<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN
Effecten van (beleid tegen) klimaatverandering op het
welzijn van dieren in de veehouderij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Procedure                                                                              2
Leeswijzer                                                                             3
Samenvatting                                                                           4
1.     Inleiding                                                                       9
   1.1   Hoe verandert het klimaat in Nederland?                                       9
   1.2   Wat merken gehouden dieren van klimaatverandering?                           10
2.     Effecten van klimaatverandering                                                12
   2.1   Effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn                             12
   2.2   Hoe negatieve effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn beperken?     19
   2.3   Onderzoeksvragen                                                             27
3.     Effecten van klimaatbeleid                                                     29
   3.1   Effecten van klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij op dierenwelzijn  29
   3.2   Effecten op dierenwelzijn van ander overheidsbeleid tegen klimaatverandering 32
   3.3   Hoe negatieve effecten van klimaatbeleid op dierenwelzijn beperken?          33
   3.4   Onderzoeksvragen                                                             34
4.     Relatie met dierwaardige veehouderij                                           36
5.     Conclusies en oplossingsrichtingen                                             39
   5.1   Conclusies                                                                   39
   5.2   Laat dierenwelzijn niet ondersneeuwen in het klimaatbeleid                   39
   5.3   Oplossingsrichtingen om uit te werken                                        40
Geraadpleegde bronnen                                                                 42
Bijlage 1. Klimaatverandering in Nederland                                            48
Bijlage 2. Situatie voor gehouden dieren buiten de veehouderij                        52
Bijlage 3. Deelnemers Deskundigenbijeenkomst / Interviews                             54
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’   1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Procedure
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is opgesteld door een forum bestaande
uit de raadsleden dr.ir. G.B.C. Backus (voorzitter), prof.dr.ir. L.A. den Hartog, prof.dr.ir. A. van Huis,
J.A.M. Huijbers, dr. L.J.A. Lipman en prof.dr.ir. T.B. Rodenburg. Het forum is uitgebreid met dr. L.M.
Stadig van Jong RDA. Het forum is ondersteund door commissiesecretarissen ir. R. Pothoven en L.
Stolze MSc (tot februari 2023), en secretaris-directeur ir. M.H.W. Schakenraad van het stafbureau
van de Raad. Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 10 maal bijeen geweest.
In het kader van deze zienswijze heeft de RDA enkele interviews gehouden en in mei 2022 een
deskundigenbijeenkomst georganiseerd om inzichten en ervaringen uit de praktijk te verzamelen
(zie bijlage 1). Informatie uit de deskundigenbijeenkomst en de interviews is gebruikt bij het
opstellen van deze zienswijze.
De concept-zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad en aan Jong RDA. Deze
zienswijze is daarmee een product van de hele Raad.
Gehouden en niet-gehouden dieren
Deze zienswijze behandelt primair de in de veehouderij gehouden dieren (productiedieren).
Klimaatverandering kan ook effecten hebben voor het welzijn, incl. de gezondheid, van in het wild
levende dieren, de niet-gehouden dieren. Gezien de grote verschillen ten opzichte van de effecten
voor productiedieren brengt de RDA over in het wild levende dieren een aparte zienswijze uit.
Doel van deze zienswijze
De RDA heeft met deze zienswijze een verkenning willen uitvoeren met als doel knelpunten voor
het welzijn van dieren in de Nederlandse veehouderij als gevolg van de klimaatproblematiek te
signaleren en agenderen, en op basis daarvan oplossingsrichtingen voor te stellen. Hoewel in de
tekst soms ook mogelijk positieve welzijnseffecten zijn benoemd, is deze zienswijze daar niet
specifiek op gericht.
Relatie met eerdere RDA-zienswijzen
De RDA heeft in het verleden nog geen zienswijzen over de effecten van klimaatverandering voor
dieren uitgebracht. Dit onderwerp heeft de RDA geagendeerd in Staat van het Dier (2019) en is in
2021 in uitvoering genomen.
In 2021 is de zienswijze ‘Dierwaardige veehouderij’ verschenen met daarin zes leidende principes
voor een dierwaardige veehouderij. Door deze af te zetten tegen de verwachte effecten van
klimaatverandering alsook klimaatmitigatiemaatregelen wordt in deze zienswijze (hoofdstuk 4)
een indruk gegeven welke principes wanneer in het gedrang komen.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’                   2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Leeswijzer
De RDA behandelt in deze zienswijze wat de (verwachte) impact is van het veranderende klimaat
én van het beleid daartegen, op het welzijn, incl. de gezondheid, van dieren in de veehouderij in
Nederland (in deze zienswijze verder aangeduid als productiedieren).
In hoofdstuk 1 wordt kort stilgestaan bij hoe het klimaat in Nederland verandert en wat
productiedieren daarvan zouden kunnen gaan merken. Op de klimaatverandering wordt dieper
ingegaan in bijlage 1.
Hoofdstuk 2 behandelt de mogelijke negatieve effecten van klimaatverandering voor het welzijn
van productiedieren (§ 2.1) en hoe deze effecten zijn tegen te gaan of te beperken (§ 2.2). Op basis
van uitgebreid literatuuronderzoek wordt daarin beschreven wat hierover al bekend is. In § 2.3
worden een aantal onderzoeksvragen benoemd. Er is voor gekozen in hoofdstuk 2 uitgebreid bij de
effecten van klimaatverandering voor productiedieren stil te staan om daarmee de reikwijdte van
klimaatverandering voor productiedieren te onderbouwen. De lezer met weinig tijd kan dit
hoofdstuk diagonaal doorlezen zonder de essentie van de zienswijze te missen.
Hoofdstuk 3 behandelt de mogelijke negatieve effecten van klimaatmitigatiemaatregelen in de
veehouderij op het welzijn van de productiedieren (§ 3.1) en hoe deze effecten te beperken door
een meer integrale aanpak in onderzoek en het daaropvolgend klimaatbeleid (§ 3.2 en 3.3).
In hoofdstuk 4 worden de verwachte effecten van klimaatverandering alsook van
klimaatmitigatiemaatregelen afgezet tegen de 6 principes voor dierwaardige veehouderij om te
illustreren welke van die principes in het gedrang komen.
Hoofdstuk 5 bevat de conclusies en voorgestelde oplossingsrichtingen.
In bijlage 2 wordt nog een indruk gegeven van mogelijke effecten van klimaatverandering voor het
welzijn van gehouden dieren buiten de veehouderij (voor gezelschap, educatie, recreatie of
hobby). In het kader van deze zienswijze voerde het te ver om dit onderwerp voor deze
diergroepen even uitputtend te behandelen als voor de productiedieren.
Klimaatadaptatie en klimaatmitigatie
Klimaatadaptatiemaatregelen zijn maatregelen die worden genomen om ons c.q. dieren voor te
bereiden op klimaatverandering, met name door de omgeving aan te passen. De in § 2.2
behandelde maatregelen betreffen alle klimaatadaptatiemaatregelen.
Klimaatmitigatiemaatregelen zijn maatregelen die worden genomen om de klimaatverandering
tegen te gaan (klimaatbeleid). Klimaatmitigatiemaatregelen met mogelijke effecten voor
productiedieren worden behandeld in § 3.1.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Wereldwijd is het klimaat aan het veranderen. Weersextremen als hittegolven, zware neerslag,
langdurige droogte en stormen zijn aantoonbaar toegenomen. Ook in Nederland krijgen wij steeds
vaker te maken met extreme weersomstandigheden, die mens én dier voor een uitdaging
plaatsen. Deze extremen, maar ook de meer geleidelijke effecten van klimaatverandering, hebben
effecten op het welzijn van productiedieren. Echter ook de maatregelen die worden genomen om
de klimaatverandering tegen te gaan (klimaatmitigatiemaatregelen) kunnen effecten hebben op
het welzijn van dieren. Het staat voor de RDA niet ter discussie óf klimaatmitigatiemaatregelen
moeten worden genomen, maar wel welke maatregelen vanuit het dier gezien het meest geschikt
zijn. Voor het dier maakt het niet uit of het effecten ondervindt van de klimaatverandering of van
het beleid om die verandering tegen te gaan. Daarom behandelt de RDA in deze zienswijze wat de
(verwachte) impact is van het veranderende klimaat én van het beleid daartegen, op het welzijn,
incl. de gezondheid, van productiedieren in Nederland.
Van de effecten van klimaatverandering zijn die van extremere, en soms langdurige, hitte het
meest direct merkbaar en leiden potentieel snel tot grote problemen voor het welzijn van dieren.
Daardoor is hier met name tijdens transport al veel aandacht voor. Mede in het verlengde van het
‘Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw’ uit 2020 zijn in Nederland voor diverse soorten
productiedieren adviezen beschikbaar welke maatregelen bij hitte kunnen worden genomen:
variërend van extra ventileren tot voeraanpassing (tijdstip voeren, minder voer, voer met minder
verteringswarmte), tot transport op koelere tijden van de dag. Niettemin besteedt de RDA in deze
zienswijze aandacht aan mogelijkheden om negatieve effecten van klimaatverandering op
dierenwelzijn in de veehouderij te beperken, omdat de RDA de indruk heeft gekregen dat er nog
met te weinig urgentie wordt gewerkt aan structurele maatregelen om die effecten tegen te gaan.
Effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn en hoe die te beperken
Onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering voor productiedieren is nog voornamelijk
beperkt gebleven tot wat dit betekent voor groei, productie en voederconversie, ofwel de
economische effecten. In de laatste decennia lag in de veehouderij vooral de focus op het
verbeteren van de productiviteit en het voermanagement, en het aanpassen van de houderij. Er
was bijvoorbeeld weinig aandacht voor het verbeteren van de stressresistentie van de dieren,
terwijl door de hogere productiviteit hun gevoeligheid voor hitte juist is toegenomen.
Hoewel de effecten van klimaatverandering voor het welzijn van productiedieren in het meeste
onderzoek nog weinig aandacht hebben gehad, is er toch al het nodige bekend over:
•     Hittestress in de stal, in de weide en tijdens transport;
•     Nieuwe ziekten;
•     Afname voer- en waterbeschikbaarheid en -kwaliteit;
•     Meer kans op stalbranden/-schade door onweer, storm en hagel;
•     Te late evacuatie bij overstromingen;
•     Risico’s bij uitval van klimaatapparatuur.
                       RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’         4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Op basis van de nu bekende risico’s van klimaatverandering voor het welzijn van productiedieren
zijn maatregelen te nemen om die risico’s te beperken. Met name hittestress zal steeds vaker
optreden in Nederland. Het is daarom van belang dat bij maatregelen om hittestress te voorkomen
zo snel mogelijk wordt overgestapt van noodmaatregelen die alleen tijdelijk hittestress voorkomen
naar maatregelen die een structurele oplossing bieden. In deze zienswijze worden er meerdere
genoemd.
Mogelijke andere maatregelen om de effecten van klimaatverandering voor dierenwelzijn te
beperken liggen onder meer op het gebied van:
•    Preventie van nieuwe dierziekten door monitoring van de diergezondheid en het tijdig
     signaleren van tekens van een nieuwe ziekte en daar adequate actie op ondernemen;
•    Beperken van risico’s van overstroming door vroegtijdig waarschuwen van dierhouders en
     tijdige evacuatie van dieren;
•    Preventie van blikseminslag door het plaatsen van bliksemafleiders;
•    Beperken van risico’s bij storm en hagel door toegang tot schuilmogelijkheden;
•    Risico’s bij uitval van klimaatapparatuur beperken door back-upsystemen.
Dat sommige van deze maatregelen niet worden toegepast betekent niet dat ze er niet zijn. Een
aantal van de knelpunten is praktisch van aard. Hier bestaat de behoefte vooral uit de inzet van
communicatieve maatregelen voor kennisoverdracht en het versterken van bewustwording over
de mogelijke oplossingen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van ervaringen in warme landen en
goede praktijken in ons eigen land en omringende landen.
Uit het literatuuronderzoek is gebleken, dat er behoefte is aan meer geïntegreerd onderzoek naar
de interactie tussen de thema’s dierenwelzijn, stress, klimaatverandering en productiviteit. Ook is
er veel onderzoek naar melkvee gedaan en relatief weinig aan niet-herkauwers. Hoewel naar
hittestress al veel onderzoek is gedaan valt hier zeker nog meer onderzoek aan te doen,
bijvoorbeeld naar diergerelateerde indicatoren die hittestress meetbaar maken (liefst
voorspellend) en in de praktijk toepasbaar zijn.
Naast de in deze zienswijze genoemde onderzoeksvragen zou juist ook in onderzoekprojecten die
niet primair over effecten van klimaatverandering gaan het aspect klimaatadaptatie niet vergeten
mogen worden. De tot nu toe bekende maatregelen zouden zoveel mogelijk in die
projecten/systemen geïntegreerd moeten worden.
Effecten van klimaatmitigatiemaatregelen op dierenwelzijn en hoe die te beperken
Productiedieren zijn zelf een aan de mens gerelateerde bron van broeikasgasuitstoot. Het
klimaatbeleid heeft daarom onder andere ten doel de uitstoot van broeikasgassen uit de
veehouderij te reduceren. De maatregelen die daarvoor aangedragen worden (zoals aanpassingen
aan stallen, aan het rantsoen van de dieren, aan de dieren zelf (genetica), aan het verwerken en
aanwenden van mest, of aan het volledige veehouderijsysteem) kunnen zelf ook weer effect
hebben op het welzijn van productiedieren. Een indruk van die effecten wordt in deze zienswijze
gegeven zonder dat daarbij volledigheid is nagestreefd. Belangrijker is namelijk de constatering
van de RDA dat er tot nu toe in het onderzoek (en het beleid) te weinig aandacht is voor de
                      RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>mogelijke effecten van klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij op het welzijn van
productiedieren. Bij het zoeken naar geschikte klimaatmitigatiemaatregelen is een meer integrale
onderzoekaanpak en het daarop volgende klimaatbeleid dringend noodzakelijk. Er moet worden
onderkend dat klimaatmitigatiemaatregelen negatieve effecten op dierenwelzijn kunnen hebben
en dit dient te worden meegenomen in het onderzoek en de ontwikkeling van deze maatregelen.
Er moet worden voorkomen dat er slechts op een enkel vraagstuk geoptimaliseerd wordt.
Klimaatonderzoek en -beleid dienen zich te richten op een combinatie van verbeteringen in
klimaatmitigatie en dierenwelzijn (win-win).
Toetsing aan de 6 principes voor dierwaardige veehouderij
In 2021 heeft de RDA de zienswijze ‘Dierwaardige veehouderij’ gepubliceerd waarin de
randvoorwaarden voor de veehouderij van de toekomst zijn beschreven. Daarvoor zijn zes
leidende principes voor een dierwaardige veehouderij geformuleerd. Door deze af te zetten tegen
de verwachte effecten van klimaatverandering alsook van klimaatmitigatiemaatregelen is
nagegaan welk principe er wanneer in het gedrang komt. Hieruit blijkt dat klimaatverandering en
klimaatmitigatiemaatregelen op elk van de zes leidende principes effect kunnen hebben.
Conclusies
Op basis van de analyse in deze zienswijze concludeert de RDA:
•    Klimaatverandering heeft negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn van productiedieren,
     zowel op het primaire bedrijf als bij transport en slacht. Zowel de geleidelijke toename van de
     temperatuur, als extreem weer en incidenten zoals overstromingen spelen hierbij een rol.
•    Bij klimaatmitigatiemaatregelen is meer en gerichte aandacht nodig voor het welzijn van
     productiedieren. Maatregelen gebaseerd op een integrale afweging van dierenwelzijn, klimaat
     en economie, dienen beter te worden onderzocht, zodat ze ook beschikbaar komen voor
     toepassing.
Laat dierenwelzijn niet ondersneeuwen in het klimaatbeleid
Iedereen zal zich kunnen vinden in het voornemen om gelijktijdig te werken aan dierenwelzijn en
aan het klimaatmitigatiebeleid. De stip op de horizon is helder. Rekening houden met het welzijn
van productiedieren bij klimaatverandering en bij klimaatmitigatiebeleid komt echter niet vanzelf
tot stand. Het betreft een meervoudige opgave voor een sector die is ingebed in een complex
geheel van technische en juridische beleidsregels. Veel maatregelen staan de ontwikkeling richting
meer dierenwelzijn in de weg. Zonder deze barrières in kaart te brengen, en acties te bedenken
om deze barrières te doorbreken en uit te voeren komt er geen coherent beleid en worden dieren
weggedrukt in de steeds urgenter wordende klimaatdiscussie. Doorgaan op dezelfde weg houdt in
dat deze Zienswijze over 15 jaar weer kan worden gepubliceerd, met het risico dat het
dierenwelzijn is verslechterd. De RDA doet daarom de oproep om dierenwelzijn niet te laten
ondersneeuwen in het klimaatbeleid en pro-actief te gaan werken aan een gemeenschappelijke
aanpak:
•    Zorg dat klimaatadaptatie en het aanpassingsvermogen van dieren in de transitie naar een
     dierwaardige veehouderij worden meegenomen in de keuzes voor huisvestingssystemen,
     rassen, managementmaatregelen en de wijze en duur van transport van dieren. Ga vanuit een
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    gezamenlijke verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn als overheden, bedrijfsleven,
    onderzoek en maatschappelijke organisaties na hoe knelpunten als moeilijk uitvoerbare
    regelgeving weggenomen kunnen worden, zodat veehouders en toeleverende bedrijven in
    staat zijn te werken aan dierwaardige veehouderij.
•   Klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij kunnen een negatieve invloed op het
    dierenwelzijn hebben. Een integrale aanpak waarbij dierenwelzijn niet ondersneeuwt is nodig.
    Ga vanwege de urgentie bij het realiseren van ecologische doelstellingen na wat kan bijdragen
    aan het versneld praktijkrijp maken van de benodigde integrale systemen.
Oplossingsrichtingen om uit te werken
Slechts in gezamenlijkheid kunnen overheden, onderzoek, ketenpartijen en stallenbouwers
werken     aan    perspectiefvolle     oplossingen.     De   RDA     heeft   vooralsnog de volgende
oplossingsrichtingen geïdentificeerd:
1) Regie van de rijksoverheid op het afstemmen van het klimaatbeleid richting andere overheden
    en stakeholders:
    Het mobiliseren van alle beschikbare inhoudelijke kennis over dit vraagstuk is nodig. Bij
    voorkeur de rijksoverheid zou de regie moeten nemen op het bij elkaar brengen en
    verspreiden van al die kennis. Voor het afstemmen van het klimaatbeleid op de aanstaande
    herziening van de EU-dierenwelzijnswetgeving, als ook richting de beleidsuitvoering van
    provincies en gemeenten in het kader van de ruimtelijke ordening en het Nationaal
    Programma Landelijk Gebied gaat het er om te weten wat gewenst en nodig is. Het gaat
    hierbij onder meer om:
    •    Partijen voor te bereiden op extreme weersomstandigheden op basis van protocollen
         gericht op preventie en zo nodig interventie.
    •    Vergunningverlening van stallen gebouwd op basis van een diergericht ontwerp.
    •    Koppelen van klimaat- en dierenwelzijnsmaatregelen bij de allocatie van GLB-gelden.
2) Gebruik maken van ervaringen in warmere landen:
    Bij stallenbouw en stalklimaatmanagement gebruik maken van de mogelijke oplossingen voor
    klimaat-gerelateerde knelpunten waarover al praktische kennis aanwezig is in warmere
    landen.
3) Onderzoek stimuleren naar effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn en naar het
    beter meetbaar maken van dierenwelzijn:
    Voor het accuraat en tijdig tegen kunnen gaan van dierenwelzijnsproblemen als gevolg van
    klimaatverandering is onderzoek nodig, onder meer naar toepassingsmogelijkheden van
    systematische diergerelateerde monitoring van dierenwelzijn.
4) In gezamenlijkheid werken aan de veehouderij van de toekomst:
    Het klimaatmitigatiebeleid van de overheid voor de veehouderij moet niet alleen zijn gericht
    op de veehouderij in zijn huidige vorm, maar juist ook op de veehouderij in de toekomst. Dan
    gaat het om structurele aanpassingen van huisvestingssystemen, maar ook om onder meer
    transportmiddelen, waterkeringen, en fokdoelen. Bij het streven naar een duurzaam
    voedselsysteem kunnen ketenpartijen en stallenbouwers een belangrijke bijdrage hebben.
    Samen kan werk worden gemaakt van een valideringsprotocol voor stallen.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De RDA is voornemens vanuit zijn rol en positie in vervolg op deze zienswijze met de meest
betrokken partijen in gesprek te gaan over deze (en eventuele andere) oplossingsrichtingen en
over de uitwerking ervan. We nodigen een ieder uit om ons voordien al een reactie op deze
zienswijze te sturen.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
1.1 Hoe verandert het klimaat in Nederland?
Als startpunt voor het inventariseren van de mogelijke effecten van klimaatverandering op het
welzijn van dieren in Nederland is het gewenst een beeld te hebben van de klimaatverandering tot
nu toe, evenals welke klimaatveranderingen in Nederland nog te verwachten zijn.
Zeespiegelstijging laat de RDA in deze zienswijze buiten beschouwing, omdat deze op de korte
termijn geen directe effecten heeft voor productiedieren.
De RDA heeft zich voor dat beeld gebaseerd op het KNMI-rapport “Klimaatsignaal’21” (KNMI,
2021a), dat is gebaseerd op het IPCC-rapport van augustus 2021 (IPCC, 2021), aangevuld met eigen
onderzoek van het KNMI. Een samenvatting van het KNMI-rapport staat in bijlage 1. De essentie
ervan wordt hieronder vermeld.
De aarde warmt op. Van 1901 tot 2020 is de jaargemiddelde temperatuur in Nederland met 2,3°C
toegenomen (Figuur 1). Sinds 1901 zijn er 29 hittegolven geweest van minimaal vijf
opeenvolgende zomerse dagen met een maximum temperatuur van 25°C of hoger. Hiervan waren
er drie tropisch met een maximum temperatuur van 30°C of hoger. Van de 29 hittegolven sinds
1901 vonden er 13 plaats na 2000 (KNMI, 2021b).
                   Figuur 1. Jaargemiddelde temperatuur (°C) van 1901 tot 2020.
Het klimaat verandert sneller dan eerder werd gedacht. Nederland heeft vaker te maken met hitte
en extreme neerslag en steeds minder vaak met strenge vorst. Doordat de lucht in een warmer
klimaat meer vocht kan bevatten, ontstaan er extremere buien. Bij de zwaarste buien kunnen ook
meer valwinden ontstaan. De kans op droogte in het voorjaar en in de zomer wordt groter. ’s
Zomers neemt de kans op laagwater in de rivieren toe, terwijl in de winter juist de neerslag en de
kans op hoogwater toeneemt. Door de hogere temperaturen en door meer zonnestraling stijgt de
verdamping. De duur van warme en droge perioden kan langer worden. Onweer, bliksem en hagel
nemen waarschijnlijk toe.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1.2      Wat merken gehouden dieren van klimaatverandering?
Wereldwijd is het klimaat aan het veranderen. Weersextremen als hittegolven, zware neerslag,
langdurige droogte en stormen zijn aantoonbaar toegenomen. Ook in Nederland krijgen wij steeds
vaker te maken met extreme weersomstandigheden, die mens én dier voor een uitdaging
plaatsen. Zo viel medio juli 2021 in Zuid-Limburg plaatselijk tot ruim 120 mm regen binnen 36 uur
en ook de buiten hun oevers tredende Maas, Gulp en Geul zorgden voor veel overlast. Diverse
veehouders kampten met ondergelopen stallen en wateroverlast op hun bedrijf. Ook dieren nabij
beken en rivieren moesten in veiligheid worden gebracht (Staatsbosbeheer, 2021). Juli 2022, een
jaar later, verliep juist zeer warm, zonnig en bijzonder droog; op 19 juli werd bijna 40˚C in
Maastricht gemeten. Dit zorgt bij dieren voor welzijnsrisico’s zoals hittestress (zie § 2.1), en kan
bijvoorbeeld gevolgen hebben voor de productie van veevoer (inclusief gras). Deze extremen,
maar ook de meer geleidelijke effecten van klimaatverandering, hebben effecten op het welzijn
van productiedieren.
Aan de andere kant kunnen ook de maatregelen die worden genomen om de klimaatverandering
tegen te gaan (de zogenoemde klimaatmitigatiemaatregelen) effecten hebben op het welzijn van
dieren. Denk hierbij aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen (methaan,
kooldioxide en lachgas) door bijvoorbeeld het bouwen van emissiearme stallen en aanpassingen
aan het voer. Het staat voor de RDA niet ter discussie óf klimaatmitigatiemaatregelen moeten
worden genomen, maar wel welke maatregelen vanuit het dier gezien het meest geschikt zijn.
De resultaten van de 2e publieksenquête in oktober 2022 voor het onderzoek ‘Staat van het Dier’
(Kantar, 2022) onder 2.082 representatieve Nederlanders onderstrepen het belang dat zij hechten
aan dierenwelzijn, óók in tijden van klimaatverandering en maatregelen daartegen. Ruim 80
procent was het oneens met de stelling dat het dierenwelzijn er op achteruit mag gaan bij het
terugdringen van stikstof en broeikasgassen in de veehouderij (Figuur 2).
Figuur 2. De mening van Nederlanders over dierenwelzijn bij klimaatmaatregelen (Kantar, 2022).
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Voor het dier maakt het niet uit of het effecten ondervindt van de klimaatverandering of van het
beleid om die verandering tegen te gaan. Daarom behandelt de RDA in deze zienswijze wat de
(verwachte) impact is van het veranderende klimaat én van het beleid daartegen op het welzijn,
incl. de gezondheid, van productiedieren in Nederland.
Veel van de effecten van klimaatverandering voor productiedieren, kunnen worden
geëxtrapoleerd naar andere gehouden dieren, zij het dat er verschillen kunnen zijn in de mate of
ernst van de effecten door bijvoorbeeld verschillen in huisvesting of verzorging. In bijlage 2 wordt
een indruk gegeven van de effecten van klimaatverandering voor het welzijn van gehouden dieren
buiten de veehouderij (voor gezelschap-, hobby-, educatie- of recreatiedoeleinden).
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>2. Effecten van klimaatverandering
In dit hoofdstuk schetst de RDA wat al bekend is over de (mogelijke) effecten van
klimaatverandering op het welzijn, inclusief gezondheid, van productiedieren. Dit betreft de
effecten    van    de    klimaatverandering        zelf   en    niet    de   mogelijke effecten van
klimaatmitigatiemaatregelen op het dierenwelzijn. Dit tweede komt in hoofdstuk 3 aan de orde.
2.1 Effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn
Gezien de verwachte veranderingen van het klimaat (zie § 1.1) is het logisch dat dit ook effecten
op het welzijn van dieren zal hebben. Niettemin blijkt uit de literatuur dat de focus bij het
onderzoek naar de effecten voor productiedieren (nog) voornamelijk gericht is geweest op het
effect op groei, productie en voederconversie, met andere woorden de economische effecten. Een
lagere groeisnelheid, productiehoeveelheid of voederconversie hoeft als zodanig nog geen
dierenwelzijnsprobleem te zijn, maar kan wel een teken van verminderd dierenwelzijn zijn. Het is
zinvol om deze productie-effecten te identificeren, omdat deze ook een (economische) rol spelen
bij de afweging over het implementeren van eventuele klimaatmitigatiemaatregelen in de
veehouderij. Het identificeren van productie-effecten is echter niet voldoende om de effecten van
klimaatverandering op dierenwelzijn goed in kaart te brengen.
In de IPPC-rapporten (IPCC, 2021) maakt dierenwelzijn geen onderdeel uit van de beoordeling van
de gevolgen van klimaatverandering. Hoewel effecten op ecosysteemdiensten (door IPCC
gedefinieerd als de voordelen die mensen van ecosystemen hebben), biodiversiteit en menselijk
welzijn allemaal zorgvuldig worden gecatalogiseerd, wordt er geen rekening gehouden met de
effecten van klimaatverandering op het welzijn van dieren (McShane, 2018). In veel recent
onderzoek wordt wel de impact van klimaatverandering op de veehouderij beschreven, maar
wordt dit vooral benaderd vanuit economisch perspectief en blijven directe dierenwelzijnsrisico’s
(zoals hittestress) grotendeels buiten beschouwing (zie Figuur 3 uit Rojas-Downing et al., 2017).
Beschreven wordt dan hoe klimaatverandering invloed kan hebben op de groei en kwaliteit van
gewassen en de ruwvoervoorziening, dat bij een hogere temperatuur de waterconsumptie door
dieren toeneemt, de productie en reproductie ongunstig worden beïnvloed bij te hoge
temperaturen en dat dieren te maken krijgen met nieuwe ziekten waardoor sterfte kan toenemen.
Dit illustreert dat de aandacht voor dierenwelzijn in veel onderzoeken naar effecten van
klimaatverandering op de veehouderij nog te beperkt is.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’
                                                                                              Figuur 3. Impact (volgens Rojas-Downing et al., 2017) van klimaatverandering op de veehouderij.
                                                                    N.B. Bekende dierenwelzijnsproblemen gerelateerd aan klimaatverandering, zoals hittestress, worden hier niet benoemd.
13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Hittestress
In een speciale uitgave van Animal Frontiers (2019, Volume 9, Issue 1 - ‘Climate change: impact on
livestock and how can we adapt’) wordt in het begeleidende Editorial (Bernabucci, 2019)
beschreven hoe in de veehouderij in de laatste decennia vooral de focus lag op het verbeteren van
de productiviteit, het verbeteren van het voermanagement en het aanpassen van de houderij. Er
was weinig of geen aandacht voor het verbeteren van de stressresistentie van landbouwhuisdieren
tegen omgevingsfactoren, terwijl door de hogere productiviteit hun gevoeligheid voor hitte is
toegenomen (Collier et al., 2019). In dezelfde uitgave worden de verwachte effecten van
klimaatverandering op dierenwelzijn, incl. diergezondheid, beschreven met veel aandacht voor
hittestress (Lacetera, 2019). De negatieve effecten van klimaatverandering zullen het gevolg zijn
van een gecombineerde verandering van luchttemperatuur, neerslag, frequentie en de omvang
van weersextremen. Met name de toename van temperaturen en de frequentie en intensiteit van
hittegolven zullen tot een verhoogd risico op het doormaken van hittestress leiden.
Er is sprake van hittestress wanneer er een onbalans is tussen de warmteproductie (in bijv. een
koe) en de mogelijkheid om deze warmte kwijt te raken aan de omgeving. Dit gebeurt zodra de
bovenste kritische temperatuur van de thermoneutrale zone wordt overschreden (Timmerman et
al., 2018). De mate van optreden van hittestress neemt enerzijds toe door klimaatverandering en
anderzijds door productieverhoging. De melkproductie van koeien neemt toe met 1,5-2% per jaar.
Door een hoger metabolisme zakt de bovenste kritische temperatuur waarbij hittestress begint.
Die kan bij een hoogproductieve koe bij een hogere luchtvochtigheid al bij 20°C liggen. Hittestress
komt in Nederland alleen daardoor dus al steeds meer bij koeien voor. De klimaatverandering
komt daar nu bij: iedere toename in temperatuur en/of luchtvochtigheid maakt de problemen
groter en/of frequenter dan voorheen. Voor productiedieren is het daarom van belang te weten
wat hun thermoneutrale zone is en of hun omgeving ze in staat stelt om binnen de grenzen
daarvan te blijven (Figuur 4).
                     Figuur 4. Principe van de thermoneutrale zone (EFSA, 2020).
Binnen de thermoneutrale zone kan het dier zich aanpassen aan hogere of lagere temperaturen,
zonder dat dit ten koste gaat van normaal lichamelijk functioneren (er is geen extra energie nodig
om te koelen of op te warmen). Daarbinnen ligt nog de comfortzone waarbinnen het dier geen
moeite hoeft te doen om het niet te warm of te koud te krijgen. Dieren die onder de huidige
Nederlandse klimaatomstandigheden al in het grensbereik van hun thermoneutrale zone zitten,
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>zullen sneller in de problemen komen bij weersextremen. Hittestress heeft allerlei negatieve
effecten voor het welzijn van dieren, zoals uitdroging, oververhitting, in shock komen en schade
aan organen. Uiteindelijk kan het dier er zelfs door overlijden.
Van circa 300 zoogdiersoorten is de thermoneutrale zone bekend, maar eventuele verschillen op
rasniveau zijn minder bekend. Over de thermoneutrale zone van koeien is veel bekend: voor een
hoogproductieve koe ligt de onderste kritieke temperatuur bij circa -30°C en de bovenste tussen
de 20-24°C (Figuur 4). Hieruit blijkt dat melkkoeien in Nederland tegenwoordig al vaak last van
hittestress kunnen hebben. De veel voorkomende Holstein koeien in Nederland hebben nu naar
schatting al op bijna een kwart van de dagen in het jaar kans op hittestress (Timmerman et al.,
2018). Ze kunnen hogere temperaturen tot circa 30°C wel verdragen, maar gebruiken dan extra
energie om zichzelf te koelen. De effecten van de verwachte toename van de kans op hittestress
verschillen afhankelijk van de locatie en het ontwerp van de stallen, en van - wel of niet -
aanwezige beschutting in de weide. De huidige toename in frequentie en duur van
hittestressperiodes impliceert een negatieve impact op het dierenwelzijn en zorgt voor een
dringende behoefte aan meer aanpassingsmogelijkheden in de houderijsystemen (Hempel et al.,
2019).
Voor het beoordelen van de kans op hittestress is de ‘temperature humidity index’ (THI) een
belangrijke en veel gebruikte indicator, hoewel er internationaal verschillende berekeningen van
de THI worden gebruikt (Dash et al., 2016). In Nederland wordt de THI voor hoogproductieve
koeien meestal berekend als THI = 0,8 x T + ((RV/100) x (T – 14,4)) + 46,4 (van Laer et al., 2015);
hoe neemt bij een oplopende luchtvochtigheid (RV) de hittestress bij een gelijke temperatuur (T)
toe. Hittestress is ernstiger bij een combinatie van hoge temperatuur én hoge luchtvochtigheid (zie
Figuur 5). Ook spelen windsnelheid/luchtstroming en zonne-instraling (indien buiten) een rol. Deze
factoren zitten echter niet in de THI-berekening.
         Figuur 5. Stressniveaus bij melkvee in afhankelijkheid van temperatuur en relatieve
                                       luchtvochtigheid (GD, 2022b).
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’           15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>In Nederland was in de periode 1991-2020 de gemiddelde relatieve vochtigheid buiten 60-70% (zie
Figuur 6) en dan kan dus al snel sprake zijn van hittestress.
       Figuur 6. Langjarig gemiddelde relatieve vochtigheid in de zomer buiten (KNMI, z.d. B).
Voortdurende blootstelling aan hittestress heeft ook economische effecten: het beïnvloedt de
groei, de melk- en vleesproductie en de reproductie negatief. De natuurlijke mogelijkheden voor
een dier om de gevolgen van een hogere omgevingstemperatuur te beperken verschillen binnen
en tussen diersoorten. Kleine herkauwers als schapen en geiten zijn in het algemeen bijvoorbeeld
beter in staat met hoge temperaturen om te gaan dan grote herkauwers. Wereldwijd zijn er veel
verschillende rassen (bijv. 1.000 runder-, 1.000 schapen- en 600 geitenrassen) en het vermogen
om zich aan te passen aan temperatuurveranderingen verschilt tussen de rassen (Joy et al., 2020).
Varkens en pluimvee kunnen moeilijk hun warmte kwijtraken, doordat ze weinig zweetklieren
hebben. Bij varkens belemmert bovendien de onderhuidse speklaag de warmteoverdracht. Voor
afkoeling zijn varkens en pluimvee daardoor vooral aangewezen op verdamping via de ademhaling
(hijgen). Als afkoeling onvoldoende lukt zullen ze minder gaan eten om de metabole
warmteproductie te beperken. Hierdoor neemt de groei en voerefficiëntie af. Bij zeugen neemt
onder andere de worpgrootte af, maar doorgemaakte hittestress bij de zeug blijkt ook nog effect
te hebben op de groei en ontwikkeling van de biggen die daarna geboren worden (verhoogde
lichaamstemperatuur en meer vetweefsel) (Mayorga et al., 2019). Er zijn overigens aanwijzingen
dat sterke temperatuurwisseling gedurende het etmaal soms meer belastend kan zijn dan alleen
hoge temperatuur (Varkens, 2022). Daarom is het van belang bij maatregelen tegen hittestress te
kijken naar zowel temperatuurstijging als ook instabiliteit in klimaat en temperatuur.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’          16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Hittestress tijdens transport van dieren
Hittestress kan in alle fasen van het leven van productiedieren voorkomen: in de stal, in de uitloop
of weide, tijdens transport en in de slachterij. Daarom is het belangrijk om in iedere fase te
bekijken wat de risicofactoren voor hittestress zijn, en welke maatregelen hiertegen genomen
kunnen worden. Als transport van dieren plaatsvindt op warme dagen, neemt de kans op
hittestress en daarmee de kans op welzijnsproblemen toe. Transport is voor dieren sowieso al een
stressvolle gebeurtenis, en hittestress kan dus één van de factoren zijn die leiden tot een
negatieve emotionele staat bij de getransporteerde dieren. Hoge temperaturen tijdens transport
zijn volgens EFSA een groot gevaar voor het welzijn van dieren (EFSA, 2022a,b,c).
Hittestress tijdens transport kan in uiterste gevallen leiden tot sterfte. Uit data-analyse van interne
NVWA-slachtgegevens van vleeskuikens van de jaren 2017, 2018 en 2019 blijkt dat er bij een
temperatuur van 25°C tot 30°C een licht verhoogd percentage Dead-On-Arrival is en op dagen met
een temperatuur boven 30°C een sterk verhoogd percentage Dead-On-Arrival (BuRo, 2020).
Nieuwe ziekten
Door klimaatverandering verspreiden insecten en teken zich in Europa naar meer noordelijk
gelegen gebieden. Voor zover deze geleedpotigen vectoren van ziekten zijn, betekent dit dat ook
een aantal ziekten steeds noordelijker zal voorkomen en daarmee een nieuw risico vormt voor
dieren in Nederland. Klimaatverandering kan invloed hebben op diverse karakteristieken van
gastheer- en vectorpopulaties: geografische verspreiding, mate van voorkomen van de populatie,
de mate van voorkomen van pathogeeninfectie en de belasting van individuele gastheren en
vectoren met pathogenen (Mills et al., 2010; Rojas-Downing et al., 2017).
Verschillende onderzoeken naar de epidemiologie van infectieziekten laten een positief verband
zien tussen temperatuur en uitbreiding van de geografische verspreidingsgebieden van
geleedpotige vectoren, zoals de mug Culicoides imicola die het blauwtongvirus overdraagt (Bett et
al., 2017). Endoparasieten kunnen ook worden beïnvloed door klimaatverandering, doordat een
aanzienlijk deel van hun levenscyclus zich buiten het lichaam van de gastheer afspeelt (Lacetera,
2019).
Voer- en waterbeschikbaarheid en -kwaliteit
Klimaatverandering kan negatieve gevolgen hebben voor de gewasgroei en -kwaliteit met
daardoor indirecte effecten voor dieren (Rojas-Downing et al., 2017; Mayorga et al., 2019). Hoge
temperaturen in combinatie met vocht bevorderen de groei van mycotoxine producerende
schimmels, terwijl veel dieren slecht tegen mycotoxinen kunnen (Lacetera, 2019). Ook kan het
eiwitgehalte van gewassen dalen en de verteerbaarheid negatief worden beïnvloed (Hristov et al.,
2018). Wanneer droogte zorgt voor minder grasgroei kan het moeilijker worden om runderen te
weiden, waardoor de welzijnsvoordelen van weidegang afnemen. Daarnaast kan droogte zorgen
voor minder beschikbaarheid van drinkwater voor dieren die buiten lopen, denk bijvoorbeeld aan
runderen in natuurbegrazingsgebieden.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Stalbranden
De verwachting van IPCC/KNMI is dat gerelateerd aan de temperatuurstijging ook onweer, bliksem
en hagel zullen toenemen (zie bijlage 1). Met name de blikseminslagen zouden tot meer
stalbranden kunnen leiden. In een tweetal analyses van de stalbranden in Nederland in de periode
2012/14 tot 2020 is een dergelijke ontwikkeling echter niet zichtbaar (Onderzoeksraad voor
Veiligheid, 2021; Verbond van Verzekeraars, 2022). Op een totaal aantal beoordeelde stalbranden
van 328 resp. 334 was bij 17 resp. 14 stalbranden blikseminslag de oorzaak (Figuur 7).
     Figuur 7. Aantal stalbranden per jaar door blikseminslag (Verbond van Verzekeraars, 2022)
In circa de helft van de stalbranden was geen oorzaak bekend. Daaronder zullen waarschijnlijk
weinig gevallen van blikseminslag zijn, omdat de relatie met onweer/blikseminslag snel gelegd zal
worden. Het aandeel blikseminslag als oorzaak van stalbranden is in Nederland dus laag (circa 5%)
en er is hierin (nog) geen stijgende tendens zichtbaar.
Overstromingen/natter
Extreme regenval en overstromingen kunnen ook (productie)dieren in gevaar brengen. Dit geldt
zowel voor dieren in stallen, als voor dieren die buiten lopen. Zeker in het geval van
overstromingen kan te late evacuatie uit lagergelegen gebieden bij rivieren en dergelijke tot
problemen voor die dieren leiden.
Wanneer in de (warmere) zomer door veel neerslag weilanden en natuurgebieden langdurig nat
blijven neemt het risico op leverbot (Fasciola hepaticia) toe, niet alleen voor runderen, maar ook
voor schapen, geiten en paarden. De leverbotslak (Galba truncatula) is tussengastheer van de
parasiet en de ontwikkeling van de parasiet is afhankelijk van vocht en temperatuur (GD, 2022a).
Storm en hagel
Weersextremen kunnen zich ook uiten in hevige stormen, al dan niet met hagel. Daarbij kunnen
stallen en verblijfsgebieden buiten beschadigen en zo tot welzijnsproblemen bij dieren leiden. Dit
was bijvoorbeeld het geval in 2016 toen extreem noodweer met grote hagelstenen op varkens- en
pluimveebedrijven in Noord-Brabant voor dode dieren zorgde.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’           18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Afhankelijkheid van klimaatapparatuur
Indien gekozen wordt voor maatregelen om het stalklimaat te verbeteren met behulp van
apparatuur daarvoor (bijvoorbeeld conditioneren van de binnenkomende lucht) kan dat tot
nieuwe risico’s voor dierenwelzijn leiden wanneer dergelijke apparatuur door een storing uitvalt
op een kritiek moment. Hetzelfde geldt voor het gebruik van airco-installaties bij diertransport. Op
zich zijn deze maatregelen positief voor het dierenwelzijn, maar er zou een vorm van back-up,
zoals een dubbele beveiliging moeten zijn, voor zowel de apparatuur als de stroomvoorziening in
geval van storingen. Ook kan gezocht worden naar meer robuuste, niet-storingsgevoelige
maatregelen.
2.2 Hoe negatieve effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn
        beperken?
In 2020 heeft de minister van LNV het ‘Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw’ aan de
Tweede Kamer gestuurd (LNV, 2020a). Dit actieprogramma geeft in hoofdlijnen aan wat er al
gebeurt aan klimaatadaptatie in de diverse nationale programma’s en beleidstafels, welke acties
daarin reeds zijn voorzien of ingezet en welke aanvullende impulsen zullen worden gegeven. Het
actieprogramma is opgesteld samen met LTO, het ministerie van IenW, de Unie van
Waterschappen, het IPO, de VNG en het Verbond van Verzekeraars en is primair gericht op
informeren en faciliteren. Het actieprogramma betreft de gehele landbouw; de veehouderij is één
van de vijf pijlers erin.
Van de effecten van klimaatverandering zijn die van extremere, en soms langdurige, hitte in
Nederland het meest direct merkbaar en leiden potentieel snel tot grote problemen voor het
welzijn van dieren. Daardoor is hier met name tijdens transport, ook binnen Nederland al veel
aandacht voor. Mede in het verlengde van het ‘Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw’ zijn
in Nederland voor diverse gehouden diersoorten adviezen beschikbaar over welke maatregelen bij
hitte kunnen worden genomen: variërend van extra ventileren tot voeraanpassing (tijdstip voeren,
minder voer, voer met minder verteringswarmte), tot transport op koelere tijden van de dag. Zo
bestaan inmiddels bijvoorbeeld een ‘Nationaal plan veetransport bij extreme temperaturen’
(NVWA, 2023), een website ‘Hittestress Check & Advies’ met tips en adviezen voor het tegengaan
van hittestress bij melkkoeien, kalveren, pluimvee, varkens, schapen, geiten en paarden (GD,
2022b), een ‘Hitteprotocol Varkenshouderij’ (POV & WUR, 2020), een ‘Protocol Veetransport
onder Extreme Temperaturen’ (VLN & Saveetra, 2020), een ‘Protocol Pluimveetransport bij
hoge/lage Omgevingstemperaturen’ (Stichting Avined, 2018) en een ‘Protocol Extreme
Weersomstandigheden voor Paarden’ (Sectorraad Paarden, 2022).
Ondanks het al in uitvoering zijnde ‘Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw’ wil de RDA in
deze    paragraaf     aandacht     besteden       aan    mogelijkheden     om   negatieve effecten van
klimaatverandering op dierenwelzijn in de veehouderij te beperken. Dit mede omdat de RDA de
indruk heeft gekregen dat er nog met te weinig urgentie wordt gewerkt aan structurele
maatregelen om die effecten tegen te gaan. In bijlage 1 is de verwachting van de
klimaatverandering in de komende jaren beschreven die zelfs zal optreden als de wereld zich
                      RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>maximaal richt op het beperken van klimaatverandering. Hittestress zal steeds vaker optreden in
Nederland. Het is daarom van belang dat bij maatregelen om hittestress te voorkomen zo snel
mogelijk wordt overgestapt van noodmaatregelen die alleen tijdelijk hittestress voorkomen naar
maatregelen die een structurele oplossing bieden.
Als meest kansrijke oplossingsrichtingen om hittestress te beperken worden genoemd: het fysiek
aanpassen van de leefomgeving, het anders managen van het veehouderijsysteem, het aanpassen
van de voersamenstelling en genetische verbetering (Bernabucci, 2019). Deze worden navolgend
besproken.
Preventie en beperken van hittestress
Aanpassingen aan de omgeving
Bij melkkoeien kunnen het bieden van schaduw, nevel, ventilatie en koeling effectief zijn bij het
aanpassen aan klimaatverandering (Sinha et al., 2017). Door management van het microklimaat
kan de impact van hitte worden beperkt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van geautomatiseerde
klimaatregulering en besturingssystemen met sensoren waarmee de dieren gemonitord worden
(Hempel et al., 2019).
In Israël is vanwege de economische voordelen al veel onderzoek gedaan naar het beperken van
hittestress bij melkkoeien (Flamenbaum, 2013). Het koelen van de koeien door een combinatie
van nat maken van de koeien en geforceerde ventilatie bleek het goedkoopst en het meest
effectief. De koeltijd per dag (waarbij de koeien moeten staan) kan zo oplopen tot wel 7,5 uur.
Zulke lange koelperiodes bleken niet ten koste te gaan van het dierenwelzijn: juist door de
koelsessies nam de lig- en herkauwtijd toe vergeleken met geen koeling (Honig et al., 2012). Voor
Nederlandse omstandigheden met een hogere luchtvochtigheid en ligboxstallen met
roostervloeren in plaats van vrijloopstallen in Israël, is wel extra aandacht nodig dat de dieren en
de vloer niet te nat worden/blijven om welzijnsproblemen te voorkomen.
Voor binnen gehouden dieren heeft het aanpassen van de (stal)omgeving de eerste prioriteit om
hittestress tegen te gaan. Mayorga et al. (2019) geven voor varkens diverse mogelijkheden die op
verschillende manieren werken (zie Figuur 8):
•    Het beperken van zoninstraling. Voor buiten lopende dieren vooral het bieden van
     schaduwmogelijkheden (zie ook verderop). Voor binnen verblijvende dieren draait het vooral
     om het isoleren van daken en plafonds en het aanpassen van ramen in de stal zodat wel licht,
     maar niet de warmte de stal in komt;
•    Het verlagen van de temperatuur van de ingaande lucht door warmte-koudeopslag dan wel
     pad cooling. Vocht bevattende cooling pads (evaporative pads) verlagen door verdamping van
     het vocht de luchttemperatuur. Bij warmte-koudeopslag wordt in de zomer grondwater
     opgepompt en gebruikt als passieve koeling;
•    Warmte uit de stallucht afvoeren door vernevelen. Met hoge druk worden fijne
     waterdruppeltjes in de stal verspreid waarvan de verdamping voor afkoeling zorgt. Een
     mistsysteem heeft deels hetzelfde effect maar produceert grotere druppels en kan
     (ongewenst) tot natte oppervlakken en (te) natte dieren leiden;
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>•    Het rechtstreeks koelen van de dieren. Dit kan met hogere ventilatorsnelheden, sprinklers of
     vloerkoeling. Combinatie van hogere luchtsnelheid met sprinklers kan zeer effectief zijn om
     hittestress tegen te gaan. Vloerkoeling is een dure maatregel om in bestaande stallen in te
     voeren, maar is interessant voor nieuwe stallen.
Airconditioning volgens het bij mensen gebruikelijke type is voor varkens niet zonder meer
bruikbaar vanwege enerzijds de kosten van investering en gebruik en anderzijds de beperkte
levensduur van de materialen in een stalomgeving. Een aandachtspunt voor koelmogelijkheden
met een hoog stroomverbruik is dat deze vanuit het oogpunt van het tegengaan van
klimaatverandering in deze fase van energietransitie eigenlijk niet wenselijk zijn.
Figuur 8. Verschillende koelmogelijkheden om warmteuitwisseling tussen een varken en diens
omgeving te bevorderen (Mayorga et al., 2019).
Behalve deze high-tech oplossingen kunnen bedrijven met buitenuitloop aan de dieren ook een
modderbad aanbieden, dat ze in staat stelt om zichzelf te koelen. Ook zijn er mogelijkheden bij de
inrichting en het management in de stal. Bij een lagere bezetting van de stal hoeven dieren niet
tegen elkaar te liggen, waardoor ze hun warmte beter kwijt kunnen. Dit is ook voor andere
gedragsbehoeften een goede maatregel vanuit de 6 principes voor dierwaardige veehouderij (RDA,
2021; zie ook hoofdstuk 4). Een lagere bezetting van de stal kan zowel een structurele als een
noodoplossing zijn. Dit heeft wel financiële consequenties in de zin van hogere productiekosten.
Het is ook de moeite om klimaatverschillen in de stal op te sporen. Die kunnen zowel tussen als
binnen hokken bestaan. Bij varkens neemt de kans op hittestress toe naarmate het dier groter is.
Zeugen hebben daardoor de koelste omgeving nodig. Het is van belang ook hiermee rekening te
houden.
Overigens gelden de hiervoor beschreven maatregelen, met uitzondering van maatregelen die tot
natte dieren kunnen leiden (sprinklers, mist e.d.), in principe ook voor pluimveestallen.
Nieuwe stallen worden gebouwd in een investeringsritme van vele jaren. Om snel voortgang in het
nemen van maatregelen te realiseren is het belangrijk de aandacht vooral te richten op bestaande
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>stallen en hoe die het beste aangepast kunnen worden. Daarnaast dient vanzelfsprekend bij
nieuwbouw en grondige verbouw rekening te worden gehouden met klimaatadaptatie.
Schaduw in weide en uitloop
Voor buiten lopende dieren is aangetoond dat de aanwezigheid van bomen zorgt voor een beter
microklimaat en thermisch comfort. Gegevens uit de gematigde zone zijn echter nog schaars (Mele
et al., 2019). Onderzoek naar agroforestry kan meer informatie opleveren (WUR, 2022b). Voor
weilanden hebben niet te dichte loofbomen (bijvoorbeeld fruitbomen) de voorkeur, omdat ze wel
schaduw geven, maar de grasgroei minder beperken. Bij de juiste keuze van aan te planten
boomsoorten spelen echter meer factoren een rol (ILVO, 2021). Het aanbieden van schaduw kan
ook door het plaatsen van schuilstallen of toegang tot de eigen stal of door het aanbrengen van
fysieke structuren, zoals een schaduwdoek. Regelgeving kan soms het planten van bomen of het
bouwen van een schuilstal bemoeilijken, maar voor het gebruik van een schaduwdoek zijn in het
algemeen geen regels.
Uit onderzoek blijkt dat vleeskuikens met uitloop bij sterke zonnestraling voorkeur hebben voor
een uitloop met dicht op elkaar geplante wilgen versus kunstmatige afdakjes (Stadig, 2017).
Andere onderzoeken laten ook zien dat zowel kunstmatige als natuurlijke beschutting zorgen voor
meer uitloopgebruik, maar dat dit effect groter is bij natuurlijke beschutting (Gilani et al., 2014;
Nagle and Glatz, 2012). Beschutting biedt overigens niet alleen bescherming tegen hitte, maar
zorgt ook voor een natuurlijker omgeving voor kippen, waardoor ze zich veiliger kunnen voelen
(meer bescherming tegen roofdieren) en meer gebruik maken van de uitloop. Een goed
uitloopgebruik wordt bij leghennen geassocieerd met minder verenpikken (Bestman et al., 2019).
Natuurlijke beschutting in de vorm van bomen en struiken draagt daarnaast bij aan het vastleggen
van CO2 en is zo ook een klimaatmitigatiemaatregel.
Algemeen
Als het over mogelijke maatregelen tegen hittestress gaat, is het goed om op te merken dat een
flinke groep veehouders daarmee al ervaring heeft. Het is van belang dat die kennis nog breder -
en gericht - binnen de sector wordt gedeeld. Zo kunnen veel knelpunten voortvloeiend uit
klimaatverandering door de veehouder zelf worden aangepakt zonder dat daar meer regelgeving
voor nodig is.
Voeding
De hoeveelheid eigen warmteproductie van dieren wordt bepaald door de manier en snelheid
waarmee de voeding wordt omgezet in energie. De hoeveelheid lichaamswarmte die hierbij
ontstaat, kan worden beïnvloed door de hoeveelheid en het type voer. De effectiviteit van allerlei
voedingsaanpassingen om het risico op hittestress te verminderen is echter voor meerdere
diersoorten nog onduidelijk (Mayorga et al., 2019). In de praktijk worden daardoor ook in
Nederland nogal uiteenlopende adviezen gegeven over het voeren bij hoge temperaturen
(bijvoorbeeld ’s nachts voeren, minder voeren, meer water geven) zonder dat altijd duidelijk is in
welke mate deze effect hebben (LNV, 2021). Er is wat dit betreft behoefte aan meer praktijkkennis,
welke ook gebaseerd kan zijn op ervaringen uit andere landen.
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Andere rassen / selectie op hittebestendigheid
Het selecteren in de fokkerij op specifieke genetische eigenschappen van thermotolerante rassen
(bijvoorbeeld haarkleur, haarlengte, haardichtheid, huidpigmentering, staartvorm, hitte- en
droogtetolerantie) lijkt een kansrijke oplossingsrichting om de gevolgen van klimaatverandering
voor het welzijn van productiedieren te beperken, zeker voor buiten gehouden dieren (Joy et al.,
2020). Ook zijn er aanwijzingen dat snel en langzaam groeiende rassen, van bijvoorbeeld pluimvee,
verschillen in de manier waarop ze met hittestress omgaan (de Jong et al., 2012). Tot nu toe is er in
West-Europa vooral gefokt op hoge productiviteit, nauwelijks op robuustheid. In (sub)tropische
landen worden vaak andere rassen gebruikt die daar beter produceren doordat ze zeer
hittebestendig zijn. Voor productiedieren in West-Europa lijkt het gewenst nu ook meer te
selecteren op rassen met een hogere hittebestendigheid. De mogelijkheden daarvoor lijken in
ieder geval aanwezig te zijn, aangezien bij melkkoeien diverse robuustheidskenmerken erfelijk
blijken te zijn (Poppe, 2022). Bij het vaker optreden van hittestress wordt meestal eerst de
oplossing gezocht in managementmaatregelen om de hittestress tegen te gaan, aangezien een
aantal daarvan relatief snel zijn toe te passen. Het is echter zaak om ook tijdig te beginnen met het
onderzoeken van de mogelijkheden van genetische selectie, omdat dit selectieproces wel tot 30
jaar (afhankelijk van de diersoort) kan duren om het gewenste effect te bereiken.
Als maatregel tegen hittestress zou ook kunnen worden gekozen voor dieren met een lagere
productie (vlees, melk, eieren). De eigen warmteproductie van deze dieren is lager en daardoor
zijn ze beter bestand tegen hittestress. Een lagere productie-efficiëntie kan echter wel tot een
hogere broeikasgasemissie per kg product leiden. Daarom dient systeem breed te worden
beoordeeld of dit een goede maatregel is. Indien bijvoorbeeld wordt gekozen voor dubbeldoel
rundveerassen (zowel melk- als vleesproductie) leidt de lagere melkproductie tot een hogere
broeikasgasproductie per kg melk, maar wanneer ook hun vleesproductie wordt meegerekend
leidt het over het algemeen tot een lagere footprint (Zehetmeier et al., 2014; van der Wiel, 2016).
In de praktijk kan dit effect teniet worden gedaan, indien de veehouder ter compensatie van de
lagere melkgift dan meer koeien gaat houden. Ook kan de grondstofkeuze voor het veevoer
verschil maken voor de ‘carbon footprint’, bijvoorbeeld bij trager groeiende scharrelvleeskuikens
die minder soja in hun voer hebben (omdat ze minder eiwit nodig hebben) dan reguliere
vleeskuikens (Mostert et al., 2022).
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Bij transport en slachten
EFSA (2022a,b,c) raadt op basis van wetenschappelijke consensus grenswaarden (zie tabel 1) aan
om hittestress tijdens transport te voorkomen (dit betreft de temperatuur in de wagen). Naast de
temperatuur is ook de duur van het transport op warme dagen van belang: hoe langer de
transportduur, hoe groter de kans op welzijnsproblemen (EFSA, 2022a). Ook factoren zoals
bezetting en ventilatie zijn van invloed op het risico op hittestress.
Tabel 1. Grenswaarden om hittestress tijdens transport te voorkomen (EFSA 2022a,b,c).
Diercategorie                                   Temperatuurgrens (in de wagen) voor transport
Runderen                                        Niet boven 25 °C
Varkens        Gespeende biggen                 Bij voorkeur max. 25 °C, zeker niet boven 30 °C
               Vleesvarkens                     Bij voorkeur max. 22 °C, zeker niet boven 25 °C
               Zeugen                           Bij voorkeur max. 20 °C, zeker niet boven 22 °C
Pluimvee       Op basis van AET-waardes (Apparent Equivalent Temperature, een alternatief
               voor THI) alleen transporteren beneden AET-waarde 40 (de ‘safe zone’ in Figuur
               9).
  Figuur 9. Thermale zones voor pluimveetransport op basis van Apparent Equivalent Temperature
                                           (AET) (EFSA, 2022a).
Sinds 1 juli 2020 mogen in Nederland dieren niet meer getransporteerd worden bij
omgevingstemperaturen van 35°C of meer. Deze temperatuurgrens ligt, gezien de recente
aanbevelingen van EFSA, te hoog. Daarnaast gaan de grenzen die EFSA aangeeft over de
temperatuur ín de wagen, terwijl de wettelijke grens van 35°C over de omgevingstemperatuur
gaat. In veewagens bevinden zich veel dieren bij elkaar, en vaak is de ventilatie beperkt. Ook
zonnestraling zorgt voor een hogere temperatuur (EFSA, 2022b). Daardoor is de temperatuur in de
wagen vaak hoger dan de omgevingstemperatuur (van Niekerk et al., 2015). Een aandachtspunt is
dat als gevolg van het niet transporteren naar de slachterij er geen welzijnsproblemen in (te volle)
stallen ontstaan.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>In het Nationaal Plan voor Veetransport bij Extreme Temperaturen (NVWA, 2023), het Plan van
Aanpak Hittestress bij Landbouwhuisdieren (LNV, 2022) en verschillende sectorprotocollen zijn
maatregelen beschreven om hittestress tijdens transport te voorkomen (onder de wettelijke grens
van 35°C). Deze protocollen gaan echter pas in vanaf een omgevingstemperatuur van 27°C, hoger
dan de meeste grenzen die EFSA aanbeveelt. Daarnaast zijn veehouders, transporteurs en
slachterijen op basis van de protocollen niet verplicht om maatregelen te nemen. De NVWA kan
hierop ook niet handhaven, omdat het Nationaal plan en de sectorprotocollen niet onder de wet-
en regelgeving vallen. Handhaving kan alleen gebeuren op basis van geldende dierenwelzijnswet-
en regelgeving.
Goede maatregelen om hittestress tijdens transport tegen te gaan zijn bijvoorbeeld:
•    Lagere maximumtemperatuur voor transport
     Wettelijk een lagere temperatuurgrens vastleggen, die rekening houdt met de thermoneutrale
     zone van de diersoort én met het feit dat de temperatuur in de wagens vaak hoger ligt dan de
     omgevingstemperatuur.
     Ook het verschuiven van transporttijden naar de koelere momenten van de dag kan helpen. In
     geval van transport naar het slachthuis moet dit wel aansluiten op de werktijden van de
     slachterij, inclusief toezicht. Momenteel kan er pas vanaf een verwachte lokale temperatuur
     van 33°C een verzoek bij de NVWA worden ingediend om eerder te beginnen met slachten
     (NVWA, 2023).
•    Lagere bezetting in veewagens
     Een lagere bezetting per compartiment/container geeft de dieren meer ruimte om een
     houding aan te nemen waarin ze hun warmte beter kwijt kunnen, en vergroot de luchtstroom
     langs de dieren. Bij pluimvee is het ook belangrijk om ‘hotspots’ (de heetste plekken in de
     veewagen) volledig leeg te laten.
•    Betere ventilatie in veewagens
     Goede mechanische ventilatie kan het risico op hittestress verlagen. Veel veewagens zijn nu
     (grotendeels) afhankelijk van de rijwind voor hun ventilatie, en bij stilstand (zoals files) is er
     dus geen ventilatie. Bij mechanische ventilatie is wel een back-upsysteem nodig.
•    Maatregelen bij slachterijen
     Het direct kunnen uitladen (naar een geklimatiseerde wachtruimte) is bij slachthuizen de
     beste maatregel om hittestress te voorkomen. Een goede aanvoerplanning maar ook
     voldoende los- en wachtruimte-capaciteit zijn hiervoor essentieel. Daarnaast kunnen
     slachterijen maatregelen nemen voor wachtende veewagens, zoals schaduwvoorziening,
     ventilatie en verneveling.
Een aantal van bovenstaande maatregelen wordt momenteel onderzocht door de partijen die zijn
aangesloten bij het Plan van Aanpak Hittestress bij Landbouwhuisdieren (LNV, 2022). Het is
gewenst dat hier op afzienbare termijn goede, handhaafbare maatregelen uit voortkomen om
dieren tijdens transport te beschermen tegen hittestress.
                      RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Preventie van dierziekten
De preventie van de verspreiding van nieuwe ziekten is een lastige opgave. Er zijn nog veel
onzekerheden over hoe gastdieren, ziekteverwekkers en ziektevectoren reageren op
klimaatverandering (Hristov et al., 2018). De nadruk dient daarom te liggen op monitoring van de
diergezondheid en het tijdig signaleren van tekens van een nieuwe ziekte (ook in naburige landen),
zodat daar adequate (liefst preventieve) actie op ondernomen kan worden. Dit geldt zowel voor
dierhouders als dierenartsen. De al bestaande plichten van dierhouders in de preventie van
dierziekten dienen daarbij te helpen:
•    zorgen voor voldoende hygiëne op het bedrijf;
•    letten op tekens van ziekte;
•    een vermoeden van het vóórkomen van bepaalde dierziektes melden bij het Landelijk
     meldpunt dierziekten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA);
•    de regels volgen als hij dieren haalt uit een land buiten de Europese Unie (EU);
•    voldoende kennis hebben van dierziekten en van hygiënemaatregelen.
Voor wat betreft het opzetten van een systeem van structurele systematische monitoring van de
populaties en besmettingsgraad van vectoren, is het van belang niet alleen de exoten maar ook de
inheemse soorten daarin onder te brengen, om de effecten van lange termijn veranderingen zoals
klimaatverandering in kaart te kunnen brengen (Expertgroep zoönosen, 2021).
Beperken van risico’s van overstromingen
Voor productiedieren is het bij een overstroming vooral van belang dat ze tijdig geëvacueerd
kunnen worden. Houders van dieren zijn primair zelf verantwoordelijk voor de evacuatie.
Overheden kunnen hierbij een faciliterende rol spelen. Het vroegtijdig waarschuwen van
dierhouders bij overstromingen is daarom van groot belang. Het vooraf opstellen van
evacuatieplannen is ook zinvol. In de afgelopen jaren zijn voor overstromingssituaties al
verschillende richtinggevende documenten opgesteld: Leidraad voor het evacueren van vee (LNV,
2014), Landelijk Crisisplan Hoogwater en Overstromingen (IenW, 2020) en de Handreiking Redden
van mens en dier tijdens overstromingen (WAVE, 2020). Ook is er een Veehouderij Evacuatie
Beoordeling (VEB) voor melkveehouderijen die nog wordt doorontwikkeld (LTO, 2022).
Preventie van blikseminslag
De meest voor de hand liggende maatregel om blikseminslag in stallen te voorkomen is het
plaatsen van een bliksemafleider op het dak van de stal (Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2021).
Het Economisch Instituut voor de Bouw heeft het plaatsen van bliksemafleiders op stallen ook als
kansrijke maatregel geïdentificeerd (EIB, 2018). Tot nu toe is er echter geen verplichting of
subsidieregeling om het plaatsen van bliksemafleiders op stallen te bevorderen. Dit heeft vooral te
maken met de inschatting dat deze (dure) maatregel niet proportioneel is ten opzichte van het
risico dat ermee wordt voorkomen (LNV, 2020b).
Voor dieren in de wei kan het schuilen onder bomen een risico voor blikseminslag betekenen. Het
verwijderen van de bomen leidt echter tot een dilemma, als de bomen tegelijkertijd gewenst zijn
bijvoorbeeld vanwege hun schaduwmogelijkheid.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Beperken van risico’s bij storm en hagel
Dieren die buiten verblijven dienen tijdig toegang tot schuilmogelijkheden hebben. Voor stallen
gelden in principe voldoende bouwkundige eisen bij vergunningverlening en zal vooral aandacht
nodig zijn voor verouderde stallen met later ontstane gebreken.
2.3 Onderzoeksvragen
Uit een analyse van 563 wetenschappelijke veehouderijartikelen over dierenwelzijnsbeoordeling
uit de periode 2015-2021 op de mate waarin de onderzoekers de thema’s dierenwelzijn, stress,
klimaatverandering en productiviteit hebben geïntegreerd, blijkt dat er een tekort is aan studies
die onderzoeken hoe de interactie tussen deze thema’s de veehouderij beïnvloedt (Narayan et al.,
2021). Er bleek bovendien, vergeleken met andere diersoorten, relatief veel onderzoek aan
melkvee te zijn gedaan. Er is meer onderzoek gewenst aan niet-herkauwers. Toekomstig
onderzoek zou meer gericht moeten zijn op hoe dieren reageren op klimaatverandering. Nieuwe
technologieën (deels nog te ontwikkelen), zoals remote sensing en kunstmatige intelligentie,
bieden daarbij mogelijkheden om effecten op dierenwelzijn te bepalen.
Naar hittestress is relatief al het meeste onderzoek gedaan. Omdat het echter het meest
prominente dierenwelzijnseffect van klimaatverandering is, blijft hier zeker nog meer onderzoek
aan te doen. Voor rundvee bijvoorbeeld (Hempel et al., 2019):
•    De    relatie   tussen     hittestress-geïnduceerde      fysiologische    en  gedragsveranderingen,
     gezondheidsproblemen en medische behandelingen;
•    De ontwikkeling van dierspecifieke hittestressdrempels (zoals in Tabel 1) afhankelijk van
     leeftijd, activiteit, vitaliteit, houding en positie in plaats van het gebruik van gemiddelde
     waarden en drempels;
•    Accumulatie van hittestress-effecten met toenemende duur van warmtebelasting en
     gedifferentieerd naar hittestressniveaus en ras.
De mogelijkheden van genetische selectie op raseigenschappen zijn nog onvoldoende onderzocht.
Het is nodig de onderliggende biologische mechanismen en genetische kenmerken te kennen voor
eigenschappen als vachtkarakteristieken, gepigmenteerde huid, dikte staartvorm (bijv.
vetstaartschapen), tolerantie tegen warmte en droogte, zodat daarop geselecteerd zou kunnen
worden (Joy et al., 2020). Vanuit de principes van dierwaardige veehouderij dient dit wel beperkt
te blijven tot functionele kenmerken als sociaal gedrag, gezondheid, levensduur, gedrag in groepen
en robuustheid (zie hoofdstuk 4 principe 1. Respect voor intrinsieke waarde en integriteit ).
Door meer nattigheid (bijv. als gevolg van overstromingen of door het verhogen van het
grondwaterpeil) en andere insecten is er kans op nieuwe dierziekten. Er zijn nog weinig studies
over de impact van klimaatverandering op het optreden van dierziekten. Met modelsimulaties kan
dit verder worden onderzocht (Bett et al., 2017).
De grenzen tussen milde en ernstige hittestress en lijden zijn niet voor alle diersoorten bekend. Dit
valt verder te onderzoeken, maar op zich zal iedere mate van hittestress nadelig zijn voor het
                      RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>bereiken van een positieve emotionele staat. Ook is onderzoek gewenst naar diergerelateerde
indicatoren die hittestress meetbaar maken (liefst voorspellend) en in de praktijk toepasbaar zijn.
Ook praktische vragen rond hittestress zijn relevant om verder uit te zoeken (benoemd tijdens
deskundigenbijeenkomst 4 mei 2022):
•    Hoe herken je milde en ernstige hittestress bij verschillende diersoorten? Is voorspellen
     mogelijk (dit dier gaat in hittestress komen)?
•    Hoe moeten dieren worden behandeld die hittestress hebben?
•    Heeft hittestress tijdens het vroege leven, of bij ouderdieren, gevolgen voor het latere leven
     of latere generaties?
In bestaande stallen kan het door verkeerde constructies nu vaak al te warm zijn. Aanpassingen
kunnen dan bijvoorbeeld bestaan uit ventilatoren, sproeien en aanpassen voertijden versus
rusttijden. De effecten en juiste manier van toepassen zijn echter onvoldoende bekend in de
praktijk. Andere aandachtspunten zijn:
•    Het integraal bekijken van de effecten van aanpassingen in de houderij (bijvoorbeeld meer
     ruimte per dier werkt tegen hittestress maar vermindert ook staartbijten);
•    Het ontwikkelen van een risk assessment per staltype gerelateerd aan hittestress (type stal,
     ligging, bezetting, voersysteem).
Uit de in deze paragraaf genoemde onderzoeksvragen moet niet de indruk ontstaan dat er nog te
weinig bekend is om al maatregelen te kunnen nemen. In § 2.2 worden daar juist al veel suggesties
voor gedaan. Dat sommige daarvan vanwege de kosten niet worden toegepast betekent niet dat
ze er niet zijn. Een aantal van de genoemde klimaatgerelateerde knelpunten is bovendien
praktisch van aard. Hier bestaat de behoefte vooral uit de inzet van communicatieve maatregelen
voor kennisoverdracht en het versterken van bewustwording over de mogelijke oplossingen.
Hierbij kan gebruik worden gemaakt van ervaringen in warme landen en goede praktijken in ons
eigen land en omringende landen.
Naast de genoemde onderzoeksvragen zou juist ook in onderzoekprojecten die niet primair over
effecten van klimaatverandering gaan, maar bijv. over het ontwikkelen van nieuwe integraal
duurzame stalsystemen, het aspect klimaatadaptatie niet vergeten mogen worden. De tot nu toe
bekende maatregelen zouden zoveel mogelijk in die projecten/systemen geïntegreerd moeten
worden.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>3. Effecten van klimaatbeleid
3.1 Effecten van klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij op
        dierenwelzijn
Productiedieren zijn zelf een aan de mens gerelateerde bron van broeikasgasuitstoot. Van de
totale hoeveelheid broeikasgassen die in Nederland wordt uitgestoten is 16% afkomstig uit de
landbouw en ruim 60% daarvan is afkomstig van dieren en mest (CBS, 2021). Het klimaatbeleid
heeft daarom onder andere ten doel de uitstoot van broeikasgassen uit de veehouderij te
reduceren. De maatregelen die daarvoor bedacht worden kunnen zelf ook weer effect hebben op
het welzijn van productiedieren.
Om de uitstoot van broeikasgassen uit de veehouderij te reduceren is de overheid op zoek naar
maatregelen die hieraan kunnen bijdragen, zoals aanpassingen aan stallen, aan het rantsoen van
de dieren, aan de dieren zelf (genetica), aan het verwerken en aanwenden van mest, of aan het
volledige veehouderijsysteem. Van een aantal aanpassingen is al bekend dat ze negatieve effecten
op dierenwelzijn kunnen hebben. Hierna volgt een overzicht van klimaatmitigatiemaatregelen voor
de veehouderij waaraan nu in Nederland wordt gedacht. Voor de duidelijkheid: dit is slechts een
opsomming daarvan en géén overzicht van maatregelen waar de RDA zich in kan vinden. Ook
ontbreken er wellicht enkele zonder dat dit een bewuste keuze is. Voor de genoemde mogelijke
klimaatmitigatiemaatregelen vermeldt de RDA, op basis van de huidige kennis, enkele mogelijke
effecten op het welzijn van productiedieren zonder daarin volledigheid na te streven. De effecten
zijn aangegeven met positief (duim omhoog), negatief (duim omlaag) of onbekend (vraagteken).
Selectie op genetische aanleg van dieren voor lagere emissies
Uit veel onderzoek bij melkkoeien blijkt dat er genetisch effect op de methaanemissie is (Ghavi
Hossein-Zadeh, 2022; Beauchemin et al., 2022). Door te selecteren op een genetische aanleg voor
een lage methaanuitstoot, kan de emissie van melkkoeien mogelijk afnemen.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Onbekend is of deze selectie op lagere methaanemissie dierenwelzijnseffecten kan hebben.
Selectie op genetische aanleg voor hogere voedselefficiëntie
Door te selecteren op een lager voerverbruik per kg lichaamsgroei, ei of liter melk neemt de
emissie af. Door het vergelijken van de emissie in CO2-equivalenten per kg lichaamsgroei, ei of liter
melk, komen hoogproductieve koeien er gunstiger uit dan laagproductieve koeien.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Hogere voedselefficiëntie en hogere productie kan averechtse gevolgen voor het
     dierenwelzijn hebben, zoals een geringere levensvatbaarheid van biggen door grotere worpen
     en een te snelle groei van vleespluimvee met het oog op botontwikkeling (waardoor er meer
     kans op botbreuken is). Als een hogere voedselefficiëntie gepaard gaat met beperkt(er)
     voeren, kan dit leiden tot ongewenste gedragingen, zoals pikkerij of staartbijten.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’              29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Levensduurverlenging landbouwhuisdieren
Het verlengen van de levensduur en daarmee het verhogen van de levensproductie van dieren kan
de uitstoot van CO2-equivalenten per kg melk (of ander dierlijk product) verlagen (Llonch et al.,
2017). Dit effect wordt vooral bereikt doordat de ‘investering’ in de niet-productieve eerste jaren
over meer productieve jaren wordt verdeeld (dit uit zich ook in een lager vervangingspercentage).
Mogelijke effecten op het welzijn
    Het verbeteren van dierenwelzijn, incl. diergezondheid, is direct verbonden aan een
    verlenging van levensduur en kan zo tot een hogere productie-efficiëntie leiden (Llonch et al.,
    2017). Gezondheidsproblemen kunnen bijv. gepaard gaan met minder efficiënte omzetting
    van voer in melk. Ook de keuze voor andere rassen zoals dubbeldoelrassen, welke minder
    productieziektes hebben, kan hieraan bijdragen (Zehetmeier et al., 2014; van der Wiel, 2016).
Aanpassen voersamenstelling
Hierbij wordt onder meer gedacht aan het gebruiken van reststromen, die een lagere CO 2-
footprint hebben dan ‘traditioneel’ veevoer. Ook kunnen additieven ingezet worden om de emissie
van methaan door melkvee te verlagen (EFSA, 2021). Een beter verteerbaar rantsoen door een
hogere krachtvoergift kan leiden tot een hogere voerefficiëntie en daardoor minder
methaanuitstoot per kg melk.
Mogelijke effecten op het welzijn
    Van het gebruiken van reststromen voor veevoer zijn de mogelijke risico’s voor het
    dierenwelzijn beschreven in de RDA-zienswijze ‘Dierenwelzijn in de Kringlooplandbouw’ (RDA,
    2020). Risico’s zijn met name fysische, chemische en biologische verontreinigingen, een lagere
    voedingswaarde en andere verteerbaarheid.
    Een te snel verteerbaar rantsoen door het voeren van meer fermenteerbare koolhydraten en
    verkleinen van partikelgrootte van het voer, vergroot bij rundvee het risico op pensverzuring.
    Voeren van meer geconcentreerd voer aan varkens kan leiden tot darmproblemen.
    In dierexperimenteel onderzoek dat wordt uitgevoerd naar het ideale voer op basis van
    reststromen kan sprake zijn van negatieve effecten op het welzijn van de daarvoor gebruikte
    dieren (zie bijv. ALURES, 2023a; ALURES, 2023b).
    Door EFSA goedgekeurde additieven kunnen ingezet worden om de emissie van methaan door
    melkvee te verlagen. Voor het goedgekeurde additief 3-nitrooxypropanol (merknaam
    Bovaer®) kon echter geen algemene grenswaarde voor veilig gebruik bij andere herkauwers
    worden vastgesteld (EFSA, 2021). Onderzoek naar dierenwelzijn is geen toelatingseis voor
    voeradditieven (EU, 2003), waardoor eventuele dierenwelzijnseffecten niet bekend zijn.
    Daarnaast valt te discussiëren of het ingrijpen op een dergelijk essentieel verteringsproces een
    aantasting van de integriteit van het dier is.
    De discussie over de footprint van producten, reductie van emissies en over waar
    landbouwgrond het beste voor kan worden ingezet kan effect krijgen op de keuze van
    grondstoffen voor diervoer. De eventuele effecten daarvan voor dierenwelzijn van
    productiedieren zijn niet altijd bekend, maar moeten wel worden meegenomen in deze
    afwegingen.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Weidegang
Een hoger aandeel vers gras door meer weidegang kan de methaanuitstoot per kg melk reduceren
vergeleken met voeren van kuilgras (WUR, 2022a). Dit is echter niet automatisch een effectieve
klimaatmitigatiemaatregel, omdat het voeren van gras vergeleken met andere voedermiddelen,
zoals snijmais, in principe tot een hogere methaanuitstoot leidt vanwege de fermentatie van de
vezels in het gras. Voor beperking van de methaanuitstoot kan het dus gunstiger zijn om koeien in
de stal een gecontroleerd dieet te geven, waar het aandeel gras kan worden gereduceerd.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Door meer weidegang kunnen dieren beter hun natuurlijk gedrag vertonen en het bevordert
     klauw- en uiergezondheid.
     Door minder weidegang juist het omgekeerde effect.
Stalaanpassingen
Door koeien binnen te houden in meer gesloten stallen, zouden emissies kunnen worden
afgevangen en opgeslagen (LTO et al., 2018). Ook kunnen emissiebeperkende maatregelen
worden genomen. Zo zijn melkveestallen in Nederland nu nog vooral uitgerust met roostervloeren
boven een mestkelder. De micro-organismen in de drijfmest (mengsel van mest en urine) in de
kelder zorgen voor de vorming van methaan in de mest. Om de methaan-(en ammoniak-)emissie
tegen te gaan zijn er verschillende (half)dichte vloersystemen ontwikkeld, zoals een dichte
betonnen vloer, een dichte kunststof vloer, of een vrijloopstal met stro- of zandbodem.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Volledig gesloten stallen beperken de mogelijkheden tot weidegang.
     Emissiearme vloeren kunnen door hun ontwerp (te) glad zijn en tot dierenwelzijnsproblemen
     leiden.
     Vrijloopstallen met een zandbodem kunnen naast emissiereductie ook voor een beter
     dierenwelzijn zorgen (meer ruimte en bewegingsvrijheid, betere uier- en klauwgezondheid
     door comfortabele zandbodem om op te lopen en liggen).
Mestmaatregelen
In varkensstallen komen methaanemissies vooral uit de mest; bij melkkoeien meer uit de dieren
zelf. Door een combinatie van frequent afvoeren van mest uit de stal, het verkleinen van het
mestoppervlak en het spoelen van mest, eventueel aangevuld met mestkoeling kan dit worden
verminderd (Programma Integraal Aanpakken, 2020). Het verdund uitrijden van mest vermindert
ook mogelijk de methaanuitstoot. Door dagontmesting te combineren met diergericht ontworpen
systemen kan een win-winoplossing ontstaan, bijvoorbeeld een varkenstoilet in een stal met een
grote oppervlakte dichte, ingestrooide vloer.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Dit draagt bij aan een beter stalklimaat. In bestaande stallen met gladde, harde roostervloeren
     zijn alleen mestmaatregelen vanuit dierenwelzijn geen integrale lange termijn oplossing.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Groene stroom
Veel veehouderijen hebben al zonnepanelen op het dak. Ook zonnepanelen in uitlooppercelen van
pluimvee bieden een mogelijkheid voor opwekking van groene stroom.
Mogelijke effecten op het welzijn
     Zonnepanelen in uitlooppercelen van pluimvee bieden tegelijkertijd een schaduwmogelijkheid
     voor het pluimvee. Bij schapen lijkt de graastijd toe te nemen (Kampherbeek et al., 2023)
     Zonnepanelen op het dak zullen in de meeste gevallen geen direct effect hebben op het
     dierenwelzijn (mogelijk een enigszins isolerende werking). Soms kan het een indirect effect
     hebben, als bij de plaatsing onvoldoende rekening is gehouden met ruimte voor
     daglichtplaten. Daarnaast kan het risico op stalbranden toenemen door werkzaamheden
     tijdens de plaatsing of indien er sprake is van een mogelijk te grote piekbelasting van de
     stroomverzorging.
3.2 Effecten op dierenwelzijn van ander overheidsbeleid tegen
         klimaatverandering
Voor deze zienswijze beperkt de RDA zich tot klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij die
direct     effect    op    dierenwelzijn        kunnen     hebben.       Naast    deze    effecten  van
klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij, kan er ook sprake zijn van dierenwelzijnseffecten
van klimaatmitigatiemaatregelen die niet rechtstreeks in de veehouderij worden toegepast. Zo
zullen bijvoorbeeld door het verhogen van het grondwaterpeil in veenweidegebieden om
broeikasgasemissies tegen te gaan, de weilanden natter worden waardoor het risico op leverbot
toeneemt (zie ook § 2.1).
Er zijn     twee integrale      overheidsprogramma’s        waarin     ook   doelen   ten   aanzien van
klimaatverandering zijn opgenomen, het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en de
Eiwittransitie. Deze programma’s zullen ingrijpende gevolgen hebben voor de veehouderij, maar
zijn nog slechts gedeeltelijk uitgewerkt in concrete maatregelen.
•    Het NPLG stelt doelen voor natuur, water, biodiversiteit en klimaat. Hiervoor zal een breed
     palet aan maatregelen worden ingezet, van reductie-eisen aan stallen tot het verminderen
     van de veestapel in Nederland, door opkoopregelingen van de rijksoverheid. Bij maatregelen
     ter verkleining van de veestapel moet de doelstelling niet alleen zijn gericht op het aantal
     dieren, andere duurzaamheidsaspecten moeten ook worden meegewogen. Daarnaast geldt
     dat indien de veestapel in Nederland wordt verkleind, zonder dat het consumptiegedrag
     verandert, dit kan leiden tot afwenteling van dierenwelzijnsproblemen naar andere landen.
     Verkleining van de veestapel biedt anderzijds ook kansen. Zo kan er bijvoorbeeld grond
     vrijkomen die ingezet kan worden voor meer weidegang. Ook kan een lagere veedichtheid
     positieve effecten hebben op dierziekteoverdracht en de kans op het ontstaan van nieuwe
     dierziekten waaronder zoönosen.
•    Eiwittransitie: In Nederland zijn consumenten hun eiwitten de laatste decennia steeds meer
     uit dierlijke en minder uit plantaardige bronnen gaan halen. In het zogenaamde vijfde spoor
     van de in 2020 gepubliceerde Nationale Eiwitstrategie zet de rijksoverheid in op het
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>     verminderen van de afhankelijkheid van eiwitimport door een verschuiving in het eetpatroon
     van consumenten naar meer plantaardig voedsel. Dit spoor sluit aan bij de afspraken uit het
     Klimaatakkoord. Om tot een dierwaardige veehouderij te komen zijn er mogelijk
     dierenwelzijnsmaatregelen nodig die leiden tot een hogere CO2-footprint per kg product, met
     name bij die maatregelen die samengaan met een minder efficiënte voederbenutting. Een
     verschuiving naar minder consumptie van dierlijke producten, creëert ruimte om deze
     maatregelen ten behoeve van het dierenwelzijn tóch te nemen. Daarnaast kan een afname
     van consumptie van dierlijke producten kansen bieden voor het budgetneutraal aankopen van
     duurdere producten met meer dierenwelzijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat dagelijks
     voedselkeuzegedrag van consumenten in zeer beperkte mate wordt bepaald door individuele
     en bewuste voorkeuren en keuzes. Ketenpartijen bepalen immers in belangrijke mate het
     beschikbare aanbod en assortiment (Backus et al., 2011).
De vraag is hoe de Eiwittransitie en het NPLG zullen uitwerken op het dierenwelzijn in de
veehouderij. Uiteindelijk zal het effect op het dierenwelzijn van zowel de verkleining van de
veestapel, reductie-eisen aan emissies uit stallen als de eiwittransitie worden bepaald door het
diermanagement en hoe individuele veehouderijbedrijven in de toekomst worden ingericht. Hoe
de beleidsmaatregelen concreet worden uitgewerkt is echter nog niet duidelijk, en daarmee is het
ook niet duidelijk hoe een en ander uit gaat pakken voor de bedrijven, en dus ook het
dierenwelzijn. Het pleit er wel voor om nogmaals – net als in de zienswijze dierwaardige
veehouderij – nadrukkelijk aandacht te vragen voor het opnemen van dierenwelzijn in de
onderlinge afweging van doelen op het gebied van stikstof, klimaat, water, bodem, en
biodiversiteit.
Hiernaast zijn er zijn diverse beleidsvoornemens - bijvoorbeeld over voedselverspilling - die raken
aan de klimaatopgave en die impact kunnen hebben op het welzijn van dieren. Het voert te ver om
deze hier uitputtend te benoemen. Essentieel blijven de uitgangspunten en principes voor een
dierwaardige veehouderij en de wens om integraal te werken aan alle beleidsopgaven.
3.3 Hoe negatieve effecten van klimaatbeleid op dierenwelzijn
        beperken?
Het is duidelijk dat verschillende klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij negatieve
effecten op het welzijn van productiedieren kunnen hebben. Van belang is hoe
klimaatmitigatiemaatregelen gekoppeld kunnen worden aan een verbetering van het
dierenwelzijn. Negatieve effecten voor het welzijn moeten in ieder geval worden tegengegaan dan
wel     worden     voorkomen,        bijvoorbeeld      door    voor     een    andere  of aangepaste
klimaatmitigatiemaatregel te kiezen, of door dierenwelzijnseisen te stellen aan subsidies voor
stalinnovaties. In de vorige paragraaf is al aangegeven dat hier mogelijkheden voor zijn.
In § 2.2 zijn mogelijke oplossingen besproken om de negatieve effecten van klimaatverandering op
het welzijn van productiedieren te beperken. De huidige klimaatverandering dient zo snel mogelijk
tot staan te worden gebracht, maar de gevolgen zijn niet meer snel terug te draaien. Daarom zal
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>ook voor productiedieren met die optredende gevolgen zo goed mogelijk moeten worden
omgegaan door oplossingen te bedenken om het welzijn van productiedieren te verbeteren. Bij
klimaatmitigatiemaatregelen (dit hoofdstuk) daarentegen gaat het om door de mens gekozen
maatregelen om klimaatverandering te stoppen. Dan zou de eerste keuze voor een maatregel
moeten zijn met positieve of neutrale dierenwelzijnseffecten en pas, als die er niet is, in tweede
instantie een keuze voor een maatregel met negatief welzijnseffect, maar dan inclusief een
oplossing om negatieve effecten voor het welzijn van dieren tegen te gaan. Uiteraard zijn
klimaatmitigatiemaatregelen nodig. Het uitgangspunt bij het bedenken ervan zou echter moeten
zijn om zoveel mogelijk win-win-maatregelen te kiezen, die zowel bijdragen aan klimaatmitigatie,
als aan verbetering van dierenwelzijn.
Vanuit deze overweging pleit de RDA dan ook voor een meer integrale aanpak van het onderzoek
naar klimaatmitigatiemaatregelen voor de veehouderij en het daaropvolgende klimaatbeleid. Dat
klimaatmitigatiemaatregelen negatieve effecten op dierenwelzijn kunnen hebben dient te worden
meegewogen in het onderzoek en de ontwikkeling van deze maatregelen. Een integrale
benadering van verduurzaming houdt rekening met economische, ecologische én sociale aspecten.
Er moet worden voorkomen dat er steeds op een enkel deelvraagstuk geoptimaliseerd wordt. De
uitdaging is maatregelen te ontwikkelen en in te zetten die niet ten koste van andere
duurzaamheidsaspecten gaan, of beter nog maatregelen die voor meerdere of zelfs alle
duurzaamheidsaspecten winst opleveren. Bij het onderzoek naar klimaatmitigatiemaatregelen en
bij beleidsbeslissingen over emissiebeperking uit de veehouderij zou hiermee rekening moeten
worden gehouden.
3.4 Onderzoeksvragen
Gezien de noodzaak en afspraken om klimaatmitigatiemaatregelen in de Nederlandse veehouderij
te nemen en het grote aantal verschillende mogelijke maatregelen dat al in beeld is, verdient het
volgens de RDA meer aandacht welke effecten deze maatregelen op het welzijn van
productiedieren kunnen hebben. In wetenschappelijk onderzoek wordt geadviseerd om
klimaatmitigatiemaatregelen niet afzonderlijk te beoordelen, maar als een component van het
volledige veehouderijsysteem (Grossi et al., 2019). Veel klimaatmitigatiemaatregelen hebben
mede de intentie om de productiviteit op zijn minst op peil te houden. In veel gevallen kunnen
klimaatmitigatiemaatregelen tot een vermindering van het dierenwelzijn leiden (zie § 3.1).
Strategieën die zijn gericht op het eenzijdig veranderen van huisvestingscondities om emissies te
reduceren verhogen het risico op nadelige dierenwelzijnseffecten. Te veel nadruk op productiviteit
of efficiëntie bij genetische selectie kan ook leiden tot onbedoelde negatieve effecten op het
dierenwelzijn van een scala aan diersoorten (Llonch et al., 2017). Het dierenwelzijn kan ook
negatief worden beïnvloed door voeraanpassingen. Het toevoegen van additieven aan het voer
kan de CH4-emissie beperken, maar sommige additieven kunnen ook diergezondheidsrisico’s
hebben (Shields & Orme-Evans, 2015). Recent onderzoek aan het voeradditief 3-nitrooxypropanol
(merknaam Bovaer®) voor melkvee (Van Gastelen et al., 2022) laat zien dat dit onderzoek primair
was gericht op de vraag hoeveel de methaanproductie door de koeien kan worden beperkt.
Nergens blijkt dat er naar mogelijke effecten op dierenwelzijn is gekeken, anders dan als afgeleide
van de productiecijfers. Deze omissie in zeer recent onderzoek - maar ook het ontbreken van
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>onderzoek naar dierenwelzijnseffecten als EU-toelatingseis voor voeradditieven (EU, 2003) -
onderstreept nog eens hoe dringend noodzakelijk een meer integrale onderzoekaanpak is bij het
zoeken naar geschikte klimaatmitigatiemaatregelen.
Soms is het mogelijk, hoewel dat meer tijd kan kosten, om tegelijkertijd te selecteren op bepaalde
welzijn gerelateerde kenmerken (bijvoorbeeld pootgezondheid bij pluimvee) en op productiviteit
(Shields & Orme-Evans, 2015). Door direct vanaf het begin aandacht te besteden aan de
gezondheid, fysiologie en gedragsparameters van dieren zouden er win-win-strategieën kunnen
worden ontwikkeld die zowel klimaatverandering tegen gaan als dierenwelzijn verbeteren.
Voorbeelden van dergelijke klimaatmitigatiemaatregelen zijn het verlengen van de levensduur van
melkkoeien door de gezondheid te verbeteren, het verbeteren van de ruwvoerkwaliteit door
onder meer betere conservering en het continu monitoren met sensoren en camera’s van
relevante indicatoren zoals dierbewegingen, voedselopname en temperatuur om de veehouder te
waarschuwen bij problemen. Door te starten vanuit het verbeteren van dierenwelzijn kunnen ook
de productiviteit en het economisch rendement verbeteren, bijvoorbeeld door verminderde
sociale stress of een verbeterde gezondheidstoestand bij de dieren of een hogere overleving van
jonge dieren (Llonch et al., 2017). Een concreet voorbeeld is dat het niet castreren van biggen leidt
tot een verbetering van de voederbenutting en dus tot verlaging van de carbon footprint (Backus,
2023). Ook integraal duurzame stalsystemen of technieken zoals de VrijLevenStal en het
varkenstoilet bieden kansen op win-win-oplossingen.
Belangrijke onderzoeksvragen in het kader van klimaatmitigatiemaatregelen liggen op het terrein
van de (on)mogelijkheden om via diervoeding en/of genetica de emissies te beperken (Shields &
Orme-Evans, 2015). Uit een inventarisatie van wat nu bekend is, blijkt dat voor rundvee en andere
herkauwers daar in ieder geval voldoende opties voor lijken te zijn (Beauchemin, 2022).
In algemene zin geldt dat meer onderzoek nodig is naar de combinatie van verbeteringen in
klimaatmitigatie en dierenwelzijn (win-win). Klimaatmitigatiemaatregelen moeten passen binnen
een dierwaardige veehouderij, en onderzoek en beleid moeten dit in toenemende mate
weerspiegelen. Daarvoor is het nodig dat:
•    dierenwelzijn en dierwaardigheid in al het onderzoek naar klimaatmitigatie in de veehouderij
     een plaats krijgt;
•    diervriendelijke innovaties, maatregelen of stalsystemen die óók veelbelovend zijn om
     emissies te reduceren, met voorrang worden onderzocht.
Daarnaast is het gewenst dat er voedselsysteem-breed wordt gekeken naar maatregelen.
Systemen met ongewenste bijeffecten moeten kunnen worden afgekeurd, voordat ze worden
aangeschaft. Het ontwikkelen van een valideringsprotocol voor stallen zou hier onderdeel van
kunnen uitmaken. Dit zou kunnen aansluiten op de inzet van de rijksoverheid voor een vernieuwd
systeem van stalbeoordeling, dat geschikt is voor de milieuvergunning en een basis biedt voor de
natuurvergunning. Het doel hiervan is om tot betrouwbare emissie-indicatoren te komen, en die
innovaties mogelijk maken en borgen. Dit nieuwe stelsel gaat er van uit dat stalinnovaties integraal
worden beoordeeld (LNV, 2023).
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>4. Relatie                                  met                         dierwaardige
         veehouderij
In 2021 heeft de RDA de zienswijze ‘Dierwaardige veehouderij’ gepubliceerd (RDA, 2021) waarin
de randvoorwaarden voor de veehouderij van de toekomst zijn beschreven. Daarvoor zijn zes
leidende principes voor een dierwaardige veehouderij geformuleerd (Figuur 10). Door deze af te
zetten tegen de verwachte effecten van klimaatverandering alsook klimaatmitigatiemaatregelen
kan worden nagegaan wat er wanneer in het gedrang komt. In dit hoofdstuk wordt hiervan een
niet uitputtend overzicht gegeven, bedoeld om te illustreren dat klimaatverandering en
klimaatmitigatiebeleid effect kunnen hebben op alle zes de principes. Een meer diepgaande
analyse van de effecten van klimaatverandering voor het welzijn van productiedieren aan de hand
van de zes leidende principes voor dierwaardige veehouderij is uitgevoerd door Mariska Veer
(2022).
          Figuur 10. De zes leidende principes voor dierwaardige veehouderij (RDA, 2021).
1.   Respect voor intrinsieke waarde en integriteit
    •   Welzijnsproblemen door hittestress op het primaire bedrijf of tijdens transport
        conflicteren met respect voor dieren. Ook het aanpassen van dieren aan
        klimaatverandering kan leiden tot aantasting van de integriteit (bijvoorbeeld fokken op
        hittetolerantie of het toevoegen van additieven die de spijsvertering beïnvloeden). Als
        fokkerij zich meer richt op functionele kenmerken als sociaal gedrag, gezondheid,
        levensduur, gedrag in groepen en robuustheid dan kan dit echter wel bijdragen aan
        dierwaardige veehouderij;
    •   Selecteren op genetische aanleg voor hogere voedselefficiëntie is een mogelijke
        klimaatmitigatiemaatregel. Deze aanpassing kan tot op zekere hoogte bijdragen aan beter
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’         36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>      welzijn, omdat het bij hoogproductieve koeien de kans op ketose en leverlipidose beperkt.
      Anderzijds kan het dierenwelzijnsrisico’s met zich meebrengen omdat het gepaard gaat
      met een systeem van hoogproductieve dieren, die meer risico lopen op bepaalde ziektes
      en aandoeningen;
   •  Levensduurverlenging van landbouwhuisdieren richt zich met name op functionele
      kenmerken (zie 1e bullet) en kan dan bijdragen aan dierwaardige veehouderij.
2. Goede voeding
   •   Verandering van het weer in Europa en wereldwijd kan veranderingen met zich
       meebrengen in de beschikbaarheid en kwaliteit van grondstoffen voor ruwvoeders: indien
       dit leidt tot een andere en meer variabele veevoersamenstelling kunnen dieren daar dan
       mee omgaan?
   •   Wanneer droogte zorgt voor minder grasgroei kan het moeilijker worden om runderen te
       weiden, waardoor de welzijnsvoordelen van weidegang afnemen;
   •   Waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit kunnen ook onder druk komen te staan. Bij
       aanhoudend warm weer is het lastiger om de waterkwaliteit goed te houden;
   •   Selecteren op genetische aanleg voor hogere voedselefficiëntie kan onbedoeld leiden tot
       een hogere groeisnelheid wat gepaard kan gaan met meer warmteproductie en andere
       welzijnsproblemen;
   •   Het aanpassen van de voersamenstelling past bij goede voeding zolang het past bij het
       gedragsrepertoire en de gedragsbehoeften van productiedieren.
3. Goede omgeving
   •   Een goede huisvesting kan dieren die binnen worden gehouden beschermen tegen
       extreme weersomstandigheden. Maar er is ook een risico op hittestress bij aanhoudende
       (zeer) warme periodes;
   •   Grote variatie gedurende de dag en nacht in stalklimaat, temperatuur en/of water-
       beschikbaarheid kan meer belastend voor het welzijn zijn dan alleen hoge temperaturen;
   •   Dieren die ook naar buiten kunnen of volledig buiten staan lopen risico op hittestress
       wanneer ze geen schaduwplekken hebben (bomen, struiken, schuilstal, schuiltent).
       Dieren moeten zich aan kunnen passen aan de weersomstandigheden en dus ook een
       schuil- of schaduwmogelijkheid hebben;
   •   Het volledig binnen houden van dieren als klimaatmitigatiemaatregel (om bijv.
       broeikasgassen af te kunnen vangen) heeft nadelen voor het dierenwelzijn omdat
       toegang naar buiten zorgt voor meer ruimte, meer variatie, meer keuzevrijheid en meer
       mogelijkheden om natuurlijk gedrag te vertonen;
   •   Weidegang is een passende klimaatmitigatiemaatregel omdat het voordelen heeft voor
       zowel dierenwelzijn als broeikasgasemissies. Belangrijk is wel dat de weide goed is
       ingericht (met voldoende beschutting) en dat dieren de mogelijkheid hebben zelf te
       kiezen waar zij willen verblijven (in of uit de schaduw);
   •   Stalaanpassingen zijn geschikt zolang ze een positief of neutraal effect hebben op een
       gunstig binnenklimaat, dat wil zeggen temperatuur en luchtvochtigheid binnen de
       comfortzone van het dier, en met lage concentraties kooldioxide en ammoniak.
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>4. Goede gezondheid
   •   Extreme weeromstandigheden kunnen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. De
       meest aannemelijke daarbij is hittestress, maar ook overstromingen, stormen en droogte
       vormen risico’s. Hittestress kan ertoe leiden dat dieren minder actief worden, stoppen
       met eten en drinken, ziek worden en zelfs overlijden;
   •   Klimaatverandering kan ertoe leiden dat nieuwe insecten die een ziekte verspreiden naar
       ons land komen, waardoor nieuwe ziekten in Nederland voorkomen;
   •   Het verbeteren van de gezondheid leidt in het algemeen tot levensduurverlenging van
       landbouwhuisdieren, wanneer ze tenminste niet op een vaste leeftijd worden geslacht.
       Dit   is   een   klimaatmitigatiestrategie       met     positieve   gevolgen voor  zowel
       klimaatverandering als dierenwelzijn;
   •   Aanpassen voersamenstelling: zie bij principe 2;
   •   Weidegang / Stalaanpassingen: zie bij principe 3.
5. Natuurlijk gedrag
   •   Dieren kunnen zelf goed omgaan met veranderende weersomstandigheden, als ze
       daartoe in staat worden gesteld: bij hitte zoeken dieren de schaduw op of hebben actieve
       manieren om het lichaam te koelen (denk aan modderbaden bij varkens en in het water
       gaan staan bij rundvee). Dat is alleen mogelijk als de dieren ook worden gehouden in een
       omgeving die daar mogelijkheden voor biedt;
   •   Weidegang / Stalaanpassingen: zie bij principe 3.
6. Positieve emotionele toestand
   •   Aangezien klimaatverandering en klimaatmitigatiebeleid negatieve effecten kunnen
       hebben op de eerste 5 principes zal dit als zodanig leiden tot een vermindering van de
       positieve emotionele toestand. Als dieren echter in staat worden gesteld om zich aan te
       passen aan extreme weersomstandigheden, is de verwachting dat ze zich beter voelen en
       daardoor wel een positieve emotionele toestand kunnen bereiken. Een afwisselende
       omgeving draagt ook onder normale weersomstandigheden bij aan die positieve
       emotionele toestand: dieren vinden het over het algemeen prettig om meer controle te
       hebben over hun eigen omgeving en bijvoorbeeld te kunnen kiezen tussen binnen en
       buiten of beschutting of open gebied. Dit biedt ook ruimte voor individuele verschillen in
       behoeftes tussen dieren.
                 RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>5. Conclusies en oplossingsrichtingen
Door het geleidelijke karakter van de klimaatverandering was er lange tijd geen breed gevoelde
urgentie om de invloed hiervan te beperken. Echter, de aard en omvang van de gevolgen van
klimaatverandering worden nu steeds meer zichtbaar en kunnen met feiten worden onderbouwd.
De gevolgen zijn ingrijpend voor onze leefomgeving, en daarmee ook voor het welzijn van
productiedieren. We zullen ons moeten voorbereiden op steeds vaker optredende extreme
weersomstandigheden en dienen ook productiedieren met goede adaptatiemaatregelen
daartegen te beschermen. In deze zienswijze constateert de RDA dat de urgentie groeit om de
veehouderij (structureel) aan te passen aan onder meer hogere temperaturen en steeds vaker
voorkomende weersextremen.
Niet alleen klimaatverandering zelf, maar ook het klimaatmitigatiebeleid om broeikasgassen uit de
landbouw terug te dringen, heeft effecten op dierenwelzijn. Het is belangrijk dat in dit beleid
rekening wordt gehouden met mogelijke effecten van maatregelen op het welzijn van dieren.
Klimaatmitigatiemaatregelen kunnen immers op zichzelf ook juist een risico vormen voor
dierenwelzijn. Dat is niet alleen een probleem voor de dieren, maar ook voor veehouders die
daardoor mogelijk verkeerde investeringen doen. Zo worden er kansen gemist om integrale
oplossingen te kiezen, die zowel goed zijn voor dierenwelzijn als klimaat.
5.1 Conclusies
In deze zienswijze beschrijft de RDA de klimaatverandering, de effecten daarvan op dierenwelzijn,
en mogelijke maatregelen in de veehouderij om de negatieve effecten voor productiedieren te
beperken. Ook zijn de mogelijke effecten beschreven van het klimaatmitigatiebeleid op het welzijn
van productiedieren. Om na te kunnen gaan wat er wanneer in het gedrang komt, zijn deze
effecten afgezet tegen de leidende principes voor een dierwaardige veehouderij. Op basis van
deze analyse concludeert de RDA:
•    Klimaatverandering heeft negatieve gevolgen voor het dierenwelzijn van productiedieren,
     zowel op het primaire bedrijf als bij transport en slacht. Zowel de geleidelijke toename van de
     temperatuur, als extreem weer en incidenten zoals overstromingen spelen hierbij een rol.
•    Bij klimaatmitigatiemaatregelen is meer en gerichte aandacht nodig voor het welzijn van
     productiedieren. Maatregelen gebaseerd op een integrale afweging van dierenwelzijn, klimaat
     en economie, dienen beter te worden onderzocht, zodat ze ook beschikbaar komen voor
     toepassing.
5.2 Laat dierenwelzijn niet ondersneeuwen in het klimaatbeleid
Iedereen zal zich kunnen vinden in het voornemen om gelijktijdig te werken aan dierenwelzijn en
aan het klimaatmitigatiebeleid. De stip op de horizon is helder. Rekening houden met het welzijn
van productiedieren bij klimaatverandering en bij klimaatmitigatiebeleid komt echter niet vanzelf
tot stand. Het betreft een meervoudige opgave voor een sector die is ingebed in een complex
geheel van technische en juridische beleidsregels. Veel maatregelen staan de ontwikkeling richting
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>meer dierenwelzijn in de weg. Zonder deze barrières in kaart te brengen, en acties te bedenken
om deze barrières te doorbreken en uit te voeren komt er geen coherent beleid en worden dieren
weggedrukt in de steeds urgenter wordende klimaatdiscussie. Doorgaan op dezelfde weg houdt in
dat deze Zienswijze over 15 jaar weer kan worden gepubliceerd, met het risico dat het
dierenwelzijn is verslechterd. De RDA doet daarom de oproep om dierenwelzijn niet te laten
ondersneeuwen in het klimaatbeleid en pro-actief te gaan werken aan een gemeenschappelijke
aanpak:
•   Zorg dat klimaatadaptatie en het aanpassingsvermogen van dieren in de transitie naar een
    dierwaardige veehouderij worden meegenomen in de keuzes voor huisvestingssystemen,
    rassen, managementmaatregelen en de wijze en duur van transport van dieren. Ga vanuit een
    gezamenlijke verantwoordelijkheid voor dierenwelzijn als overheden, bedrijfsleven,
    onderzoek en maatschappelijke organisaties na hoe knelpunten als moeilijk uitvoerbare
    regelgeving weggenomen kunnen worden, zodat veehouders en toeleverende bedrijven in
    staat zijn te werken aan dierwaardige veehouderij.
•   Klimaatmitigatiemaatregelen in de veehouderij kunnen een negatieve invloed op het
    dierenwelzijn hebben. Een integrale aanpak waarbij dierenwelzijn niet ondersneeuwt is nodig.
    Ga vanwege de urgentie bij het realiseren van ecologische doelstellingen na wat kan bijdragen
    aan het versneld praktijkrijp maken van de benodigde integrale systemen.
5.3 Oplossingsrichtingen om uit te werken
Slechts in gezamenlijkheid kunnen overheden, onderzoek, ketenpartijen en stallenbouwers
werken     aan    perspectiefvolle     oplossingen.     De  RDA      heeft   vooralsnog de volgende
oplossingsrichtingen geïdentificeerd:
1) Regie van de rijksoverheid op het afstemmen van het klimaatbeleid richting andere overheden
    en stakeholders:
    Het mobiliseren van alle beschikbare inhoudelijke kennis over dit vraagstuk is nodig. Bij
    voorkeur de rijksoverheid zou de regie moeten nemen op het bij elkaar brengen en
    verspreiden van al die kennis. Voor het afstemmen van het klimaatbeleid op de aanstaande
    herziening van de EU-dierenwelzijnswetgeving, als ook richting de beleidsuitvoering van
    provincies en gemeenten in het kader van de ruimtelijke ordening en het Nationaal
    Programma Landelijk Gebied gaat het er om te weten wat gewenst en nodig is. Het gaat
    hierbij onder meer om:
    •    Partijen voor te bereiden op extreme weersomstandigheden op basis van protocollen
         gericht op preventie en zo nodig interventie.
    •    Vergunningverlening van stallen gebouwd op basis van een diergericht ontwerp.
    •    Koppelen van klimaat- en dierenwelzijnsmaatregelen bij de allocatie van GLB-gelden.
2) Gebruik maken van ervaringen in warmere landen:
    Bij stallenbouw en stalklimaatmanagement gebruik maken van de mogelijke oplossingen voor
    klimaat-gerelateerde knelpunten waarover al praktische kennis aanwezig is in warmere
    landen.
3) Onderzoek stimuleren naar effecten van klimaatverandering op dierenwelzijn en naar het
    beter meetbaar maken van dierenwelzijn:
    Voor het accuraat en tijdig tegen kunnen gaan van dierenwelzijnsproblemen als gevolg van
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>    klimaatverandering is onderzoek nodig, onder meer naar toepassingsmogelijkheden van
    systematische diergerelateerde monitoring van dierenwelzijn.
4) In gezamenlijkheid werken aan de veehouderij van de toekomst:
    Het klimaatmitigatiebeleid van de overheid voor de veehouderij moet niet alleen zijn gericht
    op de veehouderij in zijn huidige vorm, maar juist ook op de veehouderij in de toekomst. Dan
    gaat het om structurele aanpassingen van huisvestingssystemen, maar ook om onder meer
    transportmiddelen, waterkeringen, en fokdoelen. Bij het streven naar een duurzaam
    voedselsysteem kunnen ketenpartijen en stallenbouwers een belangrijke bijdrage hebben.
    Samen kan werk worden gemaakt van een valideringsprotocol voor stallen.
De RDA is voornemens vanuit zijn rol en positie in vervolg op deze zienswijze met de meest
betrokken partijen in gesprek te gaan over deze (en eventuele andere) oplossingsrichtingen en
over de uitwerking ervan. We nodigen een ieder uit om ons voordien al een reactie op deze
zienswijze te sturen.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’         41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde bronnen
• ALURES (2023a) EU NTS Database on the Use of Animals for Scientific Purposes under Directive
  2010/63/EU. Voeding voor gezond en weerbaar melkvee. NTS-NL-269540 v.1, 28-02-2023.
  https://webgate.ec.europa.eu/envdataportal/web/resources/alures/submission/nts/preview/n
  ts_project/uuid/da0b9ecc-4150-4da0-915b-43f3d1a5bcfc
• ALURES (2023b) EU NTS Database on the Use of Animals for Scientific Purposes under Directive
  2010/63/EU. Voedingsstrategieën om stikstofuitstoot door melkvee te verminderen. NTS-NL-
  709534 v.1, 25-01-2023.
  https://webgate.ec.europa.eu/envdataportal/web/resources/alures/submission/nts/preview/n
  ts_project/uuid/4978d285-ae90-4bf9-a381-eddc1516daeb
• Backus, G., M. Meeusen, H. Dagevos & J. van ’t Riet (2011) Voedselbalans 2011 - Deel I.Backus,
  G. (2023) Footprint of entire male pigs in Europe, Report commissioned by the Boars on the
  Way initiative, 8 pp. https://www.boarsontheway.com/geen-categorie/footprint-of-entire-
  male-pigs-in-europe/
• Beauchemin, K.A., Ungerfeld, E.M., Abdalla, A.L. et al. (2022) Invited review: Current enteric
  methane mitigation options. Journal of Dairy Science, Volume 105, ISSUE 12, 9297-9326.
  https://doi.org/10.3168/jds.2022-22091
• Bernabucci, U. (2019). Climate change: impact on livestock and how can we adapt. Animal
  Frontiers, 9(1), 3-5. https://doi.org/10.1093/af/vfy039
• Bestman, M., Verwer, C., van Niekerk, T., Leenstra, F., Reuvekamp, B., Amsler-Kepalaite, Z., &
  Maurer, V. (2019) Factors related to free-range use in commercial laying hens. Applied Animal
  Behaviour Science, 214, 57-63. https://doi.org/10.1016/j.applanim.2019.02.015
• Bett, B., Kiunga, P., Gachohi, J., Sindato, C., Mbotha, D., Robinson, T., Lindahl, J., Grace, D.
  (2017) Effects of climate change on the occurrence and distribution of livestock diseases.
  Preventive Veterinary Medicine. Volume 137, Part B, 119-129.
  https://doi.org/10.1016/j.prevetmed.2016.11.019
• Brandweer (z.d.). Onweer, donder en bliksem. Opgeroepen op 26 januari 2022, van
  https://www.brandweer.nl/onderwerpen/onweer-donder-en-bliksem/
• BuRo (2020) Advies van BURO over het transport van vleesvarkens en vleeskuikens bij
  (extreem) hoge temperaturen, 67 pp.
  https://www.nvwa.nl/documenten/dier/vervoer/vervoer/risicobeoordelingen/advies-van-buro-
  over-het-transport-van-vleesvarkens-en-vleeskuikens-bij-extreem-hoge-temperaturen
• Collier, R.J., Baumgard, L.H., Zimbelman, R.B. & Xiao, Y. (2019) Heat stress: physiology of
  acclimation and adaptation, Animal Frontiers, Volume 9, Issue 1, January 2019, Pages 12–19,
  https://doi.org/10.1093/af/vfy031
• Dash S, Chakravarty AK, Singh A, Upadhyay A, Singh M, Yousuf S (2016) Effect of heat stress on
  reproductive performances of dairy cattle and buffaloes: A review, Veterinary World, 9(3): 235-
  244. https://doi.org/10.3168/jds.s0022-0302(94)77149-6
• Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) (2018) Stalbrandpreventie: Kosteneffectiviteit,
  uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van brandpreventiemaatregelen bij bestaande
  veestallen. Amsterdam, 58 pp.
  https://www.eib.nl/pdf/Preventie%20branden%20bij%20bestaande%20stallen_web.pdf
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>• EFSA (2020) Welfare of pigs at slaughter, Scientific Opinion, EFSA Journal 18 (6): 6148.
  https://doi.org/10.2903/j.efsa.2020.6148
• EFSA (2021) Safety and efficacy of a feed additive consisting of 3-nitrooxypropanol (Bovaer®
  10) for ruminants for milk production and reproduction (DSM Nutritional Products Ltd), EFSA
  Journal 2021; 19 (11): 6905. https://doi.org/10.2903/j.efsa.2021.6905
• EFSA (2022a) Welfare of domestic birds and rabbits transported in containers, Scientific
  Opinion, EFSA Journal 2022; 20 (9): 7441.
  https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2022.7441
• EFSA (2022b) Welfare of cattle during transport, Scientific Opinion, EFSA Journal 2022; 20 (9):
  7442. https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2022.7442
• EFSA (2022c) Welfare of pigs during transport, Scientific Opinion, EFSA Journal 2022; 20 (9):
  7445. https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2022.7445
• EU (2003) REGULATION (EC) No 1831/2003 OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE
  COUNCIL of 22 September 2003 on additives for use in animal nutrition. https://eur-
  lex.europa.eu/legal-content/en/TXT/?uri=CELEX%3A32003R1831
• Expertgroep zoönosen (2021) Zoönosen in het vizier, 166 pp.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/06/01/rapport-expertgroep-
  zoonosen
• Flamenbaum, I. (2013) The beneficial effects of cooling cows. In: Proceedings Cow Longevity
  Conference, Hamra Farm, Tumba, Sweden, 28th-29th August 2013, 197 pp.
  https://en.engormix.com/dairy-cattle/articles/the-beneficial-effects-cooling-t36147.htm
• van Gastelen, S., Dijkstra, J. , Heck, J.M.L., Kindermann, M., Klop, A. , de Mol, R., Rijnders, D.,
  Walker, N. and Bannink, A. (2022) Methane mitigation potential of 3-nitrooxypropanol in
  lactating cows is influenced by basal diet composition, Journal of Dairy Science, Volume 105,
  Issue 5, p. 4064-4082 https://doi.org/10.3168/jds.2021-20782
• GD (2022a) Website Leverbot. Opgeroepen op 31 oktober 2022, van
  https://www.gddiergezondheid.nl/Diergezondheid/Dierziekten/Leverbot
• GD (2022b) Website Hittestress Check & Advies. Opgeroepen op 20 september 2022, van
  https://www.gddiergezondheid.nl/Hittestress
• Ghavi Hossein-Zadeh, N. (2022) Estimates of the genetic contribution to methane emission in
  dairy cows: a meta-analysis. Sci Rep 12, 12352 (2022). https://doi.org/10.1038/s41598-022-
  16778-z
• Gilani, A.-M., Knowles, T.G., Nicol, C.J. (2014) Factors affecting ranging behaviour in young and
  adult laying hens. Br. Poult. Sci. 55, 127–135. https://doi.org/10.1080/00071668.2014.889279
• Grossi, G., Goglio, P., Vitali, A., Williams, A.G. (2019) Livestock and climate change: impact of
  livestock on climate and mitigation strategies, Animal Frontiers, Volume 9, Issue 1, January
  2019, p. 69–76. https://doi.org/10.1093/af/vfy034
• Hempel, S., Menz, C., Pinto, S., Galán, E., Janke, D., Estellés, F., Müschner-Siemens, T., Wang,
  X., Heinicke, J., Zhang, G., Amon, B., del Prado, A., and Amon, T. (2019) Heat stress risk in
  European dairy cattle husbandry under different climate change scenarios – uncertainties and
  potential impacts, Earth Syst. Dynam., 10, 859–884, https://doi.org/10.5194/esd-10-859-2019
• Honig, H., Miron, J., Lehrer, H., Jackoby, S., Zachut, M., Zinou, A., Portnick, Y., Moallem, U.
  (2012) Performance and welfare of high-yielding dairy cows subjected to 5 or 8 cooling sessions
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’                 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>  daily under hot and humid climate, Journal of Dairy Science, Volume 95, Issue 7, p. 3736-3742,
  https://doi.org/10.3168/jds.2011-5054
• Hristov, A.N., Degaetano, A.T., Rotz, C.A. et al. (2018) Climate change effects on livestock in the
  Northeast US and strategies for adaptation. Climatic Change 146, 33–45.
  https://doi.org/10.1007/s10584-017-2023-z
• IenW (2020) Landelijk Crisisplan Hoogwater en Overstromingen. Ministerie Infrastructuur en
  Waterstaat, 46 pp. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/30/tk-
  bijlage-2-landelijk-crisisplan-hoogwater-en-overstromingen
• ILVO (2021) Het bepalen van adequate beplanting als beschutting voor dieren die buiten
  gehouden worden. Eindrapport project Weidescherm (2020-2022). ILVO MEDEDELING 279, 54
  pp. https://ilvo.vlaanderen.be/nl/nieuws/het-bepalen-van-adequate-beplanting-als-
  beschutting-voor-dieren-die-buiten-gehouden-worden
• IPCC (2021) Sixth Assessment Report, AR6 Climate Change 2021: The Physical Science Basis.
  Opgehaald van https://www.ipcc.ch/report/ar6/wg1/
• de Jong, I., Berg, C., Butterworth, A., Estevéz, I. (2012) Scientific report updating the EFSA
  opinions on the welfare of broilers and broiler breeders. Supporting Publications 2012:EN-295,
  116pp. https://www.efsa.europa.eu/en/supporting/pub/en-295
• Joy A., Dunshea, F.R., Leury, B.J., Clarke, I.J., DiGiacomo, K., Chauhan, S.S (2020) Resilience of
  Small Ruminants to Climate Change and Increased Environmental Temperature: A Review.
  Animals (Basel). 2020 May 17;10(5):867. https://doi.org/10.3390/ani10050867
• Kampherbeek, E.W., Webb, L.E., Reynolds, B.J., Sistla, S.A., Horney, M.R. Ripoll-Bosch, R.,
  Dubowsky, J.P. & McFarlane, Z.D. (2023) A preliminary investigation of the effect of solar
  panels and rotation frequency on the grazing behavior of sheep (Ovis aries) grazing dormant
  pasture, Applied Animal Behaviour Science, Volume 258, 2023, 105799, ISSN 0168-1591,
  https://doi.org/10.1016/j.applanim.2022.105799
• Kantar (2022). De Staat van het Dier. Publieksenquête. Rapportage 1-Meting. RDA, Den Haag.
  https://www.rda.nl/publicaties/publicaties/2023/04/06/enquete-staat-van-het-dier-2022
• KNMI (2017). Hevigere buien door klimaatverandering. Opgehaald van
  https://www.knmi.nl/over-het-knmi/nieuws/hevigere-buien-door-klimaatverandering
• KNMI (2021a). Klimaatsignaal '21. Opgehaald van
  https://cdn.knmi.nl/knmi/asc/klimaatsignaal21/KNMI_Klimaatsignaal21.pdf
• KNMI (2021b). Hittegolven. Opgehaald van https://www.knmi.nl/nederland-
  nu/klimatologie/lijsten/hittegolven
• KNMI (z.d. A). Waarnemingen klimaatveranderingen. Opgeroepen op 26 januari 2022, van
  https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/waarnemingen-
  klimaatveranderingen#hagelonweer
• KNMI (z.d. B) Gemiddelde relatieve vochtigheid in zomer om 12.00 uur in periode 1991-2020.
  Opgeroepen op 12 januari 2023, van https://www.knmi.nl/klimaat-
  viewer/kaarten/vocht/gemiddelde-relatieve-vochtigheid/zomer
• Lacetera, N. (2019). Impact of climate change on animal health and welfare. Animal Frontiers,
  9(1), 26-31. https://doi.org/10.1093/af/vfy030
• van Laer, E., Moons, C.P.H., Ampe, B., Sonck, B., Vandaele, L., De Campeneere, S., Tuyttens,
  F.A.M. (2015) Effect of summer conditions and shade on behavioural indicators of thermal
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’                 44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>  discomfort in Holstein dairy and Belgian Blue beef cattle on pasture. Animal 9 (9):1536-1546
  https://doi.org/10.1017/s1751731115000804
• Llonch, P., Haskell, M.J., Dewhurst, R.J., Turner, S.P. (2017), Current available strategies to
  mitigate greenhouse gas emissions in livestock systems: an animal welfare perspective, Animal,
  Volume 11, Issue 2, p. 274-284 https://doi.org/10.1017/S1751731116001440
• LNV (2014) Leidraad voor het evacueren van vee. Ministerie van Landbouw, Natuur en
  Voedselkwaliteit, 31 pp. https://www.lltb.nl/stream/2014-leidraad-evacueren-vee.pdf
• LNV (2020a) Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw, Ministerie van Landbouw, Natuur en
  Voedselkwaliteit, januari 2020, 34 pp.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/01/30/actieprogramma-
  klimaatadaptatie-landbouw
• LNV (2020b) Kamerbrief over de aanpak van stalbranden, 21 oktober 2020.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/10/21/kamerbrief-over-de-
  aanpak-van-stalbranden
• LNV (2021) Basis voor een Plan van aanpak Hittestress bij bedrijfsmatig gehouden
  landbouwhuisdieren, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 12 pp.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/07/27/basis-voor-een-plan-van-
  aanpak-hittestress-bij-bedrijfsmatig-gehouden-landbouwhuisdieren
• LNV (2022) Plan van aanpak voor hittestress bij landbouwhuisdieren, 13 pp.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/04/14/22153164bijlage-7-bij-
  verzamelbrief-dierenwelzijn-hittestress-landbouwhuisdieren
• LNV (2023) Kamerbrief DGA / 27937391 Innovatie en borging van emissiearme stalsystemen.
  https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/06/30/kamerbrief-innovatie-
  en-borging-van-emissiearme-stalsystemen
• LTO (2022) Wees goed voorbereid in crisistijd, 3 mei 2022. Opgehaald van
  https://www.lto.nl/wees-goed-voorbereid-in-crisistijd/
• LTO, NAJK, NMV & NZO (2018) Klimaatverantwoorde zuivelsector in Nederland, 32 pp.
  https://www.nzo.nl/media/uploads/2018/07/NZO-Rapport-Klimaatverantwoorde-zuivelsector-
  in-Nederland-december-2018.pdf
• Mayorga, E.J., Renaudeau, D., Ramirez, B.C., Ross, J.W., Baumgard, L.H. (2019) Heat stress
  adaptations in pigs, Animal Frontiers, Volume 9, Issue 1, January 2019, 54–61,
  https://doi.org/10.1093/af/vfy035
• McShane, K. (2018) Why animal welfare is not biodiversity, ecosystem practices, or human
  welfare: towards a more complete assessment of climate impacts. The Ethics Forum Volume
  13, nr. 1, p. 1-230. https://id.erudit.org/iderudit/1055117ar
• Mele, M., Mantino, A., Antichi, D., Mazzoncini, M., Ragaglini, G., Cappucini, A., Serra, A. Pelleri,
  F., Chiarabaglio, P.M., Mezzalira, G. & Bonari, E. (2019) Agroforestry system for mitigation and
  adaptation to climate change: effects on animal welfare and productivity. Agrochimica, The
  Effects of Climate Change, Special Issue 91-98.
  https://arpi.unipi.it/retrieve/handle/11568/1047869/708160/Mele%20et%20al.pdf
• Mills, J., Gage, K., & Khan, A. (2010) Potential influence of climate change on vector-borne and
  zoonotic diseases: a review and proposed research plan. Environmental Health Perspectives,
  118(11), 1507-1514. https://10.1289/ehp.0901389
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>• Mostert, P.F., Bos, A.P., van Harn, J., de Jong, I.C. (2022) The impact of changing toward higher
  welfare broiler production systems on greenhouse gas emissions: a Dutch case study using life
  cycle assessment. Poultry Science, Volume 101, Issue 12, 2022, 102151.
  https://doi.org/10.1016/j.psj.2022.102151
• Nagle, T.A.D., Glatz, P.C. (2012) Free range hens use the range more when the outdoor
  environment is enriched. Asian-Australasian J. Anim. Sci. 25, 584–591.
  https://doi.org/10.5713/ajas.2011.11051
• Narayan, E., Barreto, M., Hantzopoulou, G.-C., Tilbrook, A. (2021) A Retrospective Literature
  Evaluation of the Integration of Stress Physiology Indices, Animal Welfare and Climate Change
  Assessment of Livestock. Animals 2021, 11, 1287. https://doi.org/10.3390/ani11051287
• van Niekerk, T.G.C.M., Voogt, A., Visser, E.K. (2015) Voer en water tijdens transport van
  pluimvee, Wageningen, Wageningen UR Livestock Research, Livestock Research Rapport 752,
  46 pp. https://edepot.wur.nl/375782
• NVWA (2023) Nationaal plan voor veetransport bij extreme temperaturen versie 02, 11pp.
  https://www.nvwa.nl/documenten/export/veterinair/ks-documenten/werkvoorschriften-
  dierwelzijn/k-lv-wlzvl-05-nationaal-plan-voor-veetransport-bij-extreme-temperaturen
• Onderzoeksraad voor Veiligheid (2021) Stalbranden, Onderzoeksraad voor Veiligheid, Den
  Haag, 212 pp.
  https://www.onderzoeksraad.nl/nl/media/attachment/2021/3/24/stalbranden.pdf
• Poppe, M. (2022) Genetic improvement of resilience in dairy cattle using longitudinal data.
  Doctoral thesis, Wageningen University. https://edepot.wur.nl/561637
• POV & WUR (2020) Hitteprotocol Varkenshouderij, Tips om hittestress te beperken bij hoge
  buitentemperaturen, 10 pp. https://www.pov.nl/actuele-themas/voorkom-hittestress-bij-
  varkens/4
• Programma Integraal Aanpakken (2020) Resultaten onderzoek Veehouderij & Klimaat
  2018/2019. https://integraalaanpakken.h5mag.com/resultaten/cover
• Rojas-Downing, M.M., Nejadhashemi, A.P., Harrigan, T. and Woznicki, S.A. (2017) Climate
  change and livestock: Impacts, adaptation, and mitigation, Climate Risk Management, Volume
  16, 145-163 https://doi.org/10.1016/j.crm.2017.02.001
• RDA (2020) Dierenwelzijn in de kringlooplandbouw, RDA, Den Haag, 39 pp.
  https://www.rda.nl/publicaties/publicaties/2020/05/06/zienswijze-dierenwelzijn-in-de-
  kringlooplandbouw
• RDA (2021) Dierwaardige veehouderij, RDA, Den Haag, 44 pp.
  https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2021/11/18/zienswijze-dierwaardige-veehouderij
• Sectorraad Paarden (2022) Protocol Extreme Weersomstandigheden voor Paarden, 8 pp.
  https://www.knhs.nl/media/18628/protocol-extreme-temperaturen-voor-paarden-versie-23-6-
  2020-def.pdf
• Shields, S., Orme-Evans, G. (2015) The Impacts of Climate Change Mitigation Strategies on
  Animal Welfare. Animals 2015, 5, 361-394. https://doi.org/10.3390/ani5020361
• Sinha, R., Lone, S.A., Ranjan, A., Rahim, A., Devi, I. and Tiwari, S. (2017) The Impact of Climate
  Change on Livestock Production and Reproduction Ameliorative Management. International
  Journal of Livestock Research. Vol 7(6). https://www.ejmanager.com/mnstemps/68/68-
  1487830620.pdf?t=1629792791
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’                 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>• Staatsbosbeheer (2021) Hoge waterstanden in de rivieren, 15 juli 2021. Opgehaald van
  https://www.staatsbosbeheer.nl/over-staatsbosbeheer/blijf-op-de-
  hoogte/nieuws/2021/07/hoge-waterstand-limburg
• Stadig, L.M. (2017) Gimme shelter - Combining free-range broiler chickens with production of
  short rotation coppice. Doctoral thesis, Ghent University.
  https://biblio.ugent.be/publication/8538469/file/8538474.pdf
• Stichting Avined (2016) Protocol Pluimveetransport bij hoge/lage Omgevingstemperaturen, 5
  pp. https://www.avined.nl/wp-content/uploads/2016-000-n0042h.pdf
• Timmerman, M., van Reenen, K., Holster, H., Evers, A. (2018) Verkennende studie naar
  hittestress bij melkvee tijdens weidegang in gematigde klimaatstreken. Wageningen Livestock
  Research, Rapport 1117. https://edepot.wur.nl/460412
• Varkens (2022) Wisselend stalklimaat remt genetische expressie varken. Opgeroepen op 3
  januari 2023, https://www.varkens.nl/nieuws/2022/06/16/wisselend-stalklimaat-remt-
  genetische-expressie-varken
• Veer, M. (2022) Effects of climate change on the welfare of livestock, Literature review. Writing
  assignment of Master Degree Environmental Biology, Behavioural Ecology, University Utrecht,
  21 pp. https://studenttheses.uu.nl/handle/20.500.12932/41479
• Verbond van Verzekeraars (2022) Risicomonitor stalbranden. Opgeroepen op 26 oktober 2022,
  https://bi.verzekeraars.nl/db/risicomonitor%20stalbranden.html
• VLN & Saveetra (2020) Protocol Veetransport onder Extreme Temperaturen, 6 pp.
  https://www.tln.nl/app/uploads/2020/06/Protocol-veetransport-bij-extreme-temperaturen-
  2020.pdf
• WAVE (2020) Handreiking Redden van mens en dier tijdens overstromingen, Watersnood
  Aanpak Veiligheidsregio, 94 pp. https://onswater.ifv.nl/WAVE-handreiking-redden-mens-en-
  dier.pdf
• Weeronline (2021). Het bliksemt nu al 12 procent meer dan 100 jaar geleden. Opgeroepen op
  januari 26, 2022, van https://www.weeronline.nl/nieuws/het-bliksemt-nu-al-12-procent-meer-
  dan-100-jaar-geleden
• van der Wiel, B. (2016) Afmesten van melkkoeien om vleesproductie te verhogen: economische
  gevolgen en effect op broeikasgasemissies, Stageproject Leerstoelgroep Dierlijke
  Productiesystemen WUR, 31 pp. www.nelles.nl/wp-
  content/uploads/2016/05/Onderzoeksrapport-DEF-Bernou-van-der-Wiel-jul16.pdf
• WUR (2022a) Ammoniak- en methaanemissies verminderen met gras en weidegang,
  Nieuwsbericht 1 februari 2022. https://www.wur.nl/nl/nieuws/Ammoniak-en-
  methaanemissies-verminderen-met-gras-en-weidegang.htm
• WUR (2022b) Agroforestry voor klimaatpositieve zuivel en biodiversiteit. Opgehaald van
  https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksinstituten/livestock-research/show-
  wlr/agroforestry-voor-klimaatpositieve-zuivel-en-biodiversiteit-1.htm
• Zehetmeier, M., Hoffmann, H., Sauer, J., Hofmann, G., Dorfner, G., O’Brien, D. (2014) A
  dominance analysis of greenhouse gas emissions, beef output and land use of German dairy
  farms, Agricultural Systems, Volume 129, 2014, 55-67, ISSN 0308-521X,
  https://doi.org/10.1016/j.agsy.2014.05.006
                   RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Bijlage 1. Klimaatverandering in
Nederland
Voor de informatie in deze bijlage is gebruik gemaakt van het KNMI-rapport “Klimaatsignaal’21”
(KNMI, 2021a), dat is gebaseerd op het IPCC-rapport van augustus 2021 (IPCC, 2021), aangevuld
met eigen onderzoek van het KNMI. In “Klimaatsignaal’21” rapporteert het KNMI over het klimaat
in de periode 1991-2020 en de periode 1961-1990. Het betreft gegevens over temperatuur,
zonnestraling, neerslag, verdamping en het neerslagtekort. Zeespiegelstijging laat de RDA voor
deze zienswijze buiten beschouwing.
1.1      Klimaatverandering tot nu toe
Sinds 1901 zijn er 29 hittegolven geweest van minimaal vijf opeenvolgende zomerse dagen met
een maximum temperatuur van 25°C of hoger. Hiervan waren er drie tropisch met een maximum
temperatuur van 30°C of hoger. Van de 29 hittegolven sinds 1901 vonden er 13 plaats na 2000
(KNMI, 2021b). Van 1901 tot 2020 is de jaargemiddelde temperatuur met 2,3°C toegenomen
(Figuur A).
                    Figuur A. Jaargemiddelde temperatuur (°C) van 1901 tot 2020.
Temperatuur
Bij vergelijking van de periode 1991-2020 met die van 1961-1990 is te zien dat de jaargemiddelde
temperatuur in Nederland is toegenomen met 1,1°C. Dit is ruim twee keer zo veel als de toename
van de wereldgemiddelde temperatuur in dezelfde periode. De temperatuur is in alle seizoenen
toegenomen. De toename is het grootst in de lente (maart-mei), en het kleinst in de herfst
(september-november). De lente en de zomer zijn mede opgewarmd doordat in die seizoenen de
inkomende zonnestraling toenam. De jaargemiddelde zonnestraling is toegenomen met 4% over
deze tijdsperiode.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’        48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Ook nemen weersextremen toe over deze tijdsperiode. Het gemiddelde aantal zomerse dagen per
jaar met een temperatuur van 25°C of hoger nam toe van 19 naar 28, en het gemiddelde aantal
tropische dagen van 30°C of warmer is ruim verdubbeld van 2,4 naar 5,0 per jaar. De hoogste
maximumtemperatuur per jaar nam toe met 2,4°C, ruim twee keer zoveel als de toename van de
jaargemiddelde temperatuur in deze periode.
Neerslag, verdamping en droogte
Tussen 1961-1990 en 1991-2020 nam de gemiddelde jaarlijkse neerslag in Nederland toe met 8%.
De toename is het grootst in de winter (december-februari) en in de zomer (juni-augustus). Hierbij
werden de natte dagen natter. Het aantal natte dagen veranderde niet of nauwelijks. De lente is
het enige seizoen waarin de neerslag is afgenomen. Het aantal droge dagen in de lente is sterk
toegenomen. Het aantal zeer natte dagen (in de winter minstens 10 mm neerslag en in de zomer
minstens 20 mm) nam met ongeveer een kwart toe: van 4,3 naar 5,3 dagen in de winter en van 1,5
naar 1,9 dagen in de zomer. ’s Zomers neemt de kans op laagwater in de rivieren toe, terwijl in de
winter juist de kans op hoogwater toeneemt. Naast de extreme buien kent de Nederlandse zomer
ook een ander gezicht: dat van droogte. De kans op droge lentes en zomers is groter geworden.
Ons klimaat schuift steeds meer richting het klimaat van Zuid-Europa op.
De verdamping is in alle seizoenen toegenomen, vooral in de lente. De toename in verdamping
wordt veroorzaakt door hogere temperaturen en een toename van de zonnestraling. Dit heeft –
samen met de afgenomen neerslag in de lente – geleid tot een 12% groter maximaal
neerslagtekort gedurende het groeiseizoen (april-september) en een 22% groter neerslagtekort
aan het eind van de lente.
De invloed van de toegenomen neerslag en potentiële verdamping op droogte verschilt per
seizoen. In de herfst en de winter is de neerslaghoeveelheid groter dan de potentiële verdamping;
daardoor is er sprake van een neerslagoverschot. In deze seizoenen zijn beide variabelen
toegenomen gedurende de afgelopen eeuw. De potentiële verdamping en neerslag laten in de
zomer ook beide een oplopende trend zien, maar het netto-effect is dan een toenemend
neerslagtekort.
Windsnelheid
Tussen 1961-1990 en 1991-2020 nam de jaargemiddelde windsnelheid af met 4%. Deze afname is
waarschijnlijk deels het gevolg van een toename van de bebouwing. Ook de hoogste
uurgemiddelde windsnelheid per jaar is sinds de jaren 90 afgenomen. Het aantal stormen op de
Noordzee nam niet toe.
Blikseminslagen wereldwijd
De klimaatverandering zorgt ervoor dat er wereldwijd steeds meer blikseminslagen zijn. Nu al 12
procent meer dan 100 jaar geleden, en als de huidige opwarming zich doorzet, zullen dat er straks
50 procent meer zijn (Weeronline, 2021). In Nederland slaat ongeveer 200.000 keer per jaar de
bliksem in (Brandweer, z.d.).
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’           49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Trends in hagel zijn binnen Nederland niet goed vast te stellen. Hoewel in het hele land hagel voor
komt, wordt de hoogste concentratie van gebeurtenissen met grote hagelstenen waargenomen in
het zuidoosten van Nederland, met name in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland.
1.2      Toekomstverwachting
Bij de beschrijving van de toekomstverwachting zijn gegevens van de IPPC-scenario’s 2.6 en 8.5
gebruikt. Bij SSP1-2.6 wordt uitgegaan van een laag emissiescenario, waarin de uitstoot sterk
vermindert, terwijl SSP5-8.5 uitgaat van een hoog emissiescenario, waarin de uitstoot
onverminderd doorgaat.
Temperatuur blijft waarschijnlijk stijgen
De waargenomen opwarming in de winter in Noord-Europa en in de zomer in Zuid-Europa zet
waarschijnlijk door. Hoe hoger de temperatuurstijging hoe frequenter en intenser de hittegolven,
de neerslag en droogte.
Mogelijk afname van zomerneerslag en toename van winterneerslag
In alle emissiescenario’s neemt in Noord-Europa de jaargemiddelde neerslag toe. De
neerslaghoeveelheid in de stroomgebieden van Rijn en Maas zal in de winter toe- en in de zomer
afnemen, met hogere rivierafvoeren in de winter en lagere rivierafvoeren in de zomer tot gevolg.
De onzekerheid in toekomstige zomerse neerslagveranderingen in Nederland is echter groot. Voor
Nederland en de stroomgebieden van de Rijn en Maas, geven de modellen voor de lage
emissiescenario’s geen significante verandering en voor de hoge emissiescenario’s een afname van
zomerneerslag.
Droogte neemt waarschijnlijk toe
De potentiële verdamping neemt in beide scenario’s (lage en hoge emissie) toe, veroorzaakt door
hogere temperaturen. De potentiële verdamping wordt verder versterkt door een geprojecteerde
afname van bewolking en de daarmee samenhangende toename van de zonnestraling. De kans op
droogte, met een hoog neerslagtekort, neemt toe wanneer het verschil tussen potentiële
verdamping en neerslag groter wordt. Deze kans neemt het sterkst toe onder het hoge
emissiescenario (zie Figuur B).
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’            50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>         Figuur B. Verwacht maximum neerslagtekort in Nederland t.o.v. periode 1991-2020.
Er zijn steeds meer aanwijzingen dat door veranderingen in de straalstroom de persistentie van
hogedrukgebieden in de zomer toeneemt, wat de duur van warme en droge perioden zou kunnen
verlengen. Een periode van droogte, zoals die in 2018, zou in een warmer klimaat leiden tot een
groter watertekort dan toen in 2018. Hogere temperaturen en minder neerslag leiden tot een
grotere watervraag aan het oppervlaktewatersysteem (voor peilbeheer, beregening en
doorspoeling). Wanneer er geen groter aanbod van water is, leidt dit tot een toenemend
watertekort. Dus: Hoe warmer het klimaat, hoe extremer de gevolgen van droogte.
Mogelijk meer invloed van orkanen
De klimaatprojecties laten geen toename van de windsterkte op de Noordzee en daarmee gepaard
gaande stormvloeden zien. Maar met de opwarming van de aarde komen gebieden met hoge
watertemperaturen dichter bij Europa te liggen. Het is nog onzeker of orkanen in de toekomst ook
de Noordzee bereiken en met hun veel hogere windsnelheden voor gevaarlijke situaties kunnen
zorgen. Maar ook in het huidige klimaat beïnvloeden orkanen het windklimaat op de Noordzee. In
een warmer klimaat zullen orkanen in kracht toenemen. Voor onze breedtegraden zou dat tot
zwaardere restanten van orkanen kunnen leiden.
Onweer, bliksem en hagel zullen waarschijnlijk toenemen
Per graad opwarming neemt het aantal bliksemslagen bij onweer toe met 10 tot 15 procent
(KNMI, 2017). Door gebrek aan onderzoek en metingen is er nog weinig zekerheid over
wereldwijde veranderingen van de frequentie en intensiteit van hagel en onweer (KNMI, z.d. A).
Gezien de toename in de afgelopen 100 jaar is het echter waarschijnlijk dat onweer, bliksem en
hagel zullen toenemen.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’        51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Bijlage 2. Situatie voor gehouden dieren
buiten de veehouderij
Naast productiedieren in de veehouderij, worden er ook dieren gehouden als gezelschapsdier, als
hobbydier (met name landbouwhuisdieren) of als dieren voor educatie en/of recreatie (onder
andere in dierentuinen). In deze bijlage staat de RDA stil bij een deel van deze diergroepen aan de
hand     van   wat    hierover    is   besproken       tijdens  de    door   de   RDA georganiseerde
deskundigenbijeenkomst (zie bijlage 3).
Gezelschapsdieren
Veel gezelschapsdieren zullen waarschijnlijk meeprofiteren van de maatregelen die hun eigenaren
voor zichzelf nemen tegen klimaatverandering. Denk bijvoorbeeld aan airconditioning in huis of
tijdens vervoer. Toch zijn er voor gezelschapsdieren nog wel aandachtspunten te benoemen:
•    Huisdieren met overgewicht gaan het extra zwaar krijgen bij hogere temperaturen.
•    Het houden van rassen met aanleg voor ademhalingsproblemen of met een zeer dikke vacht
     zal vanwege klimaatverandering in Nederland niet meer verantwoord zijn.
•    Voor dieren die buiten worden gehouden, zoals konijnen of hobbykippen, gelden dezelfde
     maatregelen als genoemd bij dieren in de veehouderij. Ze moeten beschermd worden tegen
     hitte door bijvoorbeeld toegang te geven tot voldoende vers drinkwater en schaduw of
     beschutting.
•    Dieren in sport, ontspanning en vermaak:
      o Dieren in de sport moeten vaak grote lichamelijke prestaties leveren, wat voor problemen
          kan zorgen bij hitte.
      o Bij evenementen met dieren, zoals paardenmarkten, beurzen etc. kunnen hoge
          temperaturen tijdens transport, in tijdelijke huisvesting (binnen of buiten) en hogere
          dichtheden tot hittestress leiden.
     Over het dierenwelzijn van dieren voor sport, ontspanning en vermaak publiceert de RDA in
     2023 een aparte zienswijze.
•    De in hoofdstuk 2 genoemde risico’s op nieuwe ziekten gelden in principe ook voor gehouden
     dieren buiten de veehouderij.
•    Als het dier in staat is om zich aan te passen, zal het dat doen. Dat moet een dier dus wel
     kunnen. Bewustwording van dit belang bij houders van gezelschapsdieren is een voorwaarde
     om dieren deze mogelijkheid te bieden.
Dierentuinen
Dieren in dierentuinen worden in principe goed verzorgd. Toch zullen ook daar effecten van
klimaatverandering merkbaar worden met als aandachtspunten bijvoorbeeld:
•    In dierentuinen is er een grote verscheidenheid aan dieren, die individueel verschillende
     behoeften hebben. Er moet worden gekeken of sommige dieren nog wel in Nederland
     gehouden kunnen worden of dat die elders in Europa ondergebracht moeten worden,
     bijvoorbeeld dieren uit arctische gebieden.
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’             52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>•     De omgeving (onderkomen of tijdens transport) kan worden aangepast door te verwarmen of
      te koelen. Het laatste is technisch een grotere uitdaging. De vraag is wel of dit wenselijk is als
      het gepaard gaat met veel stroomverbruik.
•     Bij sommige exotische dieren, zoals bepaalde reptielen, kan de broedtemperatuur
      geslachtsbepalend zijn, waardoor er alleen vrouwtjes of mannetjes geboren worden.
Hobbydieren
Voor buiten gehouden hobbydieren (bijvoorbeeld de circa 450.000 paarden die in Nederland
worden gehouden) gelden in principe dezelfde mogelijke effecten van klimaatverandering als voor
buiten gehouden productiedieren (zie hoofdstuk 2). Hetzelfde geldt voor mogelijke oplossingen
om negatieve effecten tegen te gaan, zoals:
•     Wateropslag als buffer (is ruimte voor nodig).
•     Het inrichten van houtwallen voor schaduw (heeft tijd nodig).
•     Het plaatsen van schuilstallen of andere schaduwmogelijkheden (is in een aantal gevallen wel
      een vergunning voor nodig).
Ook voor hobbydieren geldt dat het dier keuzemogelijkheid moet hebben. Ze moeten een habitat
kunnen kiezen dat zij prettig vinden (variërende omgeving). Dat vergroot het dierenwelzijn. Zo
heeft een waterbuffel water nodig (rivier, vijver) om af te koelen.
Specifiek bij hobbydieren is aandacht nodig voor de motivatie en kennis bij de houders om het
welzijn van het dier te waarborgen:
•     Waarom houdt men een bepaald dier?
•     Brengt men zich wel voldoende op de hoogte van wat dat dier nodig heeft?
•     Hoe kunnen houders meer kennis over de dieren krijgen?
Ondanks goede bedoelingen kan dan door ontbrekende kennis de zorg voor de dieren niet op orde
zijn.
Knelpunten voor het dierenwelzijn van hobbydieren:
•     Combinatie van hoge temperatuur en hoge luchtvochtigheid.
•     Langdurige droogte (minder voer en water beschikbaar).
•     Samenstelling en kwaliteit van voer kan veranderen bij droogte en hoge temperatuur.
•     Rampen zoals wateroverlast en brand.
Algemeen
Het welzijnselement in relatie tot klimaat is erg afhankelijk van de diersoort. De thermoneutrale
zone is voor ieder dier anders. Er is daarom een dierenwelzijnsmethodiek nodig die de positieve
mentale staat van elk dier aangeeft in relatie tot het klimaat.
                     RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’               53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Bijlage 3. Deelnemers
Deskundigenbijeenkomst / Interviews
Deskundigenbijeenkomst 4 mei 2022
Annemarie Rebel, Wageningen Universiteit & Research
Frank van Eerdenburg, Universiteit Utrecht
Anita Hoofs, Wageningen Universiteit & Research
Lodi Laméris, BuRo/NVWA
Vivian Goerlich, Universiteit Utrecht
Kostijn van Ginkel, NVWA
Frans Meulders, KNMvD
Floor Smorenburg, Ministerie LNV
Ben Beerens, pluimveehouder
Fleur Bartels, POV
Manon Houben, Royal GD
Celine Bakx, Dierenbescherming
Gerrit Hofstra, Dibevo
Rogier van Rossem, Gehouden exotische dieren
Jinke Hesterman, Levende have
Wineke Schoo, Nederlandse Vereniging van Dierentuinen
Deelnemers namens de RDA:
Gé Backus, forumvoorzitter
Bas Rodenburg, forumlid
Len Lipman, forumlid
Arnold van Huis, forumlid
Hans Huibers, forumlid
Lisanne Stadig, forumlid
Leo den Hartog, forumlid
Marc Schakenraad, secretaris-directeur RDA
Ru Pothoven, commissiesecretaris RDA
Interviews
18 januari 2022 - Frank van Eerdenburg, Universiteit Utrecht
11 februari 2022 - Ingeborg de Wolf, Wageningen Universiteit & Research
5 december 2022 – Roel Veerkamp, Wageningen Universiteit & Research
                    RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’ 54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Samenstelling van de Raad
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de
minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid gevraagd en ongevraagd adviseert over
multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA
bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last
of ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele Raad. Deze zienswijze is
daarmee een product van de hele Raad.
Suggestie voor referentie: RDA, Raad voor Dierenaangelegenheden (2023). Laat dierenwelzijn niet
ondersneeuwen - Effecten van (beleid tegen) klimaatverandering op het welzijn van dieren in de
veehouderij. Den Haag, Nederland. 54 pp.
De RDA bestond op 1 november 2022 uit de volgende leden:
Prof. dr. J.J.M. van Alphen                                       Prof. dr. M.F.M. Langelaar
Dr. ir. G.B.C. Backus                                             Dr. L.J.A. Lipman
J.P. van den Berg                                                 Drs. F.E. Rietkerk
W.T.A.A.G.M. van den Bergh                                        Mr. C.W. Ripmeester
Dr. B. Bovenkerk                                                  Prof. dr. ir. T.B. Rodenburg
Dr. J.J.L. Candel MA                                              Dr. M.C.Th. Scholten
Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht                         Prof. dr. Y.H. Schukken
Prof. dr. ir. G.M. van Dijk                                       Ir. G.C. Six
Dr. N. Endenburg PhD                                              Drs. M. Slob
Prof. dr. R. Gehring                                              Prof. dr. G.R. de Snoo
Drs. D. van Gennep                                                Mr. drs. J. Staman, voorzitter
Prof. dr. M.A.M. Groenen                                          Dr. ir. J.W.G.M. Swinkels
Prof. dr. S. Haring                                               Drs. R.A. Tombrock
Prof. dr. ir. L.A. den Hartog                                     Prof. dr. ir. J.C.M. van Trijp
A.L. ten Have-Mellema                                             Dr. H.A.P. Urlings
Prof. dr. ir. J.A.P. Heesterbeek                                  Dr. J.B.F. van der Valk
Drs. G. Hofstra                                                   J. van de Ven
J.A.M. Huijbers                                                   Drs. F.A.L.M. Verstappen
Prof. dr. ir. A. van Huis                                         Mr. dr. J. Vink
Prof. dr. ir. B. Kemp
Secretaris-directeur van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
www.rda.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.
                      RDA.2023.080 - ZIENSWIJZE ‘LAAT DIERENWELZIJN NIET ONDERSNEEUWEN’          55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>