<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES INZAKE VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN

Ministerie van Buitenlamdse Zaken - Plein 23 - 's:Cravenhagt

Qe 3

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Plein 23
2511 CS s-GRAVENHAGE

Na. 1376 Datum 26 oktober 1983

Onder verwijzing naar Uw verzoek, bij brief DVE-176671 van 29
juni 1983, om advies over het rechtskarakter van verklaringen
betreffende niet-verplichte werkzaamheden in de zin van artikel
V, eerste lid, onderdeel b, van het Verdrag tot oprichting

van het Europees Ruimte-Agentschap, heb ik de eer U hierbij het
desbetreffende rapport van de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken aan te bieden.

In het hierbij aangeboden rapport spreekt de Commissie als haar
oordeel uit dat de evenbedoelde verklaringen niet meer inhouden
dan de samenvatting van eenzijdige rechtshandelingen van de
Lid-Staten die aan een niet-verplicht programma deelnemen. Door
die eenzijdige rechtshandelingen binden die Lid-Staten zich ten
opzichte van het Agentachap. Deze binding is in het ESA-Verdrag
voorzien. Gegeven de parlementaire goedkeuring van dat Verdrag,
behoeft noch de eenzijdige rechtshandeling, noch de verklaring
waarin zij belichaamd is, afzonderlijk parlementaire goedkeuring;
uit een oogpunt van internationaal recht, d.w.z. voor de volkenr
rechtelijke gebondenheid van Nederland als deelnemende Lid-Staat,
brengt deze conclusie geen bijzondere consequenties mee.

De Voorzitter,

Mr. L. Erades

2093.64.73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES
INZAKE
VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN ‘S-GRAVENHAGE. 20 oktober 1983 .

* Ministerie van Bulianlandes Zaken Plein 23

No. 1375

RAPPORT

Rechtskarakter van verklaringen betreffende niet-verplichte
werkzaamheden in de zin van artikel V, eerste lid, onderdeel b,
van het Verdrag tot oprichting van het Europees Ruimte-Agentschap

Bij brief van 29 juni 1983, kenmerk DVE-176671, heeft de Minister
van Buitenlandse Zaken, mede namens de overige betrokken bewinds-
lieden, de Commissie verzocht haar oordeel te geven omtrent het
rechtskarakter van de in hoofde deze bedoelde Verklaringen,

Uit de aan de Commissie overgelegde stukken blijkt dat er over het
rechtskarakter van de onderhavige Verklaringen verschil van mening
bestaat tussen regering en Raad van State. De regering is van me-
ning dat deze verklaringen beschouwd moeten worden als verdragen
in de zin van de Grondwet, en wel als uitvoeringsverdragen van het
ESA-Verdrag. Hoewel in de wet tot goedkeuring van dat verdrag des-
tijds geen voorbehoud is gemaakt als bedoeld in artikel 62 sub b
van de Grondwet (oud) heeft de regering toch gemeend goed te doen
ten aanzien van een 20-tal Verklaringen een goedkeuringsprocedure
in gang te zeggen, op grond van de overweging dat toentertijd het
rechtskarakter van die verklaringen niet duidelijk aan de orde is
gesteld. Als gevolg daarvan zou de vraag, of het nodig werd geacht
een voorbehoud te maken ten aarden van de goedkeuring van dergelijke
verklaringen eenvoudig niet zijn opgekomen. De aangevangen goed-
keuringsprocedure geeft het parlement de gelegenheid, die vraag
alsnog onder ogen te zien. (Tweede Kamer, Zitting 1981 - 1982,

nr. l, p. 20 e.v.).

De Raad van State meent daarentegen dat de onderhavige verklaringen
zijn te beschouwen als z.g. kaderbesluiten. De Raad concludeert dat
de bindende kracht van deze verklaringen niet voortvloeit uit de
wilsovereenstemming van de deelnemende Staten, maar uit de verdrags-
bepalingen zelf, t.w. artikel V, eerste lid, onder b, alsmede ar-
tikel I van bijlage III bij het Verdrag en de daarop gebaseerde
Raadsbesluiten. (Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17306, B).

Om hieronder nader uiteen te zetten redenen kan de Commissie de
beide hierboven weergegeven opvattingen niet delen. Zij is van me-
ning dat de onderhavige verklaringen de neerslag vormen van een-
zijdige rechtShandelingen van die ESA-Lidstaten, die aan een des-
betreffend programma deelnemen. Door middel van deze eenzijdige
rechtshandelingen binden deze Lidstaten zich ten opzichte van de
organisatie,

tb 0-68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>na)

De Commissie is tot deze conclusie gekomen op grond van de volgen-
de overwegingen. Gelet op het doel van de ESA, t.w. het voorberei=
den en uitvoeren van projekten op het terrein van de ruimtevaart,
kan de organisatie gekarakteriseerd worden als een primair opera-
tionele organisatie, i.c. gericht op het realiseren van specifieke
ruimtevaartprogramma's, De in de onderhavige verklaringen vervat-
te toezegging van financiële deelname aan een bepaald programma is
te beschouwen als een concretisering, door middel van een eenzij-
dige rechtshandeling, van een verplichting die in wezen haar grond-
slag vindt in het ESA-verdrag zelf.

Dit veronderstelt immers reeds dat de Lidstaten zowel aan de ver-
plichte als aan de niet-verplichte programma's deelnemen en aan de
financiering daarvan bijdragen naar rate van hun nationaal inkomen
(vgl. ook de nota “Het ruimtevaartbeleid in de jaren tachtig"
(Tweede Kamer, zitting 1981-1982, 17294)).

De Lidstaat, die geen gebruik maakt van de mogelijkheid te verklaren
niet in een bepaald programma geïnteresseerd te zijn, voldoet aldus
aan een financiële verplichting die in het Verdrag zelf reeds is
opgesloten en die het mogelijk maakt uitvoering te geven aan een
door de ESA-Raad goedgekeurd programma. Ook de structuur van de be-
sluitvorming binnen de ESA ondersteunt de conclusie van de Com-
missie ten aanzien van het rechtskarakter van de onderhavige verkla-
ringen. De niet-verplichte programma's van artikel V, eerste lid,
onder b worden aanvaard, d.w.z. vastgesteld door de Raad, met een
meerderheid van alle Lidstaten, Voorts bepaalt de Raad, zonodig,

de volgorde van prioriteit van de programma's (artikel XI, vijfde
lid, onder c). Ook de desbetreffende programmabegroting wordt door
de Raad, met een 2/3 meerderheid van de deelnemende Staten, vastge-
steld (idem, onder e, (ii)).

Tenslotte behoeven ook de door de deelnemende Staten op te stellen
uitvoeringsregels (Bijlage III, artikel I, onder 3) de goedkeuring
van de Raad. Met andere woorden de bindende besluitvorming terzake
van niet-verplichte programma's is een zaak van de organisatie, Het
hangt van de toezeggingen van de Lidstaten af in hoeverre een der-
gelijk programma uitgevoerd kan worden. De deelnemende Staten com-
mitteren zich door middel van hun verklaring ten opzichte van een
dergelijk projekt van de organisatie voor wat betreft o.a. de fasen
van het programma, de schaal van hun bijdragen, de duur en omvang
van de eerste bindende financiële verplichting. De verklaringen be-
treffen dan ook slechts de uitvoering door gen aantal Lidstaten van
een bij besluit van de organisatie vastgesteld programma. Dat het
de deelnemende Staten niet volledig vrij staat, ten aanzien van een
niet-verplicht programma zelfstandig onderling te beslissen, blijkt
o.a. uit de bewoordingen van de Verklaring van de deelnemers aan
het Programma voor het gebruik van het Ruimtelaboratorium. Welis-
waar kan de Raad de diverse onderdelen van de Programma niet goed-
keuren zonder de instemming van alle daaraan deelnemende Lidstaten,
maar deze kunnen de inhoud van die onderdelen niet buiten de Raad
om vaststellen en zij Kunnen de goedkeuring daarvan niet forceren,
indien de meerderheid van de Raad gevormd wordt door niet-deelnemen-
de Staten, :
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Je

Dit past in de benadering, dat deelnemende Staten als leden van

de ESA optreden, indien zij de Verklaring opstellen en niet als soe-
vereine Staten, die onderling een verdrag sluiten, Daarbij komt dat
de Verklaring wordt opgesteld door Staten, die niet binnen drie
maanden uitdrukkelijk hebben verklaard niet in deelname te zijn
geïnteresseerd. De Staat, die niet geïnteresseerd is verklaart dat
tegenover de ESA en niet tegenover andere Staten, De geinteres-
seerde Staten vervullen bij het opstellen van de Verklaring aldus
een mandaat van de organisatie, omdat zij door hun nalaten door de
organisatie kunnen worden beschouwd als wél geïnteresseerde Lid-
staten.

De hierboven ter ondersteuning van de opvatting van de Commissie
opgesomde Overwegingen geven al aan waarom naar de mening van de
Commissie de onderhavige verklaringen niet als verdragen kunnen
worden beschouwd. Zowel/in het Verdrag neergelegde veronderstelling
dat in beginsel aan niet=-verpiichte programma's wordt deelgenomen
(d.w.z. tot in concreto van het tegendeel blijkt door een verkla-
ring van niet-geïnteresseerd zijn), als de vergaande mate waarin

de besluitvorming omtrent een dergelijk programma een taak van de
organisatie is (en niet van de deelnemende Staten als zodanig),
pleit tegen de veronderstelling dat het i.c. om verdragen gaat. Wan-
neer de deelnemende Staten een verklaring opstellen, doen zij met
andere woorden niet, zoals bij een verdrag, een voorstel tot rechts-
vorming, maar doen zij een gezamenlijke toezegging om financieel
deel te nemen aan de uitvoering van een - naar de rechtsregels van
de organisatie reeds bestaand - programma.

Ook de Raad van State meent dat van een verdrag geen sprake kan zijn,
omdat de bindende kracht van de verklaringen niet voortvloeit uit

de wilsovereenstemming tussen de deeinemende Staten. Op grond van
o.m. deze overweging kwalificeert de Raad de onderhavige verklarin-
gen als kaderbesluiten. De Commissie acht echter ook deze construc-
tie een niet zeer gelukkige. Zoals in het Nader Rapport (Tweede
Kamer, Zitting 1981-1982, 17306, C} naar aanleiding daarvan terecht
wordt opgemerkt, sluit een dergelijke kwalificatie in het geheel
niet uit dat er, in termen van de Nederlandse Grondwet, toch sprake
kan zijn van een goedkeuring behoevend verdrag. Diverse kaderbe-
sluiten zijn in het verleden aan parlementaire goedkeuring onderwor-
pen.

Deze overweging brengt de Commissie tenslotte bij het aspect dat

aan de gehele tot dusver gevoerde discussie ten grondslag ligt, t.w.
de parlementaire bemoeienis met de onderhavige intergoevernementele
samenwerking. Het is immers deze overweging geweest die de regering
ertoe gebracht heeft met betrekking tot de onderhavige verklarin-
gen een uitspraak van het parlement uit te lokken, De Commissie heeft
begrip voor deze achterliggende overweging en heeft deze ook ter-
dege bij de opstelling van haar advies mee laten wegen, De door haar
gekozen, hierboven uiteengezette constructie heeft, in het kader

van de Nederlandse constitutionele verhoudingen, tot consequentie
dat, gegeven de parlementaire goedkeuring van het ESA-verdrag, de
juridische binding die voor Nederland door middel van een dergelijke
eenzijdige rechtshandeling tot stand komt met betrekking tot een
individueel programma, geen afzonderlijke parlementaire goedkeuring
behoeft, Het parlementaire toezicht kan dan worden uitgeoefend ter
gelegenheid van: de goedkeuring van het desbetreffend onderdeel van
de Rijksbegroting.

- A--
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>~ 4m

De Commissie is overigens van oordeel dat zich in toenemende mate
situaties voordoen, waarbij Nederland door eenzijdige toezeggin-
gen internationale verplichtingen aangaat, waarop elk parlementair
toezicht, ook in de hier geschetste vorm van goedkeuring van de be-
groting, ontbreekt. Als voorbeeld zij in dit verband verwezen naar
de door Nederland bij bekrachtiging van het Internationaal Verdrag
ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen
en Bijlagen I en II met Aanhangsels (Londen, 1973) en het daarbij
behorende Protocol met Bijlage en Aanhangsels (Londen, 1978) afge-
legde verklaring. Deze luidt, voorzover in dit verband van belang,
als volgt, "The provisions of Annex I will be implemented in
compliance with the recommendations as contained in the circulars
issued by the Marine Environment Protection Committee of the Inter-
national Maritime Organization, under numbers MEPC/circ. 97 and
MEPC/circ. 99",

De Commissie wenst tenslotte bij haar advies de uitdrukkelijke
kanttekening te plaatsen dat zij zich heeft beperkt tot een be-
oordeling van het karakter van de besluitvorming van êên speci-
fieke internationale organisatie. Aan haar advies kunnen dan ook
geen meer algemene gevolgtrekkingen worden verbonden ten aanzien
van de besluitvorming van andere organisaties die niet bij haar on-
derzoek betrokken zijn geweest.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>