<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES INZAKE VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN

Secretariaat: Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061. 2300 EB ‘s-Gravenhage
Tel: 070-3486144

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Postbus 20061
2500 EB s-GRAVENHAGE

Datum: 18 oktober 1990 NO: 1480

Onderwerp: Rechtsmacht van de kuststaat
ten aanzien van het continentaal plateau

Onder verwijzing naar uw brief van 10 mei 1990, kenmerk APA/JURA/
ISN-32880 heb ik de eer U hierbij het advies van de
Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken met
betrekking tot de rechtsmacht van de kuststaat ten aanzien van het
contentaal plateau te doen toekomen,

De Voorzitter

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken

Advies inzake de omvang van de rachtsmacht van kuststaten ten aanstaan van
het continentaal plat en de exclusieve economische zone

I. Inleiding

1. Bij brief van 10 mei 1990, nr. APA/JURA/ISN-32380 heeft de
Minister van Buicenlandse Zaken (mede namens zijn betrokken
ambtgenoten) de Commissie verzocht een advies uit ze brengen terzake
van enkele nader aangeduide vraagpunten betreffende de omvang van de
rechtsmacht van kuststaten (in het bijzonder Nederland) cen aanzien
van aktiviteiten op installaties op het continentaal plac,

Aanleiding voor de adviesaanvraag is de motie-Vreugdenhil, op 29
juni 1989 door de Tweede Kamer aangenomen in verband met de
behandeling van het wetsvoorstel “Uicbreiding fiscale jurisdiecie toc
Nederlands deel concinentaal plat”, waarin de regering wordt verzocht
om toezending van een noticie betreffende de wenselijkheid om, ín
verband mec de rechesposicie van personen werkzaam op
mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal
plat, de Nederlandse wetgeving aldaar ook van toepassing ze doen zijn
op andere rechtsgebieden dan thans het geval is, De regering is
voornemens in die notitie tevens in te gaan op een hiermee verwante
vraag die is gerezen bij de voorbereiding van het ontwerp van wet
inzake arbeid op mijnbouwinscallaties op het continencaal plat, naar
aanleiding van het voorstel van de Stichting van de Arbeid deze
wettelijke regeling zich ook te lacen uitstrekken cor werknemers die
aan boord van schepen in de off-shore industrie werkzaam zijn. Kopie
van de adviesaanvraag en de motie-Vreugdenhil zijn als bijlagen bij
dit advies gevoegd.

2. De Commissie onderscheidt in de adviesaanvraag drie vraagpunten.

Zij wordt verzocht om:

(A) Duidelijkheid ce verschaffen omtrent de omvang van de
volkenrechtelijke bevoegdheid van de kuscscaat zijn wetgeving
van toepassing te doen zijn op mijnbouwinstallaties op zijn
continentaal plac:

(B) Aan te geven wat de gevolgen hiervoor zouden zijn van de
eventuele inscelling door Nederland van een Exclusieve
Economische Zone (EEZ): en

{C) Een oordeel te geven over de volkenrechcelijke coelaacbaarheid
van het zich doen uitstrekken van de Wet Arbeid Noordzee cot
werknemers (met uiëzondering van reguliere schepelingen) op
schepen en andere varende installaties die een wezenlijke
functionele en min ‘of meer bestendige relatie’ hebben mec de
mijnbouwinstallacie in strikte zin.

3. Naar het oordeel van de Commissie dient bij de behandeling van het
eerste punt niet alleen te worden ingegaan op de vraag tot hoever de
bevoegdheid screkt van Nederland om regels ce stellen ten aanzien van
aktiviteiten op mijnbouwinstallaties op zijn continentaal plat, doch
eveneens te worden aangegeven welke plichten er voor Nederland
{kunnen) bestaan om rechtsregels daar toe ce passen. Daarom zal de
Commissie in die advies, na behandeling van de vraag welke
rechtsmacht Mederland mag uitoefenen (deel II) afzonderlijk aandacht

1

</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>vrare

[ha
re)

besteden aan de vraag welke rechtsmacht Nederland moet uicoefenen op
grond van volkenrechtelijke verplichtingen (deel III). In deel IV
zal worden nagegaan wac de consequenties zouden zijn van de eventuele
inscelling van een EEZ voor de omvang van de Nederlandse rechtsmacht
met betrekking cot mijnbouwinscallaties. Tenslotte behandelt deel V
de omvang van de Nederlandse rechtsmacht met betrekking tot
werknemers op schepen e.d. zolang zij ten behoeve van
mijnbouwaktiviteiten worden ingezec,

Omvang volkenrachteliike bevoegsdheid kustscaar

E

aon

Wat de (volkenrechcelijke) rechesgrondslag voor de uicoefening van
rechesmacht door een kuststaat mec betrekking toe
mijnbouwinstallacies op zijn continencaal plat betreft zijn van
belang zowel regels van volkenrechtelijk gewoontereche als van
verdragsrecht.

In verdragen neergelegde regels over dic onderwerp in algemene zin
zijn te vinden in een tweeral verdragen: het Verdras inzake het
Continentaal Plat (Genève 1958: Trb. 1959, 126) en hez Vardrag van de
Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee (Montego Bay 1982: Trb.
1983, 83).

Het eerstgenoemde Verdrag (hierna: C.P, Verdrag) is voor Nederland
van kracht sedert 20 maart 1966. Het cweede verdrag (hierna: V.N.
Zeerechtverdrag) is nog niet in werking getreden, Op 10 december 1982
werd het voor Nederland ondertekend, doch het is (nog) niet door
Nederland bekrachcigd. De regels die in dit verdrag zijn opgenomen
gelden voor Nederland derhalve alleen voorzover zij als
internationaal gewoonterecht dienen te worden beschouwd.

Artikel 5, vierde lid, van hee C.P. Verdrag gaat over installaties
die dienen voor de opsporing of winning van de natuurlijke rijkdommen
van het continentaal plat. Het luide:

"Such installations and devices, cChough under che

jurisdiction of the coastal State, do noc possess the

status of islands."
De omvang van de rechtsmacht van de kuststaat wordt hierin niet
expliciet gekwalificeerd. Deze bepaling werd vastgesteld tijdens de
Eerste V‚N, Zeerechtconferentie ce Genève in 1958, zonder discussie,
De Conferentie nam ongewijzigd de tekst over van het ontwerp van de
International Law Commission (I.L.C.} op dit punt. Het I.L.C.-
commentaar bij deze ontwerp-bepaling beperkte zich coc de zinsnede:

" the installations are under the jurisdiction of

the coastal State for che purpose of maintaining order

and of che civil and criminal competence of its

courts" (Yearbook ILC 1956, Vol IL, pp. 299-300}.

Artikel 80 van het V.N. Zeerechtverdrag (betreffende installaties
op het continentaal plat) verwijst, mutatis mutandis, naar Artikel
60 (installaties in de EEZ). Artikel 60, tweede lid, luide:

"The coastal State shall have exclusive jurisdiction

over such artificial islands, installations and

Structures, including jurisdiction with regard to

2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>customs, fiscal, health, safecy and immigration laws

and regulations."
De opsomming van de toepasselijke wetgeving van de kustscaar beginc
met "including", d.w.z. is niet limicatief.

Tijdens de discussies in de Tweede Commissie van de Derde VN.
Zeerechtconferentie is geen expliciete aandacht besteed aan deze
bepaling, die vanaf "nec begin was opgenomen in de
onderhandelingsteksten, Hieruic kan worden afgeleid dat over deze
bepaling steeds consensus heeft bestaan. Mede op grond wan de
(hieronder behandelde) Statenprakcijk mag worden geconcludeerd dat de
bepaling een weergave vormt van het geldende gewoonterecht.

Uit de statenpraktijk (zie bijlage) blijke dac reeds sederc de
zestiger jaren (coen de exploicatie van het concinencaal plac,
voorbij de territoriale zee sterk begon toe te nemen) kustscaren over
het algemeen een vergaande rechtsmacht uitoefenen over akciviteican
op mijnbouwinstallaties op hun continentaal plat. In alle gevallen
worde, naast de typisch mijnrechcelijke bepalingen, het nationale
strafrecht van Coepassing verklaard. Veelal is zelfs voor de
oplossing gekozen het gehele nationale recht van toepassing te
verklaren, eventueel met een aantal specifieke uitzonderingen. Enkele
landen echter (waaronder Nederland) hebben er voor gekozen om, naast
het mijnrecht en het strafrecht, sleches incidenteel anders wetten
van toepassing te verklaren.

De twee in de praktijk gekozen benaderingen lijken niet te zijn
ingegeven door volkenrechcelijke overwegingen (opvactingen van de
betrokken staten omtrent wat mag of niet mag), Zij zijn veeleer
gebaseerd op wetgevingspolitieke en wetgevingstechnische
overwegingen (d.w.z, nacionaal rechc en beleid).

De eerste, meest toegepaste benadering (in beginsel gelding van
het gehele nationale recht) heeft als voordeel dat in beginsel alles
geregeld is (geen lacunes), op overeenkomstige wijze als ophet
landterricoir. Nadeel is dat bepaalde “landwecgeving" zich niet of
minder goed leent voor toepassing op akciviceicen op
mijnbouwinstallaties, hetgeen leidt toc de behoefte aan specifieke
aanpassingen in deze wetgeving of buiten toepassing verklaring van
onderdelen daarvan. Overigens is het natuurlijk zo dat wettelijke
bepalingen waarvan het geldingsgebied uiedrukkelijk geografisch
beperkt is, of die uit hun aard niet toepasbaar zijn, mec becrekking
tot mijnbouwinscallaties op het continentaal plac ook geen
toepassing zullen vinden,

De andere benadering (vooralsnog door Nederland gekozen) houdt in
dat alleen de hoogst noodzakelijke wettelijke regelingen gelden, al
naar gelang de concreet gebleken behoeften. Nadelen hiervan zijn de
noodzaak om steeds nieuwe regelingen ce ontwerpen of van coepassing
te verklaren wanneer de behoefte hieraan reeds is gebleken (opvullen
van lacunes), en de rechtsongelijkheid cen opzichte van met de
situatie binnen het landterritoir. Een overweging van een Kuststaat
om te kiezen voor deze terughoudende benadering kan overigens zijn
geweest dat op deze wijze de beperktheid van de rechtsmacht van de
kuststaat over zijn continentaal plat als zodanige (het gebied) buicen
twijfel blijft. Deze is immers beperkt coc de opsporing en winning
van de natuurlijke rijkdommen van het plat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>10.

m

Een andere relevante praktijk betreft de uitoefening van
rechtsmacht met betrekking tot installaties (en kunscmacige eilanden)
gelegen op het continentaal plat, maar in gebruik voor andere
economische doeleinden dan mijnbouw. Op dit pune is de
stzatenpraktijk weliswaar beperkt (zie bijlage), maar duidelijk is dat
de betrokken kuststaten in deze gevallen ook volledige rechtsmacht
uitoefenen (d.w.z. het gehele nationale recht van toepassing hebben
verklaard).

In dit verband zij er op gewezen dat de Commissie reeds in 1977,
in haar advies aan de minister inzake kunstmatige eilanden, tot hec
oordeel kwam dat in beginsel het voor Nederland geldende recht in
toto van toepassing kan worden verklaard op kunstmatige eilanden op
het Nederlandse continentaal plat {Advies van 24 januari 1977, pg,
13).

Het voorgaande leide de Commissie tot de conclusie dat de
rechtsmacht van de kuststaat met betrekking cot aktiviceicen op
mijnbouwinstallaties op zijn eontinencaal plac niet door het
volkenrecht wordt beperkt. De Nederlandse wetgeving zou derhalve in
soto van toepassing kunnen worden verklaard.

Daarbij moet uiteraard wel rekening worden gehouden met de
beperkingen die het volkenrecht overal en in het algemeen aan de
rechtsmacht van Staten stelt.

Plichten van Nederland tor uitoefening van rechcsmacht

I
ba

De vraag of volkenrechtelijke verplichcingen van Nederland
eveneens gelden mat betrekking toc akctiviteiten op
mijnbouwinstallaties op het continentaal plat is in zijn algemeenheid
niet gemakkelijk te beantwoorden. Dit zal van geval tot geval moeten
worden beoordeeld,

Voer zover het om verdragsverplichtingen gaat is de vraag naar de
gelding daarvan met betrekking cot akciviceicen op
mijnbouwinstallaties op het continentaal plat in de eerste plaats
afhankelijk van de uitdrukkelijke bepalingen van het verdrag. Indien
een verdrag uitdrukkelijk aangeert wel of niec van coepassing te zijn
op mijnbouwinstallacies is het antwoord op deze vraag duidelijk. Dic
geldt bijvoorbeeld voor een aantal fiscale verdragen, verdragen ter
bescherming van het zeemilieu en verdragen van de Internationale
Arbeids Organisatie (1...00).

In alle andere gevallen zal zorgvuldig moeten worden nagegaan
welke interpretatie hieraan in de praktijk wordt gegeven. Bij
bepaalde categorieën verdragen zal de presumptie zijn dat zij ook
gelden met betrekking coc aktiviteiten op mijnbouwinscallacies op het
continentaal plat, bijvoorbeeld de verdragen op het terrein van de
bescherming van de rechten van de mens, of meer in het algemeen de
zogenaamde wetgevende verdragen, Deze kunnen geacht worden overal te
gelden waar overheidshandelingen worden verricht door de Staac die
partij is bij het betrokken verdrag. Bij andere categorieën
verdragen zal deze presumptie wellicht niet gelden.

Gaat het om regels van internationaal gewoonterecht, dan zal aan
de hand van de aard van de verplichting van geval tot geval moeten
worden beoordeeld of deze ook in de onderhavige sicuacie geldt.

£

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>tc

Iv.

Een uitputtende opsomming van de in dic verband relevante
verplichtingen (verdragsrechtelijk en gewoonterechtelijk) die op
Nederland rusten kan de Commissie niet geven en lijkt in die stadium
ook niet nodig. Zij constateert slechts dat het van groot belang is
dat de Regering hieraan aandacht schenkt bij de besluitvorming
omtrent de toepassing van Nederlandse wetgeving (met inbegrip van
wetgeving ter uitvoering van volkenrechtelijke verplichtingen) op
(mijnbouw) installaties op het continentaal plat. Nederland is immers
volkenrechtelijk aansprakelijk voor niet-nakoming van zijn
volkenrechtelijke verplichtingen.

De Commissie wijst er in dic verband op dat de door veel landen
gekozen benadering om het nationale recht in toto van toepassing te
verklaren voor het onderhavige probleem zeker als sen effectieve
oplossing kan worden beschouwd,

Afzonderlijke aandacht behoeft de toepasselijkheid van Europees
gemeenschapsrecht. Het geografisch coepassingsgebied van het E.E.G.-
verdrag is niet beperkt tot het grondgebied van de lid-Staten, maar
kan zich ook daarbuiten uitstrekken daar waar de lid-Sctaten
(souvereine) rechten beziecen zoals op het continentaal plac
(uiteraard voor zover de bepalingen van hee Europees
gemeenschapsrecht betrekking hebben op materie vallend onder de
souvereine rechten van de kuststaat).

In sommige gevallen zullen de bepalingen van het Europees
gemeenschapsracht direkt van toepassing zijn op akciviteiten op het
continentaal plat (bijvoorbeeld die betreffende het vrij
warknemersverkeer); in andere gevallen geven de bepalingen slechts
een bevoegdheid cot (nadere) communaucaire regelgeving. In die
laatste gevallen zal van geval tot geval moeten worden nagegaan of de
betrokken regelgeving zich reeds nu (al dan niet uiedrukkelijk)
uitstrekt cot het continentaal plat.

Gevolgen instelling EEZ

i
i

tr
an

De exclusieve economische zone is een gebied voorbij de
territoriale zee, tot maximaal 200 zeemijl (370 kilometer) verwijderd
van de basislijn, waarbinnen de kuststaat souvereine rechten bezit
mec betrekking tot de opsporing en winning van de nacuurlijke
rijkdommen (levende en niet-levende) en andere economische
aktiviteiten. Voorts bezizt de kuststaat rechtsmacht met betrekking
tot de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden en installaties,
wetenschappelijk zee-onderzoek en de bescherming en insctandhouding
van het zeemilieu (artt. 36 en 57 V.N. Zeerechtverdrag). In de
Noordzee zal een in ce stellen ‘Nederlandse EEZ geografisch
samenvallen met het Nederlandse continentaal plat.

De Commissie deelt het standpunt van de regering dat instelling
van een EEZ chans volkenrechtelijk geoorloofd is (zie brief minister
van Verkeer en Waterstaat aan Tweede Kamer van 15 februari 1989, TK
17 408 nr. 47). In dit verband is hier vooral relevant Artikel 60
V.N. Zeerechtverdrag.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De instelling van een EEZ heeft echter, voor wat betraft het
onderhavige onderwerp, voor Nederland geen gevolgen.

Voor wat betreft de categorieën inscallaties die onder de
rechtsmacht van Nederland zouden vallen brengt instelling van een EEZ
geen noemenswaarde wijziging met zich mee. Alle installaties voor
sconomische doeleinden opgericht of op te richten in een Nederlandse
EEZ vallen, volkenrechtelijk gezien, reeds onder Nederlandse
rechtsmacht aangezien kuststaten reeds onder hect huidige
gewoonterecht met betrekking Cot het continentaal plat exclusieve
rechtsmacht bezitten ten aanzien van (vrijwel) alle installaties in
dat gebied. In het Nederlandse nationale recht werd dic reeds
gerageld bij de Wet inscallaties Noordzee van 1964 (alleen drijvende
installaties en kunstmatige eilanden vallen daar niet onder).

Voor wat betraft de omvang van de rechtsmacht mec betrekking tot
aktiviteiten op installaties kan worden geconscateerd dat deze, naar
het geldende volkenrecht, thans reeds onbeperkt is (zie de conclusie
in paragraaf 11), en dat derhalve door inscelling van een EEZ voor
Nederland niets worde toegevoegd.

Uitscrekken Wet Arbeid Noordzee cot werknemers op schepen e.d.

al

De vraag of de Nederlandse wetgever volkenrechcelijk bevoegd is
regels te stellen ten aanzien van de arbeid van personen die aan
boord van schepen werkzaam zijn ten behoeve van de opsporing en
winning van de nacuurlijke rijkdommen van het Nederlandse
continentaal plac is buitengewoon complex.

In de eerste plaats doet zich de vraag voor in welke gevallen iets
nog een installatie is (en derhalve onder Nederlandse rechtsmacht
valt conform hetgeen hierboven is uiteengezet), en in welke gevallen
het niec als zodanig kan worden aangemerkt en derhalve ais "schip"
dient te worden beschouwd (zie hierover de volgende paragraaf).
Slechts op de laatstgenoemde situatie heefe het onderhavige onderdeel
van de adviesaanvraag betrekking.

Indien sprake is van een "schip” worde namelijk de
volkenrechtelijke grondslag voor de uitoefening van rechtsmacht een
andere, aangezien schepen in volle zee {de waceren boven het
Nederlandse deel van het continentaal plat maken deel uit van de
volle zee) onder de uiesluicende rechtsmacht van de vlaggestaat
vallen. Wanneer het schepen betreft onder Nederlandse vlag is er dus
geen probleem: Nederland is bevoegd bepaalde wetgeving {bijvoorbeeld
de Wet arbeid Noordzee) zich ook tot personen aan boord van die
schepen te laten uitstrekken, Betreft het echter schepen onder
vreemde vlag, dan bestaat die bevoegdheid in beginsel niet.

Dic probleem kan uiteraard worden opgelost door bij wet te
bepalen dat ten behoeve van de opsporing en ‘winning van de
natuurlijke rijkdommen van het Nederlandse continentaal plat en de
daarmee verband houdende akciviceicen uicsluicend schepen varend
onder Nederlandse vlag mogen worden ingezet. Deze oplossing is door
enkele landen, waaronder Frankrijk, gekozen. Volkenrechtelijk is
Nederland hiertoe in beginsel bevoegd. Een dergelijk voorschrift zou
echter strijdig kunnen zijn met Europees gemeenschapsrecht, indien
geen voorbehoud zou worden gemaakt voor schepen die de nationaliteit
van één van de lid-scaten van de EEG bezitten. Voorts zou het
strijdig kunnen zijn met bepaalde bilaterale verdragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>En AF GEN

20.

Met betrekking tar de hierboven vermelde vraag wanneer iets als
een installatie kan worden beschouwd kan het volgende worden
opgemerkt. Met name bij de opsporing van olie en gas wordt regelmatig
gebruik gemaakt van middelen die zichzelf kunnen verplaatsen en
derhalve in beginsel de scatus van “schip” bezicten. Daarbij kan een
onderscheid worden gemaakt cussen scacionaire aktiviteicen en mobiele
akciviteicten, Bij de mobiele aktiviceiren (bijvoorbeeld seismisch
onderzoek) blijfe het schip varen. Bij de stationaire aktiviteiten
(het verrichten van een boring) is het schip enige tijd immobiel
(verankerd of zelfs vascgezet op poten). Gedurende de cijd dat het
schip daadwerkelijk bezig is met een boring kan het worden beschouwd
als een "installatie" en valt het derhalve volledis onder de
rechtsmacht van de kuststaat. Ook tijdens de winning worden schepen
regelmatig voor langere tijd geïmmobiliseerd en geankerd nabij
winningsinstallaties, bijvoorbeeld ten behoeve van da opslag van de
gewonnen olie of de huisvesting van personeel. Ook dia schepen kunnen
gedurende de cijd dat zij hiervoor worden ingezet door de kuststaat
worden gelijkgesteld met inscallacies.

Naast deze categorie is er echter neg een categorie mobiele
schepen die naar het oordeel van de Commissie eveneens gelijkgesceld
kan worden met installacies, met het oog op de uitoefening van
rechtsmacht door de kuststaat. Deze categorie betrert die schepen die
gedurende een langere aaneengesloten tijdsperiode uitsluitend worden
ingezet voor aktiviteiten die direke samenhangen met de opsporing of
winning van de natuurlijke rijkdommen van het continencaal plat van
de betrokken kuststaac. Welke minimale tijdsperiode hiervoor gelde
(bijvoorbeeld 30 dagen) zou bij wet dienen te worden bepaald;
hetzelfde geldt voor de nadere omschrijving van de akzivicsicen. De
Commissie acht de doorbreking van de rechtsmacht van de vlaggestaat
in dergelijke gevallen gerechtvaardigd op grond van de zwaarder
wegende souvereine rechten van de kuststaar.,

Er zij in dit verband op gewezen dat de Wet installaties Noordzee,
die voor Nederland de grondslag vormt voor de toepasselijkheid van de
strafwet en andere aan te wijzen wetcelijke regelingen (anders dan de
mijnwetgeving) op inscallacies op het continentaal plat, uitsluitend
betrekking heeft op vaste installaties.

Mec betrekking tot schepen die niet tijdelijk als installatie
xunnen worden beschouwd en die niet de Nederlandse vlag voeren doet
zich vervolgens nog de vraag voor of, zoals gesteld in de
adviesaanvraag, een onderscheid mag worden gemaakt tussen de
reguliere schepelingen en andere personen die aan boord aanwezig zijn
doch werkzaam zijn ten behoeve van de aktiviceiten op het
continentaal plat, waarbij laatstgenoemde categorie {ongeacht de
nationaliteit van de betrokkenen) onder de Nederlandse rechtsmacht
gebracht zou kunnen worden (bijvoorbeeld binnen de werkingssfeer van
de Wet Arbeid Noordzee).

Het komt de Commissie voor dat het maken van een derzelijk scherp
onderscheid in de onderhavige praktijk welhaast onmogelijk is.
Bovendien lijkt aan een dergelijke constructie geen behoefte ce
bestaan indien gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid, zoals
aangegeven in de vorige paragraaf, om schepen die gedurende langere
tijd uitsluitend worden ingezet voor aktiviceiten die direkre
samenhangen met de opsporing of winning van de natuurlijke rijkdommen
van het Nederlandse continentaal plat te onderwerpen aan Nederlandse
rechtsmacht op dezelfde wijze als installaties,

</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>21.

Tenslotte acht de Commissie het gewenst een enkele opmerking te
maken met betrekking tot de rechtsmacht ten aanzien van personen die
zieh buiten de mijnbouwinstallatie, doch niet op een schip, bevinden
terwijl zij werkzaamheden verrichten ten behoeve van de opsporing en
winning van de natuurlijke rijkdommen van het continentaal plac
{bijvoorbeeld duikers),

Ingevolge artikel 60 (leden 4 en 5) van het V.N, Zeerechtverdrag
mag de kuststaat rondom een mijnbouwinscallacie een veiligheidszone
instellen met een straal van maximaal 500 meter (eventueel meer
indien internationaal overeengekomen). Binnen deze veiligheidszone
(die primair bedoeld is cer beveiliging van zowel de scheepvaarc als
de installatie) zou naar het oordeel van de Commissie een kuststaat
rechtsmacht mogen uicoefenen met betrekking tot bovenbedoelde
aktiviteiten. De meeste landen (waaronder het Verenigd Koninkrijk)
hebben zelfs her gehele nationale recht niet alleen van toepassing
verklaard op installaties, maar ook in de veiligheidszone daaromheen
(zie bijlage).

Met betrekking cot werkzaamheden verriche buiten een
veiligheidszone is de kKuststaat eveneens gervechcigd zijn wetgeving
toe te passen, ongeacht de nationaliteit van het schip van waaraf de
duikers hun werkzaamheden verrichten, op grond van de souvereine
rechten van de kuststaat. Indien de kustscaat zijn wecgeving niec
uiedrukkelijk van coepassing heeft verklaard zijn deze duikers
onderworpen aan de rechtsmacht van hetzij de Staat waarvan zij de
nationaliteit bezitcen, hetzij de vlaggestaat van het schip van
waaraf zij hun werkzaamheden verrichten.

Samenvatting van de conclusies

(2)

(3)

(4)

Nederland is volkenrechtelijk bevoegd de Nederlandse wetgeving in
toto van toepassing te doen zijn op mijnbouwinscallaties op het
Nederlandse continentaal plat.

Vele op Nederland rustende volkenrechtelijke verplichtingen gelden
eveneens met betrekking tot akciviceicen op mijnbouwinscallacies op
het Nederlandse continentaal plat. Met het oog hierop verdient het in
toto van toepassing verklaren van het Nederlandse recht op
mijnbouwinscallaties overweging. Bij die van toepassing verklaring
kunnen dan, indien zulks om nationaalrechtelijke redenen nuttig wordt
geacht, en indien zulks niet strijdig is met de eerder aangeduide
volkenrechtelijke verplichcingen, bepaalde uitzonderingen worden
gemaakc,

De instelling van een Exclusieve Economische Zone heeft voor
Nederland geen gevolgen voor wat betreft de omvang van de rechtsmacht
op mijnbouwinsrallaties.

Nederland is volkenrechtelijk gerechtigd het Nederlandse recht
{derhalve ook de Wet arbeid Noordzee) zich te doen uiescrekken tot
(alle) personen aan boord van geïmmobiliseerde schepen (die zijdelijk
als mijnbouwinstallatie kunnen worden beschouwd) en van schepen die
gedurende een langere aaneengesloten tijdsperiode uitsluitend worden
ingezet voor aktiviceiten die direkt samenhangen met de opsporing of
winning van de natuurlijke rijkdommen van het Nederlandse
continentaal plat, alsmede tot duikers die werkzaamheden verrichten
op het Nederlandse continentaal plat ten behoeve van de opsporing en
winning van de natuurlijke rijkdommen van het plac,

</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Bijlagen: I, Adviesaanvraag
Ii. Motie Vreugdenhil es,
TIL. Overzicht nationale wetgeving

</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>BIJLAGE EIL

Overzicht nationale wetgeving kuststaten betreffende rechtsmacht op
installacies op continentaal plat c.q. E.E.Z.

A. Wezgeving beperkt tot mijnbouwinstallaties

BELGIE

Wet inzake het continentaal plat van België (13 juni 196%)

Ingevolge Artikel 7 is het gehele Belgische recht van coepassing op
(permanente) mijnbouwinstallaties,

BONDSREPUBLIEK DUITSLAND

Bundesberggesetz van 13 augustus 1980 en vele andere werten

Naast het specifieke mijnrecht zijn het Duitse scrafrecht,
privaatrecht en vele administratieve wetcen van toepassing op
mijmbouwinstallaties op het Duicse continentaal plac.

CHINA
Regulation of che People's Republic of China on the Exploitacion of
Gfishare Petroleum Resources in Co-operation with Foreign Enterprises.
Deze bepalingen (Artikel 2, tweede lid), gaan uic van algehele
zoepassing van het Chinese recht op mijnbouwinstallacies op het Chinese
continentaal plat, en op schepen betrokken bij de opsporing en winning van
olie en gas.

DENEMARKEN
Wet inzake het continencaal plat (Wet No. 259 van 9 juni 1971)
Ingevolge artixel 3 is de gehele Deense wetgeving (met uitzondering
vart erkele genoemde wetten) is van toepassing op mijnbouwinstallaties en
in de velligheidszones daaromheen.

FIJI

Continental Shelž Act No. 9 of 30 December 1970

Gehele rechz van Fiji van toepassing verklaard op en rondom
mijnbouwinstallaties op het continentaal plat (Section 4).

Verschillende andere leden van het Gemenebest hebben gelijkluidende
wetgeving.

FRANKRIJK

Wet No. 68-1181 (30 december 1968), zoals gewijzigd bij Wet No. 77-
485 (11 mei 1977).

Deze wet (Artikel 5) gaat uic van algehele toepassing van de Franse
wetgeving op mijnbouwinstallaties op het continentale plat, met inbegrip
van hulpschepen en andere direct betrokken vaartuigen, alsmede binnen de
veiligheidszones.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>IERLAND

Continental Shelf Act (No. 14 of 11 June 1968)

Ingevolge Section 3 is gehele recht van Ierland van toepassing op en
rondom mijnbouwinstallattes.

MALEISIE

Contintental Shelf Acc 1966 (Act No. 57 of 28 July 1966, as amended
by Acc No. 83 of 1972)

Ingevolge Section 5 is gehele recht van Maleisië van toepassing op en
rondom mijnbouwinstallaties.

HOORWEGEN

Pecroleumwer (Wet nr. Il van 22 maart 1985)

Artikel 2, eerste lid, bepaalt dat alle Noorse wetcen van toepassing
zijn op mijnbouwinstallaties op hec Noorse continentale plat, tenzij uit
de wetgeving zelf anders blijkt,

Volgens het cweede Lid zijn Noorse wetcen alleen van toapassing on
verplaatsbare installaties onder vreemde vlag voor zover ze blijvend
geplaatst zijn op het plat. (Deze laatste bepaling wordt waarschijnlijk in
de loop van 1990 gewijzigd)

POLEN
Act No. 37 of 17 December 1977 concerning the continental shelf
Artikel 6, tweede lid, verklaart op installaties net recht van Polen
van taepassing.

ZWEDEN

Act No, 314 of 3 June 1966 concerning che continental shelf

Artikel 10 verklaart het Zweedse recht (met enkele uiczonderingen)
van toepassing op mijnbouwinstallaties en in veiligheidszones.

VERENIGD KONINKRIJK

Continental Shelz Act (15 April 1964) en The Civil Jurisdiction
{Offshore Activities) Order 1987 en The Criminal Jurisdiction (Offshore
Activities) Order 1987,

Gehele recht van het Verenigd Koninkrijk van toepassing op
mijnbouwinstallaties op Britse continentaal plat, en in de
veiligheidszones daaromheen (Section 3 van de Act, gespeciiiceerd in de
Orders).

VERENIGDE STATEN

Outer Continental Shelf Lands Act of 7 August 1953

Paragraaf 1333 verklaart het gehele recht van de Verenigde Staten van
toepassing op mijnbouwinstallaties.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>B. Wetgeving betreffende andere installaties c.q. alle installaties

CANADA
Canadian Laws Offshore Application Act (wetsontwerp)
(gehele Canadese recht van coepassing)

GUYANA -
Maritime Boundaries Act 1977 (Act Ne. 10 of 30 June 19775
Ingevolge Section 37 is gehele recht van Guyana van toepassing o

rondom installatias.

Verschillende andere leden van het Gemenebest hebben

wecgeving.

3
iD
t]

NEDERLAND

Wee installaties Noordzee (Stb. 1964, 447)

Artikel 2 verklaart de Nederlandse strafwet coepasselijk op ieder dia
zich op een installatie op het Nederlandse continentaal plac aan enig
strafbaar feit schuldig maakt.

Artikel 3 biedt de mogelijkheid om bij AMvB weccelijke voorschrifcen
van toepassing te verklaren (uicsluitend de Telegraaf- en Telefoon Wet is
als zodanig aangewezen).

VERENIGDE STATEN

Deepwater Porc Act of 1974

Section 19, (a)(1) verklaart de volledige wetgeving van de V.S. (en
alle verdragen) van toepassing.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Ministerie van Buitenlandse Zaken

Bezuidenhoucsewey 67

Postbus 2006 (
2500 EB ‘s-Gravenhage
Teleibon 1371) - 38 Al 86

Telex +1 326

Aan de Voorzitrer van de Commissie
van Advies inzake Volkenrechtelijke
Vraagstukken

Postbus 20061

2500 EB ‘s-GRAVENHAGE

Datum Dourkiesnummer Kenmerk

10 mei 1990 070-3486143 APA/JURA/ISN-32330
Onderwerp Drenstonderdeet
Rechtsmacnt van de kuststaat t.a.v. Juridisch Adviseur

het continentaal plateau

Met het oog op een adviesaanvrage aan de Commissie van Advies inzake
Volkenrechtelijke Vraagstukken moge ik het volgende aan U voorleggen.

Op 29 juni j.l. heeft de Tweede Kamer van de Staten-Generaal met algemene
stemmen de motie-Vreugdenhil aangenomen (20603, nr. 14). Deze motie,
ingediend bij en in verband met de oehandeling van het wetsvoorstel “Uitbrei-
ding van de fiscale jurisdictie tot het Nederlands dee! van het continentaal
plat alsmede nadere omschrijving van het begrip vaste inrichting”, verzoekt
om toezending van een notitie betreffende de wenselijkheid om, in verband
met de rechtspositie van personen werkzaam op installaties en andere inrich-
tingen voor de exploratie van het Nederlands deel van het continentale plat, de
Nederlandse wetgeving aldaar ook van toepassing te doen zijn op andere
rechtsgebieden dan thans het geval is. Kopie van deze motie is bijgevoegd.

Over de in de motie aan de orde gestelde vraag is sedertdien enkele malen
interdepartementaal overleg gevoerd. Dit overleg heeft zich tot dusverre
vooral gericht op een inventarisatie van bestaande, voor continentaal plat-
installaties geldende regelgeving. Via de Nederlandse ambassades in de overige
Noordzee-staten is voorts informatie ingewonnen over de desbetreffende
regelgeving in die landen. i M *

Bij dit overleg is als uitgangspunt gehanteerd dat de aan Nederland als
kuststaat toekomende rechtsmacht ten aanzien van het continentaal plat
functioneel van aard is, d.w.z. beperkt tot hetgeen in verband staat met de
exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen. Uit dit uitgangspunt
vloeit dan voort dat rechtsmachtaanspraken ten aanzien van het continentaal
plat, als ware het deel van het Nederlands territoir, niet geoorloofd zijn. De
tot dusver door de Nederlandse wetgever gekozen benadering is met dit
uitgangspunt in overeenstemming.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Ministerie van Buirenlandse Zaken

Kenmerk Vervalugblad Darum

APA/JURA/ISN-32880 -

13
'

10 mei 1990

Voor de door de Kamer gevraagde notitie is van groot belang dat sen aanzien
van de vraag naar de omvang van de volkenrechtelijke bevoegdheid duidelijk-
heid bestaat. Ik zou het derhalve, mede namens mijn bij dit vraagstuk
betrokken ambtgenoten, op hoge prijs stellen wanneer de Commissie daarover
haar mening zou willen geven. Daarbij zouden bij voorkeur ook de gevolgen van
een eventuele instelling door Nederland van een Exclusieve Economische Zone
dienen te worden betrokken.

De omvang van de rechtsmacht van de kuststaat is ook in een ander opzicht
aan de orde gesteld. Bij haar advisering over een voorontwerp van wet inzake
arbeid op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat onder de Noordzee
heeft de Stichting van de Arbeid aandacht gegeven aan de positie van
werknemers die aan boord van schepen in de off-shore werkzaam zijn. De
Stichting acht het wenselijk dat de wettelijke regeling zich ook uitstrekt tot
bedoelde werknemers - met uitzondering van de reguliere schepelingen - op
schepen en andere varende installaties die een wezenlijke functionele en min
of meer bestendige relatie hebben met de mijnbouwinstallatie in strikte zin.
Met gaat daarbij niet alleen om boorschepen (mijnbouwinstallaties), maar ook
om kraanschepen, pijpenleggers, baggerscheppen, ankerbehandelingsvaar-
tuigen, e.d. Daar staat tegenover dat schepen op volle zee - en daartoe moeten
de wateren boven het continentaal plat worden gerekend - behoudens anders
luidende volkenrechtelijke bepalingen uitsluitend onderworpen zijn aan de
rechtsmacht van de vlaggestaat.

De door de Stichting van de Arbeid bepleite gelding van genoemd voorontwerp
van wet zou derhalve in het geval van schepen onder vreemde vlag een
jurisdictieconflict opleveren. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord,
hoe vorenbedoelde volkenrechtelijke regel zich verhoudt tot de in het Verdrag
inzake het continentaal plateau (en het Verdrag van Montego Bay) aan de
kuststaten gegeven soevereine rechtsmacht met betrekking tot de exploratie
en exploitatie van natuurlijke rijkdommen. Er zij in dat verband op gewezen
dat de recente uitbreiding van de Nederlandse jurisdictie voor bepaalde
belastingen tot het continentaal plat (Stb. 1989, 554) niet is beperkt tat de in,
op of boven dat gebied aanwezige installaties, maar tevens betrekking heeft op
andere Inrichtingen. Onder dit begrip dienen onder omstandigheden mede te
worden verstaan schepen die immers dikwijls een belangrijke rol spelen bij de
exploratie en exploitatie van bodemschatten.

Het voornemen bestaat om in hogergenoemde notitie, waarom bij Kamermotie
is verzocht, eveneens in te gaan op de hierboven genoemde vraagstelling.

Ook daarover zou het oordeel van de Commissie derhalve op prijs gesteld
worden.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Ministerie van Buicenlandse Zaken

Kenmerk Vervalublad Dacum

APA/JURA/ISN-32880 -3- 10 mei 1990

In met de Kamer gevoerd overleg is geïndiceerd dat de gevraagde notitie in de
loop van dit jaar tegemoet gezien zou kunnen worden. Ik zou het derhalve oD
prijs stellen her advies van de Commissie, zo enigszins mogelijk, in de maand
augustus te ontvangen.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

(Hi van den Broek)

</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1988-1989

20 603 Uitbreiding van de fiscale jurisdictie tot het
Nederlandse deel van het continentaal plat
alsmede nadere omschrijving van het begrip
vaste inrichting

Nr. 14 MOTIE VAN HET LID VREUGDENHIL C.S,
Voorgesteld 20 juni 1989

De Kamer,
gehoord de beraadslaging:

overwegende, dat op installaties en andere inrichtingen voor de explo-
ratie van het Nederlandse deel van het continentale plat en de exploitatie
van de natuurlijke rijkdommen daarvan honderden mensen verblijf
houden en werkzaam zijn:

overwegende, dat de Nederlandse jurisdictie op genoemde instaltaties
en inrichtingen slechts voor sen beperkt aantal rechtsgebieden geldt;

overwegende, dat het in verband met de rechtspasitie van de eerder
genoemde personen gewenst kan zijn om de Nederlandse wetgeving ook
ten aanzien van andere rechtsgebieden (bij voorbeeld het burgerlijk
recht} van toepassing te doen zijn:

nadigt de regering uit, ter zake van deze wenselijkheid een notitie op
te stellen en aan de Kamer toe te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Vreugdenhil
Kombrink
Rianks

De Free

919826 £
SDU uitgevers Gravennage 1989 Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 603, nr. 14

</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1988-1999

20 603

Nr. 14

313828 £
ISSN 0921 . 7377
SDU uitgever 'a-Groverthage 1989

Uitbreiding van de fiscale jurisdictie tot het
Nederlandse deel van het continentaal plat
alsmede nadere omschrijving van het begrip
vaste inrichting

MOTIE VAN HET LID VREUGDENHILC.S.
Voorgesteld 20 juni 1889

De Kamer,
gehoord de Deraadslaging:

overwegende, dat op installaties en andere inrichtingen voor de explo-
ratie van het Nederlandse deel van het continentale plat en de exploitatie
van de natuurlijke rijkdommen daarvan honderden mensen verblijf
houden en werkzaam zijn;

overwegende, dat de Nederlandse jurisdictie op genoemde installaties
en inrichtingen slechts voor een beperkt aantal rechtsgebieden geldt;

overwegende, dat het in verband met de rechtspositie van de serder
gensemde personen gewenst kan zijn om de Nederlandse wetgeving ook
ten aanzien van andere rechtsgebieden (bij voorbeeld het burgerlijk
recht) van toepassing te doen zijn;

nodigt de regering uit, ter zake van deze wenselijkheid een notitie on
te stellen en aan de Kamer toe ta sturen,

EN gaat Over tot de orde van de dag.
Vreugdenhil
Kombrink

Rienks
De Pree

Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1985, 20 803, nr. 14

</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>