<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>_ COMMISSIE VAN ADVIES

VOLKENRECHT

Ne. 1346

1863-10-88

INZAKE
ELIJKE VRAAGSTUKKEN ‘S-GRAVENHAGE, 14 januari 1982

*

Ministerie van Buitenlandse Zekan Plain 23

RAPPORT

inzake ontwerp-artikelen (ILC) betrekking hebbend op het
recht nopens verdragen tussen Staten en internationale .
organisaties en tussen twee of meer internationale organi-:.,
saties

Bij brief DIO/HJ-303708 dd. 30 oktober 1981 verzocht de
Minister van Buitenlandse Zaken de Commissie van Advies
inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken advies over de ontwerp-
artikelen 61-80 en Annex, opgesteld door de Commissie voor
Internationaal Recht van de VN (ILC), welke betrekking heb-.
ben op het recht nopens verdragen tussen Staten en interna~
tionale organisaties, De Commissie kon tevens de ILC-ontwerp-
artikelen 1-60 in haar commentaar betrekken over welke ont-
werp-artikelen de Commissie zich nog niet eerder had uitge-
sproken.

De Commissie constateerde allereerst dat de ontwerp-artikelen
1-26, zoals door de ILC in tweede lezing aanvaard tijdens
haar zitting eerder dit jaar, aanzienlijk waren vereenvou-
digd in vergelijking met de eerdere versie. Deze vereenvou-
diging was mogelijk gemaakt als gevolg van de gewijzigde
opstelling van het Sovjetlid in de ILC die het door hem tot
dan gemaakte - de hele tekst doordringende - principiële
onderscheid tussen Staten en internationale organisaties had

jiaten vallen.

De Commissie wisselde vervolgens uitvoerig van gedachten over
de vraag in welke vorm een regeling van het onderwerp in kwes
tie het beste zou kunnen worden gegoten. De mogelijkheden die
daarbij grosso modo onder ogen werden gezien waren:

~ géën verdrag maar een “expository code" die dan als richt-
snoer zou kunnen dienen voor de vorming van gewoonterecht.

- een “autonoom” verdrag in een vorm zoals voorgesteld door
de IEC.

- een “verwijzingsverdrag" door verwijzing naar de Weense
Conventie van 1969, een gedachte die het Verenigd Konink-
rijk voorstond.

Als bezwaren tegen de verdragsvorm in het algemeen en tegen
de ILC ontwerp-artikelen in het bijzonder werden onder meer
aangevoerd: de geaardheid van het rechtssubject (internatio-
nale organisaties versus souvereine Staten), de tekortkomin-
gen van de Weense Conventie die in het nieuwe verdrag zouden
worden gecopieerd, de grote te verwachten afstand in tijd
tussen de totstandkoming van de Weense Conventie (1969) |
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>en een toekomstig verdrag over het huidige onderwerp en de
verschillende betekenis welke aan dezelfde termen zou worden:
toegekend. Het gevolg hiervan zou kunnen zijn de opstelling
van schijnbaar gelijke teksten welke een in wezen ongelijke
lading dekken. Dit zou zijn weerslag kunnen hebben op de
interpretatie van de Weense Conventie met het gevaar van
{nog}t grotere onduidelijkheid over de inhoud van de bepa-
lingen van dat verdrag en bijgevolg verminderde rechtszeker-
heid. De

Talrijke andere vraagpunten kwamen aan de orde waaronder de
rangorde tussen de Weense Conventie en een eventueel toekom-
stig verdrag, de complicaties die zouden kunnen voortvloeien
uit de (niet-evenwijdige) ratificaties van beide instrumenten
de grote variëteit aan internationale organisaties welk be=
grip immers zeer elastisch is omschreven en de slotbepalingen
waarover het ILC-ontwerp geen voorstellen bevat.

Een zwaarwegend argument ten gunste van een verdragsregeling
onderkende de Commissie in het toenemende belang van de
plaats welke internationale organisaties in het internatio-
natie rechtsverkeer innemen. Indien men deze ontwikkeling po-
sitief waardeert dan zou opstelling van een verdrag betrekkin
hebbend op het recht nopens verdragen waarbij die internatio-
nale organisaties vartij zijn, een goede gelegenheid zijn dat
toenemende belang op internationaal niveau te bevestigen.

De Commissie wisselde vervolgens van gedachten over de voor-
en nadelen van het belegcen van een Diplomatieke Conferentie.
Als mogelijke risico's signaleerde zij eventuele pogingen
tijdens zo'n conferentie, tenderend in de richting van amen-
dering van de Weense Conventie. Dit soort risico's zou even-
wel kunnen worden verminderd of uitgesloten door de wijze
waarop een Diplomatieke Conferentie zou worden opgezet. In
meerderheid bleek de Commissie de mening te zijn toegedaan
dat de mogelijke nadelen van een conferentie niet opwegen
tegen de te verwachten positieve kanten ervan.

De Commissie kwam tevens tot de slotsom dat een "verwijzings"
verdrag de voorkeur geniet boven andere vormen waarin de
regeling zou kunnen worden gegoten, Zij stelde daarbij vast
dat het werk van de TLC in essentie reeds zo'n verdrag was
maar dan "uitgeschreven",

De Commissie achtte het wenselijk dat in ontwerp-artikel 66
(geschillenbeslechting), in zoverre het geschillen betreft
waarbij internationale organisaties zijn betrokken, naast de
conciliatie procedure, vervat in de ontwerp-artikelleden 2 en
3, ook de mogelijkheid van verplichte arbitrage wordt voorzie:
Het argument daarvoor is dat de huidige ontwerp-artikelleden
2 en 3 mede betrekking hebben op geschillen welke een norm
van ius cogens tot inzet hebben. De Commissie maakte zich
overigens over de haalbaarheid van een daartoe strekkend
voorstel geen overdreven voorstellingen.

De Commissie meende voorts dat, nu de ILC in tweede lezing
een ontwerp-artikel 5 heeft opgenomen dat de toepassing van
de ontwerp-artikelen mogelijk maakt op een constituerend ver-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>drag waarbij tevens een andere internationale organisatie
partij is, cok een ontwerp-artikel parallel aan artikel 20 li
3 van het Weense Verdrag niet mag ontbreken. |

De Commissie nam tenslotte de situatie in beschouwing die kan
ontstaan als gevolg van de toepassing van de regel neergelegd
in ontwerp-artikel 20 lid 4. Deze regel welke, behoudens de
verwijzingen, gelijkluidend is aan het overeenkomstige arti»
kel 20 lid 5 van de Weense Conventie heeft in die formulering
slechts betrekking op aanvaarding van voorbehouden door geen
‚bezwaar te maken gedurende twaalf maanden door een Staat en
niet op de situatie waarin een internationale organisatie
wordt geconfronteerd met een voorbehoud waarop die organisa-"
tie niet binnen een bepaalde periode reageert. Het leek de
Commissie raadzaam dat de ILC zich nog eens buigt over de
consequenties die daaraan mogelijkerwijs zijn verbonden.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>