<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                 COMMISSIE VAN ADVIES
       INZAKE VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN
                         ADVIES
                       INZAKE DE
UNITED NATIONS CONVENTION ON JURISDICTIONAL IMMUNITIES
            OF STATES AND THEIR PROPERTY
                      ADVIES NO. 17
                  DEN HAAG, 19 MEI 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>INHOUDSOPGAVE
Inleiding                                                                               1
Hoofdstuk I – Staatsimmuniteit                                                          2
Hoofdstuk II – De United Nations Convention on Jurisdictional
Immunities of States and Their Property                                                 5
Hoofdstuk III – De Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten                7
Hoofdstuk IV – Visie en adviezen van de CAVV                                            9
        (1) Inleiding                                                                   9
        (2) Commerciële transacties                                                    12
        (3) Modaliteiten ter effectuering van staatsimmuniteit                         15
        (4) Arbeidsovereenkomsten                                                      18
        (5) Persoonlijke letselschade en schade aan eigendommen                        23
        (6) Conservatoire en executoire dwangmaatregelen                               27
        (7) Procesmatige aspecten – Betekening en verstekvonnissen                     28
        (8) Conclusie                                                                  30
Bijlagen:
1. Samenstelling Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
2. Adviesaanvraag (Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 december 2005)
3. United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>INLEIDING
1. Op 19 december 2005 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de Commissie van
advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken gevraagd een advies uit te brengen over de
op 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangeno-
men United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property
(hierna: de Conventie).
2. De Minister verzocht de CAVV om, rekening houdend met eerder gegeven adviezen in
het ontwerpstadium van de Conventie 1 , in het bijzonder te adviseren over de verhouding
van de Conventie tot het Europees Verdrag inzake de immuniteit van Staten (Bazel, 16
mei 1972) 2 , alsmede tot het algemene volkenrecht, mede in het licht van de Nederlandse
jurisprudentie en staatspraktijk op het gebied van staatsimmuniteit. Het advies van de
CAVV wordt betrokken bij de beslissingen over de ondertekening van de Conventie en
eventuele verklaringen of voorbehouden daarbij.
3. Dit Advies omvat in Hoofdstuk I een algemene introductie tot het begrip staatsimmuni-
teit. Hoofdstuk II behelst een korte bespreking van de Conventie. Het Europees Verdrag
inzake de immuniteit van Staten vormt het onderwerp van hoofdstuk III. In hoofdstuk IV
wordt aandacht gegeven aan de bepalingen van de Conventie die door de CAVV, met het
oog op het doel van de Adviesaanvraag, zijn geïnventariseerd als mogelijke probleem-
punten.
4. De teksten van de Adviesaanvraag van 19 december 2005 en van de United Nations
Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property zijn bijgevoegd.
1
  Commentaar inzake: Immuniteit van Staten en hun eigendom; de ontwerp-artikelen van de International Law
Commission (14 oktober 1999); Advies inzake de ontwerp-artikelen van de International Law Commission
inzake immuniteit van Staten en hun eigendom (8 juli 1992); Immuniteit van Staten en hun eigendom (21
januari 1988).
2
  Trb. 1973, 43; 1985, 38.
1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>HOOFDSTUK I - STAATSIMMUNITEIT
5. Het beginsel van staatsimmuniteit is een belangrijke pijler van de internationale samen-
leving. Het brengt met zich mee dat, behoudens zekere uitzonderingen, een staat geen
rechtsmacht mag uitoefenen over een vreemde staat. Hierdoor is het beginsel een voor-
waarde voor het vreedzaam naast elkaar bestaan van staten.
6. De territoriale jurisdictie van een staat is binnen eigen grondgebied in beginsel onbe-
perkt. Het volkenrecht voorziet echter in een aantal uitzonderingen op dit algemene prin-
cipe. Een belangrijke beperking van het staatsgezag binnen het eigen grondgebied van
een staat betreft vreemde staten en daarmee gelijkgestelde personen en eenheden. Deze
beperking is het gevolg van het volkenrechtelijke grondbeginsel dat staten soevereine
gelijkheid genieten en van het adagium par in parem non habet imperium, dat inhoudt dat
men geen gezag kan uitoefenen over zijns gelijke.
7. De meest praktische manifestatie van het beginsel van staatsimmuniteit is, dat de rech-
ter van een staat niet mag oordelen over het gedrag van een andere staat. Meer concreet
komt dit erop neer, dat een rechter in staat A geen vonnis kan wijzen in een zaak tegen
staat B. De rechter in staat A zal geen jurisdictie kunnen uitoefenen ten aanzien van staat
B omwille van de immuniteit waarop staat B aanspraak kan maken.
8. De regel van staatsimmuniteit leidde in het verleden zelden tot problemen, omdat deze
algemeen en onbeperkt werd toegepast. Deze absolute staatsimmuniteit hield in, dat het
de rechter van staat A niet was toegestaan jurisdictie uit te oefenen met betrekking tot
enige door staat B of één van zijn organen of eenheden verrichte handeling.
9. In deze situatie kwam gaandeweg wijziging, omdat staten in toenemende mate, al dan
niet via staatsondernemingen, gingen deelnemen aan het economisch verkeer. Zij deden
dit op dezelfde wijze als de doorsnee particulier. Dit leidde tot de vraag of het wel redelijk
was de staatsimmuniteit te handhaven ten opzichte van particuliere wederpartijen van
staten die in het buitenland transacties verrichten. In de loop van de tijd ontstond dan ook
een onderscheid tussen, enerzijds, typische overheidshandelingen, de zogenaamde acta
iure imperii, en, anderzijds, de zogenaamde acta iure gestionis, handelingen die een staat
of een van zijn organen of eenheden verricht in het kader van deelname aan het
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>economisch verkeer op gelijke wijze als particulieren. De staatsimmuniteit bleef alleen
behouden voor de acta iure imperii.
10. Het onderscheid tussen overheidshandelingen en commerciële transacties wordt na-
der besproken in paragraaf IV(2) van dit Advies.
11. Het beginsel van staatsimmuniteit is voornamelijk tot stand gekomen op basis van de
praktijk van staten. Het is voldoende gevestigd en consistent om te concluderen dat het
internationale gewoonterecht de algemene regel omvat dat vreemde staten immuniteit
van jurisdictie genieten. 3 De wijze van totstandkoming van het beginsel van staatsimmu-
niteit brengt echter met zich mee, dat het beleid dat staten op basis van wetgeving en
jurisprudentie voeren, op een aantal punten onderling verschilt.
12. Het beginsel van gematigd relatieve staatsimmuniteit heeft in 1972 bevestiging gevon-
den in de Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten (hierna: Europese
Overeenkomst). 4 In lijn met het gewoonterecht weerspiegelt deze Overeenkomst echter,
zoals zal blijken uit hoofdstuk IV, de verscheidenheid in de toepassing van het beginsel.
Het laat de partijen de mogelijkheid tot diversiteit in de invulling van bepaalde punten.
13. In december 1977 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Inter-
national Law Commission (ILC) gevraagd haar werkzaamheden over de codificatie van
het onderwerp ‘immuniteit van jurisdictie van staten en staatseigendom’ aan te vangen.
De Algemene Vergadering heeft de Convention on Jurisdictional Immunities of States and
Their Property op 2 december 2004 aangenomen. 5 De Conventie heeft tot doel meer har-
monisatie en uniformiteit te brengen in de staatspraktijk ter zake.
14. Evenals de Europese Overeenkomst laat de Conventie, zoals in hoofdstuk IV zal
blijken, op een aantal punten mogelijkheden voor de specifieke invulling van de staats-
praktijk. Zo wordt geen duidelijke afbakening gegeven van acta iure imperii en acta iure
gestionis. Deze afbakening is bepalend voor het al of niet bestaan van staatimmuniteit en
is derhalve relevant voor een aantal artikelen van de Conventie.
Significant in dit verband is ook, dat de Conventie geen artikel omvat, inhoudend dat er
geen voorbehouden mogen worden gemaakt of dat deze slechts met betrekking tot be-
3
  Zie R. Jennings en A. Watts, Oppenheim’s International Law, 9e ed. (Londen, Longman 1996) p. 342 e.v.
4
  Zie voetnoot 2.
5
  UN Resolutie A/RES/59/38.
3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>paalde bepalingen zijn geoorloofd. Derhalve geldt de internationaalrechtelijke regel dat
voorbehouden mogen worden gemaakt, mits deze geen inbreuk vormen op het voorwerp
en doel van een verdrag. 6
6
  Zie artikel 19 van het Verdrag inzake het verdragenrecht (Wenen, 23 mei 1969; Trb. 1972, 51; 1977, 169),
dat luidt als volgt: ‘Een Staat kan op het ogenblik van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
van een verdrag of toetreding tot een verdrag een voorbehoud maken, tenzij: (a) dit voorbehoud is verboden door
het verdrag; (b) het verdrag bepaalt dat slechts bepaalde voorbehouden, waaronder niet het voorbehoud in
kwestie, kunnen worden gemaakt; of (c) voor zover het andere gevallen dan omschreven onder (a) en (b) betreft,
het voorbehoud niet verenigbaar is met voorwerp en doel van het verdrag’.
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>HOOFDSTUK II – DE UNITED NATIONS CONVENTION ON JURISDICTIONAL
IMMUNITIES OF STATES AND THEIR PROPERTY
15. De voorbereiding van de Conventie heeft enkele decennia geduurd. 7 In verschillende
stadia van de besprekingen in VN-verband werd de lidstaten van de VN gevraagd schrif-
telijk te reageren op ontwerp-artikelen. In dit verband heeft de CAVV in 1988, 1992 en
1999 adviezen uitgebracht, die een rol hebben gespeeld bij de Nederlandse schriftelijke
reacties. 8
16. De Conventie kan tot 17 januari 2007 door alle staten worden ondertekend. Daarna
kunnen staten partij worden door toetreding. 9
17. In de preambule van de Conventie wordt gewezen op het belang van eenheid en dui-
delijkheid op het gebied van staatsimmuniteit en de rol die de Conventie daarin speelt,
alsmede op de brede steun die de Conventie ondervindt.
18. De preambule bevestigt, dat de regels van internationaal gewoonterecht bij voort-
during bepalend blijven voor aangelegenheden die niet door de Conventie worden gere-
geld. In dit verband dient in het bijzonder de aandacht te worden gevestigd op het huma-
nitair oorlogsrecht.
19. De Conventie omvat, naast de preambule, 33 artikelen die zijn ondergebracht in zes
hoofdstukken. Artikel 1 van hoofdstuk I (Introduction) betreft de reikwijdte van de Conven-
tie. In artikel 2 wordt een aantal termen gedefinieerd en in artikel 3 worden de privileges
en immuniteiten beschreven die buiten de Conventie blijven. Artikel 4 regelt dat de Con-
ventie in principe geen terugwerkende kracht geniet.
Hoofdstuk II (General principles) vormt samen met Hoofdstuk III (Proceedings in which
State immunity cannot be invoked) de kern van het verdrag. In artikel 5 van hoofdstuk III
staat de algemene volkenrechtelijke regel dat staten immuniteit genieten van de jurisdictie
van rechters van andere staten. Artikel 6 benadert deze zelfde algemene regel vanuit een
andere positie, namelijk vanuit de staat waar een vreemde staat voor een rechter wordt
gedaagd (de forumstaat). Bij de bespreking van artikel 6, eerste lid, werd door de ILC ge-
steld, dat deze bepaling de staatsimmuniteit beziet ‘from a different standpoint by placing
7
  Zie voor een chronologisch overzicht van de totstandkoming van de Conventie www.un.org
untreaty.un.org/ilc/summaries/4_1.htm.
8
  Zie voetnoot 1.
9
  Artikel 28 Conventie.
5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>emphasis on the obligation incumbent upon a State to refrain from exercising jurisdiction
in a proceeding against another State’. 10 Artikel 6, tweede lid, en de artikelen 7, 8 en 9
betreffen uitzonderingen op de staatsimmuniteit op basis van expliciete of impliciete in-
stemming van de vreemde staat.
Hoofdstuk III van de Conventie betreft handelingen waarin in principe geen beroep op
staatsimmuniteit kan worden gedaan. De artikelen 10 tot en met 17 van dit onderdeel om-
vatten veelal een hoofdregel die stelt dat de vreemde staat zich niet kan beroepen op
immuniteit en vervolgens een aantal uitzonderingen op of verbijzonderingen van deze
regel.
Hoofdstuk IV (State immunity from measures of constraint in connection with proceedings
before a court) betreft dwangmaatregelen tegen vreemde staten en de hoofdstukken V en
VI (Miscellaneous provisions en Final clauses) omvatten respectievelijk diverse bepalin-
gen, waarbij de nadruk ligt op de procesmatige aspecten van rechtsgedingen, en de slot-
bepalingen.
De Conventie omvat voorts een bijlage met Understandings with respect to certain provi-
sions of the Convention, namelijk bij de artikelen 10, 11, 13 en 14, 17 en 19.
10
   Yearbook of the International Law Commission 1981, Vol. II Part Two; Report of the Commission to the
General Assembly on the work of its thirty-third session, para. 219.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>HOOFDSTUK III – DE EUROPESE OVEREENKOMST INZAKE DE IMMUNITEIT VAN
STATEN
20. De Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten en Aanvullend Protocol
trad op 11 juni 1976 in werking. 11 Nederland werd partij bij de Europese Overeenkomst in
de verwachting dat deze orde zou scheppen in het rechtsgebied van de staatimmuniteit. 12
Bij de Overeenkomst zijn thans evenwel, naast Nederland, slechts zeven (Europese) sta-
ten partij. 13 De Overeenkomst is in de dertig jaar van zijn bestaan voor zover bekend niet
toegepast in Nederland. Wel wordt in algemene zin in nationale en EHRM-jurisprudentie
                                           14
naar de Overeenkomst verwezen.
21. In hoofdstuk IV worden, waar relevant, de betreffende bepalingen van de Europese
Overeenkomst beschreven.
22. Gelet op artikel 26 van de Conventie en artikel 33 van de Europese Overeenkomst is
een beslissing over de relatie tussen de Conventie en de Europese Overeenkomst naar
de mening van de CAVV van belang. Deze bepalingen luiden respectievelijk:
           Artikel 26 Conventie:
           Nothing in the present Convention shall affect the rights and obligations of States Parties
           under existing international agreements which relate to matters dealt with in the present
           Convention as between the parties to those agreements.
           Artikel 33 Europese Overeenkomst:
           Nothing in the present Convention shall affect existing and future international agreements
           in special fields which relate to matters dealt with in the present Convention. 15
11
    Zie voetnoot 2.
12
    TK 1981/82, 17485, nr. 3 (Memorie van Toelichting) p. 5.
13
    Namelijk België, Cyprus, Duitsland, Luxemburg, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland.
14
    Zie bijvoorbeeld HR 12 november 1999, NJ 2001/567; Rb. ’s-Gravenhage, 4 februari 1998, Jurisprudentie
Arbeidsrecht (1998), No. 67. Deze verwijzingen gaan samen met verwijzingen naar het gewoonterecht en
naar in het betreffende geval relevante specifieke verdragen, bijv. het Verdrag tot het vaststellen van
eenvormige regelen betreffende de immuniteit van staatsschepen (Brussel, 10 april 1926, Stb. 1936, 98) en
het Verdrag tussen Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun
krijgsmachten (Londen, 19 juni 1951, Trb. 1951, 114; 1953, 10). Zie voetnoot 20 voor EHRM-jurisprudentie.
15
    ‘De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de gesloten of nog te sluiten internationale
overeenkomsten die, op bijzondere terreinen, in verband staan met vraagstukken die het onderwerp vormen
van deze Overeenkomst’.
7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  24. De ambtelijk adviseur van de CAVV heeft medegedeeld dat tussen de
  partijen bij de Europese Overeenkomst overleg plaatsvindt over de relatie
  tussen de Conventie en de Overeenkomst. De CAVV acht het betreffende
  overleg zinvol. Gelet op deze besprekingen wenst de CAVV zich nu niet uit te
  spreken over de eventuele opzegging van de Europese Overeenkomst. Zij
  vraagt de aandacht voor het mondiale karakter van de Conventie vanwege
  de wenselijkheid om eenvormigheid op dit gebied te bereiken.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>HOOFDSTUK IV - VISIE EN ADVIEZEN VAN DE CAVV
(1) INLEIDING
25. Uitgangspunt voor de CAVV is een evenwicht na te streven tussen de behoefte aan
bescherming van het staatsbelang in de deelname van staten als staat aan het rechts-
verkeer met particulieren en de noodzaak, gelet op de positie van het individu in de inter-
nationale rechtsorde, voldoende rechtsbescherming te bieden aan particuliere eisers bij
hun pogingen recht te verkrijgen tegen een vreemde staat wanneer deze op dezelfde wij-
ze als de particulier deelneemt aan het rechtsverkeer.
26. Het wederkerigheidsprincipe brengt overigens met zich mee, dat toepassing van de
Conventie in een aantal situaties een effect zal hebben op de positie van de Nederlandse
staat in procedures die particulieren hebben aangespannen voor een vreemde rechtbank.
27. De rechtsbeschermingsgraad voor de particulier kan in een procedure die plaatsvindt
voor een Nederlandse rechter tegen een vreemde staat verschillend zijn ten opzichte van
de bescherming van een particulier in een procedure tegen de Nederlandse staat voor
een vreemde rechter: dit is immers afhankelijk van de positie van de forumstaat, binnen
de grenzen van de Conventie, met betrekking tot de keuze van het criterium voor de be-
paling van een commerciële transactie.
28. De Nederlandse rechtspraktijk erkent uitdrukkelijk de gematigd relatieve immuniteits-
leer. 16 In 1969 stelde het Hof te ’s-Gravenhage het volgende:
          ‘De opvatting, die lang als een ongeschreven regel van volkenrecht heeft gegolden, dat
          een souvereine staat niet tegen zijn wil aan de rechtsmacht van een andere staat is onder-
          worpen, kan in de tegenwoordige tijd niet meer als een regel van volkenrecht worden be-
          schouwd. Thans geldt de meer beperkte regel, dat een staat alleen ter zake van acta jure
          imperii – zuivere overheidhandelingen – aan de rechtsmacht van een andere staat is
          onttrokken, niet ter zake van andere handelingen – zgn. acta jure gestionis …’ 17
29. Zoals gesteld wordt in de Nederlandse rechtspraktijk in voorkomend geval verwezen
naar het internationale gewoonterecht, alsmede naar de Europese Overeenkomst. 18
16
   Zie paragraaf 12.
17
   Hof ’s-Gravenhage, 28 november 1968. NJ 1969/484. Zie ook Rb. Amsterdam, 4 februari 1976, NJ
1977/202.
18
   Zie paragraaf 20 en voetnoot 14.
9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>30. De CAVV heeft, met het oog op het verzoek van de Minister, geïnventariseerd, welke
bepalingen van de Conventie tot problemen zouden kunnen leiden gezien het algemene
volkenrecht, mede in het licht van de Nederlandse jurisprudentie en staatspraktijk op het
gebied van staatsimmuniteit. Dit leidt tot advisering inzake acht bepalingen van de Con-
ventie. Bij drie van deze bepalingen (namelijk artikel 2, tweede lid (commerciële trans-
acties), artikel 11 (arbeidsovereenkomsten) en artikel 19 (executoire dwangmaatregelen)
is het onderscheid tussen acta iure gestionis en acta iure imperii rechtstreeks van belang.
Artikel 19 zal worden besproken in samenhang met artikel 18 (conservatoire dwangmaat-
regelen).
31. Artikel 6, eerste lid, dat uitdrukkelijk de bestaande, aan staatsimmuniteit inherente ver-
plichting vastlegt voor de forumstaat om te verzekeren dat zijn rechters deze immuniteit
eerbiedigen, behoeft eveneens de aandacht.
32. Het is voorts wenselijk te adviseren over artikel 12, dat regelt dat een staat in principe
niet immuun is bij gedingen inzake persoonlijke letselschade en schade aan eigendom-
men.
33. Tot slot heeft de CAVV het aangewezen geacht de aandacht te vragen voor de artike-
len 22 en 23 over respectievelijk betekening en verstekvonnissen.
34. De CAVV heeft zich voorts de vraag gesteld in hoeverre de jurisprudentie van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens van belang is voor de beoordeling van de
Conventie. Van mogelijk belang zijn met name zaken waarin een klager een beroep doet
op artikel 6 EVRM en de gedaagde staat op staatsimmuniteit. Op grond van artikel 6
EVRM heeft elke persoon het recht om zijn burgerlijke rechten te laten vaststellen in een
eerlijk proces. 19 Een onbevoegdheidverklaring op grond van immuniteit staat aan dat
recht in de weg.
35. Op 21 november 2001 heeft het EHRM uitspraken gedaan in drie zaken waar het
betreffende probleem speelde. 20
19
   Trb. 1951, 154.
20
   Fogarty v. The United Kingdom (Application no. 37112/97) 21 november 2001. Deze zaak ging over
beweerdelijke discriminatie bij personeelswerving door de Amerikaanse ambassade te Londen. McElhinney v.
Ireland (Application no. 31253/96) 21 november 2001 betrof persoonlijke letselschade. Al-Adsani v. The
United Kingdom (Application no. 35763/97) 21 november 2001 betrof een beroep van klager op de Engelse
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>36. Bij een beroep op artikel 6 moet het EHRM ervan overtuigd zijn dat beperkingen van
dit recht, die mogelijk zijn omdat partijen bij het EVRM een zekere margin of appreciation
hebben, niet ertoe leiden dat de essentie van dit recht wordt geschaad. Bovendien is een
beperking niet in overeenstemming met artikel 6, indien deze geen legitiem doel
(legitimate aim) dient. Voorts moeten de middelen en het legitieme doel in een redelijke
verhouding van proportionaliteit tot elkaar staan.
37. In de genoemde zaken oordeelde het EHRM wat betreft de legitimate aim:
          ‘that sovereign immunity is a concept of international law, developed out of the principle par
          in parem non habet imperium, by virtue of which one State shall not be subject to the
          jurisdiction of another State. The Court considers that the grant of sovereign immunity to a
          State in civil proceedings pursues the legitimate aim of complying with international law to
          promote comity and good relations between States through the respect of another State’s
          sovereignty’. 21
38. Wat betreft de proportionaliteit van de beperking stelt het Hof in de drie zaken:
          ‘that measures taken by a High Contracting Party which reflect generally recognised rules
          of public international law on State immunity cannot in principle be regarded as imposing a
          disproportionate restriction on the right of access to court as embodied in Article 6(1). Just
          as the right of access to court is an inherent part of the fair trial guarantee in that Article, so
          some restrictions on access must likewise be regarded as inherent, an example being
          those limitations generally accepted by the community of nations as part of the doctrine of
          State immunity’. 22
39. Dit leidt de CAVV tot de conclusie dat het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens een vérgaand belang hecht aan staatsimmuniteit.
rechter in verband met beweerdelijke marteling in Koeweit. Zie ook Decision re Kalogeropoulou and others v.
Greece and Germany (Application no. 59021/00) 12 december 2002.
21
   Fogarty, para. 34; McElhinney, para. 35; Al-Adsani, para. 54.
22
   Fogarty, para. 36; Al-Adsani, para. 56; zie McElhinney, para. 37.
11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   40. Partij worden bij de Conventie geeft gezien de huidige stand van de EHRM-
   jurisprudentie geen probleem. Afgewacht zal moeten worden hoe het EHRM in
   de toekomst een afweging zal maken tussen enerzijds een beroep op staats-
   immuniteit en anderzijds een beroep op artikel 6 EVRM. Het is derhalve zinvol
   bij de ontwikkeling van het recht inzake staatsimmuniteit de rechtspraak in het
   kader van de EVRM in het oog te houden.
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>(2) COMMERCIËLE TRANSACTIES
41. De definitie van commerciële transacties is van belang, omdat een staat geen immuni-
teit geniet indien deze een commerciële transactie aangaat. 23
42. In het gewoonterecht bestaat geen eensluidende internationale definitie die de door-
slag kan geven bij de vaststelling of het gaat om een handeling iure imperii dan wel een
handeling iure gestionis. 24 Deze vraag wordt in de praktijk op twee manieren benaderd,
namelijk aan de hand van de aard van de handeling of het doel van de handeling. Indien
de aard van een handeling bepalend is, kan de betreffende handeling ook door particu-
lieren worden verricht. Is het doel van een handeling bepalend, dan wordt bezien of de
handeling is gericht op een typische overheidstaak. Het klassieke voorbeeld in dit verband
betreft de uitrusting van een leger. De aankoop van schoenen voor het leger is naar zijn
aard een handeling die heel wel door particulieren kan worden verricht. Het gaat derhalve
om een gewoon koopcontract. Beoordeeld naar het doel van de transactie vormt het ech-
ter een handeling iure imperii. De uitrusting van het leger is immers een typische over-
heidstaak.
43. De definitie van de term ‘commerciële transacties’ in artikel 2, tweede lid, van de Con-
ventie omvat een compromis. De bepaling luidt, voor zover relevant 25 :
           Use of terms
           1. For the purposes of the present Convention:
           […]
           (c)”commercial transaction” means:
           (i) any commercial contract or transaction for the sale of goods of supply of services;
           (ii) any contract for a loan or other transaction of a financial nature, including any obligation
           of guarantee or indemnity in respect of any such loan or transaction;
           (iii) any other contract or transaction of a commercial, industrial, trading or professional
           nature, but not including a contract of employment of persons.
           2. In determining whether a contract or transaction is a “commercial transaction” under
           paragraph 1(c), reference should be made primarily to the nature of the contract or
           transaction, but its purpose should also be taken into account if the parties of the contract
           or transaction have so agreed, or if, in the practice of the State of the forum, that purpose is
           relevant to determining the non-commercial character of the contract of transaction.
           […]
23
   Zie paragraaf 9.
24
   Artikel 24 van de Europese Overeenkomst laat de rechter zelf het onderscheid tussen acta iure imperii en
acta iure gestionis bepalen. Dit artikel bevat een facultatieve mogelijkheid voor een partij om – onder bepaalde
voorwaarden – de materiële bepalingen inzake immuniteit van jurisdictie van de Overeenkomst in de relatie
met een andere partij toe te passen, voor zover rechters ‘kennis kunnen nemen van gedingen tegen Staten
die geen partij zijn bij deze Overeenkomst’. Zie J. Spiegel, Vreemde Staten voor de Nederlandse rechter
(Amsterdam, Tjeenk Willink 2001), p. 45.
25
   Hoewel de tekst van de Conventie is bijgevoegd, worden de teksten van de betreffende bepalingen omwille
van de leesbaarheid geciteerd.
13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>44. De primaire regel in artikel 2, tweede lid, is, dat de aard van een contract of overeen-
komst doorslaggevend is bij de bepaling of het gaat om een commercieel contract of over-
eenkomst. Indien partijen evenwel anders zijn overeengekomen of als in de praktijk van
de forumstaat het doelcriterium wordt gehanteerd, wordt met dit criterium rekening gehou-
den. De toepassing van het aard- dan wel het doelcriterium kan tot zeer verschillende uit-
komsten leiden. Toepassing van het doelcriterium leidt in het algemeen tot een ruimere
immuniteit van de vreemde staat dan toepassing van het aardcriterium.
45. De Nederlandse rechter is geneigd de aard van de handeling als beslissend te be-
              26
schouwen.
46. De lagere rechtspraak hieromtrent werd in 1993 bevestigd door de Hoge Raad. In de
betreffende zaak was onderwerp van geschil of de toezegging van het Ministerie van Han-
delsscheepvaart te Moskou die strekte tot zekerheid van de nakoming van een koopover-
eenkomst tussen de betrokken handelspartijen kon worden opgevat als een handeling
van privaatrechtelijke aard. De Russische Federatie betoogde van niet, aangezien de
toezegging was gedaan ter bevordering van de economische belangen van de USSR. De
Hoge Raad oordeelde als volgt:
         ‘[…] deze omstandigheid kan wel verklaren wat het ministerie heeft bewogen tot het doen
         van de toezegging, maar brengt niet mee dat die handeling duidelijk het karakter van een
         overheidshandeling heeft. Beslissend is de aard, niet het motief van de handeling’. 27
47. In specifieke gevallen komt de Hoge Raad niet aan de toepassing van het aard- (of
                        28
doel)criterium toe.         In een geschil over een Amerikaans oorlogsschip dat in 1990, ten
tijde van de Golfoorlog, aanmeerde in Delfzijl en daar schade veroorzaakte aan kademu-
ren, waarna het Havenschap Delfzijl schadevergoeding vorderde, oordeelde de Hoge
Raad als volgt:
         ‘Het onderdeel stelt aldus de vraag aan de orde of op grond van ongeschreven regels van
         volkenrecht aan de VS immuniteit van jurisdictie toekomt ter zake van een vordering welke
         hier te lande is ontstaan uit hoofde van het gebruik door de VS van een aan de VS toebe-
         horend of door de VS geëxploiteerd schip, indien dit schip ten tijde van het ontstaan van de
         vordering de status had van oorlogsschip of militair bevoorradingsschip en uitsluitend werd
26
   Zie Spiegel, p. 44 e.v.; A. Nollkaemper, Kern van het internationaal publiekrecht (Den Haag, Boom
Juridische Uitgevers 2004) p. 161; W.G. Werner en R.A. Wessel, Internationaal en Europees Recht. Een
verkenning van grondslagen en kenmerken (Groningen, Europa Law Publishing 2005) p. 249.
27
   HR, 28 mei 1993, NJ 1994/329. Zie ook HR, 25 november 1994, NJ 1995/650.
28
   Nollkaemper, p. 161. Werner, p. 249.
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>        gebezigd ter vervulling van een militaire (dus niet-commerciële) overheidstaak. De vraag
        moet bevestigend worden beantwoord. Naar de huidige stand van het volkenrecht zijn
        vreemde staten ter zake van schuldvorderingen die hier te lande ontstaan uit hoofde van
        de exploitatie van aan hen toebehorende of door hen geëxploiteerde schepen die in het ka-
        der van de vervulling van een typische overheidstaak (zoals een militaire actie) worden ge-
        bezigd, niet onderworpen aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Hierbij is de
        aard van de handeling of gebeurtenis waaruit de vordering is ontstaan, niet van belang’. 29
48. Artikel 2 Conventie impliceert, dat een vreemde staat die in Nederland voor een rech-
ter dient te verschijnen in het kader van een transactie met een particulier een relatief be-
perkte immuniteit heeft. Indien de Nederlandse staat echter dient te verschijnen voor een
rechter van een forumstaat die het doelcriterium hanteert, is de Nederlandse immuniteit
evenwel betrekkelijk ruim. De bepaling zal ertoe leiden dat de uiteenlopende statenpraktijk
zal worden voortgezet.
49. De Conventie staat er niet aan in de weg dat Nederland zijn praktijk kan handhaven
op dit punt.
       50. De CAVV acht derhalve de toepassing van artikel 2, tweede lid, voor Neder-
       land niet problematisch.
29
   HR 12 november 1999, NJ 2001/567. Zie ook HR 22 september 2000, NJ 2001/568.
15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>(3) MODALITEITEN TER EFFECTUERING VAN STAATSIMMUNITEIT
51. De Conventie bevat in artikel 6, eerste lid, de uitdrukkelijke bevestiging van de regel
dat een forumstaat moet zekerstellen, dat zijn rechters op eigen initiatief bepalen of een
vreemde staat immuniteit geniet en dat deze rechters, indien er immuniteit bestaat, deze
ook eerbiedigen.
52. Artikel 6, eerste lid, luidt als volgt:
         Modalities for giving effect to State immunity
          1. A State shall give effect to State immunity under article 5 by refraining from exercising
          jurisdiction in a proceeding before its courts against another State and to that end shall
          ensure that its courts determine on their own initiative that the immunity of that other State
          under Article 5 is respected.
         53. De CAVV acht een voorbehoud met betrekking tot artikel 6, eerste lid,
         niet mogelijk, omdat dit in strijd is met het voorwerp en doel van de Conven-
         tie. 30
54. De betreffende regel geldt ook afgezien van de Conventie, en ook in zaken waarin de
vreemde staat niet verschijnt. Spiegel stelt hierover:
          ‘Een impliciete afstand van het beroep op immuniteit kan niet worden afgeleid uit een niet
          verschijnen van de vreemde staat. In de opsomming in de Europese Overeenkomst van
          gevallen waarin geen beroep op immuniteit mogelijk is, vindt men het niet verschijnen van
          een vreemde staat dan ook niet terug. Art. 15 bepaalt dat in alle andere gevallen (dan die
          in de opsomming genoemd) de vreemde staat immuniteit geniet. Ten overvloede bena-
          drukt dit artikel dat dit zelfs geldt wanneer de vreemde staat niet verschijnt’.
De schrijfster constateert, dat de Nederlandse rechter niet altijd een ambtshalve onder-
zoek naar de bevoegdheid doet. 31
30
   Zie paragraaf 14.
31
   Spiegel, p. 31. Zie ook HR, 25 november 1994, NJ 1995/650. Artikel 15 Europese Overeenkomst luidt:
‘Een Overeenkomstsluitende Staat geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht van de rechter van een
andere Overeenkomstsluitende Staat indien het geding niet wordt beheerst door de artikelen 1 tot en met 14;
de rechter mag geen kennis nemen van een dergelijk geding, zelfs niet indien de Staat niet verschijnt’
(cursivering toegevoegd).
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>55. De Nederlandse wetgeving kent de volgende mogelijkheden om nakoming van artikel
6, eerste lid, te bewerkstelligen.
56. Artikel 13a van de Wet Algemene Bepalingen omvat de volgende algemene verplich-
ting: ‘De regtsmagt van een regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van
                                                                                                  32
authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend’.
57. Een tweede mogelijkheid geeft artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet. 33 Deze
bepaling luidt als volgt:
          1. De gerechtsdeurwaarder die opdracht ontvangt tot het verrichten van een ambtshan-
          deling stelt, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden met de mogelijkheid dat het
          verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat, Onze
          Minister aanstonds van de ontvangen opdracht in kennis, op de wijze als bij ministeriële
          regeling is vastgesteld.
          2. Onze Minister kan een gerechtsdeurwaarder aanzeggen dat een ambtshandeling die
          aan hem is of zal worden opgedragen, dan wel door hem reeds is verricht, in strijd is met
          de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.
          3. Een aanzegging kan uitsluitend ambtshalve geschieden. In verband met de vereiste
          spoed kan een aanzegging mondeling geschieden, in welk geval zij onverwijld schriftelijk
          wordt bevestigd.
          4. Van de aanzegging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
          5. Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld
          in het tweede lid, de ambtshandeling nog niet verricht, dan heeft de aanzegging ten gevol-
          ge dat de gerechtsdeurwaarder niet bevoegd is tot het verrichten van deze ambtshande-
          ling. Een ambtshandeling die is verricht in strijd met de eerste volzin is nietig.
          6. Is op het tijdstip waarop de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt als bedoeld
          in het tweede lid, de ambtshandeling reeds verricht en behelsde deze een beslagexploot,
          dan betekent hij deze aanzegging aanstonds aan degene aan wie het exploot is gedaan,
          heft het beslag op en maakt de gevolgen daarvan ongedaan. De kosten van de betekening
          van de aanzegging komen ten laste van de Staat.
          7. De voorzieningenrechter kan, rechtdoende in kort geding, de gevolgen van de aanzeg-
          ging, bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de verplichtingen, bedoeld in het zesde lid,
          opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Indien de ambtshande-
          ling een beslag behelst is artikel 438, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechts-
          vordering van toepassing.
58. In de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen is het in principe niet mogelijk voor
de staat om, zoals in sommige staten het geval is, vooraf te interveniëren in een gerechte-
lijke procedure.
59. Aan vreemde staten die in Nederland voor de rechter worden gedaagd, wordt thans
geadviseerd zich te laten vertegenwoordigen en daarbij een beroep te doen op immuni-
teit. Zoals gesteld worden rechters geacht artikel 6, eerste lid, toe te passen, ook indien
32
   Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk (Stb. 1991, 606).
33
   Stb. 2004, 50.
17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>de vreemde staat niet verschijnt. Het verschijnen van een staat voor een rechter van een
andere staat kan overigens belangrijke kosten met zich meebrengen.
        60. De CAVV constateert, dat de mogelijkheden om nakoming te verzekeren
        van artikel 6, eerste lid, in Nederland beperkt zijn en acht dit een punt van zorg.
        De CAVV vraagt zich af, of nakoming van artikel 6, eerste lid, wel mogelijk is
        zonder specifieke wetgeving ter zake. Zij wijst op de volgende uitspraak van het
        Permanent Court of International Justice:
             ‘… a principle which is self-evident, according to which a State which has
             contracted valid international obligations is bound to make in its legislation such
             modifications as may be necessary to ensure the fulfilment of the obligations
             undertaken’. 34
        De CAVV wijst erop dat artikel 6, eerste lid, een zeker risico met zich mee-
        brengt, omdat nakoming in de praktijk niet in alle gevallen blijkt te kunnen wor-
        den verzekerd. De CAVV adviseert met betrekking tot artikel 6, eerste lid, dat
        van de kant van de regering contact wordt opgenomen met de Raad voor de
        Rechtspraak teneinde de mogelijkheid van een structurele oplossing te onder-
        zoeken, mogelijk inclusief wetswijzigingen.
34
   PCIJ, Exchange of Greek and Turkish Population, Series B, No. 10 (1925), para. 20.
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>(4) ARBEIDSOVEREENKOMSTEN
61. Een bijzondere plaats in het kader van commerciële transacties in de relatie tussen
staten en particulieren wordt ingenomen door arbeidsovereenkomsten. Het onderscheid
tussen acta iure imperii en acta iure gestionis werkt ook in dezen door.
62. De praktijk van staten verschilt wat betreft de mate waarin deze een werknemer van
(veelal) ambassades en consulaten de mogelijkheid geven om bij een arbeidsconflict een
geding aan te spannen tegen de zendstaat. In het algemeen wordt de mate waarin een
werknemer voor een vreemde staat soevereine taken verricht als onderscheidend crite-
rium gehanteerd. Omdat de forumstaat evenwel belang heeft bij de bescherming van zijn
ingezetenen, die in een arbeidsrelatie met een vreemde staat treden, ontstaat bij rechts-
gedingen over arbeidsconflicten spanning tussen de belangen van de vreemde staat en
de forumstaat.
63. Artikel 11 vormt onderdeel van hoofdstuk III van de Conventie, waarin de bepalingen
staan die in principe een uitzondering regelen op staatsimmuniteit. Artikel 11, eerste lid,
omvat de hoofdregel, dat een staat niet immuun is wat betreft arbeidscontracten. Het
tweede lid formuleert de uitzonderingen. De tekst van artikel 11 luidt:
        Contracts of employment
        1. Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity
        from jurisdiction before a court of another State, which is otherwise competent in a
        proceeding which relates to a contract of employment between the State and an individual
        for work performed or to be performed, in whole or in part, in the territory of that other
        State.
        2. Paragraph 1 does not apply if:
        (a) the employee has been recruited to perform particular functions in the exercise of
        governmental authority;
        (b) the employee is:
        (i) a diplomatic agent, as defined in the Vienna Convention on Diplomatic Relations of
        1961;
        (ii) a consular officer, as defined in the Vienna Convention on Consular Relations of 1963;
        (iii) a member of the diplomatic staff of a permanent mission to a international organization
        or of a special mission, or is recruited to represent a State at an international conference;
        or
        (iv) any other person enjoying diplomatic immunity;
        (c) the subject-matter of the proceeding is the recruitment, renewal of employment or
        reinstatement of an individual;
        (d) the subject-matter of the proceeding is the dismissal or termination of employment of an
        individual and, as determined by the head of State, the head of Government or the Minister
        for Foreign Affairs of the employer State, such a proceeding would interfere with the
        security interests of that State;
        (e) the employee is a national of the employer State at the time when the proceeding is
        instituted, unless this person has the permanent residence in the State of the forum; or
19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>         (f) the employer State and the employee have otherwise agreed in writing, subject to any
         considerations of public policy conferring on the courts of the State of the forum exclusive
         jurisdiction by reason of the subject-matter of the proceeding.
De bijlage bij de Conventie omvat een understanding met betrekking tot dit artikel 35 ,
luidend:
         The reference in article 11, paragraph 2 (d), to the “security interests” of the employer State
         is intended primarily to address matters of national security and the security of diplomatic
         missions and consular posts.
         Under Article 41 of the 1961 Vienna Convention on Diplomatic Relations and article 55 of
         the 1963 Vienna Convention on Consular Relations, all persons referred to in those articles
         have the duty to respect the laws and regulations, including labour laws, of the host
         country. At the same time, under article 38 of the 1961 Vienna Convention on Diplomatic
         Relations and article 71 of the 1963 Vienna Convention on Consular Relations, the
         receiving State has a duty to exercise its jurisdiction in such a manner as not to interfere
         unduly with the performance of the functions of the mission or the consular post.
64. De uitzonderingen in het tweede lid van artikel 11 betreffen:
     •    de aard van de functie (onder (a));
     •    de positie (inclusief nationaliteit) van de werknemer (onder (b) en (e));
     •    het veiligheidsbelang van de vreemde staat (onder (d));
     •    de mogelijkheid om expliciet schriftelijk immuniteit van jurisdictie overeen te komen
          (onder (f), alsmede
     •    een categorische uitzondering wat betreft de werving en de vernieuwing van
          contracten (onder (c)).
65. Uit het commentaar van de ILC op de ontwerp-artikelen blijkt, dat met de uitzondering
onder (a) wordt gedoeld op ‘private secretaries, code clerks, interpreters, translators and
other persons entrusted with functions related to state security or basic interests of the
state’, en ‘officials of established accreditation’. 36
66. De CAVV stelt vast dat deze invulling van artikel 11, tweede lid, onder (a) een redelijk
duidelijke afbakening geeft van de uitzonderingen die onder artikel 11, tweede lid, onder
(a) vallen. Deze sluit, voor zover kan worden nagegaan, aan bij de Nederlandse jurispru-
dentie.
67. Deze jurisprudentie hanteert als uitgangspunt, dat een arbeidscontract als privaatrech-
telijke handeling in beginsel geen grond voor immuniteit oplevert, en dat de aard van de
werkzaamheden die de werknemer verricht van doorslaggevend belang is. Spiegel wijst
35
   Zie paragraaf 19.
   General Assembly Official Records: 46th session, supplement No. 10 (A/46/10) p. 96.
36
20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>erop dat de jurisprudentie inzake de immuniteitsvraag bij arbeidscontracten is gevormd
sinds eind jaren zeventig. In de jurisprudentie die de schrijfster bespreekt, worden de
functies van een chauffeur, een administratieve kracht en een butler genoemd als naar
hun aard niet publiekrechtelijk. In de genoemde zaken speelt een rol, dat de betreffende
werknemers geen ambtelijke status hadden en geen immuniteit genoten. 37
68. De onderdelen (c) en (d) van het tweede lid hebben tot aan het eind van de onderhan-
delingen in VN-kader problemen gegeven. De CAVV heeft geconstateerd, dat de betref-
fende bepalingen niet stroken met de Nederlandse rechtspraktijk.
69. Met betrekking tot artikel 11, tweede lid, onder (c) van de Conventie wordt opgemerkt
dat in deze bepaling geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard van de functie die de
werknemer bekleedt. Dit heeft tot gevolg dat de staatsimmuniteit, ondanks het gestelde in
het eerste lid van artikel 11, zeer ruim is en geen ruimte laat voor een oordeel over de
aard van de functie dat, zoals gesteld, in de Nederlandse rechtspraktijk een belangrijke rol
speelt. De CAVV acht dit ongewenst, omdat dit de afweging tussen het belang van de
vreemde staat en de particuliere werknemer te zeer in het voordeel van de eerste doet
doorslaan. 38
70. De CAVV constateert voorts dat, op grond van artikel 11, tweede lid, onder (d), staats-
immuniteit wordt erkend, indien de betreffende staat voorziet in een verklaring van een
Staatshoofd, hoofd van de regering of Minister van Buitenlandse Zaken, inhoudend dat
een rechtsgeding de veiligheidsbelangen van de staat aantast. De Understanding met
betrekking tot deze bepaling biedt voorts weinig verduidelijking.
71. Wat betreft de veiligheidsbelangen van de vreemde staat verdient de zaak Van der
Hulst aandacht. Van der Hulst’s aanstelling als secretaresse bij de Amerikaanse ambas-
sade werd afhankelijk gesteld van een veiligheidsonderzoek. Toen dit niet bevredigend
was werd het arbeidscontract beëindigd, waarna Van der Hulst zich tot de rechter wend-
de. De Verenigde Staten voerde aan, dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was ken-
nis te nemen van de vordering omdat bij het aanstellen van personeel op een ambassade
met name overheidshandelingen in het geding zijn die te maken hebben met staatsimmu-
37
   Spiegel, p. 59 e.v., met name p. 68.
38
   Zie voetnoot 20. Uit een ‘concurring opinion’ van rechters Caflish, Costa en Vajić in de zaak Fogarty blijkt,
dat deze van mening zijn dat bij de werving van staf van een ambassade de belangen van de zendstaat
doorslaggevend zijn. Dat zou anders zijn ‘once the individual has been hired’.
21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>niteit. De aard van de functie speelde daarbij geen rol. De zaak kwam uiteindelijk bij de
Hoge Raad, die als volgt oordeelde:
          ‘Weliswaar moet in het algemeen worden aangenomen dat, zo een vreemde Staat in het
          gastland een overeenkomst van privaatrechtelijke aard aangaat, aan die Staat terzake van
          uit die overeenkomst voortvloeiende geschillen, geen beroep op immuniteit toekomt, en dat
          dit niet anders wordt, wanneer die Staat zich aan de eenmaal aanvaarde gebondenheid
          aan de overeenkomst wil onttrekken door middel van een typische overheidshandeling,
          doch deze hoofdregel is niet geheel zonder uitzonderingen. Aangenomen moet worden dat
          een dergelijke uitzondering zich hier voordoet, ook al zou Van der Hulst zich te dezen op
          een reeds tot stand gekomen arbeidsovereenkomst van privaatrechtelijke aard kunnen
          beroepen. Immers, bij het uitoefenen van zijn diplomatieke missie en van zijn consulaire
          diensten in het gastland dient een vreemde Staat de bevoegdheid te worden gelaten om
          door middel van het stipuleren van een beding als het onderhavige om redenen van
          staatsveiligheid het aangaan of voortbestaan van een overeenkomst als de onderhavige te
          laten afhangen van het – niet ter beoordeling van de wederpartij of de rechter van het
                                                                       39
          gastland staand – resultaat van het veiligheidsonderzoek’.
72. De kern van deze zaak is dat, ook indien een arbeidscontract als privaatrechtelijk
wordt aangemerkt, zodat de vreemde staat in principe geen immuniteit heeft, een publiek-
rechtelijke reden, namelijk staatsveiligheid, alsnog die immuniteit kan met zich kan bren-
gen.
73. Deze zaak kreeg een vervolg in de zaak waarin F.E.W.H zijn ontslag door de ambas-
sade van de Verenigde Staten van Amerika aanvocht. 40 De Rechtbank Den Haag ver-
wees in deze zaak naar de zaak Van der Hulst en stelde dat, ook indien het Nederlandse
rechters niet is toegestaan een oordeel te geven over een beweerdelijk veiligheidsrisico,
de rechter niettemin mag nagaan of het door de VS gewenste resultaat niet had kunnen
worden bereikt met minder vergaande middelen. De Rechtbank achtte het ontslag in het
onderhavige geval manifest onredelijk en vond het aangewezen dat de VS een compen-
satie betaalde.
74. Op basis van artikel 11, tweede lid, onder (d) wordt de mate waarin een Nederlandse
rechter in principe kan bepalen of sprake is van immuniteit vanwege veiligheidsbelangen,
alsmede de mate waarin hij een afweging kan maken tussen doel en middelen bepaald
door het gemak waarmee een vreemde staat de in artikel 11, tweede lid, onder (d) ge-
noemde verklaring kan produceren.
39
   HR 22 december 1989, NJ 1991/70.
40
   Rb. ’s-Gravenhage, 25 september 2002. Praktijkgids (2002) No. 5959. Zie ook Spiegel, p. 71.
22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>75. De CAVV is van oordeel, dat in de Nederlandse rechtspraktijk de mogelijkheid zou
moeten blijven bestaan om een verklaring die op grond van veiligheidsbelangen immuni-
teit met zich brengt, marginaal op de inhoud te toetsen en dat bovendien, zoals de Recht-
bank Den Haag in de zaak F.E.W.H. reeds heeft gedaan, met het oog op compensatie de
proportionaliteit tussen doel en middel moet kunnen worden getoetst.
76. Het gestelde in artikel 11, tweede lid, onder (e) en (f) geeft geen aanleiding tot opmer-
kingen.
       77. De CAVV acht het denkbaar dat bij de ondertekening van de Conventie met
       betrekking tot artikel 11, tweede lid, onder (c) en (d), een voorbehoud wordt ge-
       maakt gezien de door haar gesignaleerde van de Conventie afwijkende Neder-
       landse jurisprudentie. De CAVV prefereert de Nederlandse benadering boven
       die van de Conventie, omdat daarmee een grotere bescherming aan particu-
       lieren wordt geboden.
23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>(5) PERSOONLIJKE LETSELSCHADE EN SCHADE AAN EIGENDOMMEN
78. Met betrekking tot rechtsgedingen inzake persoonlijke letselschade en schade aan ei-
gendommen geldt als hoofdregel dat een staat niet immuun is. Artikel 12 luidt:
           Personal injury and damage to property
           Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity
           from jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a
           proceeding which relates to pecuniary compensation for death or injury to the person, or
           damage to or loss of tangible property, caused by an act or omission which is alleged to be
           attributable to the State, if the act or omission occurred in whole or in part in the territory of
           that other State and if the author of the act or omission was present in that territory at the
           time of the act or omission.
79. In haar Advies van 1999 heeft de CAVV geconstateerd, dat artikel 12 geen uitzonde-
ring maakt voor door een staat in de forumstaat verrichte gewelds- of oorlogshandelin-
gen. 41 De CAVV verwees in dit kader naar artikel 11 van de Europese Overeenkomst, dat
dezelfde materie betreft. Artikel 11 van de Europese Overeenkomst luidt:
           ‘A Contracting State cannot claim immunity from the jurisdiction of a court of another
           Contracting State in proceedings which relate to redress for injury to the person or damage
           to tangible property, if the facts which occasioned the injury or damage occurred in the
           territory of the State of the forum, and if the author of the injury or damage was present in
           that territory at the time when those facts occurred’.
80. De Europese Overeenkomst kent echter in artikel 31 een expliciete vrijwaring met be-
trekking tot deze bepaling. Artikel 31 luidt:
           ‘Nothing in this Convention shall affect any immunities or privileges enjoyed by a
           Contracting State in respect of anything done or omitted to be done by, or in relation to, its
           armed forces when on the territory of another Contracting State’. 42
81. In haar Advies van 1999 heeft de CAVV geadviseerd om artikel 12 van de Conventie
te handhaven, doch daarin een met artikel 31 van de Europese Overeenkomst vergelijk-
bare bepaling op te nemen.
41
   Zie voetnoot 1.
42
   De artikelen 11 en 31 van de Europese Overeenkomst luiden respectievelijk: ‘Een Overeenkomstsluitende
Staat kan geen beroep doen op immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht van de rechter van een andere
Overeenkomstsluitende Staat indien het geding betrekking heeft op vergoeding voor lichamelijk letsel of
materiële schade, voortvloeiende uit een gebeurtenis die zich heeft voorgedaan op het grondgebied van de
Staat van het forum, en indien de veroorzaker van het letsel of de schade zich op dat grondgebied bevond op
het tijdstip waarop die gebeurtenis zich heeft voorgedaan’. ‘De bepalingen van deze Overeenkomst laten on-
verlet de immuniteiten en voorrechten die een Overeenkomstsluitende Staat geniet met betrekking tot elke
handeling of nalatigheid begaan door of in verband met zijn strijdkrachten wanneer deze zich bevinden op het
grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Staat’.
24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>82. Noch in artikel 12, noch elders in de Conventie is evenwel een dergelijke specifieke
uitzondering opgenomen.
83. De zinsnede ‘unless otherwise agreed’ in artikel 12 schept de mogelijkheid om door
middel van bi- of multilaterale regelingen inzake de status van troepen het risico dat Ne-
derland voor in het buitenland verrichte gewelds- of oorlogshandelingen voor de rechter
wordt gedaagd weg te nemen of te verkleinen.
84. Artikel 31 van de Europese Overeenkomst heeft echter een ruimere gelding, omdat
deze bepaling ook immuniteiten en privileges betreft die een staat op het grondgebied van
een andere staat met betrekking tot zijn gewapende macht ontleent aan het gewoonte-
recht.
85. Voorts verwijst de AVVN in Resolutie 59/38 naar de verklaring van de voorzitter van
het Ad Hoc Committee on Jurisdictional Immunities of States and Their Property bij zijn
introductie van het rapport van het Ad Hoc Committee tijdens de 59e zitting van de Zesde
Commissie van de Algemene Vergadering. Met betrekking tot artikel 12 luidt deze verkla-
ring als volgt:
        ‘One of the issues that had been raised was whether military activities were covered by the
        Convention. The general understanding had always prevailed that they were not. In any
        case, reference should be made to the Commission’s commentary on article 12, stating
        that “neither did the article affect the question of diplomatic immunities, as provided in
        article 3, nor did it apply to situations involving armed conflicts”(A/46/10, p. 114). It had to
        be borne in mind that the preamble stated that the rules of customary international law
        continued to govern matters not regulated by the provisions of the Convention’. 43
86. De Voorzitter van het Ad Hoc Committee benadrukt bovendien, dat het Commentaar
van de ILC, de rapporten van het Ad Hoc Committee en de AVVN-resolutie ‘would form
an important part of the travaux préparatoires of the Convention. That common reading of
the text of the Convention and the commentary would certainly clarify the text if certain
questions of interpretation remained’. 44
87. Met betrekking tot het optreden van de gewapende macht op het grondgebied van
een andere staat merkt de CAVV op, dat artikel 12 geen onderscheid maakt tussen scha-
de veroorzaakt door gewelds- of oorlogshandelingen en anderszins veroorzaakte schade
43
   UNGA A/C.6/59/SR.13, para. 36. Met ‘Commission’ wordt de ILC bedoeld. De verwijzing naar p. 114 in
A/46/10 moet zijn naar p. 106.
44
   UNGA A/C.6/59/SR.13, para. 35.
25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>(zoals schade die bijvoorbeeld ontstaat als bij militaire oefeningen over landbouwgronden
wordt gereden). In dit verband is ook relevant dat artikel 12 oorspronkelijk betrekking had
op door vreemde staten veroorzaakte schade in het wegverkeer. De bepaling betreft
voorts zowel opzettelijk als onopzettelijk handelen en maakt geen verschil tussen hande-
len iure imperii en iure gestionis. De CAVV is van mening dat deze onduidelijkheden de
mogelijkheid scheppen voor een te ruime toepassing van artikel 12.
88. Het handelen van een staat, op militair gebied en andere terreinen, kan, ook indien
het niet in strijd is met het internationale (humanitaire) recht, nationaal een onrechtmatige
daad inhouden. Weliswaar zal een rechter in dit verband eerst op basis van het
internationale privaatrecht dienen te bepalen of er sprake is van jurisdictie. Als dit niet het
geval is, komt hij niet toe aan een oordeel over immuniteit.
       89. Naar de mening van de CAVV zou met de EU partners dienen te worden
       besproken of ten aanzien van artikel 12 een interpretatieve verklaring kan wor-
       den afgelegd, waarin met betrekking tot het humanitair oorlogsrecht wordt ver-
       wezen naar de preambulaire bepaling dat de regels van internationaal gewoon-
       terecht bij voortduring aangelegenheden regelen die niet door de Conventie
       worden geregeld. De Verklaring van de Voorzitter en de verwijzing naar deze
       Verklaring in de AVVN-Resolutie, geven voldoende aanknopingspunten voor
       een dergelijke interpretatieve verklaring.
26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>(6) CONSERVATOIRE EN EXECUTOIRE DWANGMAATREGELEN
90. Artikel 18 en artikel 19 betreffen twee mogelijke stadia in een rechterlijke procedure,
waarbij een staat dwangmaatregelen kunnen worden opgelegd. In de praktijk zal dit met
name gevallen van beslaglegging betreffen. Artikel 18 en artikel 19 luiden respectievelijk:
         State immunity from pre-judgment measures of constraint
         No pre-judgment measures of constraint, such as attachment or arrest, against property of
         a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State
         unless and except to the extent that:
         (a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
         (i) by international agreement;
         (ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
         (iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between
         the parties has arisen; or
         (b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is
         the object of that proceeding.
         State immunity from post-judgment measures of constraint
         No post-judgment measures of constraint, such as attachment or arrest, against property of
         a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State
         unless and except to the extent that:
         (a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
         (i) by international agreement;
         (ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
         (iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between
         the parties has arisen; or
         (b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is
         the object of that proceeding; or
         (c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the
         State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the
         State of the forum, provided that post-judgment measures of constraint may only be taken
         against property that has a connection with the entity against which the proceeding was
         directed.
91. Indien op basis van artikel 18 voor de rechter van de forumstaat een conservatoir
beslag op een goed van een vreemde staat aan de orde komt, dient deze primair na te
gaan of hij jurisdictie heeft. Indien dit niet het geval is, kan er geen beslag plaatsvinden.
92. Indien de rechter jurisdictie heeft en er derhalve in principe conservatoir beslag kan
plaatsvinden, kan dit alleen geschieden indien een van de twee uitzonderingen van artikel
18 van toepassing is.
93. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt in het algemeen als criterium gehanteerd, of
een eigendom van een vreemde staat al dan niet bestemd is voor commerciële
doeleinden; anders gezegd: of het bestemd is voor de openbare dienst. 45 Nu artikel 18
45
   Zie Spiegel, p. 171 e.v.
27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>geen ruimte laat voor toepassing van dit criterium, zouden de mogelijkheden voor een
particulier om conservatoire dwangmaatregelen te nemen, zeer worden beperkt.
94. Indien een vreemde staat voor een rechter kan worden aangesproken omdat deze,
bijvoorbeeld voor acta iure gestionis, geen immuniteit geniet, dan nog doet zich het pro-
bleem voor dat een particulier het vonnis niet altijd ten uitvoer kan leggen. 46 Het is –
althans in principe – niet toegestaan een vonnis te executeren tegen eigendommen van
een vreemde staat die voor de openbare dienst worden gebruikt (bijvoorbeeld eigendom-
men van een ambassade, waaronder de bankrekening).
95. Artikel 19 kent, naast de twee aan artikel 18 gelijkluidende uitzonderingen, onder (c)
een derde uitzondering. Deze houdt in dat, als een particulier al een voor hem gunstig
vonnis heeft verkregen, bij de executie daarvan alsnog dient te worden nagegaan of het
gaat om een goed dat is bestemd voor de openbare dienst.
         96. De CAVV acht het aan te bevelen in ieder geval terzake van artikel 18 te
         overwegen een voorbehoud te maken.
46
   Nollkaemper, p. 163.
28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>(7) PROCESMATIGE ASPECTEN - BETEKENING EN VERSTEKVONNISSEN
96. Zoals gesteld betreft hoofdstuk V van de Conventie de procesmatige aspecten van
rechtszaken tegen vreemde staten. 47
97. Een summier onderzoek wijst op verschillen tussen de Nederlandse staatspraktijk en
de artikelen 22 en 23 van de Conventie. Deze luiden respectievelijk:
         Service of process
         1. Service of process by writ or other document instituting a proceeding against a State
         shall be effected:
         (a) in accordance with any applicable international convention binding on the State of the
         forum and the State concerned; or
         (b) in accordance with any special arrangement for service between the claimant and the
         State concerned, if not precluded by the law of the State of the forum; or
         (c) in absence of such a convention or special arrangement:
         (i) by transmission through diplomatic channels to the Ministry of Foreign Affairs of the
         State concerned; or
         (ii) by any other means accepted by the State concerned, if not precluded by the law of the
         State of the forum.
         2. Service of process referred to in paragraph 1(c)(i) is deemed to have been effected by
         receipt of the documents by the Ministry of Foreign Affairs.
         3. These documents shall be accompanied, if necessary, by a translation into the official
         language, or one of the official languages, of the State concerned.
         4. Any State that enters an appearance on the merits in the proceeding instituted against it
         may not thereafter assert that service of process did not comply with the provisions of
         paragraphs 1 and 3.
         Default judgment
         1. A default judgement shall not be rendered against a State unless the court has found
         that:
         (a) the requirements laid down in article 22, paragraphs 1 and 3, have been complied with;
         (b) a period of not less than four months has expired from the date on which the service of
         the writ or other document instituting a proceeding has been effected or deemed to have
         been effected in accordance with article 22, paragraphs 1 and 2; and
         (c) the present Convention does not preclude it from exercising jurisdiction.
         2. A copy of any default judgment rendered against a State, accompanied if necessary by a
         translation into the official language or one of the official languages of the State concerned,
         shall be transmitted to it through one of the means specified in article 22, paragraph 1, and
         in accordance with the provisions of that paragraph.
         3. The time-limit for applying to have a default judgment set aside shall not be less than
         four months and shall begin to run from the date on which the copy of the judgment is
         received or is deemed to have been received by the State concerned.
98. Artikel 22, tweede lid, gaat ervan uit, dat de betekening is voltooid bij de ontvangst van
de documenten door het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
47
   Zie paragraaf 19.
29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>99. De Nederlandse rechtspraktijk gaat er evenwel vanuit, dat betekening van een voor
het buitenland bestemde dagvaarding is voltooid door betekening in Nederland aan het
parket.
100. Artikel 23, tweede lid, onder (b) stelt voorts, dat er vier maanden moeten liggen
tussen een voltooide betekening en de wijzing van een verstekvonnis.
101. In de Nederlandse praktijk wordt tussen het uitbrengen van een effectieve dagvaar-
ding en het in rechte aanbrengen van deze dagvaarding in de meeste gevallen een
termijn van twee maanden gehanteerd en vervolgens tussen het verlenen van verstek en
het wijzen van het vonnis een termijn van gemiddeld vier weken.
102. De CAVV vraagt zich voorts af, of het door de artikelen 22 en 23 voorgeschreven
talenregime strookt met de Nederlandse praktijk ter zake.
      103. De CAVV adviseert de artikelen 22 en 23, in algemene zin en specifiek
      wat    bovenomschreven punten betreft, te toetsen aan de Nederlandse
      wetgeving en de Nederlandse praktijk ter zake, en naar bevind van zaken
      passende maatregelen te nemen.
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>(8) CONCLUSIE
     104. De Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
     adviseert de Minister van Buitenlandse Zaken het ertoe te leiden dat het
     Koninkrijk der Nederlanden partij wordt bij de United Nations Convention on
     Jurisdictional Immunities of States and Their Property, daarbij rekening hou-
     dend met de overwegingen in dit Advies.
31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                Bijlage 1
  Samenstelling Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 1: SAMENSTELLING COMMISSIE VAN ADVIES INZAKE
                VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN
Voorzitter
Prof. dr. K.C. Wellens
Leden
Mw. dr. K.C.J.M. Arts
Dr. A. Bos
Prof. dr. M.M.T.A. Brus
Prof. dr. C.J.R. Dugard
Prof. dr. T.D. Gill
Mw. prof. dr. E. Hey
Prof. dr. M.T. Kamminga
Mw. prof. dr. B. Kwiatkowska
Mr. dr. E.P. Myjer
Prof. dr. P.A. Nollkaemper
Mw. mr. J.W.H.M. van Sambeek
Prof. dr. N.J. Schrijver
Prof. dr. A.H.A. Soons
Prof. Dr. W.G. Werner
Ambtelijk adviseur
Prof. dr. J.G. Lammers
Secretariaat
Mw. mr. drs. W.E.M. van Bladel
Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV)
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Telefoon 070-348 6724
Fax 070-348 5128
E-mail djz-ir@minbuza.nl
2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                Bijlage 2
                             Adviesaanvraag
  Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 december 2005
3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>De Voorzitter van de Commissie van advies
inzake volkenrechtelijke vraagstukken
Prof. dr. K.C. Wellens
Katholieke Universiteit Nijmegen
Faculteit der Rechtsgeleerdheid
NIJMEGEN
 Den Haag, 19 december 2005
Op 2 december 2004 is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de United
Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property
aangenomen, als bijlage bij resolutie 59/38. Deze Conventie is per 17 januari 2005
opengesteld voor ondertekening.
Graag wil ik de CAVV verzoeken mij over deze Conventie, rekening houdend met eerder
gegeven adviezen in het ontwerp-stadium van de Conventie, te adviseren. Daarbij zal het
in het bijzonder gaan om de vraag naar de verhouding van de Conventie tot het Europees
Verdrag inzake de immuniteit van Staten (Bazel, 16 mei 1972), alsmede tot het algemene
volkenrecht, mede in het licht van de Nederlandse jurisprudentie en staatspraktijk op het
gebied van de staatsimmuniteit. Het CAVV-advies zal worden betrokken bij de
beslissingen over de ondertekening van de Conventie en eventuele voorbehouden daarbij.
Ik zou het op prijs stellen uw advies 1 april 2006 tegemoet te mogen zien.
Dr. B.R. Bot
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                 Bijlage 3
  United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their
                                 Property
5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and
Their Property
2004
Adopted by the General Assembly of the United Nations on 2 December 2004.
Not yet in force. See General Assembly resolution 59/38, annex, Official
Records of the General Assembly, Fifty-ninth Session, Supplement No. 49
(A/59/49).
Copyright © United Nations
2005
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property
The States Parties to the present Convention,
Considering that the jurisdictional immunities of States and their property are generally
accepted as a principle of customary international law,
Having in mind the principles of international law embodied in the Charter of the United
Nations,
Believing that an international convention on the jurisdictional immunities of States and their
property would enhance the rule of law and legal certainty, particularly in dealings of States with natural
or juridical persons, and would contribute to the codification and development of international law and
the harmonization of practice in this area,
Taking into account developments in State practice with regard to the jurisdictional immunities
of States and their property,
Affirming that the rules of customary international law continue to govern matters not regulated
by the provisions of the present Convention,
Have agreed as follows:
PART I
INTRODUCTION
Article 1
Scope of the present Convention
The present Convention applies to the immunity of a State and its property from the jurisdiction
of the courts of another State.
Article 2
Use of terms
1. For the purposes of the present Convention:
(a) “court” means any organ of a State, however named, entitled to exercise judicial functions;
(b) “State” means:
(i) the State and its various organs of government;
(ii) constituent units of a federal State or political subdivisions of the State, which are
entitled to perform acts in the exercise of sovereign authority, and are acting in that capacity;
(iii) agencies or instrumentalities of the State or other entities, to the extent that they are
entitled to perform and are actually performing acts in the exercise of sovereign authority of the State;
(iv) representatives of the State acting in that capacity;
(c) “commercial transaction” means:
(i) any commercial contract or transaction for the sale of goods or supply of services;
(ii) any contract for a loan or other transaction of a financial nature, including any
obligation of guarantee or of indemnity in respect of any such loan or transaction;
(iii) any other contract or transaction of a commercial, industrial, trading or professional
nature, but not including a contract of employment of persons.
2. In determining whether a contract or transaction is a “commercial transaction” under
paragraph 1 (c), reference should be made primarily to the nature of the contract or transaction, but its
purpose should also be taken into account if the parties to the contract or transaction have so agreed, or
if, in the practice of the State of the forum, that purpose is relevant to determining the non-commercial
character of the contract or transaction.
3. The provisions of paragraphs 1 and 2 regarding the use of terms in the present Convention are
without prejudice to the use of those terms or to the meanings which may be given to them in other
international instruments or in the internal law of any State.
Article 3
Privileges and immunities not affected by the present Convention
1. The present Convention is without prejudice to the privileges and immunities enjoyed by a
7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>State under international law in relation to the exercise of the functions of:
(a) its diplomatic missions, consular posts, special missions, missions to international organizations
or delegations to organs of international organizations or to international conferences; and
(b) persons connected with them.
2. The present Convention is without prejudice to privileges and immunities accorded under
international law to heads of State ratione personae.
3. The present Convention is without prejudice to the immunities enjoyed by a State under
international law with respect to aircraft or space objects owned or operated by a State.
Article 4
Non-retroactivity of the present Convention
Without prejudice to the application of any rules set forth in the present Convention to which
jurisdictional immunities of States and their property are subject under international law independently
of the present Convention, the present Convention shall not apply to any question of jurisdictional
immunities of States or their property arising in a proceeding instituted against a State before a court of
another State prior to the entry into force of the present Convention for the States concerned.
PART II
GENERAL PRINCIPLES
Article 5
State immunity
A State enjoys immunity, in respect of itself and its property, from the jurisdiction of the courts
of another State subject to the provisions of the present Convention.
Article 6
Modalities for giving effect to State immunity
1. A State shall give effect to State immunity under article 5 by refraining from exercising
jurisdiction in a proceeding before its courts against another State and to that end shall ensure that its
courts determine on their own initiative that the immunity of that other State under article 5 is respected.
2. A proceeding before a court of a State shall be considered to have been instituted against
another State if that other State:
(a) is named as a party to that proceeding; or
(b) is not named as a party to the proceeding but the proceeding in effect seeks to affect the
property, rights, interests or activities of that other State.
Article 7
Express consent to exercise of jurisdiction
1. A State cannot invoke immunity from jurisdiction in a proceeding before a court of another
State with regard to a matter or case if it has expressly consented to the exercise of jurisdiction by the
court with regard to the matter or case:
(a) by international agreement;
(b) in a written contract; or
(c) by a declaration before the court or by a written communication in a specific proceeding.
2. Agreement by a State for the application of the law of another State shall not be interpreted as
consent to the exercise of jurisdiction by the courts of that other State.
Article 8
Effect of participation in a proceeding before a court
1. A State cannot invoke immunity from jurisdiction in a proceeding before a court of another
State if it has:
(a) itself instituted the proceeding; or
(b) intervened in the proceeding or taken any other step relating to the merits. However, if the State
satisfies the court that it could not have acquired knowledge of facts on which a claim to immunity can
be based until after it took such a step, it can claim immunity based on those facts, provided it does so at
the earliest possible moment.
2. A State shall not be considered to have consented to the exercise of jurisdiction by a court of
another State if it intervenes in a proceeding or takes any other step for the sole purpose of:
(a) invoking immunity; or
(b) asserting a right or interest in property at issue in the proceeding.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>3. The appearance of a representative of a State before a court of another State as a witness shall
not be interpreted as consent by the former State to the exercise of jurisdiction by the court.
4. Failure on the part of a State to enter an appearance in a proceeding before a court of another
State shall not be interpreted as consent by the former State to the exercise of jurisdiction by the court.
Article 9
Counterclaims
1. A State instituting a proceeding before a court of another State cannot invoke immunity from
the jurisdiction of the court in respect of any counterclaim arising out of the same legal relationship or
facts as the principal claim.
2. A State intervening to present a claim in a proceeding before a court of another State cannot
invoke immunity from the jurisdiction of the court in respect of any counterclaim arising out of the same
legal relationship or facts as the claim presented by the State.
3. A State making a counterclaim in a proceeding instituted against it before a court of another
State cannot invoke immunity from the jurisdiction of the court in respect of the principal claim.
PART III
PROCEEDINGS IN WHICH STATE IMMUNITY CANNOT BE INVOKED
Article 10
Commercial transactions
1. If a State engages in a commercial transaction with a foreign natural or juridical person and,
by virtue of the applicable rules of private international law, differences relating to the commercial
transaction fall within the jurisdiction of a court of another State, the State cannot invoke immunity from
that jurisdiction in a proceeding arising out of that commercial transaction.
2. Paragraph 1 does not apply:
(a) in the case of a commercial transaction between States; or
(b) if the parties to the commercial transaction have expressly agreed otherwise.
3. Where a State enterprise or other entity established by a State which has an independent legal
personality and is capable of:
(a) suing or being sued; and
(b) acquiring, owning or possessing and disposing of property, including property which that State
has authorized it to operate or manage,
is involved in a proceeding which relates to a commercial transaction in which that entity is engaged, the
immunity from jurisdiction enjoyed by that State shall not be affected.
Article 11
Contracts of employment
1. Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to a contract of employment between the State and an individual for work performed or to be performed,
in whole or in part, in the territory of that other State.
2. Paragraph 1 does not apply if:
(a) the employee has been recruited to perform particular functions in the exercise of governmental
authority;
(b) the employee is:
(i) a diplomatic agent, as defined in the Vienna Convention on Diplomatic Relations of
1961;
(ii) a consular officer, as defined in the Vienna Convention on Consular Relations of 1963;
(iii) a member of the diplomatic staff of a permanent mission to an international
organization or of a special mission, or is recruited to represent a State at an international conference; or
(iv) any other person enjoying diplomatic immunity;
(c) the subject-matter of the proceeding is the recruitment, renewal of employment or reinstatement
of an individual;
(d) the subject-matter of the proceeding is the dismissal or termination of employment of an
individual and, as determined by the head of State, the head of Government or the Minister for Foreign
Affairs of the employer State, such a proceeding would interfere with the security interests of that State;
(e) the employee is a national of the employer State at the time when the proceeding is instituted,
unless this person has the permanent residence in the State of the forum; or
(f) the employer State and the employee have otherwise agreed in writing, subject to any
considerations of public policy conferring on the courts of the State of the forum exclusive jurisdiction
9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>by reason of the subject-matter of the proceeding.
Article 12
Personal injuries and damage to property
Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to pecuniary compensation for death or injury to the person, or damage to or loss of tangible property,
caused by an act or omission which is alleged to be attributable to the State, if the act or omission
occurred in whole or in part in the territory of that other State and if the author of the act or omission
was present in that territory at the time of the act or omission.
Article 13
Ownership, possession and use of property
Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to the determination of:
(a) any right or interest of the State in, or its possession or use of, or any obligation of the State
arising out of its interest in, or its possession or use of, immovable property situated in the State of the
forum;
(b) any right or interest of the State in movable or immovable property arising by way of
succession, gift or bona vacantia; or
(c) any right or interest of the State in the administration of property, such as trust property, the
estate of a bankrupt or the property of a company in the event of its winding up.
Article 14
Intellectual and industrial property
Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to:
(a) the determination of any right of the State in a patent, industrial design, trade name or business
name, trademark, copyright or any other form of intellectual or industrial property which enjoys a
measure of legal protection, even if provisional, in the State of the forum; or
(b) an alleged infringement by the State, in the territory of the State of the forum, of a right of the
nature mentioned in subparagraph (a) which belongs to a third person and is protected in the State of the
forum.
Article 15
Participation in companies or other collective bodies
1. A State cannot invoke immunity from jurisdiction before a court of another State which is
otherwise competent in a proceeding which relates to its participation in a company or other collective
body, whether incorporated or unincorporated, being a proceeding concerning the relationship between
the State and the body or the other participants therein, provided that the body:
(a) has participants other than States or international organizations; and
(b) is incorporated or constituted under the law of the State of the forum or has its seat or principal
place of business in that State.
2. A State can, however, invoke immunity from jurisdiction in such a proceeding if the States
concerned have so agreed or if the parties to the dispute have so provided by an agreement in writing or
if the instrument establishing or regulating the body in question contains provisions to that effect.
Article 16
Ships owned or operated by a State
1. Unless otherwise agreed between the States concerned, a State which owns or operates a ship
cannot invoke immunity from jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent
in a proceeding which relates to the operation of that ship if, at the time the cause of action arose, the
ship was used for other than government non-commercial purposes.
2. Paragraph 1 does not apply to warships, or naval auxiliaries, nor does it apply to other vessels
owned or operated by a State and used, for the time being, only on government non-commercial service.
3. Unless otherwise agreed between the States concerned, a State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to the carriage of cargo on board a ship owned or operated by that State if, at the time the cause of action
arose, the ship was used for other than government non-commercial purposes.
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>4. Paragraph 3 does not apply to any cargo carried on board the ships referred to in paragraph 2,
nor does it apply to any cargo owned by a State and used or intended for use exclusively for government
non-commercial purposes.
5. States may plead all measures of defence, prescription and limitation of liability which are
available to private ships and cargoes and their owners.
6. If in a proceeding there arises a question relating to the government and non-commercial
character of a ship owned or operated by a State or cargo owned by a State, a certificate signed by a
diplomatic representative or other competent authority of that State and communicated to the court shall
serve as evidence of the character of that ship or cargo.
Article 17
Effect of an arbitration agreement
If a State enters into an agreement in writing with a foreign natural or juridical person to submit
to arbitration differences relating to a commercial transaction, that State cannot invoke immunity from
jurisdiction before a court of another State which is otherwise competent in a proceeding which relates
to:
(a) the validity, interpretation or application of the arbitration agreement;
(b) the arbitration procedure; or
(c) the confirmation or the setting aside of the award,
unless the arbitration agreement otherwise provides.
PART IV
STATE IMMUNITY FROM MEASURES OF CONSTRAINT IN CONNECTION WITH PROCEEDINGS BEFORE A COURT
Article 18
State immunity from pre-judgment measures of constraint
No pre-judgment measures of constraint, such as attachment or arrest, against property of a
State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to
the extent that:
(a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
(i) by international agreement;
(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute
between the parties has arisen; or
(b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the
object of that proceeding.
Article 19
State immunity from post-judgment measures of constraint
No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against
property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless
and except to the extent that:
(a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
(i) by international agreement;
(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute
between the parties has arisen; or
(b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the
object of that proceeding; or
(c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for
other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum,
provided that post-judgment measures of constraint may only be taken against property that has a
connection with the entity against which the proceeding was directed.
Article 20
Effect of consent to jurisdiction to measures of constraint
Where consent to the measures of constraint is required under articles 18 and 19, consent to the
exercise of jurisdiction under article 7 shall not imply consent to the taking of measures of constraint.
Article 21
11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Specific categories of property
1. The following categories, in particular, of property of a State shall not be considered as
property specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial
purposes under article 19, subparagraph (c):
(a) property, including any bank account, which is used or intended for use in the performance of
the functions of the diplomatic mission of the State or its consular posts, special missions, missions to
international organizations or delegations to organs of international organizations or to international
conferences;
(b) property of a military character or used or intended for use in the performance of military
functions;
(c) property of the central bank or other monetary authority of the State;
(d) property forming part of the cultural heritage of the State or part of its archives and not placed
or intended to be placed on sale;
(e) property forming part of an exhibition of objects of scientific, cultural or historical interest and
not placed or intended to be placed on sale.
2. Paragraph 1 is without prejudice to article 18 and article 19, subparagraphs (a) and (b).
PART V
MISCELLANEOUS PROVISIONS
Article 22
Service of process
1. Service of process by writ or other document instituting a proceeding against a State shall be
effected:
(a) in accordance with any applicable international convention binding on the State of the forum
and the State concerned; or
(b) in accordance with any special arrangement for service between the claimant and the State
concerned, if not precluded by the law of the State of the forum; or
(c) in the absence of such a convention or special arrangement:
(i) by transmission through diplomatic channels to the Ministry of Foreign Affairs of the
State concerned; or
(ii) by any other means accepted by the State concerned, if not precluded by the law of the
State of the forum.
2. Service of process referred to in paragraph 1 (c) (i) is deemed to have been effected by
receipt of the documents by the Ministry of Foreign Affairs.
3. These documents shall be accompanied, if necessary, by a translation into the official
language, or one of the official languages, of the State concerned.
4. Any State that enters an appearance on the merits in a proceeding instituted against it may not
thereafter assert that service of process did not comply with the provisions of paragraphs 1 and 3.
Article 23
Default judgment
1. A default judgment shall not be rendered against a State unless the court has found that:
(a) the requirements laid down in article 22, paragraphs 1 and 3, have been complied with;
(b) a period of not less than four months has expired from the date on which the service of the writ
or other document instituting a proceeding has been effected or deemed to have been effected in
accordance with article 22, paragraphs 1 and 2; and
(c) the present Convention does not preclude it from exercising jurisdiction.
2. A copy of any default judgment rendered against a State, accompanied if necessary by a
translation into the official language or one of the official languages of the State concerned, shall be
transmitted to it through one of the means specified in article 22, paragraph 1, and in accordance with
the provisions of that paragraph.
3. The time-limit for applying to have a default judgment set aside shall not be less than four
months and shall begin to run from the date on which the copy of the judgment is received or is deemed
to have been received by the State concerned.
Article 24
Privileges and immunities during court proceedings
1. Any failure or refusal by a State to comply with an order of a court of another State enjoining
it to perform or refrain from performing a specific act or to produce any document or disclose any other
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>information for the purposes of a proceeding shall entail no consequences other than those which may
result from such conduct in relation to the merits of the case. In particular, no fine or penalty shall be
imposed on the State by reason of such failure or refusal.
2. A State shall not be required to provide any security, bond or deposit, however described, to
guarantee the payment of judicial costs or expenses in any proceeding to which it is a respondent party
before a court of another State.
PART VI
FINAL CLAUSES
Article 25
Annex
The annex to the present Convention forms an integral part of the Convention.
Article 26
Other international agreements
Nothing in the present Convention shall affect the rights and obligations of States Parties under
existing international agreements which relate to matters dealt with in the present Convention as
between the parties to those agreements.
Article 27
Settlement of disputes
1. States Parties shall endeavour to settle disputes concerning the interpretation or application of
the present Convention through negotiation.
2. Any dispute between two or more States Parties concerning the interpretation or application
of the present Convention which cannot be settled through negotiation within six months shall, at the
request of any of those States Parties, be submitted to arbitration. If, six months after the date of the
request for arbitration, those States Parties are unable to agree on the organization of the arbitration, any
of those States Parties may refer the dispute to the International Court of Justice by request in
accordance with the Statute of the Court.
3. Each State Party may, at the time of signature, ratification, acceptance or approval of, or
accession to, the present Convention, declare that it does not consider itself bound by paragraph 2. The
other States Parties shall not be bound by paragraph 2 with respect to any State Party which has made
such a declaration.
4. Any State Party that has made a declaration in accordance with paragraph 3 may at any time
withdraw that declaration by notification to the Secretary-General of the United Nations.
Article 28
Signature
The present Convention shall be open for signature by all States until 17 January 2007, at
United Nations Headquarters, New York.
Article 29
Ratification, acceptance, approval or accession
1. The present Convention shall be subject to ratification, acceptance or approval.
2. The present Convention shall remain open for accession by any State.
3. The instruments of ratification, acceptance, approval or accession shall be deposited with the
Secretary-General of the United Nations.
Article 30
Entry into force
1. The present Convention shall enter into force on the thirtieth day following the date of
deposit of the thirtieth instrument of ratification, acceptance, approval or accession with the Secretary-
General of the United Nations.
2. For each State ratifying, accepting, approving or acceding to the present Convention after the
deposit of the thirtieth instrument of ratification, acceptance, approval or accession, the Convention shall
enter into force on the thirtieth day after the deposit by such State of its instrument of ratification,
acceptance, approval or accession.
Article 31
Denunciation
13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>1. Any State Party may denounce the present Convention by written notification to the
Secretary-General of the United Nations.
2. Denunciation shall take effect one year following the date on which notification is received
by the Secretary-General of the United Nations. The present Convention shall, however, continue to
apply to any question of jurisdictional immunities of States or their property arising in a proceeding
instituted against a State before a court of another State prior to the date on which the denunciation takes
effect for any of the States concerned.
3. The denunciation shall not in any way affect the duty of any State Party to fulfil any
obligation embodied in the present Convention to which it would be subject under international law
independently of the present Convention.
Article 32
Depositary and notifications
1. The Secretary-General of the United Nations is designated the depositary of the present
Convention.
2. As depositary of the present Convention, the Secretary-General of the United Nations shall
inform all States of the following:
(a) signatures of the present Convention and the deposit of instruments of ratification, acceptance,
approval or accession or notifications of denunciation, in accordance with articles 29 and 31;
(b) the date on which the present Convention will enter into force, in accordance with article 30;
(c) any acts, notifications or communications relating to the present Convention.
Article 33
Authentic texts
The Arabic, Chinese, English, French, Russian and Spanish texts of the present Convention are
equally authentic.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto by their respective
Governments, have signed this Convention opened for signature at United Nations Headquarters in
New York on 17 January 2005.
Annex to the Convention
Understandings with respect to certain provisions of the Convention
The present annex is for the purpose of setting out understandings relating to the provisions concerned.
With respect to article 10
The term “immunity” in article 10 is to be understood in the context of the present Convention as a
whole.
Article 10, paragraph 3, does not prejudge the question of “piercing the corporate veil”, questions
relating to a situation where a State entity has deliberately misrepresented its financial position or subsequently
reduced its assets to avoid satisfying a claim, or other related issues.
With respect to article 11
The reference in article 11, paragraph 2 (d), to the “security interests” of the employer State is intended
primarily to address matters of national security and the security of diplomatic missions and consular posts.
Under article 41 of the 1961 Vienna Convention on Diplomatic Relations and article 55 of the 1963
Vienna Convention on Consular Relations, all persons referred to in those articles have the duty to respect the
laws and regulations, including labour laws, of the host country. At the same time, under article 38 of the 1961
Vienna Convention on Diplomatic Relations and article 71 of the 1963 Vienna Convention on Consular
Relations, the receiving State has a duty to exercise its jurisdiction in such a manner as not to interfere unduly
with the performance of the functions of the mission or the consular post.
With respect to articles 13 and 14
The expression “determination” is used to refer not only to the ascertainment or verification of the
existence of the rights protected, but also to the evaluation or assessment of the substance, including content,
scope and extent, of such rights.
With respect to article 17
The expression “commercial transaction” includes investment matters.
With respect to article 19
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>The expression “entity” in subparagraph (c) means the State as an independent legal personality, a
constituent unit of a federal State, a subdivision of a State, an agency or instrumentality of a State or other entity,
which enjoys independent legal personality.
The words “property that has a connection with the entity” in subparagraph (c) are to be understood as
broader than ownership or possession.
Article 19 does not prejudge the question of “piercing the corporate veil”, questions relating to a
situation where a State entity has deliberately misrepresented its financial position or subsequently reduced its
assets to avoid satisfying a claim, or other related issues.
_____________
15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>