<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES
INZAKE
VOLKENRECHTELUKE VRAAGSTUEKEM S-GRAVENHAGE 15 december 1978...

oe Mintsterle ven Suttenlandse Zaken Plein 23

Ns. 1250

Rapport inzake het Voorontwerp van de Rijkswet betreffende
het Nederlanderschap

Inleiding

1. Bij schrijven d.d. 27-1-1978, kenmerk DAZ/JZ-19737,
heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Advies-
commissie verzocht, advies uit te brengen inzake het
Voorontwerp van Rijkswet - Vaststelling van nieuwe,
algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap
ter vervanging van de Wet van 12 december 1892
(Stbl. 268) op het Nederlanderschap en het Ingezeten-
schap.

2. De Adviescommissie heeft aan dit onderwerp een aantal
vergaderingen gewijd in de periode van maart tot
augutus 1978. Tijdens een dezer vergaderingen hebben
de leden van gedachten gewisseld met enkele ambtenaren
van de Hoofdafdeling Privaatrecht van het Ministerie
van Justitie, over verschillende aspecten van het
Voorontwerp, die de aandacht van de Commissie hadden
getrokken. 7 |

3. De Adviescommissie heeft geconstateerd dat aan het
wetsontwerp een aantal belangrijke aspecten van inter-
nationaal recht is verbonden.

Bij kwesties van nationaliteit immers zullen altijd
betrokken zijn een Staat en hetzij een onderdaan van
een andere Staat, hetzij een Staatloze. In toenemende
mate nu wordt in het volkenrecht erkend dat de Staten
bij het al dan niet toekennen van hun nationaliteit -
op zichzelf een souvereine bevoegdheid - een bepaalde
zorgvuldigheid in acht hebben te nemen. Zo wordt in
art. 15 van de Universele verklaring inzake de Rechten >
van de Mens gezegd

1. Teder heeft recht op een nationaliteit;

2. Aan niemand mag willekeurig zijn nationaliteit wor-
‚den ontnomen, noch het recht worden ontzegd om
van nationaliteit te veranderen.

Op dit terrein zijn dan ook in de afgelopen decennia
een aantal verdragen tot stand gekomen, onder meer:

- het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
Genève 1951. (Trb. 1951, 131);

FEED tE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>- het Verdrag betreffende de status van staatlozen,
New York 1954. (Trb. 1955, 42):

- het Verdrag inzake de nationaliteit van de gehuwde
vrouw, New York 1957. (Trb. 1965, 218):

- het Verdrag ter beperking der staatloosheid,
New York 1961. (Trb. 1967, 124);

- het Verdrag ter beperking van meervoudige nationali-
teit en betreffende militaire verplichtingen terzake,
Straatsburg 1963. (Trb. 1964, 4);

- de Overeenkomst inzake beperking van het aantal ge-
vallen van staattoosheid, Bern 1973. (Trb. 1974, 32).

Bij de drie eerstgenoemde verdragen is Nederland Partij.
Aangezien het blijkens de Toelichting op het Vooront-
werp de bedoeling is, ook de drie laatstgenoemde ver-
dragen ter goedkeuring aan de Staten-Generaal aan te
bieden, heeft de Adviescommissie het Voorontwerp aan
alle genoemde verdragen getoetst.

Terwijl enerzijds als een uitgangspunt voor het vol-
kenrecht geldt, dat een ieder recht op "een" nationa-
liteit heeft, kan men niet stellen dat een ieder
zonder meer recht heeft op het verwerven van de natio-
naliteit van een bepaalde Staat. De Staten hebben

het recht, binnen de door het volkenrecht getrokken
grenzen, bepaalde eisen te stellen aan de personen die
zij tot hun onderdaanschap willen toelaten.

Aan het bezit van een nationaliteit zijn enkele belang-
rijke rechtsgevolgen verbonden. Zo geldt ten aanzien
van het diplomatieke beschermrecht, dat Staten dit in
het algemeen slechts kunnen uitoefenen ten aanzien

van hun eigen onderdanen. Voorts komt de rechtsbescher-
ming voor personen krachtens verdragen dikwijls slechts
toe aan de onderdanen: der verdragsluitende Staten.

Ook heeft de plicht van Staten tot samenwerking als

een der beginselen van internationaal recht conseauen-
ties ook voor de regelingen die zij met betrekking tot
de nationaliteit vaststellen en toepassen.

Behalve bovengenoemde, duidelijk volkenrechtelijke
aanknopingspunten zijn in de discussies in de Advies-
commissie noodzakelijkerwijze andere juridische aspecten
aan de orde gekomen; daaronder staatsrechtelijke vragen,
kwesties van procedure en van Europees Gemeenschaps-
recht. De Adviescommissie heeft besloten in het
hiernavolgende deze aspecten te behandelen naar gelang
zij bij de bespreking der diverse hoofdstukken naar
voren komen. Aan de rechtsbescherming zal aan het

slot een afzonderlijke beschouwing worden gewijd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

3. De definitie van “vader” in art. 1 sub d lijkt ontoe-
reikend: ook grootvaders, broers, ooms, neven ete.
staan immers tot het kind “in familierechtelijke
betrekking", Toe te voegen ware: "in de eerste
graad in opgaande lijn."

[an

. T.a.v. art. 2 zij de aandacht gevestigd op de mogelijk-
heid, dat aan het feit van verkrijging of verlies
van het Nederlanderschap op zichzelf rechtsgevolgen
kunnen zijn verbonden, die wél terugwerkende kracht
hebben. Een betere formulering voor het artikel lijkt
met het oog hierop: “Het Nederlanderschap wordt niet
met terugwerkende kracht verkregen of verloren."
Daarnaast ware een en ander uitvoeriger toe te lichten.

Hoofdstuk 2 - Het Nederlanderschap

5. De toekenning van het Nederlanderschap ipso iure ook
aan de meerderjarige kinderen bedoeld in art. 4 kijkt
wel erg royaal; die toekenning zou naar de mening van
de Adviescommissie kunnen worden beperkt tot minder
jarige kinderen, maar wêl moet dan, teneinde te voldoen
aan de eisen van het Verdrag van New York van 1961
ter beperking der staatloosheid, een optierecht voor
meerderjarige kinderen worden gecreëerd indien zij
anders staatloos zouden blijven. Hetzelfde geldt t.a.v.
meerderjarige ädoptieikinderen. (art. 5 lid 1) (zie
ook hieronder bij art. 9).

6. T.a.v. wettiging en adoptie door een Nederlander
fart. 4 en 5) kan de vraag worden gesteld in hoeverre
een wettiging of adoptie overeenkomstig het recht van
een ander land mede in aanmerking mag worden genomen
voor het verkrijgen van het Nederlanderschap.

Faal

De Adviescommissie constateert een in haar ogen belang-
rijke leemte in het Voorontwerp voor wat betreft de
positie van de staatloze Zuid-Molukkers in Nederland.
Krachtens art. 6 lid 1 zouden hun in Nederland geboren
kinderen automatisch het Nederlanderschap verwerven;
evenals dat het geval is krachtens de thans nog
vigerende wet. De wet geeft hier een regeling die door
velen onder de Molukse bevolking in Nederland niet
wordt gewenst,

Hoewel de Adviescommissie in beginsei volledig het
streven van het Voorontwerp steunt, het aantal apatriden
zo klein mogelijk te houden, meent zij dat een uit-
zondering op dit beginsel gerechtvaardigd is in gevallen
als het onderhavige, waarin een vreemde groepering
binnen een staatsverband om bepaalde redenen de nationa-
liteit van die Staat niet wenst.Het beginsel dat een
ieder recht op een nationaliteit heeft, brengt niet mee
dat iemand een bepaalde nationaliteit tegen zijn wil

kan worden opgelegd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De Adviescommissie wil er bovendien op wijzen, dat ook

het Verdrag van 1961 ter beperking van staatloosheid

het automisme van art. 6 lid 1 niet vereist.

Art. 1 lid 1 en 4 van het Verdrag biedt de Staten-Partijen
de mogelijkheid, het verkrijgen hunner nationaliteit
eventueel afhankelijk te stellen van de wens daartoe

van de betrokkene. Daarentegen zou het omgekeerde systeem:
ipso iure de nationaliteit toekennen, gekoppeld aan de
mogelijkheid van verwerping door de belanghebbende,
stuiten op het verbod in art. 7 lid 1 van het Verdrag.
Daarom beveelt de Adviescommissie aan, art. 6 lid 1

in dier voege te wijzigen dat een (desgewenst onmiddellijk
door de wettelijke vertegenwoordiger geldend te maken)
optierecht wordt gecreëerd voor kinderen geboren in het
Koninkrijk die anders staatloos zouden zijn. Daarbij

ware echter te bedenken dat het Verdrag in art. 1 leden

2 en 5 limitatief de gronden voorschrijft, waarop een
dergelijk verzoek kan worden afgewezen, Zo zou b.v.

de eis van “ingeburgerd zijn" jegens deze categorie
personen niet mogen worden gesteld.

Het valt op, dat aan de term "foundling", (enfant trouvé”)
in art. 2 van het Verdrag van 1961, een beperkte uitleg
wordt gegeven in art. 6 lid 2 van het Voorontwerp

ni. “pasgeboren” kind. De Adviescommissie vraagt zich af
waarom deze beperkte uitleg is gekozen, te meer nu ook

de huidige Wet op het Nederlanderschap in art. 2b, even-
als het Verdrag, het ruime begrip hanteert:

"het te vondeling gelegde of verlaten kind”.

Voorts biedt art. 2 van het Verdrag het kind een bijzondere
rechtsbescherming: het wordt geacht op het bewuste grond-
gebied te zijn geboren, en het wordt tevens geacht ouders
te hebben van de nationaliteit van het desbetreffende
land. De Adviescommissie bepleit dat deze dubbele waar-
borg alsnog in het Voorontwerp wordt opgenomen, dan wel
dat tegenbewijs tegen de fictie dat het kind op het
bewuste grondgebied geboren is wordt uitgesloten.

T.a.v. de term "in een van de landen van het Koninkrijk
teboekgesteld schip" in art. 6 lid 3 is in de Advies-
commissie de vraag gerezen, wat de positie is van een kind,
geboren of gevonden aan boord van een Nederlands binnen-
schip dat zich in het buitenland bevindt.

Hoofdstuk 3 - De verlening van het Nederlanderschap

10.

Artikel 7 lid 1 van het Voorontwerp heeft in de Advies-
commissie geleid tot een langdurige discussie. Deze

heeft in de eerste plaats betrekking gehad op de vraag of
de zinsnede “indien zij in de Nederlandse of de Nederlands-
Antilliaanse samenleving zijn ingeburgerd" beschouwd moet
worden als een voorwaarde vor de ontvankelijkheid van de
verzoeker, dan wel als een beperking van de verplichting
van de minister, het Nederlanderschap te verlenen. In het

- 5 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>11.

12.

13.

eerste geval zou de bewijslast van het ingeburgerd
zijn op de verzoeker rusten; in het tweede geval zal
het ontbreken van het vereiste door de minister (de
administratie) moeten worden aangetoond.

Artikel 10 lid 1 geeft geen ondubbelzinnig antwoord

op die vraag. Daarin wordt immers geen onderscheid gemaakt

tussen “niet ontvankelijk verklaring" (voor de gevallen
onder a) en afwijzing (voor de gevallen onder b).

Ook uit de toelichting is het antwoord niet volledig
duidelijk af te leiden. Het slot van de eerste alinea

op pag. 25 lijkt te wijzen in de ene richting, maar de
laatste alinea op pag. 24 in de andere.

Opheldering op dit punt is niet alleen van belang voor
de strekking van een uitspraak in beroep, maar ook

voor de wijze waarop het voorontwerp aangepast zal moeten
werden aan het internationale recht. Het vereiste van
ingeburgerd zijn mag immers niet gesteld worden als het
verzoek door een staatloze wordt gedaan. (zie art. 34
van het Verdrag van 1951 betreffende de status van
vluchtelingen, art. 32 van het Verdrag van 1954 betref-
fende de status van staatlozen, alsmede het Verdrag

van 1961 ter beperking van de staatloosheid.)

De Adviescommissie erkent overigens dat het volkenrecht
een staat niet verbiedt zijn nationaliteit, aan personen
die daarom verzoeken, niet toe te kennen op de enkele
grond dat zij niet in voldoende mate als verbonden met
de nationale samenleving kunnen worden beschouwd.

In de Adviescommissie is evenwel de vraag gerezen of

het eriterium van ingeburgerd zijn daarvoor wel een
goede en bruikbare maatstaf kan opleveren. Op dit punt
is de commissie verdeeld gebleven.

Enkele leden zijn van mening dat het juist is, het ver-
eiste van het “ingeburgerd zijn" thans in de Wet in te
voeren op de wijze als in art. 7 is geschied; dit be-
tekent een bevestiging van het sedert jaren gevoerde
beleid. Deze leden achten het zowel gerechtvaardigd als
onontbeerlijk dat er bij de toekenning van het Neder-
landerschap mede op wordt gelet of de aanvrager als in
voidoende mate verbonden met de Nederlandse samenleving
kan worden beschouwd; het is een collectief, door de
overheid te behartigen belang, dat het Nederlandse
karakter van onze samenleving behouden blijft. De eis
van "ingeburgerd-zijn” is een eis die door elke Staat
mag worden gesteld aan personen die verzoeken zijn
nationaliteit te verkrijgen, en in de meeste Staten is
dat dan ook het geval; een en ander onder de volken-
rechtelijke beperking waarop in par. 10 werd gewezen.

De Adviescommissie ziet echter in meerderheid ernstige
bezwaren tegen het invoeren van het criterium van het
"ingeburgerd-zijn" op de wijze als thans in het Voor-
ontwerp wordt voorgesteld, omdat dit criterium te vaag,
te subjectief bepaald is, en zich niet leent voor meer
dan een marginale toetsing door de administratieve
rechter. Aldus zou te veel rechtsonzekerheid blijven
bestaan. De Commissie ziet in het Voorontwerp in zijn

- 6 =

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>14.

15.

16.

huidige vorm onvoldoende waarborgen die zouden kunnen
voorkomen dat aan de administratie bij de toepassing

van dit criterium teveel beleidsruimte wordt gelaten,
met alle rechtsonzekerheid van dien.

Dit bezwaar geldt des te meer ten aanzien van de extra
zwakke groepen onder hen die streven naar naturalisatie,
zoals vluchtelingen en staatlozen. (zie de reedsge-
noemde artikelen 34 resp. 32 in de Verdragen betreffende
de status van vluchtelingen, resp. van staatlozen.)

Dit bezwaar kan naar de mening van de Adviescommissie
niet worden weerlegd met het argument dat voor ongerust-
heid geen reden is, omdat de praktijk toont hoe humaan
en royaal het huidige Nederlandse naturalisatiebeleid
is, zeker in vergelijking met dat van andere landen.

De Commissie bestrijdt niet dat dit thans het geval is;
het is echter de taak van de wetgever, deze materie

te regelen op zodanice wijze, dat de rechtsonzekerheid
ook in de toekomst tot het uiterste beperkt zal blijven.

Een tweede bezwaar tegen het invoeren van het criterium
"ingeburgerd-zijn" in hoofdstuk 3 van het Voorontwerp
ligt in het verschil in rechtspositie dat aldus wordt
gecreëerd tussen aanvragers van naturalisatie krachtens
hoofdstuk 3 en krachtens hoofdstuk 4 van het Voor-
ontwerp. Het valt niet in te zien, waarom een recente-
lijk met een Nederlander gehuwde buitenlander een
sterkere juridische positie bij een naturalisatie-
aanvraag zou moeten hebben dan een vreemdeling, die
gedurende tenminste 5 jaar rechtmatig verblijf in ons
land heeft gehouden. Men dient beide categoriën
aanvragers gelijke juridische mogelijkheden t.a.v. het
inwilligen van hun naturalisatie-aanvraag te verlenen.

Daar komt nog bij, dat het vereiste van het ingeburgerd
zijn ook niet geldt voor hen die de Nederlandse
nationaliteit krachtens het ingeburgerd zijn op de
Nederlandse Antillen hebben verkregen en evenmin voor
Nederlanders die buiten het Koninkrijk zijn geboren en
tijdens hun gehele opvoeding of anderszins langdurig

in het buitenland hebben geleefd alvorens zich in het
Koninkrijk te vestigen. Ook overigens mist het begrip
precisie; zie pres. Rb. Amsterdam (N.J. 1978 no. 571).

De hierboven gesignaleerde bezwaren tegen het Vooront-

werp in zijn huidige vorm kunnen op twee manieren worden

ondervangen. Een deel der leden heeft op zichzelf geen

overwegend bezwaar tegen invoering van het criterium

“Yingeburgerd-zijn" in de Wet ( en dan 66k in hoofdstuk 4)
maar zou de beleidsvrijheid van de administratie

bij het hanteren van dit criterium meer willen inperken

dan thans in het Voorontwerp het geval is. Daartoe zou

de eis van het "ingeburgerd-zijn" niet moeten worden

opgenomen als een constitutieve voorwaarde in art. 7

- 7 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>17.

maar zou het ontbreken van “inburgering” als een der
weigeringscronden in art. 10 moeten worden opgenomen.

De bewijslast voor het "niet-ingeburgerd zijn” van de
aanvrager komt aldus ondubbelzinnig bij de administratie
te liggen. Bij de toepassing van dit criterium zou een
nieuw Adviescollege een rol moeten krijgen, naar
analogie van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken
fart. 2 Vreemdelingenwet).

Daarnaast zou het beroep op de administratieve rechter
moeten worden verstrekt. Dit zou kunnen geschieden
door de gronden voor weigering van een verzoek tot
naturalisatie wegens niet-ingeburgerd zijn op te nemen
in de Wet, dan wel in een op de Wet berustende A.M.v.B.

In dat geval zou de Afdeling Recht-
spraak van de Raad van State in staat zijn tot een
“volledig beroep” als bedoeld op pag. 39 van de Toe-
lichting. Het wil deze leden voorkomen dat deze vorm
van toetsing beter kan worden aangeduid met de term
"volledige toetsing", zoals hieronder nader zal worden
uiteengezet.

De tweede methode is het criterium van het "ingeburgerd-
zijn” niet in de Wet in te voeren. Deze oplossing kreeg
de steun van de overige leden der Adviescommissie,

op grond van de in par. 13 - 15 genoemde bezwaren tegen
het criterium “ingeburgerd” als zodanig. Voor deze

leden woog in de eerste plaats de positie van de zwakke
groepen Onder de vreemdelingen in ons land, die naar
naturalisatie streven, zeer zwaar; zoals hierboven reeds
is aangestipt zij hierbij met name gedacht aan
vluchtelingen en staatlozen. Niet voor niets is in de
genoemde verdragen betreffende de status van vluchtelingen
en staatlozen een artikel gewijd aan de verplichtingen
der verdragsluitende Staten om de gelijkstelling en
naturalisatie van de op hun territoir toegelaten
vluchtelingen en staatlozen "zoveel mogelijk te ver-
gemakkelijken". Bovendien is de eis van het ingeburgerd-
zijn, zoals reeds opgemerkt, jegens staatlozen in strijd
met het Verdrag van 1961 ter beperking der staatloosheid.
Deze verdragsbepalingen wijzen op de rechtsovertuiging;
dat aan vluchtelingen en staatlozen zo weinig mogelijk
belemmeringen in de weg dienen te worden gelegd bij

hun streven naar naturalisatie in het land dat hen heeft
toegelaten. Jegens deze groepen vreemdelingen lijkt het
derhalve op grond van het volkenrecht ongewenst de eis van
het ingeburgerd-zijn te stellen, Op humanitaire gronden
zou analoog hetzelfde moeten gelden jegens vluchtelingen
met de zogenaamde "B-status".

Voorts stelt het Voorontwerp zelf de eis van inburgering
niet ten aanzien van de met Nederlanders gehuwde vreem-
delingen Zou het zin hebben, voor de õverige vreemdelin-
gen de eis van het ingeburgerd-zijn dan nog in te voeren?
Bedoelde leden beantwoorden deze vraag ontkennend; de in
art.10 genoemde voorwaarden kunnen jegens deze overige
optanten voldoende worden geacht,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>18.

19.

20.

21.

In art. 8 lijkt lid 1 onder a geen rekening te houden

met het feit, dat krachtens art. 13, Vreemdelingenwet

de 5- en 10-jarige termijnen, relevant voor het verkrijgen
van een vestigingsvergunning, pas vanaf de 16-jarige
leeftijd beginnen te lopen. Vreemdelingen kunnen derhalve
niet eerder dan met 21 jaar een vestigingsvergunning
krijgen. De Adviescommissie vraagt zich af, of de rege-
ling in art.8 van het Voorontwerp, gelezen juncto art.13
van de Vreemdelingenwet, voldoende is doordacht.

Op verschillende plaatsen toont het Voorontwerp naar de
mening van de Adviescommissie een te grote beduchtheid
voor het ontstaan van bipatriditeit. Ook uit lid 2 van
art. 8 blijkt dit.

Uti volkenrechtelijk oogpunt ontmoet bipatriditeit niet
zoveel bezwaren als apatriditeit, terwijl het hebben

van meerdere nationaliteiten voor de betrokken individuen
een soms zeer gewenste extra rechtsbescherming kan geven
in de vorm van diplomatieke bescherming. Men kan hier

met name denken aan de problemen van personen, werkzaam
in een andere nationale samenleving, zoals gastarbei-
ders en personen, werkzaam in het kader van ontwikkelins-
samenwerking, en aan de problemen van vluchtelingen.

De Adviescommissie beveelt dan ook aan, lid 2 van art.8 te
schrappen. In dit verband wil de Adviescommissie aanbe-
velen dat ons land geen Partij wordt bij het Verdrag van
Straatsburg van 1963 ter beperking van meervoudige natio-
naliteit; althans bij deel I daarvan. Het Verdrag heeft
een Bijlage, waar sub 3 wél de gpiegelbeeldsituatie is
voorzien, nl. de mogelijkheid dat een Nederlander die

een andere nationaliteit heeft of krijgt daarnaast het
Nederlanderschap behoudt (zie nader bij hoofdstuk 5).

De verkorte procedure voorzien in art.9 zou mede moeten
gelden voor meerderjarige kinderen die door een Neder-
lander worden erkend, gewettigd of geadopteerd.

De gronden tot weigering van een aanvraag tot naturalisa-
tie, omschreven in art.10 1b hebben in de Adviescommissie
eveneens critiek ontmoet. In de eerste plaats gaan zij
voor wat staatlozen betreft verder dan krachtens: het
Verdrag van 1961 is toegestaan. Maar enkele leden achten
ook voor het overige de genoemde gronden te ruim, met
name omdat naar hun oordeel jegens vreemdelingen die
gedurende 5 jaar rechtmatig in het Koninkrijk verblijf
hebben gehad, een vermoeden van toekomstig gedrag geen
rol meer behoort te spelen bij de beoordeling van hun
naturalisatie-aanvraag. Ook dit bezwaar geldt extra

sterk t.a.v. de zwakkeren onder optanten zoals vluchtelin-
gen en staatiozen.

Deze leden stellen voor, de in art. 10 Ib genoemde

gronden te vervangen door twee objectieve gronden analoog
aan die genoemd in art. 14 sub c en d van de Vreemdelin-
genwet. Iedere vreemdeling die gedurende 5 jaar rechtmatig
inNederland verblijf heeft gehad moet in aanmerking

komen voor naturalisatie als hij dat wenst, tenzij een van
deze objectieve gronden voor weigering op hem van toepas-

- 9 -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>22.

23.

sing is, of het verblijf uitsluitend is toegestaan voor
een bepaald, tijdelijk doel. De administratieve rechter
kan de toepassing van deze gronden volledig toetsen,

zodat aan het vereiste van rechtszekerheid voor de vreemde:
Ling wordt voldaan.

Andere Leden echter zien tegen dit voorstel bezwaren;
het gevaar ontstaat, dat langzaam maar zeker het
vreemdelingenbeleid strenger zou worden, indien na een
verblijf van 5 jaar de aanvraag tot naturalisatie van
bepaalde vreemdelingen niet meer zou kunnen worden
geweigerd op grond van de criteria genoemd in art.10 Ib.
Deze leden zijn bovendien van mening dat deze criteria
in voldoende mate door de administratieve rechter kunnen
worden getoetst, zodat voor rechtsonzekerheid geen
gevaar behoeft te bestaan.

Hoofdstuk 4 - Verkrijging van Nederlanderschap in verband
met het huwelijk

Zoals reeds hierboven is aangestipt, hebben de criteria
voor het inwilligen van een naturalisatie-aanvraag in

art. 16 lid 3 om verschillende redenen in de Commissie
critiek ontmoet. Zo werd reeds de vraag gesteld, waarom

de eis van het ingeburgers-zijn niet zou worden gesteld
jegens recentelijk met een Nederlander cehuwde vreemde
lingen, en wel jegens vreemdelingen die in ons land

reeds minstens 5 jaar rechtmatig verblijf houden. Bovendie:
voldoen de weigeringsgronden in art.16 lid 3 sub a niet aa)
de criteria in art. 3 van het Verdrag van 1957 inzake de
nationaliteit van de gehuwde vrouw, waar alleen redenen

van nattonale veiligheid en openbare orde worden genoemd.
Voorts hebben de in par. 20 genoemde leden van de Commis-
sie, die de criteria in art.10 sub Ib te streng achten,

op dezelfde gronden ook bezwaar tegen de criteria in

art. 16 sub 3a. Tenslotte blijkt naar het oordeel der
Adviescommissie uit de verwijzing naar art. 8 lid 2
wederom een te grote vrees voor het ontstaan van bipatri-
diteit. (zie hierbow par.19).

Hoofdstuk 5 - Het verlies van het Nederlanderschap

Als algemene opmerking bij dit hoofdstuk wil de Advies-
commissie nog eens herhalen dat naar haar mening het voor-
komen van apatriditeit prioriteit verdient boven het
voorkomen van bipatriditeit. Uit dit oogpunt juicht

zij het toe, dat een bepaling als art.7 sub 4 van de
huidige Wet op het Nederlanderschap in het Voorontwerp
niet is terug te vinden, maar acht zij de regeling

in de artikelen 18 en 19 te stringent.

Het laatstgenoemde bezwaar geldt allereerst het automa-
tisch karakter van het verlies van het Nederlanderschap
krachtens artikel 18 lid la. Dit kan in concrete situa-
ties ongewenste gevolgen hebben. Als voorbeel daarvan zij
gewezen op Nederlanders, werkzaam krachtens een project
van ontwikkelingssamenwerking in een dienstverband met

— 16 —
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>24.

25.

26.

27.

- 10 -

een andere Staat. Soms verlangt de desbetreffende regering
dat zij de nationaliteit van dat land verwerven; ook
vragen zij deze soms zelf aan, omdat het voor hen in
velerlei opzichten voordelen heeft, niet als “vreemde-
lino" te worden beschouwd. Indien deze tewerkstelling

in het buitenland tijdelijk is bedoeld, en de daarmee
verbonden nationaliteitsverkrijging ook uitsluitend voor
een beperkte periode wordt nagestreefd, lijkt het auto-
matisch verlies van het Nederlanderschap voor deze groep
personen geen goede zaak.

Ook de regeling in art.18, Ic wordt door de Commissie
ongewenst geacht; verblijf van een aantal jaren buitens-
lands wil geenszins altijd zeggen dat de “genuine link" mei
Nederland verdwijnt. Liever ware de huidige regeling te
handhaven.

Mocht dit voorstel onvoldoende steun vinden, dan ware onde:
de genoemde uitzonderingen tevens op te nemen het geval
dat betrokkene in dienst treedt van een buiten het
Koninkrijk gevestigde internationale organisatie.

Ook lid 3 van artikel 18 ormoette bij de leden veel
kritiek; het werd ongerijmd geacht en in strijd met art.i
van het Verdrag inzake de nationaliteit van de gehuwde
vrouw, dat de huwelijkspartner door het feit van het
ontbinden van het huwelijk de Nederlandse nationaliteit
weer zou verliezen.

Tenslotte constateert de Adviescommissie nog een

leemte in art.17 lid 2 Deze bepaling geeft alleen een
regeling voor gevallen waarin bij het verlies

van het Nederlanderschap apatriditeit ontstaat. Zij

ziet voorbij aan de gevallen waarin een oorspronkelijk-
Nederlander door het verlies van zijn nieuwe nationali-
teit apatride wordt. In zo'n geval moet hij snel en
onvoorwaardelijk op verzoek de Nederlandse nationaliteit
kunnen terugkrijgen. De regeling in de artikelen 9 en 10
is voor deze gevallen ontoereikend.

Kwesties van rechtsbescherming

De regeling in het Voorontwerp van de rechtsbescherming
voor de belanghebbenden heeft in de Adviescommissie

tot een aantal vragen en opmerkingen geleid, welke zij

niet wil nalaten in het onderhavige Rapport naar voren

te brengen.

Het valt dan allereerst op, dat in art. 10 lid 5 wordt
gesproken van "beroep". Volgens de Toelichting (p.29)
gaat het hier om een gewoon AROB-beroep. Men moet aan-
nemen dat herzelfde het geval is bij art. 16 lid 5
(toelichting p.32), maar de slotzin van die bepaling
lijkt te duiden op een beslissing van de administratieve
rechter die in de plaats treedt van die van de
minister. In art.18 lid 2 blijkt dat herroeping van
beschikkingen (art. 10), besluiten (art.12) en
bekrachtingen (art.16) mogelijk is. Wie in welk geval
daartoe bevoegd is (de Kroon of de Minister) is op

vane 11 —
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>28.

29.

30.

- li -

zichzelf al niet duidelijk, en evenmin of het zich niet
houden aan een verklaring als art. 8 lid 2 de enige
grond is. Van beroep tegen zo'n herroepingsbesluit
wordt nergens gesproken. Toch is het zonder twijfel
mogelijk, en dan wel geheel volgens de wet AROB. Moet
daarom in art. 18 lid 2 niet naar artikel 10 lid 5,

in plaats van lid 4 verwezen worden?

Ook ten aanzien van hoofdstuk 6 van het Voorontwerp doen
zieh onduidelijkheden voor. De declaratoire beslissing,
of iemand Nederlander is, wordt in het Voorontwerp bij
de Minister van Justitie gelegd, met beroep ingeval

van een negatieve beslissing op de Afdeling Rechtspraak
van de Raad van State. De Adviescommissie kan zich met
dit aspect in de opzet van het Voorontwerp op zichzelf
wel verenigen, echter onder de navolgende kanttekeningen.
De Toelichting bij art. 20 lid 5 lijkt tot verwarring
aanleiding te geven, door op pag. 39 het beroep op de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State een "volledig
beroep" te noemen. Bet wil de Adviescommissie voorkomen
dat bedoeld zal zijn, dat de Afdeling Rechtspraak een
“volledige toetsing” uitoefent: zij toetst dus niet
marginaal, maar oefent een volledige rechtmatigheids-
contrôle uit. Nu kan echter, blijkens art. 73 Wet op

de Raad van State, waarnaar in art. 22 lid 1 wordt ver-
wezen, de Afdeling Rechtspraak alleen de Ministeriële
Beschikking vernietigen; zij kan niet een besluit nemen
dat in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Indien het de bedoeling is dat de Afdeling Rechtspraak
in het geval van art. 20 lid 5 van het onderhavige Wets-

ontwerp laatstgenoemde bevoegdheid wél zou krijgen ( - en de

tekst van art. 23 lijkt daarvan uit te gaan; - ) dan
zou het Wetsontwerp dienovereenkomstig moeten worden
aangevuld.

De Adviescommissie zou het invoeren van deze bevoegdheid
echter niet willen bepleiten; het lijkt juister dat de
zaak, na vernietiging door de Afdeling Rechtspraak,
teruggaat naar de Minister; zulks lijkt in overeenstemming
met het systeem van de administratieve rechtspleging.
(vergelijk bij voorbeeld de procedure krachtens de
Vreemdelingenwetgeving.)

Ten aanzien van art. 20 lid 4 kan de vraag worden gesteld
waarom geen bepaalde termijn wordt genoemd, in plaats

van een “redelijke termijn". En de termijn van 1 maand

in lid 5 lijkt rijkelijk kort voor iemand woonachtig

in de Nederlandse Antillen of in het buitenland; hier
lijkt een “ontsnappingsclausule“” als in art. 9 lid 4
WRVSt gewenst.

Ten aanzien van art. 21 zien de leden tweeërlei ernstig
bezwaar tegen de regeling in lid 1. In de eerste plaats
zal de in dat lid voorgestelde schorsing door de daar
bedoelde rechterlijke instantie, teneinde een prejudiciële
beslissing in te winnen, leiden tot vertraging in de bij
die instantie aanhangige procedure en voor de procederende
partijen tot extra-kosten. Een en ander onnodig, omdat

</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>31.

32.

— 12 —

de Adviescommissie van oordeel is, dat het in de gevallen
bedoeld in art. 21 aan de Nederlandse rechterlijke macht
kan worden overgelaten op grond van de wet te beslissen
of iemand al of niet de Nederlandse nationaliteit bezit,
een vraag, die bovendien - zo nodig - in de regel in drie
instanties zal kunnen worden getoetst, Het tweede bezwaar
richt zich tegen het in lid 1 gedane voorstel om de
rechter de verplichting op te leggen een prejudiciële
beslissing te vragen niet van de Rechterlijke Macht,

maar van een Minister, Wat zou de reden kunnen zijn voor
deze doorbreking van de “scheiding der machten”?

Voorts zou de tekst van Lid 1 nauwer kunnen aansluiten
bij de jurisprudentie van het Hof der Europese Gemeen-
schappen over prejudiciële verwijzingen ex art. 177

van het EG-Verdrag; de volgende tekst wordt in overweging
gegeven:

na “aanhangig is": “een vraag rijst over het al dan niet
bezitten van het Nederlanderschap van een partij, een
beslissing daarover noodzakelijk is voor de door de
rechter te nemen beslissing, en het antwoord op die vraag
in redelijkheid aan twijfel onderhevig moet worden geacht,
schorst de rechter ..." etc.

art. 23 zou aan duidelijkheid winnen door te lezen: "Een
beschikking ... waartegen geen beroep meer open staat en een
uitspraak ..." etc.

Tenslotte komt art. 26 de Adviescommissie niet volledig
(juist) voor. Als de wet voorschrijft dat een kennisgeving
(ingevolge bv. art. 16 lid 1) in een openbaar register
behoort te worden ingeschreven, kan de teelichting (p. 41)
geen rechtsgrond vormen, registratie van die kennisgeving
achterwege te laten als bekrachtiging geweigerd wordt.
M.a.w. ook de beschikkingen tot weigering etc. behoren

te worden ingeschreven. Anders bestaat er geen zekerheid
voor derden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>