijfsmatig verkopen, afleveren, houden ten behoeve van opvang of
fokken met gezelschapsdieren. Er worden eisen gesteld aan beheerders van inrichtingen
zoals een pension, maar ook aan activiteiten zoals een tentoonstelling, beurs of markt. Dit
betreft eisen aan administratie, vakbekwaamheid, huisvesting en verzorging (zieke en
RDA.2019.107          Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>gezonde dieren), gezondheid, socialisatie en vaccinatie. Tevens zijn er regels opgelegd
over de manier van informatieverstrekking bij verkoop of aflevering van het dier,
waaronder de verzorging, kosten, gezondheidsstatus en het gedrag van het dier. Deze
regelgeving geldt niet voor de beoefening van dierondersteunde interventies.
Op Europees niveau zijn er geen specifieke besluiten of richtlijnen betreffende
dierondersteunde interventies die op alle lidstaten van kracht zijn. Het staat lidstaten
echter vrij aanvullende wetgeving in werking te stellen. Oostenrijk loopt voorop betreffende
regelgeving rondom dierondersteunde interventies (Bremhorst, 2018). In Oostenrijk is
sinds januari 2015 een aanvullende richtlijn aangaande therapie- en assistentiedieren in
de   wet   Bundesbehindertengesetzes      (BBG)    (Richtlienen für   die  Beurteilung   von
Blindenführhunden gemäß § 39a Abs. 4). opgesteld door de minister van Arbeid, Sociale
Zaken en Consumentenbescherming. Er wordt voorgeschreven dat een certificering moet
zijn behaald voordat een begeleider-hond team dierondersteunde interventies in de
praktijk mag inzetten. Deze certificering houdt onder andere in: evaluatie van het mens-
dierteam en gezondheids-, temperament- en gedragscontroles om te bepalen of een dier
geschikt is om het werk uit te voeren. Daarnaast worden er eisen gesteld aan de
professional die de hond in wil zetten. Eisen zijn onder andere een erkende opleiding, een
minimum aantal trainingsuren en een minimum leeftijd van 18 jaar. Therapiehonden
mogen met een maximale frequentie van één keer per dag gedurende 45 minuten, twee
maal per week, worden ingezet. In uitzonderlijke gevallen mag een hond drie keer per
week ingezet worden. De teams worden beoordeeld en gecontroleerd door het Messerli-
Research-Institute. Dit is een onderzoeksinstituut verbonden aan de University of
Veterinary Medicine Vienna. Ook schrijft de wet eisen voor betreffende assistentiehonden.
Onder deze assistentiedieren vallen volgens de wet BBG: blindengeleidehonden,
signaleringshonden voor doven, medische signaleringshonden (voor epilepsie- en
diabetespatiënten) en ADL-honden. De eisen voor de professional behelzen veterinaire
gezondheidschecks, een beoordeling betreffende het gedrag en karakter van het dier en
een evaluatie van de geschiktheid van de werkprestatie van het dier voor de beoogde
eigenaar. Deze vallen wederom onder het Messerli-Research-Institute. Wanneer aan alle
gestelde eisen voldaan wordt kan een hond definitief geplaatst worden en kan er aanspraak
worden gemaakt op publieke fondsen en kan het dier op het identiteitsbewijs van de
nieuwe eigenaar worden geregistreerd. Hiermee kan de eigenaar zijn of haar aandoening
aantoonbaar maken en wordt de eigenaar vrijgesteld van enkele regels betreffende
honden, zoals de aanlijningsplicht in het openbaar vervoer in Oostenrijk en het verbod op
het betreden van publieke gebouwen.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Oostenrijk is niet het enige land dat specifieke regels hanteert voor dierondersteunde
interventies. Zo hanteren Duitsland, Luxemburg en Zwitserland een certificeringssysteem.
Wil men gecertificeerd worden moet scholing voldoen aan bepaalde standaarden en
richtlijnen beschreven door de International Society for Animal Assisted Therapy (ISAAT)
en/of de European Society for Animal Assisted Therapy (ESAAT). ISAAT is een wereldwijde
organisatie die kwaliteitswaarborging wil realiseren voor de beoefening van AAI. ESAAT is
hier de Europese variant van. ISAAT accrediteert de curricula van onderwijsinstellingen via
een proces met strikte criteria betreffende de docenten, aantal uren en examens en zij
stellen eisen aan de inhoud van het curriculum waar dierenwelzijn een rol in speelt. Tevens
hebben zij een kwaliteitsbrochure opgesteld waarin richtlijnen zijn beschreven hoe
dierondersteunde interventies uitgevoerd zouden moeten worden. In 2017 is deze
kwaliteitsbrochure vertaald naar het Nederlands en aangepast op de Nederlandse situatie.
Deze     vertaling  heet   ‘richtlijn Kwaliteitsontwikkeling     en   kwaliteitsborging   bij
dierondersteunde interventies’ (Wolfarth, Olbrich, & Verhegge, 2017). In Nederland
ontbreekt een systeem van scholing en accreditatie wat de kwaliteit binnen de
dierondersteunde interventies waarborgt. De recent geïntroduceerde kwaliteitsbrochure
kan handvaten geven rondom de professionalisering van de branche.
5. Mogelijke welzijnsproblemen
5.1 Wat is welzijn?
Uit erkenning van de intrinsieke waarde van dieren en van het feit dat dieren ‘sentient
beings’ oftewel voelende wezens zijn, volgt de morele verantwoordelijkheid om in het
menselijk handelen rekening te houden met het welzijn van dieren. Dierenwelzijn kent
verscheidene definities. In deze zienswijze is gekozen om de definitie aan te houden zoals
deze in onze zienswijze Denkkader (2018) beschreven is:
“Dierenwelzijn is de kwaliteit van leven zoals deze door het dier zelf wordt ervaren”. Een
dier ervaart een positieve staat van welzijn indien het de vrijheid heeft om normale,
soorteigen gedragspatronen uit te voeren en het in staat is om adequaat te reageren op
de uitdagingen die de heersende omstandigheden bieden. Die uitdagingen betreffen
honger, dorst en onjuiste voeding; thermaal en fysiek ongemak; verwondingen en ziekten;
angst en aanhoudende stressprikkels”.
Hoewel dierenwelzijn in deze definitie uitgaat van de ervaring en perceptie van het dier, is
het de mens die in situaties beoordeeld of een dier in zijn of haar welzijn is aangedaan. De
evaluatie steunt op verscheidene parameters. Gedrag is één van die parameters. Om het
gedrag van dieren goed te kunnen beoordelen moet er voldoende kennis zijn over het
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>gedrag van de betreffende diersoort en de variaties in expressie van dat gedrag. Andere
parameters om iets te kunnen zeggen over dierenwelzijn zijn fysiologische parameters
zoals hormoonniveaus, hersenactiviteit en metabolisme. Let wel, vanwege de complexiteit,
onderlinge samenhang en variaties tussen soorten en individuen van deze parameters zijn
gegevens niet altijd gemakkelijk te interpreteren. In paragraaf 5.4 wordt verder ingegaan
op dierenwelzijnsbeoordeling.
5.2 Welzijnsrisico’s dieren
Om een beeld te krijgen van welzijnsrisico’s bij dieren die ingezet worden voor
dierondersteunde interventies, is een literatuurstudie uitgevoerd. Ook tijdens de interviews
met externe deskundigen is hier aandacht aan besteed. Uit literatuuronderzoek blijkt dat
er weinig wetenschappelijke studies zijn gedaan naar welzijnsproblematiek bij de dieren
die worden ingezet, die de toets der kritiek kunnen doorstaan. De studies die gedaan zijn
naar dit onderwerp suggereren niet dat er een acuut welzijnsprobleem speelt. Sommige
studies rapporteerden dat de dieren tijdens het uitvoeren van dierondersteunde therapie
tekenen van stress vertoonden en een verhoogd niveau aan cortisol hadden (Glenk, 2017).
Er zijn enkele casussen beschreven waarbij er sprake is van een ongewenste manier van
omgang door patiënten en medewerkers richting het dier. Het dier werd bijvoorbeeld
gepest of zelfs mishandeld. Tevens wordt beschreven dat uitputting op de loer ligt vanwege
gebrek aan pauzes (Glenk, 2017) (Fine, 2010).
De zogenoemde assistentiedieren onderscheiden zich van andere interventiedieren doordat
zij 24/7 bij de eigenaar die zij assistentie verlenen verblijven. ADL-honden vervullen
alledaagse taken waar de eigenaar niet meer toe in staat is. Een blindengeleidehond
begeleidt zijn of haar eigenaar veilig over straat heen. Een autismegeleidehond kan van
toegevoegde waarde zijn voor de veiligheid en gedragsontwikkeling van het kind en biedt
kameraadschap. Een epilepsiehulphond waarschuwt wanneer zijn baas een aanval krijgt
en helpt hem of haar tijdens en na een aanval (www.hulphond.nl; www.geleidehond.nl).
Het verschilt per type dier hoeveel tijd van de dag deze assistentie verlenen en hoeveel
‘vrij’ zij hebben. Ook bij deze groep dieren zijn er vrijwel geen goede onderzoeken te vinden
naar het welzijn van deze dieren. Ook Krause-Parello et al. (2016) beschrijven dit in hun
review naar honden gebruikt bij veteranen die lijden onder Post Traumatische Stress
Syndroom. Er zijn wel critici die hun zorgen uiten over het welzijn juist bij deze groep
dieren, omdat zij soms 24/7 actief zijn. Risico’s zoals uitputting en stress worden
bijvoorbeeld genoemd (Fine, 2010). Tevens kunnen mensen met psychische problematiek,
zoals bij PTSS en autisme, onvoorspelbaar handelen en het betrokken dier fysiek of
mentaal (stress, verwarring) schaden.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Veel honden die hulphond worden (welke vorm van hulphond ook) worden gedurende hun
eerste levensjaar in een gastgezin geplaatst, die zij vervolgens na ongeveer één tot
anderhalf jaar weer verlaten voor een eventuele vervolgopleiding. In deze periode worden
de honden getraind niet te reageren op omgevingsstimuli en verschillende regels te volgen
(bijvoorbeeld: niet zwemmen; niet meerdere malen plassen; niet reageren op andere
mensen of dieren). Deze regels zijn, afhankelijk van hun uiteindelijke functie, niet altijd
nodig. Vaak verblijven de honden tijdens de vervolgopleiding in een kennel, al dan niet in
gezelschap van een soortgenoot. Als de vervolgopleiding voltooid is, kan de hond ingezet
worden voor dierondersteunde interventies doeleinden. In sommige gevallen zal de hond
permanent geplaatst worden bij de cliënt thuis, denk hierbij aan een blindengeleidehond.
In andere gevallen zal de hond in een gastgezin geplaatst worden en een aantal keren per
week ingezet worden voor dierondersteunde interventies. Op het moment dat een hond de
leeftijd bereikt waarop deze met pensioen gaat, kan het zo zijn dat er wederom een ander
gezin gezocht wordt voor de oude dag van de hond. In andere gevallen kan de hond bij
hetzelfde gezin/eigenaar de oude dag slijten (www.hulphond.nl, sd) (www.geleidehond.nl,
sd). Tijdens de opleiding van een hulphond kan het dus zijn dat er een aantal grote
wisselingen en veranderingen in de sociale omgeving (zoals huishouden, eigenaren en
begeleiders)     plaatsvinden    (Rietveld-Pierpers, Enders-Slegers,      2018).  Naast   de
standaardwisselingen kan het dier nog vaker van sociale omgeving veranderen indien er
onvoorziene problematiek optreedt. Een dier met klinische problemen zal bijvoorbeeld uit
het trainingstraject worden gehaald en kan overgeplaatst worden naar één of meerdere
opvolgende logeeradressen. De ervaringen van pups hebben echter invloed op de
uiteindelijke gedragsontwikkeling van het dier (Dietz et al. 2018). Fine et al. (2010)
beschrijft dat hier welzijnsrisico’s kunnen ontstaan, zeker als dit niet goed begeleid wordt.
Welzijnsproblematiek kan optreden wanneer er gekozen wordt voor een dier dat niet
geschikt is voor een beoogde interventie. Door de bovengenoemde sensitiviteit in jonge
dieren, zijn deze ongeschikt om in te zetten in een interventiesetting. De Raad is tevens
van mening dat alleen gedomesticeerde dieren ingezet zouden moeten worden voor
dierondersteunde interventies. Domesticatie is een proces waardoor een dierpopulatie over
generaties heen door selectie en vermeerdering zodanig van eigenschappen en kenmerken
verandert, dat dieren die deel uitmaken van deze populatie steeds meer aangepast raken
aan het leven dichtbij de mens in door de mens gecreëerde en gecontroleerde
omstandigheden die over generaties heen vergelijkbaar zijn. Dieren uit populaties die
gedomesticeerd zijn, zijn minder sensitief en reactief dan soortgenoten die niet
gedomesticeerd zijn waardoor zij in beginsel beter om kunnen gaan met een prikkelrijke
omgeving (Neijenhuis & Hopster, 2018). Desalniettemin is niet elke diersoort even geschikt
om daarvan gedomesticeerde exemplaren in te zetten voor dierondersteunde interventies.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Factoren die hier invloed op hebben zijn onder andere dag-nacht ritme, mensgerichtheid
en behoeften met betrekking tot huisvesting/verzorging. De International Society for
Animal Assisted Therapy heeft een lijst (ISAAT, 2018) opgesteld die beschrijft welke
dierensoorten geschikt of minder geschikt zijn om in te zetten bij AAI.
Uit de interviews is gebleken dat er soms misstanden voorkomen. Vaak door onkunde van
diegene die dierondersteunde interventies beoefent. Gebrekkige kennis van gedrag en
verzorging     van   de    dieren   wordt   als   voornaamste     oorzaak    genoemd    van
welzijnsproblematiek. Tevens kunnen misstanden ontstaan door onzorgvuldige selectie van
dieren, belastende opleidingen en belastende werkzaamheden.
Verder constateert de Raad dat, nu de populariteit van dierondersteunde interventies
toeneemt, er interventies worden aangeboden die niet noodzakelijk zijn. Ter illustratie:
een paard wordt ingezet ten behoeve van een teambuilding opdracht, waarbij het team
tracht het paard bepaalde taken uit te laten voeren. Hoewel mogelijk nuttig voor de
teambuilding bestaan er alternatieven voor dit doel en is de inzet van dieren dus niet
noodzakelijk.
5.3 Welzijnsrisico’s mensen
Daar waar dieren en mensen samen zijn, zijn er ook risico’s op incidenten. Denk hierbij
bijvoorbeeld aan zoönose, bijt-, krab- en trapincidenten. In het geval van dierondersteunde
interventies is het niet ongewoon dat deze interventies plaatsvinden in een zorginstelling,
schoolklas of in een ziekenhuis. Dat betekent dat er dierondersteunde interventies gedaan
worden bij risicogroepen zoals ouderen, kinderen en immuun gecompromitteerde
individuen. Deze mensen zijn gevoeliger voor het oplopen van zoönosen (RIVM). Zoönosen
zijn infecties die van dier naar mens overgedragen kan worden. Voorbeelden van zoönose
zijn ringworm, toxoplasmose, kattenkrabziekte en echinococcose. Wat het verhoogde risico
is op het oplopen van een zoönose tijdens dierondersteunde interventies is onbekend.
In Nederland is er jaarlijks sprake van ongeveer 150.000 hondenbeten. Van deze 150.000
incidenten vereisen er zo’n 50.000 medische zorg voor de verwondingen bij de getroffen
mensen. Van deze personen moeten er 230 worden opgenomen in het ziekenhuis. Per jaar
staat het dodental ten gevolge van een bijtincident op één tot twee doden (Hondenbeten
in perspectief, 2008). Kinderen hebben een verhoogd risico in een bijtincident betrokken
te raken (Rezac, Resac, & Slama, 2015) (Davis et al., 2012) (Keuster, Lamoureux, & Kahn,
2006) (RDA, Hondenbeten aan de kaak gesteld, 2017). Zoals al eerdergenoemd is, worden
dierondersteunde interventies veelvuldig op kinderen toegepast. Hoeveel bijtincidenten er
voorkomen bij dierondersteunde therapie is onduidelijk. Cijfers over kattenkrab- of
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                            16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>bijtincidenten zijn er niet; idem voor bijt- en trapincidenten veroorzaak door paarden.
Tevens kunnen er allergische reacties optreden bij mensen, zeker wanneer dieren
tegelijkertijd voor meerdere individuen wordt ingezet, zoals bijvoorbeeld in een klas of
verzorgingstehuis (Bert et al., 2016). Kennis van zoönosen en risicomanagement rondom
zoönose, bijt-, krab- en trapincidenten is noodzakelijk om het risico op incidenten zo klein
mogelijk te maken.
5.4 Dierparameters/welzijnsbeoordeling
Dierenwelzijn omvat de kwaliteit van leven van een dier, zoals deze door het dier zelf wordt
ervaren. Een dier ervaart een positieve staat van welzijn indien het de vrijheid heeft om
normale, soorteigen gedragspatronen uit te voeren en het in staat is om adequaat te
reageren op de uitdagingen die de heersende omstandigheden bieden. Een beoordeling
van dierenwelzijn is complex, juist doordat deze benaderd moet worden vanuit het dier.
Zoals al eerder is genoemd hanteert de Nederlandse wetgeving onder andere de
zogenaamde vijf vrijheden: de dieren moeten vrij zijn van dorst, honger en onjuiste
voeding; fysiek en fysiologische ongerief; pijn, verwonding en ziektes; angst en chronische
stress; beperking van hun natuurlijk gedrag voor zover dit redelijkerwijs kan worden
verlangd.
Professor David Mellor van de universiteit van Massey (Nieuw-Zeeland) heeft dit verder
uitgebreid naar een model dat kan worden ingezet om een systematische, gestructureerde,
uitgebreide en samenhangende beoordeling te kunnen vormen van dierenwelzijn (Mellor,
2017). Dit model heet ‘The Five Domains Model’ oftewel het Vijf Domeinen Model. De
domeinen      geven    aan   welke    overkoepelende    thema’s    van    belang   zijn   in
welzijnsbeoordelingen. De vier domeinen voeding, omgeving, gezondheid en gedrag
weerspiegelen de fysieke gesteldheid en het functioneren van het dier. Elk domein kent
verschillende factoren die beoordeeld kunnen worden. Onder voeding kan bijvoorbeeld
gemeten worden of er adequate hoeveelheden voer en water door het dier wordt
opgenomen, en of de voeding van voldoende kwaliteit is. De subjectieve ervaringen
(affecties) die voortvloeien uit de eerdergenoemde domeinen komen samen in het vijfde
domein: de mentale staat van het dier. Zo leidt een tekort aan voedsel tot het ervaren van
honger en uiteindelijk tot een gevoel van malaise ten gevolge van ondervoeding. Het Vijf
Domeinen model biedt een overzicht van pijlers die een rol spelen in het beoordelen van
dierenwelzijn en duidt tevens waarom deze pijlers van belang zijn. Het legt de link tussen
de meetbare variabelen naar de subjectieve ervaringen van dieren. Het Vijf Domeinen
Model (Engelse versie) is te vinden in bijlage 4.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Hierbij moet worden opgemerkt dat verschillende dieren ook variërende behoeftes hebben
qua voeding en omgevingsfactoren, andere ziektes ontwikkelen en ander gedrag vertonen.
Honden en paarden worden het meest gebruikt voor dierondersteunde interventies, maar
andere dieren zoals katten, kippen, schapen en koeien worden ook regelmatig ingezet.
Deze verschillende diersoorten hebben niet alleen eigen soortspecifieke behoeften, maar
er bestaan ook individuele variaties binnen een soort. Om het welzijn van een dier te
kunnen inschatten in een bepaalde context is er dus specifieke kennis nodig van de
desbetreffende diersoort inclusief mogelijke variaties binnen die diersoort.
6. Conclusie
Voordat de hoofdvraag - Wat is er nodig om dierondersteunde interventies op een
verantwoorde wijze in te zetten, zodanig dat het welzijn van mens en dier gewaarborgd
blijft? - beantwoord kan worden, vraagt het gebruik van dieren ten behoeve van specifieke
interventiedoeleinden een afweging tussen het nut en de noodzaak van de handeling ten
opzichte van de (eventuele) inbreuk op het dierenwelzijn (RDA, Denkkader, 2018). Indien
het nut en de noodzaak onvoldoende is aangetoond moet het dierenwelzijn in ieder geval
geborgd blijven. Krachtens de Wet Dieren (Art. 2.1, lid 1) is het verboden zonder redelijk
doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij
een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te
benadelen. Indien nut en noodzaak van een dierondersteunde interventie duidelijk zijn,
dient evenwel de kans dat de inzet van het dier leidt tot een inbreuk op diens welzijn zo
klein mogelijk gehouden te worden. Dit betekent ook dat er bij dierondersteunde
interventies altijd naar gestreefd wordt om de belasting van het dier te minimaliseren.
In het geval van dierondersteunde interventies is het nut en de noodzaak tevens niet voor
de volledige verscheidenheid aan interventies aangetoond. Of therapie met ondersteuning
van een dier nu daadwerkelijk betere resultaten geeft dan de inzet van een therapeut
alleen, is vooralsnog niet hard te maken (zie paragraaf 2.2). Wel erkent de Raad dat er
wellicht sprake is van een toegevoegde waarde van de inzet van dieren in interventies en
signaleert dat er onderzoek gaande is om dit aan te tonen. De Raad constateert dat er
weinig grip valt te krijgen op de daadwerkelijke omvang van de inbreuk op het welzijn van
dieren bij de verscheidenheid aan interventies. Tevens mag in Nederland iedereen
dierondersteunde interventies toepassen, los van kennis en kunde. Dit maakt het urgent
het welzijn van dieren, en tevens ook dat van mensen, te beschermen. De Raad vindt dat
om dierondersteunde interventies op een verantwoorde manier te in te zetten in ieder
geval professionalisering van de sector een noodzaak is en doet hiertoe de volgende
aanbevelingen.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                            18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>7. Aanbevelingen
7.1 Aanbevelingen aan de sector ter professionalisering
Onder professionalisering verstaat de Raad het dusdanig inrichten van de sector, zodat (1)
dieren niet worden ingezet voor interventies waarbij het welzijn van het dier geschaad
wordt, zonder aannemelijk nut en noodzaak; (2) bij nut en noodzaak van de interventie
het dierenwelzijn geborgd blijft tot waar redelijkerwijs mogelijk; (3) misstanden en
onkunde voorkomen worden en (4) er transparantie bestaat over de gehanteerde
werkwijzen en kwaliteitssystemen in de sector. Bij het professionaliseren van de sector
kan    een   voorbeeld    worden    genomen    aan    de  professionaliseringsaanpak   van
beroepsgroepen op andere zorgterreinen (bijlage 5). Hierbij ziet men de volgende
gemeenschappelijke delers in het professionaliseringsproces:
-     Oprichten van een beroepsvereniging;
-     Ontwikkelen van gezamenlijke standpunten, zoals een regelement, statuten,
      beroepscodes;
-     Ontwikkelen van (na)scholing en erkenning opleidingen;
-     Accrediteren van scholing;
-     Verdere professionalisering zoals vergoeding zorgverzekering, erkenning beroep.
Het   oprichten   van    een  beroepsvereniging    en   het opzetten    van   een  uniform
opleidingscurriculum dienen ertoe het welzijn van dier en mens te borgen.
Waarborging welzijn
Het welzijn van mens en dier kunnen in dierondersteunde interventies op verschillende
wijzen gevaar lopen. Om de risico’s hierop te beperken kan de sector zelf stappen
ondernemen. Allereerst is het van belang een geschikt dier te kiezen voor de beoogde
interventie. Dit begint bij het inzetten van een geschikte diersoort. Dieren die
gedomesticeerd zijn vertonen minder sensitiviteit en reactiviteit en hebben een verhoogde
stresstolerantie, waardoor zij beter om kunnen gaan in de prikkelrijke omgeving van de
mens dan niet gedomesticeerde dieren. De International Society for Animal Assisted
Therapy heeft een lijst (ISAAT, 2018) opgesteld die beschrijft welke dieren geschikt of
minder geschikt zijn om in te zetten bij interventies.
Het dier zal speciaal getraind moeten worden voor het uit te voeren werk. Dit vereist een
gedifferentieerd opleidingstraject, passende bij de beoogde interventie. Onnodige
restricties voor het dier moeten vermeden worden. Tevens is het in het belang voor beide
partijen dat het karakter van het dier past bij het beoogde subject van de interventie,
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                           19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>zeker als dit een 24/7 combinatie betreft. Een passende combinatie zal de samenwerking
vergemakkelijken. Een matchingsprocedure kan hiervoor worden ingezet.
Verder moet het dier de aanbevolen preventieve en therapeutische veterinaire zorg
ontvangen. Protocollen ten aanzien van hygiëne en veiligheid verminderen de kans op
zoönosen, bijt- en trapincidenten. Protocollen ten aanzien van werkbelasting kan
voorkomen dat dieren oververmoeid of overprikkeld raken. Gezien de sensitiviteit en
impulsiviteit van jonge (pre)-puberale dieren valt de inzet van deze dieren af te raden.
Het dierenwelzijn zou gemonitord moeten worden door de professional die betrokken is bij
het dier. Zoals eerder beschreven is het beoordelen van dierenwelzijn niet rechtlijnig. Het
Vijf Domeinen Model (bijlage 4) biedt parameters die hier ondersteuning voor bieden. In
eerste instantie adviseert de Raad om de monitoring van het dierenwelzijn door de sector
zelf te laten uitvoeren. Hierbij in het noodzakelijk dat de sector transparant is. De overheid
behoort in te grijpen indien de welzijnsborging onvoldoende blijkt.
Oprichting van één beroepsvereniging
Hoewel ieder in dierondersteunde interventies een andere werkwijze kan hanteren en de
activiteiten die gedaan worden zeer divers zijn, zijn er grote gemeenschappelijke delers in
het spel. Denk hierbij aan dierenwelzijn, (na)scholingseisen, kwaliteit en veiligheid. Het
opzetten van een beroepsvereniging kan ervoor zorgen dat de professionals zich kunnen
onderscheiden van de niet professionals en kan dit kenbaar maken voor zowel cliënten als
zorgverzekeraars. Binnen deze beroepsvereniging kunnen statuten en regelementen
worden opgenomen waarin eisen worden gesteld aan diegene die dierondersteunde
interventies toepast. De eerdergenoemde vertaalde kwaliteitsbrochure (Wolfarth, Olbrich,
& Verhegge, 2017) die in veel Duitstalige gebieden gehanteerd wordt kan wellicht
handvatten bieden hoe dergelijke statuten, regelementen en eisen opgesteld zouden
kunnen worden. Ook kan deze brochure handvatten bieden voor verdere aanpak rondom
eisen de gesteld kunnen worden aan scholing en de erkenning hiervan. Ook is de Raad van
mening dat de ‘White Paper’ van de International Association of Human-Animal Interaction
Organizations (IAHAIO, 2018) behulpzaam kan zijn bij dit proces.
De eerste stap om een beroepsvereniging te vormen is om een select aantal mensen bij
elkaar te zetten met verstand van de sector. Deze mensen kunnen vervolgens na gaan
denken over doelstellingen, statuten, regelementen en plan van aanpak. Hierin kunnen
eisen worden gesteld betreffende de selectie en opleiding van dieren en aan de uitvoerende
professionals. Verder zal er vastgesteld moeten worden welke kennis in het curriculum van
een uniform onderwijslijn moet worden vastgelegd. Partijen die zich begeven op het gebied
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                               20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>van dierondersteunde interventies kunnen zich aansluiten bij de vereniging en gaan
daarmee akkoord met het opgestelde kwaliteitssysteem. Aan dit kwaliteitssysteem zou de
vereniging, eventueel in samenwerking met NGOs, een kwaliteitskeurmerk kunnen
koppelen. Organisaties met een dergelijk keurmerk kunnen een professionele werkwijze
inclusief het borgen van dierenwelzijn kenbaar maken in de markt van aanbieders.
(Na)scholing
Het opstellen een beroepsvereniging biedt kansen eisen te stellen aan de opleidingen die
worden aangeboden in de branche. Hiervoor kan een uniform curriculum worden opgesteld.
De eisen kunnen opgedeeld worden per interventietype en diersoort. We bevelen aan de
mensen die interventies uitvoeren te onderwijzen in dierenwelzijn en hoe deze te
beoordelen. Ook relevante kennis betreffende zoönosen, diergezondheid en hygiëne zijn
noodzakelijk om de fysische gezondheid van mens en dier te waarborgen. Kennis met
betrekking tot het gedrag van dieren voorkomt onveilige en ongewenste situaties. De
richtlijnen van de ISAAT/ESAAT kunnen ondersteuning bieden.
7.2 Aanbevelingen aan de ministeries LNV en VWS
Artikel 2.3 van de Wet dieren betreft het gebruik van dieren. Ondanks dat de
dierondersteunde interventies praktijken behelst waarbij dieren worden ingezet ten
behoeve van de mens wordt hier in de wet niet over gesproken. De minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit kan de reikwijdte van het toetsingskader productiedieren
uitbreiden met dieren die diensten leveren. Deze specifieke aanbeveling voor dieren die
diensten leveren is reeds opgenomen in de RDA zienswijze Toetsingskader voor
Productiedieren (2016). Bij de toetsing of een diersoort geschikt is om in te zetten voor
dierondersteunde interventies kunnen eisen gesteld worden aan de opleider of begeleider,
bijvoorbeeld het werken conform een keurmerk. Hierdoor kunnen voorwaarden worden
gesteld aan de uitvoerders van de interventies, bijvoorbeeld dat zij aangesloten zijn bij de
beroepsvereniging en een erkende opleiding hebben gevolgd. Een voorbeeld kan hierbij
worden genomen aan de wetgeving betreffende assistentiedieren en therapiedieren die
sinds 2015 in Oostenrijk van kracht is.
De Raad adviseert de ministers van LNV en VWS eveneens om de professionalisering van
de betreffende sector te faciliteren door een gesprekstafel te organiseren voor de
aanbiedende partijen. De ministeries kunnen hierbij steun bieden bij het formeren van een
beroepsvereniging en een kwaliteitskeurmerk. Op deze wijze draagt de overheid bij aan de
kwaliteit van aangeboden dierondersteunde interventies en goed dierhouderschap.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>7.3 Aanbevelingen onderzoek
Tot op heden is het merendeel van de onderzoeken die zijn uitgevoerd gefocust op het
aantonen van het positieve effect van een dierondersteunde interventie op de mens. Goed
opgezet onderzoek naar de effectiviteit van dierondersteunde interventies kan inderdaad
het nut van enkele therapieën en inzet van dieren aantonen. Dit is nodig om de inzet van
dieren te rechtvaardigen. Dieren die worden ingezet voor doelen waarvan het nut en de
noodzaak niet is aangetoond zouden geen welzijnsongemakken mogen ondervinden ten
gevolge van deze activiteit. Het is dus van belang dat er geïnvesteerd wordt in dergelijke
onderzoek, waarbij een zorgvuldige methodiek moet worden toegepast om de bewijslast
te verhogen. In dit soort onderzoek moet er onder andere gekeken worden of speciaal
getrainde dieren tijdens interventies meer bijdragen aan het welzijn van de mens dan een
gezelschapsdier. Bij het laatste zijn namelijk ook de positieve effecten van de interactie en
band tussen mens en dier te verwachten. Tevens kan aanvullend onderzoek naast het nut,
ook de noodzaak van een interventie ondersteunen of betwisten. Zo kunnen er
alternatieven onderzocht worden voor de interventies. Wanneer de ADL-hond door een
robot zou kunnen worden vervangen, hoeven deze niet langer opgeleid en ingezet te
worden. Als er aantoonbaar aanvullende voordelen bestaan van een hond ten opzichte van
een robot, zoals affectie en interactie, kunnen deze factoren ondervangen worden door een
gezelschapsdier.
Verder valt het sterk aan te bevelen uitgebreid onderzoek te doen naar het welzijn van
dieren in werksituaties. Dit geldt voor zowel de assistentiedieren als de therapiedieren. Het
welzijn van speciaal getrainde dieren zou vergeleken moeten worden met een vergelijkbare
groep gezelschapsdieren, om in kaart te kunnen brengen wat het inzetten van deze
getrainde dieren voor effect heeft op het dier zelf.
7.4 Aanbevelingen aan zorgverzekeraars en gemeenten
Wij adviseren dat zorgverzekeraars en gemeenten om het al dan niet verstrekken van
vergoedingen te koppelen aan een professionele structuur in de aanbiedende sector van
dierondersteunde interventies. Dierenwelzijnsborging is een criterium dat opgenomen zou
moeten worden om binnen de aanvullende verzekering te kunnen vallen of vergoeding
vanuit de WMO mogelijk te maken. Het voornoemde kwaliteitskeurmerk kan hier leidend
zijn.
7.5 Aanbevelingen aan instellingen
Tevens    adviseren   we    instellingen  die  gebruik   willen  maken     van  dieren   voor
dierondersteunde interventies om dit alleen te doen in samenwerking met organisaties die
verbonden zijn aan het voorgestelde kwaliteitskeurmerk. Instellingen kunnen door middel
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                              22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>van het benaderen van dergelijke organisaties met keurmerk onverantwoorde inzet van
dieren voorkomen.
RDA.2019.107      Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>8. Bronnen
Anestis, M., Anestis, J., Zawilinski, L., Hopkins, T., & Lilienfeld, S. (2014). Equine-Related
   Treatments For Mental Disorders Lack Empirical Support: A Systemic Review of
   Empirical Investigations. Journal of clinical psychology, 1115-1132.
Animal assisted intervention. (2016). Opgehaald van Animal Assisted Intervention
   International: http://www.aai-int.org/aai/animal-assisted-intervention/
Barten, M., & de Boer, M. (2013). Samen op weg naar professionalisering: Een onderzoek
   naar mogelijke interne en-/of externe samenwerkingsverbanden om het werkveld
   paardencoaching te professionaliseren. Leeuwarden: VHL
Beetz, A., Uvnäs-Moberg, K., Julius, H., & Kotrschal, K. (2012). Psychosocial and
   psychophysiological effects of human-animal interactions: the possible role of oxytocin.
   Frontiers in Psychology, 1-15.
Bert, F., Gualano, M., Camussi, E., Pieve, G., Voglino, G., & Siliquini, R. (2016). Animal
   assisted intervention: A systemic review of benefits and risks. European Journal of
   Integrative Medicine, 695-706 (8).
Brelsford, V. e. (2017). Animal-Assisted Interventions in the Classroom - A Systemic
   Review. International Journal of Environmental Research and Public Health, 669.
Bremhorst, A. M. (2018). Spotlight on Assistance Dogs - Legislation, Welfare and Research.
   Animals, 1-19.
Davis, A., Schwebel, D., Morrongiello, B., Stewert, J., & Bell, M. (2012). Dog bite risk: An
   assessment of child temperament and child-dog interactions. International Journal of
   Envirionmental Research and Public Health, 3002-3013.
Dietz, L., Arnold, A., Goerlich-Jansson, V., & Vinke, C. (2018). The importance of early life
   experiences for the development of behavioural disorders in domestic dogs. Behaviour,
   83-114.
Fine, A. (2010). Chapter 20: Wefare considerations in therapy and assistance animals. In
   Handbook on Animal-Assisted Therapy: Theoretical Foundations and Guidelines for
   Practice (pp. 453-474. 2th edition). Elsevier Inc.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Fine, A. (2010). Chapter 3: Animal-assisted interventions in mental health: definitions and
   theoretical  foundations. In    Handbook    on   Animal-Assisted Therapy: Theoretical
   Foundations and Guidelines for Practice (p. 34. 3th edition). Elsevier inc.
García Pinillos, R., Appleby, M., Manteca, X., Scott-Park, F., Smith, C., & Velarde, A.
   (2016). One Welfare – a platform for improving human and animal welfare. Veterinary
   Record, 1-8.
Glenk, L. (2017). Current Perspectives on Therapy Dog Welfare in Animal-Assisted
   Interventions. Animals, 1-17.
Herzog, H. (2014). Does Animal-Assisted Therapy Really Work? - What clinical trials reveal
   about the effectiveness of four-legged therapists. Psychology Today.
Hondenbeten in perspectief (2008). comissie van Sluijs.
IAHAIO (2018). IAHAIO White Paper: The IAHAIO Defenitions for Animal Assisted
   Intervention and Guidelines for Wellness of Animals Involved. International Association
   of Human-Animal Interaction Organisations.
ISAAT (2018). ISAAT Species List. Opgeroepen op 29-08-2018, van http://www.aat-
   isaat.org/component/jdownloads/send/1-root/310-isaat-species-list-2018
Keuster, T., Lamoureux, J., & Kahn, A. (2006). Epidemiology of dog bites: A Belgian
   experience of canine behaviour and public health concerns. The Veterinary Journal, 482-
   487.
Kis, A., Ciobica, A., & Topál, J. (2017). The effect of oxytocin on human-directed social
   behaviour in dogs (Canis familiaris). Hormones and Behavior, 40–52.
Krause-Parello, C., Sarni, S., & Padden, E. (2016). Military veterans and canine assistance
   for post-traumatic stress disorder: A narrative review of the literature. Nurse Education
   Today, (47) p. 43-50.
Lockwood, R., & Arkow, P. (2016). Animal Abuse and Interpersonal Violence: The Cruelty
   Connection     and    Its    Implications   for   Veterinary      Pathology.   Veterinary
   Pathology(Vol.52(5)), 910-918.
RDA.2019.107        Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Marino, L. (2012). Construct Validy of AnimalAssisted Therapy and Activities: How
   Important Is the Animals in AAT? Anthrozoos: A Multidisciplinary Journal of The
   Interactions of People & Animals, 139-151.
Mellor, D. (2017). Operational Details of the Five Domains Model and Its Key Applications
   to the Assessment and Management of Animal Welfare. Animals 7(12), 60.
Melson, G., P.H., K., Beck, A., & Friedman, B. (2009). Robotic Pets in Human Lives:
   Implications for the Human–Animal Bond and for Human Relationships with Personified
   Technologies. Journal of Social Issues, 65: 545-567.
Neijenhuis,   F.,  &   Hopster,   H.  (2018).  Gedomesticeerd?     Begripsomschrijving   en
   beoordelingskader, toegepast voor het rendier en de zeboe. Wageningen Livestock
   Research, Rapport 1102.
RDA. (2016). One Health; Een afwegingskader voor beleidsbeslissingen. Den Haag.
RDA. (2016). Toetsingskader voor Productiedieren. Den Haag.
RDA. (2017). Hondenbeten aan de kaak gesteld. Den Haag.
RDA. (2018). Denkkader. Den Haag.
Rezac, P., Resac, K., & Slama, P. (2015). Human behavior preceding dog bites to the face.
   The Veterinary Journal, 284-288.
Rietveld-Pierpers, B.; Enders-Slegers M.J. (2018). De inzet van dieren in zorg en onderwijs.
   Open Universiteit, leerstoel Antrozoölogie.
RIVM. Risicogroepen. Opgehaald van https://www.rivm.nl/ziek-door-dier/risicogroepen
Romer-Bartels, M. (Vol. 53(3), 2006). Diergeneeskundig Memorandum.
Whitmarsh, L. (2004). The Benefits of Guide Dog Ownership. Visual Impairment Research,
   27-42.
Wolfarth,   R.,   Olbrich,  E.,   &   Verhegge,   T.  (2017).   Kwaliteitsontwikkeling   en
   kwaliteitswaarborging bij dierondersteunende interventies. 67p.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>9. Bijlagen
Bijlage 1: Definities en begrippen
Dierondersteunde Interventie / Animal Assisted Intervention: is een doelgerichte
en gestructureerde interventie bij mensen waarbij door middel van het intentioneel
inzetten van dieren getracht wordt vooruitgang te bewerkstelligen in de fysieke, sociale,
emotionele of cognitieve gezondheid en/of functioneren van een persoon.
Animal Assisted Therapy (AAT): is een doelgerichte, gestructureerde en geplande
therapeutische interventie ten behoeve van het fysieke, sociale, emotionele en/of
cognitieve functioneren van een persoon, begeleid door een speciaal getraind en
geselecteerd dier en zijn of haar professionele begeleider. Er zijn specifieke doelen voor
elk individu opgesteld en het proces wordt professioneel gedocumenteerd en geëvalueerd.
Een voorbeeld van AAT is de inzet van een speciaal getrainde en geselecteerde hond bij de
therapie van iemand met een trauma of een depressie.
Animal Assisted Education (AAE): is een doelgerichte, geplande en gestructureerde
interventie die verzorgd wordt door onderwijsprofessionals ten behoeve van het verbeteren
van de sociale vaardigheden en het cognitief functioneren. De voortgang wordt gemeten
en gedocumenteerd. Een voorbeeld van AAE is een leeshond met als doel verbetering van
leesvaardigheid.
Animal Assisted Activity (AAA): is een geplande, informele interactie of visitatie
begeleid door een mens-dier team voor motivatie-, educatie- en recreatiedoeleinden. Het
is niet vereist de interventie te documenteren en te evalueren. Het meenemen van geiten
of konijnen van een kinderboerderij naar een zorginstelling, zodat ouderen de dieren
kunnen aaien is een vorm van AAA.
Animal Assisted coaching (AAC): is een doelgerichte, geplande en gestructureerde
interventie die verzorgd wordt door een professional met een licentie als coach. De
progressie wordt gemeten en gedocumenteerd. AAC wordt beoefend door coaches met
expertise binnen de doelgroep waarin de coach praktiseert. De focus ligt op het
ondersteunen van persoonlijke groei, inzicht en ondersteuning in groepsprocessen, op
sociale vaardigheden en/of op het sociaal-emotioneel functioneren van de persoon die de
interventie ontvangt.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                           27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Animal Support/Service (AS): is een ondersteuning die aangeboden wordt door
professionele organisaties die dieren en hun begeleiders trainen. De dieren ondersteunen
een individu met een beperking met specifieke activiteiten in het dagelijks leven zodat zij
beter kunnen functioneren in de maatschappij. Deze beperkingen betreffen onder andere
het   zicht   (blindengeleidehonden),    het  gehoor    (signaalhonden),   fysiek/mobiliteit
(Algemene-Dagelijkse-Levensverrichtingen-hond), mentale problematiek (PTSS; autisme)
en medische aandoeningen (diabetes; epilepsie). De assistentiedieren zijn 24/7 bij de
persoon die zij ondersteunen.
One Welfare: ofwel wederzijds welzijn, is een concept dat recent in de literatuur is
geïntroduceerd (García Pinillos, et al., 2016). Het concept overlapt met het One Health
principe dat sinds het begin van deze eeuw meer aandacht heeft gekregen. Met One Health
wordt er verwezen naar de samenhang tussen de gezondheid van mensen, dieren en het
ecosysteem (RDA, One Health; Een afwegingskader voor beleidsbeslissingen, 2016).
Gezondheid is echter slechts één van meerdere factoren die bepalen of een mens of dier
in een staat van welzijn verkeert. Het concept One Welfare erkent dat er tussen mens, dier
en milieu interacties plaatsvinden die het welzijn van voelende individuen beïnvloedt. Een
hond die wordt ingezet bij therapie welke niet goed wordt verzorgd, angstig of agressief
gedrag vertoont en/of lichamelijke ongemakken heeft, is in zijn welzijn aangedaan en zal
het werk ten gevolge hiervan mogelijk niet goed en/of veilig uit kunnen voeren. Dit heeft
weer een impact op de persoon die deze vorm van therapie zou ontvangen. Een ander
voorbeeld van One Welfare is de relatie die bestaat tussen huiselijk geweld en
dierenmishandeling. Lockwood en Arkow (2016) beschrijven deze relatie uitgebreid in hun
rapport.
Vanuit de erkenning van deze onderlinge afhankelijkheid wordt het duidelijker dat
verhoogd dierenwelzijn uiteindelijk ook kan leiden tot een verhoogd welzijn bij mensen (en
andersom). One Welfare is een begrip dat inclusiever is dan One Health en helpt om
zinvolle discussies te voeren met verschillende stakeholders in multidisciplinaire
samenwerking.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>       Bijlage 2: Overzicht scholing dierondersteunde therapie
                                                                                           Dieren-   Dier-                 Zoönose/
Naam school              Naam cursus/opleiding      Niveau     Duur                                             Diergedrag
                                                                                           welzijn   gezondheid            Hygiëne
Van Hall Larenstein-     Specialisatie Dieren in de            1 semester van een 4 jarige
                                                    HBO                                          Ja        Ja        Ja         Ja
Diermanagement           zorg                                  opleiding
                         Minor Dier in Therapie,               1 semester van een 4 jarige
Aeres Hogeschool Dronten                            HBO                                          Ja         ?        Ja          ?
                         Training en Coaching                  opleiding
Pets4care                Dog assisted coaching      MBO+/HBO   20 lesdagen                       Ja         ?        Ja          ?
                         Kindercoach met de hond
Pets4care                                           MBO+/HBO   20 lesdagen                    Ja/Nee        ?        Ja          ?
                         als Co-Coach
Pets4care                Cursus Dierbegeleider      MBO/HBO    3,5 lesdagen                      Ja         ?        Ja         Ja
                         Basiscursus
Stichting Contacthond /
                         hondenbegeleider           MBO/HBO    4 daagse basiscursus              Ja         ?        Ja         Ja
Martin Gaus Academie
                         AAI/DOI
                         Therapiehond (hond
Happy Tails                                         ?          2 lesdagen                         ?         ?         ?          ?
                         wordt ook getest)
                         Equine Assisted Coach-
Kreulseweg                                          HBO        20 lesdagen                       Ja         ?        Ja          ?
                         Level 1
                         Equine Assisted Coach-
Kreulseweg                                          HBO        16 lesdagen                      Nee       Nee       Nee        Nee
                         Level 2 (level 1 vereist)
                         Equine Assisted
Kreulseweg               Kindercoach (level 1       HBO        16 lesdagen                      Nee       Nee       Nee        Nee
                         vereist)
       RDA.2019.107      Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                                                                                  Dieren- Dier-                 Zoönose/
 Naam school                      Naam cursus/opleiding    Niveau      Duur                                          Diergedrag
                                                                                                  welzijn gezondheid            Hygiëne
 Nederlandse Stichting            Opleiding Equitherapie
                                                           HBO         Totale duur is 2 jaar            ?       ?         Ja         ?
 Helpen met Paarden               SHP
                                  Basisopleiding Coachen
 3PK kennishuis                                            ?           12 lesdagen                      ?       ?          ?         ?
                                  met paarden
 Caprilli Coaching en             Basisopleiding
                                                           MBO/HBO     5 lesdagen                       ?       ?          ?         ?
 Training                         Paardencoaching
                                  Basisopleiding 2,
 Caprilli Coaching en
                                  Systemische              MBO/HBO     4 lesdagen                       ?       ?          ?         ?
 Training
                                  Paardencoaching
                                  Opleiding/specialisatie
 Caprilli Coaching en
                                  Paardencoaching voor     MBO/HBO     5 lesdagen                       ?       ?          ?         ?
 Training
                                  Kinderen
                                  Basisopleiding/post HBO
 Centrum voor                                                          12 maanden (merendeel
                                  leergang Cognitief       HBO                                         Ja       ?         Ja         ?
 Paardencoaching                                                       wordt online gegeven)
                                  Coachen met Paarden
 Opleidingscentrum
                                  Dialoog Coaching met                 16 lesdagen (verdeelt over
 Dialoog tussen Mens en                                    ?                                            ?       ?          ?         ?
                                  paarden                              een jaar)
 Paard
 Europees
                                  Opleiding tot                        104 uur (afronding in 3-7
 Opleidingscentrum                                         HBO                                          ?       ?         Ja         ?
                                  paardencoach                         maanden)
 Paardencoaches
Nb: globaal overzicht, niet compleet.
         RDA.2019.107            Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                                         30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>         Bijlage 3: Overzicht aanbieders hulphonden
                                      Type Hulphond                                Aangesloten bij                   Gecontracteerd bij
                                                                                               Inter-
                                                                                  Assistance
               Buddy/PT                                                                       national                                     Zilveren
                         ADL    Autisme     Zicht   Gehoor    Diabetes  Epilepsie dog inter-            Menzis Interpolis   Ohra     Unive
                  SS                                                                         guide dog                                       Kruis
                                                                                   national
                                                                                             federation
Stichting
hulphond          X       X                                                 X          X                  X        X         X          X      X
Nederland
KNGF
geleidehonde      X       X        X          X                                        X         X        X        X         X          X      X
n
Hulphondensc
                  X       X                                                            X                  X        X         X          X      X
hool de Click
Martin Gaus
geleiden- en
                          X                   X                                        X         X        X        X         X          X      X
hulphondensc
hool
Stichting Hero    X       X                   X                  X                                                 X                    X      X
Stichting
personal                  X                                                            X                  X        X         X          X      X
service dog
DCN
geleidehonde                                  X                                                           X        X         X          X      X
n fonds
Geleidehonde
nschool
                   ?               X          X                                                  X        X        X         X          X      X
Herman
Jansen
         RDA.2019.107    Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                                                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                              Type Hulphond                                Aangesloten bij                   Gecontracteerd bij
                                                                                                       Inter-
                                                                                          Assistance
                 Buddy/PT                                                                             national                                     Zilveren
                                ADL     Autisme     Zicht   Gehoor    Diabetes  Epilepsie dog inter-            Menzis Interpolis   Ohra     Unive
                     SS                                                                              guide dog                                       Kruis
                                                                                           national
                                                                                                     federation
 Ans Labee
 geleidenhond                                         X                                                                    X                           X
 en
 Stichting
                                                               X                               X                                                X
 Signaalhond
 Bultersmekke
 assistance          X            X        X                   X                    X          X                           X         X          X
 dogs
 Hulphonden
                      ?                    X                                                                                                    X
 voor Autisme
Nb: globaal overzicht, niet compleet.
          RDA.2019.107           Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                                                            32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>         Bijlage 4: Het vijf domeinen model
Het vijf domeinen model als gepresenteerd door (Mellor, 2017). Binnen de 4 hoofddomeinen zijn er verschillende variabelen die tot positieve of negatieve ervaringen leiden voor het dier.
Deze ervaringen komen samen in het vijfde domein: de mentale staat van het dier.
         RDA.2019.107          Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                                                                                                                          33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Bijlage 5: Profesionalisering andere sectoren
Om te kunnen beoordelen wat er nodig is in de sector ter professionalisering, kan het nuttig
zijn om te kijken hoe andere vergelijkbare sectoren dit aangepakt hebben. Het beroep van
dierfysiotherapeut   kan   hier als voorbeeld    dienen. Volgens het      diergeneeskundig
memorandum uit 2006 (Romer-Bartels) is het eerste bewijs voor het bestaan van het
beroep dierfysiotherapeut afkomstig uit 1986. Op dat moment was het beroep van
dierfysiotherapeut geen beschermd beroep en kon ieder die het wenste (geschoold of
ongeschoold) hiermee aan de slag. Een themadag dierfysiotherapie werd georganiseerd en
de deelnemers waren dermate enthousiast dat er gesproken werd over het oprichten van
een werkgroep om het beroep verder te ontwikkelen. Deze werkgroep is er gekomen,
samengesteld vanuit het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en
de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD). Gezamenlijk maakte zij
afspraken over hoe zij wilden dat dierfysiotherapie beoefent zou moeten worden, maakte
hier protocollen over die nageleefd werden door de leden en zij streefden uiteindelijk naar
een formele erkenning van het beroep. Uiteindelijk organiseerden zij een cursus
dierfysiotherapie die van start ging in 1988. De werkgroep groeide uit tot een
beroepsvereniging, namelijk de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Dieren
(NVFD) om een meer officieel karakter te krijgen. Statuten werden opgesteld, gesprekken
met het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werden gehouden over
wetgeving ter bescherming van het beroep, een leerplancommissie werd benoemd, een
huishoudelijk regelement werd opgesteld, nascholingen en lezingen werden georganiseerd
en een PR-commissie werd opgericht om onder andere een logo te ontwerpen. Uiteindelijk
heeft dit alles geleid tot een wettelijke aanpassing in de Wet op de Uitoefening van de
Diergeneeskunde, Besluit Paraveterinairen op 1 augustus 1992 waardoor dierfysiotherapie
een beschermd beroep werd.
In een rapport van Hogeschool Van Hall Larenstein (Barten & de Boer, 2013) wordt de
professionalisering   van   de   haptotherapie  en  creatieve   therapie   beschreven.   De
overeenkomsten van bovenstaande voorbeelden van professionalisering zijn als volgt:
-     Oprichten van een beroepsvereniging;
-     Ontwikkelen van gezamenlijke standpunten, zoals een regelement, statuten,
      beroepscodes;
-     Ontwikkelen van (na)scholing en erkenning opleidingen;
-     Accrediteren van scholing;
-     Verdere professionalisering zoals vergoeding zorgverzekering, erkenning beroep.
RDA.2019.107         Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens en dier?’
                                                                                             34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Samenstelling Raad voor Dierenaangelegenheden
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen
die de minister van Landbouw gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire
vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit
wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die er op persoonlijke titel, zonder last
of ruggespraak, zitting in hebben.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad. Deze zienswijze
is daarmee een product van de hele Raad. De RDA bestond op 1 januari 2019 uit de
volgende leden:
De Raad voor Dierenaangelegenheden:
Prof.dr. J.J.M. van Alphen                      A. Kemps
Dr.ir. G.B.C. Backus                            Dr. L.J.A. Lipman
J.P. van den Berg                               Dr. F.L.B. Meijboom
W.T.A.A.G.M. van den Bergh                      Drs. F.E. Rietkerk
Prof.dr. J.M. de Boer                           Mr. C.W. Ripmeester
Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht       Dr.ir. M.C.T. Scholten
Mr. A.G. Dijkhuis                               Prof.dr. Y.H. Schukken
Dr. N. Endenburg                                Ir. G.C. Six
Prof.dr.ir. J.W. Erisman                        Drs. M. Slob
Drs. D. van Gennep                              Prof.dr. G.R. de Snoo
Prof.dr. M.A.M. Groenen                         Mr.drs. J. Staman, voorzitter
Prof.dr. S. Haring                              Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels
Prof.dr.ir. L.A. den Hartog                     Drs. R.A. Tombrock
A.L. ten Have-Mellema                           Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp
Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek                  dr. H.A.P. Urlings
Drs. G. Hofstra                                 Dr. J.B.F. van der Valk
H. Huijbers                                     Drs. F.A.L.M. Verstappen
Prof.dr.ir. A. van Huis                         J. van de Ven
Prof.dr.ir. B. Kemp
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
      RDA.2019.107 Zienswijze ‘Dierbare Hulpverleners – Welzijn voor mens én dier?’
                                                                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>