<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies inzake een definitie van het misdrijf agressie,
met een voorstudie van Adriaan Bos
Redacteur(en):
Not specified
Not specified
Not specified
22 november 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave Pagina</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Redacteur(en):
Not specified
Not specified
Not specified
14 september 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave Pagina</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1 Inleiding
  Bij brief van 28 augustus 2000 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Commissie
  van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV; de Commissie) verzocht advies
  uit te brengen over de definitie van het misdrijf agressie. De Minister heeft in zijn brief
  voorts een aantal specifieke vragen geformuleerd. Deze brief vormt bijlage I bij dit advies.
  De Commissie heeft Mr. A. Bos, voormalig Juridisch Adviseur van het Ministerie van
  Buitenlandse Zaken en voormalig voorzitter van de Voorbereidende Commissie inzake
  Oprichting van het Internationale Strafhof (PrepCom), verzocht de Commissie als extern
  deskundige bij te staan en in die hoedanigheid tevens een voorstudie ten behoeve van de
  Commissie te verrichten. Deze voorstudie "Het misdrijf van agressie naar internationaal
  recht en naar internationaal strafrecht" vormt bijlage II bij dit advies.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    Op verzoek van de Commissie heeft Prof. Mr. A.H.J. Swart , Raadsheer bij het
    Gerechtshof te Amsterdam en Bijzonder Hoogleraar in de Europese Strafrechtelijke
    Samenwerking aan de Universiteit van Amsterdam, gelet op zijn deskundigheid op het
    gebied van het strafrecht, eveneens als extern deskundige een bijdrage geleverd aan de
    beraadslagingen van de Commissie.
    De Commissie heeft in het licht van de vragen van de Minister, van de documenten van de
    PrepCom en van de door Mr. Bos in diens voorstudie geformuleerde vraagpunten het
    onderstaand advies als volgt gestructureerd:
    I            de vraag naar de juridische noodzaak en de wenselijkheid van een definitie voor
                  het misdrijf agressie
    II           preliminaire constatering
    III          het doel en de aard van de definitie
    IV           de vraag of voorbereiding van, poging tot en het aanzetten tot handelingen van
                 agressie eveneens onder de delictsomschrijving van agressie vallen.
    V            de rol van de Veiligheidsraad
    VI           de vraag van de toepasselijkheid van de algemene beginselen van strafrecht op het
                 misdrijf agressie
    VII          de vraag van eventuele strafrechtelijke aansprakelijkheid voor agressie van
                 vertegenwoordigers van niet-statelijke entiteiten
    VIII         overige punten
    IX           conclusies en aanbevelingen
1.1 De vraag naar de juridische noodzaak en de wenselijkheid van een definitie
    van het misdrijf agressie.
    Naar geldend internationaal gewoonterecht vormt ook nu reeds agressie een misdrijf. Dit
    was het uitgangspunt van de Commissie van Internationaal Recht van de Verenigde Naties
    (ILC) bij het opstellen van een ontwerp Statuut voor het Internationaal Strafhof. De
    totstandkoming van het Statuut, waarin door de Diplomatieke Conferentie in Rome het
    misdrijf agressie als één van de "most serious crimes of international concern" was
    opgenomen (artikel 1 Statuut 1 ) bevestigt dit standpunt. Op de Conferentie bestond immers
    overeenstemming dat de misdrijven die op dat moment naar internationaal gewoonterecht
    als de meest ernstige internationale misdrijven golden, voor opname in het Statuut in
    aanmerking kwamen. Het zou een stap terug zijn geweest ten opzichte van de Statuten van
    de beide Internationale Militaire Tribunalen (Neurenberg en Tokio) en ten opzichte van de
    1
      Art. 1 luidt: "An International Criminal Court ("the Court") is hereby established. It shall be a permanent
                          institution and shall have the power to exercise its jurisdiction over persons for the most
                          serious crimes of international concern, as referred to in this Statute, and shall be
                          complementary to national criminal jurisdictions. The jurisdiction and functioning of the
                          Court shall be governed by the provisions of this Statute".
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>internationale strafrechtpleging door het Tribunaal van Neurenberg, dat in zijn uitspraak
"war of aggression" en "acts of aggression" als internationaal strafbare feiten aanmerkte,
en ook ten aanzien van het thans geldende recht, indien agressie niet zou zijn inbegrepen
bij de misdrijven, waarvoor het Internationaal Strafhof bevoegd is verklaard. Daarbij zij
aangetekend dat de vonnissen van Neurenberg een onderscheid aanbrachten tussen
"aggressive war" en "agressive action". Alleen het voeren van een "aggressive war" werd
als misdrijf aangerekend.
Een ander voorbeeld is dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 1995
aanvaardde dat een feit ook strafbaar kan zijn naar gewoonterecht. 2
Ook vanuit het oogpunt van het nationale strafrecht kan een bepaalde handeling strafbaar
zijn naar gewoonterecht. Dit geldt met name in de "common law" landen, maar ook in
Nederland kan men daarvoor een voorbeeld vinden nl. de Wet Oorlogsstrafrecht 3 die naar
gewoonterecht verwijst.
De CAVV concludeert derhalve dat de opname in het Statuut van het misdrijf agressie niet
noodzakelijk is om agressie tot een internationaal misdrijf te verklaren. Het Statuut behelst
op dit punt slechts een codificatie van bestaande gewoonterechtelijke regels. In hetzelfde
licht bezien vormt de formulering van een definitie van agressie evenmin een voorwaarde
voor strafbaarheid van agressie; het Statuut zou naar gewoonterecht hebben kunnen
verwijzen. Wat precies onder agressie naar internationaal gewoonterecht moet worden
verstaan vormt dan nog wel een probleem. Zoals eerder gesteld bestond in Neurenberg
overeenstemming dat agressie moest worden opgevat als een begrip dat zo niet samenviel
met dan wel zeer dicht stond bij het beginnen van een conventionele oorlog en dat het
gebruik van geweld het belangrijkste kenmerk was. Met name om grotere duidelijkheid te
scheppen over de reikwijdte van het begrip agressie is een definitie wenselijk.
De juridische noodzaak van opstelling van een definitie vloeit voort uit artikel 5(2) van het
Statuut van het Internationaal Strafhof dat bepaalt dat "The Court shall exercise
jurisdiction over the crime of aggression once a provision is adopted in accordance with
articles 121 4 and 123 5 defining the crime and setting out the conditions under which the
Court shall exercise jurisdiction with respect to this crime……."
Naast de vraag van de juridische noodzaak speelt de politieke vraag van de wenselijkheid
van een definitie van het misdrijf agressie. Die wenselijkheid blijkt voldoende uit de
totstandkomingsgeschiedenis van het Statuut. Deze wijst immers uit dat het onvermijdelijk
2
  C.R. v. Verenigd Koninkrijk, 22 november 1995, Series A-335-C
3
  Wet Oorlogsstrafrecht, art. 8(1): "Hij die zich schuldig maakt aan schending van de wetten en gebruiken van de
                     oorlog, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of geldboete van de
                     vijfde categorie".
4
  Art. 121 (1): "After the expiry of seven years from the entry into force of this Statute, any State Party may
                     propose amendments thereto………."
5
  Art. 123(1): "Seven years after the entry into force of this Statute the Secretary-General of the United Nations
                     shall convene a Review Conference to consider any amendments to this Statute. Such review
                     may include, but is not limited to, the list of crimes contained in article 5 …….."
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    is om in het Statuut zover mogelijk in details te treden om zo het Statuut meer algemeen
    aanvaardbaar te maken.
1.2        Preliminaire constatering
    Gegeven de juridische noodzaak en politieke wenselijkheid van een definitie van het
    misdrijf agressie in het Statuut van het Internationaal Strafhof heeft de CAVV zich
    vervolgens gebogen over de vraag hoe een dergelijke definitie eruit zou moeten zien.
    Echter, daaraan voorafgaand heeft de CAVV gemeend er goed aan te doen het volgende
    caveat te maken. De Commissie is zich ervan bewust dat het proces van onderhandelingen
    tussen regeringen over een definitie naar verwachting langdurig zal zijn. Het Statuut
    voorziet er in het algemeen in dat voorstellen tot amenderingen van de tekst en het
    bijeenroepen van een Toetsingsconferentie zeven jaar na inwerkingtreding van het Statuut
    zullen plaatsvinden. Dit hoeft overigens niet uit te sluiten dat - indien eerder
    overeenstemming zou worden bereikt - dit ook binnen de termijn van zeven jaar zou
    kunnen worden geëffectueerd. Hoewel de PrepCom haar werkzaamheden m.b.t. het
    opstellen van een definitie reeds binnenkort aanvangt, mag men verwachten dat er geruime
    tijd over heen zal gaan voordat deze werkzaamheden zullen worden afgerond. Het is dan
    ook niet realistisch om zich in een vroeg stadium reeds op een zeer specifieke tekst voor
    een definitie vast te leggen. De CAVV adviseert -wat een tekst betreft- dan ook in
    algemene termen.
1.3        Het doel en de aard van de definitie
    III.1     De CAVV is verzocht te adviseren over een definitie van agressie in het Statuut
    met het oog op individuele aansprakelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de mate van
    betrokkenheid van personen in de activiteiten van de Staat, hun officiële hoedanigheid en
    de opzet waaruit gehandeld werd belangrijke elementen van de definitie zullen moeten
    uitmaken. Een definitie van agressie ten behoeve van het Internationaal Strafhof zal naar
    zijn aard geheel verschillen van een definitie van agressie ten behoeve van de organen van
    de Verenigde Naties met het oog op de instandhouding van de vrede en veiligheid.
    De CAVV stelt vast dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de politieke
    vaststelling door de Veiligheidsraad van agressie door een Staat, de volkenrechtelijke
    vaststelling door het Internationaal Gerechtshof van staatsaansprakelijkheid voor agressie
    en tenslotte de vaststelling door het Internationaal Strafhof van individuele strafrechtelijke
    aansprakelijkheid voor het misdrijf agressie. Een en ander neemt echter niet weg dat zowel
    de Veiligheidsraad als het Internationaal Gerechtshof rekening kunnen houden met een
    eenmaal ten behoeve van het Statuut van het Strafhof opgestelde definitie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>III.2      De CAVV heeft zich verdiept in het karakter van een op te stellen definitie,
m.a.w. de vraag of de definitie in algemene termen geformuleerd zou dienen te worden
dan wel een opsomming zou dienen te bevatten van handelingen die onder het misdrijf
zouden vallen. De Commissie had daarbij voor ogen de twee eerste specifieke vragen van
de Minister, nl. hoe smal of breed de definitie moet zijn en of er een opsomming van
handelingen moet komen zoals in de uit 1974 daterende Resolutie 3314 (XXIX) van de
Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). De CAVV heeft geconstateerd
dat daarbij twee uitersten zijn: enerzijds het concies geformuleerde geweldverbod in art.
2(4) van het VN Handvest dat Staten gebiedt om zich in hun internationale betrekkingen te
onthouden van het dreigen met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of
politieke onafhankelijkheid van een Staat of op enigerlei wijze in strijd met de
doelstellingen van de Verenigde Naties (VN). Het andere uiterste is de definitie van
agressie geformuleerd in de bovengenoemde AVVN Resolutie 3314 (XXIX), een definitie
die niet bedoeld was voor de vaststelling van individuele strafrechtelijke
aansprakelijkheid, maar voor de politieke vaststelling van agressie, en daarmede een
bijdrage te leveren aan het behoud en herstel van internationale vrede en veiligheid. Deze
definitie bevat naast een algemene bepaling, die de formulering van art. 2(4) van het VN-
Handvest volgt, een (overigens niet uitputtend bedoelde) opsomming van handelingen, die
geacht worden een daad van agressie te vormen. Bovendien moet men bedenken dat een
definitie die nauw zou aansluiten bij AVVN Res. 3314 (XXIX) of daarnaar zou verwijzen
niet aan zijn doel zou kunnen beantwoorden, aangezien laatstgenoemde resolutie weinig
gezag geniet o.m. wegens de vele tegengestelde interpretaties die Staten bij de aanvaarding
van deze Resolutie hebben laten vastleggen. De Commissie acht een opsomming van
handelingen, zoals in deze Resolutie het geval is, derhalve niet aangewezen. Daarbij ligt
het voor de hand, zoals eerder betoogd, de grenzen die het internationale gewoonterecht
stelt, in acht te nemen. Een minderheid van de CAVV is tevens van oordeel dat,
naarmate de delictsomschrijving nauwer is, de mogelijkheden voor de rechter, i.h.b. het
Internationaal Strafhof (maar gelet op het complementariteitsbeginsel ook de nationale
strafrechters) , om tot strafrechtelijke aansprakelijkheid te concluderen des te beperkter
zullen zijn, waarbij anderzijds niet uit het oog mag worden verloren dat mede met het oog
op het strafrechtbeginsel van nullum crimen sine lege een delictsomschrijving een grotere
mate van rechtszekerheid verzekert voor het individu dat tot naleving van het
agressieverbod gehouden is.
III.3      De CAVV heeft zich in haar beraadslagingen over de tekst van een definitie voor
een belangrijk deel georiënteerd op het Duitse voorstel gedaan in de PrepCom tijdens
diens zittingen in 1999. Dit voorstel luidt als volgt:
"1. For the purposes of the present Statute and subject to a determination by the Security
Council…….regarding the act of a State, the crime of aggression means either of the
following acts committed by an individual who is in a position of exercising control or
capable of directing the political or military action of a State:
          (a) initiating, or
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>          (b) carrying out
      an armed attack directed by a State against the territorial integrity or political
      independence of another State when this armed attack was undertaken in manifest
      contravention of the Charter of the United Nations with the object or result of
      establishing a military occupation of, or annexing, the territory of such other State or
      part thereof by armed forces of the attacking State.
1. Where an attack under paragraph 1 has been committed , the
          (a) planning,
          (b) preparing, or
          (c) ordering
      thereof by an individual who is in a position of exercising control or capable of
      directing the political or military action of a State shall also constitute a crime of
      aggression." 6
De Commissie meent dat dit voorstel een goed uitgangspunt biedt voor het optreden van
de Nederlandse delegatie naar de PrepCom. Het voorstel vormt naar het oordeel van de
Commissie een goed voorbeeld van een algemene definitie. De CAVV plaatst wel een
kritische kanttekening bij het voorstel. Naar het oordeel van de Commissie verdient het
overigens de voorkeur om het laatste zinsdeel van het eerste lid, nl. "…with the object or
result of establishing a military occupation of, or annexing, the territory of such other
State or part thereof by armed forces of the attacking State" te schrappen. Deze toevoeging
vormt een aanzienlijke inperking van de reikwijdte van een definitie. Handhaving ervan
zou betekenen dat bijv. een nucleaire aanval dan wel een conventionele raketaanval zonder
grensoverschrijdende inzet van grondtroepen met het oogmerk van destabilisering van de
politieke situatie in een andere (aangrenzende) Staat niet onder de definitie zouden vallen.
Een voorbeeld van een militaire actie die in retrospect niet onder agressie zou vallen,
indien het Duitse voorstel volledig wordt gevolgd, zou zijn de Japanse aanval op Pearl
Harbour, die niet gericht was op bezetting of annexatie van het grondgebied van de VS,
maar waarvan het agressieve karakter toch evident is. De CAVV is van oordeel dat ook
minder vérgaande dan wel andere vormen van gebruik van geweld dan daadwerkelijke
invasie van een territoir van een ander land als agressie kunnen worden aangemerkt en
heeft met het uitspreken van dit oordeel tevens antwoord gegeven op één van de vragen
van de Minister. De CAVV is zich er overigens van bewust dat in het algemeen
grensoverschrijdende schermutselingen buiten het begrip agressie worden gehouden.
De CAVV heeft overigens overwogen of met het schrappen van het laatste zinsdeel van
het eerste lid van het Duitse voorstel het element van opzet tot het begaan van een
handeling van agressie - hetgeen een voorwaarde is voor individuele strafrechtelijke
aansprakelijkstelling - zou wegvallen. De Commissie meent dat dit element in het Duitse
voorstel, ook zonder het laatste zinsdeel van het eerste lid, voldoende verzekerd is, m.n.
6
  Document PCNICC/1999/DP.13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    door de woorden "armed attack directed against…". Het laatste zinsdeel ware eerder als
    een bijkomend oogmerk te beschouwen.
    De CAVV komt overigens in het onderstaande (paragraaf IV over de problematiek van
    voorbereiding e.d. van handelingen van agressie en paragraaf V over de rol van de
    Veiligheidsraad) terug op andere elementen van het Duitse voorstel.
    Met de steun van de CAVV voor de benadering van de aard van de definitie zoals
    weerspiegeld in het Duitse voorstel (nogmaals minus het laatste zinsdeel van het eerste lid)
    heeft de CAVV ook antwoord gegeven op de vraag van de Minister hoe smal of breed de
    "doelgroep" van de definitie moet zijn, m.a.w. of de definitie zich moet richten op de
    allerhoogste ambtsdragers en niet een bredere groep van personen moet treffen. De CAVV
    is van oordeel dat de definitie gericht moet zijn op de individuele strafrechtelijke
    aansprakelijkstelling van personen die de autoriteit hebben om op hoog staatsniveau
    besluiten te nemen en daarnaast - gelet op de jurisprudentie van het Internationaal Militair
    Tribunaal van Neurenberg - hoge militairen, diplomaten, kopstukken van politieke
    partijen en captains of industry, voorzover deze ten aanzien van het plegen van agressie
    een beslissende rol hebben gespeeld.
1.4 De vraag of voorbereiding van, poging tot en het aanzetten tot handelingen
    van agressie eveneens onder de delictsomschrijving van agressie vallen.
    De CAVV is van oordeel dat de voorbereiding van handelingen van agressie, zoals een
    gewapende aanval, alsmede poging daartoe of het opdracht geven of het aanzetten daartoe
    onder de delictsomschrijving van het misdrijf agressie valt, indien er tenminste een begin
    van uitvoering is. Artikel 25 van het Statuut van het Internationaal Strafhof 7 vraagt in dit
    verband nadere aandacht.
1.5         De rol van de Veiligheidsraad
    7
      Art. 25 (3)(f) : " In accordance with this Statute, a person shall be criminally responsible and liable for
                          punishment for a crime within the jurisdiction of the Court, if that person:
    …..
    …..
    Attempts to commit such a crime by taking action that commences its execution by means of a substantial step,
                          but the crime does not occur because of circumstances independent of the person's
                          intentions…………"
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>In de adviesaanvraag vraagt de Minister of aan de Veiligheidsraad een rol moet worden
toegekend en , zo ja, welke deze dan zou moeten zijn.
V.1      Het eerder geciteerde artikel 5(2) van het Statuut van het Strafhof bevat een
opdracht tot aanvaarding van een bepaling, die niet alleen het misdrijf omschrijft, maar
ook "setting out the conditions under which the Court shall exercise jurisdiction with
respect to this crime". In de discussies wordt wel een onderscheid gemaakt tussen de
materiële definitie van het misdrijf agressie en de voorwaarden waaronder het
Internationaal Strafhof zijn jurisdictie kan uitoefenen. De kwestie van de rol van de
Veiligheidsraad heeft primair betrekking op de voorwaarden waaronder het Internationaal
Strafhof jurisdictie m.b.t. dit misdrijf dient uit te oefenen en eventueel op de definitie.
V.2      Bij de beraadslagingen over het misdrijf agressie heeft de CAVV in de eerste
plaats vastgesteld er van uit te gaan dat geen sprake kan zijn van individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het misdrijf agressie, tenzij is vastgesteld dat de
betreffende staat , waaruit de individuen afkomstig zijn, internationaal aansprakelijk is
voor agressie. Dit betekent dat er een zekere band moet bestaan tussen de beschuldigde en
de Staat. De koppeling tussen de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid en de
staatsaansprakelijkheid in de definitie is aangewezen, omdat het besluit tot het plegen van
agressie zozeer met het functioneren van de staat verweven is. Dit element komt in het
Duitse voorstel tot uitdrukking in de woorden "regarding the act of State".
Het is vervolgens noodzakelijk nader in te gaan op de onderlinge relatie tussen enerzijds
de Veiligheidsraad die ingevolge het Handvest tot taak heeft toe te zien op de
instandhouding van vrede en veiligheid en anderzijds het Internationaal Strafhof dat
individuele verdachten van het misdrijf agressie moet berechten. De vraag van deze relatie
is één van de kernproblemen bij de uitwerking van een definitie van agressie. De taken van
resp. de Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof zijn weliswaar fundamenteel
verschillend maar niettemin is het onvermijdelijk dat uitoefening van deze taken door de
één in meerdere opzichten ook voor de ander van belang zal zijn. Kernvraag is of het
Internationaal Strafhof tot veroordeling van een verdachte voor het misdrijf agressie zou
kunnen komen, zonder dat voorafgaand door de Veiligheidsraad is vastgesteld dat de staat,
waarvan verdachte onderdaan of ingezetene is, agressie heeft gepleegd. In dit geval speelt
de primauteit van de bevoegdheid van Veiligheidsraad bij het behoud en herstel van de
vrede en veiligheid een belangrijke rol.
De CAVV is zich ervan bewust dat aan de beantwoording van deze vraag een moeilijke
afweging ten grondslag ligt. Enerzijds is er de overweging dat recht gedaan dient te
worden aan het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechter, in dit geval de
strafrechter. Daar staat tegenover de overweging dat de politieke vaststelling van agressie
door een Staat ver strekkende gevolgen heeft en dat recht dient te worden gedaan aan de
functie die de Veiligheidsraad - in gevolge het Handvest - op het punt van een dergelijke
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>vaststelling heeft. Elke vaststelling door het Internationaal Strafhof van individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder dat daaraan een vaststelling door de
Veiligheidsraad van agressie door de desbetreffende Staat vooraf is gegaan zou - volgens
die overweging - een aantasting van de rol van de Veiligheidsraad kunnen betekenen en
onzekerheid kunnen creëren over de juridische gevolgen die aan een dergelijke vaststelling
moeten worden verbonden. Een minderheid van de CAVV is van oordeel dat de
juridische gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling daardoor niet worden aangetast.
In het navolgende worden twee opvattingen binnen de CAVV over de verhouding
tussen Veiligheidsraad en Strafhof geschetst, die accentverschillen vertonen. Een
meerderheid is van oordeel dat allereerst, op basis van het thans voorliggende Statuut,
zal moeten worden vastgesteld of de voor de andere misdrijven uitgewerkte regels m.b.t.
de verhouding tussen de Veiligheidsraad en het Internationale Strafhof zonder meer van
toepassing kunnen worden verklaard op het misdrijf agressie. Dit zou alleen al uit het
oogpunt van systematiek de meest wenselijke oplossing zijn. De op deze verhouding
betrekking hebbende artikelen 13 en 16 van het Statuut zijn niet zonder moeite in het
Statuut opgenomen. De verhouding tussen de Veiligheidsraad en het Hof is tot op het
laatste moment voorwerp van onderhandelingen geweest. Wanneer men voor agressie
afwijkende bepalingen voorstaat, zal dit moeten worden verklaard uit de aard van het
misdrijf. Het gaat bij agressie zowel om een aansprakelijke staat als om aansprakelijke
individuen. Voorts betreft het een schending van het verbod van het gebruik van geweld
dat de kern vormt van het veiligheidssysteem dat in het Handvest is verankerd. In deze
opzichten wijkt het misdrijf agressie af van de andere misdrijven van het Statuut. Het is
voorts duidelijk dat het juist deze karakteristieken zijn geweest die het vinden van een
algemeen aanvaardbare oplossing tot nu toe in de weg hebben gestaan. Het ligt om deze
reden dan ook niet voor de hand aan te nemen dat de in het Statuut uitgewerkte
voorwaarden voor de uitoefening door het Internationaal Strafhof van zijn jurisdictie thans
wel voor agressie aanvaardbaar zouden zijn. Het is daarom realistisch om andere opties te
overwegen. Eén van die opties vindt men in het Duitse voorstel, waarin wordt gekozen
voor een voorafgaande vaststelling van agressie van de desbetreffende Staat door de
Veiligheidsraad ( "subject to a determination by the Security Council……regarding the act
of a state"). Het taalgebruik ("determination") sluit aan bij art. 39 in hoofdstuk VII van het
Handvest. 8 Dit betekent dat in deze optie uitsluitend vervolging van het misdrijf agressie
mogelijk is indien geen van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad een
dergelijke vaststelling met een veto treft. Het is daarbij wel denkbaar dat de
Veiligheidsraad vleugellam zal blijken en dat om die reden niet tot vervolging kan worden
overgegaan. Bovendien zijn in de praktijk de formuleringen van de Veiligheidsraad bij de
vaststellingen waartoe art. 39 van het Handvest de Raad opdracht geeft vaak verhullend
zodat het niet altijd eenvoudig zal zijn om in voorkomende gevallen vast te stellen of de
Veiligheidsraad van oordeel is dat een staat agressie heeft gepleegd. De Veiligheidsraad
8
  Art. 39: "The Security Council shall determine the existence of any threat to the peace , breach of the peace, or
                    act of aggression and shall make recommendations, or decide what measures shall be taken in
                    accordance with Articles 4 and 42, to maintain or restore international peace and security."
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>beperkt zich veelal tot het vaststellen van het bestaan van een bedreiging of breuk van de
vrede en heeft tot dusverre zelden het bestaan van een daad van agressie vastgesteld. Ook
is het denkbaar dat de Veiligheidsraad vaststelt dat er sprake is van agressie zonder dat hij
de agressor identificeert. Men denke aan Veiligheidsraad resoluties betrekking hebbend op
de acht jaar durende oorlog tussen Iran en Irak, waarbij er sprake was van opeenvolgende
agressie van beide antagonisten en de Raad zich er veelal toe beperkte vast te stellen dat
agressie in de regio was gepleegd.
Een andere optie is dat de Openbare Aanklager van het Strafhof zelf het initiatief neemt tot
een onderzoek naar het misdrijf agressie conform art. 13 (c) van het Statuut en daarbij de
Veiligheidsraad verzoekt om een voorafgaande vaststelling of de Staat waarvan de
verdachte onderdaan of ingezetene is, agressie heeft gepleegd.
De meest ver gaande optie - een optie die het minst aantrekkelijk is - zou zijn dat de
jurisdictie van het Strafhof met betrekking tot het misdrijf agressie uitsluitend afhankelijk
is van "referral" door de Veiligheidsraad, zoals bedoeld in art. 13 (b). Deze optie geeft aan
het misdrijf agressie het karakter van een klachtdelict.
Een minderheid van de CAVV geeft, alles afwegende, de voorkeur aan de eerste
overweging (zie derde alinea van deze paragraaf V.2). Het zou in strijd zou zijn met de
onafhankelijkheid van de strafrechter, indien deze - i.h.b. het Internationaal Strafhof - bij
de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een onderdaan of ingezetene
van een bepaalde Staat zou worden vastgepind op een vaststelling door de Veiligheidsraad
van een daad van agressie door die Staat. Er moet in beginsel ruimte zijn voor de nationale
of internationale rechter om onafhankelijk van de Veiligheidsraad al dan niet individuele
schuld te bepalen. Dit zal bovendien een (veel) uitvoeriger onderzoek vergen naar de vraag
of een gebeurtenis als agressie kan worden bestempeld dan van de Veiligheidsraad te
verwachten valt. Deze voorkeur van een minderheid van de CAVV betekent dat ten
minste de thans in het Statuut voor het Strafhof neergelegde voorwaarden waaronder het
Hof zijn jurisdictie kan uitoefenen m.b.t. de in het Statuut genoemde internationale
misdrijven zouden moeten blijven gelden voor het misdrijf agressie. Die voorwaarden,
i.h.b. de voorwaarden betrekking hebbend op de rol van de Veiligheidsraad, zijn
neergelegd in de artikelen 13 en 16 9 . In het spectrum van mogelijkheden van afbakening
van de bevoegdheden van het Internationaal Strafhof en de Veiligheidsraad zou men dit de
9
  Art. 13: The Court may exercise jurisdiction with respect to a crime referred to in article 5 in accordance with
                     the provisions of this Statute if:
(a)   A situation in which one or more of such crimes appears to have been committed is referred to the
      Prosecutor by a State Party in accordance with article 14;
(b)   A situation in which one or more of such crimes appears to have been committed is referred to the
      Prosecutor by the Security Council acting under Chapter VII of the Charter of the United Nations; or
(c)   The Prosecutor has initiated an investigation in respect of such a crime in accordance with article 15.
Art. 16: No investigation or prosecution may be commenced or proceeded with under this Statute for a period of
                     12 months after the Security Council, in a resolution adopted under Chapter VII of the
                     Charter of the United Nations, has requested the Court to that effect: that request may be
                     renewed by the Council under the same conditions.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>nul-optie kunnen noemen, d.w.z . dat er naar gestreefd wordt - voor wat betreft de
jurisdictie van het Strafhof t.a.v. het misdrijf agressie - zo dicht mogelijk aan te sluiten bij
de huidige bepalingen van het Statuut. Dit betekent dat aanvaard wordt dat voor wat
betreft het misdrijf agressie een verwijzing ("referral") van de Veiligheidsraad naar het
Strafhof één van de in art. 13 genoemde voorwaarden voor de uitoefening door het
Strafhof van zijn jurisdictie vormt en dat tevens - krachtens art. 16 - een vervolging voor
een periode van tenminste één jaar wordt gestuit indien de Veiligheidsraad, handelend
krachtens Hoofdstuk VII van het Handvest, hiertoe besluit. Men bedenke dat in dat geval
eenstemmigheid van de vijf permanente leden van de Raad vereist is en dat, indien de
Raad vleugellam blijkt, een vervolging toch mogelijk is.
Dezelfde minderheid van de CAVV erkent evenwel dat het niet ondenkbaar is dat in
diplomatieke onderhandelingen zal blijken dat deze - vanuit de visie van de minderheid -
meest wenselijke optie in de praktijk niet haalbaar is en dat andere delegaties de voorkeur
zullen geven aan een optie die de Veiligheidsraad een meer centrale rol toekent dan thans
reeds in de bepalingen van het Statuut het geval is. De Nederlandse delegatie zou dan op
(rechts)politieke gronden kunnen besluiten in te stemmen met een van de volgende opties.
Eén van die opties is dat de Openbare Aanklager van het Strafhof zelf het initiatief neemt
tot een onderzoek naar het misdrijf agressie conform art. 13 (c) van het Statuut en daarbij
de Veiligheidsraad verzoekt om een voorafgaande vaststelling of de Staat waarvan de
verdachte onderdaan of ingezetene is, agressie heeft gepleegd of dat de Openbare
Aanklager zelf beoordeelt dat de Veiligheidsraad die vaststelling metterdaad heeft gedaan.
Een andere, verder reikende, optie vindt men in het Duitse voorstel. Daarin is gekozen
voor een voorafgaande vaststelling van agressie van de desbetreffende Staat door de
Veiligheidsraad ( "subject to a determination by the Security Council……regarding the act
of a state"). Het taalgebruik ("determination") sluit aan bij art. 39 in hoofdstuk VII van het
Handvest. 10 Dit betekent dat in deze optie uitsluitend vervolging van het misdrijf agressie
mogelijk is indien geen van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad een
dergelijke vaststelling met een veto treft. Het is niet ondenkbaar dat de Veiligheidsraad
vleugellam zal blijken en dat vervolging dus niet van de grond kan komen. Overigens zijn
in de praktijk de formuleringen van de Veiligheidsraad bij de vaststellingen waartoe art. 39
van het Handvest de Raad opdracht geeft vaak verhullend zodat het niet altijd eenvoudig
zal zijn om in voorkomende gevallen vast te stellen of de Veiligheidsraad van oordeel is
dat een staat agressie heeft gepleegd. De Veiligheidsraad beperkt zich veelal tot het
vaststellen van het bestaan van een bedreiging of breuk van de vrede en heeft tot dusverre
zelden het bestaan van een daad van agressie vastgesteld. Ook is het denkbaar dat de
Veiligheidsraad vaststelt dat er sprake is van agressie zonder dat hij de agressor
identificeert. Men denke aan Veiligheidsraad resoluties betrekking hebbend op de acht jaar
durende oorlog tussen Iran en Irak, waarbij er sprake was van opeenvolgende agressie van
10
   Art. 39: The Security Council shall determine the existence of any threat to the peace , breach of the peace, or
                    act of aggression and shall make recommendations, or decide what measures shall be taken in
                    accordance with Articles 4 and 42, to maintain or restore international peace and security.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    beide antagonisten en de Raad zich er veelal toe beperkte vast te stellen dat agressie in de
    regio was gepleegd.
    De meest ver gaande optie aan het andere eind van het spectrum - een optie die het minst
    aantrekkelijk is - zou zijn dat de jurisdictie van het Strafhof met betrekking tot het misdrijf
    agressie uitsluitend afhankelijk is van "referral" door de Veiligheidsraad, zoals bedoeld in
    art. 13 (b). Deze optie geeft aan het misdrijf agressie het karakter van een klachtdelict.
    Tot zover de beide visies. De CAVV als geheel is van oordeel dat - naast de zakelijke
    overwegingen die in de optiek van de verschillende delegaties aan de keuze van deze of
    gene optie ten grondslag zullen liggen - ook de politieke realiteit niet uit het oog mag
    worden verloren. Het is niet te verwachten dat de vijf permanente leden van de
    Veiligheidsraad enigerlei beperking van hun bevoegdheid tot vaststelling van een
    bedreiging of breuk van de vrede en een daad van agressie zullen aanvaarden.
    De omgekeerde situatie van die geschetst in de tweede alinea van deze paragraaf V.2 kan
    zich ook voordoen nl. dat de Veiligheidsraad vaststelt dat een staat agressie heeft gepleegd
    en dat het Internationaal Strafhof vaststelt dat een verdachte geen agressie heeft gepleegd.
    Indien het Hof tot een dergelijke vaststelling zou komen zal dit in de praktijk geen
    problemen hoeven op te leveren. Het zou in strijd zijn met de onafhankelijkheid van de
    strafrechter, indien deze - i.h.b. het Internationaal Strafhof - bij de beoordeling van de
    strafrechtelijke aansprakelijkheid van een onderdaan of ingezetene van een bepaalde Staat
    zou worden vastgepind op een vaststelling door de Veiligheidsraad van een daad van
    agressie door die Staat. Ook de situatie dat noch de Veiligheidsraad noch het
    Internationaal Strafhof tot de conclusie zouden komen dat agressie is gepleegd, zou in de
    praktijk geen probleem hoeven op te leveren..
    Samenvattend zou dus gesteld kunnen worden dat Nederland in beginsel dient te streven
    naar een benadering waarbij zoveel mogelijk de onafhankelijkheid van de strafrechter
    zeker wordt gesteld. Dit betekent dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de
    huidige bepalingen van het Statuut inzake de voorwaarden voor jurisdictie van het
    Strafhof. Het mag echter niet worden uitgesloten dat dit niet haalbaar is en dat in de loop
    van het onderhandelingsproces teruggevallen dient te worden op andere opties, die een
    grotere rol inruimen voor de Veiligheidsraad bij de vaststelling van de voorwaarden
    waaronder het Strafhof zijn jurisdictie kan uitoefenen.
1.6 De vraag van de toepasselijkheid van de algemene beginselen van strafrecht
    op het misdrijf agressie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    De CAVV is van oordeel dat de algemene beginselen van strafrecht onverkort van
    toepassing zijn op de plegers van het misdrijf agressie. Men kan hierbij i.h.b. denken aan
    beginselen van strafrecht als:
    - geen straf zonder wederrechtelijkheid;
    - geen straf zonder schuld;
    - geen straf zonder voorafgaande strafbepaling;
    maar ook aan beginselen van strafprocesrecht als:
    - er is pas sprake van schuld als deze is bewezen door de rechter;
    - de rechter is onafhankelijk.
    Voorts zij verwezen naar de artikelen 22 t/m 33 van het Statuut en de catalogus van
    strafrechtsbeginselen die zijn opgenomen in de "Preliminary List of Possible Issues
    Relating to the Crime of Aggression ( Discussion Paper Proposed by the Coordinator)",
    een bijlage bij de Proceedings of the Preparatory Commission at its Fifth Session (zie
    bijlage III bij dit advies). De CAVV is van oordeel dat de vermelde beginselen eveneens
    van toepassing zijn op het misdrijf agressie. De CAVV is het met de coördinator eens dat
    de relatie tussen de artikelen van het Statuut van het Internationaal Strafhof die de
    beginselen bevatten en de uiteindelijke definitie van het misdrijf agressie in een later
    stadium nader dient te worden bestudeerd.
1.7         De vraag van eventuele strafrechtelijke aansprakelijkheid voor agressie
    van vertegenwoordigers van niet-statelijke entiteiten
    De CAVV heeft ook aandacht geschonken aan de vraag of personen die leiding geven aan
    opstandige bewegingen, bevrijdingsbewegingen of in algemene zin aan niet-statelijke
    entiteiten strafrechtelijke aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het misdrijf agressie.
    Wat bevrijdingsbewegingen betreft, realiseerde de Commissie zich dat AVVN Res. 3314
    (XXIX) een voorbehoudclausule bevat die dergelijke bewegingen lijkt te vrijwaren van
    enigerlei beschuldiging van agressie. Wat niet-statelijke entiteiten in het algemeen betreft,
    ging de gedachte in de eerste plaats uit naar entiteiten zoals de Republika Srpska. Het
    algemeen gevoelen onder de leden van de CAVV was dat vertegenwoordigers van deze
    categorieën entiteiten in elk geval wel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor
    schendingen van humanitair oorlogsrecht, maar niet voor het plegen van het misdrijf
    agressie. Men kan de categorieën van potentiële plegers van agressie derhalve beter
    beperken tot de autoriteiten van Staten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>1.8 Overige punten
    De eerder genoemde Preliminary List of Possible Issues Relating to the Crime of
    Aggression, vervat in de Discussion Paper Proposed by the Coordinator (zie Bijlage III)
    bevat nog enkele punten die niet in eerdere paragrafen hierboven aan de orde zijn
    gekomen:
    a)consistency with the relevant provisions of the Charter of the United Nations
    De CAVV acht dit evident en verzekerd door de Preambule van het Statuut ( "Reaffirming
    the Purposes and Principles of the Charter of the United Nations")
    b)complementarity and admissibility
    De CAVV acht de bepalingen van het Statuut inzake complementariteit (art. 1 en voorts de
    bepalingen inzake ontvankelijkheid van het Internationaal Strafhof ) evenzeer van
    toepassing op het misdrijf agressie.
    c)ne bis in idem
    De CAVV constateert dat art. 20(3) van het Statuut geen melding maakt van het misdrijf
    agressie en op dat punt - bij opneming van een definitie van agressie in het Statuut -
    aanpassing behoeft.
    d)investigation and prosecution
    De CAVV is van oordeel dat art. 53(1)(c) van het Statuut (inzake "initiation of an
    investigation") niet hoeft te worden geamendeerd , maar dat wel het caveat op zijn plaats
    is, dat het artikel niet van toepassing is op agressie.
    e)national security information
    De CAVV is van oordeel dat een beroep van een Verdragspartij op bescherming van
    vertrouwelijke informatie die de veiligheid van de Staat raakt, indien deze Partij zelf de
    agressor is, niet kan worden geaccepteerd. (Nemo auditur propriam turpitudinem
    allegans).
    f)possible issues relating to the Elements of Crimes
    Dit punt wordt afhankelijk geacht van de uiteindelijk te kiezen definitie. Het zou goed zijn
    indien een algemene definitie zo duidelijk wordt uitgewerkt dat de noodzaak van het
    uitwerken van "elements of the crime of aggression " komt te vervallen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    g)possible issues relating to the Rules of Procedure and Evidence
    Een toetsing van de uiteindelijke tekst van de Rules of Procedure and Evidence met het
    oog op de toepasselijkheid op het misdrijf agressie ware aan te bevelen.
    h)legal effects on the ICC of a decision of the International Court of Justice concerning
    aggression
    In het algemeen geldt dat een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof relevant kan
    zijn voor het Internationaal Strafhof, maar m.b.t. het misdrijf agressie kan er bij uitstek een
    spanningsveld ontstaan tussen het Internationaal Gerechtshof enerzijds en de
    Veiligheidsraad en het Strafhof anderzijds.
1.9 Conclusies en aanbevelingen
    1)       De CAVV adviseert dat Nederland zich ervoor inspant dat een definitie van het
             misdrijf agressie in het Statuut van het Internationaal Strafhof wordt opgenomen
    2)       De CAVV concludeert dat de opname in het Statuut van het misdrijf agressie niet
             noodzakelijk is om agressie tot misdrijf te verklaren. De noodzaak van opstelling
             van een definitie van agressie vloeit echter wel voort uit artikel 5(2) van het
             Statuut van het Internationaal Strafhof.
    3)       De CAVV acht het niet realistisch om zich in een vroeg stadium reeds op een zeer
             specifieke tekst voor een definitie vast te leggen.
    4)       De CAVV stelt vast dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de politieke
             vaststelling door de Veiligheidsraad van agressie door een Staat, de
             volkenrechtelijke vaststelling door het Internationaal Gerechtshof van
             staatsaansprakelijkheid voor agressie en tenslotte de vaststelling door het
             Internationaal Strafhof van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het
             misdrijf agressie.
    5)       De CAVV concludeert dat een definitie van agressie ten behoeve van het
             Internationaal Strafhof naar zijn aard geheel zal verschillen van een definitie van
             agressie ten behoeve van de organen van de Verenigde Naties met het oog op
             behoud en herstel van vrede en veiligheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>6)  De CAVV geeft de voorkeur aan een in algemene termen geformuleerde definitie
    boven een definitie die een gedetailleerde opsomming bevat van handelingen die
    onder het misdrijf zouden vallen. De CAVV is van oordeel dat het Duitse voorstel
    voor een definitie van agressie (bijlage III bij dit advies) een goed voorbeeld
    vormt van een algemene definitie.
7)  De CAVV is van oordeel dat een koppeling tussen individuele strafrechtelijke
    aansprakelijkheid en staatsaansprakelijkheid in de definitie is aangewezen. De
    CAVV is van oordeel dat de definitie gericht moet zijn op de individuele
    strafrechtelijke aansprakelijkstelling van personen die de autoriteit hebben om op
    hoog staatsniveau besluiten te nemen en daarnaast hoge militairen, diplomaten,
    kopstukken van politieke partijen en captains of industry, voorzover deze bij de
    besluitvorming over het plegen van agressie een beslissende rol spelen.
8)  De CAVV is van oordeel dat de voorbereiding van handelingen van agressie
    alsmede poging daartoe of het opdracht geven of het aanzetten daartoe onder de
    delictsomschrijving van het misdrijf agressie valt, indien er tenminste een begin
    van uitvoering is.
9)  De CAVV is van oordeel dat de kwestie van de rol van de Veiligheidsraad primair
    betrekking heeft op de voorwaarden waaronder het Internationaal Strafhof
    jurisdictie m.b.t. dit misdrijf dient uit te oefenen en als afgeleide daarvan op de
    definitie.
10) De minderheid van de CAVV geeft bij de moeilijke afweging van enerzijds de
    overweging dat recht gedaan dient te worden aan het beginsel van de
    onafhankelijkheid van de strafrechter en anderzijds de overweging dat recht
    gedaan dient te worden aan de functie die de Veiligheidsraad - ingevolge het
    Handvest - op het punt van vaststelling van agressie heeft, de voorkeur aan de
    eerste overweging. De meerderheid is van oordeel dat zowel de eigen functie van
    de Veiligheidsraad ingevolge het Handvest als de onafhankelijkheid van de
    strafrechter beide kunnen worden gerespecteerd.
11) De CAVV adviseert dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de huidige
    bepalingen van het Statuut inzake de voorwaarden voor jurisdictie van het
    Strafhof. Het mag echter niet worden uitgesloten dat dit niet haalbaar is en dat in
    de loop van het onderhandelingsproces de Nederlandse delegatie zou moeten
    besluiten in te stemmen met andere opties die een meer centrale rol inruimen voor
    de Veiligheidsraad bij de vaststelling van de voorwaarden waaronder het Strafhof
    zijn jurisdictie kan uitoefenen.
12) De CAVV is van oordeel dat de algemene beginselen van strafrecht onverkort van
    toepassing zijn op de plegers van het misdrijf agressie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>    13)     De CAVV is van oordeel dat vertegenwoordigers van niet-statelijke entiteiten in
            het algemeen wel aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schendingen van
            humanitair oorlogsrecht, maar niet voor het plegen van het misdrijf agressie. Het
            verdient derhalve de voorkeur de categorieën van potentiële plegers van agressie
            te beperken tot de autoriteiten (en overige in conclusie 7 genoemde
            beroepsgroepen) van Staten.
2   Het Misdrijf van Agressie naar internationaal recht en naar
    internationaal strafrecht. Een voorstudie van Adriaan Bos,
    september 2000, Voorburg.
2.1 Inleiding
    Agressie heeft niet altijd de negatieve betekenis gehad, die het begrip thans heeft.
    Oorspronkelijk werd onder agressie verstaan een militaire aanval door legers van
    een staat tegen het territoir of schepen van een andere staat. Het was een volstrekt
    neutraal begrip. Dit was in de tijd waarin het recht om oorlog te voeren als een
    onvervreemdbaar privilege van soevereiniteit werd gezien. Daaraan is een einde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    gekomen toen aan een internationaal orgaan, de Volkenbond, de bevoegdheid
    werd gegeven een onderscheid aan te brengen tussen wettige en onwettige
    oorlogen.
    Om een beter begrip te krijgen van de moeilijkheden die verband houden met een
    juridische uitwerking van het begrip agressie, is het nuttig om zich te realiseren dat
    in het kader van de Volkenbond intensief gewerkt is aan het opstellen van een
    definitie van het begrip agressie.
    Daarnaast werd in diezelfde periode in private en politieke organisaties, zoals de
    International Law Association, de Interparlementaire Unie en de Internationale
    Associatie voor Strafrecht gewerkt aan het opstellen van een Internationale
    Strafcode. Deze aktiviteiten hebben elkaar onderling beïnvloed.
    De pogingen zijn voortgezet na de Tweede Wereldoorlog, met name in het kader
    van de Verenigde Naties.
    Het is voor de CAVV wellicht vermeldenswaard dat bij de discussies over het
    begrip agressie voor de nederlandse bijdrage van belang zijn geweest het rapport
    dat Prof. Mr V.H.Rutgers in 1927 in de Volkenbond heeft uitgebracht, het
    proefschrift van Professor C.A.Pompe, "The Aggressive War. An Internatioinal
    Crime" en de activiteiten van Professor Mr B.V.A.Röling in de VN in de vijftiger
    jaren. Laatstgenoemde was rapporteur van de 1956 Special Committee on the
    question of defining aggression. 11
    De termen waarin thans wordt voorgesteld agressie, in het kader van het Statuut
    voor een Internationaal Strafhof, te definiëren, borduren voort op deze voorgaande
    activiteiten en ook de argumenten aangevoerd voor de verschillende oplossingen,
    vertonen overeenstemming. Het is daarom nuttig zich een indruk te vormen van de
    discussies en oplossingen, die in de loop der tijden een rol hebben gespeeld.
    Als een rode draad in deze discussies speelt telkens opnieuw de vraag of het
    überhaupt mogelijk is het begrip agressie te definieren.
2.2 Indeling rapport
    In mijn rapport zal ik kort weergeven welke voorstellen respectievelijk in het
    kader van de Volkenbond en de Verenigde Naties terzake van regels met
    betrekking tot agressie zijn gedaan, voorzover deze althans ook nu nog relevant
    lijken. Daarbij zal in het bijzonder aandacht worden gegeven aan de ontwerpen die
    door de International Law Commission (ILC) zijn opgesteld, zowel het ontwerp
    Statuut als het Ontwerp Code of Crimes against the Peace and Security of
    11
       GA. 12e Session, Suppl. No 16, A/3574.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>      Mankind. Vervolgens zal ik een uiteenzetting geven van de onderhandelingen in
      Rome inzake het misdrijf van agressie.
      Tenslotte zal ik een aantal vraagpunten formuleren bij de checklist, die in de
      PrepCom over dit onderwerp is opgesteld en die naar mijn opvatting relevant zijn
      voor de advisering door de Adviescommissie.
2.3   Historisch overzicht
2.3.1 Volkenbond
      Het concept agressie was in het Volkenbondsverdrag opgenomen zonder dat de
      handelingen waaruit agressie bestaat, werden gedefinieerd. Het was verweven met
      het collectieve veiligheidssysteem van de Volkenbond, zoals dat was uitgewerkt in
      het Volkenbondsverdrag.
      In artikel 10 Volkenbondsverdrag verplichtten de leden van de Volkenbond zich
      jegens elkaar "to preserve as against external aggression the territorial integrity
      and existing political independence of all Members of the League".
      Artikel 12 handelde over het voeren van oorlog. Het voorzag niet in een absoluut
      verbod van oorlogvoeren maar maakte een onderscheid tussen rechtmatige en
      onrechtmatige oorlogen. Onrechtmatige oorlogen zijn oorlogen begonnen minder
      dan drie maanden "after the award by the arbitrators or the judicial decision or the
      report by the Council" en rechtmatige oorlogen zijn oorlogen die onder zekere
      voorwaarden kunnen worden gevoerd nadat de procedures, voorzien in het
      Volkenbondspact, zijn gevolgd en na verloop van de voorgeschreven tijd.
      De algemene trend was om de artikelen 10 en 12 zodanig uit te leggen dat artikel
      12 oorlogvoeren toestaat, indien een dergelijke oorlog niet als een daad van
      agressie kon worden beschouwd in de zin van artikel 10. Dat wil zeggen dat het
      doel van de oorlogvoerende staat niet mocht zijn de territoriale integriteit en
      politieke onafhankelijkheid te schenden van de staat, waartegen een oorlog werd
      aangespannen.
      Met name de verplichting van artikel 10 was zeer omstreden. Voor een aantal
      Staten was deze verplichting onaanvaardbaar vanwege de vergaande maar weinig
      gepreciseerde verplichting. Voor de VS vormde met name deze bepaling een
      belangrijk struikelblok om lid te worden.
      Het feit dat de VS geen lid van de Volkenbond was geworden, maakte het voor
      een aantal leden van de Volkenbond weer moeilijk om deze verplichting te
      onderschrijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Ten tijde van de Volkenbond werden enerzijds pogingen in het werk gesteld om de
toepassing van dit veiligheidssysteem te vergemakkelijken, anderzijds werden
pogingen ondernomen om het systeem verder te ontwikkelen, aangezien het als
niet adequaat en incompleet werd beschouwd.
Een duidelijk geformuleerd begrip agressie werd noodzakelijk geacht voor een
effectieve werking van het veiligheidssysteem.
Het Ontwerp-Verdrag van Wederzijdse Bijstand van 1923 was de eerste poging
om het Volkenbondsverdrag op dit punt aan te vullen.
Aan de opstelling van dit ontwerp was een uitvoerige discussie voorafgegaan die
had geleid tot de conclusie dat het onder de voorwaarden van moderne
oorlogvoering onmogelijk schijnt om zelfs theoretisch aan te geven wat
handelingen van agressie zijn"especially as the question is often invested with a
political character". Het ontwerp bepaalde dat bijstand onmiddellijk zou kunnen
worden verleend aan een slachtoffer van een aanvalsoorlog, ook voordat de
Volkenbondraad zich had uitgesproken. De aanvalsoorlog werd in artikel 1
uitdrukkelijk tot internationaal misdrijf verklaard. Wat onder aanvalsoorlog moest
worden verstaan, bleef echter onduidelijk. Het verdrag bepaalde:
                 "The High Contracting Parties solemnly declare that aggressive war is an
                 international crime and severely undertake that no one of them will be guilty of
                 its commission
                 A war shall not be considered as an act of aggression if waged by a State which is
                 party to a dispute and has accepted the unanimous recommandation of the
                 Council, the verdict of the Permanent Court of International Justice, or an arbitral
                 award against a Contracting Party, which has not accepted it, provided, however,
                 that the first state does not intend to violate the political independence or the
                 territorial integrety of the High Contracting Party".
Het verdrag kwam niet tot stand, toen gebleken was dat Groot-Brittannie weigerde
het te aanvaarden.
Een nieuwe poging werd in 1924 ondernomen met de opstelling van het ontwerp
Protocol van Geneve. In dit ontwerp werd niet het begrip agressie gedefinieerd
maar de agressor. Een aantal veronderstellingen werden uitgewerkt om een
agressor aan te wijzen wanneer vijandelijkheden zijn uitgebroken.
Het ontwerp Protocol bepaalde in artikel 2, resp. artikel 10,
                 The signatory States agree in no case to resort to war either with one another or
                 against a State which, if the occasion arises, accepts all the obligations hereinafter
                 set out, except in case of resistance to acts of aggression or when acting in
                 agreement with the Council or the Assembly of the League of Nations in
                 accordance with the provisions of the Covenant and of the present Protocol.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                      Every State which resorts to war in violation of the undertakings contained in the
                      Covenant or in the present Protocol is an aggressor.
                      In the event of hostilities having broken out, any State shall be presumed to be an
                      aggressor, unless a decision of the Council, which must be taken unanimously,
                      shall otherwise declare:
                      1.   If it has refused to submit the dispute to the procedure of pacific settlement
                           provided by articles 13 and 15 of the Covenant as amplified by the present
                           Protocol, or to comply with a judicial sentence or arbitral award or with a
                           unanimous recommandation of the Council, or has disregarded a unanimous
                           report of the council, a judicial sentence or an arbitral award recognizing
                           that the dispute between it and the other belligerent State arises out of a
                           matter which by international law is solely within the domestic jurisdiction
                           of the latter state; nevertheless, in the last case the State shall only be
                           presumed to be an aggressor if it has not previously submitted the question
                           to the Council or the Assembly, in accordance with article 11 of the
                           Covenant
                      2.   If it has violated provisional measures enjoined by the Council for the period
                           while the proceedings are in progress as contemplated by article 7 of the
                           present protocol.
                      Apart from the cases dealt with in paragraphs 1 and 2 of the present article, if the
                      Council does not at once succeed in determining the aggressor, it shall be bound
                      to enjoin upon the belligerents an armistice, and shall fix the terms, acting, if
                      need be, by a two-thirds majority and shall supervise its execution.
                      Any belligerent which has refused to accept the armistice or has violated its terms
                      shall be deemed aggressor.
                      The Council shall call upon the signatory States to apply forthwith against the
                      aggressor the sanctions provided by article 11 of the present Protocol and any
                      signatory State thus called upon shall thereupon be entitled to exercise the rights
                      of a belligerent.
      Ook dit Protocol werd niet aangenomen.
      De verwarring over de vraag wanneer sprake is van agressie werd nog groter toen
      in 1924, na het Korfu-incident, een discussie ontstond over de vraag welke
      geweldsdaden, die niet als oorlog waren bedoeld, onder het verbod van de
      artikelen 12-15 van het Volkenbondsverdrag vielen. Een duidelijk en eensluidend
      antwoord bleek niet mogelijk.
2.3.2 Locarno-verdragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>      Niet onvermeld mogen blijven de Locarno-verdragen van 1925, die mede hebben
      gediend als voorbeeld voor de modelverdragen van non-agressie en onderlinge
      bijstand welke in 1928 door de 9e Volkenbondsvergadering werden vastgesteld. In
      de Locarno verdragen verbonden de staten zich "that they will in no case attack or
      invade each other or resort to war against each other." Deze bepaling gold echter
      niet ten aanzien van:
            1.uitoefening van het recht van wettige zelfverdediging tegen een aanval;
            2.deelneming aan gemeenschappelijke actie krachtens artikel 16 Volkenbondsverdrag;
            3.door de Volkenbond gesanctioneerd wapengeweld in geval van niet-nakoming van
            rechterlijke of scheidsrechtelijke beslissingen;
            4.een actie ingevolge artikel 15 lid 7 Volkenbondsverdrag, mits deze gericht is tegen een staat,
            die het eerst tot de aanval is overgegaan.
2.3.3 Kellogg-verdrag
      Op 27 Augustus 1928 vond de ondertekening plaats van het Kellogg-verdrag.
      Partijen veroordelen daarin het toevlucht nemen tot oorlog ter beslechting van
      internationale geschillen en zij verklaren af te zien van oorlog als werktuig van
      nationale politiek in hun onderlinge betrekkingen. Zij erkennen voorts dat de
      beslechting of oplossing van alle geschillen en conflicten, van welke aard of
      oorsprong ook, nooit anders dan met vreedzame middelen mogen worden
      nagestreefd. Door uitsluiting van de oorlog als "instrument van nationale politiek'
      en voor de oplossing van geschillen gaat het verdrag verder dan artikel 10 van het
      Volkenbondsverdrag. Door sluiting van dit verdrag werd het verbod om oorlog te
      voeren bovendien uitgebreid tot de niet-leden van de Volkenbond. Tegen het
      uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het verdrag door 63 Staten aanvaard.
      Dit waren vrijwel alle toenmalige staten.
      Het verdrag sloot niet het recht op zelfverdediging uit voor het geval dat het
      verdrag zou worden geschonden. Staten, die het verdrag schonden, konden geen
      aanspraak maken op de toepassing van het verdrag door andere staten.
      Tot 1933 bestonden in feite niet meer dan globale criteria voor agressie die dan
      vervolgens door de daartoe aangewezen organen moesten worden toegepast om
      een agressor aan te wijzen.
2.4   Ontwapeningsconferentie
      Van 1932-1933 vond de Ontwapeningsconferentie plaats. Tijdens deze
      Conferentie is uitvoerig aandacht gegeven aan het vraagstuk van de definitie van
      agressie. Naar aanleiding van voorstellen van de Sovjet-Unie werd de Commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>    voor Veiligheidsvraagstukken o.l.v Politis verzocht het vraagstuk van de definitie
    te behandelen. Het rapport dat Politis namens deze Commissie uitbracht is van
    groot belang gebleken. De Commissie stelde een Act relating to the definition of
    the Aggressor op bevattend vijf criteria voor agressie.
    De tekst van deze Act luidt aldus:
    Article 1
                    The aggressor in an international conflict shall, subject to the agreements in
                    force between the parties to the dispute, be considered to be that State which is
                    the first to commit any of the following actions:
                    1.    Declaration of war upon another State;
                    2.    Invasion by its armed forces, with or without a declaration of war, of the
                          territory of another State;
                    3.    Attack by its land, naval or air forces, with or without a declaration of war,
                          on the territory, vessels or aircraft of another State;
                    4.    Naval blockade of the coasts or ports of another State;
                    5.    Provision of support to armed bands formed in its territory which have
                          invaded the territory of another State, or refusal, notwithstanding the request
                          of the invaded State, to take in its own territory all the measures in its power
                          to deprive those bands of all assistance or protection.
                    Article 2
                    No political, military, economic or other considerations may serve as an excuse
                    or justification for the aggression referred to in article 1.
    Deze tekst stemt in vergaande mate overeen met een voorstel dat door de Sovjet-
    Unie was ingediend. Alleen artikel 1 lid 5 ontbrak in de Sovjet tekst. De tekst van
    deze Act is door de de Ontwapeningsconferentie wegens verschil van inzicht niet
    aanvaard. De tekst is echter wel opgenomen in de zogeheten Londense Verdragen,
    die de Sovjet-Unie sloot met Afghanistan, Estland, Letland, Perzie, Polen,
    Roemenie, Turkije en Joegoslavie.
2.5 Internationale Militaire Tribunalen van Neurenberg en Tokyo
    In 1945 vond in Londen een Internationale Conferentie plaats inzake Militaire
    Gerechten. Tijdens deze conferentie diende de VS een voorstel in tot definitie van
    het begrip agressie, dat vrijwel letterlijk overeenstemde met de Politis Act.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                     "An aggressor for the purposes of this article, is that State which is the
                     first to commit any of the following actions:
                     1. Declaration of war upon another State;
                     2. Invasion by its armed forces, with or without a declaration of war,
                            of the territory of another State;
                     3. Attack by its land, naval, or air forces, with or without a declaration
                            of war, on the territory, vessels or ports of another State;
                     4. Naval blockade of the coasts or ports of another State;
                     5. Provision of support to armed bands formed in its territory which
                            have invaded the territory of another State, or refusal,
                            notwithstanding the request of the invaded State, to take in its own
                            territory, all the measures in its power to deprive those bands of all
                            assistance or protection;
                     No political, military, economic or other considerations shall serve as an
                     excuse or justification for such actions; but exercise of the right of
                     legitimate self-defence, that is to say, resistance to an actof aggression, or
                     action to assist a State which has been subjected to aggression, shall not
                     constitute a war of aggression."
In een later stadium vervingen bovenstaande tekst door een nieuwe tekst, waarin
de paragrafen 4 en 5 niet meer voorkwamen. De punten 1), 2) en 3) zijn ontleend
aan de eerdergenoemde Politis Act. Ook de Fransen hadden een ontwerp
ingediend.
Aanvankelijk bestond er duidelijk onenigheid tussen de Franse en de Amerikaanse
delegatie.
De Franse delegatie was van oordeel dat het beginnen van een oorlog als zodanig
in 1945 nog niet als een individueel internationaal strafbaar feit kon worden
aangemerkt. Wanneer een staat dit misdrijf begaat, betekent dit nog niet dat de
onderdanen van die staat daaraan ook strafbaar zijn. Zij zagen het als een misdrijf
waar nog geen sancties of straffen op waren gesteld. De Fransen achtten het beter
te beginnen bij de schending van de toen geldende regels van het oorlogsrecht
door verwijzing naar afgesloten verdragen. Dit verklaart o.m. de verwijzing in de
tekst van het Charter naar het voeren van een oorlog "in violation of international
law, treaties, agreements or assurances". 12
De door Frankrijk geopperde mogelijkheid om geen individuele strafrechtelijke
verantwoordelijkheid voor agressie op te nemen, werd door de VS afgewezen. In
hun visie was het niet genoeg om aan te tonen dat de Nazileiders zich niet als
gentlemen in de oorlog hadden gedragen maar moest ook worden vastgesteld dat
zij een onwettige aanval op de internationale vrede hadden gedaan.
12
   Schendingen van de Haagse Vredesverdragen van 1899 en 1907, Verdrag van Versailles, de Locarno-verdragen
                   van 1925, het Kelloggverdrag van 1928 en de diverse Non-Agressie verdragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>      Voorts achtten zij het van belang ook "common plan" en "conspiracy" om het
      misdrijf tegen de vrede te plegen ten laste te leggen, om zo ook diegenen te treffen
      die even schuldig zijn maar van wie niet kan worden bewezen dat zij zelf
      verantwoordelijk waren voor geweldsdaden. In zijn openingsstatement drukte
      Justice Jackson het als volgt uit: "To initiate a war of aggression······is not only an
      international crime; it is the supreme international crime differing only from other
      war crimes in that it contains within itself the accumulated evil of the whole".
      In het Neurenberg Charter werd uiteindelijk geen definitie van agressie
      opgenomen.
      In zijn uitspraak heeft het International Militair Tribunaal(IMT) van Neurenberg in
      de aanklacht twee onderdelen onderscheiden, t.w. "conspiring or having a
      common plan to commit crimes against peace" en " crimes against peace by
      planning, preparing, initiating, and waging wars of aggression against a number of
      other States".
      Het Tribunaal maakte ook een onderscheid gemaakt tussen "acts of aggression" en
      een "war of aggression". Alleen het beginnen van een aanvalsoorlog werd als
      misdrijf aangemerkt. Als "acts of aggression" werden bijvoorbeeld genoemd de
      bezetting van Oostenrijk en Tsecho Slowakije. De oorlog tegen Polen werd
      daarentegen als eerste "war of aggression" aangemerkt in de tenlastelegging.
      Het Tribunaal oordeelde een aantal Nazileiders schuldig aan dit misdrijf tegen de
      vrede, zonder echter een definitie te geven van wat onder een aanvalsoorlog moet
      worden verstaan.
      In de Control Council Law No. 10 - de wetgeving van de bezetters om de
      processen in de bezette gebieden voor wat betreft de lagere Nazi's voort te zetten -
      werd "initiation of invasions of other countries" opgenomen als misdrijf tegen de
      vrede in aanvulling op "planning, preparation, initiation or waging a war of
      aggression". In deze processen zijn uiteindelijk 5 personen veroordeeld voor dit
      misdrijf.
      In een van de zaken werd vastgesteld dat de invasie van Oostenrijk, hoewel deze
      zonder gevechten was gerealiseerd, toch als agressief moest worden aangemerkt.
                                "It is not reasonable to assume that an act of war, in the nature of an
                                invasion, whereby conquest and plunder are achieved without
                                resistance, is to be given more favorable consideration than a similar
                                invasion which may have met with some military resistance"
2.6   Verenigde Naties.
2.6.1 Totstandkoming Handvest.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>      In het Handvest wordt het gebruik van geweld verboden. Artikel 2(4) Handvest
      verbiedt het dreigen met of het gebruik van geweld. Uitzonderingen zijn
      zelfverdediging (artikel 51 Handvest), collectieve dwangmaatregelen (artikelen 42
      en 53 Handvest) en artikel 107 Handvest.
      Tijdens de San Francisco Conferentie in 1945 werden voorstellen ingediend voor
      een enumeratieve definitie van het begrip agressie in het Handvest.
      Zo werd door Bolivia voorgesteld om bij het huidige artikel 39 Handvest de
      navolgende lijst van handelingen op te nemen, op grond waarvan een staat als
      aggressor kan worden aangemerkt:
              a)    Invasion of another state's territory by armed forces.
              b)    Declaration of war.
              c)    Attack by land, sea or air forces, with or without declaration of war, on another's
                    state territory,shipping, or aircraft.
              d)    Support given to armed bands for the purpose of invasion.
              e)    Intervention in another state's internal or foreign affairs.
              f)    Refusal to submit the matter which has caused a dispute to the peaceful means
                    provided for its settlement.
              g)    Refusal to comply with a judicial decision lawfully pronounced by an International
                    Court.
      De onderdelen a) tot en met d) zijn ontleend aan de eerdergenoemde Politis Act.
      Deze voorstellen hebben het echter niet gehaald.
2.6.2 Activiteiten van de AVVN.
      De AVVN had de ILC verzocht om de beginselen van internationaal recht, zoals
      vervat in het Charter en het vonnis van Neurenberg, te formuleren zonder deze
      overigens duidelijk te onderschrijven. De formulering kwam in feite neer op een
      parafrasering van de relevante artikelen van het Charter.
      De Sovjet-Unie stelde op 17 November 1950 aan de AVVN voor om het vraagstuk
      van agressie voor nadere bestudering aan de ILC voor te leggen. (Res.378 B (V))
      In het kader van de Verenigde Naties werd het vraagstuk van agressie vervolgens
      behandeld vanuit twee gezichtshoeken. Allereerst was aan de orde de vraag welke
      handelingen als agressie zijn te beschouwen in het kader van het collectieve
      veiligheidssysteem van de VN. Daarnaast werd een studie verricht over de
      misdrijven tegen de vrede. Dit laatste met het oog op de opstelling van een Code
      of Offences against the Peace and Security of Mankind.
2.6.3 Veiligheidssysteem VN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>      De AVVN vroeg de Secretaris-Generaal een rapport op te stellen en dit rapport
      werd in 1952 uitgebracht en besproken in de AVVN in December 1952. Gelet op
      de complexiteit van het vraagstuk en de behoefte om allerlei aspecten nader te
      bestuderen, werd een Speciale Commissie van 15 leden ingesteld. Deze
      Commissie rapporteerde in Oktober 1953. De discussies in de Speciale
      Commissies in 1953, 1956 en 1957 waren nuttig om kennis te nemen van de
      uiteenlopende zienswijzen van de deelnemers, maar concrete bijdragen aan de
      rechtsontwikkeling of aan de codificatie hebben zij niet geleverd.
      In deze discussies kunnen een aantal kernpunten worden onderscheiden.
      1)Allereerst de noodzaak om de Veiligheidsraad niet te beperken in zijn
      verantwoordelijkheid voor de instandhouding van de vrede en veiligheid. 2) Het
      nut om organen van de Verenigde Naties een leidraad te geven bij de uitoefening
      van hun taak de internationale vrede en veiligheid instand te houden. 3)Het besef
      van het beperkte nut van een resolutie van de AVVN, die rechtens geen bindende
      werking heeft, en die het Handvest niet kan wijzigen. 4)De wisselwerking tussen
      de artikelen 2(4), 39 en 51 Handvest. Tegen hetgeen in het Handvest als
      gewapende agressie wordt aangemerkt, mag men zich ingevolge artikel 51
      Handvest met gewapend geweld verdedigen. Zolang het veiligheidssysteem van de
      VN niet goed en effectief functioneert, is artikel 51 de belangrijkste basis waarop
      de veiligheid van de staten berust. Misbruik van dit artikel 51 moet echter worden
      voorkomen. Een land moet het slachtoffer zijn van duidelijke agressie die zo
      ernstig is dat het geen keus meer heeft dan zich gewapend te verdedigen om zijn
      territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid te behouden. Om het begrip
      agressie niet te ruim te maken werden voorstellen ingediend inzake vormen van
      agressie, die niet het recht op zelfverdediging met gewapend geweld zouden
      rechtvaardigen en andere die de definitie wilden beperken tot het begrip "armed
      attack" in artikel 51 Handvest.
2.6.4 Resolutie 3314 van de AVVN inzake agressie
      Het besluit van de VN in December 1967 om een commissie in te stellen voor het
      vraagstuk van de definitie van agressie kwam voor velen als een verrassing. De
      Westerse Staten hadden zich overwegend onthouden bij de stemming over dit
      besluit en de verwachtingen waren niet hoog gespannen. Het was de eerste maal
      dat de nieuwe gedekoloniseerde staten aan dit debat gingen deelnemen. Er
      ontstond meer begrip dat bij agressie niet meer alleen gedacht kon worden aan
      gewapenderhand ingrijpen in andere staten, maar ook aan andere vormen.
      Bijvoorbeeld indirecte agressie, zoals het aanmoedigen van subversieve
      activiteiten en het bevorderen van burgeroorlog en interne opstanden.
      Economische agressie door middel van het uitoefenen van economische druk, van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    het voorkomen van exploitatie of nationalisatie van de rijkdommen van een land
    en van economische boycot.
    De uikomst van de besprekingen in de VN is neergelegd in Resolutie 3314 van de
    AVVN. Het nut van deze Resolutie werd algemeen beperkt geacht vanwege de
    algemene bewoordingen, waarin de tekst is opgesteld, vanwege de vele restricties
    die erin zijn opgenomen, en vanwege de vele tegengestelde uitleggingen die de
    Staten aan deze tekst geven. Bovendien richt de Resolutie zich in zijn
    bewoordingen tot de staten en dit maakt de bruikbaarheid van de tekst voor een
    artikel in het Statuut inzake een definitie van het misdrijf agressie ook bezwaarlijk.
    Niettemin moet in dit verband worden herinnerd aan de uitspraak van het
    Internationale gerechtshof in de Nicaragua-zaak:
             "There appears now to be general agreement on the nature of the acts which can be treated
             as constituting armed attacks. In particular it may be considered to be agreed that an armed
             attack must be understood as including not merely action by regular armed forces across an
             international border, but also "the sending by or on behalf of a State of armed bands,
             groups, irregulars or mercenaries, which carry out acts of armed force against another state
             of such gravity as to amount to" (inter alia) an actual armed attack conducted by regular
             forces, or "its substantial involvement therein".
             This description, contained in article 3, paragraph (g), of the Definition of Aggression
             annexed to Resolution 3314 (XXIX), may be taken to reflect customary international law.
             The Court sees no reason to deny that, in customary law, the prohibition of armed attacks
             may apply to the sending by a State of armed bands to the territory of another State, if such
             operation, because of its scale and effects, would have been classified as an armed attack
             rather than as mere frontier incident had it been carried out by regular armed forces.
             The Court does not believe that the concept of "armed attack" include not only acts by
             armed bands where such acts occur on a significant scale but also assistance to rebels in the
             form of the provision of weapons or logistical support. Such assistance may be regarded as
             a threat or use of force, or amount to intervention in the internal or external affairs of other
             states."
             (Judgement of 27 June 1986, par.195)
2.7 Activiteiten ILC
    In resolutie 380 (V) heeft de AVVN in 1950 bevestigd dat "any aggression is the
    gravest of all crimes against peace and security throughout the world".
    De AVVN had de ILC verzocht om de beginselen van internationaal recht te
    formuleren die erkend waren in het Charter van het Neurenberg Tribunaal en in
    het vonnis van dit Tribunaal alsmede om een draft Code of offences against the
    Peace and Security of Mankind voor te bereiden.
    De ILC volstond ermee agressie op te nemen in de Draft Code of Offences against
    the Peace and Security of Mankind, zonder het begrip nader te definieren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Toen de ILC in de periode van 1947-1951 de Draft Code besprak, had de
Commissie als uitgangspunt gekozen dat de artikelen beperkt moesten blijven tot
"offences which contain a political element and which endanger or disturb the
maintenance of international peace and security".
Als agressie werd aangemerkt "any act of aggression, including the employment of
the authorities of a state of armed force against another state for any purpose other
than national or collective self-defence or in pursuance of a decision or
recommandation by a competent organ of the UN".
In het Charter van Neurenberg werd de crime against peace gedefinieerd
als:"initiation or waging of a war of aggression". De ILC verklaarde de notie "any
act of aggression" i.p.v. "war of aggression" door verwijzing naar Res. 380 van de
AVVN. De ILC wees erop dat agressie ook door andere handelingen dan door het
gebruik van gewapend geweld kan worden gepleegd. Genoemd werden onder
meer dreiging met geweld, de voorbereiding van het gebruik van geweld, het
binnendringen van gewapende bendes vanuit het territoir van een staat, het
aanmoedigen vanuit een staat van een burgeroorlog in een andere staat of het
toestaan van activiteiten op het territoir van een staat die een dergelijke
burgeroorlog in een andere staat aanmoedigen.
Het misdrijf van agressie, aldus de ILC, kan alleen worden gepleegd door de
autoriteiten van een staat.
Wel wordt in artikel 2(12) van het ILC ontwerp over andere handelingen
gesproken, die ook door andere dan de autoriteiten kunnen worden gepleegd:
                             (12) Acts which constitute:
                             (i)             conspiracy to commit any of the offences defined in the
                                             preceding paragraphs of this article;or
                             (ii)            Direct incitement to commit any of the offences defined
                                             in the preceding paragraphs of this article;or
                             (iii)           Attempts to commit any of the offences defined in the
                                             preceding paragraphs of this article;or
                             (iv)            Complicity in the commission of any of the offences
                                             defined in the preceding paragraphs of this article.
                  The notion of conspiracy is found in article 6, paragraph (a), of the Charter of
                  Nürnberg Tribunal and the notion of complicity in the last paragraph of the same
                  article. The notion of conspiracy in the said Charter is limited to the "planning,
                  preparation, initiation or waging of a war of aggression, or a war in violation of
                  international treaties, agreements or assurances", while the present paragraph
                  provides for the application of the notion to all offences against the peace and
                  security of mankind.
                  The notions of incitement and of attempts are found in the Convention on
                  Genocide as well as in certain national enactments on war crimes.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                       In including "complicity in the commission of any of the offences defined in the
                       preceding paragraphs" among the acts which are offences against the peace and
                       security of mankind, it is not intended to stipulate that all those contributing, in
                       the normal exercise of their duties, to the perpetration of offences against the
                       peace and security of mankind could, on that ground alone, be considered as
                       accomplices in such crimes. There can be no question of punishing as
                       accomplices in such offence all the members of the armed forces of a state or the
                       workers in war industries."
      Destijds werd door Nederland hierbij aangetekend dat complicity niet in de
      uitspraken van Neurenberg voorkwam en om die reden ook niet in de Code moest
      worden opgenomen.
      In 1982 werden de discussies over de Code in de ILC hervat. In het begin van de
      negentiger jaren verplaatste de aandacht zich naar de oprichting van een
      Internationaal Strafhof. Pas in 1996 werd het werk aan de Code voltooid. Dit werd
      o.m. mogelijk door de onderhandelingen over het Statuut voor het Internationaal
      Strafhof. Deze vormden een duidelijke indicatie voor de ILC over wat voor de
      staten aanvaardbaar was. Dit heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de ILC de
      omvang van de jurisdictie in de Code van 12 naar 5 misdrijven terugbracht. Het
      enige onderscheid met het ontwerp Statuut op dit punt is dat de Code ook
      misdrijven tegen het VN-en daarmee geassocieerd personeel omvat.
2.7.1 Ontwerp Statuut voor het Internationaal Strafhof.
      In het ontwerp van de ILC van 1994 (artikel 23(2)) werd de definitie van agressie
      opengelaten. Wel werd voorzien dat enige procedure die verband hield met een
      daad van agressie, niet kon worden aangespannen tenzij de Veiligheidsraad eerst
      heeft vastgesteld dat de betrokken staat agressie heeft gepleegd onder
      omstandigheden waaronder het plegen van het misdrijf agressie aan de orde is.
      De ILC oordeelde dat Res. 3314 van 14 December 1974 handelt over agressie
      door staten en dat deze Res. niet dient voor de berechting van individuen. Het is
      veeleer een richtlijn voor de Veiligheidsraad dan een wetsbepaling voor rechters in
      individuele zaken.
      Wel is de ILC van oordeel dat artikel 2 lid 4 Handvest, tesamen met Res. 3314 een
      rechter thans beter in staat stelt om agressie als gewoonterechtelijk misdrijf vast te
      stellen dan dat dat in Neurenberg het geval was. Het zou naar de opvatting van de
      ILC een stap terug betekenen om vijftig jaar na Neurenberg individuele
      aansprakelijkheid voor het misdrijf van agressie uit te sluiten.
      De moeilijkheden om agressie te definieren en deze definitie in de praktijk toe te
      passen en de speciale verantwoordelijkheden van de Veiligheidsraad ingevolge
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>      hoofdstuk VII van het Handvest waren voor de ILC overwegingen om artikel
      23(2) in het ontwerp Statuut op te nemen.
2.7.2 Ontwerp ILC Code of Crimes Against the Peace and Security of Mankind
      In 1996 voltooide de ILC het ontwerp voor de Code of Crimes against the Peace
      and Security of Mankind. Ten aanzien van agressie bepaalt dit ontwerp:
                                            Article 16
                        An individual who, as leader of organizer, actively participates in or orders the
                        planning, preparation, initiation or waging of aggression committed by a State
                        shall be responsible for a crime of aggression.
      De ILC merkt daarbij op dat dit artikel uitsluitend handelt over de individuele
      aansprakelijkheid voor het misdrijf van agressie. De definitie heeft uitdrukkelijk
      niet ten doel agressie door een staat te definieren.
      De ILC ziet als daders van dit misdrijf die personen die de noodzakelijke autoriteit
      of macht hebben om tot het plegen van agressie over te gaan, d.w.z. "leaders or
      organizers". Een terminologie ontleend aan het Neurenberg Charter.
      De deelname aan een "act of aggression" moet met voorbedachte rade zijn en moet
      bewust als deel van een plan of politiek van agressie zijn uitgevoerd.
      Het plegen van agressie door individuele personen wordt door de ILC
      onlosmakelijk gekoppeld aan het plegen van agressie door een staat. Het schenden
      door een staat van de internationale rechtsregels die agressie verbieden, is een
      noodzakelijke voorwaarde voor individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid
      voor het misdrijf van agressie.
      De schending van het agressie-verbod door een staat moet bovendien voldoende
      ernstig zijn. Het zal de taak zijn van het Internationaal Straftribunaal zijn om vast
      te stellen of artikel 2(4) Handvest is geschonden en of de schending ernstig genoeg
      is om individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid te genereren. De rechter wordt
      voor deze vaststelling verwezen naar het Charter en het vonnis van het IMT van
      Neurenberg.
      Agressie wordt onderscheiden in enerzijds het bevel om agressie te plegen en
      anderzijds in "the planning, preparation, initiation and waging of the resulting
      operations". Deelneming in een van deze fases is voldoende voor individuele
      strafrechtelijke aansprakelijkheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>2.7.3 Conferentie van Rome
      In de discussies inzake het opnemen van het misdrijf van agressie hebben zich een
      aantal problemen voorgedaan.
      Deze betroffen allereerst de definitie van het misdrijf. Een aantal met name
      Afrikaanse en Arabische Staten verklaarden zich voor een definitie die nauw zou
      aansluiten bij de tekst van de A/Res/3314 (XXIX) van 14 December 1974. Dit
      werd door anderen bestreden. Deze Resolutie zou geen weergave zijn van
      internationaal gewoonterecht maar diende uitsluitend als leiddraad voor de
      Veiligheidsraad. Ook zouden niet alle elementen van de Resolutie individuele
      strafrechtelijke aansprakelijkheid genereren. Door anderen werd gewerkt aan een
      definitie die beoogde de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid te beperken
      tot de meest ernstige vormen van agressie en daarbij werd zo dicht mogelijk
      aangesloten bij de tekst van het Statuut van Neurenberg.
      De meningen over de rol die de Veiligheidsraad zou moeten spelen bij de
      toepassing door het Strafhof van dit misdrijf, liepen sterk uiteen van de opvatting
      dat elke daad van agressie eerst door de Veiligheidsraad zou moeten zijn
      vastgesteld tot geen enkele rol voor de Veiligheidsraad, met daartussen varianten
      als die van de ILC.
2.8   Conclusies en vraagpunten
      Uit dit overzicht van de voorgeschiedenis van het misdrijf agressie kan blijken dat
      de internationale gemeenschap eerst oorlogvoering heeft beperkt en vervolgens het
      recht om een aanvalsoorlog te beginnen geheel heeft uitgebannen. In het
      veiligheidssysteem van de internationale gemeenschap werd aan internationale
      organen de bevoegdheid toegekend om in het geval van een oorlog, de agressor
      aan te wijzen en maatregelen van diplomatieke-, economische en militaire aard
      voor te schrijven tegen de agressor en uiteindelijk werd ook besloten om tot
      strafrechtelijke veroordeling over te gaan. Ten tijde van de Volkenbond betekende
      dit alleen nog de veroordeling van oorlog als een een instrument van nationale
      politiek en het toenemend gebruik om aanvalsoorlogen als een misdrijf te
      kwalificeren zonder daaraan overigens een eigen juridische betekenis toe te
      kennen en daarom ook zonder juridische gevolgen. Er bestond wel
      overeenstemming over de onwettigheid van een aanvalsoorlog, maar er was
      duidelijk verschil van inzicht over het strafwaardig karakter ervan.
      Deze onduidelijkheid strekte zich ook uit tot vragen naar de betekenis van het
      legaliteitsbeginsel, naar de toepassing van het strafrecht op een staat, naar de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>ontwikkeling van het internationale recht terzake en naar de politieke
wenselijkheid van bestraffing van agressie.
De grote verdienste van het IMT van Neurenberg is geweest om het beginnen van
een oorlog in verband te brengen met de criminele gevolgen die een oorlog
oproept. Het is dit totale criminele proces, dat de basis vormt voor de
strafrechtelijke veroordeling van individuen die daarvoor verantwoordelijk zijn
geweest.
Vervolgens is lang gediscussieerd over de vraag hoe de rechtsregels moeten luiden
en of het aanvaardbaar was om het aan de rechtsspraak over te laten de beginselen
van Neurenberg en de ontwikkelingen van het internationaal strafrecht toe te
passen ook zonder dat deze zijn uitgewerkt in een Code.
De conclusie is gerechtvaardigd dat het mogelijk is om tot berechting van daders
van het misdrijf agressie over te gaan ook zonder dat het misdrijf van agressie in
een Code is uitgewerkt. De uitspraak van het IMT van Neurenberg en de
ontwikkelingen van het internationaal strafrecht sindsdien bieden hiervoor een
genoegzame basis.
In beginsel bevestigt artikel 5 van het Statuut dit uitgangspunt. Vooruitlopend op
een definitie van agressie kwalificeert het Statuut het misdrijf van agressie als
behorend tot de "most serious crimes of concern to the international community as
a whole".
Vraagpunt 1
In het licht van het voorafgaande zou de Adviescommissie kunnen beginnen
met de vaststelling dat een definitie van het misdrijf van agressie geen
voorwaarde is om het strafwaardig karakter van dit misdrijf vast te stellen.
Het was duidelijk dat de periode van de koude oorlog niet het klimaat schiep om
aan een rechter het vertrouwen te schenken individuen als schuldig aan agressie te
veroordelen zonder over een duidelijke definitie daarvan te beschikken.
Pas in de negentiger jaren na de glasnost werd het proces van codificatie weer
serieus ter hand genomen. Het accent kwam vervolgens echter meer te liggen bij
de oprichting van een Internationaal Strafhof, met name als gevolg van de
oprichting van de Ad Hoc Tribunalen voor Joegoslavie en Rwanda. Het misdrijf
van agressie was weliswaar niet inbegrepen bij de misdrijven waarover deze
Tribunalen bevoegd waren te oordelen, maar de oprichting en hun functioneren
hebben bijgedragen aan de overtuiging dat een internationaal strafhof niet langer
meer een droombeeld is.
De grotere bereidheid in de internationale gemeenschap om tot instelling van een
internationaal strafhof over te gaan, betekent niet dat daarmee tevens een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>bereidheid bestaat om dit Hof een grote mate van beoordelingsvrijheid toe te staan.
Het tegendeel is gebleken in de onderhandelingen. Het Statuut is in de loop der tijd
steeds gedetailleerder geworden teneinde zorgen van staten weg te nemen. Deze
zorgen waren deels ingegeven door wantrouwen of de kwaliteit van een
internationale rechtspraak wel voldoende gewaarborgd is. De onderhandelingen
over de elementen van de misdrijven, die onlangs in New York zijn afgerond,
vormen een treffende illustratie van dit verschijnsel. Het is daarom realistisch te
veronderstellen dat ook ten aanzien van agressie de tendens zal zijn om in het
Statuut meer in detail te treden en niet te veel aan het Hof over te laten.
Uit de hierboven geschetste historische ontwikkelingen met betrekking tot agressie
kan men opmaken dat de kern van het vraagstuk is het functioneren van het
collectieve veiligheidssysteem, eerst in de Volkenbond en vervolgens in het
Handvest van de Verenigde Naties.
Voor de ILC is een belangrijk uitgangspunt dat men niet schuldig kan zijn aan het
misdrijf agressie zonder dat is vastgesteld dat een Staat zich heeft schuldig
gemaakt aan agressie. De overweging daarbij is dat agressie, naar haar aard, wordt
gepleegd door de autoriteiten van een Staat, die de macht en het gezag hebben om
agressie te organiseren. Het zou niet aangaan om individuen voor dit misdrijf te
berechten, terwijl de Staat waar deze individuen afkomstig uit zijn, buiten schot
zou blijven.
De ILC ging er in 1994 tevens van uit dat een aanklacht inzake agressie bij het
Hof niet ontvankelijk is tenzij de Veiligheidsraad eerst heeft vastgesteld dat de
betrokken staat agressie heeft gepleegd. Op deze wijze wordt voorkomen dat het
veiligheidssysteem wordt aangetast. Na een dergelijke vaststelling door de
Veiligheidsraad zal het Hof vervolgens kunnen vaststellen of sprake is van
individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid bij dit plegen van agressie door de
staat. Op deze wijze wordt de vraag of sprake is van een agressie gelegd bij het
politieke orgaan waaraan de bevoegdheid voor de instandhouding van vrede en
veiligheid is opgedragen.
In het ontwerp voor de Code van 1996 liet de ILC de beantwoording van de vraag
of agressie van een staat - die conditio sine qua non is voor de individuele
strafrechtelijke aansprakelijkheid - in strijd met artikel 2 (4) Handvest voldoende
ernstig is om individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid aan te nemen, over
aan het Hof.
Niet geheel duidelijk is, of de ILC de vaststelling of een staat agressie heeft
gepleegd niet langer exclusief bij de Veiligheidsraad legt. Zou dat het geval zijn,
dan kan dit tot gevolg hebben een verschil van inzicht tussen de Veiligheidsraad
en het Hof bij het vaststellen of een staat schuldig is aan agressie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Men kan zich daarbij vervolgens afvragen of het Internationaal Strafhof voldoende
is toegerust om vast te stellen of agressie is gepleegd en of deze voldoende ernstig
is om individuele verdachten te berechten.
Hoe meer bevoegdheid aan het Internationaal Strafhof terzake wordt gegeven, hoe
uitvoeriger de bepalingen in het Statuut zullen moeten worden. Dit alles zal het
bereiken van overeenstemming ongetwijfeld niet bevorderen.
Vraagpunt 2
Het zal noodzakelijk zijn voor de Adviescommissie zich uit te spreken over de
vraag welke opstelling ten aanzien van de rol van de Veiligheidsraad het meest
wenselijk wordt geacht, aangezien dit een van de kernproblemen is bij de
uitwerking van een bepaling voor agressie.
Vraagpunt 3
Welke bepaling moet over het misdrijf van agressie in het Statuut worden
opgenomen?
Vraagpunt 4
Gesteld dat de Adviescommissie het wenselijk zou achten dat daarin ook een
definitie van agressie wordt opgenomen, hoe zou die definitie dan moeten
luiden?
Daarbij dient te worden overwogen dat de functie van een definitie in het Statuut
is de rechter een handvat te bieden om vast te stellen of iemand persoonlijk
aansprakelijk is voor agressie. Deze functie verschilt fundamenteel van die van
een definitie in het kader van het Handvest, die de organen van de VN een handvat
biedt bij de uitoefening van hun bevoegdheden ingevolge het Handvest.
Een definitie van agressie zal vanwege deze verschillende functies niet dezelfde
zijn voor deze beide situaties.
De kern van het misdrijf agressie is het beginnen met het gebruik van gewapend
geweld gericht tegen de politieke onafhankelijkheid en territoriale integriteit van
een staat. In dit verband wijs ik op de verschillen die in de loop der tijden zijn
opgetreden sinds de uitspraak van het IMT van Neurenberg. Duidelijk is echter
ook dat niet elk gebruik van gewapend geweld als daad van agressie kan worden
aangemerkt.
Vraagpunt 5
Is het mogelijk een tekst uit te werken die aangeeft welke daden van geweld
bestanddeel zijn van het misdrijf agressie.
Tenslotte is het van belang na te gaan hoe een bepaling inzake agressie kan
worden ingepast in het Statuut. Het Statuut is in feite een internationaal wetboek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>van strafrecht en van strafprocedure, met daarin algemene beginselen van
strafrecht (artikelen 22-33). Laatstelijk zijn de elementen van de misdrijven
toegevoegd.
In het ontwerp van de ILC van de Code van 1996 is een onderscheid aangebracht
tussen het misdrijf van agressie enerzijds en de drie andere kernmisdrijven
anderzijds. Het complementariteitsbeginsel wordt in het geval van agressie niet
van toepassing verklaard. Maar kan het daarbij blijven?
Indien de Adviescommissie internationale strafrechtjuristen uitnodigt voor haar
vergadering over dit onderwerp, zal het nuttig zijn hen in het bijzonder ook deze
vraag voor te leggen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>