<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES INZAKE VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN
         ___________________________________
                        ADVIES INZAKE
             DE TOEPASSING VAN PROTOCOL NR. 14
        BIJ HET EUROPEES VERDRAG VOOR DE RECHTEN
         VAN DE MENS EN DE FUNDAMENTELE VRIJHEDEN
                           (NR. 18)
                          DEN HAAG
                        NOVEMBER 2008
         ___________________________________
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>INHOUDSOPGAVE
1.  INLEIDING                                                   1
2.  DE RUSSISCHE FEDERATIE
    2
    2.1   De verklaringen van de Russische Federatie
          bij de ondertekening                                  2
    2.2   Parlementaire goedkeuring in de Russische Federatie ` 2
3.  DE MAATREGELEN BINNEN DE RAAD VAN EUROPA
    TER BETEUGLING VAN DE WERKLAST VAN HET EHRM                 5
    3.1   De toename van de werklast                            5
    3.2   Protocol nr. 11                                       5
    3.3   Protocol nr. 14                                       6
    3.3.1 Algemeen                                              6
    3.3.2 De inhoud van Protocol nr. 14                         7
    3.3.3 Het Explanatory Report                                7
    3.4   De Groep van Wijzen                                   8
    3.4.1 De instelling van de Groep van Wijzen                 8
    3.4.2 Protocol nr. 14                                       9
    3.4.3 Maatregelen op de lange termijn                       9
4.  ALGEMENE OVERWEGINGEN BIJ HET ZOEKEN NAAR
    EEN OPLOSSING
    11
    4.1   De focus op de werklast van het EHRM
    11
    4.2   Een tweesporig regime binnen het EHRM
    11
    4.3   Conclusie
                                       i
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>   12
   4.4    Modaliteiten van uitvoering
   13
5. VOORGESTELDE OPLOSSINGEN                                                 14
   5.1    De toepassing van het verdragenrecht binnen de Raad van Europa
   14
   5.2    Gedeeltelijke voorlopige toepassing van Protocol nr. 14
   15
   5.2.1  Artikel 25 WVVR
   15
   5.2.2  Voorlopige toepassing van een deel van Protocol nr. 14
   15
   5.2.3  Overleg met de Russische Federatie
   15
   5.2.4  Een gemeenschappelijke verklaring van de partijen
   16
   5.3    De sluiting van Protocol nr. 14bis
   17
   5.4    Een besluit van het Comité van Ministers
   18
   5.4.1  De juridische grondslag voor besluiten van internationale organisaties
   18
   5.4.2  De juridische grondslag voor een besluit van het Comité van Ministers
   20
   5.4.3  Conclusie
   22
   5.4.4. Procedure
   23
6. HET ADVIES VAN DE CAVV
   24
                                        ii
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>BIJLAGEN
   Ø Leden van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
   Ø Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
     vrijheden zoals gewijzigd door Protocol nr. 11 met de aanvullende Protocollen
     nrs. 1, 4, 6, 7, 12 en 13.
   Ø Protocol nr. 14 bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en
     de Fundamentele Vrijheden, betreffende wijziging van het controlesysteem van
     het Verdrag.
                                           iii
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>AFKORTINGEN
CAVV Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
CETS Council of Europe Treaties Series
EVRM Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens
ETS  European Treaties Series
Trb. Tractatenblad
WVVR Weens Verdrag inzake het verdragenrecht
                                       iv
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1.       INLEIDING
Op 2 juni 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Commissie van advies
inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) verzocht om een advies over de
inwerkingtreding van Protocol nr. 14 bij de Europees Verdrag voor de rechten van de
                                                           1
mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit Protocol kwam in mei 2004 tot stand.
Voor de inwerkingtreding ervan is ratificatie vereist door alle verdragspartijen.2 Tot
dusver heeft evenwel de Russische Federatie zijn instemming tot gebonden zijn niet tot
uitdrukking gebracht, zodat Protocol nr. 14 niet in werking kan treden.
De adviesaanvraag stelt, dat dit Protocol primair tot doel heeft het Europese Hof voor de
Rechten van de Mens instrumenten te bieden waarmee het hoofd kan worden geboden
aan de grote achterstand van zaken waarmee dit Hof kampt. Als belangrijkste
instrumenten worden genoemd de unus iudex, de uitbreiding van de bevoegdheden van
de comités van drie rechters en een nieuwe ontvankelijkheidsdrempel. De minister
verzoekt de CAVV hem “over de inwerkingtreding van Protocol nr. 14 te adviseren” en
merkt daarbij op dat het “in het bijzonder [zal] gaan om de vraag of het internationaal
recht mogelijkheden kent, en zo ja welke, om de verworvenheden van Protocol nr. 14
langs andere weg ingang te doen vinden, bijvoorbeeld ten aanzien van alle lidstaten min
één”.
Ter toelichting op de Russische positie met betrekking tot Protocol nr. 14 worden in
hoofdstuk 2 van dit advies enkele relevante verklaringen geciteerd, die de Russische
Federatie bij de ondertekening van Protocol nr. 14 heeft afgelegd. In dit hoofdstuk
worden ook de kennelijke bezwaren omschreven, die de Russische
volksvertegenwoordiging er in het najaar van 2006 van weerhielden om instemming met
Protocol nr. 14 te verlenen.
Gezien de nadruk die ligt op het beperken van de achterstand in de werklast van het
EHRM heeft de CAVV zich verdiept in de maatregelen die binnen de Raad van Europa
1 Rome, 4 november 1950; ETS 005. Straatsburg, 13 mei 2004; CETS 194; Trb. 2004, 191; 285.
2
  Ingevolge artikel 19 van Protocol nr. 14, luidend: “Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de
maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop alle Partijen bij het
Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 18 hun instemming door het Protocol te worden
gebonden tot uitdrukking hebben gebracht”.
                                                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>zijn getroffen om deze werklast beteugelen. Hoofdstuk 3 beschrijft deze maatregelen in
hoofdlijnen. Hoofdstuk 4 omvat een aantal algemene overwegingen over de
oplossingen. Deze krijgen concreet gestalte in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 bevat het
advies.
                                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>2.         DE RUSSISCHE FEDERATIE
2.1        De verklaringen van de Russische Federatie bij de ondertekening
Bij de ondertekening van Protocol nr. 14 heeft de Russische Federatie enkele
verklaringen afgelegd die relevant kunnen zijn voor de bereidheid van Rusland om
oplossingen voor de toepassing van Protocol nr. 14 te aanvaarden. De Russische
Federatie verklaarde:
            “The application of the Protocol will be without prejudice to the process of
           improving the modalities of functioning of the European Court of Human Rights,
           first of all to strengthen the stability of its Rules, not excluding supplementary
           measures to be adopted by the Committee of Ministers of the Council of Europe
           aimed at reinforcing the control over the use of financial means allocated to the
           European Court of Human Rights and at ensuring the quality of staff of its
           Registry, with the understanding that procedural rules relating to examination of
           applications by the European Court of Human Rights must be adopted in the form
           of an international treaty subject to ratification or to any other form of expression
           by a State of its consent to be bound by its provisions”. (cursivering toegevoegd)
           “The Russian Federation declares that, signing the Protocol under the condition
           of its subsequent ratification, […] proceeds from the following: no provision of the
           Protocol will be applied prior to its entry into force in accordance with Article 19.”3
Deze verklaringen vormen geen overeenstemming tussen de partijen bij Protocol nr. 14
in de zin van artikel 31, tweede lid, onder (a) van het Verdrag van Wenen inzake het
                      4
verdragenrecht. Evenmin zijn zij te zien als voorbehouden. Het zijn eenzijdige
verklaringen, die voor rekening van de Russische Federatie blijven en die tot doel
hebben de Russische positie met betrekking tot Protocol nr. 14 nader toe te lichten.
2.2        Parlementaire goedkeuring in de Russische Federatie
De president van de Russische Federatie legde Protocol nr. 14 in het najaar van 2006
voor aan de Doema die, ondanks het presidentiële advies om met dit Protocol in te
stemmen, instemming aan Protocol nr. 14 onthield.
Uit een door het Secretariaat van de Raad van Europa ten behoeve van het Committee
on Legal Affairs and Human Rights van de Parlementaire Vergadering opgesteld
3
  List of declarations made with respect to treaty No. 194;
http//conventions.coe.int/Treaty/Commun/ListeDeclarations.asp.
                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Memorandum (in deze paragraaf: “het Memorandum”) blijkt, dat de Russische bezwaren
zich ten dele richten op de inhoud van Protocol nr. 14.5 Een algemeen bezwaar tegen
Protocol nr. 14 zou zijn, dat het vereenvoudigde systeem daarin kan leiden tot een
minder diepgaand onderzoek van verzoekschriften, waardoor de kwaliteit van het werk
van het Hof en de mogelijkheid van rechterlijke dwaling zou toenemen. Bovendien zou
de Doema de voorkeur geven aan een lange termijn oplossing in plaats van aan de
voorlopige maatregelen in Protocol nr. 14 die zijn gebaseerd op een compromis.
Meer concreet zouden de volgende bezwaren gelden:
(1) De beslissingen van de alleenzittende rechter over ontvankelijkheid brengen het
principe van gelijke toegang tot het Hof in gevaar, hetgeen in strijd is met het Russische
rechtssysteem (het recht op een eerlijk proces).
(2) Het nieuwe ontvankelijkheidcriterium vraagt niet alleen een procedurele maar ook
een inhoudelijke beoordeling van verzoekschriften, hetgeen de kans verhoogt op een
inbreuk aan het begin van de procedure op de rechten van aanvragers.
(3) Als de Europese Unie partij wordt bij het EVRM hebben niet-lidstaten van de
Europese Unie niet dezelfde mogelijkheden als EU-lidstaten om zaken voor het EHRM te
brengen.
(4) Het is onduidelijk hoe de voorgestelde wijziging in de zittingstermijn van de rechters
een bijdrage kan leveren aan de doelmatigheid van het Hof.
(5) Het ontbreken van de garantie dat in zaken tegen de Russische Federatie een
                                                    6
Russische rechter zitting heeft in het Hof.
Volgens het Memorandum speelde ook een rol, dat het vertrouwen in het Hof volgens de
Doema is verzwakt door de politisering van de uitspraken van het Hof.
De CAVV vindt het belangrijk te benadrukken, dat het uitblijven van ratificatie door de
Russische Federatie voortvloeit uit een besluit van de Russische
volksvertegenwoordiging, waarbij - al dan niet terecht - een beroep wordt gedaan op
4
  Trb. 1972, 51; 1985, 79; 1996, 89. United Nations Treaties Series 1155, p. 332.
5
  The Russian Federation’s non-ratification of Protocol No 14 to the European Convention on Human Rights.
Memorandum prepared by the Secretariat upon instructions of the Chairperson. Committee on Legal Affairs
and Human Rights, 5 September 2008.
http://assembly.coe.int/committeeDocs/2008/20080905_ajdoc45_2008.pdf.
6
  Dit bezwaar heeft de Russische Federatie genoemd in een bij de ondertekening afgelegde verklaring. Zie
                                                       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>normen, zoals het recht op een eerlijk proces, die het gemeengoed vormen van de
lidstaten van de Raad van Europa. De lidstaten van de Raad van Europa hebben in
artikel 19 van Protocol nr. 14 tot unanieme ratificatie voor de inwerkingtreding van dit
Protocol besloten. Daarbij hebben zij zich ongetwijfeld gerealiseerd, dat dit in veel, en
wellicht zelfs in alle lidstaten parlementaire instemming met de inwerkingtreding van
Protocol nr. 14 met zich mee zou brengen. Tegen deze achtergrond moet met een
verzoek om committering aan bepaalde maatregelen bij het uitblijven van een positieve
beslissing van een volksvertegenwoordiging, uiterst voorzichtig worden omgegaan.
noot 3.
                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3.        DE MAATREGELEN BINNEN DE RAAD VAN EUROPA TER BETEUGELING
          VAN DE WERKLAST VAN HET EHRM
3.1       De toename van de werklast
Onder andere als gevolg van de toename van het aantal leden van de Raad van Europa
en, daarmee gepaard gaande, van partijen bij het EVRM, nam het aantal bij het EHRM
aanhangige zaken de afgelopen vijftien à twintig jaar spectaculair toe, zodat het
toezichtmechanisme van het EVRM in toenemende mate onder druk kwam te staan.
Begin jaren negentig van de vorige eeuw werden zo’n 5000 verzoekschriften per jaar
ingediend. In 1998 was het totaal aantal verzoekschriften gestegen tot 18.000, om in
2003 boven de 35.000 en in 2006 boven de 89.000 uit te komen. In september 2008
lagen er meer dan 100.000 zaken op afhandeling te wachten. Elke maand worden er ca.
2.300 nieuwe zaken aanhangig gemaakt, terwijl het Hof er maandelijks gemiddeld
slechts 1.500 kan afhandelen. Ongeveer 90% van de zaken bij het EHRM wordt niet-
ontvankelijk verklaard.7
Gerelateerd aan de bevolkingsaantallen van de betreffende staten worden de meeste
verzoekschriften ingediend door de inwoners van Slovenië, Moldavië en Roemenië. De
Russische Federatie is zestiende op deze ranglijst. Absoluut gezien komt echter 25%
van de verzoekschriften uit Rusland.8
Verwacht wordt dat bij toepassing van Protocol nr. 14 het aantal aanhangige zaken met
zo’n 20 à 25% vermindert.9
3.2       Protocol nr. 11
In 1991 nam het Comité van Ministers het initiatief tot hervorming van het
toezichtmechanisme. Dit resulteerde, op 11 mei 1994, in de openstelling voor
ondertekening van Protocol nr. 11 bij het EVRM.10 De voornaamste maatregelen in dit
7  Report of the Group of Wise Persons to the Committee of Ministers; Committee of Ministers 979bis
Meeting, 15 November 2006; CM(2006)203 15 November 2006, para. 27.
8
  Zie www.echr.coe.int/ECHR/EN/Header/Reports+and+Statistics/Statistics/Statistical+information+by+year
9
  Report of the Group of Wise Persons, para 32.
10
   Straatsburg, 11 mei 1994; ETS 155; Trb. 1994, 141, 165; 1998, 95.
                                                    6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Protocol waren de opheffing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens,
de oprichting van een fulltime Europees Hof voor de Rechten van de Mens en een
automatisch klachtrecht van burgers tegen alle staten die partij zijn bij het EVRM. Op
grond van Protocol nr. 11 werd de procedure volledig rechterlijk. In het bijzonder was
daarin niet langer – zoals voorheen in zaken voor de Commissie – een beslissende rol
weggelegd voor het Comité van Ministers van de Raad van Europa. De rol van dat
Comité werd beperkt tot het toezicht op de tenuitvoerlegging van Hofuitspraken. Protocol
nr. 11 trad in werking op 1 november 1998.
3.3      Protocol nr. 1411
3.3.1    Algemeen
De vernieuwing die Protocol nr. 11 bracht, heeft niet kunnen voorkomen dat de werklast
voor het toezichtmechanisme van het EVRM bleef stijgen. Vrijwel onmiddellijk na de
inwerkingtreding van Protocol nr. 11 is dan ook de noodzaak onderkend van
verdergaande hervormingen van het toezichtmechanisme. Ter viering van de vijftigste
verjaardag van het EVRM vond op 3 en 4 november 2000 te Rome een Europese
ministeriële conferentie plaats inzake de rechten van de mens, waarbij onder meer werd
opgeroepen tot het verzekeren van de doelmatigheid van het EHRM en – in concreto –
tot een snel en grondig onderzoek naar mogelijkheden om het Hof in zijn taak te
ondersteunen.12 Er werd een Evaluatiegroep op hoog niveau geformeerd, die de
problemen op een rij heeft gezet en die in september 2001 aanbevelingen voor
oplossingen presenteerde.13 Vervolgens is Protocol nr. 14 opgesteld door een
intergouvernementele groep. Dit Protocol werd op 13 mei 2004 voor ondertekening
opengesteld. Het Comité van Ministers nam op 12 mei 2004 een Declaratie aan, waarin
erop werd aangedrongen dat de partijen bij het EVRM Protocol nr. 14 zouden ratificeren
                                                                                    14
binnen twee jaar na de datum van openstelling voor ondertekening.
11
   Zie voor een bespreking van Protocol nr. 14: Roeland Böcker, Protocol nr. 14 bij het EVRM – hervorming
van de hervorming, Nederlands Juristenblad 35, p. 1840.
12
   CM(2000) 172Part I 14 November 2000.
13
   Evaluation Group to examine the needs of the European Court of Human Rights in the medium term –
reference, composition and proposed work schedule, CM/Del/Dec(2001)740/4.5 7 February 2001; Report of
the Evaluation Group to the Committee of Ministers of the European Court of Human Rights; EG-
Court(2001)1 27 September 2001.
14
   Declaration of the Committee of Ministers – Ensuring the effectiveness of the implementation of the
European Convention on Human Rights at national and European levels, 12 mei 2004, 114de zitting; Decl-
12.05.2004/1E 12 May 2004.
                                                      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>3.3.2    De inhoud van Protocol 14
Protocol nr. 14 betreft onder meer:
     ·   de ambtstermijn van de rechters;
     ·   wijzigingen in de formaties waarin het Hof zitting houdt en de bevoegdheden van
         deze formaties;
     ·   een nieuwe drempel voor de ontvankelijkheid;
     ·   de rol van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa;
     ·   de minnelijke schikking van zaken;
     ·   de verbetering van het toezicht op de tenuitvoerlegging van Hofuitspraken, en
     ·   de mogelijkheid voor de Europese Unie om toe te treden tot het EVRM.
3.3.3    Het Explanatory Report
Zoals gebruikelijk bij Protocollen bij het EVRM wordt ook Protocol nr. 14 toegelicht in een
Explanatory Report.15
In het overzicht dat dit rapport geeft van de wijzigingen in het toezichtmechanisme van
het EVRM wordt benadrukt dat Protocol nr. 14 geen radicale verandering van dit
mechanisme inhoudt. De wijzigingen beogen het functioneren van het EHRM-systeem te
                                                                 16
verbeteren en niet de structuur daarvan te wijzigen. Volgens het Explanatory Report is
het voornaamste doel van Protocol nr. 14 dan ook:
         “to improve [the system], giving the Court the procedural means and flexibility it
         needs to process all applications in a timely fashion, while allowing it to
                                                                                                          17
         concentrate on the most important cases which require in-depth examination”.
Dit doel blijkt ook uit de preambule van Protocol nr. 14, waarin bovendien de urgentie
van de inwerkingtreding van dit Protocol, alsmede de rol van het EHRM worden
benadrukt:
         “Overwegende dat het dringend noodzakelijk is een aantal bepalingen van het
         Verdrag te wijzigingen teneinde de doeltreffendheid van het controlesysteem voor
         de lange termijn te handhaven en te verbeteren, voornamelijk gezien de
         toenemende werkdruk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en
15
   Explanatory report to the [draft] Protocol No. 14 to the Convention for the Protection of Human Rights and
Fundamental Freedoms, amending the control system of the Convention; CM (2004)65add2finalE 7 May
2004.
16
   Explanatory Report, onderdeel III, paras 34 en 35.
17
   Explanatory Report, para 35.
                                                         8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>         van het Comité van Ministers van de Raad van Europa;“
         “In het bijzonder overwegende de noodzaak te waarborgen dat het Hof zijn
         preëminente rol bij de bescherming van de mensenrechten in Europa kan blijven
         spelen;”
Het Explanatory Report omschrijft voorts, dat het doel van Protocol nr. 14 vooral gestalte
krijgt op drie terreinen, namelijk
(1) de versterking van de mogelijkheid om verzoekschriften te filteren met het oog op het
grote aantal niet-ontvankelijke verzoekschriften;
(2) de introductie van een nieuw ontvankelijkheidscriterium in zaken waarin de aanvrager
geen significant nadeel lijdt; en
(3) de mogelijkheid maatregelen te treffen voor “herhalingszaken”.18
Het rapport verwijst in dit verband naar drie maatregelen, namelijk:
(1) de toevoeging van een alleenzittende rechter aan de bestaande formaties waarin het
Hof zitting houdt,
(2) de uitbreiding van de bevoegdheid van het reeds bestaande Comité van drie
rechters, en
(3) de inhoud en de effecten van het nieuwe ontvankelijkheidscriterium.19
Op basis van het Explanatory Report kan worden geconcludeerd dat, voor het doel zoals
dat in de preambule van Protocol nr. 14 is omschreven, en met name voor de
waarborging van de preëminente rol van het EHRM en de beteugeling van de werklast,
de instelling van de alleenzittende rechter, de uitbreiding van de bevoegdheid van het
Comité van drie rechters en het nieuwe ontvankelijkheidscriterium het meest relevant
zijn.
3.4      De Groep van Wijzen
3.4.1    De instelling van de Groep van Wijzen
De exponentiële groei van het aantal verzoekschriften bracht de staats- en
regeringshoofden van de RvE-lidstaten ertoe om op 16 en 17 mei 2005 een Groep van
18 Explanatory Report, para 36.
19
   Explanatory Report, paras 38, 39 en 40. De genoemde maatregelen staan respectievelijk in de artikelen 6
                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Wijzen aan te stellen, die de doeltreffendheid van het EHRM op de lange termijn diende
te onderzoeken.
3.4.2    Protocol nr. 14
Het rapport van de Groep van Wijzen van 15 november 2006 beklemtoont, dat de
stabiliteit in Europa is toegenomen als gevolg van de toetreding tot de Raad van Europa
van Midden- en Oost-Europese staten.20 Het EVRM vormt daarbij een zeer belangrijke
steunpilaar. In het rapport wordt de grote bezorgdheid uitgesproken over het gevaar, dat
                                                                                       21
het toezichtmechanisme van het EVRM niet naar behoren zal kunnen functioneren.
Protocol nr. 14 is volgens het rapport bedoeld om het Hof de noodzakelijke procedurele
middelen en flexibiliteit te bieden om alle verzoekschriften binnen een redelijke termijn te
verwerken, zodat het in staat wordt gesteld zich te richten op de meest belangrijke
zaken. Het Protocol is er vooral op gericht de tijd te verminderen die is gemoeid met
manifest niet ontvankelijke verzoekschriften alsmede herhalingszaken. Bij de bespreking
van Protocol nr. 14 stelt de Groep van Wijzen voorts weliswaar tot taak te hebben
voorstellen te ontwikkelen voor de lange termijn, maar dat niettemin “attention should be
drawn to the need to take exceptional measures as of now to reduce the backlog”. De
Groep “calls on the member states to support the measures which the Court will be
                                                                                        22
required to take for this purpose, by making the necessary resources available to it”.
Het rapport gaat uit van de tekst van het EVRM, waarin de bepalingen van Protocol nr.
14 zijn geïncorporeerd.23
3.4.3    Maatregelen op de lange termijn
De maatregelen op de lange termijn die de Groep van Wijzen voorstelt, betreffen (1) de
structuur en de wijziging van het gerechtelijk mechanisme, (2) de betrekkingen tussen
het Hof en de partijen bij het EVRM, (3) alternatieve (niet-gerechtelijke) of aanvullende
geschillenbeslechtingsmechanismen en (4) de institutionele status van het Hof en de
en 7, 8 en 12 van Protocol nr. 14.
20
   Report of the Group of Wise Persons, paras 14 e.v.
21
   Report of the Group of Wise Persons, paras 26 e.v.
22
   Report of the Group of Wise Persons, paras 29 e.v.
23
   Report of the Group of Wise Persons, para 33.
                                                    10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>           24
rechters.
De in paragraaf 3.3.3 genoemde maatregelen in Protocol nr. 14 die de grootste bijdrage
zullen kunnen leveren aan de vermindering van de werklast, passen in de geest van de
lange termijn maatregelen betreffende de structuur en de wijziging van het rechterlijk
mechanisme. Om de flexibiliteit van dit mechanisme in de toekomst te waarborgen, stelt
de Groep van Wijzen een systeem van wijziging van het EVRM op drie niveaus voor,
namelijk:
(1) het EVRM zelf, dat ook in de toekomst door de partijen zou kunnen worden gewijzigd;
(2) een “Statuut” van het Hof, waarvan de inhoud nader zou moeten worden bepaald,
maar dat bepalingen zou omvatten met betrekking tot het functioneren van het Hof. Dit
Statuut zou het Comité van Ministers op basis van unanimiteit moeten kunnen wijzigen;
en
(3) teksten, zoals de Rules of Court, die het Hof zelf moet kunnen wijzigen.25
Volgens het rapport zou het Statuut de bepalingen van deel II van het EVRM omvatten
op expliciet opgesomde uitzonderingen na. Onder deze uitzonderingen vallen niet de
artikelen 26, 27, 28 en 35, derde lid van het EVRM inzake de alleenzittende rechter, de
bevoegdheid van het Comité van drie rechters en het nieuw ontvankelijkheidscriterium.26
Deze drie maatregelen zouden in de toekomst dan ook deel kunnen uitmaken van het
door het Comité van Wijzen voorgestelde Statuut.
24
   Report of the Group of Wise Persons, para 39.
25
   Report of the Group of Wise Persons, paras 47 en 48.
26
   Report of the Group of Wise Persons, para 49.
                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>4.       ALGEMENE OVERWEGINGEN BIJ HET ZOEKEN NAAR EEN OPLOSSING
4.1      De focus op de werklast van het EHRM
Uit de bewoordingen van de adviesaanvraag blijkt, dat deze primair is ingegeven door de
noodzaak tot beteugeling van de werklast van het EHRM. Dit leidt de CAVV tot de
conclusie, dat zij in haar advies de beheersing van de werklast van het Hof tot
uitgangspunt moet nemen.
De drie maatregelen in Protocol nr. 14 die de adviesaanvraag uitdrukkelijk noemt,
namelijk de instelling van de unus iudex, de uitbreiding van de bevoegdheden van de
Comités van drie rechters en het nieuwe ontvankelijkheidcriterium vormen, ook naar de
mening van de CAVV, de belangrijkste instrumenten voor deze beteugeling. Dit blijkt
onder meer uit het Explanatory Report, zoals dat in paragraaf 3.3.3 is besproken.
Hoewel de CAVV het belang van de integrale inwerkingtreding van Protocol nr. 14
onderkent, richt het navolgende onderzoek zich dan ook uitsluitend op deze drie
maatregelen.
4.2      Een tweesporig regime binnen het EHRM
Het CAVV-onderzoek betreft met name de omstandigheid, dat binnen het EVRM een
tweesporig regime zou kunnen ontstaan, in de zin dat de drie genoemde maatregelen
alleen van toepassing zouden zijn op de lidstaten die deelnemen aan een oplossing,
terwijl voor de lidstaten die niet meedoen het EVRM onverkort zou blijven gelden. Vanuit
juridisch oogpunt noodzaakt dit tot de bespreking van de mogelijkheid van de
ontwikkeling van uiteenlopende jurisprudentie binnen het EHRM.
In dit verband merkt de CAVV op, dat de regelingen in Protocol nr. 14 met betrekking tot
de alleenzittende rechter en het Comité van drie rechters wijzigingen vormen binnen de
formaties waarin het Hof zitting houdt en dat de competentie van het Hof ongewijzigd
blijft. De bevoegdheden die de alleenzittende rechter en het Comité van drie rechters
aan Protocol nr. 14 kunnen ontlenen zijn voorts zeer stringent geformuleerd. Dit komt
ook tot uitdrukking in de passages in het Explanatory Report inzake artikel 7 van
Protocol nr. 14 (over de alleenzittende rechter) en artikel 8 van Protocol nr. 14 (over de
bevoegdheden van het Comité van drie rechters), die respectievelijk luiden:
                                            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>        “It is specified that the competence of the single Judge is limited to taking
        decisions of inadmissibility or decisions to strike the case out of the list “where
        such a decision can be taken without further examination”. This means that the
        judge will take such decisions only in clear-cut cases, where the inadmissibility of
        the application is manifest from the outset. (…) In case of doubt as to the
        admissibility, the judge will refer the application to a committee or a Chamber”.
        (cursivering toegevoegd)
        “Paragraphs 1 and 2 of the amended Article 28 extend the powers of three-judge
        committees. Hitherto, these committees could, unanimously, declare applications
        inadmissible. Under the new paragraph 1.b. of Article 28, they may now also, in a
        joint decision, declare individual applications admissible and decide their merits,
        when the questions they raise concerning the interpretation of application of the
        Convention are covered by well-established case-law of the Court. “Well-
        established case-law” normally means case-law which has been consistently
        applied by a Chamber. Exceptionally, however, it is conceivable that a single
        judgment on a question of principle may constitute “well-established case-law”,
        particularly when the Grand Chamber had rendered it. This applies, in particular,
        to repetitive cases, which account for a significant proportion of the Court’s
        judgments (in 2003, approximately 60%). Parties may, of course, contest the well-
        established character of case-law before the committee”. (cursivering
        toegevoegd)27
De CAVV is van mening dat de ontwikkeling van jurisprudentie door de alleenzittende
rechter en het Comité van drie rechters die zou afwijken van de jurisprudentie in de
Kamers en de Grote Kamer van het EHRM, niet in de rede ligt.
Hoewel niet uitgesloten mag worden geacht, dat voor wat betreft de nieuwe
ontvankelijkheidsdrempel een modus zou kunnen worden gevonden die uiteenlopende
jurisprudentie binnen het EHRM voorkomt, verdient het volgens de CAVV de voorkeur
deze nieuwe drempel buiten de oplossing te houden. Daarbij speelt mee dat, volgens
bronnen die bij de onderhandelingen over Protocol nr. 14 waren betrokken, deze nieuwe
drempel kennelijk het meest controversiële punt daarbij vormde. ‘Meenemen’ in een
oplossing zou de deelname daaraan kunnen beperken.
4.3      Conclusie
Dit leidt tot de conclusie, dat de oplossing naar de mening van de CAVV beperkt dient te
blijven tot de instelling van de alleenzittende rechter en de uitbreiding van de
27 Explanatory Report, paras 67 en 68.
                                                13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>bevoegdheid van het Comité van drie rechters.
Naar verluidt heeft voorts de president van het EHRM verzocht om een machtiging om
de genoemde procedurele bepalingen van Protocol nr. 14 toe te passen vooruitlopend
op de inwerkingtreding van het Protocol. Een dergelijk verzoek zou stroken met de
conclusie in deze paragraaf.
4.4      Modaliteiten van uitvoering
De CAVV heeft zich geconcentreerd op drie mogelijkheden om de snelle
inwerkingtreding van de twee genoemde maatregelen gestalte te geven, namelijk:
(1) de voorlopige toepassing van Protocol nr. 14 in een gezamenlijk verklaring van
partijen bij het EVRM van het deel van Protocol nr. 14 dat op de twee genoemde
maatregelen betrekking heeft;
(2) de sluiting van een verdrag (Protocol nr. 14bis), dat de bepalingen van Protocol nr.,
14 omvat met betrekking tot de alleenzittende rechter en de uitbreiding van de
bevoegdheid van het Comité van drie rechters en dat snel in werking treedt; of
(3) een besluit van het Comité van Ministers van de Raad van Europa, dat het EHRM
machtigt een alleenzittende rechter in te stellen en de bevoegdheid van het Comité van
drie uit te breiden overeenkomstig de betreffende bepalingen in Protocol nr. 14.
De (juridische) implicaties van deze drie modaliteiten worden in hoofdstuk 5 besproken.
Voorafgaand daaraan benadrukt de CAVV dat, aangezien het bij alle drie de
modaliteiten slechts zou gaan om het overnemen van onderdelen van Protocol nr. 14, er
geen inhoudelijke onderhandelingen behoeven te worden gevoerd. Voorts is geen van
de drie voorgestelde regelingen bedoeld ter vervanging van Protocol nr. 14. Zij lopen
slechts op de inwerkingtreding van dit Protocol vooruit en dienen te worden aangegaan
in afwachting van de inwerkingtreding van Protocol nr. 14. De CAVV merkt bovendien
op, dat alle lidstaten op één na Protocol nr. 14 hebben geratificeerd, hetgeen de
nationale goedkeuringsprocedures, voor zover vereist, zal kunnen vergemakkelijken.
                                             14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>5.        VOORGESTELDE OPLOSSINGEN
5.1       De toepassing van het verdragenrecht binnen de Raad van Europa
Op het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
en op de Protocollen die dit Verdrag beogen te wijzigen of aan te vullen (inclusief het
voorgestelde Protocol nr. 14bis), is het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht
(WVVR) van toepassing onder voorbehoud van regels die binnen de Raad van Europa
gelden. Ingevolge artikel 5 van het WVVR vergt dit een onderzoek naar binnen de Raad
                                                                                    28
van Europa geldende regelingen met betrekking tot verdragsluiting.
Statutaire Resolutie (93) 27 van het Comité van Ministers betreft de openstelling van
verdragen voor ondertekening binnen de Raad van Europa en luidt als volgt:
          “Decisions on the opening for signature of Conventions and Agreements
          concluded within the Council of Europe shall be taken by a two thirds majority of
          the representatives casting a vote and a majority of the representatives entitled to
          sit on the Committee, as set out in Article 20.d of the Statute.”
In een Resolutie die het Comité van Ministers heeft aanvaard tijdens de achtste zitting in
mei 1951 staat voorts, ter aanvulling van artikel 15 van het Statuut, het volgende:
          The conclusions of the Committee may, where appropriate, take the form of a
          convention or agreement. In that event the following provisions shall be applied:
          i.       The convention or agreement shall be submitted by the Secretary General
                  to all members for ratification;
          ii.      Each member undertakes that, within one year of such submission or,
                  where this is impossible owing to exceptional circumstances, within
                  eighteen months, the question of ratification of the convention or
                  agreement shall be brought before the competent authority or authorities
                  in its country;
          iii.     The instruments of ratification shall be deposited with the Secretary
                  General;
          iv.      The convention or agreement shall be binding only on such members as
                  have ratified it. 29
Dit betekent dat het WVVR vrijwel onverkort van toepassing is op verdragen die worden
28
   Artikel 5 WVVR luidt: “Dit Verdrag is van toepassing op elk verdrag dat de oprichtingsakte van een
internationale organisatie vormt en op elk verdrag, aangenomen binnen een internationale organisatie,
behoudens de ter zake dienende regels van de organisatie”.
29
   ETS no. 001.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>gesloten in het kader van de Raad van Europa.
5.2      Gedeeltelijke voorlopige toepassing van Protocol nr. 14
5.2.1    Artikel 25 WVVR
In paragraaf 5.1 is geconcludeerd, dat op verdragen die worden gesloten binnen de
Raad van Europa het WVVR vrijwel onverkort van toepassing is. Dit betekent, dat de
betrokken staten overeen kunnen komen Protocol nr. 14 voorlopig toe te passen op
basis van artikel 25 van het WVVR. Dit artikel luidt als volgt:
         1.      Een verdrag of een deel van een verdrag wordt voorlopig toegepast in
                 afwachting van zijn inwerkingtreding, indien
                 a) het verdrag zulks bepaalt; of
                 b) indien de Staten die hebben deelgenomen aan de onderhandelingen
                 op een andere wijze aldus zijn overeengekomen.
         2.      Tenzij het verdrag anders bepaalt of de Staten die aan de
                 onderhandelingen hebben deelgenomen anders zijn overeengekomen,
                 houdt de voorlopige toepassing van een verdrag of een deel van een
                 verdrag voor een Staat op, als deze Staat de andere Staten waartussen
                 het verdrag voorlopig wordt toegepast, in kennis stelt van zijn voornemen
                 geen partij te worden bij het verdrag.
5.2.2 Voorlopige toepassing van een deel van Protocol nr. 14
Artikel 25 WVVR staat toe, dat een deel van een verdrag voorlopig wordt toegepast,
zodat het mogelijk is om de voorlopige toepassing van Protocol nr. 14 te beperken tot de
bepalingen van Protocol nr. 14 met betrekking tot de alleenzittende rechter en de
uitbreiding van de bevoegdheden van het Comité van drie rechters.
5.2.3    Overleg met de Russische Federatie
In paragraaf 5.3 wordt de de mogelijkheid beschreven om de bepalingen uit Protocol nr. 14
die betrekking hebben op de instellingen van de alleenzittende rechter en de uitbreiding van
de bevoegdheid van het Comité van drie rechters neer te leggen in een verdrag (Protocol nr.
14bis), dat desgewenst voorlopig kan worden toegepast.30 De onderhavige paragraaf betreft
de mogelijkheid om de voorlopige toepassing van de genoemde bepalingen te regelen op
een andere wijze die is overeengekomen door de Staten die aan de onderhandelingen
30
   Op grond van artikel 25, eerste lid, onder (a) WVVR.
                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                             31
hebben deelgenomen.
Omdat onder staten die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen 32 ook de
Russische Federatie wordt begrepen, zal met deze staat overeenstemming over de
voorlopige toepassing moeten worden bereikt. Het overleg hierover kan tot drie resultaten
leiden, namelijk dat:
(1) met de Russische Federatie overeenstemming wordt bereikt over deze voorlopige
toepassing;
(2) de Russische Federatie instemt met gedeeltelijke voorlopige toepassing van Protocol nr.
14, maar dan alleen door die partijen bij het EVRM die dat wensen;
(3) de Russische Federatie niet wenst in te stemmen met de gedeeltelijke voorlopige
toepassing van Protocol nr. 14.
In het eerste geval schaart de Russische Federatie zich, voor wat betreft de toepassing van
de bepalingen over de alleenzittende rechter en het comité van drie rechters, bij de andere
partijen bij het EVRM die deze bepalingen voorlopig toepassen. In het tweede geval maakt
de Russische Federatie het mogelijk voor partijen bij het EVRM Protocol nr. 14 gedeeltelijk
voorlopig te passen, zonder zelf mee te doen. Voor de Russische Federatie zou dit
betekenen, dat het EVRM onverkort wordt toegepast. In het laatste geval is voorlopige
toepassing van een deel van Protocol nr. 14 niet mogelijk.
5.2.4      Een gemeenschappelijke verklaring van de partijen
De vraag is voorts, hoe de andere wijze die is overeengekomen door de Staten die aan
onderhandelingen hebben deelgenomen gestalte moet krijgen. De International Law
Commissision, die het ontwerp voor het WVVR heeft opgesteld, was van mening, dat de
partijen wat dit betreft zoveel mogelijk vrijheid moest worden gelaten.33 Ook uit de literatuur
over de voorlopige toepassing van verdragen blijkt de opvatting, dat vele vormen van
overeenstemming mogelijk zijn en dat er wat dit betreft een rijkgeschakeerde praktijk
31
   Artikel 25, eerste lid onder (b) WVVR.
32
   Artikel 2, eerste lid, onder (e) WVVR luidt: “Voor de toepassing van dit Verdrag betekent (…) ‘Staat die
heeft deelgenomen aan de onderhandelingen’: een Staat die heeft deelgenomen aan de voorbereiding en de
aanneming van de verdragstekst;”
33
   Meest uitgesproken is het lid van de Commissie Lachs: “There was every intention to leave States
maximum freedom both with regard to the provisional application of treaties and with regard to the
modalities of such application, while protecting the rights of others”. (Yearbook of the International Law
                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>          34
bestaat.
In het onderhavige geval adviseert de CAVV, dat de lidstaten van de Raad van Europa in
hun hoedanigheid van partijen bij het EVRM en marge van een vergadering van het
Comité van Ministers, een gezamenlijke verklaring afleggen, waarin de voorlopige
toepassing van de relevante bepalingen van Protocol nr. 14 wordt geregeld. Deze
verklaring zou een machtiging moeten inhouden op basis waarvan het Hof zijn
procesregels kan aanpassen voor wat betreft de toepassing van de bepalingen over de
alleenzittende rechter en het comité van drie rechters.
5.3      De sluiting van Protocol nr. 14bis
Op grond van Statutaire resolutie 93(27) kan het Comité van Ministers het besluit nemen,
dat Protocol nr. 14bis voor ondertekening wordt opengesteld.35 Daarvoor is een
tweederde meerderheid van de aanwezigen die hun stem uitbrengen op de betreffende
vergadering nodig, alsmede een gewone meerderheid van vertegenwoordigers (van
lidstaten) die het recht hebben hun stem uit te brengen. Gezien het feit dat vrijwel alle
partijen bij het EVRM Protocol nr. 14 hebben geratificeerd en Protocol nr. 14bis de
inhoud daarvan niet te buiten gaat, zou, naar de mening van de CAVV, het verkrijgen
van de vereiste meerderheden geen probleem moeten vormen.
Ingevolge de Resolutie van mei 1951 zou Protocol nr. 14bis door de Secretaris-generaal
van de Raad van Europa moeten worden voorgelegd aan de leden ten behoeve van
ratificatie.36 Dit betreft een administratieve handeling van de Secretaris-generaal, die niet
aan nadere eisen is gebonden en die dan ook op de meest snelle en efficiënte wijze kan
worden ingevuld.
Het woord ‘ratificatie’ wordt in de genoemde Resolutie in algemene zin gebruikt en omvat
verschillende manieren om de wil tot gebonden zijn tot uitdrukking te brengen. In de
relevante bepalingen van het EVRM en de Protocollen daarbij kan de wil om gebonden
bijvoorbeeld tot uitdrukking worden gebracht door:
Commission, 1965, Vol. I, p. 112, para 44).
34
   D. Mathy, Article 25 – Convention de 1969, O. Corten en P. Klein (eds), Les Conventions de Vienne sur le
droit des Traités, Brussel, 2006; p. 1065. D. Sagar, Provisional Application in an International Organization,
Journal of Space Law, 27, 2, p. 99; p.104.
35
   Zie paragraaf 5.1.
                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>(a) ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;
(b) ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring,
gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Protocol nr. 14bis zou naar de mening van de CAVV een bepaling moeten bevatten, die
een snelle toepassing van dit Protocol mogelijk maakt. Zij adviseert dan ook, dat de wil
tot gebonden zijn aan Protocol nr. 14bis zoveel mogelijk tot uitdrukking wordt gebracht
door ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Omdat niet geheel uitgesloten kan worden geacht, dat partijen bij het EVRM, ondanks
het feit dat zij Protocol nr. 14 al hebben geratificeerd, voor Protocol nr. 14bis een
procedure moeten doorlopen op basis van hun nationale verdragenrecht, zou
laatstgenoemd Protocol expliciet de mogelijkheid kunnen bevatten, dat de partijen bij
ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring een
individuele verklaring afleggen dat Protocol nr. 14bis voorlopig wordt toegepast.37 De
CAVV gaat ervan uit, dat bij het grootste deel van de partijen bij het EVRM de wens leeft
het probleem van de werklast zo snel mogelijk op te lossen en dat de lidstaten elk voor
zich creatief naar wegen zoeken om een snelle inwerkingtreding van Protocol nr. 14bis
te realiseren.
Anders dan Protocol nr. 14 zou Protocol nr. 14bis naar de mening van de CAVV in
werking moeten treden indien een bepaald deel van de partijen dit heeft geratificeerd.
Een bepaling hierover zou in Protocol nr. 14bis moeten worden opgenomen. Het is
vooral afhankelijk van praktische aspecten, en met name van het minimum aantal
partijen dat de werkbaarheid van een tweesporig regime mogelijk maakt, welk aantal
ratificaties de inwerkingtreding van Protocol nr. 14bis met zich mee zou moeten brengen.
De CAVV adviseert het EHRM ter zake te consulteren.
5.4      Een besluit van het Comité van Ministers
5.4.1 De juridische grondslag voor besluiten van internationale organisaties
De derde mogelijkheid voor regeling van de toepassing van de betreffende maatregelen
is een besluit van het Comité van Ministers van de Raad van Europa . Deze oplossing
36
   Zie paragraaf 5.1.
                                              19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>brengt de vraag met zich mee naar de juridische grondslag op basis waarvan de
betreffende twee maatregelen kunnen worden toegepast.
Een internationale organisatie heeft slechts bevoegdheden voor zover die door haar
lidstaten zijn verleend.38 Zij kan echter deze bevoegdheden ook bezitten indien deze niet
uitdrukkelijk zijn toegekend. Over deze zogenaamde impliciete bevoegdheden heeft het
Internationaal Gerechtshof in 1949 in the zgn. Reparation for Injuries zaak het nog
steeds gangbare beginsel geformuleerd, dat:
          “[u]nder international law, the Organization must be deemed to have those
          powers which, though not expressly provided in the Charter, are conferred upon it
          by necessary implication as being essential to the performance of its duties.” 39
Het Hof gaf een ruime interpretatie aan dit beginsel. Dit leidde tot de kritiek, dat een
internationale organisatie een wel zeer ruime impliciete bevoegdheid aan het beginsel
zou kunnen ontlenen en dat de mogelijkheid zou worden geschapen tot uitbreiding van
de bevoegdheden van de internationale organisatie.40 Zo stelde rechter Fitzmaurice dat
het beginsel:
          “is acceptable if it is read as being related and confined to existing and specific
          duties; but it would be quite another matter, by a process of implication, to seek
          about an extension of functions, (…)”.41
Deze kritiek - die ook kan worden gevonden in de literatuur - weerhield het Internationaal
Gerechtshof er niet van het in 1949 geformuleerde principe opnieuw te hanteren. In de
Nuclear Weapons-zaak stelde het Hof, onder verwijzing naar de Reparation for Injuries-
37  Op basis van artikel 25, eerste lid, onder (a) WVVR.
38
   In de bewoordingen van het Internationaal Gerechtshof: “international organisations […] do not, unlike
States, possess a general competence. International organisations are governed by the ‘principle of
speciality’, that is to say, they are invested by the States which create them with powers, the limits of which
are a function of the common interests whose promotion those States entrust in them”. Legality of the use by
a State of nuclear weapons in armed conflict. Advisory Opinion, ICJ Reports 1996, para 25.
39
   Reparation for injuries suffered in the service of the United nations, Advisory Opinion, ICJ Reports 1949, p.
174; p. 182.
40
   Zie bijvoorbeeld Skubiszewski: “a term is being read into the organisation’s statute not in order to modify it
or add to members’ burdens, but in order to give effect to what they agreed by becoming parties to the
constitutional treaty”. K. Skubiszewski, Implied Powers of International Organizations, International Law at a
Time of Perplexity. Essays in Honour of Shabtai Rosenne; Y. Dinstein en M. Tabory (eds.), Dordrecht 1989.
41
   Legal consequences for States of the continued presence of South Africa in Namibia (South West Africa)
notwithstanding Security Council Resolution 276 (1970); Advisory Opinion. Dissenting Opinion of Judge
Gerald Fitzmaurice., ICJ Reports 1971, p. 16, p. 282.
                                                         20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>zaak dat:
          “The powers conferred on international organizations are normally the subject of
          an express statement in their constituent instruments. Nevertheless, the
          necessities of international life may point to the need for organizations, in order to
          achieve their objectives, to possess subsidiary powers which are not expressly
          provided for in the basic instruments which govern their activities. It is generally
          accepted that international organizations can exercise such powers, known as
          “implied” powers”. 42
Het Hof paste het beginsel uit de Reparation for Injuries-zaak restrictief toe en stelde dat
het:
          “could not be deemed a necessary implication of the Constitution of the
          Organization in the light of the purposes assigned to it by its member States”.43
5.4.2     De juridische grondslag voor een besluit van het Comité van Ministers
Uit deze jurisprudentie en de kritiek daarop kan worden geconcludeerd, dat (1) de
impliciete bevoegdheid van een internationale organisatie niet in tegenspraak mag zijn
met de expliciete bevoegdheden van die organisatie en dat (2) bij de bepaling of een
organisatie impliciete bevoegdheden heeft, doorslaggevend is of deze bevoegdheden
essentieel zijn voor de uitoefening van de functies van de organisatie.
In paragraaf 5.1 worden de statutaire regels geciteerd, die binnen de Raad van Europa
worden gehanteerd voor verdragsluiting. Deze houden in, dat de totstandkoming van
een verdrag afhankelijk is van de wil van de partijen bij dat verdrag, als dragers van hun
in principe onbeperkte volkenrechtelijke rechtsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid.
Dit wordt weerspiegeld in Protocol nr. 14, dat immers een verdrag vormt waarmee het
EVRM wordt gewijzigd en waarvoor bovendien de wil tot gebonden zijn van alle partijen
nodig werd geacht.
De CAVV constateert, dat de expliciete bevoegdheid voor een besluit van het Comité
van Ministers inzake de toepassing van de betreffende maatregelen uit Protocol nr. 14
ontbreekt en dat een impliciete bevoegdheid op gespannen voet lijkt te staan met binnen
42
   Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons in Armed Conflict, Advisory Opinion, ICJ Reports 1996,
para 25.
43
   Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons in Armed Conflict, para 25.
                                                    21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>de Raad van Europa geldende regels.
Uit de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof moet evenwel worden afgeleid,
dat internationale organisaties genoodzaakt kunnen zijn bepaalde maatregelen te treffen
als de essentiële doelstellingen van de organisatie niet kunnen worden verwezenlijkt. Het
lijdt naar de mening van de CAVV geen twijfel, dat een dergelijke noodzaak in dit geval
bestaat.
Het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt
zeer algemeen erkend als een uiterst, zo niet de meest belangrijke bijdrage aan de
verwezenlijking van de doelstellingen van de Raad van Europa. In de preambule van het
EVRM staat dan ook, dat een van de middelen om een grotere eenheid tussen de leden
van de Raad van Europa te bereiken, de adequate handhaving en verdere
verwezenlijking van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is en dat is
besloten:
         “[a]ls Regeringen van gelijkgestemde Europese Staten, die een
         gemeenschappelijk erfdeel bezitten van politieke tradities,idealen, vrijheid en
         heerschappij van het recht, de eerste stappen te doen voor een collectieve
         handhaving van sommige der in de Universele Verklaring vermelde rechten;”
         (cursivering toegevoegd)
In de loop van het ruim vijftigjarig bestaan van het EVRM is het systeem voor een
collectieve handhaving van de mensenrechten tot volle ontwikkeling is gekomen. Binnen
dit systeem heeft het Europese Hof een essentiële rol gekregen. De adequate invulling
van deze rol is thans, zoals blijkt uit hoofdstuk 3, door de groei van het aantal
verzoekschriften onder zodanige druk komen te staan, dat voor de handhaving van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt gevreesd.
Bij een afweging van enerzijds het belang dat de partijen bij het EVRM hebben bij de
handhaving van hun internationaalrechtelijke bevoegdheid om verdragen te sluiten en
anderzijds de noodzaak om een snelle en doeltreffende maatregel te treffen ter
beteugeling van de werklast van het EHRM, dient naar de mening van de CAVV het
laatstgenoemde belang doorslaggevend te zijn. Zeer relevant is bovendien, dat alle
partijen bij het EVRM, op de Russische Federatie na, Protocol nr. 14 hebben
                                               22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>geratificeerd, zodat zij al gebruik hebben gemaakt van hun internationaalrechtelijke
bevoegdheid om verdragen te sluiten. De CAVV acht dan ook een besluit van het
Comité van Ministers, dat bovendien alleen de voor de bestrijding van de werklast meest
relevante maatregelen van Protocol nr. 14 omvat, geoorloofd. Zij verwijst ook naar het in
paragraaf 4.3 genoemde verzoek van de president van het EHRM om het EHRM te
machtigen de betreffende procedurele bepalingen vooruitlopend op de inwerkingtreding
van Protocol nr. 14 toe te passen.
De Raad van Europa kent voorts een relevant precedent. Op 2 mei 2001 besloten de
plaatsvervangers van het Comité van Ministers in de samenstelling beperkt tot de
vertegenwoordigers van de partijen bij het Europees Sociaal Handvest, unaniem dat het
aantal leden van het toezichthoudend comité van onafhankelijke deskundigen bedoeld in
artikel 25 van het Europees Sociaal Handvest zou worden verhoogd van negen naar
vijftien.44 Daarmee werd uitvoering gegeven aan artikel 3 van het op 21 oktober 1991
gesloten Protocol tot wijziging van het Europees Sociaal Handvest, dat nog niet in
werking was.45 Uit de stukken blijkt, dat deze beslissing werd gebaseerd op een rapport
van de Rapporteur Group on Human Rights, waarin de opvatting van het comité van
onafhankelijke deskundigen werd ondersteund dat deze maatregel werd beschouwd als
“an important and urgently required step” gezien de werklast van dit comité.46 De
maatregel werd ook gesteund door het Governmental Committee of the European Social
                                                                 47
Charter, alsmede door de Parlementaire Vergadering. Ook in dit geval wordt genoemd
dat de beslissing vooruitloopt op de inwerkingtreding van het betreffende Protocol (van
21 oktober 1991).48
Er zijn geen tekenen dat het besluit van 2 mei 2001 van de plaatsvervangers van het
Comité van Ministers tot een uitholling heeft geleid van de bevoegdheid van de lidstaten
van de Raad van Europa om verdragen te sluiten. Op basis daarvan en van de zeer
specifieke omstandigheden in dit concrete geval, acht de CAVV het gevaar van een
dergelijke uitholling in het geval van een besluit van het Comité van Ministers dat inhoudt
44
   751st meeting of the Ministers’ Deputies/ European Social Charter. Increase in the number of members of
the European Committee of Social Rights. 751.4.2 / 07 May 2001.
45
   ETS No. 142; Trb. 1992, 7.
46
   GR-H(98)10, para 9.
47
   GR-H(98)11 en GR-H(98)12.
48
   GR-H(98)11 para 7.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>dat de bepalingen van Protocol nr. 14 over de alleenzittende rechter en de uitbreiding
van de bevoegdheid van het Comité van drie rechters, uiterst gering.
5.4.3   Conclusie
Alles afwegende vormt een besluit van het Comité van Ministers, inhoudend de instelling
van de alleenzittende rechter en de uitbreiding van de bevoegdheid van het Comité van
drie rechters naar de mening van de CAVV één van de mogelijkheden voor een snelle
regeling ter beperking van de werklast. Zij is van mening, dat een dergelijk besluit, dat
alleen van toepassing zou zijn op die lidstaten die vóór stemmen, moet worden gezien
als een handeling van het Comité van Ministers, die noodzakelijk is om de doelstelling
van de Raad van Europa te behartigen.
5.4.4   Procedure
Naar de mening van de CAVV vormt het betreffende besluit een uitvoering van artikel
15a van het Statuut, dat luidt:
        On the recommendation of the Consultative Assembly or on its own initiative, the
        Committee of Ministers shall consider the action required to further the aim of the
        Council of Europe, including the conclusion of conventions or agreements and the
        adoption by governments of a common policy with regard to particular matters. Its
        conclusion shall be communicated to members by the Secretary General.
Omdat artikel 20 van het Statuut geen specifieke procedure omvat voor besluiten die
voortvloeien uit artikel 15a, vereist een dergelijk besluit naar de mening van de CAVV
een tweederde meerderheid van de vertegenwoordigers die hun stem uitbrengen en een
meerderheid van vertegenwoordigers die gerechtigd zijn tot stemmen (artikel 20d
Statuut). De CAVV onderkent echter, dat er wellicht stemmen zullen opgaan die
unanieme besluitvorming eisen.49 In dat geval zou de stemming in twee stappen
plaatsvinden. Eerst zou tweederde van de vertegenwoordigers die hun stem uitbrengen
en een meerderheid van de vertegenwoordigers die het recht hebben hun stem uit te
brengen, moeten bepalen of het betreffende besluit van het Comité van Ministers
inderdaad unanimiteit vereist. Afhankelijk van de uitkomst daarvan wordt vervolgens het
49
   Unanimiteit houdt op basis van artikel 20 Statuut in, dat er unanimiteit moet bestaan bij de
vertegenwoordigers die hun stem uitbrengen, maar dat met een meerderheid van partijen die gerechtigd zijn
hun stem uit te brengen, kan worden volstaan.
                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>besluit zelf onderworpen aan of een unanieme of een meerderheidsbeslissing.
                                          25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>6.      HET ADVIES VAN DE CAVV
De CAVV heeft uit de bewoordingen van de adviesaanvraag de conclusie getrokken, dat
deze aanvraag niet de integrale toepassing van Protocol nr. 14 betreft, maar tot doel
heeft een oplossing te vinden voor het beteugelen van de werklast van het EHRM. De
noodzaak van deze oplossing blijkt ook uit hoofdstuk 3, waarin het probleem van de
werklast en de stappen ter beperking daarvan binnen de Raad van Europa worden
beschreven.
Hoewel het belang van een integrale toepassing van Protocol nr. 14 niet wordt ontkend,
is het de CAVV gebleken, dat drie maatregelen in dit Protocol cruciaal zijn voor de
beteugeling van de werklast, namelijk de instelling van de alleenzittende rechter, de
toename van de bevoegdheid van het Comité van drie rechters en de introductie van
een nieuw ontvankelijkheidscriterium. Dit leidt de CAVV tot de conclusie, dat zij haar
onderzoek naar een oplossing zal moeten concentreren op de haalbaarheid van de
toepassing van deze drie maatregelen.
Dit onderzoek betreft het ontstaan van twee regimes in de toepassing van het EVRM,
indien niet alle partijen daarbij deelnemen aan een oplossing. Dit zou tot gevolg kunnen
hebben dat zich uiteenlopende jurisprudentie ontwikkelt. Op basis van de tekst van de
betreffende bepalingen van Protocol nr. 14 en de toelichting daarop in het Explanatory
Report, acht de CAVV geen gevaar voor een tweespalt in de EHRM-jurisprudentie
aanwezig ten gevolge van de instelling van de alleenzittende rechter en de uitbreiding
van de bevoegdheid van het Comité van drie rechters. Wat betreft het
ontvankelijkheidscriterium is dit, naar de mening van de CAVV, minder zeker.
Uiteindelijk komt de CAVV dan ook tot de conclusie, dat er naar een oplossing moet
worden gezocht die alleen de instelling van de alleenzittende rechter en de uitbreiding
van de bevoegdheden van het Comité van drie rechters betreft.
Vervolgens is gezocht naar de wijze waarop de toepassing van de twee genoemde
maatregelen gestalte zou kunnen krijgen. De CAVV acht daartoe een drietal
mogelijkheden aanwezig, namelijk:
(1) de gedeeltelijke voorlopige toepassing van Protocol nr. 14;
                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>(2) de sluiting van een verdrag in de vorm van een Protocol nr. 14bis, waarin een
bepaling wordt opgenomen die een snelle inwerkingtreding mogelijk maakt; dan wel
(3) een besluit van het Comité van Ministers van de Raad van Europa.
Deze modaliteiten hebben gemeen, dat zij vooruitlopen op de inwerkingtreding van
Protocol nr. 14 en hun werking verliezen als dit Protocol van kracht wordt. Voorts geldt,
dat zij alleen die staten binden die met deze binding uitdrukkelijk hebben ingestemd.
Met de voorlopige toepassing van de relevante bepalingen uit Protocol nr.14 dienen alle
staten die aan de onderhandelingen hebben deelgenomen, in te stemmen. Dit geeft de
regering van de Russische Federatie enerzijds de mogelijkheid met de gekozen
oplossing akkoord te gaan en daarmee begrip te tonen voor de wens van het Hof om zo
efficiënt mogelijk te kunnen werken. Anderzijds kan de regering er in de Doema op
wijzen, dat deze oplossing slechts voorlopig van aard is, in afwachting van de
inwerkingtreding van Protocol nr. 14.
De sluiting van een verdrag - Protocol nr. 14bis - zou kunnen worden opgevat als een
relatief zwaar instrument, ook omdat het partijen bij het EVRM mogelijk noodzaakt tot het
volgen van een nationale verdragsrechtelijke procedure alvorens de wil tot gebonden zijn
tot uitdrukking kan worden gebracht. De CAVV benadrukt dat Protocol nr. 14bis geen
inhoudelijke verdragsonderhandelingen vergt. Zij gaat er bovendien vanuit, dat bij het
grootste deel van de partijen bij het EVRM de wens leeft het probleem van de werklast
zo snel mogelijk op te lossen en dat de lidstaten elk voor zich creatief naar wegen
zoeken om een snelle inwerkingtreding van Protocol nr. 14bis te realiseren. Daarbij kan
de mogelijkheid van voorlopige toepassing van dit Protocol nuttig zijn.
De openstelling voor ondertekening van Protocol nr. 14bis geschiedt op basis van een
meerderheidsbeslissing van het Comité van Ministers, zodat niet alle partijen met de
inhoud van Protocol nr. 14bis en de openstelling voor ondertekening daarvan behoeven
in te stemmen.
Op een besluit van het Comité van Ministers is in principe de kritiek mogelijk, dat dit in
tegenspraak is met de regelingen over verdragsluiting binnen de Raad van Europa, die
de bevoegdheid van de lidstaten daartoe in tact laten. Zoals blijkt uit paragraaf 5.4
behoort de noodzaak tot een oplossing van het probleem van de werklast in dezen de
                                             27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>voorrang te krijgen, gezien de dreiging dat de EHRM onder deze werklast niet naar
behoren zal kunnen functioneren.
                                            28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Leden van de Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken
Voorzitter                                  Prof. dr. M.T. Kamminga
Leden                                       Dr. K.C.J.M. Arts
                                            Dr. A. Bos
                                            Prof. dr. M.M.T.A. Brus
                                            Prof. dr. T.D. Gill
                                            Mr. dr. E.P.J. Myjer
                                            Prof. dr. P.A. Nollkaemper
                                            Prof. dr. N.J. Schrijver
                                            Prof. dr. A.H.A. Soons
                                            Prof. dr. Werner
                                            Prof. dr. R.A. Wessel
                                            Prof. dr. E. de Wet
Ambtelijk adviseur                          Dr. E. Lijnzaad
Secretariaat                                Mr. drs. W.E.M. van Bladel
                                            Mr. M.A.J. Hector
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Telefoon + 31 70 348 6724
Fax + 31 70 348 5128
www.djz-ir@minbuza.nl
http://www.minbuza.nl/nl/ministerie,organisatiestructuur/adviescolleges
De Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagsstukken adviseert de regering en
de Staten-Generaal over vraagstukken van internationaal recht.
                                                                    European Treaty Series - No. 5
                                              1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Dutch version/Version néerlandaise
Vertaling
Verdrag tot Bescherming van de Rechten
van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden zoals
gewijzigd door Protocol Nr. 11
met de aanvullende Protocollen
Nrs. 1, 4, 6, 7, 12 en 13
De tekst van het Verdrag was gewijzigd door de bepalingen van Protocol Nr. 3
(ETS Nr. 45), in werking getreden op 21 september 1970, van Protocol Nr. 5
(ETS Nr. 55), in werking getreden op 20 december 1971, en van Protocol Nr. 8
(ETS Nr. 118), in werking getreden op 1 januari 1990, en bevatte tevens de
tekst van Protocol Nr. 2 (ETS Nr. 44) dat, sinds het op 21 september 1970 in
werking trad een integraal gedeelte van het Verdrag had uitgemaakt in
overeenstemming met Artikel 5, paragraaf 3 van dat Protocol. Alle bepalingen
die een wijziging hadden ondergaan of waren toegevoegd door deze
Protocollen zijn vervangen door Protocol Nr. 11 (ETS Nr. 155), met ingang van
de datum 1 november 1998 waarop dit in werking trad. Vanaf die datum is
Protocol Nr. 9 (ETS Nr. 140), in werking getreden op 1 oktober 1994,
ingetrokken.
Griffie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
september 2003
                                                   2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Verdrag tot Bescherming van de
Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden
Rome, 4.XI.1950
De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad
van Europa,
Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op
10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties is afgekondigd;
Overwegende, dat deze Verklaring ten doel heeft de universele en
daadwerkelijke erkenning en toepassing van de Rechten die daarin zijn
nedergelegd te verzekeren;
Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het bereiken van
een grotere eenheid tussen zijn Leden en dat een van de middelen om
dit doel te bereiken is de handhaving en de verdere verwezenlijking van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
Opnieuw haar diep geloof bevestigende in deze fundamentele vrijheden
die de grondslag vormen voor gerechtigheid en vrede in de wereld en
welker handhaving vooral steunt, enerzijds op een waarlijk
democratische regeringsvorm, anderzijds op het gemeenschappelijk
begrip en de gemeenschappelijke eerbiediging van de rechten van de
mens waarvan die vrijheden afhankelijk zijn;
Vastbesloten om, als Regeringen van gelijkgestemde Europese staten,
die een gemeenschappelijk erfdeel bezitten van politieke tradities,
idealen, vrijheid en heerschappij van het recht, de eerste stappen te
doen voor de collectieve handhaving van sommige der in de Universele
Verklaring vermelde rechten;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 . Verplichting tot eerbiediging van de rechten van de
mens
De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder, die ressorteert
onder hun rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld
in de Eerste Titel van dit Verdrag.
TITEL I . RECHTEN EN VRIJHEDEN
Artikel 2 . Recht op leven
1.
Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet.
Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens
door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis wegens een
misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet.
                                                   3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>2.
De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn
geschied ingeval zij het gevolg is van geweld, dat absoluut noodzakelijk
is:
a.
ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld;
b.
teneinde een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het
ontsnappen van iemand, die op rechtmatige wijze is gedetineerd, te
voorkomen;
c.
teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te
onderdrukken.
Artikel 3 . Verbod van foltering
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke
of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Artikel 4 . Verbod van slavernij en dwangarbeid
1.
Niemand mag in slavernij of dienstbaarheid worden gehouden.
2.
Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te
verrichten.
3.
Niet als "dwangarbeid of verplichte arbeid" in de zin van dit artikel
worden beschouwd:
a.
elk werk dat gewoonlijk wordt vereist van iemand die is gedetineerd
overeenkomstig de bepalingen van Artikel 5 van dit Verdrag, of
gedurende zijn voorwaardelijke invrijheidstelling;
b.
elke dienst van militaire aard, of, in geval van gewetensbezwaarden
in landen waarin hun gewetensbezwaren worden erkend, diensten
die gevorderd kunnen worden in plaats van de verplichte militaire
dienst;
c.
elke dienst die wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand
of ramp die het leven of het welzijn van de gemeenschap bedreigt;
d.
elk werk of elke dienst, welke deel uitmaakt van normale
burgerplichten.
Artikel 5 . Recht op vrijheid en veiligheid
1.
Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand
mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen
en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
a.
indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door
een daartoe bevoegde rechter;
b.
indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd,
                                                    4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een
gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de
wet voorgeschreven verplichting te verzekeren;
c.
indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd
teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid,
wanneer er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit
heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te
beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit
heeft begaan;
d.
in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het
doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige
detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden;
e.
in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming
van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken,
van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van
landlopers;
f.
in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon
teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te
komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of
uitleveringsprocedure hangende is.
2.
Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij
verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn
arrestatie en van alle beschuldigingen welke tegen hem zijn ingebracht.
3.
Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.c van
dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een
andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke
macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn
berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg
voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.
4.
Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft
het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat dit spoedig beslist
over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt,
indien de detentie onrechtmatig is.
5.
Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een
detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op
schadeloosstelling.
Artikel 6 . Recht op een eerlijk proces
1.
Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het
bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging
heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn
zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig
gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar
worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en
                                                     5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een
deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde
of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de
belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van
procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder
bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld,
wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke
rechtspleging zou schaden.
2.
Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig
gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3.
Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder
de volgende rechten:
a.
onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de
hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen
hem ingebrachte beschuldiging;
b.
te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de
voorbereiding van zijn verdediging;
c.
zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een
raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende
middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door
een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de
belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d.
de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het
oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen
geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de
getuigen à charge;
e.
zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal, die
ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.
Artikel 7 . Geen straf zonder wet
1.
Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat
geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten
tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een
zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan
van het strafbare feit van toepassing was.
2.
Dit artikel staat niet in de weg aan de berechting en bestraffing van
iemand, die schuldig is aan een handelen of nalaten, dat ten tijde van
het handelen of nalaten, een misdrijf was overeenkomstig de algemene
rechtsbeginselen die door de beschaafde volken worden erkend.
Artikel 8 . Recht op eerbiediging van privéleven, familie-en
gezinsleven
1.
Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en
                                                     6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2.
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de
uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een
democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de
nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn
van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten,
de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 9 . Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst
1.
Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst;
dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te
veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel
in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot
uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische
toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.
2.
De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen
kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij
de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk
zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van
de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming
van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 10 . Vrijheid van meningsuiting
1.
Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de
vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of
denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig
openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radioomroep-,
en bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan
een systeem van vergunningen.
2.
Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en
verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen
aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die
bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving
noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale
integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden
en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede
zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen,
om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of
om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te
waarborgen.
Artikel 11 . Vrijheid van vergadering en vereniging
1.
Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op
vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen
vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten
                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>voor de bescherming van zijn belangen.
2.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen
worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een
democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de
nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van
wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de
gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige
beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door
leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat
van de Staat.
Artikel 12 . Recht te huwen
Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en
een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van
dit recht beheersen.
Artikel 13 . Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel
Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn
geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een
nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen
in de uitoefening van hun ambtelijke functie.
Artikel 14 . Verbod van discriminatie
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld,
moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook,
zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening,
nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale
minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Artikel 15 . Afwijking in geval van noodtoestand
1.
In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand
die het bestaan van het land bedreigt, kan iedere Hoge
Verdragsluitende Partij maatregelen nemen die afwijken van zijn
verplichtingen ingevolge dit Verdrag, voor zover de ernst van de situatie
deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd
zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale
recht.
2.
De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van Artikel 2,
behalve ingeval van dood als gevolg van rechtmatige
oorlogshandelingen, en van de Artikelen 3, 4 (eerste lid), en 7.
3.
Elke Hoge Verdragsluitende Partij die gebruik maakt van dit recht om af
te wijken, moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa
volledig op de hoogte houden van de genomen maatregelen en van de
beweegredenen daarvoor. Zij moet de Secretaris-Generaal van de Raad
                                                      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>van Europa eveneens in kennis stellen van de datum waarop deze
maatregelen hebben opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen
van het Verdrag opnieuw volledig worden toegepast.
Artikel 16 . Beperkingen op politieke activiteiten van
vreemdelingen
Geen der bepalingen van de Artikelen 10, 11 en 14 mag beschouwd
worden als een beletsel voor de Hoge Verdragsluitende Partijen
beperkingen op te leggen aan politieke activiteiten van vreemdelingen.
Artikel 17 . Verbod van misbruik van recht
Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij
voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige
activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel
de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of
deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.
Artikel 18 . Inperking van de toepassing van beperkingen op
rechten
De beperkingen die volgens dit Verdrag op de omschreven rechten en
vrijheden zijn toegestaan, mogen slechts worden toegepast ten behoeve
van het doel waarvoor zij zijn gegeven.
TITEL II . EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS
Artikel 19 . Instelling van het Hof
Teneinde de nakoming te verzekeren van de verplichtingen die de Hoge
Verdragsluitende Partijen in het Verdrag en de Protocollen daarbij op
zich hebben genomen, wordt een Europees Hof voor de Rechten van de
Mens ingesteld, hierna te noemen "het Hof". Het functioneert op een
permanente basis.
Artikel 20 . Aantal rechters
Het Hof bestaat uit een aantal rechters dat gelijk is aan het aantal Hoge
Verdragsluitende Partijen.
Artikel 21 . Voorwaarden voor uitoefening van de functie
1.
De rechters moeten het hoogst mogelijk zedelijk aanzien genieten en in
zich verenigen de voorwaarden die worden vereist voor het uitoefenen
van een hoge functie bij de rechterlijke macht, ofwel rechtsgeleerden
zijn van erkende bekwaamheid.
2.
De rechters hebben zitting in het Hof op persoonlijke titel.
3.
Gedurende hun ambtstermijn mogen de rechters geen activiteiten
verrich-ten die onverenigbaar zijn met hun onafhankelijkheid,
onpartijdigheid of met de eisen van een volledige dagtaak; het Hof
                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>beslist over alle vragen met betrekking tot de toepassing van dit lid.
Artikel 22 . Verkiezing van rechters
1.
Voor elke Hoge Verdragsluitende Partij worden de rechters gekozen
door de Parlementaire Vergadering, met een meerderheid van de
uitgebrachte stemmen, uit een lijst van drie kandidaten, voorgedragen
door de Hoge Verdragsluitende Partij.
2.
Dezelfde procedure wordt gevolgd om het Hof aan te vullen in geval van
toetreding van nieuwe Hoge Verdragsluitende Partijen en om
tussentijdse vacatures te vervullen.
Artikel 23 . Ambtstermijn
1.
De rechters worden gekozen voor een periode van zes jaar. Zij zijn
herkies-baar. De ambtstermijn van de helft van de rechters die bij de
eerste verkiezing zijn gekozen, eindigt evenwel na drie jaar.
2.
De rechters van wie de ambtstermijn zal eindigen na de eerste periode
van drie jaar, worden bij loting aangewezen door de Secretaris-
Generaal van de Raad van Europa, onmiddellijk na hun verkiezing.
3.
Teneinde zo veel mogelijk te bewerkstelligen dat elke drie jaar de
ambts-termijn van de helft van de rechters wordt verlengd, kan de
Parlementaire Vergadering, alvorens tot een volgende verkiezing over te
gaan, besluiten dat de ambtstermijn van één of meer te verkiezen
rechters een andere duur heeft dan zes jaar, doch ten hoogste negen
en ten minste drie jaar.
4.
Ingeval het meer dan één ambtstermijn betreft en de Parlementaire
Verga-dering het voorgaande lid toepast, geschiedt de toedeling van de
ambtstermijnen door middel van loting door de Secretaris-Generaal van
de Raad van Europa onmiddellijk na de verkiezing.
5.
Een rechter die is verkozen ter vervanging van een rechter van wie de
ambtstermijn niet is geëindigd, maakt de ambtstermijn van zijn
voorganger af.
6.
De ambtstermijn van rechters eindigt wanneer zij de leeftijd van 70 jaar
bereiken.
7.
De rechters blijven in functie tot hun vervanging. Zij handelen evenwel
de zaken af die zij reeds in behandeling hebben.
Artikel 24 . Ontheffing uit het ambt
Een rechter kan slechts van zijn functie worden ontheven indien de
overige rechters bij een meerderheid van tweederde besluiten dat hij
niet meer aan de vereiste voorwaarden voldoet.
Artikel 25 . Griffie en referendarissen
Het Hof beschikt over een griffie, waarvan de taken en de organisatie
                                                  10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>worden vastgesteld in het reglement van het Hof. Het Hof wordt
bijgestaan door referendarissen.
Artikel 26 . Hof in voltallige vergadering bijeen
Het Hof in voltallige vergadering bijeen:
a.
kiest zijn President en één of twee Vice-Presidenten voor een
periode van drie jaar; zij zijn herkiesbaar;
b.
stelt Kamers in, voor bepaalde tijd;
c.
kiest de Voorzitters van de Kamers van het Hof; zij zijn herkiesbaar;
d.
neemt het reglement van het Hof aan; en
e.
kiest de Griffier en één of twee Plaatsvervangend Griffiers.
Artikel 27 . Comités, Kamers en Grote Kamer
1.
Ter behandeling van bij het Hof aanhangig gemaakte zaken, houdt het
Hof zitting in comités van drie rechters, in Kamers van zeven rechters en
in een Grote Kamer van zeventien rechters. De Kamers van het Hof
stellen comités in voor bepaalde tijd.
2.
De rechter die is gekozen voor de betrokken Staat maakt van
rechtswege deel uit van de Kamer en van de Grote Kamer; in geval van
zijn ontstentenis of belet wijst die Staat een persoon aan om daarin als
rechter zitting te hebben.
3.
De Grote Kamer bestaat mede uit de President van het Hof, de VicePresi-
denten, de Voorzitters van de Kamers en andere rechters,
aangewezen overeenkomstig het reglement van het Hof. Wanneer een
zaak op grond van Artikel 43 naar de Grote Kamer wordt verwezen, mag
een rechter van de Kamer die uitspraak heeft gedaan, geen zitting
nemen in de Grote Kamer, met uitzondering van de voorzitter van de
Kamer en de rechter die daarin zitting had voor de betrokken Staat.
Artikel 28 . Verklaringen van niet-ontvankelijkheid van comités
Een comité kan, met eenparigheid van stemmen, een individueel
verzoek-schrift, ingediend op grond van Artikel 34, niet-ontvankelijk
verklaren of van de rol schrappen, wanneer deze beslissing zonder
nader onderzoek kan worden genomen. De beslissing is definitief.
Artikel 29 . Beslissingen van Kamers inzake ontvankelijkheid en
gegrondheid
1.
Indien geen beslissing ingevolge Artikel 28 is genomen, beslist een
Kamer over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van individuele
verzoekschriften, ingediend op grond van Artikel 34.
2.
                                                    11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Een Kamer beslist over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van
interstatelijke verzoekschriften, ingediend op grond van Artikel 33.
3.
De beslissing inzake ontvankelijkheid wordt afzonderlijk genomen, tenzij
het Hof, in uitzonderlijke gevallen, anders beslist.
Artikel 30 . Afstand van rechtsmacht ten gunste van de Grote
Kamer
Indien de bij een Kamer aanhangige zaak aanleiding geeft tot een
ernstige vraag betreffende de interpretatie van het Verdrag of de
Protocollen daarbij of wanneer de oplossing van een vraag aanhangig
voor een Kamer een resultaat kan hebben dat strijdig is met een
eerdere uitspraak van het Hof, kan de Kamer, te allen tijde voordat zij
uitspraak doet, afstand doen van rechtsmacht ten gunste van de Grote
Kamer, tenzij één van de betrokken partijen daartegen bezwaar maakt.
Artikel 31 . Bevoegdheden van de Grote Kamer
De Grote Kamer
a.
doet uitspraak over op grond van Artikel 33 of Artikel 34 ingediende
verzoekschriften wanneer een Kamer ingevolge Artikel 30 afstand
van rechtsmacht heeft gedaan of wanneer de zaak ingevolge Artikel
43 naar de Grote Kamer is verwezen; en
b.
behandelt verzoeken om advies, gedaan ingevolge Artikel 47.
Artikel 32 . Rechtsmacht van het Hof
1.
De rechtsmacht van het Hof strekt zich uit tot alle kwesties met
betrekking tot de interpretatie en de toepassing van het Verdrag en de
Protocollen daarbij die aan het Hof worden voorgelegd zoals bepaald in
de Artikelen 33, 34 en 47.
2.
In geval van een meningsverschil met betrekking tot de vraag of het Hof
rechtsmacht heeft, beslist het Hof.
Artikel 33 . Interstatelijke zaken
Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan elke vermeende niet-nakoming
van de bepalingen van het Verdrag en de Protocollen daarbij door een
andere Hoge Verdragsluitende Partij bij het Hof aanhangig maken.
Artikel 34 . Individuele verzoekschriften
Het Hof kan verzoekschriften ontvangen van ieder natuurlijk persoon,
iedere niet-gouvernementele organisatie of iedere groep personen die
beweert slachtoffer te zijn van een schending door een van de Hoge
Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het Verdrag of de
Protocollen daarbij zijn vervat. De Hoge Verdragsluitende Partijen
verplich-ten zich ertoe de doeltreffende uitoefening van dit recht op
generlei wijze te belemmeren.
                                                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Artikel 35 . Voorwaarden voor ontvankelijkheid
1.
Het Hof kan een zaak pas in behandeling nemen nadat alle nationale
rechtsmiddelen zijn uitgeput, overeenkomstig de algemeen erkende
regels van internationaal recht, en binnen een termijn van zes maanden
na de datum van de definitieve nationale beslissing.
2.
Het Hof behandelt geen enkel individueel verzoekschrift, ingediend op
grond van Artikel 34, dat
a. anoniem is; of
b.
in wezen gelijk is aan een zaak die reeds eerder door het Hof is
onderzocht of reeds aan een andere internationale instantie voor
onderzoek of regeling is voorgelegd en geen nieuwe feiten bevat.
3.
Het Hof verklaart elk individueel verzoekschrift, ingediend op grond van
Artikel 34, niet-ontvankelijk, wanneer het van oordeel is dat dit niet
verenigbaar is met de bepalingen van het Verdrag of de Protocollen
daarbij, kennelijk ongegrond is of een misbruik betekent van het recht
tot het indienen van een verzoekschrift.
4.
Het Hof verwerpt elk verzoekschrift dat het ingevolge dit artikel als
niet-ontvankelijk beschouwt. Dit kan het in elk stadium van de procedure
doen.
Artikel 36 . Tussenkomst door derden
1.
In alle zaken die voor een Kamer of de Grote Kamer aanhangig zijn,
heeft een Hoge Verdragsluitende Partij waarvan een onderdaan
verzoeker is het recht schriftelijke conclusies in te dienen en aan
zittingen deel te nemen.
2.
De President van het Hof kan, in het belang van een goede
rechtsbedeling, elke Hoge Verdragsluitende Partij die geen partij bij de
procedure is of elke belanghebbende die niet de verzoeker is,
uitnodigen schriftelijke conclusies in te dienen of aan zittingen deel te
nemen.
Artikel 37 . Schrapping van de rol
1.
Het Hof kan in elk stadium van de procedure beslissen een
verzoekschrift van de rol te schrappen wanneer de omstandigheden tot
de conclusie leiden dat
a.
de verzoeker niet voornemens is zijn verzoekschrift te handhaven; of
b.
het geschil is opgelost; of
c.
het om een andere door het Hof vastgestelde reden niet meer
gerecht-vaardigd is de behandeling van het verzoekschrift voort te
zetten.
Het Hof zet de behandeling van het verzoekschrift evenwel voort, indien
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>de eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij
omschreven rechten van de mens zulks vereist.
2.
Het Hof kan beslissen een verzoekschrift opnieuw op de rol te plaatsen
wanneer het van oordeel is dat de omstandigheden zulks
rechtvaardigen.
Artikel 38 . Behandeling van de zaak en procedure voor minnelijke
schikking
1.
Indien het Hof het verzoekschrift ontvankelijk verklaart,
a.
zet het de behandeling van de zaak voort, tesamen met de vertegenwoordigers
van de partijen en verricht, indien nodig, nader
onderzoek, voor de goede voortgang waarvan de betrokken Staten
alle noodzakelijke faciliteiten leveren;
b.
stelt het zich ter beschikking van de betrokken partijen teneinde tot
een minnelijke schikking van de zaak te komen op basis van
eerbiediging van de in het Verdrag en de Protocollen daarbij
omschreven rechten van de mens.
2.
De in het eerste lid, letter b, omschreven procedure is vertrouwelijk.
Artikel 39 . Totstandbrenging van een minnelijke schikking
Indien het tot een minnelijke schikking komt, schrapt het Hof de zaak
van de rol bij een beslissing, die beperkt blijft tot een korte uiteenzetting
van de feiten en de bereikte oplossing.
Artikel 40 . Openbare zittingen en toegang tot de stukken
1.
De zittingen zijn openbaar, tenzij het Hof wegens buitengewone omstandigheden
anders beslist.
2.
De ter griffie gedeponeerde stukken zijn toegankelijk voor het publiek,
tenzij de President van het Hof anders beslist.
Artikel 41 . Billijke genoegdoening
Indien het Hof vaststelt dat er een schending van het Verdrag of van de
Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht
van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk
rechtsherstel toelaat, kent het Hof, indien nodig, een billijke
genoegdoening toe aan de benadeelde.
Artikel 42 . Uitspraken van Kamers
Uitspraken van Kamers gelden als einduitspraak in overeenstemming
met de bepalingen van Artikel 44, tweede lid.
                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Artikel 43 . Verwijzing naar de Grote Kamer
1.
Binnen een termijn van drie maanden na de datum van de uitspraak van
een Kamer kan elke bij de zaak betrokken partij, in uitzonderlijke
gevallen, verzoeken om verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer.
2.
Een college van vijf rechters van de Grote Kamer aanvaardt het verzoek
indien de zaak aanleiding geeft tot een ernstige vraag betreffende de
interpretatie of toepassing van het Verdrag of de Protocollen daarbij,
dan wel een ernstige kwestie van algemeen belang.
3.
Indien het college het verzoek aanvaardt, doet de Grote Kamer
uitspraak in de zaak.
Artikel 44 . Einduitspraken
1.
De uitspraak van de Grote Kamer geldt als einduitspraak.
2.
De uitspraak van een Kamer geldt als einduitspraak
a.
wanneer de partijen verklaren dat zij niet zullen verzoeken om
verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer; of
b.
drie maanden na de datum van de uitspraak, indien niet is verzocht
om verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer; of
c.
wanneer het college van de Grote Kamer het in Artikel 43 bedoelde
verzoek verwerpt.
3.
De einduitspraak wordt openbaar gemaakt.
Artikel 45 . Redenen die aan uitspraken en beslissingen ten
grondslag liggen
1.
Uitspraken, alsmede beslissingen waarbij verzoekschriften al dan niet
ontvankelijk worden verklaard, dienen met redenen te worden omkleed.
2.
Indien een uitspraak niet, geheel of gedeeltelijk, de eenstemmige
mening van de rechters weergeeft, heeft iedere rechter het recht een
uiteenzetting van zijn persoonlijke mening toe te voegen.
Artikel 46 . Bindende kracht en tenuitvoerlegging van uitspraken
1.
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe zich te houden
aan de einduitspraak van het Hof in de zaken waarbij zij partij zijn.
2.
De einduitspraak van het Hof wordt toegezonden aan het Comité van
Ministers, dat toeziet op de tenuitvoerlegging ervan.
                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Artikel 47 . Adviezen
1.
Het Hof kan, op verzoek van het Comité van Ministers, adviezen
uitbrengen over rechtsvragen betreffende de interpretatie van het
Verdrag en de Protocollen daarbij.
2.
Deze adviezen mogen geen betrekking hebben op vragen die verband
houden met de inhoud of strekking van de in Titel I van het Verdrag en
de Protocollen daarbij omschreven rechten en vrijheden, noch op
andere vragen waarvan het Hof of het Comité van Ministers kennis zou
moeten kunnen nemen ten gevolge van het instellen van een procedure
overeenkomstig het Verdrag.
3.
Besluiten van het Comité van Ministers waarbij het Hof om advies wordt
gevraagd, dienen te worden genomen met een meerderheid van de
vertegenwoordigers die gerechtigd zijn in het Comité zitting te hebben.
Artikel 48 . Bevoegdheid van het Hof met betrekking tot adviezen
Het Hof beslist of een verzoek om advies van het Comité van Ministers
behoort tot zijn bevoegdheid als omschreven in Artikel 47.
Artikel 49 . Redenen die aan adviezen ten grondslag liggen
1.
Adviezen van het Hof dienen met redenen te worden omkleed.
2.
Indien een advies niet, geheel of gedeeltelijk, de eenstemmige mening
van de rechters weergeeft, heeft iedere rechter het recht een
uiteenzetting van zijn persoonlijke mening toe te voegen.
3.
Adviezen van het Hof worden ter kennis gebracht van het Comité van
Ministers.
Artikel 50 . Kosten van het Hof
De kosten van het Hof worden gedragen door de Raad van Europa.
Artikel 51 . Voorrechten en immuniteiten van de rechters
De rechters genieten, gedurende de uitoefening van hun functie, de
voor-rechten en immuniteiten bedoeld in Artikel 40 van het Statuut van
de Raad van Europa en de op grond van dat artikel gesloten
overeenkomsten.
TITEL III . DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 52 . Verzoeken om inlichtingen van de Secretaris-Generaal
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij verschaft op verzoek van de
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een uiteenzetting van de
wijze waarop haar nationaal recht de daadwerkelijke uitvoering
                                                    16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>waarborgt van iedere bepaling van dit Verdrag.
Artikel 53 . Waarborging van bestaande rechten van de mens
Geen bepaling van dit Verdrag zal worden uitgelegd als beperkingen op
te leggen of inbreuk te maken op de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden die verzekerd kunnen worden ingevolge de
wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of ingevolge enig ander
Verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is.
Artikel 54 . Bevoegdheden van het Comité van Ministers
Geen bepaling van dit Verdrag maakt inbreuk op de bevoegdheden door
het Statuut van de Raad van Europa verleend aan het Comité van
Ministers.
Artikel 55 . Uitsluiting van andere wijzen van geschillenregeling
De Hoge Verdragsluitende Partijen komen overeen dat zij, behoudens
bijzondere overeenkomsten, zich niet zullen beroepen op tussen hen
van kracht zijnde verdragen, overeenkomsten of verklaringen om door
middel van een verzoekschrift een geschil, hetwelk is ontstaan uit de
interpretatie of toepassing van dit Verdrag, te onderwerpen aan een
andere wijze van regeling dan die die bij dit Verdrag zijn voorzien.
Artikel 56 . Territoriale werkingssfeer
1.
Iedere Staat kan, ten tijde van de bekrachtiging of op elk later tijdstip
door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa verklaren, dat dit Verdrag, met inachtneming
van het vierde lid van dit artikel, van toepassing zal zijn op alle of op één
of meer van de gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij
verantwoordelijk is.
2.
Het Verdrag zal van toepassing zijn op het gebied of op de gebieden die
in de kennisgeving zijn vermeld, vanaf de dertigste dag die volgt op die
waarop de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa deze
kennisgeving heeft ontvangen.
3.
In de voornoemde gebieden zullen de bepalingen van dit Verdrag
worden toegepast, evenwel met inachtneming van de plaatselijke
behoeften.
4.
Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het
eerste lid van dit artikel, kan op elk later tijdstip, met betrekking tot één
of meer van de gebieden die in de verklaring worden bedoeld, verklaren
dat hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van
verzoekschriften van natuurlijke personen, (niet-gouvernementele)
organisaties of groepen van particulieren, zoals bepaald in Artikel 34
van het Verdrag.
Artikel 57 . Voorbehouden
                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>1.
Iedere Staat kan, ten tijde van de ondertekening van dit Verdrag of van
de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, een voorbehoud
maken met betrekking tot een specifieke bepaling van dit Verdrag, voor
zover een wet die op dat tijdstip op zijn grondgebied van kracht is, niet
in overeenstemming is met deze bepaling. Voorbehouden van
algemene aard zijn niet toegestaan krachtens dit artikel.
2.
Elk voorbehoud hetwelk overeenkomstig dit artikel wordt gemaakt, dient
een korte uiteenzetting van de betrokken wet te bevatten.
Artikel 58 . Opzegging
1.
Een Hoge Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag slechts opzeggen na
verloop van een termijn van vijf jaar na de datum waarop het Verdrag
voor haar in werking is getreden en met een opzeggingstermijn van zes
maanden, vervat in een kennisgeving gericht aan de Secretaris-
Generaal van de Raad van Europa, die de andere Hoge
Verdragsluitende Partijen hiervan in kennis stelt.
2.
Deze opzegging kan niet tot gevolg hebben dat zij de betrokken Hoge
Verdragsluitende Partij ontslaat van de verplichtingen, nedergelegd in
dit Verdrag, die betrekking hebben op daden die een schending van
deze verplichtingen zouden kunnen betekenen en door haar gepleegd
zouden zijn voor het tijdstip waarop de opzegging van kracht werd.
3.
Onder dezelfde voorwaarden zal iedere Hoge Verdragsluitende Partij
die ophoudt Lid van de Raad van Europa te zijn, ophouden Partij bij dit
Verdrag te zijn.
4.
Het Verdrag kan worden opgezegd overeenkomstig de bepalingen van
de voorafgaande leden met betrekking tot ieder gebied waarop het
overeenkomstig Artikel 56 van toepassing is verklaard.
Artikel 59 . Ondertekening en bekrachtiging
1.
Dit Verdrag is voor ondertekening door de Leden van de Raad van
Europa opengesteld. Het zal worden bekrachtigd. De akten van
bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van
de Raad van Europa.
2.
Dit Verdrag zal in werking treden na de nederlegging van tien akten van
bekrachtiging.
3.
Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna bekrachtigt, zal
het Verdrag in werking treden op de dag van de nederlegging der akte
van bekrachtiging.
4.
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft aan alle Leden
van de Raad van Europa kennis van de inwerkingtreding van het
Verdrag, van de namen der Hoge Verdragsluitende Partijen die het
bekrachtigd hebben, evenals van de nederlegging van iedere akte van
bekrachtiging die later heeft plaatsgehad.
                                                   18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>GEDAAN te Rome, de 4e november 1950, in de Engelse en de Franse
taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar
hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.
De Secretaris-Generaal zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen
aan alle ondertekenaars.
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Protocol (Nr. 1) bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentale Vrijheden
Parijs, 20.III.1952
De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad
van Europa,
Vastbesloten om stappen te doen teneinde de collectieve handhaving te
verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden die niet zijn genoemd in
Titel I van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en
de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950
(hierna te noemen "het Verdrag"),
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 . Bescherming van eigendom
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot
van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen
behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in
de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht
aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij
noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in
overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van
belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.
Artikel 2 . Recht op onderwijs
Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening
van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het
onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om
zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die
overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische
overtuigingen.
Artikel 3 . Recht op vrije verkiezingen
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke
tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden
die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende
macht waarborgen.
Artikel 4 . Territoriale werkingssfeer
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan op het tijdstip van de
ondertekening of bekrachtiging van dit Protocol of op ieder tijdstip
daarna aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een
verklaring doen toekomen, waarin wordt medegedeeld in welke mate zij
zich verbindt de bepalingen van dit Protocol eveneens te doen gelden
voor die in de verklaring genoemde gebieden voor welker internationale
                                                  20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>betrekkingen zij verantwoordelijk is.
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die krachtens de voorgaande alinea
een verklaring heeft overgelegd kan van tijd tot tijd een nadere
verklaring overleggen, waarbij het gestelde van een voorgaande
verklaring kan worden gewijzigd of waarbij de toepassing van de
bepalingen van dit Protocol met betrekking tot een bepaald gebied wordt
beëindigd.
Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit artikel zal geacht worden te
zijn afgelegd overeenkomstig lid 1 van Artikel 56 van het Verdrag.
Artikel 5 . Verhouding tot het Verdrag
De Hoge Verdragsluitende Partijen beschouwen de Artikelen 1, 2, 3 en
4 van dit Protocol als aanvullende artikelen van het Verdrag en alle
bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 6 . Ondertekening en bekrachtiging
Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de Leden van de
Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend; het zal worden
bekrachtigd tegelijkertijd met of na de bekrachtiging van het Verdrag.
Het treedt in werking na de nederlegging van tien akten van
bekrachtiging. Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna
bekrachtigt, zal het Protocol in werking treden op de dag van de
nederlegging der akte van bekrachtiging.
De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-
Generaal van de Raad van Europa, die aan alle Leden kennis zal geven
van de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.
GEDAAN te Parijs, de 20e maart 1952, in de Engelse en de Franse taal,
zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar
hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.
De Secretaris-Generaal zal gewaarmerkte afschriften doen toekomen
aan alle ondertekenende Regeringen.
                                                    21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Protocol Nr. 4 bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentale Vrijheden, tot het
waarborgen van bepaalde rechten en
vrijheden die niet reeds in het Verdrag en
in het Eerste Protocol daarbij zijn
opgenomen
Straatsburg, 16.IX.1963
De Regeringen die dit Protocol hebben ondertekend, zijnde Leden van de Raad
van Europa,
Vastbesloten om maatregelen te nemen teneinde de collectieve
handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden die niet
zijn genoemd in Titel I van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten
van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op
4 november 1950 (hierna te noemen "het Verdrag") en in de Artikelen 1
tot en met 3 van het eerste Protocol bij het Verdrag, ondertekend te
Parijs op 20 maart 1952.
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 . Verbod van vrijheidsbeneming wegens schulden
Aan niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen op de enkele grond
dat hij niet in staat is een contractuele verplichting na te komen.
Artikel 2 . Vrijheid van verplaatsing
1.
Een ieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft
binnen dat grondgebied het recht zich vrijelijk te verplaatsen en er
vrijelijk zijn verblijfplaats te kiezen.
2.
Een ieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land,
te verlaten.
3.
De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen
worden gebonden dan die bij de wet zijn voorzien en in een
democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de
nationale veiligheid of van de openbare veiligheid, voor de handhaving
van de openbare orde, voor de voorkoming van strafbare feiten, voor de
bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of de
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
4.
De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook, in bepaalde
omschreven gebieden, worden onderworpen aan beperkingen die bij de
wet zijn voorzien en gerechtvaardigd worden door het algemeen belang
in een democratische samenleving.
Artikel 3 . Verbod van uitzetting van onderdanen
1.
                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Niemand mag, bij wege van een maatregel van individuele of collectieve
aard, worden uitgezet uit het grondgebied van de Staat, waarvan hij een
onderdaan is.
2.
Aan niemand mag het recht worden ontnomen het grondgebied te
betreden van de Staat, waarvan hij een onderdaan is.
Artikel 4 . Verbod van collectieve uitzetting van vreemdelingen
Collectieve uitzetting van vreemdelingen is verboden.
Artikel 5 . Territoriale werkingssfeer
1.
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan, ten tijde van de ondertekening
of van de bekrachtiging van dit Protocol of op ieder tijdstip nadien, aan
de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een verklaring doen
toekomen, waarin wordt medegedeeld in hoeverre zij zich verbindt de
bepalingen van dit Protocol eveneens te doen gelden voor die in de
verklaring genoemde gebieden voor welker internationale betrekkingen
zij verantwoordelijk is.
2.
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij die krachtens het vorige lid een
verklaring heeft overgelegd kan van tijd tot tijd een nadere verklaring
overleggen, waarbij het gestelde in een voorgaande verklaring kan
worden gewijzigd of waarbij de toepassing van de bepalingen van dit
Protocol met betrekking tot een bepaald gebied wordt beëindigd.
3.
Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit artikel wordt geacht te zijn
afgelegd overeenkomstig lid 1 van Artikel 56 van het Verdrag.
4.
Het gebied van een Staat waarvoor dit Protocol geldt krachtens
bekrachtiging of aanvaarding door die Staat en ieder gebied waarvoor
dit Protocol geldt krachtens een door die Staat ingevolge dit artikel
afgelegde verklaring, worden voor de toepassing van de Artikelen 2
en 3, in zover deze gewagen van het grondgebied van een Staat, als
afzonderlijke grondgebieden aangemerkt.
5.
Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met
het eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één
of meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat
hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van
verzoekschriften van natuurlijke personen, niet-gouvernementele
organisaties of groepen personen, bedoeld in Artikel 34 van het
Verdrag, ten aanzien van de Artikelen 1 tot en met 4 van dit Protocol of
één of meer van deze artikelen.
Artikel 6 . Verhouding tot het Verdrag
De Hoge Verdragsluitende Partijen beschouwen de Artikelen 1 tot en
met 5 van dit Protocol als aanvullende artikelen van het Verdrag en alle
bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 7 . Ondertekening en bekrachtiging
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>1.
Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de Leden van de
Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend; het wordt
bekrachtigd tegelijkertijd met of na de bekrachtiging van het Verdrag.
Het treedt in werking na de nederlegging van vijf akten van
bekrachtiging. Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna
bekrachtigt treedt het Protocol in werking op de dag van de
nederlegging van de akte van bekrachtiging.
2.
De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-
Generaal van de Raad van Europa, die aan alle Leden kennis geeft van
de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd,
dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, de 16e september 1963, in de Engelse en de
Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel
exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad
van Europa. De Secretaris-Generaal zal gewaarmerkte afschriften doen
toekomen aan elk van de ondertekenende Staten.
                                                    24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Protocol Nr. 6 bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden,
inzake de afschaffing van de doodstraf
onder alle omstandigheden
Straatsburg, 28.IV.1983
De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol bij het op
4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot Bescherming van
de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna te
noemen "het Verdrag") hebben ondertekend,
Overwegende dat de ontwikkeling die in verscheidene Lid-Staten van de
Raad van Europa heeft plaatsgevonden een algemene tendens in de
richting van afschaffing van de doodstraf tot uitdrukking brengt,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 . Afschaffing van de doodstraf
De doodstraf is afgeschaft. Niemand wordt tot een dergelijke straf
veroordeeld of terechtgesteld.
Artikel 2 . Doodstraf in tijd van oorlog
Een Staat kan bepalingen in zijn wetgeving opnemen waarin is voorzien
in de doodstraf voor feiten, begaan in tijd van oorlog of onmiddellijke
oorlogsdreiging; een dergelijke straf wordt alleen ten uitvoer gelegd in
de gevallen die zijn neergelegd in de wet, en in overeenstemming met
de bepalingen daarvan. Deze Staat deelt de Secretaris-Generaal van de
Raad van Europa de desbetreffende bepalingen van die wet mede.
Artikel 3 . Verbod van afwijking
Afwijking van de bepalingen van dit Protocol krachtens Artikel 15 van
het Verdrag is niet toegestaan.
Artikel 4 . Verbod van voorbehouden
Het maken van enig voorbehoud met betrekking tot de bepalingen van
dit Protocol krachtens Artikel 57 van het Verdrag is niet toegestaan.
Artikel 5 . Territoriale werkingssfeer
1.
Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring het
grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van
toepassing is.
2.
Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de
toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring
                                                   25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>aangewezen grondgebied. Met betrekking tot dat grondgebied treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgende op de
datum waarop die verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
3.
Iedere overeenkomstig de twee vorige leden afgelegde verklaring kan,
met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied,
worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal
van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van
kracht op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop
die kennisgeving door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
Artikel 6 . Verhouding tot het Verdrag
Tussen de Staten die Partij zijn, worden de Artikelen 1 tot en met 5 van
dit Protocol als aanvullende artikelen op het Verdrag beschouwd; alle
bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 7 . Ondertekening en bekrachtiging
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de
Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te
worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een Lid-Staat van de
Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of
goedkeuren, tenzij die Staat tezelfder tijd of eerder het Verdrag heeft
bekrachtigd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van
Europa.
Artikel 8 . Inwerkingtreding
1.
Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende
op de datum waarop vijf Lid-Staten van de Raad van Europa hun
instemming door het Protocol gebonden te worden tot uitdrukking
hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in Artikel 7.
2.
Met betrekking tot iedere Lid-Staat die later zijn instemming door het
Protocol gebonden te worden tot uitdrukking brengt, treedt dit in werking
op de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de akte
van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.
Artikel 9 . Taken van de depositaris
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten
van de Raad kennis van:
a. iedere ondertekening;
b.
de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring;
c.
iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig
de Artikelen 5 en 8;
d.
                                                    26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met
betrekking tot dit Protocol.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd,
dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, op 28 april 1983, in de Engelse en de Franse
taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar,
hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal gewaarmerkte
afschriften doen toekomen aan iedere Lid-Staat van de Raad van
Europa.
                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Protocol Nr. 7 bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden
Straatsburg, 22.XI.1984
De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,
Vastbesloten verdere stappen te nemen ter verzekering van de
collectieve waarborging van bepaalde rechten en vrijheden door middel
van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de
Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950
(hierna te noemen "het Verdrag"),
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 . Procedurele waarborgen met betrekking tot de uitzetting
van vreemdelingen
1.
Een vreemdeling die wettig verblijft op het grondgebied van een Staat
wordt niet uitgezet behalve ingevolge een overeenkomstig de wet
genomen beslissing en hem wordt toegestaan:
a.
redenen aan te voeren tegen zijn uitzetting,
b.
zijn zaak opnieuw te doen beoordelen, en
c.
zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde
instantie of bij een of meer door die instantie aangewezen personen.
2.
Een vreemdeling kan worden uitgezet vóór de uitoefening van zijn
rechten ingevolge het eerste lid, letters a, b en c van dit artikel, wanneer
een zodanige uitzetting noodzakelijk is in het belang van de openbare
orde of is gebaseerd op redenen van de nationale veiligheid.
Artikel 2 . Recht op hoger beroep in strafzaken
1.
Iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit,
heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen
beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met
inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij
de wet geregeld.
2.
Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte
overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de
betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of
werd veroordeeld na een beroep tegen vrijspraak.
Artikel 3 . Schadeloosstelling in geval van gerechtelijke dwaling
Wanneer iemand wegens een strafbaar feit onherroepelijk is
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>veroordeeld en het vonnis vervolgens is vernietigd of wanneer hem
daarna gratie is verleend, op grond van de overweging dat een nieuw of
pas aan het licht gekomen feit onomstotelijk aantoont dat van een
gerechtelijke dwaling sprake is, wordt degene die als gevolg van die
veroordeling straf heeft ondergaan schadeloos gesteld overeenkomstig
de wet of de praktijk van de betrokken Staat, tenzij wordt aangetoond
dat het niet tijdig bekend worden van het onbekende feit geheel of
gedeeltelijk aan hem te wijten is.
Artikel 4 . Recht om niet tweemaal te worden berecht of gestraft
1.
Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke
procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar
feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld
overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.
2.
De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van
de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de
betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het
licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel
gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou
kunnen beïnvloeden.
3.
Afwijking van dit artikel krachtens Artikel 15 van het Verdrag is niet
toegestaan.
Artikel 5 . Gelijke rechten van echtgenoten
Echtgenoten hebben gelijke rechten en verantwoordelijkheden van
civielrechtelijke aard, zowel onderling als in hun betrekkingen met hun
kinderen, wat betreft het huwelijk, tijdens het huwelijk en bij de
ontbinding ervan. Dit artikel belet de Staten niet de in het belang van de
kinderen noodzakelijke maatregelen te nemen.
Artikel 6 . Territoriale werkingssfeer
1.
Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring het
grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van
toepassing zal zijn, alsmede de mate aangeven waarin hij zich ertoe
verbindt de bepalingen van dit Protocol van toepassing te doen zijn op
dit grondgebied of deze grondgebieden.
2.
Iedere Staat kan, op elk later tijdstip, door middel van een aan de
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de
toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring
aangewezen grondgebied. Met betrekking tot dat grondgebied treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgende op het
verstrijken van een tijdvak van twee maanden na de datum waarop die
verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
3.
Iedere overeenkomstig de twee vorige leden afgelegde verklaring kan,
met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied,
                                                   29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>worden ingetrokken of gewijzigd door middel van een aan de Secretaris-
Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking of wijziging wordt van
kracht op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van
een tijdvak van twee maanden na de datum waarop die kennisgeving
door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
4.
Een overeenkomstig dit artikel afgelegde verklaring wordt geacht te zijn
afgelegd overeenkomstig Artikel 56, eerste lid, van het Verdrag.
5.
Het grondgebied van iedere Staat waarvoor dit Protocol van toepassing
is krachtens bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door die Staat
en elk grondgebied waarvoor dit Protocol van toepassing is krachtens
een door die Staat ingevolge dit artikel afgelegde verklaring kunnen,
voor de toepassing van de verwijzing in Artikel 1 naar het grondgebied
van een Staat, als afzonderlijke grondgebieden worden behandeld.
6.
Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met
het eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één
of meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat
hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van
verzoekschriften van natuurlijke personen, niet-gouvernementele
organisaties of groepen personen, bedoeld in Artikel 34 van het
Verdrag, ten aanzien van de Artikelen 1 tot en met 5 van dit Protocol.
Artikel 7 . Verhouding tot het Verdrag
Door de Staten die Partij zijn, worden de Artikelen 1 tot en met 6 van dit
Protocol als aanvullende artikelen op het Verdrag beschouwd; alle
bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 8 . Ondertekening en bekrachtiging
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de
Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te
worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een Lid-Staat van de
Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of
goedkeuren, zonder dat die Staat tezelfder tijd of voordien het Verdrag
heeft bekrachtigd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de
Raad van Europa.
Artikel 9 . Inwerkingtreding
1.
Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende
op het verstrijken van een tijdvak van twee maanden na de datum
waarop zeven Lid-Staten van de Raad van Europa hun instemming door
het Protocol te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht
overeenkomstig het bepaalde in Artikel 8.
2.
Met betrekking tot iedere Lid-Staat die later zijn instemming door het
Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt dit in werking
op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van een
tijdvak van twee maanden na de datum waarop de akte van
bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.
                                                     30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Artikel 10 . Taken van de depositaris
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten
kennis van:
a. iedere ondertekening;
b.
de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring;
c.
iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig
de Artikelen 6 en 9;
d.
iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met
betrekking tot dit Protocol.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd,
dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, op 22 november 1984, in de Engelse en de
Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel
exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad
van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal
gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan iedere Lid-Staat van de
Raad van Europa.
                                                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Protocol Nr. 12 bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden
Rome, 4.XI.2000
De lidstaten van de Raad van Europa voor wie dit Protocol is ondertekend,
Gelet op het fundamentele beginsel op grond waarvan een ieder gelijk is
voor de wet en recht heeft op gelijke bescherming door de wet;
Vastbesloten verdere maatregelen te nemen ter bevordering van de
gelijkheid van een ieder door het collectief waarborgen van een
algemeen discriminatieverbod door middel van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen
"het Verdrag’’);
Opnieuw bevestigend dat het beginsel van non-discriminatie de Staten
die Partij zijn niet belet maatregelen te treffen ter bevordering van
volledige en daadwerkelijke gelijkheid, op voorwaarde dat deze
maatregelen objectief en redelijkerwijs kunnen worden gerechtvaardigd,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1 - Algemeen verbod van discriminatie
1.
Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd
zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras,
kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of
maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid,
vermogen, geboorte of andere status.
2.
Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op,
met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden.
Artikel 2 - Territoriale werkingssfeer
1.
Iedere Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging
van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, het
grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van
toepassing is.
2.
Iedere Staat kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de
toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring
aangewezen. Met betrekking tot dat gebied treedt het Protocol in
werking op de eerste dag van de maand volgende op het verstrijken van
een tijdvak van drie maanden na de datum waarop die verklaring door
de Secretaris-Generaal is ontvangen.
3.
                                                     32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Iedere ingevolge de twee voorgaande leden afgelegde verklaring kan,
met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied,
worden ingetrokken of gewijzigd door middel van een aan de Secretaris-
Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving De intrekking
of wijziging wordt van kracht op de eerste dag van de maand volgende
op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum
waarop die kennisgeving door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
4.
Een overeenkomstig dit artikel afgelegde verklaring wordt geacht te zijn
afgelegd overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van het Verdrag.
5.
Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd overeenkomstig het
eerste of tweede lid van dit artikel kan op elk later tijdstip, met betrekking
tot een of meer gebieden die in de verklaring worden bedoeld, verklaren
dat hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van
verzoekschriften van particulieren, niet-gouvernementele organisaties of
groepen van particulieren, zoals bepaald in artikel 34 van het Verdrag,
uit hoofde van artikel 1 van dit Protocol.
Artikel 3 - Verhouding tot het Verdrag
De Staten die Partij zijn beschouwen de artikelen 1 en 2 van dit Protocol
als aanvullende artikelen van het Verdrag, en alle bepalingen van het
Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 4 - Ondertekening en bekrachtiging
Dit Protocol staat open voor ondertekening voor de lidstaten van de
Raad van Europa voor wie het Verdrag is ondertekend. Het is
onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Een lidstaat
van de Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen,
aanvaarden of goedkeuren, tenzij die Staat eerder of tegelijkertijd het
Verdrag heeft bekrachtigd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris Generaal
van de Raad van Europa.
Artikel 5 - Inwerkingtreding
1.
Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt
na het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum
waarop tien lidstaten van de Raad van Europa het feit dat zij ermee
instemmen door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking
hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.
2.
Met betrekking tot iedere lidstaat die later het feit dat hij ermee instemt
door het Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgende op het
verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van de
nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring.
Artikel 6 - Taken van de Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle lidstaten van
                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>de Raad van Europa kennis van:
a.
iedere ondertekening;
b.
de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of
goedkeuring;
c.
iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol in
overeenstemming met de artikelen 2 en 5;
d.
iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met
betrekking tot dit Protocol.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren
gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Rome, op 4 november 2000, in de Engelse en de Franse
taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar
dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal voor eensluidend
gewaarmerkte afschriften doen toekomen aan iedere lidstaat van de
Raad van Europa.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Protocol Nr. 13 bij het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens
en de Fundamentele Vrijheden,
inzake de afschaffing van de doodstraf
onder alle omstandigheden
Vilnius, 3.V.2002
De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,
Ervan overtuigd dat het recht van eenieder op leven een fundamentele
waarde vormt in een democratische samenleving en dat de afschaffing
van de doodstraf essentieel is voor de bescherming van dit recht en
voor de volledige erkenning van de inherente waardigheid van alle
mensen;
Geleid door de wens de bescherming van het recht op leven dat
gewaarborgd wordt door het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4
november 1950 (hierna te noemen "het Verdrag..) te versterken;
In aanmerking nemend dat het Zesde Protocol bij het Verdrag, inzake
de afschaffing van de doodstraf, ondertekend te Straatsburg op 28 april
1983, de doodstraf niet uitsluit voor feiten begaan in tijd van oorlog of
onmiddellijke oorlogsdreiging;
Vastbesloten de definitieve stap te zetten teneinde de doodstraf onder
alle omstandigheden af te schaffen,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1 - Afschaffing van de doodstraf
De doodstraf is afgeschaft. Niemand wordt tot een dergelijke straf
veroordeeld of terechtgesteld.
Artikel 2 - Verbod op afwijking
Afwijking van de bepalingen van dit Protocol krachtens artikel 15 van het
Verdrag is niet toegestaan.
Artikel 3 - Verbod op voorbehouden
Het maken van enig voorbehoud met betrekking tot de bepalingen van
dit Protocol krachtens artikel 57 van het Verdrag is niet toegestaan.
Artikel 4 - Territoriale werkingssfeer
1.
Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening of van nederlegging van
zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, het
grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van
toepassing is.
2.
                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Elke Staat kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de
Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de
toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring
aangewezen grondgebied. Met betrekking tot dat grondgebied treedt het
Protocol in werking op de eerste dag van de maand volgend op het
verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop die
verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
3.
Iedere overeenkomstig de twee vorige leden afgelegde verklaring kan,
met betrekking tot elk in die verklaring aangewezen grondgebied,
worden ingetrokken of gewijzigd door middel van een aan de Secretaris-
Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking of wijziging wordt van
kracht op de eerste dag van de maand volgend op het verstrijken van
een tijdvak van drie maanden na de datum waarop die kennisgeving
door de Secretaris-Generaal is ontvangen.
Artikel 5 - Verhouding tot het Verdrag
Tussen de Staten die Partij zijn worden de artikelen 1 tot en met 4 van
dit Protocol als aanvullende artikelen bij het Verdrag beschouwd; alle
bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
Artikel 6 - Ondertekening en bekrachtiging
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de
Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te
worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een Lidstaat van de
Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of
goedkeuren, tenzij die Staat tezelfder tijd of eerder het Verdrag heeft
bekrachtigd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van
Europa.
Artikel 7 Inwerkingtreding
1.
Dit Protocol treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend
op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum
waarop tien Lidstaten van de Raad van Europa hun instemming door
het Protocol te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht
overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.
2.
Met betrekking tot iedere Lidstaat die later zijn instemming door het
Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het Protocol
in werking op de eerste dag van de maand na het verstrijken van een
tijdvak van drie maanden na de datum waarop de akte van
bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.
Artikel 8 - Taken van depositaris
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle Lidstaten
van de Raad van Europa kennis van:
a.
                                                    36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>iedere ondertekening;
b.
de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding
of goedkeuring;
c.
iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol
overeenkomstig met de artikelen 4 en 7;
d.
iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met
betrekking tot dit Protocol.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren
gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Vilnius, op 3 mei 2002, in de Engelse en de Franse taal,
zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar,
hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa.
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zal gewaarmerkte
afschriften doen toekomen aan iedere Lidstaat van de Raad van
Europa.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>