<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>COMMISSIE VAN ADVIES INZAKE VOLKENRECHTELIJKE VRAAGSTUKKEN
                        ADVIES INZAKE
        De ontwerpartikelen van de ILC over misdrijven tegen de
                          menselijkheid
                       CAVV ADVIES NR. 32
                           DEN HAAG
                         AUGUSTUS 2018
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
Professor R.A. Wessel (voorzitter)
Professor L.J. van den Herik (vice-voorzitter)
Dr C.M. Brölmann
Dr G.R. den Dekker
Dr A.J.J. de Hoogh
Professor N.M.C.P. Jägers
Professor J.G. Lammers
Professor A.G. Oude Elferink
A.E. Rosenboom
                                     Secretariaat CAVV:
                                     Postbus 20061
                                     2500 EB Den Haag
                                     Tel: 070 348 4889
                                     E-mail: djz-ir@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>     1. Inleiding
Bij brief van 6 februari 2018 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Commissie van
advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) verzocht een advies op te stellen over
de ontwerpartikelen van de Commissie voor Internationaal Recht (ILC) over misdrijven tegen
de menselijkheid. De minister heeft de CAVV uitdrukkelijk verzocht in te gaan op de relatie
tussen de ontwerpartikelen van de ILC en het door Nederland gesteunde initiatief voor een
Multilateraal Verdrag tot Uitlevering en Rechtshulp voor Internationale Misdrijven
(MVRUIM) ). Het verzoek van de minister om een advies volgde op de uitnodiging van de
secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan staten, internationale organisaties en het
maatschappelijk middenveld om commentaren en opmerkingen over de ontwerpartikelen in te
dienen voor 1 december 2018. In de brief gaf de minister van Buitenlandse Zaken aan dat het
advies van de CAVV een aanzienlijke toegevoegde waarde zou kunnen hebben bij het opstellen
van een formele reactie door Nederland op de ontwerpartikelen over misdrijven tegen de
menselijkheid. Ter bevordering van de inspanningen van de regering in dezen en gezien de
uiterste termijn voor het indienen van commentaren bij de secretaris-generaal van de Verenigde
Staten, is dit advies - bij wijze van uitzondering – oorspronkelijk in het Engels opgesteld.
          Door prof. dr. L.J. van den Herik is een ontwerpadvies opgesteld. Het ontwerpadvies is
door de CAVV besproken en aangevuld in een gedeelde e-mailomgeving. Het advies is op
31 augustus 2018 vastgesteld.
          In dit advies worden overwegingen en commentaar geformuleerd met betrekking tot (i)
de leemte die de ontwerpartikelen van de ILC, die gericht zijn op een specifieke conventie,
vullen, (ii) de relatie met andere verdragsregelingen, met name het Statuut van Rome inzake
het Internationaal Strafhof en het voorgestelde MVRUIM 1, (iii) de preventiebepalingen
                                                                            0F
(ontwerpartikelen 2 en 4), (iv) de noodzaak om na te denken over een mechanisme voor
toezicht, (v) het vraagstuk van wettelijke verjaring voor slachtoffers in civiele procedures.
     2. De ontwerpartikelen over misdrijven tegen de menselijkheid vullen een leemte
Het onderwerp “misdrijven tegen de menselijkheid” is in 2013 opgenomen in het ILC-
programma en in 2014 is Sean D. Murphy aangesteld als speciaal rapporteur. Het opnemen van
dit onderwerp op de ILC-agenda strookt met oproepen van academici tot een specifiek verdrag
aangaande misdrijven tegen de menselijkheid, met name van wijlen professor Cherif Bassiouni
en van professor Leila Sadat. 2 Een specifiek wereldwijd verdrag aangaande misdrijven tegen
                                     1F
de menselijkheid vormt een aanvulling op de verdragsregelingen die gelden voor de andere
twee (categorieën) misdrijven, met name genocide en oorlogsmisdrijven. Zo worden niet alleen
1
  Joint Statement on International Initiative for Opening Negotiations on a Multilateral Treaty for Mutual Legal
Assistance and Extradition in Domestic Prosecution of Atrocity Crimes, zie:
https://asp.icccpi.int/iccdocs/asp_docs/ASP12/GenDeba/ICC-ASP12-GenDeba-Netherlands-Joint-ENG.pdf
2
  M.C. Bassiouni, ‘Crimes against Humanity: The Need for a Specialized Convention’, 31 Columbia Journal of
Transnational Law (1994), 457-494 en L.N. Sadat, Forging a Convention for Crimes against Humanity,
Cambridge University Press, 2011.
                                                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>bestaande regels van het internationaal gewoonterecht vastgelegd, zoals de verplichting om te
voorkomen, maar worden ook andere leemtes gevuld.
        Zo is ontwerpartikel 15 er bijvoorbeeld op gericht om een leemte te vullen in de context
van het vaststellen van staatsaansprakelijkheid, met name door middel van clausules voor
geschillenregeling en een bevoegdheidsgrondslag voor het Internationaal Gerechtshof (ICJ).
Deze bepaling vormt een aanvulling op artikel IX van het Genocideverdrag en zorgt ervoor dat
geschillen die worden voorgelegd aan het Internationaal Gerechtshof niet in termen van
genocide hoeven te worden geformuleerd om de rechtsmacht te vestigen. Als zodanig kan
voormelde bepaling en op grotere schaal een verdrag aangaande misdrijven tegen de
menselijkheid de overmatige focus op genocide en het bijbehorende rechtsstelsel verminderen.
        Met veel van de andere voorgestelde ontwerpartikelen wordt beoogd leemtes te vullen
in de context van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van individuen, met name inzake
handhaving op nationaal niveau. Hierbij wordt van staten vereist nationale wetgeving aan te
nemen waarin een verplichting is opgenomen om uit te leveren of te vervolgen (aut dedere aut
judicare) en wordt met name ook een rechtsstelsel opgezet om wederzijdse rechtshulp en
uitlevering mogelijk te maken en te faciliteren. De gedetailleerde bepalingen inzake
wederzijdse rechtshulp vormen een robuust en uiterst noodzakelijk model voor samenwerking
tussen staten, wat zonder meer de belangrijkste te vullen leemte is.
        Hoewel de CAVV zich kan vinden in oproepen voor meer doortastende bepalingen voor
zaken als amnestie en immuniteit voor overheidsfunctionarissen, onderkent de CAVV ook dat
deze onderwerpen van dien aard zijn dat deze onoverkomelijke hinderpalen zouden kunnen zijn
voor het aannemen van een specifiek verdrag. De CAVV heeft dan ook begrip voor de
beleidskeuze dat deze zaken elders worden ondergebracht, hetzij in de context van een
afzonderlijke verdragsregeling hetzij in het internationaal gewoonterecht. De CAVV
onderstreept echter wel de verwijzing naar de jus cogens status van het verbod op misdrijven
tegen de menselijkheid in de preambule en is van mening dat deze verwijzing zeer relevant is
voor toekomstige discussies over amnestie en immuniteit van overheidsfunctionarissen in
verband met misdrijven tegen de menselijkheid.
    3. Relatie met andere verdragsregelingen
De ontwerpartikelen over misdrijven tegen de menselijkheid vormen een aanvulling op
bestaande verdragsregelingen in het internationaal strafrecht inzake andere kernmisdrijven en
inzake het vestigen van internationale jurisdictie, met name voor het Internationaal Strafhof
(ICC). Er is ook sprake van synergie met MVRUIM, dat de bestaande verdragsregelingen voor
genocide en misdrijven zou actualiseren en een nieuwe regeling voor misdrijven tegen de
menselijkheid zou invoeren. In deze paragraaf wordt de relatie besproken tussen de
ontwerpartikelen en andere verdragsregelingen, waarbij het accent ligt op het Statuut van Rome
en MVRUIM, waarover momenteel wordt onderhandeld.
3.1     Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof
Het Statuut van Rome is een verdrag met meerdere functies en dimensies. Op basis van het
Statuut is het Internationaal Strafhof opgericht. Tevens vormt het Statuut het procedurele kader
                                                 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>voor de werkzaamheden van het ICC. De definities van misdrijven en vormen van
strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn erin vastgelegd en verder wordt in Deel 9 van het Statuut
van Rome de verticale samenwerking tussen staten en het Internationaal Strafhof geregeld. De
ontwerpartikelen vormen een aanvulling op deze regeling, omdat hierin de horizontale
samenwerking wordt geregeld, d.w.z. de samenwerking tussen staten. De ontwerpartikelen
vormen aldus ondersteunende structuren die stroken met het idee dat het Internationaal Strafhof
een aanvulling is op nationale strafrechtstelsels. Door de bepalingen omtrent wederzijdse
rechtshulp en uitlevering, staan de ontwerpartikelen staten doeltreffend bij in het nakomen van
hun verantwoordelijkheden inzake de nationale vervolging van misdrijven tegen de
menselijkheid. In het licht van een gemeenschappelijk belang om straffeloosheid te bestrijden
door middel van rechtsstatelijke structuren, merkt de CAVV op dat zelfs staten die, al dan niet
partij bij het Statuut, enige ambivalentie aan de dag leggen ten opzichte van het ICC, een
onafhankelijk, misschien zelfs toegenomen, belang hechten aan een mondiaal verdrag
aangaande misdrijven tegen de menselijkheid, aangezien dit binnenlandse vervolging
aanmoedigt en faciliteert.
         De relatie tussen het Statuut van Rome en de ontwerpartikelen is er dus over het
algemeen een die wederzijds voordeel oplevert. Niettemin hebben staten hun bezorgdheid geuit
over mogelijke conflicten tussen de twee documenten, vooral ook met betrekking tot mogelijke
verschillen in definities. Met het oog op deze bezwaren en om de rechtszekerheid en stabiliteit
van de definitie te bevorderen, is de definitie die het Internationaal Strafhof hanteert steeds
ongewijzigd overgenomen in de ontwerpartikelen. De CAVV staat volledig achter deze keuze
en is het ermee eens dat zelfs kleine wijzigingen een doos van Pandora zouden openen. Gezien
de behoefte aan rechtszekerheid en de wens fragmentatie te vermijden, is het absoluut
noodzakelijk dat de ontwerpartikelen en MVRUIM waarover momenteel wordt onderhandeld,
de ICC-definities aanhouden en deze als uitgangspunt nemen.
         De CAVV stelt het evenwel op prijs dat ontwerpartikel 3, vierde lid, dat ruimte laat voor
toekomstige ontwikkeling van de definitie, wordt opgenomen. 3 In dit verband wenst de CAVV
                                                                             2F
in het bijzonder de aandacht te vestigen op de tekortkomingen van de ICC-definitie vanuit een
genderperspectief. Deze tekortkomingen hebben betrekking op de beperkte lijst van
gendergerelateerde misdrijven in artikel 3, eerste lid, onderdeel g, en met name op de definitie
van gender in artikel 7, derde lid, 4 die geslacht of gender lijkt gelijk te stellen met "sekse",
                                           3F
waardoor voorbij wordt gegaan aan de opvatting dat "gender" een sociale constructie is. Het is
ook onduidelijk of het onderwerp seksuele geaardheid voldoende gedekt is. Amnesty
International heeft in zijn commentaar ook wijzigingen voorgesteld met betrekking tot de
definitie van gedwongen verdwijning en vervolging. 5 Herhaald zij, dat de CAVV de
                                                                       4F
beleidskeuze onderschrijft om op dit moment niet opnieuw te onderhandelen over de definitie
3
  Ontwerpartikel 3, vierde lid, luidt als volgt: “Dit ontwerpartikel laat een ruimere definitie die in internationale
instrumenten of nationale wetgeving is opgenomen onverlet.”
4
  Artikel 7, derde lid van het Statuut van het Internationaal Strafhof luidt als volgt: “Voor de toepassing van dit
Statuut verwijst het begrip geslacht naar de beide geslachten, zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht, in
de context van de samenleving. Onder geslacht wordt niets anders verstaan dan hetgeen hiervoor is bepaald. Het
ontwerpartikel 3, derde lid, is overgenomen uit deze bepaling.
5
  Amnesty International, 17-Point Program for a Convention on Crimes against Humanity, punt 1,
https://www.amnesty.org/download/Documents/IOR5179142018ENGLISH.pdf.
                                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>van misdrijven tegen de menselijkheid en dat de CAVV dergelijke voorgestelde veranderingen
beschouwt als mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen.
3.2       MVRUIM
Nederland is een van de staten die zich sterk maken voor MVRUIM , dat de regeling zoals
vastgelegd in het Genocideverdrag en de Geneefse Conventies beoogt te actualiseren en tevens
een rechtsgrond beoogt te creëren voor interstatelijke samenwerking en wederzijdse rechtshulp
bij het onderzoek naar en de vervolging van misdrijven tegen de menselijkheid. Wat de
onderlinge relatie tussen dit initiatief en de ontwerpartikelen betreft, is de CAVV van mening
dat de twee initiatieven niet met elkaar concurreren of elkaar uitsluiten en dat zij zeer nuttig
naast elkaar kunnen bestaan.
          Concrete bepalingen in de ontwerpartikelen vormen de basis voor een dergelijke
wederzijds versterkende relatie, zoals ontwerpartikel 14, vijfde lid. 6 Bovendien zullen, zelfs als
                                                                                  5F
beide initiatieven werkelijkheid worden en daadwerkelijk in verdragen worden omgezet, niet
alle staten naar verwachting beide verdragen ondertekenen en ratificeren. Daarom moeten de
bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp (met inbegrip van die betreffende uitlevering) van de
misdrijven tegen de menselijkheid-artikelen zo gedetailleerd mogelijk zijn, zodat zij als
zelfstandige basis kunnen dienen om de samenwerking tussen staten te faciliteren.
          Vanuit dit oogpunt worden hier enkele opmerkingen gemaakt voor verdere bezinning
en verfijning. In het algemeen wordt opgemerkt dat zorgvuldige en gedetailleerde bepalingen
die een expliciete rechtsgrondslag voor een specifiek verzoek bieden, de voorkeur genieten
boven vage en abstracte bepalingen, aangezien specificiteit de kans vergroot dat het verzoek
wordt ingewilligd. In deze geest worden de volgende gedetailleerde suggesties gedaan met
betrekking tot de bepalingen voor wederzijdse rechtshulp van de ontwerpartikelen over
misdrijven tegen de menselijkheid, mede geïnspireerd door de bepalingen van verdragen van
de EU en de Raad van Europa:
• Artikel 12, tweede lid, moet ook uitdrukkelijk bescherming bieden tegen secundaire en
     herhaalde victimisatie van slachtoffers, alsook het slachtoffer beschermen tegen het risico
     van emotionele of psychologische schade, en zijn of haar waardigheid beschermen bij
     ondervraging of hoorzittingen, zoals ook bepaald in artikel 18 van de EU-
     slachtofferrichtlijn. 7  6F
• Een soortgelijke bepaling als artikel 13, achtste lid, zou kunnen worden opgenomen met
     betrekking tot de uitlevering van onderdanen met het oog op vervolging, waarbij staten
     worden aangemoedigd hun eigen onderdanen uit te leveren met dien verstande dat zij naar
     hun land van herkomst mogen terugkeren om hun buitenlandse straf te ondergaan. 8                     7F
6
  Het ontwerpartikel 14, vijfde lid, luidt als volgt: "De staten overwegen, voor zover nodig, de mogelijkheid om
bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten die de bepalingen van dit ontwerpartikel dienen,
er praktische uitvoering aan geven of versterken.”
7
  Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van
minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en
ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad, PB L 315/57 van 14 november 2012.
8
  Zie het voorstel van H. van der Wilt, "The Draft Convention on Crimes against Humanity: Extradition and Mutual
Legal Assistance’, in Journal of International Criminal Justice (op handen zijnde publicatie).
                                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>•    Om de eerdere opmerking te onderstrepen dat specifieke, gedetailleerde bepalingen de
     voorkeur verdienen boven meer algemene bepalingen, kan artikel 14, derde lid, onderdeel
     b), betreffende de bewijsverkrijging per videoconferentie nader worden uitgewerkt en
     gebaseerd op artikel 9 van het tweede aanvullende protocol bij het Europees Verdrag
     aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken 9, alsmede op artikel 10 van de
                                                                      8F
     Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van
     de Europese Unie, die door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende
     de Europese Unie is opgesteld. 10      9F
•    Artikel 14, derde lid, onderdeel e), zou kunnen worden gepreciseerd en de basis kunnen
     leggen voor zowel onderzoek als observatie van zowel voorwerpen als openbare plaatsen.
•    Wederzijdse rechtshulp met het oog op het verkrijgen van forensisch bewijsmateriaal, zoals
     nu opgenomen in artikel 14, derde lid, onderdeel e), zou beter in een afzonderlijk onderdeel
     kunnen worden ondergebracht.
•    Het woord "vrijwillig" beperkt artikel 14, derde lid, onderdeel i), aangezien het een
     rechtsgrondslag voor gedwongen verschijning in een verzoekende staat uitsluit, terwijl dit
     in bepaalde gevallen nodig kan zijn.
Bovenstaande opmerkingen dienen om de voorgestelde regeling verder te versterken, waarbij
nogmaals wordt onderstreept dat de regeling reeds zeer zorgvuldig en gedetailleerd van aard is.
Zoals aangegeven, acht de CAVV de regeling inzake uitlevering en wederzijdse rechtshulp die
met voorgestelde artikelen wordt ingevoerd van het grootste belang, omdat zij de grootste
leemte vullen die momenteel bestaat; een leemte die de mogelijkheden voor nationale
vervolging en verantwoordingsplicht ernstig ondermijnt. Zij juicht dit deel van de
ontwerpartikelen dan ook toe als een cruciale volgende stap in de strijd tegen straffeloosheid.
     4. De verplichting tot voorkomen
Een vaak geuite kritiek op het Genocideverdrag is dat het slechts lippendienst zou bewijzen aan
het begrip "voorkomen", ondanks het feit dat die term prominent aanwezig is in de titel van het
verdrag. 11 Lange tijd bleef de juridische waarde van artikel I van het Genocideverdrag onzeker
           10F
en ook de reikwijdte en inhoud van de verplichting om genocide te voorkomen werden als
onduidelijk beschouwd. In zijn Bosnië Genocide-arrest van 2007 heeft het Internationaal
Gerechtshof het gebrek aan duidelijkheid aan de orde gesteld en ondubbelzinnig gesteld dat
artikel I een juridisch bindende bepaling is, 12 met een extraterritoriaal bereik, en dus ook een
                                                       11 F
autonome verplichting inhoudt voor derde staten om genocide te voorkomen. 13 Het ICJ heeft    12F
deze verplichting gebaseerd op het "vermogen van staten om invloed uit te oefenen" en heeft
een onafhankelijke verplichting geformuleerd die bestaat naast de verantwoordelijkheden van
9
  Tweede aanvullend protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Raad
van Europa, European Treaty Series, nr. 183, 8 november 2001.
10
   Bijlage bij de Akte van de Raad van 29 mei 2000, PB C 197/1 van 12 juli 2000.
11
   De volledige titel van het verdrag luidt: "Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide.”
12
   ICJ, case concerning application of the convention on the prevention and punishment of the crime of genocide
(Bosnia-Herzegovina v Serbia and Montenegro), 26 februari 2007, ICJ Rep. 2007, p. 43, paragraaf 162-165.
13
   Ibid., paragraaf 430.
                                                            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>de Verenigde Naties, in het bijzonder van de Veiligheidsraad. Zoals ook in een eerder CAVV-
advies is vermeld, houdt deze verplichting geen eenzijdig en ongeautoriseerd recht of plicht tot
het gebruik van geweld in. 14    13F
         Wat betreft misdrijven tegen de menselijkheid is de verplichting tot voorkomen, naast
de preambule, in twee afzonderlijke bepalingen, de ontwerpartikelen 2 en 4, opgenomen. Met
het oog op het versterken van de preventieve dimensie van een toekomstig verdrag aangaande
misdrijven tegen de menselijkheid is het belangrijk om de onderlinge relatie tussen beide
bepalingen te verduidelijken en in het bijzonder de onafhankelijke en autonome status van
ontwerpartikel 2 te onderstrepen.
         Ontwerpartikel 2 biedt een algemene preventieve verplichting en luidt als volgt:
“Misdrijven tegen de menselijkheid, al dan niet gepleegd in tijden van gewapend conflict, zijn misdrijven
naar internationaal recht, welke misdrijven staten op zich nemen te voorkomen en te bestraffen.”
         Deze bepaling is geïnspireerd op artikel I van het Genocideverdrag. 15             14 F
Ontwerpartikel 4 heeft als titel "verplichting tot voorkomen" en luidt als volgt:
“1. Elke staat neemt op zich misdrijven tegen de menselijkheid te voorkomen, in overeenstemming met het
internationaal recht, onder meer door middel van:
(a) doeltreffende wetgevende, administratieve, gerechtelijke of andere preventieve maatregelen op elk
grondgebied dat onder zijn rechtsmacht valt; en
(b) samenwerking met andere staten, relevante intergouvernementele organisaties en, in voorkomend geval,
andere organisaties.
2. Geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, zoals een gewapend conflict, interne politieke instabiliteit of
andere publieke noodsituatie, kan worden ingeroepen als rechtvaardiging voor misdrijven tegen de
menselijkheid.”
Met een concretere verplichting tot het nemen van specifieke wetgevende, administratieve,
gerechtelijke of andere preventieve maatregelen, is deze bepaling overgenomen uit
mensenrechtenverdragen en transnationale strafrechtelijke verdragen. In tegenstelling tot
ontwerpartikel 2, is ontwerpartikel 4 eerste lid, territoriaal en juridisch beperkt. Ontwerpartikel
4 voert in het tweede lid ook de verplichting in om met andere staten en internationale
organisaties samen te werken voor preventieve doeleinden, waarvan kan worden gezegd dat er
sprake is van enige synergie met artikel 41 van de ontwerpartikelen inzake
staatsaansprakelijkheid.
         In de toelichting bij het ontwerpartikel 2 wordt gesteld dat “de inhoud van deze
algemene verplichting zal worden geregeld door middel van de diverse meer specifieke
verplichtingen die in de volgende ontwerpartikelen zijn opgenomen, te beginnen met artikel 4.”
Een dergelijke verklaring verbindt de twee bepalingen en lijkt een onafhankelijke betekenis en
14
   CAVV, Gebruik door politici van de term ‘genocide’, Advies nr. 28, maart 2017, p. 10. Zie ook het advies van
de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV), Nederland en de Responsibility to Protect: De
verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen massale wreedheden, Advies nr. 70, juni 2010.
15
   Artikel I van het Genocideverdrag luidt als volgt: "De Verdragsluitende Partijen stellen vast, dat genocide,
ongeacht of het feit in vredes- dan wel in oorlogstijd wordt bedreven een misdrijf is krachtens internationaal recht,
welk misdrijf zij op zich nemen te voorkomen en te bestraffen.”
                                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>toepassing van ontwerpartikel 2 te ontkennen. In zijn eerste verslag heeft speciaal rapporteur
Murphy in plaats daarvan een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de verschillende functies
en de werkingssfeer van de twee preventiebepalingen en heeft hij de algemene
preventiebepaling van ontwerpartikel 2 uitdrukkelijk gekoppeld aan de tegenhanger ervan in
het Genocideverdrag. 16 De algemene en extraterritoriale verplichting om te voorkomen in
                          15 F
ontwerpartikel 2 is in feite een verplichting tot redding met extraterritoriale reikwijdte, net als
artikel I van het Genocideverdrag, waarbij opnieuw in gedachten moet worden gehouden dat
elke actie die wordt ondernomen "in overeenstemming moet zijn met het internationaal recht”.
Dit zijn noodverplichtingen wanneer gruweldaden op het punt staan gepleegd te worden of om
verdere escalatie te voorkomen wanneer deze al aan de gang zijn. Het ontwerpartikel 4 is
daarentegen daadwerkelijk preventief van aard, aangezien het de staten verplicht om op hun
eigen grondgebied maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de omstandigheden waaronder
misdrijven tegen de menselijkheid kunnen worden gepleegd, zich niet voordoen. Gezien de
verschillende territoriale reikwijdte en functie van de twee bepalingen is het belangrijk om de
autonome status van ontwerpartikel 2 te onderstrepen, niet alleen als openingsbepaling, maar
ook als een bepaling met onafhankelijke juridische status zoals het Internationaal Gerechtshof
die aan artikel I van het Genocideverdrag heeft toegekend.
          De CAVV ziet artikel I van het Genocideverdrag en ontwerpartikel 2 over misdrijven
tegen de menselijkheid als tweeling-bepalingen. Het argument dat deze twee bepalingen niet
alleen in termen van autonome juridische status, maar ook inhoudelijk met elkaar in verband
moeten worden gebracht, vloeit ook voort uit het eerdere advies van de CAVV dat differentiatie
tussen genocide en misdrijven tegen de menselijkheid geen zin heeft in de preventieve fase, 17                 16 F
een voorstel waarmee de Nederlandse regering instemde. 18 De koppeling van de twee
                                                                            17 F
bepalingen komt ook overeen met hun gemeenschappelijke oorsprong en met de praktijk dat de
twee misdrijven in R2P-kaders consequent aan elkaar worden gekoppeld. 19 Het is ook in       18F
overeenstemming met de noodzaak om overmatig gebruik van het genocide-label te
voorkomen.
5. Een toezichtsmechanisme
Speciaal rapporteur Murphy heeft bewust afgezien van het doen van voorstellen met betrekking
tot een toezichtsmechanisme, omdat hij van mening was dat de keuze van een mechanisme
afhing van andere factoren dan juridische. 20 De CAVV raadt de regering evenwel aan om op
                                                    19 F
dit punt concrete suggesties te doen, omdat zij het eens is met de opmerking van professor Sadat
dat "een conventie zonder toezichtsmechanisme waarschijnlijk een 'wees' zal worden”. 21 De                20 F
CAVV erkent de noodzaak om duplicatie van mechanismen en onnodige bureaucratie te
16
   UN Doc. A/CN.4/680, 17 februari 2017, para. 112-113.
17
   CAVV, Gebruik door politici van de term 'genocide', advies van maart 2017, p. 14.
18
   Kabinetsreactie op advies nr. 28 over het gebruik door politici van de term ‘genocide', Kamerstuk (2017-2018)
34 775 V, nr. 44, p. 4.
19
   CAVV, Gebruik door politici van de term 'genocide', advies van maart 2017, p. 10.
20
   UN Doc. A/CN.4/704, 23 januari 2017, para. 222-238.
21
   Leila Sadat, ‘A Contextual and Historical Analysis of the International Law Commission’s 2017 Draft Articles
for a New Global Treaty on Crimes Against Humanity’, Journal of International Criminal Justice (op handen
zijnde publicatie).
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>vermijden en stelt derhalve voor dat het mandaat en de functies van een mechanisme beperkt
blijven en nauw-omschreven worden. Zij ziet twee verschillende functies die een mechanisme
zou kunnen vervullen:
a.       Toezicht op de tenuitvoerlegging van de vereiste wetgeving;
b.       Het bieden van een discursieve ruimte, d.w.z. een platform waarop staten die invloed
         kunnen uitoefenen, worden uitgenodigd om hun specifieke gedrag ten aanzien van een
         bepaalde situatie toe te lichten in het licht van hun verplichting om genocide en
         misdrijven tegen de menselijkheid te voorkomen. Zonder in te gaan op institutionele
         details, zou het bestaan van een dergelijk platform in het kader van het Genocideverdrag
         en het (toekomstige) Verdrag aangaande misdrijven tegen de menselijkheid geleidelijk
         het begrip "vermogen om invloed uit te oefenen" verduidelijken en tegelijkertijd de
         besluitvorming van staten in reactie op een bepaalde situatie vastleggen.
6. Verjaring in civiele rechtszaken
In het ontwerpartikel 6, vijfde lid, staat: "Elke staat neemt de nodige maatregelen om ervoor te
zorgen dat de in dit ontwerpartikel bedoelde strafbare feiten krachtens zijn strafrecht niet
verjaren.” De bepaling heeft geen betrekking op de toepasselijkheid van wettelijke
verjaringstermijnen in civiele procedures en dit wordt evenmin uitdrukkelijk behandeld in het
ontwerpartikel 12, derde lid, dat het recht op schadeloosstelling van slachtoffers regelt. De
CAVV wijst op de aanbevelingen van Amnesty International inzake de niet-toepasselijkheid
van wettelijke verjaringstermijnen op civiele procedures wegens onrechtmatige daad. 22 Het             21 F
herinnert ook aan recente jurisprudentie van Nederlandse rechtbanken, waarin werd geoordeeld
dat het in bepaalde zeer uitzonderlijke omstandigheden onredelijk is dat de Staat zich in civiele
procedures beroept op wettelijke beperkingen. 23 Gezien deze ontwikkelingen en gelet op de jus
                                                         22 F
cogens status van de betreffende misdrijven, is de CAVV van mening dat het zinvol is om de
kwestie van de niet-toepasselijkheid van wettelijke verjaringstermijnen in civiele onrechtmatige
daadprocedures op de agenda te plaatsen. 24 De CAVV onderkent ten volle de belangrijke
                                                    23 F
functie die wettelijke verjaringstermijnen in het civiele recht kunnen vervullen. Met dit in het
achterhoofd kan het aangewezen zijn om in de ontwerpartikelen een bepaling op te nemen die
de staten aanmoedigt om te overwegen om het beroep op wettelijke verjaringstermijnen in
bepaalde duidelijk omschreven omstandigheden te beperken. Aangezien het aantal civiele
rechtszaken over handelingen die kunnen neerkomen op internationale misdrijven de komende
jaren waarschijnlijk zal toenemen, kan een dergelijke bepaling als nuttige leidraad dienen.
22
   Amnesty International, 17-Point Program for a Convention on Crimes against Humanity.
23
   Rechtbank ‘s-Gravenhage, vonnis, ECLI: NL: RBSGR: 2011: BS8793, 14 september 2011. Zie voor een analyse
van deze zaak en de daarop volgende jurisprudentie, L. van den Herik, 'Adressing "Colonial Crimes" Through
Reparations? Adjudicating Dutch Atrocities Committed in Indonesia’, 10 Journal of International Criminal
Justice 963-705 (2012) en L. van den Herik, ‘Reparation for Decolonisation Violence: A Short Overview of Recent
Dutch Litigation’, Heidelberg Journal of International Law, 2018/2.
24
   Zie voor een uitgebreidere behandeling van het onderwerp en de argumenten ter ondersteuning van de niet-
toepasselijkheid van wettelijke beperkingen op civiele procedures wegens onrechtmatige daad, L. Zegveld,
Civielrechtelijke verjaring van internationale misdrijven, oratie, Universiteit van Amsterdam, gehouden op 13
november 2015.
                                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>7.      Slot
Tot slot worden de belangrijkste elementen van dit advies samengevat:
• De CAVV verwelkomt de ILC-ontwerpartikelen over misdrijven tegen de
   menselijkheid en is van mening dat een specifiek mondiaal verdrag aangaande
   misdrijven tegen de menselijkheid een aanvulling zou vormen op de verdragsregimes
   die bestaan voor de andere twee kernmisdrijven, genocide en oorlogsmisdrijven.
• De ontwerpartikelen hebben tot doel de bestaande regels van het internationaal
   gewoonterecht, zoals de verplichting om te voorkomen, te codificeren en ze vullen ook
   een leemte op, bijvoorbeeld door de geschillenbeslechtingsclausule en de basis voor de
   rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof. Dit kan ertoe leiden dat de
   overmatige focus op genocide en het betreffende rechtsstelsel afneemt.
• De ontwerpartikelen bieden een robuust en broodnodig model voor samenwerking
   tussen staten. Daarmee vullen zij een duidelijke leemte op en bieden zij een
   rechtsstelsel dat wederzijdse rechtshulp in strafzaken betreffende misdrijven tegen de
   menselijkheid mogelijk maakt en faciliteert en een rechtsgrond biedt voor uitlevering.
• De relatie tussen de ontwerpartikelen en het Statuut van Rome inzake het
   Internationaal Strafhof is wederzijds positief. Met name het deel van de
   ontwerpartikelen dat betrekking heeft op wederzijdse rechtshulp en uitlevering kan
   staten effectief helpen bij het nakomen van hun verantwoordelijkheid voor nationale
   vervolging van misdrijven tegen de menselijkheid. De ontwerpartikelen bieden dus
   ondersteuningsstructuren die stroken met het idee dat het Internationaal Strafhof
   complementair is aan de nationale rechtsmacht in strafzaken.
• Ondanks bepaalde tekortkomingen in de definitie van misdrijven tegen de
   menselijkheid in het Statuut van Rome, zoals bijvoorbeeld wat betreft de
   genderdimensie, staat de CAVV volledig achter de keuze om de definitie van
   misdrijven tegen de menselijkheid in het Statuut van Rome over te nemen zonder
   enige wijziging, om redenen van rechtszekerheid.
• Hoewel de ontwerpartikelen over misdrijven tegen de menselijkheid en MVRUIM tot
   op zekere hoogte overlappen, zijn ze wederzijds ondersteunend en concurreren ze niet
   met elkaar.
• Zelfs als beide initiatieven werkelijkheid worden en effectief in verdragen worden
   omgezet, is het mogelijk dat niet alle staten beide verdragen ondertekenen en
   ratificeren. Daarom moeten de bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp (met
   inbegrip van de bepalingen inzake uitlevering) van de ontwerpartikelen over
   misdrijven tegen de menselijkheid zo gedetailleerd mogelijk zijn, zodat zij als
   zelfstandige basis kunnen dienen om de samenwerking tussen staten te faciliteren. De
   CAVV onderstreept dat de voorgestelde regeling in de ontwerpartikelen reeds zeer
   zorgvuldig en gedetailleerd is, en haar advies bevat een aantal concrete suggesties voor
   verdere versterking.
• Het is belangrijk om de onderlinge relatie tussen de twee ontwerpartikelen over
   voorkomen, de ontwerpartikelen 2 en 4, te verduidelijken. De CAVV benadrukt in dit
   kader de onafhankelijke en autonome betekenis van ontwerpartikel 2.
                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>• In overeenstemming met haar eerdere advies over het gebruik door politici van de
  term "genocide”, merkt de CAVV op dat artikel I van het Genocideverdrag en het
  ontwerpartikel 2 over misdrijven tegen de menselijkheid inhoudelijk en qua
  reikwijdte als tweeling-bepalingen moeten worden gezien.
• Voortbouwend op de opvatting dat "een conventie zonder toezichtsmechanisme
  waarschijnlijk een 'wees' zal zijn”, adviseert de CAVV de regering om suggesties te
  doen voor een toezichtsmechanisme en biedt het advies enkele concrete visies op het
  mandaat en de taken van een dergelijk mechanisme.
• De CAVV onderstreept de belangrijke functie die wettelijke verjaringstermijnen in
  onrechtmatige daadprocedures in het civiele recht kunnen vervullen, maar is van
  mening dat het nuttig is om de kwestie van de niet-toepasselijkheid van
  verjaringstermijnen in dergelijke procedures voor slachtoffers op de agenda te
  plaatsen.
                                          10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>