<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES
INZAKE
VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN
ki

No. 1467

GOEDKEURING EN BEKENDMAKING VAN VERDRAGEN:
VOORSTEL VAN RIJKSWET

26 april 1990

yd 1-0)

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>inleiding

Naar aanleiding van een voorstel van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke
Vraagstukken aan de Minister van Buitenlandse Zaken om advies uit te brengen over het
voorstel van Rijkswet Goedkeuring en bekendmaking van verdragen (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1988-1989, 21214 (R 1375)) heeft de Minister bij brief van 18 december 1985,
nr JURA-ISN-18021, taten weten de Commissie graag in de gelegenheid te stellen een
zodanig advies uit te brengen.

De Commissie heeft zich bij de opstelling van haar advies laten bijstaan door
Prof Mr C.J.A.M. Kortmann (Kath. Universiteit Nijmegen) en Dr. E. W. Vierdag
(Universiteit van Amsterdam). Voorts heeft Mr C.J. Noé, chef van de Directie Verdragen
van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, haar inlichtingen verstrekt. De Commissie is hen

voor hun bijdragen veel dank verschuldigd.

Bij de opstelling van haar advies heeft de Commissie in aanmerking genomen dat het
onderwerp van haar advisering reeds in de vorm van een wetsvoorstel aan de Tweede Kamer
der Staten-Generaal en aan de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba was
voorgelegd. In de Memorie van Toelichting is aangegeven dat het hier een terrein betreft
waarvan in het kader van de recente grondwetsherziening is komen vast te staan dat de
werking van het bestaande regiem vrij algemeen als bevredigend wordt ervaren. Dit heeft
tot gevolg gehad dat in het voorliggende voorstel van Rijkswet door de regering "een zeer
bescheiden gebruik (is) gemaakt van de mogelijkheid tot het aanbrengen van veranderingen

in de bestaande regeling” (Memorie van Toelichting (p. 2) bij het wetsontwerp)

De ruimte voor het doen van voorstellen om de materie in een geheel afwijkende zin te
regelen was derhalve niet groot. Niettemin heeft de Commissie aandacht besteed aan de
meer algemene vragen die de voorgestelde regeling oproept, zowel ten aanzien van de
handhaving van de vorm waarin de goedkeuring wordt verleend, als ten aanzien van de
achterliggende vragen van de verhouding tussen regering en parlement met betrekking tot

het sluiten van verdragen.

Deze vragen worden behandeld in hoofdstuk 2 van het advies. Daarnaast heeft de Commissie
aandacht besteed aan verschillende deelaspecten van de voorgestelde regeling. Deze vragen
komen aan de orde in hoofstuk 3 van het advies. Overigens blijkt daarbij dat een strikte
scheiding tussen beide terreinen niet mogelijk is, omdat uiteraard de modaliteiten van de
voorgestelde regeling voortvloeien uit de aan het ontwerp ten grondslag liggende
uitgangspunten. Beide hoofdstukken worden voorafgegaan door enkele algemene

opmerkingen omtrent de verhouding tussen de internationale en de nationale rechtsorde.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk I; Algemeen

Bij een beoordeling van een wettelijke regeling als deze dient in het oog te worden
gehouden dat deze functioneert op het grensvlak van nationale en internationale rechtsorde.

Binnen die internationale rechtsorde vindt vooral de laatste decennia in toenemende mate
besluitvorming en regelgeving plaats die in belangrijke mate bepalend is voor wat binnen de

nationale rechtsorde als recht geldt.

Deze ontwikkeling moet als onvermijdelijk en, in verband met de toenemende mondiale
interdependentie en de ontwikkeling van de internationale rechtsorde, ook vaak als
noodzakelijk worden beschouwd. Daartegenover moet worden vastgesteld dat deze
besluitvorming en regelgeving, gemeten met de maatstaf van democratische controle die
vanuit de nationale rechtsorde van het Koninkrijk is geïndiceerd, ernstig tekort schiet.
Onderhandelingen over verdragsregelingen en besluitvorming daaromtrent vinden plaats
tussen regeringsvertegenwoordigers of in intergoevernementele gremia. Van betrokkenheid
van internationale vertegenwoordigende, parlementaire organen is slechts in zeer geringe

mate sprake.

Een versterking van de rol van internationale vertegenwoordigende lichamen, zoals het
Europees Parlement en de Assemblée van de Raad van Europa, is daarom, ook vanuit de eis
van de ontwikkeling van de internationale rechtorde, aangewezen. Intussen valt het
onvoldoende democratisch gehalte van de internationale besluitvorming en regelgeving maar
in beperkte mate op te vullen door voorzieningen op nationaal niveau. Daardoor staat het
constitutionele regiem voor de parlementaire betrokkenheid bij de aanvaarding voor het
Koninkrijk van volkenrechtelijke verplichtingen in het teken van de spanning die zich op
dit grensvlak van beide rechtsordes voordoet. Enerzijds stelt zich Juist de rechtsorde van het
Koninkrijk in vergaande mate open voor de eis van samenwerking die uit de internationale
rechtsorde voortvloeit. De grondwettelijke bepalingen over de mogelijkheid bij verdrag van
de Grondwet af te wijken (art. 91.3), de mogelijkheid van opdracht van bevoegdheden op
het gebied van wetgeving, bestuur en rechtspraak aan internationale organisaties (art. 92) en
de voorrang van een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van
internationale organisaties boven nationaal recht (art. 94) geven daaraan uitdrukking.
Anderzijds is juist voor de rechtsorde van het Koninkrijk het contrast met het
ondemocratisch gehalte van de internationale rechtsorde zeer groot. Dit contrast wordt
verscherpt door de beperkte volkenrechtelijke gevolgen als de binding van de staat in strijd
met de nationale bevoegdheid tot het sluiten van verdragen tot stand zou zijn gekomen. Vel.
de restrictieve formule van art. 46 Verdragenrechtverdrag die een internationaalrechtelijk
beroep op onbevoegdheid slechts toelaat, wanneer de schending van de nationale

bevoegdheidsregeling manifest is, en bovendien een fundamentele regel betreft.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Bovenstaande overwegingen geven naar de mening van de Commissie aan dat het voor het
wetsontwerp gekozen uitgangspunt - in de woorden van de Memorie van Toelichting een
‘evenwicht tussen enerzijds een zo groot mogelijke zeggenschap van het parlement en
anderzijds een snel en efficiënt optreden van de regering bij het treffen van internationale
regelingen” - een ruimere betekenis zou moeten hebben. Het gaat daarbij in wezen om een
spanningsveld tussen een rechtsorde gebaseerd op democratisch tot stand gekomen
rechtsregels en een rechtsorde die vooralsnog is gebaseerd op intergoevernementele
samenwerking die zich goeddeels aan democratische controle onttrekt. Dit laatste geldt zowel

voor de totstandkoming van de betreffende regels als voor hun toepassing.

Zich bewust van dit wat breder geformuleerde uitgangspunt heeft de Commissie haar

hiernavolgende beoordeling van het wetsvoorstel geformuleerd.

Hoofdstuk 2: Uitgangspunten van het wetsontwerp

Handhaving van het systeem van uitdrukkelijke goedkeuring bij wet resp. stilzwijgende
goedkeuring met de mogelijkheid het stilzwijgen te doorbreken wordt in de Memorie van
Toelichting gepresenteerd als een afgeleide van het door de regering geformuleerde
uitgangspunt: het doet het meeste recht aan de bestaande rechten van de Staten-Generaal
(MvT, p. 7). Ook andere onderdelen van het wetsontwerp, zoals het ogenblik van mededeling
en bekendmaking, alsmede het regiem terzake van geheime of vertrouwelijke verdragen,
moeten dan tot dit uitgangspunt herleid kunnen worden.

De Commissie plaatst daarbij de volgende kanttekeningen.
24. Omvang van de parlementaire controle

De voorgestelde regeling beperkt zich tot de fase dat de teksten van verdragen tot stand zijn
gekomen. Zij bevat geen voorzieningen voor de daaraan voorafgaande fase van
onderhandelingen en evenmin voor het stadium na verlening van de goedkeuring.

Ten aanzien van eerstgenoemde fase heeft de Commissie het volgende overwogen. Een
daadwerkelijke parlementaire invloed op het door de regering te voeren verdragsbeleid is
gebaat bij informatie over voornemens van de regering om ten aanzien van bepaalde
beleidsterreinen met daarbij betrokken tanden onderhandelingen te voeren over
verdragsregelingen. Hetzelfde geldt voor eenmaal aangevangen onderhandelingen.

De vraag doet zich voor of het zinvol en mogelijk is om in het kader van de onderhavige
wettelijke regeling terzake voorzieningen te treffen, teneinde een systematische

informatieverschaffing aan het parlement te verzekeren.

De Commissie is op dit punt verdeeld. Een deel van de leden meent dat aan een dergelijke

regeling i in ieder geval geen behoefte bestaat. Op deze informatie, zo niet reeds beschikbaar

b.v. in het kader van algemeen beleidsoverleg of begrotingsbehandeling, is ongetwijfeld het

</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>inlichtingenrecht (art. 68 Gw) van toepassing. Wettelijke voorschriften in het kader van dit
wetsvoorstel zouden daaraan niet veel kunnen toevoegen. Zij zouden zelfs ongewenst kunnen
zijn, omdat zij het risico in zich bergen afbreuk te doen aan de plicht van de regering tot
internationale samenwerking. Ten aanzien van internationale (verdrags)onderhandelingen
geldt bovendien dat de mate van openheid en informatieverschaffing mede bepaald wordt
door de betrokken onderhandelingspartner(s). Andere ieden zijn daarentegen van mening dat
de wet een informatieplicht van de regering zou moeten vastleggen; het parlement is op dit
terrein onvoldoende geëquipeerd om zijn inlichtingenrecht zinvol te kunnen uitoefenen.
Intussen zal ook deze informatieplicht uitzondering kunnen lijden, indien het belang van het

Koninkrijk zich daartegen verzet.

Op een met bovenstaande verband houdend aspect, te weten het zo spoedig mogelijk ter
kennis brengen van de Staten-Generaal van tot stand gekomen verdragen, komt de

Commissie hierna terug.

Ten aanzien van de tweede hierboven genoemde situatie, t.w. de fase na goedkeuring, acht
de Commissie het wenselijk te voorzien in een bepaling die de regering verplicht de
Staten-Generaal in te lichten indien zij zou besluiten een goedgekeurd verdrag niet of
vooralsnog niet te bekrachtigen, alsmede de redenen daarvoor aan te geven. Een plicht om
een goedgekeurd verdrag te bekrachtigen acht de Commissie in strijd met de eigen
verantwoordelijkheid van de regering. Een dergelijke plicht zou bovendien ongewenst zijn
gezien de mogelijkheid dat zich (na goedkeuring) ontwikkelingen voordoen, die maken dat

bekrachtiging beter achterwege kan blijven.

Samenhangend met de omvang van de parlementaire controle in verband met de goedkeuring
zelf stelt de Commissie vast dat deze in verschillende vormen tot gelding kan komen.
Behalve goedkeuring of verwerping zonder meer is ook denkbaar dat het parlement de
regering op straffe van weigering van goedkeuring opdraagt om onderhandelingen over het
verdrag te heropenen (vgl. verdragen met Canada en de VS inzake Sociale Zekerheid:
Kamerstukken II, 1989/90, 21424, nr 3). Daarnaast kan de goedkeuring worden verleend
onder toevoeging van een bij bekrachtiging te maken voorbehoud (amendering van de
goedkeuringswet), dan wel een af te leggen verklaring (NB e.e.a. uiteraard voorzover i.c.
volkenrechtelijk geoorloofd). De voorgestelde regeling laat toe dat een dergelijke benadering

ook in de toekomst wordt gehanteerd.
2.2 Vorm van de goedkeuring

Uitgaande van de bewoordingen van de Grondwet (art. 91) die spreken van goedkeuring van

de Staten-Generaal (onderstreping toegevoegd) rijst de vraag of de wet nog wel langer kan

bepalen dat de goedkeuring bij wet wordt verleend, d.w.z. door regering en Staten-Generaal

gezamenlijk. Men zou kunnen menen dat die mogelijkheid, met het vervallen van art. 61

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Gw (oud), eveneens is vervallen. Daartegen pleit dat de geschiedenis van de jongste
grondwetsherziening er duidelijk op wijst dat een dergelijke consequentie niet is beoogd.

Ook als men een letterlijke interpretatie niet doorslaggevend acht, kan men nog wel de vraag
stellen, wat uit een oogpunt van parlementaire bevoegdheden de meerwaarde is van de
wetsvorm als vehikel voor de goedkeuring. Ook een bij wet verleende goedkeuring tast de
beleidsvrijheid van de regering om het betrokken verdrag al dan niet te bekrachtigen niet
aan. Uit dat oogpunt is goedkeuring in de vorm van een motie of besluit van de

Staten-Generaal niet minder geldig.

Het onderscheid tussen goedkeuring bij wet dan wel stilzwijgend houdt primair, zo niet
uitsluitend, verband met de wens een gedachtenwisseling tussen regering en parlement over
het verdrag mogelijk te maken. Ook die overweging dwingt niet tot een keuze voor de
-wetsvorm, Overigens zou afschaffing van de vorm van goedkeuring bij wet er niet toe
mogen leiden dat alleen de mogelijkheid van stilzwijgende goedkeuring zou overblijven. Het
feit dat (ook voor de burger) belangrijke regelingen in toenemende mate tot stand worden
gebracht langs de weg van verdragen (en besluiten van internationale organisaties) brengt
mee dat in die gevallen uitdrukkelijke goedkeuring is vereist. Een dergelijke
gedachtenwisseling zou niet afhankelijk mogen zijn van doorbreking van het stilzwijgen
door het Parlement.

Ook als men aanneemt dat de goedkeuringswet zich formeel niet onderscheidt van de
gewone wet, en dat m.a.w. het recht van initiatief en amendement daarop van toepassing is,
dan onderstreept dat veeleer het oneigenlijk karakter van de goedkeuringswet. De
goedkeuring (bij wet) is immers niet meer dan een machtiging aan de regering om een
verdragsbinding aan te gaan, Tenslotte kan tegen de wetsvorm als bezwaar worden
aangevoerd dat deze tot verwarring kan leiden, met name als zou de wet dienen tot
transformatie van het internationale in het nationale recht, en als zou de latere wet de
eerdere (goedkeurings)wet opzij zetten. Voor de doorwerking van het volkenrecht in de
rechtsorde van het Koninkrijk is de wetsvorm bij de goedkeuring op z'n best zonder

betekenis, en mogelijk misleidend,

De Commissie wijst er overigens wel op dat indien gekozen zou worden voor een andere dan
de wetsvorm wijziging van de Reglementen van Orde van beide Kamers der Staten-Generaal
en van de Wet op de Raad van State noodzakelijk is. Ook zouden nadere regelingen moeten

worden getroffen voor de betrokkenheid van de buiten Europa gelegen rijksdelen.
2.3 Mededeling en Bekendmaking

Het wetsvoorstel kent niet een algemene mededelingsplicht met betrekking tot verdragen,
zoals die bestond krachtens art. 60.2 Gw (oud). Verdragen worden onder het beoogde regiem
ofwel "zo spoedig mogelijk” ter goedkeuring voorgelegd, ofwel voorzover ze geen

goedkeuring behoeven "zo spoedig mogelijk” ter kennis gebracht.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Wel worden als regel verdragen waarvan het wenselijk wordt geacht dat het Koninkrijk
partij wordt (in elk geval de door Nederland ondertekende verdragen) in het Tractatenblad
gepubliceerd. Overigens zou overwogen kunnen worden voor te schrijven dat deze publikatie
binnen een bepaalde termijn moet geschieden. Daarnaast beschikt het parlement over het
Jaarlijkse overzicht dat de regering geeft van alle verdragen waarbij partij worden van het
Koninkrijk tot de reële mogelijkheden behoort, maar die nog niet bij het parlement ter
goedkeuring zijn ingediend, met opgave van faktoren die van belang zijn.

Uitdrukkelijke en vroegtijdige mededeling aan het parlement van de vastgestelde tekst van

een verdrag zou echter nuttig kunnen zijn met het oog op door het parlement te verrichten

voorbereiding van de goedkeuring. Te denken valt aan het horen van belangengroepen en/of

het nemen van een initiatief strekkend tot goedkeuring.

Door middel van een vroegtijdige informatie als wettelijke plicht zou de zeggenschap van
het parlement t.a.v. het verdragsbeleid kunnen worden vergroot. De Commissie stelt
concluderend voor in de wet een bepaling op te nemen inhoudende dat álle verdragen met
andere staten of met internationale organisaties zo spoedig mogelijk na vaststelling van de
verdragstekst aan de Staten-Generaal dienen te worden medegedeeld, met uitzondering van
die verdragen, ten aanzien waarvan het belang van het Koninkrijk zich tegen mededeling
verzet. Het moment van vaststelling van een verdragstekst is dat voorzien in artikel 9 jo 24,
lid 4 van het Verdrag inzake het verdragenrecht (Wenen, 1969). De Commissie gaat er
daarbij vanuit dat die mededeling geschiedt in de vorm van nederlegging ter Griffie,
Eventuele publikatie van dergelijke teksten, voorafgaande aan publikatie in het

Tractatenblad, geschiedt onder verantwoordelijkheid van de Kamer.
2.4, Geheime of vertrouwelijke verdragen

Het wetsvoorstel geeft een uitdrukkelijke regeling t.a.v. goedkeuring en bekendmaking van
geheime of vertrouwelijke verdragen. Het is evident dat ten aanzien van deze verdragen de
zeggenschap van het parlement beperkt is. In beginsel wordt het parlement wei
(vertrouwelijk) op de hoogte gebracht van een zodanig verdrag. De bemoeienis met het
verdrag is in die gevallen echter beperkt tot geheim overleg tussen regering en parlement.
Een deel van de Commissie heeft ernstige bezwaren tegen de voorgestelde regeling. De
desbetreffende leden wijzen er op, dat in verscheidene Westerse democratieën, waaronder
België en Luxemburg, door de (grond)wet vergaande beperkingen zijn aangebracht op de
bevoegdheid van de regering om geheime verdragen te sluiten. Deze leden bepleiten met
name dat geheime verdragen zonder uitzondering (geheim) worden medegedeeld, b.v. aan de
vaste Commissie voor buitenlandse zaken of aan een of meer leden daarvan, dan wel op een
andere wijze analoog aan de procedure bij inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Een ander
deel van de Commissie heeft bezwaar tegen een onbeperkte mededelingsplicht, omdat het de
regering in het algemeen niet vrijstaat te "beschikken" over het geheime karakter van

verdragen; dat wordt immers mede bepaald door de opvatting van de betrokken

</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2

ten,

verdragspartners. Bovendien roept de voorgestelde constructie van een “select committee" de
vraag op van haar legitimatie, welke bevoegdheden heeft zij en namens wie oefent zij deze
uit?

Ten aanzien van een ander onderdeel van de voorgestelde regeling bestaat binnen de
Commissie grotere eenstemmigheid. Met uitzondering van één lid bepleit zij schrapping van
het zinsdeel in artikel 9, lid 2 (tenzij …) dat het mogelijk maakt een geheim of
vertrouwelijk verdrag aan te gaan dat niet voorziet in een mogelijkheid tot beëindiging op
een redelijke termijn. Deze mogelijkheid lijkt bovendien in strijd met het bepaalde in
artikel 10 van het wetsvoorstel.

In verband met de problematiek van de geheime verdragen achten enkele leden artikel 102
van het VN-Handvest en artikel 80 van het Verdrag inzake het verdragenrecht relevant, die
voorschrijven dat verdragen zo spoedig mogelijk bij het VN-Secretariaat ter publikatie
moeten worden geregistreerd. Daartegen is de opvatting naar voren gebracht dat deze
bepalingen geen absolute norm vormen; artikel 102 van het VN-Handvest houdt slechts in

dat niet-geregistreerde verdragen niet voor VN-organen mogen worden ingeroepen.

Hoofdstuk 3: Enkele onderdelen van het wetsontwerp

In het vorige hoofdstuk zijn reeds enkele onderdelen van het wetsontwerp belicht vanuit het
achterliggend uitgangspunt van een evenwicht tussen democratische controle en effectief
optreden, De hiernavolgende aspecten zijn uiteraard evenzeer in dat perspectief te bezien.
Een afzonderlijke behandeling is echter gerechtvaardigd omdat zij ook andere vragen

oproepen.
3.1 Termijn van de stilzwijgende goedkeuring

Van het totaal der aan het goedkeuringsvereiste onderworpen verdragen wordt ca. 75%
voorgelegd ter stilzwijgende goedkeuring. Het betreft verdragen waarbij geen
uitvoeringswetgeving noodzakelijk is en ten aanzien waarvan naar de inschatting van de
regering een gedachtenwisseling ook door de Kamers niet noodzakelijk wordt geacht,

In beginsel moet een termijn van 30 dagen toereikend worden geacht om vast te stellen of
inderdaad de Kamers geen behoefte hebben aan een dergelijke gedachtenwisseling. Dat zou
anders kunnen zijn, wanneer men in de overwegingen betrekt dat het Parlement
groeperingen die zich door de verdragsregeling geraakt voelen, in de gelegenheid zou willen
stellen hun opvattingen ter kennis te brengen. De voorgeschreven termijn van 30 dagen zou
in dat geval kunnen meebrengen dat hun eventuele opmerkingen als mosterd na de maalti jd
komen. Denkbaar is hierin te voorzien door de mogelijkheid deze termijn in voorkomend

geval op verzoek van een of beide kamers met eenzelfde periode te verlengen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>i, ar c : welt deld 0
B EA A Eid a
n . a a 1 2 Ed per
3.2 Het kwalificatievraagstuk ojee

In een aantal artikelen van het wetsontwerp komt een bepaling ‘voor op grond waarvan een
beoordeling van een bepaalde situatie dient plaats te vinden. Met uitzondering van twee
gevallen is daarbij niet uitdrukkelijk aangegeven hoe ‘dit in de verhouding
regering-parlement moet worden ingevuld. M.b.t. artikel 1, lid 1 is, expliciet aangegeven dat
(in eerste instantie) de regering de wenselijkheid beoordeelt om ten\aanzien van verdragen
gebonden te zijn. Dit acht de Commissie - mede gezien het feit dat(het primaat van het
voeren van het buitenlands beleid in de Nederlandse staatkundige verhoudingen bij de
regering ligt - aanvaardbaar.In artikel 13, lid 3 is voorzien dat de Regering ten aanzien van
voorlopig toe te passen bepalingen een oordeel velt over het eenieder bindende karakter

daarvan. Op dit punt komt de Commissie terug onder 3.3.

In dit opzicht kunnen zich echter problemen voordoen bij de toepassing van de artikelen 5
en 6 van het wetsontwerp waarbij onder meer een beoordeling dient plaats te vinden of een
verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet. Het zal ook hier in eerste
instantie de regering zijn die deze afweging maakt waarna het parlement het laatste woord
heeft. In geval een verdrag ter parlementaire goedkeuring voorligt heeft een verschillend
oordeel tussen regering en parlement hieromtrent uiteindelijk alleen gevolgen voor de te
volgen procedure: dat wil zeggen doorbreking van het stilzwijgen en/of goedkeuring met
twee derde meerderheid der stemmen. Anders ligt dit indien de regering op grond van
artikel 6 meende dat parlementaire goedkeuring niet vereist was terwijl het parlement

achteraf een ander oordeel heeft omtrent de daarin genoemde uitzonderingsgronden (de

afwijking van de Grondwet daaronder begrepen). In dat geval kan het verdrag reeds —

bindende kracht hebben en is het parlement niet bij de binding betrokken geweest, In het

geval van artikel 6 is geen vormvoorschrift gegeven, zulks in tegenstelling tot artikel 5 van

het wetsontwerp waarbij de uitdrukkelijke goedkeuring in de vorm van een wet geschiedt.

De consequenties van eea. zullen, bij ontbreken van specifieke voorzieningen, bepaald

worden door de algemeen staatkundige verhouding tussen regering en parlement. Geeft de

regering gevolg aan het oordeel van het parlement, dan zal zij - indien mogelijk - het

verdrag opzeggen, Kan of wil zij dat niet, dan is er sprake van een juridische, en/of
mannen BENN

|
|
|
I
i

politieke impasse (tenzij uiteraard het parlement alsnog goedkeuring verleent, in geval van

afwijking van de Grondwet met twee derde meerderheid).

De Commissie wijst er tenslotte op dat deze kwalificatieproblemen zich naast de hierboven
genoemde artikelen ook in artikel 8, artikel 11 lid 3 en artikel 13 van het wetsontwerp
voordoen, Een bijzonder geval doet zich voor met betrekking tot het oordeel of een verdrag
de Nederlandse Antillen en/of Aruba “raakt”. Is het hier bedoelde oordeel dat van de

regering, of dat van de Koninkrijksregering?

</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>angan

3.3 Foorlopige toe passing

Op grond van artikel 13 van het wetsontwerp is voorlopige toepassing in beginsel mogelijk
van een verdrag dat reeds door het parlement is goedgekeurd (hangende de inwerkingtreding
daarvan), of van een verdrag dat nog niet is goedgekeurd dan wel op grond van artikel 6
van het wetsontwerp naar het oordeel van de regering niet behoeft te worden goedgekeurd.
In dat laatste geval kan de regering echter ook direct een binding aangaan. Voorlopige
toepassing zal dan kunnen geschieden bv. op verzoek van de verdragspartijen of hangende
de vraag of een van de uitzonderingsgronden genoemd in artikel 6 van het wetsontwerp van
toepassing is.

Voorlopige toepassing is op grond van artikel 13 niet geoorloofd indien sprake is van
bepalingen welke afwijken van de Grondwet dan wel (bij een goedkeuring behoevend

verdrag) afwijken van de wet. De Commissie wijst erop dat artikel 25 van het

Verdragenrechtverdrag geen ander criterium kent dan overeenstemming tussen partijen. De

voorgestelde regeling bevat daarentegen beperkingen ten aanzien van voorlopige toepassing
die niet eenvoudig te hanteren zijn. De Commissie stelt vast dat de bij de voorlopige
toepassing te geven beoordeling omtrent de rechtstreekse werking van bepalingen van een
verdrag bij de regering is gelegd. Dat is op z’n minst merkwaardig, aangezien dit oordeel

uiteindelijk bij de onafhankelijke rechter berust.

De Commissie is van oordeel dat aan bovengenoemde bezwaren voor een groot deel tegemoet
gekomen kan worden door uitsluitend verdragsbepalingen welke van de Grondwet af wijken,

van de mogelijkheid deze voorlopig toe te passen uit te zonderen. Anders gezegd, lid 2 van

Artikel 13 zou kunnen vervallen. Ook lid 3 van dat artikel zou moeten worden geschrapt.

Behalve kwestieus i.v.m. de bij de regering gelegde beoordeling van een eventuele
rechtstreekse werking lijkt het overbodig in het licht van artikel 93 Grondwet.

Bij wijze van redactionele kanttekening t.a.v. art. 13 van het wetsvoorstel diene dat het
voorstel spreekt over voorlopige toepassing van "een verdrag” terwijl het in de praktijk

meestal gaat om de voorlopige toepassing van enkele bepalingen van een verdrag.

34 _ Besluiten van internationale organisaties

De regering stelt zich op het standpunt dat met verdragen gelijk gesteld worden besluiten
van internationale organisaties die voor hun verbindend worden nog een nadere
rechtshandeling - t‚w. aanvaarding van het besluit door de verdragspartijen - vereisen, Deze
besluiten behoeven, tenzij één der uitzonderingsgronden van toepassing is, parlementaire

goedkeuring (Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel (p. 13)).

Daarnaast is er een categorie besluiten van internationale organisaties die zonder meer
bindend zijn voor de Lid-Staten en waarvoor geen nadere rechtshandeling (en dus evenmin

parlementaire goedkeuring) noodzakelijk is, doch waarbij - voor zover het gaat om

- 10 -

</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>bepalingen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden - volstaan kan worden met
bekendmaking (art. 93 Gw). Bij deze laatste categorie kan het bijv. gaan om
intern-huishoudelijke besluiten van zo'n internationale organisatie (bijv. vaststelling van het
budget) dan wel om ‘wetgevende’ besluiten van de organisatie waartoe de Lid-Staten in het
verleden machtiging hebben gegeven: bijv. besluiten van de Veiligheidsraad van de VN of
EEG-richtlijnen. In voorkomend geval behoeven dergelijke besluiten nadere

uitvoeringswetgeving.

De Commissie heeft geconstateerd dat ter zake van eerstgenoemde besluiten de Grondwet -
met uitzondering van de regels omtrent bekendmaking - geen dwingende
procedurevoorschriften aangeeft.

Hoewel uit een oogpunt van duidelijkheid bepleit kan worden dat dergelijke besluiten
uitdrukkelijk onder de werking van de wet worden gebracht, stemt de Commissie in met de
benadering waarbij het bereik van de wet nader wordt omschreven in de Memorie van
Toelichting. Tegen een uitdrukkelijke wettelijke scope-bepaling lijkt te pleiten dat

dergelijke besluiten in een belangrijk opzicht verschillen van verdragen.

In een aantal gevallen kan het Koninkrijk nl. gebonden zijn, wanneer het gaat om een
besluit dat in werking treedt voor allen nadat het door een gekwalificeerd aantal Staten door
middel van een nadere rechtshandeling is aanvaard.

Bij die categorie besluiten is zelfs een eventuele verwerping door het Parlement van een
goedkeuringswetsontwerp zonder rechtsgevolg, zodra het voor binding benodigde aantal

staten van zijn instemming om gebonden te worden heeft doen blijken.
3.5. Positie van de Nederlandse Antillen en Aruba

M.b.t. de Nederlandse Antillen en Aruba stelt de Commissie vast dat de positie van die

landen ongelijkwaardig is aan die van het deel van het Koninkrijk in Europa. Zo heeft het

Nederlandse Parlement de mogelijkheid om het stilzwijgen te doorbreken; de Staten van de
Nederlandse Antillen en Aruba hebben daartoe geen zelfstandige bevoegdheid. Dit kiemt
temeer als het gaat om zaken die hen raken dan wel van toepassing zijn op die gebiedsdelen
(ook met betrekking tot dit laatste aspect komt hen geen eigen ‘decision making power’
toe). De Commissie heeft in dit verband kennis genomen van het voornemen van de regering
tot een herstructurering van het Koninkrijksstatuut. De Commissie dringt erbij de regering
op aan om de gelijkwaardigheid van de rijksdelen tot uitdrukking te laten komen in een
regeling van bovengenoemde aspecten. De Staten van Aruba en van de Nederlandse Antillen
zouden ter zake van verdragen die hen raken of op die gebiedsdelen van toepassing zijn een
eigen bevoegdheid moeten kunnen uitoefenen, met inbegrip van de besluitvorming over de
vraag of een verdrag hen “raakt” in de zin van deze (ontwerp)wet, alsook over de vraag of

een verdrag mede of alleen op hun gebied van toepassing dient te zijn.

- li -

</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>