<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Dierenwelzijn in de
kringlooplandbouw
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Procedure ........................................................................................................... 3
Leeswijzer .......................................................................................................... 3
1.   Inleiding ..................................................................................................... 4
     1.1     Achtergrond en aanleiding .................................................................... 4
     1.2     Doel- en vraagstelling .......................................................................... 5
     1.3     Uitgangspunten ................................................................................... 5
2.   Kringlooplandbouw ..................................................................................... 6
3.   Voeren van dieren in de kringlooplandbouw ............................................. 10
4.   De waarde van mest in de kringlooplandbouw ......................................... 14
5.   Huisvesten van dieren in de kringlooplandbouw ....................................... 15
6.   Welk dier past in de kringlooplandbouw? ................................................. 17
7.   Afsluitende beschouwing en conclusies .................................................... 19
8.   Aanbevelingen .......................................................................................... 21
Literatuur ......................................................................................................... 22
Bijlagen ............................................................................................................ 24
     Bijlage 1: Interviews van experts ...................................................................24
     1       Rol van de veehouderij in de kringlooplandbouw .....................................26
     2       Risico’s en kansen voor dierenwelzijn en –gezondheid .............................26
     2.1      Voeding ............................................................................................26
     2.2      Dierhouderijsystemen .........................................................................28
     2.3      Diersoorten/-rassen en fokkerij ............................................................30
     3       Risico’s dierziekten en volksgezondheid .................................................31
     4       Gevolgen voor niet-gehouden dieren .....................................................32
     5       Het dier in onderzoekagenda’s ..............................................................33
     6       Rolverdeling tussen stakeholders ..........................................................34
     7       Kanttekeningen van experts .................................................................35
     8       Aanbevelingen van experts ..................................................................35
     9       Conclusies interviewronde experts ........................................................36
     Bijlage 2: Deelnemers Expertbijeenkomst 14 januari 2020.................................38
Samenstelling Raad voor Dierenaangelegenheden ........................................... 39
RDA.2020.045           RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                                            2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is opgesteld door een forum
bestaande uit de raadsleden prof.dr.ir. I.J.M. de Boer (voorzitter), dr.ir. G.B.C.
Backus, W.T.A.A.G.M. van den Bergh, prof.dr.ir. J.W. Erisman, J.A.M. Huijbers en
prof.dr.ir. B. Kemp. Het forum is uitgebreid met dr.ir. R.A. Jongeneel van WUR
(Agricultural Economics and Rural Policy Group) en dr. L.M. Stadig van JongRDA.
Het forum is ondersteund door adjunct-secretaris ir. R. Pothoven en secretaris ir. M.H.W.
Schakenraad van het bureau van de Raad.
Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 4 maal bijeen geweest, zijn individuele
gesprekken     gevoerd   met  de   in  bijlage 1   genoemde     deskundigen  en    is een
expertbijeenkomst gehouden met de in bijlage 2 genoemde deskundigen.
De concept-zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad en aan Jong
RDA. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad.
Leeswijzer
Deze zienswijze begint met een inleidend hoofdstuk over aanleiding, vraagstelling en
gehanteerde uitgangspunten (hoofdstuk 1).
In hoofdstuk 2 staan we stil bij het doel en de principes van kringlooplandbouw, de rol
die dieren hierin kunnen spelen en bij het raakvlak tussen kringlooplandbouw met
dierenwelzijn.
Dit wordt gevolgd door een behandeling van mogelijke gevolgen voor dieren van een
transitie naar kringlooplandbouw (hoofdstuk 3 t/m 6).
De zienswijze wordt afgesloten met een afsluitende beschouwing (hoofdstuk 7) en
conclusies en aanbevelingen voor verdere acties (hoofdstuk 8).
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1     Achtergrond en aanleiding
In de Nederlandse landbouw heeft de laatste decennia de nadruk gelegen op
productieverhoging en kostenverlaging. Dit is ten koste gegaan van de kwaliteit van
publieke waarden, zoals biodiversiteit, bodem, lucht, water, natuur, landschap, klimaat
en dierenwelzijn. De wens is nu om de volgende stap in de ontwikkeling in de landbouw
en ons voedselsysteem te maken op een zodanige manier dat de kwaliteit van deze
publieke waarden niet verder wordt aangetast en zelfs wordt hersteld. De minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Carola Schouten heeft in september 2018 in haar
visie ‘Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden’ uiteengezet dat het
daarom noodzakelijk is om over te stappen op kringlooplandbouw (LNV, 2018). Een
toekomstvisie die breed gedeeld wordt, maar tegelijkertijd veel vragen oproept. Wat is
precies kringlooplandbouw? Heeft het dier een rol in de kringlooplandbouw, en zo ja, hoe
waarborgen en verbeteren wij het welzijn van het dier in de kringlooplandbouw? Is
dierenwelzijn voldoende in het vizier in de discussie rondom kringlooplandbouw?
De veehouderij is nadrukkelijk onderdeel van het debat over de realisatie van
kringlooplandbouw. Enerzijds is duidelijk dat de huidige vorm van veehouderij op
wereldschaal een groot beslag legt op grondstoffen (land, water) en significant bijdraagt
aan     milieuproblemen      als   verzuring,     vermesting,    klimaatverandering    en
biodiversiteitsverlies (Poore en Nemecek, 2018). Anderzijds kan juist de veehouderij
bijdragen aan het sluiten van kringlopen omdat dieren biomassa die mensen niet kunnen
of willen eten (bierborstel, voedselafval, gras, hooi) kunnen omzetten in voedsel, mest
en andere ecosysteemdiensten, en op die manier nutriënten en koolstof recyclen die
anders voor het voedselsysteem verloren zouden gaan (Van Zanten et al., 2018; 2019).
Dit geldt niet alleen voor de ‘traditionele’ dieren, zoals koeien, schapen, varkens en
kippen, maar ook voor bijvoorbeeld insecten: deze kunnen leven van biomassa die voor
consumptie door de mens of andere dieren ongeschikt is, waarna de insecten weer
kunnen dienen als eiwitbron voor mens of dier.
Het denken en de discussie over de transitie naar kringlooplandbouw is volop gaande. De
Raad constateert echter dat in de diverse denkrichtingen, studies en visies de gevolgen
voor het dier tot nu toe onderbelicht zijn. Nadat er in de afgelopen jaren toenemende
aandacht voor dierenwelzijn is gekomen, lijkt in de discussies over kringlooplandbouw die
aandacht grotendeels afwezig te zijn. Dit was aanleiding voor de Raad om aandacht te
besteden aan de effecten van kringlooplandbouw voor dieren.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1.2     Doel- en vraagstelling
De RDA wil een visie ontwikkelen over hoe de transitie naar kringlooplandbouw kan
leiden tot een verbetering van het welzijn (inclusief gezondheid) van dieren. Het dier is
daarbij het uitgangspunt. Met het ontwikkelen en verspreiden van die visie beoogt de
RDA aandacht te vragen voor de gevolgen voor dieren van een transitie naar
kringlooplandbouw.
De centrale vraag voor deze zienswijze was:
“Welke kansen en bedreigingen ontstaan door de transitie naar kringlooplandbouw voor
het welzijn van het dier?”
1.3     Uitgangspunten
De RDA redeneert vanuit het dier en zet het dier voorop. De RDA heeft zijn eigen plan en
planning, maar zoekt actief betrokken partijen op om te zorgen dat de RDA een nuttige
bijdrage levert in de discussie over kringlooplandbouw.
De volgende uitgangspunten zijn bij deze zienswijze gehanteerd:
-   De focus ligt in eerste instantie op de huidige landbouwhuisdieren (productiedieren).
    Het is aannemelijk dat een overgang naar kringlooplandbouw ook effecten zal hebben
    voor dieren in de natuur. Ook is het de vraag wat het optimaliseren van kringlopen in
    landbouw en voedselproductie betekent voor de vele huis- en hobbydieren. Vanuit het
    oogpunt van beheersbaarheid van het onderwerp heeft de RDA zich in eerste
    instantie beperkt tot de huidige landbouwhuisdieren, inclusief dieren die op afzienbare
    termijn gehouden kunnen worden (bijv. insecten).
-   De komende jaren zullen dieren een plek in ons voedselsysteem innemen.
    We gaan in het kader van deze zienswijze over kringlooplandbouw niet in op de
    ethische vraag of we dieren überhaupt mogen houden voor de productie van ons
    voedsel, maar nemen aan dat dieren een rol kunnen spelen in ons voedselsysteem.
    Het houden van dieren voor onze voedselproductie mag echter in geen geval
    negatieve gevolgen hebben voor dierenwelzijn.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                  5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>2. Kringlooplandbouw
Het kringloopconcept vindt zijn oorsprong in zowel de agro-ecologie als de industriële
ecologie, en heeft als doel om natuurlijke grondstoffen te behouden en te beheren ten
behoeve van toekomstige generaties. Het kringloopconcept richt zich strikt genomen op
de ecologische dimensie van duurzaamheid (De Boer en Van Ittersum, 2018).
Kringlooplandbouw is dus een vorm van landbouw die tot doel heeft voedsel te
produceren met behoud van publieke ecologische waarden, zoals een vruchtbare bodem,
schone lucht, zuiver water, een gezond klimaat, behoud kwaliteit van landschap, natuur
en biodiversiteit. Het biedt een wenkend perspectief voor een van de grote vragen van
deze tijd: hoe produceren we voldoende, veilig en gezond voedsel voor iedereen binnen
de draagkracht van onze aarde? Kringlooplandbouw kan zich echter niet enkel op de
ecologische dimensie van duurzaamheid richten. Een duurzame landbouw moet namelijk
daarnaast     ook   economisch    levensvatbaar    zijn  (economische    dimensie    van
duurzaamheid)      en  sociaal-maatschappelijk   verantwoord    (sociale dimensie    van
duurzaamheid). Een sociaal-maatschappelijk verantwoord voedselsysteem past binnen
de sociaal-culturele context, produceert voedsel met respect voor mens en dier, en
draagt bij aan een eerlijke verdeling van grondstoffen (De Boer, 2012). Dierenwelzijn
valt binnen de sociale dimensie van duurzaamheid en niet binnen de ecologische
dimensie.
In deze zienswijze verkennen wij de mogelijkheid om zowel kringlooplandbouw te
realiseren als het welzijn van het dier te verbeteren. Hiertoe starten wij met een
beschrijving van het raakvlak van het kringloopconcept en dierenwelzijn. De hiervoor
gebruikte informatie is afkomstig uit de literatuur, gesprekken met een aantal experts
(zie bijlage 1), en een expertbijeenkomst (zie bijlage 2).
Zoals beschreven in het Denkkader van de RDA is voor dierenwelzijn niet alleen
diergezondheid, maar ook de mogelijkheid tot uitvoeren van soorteigen gedrag en de
emotionele status van een dier van belang (RDA, 2018). “Dierenwelzijn is de kwaliteit
van leven zoals deze door het dier zelf wordt ervaren” (Bracke et al. 1999). Een dier
ervaart een positieve staat van welzijn indien het de vrijheid heeft om normale,
soorteigen gedragspatronen uit te voeren en het in staat is om adequaat te reageren op
de uitdagingen die de heersende omstandigheden bieden (RDA, 2018). Deze definitie van
dierenwelzijn hanteren wij ook in deze zienswijze.
De Boer en Van Ittersum (2018) hebben een viertal principes geformuleerd voor
kringloopdenken in de landbouw (zie kader). Volgens principe 4 speelt het dier een rol in
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>de kringloop door het omzetten van biomassa die mensen niet kunnen of willen
eten, in voedsel, mest en andere ecosysteemdiensten, zoals het behoud van de
bodem, biodiversiteit of het landschap. Van Zanten et al. (2018; 2019) hebben laten
zien dat wanneer je dieren enkel voert op reststromen van de productie van plantaardig
voedsel (gewasresten, bijproducten uit de voedselindustrie, voedselafval) en gras, je
wereldwijd minder natuurlijke hulpbronnen nodig hebt voor de productie van ons voedsel
dan op dit moment het geval is.
Principes van kringloopdenken in landbouw
(De Boer en Van Ittersum, 2018; Van Zanten et al., 2019)
(1)      Plantaardige biomassa is de basis van kringlooplandbouw; en moet primair worden
         gebruikt voor het produceren van voedsel dat direct geschikt is voor menselijke
         consumptie.
(2)      Vermijd voedselverliezen en verspilling. Aanwezige voedselverliezen moeten we in eerste
         instantie hergebruiken voor het produceren van humaan voedsel (voorbeeld De
         Verspillingsfabriek1).
(3)      Reststromen die ontstaan bij de productie en consumptie van plantaardig en dierlijk
         voedsel, en niet direct geschikt zijn voor humane consumptie (bv. bietenblad, stro,
         bietenpulp, schroot van oliehoudende zaden2, slachtafval), voedselafval ongeschikt voor
         humane consumptie, en dierlijke en humane excreta, moeten we hergebruiken in het
         voedselsysteem, of als meststof voor de bodem of als voer voor dieren. Deze organische
         reststromen bevatten namelijk waardevolle nutriënten die behouden moeten blijven in het
         voedselsysteem.
(4)      Dieren kunnen deze reststromen en gras3 omzetten in hoogwaardig voedsel en mest en
         dragen daarnaast bij aan andere ecosysteemdiensten, zoals behoud van bodemkwaliteit,
         natuur of het landschap.
(5)      Ga bewust en zuinig om met alle natuurlijke hulpbronnen, zoals de bodem, het water, de
         lucht, de biodiversiteit en de natuur (zie ook Erisman en Verhoeven, 2019). Kies die
         landbouwmethoden die bijdragen aan een vruchtbare bodem (bv. mengteelten), emissies
         van nutriënten en koolstofverbindingen naar lucht, water en bodem minimaliseren (bv.
         precisielandbouw, ketenverkorting), en bijdragen aan biodiversiteit (bv. melkveehouderij
         op kruidenrijk grasland, met bomen of heggen).
1
  Zie www.deverspillingsfabriek.nl
2
  Onder schroot van oliehoudende zaden verstaan wij zonnebloemzaadschroot, raapzaadschroot,
koolzaadschroot, en sojaschroot. Sojaschroot is economisch gezien geen bijproduct maar een hoofdproduct
(Mottet et al., 2017).
3
  Waar in de tekst gras staat wordt ook grasachtige en kruiden bedoeld.
RDA.2020.045             RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                           7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Ondanks overeenstemming over deze principes van kringloopdenken in de landbouw is
de weg ernaar toe nog onduidelijk. Een tweetal veelgehoorde vragen en discussiepunten
wordt hieronder kort toegelicht. Deze zienswijze heeft niet als doel deze vragen volledig
uit te werken.
1. Op welke schaal moeten wij kringlopen sluiten? De optimale schaal waarop we
    kringlopen van nutriënten en biomassastromen willen sluiten wordt bepaald door
    diverse factoren. Zo zorgen verschillen in agro-ecologische en sociaal-economische
    omstandigheden tussen regio’s dat bepaalde gebieden beter geschikt zijn om
    bepaalde producten te produceren (bv. Noord-West Europa heeft goede graslanden
    die geschikt zijn voor melkveehouderij). Deze voordelen kunnen milieukundig
    opwegen tegen emissies t.g.v. transport, hetgeen betekent dat lokale productie niet
    altijd het beste is vanuit een milieuperspectief. Dit betekent bijvoorbeeld dat wij
    kiwi’s, chocolade en koffie importeren en kaas exporteren. Lokale productie vergroot
    echter wel de transparantie over waar ons voedsel vandaan komt, en steunt de lokale
    economie. Ook vinden veel landen een bepaalde mate van zelfvoorziening van
    belang, hetgeen korte ketens stimuleert. De optimale schaal waarop we kringlopen
    willen sluiten is dus context-specifiek en vereist een integrale analyse van
    bovenstaande factoren.
2. Betekent kringlooplandbouw dat mensen ook minder dierlijk product zouden moeten
    eten? Van Zanten et al. (2019) hebben laten zien dat wanneer je dieren enkel voert
    op reststromen van de productie van plantaardig voedsel (gewasresten, bijproducten
    uit de voedselindustrie, voedselafval) en gras, we in Europa ongeveer de helft minder
    dierlijk product zouden kunnen eten. De beschikbaarheid van reststromen en gras
    (veevoer) bepaalt in deze situatie de omvang van de veestapel, en dus de
    beschikbaarheid van dierlijk voedsel. Sommige mensen benadrukken dat ieder mens
    uiteindelijk zelf kiest hoeveel dierlijk product hij of zij eet. Wanneer Europese
    consumenten ervoor zouden kiezen om toch meer dierlijk product te willen eten, dan
    betekent dit dat er actief voer geproduceerd zal moeten worden op vruchtbaar
    akkerland (dat ook geschikt is voor telen van humaan voedsel). Technologische
    ontwikkelingen kunnen de rol van het dier in de kringlooplandbouw in de toekomst
    echter ook verkleinen. Toekomstige technologie kan ons de mogelijkheid geven om
    ‘perfecte   vleesvervangers’  te   produceren,   en   bijproducten en   gras,  zonder
    tussenkomst van het dier, om te zetten in hoogwaardig voedsel voor de mens. De
    uiteindelijke consumptie van dierlijke producten wordt bepaald door een groot aantal,
    interacterende factoren, zoals bijvoorbeeld technologie, de markt, fiscale regelingen,
    consumentengedrag, en het onderwijs.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De meeste experts onderkennen dat dieren, in elk geval voor de nabije toekomst, een rol
hebben in de kringlooplandbouw, en onderschrijven bovenstaande principes (zie bijlage
1). Ook minister Carola Schouten heeft zich laten inspireren door de principes van De
Boer en Van Ittersum (2018) bij het opstellen van haar realisatieplan Visie LNV ‘Op weg
met nieuw perspectief’ (LNV, juni 2019).
Het realisatieplan stelt bijvoorbeeld:
    •   “Ik zie het als onze opgave om het aandeel reststromen als grondstof voor
        diervoeder te vergroten, en de grondstoffen ook uit minder ver gelegen regio’s te
        laten komen” (P19).
    •   “Reststoffen beter en anders gebruiken: het is goed mogelijk reststoffen van de
        oogst, van de veehouderij of van humane consumptie, zoals swill, (nog) meer te
        gebruiken als grondstof”. Swill is hier (gekookte) voedselresten afkomstig uit
        keukens, kantines en restaurants.
    •   “Door nutriënten afkomstig uit dierlijke en humane ontlasting te herwinnen, kan
        nog efficiënter met grondstoffen en hulpbronnen worden omgegaan” (P20).
Het realisatieplan stelt echter ook dat “een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat
reststromen bijdragen aan goed voer voor gezonde dieren en er geen risico’s ontstaan
voor de gezondheid voor mens, dier en milieu”. Als RDA stellen wij echter dat een
goed dierenwelzijn (en niet enkel diergezondheid) een vereiste moet zijn voor
de ontwikkeling van kringlooplandbouw.
In de onderstaande hoofdstukken beschrijven we de belangrijkste raakvlakken (in
termen van kansen en bedreigingen) tussen kringloopdenken en het welzijn van het dier.
We gaan hier vooral in op de rol van dieren als verwerkers van reststromen en gras. De
Raad is zich er echter terdege van bewust dat dieren een veel bredere rol vervullen in het
grotere agro-ecosysteem en belangrijk zijn voor het behoud van de kwaliteit van de
bodem, de biodiversiteit, de natuur, en water- en nutriëntenkringlopen. In veel
lagelonenlanden vervullen dieren bovendien de functie van trekkracht (ploegen van het
land), sociaal of bijvoorbeeld financieel kapitaal (bankfunctie).
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>3. Voeren van dieren in de kringlooplandbouw
Reststromen ontstaan in iedere stap in de waardeketen van voedsel (Figuur 1), tijdens
de productie en het oogsten van een gewas, tijdens de opslag, tijdens de ver/bewerking
van voedsel, bij de retail en bij de consumptie van het voedsel. Wat betekent het voeren
van deze reststromen voor de gezondheid van het dier, het soorteigen gedrag en de
emotionele status (hongergevoel, verzadiging, verveling, positieve ‘state of mind’)?
Figuur 1. Ontstaan van reststromen in de waardeketen van voedsel.
Verschillende experts benoemen het belang van de veiligheid van reststromen,
voornamelijk in relatie tot gezondheid van zowel het dier als de mens. De veiligheid van
reststromen wordt bepaald door de af/aanwezigheid van fysische residuen (o.a. plastics),
chemische      residuen   (o.a.    zware   metalen,    geneesmiddelen,     biociden    zoals
ontsmettingsmiddelen, conserveringsmiddelen, plaagbestrijdingsmiddelen), of biologische
besmettingen (o.a. bacteriën, virussen, prionen). Experts noemden hier bijvoorbeeld het
risico op mond-en-klauwzeer (MKZ), klassieke varkenspest (KVP) en gekke-koeien ziekte
(BSE) bij het voeren van swill. Het risico op deze ziekten bij het voeren van swill ontstaat
door het voeren van dierlijke (of met dierlijk product besmette) huishoudelijke
voedselresten aan runderen, varkens of kippen, hetgeen op dit moment wettelijk niet is
toegestaan. Om swill veilig te kunnen voeren, zouden we in de toekomst plantaardige en
dierlijke reststromen volledig kunnen scheiden.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Met behulp van DNA-technologie (e.g. polymerasekettingreactie) kunnen we dan
garanderen        dat  bepaalde     reststromen      volledig   plantaardig     zijn. De     plantaardige
reststromen kunnen vervolgens aan diverse diersoorten worden gevoerd, de dierlijke
reststromen zouden we enkel kunnen voeren aan bijvoorbeeld kweekvissen of insecten.
Ook zouden we kunnen kiezen voor het (centraal) verhitten van swill op 70-80 °C, dit
doodt de virussen die MKZ/KVP veroorzaken, maar maakt prionen die BSE veroorzaken
niet onschadelijk. Het verhitte voer kunnen we vervolgens niet aan koeien voeren (om
BSE te voorkomen), maar wel aan varkens, pluimvee, kweekvissen of insecten.
Bovenstaande laat zien dat het veilig voeren van bijvoorbeeld swill aan dieren
kringloopdenken vergt in alle schakels van de keten en samenwerking in de keten vraagt.
Afgezien van swill worden er nu al veel reststromen gebruikt als diervoer, zoals
bakkerijafval, schroot van oliehoudende zaden4, bietenpulp of aardappelstoomschillen.
Naast het voeren van reststromen via diervoer, kunnen we dieren ook benutten om
gewasresten of oogstverliezen zelf van het land te halen (bv. runderen of kippen laten
‘grazen’ op geoogste graanvelden). Dan zou wel moeten worden gelet op de
verteerbaarheid        en   voedingswaarde          van    die    gewasresten       en    op    mogelijke
verontreinigingen erin.
Tabel 1. Voorbeelden van gezondheidsrisico’s voor dieren van het gebruik van huidige
reststromen in diervoer, genoemd tijdens expertinterviews (Bijlage 1).
  Fysische residuen               •   Plastic van uitgepakte retailproducten
                                  •   Grond
  Chemische residuen              •   Mycotoxine in graan/mais/stro
                                  •   Aflatoxine in schroot van oliehoudende zaden
  Biologische residuen            •   Via swill: mond- en klauwzeer, klassieke varkenspest,
                                      BSE
                                  •   Via grond: Listeria/Clostridium
Bron: expertinterviews, en https://www.gddiergezondheid.nl/bijproducten-voeren.
Tabel 1 geeft een indruk van de gezondheidsrisico’s voor dieren gekoppeld aan het
huidige gebruik van reststromen. Wanneer het aandeel reststromen in het voer als
gevolg van kringlooplandbouw zou toenemen, zou dit ook kunnen betekenen dat de
gezondheidsrisico’s        toenemen.        Ook      kunnen       nieuwe      (nu    nog      onbekende)
gezondheidsrisico’s ontstaan.
4
  Onder schroot van oliehoudende zaden verstaan wij zonnebloemzaadschroot, raapzaadschroot,
koolzaadschroot, en sojaschroot. Sojaschroot is economisch gezien geen bijproduct maar een hoofdproduct
(Mottet et al., 2017).
RDA.2020.045            RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Inzicht in de toenemende risico’s van bijvoorbeeld het aandeel plastic in diervoer is er op
dit moment onvoldoende. Het voeren van (meer) reststromen aan dieren vereist dat we
zowel bij de verwerking, de verzameling als tijdens de kwaliteitscontrole in kringlopen
gaan denken.
Naast de veiligheid van reststromen is ook de nutritionele kwaliteit van belang. Experts
geven aan dat sommige reststromen mogelijk minder voedingstoffen dan nodig bevatten,
en dat een dieet o.b.v. enkel reststromen mogelijk tot nutriëntentekorten zou kunnen
leiden, met ziekten tot gevolg (bv. botontkalking bij fosfortekort of het optreden van
beschadigend en agressief gedrag bij een tekort aan bepaalde verteerbare aminozuren
(Van der Meer et al., 2017)). Een tekort aan nutriënten kan eventueel worden aangevuld
met supplementen bestaande uit mineralen/essentiële aminozuren. Het aanpassen van
het productieproces door optimalisatie van de kwaliteit van zowel het hoofdproduct als de
reststromen is een andere suggestie om de kwaliteit van reststromen als diervoer te
verbeteren. Diverse experts geven ook aan dat we het productieniveau van het dier en
waarschijnlijk ook het ras zouden moeten aanpassen aan de kwaliteit en kwantiteit van
beschikbare reststromen/gras. De melkproductie van een koe die enkel gras en
reststromen krijgt kan lager zijn. Dit betekent dat we minder dierlijk product per dier
produceren, maar dat die productie wel plaatsvindt binnen de publieke waarden. Een
lagere    productie   per  koe   betekent   vaak    ook   minder    productie-gerelateerde
reproductieproblemen en (metabole) ziekten, hetgeen positief is voor dierenwelzijn.
Voorwaarde is wel om dieren te hebben             die genetisch gezien ook een lager
productieniveau hebben (zie hoofdstuk 6).
Naast de veiligheid en nutritionele waarde, kan ook de smaak en verteerbaarheid van het
voer invloed hebben op het welzijn van het dier. Een expert gaf bijvoorbeeld aan dat een
te makkelijk verteerbaar voer bij varkens kan leiden tot darmziekten, zoals bijvoorbeeld
ileïtis (in de volksmond PIA), dat wordt veroorzaakt door de bacterie Lawsonia
intracellularis. Gezondheidsproblemen zoals ileïtis kunnen worden voorkomen door
bijvoorbeeld    voorfermentatie   van  het   voer,   hetgeen   pH-verlagend   en   daarom
bacterieremmend werkt (Van der Meulen en Van der Peet-Schwering, 2007). Andere
experts geven aan dat reststromen volumineus zijn en relatief veel vezels kunnen
bevatten. Deze eigenschap van sommige reststromen betekent dat het dier minder voer,
en dus nutriënten, kan opnemen, maar het kan ook positief zijn voor welzijn. Voer dat
langzamer verteert en meer volume heeft, bevordert het verzadigingsgevoel en vergroot
de tijd voor voerinname (minder verveling en kleinere kans op beschadigend gedrag
(Rodenburg et al., 2013 en Van Krimpen et al., 2008).
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Een laatste punt dat door diverse experts is genoemd is het feit dat het aanbod van
reststromen discontinu en niet van constante kwaliteit is. Een constant uniform
voeraanbod is daarom mogelijk lastiger te bewerkstelligen. Indien dat zo zou zijn,
moeten we mogelijk ook dieren selecteren die beter bestand zijn tegen wisselingen in
voeraanbod en -kwaliteit. Een systeem waarin dieren als gevolg van wisselingen in
kwaliteit en kwantiteit van het voer honger ervaren, ziek worden, of waarin competitie
om voedsel ontstaat, is niet wenselijk. Het aantal dieren in zo’n systeem moet goed
afgestemd worden op de beschikbaarheid van reststromen en gras.
Concluderend, een volledig overzicht van het effect van de kansen en bedreigingen van
het voeren van reststromen aan dieren op de gezondheid en gedrag is nu niet aanwezig.
Bovendien is de huidige agro-keten gespecialiseerd, en niet ontworpen vanuit het idee
van kringloopdenken. Bij industrieel design wordt al bij het ontwerp van de producten
rekening gehouden met hergebruik en zero-waste. Dit principe zou ook sterker in de
agro-foodketen toegepast kunnen worden. Dit vergt herontwerp van ons voedselsysteem
waarbij met de inrichting en productie al rekening gehouden wordt met het beperken van
verliezen en een optimaal gebruik van de diverse stromen in productie van voedsel.
RDA.2020.045       RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw             13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>4. De waarde van mest in de kringlooplandbouw
Voor de kringlooplandbouw is het essentieel dat mest van dieren, die biomassa benutten
die ongeschikt is voor de mens, wordt gebruikt voor de productie van gewassen die
nutriënten aan het systeem onttrekken. De mestkwaliteit dient daarom zo hoog mogelijk
te zijn en optimaal te worden gebruikt in het voedselproductiesysteem. Verliezen van
nutriënten zijn extra lekken uit de kringloop. De vraag is welke effecten deze
optimalisatie van het mestgebruik en van de mestkwaliteit voor het welzijn van dieren
kan hebben.
Experts benoemen vooral het belang en de mogelijkheden om dierlijke mest effectiever
te kunnen benutten in de landbouw. Ook insecten zouden hierin een rol kunnen spelen.
Het belang van het hergebruik van nutriënten in humane excreta is slechts een enkele
keer genoemd. Onderzoek heeft echter laten zien dat het niet hergebruiken van
nutriënten in humane excreta leidt tot grote verliezen van bijvoorbeeld fosfaat, een
nutriënt dat gewonnen wordt uit fosfaaterts, een eindige grondstof. Minister Schouten
benoemt het belang van het terugwinnen van nutriënten uit humane excreta in haar
realisatieplan, maar koppelt hier geen concrete actieplannen aan. Het hergebruik van
humane excreta in het voedselsysteem stelt speciale eisen aan opvang, verwerking en
hergebruik om verontreinigingen te voorkomen. Een aandachtspunt bij hergebruik van
zowel humane als dierlijke excreta is het effect van medicijnresten op het bodemleven en
het leven in oppervlaktewater (o.a. vissen).
Diverse experts benadrukken het belang van het bij de bron scheiden van urine en vaste
mest, door het ontwerpen en toepassen van nieuwe stalconcepten (‘einde van de
drijfmest/mestkelder’). Deze gescheiden producten kun je makkelijker verwerken tot
meststoffen voor de productie van ons voedsel. Ook kan het scheiden van urine en mest
de emissie van ammoniak sterk terugdringen, hetgeen gunstig kan zijn voor het milieu
en het stalklimaat (positief voor gezondheid en welzijn van mens en dier). In geval
dieren   toegang   hebben   tot een    buitenuitloop, betekent    dit mogelijk  ook  een
(her)inrichting van deze buitenuitloop, omdat daar ook een deel van de mest terecht
komt.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw              14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>5. Huisvesten van dieren in de kringlooplandbouw
De principes van kringloopdenken zoals beschreven in het kader in hoofdstuk 2 zijn
vooral gericht op het behouden en beheren van natuurlijke grondstoffen, en bieden
ruimte    voor    keuzes    in  huisvesting     en   bedrijfsvoering.   Deze   diversiteit   in
oplossingsrichtingen    is  essentieel, en    biedt   ook   ruimte  voor   ondernemerschap.
Uitgangspunt van de Raad is dat het welzijn van het dier in ieder huisvestingssysteem is
gewaarborgd.
Sommige experts denken bij kringlooplandbouw automatisch aan het (meer) buiten
huisvesten van dieren en benoemen de hieraan gekoppelde kansen/bedreigingen voor
welzijn. De belangrijkste kansen die door hen worden genoemd zijn: een positieve
bijdrage aan dierenwelzijn door het kunnen uitvoeren van diereigen gedrag (bv. grazen,
wroeten, scharrelen), meer variatie in de omgeving/keuzevrijheid, of het ervaren van de
buitenlucht. Ook de bijdrage van koeien in de wei aan landschapsbeheer en behoud van
biodiversiteit wordt genoemd. De belangrijkste bedreigingen die zij noemen zijn
gezondheidsrisico’s,    zoals  vogelgriep   bij   pluimvee,   kans   op  tetanus/ziekte    van
Weil/huidverbranding bij varkens, en leverbot bij koeien die grazen in natte weiden.
Kringlooplandbouw is ook mogelijk met huisvestingssystemen zonder buitenuitloop. Bij
het ontwerp van zo’n huisvestingssysteem moet dierenwelzijn centraal staan. Een
leghennenbedrijf met een welzijnsvriendelijke stal, en een overdekte uitloop (bv.
binnentuin), waarin de dieren worden gevoerd met enkel reststromen uit de bakkerij- en
olie-industrie, is hier een voorbeeld van. Ook de bedrijfsgrootte of mate waarin gebruik
wordt gemaakt van technologie is een vrije keuze bij kringlooplandbouw. Uitgangspunt
voor iedere vorm van landbouw, zo ook kringlooplandbouw, is voor de Raad “produceren
met respect voor het welzijn van het dier” binnen de publieke waarden. De Raad
beschouwt het als de taak van de overheid om duidelijkheid te scheppen over de
uitgangspunten t.a.v. van een goed welzijn van het dier in de kringlooplandbouw, en als
de taak van de Raad hierin te adviseren.
De door de experts genoemde diversiteit aan mogelijke huisvestingssystemen laat wel
duidelijk zien dat er afwentelingen bestaan tussen bijvoorbeeld milieu en dierenwelzijn.
Een sprekend voorbeeld dat door een van de experts is genoemd is de potstal/strostal in
de melkveehouderij. In het algemeen scoren strooiselstallen positief op dierenwelzijn,
maar ze kunnen leiden tot relatief hogere emissies van broeikasgassen in de stal. Ook
binnen het thema ‘milieu’ kunnen conflicten bestaan.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>In vergelijking tot drijfmest, is het gebruik van potstalmest gunstig voor bijvoorbeeld het
organisch stofgehalte van de bodem, maar bij slecht management ongunstig voor de
emissie van ammoniak. Uiteindelijk is een stalsysteem een onderdeel van een
bedrijfssysteem en het hele bedrijfssysteem zal moeten worden beoordeeld op prestaties
binnen de kwaliteit van de publieke waarden (Pijlman et al., 2018).
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>6. Welk dier past in de kringlooplandbouw?
Dieren verschillen onderling in hun vermogen om reststromen en gras om te zetten in
hoogwaardig voedsel, en andere ecosysteemdiensten. Dit vermogen wordt o.a. beïnvloed
door de diersoort, het ras en het productieniveau. Experts benoemen de unieke rol van
herkauwers in de kringlooplandbouw, omdat zij gras(producten) kunnen benutten en zo
bijdragen aan de productie van hoogwaardig voedsel voor de mens (melk en vlees), mest
en   andere    ecosysteemdiensten.    Kippen   kunnen     hoogwaardige    reststromen   (bv.
bakkerijafval) heel effectief omzetten in eieren en bijbehorend vlees. De potentie van
varkens    als   kringloopdier  wordt   ook   genoemd.      Varkens    kunnen    de  meeste
voedingsmiddelen voor de mens ook verteren, en lijken goed om te kunnen gaan met
vloeibaar voedsel (brijvoer). Voedselafval is echter ook prima geschikt voor het kweken
van insecten, welke wij dan als mens zouden moeten eten. Het voeren van deze insecten
aan dieren is ecologisch gezien minder efficiënt (dit is een extra stap in de voedselketen),
hetgeen pleit voor directe humane consumptie van insecten. Insecten kunnen echter ook
reststromen benutten die andere landbouwhuisdieren niet of minder goed kunnen
benutten, zoals bijvoorbeeld mest. Het antwoord op de vraag welke (combinatie van)
diersoorten welke reststromen het meest effectief kunnen omzetten in hoogwaardig
voedsel is nog onbekend, en onderwerp van onderzoek.
Naast de diersoort, hebben ook het ras en het productieniveau invloed op het vermogen
van een dier om reststromen en gras te benutten. Hoogproductieve koeien hebben
voldoende energie en verteerbaar eiwit nodig. Het voeren van enkel reststromen en gras
aan een koe die genetisch in staat is veel melk te produceren betekent dat zij haar
productiepotentieel niet kan halen, hetgeen tot dierenwelzijnsproblemen kan leiden.
Diverse experts geven dan ook aan dat             we het     dier (ras)   of het maximale
productieniveau van het dier zouden moeten aanpassen aan de kwaliteit en kwantiteit
van de beschikbare reststromen/gras. De melkproductie van een koe die enkel gras en
reststromen krijgt, bijvoorbeeld, is waarschijnlijk lager. Zo is de gemiddelde jaarlijkse
melkproductie in Nieuw-Zeeland, een volledig op gras gebaseerd systeem, 5.000 kg per
koe (ter vergelijking in Nederland was dit 8.684 kg in 2018). Het voeren van enkel
reststromen en gras heeft dus ook invloed op de keuze van het ras of het fokprogramma.
De keuze voor een laag-productiever en robuuster dier kan echter ook voordelen
opleveren     t.a.v.  welzijn  (minder    reproductieproblemen      bij   melkvee,   minder
pootproblemen/cardiovasculaire problemen bij vleeskuikens, minder biggensterfte bij
varkens door kleinere tomen). De fysiologie van het dier is een uitgangspunt bij deze
zoektocht naar de juiste benutting van reststromen en gras door diverse diersoorten. Een
dieet dat past bij de fysiologie van het dier leidt ook tot een beter dierenwelzijn.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Daarnaast kunnen biologische (gebruik van schimmels) of technologische processen
(innovatieve  industriële technieken)   de   benutting  van   reststromen   voor   dieren
verbeteren. Nieuwe technologische processen kunnen echter ook ingezet worden om
reststromen meteen geschikt te maken voor humane consumptie.
Op dit moment is niet duidelijk welke reststromen en grasproducten waar in de wereld
beschikbaar zijn, en welke dieren met welk productieniveau deze het beste kunnen
benutten. Het onderzoek naar deze vraag is echter in volle gang (zie o.a. Van Hal et al.,
2019; Van Zanten et al., 2019). Experts geven ook aan dat de snelheid waarmee
bedrijven kunnen omschakelen naar een nieuw ras/laag-productiever dier, verschilt.
Bedrijven met pluimvee en varkens kunnen sneller overschakelen op een ander ras dan
bedrijven met melkvee door o.a. de langere levensduur van melkvee ten opzichte van
pluimvee en varkens. De vraag is of het zinvol is een apart fokdoel op te zetten voor het
fokken van dieren die passen in kringloopsystemen, of dat we gebruik kunnen maken van
bestaande rassen/kruisingen in de wereld.
RDA.2020.045       RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>7. Afsluitende beschouwing en conclusies
Het dier heeft volgens de Raad een belangrijke rol in de kringlooplandbouw. Dieren
kunnen reststromen van de voedselindustrie en gras benutten en omzetten in
hoogwaardig voedsel voor mensen, en op die manier nutriënten en koolstof benutten die
anders voor het voedselsysteem verloren dreigen te gaan. Naast voedselproductie
kunnen dieren (vooral herkauwers) ook bijdragen aan andere ecosysteemdiensten, zoals
instandhouding    van    het  landschap     of  biodiversiteit, en  verbetering   van  de
bodemkwaliteit.
Kringloopdenken richt zich op het thema “leven binnen de draagkracht van onze aarde”,
oftewel de ecologische dimensie van duurzaamheid (planet). Kringlooplandbouw heeft
daarom als doel voedsel te produceren met behoud van publieke ecologische waarden,
zoals een vruchtbare bodem, schone lucht, zuiver water, een gezond klimaat, kwaliteit
van landschap, natuur en biodiversiteit. Kringlooplandbouw moet daarnaast natuurlijk
ook economisch duurzaam zijn (profit), en passen in de sociaal-maatschappelijk waarden
van de samenleving (people). Dierenwelzijn is een belangrijk thema binnen deze sociale
dimensie van duurzaamheid en valt dus niet binnen de ecologische dimensie.
Een goed dierenwelzijn (en niet enkel diergezondheid) dient een uitgangspunt te zijn
voor iedere vorm van landbouw, zo ook kringlooplandbouw. Omdat dierenwelzijn niet
automatisch in het kringloopconcept zit, is aandacht hiervoor noodzakelijk. Mensen
gunnen dieren steeds meer en willen dieren niet zien lijden (RDA, 2019). Ieder nieuw
landbouwsysteem,      zo  ook   kringlooplandbouw,    zal  ook  tot een  verbetering  van
dierenwelzijn moeten leiden. De Raad beschouwt het als de taak van de overheid om de
uitgangspunten t.a.v. dierenwelzijn in kringlooplandbouw duidelijk vast te stellen, en als
de taak van de Raad om hierin te adviseren.
De Raad ziet in het verlengde daarvan ook een taak voor de overheid om duidelijkheid te
creëren t.a.v. de toekomstige milieugebruiksruimte voor voedselproductie in Nederland
(grenzen aan emissies, eisen t.a.v. biodiversiteitbehoud, op zowel nationaal als regionaal
niveau). Inzicht in de milieugebruiksruimte op de lange termijn, naast fundamentele
uitgangspunten t.a.v. dierenwelzijn, geeft boeren de mogelijkheid te kiezen voor diverse
context-specifieke oplossingsrichtingen aangaande kringlooplandbouw (weergegeven in
Figuur 2 als de Veilige en eerlijke handelingsruimte voor voedselproductie), en stimuleert
ondernemerschap.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Figuur 2. Vaststellen van de veilige en eerlijke handelingsruimte voor duurzame
voedselsystemen      (De   Boer    et   al.,  2019).    De   vrije  handelingsruimte   voor
landbouwondernemers wordt bepaald door enerzijds het ecologische plafond (bijv.
stikstofverliezen en biodiversiteitsverlies) en anderzijds door het sociale fundament, onze
sociaal-maatschappelijke waarden (bijv. dierenwelzijn en arbeidsomstandigheden).
Conclusies
De meest relevante conclusies uit deze zienswijze zijn:
•   Verbetering van dierenwelzijn (inclusief gezondheid) gaat niet vanzelf in de
    kringlooplandbouw. Naar de mening van de Raad kan kringlooplandbouw met een rol
    voor dieren alleen succesvol worden als goed dierenwelzijn een vereiste is.
•   Kringlooplandbouw biedt zowel kansen als bedreigingen voor dierenwelzijn. Dat geldt
    met name voor de voeding, huisvesting en geschiktheid van het dier. Er is nog weinig
    bekend over deze specifieke kansen en bedreigingen.
•   Kringlooplandbouw vergt een herontwerp van ons voedselsysteem waarbij met de
    inrichting en productie al rekening gehouden wordt met alle dimensies van
    duurzaamheid (people, planet en profit).
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>8. Aanbevelingen
Op basis van deze zienswijze komt de Raad tot de volgende aanbevelingen:
1. Zet dierenwelzijn voorop bij de transitie naar kringlooplandbouw, en vertaal
   concepten van ‘positief welzijn’ van dieren naar veehouderijsystemen. Grijp de
   transitie aan om verder te bouwen aan een dierwaardige veehouderij. De Raad ziet
   hier voor zichzelf ook een rol en zal nadenken over de aard van zo’n dierwaardige
   veehouderij en de weg ernaartoe.
2. De transitie naar kringlooplandbouw is een systeemverandering en vraagt
   tijd. Benut als overheid, bedrijfsleven en ngo’s deze tijd om een aantal
   noodzakelijke stappen te zetten ten behoeve van het borgen én verbeteren
   van het welzijn van het dier:
   o   Investeer in een onderzoekagenda en voorzie in meerjarige financiering.
   o   Beleg   de   functie  van  expertisecentrum    voor   Dierenwelzijn  (vraagbaak,
       kennisuitwisseling)   voor   ondernemers     die    een   verandertraject   naar
       kringlooplandbouw willen ingaan.
   o   Benoem een adviescommissie (of beleg deze rol bij de RDA) om het welzijn van
       dieren in de kringlooplandbouw te verbeteren en borgen met daarin deelnemers
       uit de verschillende belangengroeperingen (bedrijfsleven, ngo’s en overheid).
       Deze commissie kan onder meer aan de slag met:
           -  het formuleren van innovatieopgaven en –vragen aangaande dierenwelzijn
              en kringlooplandbouw voor de kennis- en innovatieagenda van de
              Topsector Agri & Food;
           -  het benoemen van de parameters aan de hand waarvan dierenwelzijn kan
              worden gemonitord; en
           -  het adviseren over het (eventueel institutioneel) borgen van het welzijn
              van dieren.
3. Versterk het netwerk en de afstemming in Europa om ook in Europees
   verband kringlooplandbouw uit te werken met aandacht voor welzijn van
   dieren.
   Binnen Europa is een gelijk speelveld nodig en dat betekent dat Europees draagvlak
   gevonden moet worden. Benut waar mogelijk ook de Europese dierenwelzijnsgremia.
RDA.2020.045       RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw              21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Literatuur
Bracke, M.B.M, Spruijt, B.M. & Metz, J.H.M. (1999). Overall welfare reviewed. Part 3:
    Welfare assessment based on needs and supported by expert opinion. Netherlands
    Journal of Agricultural Science 47, 307-322.
De Boer, I.J.M., Van Der Linden, A. & De Olde, E.M. (2019). How to handle trade-offs and
    synergies in our search towards a sustainable food system? In: Book of Abstracts of
    the 70th annual meeting of the European Federation of Animal Science, 26-30 August,
    Ghent, Belgium. P345.
De Boer, I.J.M. (2012). Innovation born of Integration. Moving towards sustainable
    production of animal-source food. Inaugural lecture upon taking up the post of
    Professor of Animal Production Systems at Wageningen University on 11 Oct 2012.
De Boer, I.J.M. & Van Ittersum, M.K. (2018). Circularity in agricultural production,
    Scientific basis for Mansholt lecture 2018, Wageningen University & Research.
Erisman, J.W. & Verhoeven, F. (2019). Kringlooplandbouw in de praktijk - Analyse en
    aanbevelingen voor beleid, Louis Bolk Instituut & Boerenverstand, Publicatienummer
    2019-013 LbP.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2018). Landbouw, natuur en
    voedsel: waardevol en verbonden.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2019). Realisatieplan Visie LNV:
    Op weg met nieuw perspectief.
Mottet, A., De Haan, C., Falcucci, A., Tempio, G., Opio, C. & Gerber, P. (2017).
    Livestock: on our plates or eating at our table? A new analysis of the feed/food
    debate. Global Food Security 14: 1-8.
Pijlman, J., Monteny, G-J. & De Wit, J. (2018). Strooiselstalsystemen: ammoniak en
    andere      emissies,    dierwelzijn   en    mestkwaliteit.   Louis  Bolk    Instituut,
    Publicatienummer2018-027 LbD.
Poore, J., Nemecek, T. (2018). Reducing food's environmental impacts through producers
    and consumers. Science 360, 987–992.
RDA.2020.045          RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw              22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>RDA (2018). Denkkader Dierenwelzijn. Raad voor Dierenaangelegenheden.
RDA (2019). Staat van het Dier. Schukken, Y.H., Van Trijp, J.C.M., Van Alphen, J.J.M. &
  Hopster, H. (eds)
Rodenburg, T.B., van Krimpen, M.M., de Jong, I.C., de Haas, E.N., Kops, M.S., Riedstra,
  B.J., Nordquist, R.E., Wagenaar, J.P., Bestman, M. & Nicol, C.J. (2013). The
  prevention and control of feather pecking in laying hens: identifying the underlying
  principles. World's Poultry Science Journal 69, 361-374.
Van Hal, O., De Boer, I.J.M., Mueller, A., De Vries, S., Erb, K.H., Schader, C., Gerrits,
  W.J.J. & Van Zanten, H.H.E. (2019). Upcycling leftovers and grass resources through
  livestock: impact of livestock system and productivity. Journal of Cleaner production
  219: 485-496.
Van Krimpen, M.M., Kwakkel, R.P., Peet-Schwering, C.M.C.v.d., Hartog, L.A.d. &
  Verstegen, M.W.A. (2008). Low Dietary Energy Concentration, High Nonstarch
  Polysaccharide Concentration and Coarse Particle Sizes of Nonstarch Polysaccharides
  Affect the Behavior of Feather-Pecking-Prone Laying Hens. Poultry Science 87, 485-
  496.
Van Der Meer, Y., Gerrits, W. J. J., Jansman, A. J. M., Kemp, B. & Bolhuis, L. (2017). A
  link between damaging behaviour in pigs, sanitary conditions, and dietary protein and
  amino        acid        supply.       PLoS       ONE,        12(5),      [e0174688].
  https://doi.org/10.1371/journal.pone.0174688.
Van der Meulen, J. & Van der Peet-Schwering, C.M.C. (2007). Het effect van
  voersamenstelling     op  bacteriële  darmaandoeningen     bij  varkens.  Wageningen
  University & Research, Rapport 83.
Van Zanten, H.H.E., Herrero, M., Van Hal, O., Röös, E., Muller, A., Garnett, T., Gerber,
  P.J., Schader, C. & De Boer, I.J.M. (2018). Defining a land boundary for sustainable
  livestock consumption. Invited review in Global Change Biology, 24: 4185-4194.
Van Zanten, H.H.E., Van Ittersum, M.K. & De Boer, I.J.M (2019). The role of farm
  animals in a circular food systems. Global Food Security 21: 18-22.
RDA.2020.045       RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Bijlagen
Bijlage 1: Interviews van experts
Er zijn 16 interviews met diverse experts (totaal 18 personen) uitgevoerd.
De navolgende personen zijn geïnterviewd:
Johan van Arendonk, Hendrix Genetics
Saskia Arndt, Universiteit Utrecht
Herman van Bekkem, Greenpeace
Iris Boumans, Wageningen Livestock Research
Marc Bracke, Wageningen Livestock Research
Joep Driessen, Cow Signals
Martin Houben, Houbensteyn Varkens
Leo van Raamsdonk & Elise Gerrits, Wageningen Food Safety Research
Frits van der Schans, CLM
Frederieke Schouten, Caring Vets
Arjan Stegeman, Universiteit Utrecht
Karel van der Velden, Nijsen Granico
Frank Verhoeven, Boerenverstand
Cynthia Verwer & Jan-Paul Wagenaar, Louis Bolk Instituut
Inge Vleemingh, De Goed Gevulde Spaarvarkens
Carel de Vries, Stichting Courage
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw   24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Iedere expert heeft nagedacht en geantwoord vanuit zijn/haar eigen expertise en
beelden     van    hoe   kringlooplandbouw        er  kan  gaan   uitzien.  Hoofddoel     van deze
interviewronde was het verzamelen van mogelijke risico’s en kansen voor dieren in de
transitie naar kringlooplandbouw (vragen 1 t/m 6 hieronder). Daarnaast zijn een aantal
vragen gesteld gericht op de bredere context en het mogelijke vervolgtraject (vragen 7
t/m 11).
  Interviewvragen
  ALGEMEEN
  1. Welke betekenis krijgt de veehouderij in de kringlooplandbouw en welke positie zou het dier
      hier kunnen/moeten innemen?
  FOCUS
  2. Wat zijn in de transitie naar kringlooplandbouw kritische factoren voor het dier? Zijn
      eventuele risico’s voor dierenwelzijn en -gezondheid op de korte termijn anders dan op de
      lange termijn?
  3. Wat betekent het voeden met reststromen voor dierenwelzijn en -gezondheid?
  4. Wat betekent kringlooplandbouw voor de insleep van dierziekten en voor dierhouderij
      gerelateerde volksgezondheidsrisico’s (bv. zoönosen, voedselveiligheid)?
  5. Welke dieren met welke kenmerken passen in kringlooplandbouw? Welke niet?
  6. Welke dierhouderijsystemen zijn het meest geschikt voor kringlooplandbouw? Welke niet?
  INTERPRETATIE
  7. Zijn er consequenties voor de fokkerij, voeding en houderij?
  8. Welke gevolgen heeft een transitie naar kringlooplandbouw voor niet-gehouden dieren (bv.
      weidevogels, bodemleven)?
  9. Houden de nationale landbouw-gerelateerde onderzoekagenda’s voldoende rekening met het
      dier in de kringlooplandbouw?
  10. Welke rolverdeling (tussen bedrijfsleven, ngo’s en overheden) is in de transitie naar
      kringlooplandbouw het meest effectief voor het bereiken van een beter welzijn en
      gezondheid voor het dier?
  11. Zijn de risico’s voor het dier in de kringlooplandbouw voldoende ingeperkt?
RDA.2020.045            RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>1      Rol van de veehouderij in de kringlooplandbouw
Nogal wat experts zien kringlooplandbouw meer als een ontwikkelrichting dan als een
doel op zich. Ieder van de geïnterviewden ziet in de kringlooplandbouw een rol voor
dieren: dieren zijn op dit moment de enige manier om de kringloop te sluiten. Zij kunnen
laagwaardige plantaardige eiwitten omzetten in hoogwaardig eiwit dat geschikt is voor
humane consumptie. Daarnaast kan de rol van dieren bestaan uit het leveren van
ecosysteemdiensten, culturele/landschappelijk waarde (koe en schaap in de wei), mest
en andere bijproducten (bv. leer). Ook wordt gewezen op de samenhang van de
aanwezigheid van foodindustrie en met name varkens in Nederland; zo lang de
foodindustrie er is, zullen er veel reststromen zijn. Waar men varkens met name aan de
aanwezigheid en het gebruik van reststromen koppelt, worden koeien met name aan de
aanwezigheid van grasland gekoppeld. Sommigen zien wel een (verre) toekomst waarin
de opkomst van vleesvervangers en/of technologische ontwikkelingen dieren minder
nodig maken om laagwaardige plantaardige reststromen te kunnen benutten.
2      Risico’s en kansen voor dierenwelzijn en –gezondheid
2.1 Voeding
De meest genoemde risico’s voor dierenwelzijn en -gezondheid hebben te maken met de
verwachte    veranderingen     in   de   voeding.   Dat  is  niet  verrassend,  aangezien
kringlooplandbouw     voor   een  belangrijk   deel  draait om    het (her)gebruiken  van
plantaardige reststromen, hetzij afkomstig uit het humane voedselsysteem, hetzij
afkomstig van gewassen die niet direct door de mens kunnen worden geconsumeerd.
Hoewel nu ook al veel reststromen als voer voor dieren worden gebruikt, zal dit in de
kringlooplandbouw nog vergaand kunnen toenemen. Tegelijkertijd zal het specifiek voor
dieren verbouwen van gewassen gaan afnemen, indien bouwland bij voorkeur wordt
ingezet voor verbouw van gewassen voor humane consumptie. Afhankelijk van de mate
waarin de experts verwachten dat deze ontwikkelingen zich zullen voordoen, verwachten
zij meer of minder risico’s voor dieren op voedingsgebied. Die risico’s draaien met name
om de verwachte veranderingen in kwantiteit, kwaliteit en/of continuïteit van het voer.
Als mogelijke risico’s zijn onder meer genoemd:
•   Accumulatie van ongewenste stoffen in de kringloop en dus in het voer op de langere
    termijn. Nieuwe grondstoffen kunnen ook nu nog onbekende ongewenste stoffen
    bevatten.
•   Eventuele toxines en pathogenen in reststromen zijn een risico.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  Voeren van reststromen (met onopgemerkte vleesresten, bv. uit bewerkte producten)
  kan risico voor overdracht KVP zijn. Bij eventuele herinvoering van gebruik swill is
  een waterdicht systeem nodig voor de voorbehandeling/verhitting.
• Met name gezondheidsproblemen bij de omschakeling naar ander voer. Dit kan vooral
  op de korte termijn spelen bij gebruik van de huidige rassen, omdat die daar mogelijk
  (te) gevoelig voor zijn. In dat geval heeft dit ook gevolgen voor fokkerij/rassenkeuze.
• Door het sturen op verhogen van efficiëntie verdwijnt de ‘verzekeringspremie’ van
  iets    extra   geven.      Dit   kan   leiden   tot  onvoldoende      voorziening   van
  mineralen/vitaminen. Zeker bij het voeren op (laagwaardige) reststromen, maar ook
  in meer intensieve systemen zitten risico’s door het sturen op efficiëntie en
  emissiebeperking (bv. botproblemen door P-tekort). Te weinig eiwit kan slechtere
  vruchtbaarheid en weerbaarheid geven en leidt tot een korter leven (is juist minder
  efficiënt). Vooral    in   de omschakelingsperiode zijn    deze   risico’s er   (vergelijk
  omschakeling van gangbaar naar biologisch).
• Als    dieren    niet    in   hun    energiebehoefte   kunnen    voorzien,    heeft    dit
  welzijnsconsequenties.
• Als varkens te veel makkelijk verteerbaar voer krijgen (te weinig structuur), bestaat
  kans op darmziektes (PIA).
• Gebrek aan structuur bij hoogproductieve koeien als er veel reststromen worden
  gevoerd. Dit zorgt voor een kortere levensduur.
• Veel reststromen zijn lastig houdbaar (vochtig, schimmels), waardoor de kwaliteit
  verslechtert: bv. varkens kunnen daar diarree van krijgen.
• Varkens die buiten zijn (minder hygiënische omgeving) hebben meer kans op ziektes
  zoals tetanus en ziekte van Weill.
• Als varkenshouders zelf voer uit reststromen gaan mengen is er kans op fouten (bv.
  te veel zout). Natte reststromen variëren ook in kwaliteit en samenstelling. Te veel
  eiwit leidt tot diarree. Als de nutriëntenverhouding niet klopt wordt meer vet (of
  andere samenstelling) en minder vlees aangemaakt; het is onbekend of het dier zich
  hier beter of slechter bij voelt.
• Brijvoer voor varkens wordt aangezuurd en kan tandbederf geven. Bij mestvarkens is
  dit niet merkbaar doordat ze al jong worden geslacht. Als brijvoer ook aan zeugen
  wordt gegeven, kan dit wel een probleem zijn.
• Herkauwers mogen geen dierlijk eiwit via reststromen krijgen (ooit oorzaak BSE).
• Bij een vergaand natuurlijk houderij- en voersysteem kunnen dieren een deel van het
  jaar honger hebben. Onvoldoende voer kan ook leiden tot competitie om voer.
  Kalverhouderij is dan niet rendabel waardoor er risico is op dezelfde problemen als bij
  bv. eendagshaantjes (overtollige productie van jonge dieren die economisch niets
  waard zijn).
RDA.2020.045       RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                  27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>•   Eten is voor een dier meer dan voer opnemen. Kuddedieren eten en rusten als groep
    tegelijk. Eten heeft ook een functie voor het bewegen en ook een mentaal aspect. De
    vertering werkt ook beter als dieren meer bewegen en onbewerkt voer eten. Kunnen
    dieren in kringlooplandbouw nog exploreren en foerageren en zo voorzien in hun
    natuurlijke behoeften?
•   Keuzevrijheid in eten is in principe goed voor dierenwelzijn, maar dieren kunnen ook
    keuzes maken die niet goed voor ze zijn (bv. te veel eten).
•   De kwaliteit van plantaardige reststromen is te laag als de producent het als afval
    beschouwt. De producent moet een reststroom ook als product gaan zien.
Voerveranderingen kunnen ook tot verbeteringen voor dierenwelzijn/-gezondheid leiden:
•   Meer variatie en volume in het voer zou tot meer dierenwelzijn kunnen leiden
    (mogelijkheid om te kiezen, foerageren als tijdsbesteding tegen verveling, naar
    behoefte kunnen eten, meer natuurlijk gedrag).
•   Een koe die melk uit alleen gras maakt, heeft mogelijk een beter welzijn.
•   Als kringlooplandbouw extensiever dan nu wordt, is het waarschijnlijk beter voor
    dierenwelzijn (meer natuurlijk gedrag).
•   Doordat de pH in brijvoer voor varkens lager is (pH 4), zijn er minder problemen met
    Salmonella en Enterose.
•   Vervangen van voergraan door foodreststromen zou een verbetering zijn, omdat
    voergraan schimmels e.d. bevat.
•   Fermenteren van voer (voor varkens) levert een betere darmgezondheid op,
    waardoor minder antibiotica nodig zijn.
2.2 Dierhouderijsystemen
Voor dierenwelzijn en -gezondheid is het van belang om te weten of een transitie naar
kringlooplandbouw ook tot andere houderijsystemen (staltypen, binnen of buiten houden
e.d.) kan leiden. De verwachting van de experts is dat er met name bij koeien een ander
type mestopvang komt waarbij urine en mest gescheiden worden opgevangen: ”het
einde van de drijfmest en de mestkelder”. Dat zou positieve gevolgen voor dierenwelzijn
kunnen hebben door een beter stalklimaat. Of varkens en kippen meer naar buiten gaan
dan nu, wordt door een deel van de experts gezien als een discussie die los staat van
kringlooplandbouw. Zij zien diverse nadelen aan het naar buiten gaan (bv. risico van
vogelgriep) en vinden daarom naar buiten gaan eigenlijk ongewenst. Als je dieren om die
reden vooral binnen blijft houden, zal er wel specifiek aandacht voor dierenwelzijn
moeten zijn.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Een overzicht van verwachte (of gewenste) ontwikkelingen:
•    Er is vaak spanning tussen dierenwelzijn en milieu: bij bv. melkveehouderij zijn een
     potstal en strostal het meest interessant vanuit dierenwelzijn, maar zijn slecht voor
     milieu (emissies). Daarom zal een veehouder deze staltypen waarschijnlijk niet
     kiezen.
•    Digitalisering kan zorgen voor een dierhouderijsysteem dat voortdurend bijhoudt hoe
     het dier zich voelt. Dieren zouden bij voorkeur individueel moeten worden gevolgd en
     niet als groep.
•    Geen     losse  end-of-pipe-maatregelen      meer,   maar    meer  integrale  duurzame
     houderijsystemen.
•    Grootschalige en kleinschalige houderijsystemen zullen beide blijven bestaan.
•    Opkomst van mobiele systemen voor kleinschalige dierhouderij die verplaatst kunnen
     worden en die bv. oogstresten achterna kunnen reizen.
•    Meer extensievere houderijsystemen, waarin dieren op een natuurlijke manier het
     voer kunnen opnemen.
•    Grootschalige stallen kunnen voor milieu en klimaat geweldig goed worden gemaakt,
     maar de dieren zullen daar niet naar buiten kunnen, omdat je bij buiten levende
     dieren minder goed kunt sturen qua emissies en voedselveiligheid.
•    Houden van dieren in kleinere aantallen en gevoerd met meer diverse stromen, zodat
     je geen grote ‘haarden’ krijgt, als er iets mis gaat.
•    Ontstaan van een systeem met veel lokale verwerkers, gebaseerd op hoe het vroeger
     ging, maar met behoud van de huidige veiligheid.
•    Open melkveestallen zonder luchtwassers, omdat koeien een droge ligplek en droge
     vloer   nodig   hebben    om   uierontsteking    en   kreupelheid te   voorkomen.   Met
     luchtwassers worden koeien waarschijnlijk eerder ziek: resultaat zou dan een hogere
     methaanemissie per kg geproduceerde melk kunnen zijn door korter leven van de
     koeien.
Verbonden aan andere dierhouderijsystemen zien de experts ook een aantal mogelijke
risico’s en kansen.
Risico’s:
•    In een poging om emissies te beperken bestaat het risico dat de huidige technologie
     (bv. luchtwassers met problemen als brandgevaar en slechtere luchtkwaliteit in stal)
     ook voor koeien, geiten en kalveren wordt ingezet.
•    Veel van de huidige melkveestallen en ligmatten geven nu al grote kans op
     kreupelheid en daarmee verbonden verwondingen (dikke hakken) en metabole
     problemen. Die stallen zouden in de toekomst niet meer gebruikt moeten worden.
RDA.2020.045          RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>•   Bij nieuwe houderijsystemen met dieren buiten moet er voldoende schuilmogelijkheid
    zijn (dak boven het hoofd).
•   Buiten houden van dieren gebeurt in een ongecontroleerde omgeving die vanuit
    sturing, controle en beheersing van risico’s ongewenst is (onbekende voeropname,
    risico dierziektes, zonnebrand bij varkens).
•   Als je in stallen slecht stro gebruikt kunnen daar veel mycotoxines in zitten. Hoge
    gehaltes aan bepaalde mycotoxines kunnen diverse gezondheidsproblemen oproepen.
•   Indien legpluimvee buiten wordt gehouden bestaat er grote kans op te hoge
    dioxinegehaltes     in eieren  (afkomstig    uit de   grond).   Dit  is  eigenlijk een
    volksgezondheidsrisico.
Kansen:
•   Nieuwe huisvestingssystemen kunnen rondom het dier worden ontwikkeld, zodat ze
    aansluiten bij de behoeftes en het natuurlijke aanpassingsvermogen van dieren.
•   Door betere huisvestingssystemen voor koeien is veel te winnen op diergezondheid
    (diepstrooiselbedden i.p.v. matten, stressvrije afkalflijn, vreetplek van min. 70 cm
    per koe, meer water, lucht en licht).
•   Varkens slobberen graag en het gebruik van reststromen past goed bij een
    brijvoersysteem. Brijvoer bespaart ook energie en drinkwater, doordat het voer niet
    eerst gedroogd hoeft te worden.
•   Een gemengd bedrijf incl. natuur zou goed kunnen passen bij kringlooplandbouw. In
    Nederland zal dit wel intensiever moeten zijn dan met alleen gebruik van marginale
    gronden voor vee.
•   Door emissies aan de bron te voorkomen met scheiding van mest en urine zou het
    stalklimaat    kunnen   verbeteren   (beter   voor  dierenwelzijn,  milieu/klimaat  en
    volksgezondheid).
2.3 Diersoorten/-rassen en fokkerij
Algemeen kan worden gesteld dat hoe natuurlijker het houderijsysteem hoe meer
zelfredzaam het dier zal moeten zijn. Veel genoemde gewenste dierkenmerken hebben
daarmee te maken: robuust, trager groeiend, dubbeldoel, sterk maagdarmstelsel, meer
genetisch divers, rustig. Van de verschillende productiedieren wordt met name de kip
genoemd als minst tolerant voor ander voer. Experts uit de melkveehouderij zien vooral
de koe als ideaal kringloopdier (verwerkt gras en (sommige) reststromen). Experts uit de
varkenshouderij zien vooral het varken als best passend. Waar de een in de toekomst
insecten als reststroomverwerker in plaats van varkens ziet, verwacht de ander er niets
van vanwege de hoge energiebehoefte van het insectenhouderijsysteem.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Verwachte ontwikkelingen:
•   Meer naar dubbeldoeldieren; oude rassen en genetica weer inzetten.
•   Robuustere dieren nodig die tegen wisselend voer kunnen en zichzelf in leven kunnen
    houden (bestand tegen slecht weer, natuurlijke geboorten zonder ingrepen).
•   Meer aandacht voor levensduur om verliezen terug te dringen.
•   Iets lagere productie, iets tragere groei.
•   Meer genetische diversiteit.
•   Diergezondheid/dierenwelzijn wordt belangrijker in fokkerij.
•   Dieren moeten ook met nieuwe huisvestingssystemen kunnen omgaan.
•   Verhouding tussen diersoorten (aantallen) zal veranderen.
•   Inzet van insecten voor eiwitproductie.
•   Economisch nodig: dieren die vierkant te verwaarden zijn.
Mogelijke risico’s:
•   De gangbare manier om efficiënter te gaan werken, is het sneller laten groeien en/of
    een hogere productie van dieren. Te verwachten welzijns- en gezondheidsproblemen
    door snelle groei zijn al bekend (bv. cardiovasculaire en pootproblemen varkens,
    borstbeenletsel kippen, hoge mortaliteit door grotere toomgrootte).
•   Te lang wachten met omschakelen naar een meer geschikt ras leidt tot risico’s voor
    dierenwelzijn en -gezondheid van de op dat moment gehouden dieren.
Kansen:
•   Een melkveehouder zal ook in kringlooplandbouw proberen met zo min mogelijk
    fosfaatrechten (als die er dan nog zijn) zo veel mogelijk melk te produceren. Hij zal
    daarom minder jongvee aanhouden, waarvoor hij dan wel heel goed moet zorgen. Hij
    heeft ook belang bij ouder wordende koeien en moet dus ook daar goed voor zorgen.
3       Risico’s dierziekten en volksgezondheid
Getracht is ook een indruk te krijgen van mogelijke risico’s op dierziekten en voor de
volksgezondheid. Kringlooplandbouw hoeft in dit opzicht niet per se meer risico’s te
geven, maar er ontstaan mogelijk wel andere risico’s. Diverse experts hebben erop
gewezen dat dit type risico’s sterk afhankelijk is van het voer- en houderijsysteem dat in
de kringlooplandbouw gaat ontstaan. Ook is er mogelijk sprake van tegengesteld
werkende effecten. Bijvoorbeeld in een kringlooplandbouw met meer extensieve
houderijvormen en in totaal minder dieren zou er door een lagere veedichtheid minder
verspreiding van ziekten kunnen komen. Ook geldt in principe dat hoe lokaler de
kringloop, hoe kleiner het insleeprisico voor dierziekten zal zijn.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Deze voordelen zouden weer verloren kunnen gaan als veel meer dieren buiten komen te
lopen, omdat die dan meer risico lopen op het krijgen van een dierziekte. In zijn
algemeenheid geldt bovendien dat op dit moment nog niet alles bekend is over de
microbiële veiligheid van voer en mest en dierlijke producten, zodat meer onderzoek
daarnaar nodig is.
Een aantal specifiek genoemde risico’s in dit verband zijn:
•   Dieren moeten in de kringlooplandbouw niet het afvoerputje worden, dus er is goede
    controle van reststromen nodig (door de overheid).
•   De huidige positiviteit over strooiselstallen voor melkvee is te groot. Er ontstaan dan
    andere emissies (methaan, CO2). Er kunnen bacteriën (thermofiele sporevormers)
    e.d. naar buiten worden geblazen, als lucht door het strooisel in zulke stallen wordt
    geblazen. In de geitenhouderij zijn hier nu allerlei eisen voor; de risico’s in
    melkveestrooiselstallen zijn daarmee vergelijkbaar.
•   Als ook de afvalstroom van de mens in het systeem wordt gebracht (met name op
    het land), zitten daar risico’s aan (medicijnresten, hygiëne).
•   Als mest naar andere gebieden wordt gebracht, verplaatst men ook bacteriën e.d.
•   Veterinaire risico’s als niet goed wordt opgepast: MKZ, AVP, BSE.
•   Als ook natte natuurgebieden (plasdras) in het kringloopsysteem worden opgenomen
    geeft dit extra risico’s voor dieren (leverbot, Salmonella) en mensen (als die daar
    recreëren).
Mogelijke redenen voor minder risico:
•   Kringlooplandbouw kan tot een diverser systeem van dieren leiden met daardoor
    minder risico van ziekten.
•   Kleinschalige bedrijven die reststromen gebruiken zijn vaak gesloten, waardoor er
    minder ‘vreemde contacten’ (erfbetreders) en aanvoer van nieuwe dieren zijn.
4       Gevolgen voor niet-gehouden dieren
De Raad heeft besloten zich in deze zienswijze vooralsnog alleen op de gevolgen voor de
huidige productiedieren te richten. In de interviews is ter verkenning echter wel aan de
experts ook gevraagd welke mogelijke gevolgen zij zien voor niet-gehouden dieren. Die
vraag    bleek  voor    de   meesten    een  stuk   lastiger  te beantwoorden    dan   voor
productiedieren, waardoor de ‘oogst’ beperkt was.
Als mogelijke gevolgen werden genoemd:
•   Als kringlooplandbouw tot extensivering leidt (eventueel op een deel van de
    landbouwgrond), zouden niet-gehouden dieren erop vooruit kunnen gaan.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>•   Als er meer strostallen komen, zou dit beter voor weidevogels en bodemleven zijn.
•   Er zou meer concurrentie om voedsel kunnen komen wat ook tot diversificatie van
    dieren kan leiden. Dieren kunnen honger krijgen bij te weinig voedsel, maar dat is
    geen welzijnsvraag op populatieniveau, maar voor het individuele dier.
•   Als marginale bodems verschralen door intensief gebruik zou het bodemleven kunnen
    verarmen.
•   Als   kringlooplandbouw    leidt tot  meer   bouwland   (om   plantaardig  voedsel   te
    verbouwen) en minder grasland zal dit een verslechtering betekenen voor organische
    stofgehalte en vochtvasthoudend vermogen van bodem met negatieve gevolgen voor
    bodem en biodiversiteit.
•   Kringlooplandbouw heeft het risico dat het ten koste gaat van biodiversiteit, omdat
    boeren zo efficiënt mogelijk willen/moeten werken.
•   Onze niet-gehouden dieren zijn vaak cultuurvolgers. Als arealen van bepaalde
    gewassen veranderen, zullen de cultuurvolgers ook veranderen.
5       Het dier in onderzoekagenda’s
Bij veel van de geïnterviewde experts leeft het gevoel dat er in de huidige nationale
onderzoekagenda’s te weinig aandacht voor dierenwelzijn en – gezondheid is. Als er
onderzoek met betrekking tot dieren is, dan gaat het zelden over het dier zelf, maar
bijna altijd over de houderij op zich en over de vraag hoe dieren efficiënter kunnen
worden gemaakt (bv. lagere voederconversie). Onderzoeksvragen komen nu meestal
vanuit een bepaalde problematiek rond dieren die opgelost moet worden (terwijl de
oorzaak     veelal  niet   wordt   weggenomen).     Als  nu   een   nieuw   systeem     van
kringlooplandbouw als doel wordt gesteld, zou juist het welzijn van dieren centraal
moeten worden gezet.
Ook financieel valt er nog wat te wensen. Het geld van het Ministerie van LNV voor
toegepast onderzoek gaat voor het overgrote deel naar Wageningen University &
Research, terwijl voor een onderzoekagenda voor kringlooplandbouw juist ook andere
instellingen relevante kennis met betrekking tot dieren hebben. Door vergaande
privatisering van onderzoeksprogramma’s is er nu weinig onderzoek naar dierenwelzijn,
omdat hier bijna geen marktpartijen voor te vinden zijn. Hier ligt dus een taak voor de
overheid.
Nieuwe onderzoekagenda’s zouden zich kunnen richten op de mogelijke rol van het dier
als     leverancier    van      ecosysteemdiensten.     Daarbij    dienen     verschillende
ecosysteemdiensten      te  worden    geoptimaliseerd.  Dit vergt   een  andere,   bredere
benadering dan nu veelal wordt toegepast.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Ook zou aandacht kunnen worden besteed aan welk type boer en welke waarden van
belang zijn voor het realiseren van een duurzame landbouwvorm als kringlooplandbouw.
6       Rolverdeling tussen stakeholders
De meeste geïnterviewde experts zijn het er over eens dat voor een transitie naar
kringlooplandbouw een samenwerking tussen alle stakeholders nodig is (overheid,
boeren, ketenpartijen en ngo’s). Een door alle stakeholders gedeelde visie (doelen,
richting) is gewenst. Op basis hiervan moeten alle partijen op hun eigen manier
bijdragen. Overheden en ketenpartijen door richting geven, faciliteren en belonen.
Boeren door veranderen/presteren, monitoren en borgen/verantwoorden. Als het om
bedrijfsleven gaat moet niet alleen aan boeren worden gedacht, maar ook aan
ketenpartijen: bv. supermarkten en voedingsindustrie moeten hun verantwoordelijkheid
nemen om bij te dragen in kringlooplandbouw.
Niet alleen de partijen die het huidige systeem hebben vormgegeven moet worden
gevraagd om mee te denken, maar juist ook partijen die daar eerder niet bij betrokken
waren. Ook het moment van betrekken is van belang. Nu worden bv. ngo’s vaak pas
gevraagd om mee te denken over de uitwerking van een oplossing, terwijl het gewenst is
ook samen (al eerder) vast te stellen wat eigenlijk het probleem is. Ook het
onbespreekbaar laten van zaken (zoals inkrimping van de veestapel) wordt als dodelijk
voor het proces (en dus het resultaat) gezien. Overigens zijn de meeste ngo’s nu one-
issue-organisaties. Voor kringlooplandbouw past dit niet en ngo’s zouden dus ook meer
integraal moeten denken.
De overheid moet vooral doen wat de markt niet (goed) doet. Het afgelopen decennium
zijn het vooral ngo’s geweest die zich op dierenwelzijn hebben gericht. Hier zou een
grotere rol van de overheid op zijn plaats zijn, immers de overheid moet het algemeen
belang dienen en gehouden dieren zijn integraal onderdeel van onze samenleving. De
overheid, ngo’s en dierenwelzijnsonderzoekers zouden samen moeten bedenken hoe een
nieuw systeem moet worden ontworpen. Wat betreft aanpassing van wetgeving zou de
overheid ook actiever moeten streven naar meer flexibiliteit hierin, zodat nieuwe
wetenschappelijke inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen sneller kunnen worden
ingepast.   De  overheid    heeft  ook   een   belangrijke rol om  te  zorgen dat aan
ecosysteemdiensten een beloning of waarde wordt toegekend. Duidelijkheid in wet- en
regelgeving voor de komende jaren is nodig om bedrijven voldoende zekerheid te bieden
voor investeringen in de transitie naar kringlooplandbouw.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw           34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>7       Kanttekeningen van experts
Tijdens de interviews hebben enkele experts ook meer algemene kanttekeningen
geplaatst die hier apart worden vermeld:
•   De mogelijke gevolgen voor dierenwelzijn en -gezondheid zijn nog niet goed
    onderzocht. Doordat hierover relatief weinig bekend is, is ook relatie oorzaak en
    gevolg vaak onduidelijk.
•   Effecten op bedrijfsniveau hebben een eigen dynamiek: ook als in Nederland het
    totaal aantal dieren omlaag zou gaan, zal een individuele boer op zijn bedrijf altijd
    naar het meest intensieve (= hoogste rendement) systeem streven. Als we dat als
    maatschappij niet willen, zal er een andere drijvende kracht moeten zijn om dat te
    sturen (bv. beloningen).
•   Bij gebruik van ‘afval’ als diervoeder zou het voer nog steeds hoogwaardig kunnen
    zijn en zouden de huidige intensieve systemen en dieren waarschijnlijk nog prima
    passen. Maar vanuit een holistisch perspectief (integrale duurzaamheid), waarbij ook
    wordt gedacht aan het verbeteren van dierenwelzijn, biodiversiteit, het verminderen
    van milieueffecten, en sociale culturele waarde en behouden van rassen, zou een
    extensiever systeem (ook) passen en dan valt een overgang te verwachten naar meer
    robuustere rassen die beter tegen weersomstandigheden en wisselende voerkwaliteit
    kunnen.
8       Aanbevelingen van experts
Tijdens de interviews zijn regelmatig aanbevelingen gedaan, vaak geformuleerd in de
trant van “Je zou eigenlijk …”. Deze aanbevelingen bevatten interessante gedachten voor
toekomstig beleid, acties, regelgeving e.d. Navolgend een aantal van die aanbevelingen:
•   Hanteer een zo holistisch mogelijke kijk, want je weet vaak niet wat er nog meer
    verandert, als je één ding verandert. Als je maar een deel van de kringloop aanpakt
    en optimaliseert ontstaan vaak ongewenste neveneffecten.
•   Verander de manier van denken, want anders wordt het systeem weer steeds
    intensiever en ontstaan vroeg of laat nieuwe welzijnsproblemen. Ontwerp het
    systeem zo, dat het niet loont om het belang van dierenwelzijn te ‘vergeten’. Hoe dat
    moet is nog onduidelijk, maar wel duidelijk is dat er meer nadruk/waardering nodig is
    voor integriteit als noodzakelijke randvoorwaarde.
•   Borg en verbeter dierenwelzijn via “Circulaire welzijnseconomie”: integriteit, open en
    eerlijk, vrije meningsuiting, plicht tot luisteren en onderbouwen, open debat, zelf
    nadenken, fouten mogen maken, verantwoordelijkheid nemen i.p.v. afschuiven. Niet
    alleen richten op nutriënten, maar ook tussen boer en burger uitwisseling van kennis,
    meningen e.d. Hiervoor is een cultuurverandering gewenst, maar hoe doe je dat met
    het huidige verdienmodel?
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw               35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>•  Zorg dat er voldoende aandacht is voor de risico’s. De rol van dieren in de
   kringlooplandbouw gaat anders worden. Het heeft tijd nodig om de dieren te laten
   wennen aan deze veranderende rol.
•  Evalueer en toets elke 5 jaar het systeem om de (mogelijk toenemende) risico’s in
   beeld te krijgen.
•  Naarmate dieren verder van de mens weg staan zou vanuit voedingsrisico’s gezien
   een ruimer voederregime toepasbaar kunnen zijn. Maak daarin onderscheid voor
   herkauwers, varkens, kippen, vissen en insecten.
•  Begin nu met een Deltaplan Dierenwelzijn/Diergezondheid. Start een dialoog over
   dierenwelzijn/diergezondheid en wat kringlooplandbouw daarvoor betekent. Begin
   met de sector zelf om veranderingen van onderop voor elkaar te krijgen.
•  Producenten van reststromen moeten hun reststroom ook als product gaan zien en
   hun productieproces optimaliseren voor een betere kwaliteit reststroom.
•  Bekijk oude systemen zoals het gemengd bedrijf met moderne ogen en ontwikkel ze
   opnieuw.
•  Onderscheid reststromen uit het humane voedselsysteem in 2 categorieën: met en
   zonder dierlijke eiwitten. Breng in kaart hoe met deze stromen wordt omgegaan.
   Scheid de verwerking ervan in tijd en ruimte. Zet de juiste processen in voor het
   doden van ziektekiemen en het conserveren van de reststromen.
•  Geef in vergunningen voorrang aan integraal duurzame systemen, waarin zowel
   dierenwelzijn als kringlooplandbouw worden meegenomen. Stuur steeds meer op
   milieukwaliteitsdoelen    op  systeemniveau   i.p.v. op  middelen     en   instrumenten.
   Formuleer ook doelcriteria voor dierenwelzijn.
•  Bouw nieuwe melkveestallen niet aan de weg, maar middenin het land (moet wel
   toegestaan zijn qua vergunning), zodat maximaal weidegang mogelijk is.
•  Zorg dat het overheidsbeleid ook stuurt op integrale verduurzaming, wanneer de
   landbouw     wordt    gevraagd   om  integraal   te  verduurzamen     incl.   verbetering
   dierenwelzijn. Verduurzaam de overheid (het overheidsbeleid) en de ondersteunende
   instellingen tegelijk ook mee (geef het goede voorbeeld).
•  Er is een gedeelde visie nodig: fair, humaan, duurzaam. Bij elke duurzaamheids-
   strategie moet dierenwelzijn een onderdeel zijn.
9      Conclusies interviewronde experts
Dierenwelzijn “rekent niet”, zoals een van de geïnterviewden het stelde, doelend op de
spanning tussen het sluiten van kringlopen en het verbeteren van dierenwelzijn.
Daarmee is de crux aangegeven bij het thema ‘Dierenwelzijn in de Kringlooplandbouw’:
voor degenen die nadenken over het sluiten van kringlopen, het beperken van emissies
en het efficiënter benutten van grondstoffen past dierenwelzijn slecht in het plaatje.
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                  36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Een gesloten kringloop lijkt aan te sluiten bij een meer natuurlijke levenswijze, en dat
biedt kansen voor het dierenwelzijn. Echter, dat is niet per definitie het geval. Eenzijdige
optimalisatie, of dat nu productie-efficiëntie betreft, of het sluiten van kringlopen, kan
ook   risico’s  voor   dierenwelzijn  opleveren.   Met   andere   woorden,    noodzakelijke
verbeteringen in dierenwelzijn leiden in nogal wat gevallen tot een minder efficiënte
productie. Misschien is dit ook de verklaring waarom nog zo weinig mensen in de
discussie over kringlooplandbouw over het dier en de gevolgen daarvoor hebben
nagedacht.
De experts zijn het zonder uitzondering erover eens dat het uitgangspunt moet zijn: als
we dieren houden, moeten we ze goed verzorgen. Als je besluit het dier als voedsel te
gebruiken, moet daar op zijn minst fatsoenlijk welzijn tegenover staan. Dit is echter niet
automatisch onderdeel van kringlooplandbouw en dat verklaart men als volgt:
•   Dierenwelzijn is een doel op zich, en dus wellicht van een andere orde dan de diverse
    doelen (bv. klimaat of water) van kringlooplandbouw. Dierenwelzijn zou ook geen
    doel moeten zijn, dat je gemakkelijk kunt ‘uitmiddelen’ met andere doelen.
•   Dierenwelzijn en kringloop zijn als het ware twee assen van duurzaamheid: als je
    beide wilt verbeteren, kom je op een ander systeem uit dan wanneer je een van
    beide wilt verbeteren.
RDA.2020.045         RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw                 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Bijlage 2: Deelnemers Expertbijeenkomst 14 januari 2020
Johan van Arendonk, Hendrix Genetics
Saskia Arndt, Universiteit Utrecht
Vera Bavinck, Avivet
Sandra Beuving, Dierencoalitie
Johan Bongers, NVWA
Iris Boumans, WUR Livestock Research
Marc Bracke, WUR Livestock Research
Joep Driessen, Cow signals
Hans Fuchs, Bionext
Gerrit Hegen, De boerenveearts
Arnold van Huis, WUR
Ingrid de Jong, WUR Livestock Research
Ferry Leenstra, WUR Livestock Research
Hans Olijslagers, Topigs Norsvin
Roxani Rijneveld, Ministerie van LNV
Bas Rodenburg, Universiteit Utrecht
Frederieke Schouten, Caring Vets
Matthijs Schouten, Ministerie van LNV
Arjan Stegeman, Universiteit Utrecht
Karel van der Velden , Nijsen Granico
Dirk-Jan Verdonk, World Animal Protection
Cynthia Verwer, Louis Bolk Instituut
Gé Backus, forumlid RDA
Ted van den Bergh, forumlid RDA
Imke de Boer, forumlid (vz.) RDA
Jan Willem Erisman, forumlid RDA
Roel Jongeneel, forumlid RDA
Bas Kemp, forumlid RDA
Lisanne Stadig, forumlid RDA
Jan Staman, voorzitter RDA
Marc Schakenraad, secretaris RDA
Tamara Bergstra, adjunct-secretaris RDA
Ruud Pothoven, adjunct-secretaris RDA
RDA.2020.045        RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw 38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Samenstelling Raad voor Dierenaangelegenheden
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen
die de minister van Landbouw gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire
vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit
wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die er op persoonlijke titel, zonder last
of ruggespraak, zitting in hebben.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad. Deze zienswijze
is daarmee een product van de hele Raad. De RDA bestond op 1 januari 2020 uit de
volgende leden:
De Raad voor Dierenaangelegenheden:
Prof.dr. J.J.M. van Alphen                          Prof.dr.ir. B. Kemp
Dr.ir. G.B.C. Backus                                A. Kemps
J.P. van den Berg                                   Dr. L.J.A. Lipman
W.T.A.A.G.M. van den Bergh                          Dr. F.L.B. Meijboom
Prof.dr.ir. I.J.M. de Boer                          Drs. F.E. Rietkerk
Dr. J.J.L. Candel MA                                Mr. C.W. Ripmeester
Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht           Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg
Prof.dr.ir. G. van Dijk                             Drs. L. de Ruigh
Mr. A.G. Dijkhuis                                   Dr. M.C.Th. Scholten
Dr. N. Endenburg PhD                                Prof.dr. Y.H. Schukken
Prof.dr.ir. J.W. Erisman                            Ir. G.C. Six
Prof.dr. R. Gehring                                 Drs. M. Slob
Drs. D. van Gennep                                  Prof.dr. G.R. de Snoo
Prof.dr. M.A.M. Groenen                             Mr.drs. J. Staman, voorzitter
Prof.dr. S. Haring                                  Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels
Prof.dr.ir. L.A. den Hartog                         Drs. R.A. Tombrock
A.L. ten Have-Mellema                               Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp
Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek                      Dr. H.A.P. Urlings
Drs. G. Hofstra                                     Dr. J.B.F. van der Valk
J.A.M. Huijbers                                     J. van de Ven
Prof.dr.ir. A. van Huis                             Drs. F.A.L.M. Verstappen
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
RDA.2020.045          RDA-Zienswijze Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>