<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN

ADVIESCOMMISSIE

INZAKE

KC „GRAVENHAGE, Ì 12 maart 1973...
-Minlsterle van Bulteniendse Zekan, Plain 23

Rapport betreffende volkenrechtelijke verplichtingen

terzake van particuliere activiteiten tegen vreemde
regeringen,

Inleiding

In een schrijven d.d, 31 maart 1970, kenmerk JURA-63545,
heeft de Minister van Buitenlandse zaken, mede namens Zijn

Ambtgenoot van Justitie, zich gericht tot de Voorzitter van

de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
met het verzoek, advies te ontvangen met betrekking tot de KE

… volgende vragen:

a) a
dit heden ten dage wordt opgevat, op het Koninkrijk terzake oO...
van particuliere activiteiten van vreemdelingen en Nederlanders

Welke verplichtingen legt het algemene volkenrecht, zoals

op Nederlands territoir, gericht tegen regeringen van Staten”.

waarmede het Koninkrijk diplomatieke betrekkingen onderhoudt,

8)

Riedt ‘de. bestaande Nederlandse - Wetgeving het wegeringeapperaat
voldoende mogelijkheid tegen zodanige activiteiten op be: streden,

‘indienen voorzover dit noodzakelijk is om de volkenrechtelijke
7 verplichtingen. van het Koninkrijk na te komen, of, zijn hiertoe -

nadere wettelijke voorzieningen noodzakelijic.

“De Adviescommissie: moge ter voldoening aan ‘ait verzoek: het

hieronder. volgende Rapport uitbrengen. Een der Leden; Jur.

Mr. M. van der Goes van Naters, heeft aan het Rapport zijn af-
wijkende mening toegevoegd. Een ander lid, Mr. H.E. Scheffer,
heeft in een brief aan de Commissie verklaard, in resultaat

soortgelijke bezwaren te hebben tegen de in par. 51 van het

Rapport samengevatte voorstellen van de Commissie.

“Deel I ma Het algemene volkenrecht.

De Aäviescommissie is: bij haar discussies uitgegaan van

de, normale: volkenrechtelijke verplichting van de Staat, ervoor.
te zorgen dat. particulieren op zijn territoir geen inbreuk 0

„maken of aanslagen voorbereiden op de rechten van andere Sta-.

ten, zoals deze inhet volkenrecht zijn erkend, Vanouds is de

„nadruk gelegd op het tegengaan van iedere. activiteit gericht op

“de verplichting, voldoende zorg ("due diligence"
„ter voorkoming respectievelijk bestraffing van dergelijke ge~-

„omverwerping van de regering van een vreemde | Staat.

M Deze traditionele volkenrechtelijke norm eet, OD de Staat
aan te wenden

‘dragingen. Zij wordt an haar werking beperkt, door, andere regels

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Ch
a

mt
Cd

= oo

van internationaal recht, zoals de plicht van iedere Staat,
aan Zijn ingezetenen het recht van vrije meningsuiting te
waarborgen binnen de door het volkenrecht getrokken grenzen,

Enkele regels van dwingend volkenrecht verplichten de
Staat echter tot ket onder geen omstandigheden gedogen van
bepaalde particuliere gedragingen. Als voorbeelden zij ge-
wezen op het verbod van slavenhandel, van zeeroverij, van
genocide. Ook het verbod van corlogspropaganda (zie deel II,
groep A onder 3 van dit advies) lijkt zich te ontwikkelen tot
een Tegel van dwingend volkenrecht, Schiet de Staat tekort ir
de verplichtingen omschreven in deze paragraaf, dan is hij
jegens de gelaedeerde Staat aansprakelijk. Wat al dan niet
onder “due diligence! is te brengen, moet evenals in het
nationale recht bij de onrechtmatige daad aan de rechter of
de arbiter worden overgelaten, (Het jaarboek 1964 van de
International Law Commission, vol. II pp. 133-169, geeft
daarvan een goed overzicht, vervolgd in jaarboek 1969,
vol. II pp. 101 ~ 124.)

De Adviescommissie heeft voorts overwogen, dat het
hedendaagse volkenrecht in deze materie wordt gekenmerkt door
de botsing van twee stromingen:

enerzijds de - cok thans nog alleszins actuele ~
eerbiediging van de soevereiniteit en de bescherming van de
belangen van de regeringen van Staten waarmede diplomatieke
worden onderhoude, | Ee AN

anderzijds de toenemende internationale bemoelingen net
de bescherming van individuen, volksgroepen en volkeren.

Er bestaat een sterke neiging tot erkenning van het
recht van ieder koloniaal volk om met alle middelen, zelfs
met wapengeweld, van het koloniserende land zijn onafhanke-
dijkheid af te dwingen en van het recht van derde Staten,deze
volkeren in hun strijd te steunen. Ook is er duidelijke nei-
ging om te erkennen het recht van verzet tegen massale
inbreuk op wensenrechten, scals nu reeds tot uiting komt in
de rescluties tegen apartheid. Daarnaast ziet men echter in
recente internationale documenten een duidelijke bevestiging
van de traditionele, in net Handvest der Verenigde Naties
erkende beginselen van verbod van geweld en verbod van intere
ventie ten detrimente van gevestigde regeringen,

Ter illustratie van dit spanningsveld in het hedendaag-
se volkenrecht, waardoor dikwijls een tegenstrijdig beeld
ontstaat, volgen citaten uit enkele Verklaringen, plechtig
afgekondigd door de Algemene Vergadering der VN ter gelegen-
heid van het 25~jarig bestaan van de volkerenorganisatie, op
24 oktober 1970:

In de “Verklaring betreffende Beginselen van Internatio-
naal Recht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samen
werking tussen Staten" (Res. 2625 (XXV) sijn de volken-rechte
lijke beginselen van niet-inmenging in elkaars binnenlandse
aangelegenheden, alsmede het zich onthouden van geweld, als

|
re
f
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>oo

Le

volgt nader uitgewerkt:

“Every State has the duty to refrain from organizing
or encouraging the organization of irregular forces
or armed bands, including mercenaries, for incursion
into the territory of anotner State;

"Every State has the duty to refrain from organizing, Ane
stigating, assisting or participating in acts of civil
strife or terrorist acts in another State, or acquiescing
in organised activities within its territory directed
towards the commisssion of such acts, when the acts
referred to in the present varagraph involve a threat or
use of force",

"Wo State shall organise, assist, foment, finance, incite
or tolerate subversive, terrorist or armed activities
directed towards the violent overthrow of the regime of
another State, or interfere in civil strife in another
State’,

In dezelfde Verklaring wordt echte gesteld, dat staten
het recht missen geweld te gebruiken om de uitoefening van
het recht van zelfbeschikking van volken te verhinderen. In
verband hiermede wordt gesteld:

"In their actions against, and resistance to, such
Torcible action in pursuit of the exercise of their
right to seif-determination, such peoples are entitled
to seek and to receive support in accordance with the
purposes and principles of the Charter’.

Hieruit zou kunnen volgen, dat in de daar genoemde situa-
ties bevaalde, niet=gewelddadige steun aan rebellerende volken
mag worden verleend. In andere uitspraken van de Algemene Vers
gadering komt dat recht van een staat om zieh te bemoeien met
de interne aangelegenheden van een andere staat veel pregnan=
ter tet uiting:

De"Verklaring ter gelegenheid van het 25-jarige bestaan
der Verenigde Naties" (VN Doc, A/L 600), punten 6 en 7, bevat
een erkenning van het recht van koloniale volkeren met “all
appropiate means" te strijden voor zelfbeschikking, vrijheid
en onafhankelijkheid, en een scherpe veroordeling van de aparte
heidspolitiek, Het recht van deze volkeren hierbij de nodige
morele en materiële hulp te vragen en te ontvangen wordt echter
in punt 6 ondergeschikt gemaakt aan de “purpose and principles
of the Charter", hetgeen militaire hulp schijnt ult te sluiten,

Verder gaat het "Actieprogramma voor de volledige ult
voering van de Declaratie inzake het verlenen van onafhankelijk
heid aan koloniale landen en volken.

(Res, 2621 (XXV). Dit document stelt onder andere, dat wordt
erkend "the inherent right of colonial peoples to struggle by
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>— Aim

all necessary means at their disposal against colonial

Powers which suppress their aspiration for freedom and
independence (var, 2), en “Member States shall render all
necessary moral and material assistance to the peoples of
colonial territories in their struggle to attain freedom and
independence" (par. 3 sub 2). Het kan er op lijken, dat hier
militaire steun aan rebellen legitiem wordt geacht, alhoewel
een intervrefatie in het lieht van Verklaring 2625 (XXV) tot
andere conclusie zou kunnen leiden. Het Actieprogramma zeet
voorts in par. 7: "All States shall undertake measures aimed
at enhancing public awareness of the need for active assistenc:
in the achievement of complete decolonization, and in particu-
ier creating satisfactory conditions for activities by national
and international non-governmental organizations in support

of the peoples under colonial domination”.

Deze resoluties van de Algemene Vergadering der Verenigde
Naties vormen naar het oordeei der Adviescommissie een goede
kenbron voor de verschillende opvattingen die tegenwoordis:
in de Statengemeenschap leven. Afgewacht dient te worden of
en in hoever het in var, 9 weergegeven beginsel tot algemaen
aanvaard volkenrecht zal uitgroeien, Daar deze resoluties een
‘permissive character" hebben, zal de staat die zijn daden
daarnaar richt moeilijk wegens strijd met het volkenrecht
kunnen worden gelaakt. Te verwachten is een gewoontevorming d
naar uitgangspunt heeft in de collectieve actie gegrond op de
resoluties,

Voor de tegenwoordige stand van het positieve internatio
nale recht hecht de Commissie de meeste waarde aan de in
par. 7 besproken Verklaring, welke is opgesteld na jaren van
overleg in een Speciale Commissie der VN waarin volkenrechts=
deskundigen uit alle delen der wereld zitting hadden en
welke door de Algemene Vergadering unaniem is aanvaard,

De Adviescommissie trekt uit haar onderzoek deze algemene
conclusie, dat de traditionele plicht van de Staat tot het
voorkomen respectievelijk bestraffen van inbreuken door pare
ticulieren op de rechten van vreemde Staten — waaronder begren
pen de integriteit van hun Staatsbestel — onder omstandigheden
moet wijken voor het beginsel van het huidige volkenrecht,
dat aan de Staten de bevoegdheid toekent hun beleid mede te
doen bepalen door de rechten van vreemde individuen, volks
groepen en volkeren. Als hoofdregels van volkenrecat blijven
echter van kracht de verboden van geweld en van interventie,
en derhalve rust op de Staten de verplichting, te voorkomen
dat op hun territoir -door het volkenrecht niet toegelaten-
particuliere daden van geweld, interventie en terrorisme,
gericht tegen de regering van een Staat waarmede het Konink
rijk diplomatieke betrekkingen onderhoudt, plaatsvinden of voor
bereid worden.

Hen duidelijke uitzondering op deze hoofdregels vloeit
voort uit het recht van koloniale volkeren, met alle daar

= 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>13.

14.

we 5m

toe geschikte middelen tegen het koloniserende land te
strijden voor hun cnafhankelijkheid. In meerderheid aan~
vaardt de Adviescommissis dat dit - in het beginsel van
zelfbeschikking van volkeren wortelende - recht tevens

voor derden (Staten en particulieren) het recht tot steun

van dit streven meebrengt, voor zover de strijd niet ont-
aardt in handelingen die uit anderen hoofde (genocide,
terrorisme) in strijd met het volkenrecht zijn. Tot nog toe
verhindert echter geen regel van volkenrecht een Staat om
politieke redenen (b.v. ter wille van bondgenootschappelijke
relaties of de eigen neutraliteitspositie) dergelijke gedra=
gingen binnen zijn territoir te verbieden, Resolutiesvan de
Algemene Vergadering der Verenigde Naties, zoals de hierboven
genoemde Ree, 2621 (XXV), die de regeringen wijzen op bun
plicht tot bijstand aan koloniale volkeren, hebben niet de
kracht van bindende geboden,

Hoewel de bescherming van de rechten van de mens in de
geciteerde Verklaringen minder duidelijk naar voren springt
als rechtvasrdigingssrond voor particuliere activiteiten
sericht tegen gevestigde regeringen, kan worden geconstateerd
dat de mensenrechten op weg zijn Zieh te ontwikkelen van
rechtsbeginselen (de Universéle Verklaring van 1948) tot
rechtsregels (in Europees kader het Verdrag van Rome van
1950, in het kader van de Verenigde Naties de twee Inter-
nationale Verdragen van New York van 1966 inzake burgerlijke
rechten en politieke rechten,respsctievelijk inzake eco-
nomische, socialeen culturele rechten, die nog niet in wer-
king zijn getreden),

Cok andere rechten van de mens naast het recht op
zelfbeschikking, genoemd in art. 1 van de beide Verdragen van
1966, hebben in deze problemen betekenis. In dit verband kan
gewezen worden op de jaarlijke herhaalde “permissive" reso-
luties van VN-organen betreffende rebellie tegen apartheid.
Dech ook in verband met nog andere mensenrechten kan de
massale schending Legitimatie zijn of worden van afwijkingen
van vroeger door net volkenrecht geeist gedrag. Genoemd
zouden kunnen worden massale economische uitbuiting of ver-
waarlozing. Ook hier gaat het om schending van sen erkend
mensenrecht, het recht op een menswaardig bestaan, Hoewel
op dit gebied nog geen rebellie-permitterende resoluties
zijn aangenomen, zouden kritiek op in dit opzicht verwerpe-
lijk economisch beleid van bepaalde regeringen, en actie
ondernomen daartegen, als legitiem kunnen worden beschouwd,

De Adviescommissie is in meerderheid van oordeel dat het
geldende volkenrecht de Staten niet verplicht tot het
tegengaan van bepaalde handelingen van particulieren op hun
territoir, gericht tegen een stelselmatig de mensenrechten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>onne

Kd
ch
Ed

— 6 =

miskennend of zelfs misdrijven tegen de menselijkheid op=
leverend beleid van een vreemde regering. Bij wijze van

- niet exclusief — voorbeeld noemt de Commissie demonstratieve
activiteiten, Daarbij komen de mensenrechten in een ander
aspect aan de orde, nl. de vrijheid van meningsuiting, die de
Staat aan zijn onderdanen wil en krachtens het voor Nederland
geldende verdragsrecht moet waarborgen. Ook valt te denken
aan materiéle steun aan de slachtoffers van een wanbeleid

als hiervoor bedoeld, Vooralsnog geldt ook in deze materie

het voorbehoud, gemaakt aan het slot van par. 12,

Jegens vreemdelingen staat het de Staat volkenrechtelijk
vrij, de uitoefening der grondrechten in verdergaande mate te
beperken dan jegene zijn eigen onderdanen het geval is, voor
zover het politieke activiteiten betreft; dit beginsel is
terug te vinden in de Vreemdelingenwetgeving van de meeste
Landen, alsmede in art, 16 van het Europese Verdrag ter bee
scherming van de rechten van de mens.

Wegens de beperking in dit opzicht in de vraagsteiling
zal de Adviescommissie zich niet begeven in de vraag naar de
verhouding tot regeringen met wie het Koninkrijk geen diplom
matieke betrekkingen onderhoudt,

Deel II … De Nederlandse Wetgeving

Algemeen

18.

In de Nederlandse strafwetgeving terzake van subversieve
politieke activiteiten valt in het algemeen een “egocentrische
benadering te constateren: uitgangspunt is de bescherming van
de eigen interne orde dan wel van de eigen neutraliteit, Ben
bepaling als b.v, art. 299,2 van de Zwitserse Code Pénal
luidende: ",.,..Gelui gui, du territoire suisse, aura tenté de
troubler par la violence L'iordre politique d'un Etat étranger
Sera puUri.....etc," ontbreekt in de Nederlandse wetgeving,
hoewel een dergelijke strafbepaling, zoals aangetoond hier-
boven, geheel in overeenstemming met het hedendaagse volken
recht zou zijn.

Een nog verdergaande universele benadering is te vinden
in art. 26 lid 1 van de Westduitse Grondwet van 1649, dat
strafbaarstelling voorschrijft van "Handlungen die geeienet
sind und in der Absicht vorgenommen werden das friedliche
Zusemmenleben der Völker zu stören", De wettelijke verwezen-
lijking van deze gedachte leidde echter tot zulke moeilijkhede:
dat de tenslotte in het strafwetboek opgenomen bepalingen
alleen betrekking hebben op aanvalsoorlogen waarbij de B‚R.D,
zelf Zou/worden betrokken, Bij een wet van 25 juni 1968,
BGBL. 1, 741, zijn aan het Strafgesetzbuch twee paragrafen
toegevoegd, luidende als volgt: par. 80: "Wer einen Angriffs<=
zrieg (Artikel 26 Abs. 1 des Grundgedetzes), an dem die
Bundesrepublik Deutschland beteiligt sein soll, vorbereitet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Groen

Groep

Groep

hoe
i

2.

— 7 =

und dadureh die Gefahr eines Krieges für die Pundesrepablik
Deutschland herbeifuhrt, wird mit lebenslanger Freiheitesirafe
oder mit Freiheitestrafe nicht unter zehn Jahren bestraft;
par, 60a:

"Yer im räunlichen Geltungsbereich dieses Gesetzes öffentlich,
in einer Versammlung oder “durch Verbreiten von Schriften,Ton
trägern, Abbildungen oder Darstellungen gum Angriffskrie ag (par.
80) aufstachelt, wird mit Freineis atrafe von drei Monaten bis
au Fünf Jahren bestraft, 1)

In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht gaat het in de
artikelen 97 en 100-102 om de belangen van alleen de Nederland-
se Staat, die in oortog is of dreigt te geraken
Qua tekst lijkt art. 97a betreffende revolutionaire activi
teiten door het gebruik van de algemene term “omwenteling” een
ruimere interpretatie toe te laeten, maar de definitie van deze
term in art. 50 bis, bevestigd door de Kamerstukken, maakt
duidelijk dat ook bij dit artikel uitsluitend is gedacht aan
revolutionaire activiteiten tegen de Nederlandse regering.
(Hand IT sitting 1919-1920, Wol nr. 428).

De Adviescommissie heeft een aantal mogelijke subversieve
activiteiten tegen vreemde regeringen de revue laten passeren
en onderzocht, in hoeverre de huidige Nederlandse wetgeving het
regeringsapparaat de mogelijkheid biedt, daartegen op te treden,
Deze activiteiten kunnen globaal worden ingedeeld in vier groe-
pen:

Vormen van openlijke meningsuiting (mondeling of bij geschrifte,
via radio of tv, demonstraties, belediging, ophitsing tot om
yerwerping van een regime of tot (ourger)oorlog).

Vormen van bevordering van georganiseerde gewapende strijd tem
gen een vreemde regering (recrutering voor ôf indiensttreding
bij vreemde troepenmachten, wapenlevera nties of andere materiele
steun).

Vormen van internationaal terrorisme (onder andere ontvoering
van diplomaten en andere door het volkenrecht beschermde personer
kapen van schepen en vliegtuigen, aanslagen tegen personen en
goederen),

Andere vormen van subversieve activiteiten (o.a. valse munterij)

Groep A — Vormen van openlijke meningsuiting:

1, Radio= en tv-uitzendingen,

Nederland is parti? bij het Internationaal Verdrag nopens
het gebruik van de radio in het belang van de vrede, Genéve
23 september 1936. (Stbl, 1939, 16.)

In dit Verdrag hebben de toegetreden staten zich, kort se
gevat verbonden:

2
=
cs
i

1) De aangehaalde artikelen verwijzen voor het begrip
“Aneriffskrieg" naar het "Grundgesetz", dat evenmin een
definitie geeft,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>~ B m

iedere (radiojuitzending te verbieden die de bevolking
van enig gebied zou kunnen opwekken tot handelingen in strijd
met de binnenlandse orde of met de veiligheid van een gebieds
deel van een Verdragspartij (art. 1):

te verzekeren, det (radio)uitzendingen vanuit hun grondge-
bied geen opwekking tot oorlog, of tot handelingen welke daartoe
zouden kunnen Leiden, inhouden (art. 2);

iedere (radio}uitzending te verbieden, die de goede inter-
nationale verstandhoudingzou kunnen schaden door onjuiste be-
weringen, en de rectificatie van dergelijke beweringen, ook
indien de onjuistheid daarvan eerst achteraf is gebleken, op
de meest doelmatige wijze te verzekeren (art. 3

in tijden van crisis alleen gecontroleerde
doen uitzenden (art. 4).

7
ž
berichten te

Pr
Ant
LA

Uitvoering van dit Verdrag door de Nederl a se wetgever
is achterwege gebleven, Ook de Omroepwet (Stobi. 1547, 176)
en haar vuitvoeringsvoorschriften houden met de nierboven weer-
gegeven verdragsbe paringen geen rekening. In art. 5 lid 2
wordt de mogelijkneid tot preventief toezicht op de ultzen~
dingen geopend voor het geval de burgerlijke uitzonderings=
toestand is ingesteld, Het verbod van uitzendingen die iets
bevatten dat gevaar oplevert voor (o.a) “de openbare gede
in art. 10 lid 2 zou kunnen worden geïnterpreteerd op dezelfde
wijze als in de Vreemdelingenwet, nl. als mede omvattende
“schade voor de buitenlandse betrekkingen”, (zie par. 35).

PEL

Het is echter duidelijk, dat de door de toetreding tot het
Verdrag aangegane ruime verplichtingen hierdoor niet zijn
vervuld. Zo is Bijv. het recht van antwoord van een gelaedeerde
staat niet geregeld, waarbij valt op te werken dat Nederland
niet is toegetreden tot de U.N.-Convention on the right of
correction van 1953.

Van meer principiéie betekenis is
Verdrag met zijn onvoorwaardelijke besch
“oinneniandse orde" van de Partijen OTV
na-oorloegss ontwikkeling op het gebie
rechten, die de exclusieve bevoerdheid ve
beperkt (zie par. 13, 14 en 15).

+ bez

raming van de
enizb i

YL

BEEN

5 De it ch MU

De Äõviescommissi 5
door het Koninkrijk beho ort
van dit hoofdstuk komt zij

2. Belediging van vertesenwoordigcers ven vreemde staten,

Pt
In
ka

Eitel III van het Wetboek van Strafrecht heeft als op=
senrift: “Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van
vreemde staten.” Hierin worden in de artikelen 115-120 daden
van geweld of belediging van hoofden en diplomatieke vertegen-
woordigers van vreemde staten strafbaar gesteld. In haar
Rapport aan de Minister van Buitenlandse Zaken betreffende de
rtikelen 117 en 118 WvSr, (doc. S90 dd. 15-11-'58) heeft de
Adviescommis sie de volkenrechtelijke aspecten van het beledi-
gingssirafrecht besproken in het kader van de noodzaak, het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Ro
Ft
&

26.

I
wh
i

slang van vrije meningsuiting af te wegen tegen het belang
van bescherming van de vrede en de goede tussenstaatse be-
trekkingen, die door bepaalde particuliere gedragingen
(waaronder het opzettelijk beledigen van vertegenwoordigers
of symbolen van vreemde staten) in gevaar gebracht kunner
worden. De Adviescommissie toonde sich in haar Ravvort, in
het Licht van het zich op dit punt ontwikkelende volkenrecht,
in meerderheid voorstander van de volgende voorstellen:

a, of wel hendheving van de bijzondere deliets-vorm van
art. 117 in de thans bestaande vorm, met uitbreiding
van de cetegorie beschermde personen tot Ministers-
Presidenten en Ministers van “Buitenla andse Zaken.
of wel - en bij voorkeur — vervanging door een andere
speciale delictevorm, te plaatsen bij art. 267, met
toevoeging van zowel sen strefuitsluitingserond (indien
de dader beoogde te handelen in het openbaar belang)
als een strafverzwaringserond (indien de dader be-
oogde de vreedzame betrekkin geen met andere Staten in
gevaar te brengen of de ontwikkeling der internationale

rechtsorde te beiemmeren).

b. handhaving van de bijzondere delictsvorm van art. 118
op dezelfde gronden, met uitbreiding van de categorie
beschermde gersonen tot leden van bijzondere diploma
tieke missies naer Nederland.

Aan deze voorstellen van de Adviescommissie is tegemoet
gekomen in Wetsontwerp 17249, houdende nieuwe regelen bet cref-
fende strafbare belediging. Voorgesteld wordt, art. 117 oud
te schrapven, en in een nieuw art. 118 een lagere straf te
bedreigen bij opzettelijke belediging van hetzij hoofden of
regeringsle den van een bevriende staat, in de uitoefening van
hun ambt in Nederland verblijvende, hetzij officieel bij de
regering toegelaten vertegenwoordigers van bevriende staten,
in hun officiële ho edanigheid beledigd, Alle andere belediging
wordt gebracht onder het gemene recht, met sen strafverzwaring
in art. 267 WvSr. indien zij wordt aangedaan aan het hoofd of
een Lid van de regering van een bevriende staat.

Yoorts is als strafuitsluitingsgrond opgenomen de omstan-
digheid, dat de dader het oogmerk had een oordeel te geven over
de behartiging van openbare belangen: een strafverzwarinesgrond
als door de Adviescommissie voorgesteld is echter in het
wetsontwerp niet opgenomen.

In deze materie waarover het overleg tussen Regering en
Volksvertegenwoordiging gaande is - op 12 oktober 1971 heeft
de Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer haar voorlopig
verslag uitgebracht ~ heeft de Adviescommissie op dit ogen=
blik geen taak.

3. Gorlogspropagsanda

20818 reeds hierboven opgemerkt Lijkt het verbod van
oorlogspropaganda zieh te ontwikkelen tot een regel van
dwingend volkenrecht. Waar het in het algemeen de Staat vrij-
staat, oinnen zijn territoir vergaande kritiek op vreemde
seringen te dulden ter willie van het recht van vrije menings-
ing dat hij zijn ingezetenen behoort te wsaroorgen, en de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>29.

erkende mensenrechten die de nationale soevereiniteit be-
perken, vindt deze vrijheid baar grens als het gaat om

vormen van openlijke ophitsing tot aanvalsooriog of ongeoor=
Loofd gebruik van wapengeweld. Reeds in de Tweede Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties (1947) is met algemene
stemmen, waaronder die van Nederland, een resolutie aangenomen

die iedere vorm van propaganda voor vredebeäreigende af
agressieve handelingen veroordeelde, (zie het Verslag, 0122.
64-67, uitgeve Ministerie van Buiten lendse Zaken no 71).

Een weerspiegeling van deze ontwikkeling vormt art. 20
lid % van het Internationaal Verdrag inzake politieke en
burgerlijke rechten van 1966, bepalende dat iedere oorlogs
propaganda bij de wet verboden zei zijne De Adviescommissie
heeft de vraag besproken hoe deze verdragsbepaling, in het
£ jat Nederland tot hetVerirag zou toetreden, zou kunnen
worden uitgevoerd met behoud van een redelijke vrijheid van
meningsuiting. Ook in Skandinavische Landen is deze vraag bij
de ratificatie-voorbereiding van het Verdrag in discussie
geweest: inmiddels hebben Denemarken, Noorwegen en Zweden
bij de ratificatie een voorbehoud gemaakt ten aanzien van
art. 20 lid 1,

Hoewel sen reserve ale door Denemarken, Noorwegen en
Zweden gemaakt verenigbaar lijkt met de desbetref fende bepa
lingen van het Weense Verdrag inzake het Verdragenrecht van
1969 — sen niet-aanvaarden van de plicht, oorlogspropaganda
strafbaar te stellen, tast geest en doeisteiling van het
onderhavige Verdrag niet aan - komt het de Adviescommissie

yoor dat het Skendinavische voorbeeld niet moet worden na-
gevolgd. Een nationsalvsetrafrechtelijk verbod van oorlogs-

pr opaganda kan door zijn algemeen-preventieve werking welkome
steun geven aan het volkenrechtelijk geweldverbod van art. 2
Lid 4 van het Handvest der VN. Ook de omstandigheid, dat
Nederland bij de behandeling van het ontwerp-Verdrag tegen
arte 20 heeft gestemd, Lijkt de Adviescommissie niet van door-
slaggevend gewicht, Nu i conment is vastgesteid dienen
voorbehouden zoveel mogelijk te worden beperkt.

h

fs
iat]
gh
py OEE
bs
uw
ot

ring
e

a e Le
haald in par. 20, heeft

nde wenselijkheid, dat het nationale recht de ontwikkeling
zal volgen welke het volkenrecht op het stuk van het
atreffen van vredebedreigende handelingen thans door=
maakt”, daarbij als voorbeeld noemende art. 20 lid 7

van het Verdrag van 1966 (par. 3 peg. 3).

en voorts op de “noodzaak een afdoende bijzondere bescher-
ming te verkrijgen, tegen kwaadwillige activiteiten
beogende de vrede of goede tussenstaatse betrekkingen

aan te tasten” (par. 5 pag. 5).

Vooropgesteld zij, dat de uitvoering van deze verdrags=
bepaling Reb recht van vrije meningsuiting zoveel mogelijk
dient te eerbiedigen. De gedachte dat het bestrijden van
oorlogspropaganda zekere beperkingen van dit recht wettigt,
is in het volkenrecht niet onbekend. Zie bv. het hierboven in
par. 18 reeds genoemde. Verdrag van 1936, alsmede het ontwerp-
verdrag inzake vrijheid van informatie, voor zover aanvaard

— 44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>kad

Cad

door de sociale, humanitaire en culturele Commissie van de

Algemene Vergadering der VN in 1960, 1961 en 1962, Hierin
worden in art. 2 onder de toegestane wettelijke inbreuken
op de vrijheid van meningsuiting en vorming O.8. genoemd
“restrictions in respect of national securi ty and public
order ("ordre public’); systematic dissemination of fals
reports hermful to friendly relations among nations and of
expressions inciting to war or to national, racial or
reiigbus hatred wees.” etc. Arte 10 lid 2 van het Europese
Verdreg ingake de rechten van de mens onderwerot de vrijheid
Van meningsuiting san een aantal beperkingen die meer zijn
afgestemd op de nationale belangen.

De Adviescommissie heeft overwogen, of aan art. 20 lid 1
van het Verdrag van 1966 uitvoering ware te geven door middel
van bepalingen in het civiel= of administratiefrechtelijke vlak,
(Zie hierover beschouwingen van Prof.Mr. E. Orion, Het rechter
lijk bevel of verbod als wapen voor de Overheid, Van Onstell-
bundel (1972), blz. 61, en Hr. E. Bosma, Het rechterlijk bevel
als vo van politiedwang, NJS 1972 pag. 1177.) Gezien de
moeilijkheden die zouden rijzen bi; de vregen,of het belang
van de Staat bi J goede betrekkingen met andere Staten of bij
handhaving van de vrede in het algemeen een actie uit onrecht-
matige daad wettigt en, 20 ja, of de sanctie van een dwengsom
tot verhindering van oorlogspropaganda adeguaet is, heeft de
Adviescommissie deze oplossing verworpen. Voor de in de
literatuur geopperde mogelijkheid van een verbod, uitgevaardigd
door een administratieve rechter, besteat nog geen precedent in
het nationale recht.

Op deze grond meent de Adviescommissie te moeten aävi-
seren tot een strafrechtelijk verbod. Zij heeft zich er reken-
schap van gegeven dat een strafbevaling siechte in algemene
termen kan worden vervat en in de praktijk niet vaak tot ver-
volging aanleiding zal geven, omdat een ruime toepessing van
het ‘opportuniteitsbeginsel om velerlei redenen gewenst kan
zijne. Het eerste bezwaar zou ook kunnen worden aangevoerd
tegen de delictsomschrijving van art. 131 WvSr., die als voor-
beeld ken dienen; het andere geldt voor alle feiten, die veel-
eer ter wille van de norm — waarvan de werking zich cok elders
in het recht doet gevoelen — dan van de sanctie zijn strafbaar
gesteld, en waarven art. 99 #vSr. een typerend voorbeeld vormt.
Uit deze overwegingen stelt de Adviescommissie voor, in het
Wetboek van Strafrecht een bepaling op te nemen die ale volet
zou kunnen Zuiden:

"Hig die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of
afbeelding propaganda maakt voor een volkenrechtelijk
niet geoorloofde corlog of voor het gebruik van volken-
rechtelijk niet gecorloofd wapengeweld door enige staat
tegen een andere steat met wiens regering het Koninkri jk
diplomatieke betrekkingen onderhoudt, wordt, als schuldig
aan ooriogspropegenda, gestraft ess ONZo

De Adviescommissie heeft bij het Tormuleren van deze
tekst aansluiting gezocht bij het Verdrag ven 1936 en het in
par. 24 genoemde ontwerp-Verdras van 1960/62, en biigevolg aan
het voorgestelde artikel universele strekkir na gegeven. Ooriogs=
propeganda moet worden bestreden, niet alieen omdat — en in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>frat
Aland
8

k

ie
te
ta

Ra
rt
e

an ea

bag kt i
ze
mf
en
w
i
E
a]
feo!
[82]
JA
Be
ot
[433

ä a
ki viiegtu igkaping,
n

n een nieuwe
internationale

Et my

ur
Hy]

Sommige Leden waren van oordeel, dat
diplomatieke betrekkingen met de Staat teg
propaganda gericht is geen element van het
behoort te zijn. Andere Leden meenden dat
rechtszekerheid zal bevorderen,

het onderhouden van
n de oorlogs-
pare feit
toevoeging de

Het voor dit misdrijf vereiste opzet gal in de praktijk
alleen bewijsbaar zijn, ingeval het karakter van het gepropa=
gandeeräe optreden als een daad van agressie in strijd met het
Handvest van de YN in redelijkheid niet kan worden betwijfeld.
(vergelijk het in par. 11-15 gestelde). Door het gebruik van
net woord "propaganda" wordt strafbaarheid van strikt inciden=
tele uitingen uitgesloten. Art. 912 zou in art. 5 onder
10. WvSr. van toepassing moeten worden verklaard op Nederlanders
die zich buiten het rijk in Europa aan dit misdrijf schuldige
maken.

Gelijktijdig met de bekrachtiging van de Internationale

Verdregen van 1966 zou het Verdrag van 1936 kunnen worden op-
gezegd, waardoor een duidelijke rechtspositie zou zijn ge-

schapen.

4, Andere openlijke uitingen van kritiek jegens vreemde
regeringen

Voor andere kritische en demonstratieve handel Ingen tegen
vreemde regeringen of tegen internationale organisaties op
Nederlands territoir steit de Adviescommissie “niet een st

bepaling voor. Activiteiten als bv. het indertijd gehouden
Yanti-NATO-congres" dienen, terwille van de vrijheid van
meningsuiting, toeleastbear te zijne

In dit verband zij aangetekend dat het de regering krach-
tens de Vreemdelingen vet mogelijk is, aan vreemdelingen ver
dergaande beperkingen in de uitoefening der grondrechten op
Nederlands territoir op te leggen, dan mogelijk is jegens de
eigen onderdanen. In par. 16 hierboven werd er reeds op ge-
wezen dat dit beginsel in de wetgeving van de meeste landen is
te vinden en ook volkenrechtelijk is erkend.

Krachtens de Nederlandse 10: 3,
vreemdelingen hier te lande NANA zich te “geare er
wijze die gevaar kan meebrengen voor “de openbare rust, de
openbare orde of de nationale veili igheidt., Deze terminologie
is, bl ijkens de MvT, ontleend aan de Benelux-overeenkomst
inzake de verlegging van de personencontrole naar de buiten-
grenzen van het Beneluxgebieä (Erbil. 1960, 40); in ovareen=

wk ¢
}

4, kd
stemming met onze Beneluxpartners, aldus de NvT, wordt deze
overeenkomst aldus geïnterpreteerd dat schade voor de buiten
Landse betrekkingen geacht wordt onder gevaar voor de openbare
orde ot openbare rust begrepen te zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>37 a

Het Nederlandse beleid in dezen is aldus, dat aan vreem-
gelingen, jegens wie het vermoeden bestaat dat gij tijdens hun
verblijf alhier ongewenste politieke activiteiten zullen ont-
piooien, wordt aangezegd dat zij zieh hebben te onthouden van
activiteiten die de openbare rust, de openbare orde of de
nationale veiligheid in gevaar kunnen brengen, daaronder be-

activiteiten, die de democratische samenleving in

EN
e
n ac i
Nederland of de goede betrekkingen van het Konin kri jk met
e staten kunnen verstoren.

E

|

i
fhe
ie

Groep B - Georgeniseerde gewapende strijd teren vreel

regeringen.

De Verklaring betreffende Beginselen van Internetionaai
Recht, weergegeven in par. 7, werkt het non-interventiebeginsel
nader ult. Naar het oordeel van de Adviescommissie schiet het
geldende Nederlandse strafrecht hier in verschillende opzichten
tekort.

Zoals reeds in par. 18-20 werd gesignaleerd ontbreekt in
het Wetboek van rafrecht een strafbaarstelling van het deel~
nemen Gar Sowanend optreden tegen vreemde regeringen. Art. 101
WvSr. stelt alleen strefbaar het vrijwillig in krijgsdienst
treden bij buitenland se nogendheta waarmee Nederland in
oorlog gera 4 Wet Ooriogsstrefrecht.)
Overigens staat op het zich zonder verlof van de Kroon begeven
in vreemde krijg leen de sanctie van ver-
Lies van de Nederlandse nati (art. 7 onder 40. Wet
op net Nederlande

Hen andere leemte is, dat de aangehaalde wettelijke voor-
schriften alleen rekening houden met dienst bij wettige
regeringen. In het optreden van zen. “huurlingen, wier status
onzeker is, is niet voorzien, ofschoon het uidige voikenrecht
iedere staat verplicht ook deze vorm van gewapende actie vanuit
zijn grondgebied te verhinderen.
missie voor,

p deze gronden st si a
doen volgen sen

32 voorgestelde

aendheid of zich aansluit bij en organisatie, met
rk deel te nemen aan sen vol titenrecht elijk niet ge-
oor og of aan het gebruik van volkenr echteli jk niet
engeweld, teneinde een regering met welke het
SLomat jeke betrekkingen onderhoudt omver te
euk te doen aan haar gezag over het erondgepled
taat of een gedeelte daarvan, wordt gestraft! .eaee

EO ek
CJ bee

<5 Ke cn
ny En
i Fhe Ee MD Ch lt,
Ky He
ing re 9

sg

e
Van d

t volkenrecht, be-
advies, is het volken-
interventie op-
wapengeweld Lot
in par. 32 vermelde
van het onderhouden
treden vreemde staat

Met het oog op de ontwikke
handeld in het algemene gedeelt
Én
T

wek
ke
sE
i fg
vo
<
cr Ku 0

ey pee ES

poet
ÜROS em Qa et
e+

rechtelijk niet gevo orloofde
Leverende + karakter van d

een element van net
voorbehoud van st i
van diplomatieke
gelat ook voor ä

et of
oy ,
5
"et ED
5

et
t;

kt
et

sh

pad

D
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>D U
=
a

te worden
sen volkenrechte-
e par. 7.)
Lt

a

ol

PT

ka
ceo Oja 4

cr

mo

mY

ab

pe OS vms CD

ouder lo.
tot SederLande ers in den vre
ichting deertoe bestaat nie
iviteiten voor strafbare in
aar krachtens de algemene bepa ji
elneming aan strafbare Feiten, alsmede kr

s WvSr. over de zen. mislukte uitlokking.

e werking Vv
r

kd. a
cb
bv

e+ ja
jts

re ding worden zelf
en oe bret rence

t

Adviescomuis
troepen niet bovendi

si net dienstnemen big; ongere

6 iat
Willen verbinden. Daa

A

ed

van het Nederlanderse
rin een 20 duidelijke verzaki
van de eigen nationaliteit a in het treden in dienst van e
vreemde mogendheid. He i
op te ruime schaal toe

Geruime tijd heeft commissie 0
betekenis welke arte in de huid
2

7

cond dende OF

e
hebben, gelet op het interpretatie-artikel
2 en 3. Volgens het commentaar op art. 100 4
4
o

femeier
ze bepaling van toepassing op iedere i rm
rasivuatie in het buitenland. Gelet op |
+. 87 zou art. 199 onder 10., ruim geïn
ering de mogelijkheid kunnen vieden, op te treden tegen
icuiiere dsten van steun aen de partijen in enig buiten-
onfliet, mits deze hulpverlening afbreuk doet aan het
elnemen van Nederland aan de bewuste oorlog. Art. 37
chept hier onzekerheid: ook als een godanig conflict
3 is? Een verdere vrasg is, of voor de toepassing
« 100 in geval van een buitenlandse interne oorlog de
n door de regering als ‘“beisigerenten” moeten zijn

st

TA

7

k=

mae
ois
op it is

den 2 en

mm
id

=

Fi
. co
Fe OD pote has
Fate 5 (a
Oet
pa
$a
Te

EA

ngen, aan de Adviescommissie verstrekt

de nieuwe druk van Kovyon-Langemeier,

+ kennisneming van de notulen van de

taatscommmissie die het Wetboek van
beetrech* heeft voorbereid) dat men juist om ook een burger-

log in den vreemde te kunnen omvatten in het artikel heeft

gesproken van “een oorlog waarin Nederland niet betrokken

ist, (not. IV blz. 558.) Voorts heeft Mr. Remmelink de indruk,

dat het geoorloofd is het tweede en derde lid van art. 87

WvOr. te combineren. Dit blijkt uit een vroegere redactie:

"De bepalingen der strafwet waarin gesproken wordt van vijand en

van oorlogstijd zijn mede van toepassing op opstandelingen en

tijden van burgeroorlog” (not. II ble. 142.) De verdere gang
van geken ls in de notulen niet na te gaan.

4 A

De Adviescommissie is tot de conclusie gekomen, dat de
enoemde artikelen dienen te worden gelezen in het licht van
e tijd wearin zij zijn geschreven: de jaren van de Neder-
landse neutraliteitspolit: ek, wearin de strafwetgever slechts
og
e

ki

had voor het beiang, het in oorlog geraken van Nederland
‘voorkomen. Dit brengt mee dat de regeling ven art. 100
1«87 WwSr. in de huidige internationale constellatie onduidelijk

tie et > ol Chel

m OT +=
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>JEAN
kel

[i
8

en moeilijk te nan
lingen ken ertoe 1
beschouwen bepaald
ocogvunt toelaatbea
belang de straf baa

S. Een ruime uitleg van deze bepa-

dat de rechter als verboden gaat
singen, die uit volkenrechtelijk
en zijn en waarvan geen Nederlands

Lling rechtvaardigt.

Wat betreft materiële eteun aan opstandelingen zij voorts
gewezen op de In- en Uitvoerwet (Stbl. 1962, 299). In art. 2
lid 1 hiervan is bepaald dat bij AHvB regelen kunnen worden
gesteld ten aangien van de in- of uitvoer van bepaalde goederen
“in bet belang van de internationale rechtsorde op zichzelf,
dan wel een daarop betrekking hebbende internationale efepraak".
(zie bijv. het op deze wet berustende Uitvoersbesluit Straten
gische Goederen, Stbl. 1963, 128) Ook hier moet rekening worden
gehouden met de jongste ontwi ing van het volkenrecht,

Een en ander betekent, dat bev. leveranties van wapenen
of andere materialen, bestemd voor opstandelingen tegen een
vreemde regering, kunnen worden getroffen door een uitvoer-
verbode.

Groes O.~ Vormen van internetionaal terrorisme.

is Geweld tegen vertegenwoordigers van vreemde regeringen.

fat betreft dergelijke daden van geweldpleging wordt in
wetsontwerp 11 249 voorgesteld de woorden “regerend vorst of
der” in de art

GE, 115-115 WvySr. te schrappen. Dit betekent
dat aileen aan vreemde staatshoofden een verhoogde bescherming
tegen. daden van geweld wordt geboden, Op de grond genoemd aan
het slot van par. 25 begeeft de Adviescommissie zieh niet in
de vraag of us threwding v van de _Descherming nee n aanslegen

tot andere personen volk

Vel zij sangetekend, dat momenteel in het kader der
Verenigde Katies beraad gaande is over een ontwerp-verdrag
ter bescherming van dipl omaten, vaerin de bestaande volken-
rechtelijke verplichting wordt uitgewerkt in een nadere rege~
ling betreffende jurisdietie over en bes braffing dan wel uit=
Levering van personen, die daden van geweld begaan tegen
"door het volkenrecht beschermde persone n". Deze aangelegen
heid is verwezen naar de ?28-ste zitting van de Algemene
Vergadering der VN,

2. Kaping van schepen en vliegtuigen.

Kaping van schepen en vliegtuigen is strafbaar gesteld in
boek 11, titel AZIK Wvör. Ter uitvoering ven drie recente
verdragen die handelen over daden van terreur en sabotage ten
opzichte van viiegtuigen (de Verdragen van Tokio, Den Haag en
Montreal van resp. 1963, 1970 en 1971) zijn nieuwe strafbe-
palingen deels reeds in net WwSr. opgenomen, (Wet van 31 maart
1971, Stbl. 166), deels aan het Parlement voorgelegd en in
december 1972 door de Tweede Kamer aengenomen, (Wetsontwerp
17855(R 859) tot goedkeuring en uitvoering van de Verdragen
van 1970 en 1971).

on
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>„a
5

Ss

En

Jet

— 15 —~

4. Aanslazen tegen personen en goederen.

Zoels bekend, is in de 27ste zitting van de Algemene
Vergadering der Verenigde Naties on verzoek van de Secretaris=
Generaal de voorkoming van terrorisme en andere vormen van
geweld aan de orde gesteld, De Algemene Vergadering heeft dit
agendapunt verwezen naar een ad-hoc Commissie, na daaraan de
bestudering van de corzeken van dit verschijnsel te hebben
toegevoegd. Het Vi-Secretariaat heeft aan dit onderwerp een
studie gewijd. (doc. A/C. 6/418). Voorts hebben de Verenigde
Staten een ontwerp-conventie ingediend. (doc. A/G .6/L.850.)

De Adviescommissie is in meerderheid van oordeel dat het
Sul teat van de behandeling van ait gaderserp in de Verenigde
Naties niet behoort te worden afgewacht. In 1970 heeft

Resolutie 2625 (XXV) het bestaan van een op iedere staat
rustende verplichting tet bestrijding van terroristische actie
viteiten op zijn grondgebied uitdrukkelijk bevestigd, (zie
par.7.) Alle pogingen tot regeling van deze materie (afgezien
van vliegtuigkaping) in internetionaal kader hebben tot nu toe
gefaald. Herinnerd worde aan de ontwerp. verdragen opgesteld
door de Derde t/m Zesde Internationale Conferenties voor de
unificatie van het strafrecht (1930, 1931, 1934 en 1935), aan
het niet in werking getreden Verdrag ter voorkoming en be-
strijding van het terrorisme, op 16 “november 1937 te Genève
gesloten, en aan de bemoeiingen van de Verenigde Netties sinds
1954, alle beschreven in de studie aangehaald in de vorige
paragraaf. Intussen nemen de terroristische activiteiten
zienderogen toe en verspreiden zich over de gehele wereld,

ook in Nederland.

Op deze gronden stelt de Ad

i e viescommissie voor, in het
Wetboek van Strafrecht de volgende

bepalingen op te nemer

pet

Lj die een persoon of een college, met open-

Cr
ps
Oo
Fy
Gg ja
CD fone
EEC

kd

ag bekleed in een vreemde staat met wie het
Koninkrijk diplomatieke betrekki ingen onderhoudt, door
geweld of bedreiging met geweld gericht tegen aie
persoon, tegen een of meer leden van dat college of
tegen derden den we tegen goederen dwingt iets te
doen, niet te do of te duiden wordt, als schuldig
aan terrorisme, goetrafte sees e ENZ
"Arte Sid, Artikel 96 is van overeenkomstige toepassing
op het in het voorgaande artikel omschreven misdrijf".

in overeenstemming met de bovenaangehaalde studie van het
Val.=-Secretariag + heeft de Adviescommissie als kenmerk van
internationale) * erroristische activiteit sangenomen het uit
oefenen van Arak ‘op een regering door bedreiging met geweid,
hetzij tegen haar leden, hetzij ‘tegen een gehele bevolking
of een bepaalde groep van personen. De voorgesteide tekst is
niet beperkt tot daden van terreur voortkomende uit politieke
motieven; ook indien deze daden worden gepleegd uit een
krimineel motief, zoals afpersing van geld, vallen zij onder
het ontworpen artikel. Door deze benadering van het versehi jn-
sel terrorisme blijft de vraag, of in internationale ver-
houdingen het gebruik van geweld onder omstandigheden rechtens

e PP =
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>mand

~ 17 ~

en ken zijn, PUSTEN.

Re z an een minimum van algemene veiligheid, waar

ter wereld ook, dient naar het ooräeel van een srote meerder.
? Er

neid van de Adviescommissie ervan te worden uitgegaan dat

zelfs de rechtvaardigste zaak bepaalde vormen van geweld niet
Kan nehtigen, in het bijzonder indien deze, blindelings aan-

gewend, ch (mede) richten tegen derden. Ook het corlogs-

recht kent een verbod van het gebruik van bijzonder onmenselijke
Strijdmiadel er.

Door de toepesselid jkverklaring van ert. 96 Wvör. worden
de samenspanning en de nitlok cking tot, alemede de peüep-ieh-
tigheid aan het mi isäriji van terrorisme, als zelfstendi
feiten strafosar esteid. Dientengevolge zuilen de voorge
stelde artikelen ingevolge de artt. 2 em 3 WvSr. van toepas-
Sing zijn op een ieder die zich op Nederlands grondgebied,
daaronder begrepen aan boord van een Nederlands vaartuig ef
luchtvaartulg, aan de opgesomde handelingen schuldig maakt,

Gok de poging is strafbaar, Verdere uitbreiding ven de w werking
van de nieuwe artikelen schijnt de Adviescommissie nòeh volken-
rechtelijk geboden néch gewenst, De uitlevering van terroristen,
voor gover thans nog niet mogelijk, zal bij verdrag moeten
worden geregeld,

Uit wetstechnisch oogpunt zou het aanbeveling verdienen
art. 96 Wor, over te brengen naar art. 914 en dit voorschrift
in art. 36 van overeen komstige toepassing te verklaren. Ook
zal de vraag moeten worden bezien of de artt. 135-137 W5r.
moeten worden uitgebreid.

Nederland is Partij bij het Verdrag ter bestrijding van
‘ EA 24 E Pe, 4 my Set AT
valse munterij van 20 april 1929. (Stbl. 1932, 285.) De straf-
bepaling ter zake is art. 208 @vSr., dat het vervalsen van
muntsepecieen in het algemeen strafbaar stelt.
Hesumerende doet de Adviescommissie de volgende voor-
stellen tot het treffen van nadere wettelijke voorzieningen:
a. Vitvoeringsbepaling van het verbod van corlogepropeaganda
in art, 20 van het Internationeal Verdrag inzake burger-
lijke en politieke rechten (art. Sta WvwSr.), gevolgd door
opzegging van het Internationaal Verdrag nopens het ge-
oruik van de radio in net pelerg van de vrede van
4 september 1935.

5. Nieuwe strafbepaling betreffende georgeniseerde gewapende
strijd tegen vreemde regeringen. ak 316 WrSr.)

C. Nieuwe strafbepalingen tegen terrorisme. (artt. die end
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>52.

— 18 -

sLotopmerkingen

Bij het doen van deze voorstellen heeft de Advies-
commissie mede doen wegen, dat dien ingrijvende wettelijke
voorzieningen aandrang van vreemde mogendheden tot net tegen
gaan van hun onwelgevallige activiteiten in de hand zouden
werken, De positie van de Nederlandse regering in aangelegen
heden die de vublieke opinie hier te lande in beroering
brengen zou daardoor niet vergemakkelijkt worden,

De Adviescommissie heeft zich afgevraagd, of het niet
aanbeveling zou verdienen dit advies en de hijgevoegde minder
heidenota, integraal of in uittreksel te pubiiceren, ten einde
een openbare discussie op gang te brengen, Met het oog op de
ingewikkeldheid van de materie zou het nuttig sign indien de
openbare mening verder zou zijn uitsekristalliseerd, alvorens

tot indiening van sen wetsontwerp wordt overgegaan,

</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>ADVIESCOMMISSIE |
EE: © GINZAKE - eee
_ VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN | … GRAVENHAGE, n

i Ministerie van Buitanlandse Zaken, Plein 23 En

No.

Ondergetekende kan zich niet verenigen met de conclusien
van het aan de Ministers aangeboden Rapport. Near zijn mening
worden deze conclusien - neergelegd in de aanbevelingen
subfpar. 51 - niet gedragen door het te berde gebrachte —
noch van deel I, noch van deelII;: 1) < 00

Vooral sinds de politieke emancipa en groot aantal
Staten (thans leden van de Verenigde Naties) in de periode,
die nu dertien jaar achter ons ligt, is het "Volkenrecht,

in beweging" (Van Asbeck), in een "stroomversnelling" (Roling).

De Commissie geeft van die ontwikkeling wel een weergave

(0.28. par. 6 tot 10), maar zij trekt er niet de consequenties van.
Het ig hier, det de opportuniteit van het aanbevolene in net
geding komt, Deen

jedere commissie van advies aan de Regering mag, moet,
adviseren omtrent het al dan nief politiek wenselijke, over
het al dan niet verwezenlijkbare van bepaalde theoretische
mogelijkheden. De Adviescommissie die thans haar rapport
aanbiedt, laat dit ten enemale na... al ig zij er zelf niet
afkerig van, af en toe een politiek oordeel te geven.

(bev. par. “8°. en10, tweede alinea)

Het lijkt geboden, even stil te staan bij de interpretaties
van Handvest en Resoluties van de V.N., zoale de Commissie
die geeft, Daar, waar het de Commissie zint, zich tegen
militaire hulp aan ontrechte volken te verklaren, beroept
zij sich op de “Purposes and Principles of the Charter",
zoals deze zijn te vinden in art, 2. Maar zij denkt blijkbaar
uitsluitend aan het derde en vierde lid van dit artikel
("Peaceful means"; "refraining from the threat of the use
of force")... maar er is ook een tweede lid, dat zegt:

"ALI members.... shall fulfil in good faith the obligations
assumed by them in accordance with the present Charter",

len kan geredelijk aannemen, dat de verplichtingen geformu-
leerd in de U.N. Resoluties, voor zover zij unaniem of

met grote meerderheid zijn aangenomen, “in accordance with
the Charter" zijn, Men zal er goed aan doen, allereerst
aan deze teksten te gehoorzamen.

1)

Ondergetekende wil gaarne hulde brengen, met name aan de
Secretaresse, voor de voortreffelijke in het Rapport verwerkte
documentatie, en aan de Commissie zelf voor haar vindingrijkheid.

Du
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>an

Hoe staat het nu met de verbindende kracht van deze
uitspraken? De Commissie haalt uit de trits van politieke
decisies, die recentelijk door de Algemene Vergadering

over ong onderwerp zijn genomen, er één naar voreneses

want dáárop is zo lang gezwoegd! (Zie par, 10 al. 2},

Dit is de z.g. “Declaration on Principles", waarbij men

dan nog wat eenzijdig de nadruk doet vallen op non-interventie
en “peaceful means”. Maar in de zelfde Declaratie (Beginsel V)
wordt aan de onderdrukte volken het recht toegekend

“to seek and to receive support". Inderdaad wordt hieraan

dan toegevoegd - en daarop is de keuze van de Commissie
gebaseerd — “in accordance with the purposes and principles

of the Charter". Dat de Commissie deze laatste clausule

ten oprechte als een beperking opvat, is hier bovenal betoogd,

De moderne weergave van de "Principles", toch, is niet alleen
te vinden in de bovengenoemde Declaratie, maar in alle
destijds aanvaarde en door de Commissie aangeduide resoluties,
ook b.v, in de zesde par. van de “Declaratie ter Gelegenheid
van de Vijf en twintigste Verjaardag der V.N.", dus:

"ühe legitimacy of the struggle of colonial peoples for their
freedom by all appropriate means" benevens het recht,

daarvoor hulp te ontvangen! De zelfde term vindt men overigens
terug in het, tien dagen tevoren aangenomen, "Actie-programma
betreffende het Kolonialisme"™.

Tot op de jongste dag heeft de Algemene Vergadering zich in
declaraties in deze geest uitgelaten: de gedachte, dus, dat
de Leden gehouden zijn tot (en a fortiori zich niet mogen
verzetten tegen) materiele hulp bij de bevrijdingsstrijd.

in het moderne "volkenrecht in beweging" wordt duidelijk
een positieve waarde toegekend aan V.K. Declaraties.

Het is merkwaardig, dat onze Commissie dit ook wel doet...
maar alleen waar dit haar zint — zie par.10 - doch niet,
waar dit niet het geval is — zie par. 12 in fine.

in de litteratuur wordt zo'n onderscheid niet gemaakt.

Zo acht O.d, Asamoah 1) de verhindering tot nakoming van
deze uitspraken duidelijk in strijd met de internationale goede
trouw en dug met art. 2 sub 2 van het Handvest, 0.0.
Umozurike 2), die in een gedeelte van zijn recente studie
het onderwerp "Freedom fighting and international Law"
behandelt, spreekt, wat de Leden-Staten aangaat, van een
“minimum duty to treat the resolutions in good faith".

Ook in het Nederlandse kechtsbewustzijn ligt deze opvatting
thans duidelijk verankerd ~ en de Commissie had hierop.
moeten wijzen.

1) “The legal significance of the declarations of the |
General Assembly of the United Nations"; den Haag 1966. -

2) “International Law and Colonialiem in Africa, a critique";
Eastern African Law Review, 3. (1970)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>mn ee

Wat de volkenrechtelijke normen betreft, blijkt de Commissie
grote waarde te hechten aan de follow up van art, 20 lid 1
van het Ontwerp-verdrag van 1966 inzake Oorlogspropaganda.
(Zie par. 26-33).

Echter hebben niet alleen nú reeds drie verdragsluitende
partijen hier een duidelijk voorbehoud gemaakt: in de afgelopen
zeven jaren is er nog geen enkele nationale wet gerealiseerd
door die Staten, die dan zulk een voorbehoud niet hebben
gemaakt! Blijkbaar zit men overal er mee, (Niet voor niets
heeft Nederland indertijd tegen dit artikel zo gestemd.)

Wanneer de duitse Bondsrepubliek - en dat lijkt wel waarachijn-
lijk ~ met een beroep op het anterieure art. 80 Strafgesetz-
buch, dat zélf gebaseerd is op art. 26 lid 1 van de Grundgesetz,
gal gaan zeggen, dat zij daarmee reeds haar veräregsverplich-
tingen is nagekomen, dan kan Nederland stellig met succes
hetzelfde doen met betrekking tot art. 100 W.v.Sr. In beide
gevallen is er sprake van een zekere beperking van de menings-
uiting; n.l. het element van het niet in een aanvalsoorlog

doen betrekken van het eigen land.

Een dergelijke verklaring “jam adimpleti contractus", af te
leggen ter gelegenheid van de bekrachtiging, zou dan kunnen
worden gezien als een interpretatieve verklaring....wanneer
men hieraan de voorkeur mocht geven boven een gewoon voorbehoud.

len behoeft echter zulk een voorbehoud niet te zien als een
te kort komen in internationale gezindheid, In de bepalingen
van de "Law of Treaties", ook door Nederland terecht gezien
als een handleiding voor behoorlijk internationaal handelen,
worden dit soort voorbehouden — "reservations", sectie III -
beschouwd als een normale gaak....tenzij “the reservation is
incompatible with the object and purpose of the treaty“;

iets, wat met betrekking tot art. 20 van het Verdrag van 1966,
ook naar het oordeel van de meerderheid der Commissie,
duidelijk niet het geval is. |

Er zijn bovendien - als reeds gezegd - meerdere precedenten
en tot nu toe is nergensgebleken van “objection to reservation".
De Conclusie van de Commissie had dus moeten zijn, dat op

het stuk van oorlogspropagande de Regering niet tot verdere
maatregelen gehouden is.

Nu heeft de Commissie een soort “junctiën" gelegd tussen
aanvaarding van art. 20 van het Verdrag van 1966... en de
opzegging van het ~ destijds alleen op de Radio betrekking
hebbende — Verdrag van Genève, van 23 september 1936.

Dit in Zwitserland gesloten Verdrag dateert uit de bange tijd,
toen men meende, zich door een “neutrale” houding Hitler
van het lijf te kunnen houden, Het is in Nederland nooit
tot uitvoering gekomen, Na de bevrijding ~ toen men wars
was van elke preventieve censuur - heeft geen zinnig mens
nog aan de toepassing er van gedacht. De Omroepwet van 1967
zwijgt er dan ook ten enemale over.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>-4-

Van de gedachte, het nú - met preventieve censuur en al -
tot leven te brengen, is de Commissie gelukkig terug gekomen:
dit zou in Nederland een storm van verontwaardiging wekken,
en het Parlement - in welke samenstelling ook - zou het

niet nemen.

Haar ook de opzegging bij Wet - waar tegenover dan als
contraprestatie de uitvoering van art. 20 van het Verdrag van
1966 zou moeten staan — zou te veel eer zijn. Al in 1932
heeft Auguste Lebrun ("La Coutume") gesteld: “il convient

done de reconnaitre pleinement l'autorité de la coutume
contra legem et l'abrogation des lois par la dõsuštude",

en in 1955 concludeerde Georges Ripert (“Les Forces creatrices
du Droit"): “Les lois ignorées ne jouent plus aucun rôle

dans l'ordre juridique réel.... Ce sont des ombres vaines

dont la vie passée ne peut intéresser que l'historien”.

Het internationale recht erkent de zelfde, eventueel
conflicterende, rechtsbronnen: geschreven recht en gewoonte.
(art. 38 Statuut internationaal Hof).0ok hier kent men het
verschijnsel van "désuétude® en van "lois ignoress" - vooral
na een wereldoorlog en de juridische "stroomversnelling",
die daarop volgt; Charles Rousseau b.v. spreekt van het
"effet extinctif de la guerre". Dit effect heeft in Weste
Europa zijn volle werking gehad op het Radio-verdreg van
1936. Bij de constatering daarvan dient men het te laten,

—

Ook de wél reeele misstanden op het gebied van agressieve
activiteiten (als in de vraagstelling bedoeld), b.v. de
trieste affaire ~ "Wassenaar”, sijn met het gebruik van het
gemene Recht behoorlijk berecht. Dit zelfde zon gelden voor
(onverhoopte) kidnapping van diplomaten in Nederland, Dit
verachtelijke misdrijf zou vallen onder de repressie in het
W.v.Sr. tegen mensenroof: 74 jaar maximaal! (art. 282).
Heeft het miedrijf doodslag ten gevolge, dan is het maximum
15 jaar (art. 287). Waarom - en deze vraagstelling is één
van de uitgangspunten van deze Nota - waarom tot leges
apeciales gijn toevlucht nemen, wanneer het gemene Recht
ons precies brengt, waar wij wezen moeten?

Dit geldt ook voor de andere vormen van terreur. Terreur

wordt in het moderne Volkenrecht omschreven als “grave bodily
harn". Hen zou zich kunnen indenken, dat ook bedreiging
hiermede,dikwijls Één van de elementen is. Men zie dan in

het W.v.Sr. de artikelen 301, 302, 303 en 304, mitsgaders

art. 265. Uit par. 46 van het Rapport biijkt overigens, dat
ook een deel van de --leden. . der Commissie de gang van
zaken met de te New York geentameerde regeling van deze materie
wil afwachten. Wat “luchtpiraterij" e.d. betreft, is een
wettelijke uitvoering van de internationale verdragen (den Haag
en Montréal) in parlementaire behandeling.

Met dit alles heeft onze Commissie dus geen bemoeienis.

amie

=
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Er

3

ä

Be

Slot-conciusie.

Ondergetekende is op grond van het bovenstaande van mening,
dat de antwoorden op de — in de Inleiding van het Rapport
weergegeven - vragen der twee Ministers als volgt dienen
te Luiden:

Vraag a. Antwoord: gene;

Vraag b. Antwoord op het eerste deel: ja;
Antwoord op het tweede deel: neen.

De Commissie heeft echter gemeend, de Regering wél tot
nieuwe legislatieve maatregelen te moeten adviseren; het
door ondergetekende ingenomen standpunt leidt hier tot de
volgende conclusies. (Zie pare 51):

(Art. 20 van het Intern;Verdrag van 1966). De Commissie stelt,
ter uitvoering hiervan, een nieuw artikel Sta van het W.v.Sr.
voor tot tegen gaan van “oorlogspropagenda”; daarvoor zou

dan zelfs een nieuwe Titel van dit Wetboek moeten worden
geschapen:

Het gaat in deze hele materie vrijwel om een casus non dabilis:
wanneer komt het nu voor, dat iemand (anders dan door een
"strikt incidentele* uiting.... want die geldt niet....)
wapengeweld aanbeveelt dat volkenrechtelijk niet geoorloofd
is - dus buiten de hierboven geciteerde V.N.-~resoluties

om ~ en dan nog die interventie zou wensen daar, waar er nog
geen oorlogssituatie is. (Als die er wél is, kan men er geen
propaganda meer voor maken) Waar komt nu zo'n toestand voor

~ en welk reeel belang is er mee gediend, hier tot een
ingrijpende wettelijke regeling over te gaan?

De Commissie - zie laatste zin van par. 32 - zou die nieuwe
strafbepaling dan ook nog willen uitbreiden tot “Nederlanders
buiten het Rijk in Europa". De vragen, die de Regering aan

de Commissie heeft voorgelegd zijn echter beperkt tot
vreemdelingen en Nederlanders op Nederlands territoir,

Waarom dan aan een vraagstelling een uitbreiding geven, die
niet door de Regering is bedoeld? E

Hierboven is al gesteld, dat niets ons verplicht, het omstreden
art. 20 van bovengenoemde Verdrag te aanvaarden; bij de
niet-aanvaarding bevinden wij ons in goed gezelschap. Ook is
reeds uiteen gezet, waarom men het Radio-verdreg van 1936,

</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>6

ad b. Welk belang is er gediend met "nieuwe strafbepalingen" tegen
in dienst treding bij buitenlandse troepeneenheden?
Het gaat hier meestal om een individuele daad van — dikwijls
onverstandig - idealisme, Er is in de meeste gevallen al een
duidelijke ~ soms te strenge — sanctie, in het verlies van
het Nederlanderschap in geval dit gebeurt zonder verlof van
de Kroon,

Ook hier gaat het voorgestelde (men zie ook par. 32) de |
vraagstelling van de Regering te buiten: de in diensttreding
geschiedt nel. niet op Nederlands territoirt

Bovendien - en de Commissie wijst hier n.b. zelf op (zie
par. 39e.v-)-geeft art. 100 juncto art. 87 W.v.Sr. ruimschoots
elegenheid, tegen werkelijke excessen ook op dit gebied
(uiteraard alleen in geval van strijd met het Volkenrecht)
äp te treden. Dit optreden zou dan ook een tegen de inter-
nationale rechtsorde ingaande recrutering kunnen omvatten.

Wat ongeoorloofde, op Nederlands grondgebied plaats vindende,
wapenhandel betreft, zij er ten overvloede op gewezen, dat
t.a.v. strategische goederen niet alleen de in- en uitvoer,
doen ook de doorvoer verboden is verklaard,

ad e. Over de overbodigheid van nieuwe strafbepalingen tegen de
(moderne) vormen van het internationaal terrorisme is hiervoor
reeds gesproken, Cok terreur tegen vreemde regeringen en hun
vertegenwoordigers op Nederlands territoir valt vrijwel altijd
onder de bestaande strafbepalingen van het gemene Recht,
eventueel aangevuld met de - thans in parlementaire behandeling
zijnde - uitvoeringsmaatregelen van de betrokken internationale
verdragen. Met deze materie heeft onze Commissie dus geen
bemoeienis,

Ondergetekende moge hieraan nog toevoegen, dat zelfs de kleinste
legislatieve perfectionering van het huidige bestel - en de
Commissie stelt deze dus in par. 51 tot driemaal toe voor —

door Parlement en Openbare Mening zal worden aangevoeld als
gelegenheidsweteeving die reacties zal oproepen, waaraan

men de kegering niet mag bloot stellen ("Angola"; "Camara Helder",

enz. }

Hieraan mag inderdaad gedacht zijn in begin 1970, toen de
opdracht aan de Commissie werd geformuleerd,....dus nog onder
het “Law and Order"-eifect. Tempus regit actum! Maar we zijn
nu drie jaren verder - en nú is wel gebleken, hoezeer de
Kamer (maar ook de Regering zélf) met lange tanden hapt

in dit soort wetgeving.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>men

Voorbeeld: de “nieuwe regelen betreffende strafbare belediging”,
Deze materie die destijds plotseling urgent werd geacht
("Johnson moordenaar") is langdurig door een werkgroep
voorbereid; ook onze Commissie heeft zich er aan gezet.
indiening: 8 april 1971; Voorlopig Verslag (vol vraagtekene!):
12 oktober 1971. Op een verdere behandeling is er thans,

bij de aanvang van Git jaar 1973, nog geen kijk!

Het is cok geen toeval - en nog veel minder: gebrek aan

ijver - dat onze Commissie over haar rapport betreffende

een in 1970 urgent geachte materie drie jaren heeft gedaan,

Al deze feiten en verschijnselen hadden de Commissie tot
een nauwkeuriger afweging kunnen brengen tussen enerzijds:
het weinig positieve, dat zij op legislatief gebied heeft
aan te bieden en anderzijds: de moeilijkheden die over
het hoofd der Regering zouden komen bij de aanvaarding
daarvan, Haar studie is zeker niet voor niets geweest:

het buitenland kan weer eens waarnemen, hoe serieus wij
onze internationale verplichtingen opvatten. Men mag de
Regering echter niet aan moeilijkheden bloot stellen,

die zonder enig offer kunnen worden vermeden.

ien Ge
gommen

Br)
Jf
(M. van der Goes van Naters)

pont

bid der Commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>