<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Dilemma’s in de
Wildopvang
Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Procedure4
Leeswijzer4
Samenvatting5
1. Inleiding                                                                 8
1.1 Aanleiding en vraagstelling                                              8
1.2 Uitgangspunten en afbakening                                             8
2. OF een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen                     10
2.1 Wet- en regelgeving                                                    10
2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht                               11
2.3 Wanneer is een dier hulpbehoevend?                                      12
    2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader Wet dieren                             12
    2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren                              12
    2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren                    13
    2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid                                        16
2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang                          17
2.5 Dilemma’s en verlegenheden                                              18
3. HOE een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen                    19
3.1 Verschillende fasen en manieren van hulp                                19
3.2 Zoekplicht naar deskundigheid                                          20
3.3 Knelpunten huidige praktijk                                             21
4. Door WIE moet een hulpbehoevend wild dier worden geholpen               23
4.1 Verplichtingen, verdeling en verwachtingen                              23
4.2 Behoeftes partijen                                                      25
5. Conclusies en aanbevelingen                                             26
5.1 Conclusies                                                             26
5.2 Aanbevelingen                                                          28
Geraadpleegde bronnen                                                      30
Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor en opvang van
           wilde dieren                                                    31
Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659                            32
Bijlage 3 Gelijkheid van dieren                                            36
Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en aansprakelijkheid             37
Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren                      39
Samenstelling van de Raad                                                  48
                     RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum bestaande
uit de raadsleden prof. Dr. J.J.M. van Alphen (voorzitter forum), W.T.A.A.G.M. van den Bergh,
drs D. van Gennep, mr. drs. J. Staman en Jong-RDA lid S.A.M. van der Hoeven MSc. Het forum
is ondersteund door een klankbordgroep uit de RDA, bestaande uit de leden mr. A.G. Dijkhuis,
drs F.E. Rietkerk, mr. C.W. Ripmeester, prof. dr. ir. T.B. Rodenburg, Prof. dr. G.R. de Snoo,
drs. R.A. Tombrock, drs. F.A.L.M. Verstappen en Jong-RDA lid M.A.A.M. van Gerwen MSc.
De zienswijze is een product van de hele Raad.
Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 7 maal bijeen geweest. Het forum is bij hun
werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W. Schakenraad en adjunct-secretaris
drs. R.L. van Oudheusden van het RDA-team. De voorliggende zienswijze van de Raad is op
verzoek van de minister van LNV.
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 start met een inleiding, waarin vraagstelling, aanleiding, uitgangspunten en afbakening
van deze zienswijze zijn opgenomen. Hoofdstuk 2 geeft een beschouwing op de vraag of een
hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en gaat in op de zorgplicht in de wet en morele
verantwoordelijkheid van mensen voor het welzijn van dieren. Een belangrijke vraag die in dit
hoofdstuk aan de orde komt is wat hulpbehoevendheid is en wanneer dieren dat wel en niet zijn
naarmate hun aanpassingsvermogen is aangetast. Maatschappelijke achtergronden, dilemma’s
en verlegenheden bij hulp en opvang van dieren komen hier ook aan de orde. In hoofdstuk 3 staat
centraal hoe hulpbehoevende dieren het beste kunnen worden geholpen en welke knelpunten in de
huidige praktijk de RDA is tegenkomen in interviews met de sector. In hoofdstuk 4 komt aan bod
wie hulpbehoevende dieren zou moeten helpen, welke taken, verantwoordelijkheden maar ook
welke behoeftes verschillende partijen op het gebied van wildopvang hebben. Hoofdstuk 5 sluit af
met uit deze zienswijze voortkomende conclusies. Tevens doet de RDA de minister van LNV een
aantal aanbevelingen om, in overleg en samenwerking met de sector, verbeteringen door te voeren
in hulp aan dieren, vanuit het belang van het welzijn van het dier.
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Op 20 augustus 2020 ontving de RDA van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de
vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie.
Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen, op grond van een voorschrift in de Wet dieren
(H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7): “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier
de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten
aanzien van andere dan gehouden dieren”.
In de Memorie van Toelichting van de Wet dieren, pag. 82 staat een verwijzing naar dit artikel ”Ook de
plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van
toepassing”.
In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de
praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder
benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017).
Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect
invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de
heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden. Ingrijpen
is noodzakelijk “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch
mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als
interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is”
(RDA, 2017).
Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen
van ziekten en predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet
natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties in
algemene zin aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht
neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige
gevolgen in principe achterwege laat.
Zorg voor wilde dieren is dus op verschillende manieren in de wetgeving opgenomen. De RDA ziet
vanwege deze verschillen als centrale vraag wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is.
Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in
een specifieke omstandigheid. Steeds vaker komen mens en dier elkaar tegen en is onderscheid tussen
natuurlijke leefomgeving van dieren en leefomgeving van mensen niet goed meer te maken. In een
stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van dit
onderscheid door burgers dan ook lastig, zij kunnen vaak moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen
van het dier is overschreden. Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen (en op welke manier) is vaak
(veterinaire en biologische) deskundigheid1 nodig.
Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf
zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren
vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook vanwege het
effect op de populatie en het ecosysteem waartoe ze behoren. Jonge dieren en oververmoeide dieren
zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie.
1
    Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen.
    Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.
                          RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>In eerste instantie worden dieren in het wild zoveel mogelijk met rust gelaten. Wanneer iemand
een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen
onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, moet worden aangenomen dat dit dier niet
meer kan functioneren zonder hulp. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of
zij hulp verleent. Deze hulp bestaat uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het
inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies over de mate
van hulpbehoevendheid van het dier en bijbehorend handelingsperspectief. Het is belangrijk
bij de zoekplicht naar deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze
hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en
noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is dus niet het zelf
vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een
hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige worden beantwoord. Dit is niet
alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een
hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren
verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.
De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid.
Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen,
maar missen vaak de kennis en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is
om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hulp in te schakelen van
een deskundige, die elke situatie kan beoordelen en een goede afweging kan maken. Hoe een
hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van de omstandigheden.
Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring
vereist. De hulpverlening aan wilde dieren bestaat uit een keten van verschillende hulpverleners
zoals 114, wildopvangcentra, dierenambulances en dierenartsen met fasen van besluitvorming.
Goede zorg kan bestaan uit het tegengaan van lijden, of goede verzorging als er perspectief is op
weer leven in de natuur. Om daar recht aan te doen moet volgens de RDA hulp aan hulpbehoevende
wilde dieren verbeterd worden en zouden alle dieren overal dezelfde basiskwaliteit van hulp
moeten kunnen krijgen. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid
en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat
wildopvangcentra naar eigen zeggen niet alleen kunnen oplossen. Bij een wettelijk vastgelegde
zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou
verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren, zodat er voldoende uniformiteit
en continuïteit van wildopvang is. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de
verantwoordelijkheid voor natuurbeheer bij de provincies, dient op dat niveau ook ondersteuning
te worden gegeven. De RDA ziet hiervoor verbeterpunten met daarin een trekkende rol voor de
rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen.
In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en
samenwerking met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende 3 punten ter
verbetering van hulp:
1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang
    • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken
      te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde
      dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in
      Nederland.
    • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor
      natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies
                       RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>      ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen.
      Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij
      wildopvang.
    • De wildopvangcentra hebben goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze
      structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage,
      professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete
      invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen.
2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp
    • De rijksoverheid heeft een leidende rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor
      uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren.
    • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt
      moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders
      van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en
      kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht
      zelfs te worden voorgeschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele
      aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is.
    • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra
      in de sector te voorkomen. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische,
      veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances
      kan ook een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten,
      toezicht en een openbare handelwijze.
    • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met
      de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor
      continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn.
3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling
    • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is,
      welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar
      deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de
      overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun
      communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie
      hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening
      zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’
      meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn om specialistisch advies te
      kunnen geven, ook voor het vervolgtraject.
    • Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om
      aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in
      dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten
      en verspreiding. Ook het beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van
      toegevoegde waarde zijn.
De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote
ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een
rondetafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens
‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het
opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het
‘leereffect’ kan worden vergroot.
                       RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1 Aanleiding en vraagstelling
Op 20 augustus 2020 ontving de RDA de volgende vraag, inclusief een brief met toelichting,
van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (zie bijlagen 1 en 2):
   Vraag Minister aan RDA
   …”verzoek ik u om een zienswijze uit te brengen met betrekking tot de vraag of en hoe een hulpbehoevend
   wild dier moet worden geholpen en door wie”.
In voorliggende RDA-zienswijze staat de vraag van de minister centraal, “of en hoe een hulpbehoevend
wild dier moet worden geholpen en door wie”. Het verzoek aan de RDA is aangekondigd aan de
Tweede Kamer en komt tegemoet aan verschillende moties (zie bijlagen 1 en 2).
1.2 Uitgangspunten en afbakening
Deze zienswijze heeft als doel de beantwoording van de vraag van de minister. Hierbij gaat
de RDA bij zijn zienswijze uit van de huidige wetgeving, met name de Wet dieren en de Wet
natuurbescherming. De zienswijze concentreert zich op het proces en de afwegingen bij (wilde)
dieren in nood.
In het verzoek aan de RDA heeft de minister aangegeven wat zij verstaat onder wilde dieren:
“De term wilde dieren wordt hier gebruikt voor dieren behorend tot een van nature in Nederland
voorkomende diersoort” (zie bijlage 1). De minister geeft hierbij niet aan welke dieren zij daar niet
onder verstaat. De RDA zal in voorliggende zienswijze, waar relevant, ingaan op categorieën dieren
waarvoor niet duidelijk is waar ze onder vallen. Dit om aan te geven dat onderscheid tussen wild en
niet wild, maar ook tot ‘van nature’ en ‘niet van nature’ in Nederland voorkomend niet altijd even
duidelijk is en dat er ook bij 144, ambulances en opvangcentra niet altijd zo’n zwart-wit onderscheid
wordt (of kan worden) gemaakt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gehouden dieren met (onbekende)
eigenaar, zoals een ontsnapte siervogel of -huiskat), verwilderde (huis)dieren en exoten. De Wet
dieren en de Wet Natuurbescherming maken onderscheid in verschillende categorieën dieren en
in mate van bescherming. Dat onderscheid heeft geen betrekking op hulpbehoevende dieren. In de
Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7) is aangegeven:
“6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg.
7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien
van andere dan gehouden dieren”.
De opvang van zeehonden is niet (expliciet) meegenomen in deze zienswijze, omdat hierover in
2020 met de sector een Zeehondenakkoord is gesloten. Tussen de partijen die betrokken zijn bij
de opvang van zeehonden zijn hierover afspraken gemaakt.
Het forum erkent de ambivalentie van het enerzijds tegemoet willen komen aan de gevoelens van
mensen die dieren willen helpen en anderzijds dat de natuur en de daarin voorkomende dieren
vooral met rust gelaten moet worden (beiden volgend uit voorschriften uit verschillende wetten).
                       RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Voor deze zienswijze zijn om achtergrondinformatie te verkrijgen over de actuele praktijksituatie in
Nederland 10 interviews gehouden met partijen die zich in de praktijk bezig houden met opvang
van wilde dieren. Verschillende opvangcentra, geselecteerd op verschillende grootte en ligging
door Nederland en daarnaast medewerkers van 144, Dierenbescherming en Dierenlot zijn hiervoor
benaderd. De informatie is gebruikt om een actueel beeld te krijgen van de praktijksituatie van de
wildopvang. Informatie hieruit is opgenomen in de bijlagen. Natuurbeheerders, natuurbeschermers
en ecologen wiens taken vooral gericht zijn op beheer van natuurgebieden en het in stand houden
van populaties zijn niet benaderd.
Uit het andere RDA-traject ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ is in een aantal interviews tevens
informatie over wildopvang vanuit gemeenten en provincies naar voren gekomen. Die informatie
is ook in voorliggende zienswijze verwerkt.
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>2. OF een hulpbehoevend wild dier
         moet worden geholpen
Kort antwoord: Ja, om twee redenen. Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen op
grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (2.1) en vanwege de breed levende opvatting onder
burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor het welzijn van dieren (2.2). Vanwege het
uitgangspunt om dieren in de natuur zoveel mogelijk met rust te laten, is van belang wanneer dieren wel
en niet hulpbehoevend zijn en of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Dit kan vaak
alleen door een deskundige worden beoordeeld.
2.1 Wet- en regelgeving
• Voor de zorg voor een ziek of verwond (wild) dier gelden de volgende punten uit artikel 2.1 van
   de Wet Dieren (artikel over dierenmishandeling):
   − lid 1: “Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van
      zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het
      welzijn van het dier te benadelen2”.
   − lid 6 “Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg”.
   − lid 7 ”Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten
      aanzien van andere dan gehouden dieren”.
Artikel 2.1 van de Wet dieren is van toepassing op alle dieren, ongeacht of zij gehouden zijn of in
het wild leven3. In de Memorie van Toelichting staat hierover twee verwijzingen:
• ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde
   dieren van toepassing” (pagina 82). De toelichting vervolgt: “Dit vereist evenwel een menselijke
   interventie, die op gespannen voet kan staan met het genoemde «handen af principe». Dat vraagt dus
   om een afweging”. De toelichting gaat over de verhouding tot de toenmalige Flora- en faunawet
   (bescherming van dieren behorende tot in het wild levende diersoorten), die later is overgegaan
   in de Wet natuurbescherming.
• “Wat de «nodige zorg» inhoudt kan bij in het wild levende dieren en gehouden dieren echter verschillen”
   (pagina 100). Hier volgt een verwijzing naar een andere paragraaf in de Memorie van toelichting,
   waar vervolgens verwezen wordt naar de Nota Dierenwelzijn.
• Wet natuurbescherming, artikel 1.11:
   − lid 1 “Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale
      natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving”.
   − lid 2 “De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs
      kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt
      voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende
      dieren en planten:
2
    In 2021 is hier door de Tweede Kamer een amendement aan toegevoegd: “Onder een redelijk doel wordt in elk geval niet
    begrepen het kunnen houden van dieren in een bepaald houderijsysteem of een bepaalde wijze van huisvesting” (Kamerstuk
    35 398, nr. 23). De toelichting bij het amendement vraagt om inwerkingtreding op 1 januari 2023. Bron: Kamerbrief Tweede
    Kamer, 2020b.
3
    Ook de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren in de Wet dieren geldt voor álle dieren, gehouden of niet
    gehouden, wild of niet wild.
                            RDA.2022.073      ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>  − dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
     a. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen
        treft om die gevolgen te voorkomen, of
     b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan
        maakt.
Dit artikel draagt iedereen (‘een ieder’) in Nederland op om voldoende zorg in acht te nemen voor
in het wild levende dieren. Dit betekent vooral het nalaten van handelingen die een nadelig gevolg
kunnen hebben op in het wild levende dieren4.
De Wet natuurbescherming draagt dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de problemen
komen. Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier verwijst de Memorie van Toelichting
van de Wet natuurbescherming naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die inmiddels
grotendeels is opgegaan in de Wet dieren (Kamerstuk Tweede Kamer, 2008).
Om (hulpbehoevende) wilde dieren op te kunnen vangen is een ontheffing van de Wet
Natuurbescherming vereist, onder andere voor artikel 3.5 waar het verbod op doden en vangen
van dieren onder valt en voor artikel 3.24, waar het ‘onder zich hebben’ van dieren onder valt.
De ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu grotendeels belegd bij de
provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies, uitzonderingen daargelaten
(RVO, 2020). Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden
en eisen gekoppeld (zie bijlage 5 voor overzicht). Daarnaast moet een opvang voldoen aan de
voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van) Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten5.
Hierin zijn regels en kwaliteitseisen opgenomen over doelstellingen, handelwijze, bereikbaarheid
en samenwerking met andere opvangcentra. De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan
de behoeften van het dier/ de diersoort. Het welzijn van het dier en de mogelijke kans op terugkeer
in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten (Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten,
2017).
2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht
De intrinsieke waarde van dieren wordt erkend in de Wet dieren, artikel 1.3. Er is een breed gedeeld
gevoel in de samenleving dat de mens een morele verantwoordelijkheid heeft voor het welzijn
van dieren6. Dieren zijn levende, voelende wezens. De mens heeft direct of indirect invloed op
de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties om zich aan te passen aan de
heersende omstandigheden. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over
de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor
het welzijn van (wilde) dieren, benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties
van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Zorgplicht7 is volgens de RDA de wijze waarop we in de
praktijk invulling kunnen en moeten geven aan morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van
4
   De memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming geeft aan dat deze ‘zorgplicht’ bedoeld is voor burgers,
   overheden en ondernemers (MvT, onder ander pag. 66).
5
   Deze worden momenteel ge-update, en zijn (tevens) voor een vrijstelling van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.
6
   De RDA volgt in voorliggende zienswijze, evenals in zijn eerdere zienswijzen zoals Wegen van Welzijn van Dieren in de
   Natuur (2017) en Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (2012) de volgende lijn: “Onze morele verantwoordelijkheid voor het
   welzijn van dieren is daarbij context-overschrijdend (het hangt niet af van de situatie) en geldt voor zowel gehouden
   als niet-gehouden of semi gehouden dieren. Deze morele verantwoordelijkheid staat los van de vraag hoe we hieraan
   invulling geven via de zorgplicht”.
7
   “Deze zorgplicht kan ook bestaan in de plicht om NIET in te grijpen. Dit wordt vaak ‘afblijfplicht’ genoemd”(RDA, 2012).
                         RDA.2022.073     ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>dieren (RDA, 2012). Dit is gerelateerd aan een context, namelijk de situatie waarin het dier zich
bevindt en wordt mede bepaald door menselijke beschikkingsmacht8 en door de mate waarin
dieren ingeperkt worden in hun mogelijkheden om zich te kunnen aanpassen aan bestaande
omgevingscondities.
De RDA gaf in 2017 op de algemene vraag “Wanneer is ingrijpen noodzakelijk?” antwoord in zijn
zienswijze ‘Wegen van welzijn van Dieren in de Natuur’: “Indien het aanpassingsvermogen van het
dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen
zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als interventie/maatregelen maatschappelijk
aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is”.
Alleen wanneer het aanpassingsvermogen van dieren (of van een groep dieren) wél overschreden
wordt, geeft de zorgplicht aanleiding tot het overwegen en uiteindelijk nemen van maatregelen
om onaanvaardbaar lijden te voorkomen. De maatregelen zijn dan altijd gerelateerd aan
het aanpassingsvermogen van het dier of gericht op het elimineren van de belemmerende
omgevingsomstandigheden.
2.3 Wanneer is een dier hulpbehoevend?
In het kader van zijn advies wil de Raad graag de volgende punten betrekken:
• Hulpbehoevendheid dieren in kader Wet dieren
• Aanpassingsvermogen wilde dieren
• Inschatting hulpbehoevendheid en onderscheid categorieën
• Oorzaken hulpbehoevendheid
2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader Wet dieren
In de Wet dieren wordt in het kader van hulpbehoevendheid gesproken over ‘een hulpbehoevend
dier’. Dat betreft een individu, niet een populatie. De focus in deze zienswijze ligt dan ook bij het
hulpbehoevende individu. Een dier dat afhankelijk is, hulp nodig heeft en (lichamelijk) niet in staat
om zichzelf te redden uit een situatie waarin het is geraakt, kan ondersteuning nodig hebben om
niet te sterven of onnodig (lang) te lijden.
2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren
Dieren in de natuur kunnen in problemen raken, verzwakken, lijden en sterven, al dan niet door
toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem,
lijden is niet altijd problematisch. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet
om dit type lijden van dieren in natuurlijke situaties in algemene zin aan te pakken. Alleen in
uitzonderingsgevallen grijpen beheerders in, zoals brand, droogte en overstroming en alleen
wanneer het aanpassingsvermogen wordt overschreden. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties
worden zoveel mogelijk met rust gelaten, zoals de Wet natuurbescherming ook beoogt (zoals
het niet verstoren van nesten en leefgebieden). Deze beheerfilosofie wordt breed en wereldwijd
gedragen.
Vanuit ecologisch perspectief is de natuurlijke wijze waarop populaties zich handhaven erg
belangrijk. De heersende opvatting is dat er voor de mens een marginale rol is weggelegd en
8
    Zorgplicht kan ingeperkt worden door fysieke/technische beperkingen, mens- of diergerichte belangen die zwaarder
    wegen dan welzijnsaantasting en door maatschappelijke (on)aanvaardbaarheid van interventie maatregelen/lijden.
    Zie voor verdere uitwerking RDA,2012 en RDA, 2017.
                         RDA.2022.073    ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>dan vooral nog de rol om dat wat door mensen wordt verstoord te mitigeren of te herstellen.
Het lijden van dieren in de natuur bijvoorbeeld door verhongering wordt dan vaak als normaal en
onvermijdbaar opgevat.
Morele problemen ontstaan vaak wanneer door de mens de natuurlijke aanpassingsmechanismen
worden geblokkeerd of teniet gedaan. Er is een verschil tussen het aanpassingsvermogen van een
individu en het aanpassingsvermogen van een populatie. Het helpen van zwakkere individuele
dieren kan een negatieve invloed hebben op de populatie. Daardoor komen dan mogelijk nog meer
individuen in de problemen.
2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren
Het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren is niet altijd even makkelijk. Soms is het
duidelijk: als een dier wordt aangereden en gewond is, als een vogel onder de olie op het strand
wordt aangetroffen of als een dier verstrikt is in een net of hek; in die gevallen heeft het hulp nodig.
Maar soms is het moeilijker. De natuurlijke omgeving van dieren raakt aan de leefomgeving van
mensen. De invloed van mensen op die natuurlijke omgeving is verreikend. Steeds vaker komen we
elkaar tegen en is onderscheid niet goed meer te maken. Mensen treffen ook gezonde dieren aan
die hulp lijken nodig te hebben, zoals reekalfjes of jonge vogels die net uit het nest zijn. Ondanks dat
deze dieren zichzelf vaak goed kunnen redden, voelen mensen de morele en emotionele drang om
de, in hun ogen, ‘hulpeloze’ dieren te helpen. In de vaak stedelijke context waarin lijdende dieren
worden aangetroffen door mensen is het inschatten van de situatie door burgers dan ook lastig en
is moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Deze afweging
kan onderwerp van menselijke bemoeizucht (en willekeur) worden. Het aanpassingsvermogen
van dieren in een stedelijke context zal in die zin vaak beperkt zijn (door de aanwezigheid van
mensen, verkeer, menselijke activiteiten, et cetera). Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen
(en de manier waarop) is vaak (veterinaire en biologische ) deskundigheid9 nodig.
Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige
pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht (moeten)
aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp en - wanneer aan zichzelf overgelaten -
zal sterven. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Die hulp
is gericht op het zorgen dat een dier de juiste hulp krijgt, bijvoorbeeld door het inschakelen
van 144, dierenambulance of andere hulpdiensten en niet gericht op zelf verzorgen, vangen en
vervoeren van dieren. Dit geldt overigens ook voor niet-wilde/ gehouden dieren die onbeheerd
zijn achtergelaten (zoals een hond in een oververhitte auto of een verwilderde gewonde kat) of
aangereden (wilde of niet-wilde) dieren. Niet altijd zal deze inschatting terecht zijn; egels die hulp
lijken nodig te hebben terwijl ze in winterrust zijn of jonge vogels die er hulpeloos uitzien maar net
zijn uitgevlogen en nog door de ouders worden verzorgd.
Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige (die
in een keten van hulpverlening geschakeld zijn) worden beantwoord. Dat betekent dat je als burger
eigenlijk vrij snel de hulp van specialisten inschakelt, via 144 of andere meldkamer, de dierenarts of
een opvangcentrum. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar niet zelden
ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. Belangrijk te weten is dat
hulp aan (wilde) dieren ook gevaarlijk kan zijn voor mensen, vanwege fysieke uitdagingen (het dier
kan alsnog aanvallen/ verwonden, een reiger kan bijvoorbeeld zo een oog uitpikken), veiligheid in
9
    Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen.
    Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.
                         RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>het verkeer of vanwege (ook voor mensen) besmettelijke ziektes/zoönosen (bijvoorbeeld bij het
beetpakken van vogels met vogelgriep). Bij onoordeelkundig handelen kan een dier daarbij veel
stress ondervinden. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen,
maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.
   Wie is toch die deskundige?
   De volgende hoofdstukken van deze zienswijze gaan uitgebreid in op hoe en wie in welke situatie
   het beste ingeschakeld kan worden en wie wat zou moeten doen in de keten van hulpverlening aan
   hulpbehoevende dieren. Omdat de ‘deskundige’ (of specialist) vaker genoemd wordt wil de RDA hierbij
   wel alvast benadrukken dat het niet gaat om één type deskundige of specialist. Omdat hulp en opvang
   van dieren zich in een keten voltrekt, is er in elke fase een andere manier van deskundigheid nodig voor
   de inschatting die op dat moment nodig is. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om een ‘deskundige’ alleen
   te versmallen in de vorm van een dierenarts, bioloog of betaalde coördinator. Ook geschoolde en/of
   ervaren vrijwilligers zijn in bepaalde fasen van de keten (meldkamer, ambulance, opvang) deskundig.
   DE deskundige bestaat wat dat betreft niet. Elke fase vereist eigen deskundigheid. Daarvoor kunnen
   natuurlijk wel voorwaarden en eisen worden opgesteld. Hier zal in volgende hoofdstukken nader op
   worden ingegaan.
Zoals eerder genoemd is het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren niet altijd even
eenvoudig (en ook niet altijd in te schatten bij een eerste contact). De RDA heeft in onderstaande tabel
ter illustratie hiervan getracht onderscheid weer te gegeven tussen verschillende categorieen dieren.
Per categorie is aangegeven of deze (door de RDA) wel of niet hulpbehoevend worden gevonden.
Daarnaast kan de locatie waar het dier wordt aangetroffen van invloed zijn op de beoordeling
van hulpbehoevendheid; in een stedelijke omgeving kan een verzwakt dier een andere afweging
vragen dan in een natuurgebied. Hulp kan ook bestaan uit niets doen, met rust laten of euthanasie
(zie ook 3.1). De categorisering is niet bedoeld als een zwart-wit onderscheidingscriterium, maar
om aan te geven dat het inschatten van hulpbehoevendheid complex is en een afweging vereist.
Gewonde en zieke dieren kunnen bijvoorbeeld niet altijd uit elkaar worden gehouden en dieren
kunnen in meer of mindere mate gewond of vervuild zijn.
                        RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   Categorie                         Hulpbehoevend ja/          Toelichting
   (zie ook paragraaf 2.3.4).        nee
   Gewonde dieren                    Ja                         Dieren die niet langer voor zichzelf kunnen zorgen
   (ongeluk, verkeer,                                           en die niet door populatiegenoten (i.e. ouders of
   windmolens, hoog­                                            groepsleden) worden verzorgd. Deze dieren zijn
   spannings­leidingen,                                         derhalve hulpbehoevend. Ze kunnen zich niet meer
   gepakt door huisdieren,                                      aanpassen aan de situatie.
   etc.).
   Gecontamineerde dieren            Ja
   (bijv. olieslachtoffers,
   verstrikt (in afval))
   Verzwakte en uitgeputte           Ja, maar afweging          Dieren die na een periode van voedselschaarste
   dieren                            moet worden                verzwakt en vermagerd zijn, kunnen worden
                                     gemaakt                    beschouwd als hulpbehoevend10, immers hun
                                                                toestand is te verhelpen/verbeteren. Hier moet
                                                                naast de afweging voor het individuele dier ook door
                                                                deskundigen de afweging worden gemaakt welk effect
                                                                zoiets heeft op de populatie en de omgeving waaruit
                                                                het dier afkomstig is11.
   Zieke dieren                      Afweging moet              Zieke dieren vormen een aparte groep. Als de ziekte
                                     worden gemaakt             veroorzaakt is door een parasiet of een pathogeen,
                                                                dan kan de ziekte een aanwijzing zijn dat deze dieren
                                                                een zwak immuunsysteem hebben. Hier moet naast
                                                                de afweging voor het individuele dier ook de afweging
                                                                worden gemaakt welk effect zoiets heeft op de
                                                                populatie en de omgeving waaruit het dier afkomstig
                                                                is12. Als de ziekte een gevolg is van vergiftiging met
                                                                pesticiden, is zo’n dier wel hulpbehoevend.
   Jonge (niet zelfstandige)         Mogelijk (vaak niet)       Dieren die vaak niet hulpbehoevend zijn. Ze kunnen
   dieren die nog                    afhankelijk van            of na een rustperiode weer voor zichzelf zorgen, of
   onvoldoende over                  situatie en context        worden waarschijnlijk nog door ouders verzorgd.
   motorische capaciteiten                                      Ze kunnen zich aanpassen aan de situatie. Er zijn
   beschikken.                                                  uitzonderingen, maar dat is aan het oordeel van een
   Dieren die oververmoeid           Mogelijk (vaak niet)       specialist (mogelijke uitzonderingen bijvoorbeeld een
   zijn (bijvoorbeeld trek­          afhankelijk van            uit het nest gewaaide jonge ooievaar, of jonge eenden
   vogels die een lange              situatie en context        waarvan de moeder is doodgereden).
   vlucht achter de rug
   hebben)
In de praktijk betreft het grootste deel van de opgevangen dieren vogels. De opvangcentra die de
RDA gesproken heeft noemen percentages van 80% vogels en 20% zoogdieren. Van de zoogdieren
gaat het bij een groot deel om egels, sommige centra noemen percentages van 60-70% egel van
de opgevangen zoogdieren13.
10
     De Wet Natuurbescherming kent specifieke bepalingen over het bijvoeren van groot wild (beginselverbod, tenzij besluit
     van de provincie in het kader van weersomstandigheden e.d.).
11
     Ongeremde populatiegroei door deze dieren te helpen zal in toekomst leiden tot steeds meer verzwakte en vermagerde
     dieren, en hulp nu vergroot het gevaar in de toekomst. Hulp aan vermagerde dieren kan de natuurlijke selectie remmen.
     Soms kan het ook juist gewenst zijn.
12
     Als dat een erfelijke basis heeft, dan zou hulp aan zo’n dier de natuurlijke selectie tegenhouden en daardoor het welzijn
     van de populatie negatief beïnvloeden (bijv. longworm bij egels).
13
     Deze zienswijze gaat vooral over vertebraten, maar zorgplicht kan ook gelden voor evertebraten. Zoals een nachtvlinder
     die door het kunstlicht van een huis is gedesoriënteerd en op de ruit zit verplaatsen naar een lichtarm bosgebied.
                            RDA.2022.073      ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid
Een dier in nood dat hulp nodig heeft, kan zowel door menselijke als door natuurlijke oorzaken
in die situatie terecht zijn gekomen. Ter illustratie daarvan zijn in de bijlage enkele voorbeelden
opgenomen en zijn in de vorige paragraaf daar al mogelijke afwegingen over genoemd. Maakt het
voor het geven van hulp aan dieren uit wat de oorzaak is dat het dier in nood is gekomen?
Om achterliggende discussies te belichten, gaat deze paragraaf in op verschillende discussies die
omtrent deze vraag spelen.
Als eerste komt de ambivalentie naar voren, dat afwegingen op het gebied van het individuele dier
anders kunnen zijn dan op het gebied van de populatie (andere individuen) van dezelfde soort, van
andere soorten en van het ecosysteem. Een dier in het wild staat nooit op zichzelf. Het functioneert
bijvoorbeeld als onderdeel van een populatie, als prooidier of predator in een ecosysteem, of is
een bron van voedsel of nutriënten voor andere dieren en de omgeving. Zieke en verzwakte dieren
kunnen juist ook een belangrijke rol hebben voor andere dieren. Daarom is in elke situatie een
deskundige afweging van belang.
Een andere discussie gaat over of het verschil uitmaakt voor onze morele zorgplicht als mens of
een dier door menselijk toedoen in de problemen is geraakt. Moeten mensen altijd zorg bieden,
of alleen als een dier door de mens in de problemen is gekomen? Of moeten we extra zorg verlenen
als het door ons komt of daar meer voor betalen? De mogelijkheid om te interveniëren wordt
daarnaast ingeperkt door fysieke en technische omstandigheden zoals moeilijk bereikbare plekken
en terreinen en soms ook door financiële (on)mogelijkheden vanwege buitensporige kosten voor
een ingewikkelde operatie om een dier te redden. Vanuit moreel oogpunt zou kunnen worden
beargumenteerd dat de mogelijkheid om van een interventie af te zien in het kader van (financiële)
haalbaarheid, niet of beperkt mag worden gebruikt indien er sprake is van een menselijke oorzaak
voor het letsel.
Los van dat het voor het dier niets uitmaakt hoe het hulpbehoevend is geworden, kan er wel
discussie worden gevoerd over ‘extra’ verantwoordelijkheid en verplichtingen wanneer
menselijk handelen de oorzaak is van het probleem. In de trant van ‘de vervuiler betaalt’ zou
hier ‘de veroorzaker betaalt’ een uitgangspunt kunnen zijn. Aansprakelijkheid en schuldvraag
vallen theoretisch te verdedigen, de schademaker (indien duidelijk aanwezig) zou dan
moeten betalen voor de kosten rondom opvang en verzorging van het hulpbehoevende
dier14. Tegelijkertijd is in de praktijk vaak lastig te achterhalen hoe een dier in de problemen is
gekomen. En kunnen dieren juist ook door goed bedoelende mensen in de problemen komen
(bijvoorbeeld jonge vogeltjes of haasjes waarvan mensen denken dat ze hulp nodig hebben).
De RDA benoemt hier mogelijke (morele) afwegingen, maar neemt zelf geen standpunt
in. Deze manier van afwegen zou tegenstrijdig zijn met het perspectief van het dier: voor het
lijdende dier is het niet relevant hoe het gewond is geraakt of in een hulpbehoevende situatie is
gekomen. Ook voor de dierenarts of andere professionals maakt de reden van verwonding niet uit.
De zorgplicht voor hulpbehoevende dieren (Wet dieren) geeft aan dat we een dier in nood moeten
helpen, ongeacht menselijke oorzaak van de nood. Wel vraagt de Raad zich af of niet meer zou
moeten worden ingezet op preventieve maatregelen (dus voorkomen dat dieren door menselijk
toedoen in de problemen komen) van belang. Dit komt terug in H3.
14
    Zie ook bijlage 2.
                       RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang
De rol van dierenhulp en -opvang kan zowel vanuit dierperspectief als vanuit (verschillende)
mensperspectieven worden bezien. De RDA licht beide kanten hier kort toe, ter illustratie van
achtergronddiscussies die spelen. Vanuit dieren bekeken heeft hulp en opvang voor het individuele
dier effect. Dieren wordt verder lijden bespaard. Een groot gedeelte van de inkomende dieren
wordt al snel na aankomst bij dierenarts of wildopvang geëuthanaseerd (zie ook paragraaf 3.3.5).
Lijden en sterfte van individuen wordt tegengegaan en dieren krijgen een tweede kans als ze weer
in de natuur worden teruggezet. Als re-integratie niet haalbaar is, kun je jezelf afvragen of het
welzijn van de dieren niet te erg geschaad wordt door dieren mee te nemen naar de opvang/op te
vangen (zie ook beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten) en of met rust laten of euthanasie ter
plaatse aan de orde is.
Er kan een spanningsveld bestaan: wat goed is voor het individu is niet per se goed voor een
populatie of ecosysteem en andersom (zie ook paragraaf 2.4.2). Naast de discussie of opvang
vanuit natuurlijk perspectief wenselijk is, bestaat er ook discussie of opvangcentra wel of
niet kunnen bijdragen aan populatiebehoud. Bij uitbraken van ziektes of calamiteiten kan
dierenopvang bijdragen aan het behoud van de populatie, zoals in het verleden met zeehonden,
of na olierampen. Dit effect staat (bij ecologen) ter discussie. Geïnterviewde opvangcentra
zelf staan hier ook verschillend in, soms niet, soms wel, soms ook afhankelijk van de soort.
Sommigen zien een directe bijdrage aan de instandhouding van de populatie, anderen zien alleen
een indirecte bijdrage door hun voorlichtingsfunctie aan burgers hoe om te gaan met wilde dieren.
Een belangrijke functie volgens de sector zelf is dat zij een vinger aan de pols kunnen houden wat
betreft de monitoring van dierziekten en natuurbeheer (bijvoorbeeld bij egels). Zij kunnen ziekten
signaleren en verspreiding in de gaten houden. Dit kan ook relevant zijn bij zoönosen, aldus de
sector. Opvangcentra kunnen veranderingen afmeten aan wat er binnenkomt: worden er veel egels
binnengebracht omdat er ook veel zijn, of is er iets anders aan de hand?
Ook is er volgens de sector een indirecte bijdrage aan respect en begrip voor dieren en een
grotere betrokkenheid bij burgers. Het gaat dan om aandacht en draagvlak voor dieren, natuur,
voorlichting, educatie en adviezen. Juist ook om mensen ervan bewust te maken wanneer dieren
met rust moeten worden gelaten en je ze niet moet pakken, zoals bij jonge haasjes, reekalfjes
en jonge vogels. Voor mensen geldt vooral dat ze iets (goeds) willen doen, dieren willen helpen,
dierenwelzijn willen verbeteren en willen voorkomen dat dieren (onnodig) lijden. De rol en
functie van dierenhulp en -opvang wordt volgens enkele betrokkenen uit de opvangpraktijk niet
altijd (h)erkend (door overheden). Vaak worden vooral opvangcentra naar hun idee weggezet
als ‘hobbyclub’, of als ‘dierenknuffelaars’. Dit doet volgens hen geen recht aan alle kennis en
professionaliteit die aanwezig is in de opvang. Erkenning en waardering, waaronder die van de
overheid, is belangrijk voor de sector. Zij doen naar eigen zeggen in de ogen van de burger veel
‘goeds’. Veel opvangcentra geven aan naast de hulp aan dieren een maatschappelijke en sociale
functie te hebben door vrijwilligerswerk, dagbesteding en mogelijkheden voor re-integratie aan te
bieden.
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2.5 Dilemma’s en verlegenheden
Uit de interviews met opvangcentra en ook gesprekken met bestuurders in het kader van de RDA
zienswijze ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ komen verschillende dilemma’s en verlegenheden
naar voren. Deze worden in deze paragraaf kort aangeduid. De RDA ziet als grootste dilemma de
ambivalentie, van het enerzijds tegemoet willen komen aan dieren willen helpen en anderzijds dat
de natuur en de daarin voorkomende dieren vooral met rust gelaten moet worden.
Andere dilemma’s die te maken hebben met de of-vraag van opvang van hulpbehoevende dieren
staan hieronder genoemd.
In het debat over hulp aan dieren in nood is er vaak sprake van ’publieksdilemma’s’. Zo bestaan
er in de maatschappij altijd verschillende opvattingen bestaan over de noodzaak tot ingrijpen.
Die kunnen onder meer voortkomen uit levensbeschouwelijke opvattingen, morele afwegingen of
professionele standaarden. Wat een burger vindt dat nodig is, kan bijvoorbeeld verschillen van wat
een professional weet dat nodig is of wat beter is vanuit het dier bezien. De verwachtingen over de
mogelijkheden van hulp komen niet altijd overeen met de perspectieven die een dier heeft. Niet
alle dieren kunnen worden geholpen en soms is het beter om niks te doen, dieren met rust te laten
of dieren uit welzijnsoverwegingen in te laten slapen.
Dan is er de door opvangcentra ervaren paradox dat individuele centra of professionals hun
uiterste best doen om dieren op te lappen, terwijl die vervolgens worden afgeschoten of bestreden.
Vanuit de overheden is dit ook een dilemma; moeten we als maatschappij zowel investeren in hulp
voor als bestrijding van dezelfde dieren? Dat geldt niet alleen voor ‘inheemse’ soorten die schade
kunnen veroorzaken, maar ook voor hulpbehoevende (invasieve) exoten die een gevaar vormen
voor inheemse soorten en niet-beschermde dieren.
Hulp aan en opvang van dieren is volgens de sector grotendeels het bestrijden van symptomen
in plaats van het aanpakken van de oorzaak van dierenleed. Is dit dan dweilen met de kraan open
en zou je niet beter kunnen investeren in aanpakken van oorzaken? Dit zou je namelijk breder
moeten zien door bescherming van het leefgebied en preventie van hulpbehoevendheid (denk aan
de afblijfplicht die je zou kunnen zien als ‘de mens bemoeit zich niet/ zo min mogelijk met natuur
of wilde dieren).
Andere genoemde dilemma’s liggen op het gebied van doden van dieren, het (bij)voeren van
dieren, hoe om te gaan met dierplagen binnen opvangcentra, dierziekten en zoönosen, exoten en
uitheemse dieren. Ook is er de kwestie van ‘aaibaarheid’ van verschillende organisaties, die voor
onderlinge concurrentie kunnen zorgen. Een opvang voor kleine zoogdieren zoals jonge haasjes
kan mogelijk op meer sympathie rekenen dan een vogelopvang. Dit zorgt voor concurrentie bij
subsidies en bijdrages. Opvangcentra zijn daardoor genoodzaakt om een ‘verdienmodel’ op te
stellen.
                       RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>3. HOE een hulpbehoevend wild dier
        moet worden geholpen
In het vorige hoofdstuk is geschetst of en wanneer we hulpbehoevende wilde dieren zouden moeten
helpen. De volgende vraag is dan: hoe we dat moeten doen? Dit is afhankelijk van verschillende
factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de aard en omvang van het
probleem en de hulp die het beste kan worden verleend. Hiervoor zijn kennis en vaardigheden vereist.
Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar
missen de kennis en vaardigheden om de aard en omvang van het probleem vast te stellen en om
in te schatten welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over
de noodzaak om hiervoor deskundige hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een
afweging kan maken wat de beste hulp is. De huidige praktijk kent een aantal aandachtspunten die in
dit hoofdstuk aan de orde komen.
3.1 Verschillende fasen en manieren van hulp
Hulp bieden aan dieren in nood kan, zoals in het vorige hoofdstuk aangeduid, bekeken worden
vanuit het perspectief van de mens (wat wil de mens dat er gebeurt?) en vanuit het perspectief
van het dier (wat heeft het dier nodig?). Het antwoord op de vraag ‘hoe moet een dier worden
geholpen?’, gezien vanuit perspectief van het dier, is afhankelijk van verschillende factoren:
• soort en stressbestendigheid;
• ernst van de verwondingen;
• mate van lijden van het dier, kortdurend versus chronisch lijden;
• aantasting van welzijn gedurende de hulp, kans voor latere uitzet in natuur;
• situatie: locatie en omstandigheden ter plaatse;
• nabijheid van opvang en reis- en wachttijd.
Vrijwel alle situaties zijn uniek. Wel kan er, door categorisering van hulpbehoevendheid zoals
benoemd in hoofdstuk 2, duiding worden aangebracht in welke patronen van hulp er zijn.
Hulp moet in principe altijd zo snel mogelijk worden verleend, passend bij de situatie. Hulp aan
wilde dieren in nood kent daarin meerdere fasen. Het begint met een eerste afweging en reactie
door de vinder van het dier. De vondst van een dier in nood gebeurt meestal door een burger.
Daarom is het belangrijk dat zij goed worden voorgelicht en op de hoogte zijn van hoe te handelen
wanneer zij een hulpbehoevend dier vinden, ook omdat het voor het dier stressvol is om door
mensen te worden benaderd. Dan volgt de eerste, vaak telefonische, melding bijvoorbeeld bij
144 of de dierenambulance en een eerste inschatting en respons vanuit deze instanties (wel of
geen actie). Daarnaast bellen burgers in zo’n situatie ook met politie, brandweer (hulpdiensten),
dierenambulances, direct met opvangcentra, dierenartsen, overheidsinstanties of inspectiediensten.
Als er na de eerste melding door de betreffende instantie besloten wordt tot actie, wordt daarna
door een deskundige hulpverlener ter plaatse een inschatting gemaakt van de situatie (triage in het
veld), en er wordt besloten wat er met het dier moet gebeuren (wel of geen behandeling, eventueel
weer uitzetten). Dan volgt een fase van vervoer, gevolgd door triage/ inschatting bij de opvang of
de dierenarts. Daar worden keuzes over euthanasie of behandeling gemaakt, met het oog op het
welzijn van het dier en de kans op een succesvolle terugplaatsing in de natuur. Dit is een keten van
hulpverlening met fasen van besluitvorming.
                       RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Hulp kan in al deze verschillende fasen bestaan uit veel verschillende dingen, te bepalen door
iemand met kennis en vaardigheden. Hierbij gaat het om een eerste inschatting via telefoon,
advies over in te schakelen specialistische hulp, ter plaatse bevrijden uit benarde positie, vrijlaten,
verplaatsen, hulp inroepen van anderen, opvang, zorg, permanente opvang, of uit lijden verlossen
(euthanasie, hanteren, transport). Een deskundige kan ook besluiten dat niets doen het beste is.
Dit kan ook hulp zijn, juist vanuit het welzijn van een dier, van andere dieren of in het belang van
de populatie of het ecosysteem. Dat betekent een dier in nood met rust laten, laten sterven of
juist de gelegenheid geven om op eigen kracht (trachten) te herstellen. Niet pakken en vervoeren,
waarmee verdere stress voorkomen wordt. Eenmaal aan de deur van de opvang wordt (meestal) elk
dier aangenomen. Hier besluiten ter plaatse aanwezige deskundigen wat de beste vervolgstappen
zijn. Vanuit het welzijn van het dier en kansen op herstel maken zij een afweging over verdere
behandeling of euthanasie. Opvangcentra geven aan dat veel dieren alsnog overlijden binnen
24-48 uur15 in de opvang.
3.2 Zoekplicht naar deskundigheid
Uit het voorgaande blijkt dat mensen vanuit empathie voor hulpbehoevende dieren een urgentie
voelen om te helpen én dat de zorg voor hulpbehoevende wilde dieren is opgenomen in wet- en
regelgeving. Het is belangrijk om altijd rekening te houden met de emoties van mensen die willen
helpen. Ze moeten dan wel weten wat ze moeten doen in zo’n geval. ‘Nadelig handelen’ achterwege
laten is het algemene uitgangspunt, met de concrete uitzondering van hulpbehoevende van wilde
dieren. Helpen is een wettelijke plicht, maar het is niet toegestaan om voor wilde dieren te zorgen
en ze op te vangen zonder ontheffing, kennis en vaardigheden (zie ook hoofdstuk 2). Als leek mag
je niet thuis een wild dier verzorgen.
Daarom moeten mensen vooraf deskundig geïnstrueerd worden om een (hulpbehoevend wild)
dier niet aan te raken of te verplaatsen, maar iemand met kennis en vaardigheden in te schakelen.
Daarmee zal vaak ook meteen afdoende invulling gegeven worden aan de wettelijke zorgplicht
uit de Wet dieren. We noemen dit ‘zoekplicht naar deskundigheid’. Niet zelf onbekwaam hulp
bieden, maar helpen voorzien in de juiste hulp voor het dier op dat moment. Dat betekent in eerste
instantie bellen naar de juiste instellingen en eventueel een foto sturen. Hier zijn deskundigen
of geschoolde vrijwilligers aanwezig die kunnen helpen met de vervolgstap. Het advies kan ook
zijn om het dier zorgvuldig te verplaatsen, zodat het dier rustig kan sterven. De dierenambulance
vraagt vaak om hulpbehoevende dieren zelf te vangen en beschikbaar te houden. Deels vanuit
praktische overweging vanwege de veiligheid van zowel mens als dier, en ook vanuit de
capaciteit van de ambulances. Daarnaast is de overweging wanneer een dier niet te vangen blijkt,
er waarschijnlijk ook niet veel aan de hand is. Dit is een soort eerste selectie voor de inschatting
van de hulpbehoevendheid van een dier. Toch is zelf vangen meestal niet wenselijk vanuit stress
voor het dier of vanuit het gevaar van ziekten of verwondingen die een dier kan veroorzaken
en ook is het niet altijd mogelijk. Het is afhankelijk van verschillende factoren of dit de beste
oplossing is. Deskundigen kunnen de burger helpen om in elke situatie de juiste afweging te
maken. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel
moet toch is deskundige hulp of advies worden gevraagd.
Het is belangrijk bij de ‘zoekplicht naar deskundigheid’ dat burgers weten welke
handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar
ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten
15
   Geïnterviewde opvangcentra geven aan hierover gegevens bij te houden.
                      RDA.2022.073    ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>doen). Dat betekent dat communicatie hierover en deze blijvend herhalen, van belang is om
mensen wetend maken. Dat kan op verschillende manieren, maar tegelijkertijd moet men beseffen
dat voorlichting, zelfs frequente, beperkingen kent. Ook hier zal in het volgende hoofdstuk nader
op worden ingegaan.
3.3 Knelpunten huidige praktijk
In de bijlage is op basis van de gehouden interviews een situatieschets opgenomen van de wijze
waarop hulp aan wilde dieren momenteel in Nederland geregeld is. Daarin wordt ook beschreven
welke knelpunten er in de huidige praktijk zijn en hoe deze worden ervaren. Op basis van deze
situatieschets constateert de RDA onderstaande aandachtspunten.
Ontheffing, protocollen en kwaliteit
• Noodzakelijke professionalisering van de sector heeft als keerzijde extra vereisten en (financiële)
   lasten;
• Verantwoordelijk voor ontheffingen van opvangcentra ligt nu bij provincies, daardoor zijn er
   risico’s voor verschillen in eisen aan en kwaliteit van opvang tussen provincies;
• Er zijn geen wettelijk vastgestelde regels voor dierenambulances, evenmin is ‘dierenambulance’
   een beschermde titel. Er bestaan landelijk veel verschillen in visie en handeling van betreffende
   organisatie achter de verschillende ambulances.
Melding en opvolging
• Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan
   maken. Meldnummer 144 is nog niet overal bekend. Een burger maakt meestal geen onderscheid
   in gehouden of niet-gehouden dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren;
• Goede voorlichting aan burgers aan de ‘voorkant’ van hulpverlening, over de noodzaak van
   wel of niet handelen, voorkomt onnodige problemen later in de keten door onnodig ingrijpen
   bij dieren die geen hulp nodig hebben. Die voorlichting zou volgens de RDA in de gehele
   hulpverleningsketen een goede plek moeten krijgen;
• Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen
   gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen
   helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in
   natuurlijke populaties.
Vervoer van dieren
• Er zijn risico’s op het gebied van kwaliteit, kennis, vaardigheden en handelswijze door het
   ontbreken van kwaliteitseisen en beleidsregels voor vervoer van dieren in dierenambulances;
• De burger weet door bovengenoemde verschillen niet altijd waar hij op aan kan bij het raadplegen
   van een dierenambulance.
                      RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Opvang, behandeling en financiering
• Bestaanszekerheid van wildopvangcentra en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende
  wilde dieren komen in de knel door onvoldoende financiering;
• Er is een spanningsveld tussen natuur en dierenwelzijn op het gebied van hulpbehoevende
  dieren;
• Er is vanuit de opvangsector veel onduidelijkheid welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor
  opvang van hulpbehoevende wilde dieren;
• De overheid en een deel van de sector ziet het als een probleem dat wildopvangcentra als
  sector niet één geluid kunnen laten horen in bijvoorbeeld een samenwerkingsverband of een
  koepelorganisatie;
• Er is onder wildopvangcentra een brede behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen
  te werken. Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de
  verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen
  te zoeken.
                    RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>4. Door WIE moet een hulpbehoevend
          wild dier worden geholpen
Wilde dieren zijn van niemand en van ons allemaal. Iedereen verleent een hulpbehoevend dier de nodige
zorg, maar er zijn wel verschillen in verantwoordelijkheid. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de
burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering
van de zorgplicht te faciliteren. In dit hoofdstuk komen verplichtingen, verdeling, verwachtingen en
behoeftes die partijen (van elkaar) hebben naar voren.
4.1 Verplichtingen, verdeling en verwachtingen
In de voorgaande hoofdstukken is al in kaart gebracht of en hoe hulpbehoevende wilde dieren
moeten worden geholpen en welke aandachtspunten de RDA in de huidige praktijk ziet.
Gekoppeld aan het HOE zit natuurlijk het WIE. Wie moet wat doen? Wie is waarvoor verantwoordelijk?
Welke verwachtingen zijn er van elkaar? In onderstaande tabel staan bevindingen hierover uit de
vorige hoofdstukken samengevat.
   Partij              Verantwoordelijkheid              Verplichting                Verwachtingen
              16
   ‘Een ieder ’        Dieren in de natuur zijn          ‘Een ieder’ in Nederland    De verantwoordelijkheden
                       niemands eigendom en              is verplicht om             voor dierenwelzijn en
                       daarom van ons allemaal           hulpbehoevende dieren de    dieren in de natuur liggen
                       (res nullius). Ook al zijn        nodige zorg te verlenen.    bij verschillende partijen.
                       dieren niemands bezit                                         Wat kunnen we verwachten
                       of eigendom, er is wel            ‘Een ieder’ neemt           van de handelende
                       verantwoordelijkheid              voldoende zorg in acht voor onwetende/onbekwame
                       vanwege de zorgplicht/            Natura 2000-gebieden,       burger in situaties wanneer
                       hulpverleningsplicht              bijzondere nationale        dieren in nood zijn?
                                                         natuurgebieden en voor      Dat bepaalt welk systeem
                                                         in het wild levende dieren  het meest geschikt is om
                                                         en planten en hun directe   dieren te helpen, hoe
                                                         leefomgeving.               dat moet functioneren
                                                                                     en worden bekostigd,
                                                                                     en wat er moet worden
                                                                                     gefaciliteerd
16
     Een ieder betreft zowel de burgers als de overheid.
                            RDA.2022.073    ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Partij       Verantwoordelijkheid          Verplichting               Verwachtingen
Burgers      Zoekplicht naar               De wettelijke verplichting Burgers moeten worden
             deskundigheid                 kan niet verder reiken dan geïnformeerd op welke
                                           wat mensen redelijkerwijs  wijze zij hulpbehoevende
                                           aankunnen.                 dieren het beste kunnen
                                                                      helpen (en ook wat ze
                                           Na de eerste hulp is       NIET moeten doen)
                                           voldaan aan de zorgplicht.
                                           Daar neemt iets of iemand
                                           het van de burger over,
                                           er moet iets geregeld zijn
                                           door ons allemaal, als
                                           gemeenschap. We kunnen
                                           niet een zorgplicht in
                                           de wet opnemen en er
                                           collectief niets voor over
                                           hebben.
Overheid     Dierenwelzijn ligt primair    Bij een wettelijk          De staat legt de wettelijke
             bij de minister van LNV.      vastgelegde zorgplicht     verplichting op. Er zou
             De verantwoordelijkheid       voor de burger ligt het in (beter)moeten worden
             voor natuurbeleid en          de lijn der verwachting    gefaciliteerd (regelen van
             de daarin levende wilde       dat de overheid de         financiën, institutionele
             dieren ligt primair bij de    middelen zou verschaffen   arrangementen) en/of
             provincies. Provincies        om de uitvoering van de    gesubsidieerd).
             gaan tevens meestal           zorgplicht te faciliteren.
             over de vergunningen                                     De overheid dient haar
             en ontheffingen voor                                     burgers te informeren over
             opvangcentra. Gemeenten                                  hoe hulpbehoevende wilde
             hebben op grond van                                      dieren moeten worden
             het Burgerlijk Wetboek                                   geholpen.
             een gemeentelijke
             bewaarplicht voor
             zwervend aangetroffen
             gevonden dieren (asielen).
             Zij hebben vaak afspraken
             met dierenambulances
             over het vervoer van
             dieren, vaak met inbegrip
             van hulpbehoevend
             aangetroffen wilde dieren.
Deskundigen  Hulp aan dieren vanuit        Voldoen aan vereisten      Burgers verwachten dat
(melding,    oogpunt van welzijn van       voor opvang en hulp aan    hulpbehoevende dieren
vervoer,     het dier en mogelijk kans     wilde dieren. Voldoen aan  worden geholpen.
opvang,      op terugplaatsing in de       Beleidsregels kwaliteit
behandeling) natuur.                       opvang.                    Van deskundigen wordt
                                                                      professionaliteit, kennis en
                                                                      ervaring vereist.
                                                                      Deskundigen verwachten
                                                                      ondersteuning van de
                                                                      overheid.
                  RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Wat is in belang van het dier?
Maakt het voor het dier uit wie hulp verleent? Niet als in welke persoon of partij. Het individuele dier
is wel gebaat bij het voorkomen van lijden en het krijgen van goede zorg. Daarvoor zijn van belang:
• Toekomstperspectief voor het dier- kwaliteit van leven na de opvang;
• De beste zorg krijgen;
• Professionaliteit, kennis en expertise;
• Landelijke dekking en uniformiteit (basiskwaliteit), regionale spreiding en aanrijtijden;
• Voorlichting burgers.
4.2 Behoeftes partijen
Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er grote verschillen bestaan in zowel dierenvervoer als
dierenopvang. Wel delen ze allemaal de behoefte aan:
• meer en structurele financiering;
• onderling overleg en uitwisseling;
• eenduidige kwaliteitseisen (waar ook weer een financieel plaatje aan hangt).
Hieronder staan de behoeften per partij uitgeschreven.
  Partij               Behoefte                                 Wat is daarvoor nodig en van wie?
  Burgers              • Een dier kunnen helpen                 • Lokale en regionale beschikbaarheid
                       • ‘Iets’ goed kunnen doen                  en bereikbaarheid van vervoer en
                       • Handelen vanuit hun betrokkenheid        opvang van dieren
                         en gevoelens                           • Voorlichting over wat goede hulp is
                                                                  en wanneer een dier niet geholpen
                                                                  wordt
  Deskundigen          • Erkenning rol en maatschappelijke      • Goed en sterk netwerk van
  (melding,              functie                                  opvangcentra en vervoer - verschil in
  vervoer, opvang,     • Professionaliteit, kennis en expertise   inzicht of dieren beter geholpen zijn
  behandeling)           delen, samenwerking (triage, rol en      met weinig grote centra of juist met
                         verbindende schakels).                   een fijnmazig netwerk van kleinere
                       • Duidelijkheid over financiering:         centra.
                         bestaanszekerheid, stabiele            • Duidelijkheid over
                         betalingsstructuur                       verantwoordelijkheden en financiën
                       • Meer opleidingsmogelijkheden             vanuit overheid.
                       • Tijd voor zorg i.p.v. zorgen over      • Opzetten samenwerkingsstructuur
                         voortbestaan                             voor delen kennis en informatie
                       • Voldoende capaciteit, vaste            • Voorlichtingscampagne voor burgers
                         medewerkers vs. vrijwilligers          • Perspectief medische handelingen
                       • Handelingsperspectieven voor
                         medische verrichtingen
                       • Duidelijke voorlichting burgers
                      RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>5. Conclusies en aanbevelingen
5.1 Conclusies
De minister van LNV heeft de RDA gevraagd om antwoord te geven op de vraag ’Of, en hoe een
hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie’17. De zienswijze van de RDA is als
volgt:
Ja, een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen om verschillende redenen. We moeten
hulpbehoevende wilde dieren helpen op grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (artikel
2.1) dat aangeeft dat een ieder een hulpbehoevend dier de nodige zorg verleent. De uitleg van dit
artikel in de Memorie van Toelichting geeft aan dat dit ook voor wilde dieren geldt. Daarnaast is er
de breed levende opvatting onder burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor
het welzijn van dieren. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze
waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn
van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van
zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke
waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren
en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent
niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden. Dieren in de natuur raken in de problemen,
verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de
levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen
in algemene zin niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties aan te pakken. De Wet
natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende
dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe
achterwege laat. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties worden zoveel mogelijk met rust gelaten.
De centrale afweging is hier wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is en wanneer ingrijpen
noodzakelijk is.
Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige
pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht moeten
aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Of een dier hulpbehoevend of
zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid.
Dit kan vaak alleen door een deskundige (in de keten van melding, vervoer en opvang van dieren)
worden beoordeeld. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn als regel hulpbehoevend,
zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie.
Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau
van het individuele dier, maar ook het effect op de populatie en het ecosysteem. Jonge dieren
en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog
aanpassen aan de situatie. De oorzaak van hulpbehoevendheid maakt vanuit het (lijdende) dier
bezien niet uit. Van cruciaal belang is de kans op succesvolle terugplaatsing in de natuur.
De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Ook van
een gewone burger wordt verwacht dat hij of zij hulp verleent aan een hulpbehoevend dier. Deze
hulp bestaat meestal uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen
van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar
17
    Op de aanvullende vragen van LNV zijn in de bijlage specifieke antwoorden opgenomen.
                        RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een
hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie
terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is niet het zelf vangen en vervoeren van
dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het
beste door een specialist/deskundige (in de keten) worden beantwoord. Dit is niet alleen om het
welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend
(wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar
bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.
Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat
de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren.
Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen,
maar missen vaak de ervaring en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste
is om burgers vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hiervoor altijd deskundige
(veterinaire) hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een afweging kan maken wat
de beste hulp is.
Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van verschillende
factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp.
Hiervoor is ervaring vereist. Vanuit de verschillende partijen die een rol spelen in de keten van
hulpverlening aan hulpbehoevende wilde dieren bestaan weliswaar verschillende verplichtingen,
verantwoordelijkheden, verwachtingen en behoeften, maar voor de RDA staat het dier centraal.
Goede zorg, perspectief op leven in de natuur en de kwaliteit daarvan, tegengaan van lijden,
daar hebben individuele dieren wat aan. Om daar recht aan te doen zou volgens de RDA hulp
aan wilde dieren verbeterd moeten worden en moeten alle dieren overal dezelfde kwaliteit van
hulp kunnen krijgen. Er zijn verschillende knelpunten om dit in de huidige praktijk waar te maken,
waardoor een dier niet altijd en overal die goede zorg kan krijgen. Voor de bestaanszekerheid en de
continuïteit van de zorg aan hulpbehoevende wilde dieren en de verschillende maatschappelijke
rollen die de opvangcentra daarbij vervullen zijn er voor de RDA (vanuit het dierperspectief) twee
belangrijke verbeterpunten:
1) Hulp aan hulpbehoevende wilde dieren moet verbeterd worden
Welzijn van het dier en perspectief op uitzetting in de natuur staan centraal. Vervoer en opvang
van wilde dieren gebeurt door steeds professionelere organisaties en deze ontwikkelen zich
wat betreft de kwaliteit van hulp en zorg aan dieren. Burgers moeten op de hoogte zijn welk
handelingsperspectief ze hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en wanneer een dier
wel of niet hulpbehoevend is. Dat betekent dat er (vanuit een overkoepelende organisatie of
vanuit de overheid) goede voorlichting en informatievoorziening moet zijn. Vanuit de overheid
is het belangrijk om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen.
Dat kan door transparantie en ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en
toezicht te regelen. De dierenhulpverlening als invulling van de wettelijke zorgplicht moet door
de staat worden gefaciliteerd. Deskundigheid kost geld, zowel vaste krachten als goed opgeleide
vrijwilligers. Beleidsregels en kwaliteit van dierenhulpverlening dienen zich niet te beperken tot
wildopvangcentra, maar gelden ook voor vervoerders van dieren.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>2) Alle dieren moeten overal dezelfde kwaliteit van hulp (kunnen) krijgen
De algemeen geldende zorgplicht uit de Wet dieren geldt voor alle wilde dieren in Nederland.
Deskundige hulp moet bereikbaar zijn voor alle dieren in het hele land. Verschillen in visie
en handelswijze tussen regio’s of door lokale inzet kunnen zorgen voor ongelijke hulp aan
dieren. Dan maakt de vindplaats uit of je als dier goed geholpen wordt en dat is ongewenst.
Bestaande autonomie en specialiteit van opvangcentra in diersoorten heeft voordelen, tegelijkertijd
zou de overheid moeten landelijke dekking en acceptabele aanrijtijden moeten faciliteren.
Burgers dienen op de hoogte te zijn waar ze deskundige hulp kunnen vinden. Door bredere
en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht.
Daarin moet duidelijk worden gemaakt wanneer je dieren wel en niet moet helpen. Dat kan
complex zijn, hulp aan dieren is sterk emotie gedreven. Toch is voorlichting geven beter dan geen
voorlichting geven. Veel mensen zullen in het geval van het vinden van een hulpbehoevend dier op
internet opzoeken wat zij het beste kunnen doen. Zorgvuldige informatie op relevante websites en
sociale media of apps kunnen hier zeker bij helpen. Het opstellen van do's & don'ts voor de burger
(‘wat kan ik doen, wat moet ik doen, wat moet ik vooral niet doen, hoe help je een dier het beste’)
geeft handelingsperspectief.
Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en
hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen
zeggen niet alleen kunnen oplossen.
De rijksoverheid zou voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang moeten faciliteren.
Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuur bij de
provincies dient op dat niveau ook ondersteuning te worden gegeven. Goede handhaving van
landelijke voorwaarden en regels is van belang.
De RDA ziet voor deze verbeterpunten een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom
onderstaande aanbevelingen.
5.2 Aanbevelingen
In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en
samenwerking met de sector in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp:
1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang
    • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken
      te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde
      dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in
      Nederland.
    • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor
      natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies
      ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen.
      Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij
      wildopvang.
    • De wildopvangcentra hebben zelf goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze
      structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage,
      professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete
      invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp
    • De rijksoverheid heeft een belangrijke rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor
      uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren.
    • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt
      moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders
      van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en
      kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht
      zelfs voor te worden geschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele
      aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is.
    • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra
      in de sector te voorkomen. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische,
      veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances
      kan een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht
      en een openbare handelwijze.
    • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met
      de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor
      continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn.
3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling
    • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is,
      welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar
      deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de
      overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun
      communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie
      hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening
      zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’
      meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn, om specialistisch advies
      te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject .
    • Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte
      om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends
      in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen,
      dierziekten en verspreiding. Ook beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan
      van toegevoegde waarde zijn.
De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote
ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een
ronde tafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens
‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het
opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het
‘leereffect’ kan worden vergroot.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde bronnen
Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, 2017. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/
BWBR0037263/2017-01-01#Artikel3
Burgerlijk Wetboek. Boek 5. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005288/2018-09-19
Censas, 2021. Adviesrapport dodingsmethoden toepasbaar in wildopvangen door niet-dierenartsen.
In opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Centre for Sustainable
Animal Stewardship (CenSAS), maart 2021
Kamerbrief Tweede Kamer, 2020. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake
Dierenwelzijn. Kenmerk 2020D30659
Kamerbrief Tweede Kamer, 2020b. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake Stand van
zaken en vervolg analyse amendement artikel 2.1 Wet dieren. Kenmerk DGA-DAD 21180149
Kamerstuk Tweede Kamer, 2008. Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan
gerelateerde onderwerpen (Wet dieren). Memorie van Toelichting. Tweede Kamer vergaderjaar
2007–2008, 31 389, nr. 3
Raad voor Dierenaangelegenheden, 2019. Staat van het Dier. Beschouwingen en opinies over
de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland. Raad voor Dierenaangelegenheden,
Den Haag
Raad voor Dierenaangelegenheden, 2017. Wegen van Welzijn van Dieren in de Natuur. Toepassing
afwegingskader voor fauna. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag
Raad voor Dierenaangelegenheden, 2012. Zorgplicht Natuurlijk Gewogen. Raad voor Dieren­
aangelegenheden, Den Haag
RVO, 2020. Taken en rolverdeling bevoegdheden. Website: https://www.rvo.nl/onderwerpen/
agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wet-natuurbescherming/taken-en-
rolverdeling-bevoegdheden
Wet dieren, 2011. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0030250/2021-07-01
Wet natuurbescherming, 2015. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor
          en opvang van wilde dieren
             RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659
    Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                                                             2
    Vergaderjaar 2019–2020
    33 576                             Natuurbeleid
    28 286                             Dierenwelzijn
    Nr. 196                            BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
                                       VOEDSELKWALITEIT
                                       Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                       Den Haag, 28 juli 2020
                                       In december 2019 zijn een tweetal moties aangenomen met betrekking tot
                                       de zorgplicht voor en de opvang van wilde dieren1 , 2. Daarnaast heb ik
                                       tijdens het VAO Dierenwelzijn van 12 december 2019 (Handelingen II
                                       2019/20, nr. 36, item 4) een tweetal toezeggingen gedaan aan uw Kamer
                                       met betrekking tot dit onderwerp3 4. Met deze brief informeer ik uw Kamer
                                       over de afhandeling van deze moties en toezeggingen.
                                       Kort na het betreffende debat heb ik contact opgenomen met de vogel-
                                       opvang in Naarden over hun situatie. Naar aanleiding hiervan heeft nog in
                                       december 2019 een eerste gesprek plaatsgevonden tussen het Ministerie
                                       van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en een aantal wildop-
                                       vangcentra om te spreken over structurele oplossingen voor knelpunten
                                       die de opvanglocaties ervaren. Deze gesprekken zijn in 2020 vervolgd,
                                       waarbij ook dierenwelzijnsorganisaties aanwezig waren. Hieruit bleek dat
                                       wildopvangcentra, naast financiële problemen, ook andere knelpunten
                                       ervaren, zo ervaren zij bijvoorbeeld onduidelijkheden in regelgeving.
                                       Onderstaand informeer ik uw Kamer over de stappen die ik, telkens in
                                       overleg met de wildopvangcentra en dierenwelzijnsorganisaties, heb
                                       genomen. Ik wil hierbij voor de goede orde duidelijk maken dat wanneer
                                       1
                                         Motie van de leden Graus en Wassenberg (Kamerstuk 28 286, nr. 1079) – verzoekt de regering,
                                         in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en betrokken provinciebe-
                                         stuurders inzake hun verplichting om aan de zorgplicht voor wilde en/of verwilderde dieren te
                                         voldoen.
                                       2
                                         Motie van de leden Wassenberg en Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 182) – verzoekt de regering,
                                         om in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke
                                         richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra.
                                       3
                                         Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met
                                         de vogelopvang en NVWA over betreffende casus.
                                       4
                                         Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met
                                         zowel provincies als gemeenten om te praten over het dierenwelzijn van wilde dieren en de
                                         Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten van die gesprekken.
    kst-33576-196
    ISSN 0921 - 7371
    ’s-Gravenhage 2020                 Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196                                           1
                       RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                ik het in deze brief heb over «wilde dieren», ik het heb over dieren
                behorend tot een van nature in Nederland voorkomende diersoort.
                1. Zorgplicht voor wilde dieren en verantwoordelijkheid voor het
                welzijn van wilde dieren
                De motie van de leden Graus en Wassenberg verzoekt de regering om in
                gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en
                betrokken provinciebestuurders inzake de zorgplicht voor wilde dieren. De
                afgelopen maanden heb ik deze gesprekken gevoerd.
                Zowel de Wet natuurbescherming als de Wet dieren bevat een zorgplicht
                aangaande wilde dieren. In beide wetten wordt de zorgplicht niet bij een
                overheidsinstantie gelegd, maar bij «een ieder». De zorgplicht uit de Wet
                natuurbescherming (art 1.11) roept een ieder op om voldoende zorg in
                acht te nemen voor in het wild levende dieren en om handelingen die een
                nadelig gevolg kunnen hebben op in het wild levende dieren achterwege
                te laten dan wel de gevolgen van die handeling te voorkomen. De Wet
                natuurbescherming roept dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de
                problemen komen. Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier
                verwijst de memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming naar
                de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de voorganger van de Wet
                dieren. Van belang is in het bijzonder het thans in de Wet dieren
                opgenomen artikel 2.1, dat van toepassing is op alle dieren, ongeacht of
                zij gehouden zijn of in het wild leven. Ingevolge het eerste lid van dat
                artikel is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van
                hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of
                letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te
                benadelen. Ingevolge het zesde lid van dat artikel is eenieder verplicht om
                hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.
                In 2012 heeft de Raad voor de Dieraangelegenheden (RDA) in de
                zienswijze «Zorgplicht natuurlijk gewogen»5 de vragen behandeld welke
                verantwoordelijkheid de mens en de maatschappij zouden moeten
                hebben voor het welzijn van niet-gehouden dieren en hoe we daar in de
                praktijk vorm aan kunnen geven. De zienswijze biedt handvatten om de
                verantwoordelijkheden ten opzichte van het welzijn van wilde dieren
                consequent vorm te geven. De RDA zet de vraag centraal of ingrijpen
                nodig is, voorafgaand aan de vraag wat er moet gebeuren.
                Het afwegingskader en het bijbehorende stroomschema is vooral bedoeld
                als hulpmiddel voor beleidsmakers en terreinbeheerders die besluiten
                moeten nemen over dieren in de natuur. De werkwijze leent zich goed
                voor zorgvuldige overwegingen op voorhand, maar is niet geschikt voor
                ad-hoc beslissingen. De zienswijze geeft daarom geen antwoord op de
                vraag of en hoe een hulpbehoevend dier moet worden geholpen en door
                wie. Om die reden heb ik met de wildopvangcentra, de VNG, het IPO
                (Interprovinciaal Overleg) en dierenwelzijnsorganisaties afgesproken de
                RDA te vragen met een aanvulling op hun zienswijze te komen die is
                toegespitst op dit probleem. Deze vraag is reeds gesteld en het resultaat
                verwacht ik begin volgend jaar. Ik zal dit met uw Kamer delen.
                5
                  https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2012/11/12/rda-zienswijze-zorgplicht-natuurlijk-
                  gewogen
                Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196                                         2
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                2. Richtlijnen voor vergoedingen voor opvangcentra voor wilde
                dieren
                De motie Wassenberg/Graus2 verzoekt de regering, om in samenwerking
                met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke
                richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale
                wildopvangcentra.
                Uit gesprekken en uit een inventarisatie onder alle wildopvangcentra blijkt
                dat er grote verschillen zijn tussen opvangcentra, in grootte en professio-
                naliteit, de diersoorten die opgevangen worden, maar ook wat betreft
                uitgaven en inkomstenbronnen. Deze grote variatie betekent dat er
                maatwerk nodig is wat betreft de noodzaak tot financiering alsook het
                doel ervan. Om deze reden kan er geen uniforme richtlijn geformuleerd
                worden. Veel opvangcentra hebben wel behoefte aan structurele hulp om
                hun bestaanszekerheid te borgen. Daarom moedig ik gemeenten en
                provincies aan om in gesprek te gaan met de lokale wildopvangcentra
                over welke hulp zij nodig hebben. Dat hoeft niet altijd een financiële
                bijdrage te zijn maar kan ook hulp zijn bij het werven van fondsen of
                vrijwilligers en bijvoorbeeld hulp bij (duurzame) investeringen die de
                exploitatiekosten kunnen verminderen.
                Samen met de provincies heb ik de wildopvangcentra gestimuleerd om
                een goed georganiseerde overkoepelende organisatie op te richten die de
                belangen van de opvangcentra vertegenwoordigt. Zo’n organisatie kan als
                centraal aanspreekpunt fungeren voor de overheid, kan helpen in de
                verbetering van de onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring en
                versterkt de positie van de opvangcentra. Ook heb ik de wildopvangcentra
                aangeraden om gezamenlijk inzichtelijk te maken wat de opvang van
                wilde dieren kost. Het helpt provincies, gemeenten en andere
                geldschieters als er een duidelijk beeld is van de globale kosten van de
                opvang van wilde diersoorten. Ik ondersteun van harte dat vanuit de
                opvangsector het initiatief is genomen om een kennisplatform op te zetten
                om onderling kennis en informatie te delen. Ik zal zorgen dat de
                uitkomsten van de acties die door mijn ministerie worden uitgevoerd ook
                met dit platform gedeeld worden.
                3. Aanvullende acties
                Naast financiële problemen ervaren de opvangcentra ook andere
                knelpunten. Ik heb, samen met de gesprekspartners, geïnventariseerd
                welke acties ik hierin kan nemen. Mijn insteek is hierbij om de opvang-
                centra een betere en duidelijke basis te bieden op grond waarvan zij hun
                activiteiten kunnen uitvoeren.
                3.1 Aanpassing beleidsregels
                Een opvangcentrum heeft een ontheffing nodig van de provincie op basis
                van de Wet Natuurbescherming voor het onder zich hebben van
                beschermde wilde dieren. Het «Protocol opvang niet aangewezen
                diersoorten en beschermde diersoorten»6 dat bij de «Beleidsregels
                kwaliteit opvang diersoorten» hoort, geldt op dit moment bij bijna alle
                provincies als voorschrift voor de ontheffing. In de gesprekken met de
                opvangcentra bleek dat hetgeen in dit protocol is opgenomen niet altijd
                aansluit bij de praktijk. Naar aanleiding van deze constatering is door mijn
                ministerie geïnventariseerd waar de knelpunten zitten. Hierbij zijn zowel
                de opvangcentra als een tweetal provincies actief betrokken. Op basis
                hiervan werk ik aan een aanpassing van de Beleidsregels kwaliteit opvang
                6
                  https://wetten.overheid.nl/BWBR0037263/2017-01-01#Bijlage
                Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196                       3
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                diersoorten en het bijbehorende Protocol. Ik doe dit in nauw overleg met
                de provincies met de insteek dat zij bij de verlening van de ontheffing naar
                de nieuwe beleidsregels zullen gaan verwijzen. Ik verwacht de Kamer na
                de zomer te kunnen informeren over de planning voor deze aanpassing.
                3.2 Handelingsvrijheid van opvangcentra
                Naar aanleiding van de casus van de vogelopvang Naarden leefden er bij
                de opvangcentra veel vragen over de handelingsvrijheid van de opvang-
                centra zelf vs. handelingen waarvoor altijd een dierenarts ingeschakeld
                moet worden. In overleg met de KNMvD (De Koninklijke Nederlandse
                Maatschappij voor Diergeneeskunde) en de wildopvangcentra heeft het
                ministerie in kaart gebracht welke veterinaire handelingen momenteel zijn
                voorbehouden aan dierenartsen. De KNMvD werkt momenteel samen met
                de opvanglocaties en andere stakeholders aan een voorstel voor een
                uitzondering voor opvangcentra voor het onder voorwaarden uitvoeren
                van enkele veterinaire handelingen, zoals deze ook geregeld is voor
                veehouders. Ik verwacht de Kamer na de zomer hierover verder te kunnen
                informeren.
                De gesprekken die ik met de opvangcentra, provincies en andere
                stakeholders heb gevoerd waren prettig, informatief en constructief. Ik
                heb er vertrouwen in dat bovenstaande acties van eenieder bij zullen
                dragen aan de verbetering van opvang van wilde dieren en meer
                duidelijkheid zullen scheppen voor de opvangcentra.
                De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
                C.J. Schouten
                Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196                      4
RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Bijlage 3 Gelijkheid van dieren
Zijn alle dieren gelijk, of zijn sommige dieren meer gelijk dan andere dieren?
Het forum heeft een (principiële) discussie gehad, of in deze zienswijze er onderscheid moet worden
gemaakt over de aard van (hulpbehoevende) dieren waar we het over hebben. Deze discussie komt
op sommige plekken in de zienswijze naar voren maar heeft niet een uitgebreide plek gekregen in
de uiteindelijke zienswijze. Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte schets van invalshoeken
die aan de orde zijn geweest,
Moeten we een (zinnig) concreet handelingsperspectief beperken tot bepaalde dieren, zoals alleen
gewervelde dieren? Of geldt het ook voor reptielen, vissen en zelfs insecten? De RDA heeft
besloten dat een poging om een antwoord te vinden op deze vraag een theoretische filosofische
exercitie zou zijn die in deze zienswijze niet veel zou toevoegen aan de bestaande situatie in de
praktijk. Het blijkt namelijk dat 99% van de opvang in de praktijk bestaat uit gewervelde dieren.
Hoewel de vraag ‘wat is de definitie van een dier’ voorafgaat aan de vraag ‘wanneer is een dier
hulpbehoevend’, voegt het antwoord voor deze zienswijze te weinig toe.
Toch is de vraag op een hoger niveau wel interessant, omdat steeds meer onderzoek uitwijst dat de
cognitieve vaardigheden van dieren groter zijn dan we tot nog toe dachten. Maakt het onderscheid
tussen dieren uit voor de mate van hulp? Zowel op soortniveau als binnen een soort tussen
individuen? Kunnen, mogen en willen we ergens een streep zetten en hoe zit dat juridisch? In deze
discussies worden ook vaak zaken betrokken als zeldzaamheid van dieren, afwegingen tussen
individuen en populaties, ‘nut’ en ‘schadelijkheid’ van dieren en of deze uitmaken voor het al dan
niet verlenen van hulp aan dieren. Deze vragen, hoewel intrinsiek interessant, worden voor deze
zienswijze evenwel niet meegenomen. Voor de RDA geldt dat, welk onderscheid ook, het niet
uitmaakt voor het individuele lijdende dier.
Dan volgt daarna de vraag waarom we dieren zouden moeten helpen. De morele, juridische en
sociale redenen zijn al aan bod gekomen, maar ook hier kunnen we onszelf andere, filosofische
vragen stellen die in het maatschappelijk debat of politiek discours ook voorbij kunnen komen.
Historisch gezien heeft hulp aan dieren te maken met gevoelens van mensen bij het treffen van
hulpbehoevende dieren (‘kwestie van fatsoen’, ‘openbare zeden’ en ‘nare aanblik’ van lijdende
dieren). Het gevoel van verplichting om lijdende dieren te helpen kan ook ontstaan uit schuldgevoel,
omdat we misschien oorzaak zijn van het leed, of omdat we overtuigd zijn dat de mens oorzaak
is van een structureel verstoorde natuur is en dat die verstoring de reden waarom dieren hulp
nodig hebben. Of dat we oprechte compassie met dieren voelen en geëmotioneerd raken bij het
zien van lijdende dieren. Diezelfde compassie zorgt voor de huidige betrokkenheid bij natuur en
natuurbehoud.
Ook kunnen er stemmen opgaan die zeggen dat lijden een onderdeel van de natuur is. Eten en
gegeten worden. Maar dat is vaak toch de ongerepte, wilde natuur waar wij als mensen nauwelijks
onderdeel van zijn. Hier geldt vooral de afblijfplicht, maar wilde dieren in een omgeving waar ook
mensen een rol spelen maken automatisch onderdeel uit van onze menselijke wereld.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en
                  aansprakelijkheid
                      Oorzaken (voorbeelden)
  Natuurlijk          Voedsel(tekort), weersinvloeden, verkleining leefgebied, gevechten, prooi zijn en
                      natuurlijke verlating door ouders
  Menselijk           Ruimtebeslag, prikkeldraad, scheepvaart en olieslachtoffers, verwondingen door
                      contact met scheepsschroeven van zeehonden en potvissen, visserij en het lot
                      van bijvangsten, windmolen slachtoffers (vogels en vleermuizen), transport
                      van elektrische energie via hoogspanningsleidingen en vogels die tegen deze
                      leidingen botsen, vuurtorens die de het gedrag van trekvogels verstoren, landbouw:
                      gemaaide hazen en jonge weidevogels, vergiftigde roofvogels en andere slachtoffers
                      van pesticiden, wegenbouw en het verkeer, amfibieën, dassen, otters, herten en
                      wilde zwijnen die essentiële verplaatsingen of contact met de populatie waartoe ze
                      behoren niet kunnen realiseren zonder een weg over te steken, vogels die in botsing
                      komen met het verkeer of ramen/ ruiten, beten van honden en katten.
Deze zienswijze van de RDA gaat vooral over het helpen van wilde dieren, als ze al hulpbehoevend
zijn. Het forum heeft echter ook uitgebreide (principiële) discussies gehad, die niet altijd een plek
hebben gekregen in de uiteindelijke zienswijze. Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte
schets van invalshoeken tijdens deze discussies, over wat de beste hulp is voor dieren en het de
rol van preventie maatregelen versus curatieve maatregelen.
Zijn dieren wel beter geholpen met hulp als ze al hulpbehoevend zijn geworden, met zogenaamde
curatieve maatregelen? Misschien dat er beter geïnvesteerd kan worden in het voorkomen
van hulpbehoevendheid, dus inzet op preventie en maatregelen vooraf? Wat is duurder:
de zorgverlening of de preventie? Denk aan investering in preventieve maatregelen zoals tunnels,
ecoducten, schermen, maar ook in een andere inrichting en gebruik van het landschap. Dat is
niet eenvoudig en eenduidig vast te stellen. In principe geldt ‘alles wat je kan voorkomen hoef je
niet te repareren’. Maar wat is de beste preventie en tot hoe ver gaan preventieve maatregelen?
Wat verwachten we daarvan? Niet al het leed kunnen we immers voorkomen, hoe goed we ons
best ook doen. Wat hoort nog bij een natuurlijke situatie en een goed functionerend ecosysteem?
Andere vragen gaan over wie welk deel van preventieve maatregelen zou moeten betalen of
hoe foute ontwerpen hersteld zouden moeten worden. Ook heeft het forum gediscussieerd
over hoe structureel ‘leedveroorzakende sectoren’ (zoals elektriciteitsbedrijven, windmolens,
oliereders, wegen provincie-RWS, landbouwsector, etc.), al dan niet sectoraal, op een structurele
manier kunnen bijdragen aan hulp. Dat zou kunnen door financiële maatregelen, bijvoorbeeld
via (wegen)belastingen, innovatiefondsen, verzekeraars, afspraken met overheden of via
zelfregulering met convenanten of een fonds. Hierbij speelt wel de vraag of deze bedrijven
‘schuldig’ zijn, of dat juist overheden moeten worden aangesproken op het stellen van regels.
Gelijktijdig is een wild dier niet jouw eigendom of ‘ieders eigendom’ die een claim op jou kan
leggen. Zorgplicht, houderschap, eigenaarschap en locatie waar het dier is aangetroffen zou
je hier ook bij kunnen betrekken. Het forum heeft nagedacht of grondeigenaren (beheerder/
eigenaar) als ‘tijdelijke zorger’ voor het dier kunnen optreden (zoals bij beheren en besturen van
gemeenschappelijke hulpbronnen, de ‘commons’ zoals aangehaald in literatuur van E Ostrom).
Burgers dienen dan de terreineigenaar in te lichten. Het gaat echter vaak om dieren in de
openbare, publieke ruimte of om dieren in de natuur, die als uitgangspunt niet van iemand zijn.
Een daadwerkelijk wild dier heeft geen eigenaar of houder of bezitter.
                      RDA.2022.073    ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Op zich is natuurlijk vaak juist wel kenbaar waar het dier is aangetroffen, en van wie deze grond
dan is (zal vaak juist openbare ruimte zijn). Maar het lijkt een –juridisch- tamelijk onzinnige weg
om de grondeigenaar kosten te laten vergoeden voor dieren die dus niet van hem zijn. Daarbij zal
in de praktijk niet vaak te achterhalen zijn wie dan weer de veroorzaker van het leed is. Steeds weer
uitzoeken wie ‘schuld’ heeft en op wiens grondgebied het dier is aangetroffen is kan, zeker voor
de burger, lastig zijn en brengt veel vingerwijzen en rompslomp met zich mee (om maar niet te
spreken over rechtszaken, etc.).
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren
Ontheffing, protocol en kwaliteit
Om hulpbehoevende dieren op te kunnen vangen is een ontheffing vereist (Wet natuurbescherming).
De ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu goeddeels belegd bij de
provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies. Zij zijn nu (grotendeels)
verantwoordelijk voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van natuur, een aantal
uitzonderingen daargelaten (zeezoogdieren, uitheemse diersoorten en exoten lopen via de
Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland). Wel bestaat er vanuit LNV nog een werkgroep over de
opvang van wilde dieren.
Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden en eisen
gekoppeld. Om een ontheffing te krijgen is normaliter vereist:
• …moet het opvangcentrum een stichting of vereniging zijn.
• …is het doel tijdelijke opvang, verzorging en revalidatie van beschermde diersoorten.
• …is het doel dat dieren zo snel mogelijk weer teruggaan naar de natuur.
• …kan het dier zich in de opvang zoveel mogelijk natuurlijk gedragen.
• …moet het opvangcentrum een vakbekwaam dierverzorger hebben.
• …houdt de opvang een register van elk dier of elke diergroep bij.
• …heeft het opvangcentrum ook als doel om voorlichting te geven en het houden van beschermde
  diersoorten te ontmoedigen.
Een opvang moet voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van)
Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten (2015). Hierin zijn regels en kwaliteitseisen
opgenomen over doelstellingen, handelwijze (opnamebeleid, huisvesting, verzorging, hygiëne,
opleidingseisen, doden van dieren e.d.), bereikbaarheid, samenwerking met andere opvangcentra.
De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan de behoeften van het dier/ de diersoort.
Zo wil je omwille van de stressreactie geen roofdieren bij prooi- en vluchtdieren houden en heeft
een opgevangen dier voldoende schuilgelegenheid nodig. Het welzijn van het dier en de mogelijke
kans op terugkeer in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten.
Uit de interviews die de RDA met meerdere opvangcentra heeft gehouden, kwam een aantal keer
naar voren dat het vaststellen van de Beleidsregels in 2015 heeft gezorgd voor een kwaliteitsslag
in toenmalig ‘wildopvangland’. De beleidsregels vereisen een mate van professionaliteit waar toen
niet iedereen aan kon voldoen. Daardoor zijn er destijds opvangcentra afgevallen. De keerzijde
van deze professionaliseringsslag is volgens de geïnterviewden dat de aanscherping van de regels
zorgt voor meer vereisten, zowel praktisch als administratief. Dat brengt extra (financiële) lasten
met zich mee.
Omdat de verantwoordelijkheid voor de ontheffingen nu bij de provincies is neergelegd, bestaat
er volgens de geïnterviewden een risico dat er verschillen ontstaan op welke manier ontheffingen
worden afgegeven. Dit kan ook gevolgen hebben voor verschillen in kwaliteit. Eerder kon de
Rijksoverheid een totaalbeeld vormen van de centra in Nederland, nu is dat meer versnipperd.
Provincies hebben niet altijd onderling contact met andere provincies, om af te stemmen welke
en hoeveel (nieuwe) opvangcentra in hun regio’s wenselijk en nodig zijn. Wel zijn de beleidsregels
vaak onderdeel van de ontheffingsvoorwaarden.
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Uit de interviews komt naar voren dat omdat er geen wettelijk vastgelegde regels voor
dierenambulances zijn en het evenmin een beschermde titel is, er landelijk veel verschillen zijn,
zowel in het praktisch handelen als in visie van betreffende organisaties achter de ambulances.
Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken van
organisaties, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. Dat heeft tot gevolg dat
er ook geen echte eenheid is. Daarnaast is het de RDA niet duidelijk waarom de wildopvang aan
beleidsregels en kwaliteitseisen van de overheid moet voldoen, maar er vanuit de overheid aan
dierenambulances geen minimum vereisten worden gesteld en gestuurd wordt op zelfregulering
door middel van keurmerken. Terwijl vangen en vervoer, bekeken vanuit het welzijn van het dier
bezien, kan zorgen voor veel stress en spanning, en dat verkeerd hanteren kan leiden tot onnodige
schade aan dieren. Er gelden volgens de geïnterviewden geen algemene regels en minimale
eisen aan opleidingsniveau, daardoor kunnen soms foutieve handelingen met dieren worden
uitgevoerd die gewond zijn. Zoals het verkeerd vervoeren van dieren met gebroken lichaamsdelen,
ondanks alle goede bedoelingen18.
Alle centra die de RDA gesproken heeft, houden een register bij over inkomende en opgevangen
dieren. Die verschillen in wijze en uitgebreidheid van registratie, maar overal is terug te vinden
hoeveel dieren van welke soort er per jaar zijn opgenomen, welke behandeling is uitgevoerd met
welke geneesmiddelen, hoe die behandeling heeft uitgepakt (overlijden, euthanasie, herstel en
terugplaatsing in de natuur). De meeste centra publiceren hier zelf jaarverslagen over op hun
website.
Melding en opvolging
Meldingen over hulpbehoevende dieren komen op verschillende manieren bij verschillende
instanties binnen. Wanneer iemand een dier in nood vindt, is vaak de eerste stap om daar een
melding van te maken. Meestal telefonisch, maar ook via digitale wegen komen meldingen
binnen (bijvoorbeeld via meldformulieren en sociale media). Dit gebeurt onder meer via bellen
met 144 Red een Dier, het landelijke meldpunt van de politie voor meldingen van dierenleed
en dierenmishandeling. Maar er wordt door de burger/vinder ook direct contact gelegd met de
(lokale) dierenambulance, het opvangcentrum zelf of een dierenarts. Ook komen er meldingen
binnen via andere hulpverlenende instanties, zoals brandweer, Rijkswaterstaat, doorgezette
meldingen via 112, NVWA en LID. Maar ook andere instellingen zoals natuur- en dierorganisaties
krijgen meldingen binnen. Bij de landelijke Vogelbescherming in Zeist worden soms zielige vogels
in dozen bij de balie gebracht. Er zijn goede contacten met lokale opvangcentra om deze vogels
verder op te vangen.
Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan
maken. Burgers maken daarbij zelf niet altijd het onderscheid tussen gehouden en niet gehouden
dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren, dus de instanties krijgen meldingen binnen over beide
categorieën. Afhankelijk van de melding en de noodsituatie, worden meldingen doorgezet naar de
meest relevante hulpinstantie. Dat kan (vaak) de dierenambulance zijn, maar ook de bijvoorbeeld
de dierenbescherming, of een (gespecialiseerd) opvangcentrum. Het is voor de burger niet altijd
even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Gelukkig weten de meeste
instanties elkaar wel te vinden.
18
   Door de onbeschermde status van de dierenambulance, zou er in principe ook misbruik van kunnen worden gemaakt.
                     RDA.2022.073     ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Wanneer bel je niet met 144?
   • Gevonden dode kleine dieren (zoals vogels en egels): de afdeling milieu van uw gemeente;
   • Gevonden dode huisdieren: lokale dierenambulance en/of de afdeling milieu van uw gemeente;
   • Gevonden dood groot wild: 0900-8844;
   • Overlast van dieren (blaffende honden e.d.): uw wijkagent via 0900-8844;
   • (Overlast van) zwerfkatten: lokale afdeling van de Dierenbescherming;
   • Vermiste/gevonden huisdieren: lokale dierenambulance.
Er komen jaarlijks zo’n 100.000 telefoontjes binnen bij 144. Er worden geen cijfers bijgehouden over
de meldingen, het is onbekend hoeveel procent van de meldingen gaat over wilde dieren in nood.
Wanneer iemand belt naar 144, krijgt hij/zij een centralist aan de lijn. Deze heeft van te voren
een interne opleiding gehad, is gekoppeld aan een mentor en volgt ook nog een opleiding bij
de politieacademie. Na een jaar zit het hele opleidingstraject erop voor een centralist, maar ook
daarna blijven medewerkers trainen en oefenen tijdens werkoverleggen, wanneer ze denken
dat er iets nodig t.b.v. de kwaliteit. Er werken ongeveer 32 mensen voor 144 (groei van 11 naar
25 fte). Ze werken in een gemeenschappelijk call center met collega’s van 112-meldingen en
opsporingstelefonie. De 144 centralisten blijven lang werkzaam bij 144 (langer dan bij 112), er zijn
er nog een aantal van het eerste uur. Voorheen werden mensen eerst op 112 aangenomen en
vervolgens kon 144 erbij genomen worden. Nu worden er ook specifiek mensen aangenomen op
144, die later pas 112 erbij kunnen doen.
De centralist van 144 maakt de melding aan en zet de melding door. Aan de hand van een matrix
bepaalt de centralist naar welke organisatie de melding wordt doorgezet. Met alle ketenpartners is
afgesproken wie waarover gaat en hoe ze de zaak routeren, dat zijn interne afspraken. De centralist
stelt een meldformulier op en stuurt deze door naar de opvolgpartij. Dat kan zijn de politie
(acute zaken of misdrijven), de NVWA (landbouw- en productiedieren), LID (onthouden van
welzijnszaken) of een dierenambulance (klein wild). Als de (spoed)melding over groot wild gaat
zet 144 de melding door naar het operationeel centrum van de politie, de politiemeldkamer of naar
een regionaal servicecentrum) van de politie. Voor wilde dieren zijn dierenambulance en politie de
enige samenwerkingspartners.
144 is niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de
juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor
dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen. Als 144 een melding doorzetten naar de
dierenambulance zetten ze er in die melding niet bij of het gaat over wilde soorten of over andere
soorten. Er wordt ook niet geregistreerd hoe de melding is opgelost. In een enkel geval wordt er wel
nagegaan hoe het probleem is opgelost, maar dat is niet standaard. Als de melding is uitgegeven,
is het in feite klaar. Net zoals bij 112 is 144 alleen betrokken bij het aannameproces, de opvolging is
niet voor het meldpunt. Er wordt gewerkt met de SPOED, NU, LATER methodiek. SPOED is binnen
15 minuten, NU is binnen een halfuur, LATER kan ook morgen gebeuren. Een schaap op de rug is
een voorbeeld van een SPOED/NU-melding. Dieren op wegen zijn een gevaar voor openbare orde,
het kan gevaar of hinder opleveren voor het verkeer. Dus dat gaat dan rechtstreeks door naar het
operationeel centrum. Bij een SPOED-melding is er wél warm contact tussen de centralist van 144
en het operationeel centrum.
                        RDA.2022.073   ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>De Dierenbescherming heeft een eigen meldkamer. Zij krijgen vele tienduizenden telefoontjes
per jaar binnen (75.000 in 2020) die worden doorgezet via 144, maar met name ook direct van
burgers zelf. Er wordt het meest gebeld voor niet gehouden dieren, 60 á 70% van de telefoontjes
gaan daarover. Dat zijn voornamelijk vogels, maar ook in grotere mate hazen, konijnen, egels, en
in kleinere mate eekhoorns marterachtigen en vossen (in die volgorde).
Dierenambulance Amsterdam is (op lokaal niveau) een van de grootste van het land. Het is een
zelfstandige organisatie en heeft onder de inwoners van Amsterdam een hoge naamsbekendheid:
93-94% van de burgers van Amsterdam weet ze zelf te vinden. In andere regio’s rijden ook andere
ambulances waarmee je te maken kan hebben, dan is niet altijd duidelijk wie gebeld kan worden.
Bij Dierenambulance Amsterdam komen 40.000-50.000 telefoontjes per jaar binnen.
Dierenambulances en wildopvangcentra houden allerlei gegevens bij over aantallen dieren, wat er
binnenkomt, aard van de hulpbehoefte, mogelijke behandeling en succespercentage van uitzetting.
Het meldpunt 144 daarentegen houdt geen cijfers bij over meldingen, het is bijvoorbeeld niet
bekend hoeveel procent van de meldingen wilde dieren betreft. Het is volgens de RDA een gemiste
kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven
over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten,
dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties.
Het informeren van burgers is volgens de geïnterviewden cruciaal om te zorgen dat dieren de
hulp krijgen die ze nodig hebben, maar ook om te voorkomen dat er onnodig wordt ingegrepen
bij bijvoorbeeld jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels. Goede voorlichting aan de voorkant
voorkomt veel (onnodige) problemen later in de keten. Die voorlichting zou volgens de RDA dan
ook in alle delen van de keten een goede plek moeten krijgen. Nu is bijvoorbeeld 144 niet gericht
op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie.
Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft
en welke vervolgactie wordt genomen.
Vervoer van dieren
Nadat een melding is gedaan van een dier in nood, en de vinder is zelf niet in staat of geschikt
om zelf hulp te verlenen, dan is de volgende stap dat het dier opgehaald wordt voor beoordeling/
behandeling. Dit kan ter plekke (bevrijden, vangen en vrijlaten) of in een daartoe geschikte
instelling zoals een wildopvangcentrum of bij een dierenarts (zorg, behandeling, euthanasie).
Soms brengen particulieren zelf de dieren naar een dierenarts of een opvangcentrum (schattingen
van 20-50%% van de gevallen genoemd in interviews), maar het vervoer van wilde dieren in nood
gebeurt voornamelijk door dierenambulances (in interviews geschat op 50-80%).
Er zijn maar heel beperkt wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances en het is evenmin
een beschermde titel. Er staan veel ambulances ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Als je
Dierenambulance op je auto hebt staan, is meteen de ontheffing geldig. Er zijn dan ook veel
verschillende dierenambulances in het land, zowel in ‘doen’ als in visie. Dat heeft tot gevolg dat er
ook geen echte eenheid is. Er zijn verschillende ambulancediensten:
• Dierenbescherming (ongeveer 18019 eigen wagens)
• Federatie Dierenambulances Nederland (FDN) met 30 aangesloten dierenambulances
• (Overige ambulances(personen, verenigingen, stichtingen)
• Van de hiervoor genoemde aantallen worden er 150 gesponsord door Dierenlot
19
   In een eerder interview werd hier een getal van 25-28 gegeven, dit is later gecorrigeerd.
                         RDA.2022.073    ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken,
met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. De FDN, waar een klein aantal
ambulances is aangesloten, stelt voor de eigen leden kwaliteitseisen en -criteria zoals 7 dagen
per week beschikbaarheid. Er bestaan verschillende keurmerken voor dierenambulances.
Sommige keurmerken toetsen meer op de veiligheid van het voertuig en hygiëne, maar je hebt
ook keurmerken waar dierenwelzijnsaspecten mee worden genomen. Hoe ver ambulances daarin
willen gaan is voornamelijk afhankelijk van de ‘goodwill’ van de partij zelf. Ook voor uitzetten van
de opgelapte wilde inheemse dieren zijn geen vervoersregels. Veel van de FDN ambulances hebben
het keurmerk van Stichting Dierkeur (geïnitieerd door Dierenbescherming, zelfstandige stichting).
Daarin zitten eisen voor opleidingsniveau, veiligheid voor alles bij medewerkers, hygiëne, kennis
van vogels tot reptielen die door het keurmerk worden geborgd. Aan het keurmerk van de wagens
van Dierenlot zijn geen eisen verbonden. Deze fondsenwervende organisatie stelt materialen,
middelen en kennis beschikbaar stelt voor hun achterban, vooral voor kleinere organisaties in
Nederland. Dierenlot is niet aangesloten bij de FDN. Een deel van de leden van FDN rijdt met
Dierenlot wagens. De eigen ambulances (wagens+ logo) van de Dierenbescherming hebben een
eigen kwaliteitsstandaard. Dierenbescherming steunt de FDN met een gift, maar zijn zelf geen lid
van de FDN.
Financiering is erg verschillend per ambulance. Er wordt gerekend met verschillende kostprijzen,
dat kan variëren van 15 euro tot 75 euro per rit. De vergoedingen die dierenambulances ontvangen
zijn ook divers. Veel gemeenten hebben contracten met dierenambulances (Dierenbescherming,
lokale partijen) vanuit hun verplichtingen voor het opvangen van gevonden dieren met een
vermeende eigenaar (bewaarplicht van twee weken volgens Burgerlijk Wetboek). Verschillende
gemeenten nemen als ‘extra dienst’ bij deze opvangorganisaties het vervoer (en soms opvang) van
gewonde wilde dieren geheel of gedeeltelijk af, naar eigen zeggen als invulling van de zorgplicht.
Er zijn ook gemeenten die voornamelijk subsidies verstrekken, er zijn gemeenten waar alleen
mondelinge afspraken mee zijn, en er zijn gemeenten die niet willen betalen. Een (groot) deel
van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Daarnaast zijn er verschillende andere
manieren van financiële steun, zoals steun van burgers, subsidies, inkomsten van donateurs,
giften en erfenissen.
De (mogelijke) risico’s door het ontbreken van duidelijke beleidsregels en kwaliteitseisen voor
dierenambulances vanuit de overheid zijn al genoemd in paragraaf 3.3.1. Wat daarnaast volgens
de geïnterviewden de kwaliteit van vervoer van dieren kan beïnvloeden, zijn de vele verschillen in
financiering en ondersteuning van de kosten. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet
door de overheid gedekt. Gemeenten die wel contracten hebben, stellen niet vaak eisen. Er is
volgens enkele geïnterviewden kwaliteitsverschil en de partijen die gecontracteerd zijn hebben
niet altijd evenveel kennis en expertise, of ruimte om zich te verdiepen. Daar hebben ze ook niet
allemaal dezelfde mogelijkheden voor, aldus enkele geïnterviewden. Het zijn in de kern, behalve
een enkele uitzonderingen zoals Dierenbescherming, allemaal vrijwilligersorganisaties, volgens
sommige geïnterviewden vaak bestaande uit mensen die vanuit gedrevenheid instappen en soms
al 20-30 jaar rondrijden. Volgens sommige geïnterviewden is daar niet altijd ruimte voor nieuwe
inzichten op het gebied van dierenhulpverlening, zelfreflectie en overdracht van dieren. In één
van de interviews kwam naar voren dat een overheid hier meer sturing aan zou kunnen geven
door goede vragen te stellen, zoals ‘Hoe leiden jullie mensen op?’, ‘Met welk materiaal werken
jullie?’, ‘Hoe vindt inwerken plaats?’, ‘Hoe zit het met de veiligheid van medewerkers ’s nachts,
gaan ze alleen of met z’n 2-en op pad, hoe handelen ze bij problemen?’. Door goed te bevragen
kan volgens de geïnterviewde zo een goed beeld worden gekregen van de organisatie, nog los van
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>actuele kennis over hulp aan dieren, over bijv. de persoonlijke bescherming van medewerkers,
dingen die ze wel en ook niet verrichten.
De verschillen leiden volgens enkele geïnterviewden ook tot verschillen in handelswijze. Zo rijdt
de ene dierenambulance dag en nacht voor elk dier en kunnen ze door hun professionaliteit ook
worden ingezet voor EHBO aan mensen (AED, zuurstof aan boord); de andere (een enkeling) rijdt
alleen onregelmatig voor de ‘leuke’ dieren of heel specifiek voor bepaalde dieren. De burger weet
niet altijd waar hij van op aan kan.
Opvang en behandeling
De keus bij binnenkomst van dieren bij een wildopvang of dierenarts is gericht op de mogelijkheid
voor terugkeer van het dier in de natuur en houdt rekening met het welzijn van het dier op korte
(tijdens behandeling en opvang) en langere termijn (daarna). Welke dieren zijn kansrijk en welke
niet? Langdurige verzorging van dieren die niet meer kunnen worden uitgeplaatst, die geen
soortbehoudswaarde hebben, en waarvan het welzijn door de opvang (niet opzettelijk maar wel
een gevolg ervan) wordt aangetast is niet gewenst: niet vanuit het dier, niet vanuit de opvang en
ook niet vanuit de wet.
In Nederland zijn rond de 70 opvangcentra die zich bezighouden met de opvang van uit het wild
afkomstige dieren. Deze opvangcentra kennen een grote variatie, onder andere qua:
• grootte – varieert van kleine centra die enkele dieren per jaar opvangen tot grote opvangcentra
   met wel 11.000 dieren per jaar
• specialisatie en expertise – sommige opvangcentra zijn gespecialiseerd in bepaalde soorten
   zoals egels, eekhoorns of vleermuizen, andere opvangcentra vangen meerdere soorten dieren/
   diergroepen op
• kennis, kunde, professionaliteit – Sommige centra kunnen bouwen op jarenlange ervaring en
   continue ontwikkeling daarvan, andere komen nog maar net kijken en zoeken daarin hun weg.
• regionale spreiding – sommige regio’s zijn goed voorzien van verschillende centra waardoor
   aanrijtijden voor dieren niet lang zijn, andere regio’s zijn minder goed bedeeld of hebben
   helemaal geen mogelijkheden in de omgeving (in Maastricht wordt bijvoorbeeld samengewerkt
   met opvang over de grens)
• historie – sommige opvangcentra bestaan al tientallen jaren en kennen een uitgebreide
   voorgeschiedenis en ontwikkeling met bekendheid in de omgeving, andere centra zijn jonger
• organisatie – sommige opvangcentra hebben een aantal vaste medewerkers en een grote pool
   van vrijwilligers, andere opvangcentra draaien geheel op een groep vrijwilligers
• opleidingseisen voor medewerkers – van uitgebreide interne opleiding tot leren ‘on the job’
• financiële basis en stabiliteit – net zoals bij vervoer zijn financiële bronnen en verdeling bij
   alle opvangcentra verschillend, maar geen enkel opvangcentrum kent een stabiele financiële
   structuur voor langer dan een jaar-enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze volgend jaar
   nog kunnen bestaan.
• bijdrage aan onderzoek – alle opvangcentra registreren informatie over dieren die binnenkomen
   en wat er mee gebeurt. Sommigen registreren basisinformatie, anderen proberen meer bij te
   houden voor onderzoeksdoeleinden en informeren burgers wat er met ‘hun’ dieren is gebeurd.
   Het ontbreekt meestal aan tijd en capaciteit om zelf iets onderzoeksmatig met geregistreerde
   gegevens te doen. Meerdere opvangcentra gaven in de interviews bijvoorbeeld aan dat ze ook
   oorzaken bijhouden. Ter illustratie getallen van een opvangcentra:
   − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren verweesd
   − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren ziek (botulisme/vogelgriep)
   − in 2020 was 1/3 van de dieren gewond (ramen, honden, katten)
                       RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Onderling weten de opvangcentra elkaar te vinden als het gaat om behandeling van bijzondere
dieren of bijzondere gevallen. Iedereen weet dat je voor watervogels ergens anders moet zijn
dan voor roofvogels. Ze wisselen kennis en informatie uit, maar ook dieren. Ze bellen elkaar met
vragen, hebben app-contact en -groepen en proberen bij nieuwe gevallen niet zelf het wiel uit te
vinden. Sommige overleggen op regelmatige basis met elkaar.
Er is geen overkoepelende organisatie (meer) voor opvangcentra van wilde dieren. In het verleden is
een aantal keer geprobeerd om zoiets op te zetten. Zoals de oprichting in 1998 van VOND (Vereniging
Opvang Niet-gedomesticeerde Dieren), die met o.a. het opstellen van kwaliteitsprotocollen heeft
bijgedragen aan de borging van dierenwelzijn, revalidatie en terugplaatsing in de natuur en
professionaliteit en controleerbaarheid van de opvangcentra. Ook was er in 2014 de oprichting
van de BVVN (Belangenbehartiging van Vogelopvangcentra Nederland), die in 2017 weer werd
ontbonden. Dit soort initiatieven zijn volgens geïnterviewden ‘doodgebloed door gebrek aan
financiering’ of doordat ze ‘van buitenaf waren opgelegd’. Ook wordt de ‘eigenwijsheid’ van de
sector meerdere keren genoemd. Geïnterviewden vinden zowel zichzelf als andere opvangcentra
eigenwijs in ideeën over en aanpak van de opvang van wilde dieren. Iedereen kent zo zijn eigen
manieren van voer, voeren, verzorgen en behandelen en heeft daarin zijn eigen succeservaringen.
Iedere opvang koestert daarin zijn eigen identiteit en respecteert doorgaans de identiteit van de
andere centra, ook als ze het helemaal anders doen.
Een nieuw initiatief is de in 2021 opgerichte stichting wildopvang.nl. Deze probeert vanaf 2016
wildopvangcentra bij elkaar te brengen, door contact te verbeteren, relaties te onderhouden en
het organiseren van ad-hoc initiatieven om onderling vertrouwen te kweken. De stichting heeft
een online platform, waar bijvoorbeeld in het kader van vogelgriep opvangcentra in een afgesloten
groep informatie uit kunnen wisselen. Ook is er een groep voor de overheid.
De grotere dierenorganisaties zoals Dierenbescherming en Stichting Dierenlot zijn op verschillende
manieren bezig met wildopvang. Dierenbescherming heeft een tweetal eigen opvangcentra en
diverse dierenambulances (en een eigen meldkamer). Dierenlot helpt zelfstandige opvangcentra
met financiering en ondersteuning, zowel kosten als middelen. Dierenlot organiseert elk jaar een
landelijk congres en een landelijke bijeenkomst over dierenhulpverlening (zowel gezelschapsdieren
als wilde dieren). Dierenbescherming en Dierenlot hebben onderling contact en overleg.
Door sommige centra in interviews genoemd, maar zeker niet door alle centra ook zo herkend is
dat er momenteel sprake zou zijn van een overgang van een ‘oudere generatie’ opvang naar een
‘nieuwere generatie’. De oudere generatie zou gaan om de pioniers die al 20-30 jaar in het vak zitten
en de kwaliteitsslag door de beleidsregels van 2015 hebben ‘overleefd’. De oudjes zouden opereren
als eenzame eilandjes en weinig willen samenwerken. De nieuwere generatie zou daarbij beter
openstaan voor brede samenwerking, nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in opvangland,
best practices, leren van professionele buitenlandse experts en organisaties en leergieriger zijn.
De subsidiering van wildopvangcentra is momenteel diffuus. Vanuit de rijksoverheid wordt
niets bijgedragen. Er zijn 3 provincies die opvangcentra in hun regio financieel ondersteunen.
Ook Noord-Holland (100.000 euro per jaar, voor 2020 en 2021), Limburg (kostendekkend
vervoer naar opvangcentrum in België) en Utrecht (vanaf 2020 per jaar 50.000 euro, waarvan
10.000 euro noodfonds en rest gericht op professionalisering en verbeteringen). In het verleden
heeft de provincie Noord-Brabant ook voor een periode financiële ondersteuning gegeven aan
een samenwerkingsverband van een aantal centra die hiervoor gezamenlijk bij hen aanklopten.
Gemeentelijke bijdrages zijn erg verschillend. Geen enkele bijdrage, financiële ondersteuning
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>van een opvang in de eigen gemeente tot overeenkomsten en contractuele afspraken tussen
opvangcentra en verschillende gemeenten waarvoor ze de dieren opvangen: alles komt voor.
De meeste opvangcentra vangen op voor dieren uit meerdere gemeenten, niet al die gemeenten
dragen bij. Volgens de geïnterviewde partijen dragen de meeste gemeenten niets bij.
Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg
en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren in wildopvangcentra wordt in de interviews benoemd
als grootste probleem. Uit de interviews van de RDA komt naar voren dat geen enkele van de
geïnterviewde opvangcentra een stabiele financiële structuur kent voor langer dan een jaar tot
enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze daarna nog kunnen bestaan.
Er is in de gehouden interviews volop discussie over wie wat zou moeten doen qua ondersteuning
van wildopvangcentra vanuit de overheid. Opvangcentra zien zelf vaak hun regionale functie en
benoemen dat provincies, die verantwoordelijk zijn voor dieren in de natuur en ontheffingen aan
opvangcentra, meer verantwoordelijkheid hebben en zouden moeten nemen dan nu het geval
is. Voor opvangcentra is het belangrijker dat het geregeld wordt, dan wie dat doet en betaalt.
Gemeentes wijzen volgens geïnterviewden voor verantwoordelijkheid en financiering vaak
naar provincies en andersom; provincies zelf zien opvang van wilde dieren niet (altijd) als hun
verantwoordelijkheid, omdat opvang naar hun idee niet bijdraagt aan de verantwoordelijkheden
voor het voortbestaan van populaties en soorten. Daar zit volgens de RDA een spanningsveld in
ideeën over natuur en dierenwelzijn. Dierenwelzijn staat niet altijd gelijk aan soortenbescherming
en andersom. Een deel van de opvangcentra is het eens met dat zij niet direct aan populatiebehoud
bijdragen, maar sommigen zien wel degelijk een toegevoegde waarde van het opvangen en
uitzetten van dieren. Ze zijn het wel eens over dat de functie van opvang van wilde dieren indirect
bijdraagt aan meer kennis en begrip van burgers over wilde dieren en natuur. Op deze manier
worden mensen betrokken bij de dieren in hun leefomgeving en kunnen ze daar naar hun idee
actief aan bijdragen.
De zelfstandigheid van alle individuele wildopvangcentra maakt het volgens de meeste
geïnterviewden soms lastig om één geluid te laten horen als sector. De meeste centra vinden
het ook niet prettig als een andere organisatie ze als spreekbuis vertegenwoordigt. Er is behoefte
om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken. Niet alleen op het gebied van informatie,
kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren,
maar ook om samen financiële middelen te zoeken. De keren dat opvangcentra op lokale/
regionale schaal samen zijn opgetrokken om bij overheden subsidies te krijgen lijken doorgaans
succesvol. Centra lijken elkaar volgens geïnterviewden daarvoor nu vaker op te zoeken dan vroeger,
maar werken ook erg in de waan van de dag. “Dat is ook niet zo gek als je vandaag niet weet of je
morgen nog kunt bestaan en er elke dag weer nieuwe dieren op de stoep staan om opgevangen
te worden” (citaat geïnterviewde). Samenwerkingsverbanden vallen dan ook snel weer uit elkaar.
Een regisseur of koepel wordt bijvoorbeeld in de interviews wel geopperd en zou kunnen helpen
om uit de dagelijkse waan te stappen. Om daarin de eigen identiteit van centra te respecteren zou
een goede vorm moeten worden gezocht om dat mogelijk te maken. Vooral het uitwisselen van
inhoudelijke kennis en informatie zou voor geïnterviewden een belangrijke reden zijn om hieraan
deel te nemen.
                     RDA.2022.073  ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Euthanasie, uitzetten en permanente opvang
Opvang van wilde dieren is altijd tijdelijk en gericht op het weer uitzetten in het wild.
Permanente opvang is geen optie voor wilde dieren en daarom zullen opvangcentra in hun triage
altijd rekening houden met de kansen op succesvolle uitzetting. Voor sommige dieren is het
belangrijk om weer uitgezet te worden in een bekend gebied, zoals egels, en voor sommige dieren
zoals vogels die beter zelf hun plek kunnen vinden, maakt het minder uit. Uitzetten gebeurt in elk
geval altijd op veilige locaties met de meeste kans op herstel van het dier.
De verschillende opvangcentra die de RDA heeft gesproken noemen diverse percentages van
succesvolle behandeling en kans op uitzetting. Globaal gezien komen de volgende getallen naar voren:
• 1 op de 3 dieren bij de dierenambulance gaat naar de opvang, 2 van de 3 sterven alsnog of
  worden geëuthanaseerd
• in de opvang sterft 30% van de binnengebracht dieren binnen 24 uur/in de eerste dagen
  (uit zichzelf of door euthanasie). Er worden percentages tussen de 33 en 50% genoemd voor
  totale sterfte.
• de meeste centra schatten terugplaatsingscijfers tussen de 33 en 50%. Een enkele noemt een
  uitschieter tot 60-70%. Door andere centra worden zulke hoge aantallen juist niet mogelijk
  geacht (of alleen in specifieke gevallen voor centra met specifieke soorten) en twijfelen ze aan
  de correctheid daarvan.
Wanneer de kans op herstel of op een succesvolle uitzetting nihil is, wordt euthanasie overwogen.
Deze overweging gebeurt op verschillende momenten, namelijk bij elke volgende triage
(van vondst en melding tot aankomst bij de opvang en behandeling). Euthanasie is altijd gericht
op het voorkomen van (verder) lijden van het dier of een dieronwaardig bestaan.
Over de afvoer van kadavers is weinig opgemerkt tijdens interviews, alleen dat het soms zonde is
dat dieren niet gebruikt mogen worden als voer voor andere dieren.
Voor euthanasie is het belangrijk dat deze wordt uitgevoerd door een deskundige met voldoende
kennis en ervaring. In de praktijk worstelen opvangcentra daar soms mee. Als er voor elke
euthanasie volgens de regels een dierenarts aanwezig moet zijn, is dat moeilijk uit te voeren
in praktijk, gezien de grote aantallen dieren per opvang. Zowel qua capaciteit als qua kosten.
Ook kunnen de meest diervriendelijke oplossingen meer kosten met zich meebrengen. Te alle tijde
moeten onkunde en ondeugdelijke methoden worden voorkomen. Hiervoor is door de minister
een apart advies gevraagd bij CenSAS. In 2021 is een rapport opgeleverd over geschikte methoden
van doding van dieren in wildopvangcentra door niet-dierenartsen (CenSAS, 2021). De RDA gaat
er vanuit dat heikele kwesties hierin voldoende aan de orde zijn gekomen en zal hier verder niet
op ingaan.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Samenstelling van de Raad
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen
die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over
multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA
bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last
of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is
daarmee een product van de hele Raad.
Suggestie voor referentie: RDA, Raad voor Dierenaangelegenheden (2022). Dilemma's in de
wildopvang. Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren. Den Haag, Nederland. 47 pp.
De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden:
Prof.dr. J.J.M. van Alphen                         Dr. L.J.A. Lipman
Dr.ir. G.B.C. Backus                               Drs. F.E. Rietkerk
J.P. van den Berg                                  Mr. C.W. Ripmeester
W.T.A.A.G.M. van den Bergh                         Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg
Dr. J.J.L. Candel MA                               Dr. M.C.Th. Scholten
Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht          Prof.dr. Y.H. Schukken
Prof.dr.ir. G.M. van Dijk                          Ir. G.C. Six
Dr. N. Endenburg PhD                               Drs. M. Slob
Prof.dr. R. Gehring                                Prof.dr. G.R. de Snoo
Drs. D. van Gennep                                 Mr.drs. J. Staman, voorzitter
Prof.dr. M.A.M. Groenen                            Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels
Prof.dr. S. Haring                                 Drs. R.A. Tombrock
Prof.dr.ir. L.A. den Hartog                        Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp
A.L. ten Have-Mellema                              Dr. H.A.P. Urlings
Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek                     Dr. J.B.F. van der Valk
Drs. G. Hofstra                                    J. van de Ven
J.A.M. Huijbers                                    Drs. F.A.L.M. Verstappen
Prof.dr.ir. A. van Huis                            Mr.dr. J. Vink
Prof.dr.ir. B. Kemp
A. Kemps                                           Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad
Prof.dr. M.F.M. Langelaar
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl.
Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
                      RDA.2022.073 ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>