<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES

INZAKE

VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN S-GRAVENHAGE, 30 september 1980

Na. 1310

1863-10-48

ie Mintaterta van Buitenlandse Zaken Plain 23

Rapport inzake statenonvolging in andere zaken dan verdracen

. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in een schrijven dd. 21 mei

1980, kenmerk DIO/HJ-137.455, aan de Adviescommissie verzocht haar mening
te geven over een aantal ontwero-artikelen die de Commissie voor Inter-
nationaal Recht der Verenigde Naties heeft opaesteld over statencovolging
in andere zaken dan verdragen.

De Cammissie voor Internaticnaal Recht heeft in 1979 regels cpgesteld voc
statenoovolging in staatseicendan, staatsschulden en staatsarchieven. Ove
dit derde onderdeel van het project is haar studie nog niet voltooid. Het
is de bedoeling dat de Commissie, mede aan de hand van de inmiddels ont-
vangen cammentaren van regeringen, in 1981 het gehele ontwerp in tweede
lezing nader zal vaststellen.

. De Adviesccmmissie wil allereerst opmerken dat de titel van het cnder-

havige project te ruim is; het project betreft immers slechts staten-
opvolging in staatseigendom, staatsschuld en staatsarchieven. Een juis-
tere titel zou zijn: "State succession in certain matters other than
treaties", of nog concreter "State succession in State property, State
debts and State archives“.

. De Adviescormissie betreurt dat het project is beperkt tot het geval dat

een staat een andere staat opvolgt in de souvereiniteit over een bepaald
gebied. In het huidige internationale verkeer zal zich in toenemende mate
de situatie voordoen dat een internationale organisatie van een staat of
een groep van staten bepaalde rechten en plichten overneent. (Voorbeeld:
de ESA lanceert een ruimteprojectiel.) Slechts in één artikel van het
project is sprake van een mogelijk ander subject van intemationaal recht
dan een staat, nl. in art. 16 a, en dan nog alleen in de positie van een
derde ten opzichte van een tussenstaatse relatie. Deze klassieke tussen-
staatse opzet van het project doet wat verouderd aan.

. Een ander bezwaar tegen het project is de scms zeer vage formulering van

de artikelen, die ruimte laat voor rechtsonzekerheid. Zo bijvoorbeeld

de term “equitable nrenortion! of “equitable ccmpensation" in de artikele
13, 14, 19, 22, 23. Deze term geeft niet een duidelijk criterium. Men
moet bedenken dat op basis van dergelijke criteria in een verdrag allerz:z
eerst de autoriteiten van de vcorganger- en opvolgerstaat zelf moeten
proberen een overdangsregeling op te stellen. Als zij daarover een geschi
krijgen zal de arbiter of de internationale rechter er aan te pas moeten
kemen. Het Internationaal Gerechtshof nu heeft van een verwijzing naar
"billijkheid"het volgende gesteld in de Continental Shelf Case:

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>"Tt would be insufficient simply to rely on the rule of
equity without giving some degree of indication as to the
possible ways in which it might be applied in the present
case”. De ILC wijdt aan het begrip “billijkheid” enkele vassa-
ges in het inleidend commentaar (nar. 16-24). Zij noemt dit
begrip in navolging van De Visscher “an independent and
autonomous source of law". De Adviescommissie tekent hierbij
aan dat ingevolde talrijke verdragen, met vooron het Statuut
van het Internationaal Gerechtshof, een internationaal gerecht
alleen dän een ceschil ex aequo et bono mag beslissen als alle
partijen bij het geschil daarmee instemmen. Dat gaat veel
minder ver dan het beschouwen van het begrip "billijkheid”

als een autonome rechtsbron, die door het gerecht ambtshalve
zou mogen worden toegepast. De ILC beroept zich echter voor
haar stelling eveneens on de jurisprudentie van het Interna-
tionaal Gerechtshof in de Continental Shelf Case.

Een belangrijk aspect van een statenonvolging is het effect
daarvan op de rechten van derden. In het onderhavige project
zijn wat dit betreft van belang de artikelen 9, waar alleen
het effect op de rechten van derden-staten wordt behandeld en
18, waar het effect op de rechten van crediteuren in het alge-
meen wordt behandeld. Eet commentaar van de ILC bij artikel

9 geeft niet een duidelijke verklaring, waarom ten aanzien
van opvolging in staatseigendom niet mede het effect op rech-
ten van derden-particulieren is behandeld. Ook de regeling
van artikel 18 bevat op dit punt onduidelijkheden.

De gehele regeling in de artikelen 17 en 18 komt de Advies-
commissie nodeloos ingewikkeld en onduidelijk voor. Artikel
17 bepaalt dat bij een overgang van staatsschuld die geschiedt
in overeenstemming met de ILC-regeling de verplichtingen van
de voorgangerstaat teniet gaan en overeenkomstige verplich-
tingen van de opvolgerstaat ontstaan. Deze regel slaat echter
blijkbaar niet op de relatie met derden, want artikel 18 lid
l bepaalt dat een statencovolging on zichzelf nog geen effect
heeft on de rechten van derden. Dus: ook al is de schuld recht
matig overgegaan op de opvolger, de crediteur van de voorgan-
ger kan de voorganger blijven aanspreken. Ook op deze regel
is echter weer een uitzondering in artikel 18 lid 2: een
schuldenverdelingsovereenkomst tussen voorganger en opvolger
kan wèl worden tegengeworpen aan derde staten of internatio-
nale organisaties (niet aan particulieren en niet tegen de
voorganger of opvolger?) indien de betrokken derde deze over-
eenkomst aanvaardt, of indien de gevolgen van de overeenkomst
in overeenstemming zijn met de overige bepalingen van het
ILC-project. Dit is een belangrijke uitzondering op de regel
pacta tertiis prosunt nec nocent; een schuldenverdelingsover-
eenkomst die voldoet aan de eisen van de ILC-regeling kan
dwingend door de wartijen worden ingeroenen tegen derde state:
en internationale organisaties. Welke zijn nu die "overige

</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>bepalingen” over de gevolgen van een schuldenregeline, die
aldus tot dwingend recht jegens derden worden gebombardeerd?
Waarschijnlijk moet men hier denken aan bepalingen als het
billijkheidsbeqinsel dat bij afwezigheid van een overeenkomst
moet celden bij een statenopvolging in een gedeelte van het
territoir (19 lid 2) en de regel in artikel 20 lid 2, dat een
schuldenregeling met een jonge gedekoloniseerde staat geen
inbreuk mag maken on het beginsel van permanente souvereini-
teit van volkeren over hun natuurlijke hulpbronnen of het žun-
damentele economische evenwicht van de jonge staat in gevaar
mag brengen. De inhoud van dit zogenaamde dwingende recht, dat
direct kan ingrijpen in de rechten van derden-crediteuren, is
naar de mening van de Adviescommissie z6 onduidelijk, dat het
haar onaanvaardbaar voorkomt daaraan dermate ingrijpende
rechtsgevolcen te verbinden. De thans ontworpen regeling voor
de overgang van staatsschulden zet, kortom, de rechten van
derden teveel on losse schroeven..

In paragraaf 6 kwam al zijdelings ter sprake dat artikel 18
lid 2voorbij gaat aan de mogelijkheid dat een regeling be-
trerrende staatsschulden kan worden ingeroepen door of tegen
particuliere crediteuren (individuen of bedrijven). Artikel 16
lid 1 verklaart de artikelen over staatsschulden toepasselijk
op ‘any subject of international law”. Bedoelt de ILC met deze
formulering een uitsluiting van de toepasselijkheid on narti-
culieren? Dit moet worden verduidelijkt. Men bedenke dat een
statenopvolging “as such" belangrijke gevolgen kan hebben voor
de rechten van varticulieren in een bepaald gebied. Zij komen
immers onder de jurisdictie van een andere staat, wiens wet-
gevina op allerlei terreinen kan verschillen van die van de
voorgangerstaat; men denke alleen maar aan belastingwetgeving.
De Adviescommissie ziet geen reden waarom het ILC-project zich
zou beperken tot regeis voor het gedrag van voorgangerstaat en
opvolgerstaat met betrekking tot staatsschulden jegens andere
staten of internationale organisaties.

Voor de jonge cedekoloniseerde staten is in dit project een
afzonderlijke, gunstiger regeling getroffen. Met deze gedachte
op zichzelf heeft de Adviescommissie geen moeite. De vraag is
echter of de thans voorziene regeling wel juist en wel duide-
lijk is.

In lid 4 van art. 11 en lid 2 van art. 20 wordt het beainsel
geformuleerd dat een opvolgingsregeling tussen een voorganger-
en opvolgerstaat geen inbreuk mag maken op het beginsel van
permanente souvereiniteit van een volk over zijn natuurlijke
rijkdommen. Waarom staat in art. 11 lid 4 “shall” en in art.
20 lid 2 “should”? En waarom wordt in art. 20 lid 2 mede ver-
wezen naar het fundamentele economische evenwicht van de jonge
staat en in art. 11 lid 4 niet? Wie maakt uit of een opvol-
ainasregeling wel of niet aanvaardbaar kan worden geacht on
grond van deze artikelleden? En wat is het rechtsgevolg bij
een ontkennend antwoordt is de overeenkomst nietig of vernie-
tigbaar?

</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>10.

Ook art. 3 levert een probleem op met betrekking tot jonge
gedekoloniseerde staten. De ILC beschouwt, blijkens par. 3

van het commentaar bij art. 11, het recht on zelfbeschikking
van een volk als ius cogens. Een statenopvolging, tot stand
gekomen in strijd met dit recht, wordt derhalve niet bestreken
door het onderhavige project. Dat betekent dat een jonge ge-
dekoloniseerde staat de artikelen 11 en 20, die beogen hem een
sveciale bescherming te bieden, niet kan inroepen als hij stel
dat het moederland bij het zelrstandig worden van de jonge
staat niet heeft gehandeld in overeenstemming met het recht

op zelfbeschikking. Is het in het belang van de jonge staat,
aldus in een rechtsvacuum te belanden voor wat betreft de
eigendommen en schulden van het moederland in en voor zijn
territoir? De thans door de ILC ontworpen regeling leidt tot
een waarschijnlijk niet-bedoelde sanctie voor een jonge gede-
koloniseerde staat die het moederland beschuldigt van schendin
van het recht on zelfbeschikking: hij kan de gunstige regeling
van het onderhavige project niet inroepen.

Voor de situatie van het Koninkrijk der Nederlanden, bestaande
uit de gebiedsdelen Nederland en de Nederlandse Antillen,
lijkt.het onderhavige project van belang; de komende onafhan-
kelijkheid van de Nederlandse Antillen immers vormt onderwerp
van veelvuldig en diepgaand overleg. Op grond van de constitu-
tionele situatie van het Koninkrijk vallen de Antillen niet
onder de definitie in art. 2e van het onderhavige project:

zij vormen niet een “devendent territory” in de zin van de
omschrijving in par. 2 van het ILC-commentaar bij art. 11,

en het Koninkrijk der Nederlanden is niet,verantwoordelijk voc
het buitenlandse beleid van de Antillen”; de twee gebieden
voeren één gezamenlijk buitenlands beleid. Bij de komende
onafhankelijkheid van de Antillen zal naar de mening der
Adviescommissie sprake zijn van secessie van een bestaande
staat, en niet van het uiteenvallen van een bestaande staat

in twee nieuwe staten:Nederland zal de identiteit van het
Koninkrijk der Nederlanden voortzetten, de Antillen zullen
zich afscheiden. Met andere woorden: de artjkelen 13 en 22
zullen naar het voorkomt van toepassing zijn. Hier klemt dus
met name het al eerder genoemde bezwaar van de vaagheid van
bearippen als “equitable compensation! en *equitable prop-
ortion” in deze artikelen.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>