<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Commentaar inzake preadvies "Peaceful Settlement
of Disputes" van Francisco Orrego Vicuña en
Christopher Pinto
Redacteur(en):
A. van Woudenberg
Den Haag
23 december 1998
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>      Inhoudsopgave                                                        Pagina
1     Ter inleiding                                                             3
2     Algemene opmerkingen ten aanzien van het preadvies                        4
3     Structuur van het preadvies                                               5
4     Commentaar van meer algemene aard ten aanzien van de diverse secties      6
4.1   Sectie I                                                                  6
4.2   Sectie II                                                                 6
4.3   Sectie III                                                                7
4.3.1 Sectie III.1 7
4.3.2 Sectie III.3 8
4.3.3 Sectie III.4 9
4.3.4 Sectie III.5 10
4.3.5 Sectie III.6 10
4.3.6 Sectie III.7 11
4.4   Sectie IV                                                                12
4.5   Sectie V                                                                 12
4.5.1 Sectie V.1 13
4.5.2 Sectie V.2 13
4.5.3 Sectie V.3 13
4.6   Sectie VI                                                                13
4.6.1 Sectie VI.1 14
4.6.2 Sectie VI.2 14
4.6.3 Sectie VI.4 14
4.6.4 Sectie VI.5 14
4.7   Sectie VII                                                               15
4.7.1 Sectie VII.1                                                             15
4.7.2 Sectie VII.3                                                             15
4.7.3 Sectie VII.5                                                             15
4.7.4 Sectie VII.6                                                             15
      ANNEX 1: Technisch commentaar ten aanzien van de diverse secties         16
      ANNEX 2: Samenstelling van de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken                                           17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>  Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
1 Ter inleiding
  Door de Regering van het Koninkrijk en de Regering van de Russische Federatie
  zijn plannen ontwikkeld om te komen tot een herdenking van het feit dat het in
  1999 honderd jaar geleden zal zijn dat de Eerste Haagse Vredesconferentie plaats
  vond. Deze plannen houden in dat medio mei en medio juni 1999 in Den Haag en
  St. Petersburg seminars zullen plaatsvinden over de drie Haagse thema's te weten:
  -     vreedzame beslechting van internationale geschillen;
  -     humanitair oorlogsrecht;
  -     ontwapeningskwesties.
  Met betrekking tot deze thema's zijn inmiddels preadviezen geschreven door
  Francisco Orrego Vicuña en Christopher Pinto (de vreedzame beslechting van
  internationale geschillen), Christopher Greenwood (het humanitair oorlogsrecht)
  en Hans Blix (ontwapeningskwesties). In deze preadviezen zijn de ontwikkelingen
  op de betreffende gebieden van het volkenrecht geanalyseerd en eventuele lacunes
  en mogelijke stappen geïdentificeerd. Op de seminars in Den Haag en St.
  Petersburg zullen aan de hand van deze preadviezen discussies plaatsvinden.
  Voorafgaand aan deze seminars worden de preadviezen besproken in regionale
  discussies. In januari 1999 zullen de discussies worden afgerond en de rapporten
  worden herzien, waarbij de uitkomsten van deze regionale discussies door de
  preadviseurs worden verwerkt in de rapporten zoals die tijdens de
  herdenkingsbijeenkomsten in 1999 zullen worden besproken.
  De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 2 november 1998
  (kenmerk DJZ/IR-454/98) aan de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke
  Vraagstukken (CAVV) verzocht hem ten aanzien van deze preadviezen van advies
  te dienen, ten behoeve van een Nederlandse inbreng in deze discussies.
  Het u voorliggende commentaar van de CAVV betreft het preadvies van Francisco
  Orrego Vicuña en Christopher Pinto, getiteld "The Peaceful Settlement of
  Disputes: Prospects for the Twenty-First Century". Dit is als volgt opgebouwd:
  - in hoofdstuk 2 worden algemene opmerkingen gemaakt ten aanzien van het
  preadvies als zodanig;
  - hoofdstuk 3 betreft de structuur van het preadvies;
  - in hoofdstuk 4 wordt per sectie commentaar gegeven van meer algemene aard;
  - een annex bij het rapport betreft de meer technische opmerkingen ten aanzien
  van de diverse secties van het preadvies.
  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
  De CAVV wenst uitdrukkelijk op te merken, dat daar waar door de CAVV in het
  onderhavige commentaar niet wordt ingegaan op bepaalde onderdelen van het
  preadvies, dit niet betekent dat zij de in die onderdelen uitgesproken opvattingen
  tot de hare maakt.
2 Algemene opmerkingen ten aanzien van het preadvies
  De CAVV hecht eraan op te merken dat in het preadvies een zeer belangrijke
  materie aan de orde wordt gesteld en acht het noodzakelijk dat ten aanzien hiervan
  in brede kring discussie wordt gevoerd.
  Ondanks haar waardering van het door de preadviseurs verrichte werk, kan de
  Commissie niet verhelen dat ten aanzien van dit preadvies bij haar een gevoel van
  teleurstelling de boventoon voert. De redenen hiervan worden hier onder uiteen
  gezet.
  De Commissie is van oordeel dat het preadvies onvoldoende analyse bevat van de
  bestaande structuur van de internationale rechtsorde in het algemeen en van de
  internationale geschillenbeslechting in het bijzonder; knelpunten en lacunes
  worden door de preadviseurs veelal niet of nauwelijks onderzocht. Hierdoor heeft
  het preadvies naar de visie van de Commissie op belangrijke onderdelen te weinig
  diepgang. Tevens worden geformuleerde voorstellen niet gebaseerd op hun
  empirische noodzaak (en dus gedeeltelijk ook haalbaarheid). Daarnaast is de
  Commissie van mening dat het preadvies teveel op een inventarisatie van in het
  verleden geformuleerde voorstellen is gestoeld, evenwel zonder dat een toetsing
  op hun effectiviteit heeft plaatsgevonden.
  De preadviseurs lijken teleurgesteld te zijn over de feitelijke rol van arbitrage en
  van het Internationaal Gerechtshof in de twintigste eeuw en breken een lans ten
  voordele van conciliatie en een nieuwe rol voor het Internationaal Gerechtshof.
  Deze gedachtegangen vinden naar het oordeel van de Commissie evenwel
  onvoldoende basis in de uitvoerende statenpraktijk, ondanks bestaande
  verdragsbepalingen terzake van conciliatie, of staan haaks op de zowel binnen het
  Hof als in de doctrine gehuldigde opvattingen over de rol die het Hof als "principal
  judicial organ of the United Nations" vervult. Dit geldt met name ten aanzien van
  de bijdrage van het Hof aan de interpretatie en toepassing van de "basic principles
  of international law".
  De Commissie is er zich van bewust dat in een preadvies dat als titel ook vermeldt
  "Prospects for the Twenty-First Century" uiteraard voorstellen worden
  4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
  geformuleerd voor de middellange en lange termijn, maar het debat over hun
  wenselijkheid, noodzaak en haalbaarheid kan alleen maar vruchtbaar en met enige
  kans op slagen worden gevoerd als de premissen waarop de voorstellen berusten
  niet of nauwelijks voor discussie vatbaar zijn en dus gedragen worden door een
  ruime consensus binnen de groep van betrokken actoren.
3 Structuur van het preadvies
  De Commissie heeft de indruk dat het preadvies in feite bestaat uit twee
  afzonderlijke rapporten, die respectievelijk handelen over de verhouding tussen de
  Veiligheidsraad en het Hof en over de herstructurering van het systeem van
  vreedzame geschillenbeslechting.
  In verband met de volgorde van de secties stelt de Commissie voor:
  - sectie V te integreren in sectie III;
  - onderdeel VII.3 te betrekken in sectie III en
  - sectie IV te plaatsen tussen Sectie II en III.
  Ten aanzien van sectie I doet de Commissie de suggestie om de paragrafen 95 tot
  en met 101 opnieuw in te delen, en wel naar vormen van geschillenbeslechting, en
  deze paragrafen niet de functie van restcategorie te geven.
  Het gedeelte over de WTO (sectie VI, paragrafen 213 tot en met 216) hoort
  volgens de Commissie thuis in de bij voorkeur nieuw in te lassen Sectie II.2 (c)
  betreffende quasi-judicial settlement.
  Met betrekking tot sectie VI is de Commissie ten aanzien van de structuur van het
  preadvies van mening dat deze sectie te los staat van de overige onderdelen van
  het preadvies.
  Tenslotte horen de beschouwingen vervat in sectie VII.4 volgens de Commissie
  wellicht eerder thuis in sectie II van het algemeen deel van het preadvies.
  5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4   Commentaar van meer algemene aard ten aanzien van de diverse
    secties
4.1 Sectie I
    Deze sectie schetst het algemene kader van de analyse die daarop naar het oordeel
    van de Commissie had moeten volgen. De Commissie merkt op dat de
    preadviseurs een aantal belangrijke elementen niet vermelden, die echter
    onbetwistbaar van invloed zijn op de ontwikkeling van de internationale
    rechtsorde en dus ook van de internationale geschillenbeslechting, zoals
    globalisering, het einde van de Koude Oorlog en de Noord-Zuid-problematiek.
    Deze punten zouden het beste opgenomen kunnen worden in sectie I.2.
    Er wordt in het preadvies uitgegaan van een niet gangbaar gebruik van het begrip
    "gedecentraliseerde rechtsorde". In casu lijkt er sprake te zijn van het ontstaan en
    ontwikkelen van specifieke vormen van geschillenbeslechting, hetgeen veeleer als
    functionele pluriformiteit dan als decentralisatie dient te worden beschouwd. De
    term "decentralisatie" zou eerder in verband dienen te worden gebracht met de rol
    en invloed van "non-state actors" in de internationale gemeenschap.
4.2 Sectie II
    In Sectie II.2(b) presenteren de preadviseurs conciliatie als een van de beste
    methoden van geschillenbeslechting terwijl een feitelijke basis hiervoor evenwel
    ontbreekt, vooral gelet op het geringe gebruik dat in de statenpraktijk van
    conciliatie is gemaakt.
    Voor Sectie II.2 (c) zou naar het oordeel van de Commissie een paragraaf dienen
    te worden ingelast over quasi-judicial settlement. De Commissie is van mening dat
    men door een potentiële bijdrage van diverse mechanismen van "quasi-judicial
    settlement" voor een deel tegemoet kan komen aan de problemen die vreedzame
    geschillenbeslechting in de twintigste eeuw hebben gekenmerkt. Voorbeelden van
    dergelijke mechanismen zijn het WTO geschillenbeslechtingsregime, de Claims
    Compensation Commission in verband met Irak en de non-compliance procedures
    die in een aantal milieu- en ontwapeningsverdragen zijn voorzien (zoals het
    6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
      Protocol van Montreal en het Chemische Wapenverdrag).
4.3   Sectie III
      Deze sectie vormt het kernstuk van het preadvies. Daarom betreurt de Commissie
      het dat de visie op de huidige en toekomstige rol van het Hof die eraan ten
      grondslag ligt geen steun vindt in de praktijk van het Hof of in de relevante
      rechtsleer. De Commissie is van mening dat, indien Sectie III in zijn huidige vorm
      zou worden behouden, een unieke kans wordt gemist "to review the experiences
      arising from a century of efforts to achieve an adequate international dispute
      settlement system " (par. 26). Hetzelfde geldt trouwens ook voor sectie V (zie
      onder, sub 4.5).
4.3.1 Sectie III.1
      De preadviseurs stellen voor dat het Hof een nieuwe rol zou ontwikkelen met
      betrekking tot de fundamentele principes van het internationaal recht om tegemoet
      te komen aan de behoeften van een steeds meer gedecentraliseerde internationale
      gemeenschap (paragrafen 38, 103 en 108 en passim); bovendien zou het Hof zich
      moeten beperken tot grote zaken die principieel van groot belang zijn, en de
      kleinere geschillen moeten overlaten aan andere tribunalen.
      De laatste aanbeveling kan in de praktijk nauwelijks worden toegepast. Immers, op
      het moment dat een geschil aanhangig wordt gemaakt is de mate van belang soms
      nog allerminst duidelijk. Ten aanzien van de eerste suggestie van de preadviseurs
      is de Commissie van mening dat deze berust op een misvatting, gelet op het feit
      dat de praktijk van het Hof en de uitgebreide doctrine er geen twijfel over laten
      bestaan dat precies díe rol van het Hof - als het enige werkelijk universeel
      judiciële orgaan met een algemene bevoegdheid - een onmisbare factor is geweest
      bij de handhaving en ontwikkeling van de internationale rechtsorde sinds 1922 1 .
      Dezelfde misvatting van de preadviseurs ligt naar oordeel van de Commissie ook
      ten grondslag aan hun visie in verband met de proliferatie van internationale
      tribunalen (para.105).
        1
            Zie bijvoorbeeld Sir Hersch Lauterpacht, The Development of International Law by the
            International Court (Cambridge 1982).
      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4.3.2 Sectie III.3
      De Commissie wijst erop dat de praktijk van de laatste halve eeuw de redenering
      van de preadviseurs tegenspreekt en weerlegt, in verband met het toenemende
      aantal zaken voor het Hof (para.118), hun vermoeden dat contentieuze jurisdictie
      in de toekomst waarschijnlijk geen cruciale rol meer zal spelen (para.119) en dat
      de adviesbevoegdheid van het Hof het meest geeigende instrument zal worden om
      problemen in verband met de fundamentele beginselen van het internationaal recht
      te behandelen (Sectie III.4).
      De Commissie onderschrijft in dit verband overwegingen uit de toespraak van de
      President van het Hof voor de AVVN op 27 oktober 1998, waarin onder meer
      wordt gesteld 2 :
      - als belangrijkste rechterlijke orgaan van de VN vervult het Hof ook een rol bij
      het behoud van internationale vrede en veiligheid;
      - het Hof interpreteert op de meest gezagvolle wijze de juridische verplichtingen
      van Staten in een geschil;
      - het Hof is de "supreme interpreter" van het VN Handvest;
      - er zijn voldoende aanwijzingen dat Staten, sinds de 80-er jaren, meer geneigd
      zijn hun geschillen voor te leggen aan het Hof en zich aldus een "law habit" te
      verwerven.
      Met betrekking tot Sectie III.3 is de Commissie van mening dat de onzekerheid
      omtrent de stand van het internationaal recht als mogelijke verklaring voor de
        2
          Enige citaten van President Stephen M. Schwebel:
          " While not acting as a court of appeal, the International Court of Justice has acted as the
          principal judicial organ of the United Nations in more than one way.
          First of all, the Court contributes to the peaceful settlement of international disputes in
          furtherance of the first Purpose of the United Nations to bring about by peaceful means, and in
          conformity with the principles of justice and international law, adjustment or settlement of
          international disputes which might lead to a breach of peace.
          ( ... ) Thus a primary way in which the Court performs as the principal judicial organ of the
          United Nations is as a factor and actor in the maintenance of international peace and security.
          ( ... ) To turn to the second way in which the Court acts as the principal judicial organ of the
          United Nations -and of the world community as a whole- it is the most authoritative interpreter of
          the legal obligations of States in disputes between them.
          ( ... ) In the third place, the Court as the Organization's principal judicial organ has acted as the
          supreme interpreter of the United Nations Charter (...). It has been the authoritative interpreter of
          the legal obligations of States under the Charter.
          ( ... ) Finally, ( ...) the Court is the only truly universal judicial body of general jurisdiction. ( ...
          ), the Court is available to all States of the international community, on all aspects of
          international law."
      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
      beweerde aarzeling van Staten om hun geschillen aan het Hof voor te leggen niet
      per se groter is dan in de "special branches", zoals de preadviseurs suggereren
      (para.115).
      Het komt de Commissie daarnaast bevreemdend voor dat Staten, naar de mening
      van de preadviseurs, meer geneigd zouden zijn de jurisdictie van het Hof te
      aanvaarden als het om zijn rol in verband met de fundamentele beginselen van het
      internationaal recht zou gaan (para.119), terwijl het belang van dergelijke
      uitspraken voor het staatsgedrag potentieel even groot is als in een traditionele
      contentieuze procedure.
4.3.3 Sectie III.4
      In verband met deze sectie over de uitbreiding van de adviesbevoegdheid van het
      Hof is de Commisie van mening dat zowel de behoefte eraan als de
      haalbaarheidsoverwegingen een verdere bestudering wettigen van het voorstel om
      de Secretaris-Generaal van de VN machtiging te verlenen om het Hof een advies
      te vragen "on legal questions connected with the discharge of his responsibilities"
      (para.121). Hetzelfde geldt eveneens voor het voorstel om een aantal additionele
      organen van de VN en internationale organisaties een vergelijkbare mogelijheid
      tot adviesaanvragen toe te kennen (para.122).
      De Commissie wijst echter de voorstellen van de preadviseurs van de hand om die
      mogelijkheid ook te verstrekken aan NGOs (para.122): de behoefte aan een
      dergelijke innovatie acht de Commissie niet aanwezig, nu NGO's reeds op een
      indirecte, maar effectieve manier bij adviesprocedures en contentieuze procedures
      voor het Hof betrokken kunnen worden 3 . Daarnaast moeten de kansen op een
      realisering van de door de preadviseurs gedane voorstellen als nihil worden
      ingeschat.
      In verband met het voorstel van de preadviseurs om het Hof ook proprio motu een
      advies te laten uitbrengen (para.122) wijst de Commissie er op dat zelfs in een ver
      gevorderde vorm van regionale integratie, zoals die van de Europese Unie, een
      dergelijke bevoegdheid niet bestaat. Reeds uit dien hoofde onderschrijft de
      Commissie de gedane suggestie niet.
        3
           De Franse kernproeven-zaak en de adviesaanvraag inzake kernwapens kunnen hier als
           voorbeelden worden genoemd.
      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
      De Commissie wijst op de mogelijkheid van de AVVN om in het kader van artikel
      96 Handvest een adviesaanvraag in te dienen bij het Hof. Of Staten, individueel of
      in samenspraak, een advies aan het Hof zouden moeten kunnen vragen (zoals de
      preadviseurs vermelden in para.123) zou nadere bestudering behoeven. Nochtans
      maakt de Commissie hierbij volgende kanttekeningen. Wanneer het gaat om twee
      of drie Staten kan de vraag worden gesteld of dan niet tevens de politieke wil
      aanwezig is om de kwestie via een contentieuze procedure te laten beslechten,
      aangezien de preadviseurs het ook presenteren als "an alternative to the
      submission of a contentious case ". Voor individuele Staten acht de Commissie
      deze mogelijkheid alleen te overwegen via het in paragraaf 140 vermelde voorstel
      om de hoogste nationale rechterlijke instanties van een land een "preliminary
      ruling" aan het Hof te laten vragen (zie sub. par. 4.3.6).
      De voorstellen vervat in paragrafen 124 en 126 komen naar de mening van de
      Commissie niet overeen met de recente tendenzen in de relevante praktijk. De
      eerder bestaande mogelijkheid via het UNAT (para.124) is doelbewust
      uitgeschakeld, terwijl bijvoorbeeld een gelijkaardige screening procedure
      (para.126), zoals die bestond door de Europese Commissie voor de Rechten van de
      Mens, eveneens recent werd afgeschaft.
4.3.4 Sectie III.5
      Voor wat betreft deze sectie beperkt de Commissie zich ertoe op te merken dat de
      voorstellen vermeld in paragrafen 132 en 133 ("actio popularis" en "trigger
      mechanism") als onnodig en irrealistisch moet worden bestempeld. Immers, deze
      voorstellen beantwoorden niet aan het gebruik en de behoefte van de
      rechtspraktijk.
4.3.5 Sectie III.6
      Ten aanzien van sectie III.6 diene, dat naar het oordeel van de Commissie de
      benadering van de preadviseurs niet stoelt op een toereikende en juiste analyse van
      de tekortkomingen die vreedzame geschillenregeling vertoont. De Commissie
      verwijst in dit verband vooral naar paragraaf 135. De suggestie in paragraaf 136
      om via een amendering van artikel 34 Statuut Hof de toegang tot het Hof te
      verlenen aan de nieuwe actoren in de internationale rechtsorde acht de Commissie
      niet realistisch; een discussie daarover op de Centennial Conference in 1999 zou
      eindeloos zijn en daarom niet bevorderlijk voor het algemene debat over
      vreedzame geschillenbeslechting.
      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4.3.6 Sectie III.7
      In sectie III.7 behandelen de preadviseurs de mogelijke rol van het Hof als "a
      Court of reference for international law", zowel in de richting van andere
      internationale tribunalen als voor de hoogste nationale rechterlijke instanties.
      Wat internationale tribunalen aangaat, is de Commissie van mening dat de risico's
      verbonden aan mogelijke uiteenlopende tendenzen in de internationale
      jurisprudentie voorshands niet van die aard moeten worden geacht dat een
      referentieprocedure nodig zou zijn. De Commissie verwijst terzake ook naar het
      standpunt van de President van het Hof, dat alle internationale hoven en
      rechtbanken naar verwachting respect opbrengen voor elkaars jurisprudentie 4 . Het
      argument van de preadviseurs inzake de afwezigheid van een formele judiciële
      hiërarchie (para.139) geldt niet alleen voor enigerlei vorm van beroep, maar tevens
      voor de door hen beoogde referentieprocedure.
      Wat de hoogste nationale rechterlijke instanties betreft, verwijst de Commissie in
      de eerste plaats naar de uitvoerige discussie die hierover in 1987 tijdens de
      jaarvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht is
      gevoerd op basis van de preadviezen van de huidige President van het Hof,
      S.Schwebel 5 , en voormalig Advocaat-Generaal bij het Europees Hof te
      Luxemburg, P.Verloren van Themaat 6 . De argumenten pro en contra die toen
      werden aangevoerd hebben naar het oordeel van de Commissie nog niet aan
      geldigheid ingeboet.
      De Commissie acht een verdere discussie over dit voorstel nuttig mits de volgende
      uitgangspunten hierbij in acht worden genomen
        4
           Zie toespraak van de President van het Hof, Stephen M. Schwebel, voor de AVVN, dd. 27
           oktober 1998.
        5
           Stephen M. Schwebel, "Preliminary Rulings by the International Court of Justice at the
           Instance of National Courts", mededelingen Nederlandse Vereniging voor Internationaal
           Recht, oktober 1987, pag. 1-17.
           Zie ook: Stephen M. Schwebel, "Preliminary Rulings by the International Court of Justice at
           the Instance of National Courts", 28 Virginia Journal of International Law (VJIL) 1988, pag.
           495; Shabtai Rosenne, "Preliminary Rules by the International Court of Justice at the Instance
           of National Courts; A Reply", 29 VJIL 1989, pag. 401; S.M. Schwebel, Justice in International
           Law - Selected Writings of Judge Stephen M. Schwebel pag. 19 n.5, pag. 68 n.127, pag. 84-92
           (Cambridge 1994).
        6
           "Preliminary Rulings by the International Court of Justice at the Request of National Courts:
           Lessons from the EEC-experience", mededelingen Nederlandse Vereniging voor Internationaal
           Recht, oktober 1987, pag. 53-102.
      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
    a) er is sprake van een bevoegdheid (en geen verplichting) bij de hoogste nationale
    rechterlijke instanties;
    b) het verzoek om een "ruling" dient beperkt te blijven tot een algemeen
          vraagstuk in verband met de interpretatie van verdragen, internationaal
          gewoonterecht en/of algemene beginselen van internationaal recht;
    c) vragen over de geldigheid van handelingen van internationale organisaties en
    over de verenigbaarheid van nationale regelgeving met het internationaal recht
    dienen te worden uitgesloten.
    De Commissie merkt overigens op dat het Staten ook nu al vrij staat in een
    verdragsbepaling op te nemen dat de hoogste nationale rechterlijke instanties van
    de verdragspartijen aan het Hof een "preliminary ruling" kunnen vragen over de
    interpretatie van het verdrag 7 .
4.4 Sectie IV
    Naar het oordeel van de Commissie zou sectie IV wellicht geheel een
    herbewerking moeten ondergaan, opdat een verantwoorder wetenschappelijk
    niveau wordt bereikt en een aansluiting wordt bewerkstelligd bij actuele
    discussies, zoals over de Veiligheidsraad (samenstelling, werking, grenzen aan het
    optreden van de Veiligheidsraad etc ).
4.5 Sectie V
    De Commissie merkt volledigheidshalve op dat de hier voorliggende tekst van het
    preadvies reeds eerder werd gepubliceerd door één van de preadviseurs, en wel bij
    gelegenheid van het vijftigste jaar van het Internationaal Gerechtshof 8 .
    Naar het oordeel van de Commissie ontbeert sectie V een evenwichtige
    beoordeling van argumenten pro en contra ten aanzien van bepaalde door de
    preadviseurs geformuleerde voorstellen. Bovendien wordt het Hof vergeleken met
    andere organen, zoals de International Law Commission, of met andere,
    internationale of regionale tribunalen, terwijl samenstelling, opdracht, jurisdictie
    en werkwijze telkens zo verschillend zijn, dat vergelijkingen uiterst behoedzaam
    dienen te worden gemaakt, zo ze al niet terecht achterwege zouden moeten blijven.
      7
              L. Caflisch, ibidem, pag. 39.
      8
              Zie bijdrage M.C.W. Pinto,"The Court and Other International Tribunals" in Connie Peck
              & Roy S. Lee, Increasing the effectiveness of the International Court of Justice, Martinus
              Nijhoff Publishers 1997, pag. 281 e.v. (m n. pag. 296-309).
    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4.5.1 Sectie V.1
      De Commissie beschouwt de behandeling van het probleem van een
      legaliteitscontrole door het Hof als nuttig. Wel zij opgemerkt dat de discussie
      hieromtrent 9 een speculatief element zal behouden tot de uitspraak ten gronde in
      de Lockerbie-zaak.
4.5.2 Sectie V.2
      De argumenten die de preadviseurs aanvoeren om de omvang van het Hof uit te
      breiden overtuigen de Commissie niet. Daarbij leven binnen het Hof, in de
      staatspraktijk en de rechtsleer geen verlangens terzake. Het voorstel heeft derhalve
      geen haalbaarheidskansen.
4.5.3 Sectie V.3
      Dat de preadviseurs aandringen op voldoende financiële middelen voor het Hof
      wordt door de Commissie ten volle ondersteund en is in overeenstemming met de
      wensen die de President van het Hof in oktober 1998 aan de AVVN kenbaar heeft
      gemaakt 10 . Het voorstel om referendarissen aan te stellen om de rechters bij te
      staan vindt de Commissie op zich het overwegen waard, ofschoon het probleem
      van de selectieprocedure niet mag worden onderschat.
4.6    Sectie VI
      De Commissie vraagt zich af of de titel van deze sectie wel volledig genoeg is en
      vraagt zich tegelijkertijd af wat volgens de preadviseurs geprivatiseerd zou dienen
      te worden. De term Alternative Dispute Resolution (ADR) kan niet alleen in
      verschillende betekenissen worden gebruikt, maar bovendien kan de vraag worden
      gesteld of ADR wel in het kader van die door de preadviseurs voorgestane
      privatisering dient te worden gebruikt.
        9
               Reeds in de fase van de voorlopige maatregelen is verdeeldheid bij het Hof gebleken (zie
                   "order" Hof dd. 14 april 1992).
        10
               Zie voetnoot 4.
      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4.6.1 Sectie VI.1
      In deze sectie gaat in feite slechts paragraaf 188 over een "evolving approach"; de
      paragrafen 189 tot en met 191 behandelen factoren of fenomenen die een invloed
      uitoefen op de manier waarop geschillenbeslechting wordt benaderd. De keuze van
      de term "privatizing international justice" in paragraaf 192 toont volgens de
      Commissie aan dat de preadviseurs om de reeds hierboven vermelde redenen
      uitgaan van een onjuiste premisse.
4.6.2 Sectie VI.2
      Reeds hierboven (sub 2 en 4.2) heeft de Commissie opgemerkt dat de voorkeur
      van de preadviseurs voor een versterking van conciliatie als mechanisme van
      geschillenbeslechting niet gebaseerd kan worden op tendenzen in de staatspraktijk.
      In het algemeen heeft de Commissie ook de indruk dat in deze sectie onnodig de
      nadruk wordt gelegd op de haars inziens niet onderbouwde noodzaak de bestaande
      mechanismen zoveel mogelijk te institutionaliseren.
4.6.3 Sectie VI.4
      De Commissie betwijfelt of de hier gemaakte vergelijking tussen de
      tekortkomingen in geschillenbeslechting betreffende vragen van algemeen
      internationaal recht en in geschillenbeslechtingsmechanismen in gespecialiseerde
      gebieden wel gerechtvaardigd is.
4.6.4 Sectie VI.5
      Deze sectie gaat naar de mening van de Commissie voorbij aan recent onderzoek 11
      in de doctrine naar het spanningsveld tussen de traditionele
      geschillenbeslechtingsmechanismen op zich en het gebruik ervan in het kader van
      een bepaald institutioneel toezichtsregime op de naleving van
      verdragsverplichtingen, bijvoorbeeld op het gebied van het milieurecht,
      ontwapening of bescherming van de mensenrechten. Overigens voegen paragraaf
      226 en 227 niets toe aan de bestaande stucturen en systemen.
        11
               C. Chinkin, "Alternative Disputes Resolution under International Law", Remedies in
                  International Law: The institutional dilemma, M. Evans, Hart Publishing, Oxford,
                  1989, pag. 123-140.
      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>      Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
4.7    Sectie VII
      De vraag waarom er behoefte zou bestaan aan de ontwikkeling van een meer
      georganiseerde structuur van geschillenbeslechting wordt volgens de Commissie
      helaas niet gesteld, laat staan opgelost.
4.7.1 Sectie VII.1
      De Commissie verwijst ten aanzien van deze sectie naar haar in paragraaf 4.1
      gemaakte opmerkingen in verband met de visie van de preadviseurs op de nieuwe
      structuur van de internationale rechtsorde.
4.7.2 Sectie VII.3
      Gelet op het standpunt van de Commissie in verband met de toekomstige rol van
      het Hof ziet de Commissie geen aanleiding in te gaan op het voorstel van de
      preadviseurs tot het oprichten van een "pre-trial committee" bij het Hof, zoals
      weergegeven in deze sectie.
4.7.3 Sectie VII.5
      In deze sectie wordt naar de mening van de Commissie opnieuw een verkeerde
      voorstelling gegeven van de manier waarop judicial settlement functioneert (" the
      likelihood of a narrow angle of vision" vermeld in paragrafen 241 en 244).
4.7.4 Sectie VII.6
      Met betrekking tot sectie VII.6 verwijst de Commissie naar haar standpunt inzake
      de door de preadviseurs voorgestane versterking van conciliatie als mechanisme
      voor de vreedzame regeling van geschillen (zie boven, par. 4.2).
      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
             ANNEX 1: Technisch commentaar ten aanzien van de
            diverse secties
Sectie I
Paragraaf 35:
Paragraaf 94:
De Commissie heeft moeite met de zin die begint in de zevende regel van deze
paragraaf (This would be particularly true ....... ). "economically backward" zou
moeten zijn "economically developing".
Paragraaf 95:
Voor wat betreft deze paragraaf diene, dat de laatste zin van deze paragraaf op een
onjuiste plaats staat en in feite achter de eerste van de twee in deze paragraaf
genoemde categorieën zou moeten staan.
Voetnoot 64:
Ofschoon het niet de bedoeling van de Commissie is om commentaar te gaan
leveren naar aanleiding van voetnoten, moet toch worden opgemerkt dat het aldaar
genoemde Inspection Panel niet als een dispute resolution mechanism kan worden
aangemerkt.
Sectie IV
Paragraaf 148:
Hierin staat een feitelijke onjuistheid. Immers, "international friction" hoort thuis
in hoofdstuk VI van het Charter en niet in hoofdstuk VII.
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
            ANNEX 2: Samenstelling van de Commissie van
            Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
Voorzitter:
Prof dr K.C. Wellens
Leden:
Dr N.M. Blokker
Prof mr Th. C. van Boven
Prof dr T. Heukels
Mw dr E. Hey
Mw prof dr B. Kwiatkowska
Prof dr P. Malanczuk
Mr dr E.P.J. Myjer
Mw mr J.W.H.M. van Sambeek
Prof dr N.J. Schrijver
Prof dr A.H.A. Soons
Secretaris:
Mr A. van Woudenberg
====================
Den Haag, 23 december 1998
17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>