<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Wetsvoorstel kwaliteit vso
Nr. 20100265/984
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
e-mail: secretariaat@onderwijsraad.nl
070 – 310 00 000 of via de website: www.onderwijsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting                                                                            7
1       Inleiding                                                                       9
1.1     Aanleiding                                                                      9
1.2     Aspecten van speciaal onderwijs                                                 9
1.3     Eerder raadsadvies: positief over ontwikkeling kerndoelen                      11
1.4     Leeswijzer                                                                     11
2       Inhoud wetsvoorstel, wenselijkheid wetgeving en advieskader Onderwijsraad      12
2.1     Doelen en inhoud wetsvoorstel                                                  12
2.2     Is wetgeving noodzakelijk en wenselijk?                                        14
2.3     Advieskader                                                                    16
3       Commentaar van de raad bij de voorstellen                                      17
3.1     Kwaliteit: draagt het voorstel naar verwachting bij aan kwaliteitsverbetering? 17
3.2     Keuzevrijheid: positie van de ouders onduidelijk                               20
3.3     Sociale cohesie: meer doorstroom naar arbeid en onderwijs door wetswijziging?  21
3.4     Conclusie                                                                      21
4       Conclusies en aanbevelingen bij de voorgestelde wetswijziging                  23
4.1     Wetswijziging nodig voor kwaliteitsslag?                                       23
4.2     Aanbevelingen                                                                  24
Afkortingen                                                                            26
Literatuur                                                                             27
Bijlage 1: Adviesvraag                                                                 29
Bijlage 2: Korte beschrijving van de huidige positie van het speciaal onderwijs        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>ONDERWIJS raad

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Nassaulaan 6

Mevrouw J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart 2514 JS Den Haag
Postbus 16375

2500 BJ Den Haag Telefoon: 070 310 00 00

Fax: 070 356 14 74
secretariaat@onderwijsraad.nl
www.onderwijsraad.nl

Ons kenmerk Contactpersoon Plaats/datum
20100265/984 Den Haag, 12 november 2010
Uw kenmerk Doorkiesnummer Onderwerp

Advies Wetsontwerp kwaliteit vso

Mevrouw de Minister,

Bij brief van 7 september 2010 heeft uw ambtsvoorganger de Onderwijsraad advies gevraagd over het wets-
voorstel in verband met de kwaliteit van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Met genoegen biedt de
raad u hierbij zijn advies aan.

De raad staat positief tegenover de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk kwaliteitsverbetering van het
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Voorafgaand aan de bespreking van dit wetsvoorstel zou naar zijn me-
ning echter de principiële vraag aan de orde moeten zijn of de overheid het wettelijke onderscheid tussen
regulier en speciaal onderwijs wil behouden. Hoewel de inhoud van dit wetsvoorstel het antwoord op die vraag
impliceert, vindt de raad dat dit vraagstuk expliciet in de memorie van toelichting aan de orde zou moeten
komen.

Los daarvan gaat de raad niettemin op het wetsvoorstel in. Ondanks zijn instemming met de doelstelling en de
uitwerking in een aantal voorstellen, stelt hij op enkele onderdelen een aanscherping voor. Zo zou hij, waar het
gaat om de kwaliteit, bijvoorbeeld duidelijker tot uitdrukking gebracht willen zien dat zelfredzaamheid altijd het
streefdoel is. Dit zou het kernconcept, het uitgangspunt van nieuwe wetgeving moeten zijn.

De raad hoopt met zijn advies bij te dragen aan het debat over de bevordering van de kwaliteit van het speciaal
en voortgezet speciaal onderwijs en aan de manier waarop de resultaten daarvan eventueel in wetgeving
worden neergelegd.

Met beleefde groet,
A le hr y= ALE
Prof. dr. A.M.L. van Wieringen Drs. A. van der Rest

Voorzitter Secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Voorafgaande principiële vraag
De raad stelt voorop dat aan de bespreking van dit wetsvoorstel de principiële vraag voorafgaat of de overheid
het wettelijke onderscheid tussen regulier en speciaal onderwijs wil behouden. Over deze vraag heeft veel dis-
cussie plaatsgevonden, maar gezien dit wetsvoorstel wordt er impliciet van uitgegaan dat de huidige wettelijke
scheiding gehandhaafd blijft. De raad is van mening dat eerst op deze vraag in al zijn aspecten ingegaan zou
moeten worden in de memorie van toelichting.
Beoordeling wetsvoorstel aan de hand van drie criteria
Toch wil de raad ingaan op het wetsvoorstel. Hij doet dit aan de hand van het volgende advieskader. In het al-
gemeen hanteert de raad vijf inhoudelijke, normatieve criteria: kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid, keu-
zevrijheid/pluriformiteit en sociale samenhang. Deze criteria zijn echter vaak niet in dezelfde mate tegelijkertijd
te vervullen. Voor de bespreking van dit wetsvoorstel hanteert de raad in het bijzonder de criteria kwaliteit,
keuzevrijheid en sociale samenhang.
Hij stelt voorop dat hij positief staat tegenover de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk kwaliteitsverbete-
ring van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Ook stemt hij in met een aantal voorstellen. Zo steunt hij
de gedachte dat het vso-personeel (voortgezet speciaal onderwijs) dat reguliere vo-programma’s (voortgezet
onderwijs) uitvoert, aan dezelfde bekwaamheidseisen moet voldoen als het onderwijspersoneel op reguliere
vo-scholen. Dat geldt ook voor het voorstel vso-scholen de ruimte te geven zelfstandig vo-onderwijs aan te
bieden. Op enkele onderdelen is hij evenwel voorstander van een aanscherping. Aan de hand van de genoem-
de drie beoordelingscriteria wijst hij op de volgende punten.
Wat het criterium kwaliteit betreft zou de raad in de eerste plaats duidelijker tot uitdrukking gebracht willen
zien dat zelfredzaamheid (zelfverantwoordelijkheid, zelfbeschikking) altijd het streefdoel is. Aan welke minima-
le eisen zou daartoe moeten worden voldaan? Dit zou het kernconcept, het uitgangspunt van nieuwe wetge-
ving moeten zijn. Dit ontbreekt nu in dit wetsvoorstel. In de tweede plaats plaatst de raad vraagtekens bij de
gelijkwaardigheid van het profiel dagbesteding naast de profielen vervolgonderwijs en arbeidsmarkt. Ten slotte
is de raad geen voorstander van vervanging van het handelingsplan door het ontwikkelingsperspectief (of lie-
ver streefdoel). Naar zijn mening gaat het hier om twee verschillende grootheden. Het ontwikkelingsperspectief
is een visie op het einddoel van het onderwijs aan een bepaalde leerling, het handelingsplan is een instrument.
De raad meent dat het genoemde voornemen tot verwarring kan leiden. Het zou beter zijn het ontwikkelings-
perspectief als onderdeel te zien van het handelingsplan. Het een vervangt dus niet het ander, maar zij vormen
één document.
Als het gaat om de keuzevrijheid is de positie van de ouders in beeld. Deze zou meer moeten omvatten dan een
juridische positie waar nu van wordt uitgegaan. Volgens de raad moet sterker ingezet worden op zorgvuldige
samenwerking met de ouders, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de beslissing tot plaatsing in een uitstroom-
profiel. Ook zou de (totstandkoming van de) keuze aan de ouders moeten worden verantwoord.
Wat het criterium sociale cohesie betreft, bepleit de raad een beleid gericht op het stimuleren van bedrijven en
organisaties om personeel met een achtergrond in het voortgezet speciaal onderwijs aan te nemen. Dat moet
gelijk opgaan met de beoogde kwaliteitsverbetering van het (voortgezet) speciaal onderwijs.
Aanbevelingen
De belangrijkste aanbevelingen betreffen het uitgangspunt van zelfredzaamheid, zelfverantwoordelijkheid. In
de eerste plaats adviseert de raad hiervoor een referentieniveau als streefniveau vast te stellen. In de tweede
plaats vindt de raad dat het doel van speciaal onderwijs altijd deelname aan vervolgonderwijs of arbeidsmarkt
moet zijn. Deelname aan dagbesteding kan daarom niet een gelijkwaardig streefdoel zijn, bijzondere gevallen
uitgezonderd.
                                                                                           Wetsvoorstel kwaliteit vso 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>           Ten slotte stelt de raad voor het handelingsplan niet te vervangen door het ontwikkelingsperspectief. Het
           ontwikkelingsperspectief brengt het langetermijnperspectief van een leerling in kaart in het licht van het
           planmatige handelen van school en leraar. Het gaat dus weliswaar om te onderscheiden grootheden, maar die
           moeten in samenhang worden bezien.
8 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    De Onderwijsraad brengt advies uit over het wetsvoorstel kwaliteit (voortgezet) speciaal onderwijs dat
    beoogt de Wet
                Wet op de expertisecentra (WEC) te wijzigen. Aanleiding voor het wetsvoorstel is brede kritiek
    op de huidige kwaliteit van het onderwijs in deze sector. Met (voortgezet) speciaal onderwijs wordt het
    onderwijs bedoeld dat valt onder de WEC en is georganiseerd
                                                        georganiseerd in 33 regionale Expertisecentra (rec’s). Uit
    de nieuwe voorstellen blijkt dat er serieuze aandacht is voor de kwaliteitsverbetering van het
    (voortgezet) speciaal onderwijs – dat is een goede zaak. Dit hoofdstuk schetst de opbouw van het advies.
1   Inleiding
    Inleiding
1.1 Aanleiding
    De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft de Onderwijsraad om advies gevraagd over het
    voorstel van wet tot wijziging van onder meer de WEC (Wet op de expertisecentra) in verband met de kwaliteit
    van het speciaal en het voortgezet speciaal onderwijs. In dit advies reageert de raad op het voorstel. Vooraf wil
    de raad aangeven verheugd te zijn over de serieuze aandacht die er is voor verbetering van de kwaliteit van het
    (voortgezet) speciaal onderwijs. De meeste scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs werken hard aan
    kwaliteitsverbetering en zullen steun ontlenen aan het feit dat hiervoor ook op politiek-bestuurlijk niveau
    aandacht bestaat. Toch is de raad kritisch over enkele van de huidige voorstellen.
    Sinds enkele jaren is er kritiek op de kwaliteit van het (voortgezet) speciaal onderwijs, onder andere door de
    Inspectie van het Onderwijs. Het (voortgezet) speciaal onderwijs zou zich te weinig bezighouden met
    onderwijsinhoud en onderwijsresultaten en te eenzijdig gericht zijn op het bereiken van een warm
    pedagogische klimaat voor leerlingen. Onder andere als reactie hierop is in november 2008 een Notitie Kwaliteit
    Passend Onderwijs verschenen van de toenmalige staatssecretaris van OCW. De notitie geeft een overzicht van
    het (voorgenomen) overheidsbeleid gericht op het verbeteren van de kwaliteit van onderwijs aan alle zorg-
    leerlingen. De notitie benoemt beleid en activiteiten die scholen en leraren zo veel mogelijk in staat moeten
    stellen meer opbrengstgericht te werken. Ook wordt het voorliggend wetvoorstel aangekondigd, dat tot doel
    heeft de kwaliteit van het (voortgezet) speciaal onderwijs te verbeteren en te versterken.
    Relatie met passend onderwijstraject
    Inhoudelijk zou het wetsvoorstel kwaliteit (voortgezet) speciaal onderwijs deel kunnen uitmaken van het
    omvangrijker landelijk onderwijsbeleid op het terrein van zorgleerlingen: het streven naar ‘passend onderwijs’.
    Kern van passend onderwijs is de komst in 2012 van een zorgplicht voor schoolbesturen. Dat wil zeggen dat een
    schoolbestuur elke leerling die zich op zijn school aanmeldt passend onderwijs moet bieden of dit bij een
    andere school moet regelen voor de leerling en zijn ouders. In oktober 2009 is een nieuwe koers ingezet in het
    beleid gericht op de implementatie van deze zorgplicht. De twee trajecten zijn om praktische redenen uit
    elkaar gehaald: het wetsvoorstel kwaliteit (voortgezet) speciaal onderwijs is minder omvangrijk en daardoor
    eerder gereed dan het wetsvoorstel passend onderwijs.
1.2 Aspecten van speciaal
                   speciaal onderwijs
    Deze paragraaf gaat kort in op wat speciaal onderwijs inhoudt en om welke doelgroepen en om hoeveel
    leerlingen het gaat.
                                                                                               Wetsvoorstel kwaliteit vso 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>            Wat is speciaal onderwijs?
            Het (voortgezet) speciaal onderwijs valt onder de WEC en is georganiseerd in 33 rec’s. Deze vormen een
            dekkend netwerk van 323 scholen voor (v)so. Overigens zegt het aantal scholen niet zo veel: veel kleine scholen
            zijn inmiddels gefuseerd tot zeer grote instellingen met diverse leslocaties. En naast omvangrijke scholen die
            zich volledig richten op voortgezet speciaal onderwijs (en de doelgroep van jongeren vanaf een jaar of 12) zijn
            er ook kleine scholen voor speciaal onderwijs (basisschoolleeftijd) die nog een of twee jaar voortgezet speciaal
            onderwijs aanbieden op de eigen school voor leerlingen die nergens anders terecht kunnen.
            Het wetsvoorstel heeft geen betrekking op speciale voorzieningen in het regulier onderwijs.1 Binnen de WEC
            vallen wel de leerlingen die voor het speciaal onderwijs geïndiceerd zijn, maar met extra hulp (de leerling-
            gebonden financiering) in het reguliere onderwijs zitten. Het is op termijn overigens de bedoeling dat deze
            voorziening wordt afgeschaft en vervangen door andere mogelijkheden voor geïndiceerde leerlingen om les te
            krijgen op reguliere scholen.
            Het (voortgezet) speciaal onderwijs is thans nog verdeeld in vier clusters (en vier typen rec’s):
                 onderwijs aan visueel gehandicapte of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap
                  (cluster 1);
                 onderwijs aan auditief en communicatief gehandicapte (doven, slechthorenden, kinderen met ernstige
                  spraakmoeilijkheden) of meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap (cluster 2);
                 onderwijs aan lichamelijk, verstandelijk en meervoudig gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende
                  kinderen en langdurige zieke kinderen, of meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze
                  handicaps (cluster 3);
                 onderwijs aan leerlingen met gedragsstoornissen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, langdurig zieke
                  kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, en onderwijs aan leerlingen in scholen verbonden aan
                  pedologische instituten (cluster 4).
            Diverse doelgroepen
            De doelgroep van het voortgezet speciaal onderwijs is in te delen langs de dimensies fysiek en cognitief
            functioneren. Het voortgezet speciaal onderwijs kent aldus een diversiteit aan leerlingen, variërend van
            kinderen met een enkele fysieke beperking (bijvoorbeeld blindheid) tot en met ernstig of chronisch zieke
            kinderen en kinderen met meervoudige handicaps. De leerlingen beschikken over uiteenlopende cognitieve
            niveaus: van hoogbegaafd tot en met functionerend op zeer laag cognitief niveau.
            Groei
            De vraag naar plaatsing op scholen voor speciaal onderwijs en naar verwante voorzieningen stijgt al geruime
            tijd. De groei is vooral zichtbaar vanaf de leeftijd van 12 jaar. De groei zit met name in het aantal leerlingen dat
            extra zorg nodig heeft in het voortgezet onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en het middelbaar
            beroepsonderwijs. Het aantal leerlingen met leerlinggebonden financiering in het voortgezet onderwijs neemt
            jaarlijks toe met circa 3.000. In het middelbaar beroepsonderwijs is de groei ruim 2.000 leerlingen per jaar. Ook
            het aantal leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs is sinds 2005 zeer sterk gegroeid. De totale groei tot
            2009 betreft bijna 10.000 leerlingen (van 59.000 naar bijna 68.000 leerlingen). Deze groei is vooral zichtbaar in
            cluster 4 (leerlingen met ernstige gedragsproblemen: 6.000) en 3 (meest meervoudig gehandicapte leerlingen:
            3.000).2
            Er zijn uiteenlopende (met elkaar samenhangende) en uitgebreid gedocumenteerde en geanalyseerde redenen
            voor de gestage groei van speciale scholen en voorzieningen. Kort samengevat: de nataliteit, de samenleving,
            de opvoeding en het onderwijs zijn ingewikkelder geworden. Niet alle leerlingen kunnen hiermee overweg en
            bovendien zitten leerlingen (ook moeilijker lerende en minder gemotiveerde) langer op school dan vroeger. Dit
            alles vertaalt zich in meer onderwijsproblemen. De tolerantie van afwijkend gedrag lijkt tegelijkertijd te zijn af-
1
  Buiten het bestek van het wetsvoorstel vallen dus het speciaal basisonderwijs (sbao), het leerwegondersteunend onderwijs en het
praktijkonderwijs.
2
  Ministerie van Onderwijs, 2010.
10 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>           genomen. 3 Daarnaast is de kennis van gedrag- en onderwijsproblemen toegenomen en is de diagnose door le-
           raren, pedagogen enzovoorts verfijnd en verbeterd. Dit heeft geleid tot meer diagnoses en dus meer kandida-
           ten voor speciale scholen. De toename van het aantal diagnoses heeft naar alle waarschijnlijkheid ook te maken
           met de veranderde samenleving. Ontwikkelmogelijkheden van individuen zijn vergroot en in Nederland zijn
           inmiddels de fysieke basisbehoeften van de meeste mensen (voeding, goede huisvesting, onderwijs) vervuld.
           Problemen die vroeger niet werden opgemerkt door ouders of andere betrokkenen vanwege meer basale ge-
           zinsproblemen (armoede, de zorg voor veel kinderen, gezondheidsproblemen) komen nu vaker aan het licht.
           Bijlage 1 bevat een korte beschrijving van de huidige positie van het (voortgezet) speciaal onderwijs.
1.3        Eerder raadsadvies: positief over ontwikkeling kerndoelen
           De raad constateerde in het advies Kerndoelen en leerstandaarden voor het speciaal onderwijs (2008) dat tijdens
           het ontwikkelen van de kerndoelen is overwogen ook voor (een deel van) het (voortgezet) speciaal onderwijs
           kerndoelen te ontwikkelen. Later is hiervan afgezien. Dit betekent dat er voor het voortgezet speciaal onderwijs
           geen inhoudelijk kader voor het aanbod is vastgesteld (buiten het onderwijskundig besluit WEC). In het advies
           De kern van het doel (2002) over de kerndoelen voor het basisonderwijs vormde de aansluiting tussen
           basisonderwijs en onderbouw voortgezet onderwijs wel een belangrijk aandachtspunt. In het advies uit 2008
           pleitte de raad ervoor om voor het (voortgezet) speciaal onderwijs eveneens nadere richtlijnen met betrekking
           tot het onderwijsaanbod op te stellen, om zo een doorgaande lijn van speciaal naar voortgezet speciaal
           onderwijs te waarborgen.
           De raad constateerde dat slechts een klein deel van de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs een
           regulier vo-examen (voortgezet onderwijs) behaalt. Voor deze groep gelden daarmee de exameneisen als kader
           voor het onderwijsaanbod en de leerresultaten. Deze leerlingen volgen de reguliere kerndoelen onderbouw
           zover mogelijk, maar hiervoor geldt geen wettelijke verplichting. Bij de overige vso-leerlingen variëren de
           uitstroomperspectieven van doorstroom naar regulier (vervolg)onderwijs en rechtstreekse arbeidstoeleiding,
           tot (arbeidsmatige) dagbesteding. De raad achtte het wenselijk ook voor het voortgezet speciaal onderwijs
           nadere deugdelijkheidseisen te formuleren. “Het ligt hierbij voor de hand dat zo veel mogelijk afstemming
           wordt gezocht met het regulier voortgezet onderwijs. Het op elkaar afstemmen met of onderbrengen van het
           vso in de wetgeving voor het voortgezet onderwijs lijkt op termijn een logische stap. De raad adviseert om ook
           voor het vso eisen met betrekking tot de inhoud van het onderwijsaanbod vast te leggen”, aldus het advies in
           2008.
1.4        Leeswijzer
           Hoofdstuk 2 bevat eerst een samenvatting van het wetsvoorstel. Vervolgens wordt ingegaan op enkele
           principiële vragen ten aanzien van dit voorstel. In de eerste plaats komt de vraag aan de orde of de overheid
           met de plannen een wenselijke weg inslaat. De tweede vraag is of de impliciete keuze die gemaakt wordt voor
           het handhaven van de aparte wetgeving voor regulier en speciaal onderwijs terecht en ook in de toekomst
           wenselijk is. Ten slotte bevat dit hoofdstuk het advieskader van de raad. De raad gaat uit van drie criteria die
           van belang zijn voor de beoordeling van het wetsvoorstel. Hoofdstuk 3 bevat verschillende punten van
           commentaar op het wetsvoorstel. Hoofdstuk 4 eindigt met enkele aanbevelingen die mogelijk aanleiding
           kunnen zijn om het wetstraject op punten nader te motiveren of te wijzigen.
3
  Zie ook Onderwijsraad, 2010.
                                                                                                    Wetsvoorstel kwaliteit vso 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>          Het voorstel tot wijziging van onder meer de WEC heeft kwaliteitsverbetering tot doel. Kern van het
          voorstel is te komen tot drie uitstroomprofielen als leidraad voor het curriculum van het (voortgezet)
          speciaal onderwijs. De raad vraagt zich af of met het wetsvoorstel de juiste weg wordt ingeslagen. De
          memorie van toelichting dient daarover meer duidelijkheid te bieden. Indien op basis daarvan wordt
          besloten de wetgevingsprocedure
                         wetgevingsprocedure voort te zetten, wil de raad het wetsvoorstel bespreken aan de hand
          van drie criteria: kwaliteit, keuzevrijheid en sociale cohesie.
2         Inhoud wetsvoorstel,
                        wetsvoorstel, wenselijkheid wetgeving en advieskader
          Onderwijsraad
2.1       Doelen en inhoud wetsvoorstel
          Doelen
          Doe len
          Leerlingen die onderwijs volgen in het speciaal of voortgezet speciaal onderwijs hebben, net als leerlingen in
          het reguliere onderwijs, het recht om hun mogelijkheden te ontplooien en na hun schoolloopbaan duurzaam
          te participeren in de maatschappij. Dit wetsvoorstel heeft tot doel dit recht van leerlingen beter te waarborgen
          in de wettelijke opdracht aan scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs, vooral door het onderwijs meer
          opbrengstgericht te maken via een indeling in uitstroomprofielen. Het onderwijs wordt daarmee specifieker
          gericht op de uitstroombestemming van leerlingen.
          Uitgangspunt is dat er drie groepen leerlingen zijn in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Een eerste, grote
          groep leerlingen zou met de juiste begeleiding volgens het voorstel op de arbeidsmarkt kunnen functioneren
          (meer dan nu daadwerkelijk op de arbeidsmarkt terecht komen). Een tweede, kleine groep leerlingen zal ook
          met intensieve begeleiding nooit in staat zijn een functie te vervullen op de arbeidsmarkt. Een derde groep
          leerlingen met goede cognitieve capaciteiten zou in staat zijn na het speciaal onderwijs (basisschoolleeftijd)
          door te stromen naar het regulier onderwijs, of in het voortgezet speciaal onderwijs een regulier diploma te
          behalen. Het (voortgezet) speciaal onderwijs zou de drie groepen duidelijk in kaart moeten brengen en
          systematisch toeleiden naar een zo hoog mogelijk eindresultaat. Binnen deze uitstroomprofielen zouden de
          scholen hun onderwijsaanbod steeds op kerndoelen moeten baseren.
          Inhoud
          Drie uitstroomprofielen
          Het wetsvoorstel benoemt drie uitstroomprofielen in het voortgezet speciaal onderwijs: arbeidsmarktgericht,
          dagbesteding en vervolgonderwijs, elk met een eigen doel, inhoud en opbouw. Voor elk profiel worden bij
          algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld.
          Het profiel dagbesteding is bestemd voor leerlingen die uitstromen naar een vorm van, al dan niet
          arbeidsmatige, dagactiviteiten. Het gaat hier vooral om meervoudig gehandicapte leerlingen, die niet in staat
          zijn zelfstandig op de arbeidsmarkt te participeren, ook niet op de beschermde arbeidsmarkt. Het onderwijs in
          dit profiel bereidt leerlingen voor op het zo zelfstandig mogelijk functioneren in vormen van, al dan niet
          arbeidsmatig ingevulde, dagactiviteiten. Het is gericht op persoonlijkheidsvorming, het aanleren van sociale
          competenties en de redzaamheid van leerlingen in de domeinen wonen, werken, vrije tijd en burgerschap.
          Het arbeidsmarktgerichte profiel begeleidt de leerlingen naar het uitoefenen van een functie op de
          arbeidsmarkt. Leerlingen die duurzaam op de arbeidsmarkt kunnen participeren, maar niet in staat zijn een
          regulier diploma te behalen, worden onder meer via praktijklessen en stages zo goed mogelijk voorbereid op
12 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>de arbeidsmarkt. Voor dit uitstroomprofiel worden referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen/wiskunde
vastgesteld.
Het uitstroomprofiel vervolgonderwijs is het hoogst haalbare eindniveau van het (voortgezet) speciaal onderwijs:
het onderwijs is hier gericht op het behalen van een regulier diploma vmbo (voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs), havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs), vwo (voorbereidend wetenschappelijke
onderwijs) of mbo 1 of 2 (middelbaar beroepsonderwijs). Voor de onderbouw gelden dan de (aangepaste)
kerndoelen WVO (Besluit kerndoelen onderbouw VO), voor de bovenbouw de verschillende
examenprogramma’s of WEB-voorschriften (mbo 1 en 2). Verder gelden de referentieniveaus Nederlandse taal
en rekenen/wiskunde zoals vastgesteld voor de verschillende schoolsoorten.
Een school in het voorgezet speciaal onderwijs (vso-school) kan ervoor kiezen het vo-programma zelfstandig
aan te bieden (geheel conform de WVO-eisen inclusief de opleidingseisen voor docenten). Nieuw is dat de
leerling niet langer aangewezen is op een staatsexamen; de vso-school mag zelf examen afnemen en het
diploma uitreiken (als het aan alle eisen voldoet). De vso-school kan ook kiezen voor samenwerking met een
reguliere vo-school. De leerlingen zijn dan extraneï voor het examen, en de school voor regulier voortgezet
onderwijs of mbo reikt het diploma uit. Vso-scholen doen hiervoor een beroep op reguliere scholen, maar de
laatste zijn hiertoe niet verplicht.
Inspanningsplicht
Het bevoegd gezag van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs is verplicht zich in te spannen elke leerling
de schoolsoort, en zo mogelijk de leerweg, aan te bieden die bij zijn mogelijkheden past. Er komt geen plicht
voor vso-scholen om alle uitstroomprofielen aan te bieden. Wanneer de onderwijsinstelling het profiel dat bij
een aangemelde leerling past niet aanbiedt, moet het bestuur zich aantoonbaar inspannen om de leerling toch
een onderwijsplek te bezorgen, hetzij op een andere school die onder het bestuur valt, hetzij op een andere
school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Omdat reguliere scholen niet verplicht kunnen worden tot
samenwerking, en (v)so-scholen kleinschalig zijn en niet alle schoolsoorten en richtingen kunnen bieden, is het
niet haalbaar elke leerling de garantie te bieden dat hij het onderwijsprogramma kan volgen waar zijn voorkeur
naar uitgaat. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt of het bevoegd gezag aan zijn inspannings-
verplichting heeft voldaan.
Het wetsvoorstel maakt clusteroverstijgende toelating van leerlingen mogelijk als een extra manier voor
scholen om meer opleidingen aan te bieden. Voor scholen is het dankzij de verbrede toelating eerder haalbaar
een opleiding te verzorgen, omdat meer leerlingen aan de opleiding kunnen deelnemen.
Ontwikkelingsperspectief
Voor elk leerling stelt de school (verplicht) bij binnenkomst na een periode van observatie een ontwikkelings-
perspectief vast en bepaalt welk uitstroomniveau (als streefniveau) geschikt is. Het nu verplichte handelings-
plan komt hiermee te vervallen. Voor de leraar zou het ontwikkelingsperspectief handvatten moeten bieden
om zijn onderwijs planmatig en opbrengstgericht in te richten. Daarnaast zou het een communicatiemiddel
(naar ouders en leerling) moeten zijn. De school evalueert het ontwikkelingsperspectief jaarlijks en stelt het zo
nodig periodiek bij. Het uitstroomniveau dat de school benoemt als ontwikkelingsperspectief is een streefni-
veau, geen resultaatsverplichting.
Landelijk vso-getuigschrift
De meeste leerlingen ontvangen aan het eind van het onderwijs een vso-getuigschrift (of, zo mogelijk, een
regulier diploma vo of mbo). Naast het getuigschrift ontvangen alle leerlingen in de uitstroomprofielen
arbeidsmarkt en dagbesteding aan het eind van de opleiding een overgangsdocument. Leerlingen in het
uitstroomprofiel vervolgonderwijs krijgen een onderwijskundig rapport. Dit biedt werkgever, dagbesteding of
vervolgonderwijs inzicht in de kennis en vaardigheden van de leerling, in diens mogelijkheden en beperkingen
en de ondersteuning die de leerling nodig heeft om optimaal te kunnen functioneren.
                                                                                        Wetsvoorstel kwaliteit vso 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>          Helder onderscheid speciaal en voorgezet speciaal onderwijs
          Er komt een duidelijke wettelijke ‘knip’ tussen speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs om
          tegemoet te komen aan de verschillende leerroutes die leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs
          kunnen volgen. Net als in het reguliere basisonderwijs moeten leerlingen (met uitzondering van zwaar
          meervoudig gehandicapten) na acht schooljaren maar uiterlijk als ze 14 jaar zijn naar vervolgonderwijs gaan
          (het voortgezet speciaal onderwijs is van 12-18 jaar, met uitloop tot 20). Het gaat hier niet altijd om het
          onderscheiden van scholen, maar om het toelaten van leerlingen op een passende afdeling. De afgelopen jaren
          hebben vrijwel alle so-scholen een vso-afdeling ingericht. Veruit de meeste leerlingen van 13 jaar en ouder
          volgen dan ook al vso-onderwijs.
          Meervoudig gehandicapten vormen een uitzondering op de verblijfsduur; zij kunnen net als nu tot hun
          twintigste jaar in het speciaal onderwijs verblijven. De verblijfsduur hangt samen met de uitstroomkansen van
          de leerling. Het kan gebeuren dat een leerling zich na het behalen van een getuigschrift nog binnen het
          voortgezet speciaal onderwijs voorbereidt op een functie op de arbeidsmarkt.
         Wijziging bekwaamheidseisen personeel
         Het wetsvoorstel wijzigt de eisen van bekwaamheid voor docenten in het voortgezet speciaal onderwijs als de
         school zelfstandig een regulier vo-programma biedt. Leraren die lesgeven in het programma vmbo, havo of
         vwo moeten voldoen aan de eisen die gesteld zijn voor leraren in het reguliere voortgezet onderwijs, zoals ge-
         steld in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. Zij dienen hun bevoegdheid dus te behalen aan
         een reguliere lerarenopleiding. Daarnaast verruimt het voorstel de mogelijkheden om vaklieden op mbo-niveau
         aan te stellen als docent in het arbeidsmarktgerichte profiel en het uitstroomprofiel vervolgonderwijs (vmbo).
         Aangepast toetsingskader Inspectie
          De Inspectie van het Onderwijs past haar toezichtkader aan het wetsvoorstel aan. Voortaan staat de vraag cen-
          traal of de school een ontwikkelingsperspectief heeft vastgesteld en zich kan verantwoorden over het eindre-
          sultaat in termen van de uitstroombestemming van de leerling. Ook zal de inspectie zich een mening vormen
          over de mate waarin het bevoegd gezag zich heeft ingespannen om het best passende onderwijs voor de leer-
          ling te bieden of de leerling te verwijzen naar een andere school. Andere aandachtspunten van de Inspectie zijn
          het realiseren van onderwijstijd, stages en de bekwaamheid van de docenten.
         Flankerend beleid en inwerkingtreding
         De voorgestelde regels zijn volgens de memorie van toelichting voor een aantal scholen een formalisering van
         de bestaande praktijk. Een ‘quickscan’ heeft aangetoond dat veel scholen de drie uitstroomprofielen al
         aanbieden. Een aantal scholen moet de omslag echter nog maken, aldus de memorie van toelichting. Er komt
         een samenhangend programma voor flankerend beleid, waarbij het ministerie van OCW en de WEC-Raad
         scholen actief zullen informeren en hen oproepen alvast aan de slag te gaan met de implementatie van de
         voorstellen. Het streven is erop gericht de wetswijziging ten aanzien van het speciaal onderwijs in werking te
         laten treden per 1 augustus 2012 en die ten aanzien van het voortgezet speciaal onderwijs per 1 augustus 2013.
2.2       Is wetgeving noodzakelijk en wenselijk?
          De raad is van mening dat er een principiële vraag voorafgaat aan de bespreking van de voorstellen zelf. Wil de
          overheid het wettelijke onderscheid tussen regulier en speciaal onderwijs behouden? Hierover gaat deze
          paragraaf. Slaat de overheid met het voorstel tot wijziging van de WEC een gewenste weg in?
          Wetswijziging de oplossing?
          In het bestaande toezichtkader van de Inspectie komen de drie uitstroombestemmingen al ter sprake. Ook gaat
          het kader er (conform de nieuwe voorstellen) van uit dat de school verplicht is voor elke leerling bij instroom
          een ontwikkelingsperspectief vast te stellen en dit jaarlijks bij te stellen. Tot slot dient de school zich nu al
          tegenover de Inspectie te verantwoorden over de opbrengsten die zij behaalt. Als deze zaken in de praktijk van
          het toezicht al belangrijk gevonden worden, is een wetswijzing dan echt nodig? Natuurlijk voegt het
14 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>            wetsvoorstel ook nieuwe zaken toe. Denk aan de kerndoelen, de mogelijkheid voor vso-instellingen om zelf
            examens af te nemen, en de duidelijkere wettelijke splitsing van speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
            Toch lijken de problemen niet zozeer te liggen in de eisen waaraan (v)so-scholen nu moeten voldoen en de
            wettelijke ruimte die zij hebben, maar in de vertaling naar de dagelijkse praktijk. Inspectieonderzoek naar de
            clusters 2, 3 en 4 bevestigt dit beeld. Daarbij is het aantal zeer zwakke scholen in cluster 4 sinds 2007 met ruim
            de helft afgenomen. Dit lijkt te bevestigen dat een wetswijzing niet nodig is voor kwaliteitsverbetering.
            Samengevat is een wetswijziging (alleen) volgens de raad niet het geëigende antwoord op de bestaande
            problemen. Veeleer zou gezocht moeten worden naar manieren om scholen te ondersteunen bij het
            vormgeven van de veranderingen en naar eventuele (nadere) sanctiemogelijkheden.
            Discussie: dubbele wetgeving handhaven?
            In de eerste notitie over passend onderwijs4 is het idee gelanceerd om de wettelijke scheiding tussen regulier
            en speciaal onderwijs ongedaan te maken. De bedoeling was één onderwijswet te creëren waaronder alle
            scholen vallen. Doel was beide onderwijstypen naar elkaar toe te laten groeien door minder strikt gescheiden
            doelgroepen, financieringsstromen, schoolsoorten, indicatiemethoden en toelatingsprocedures. Het systeem
            zou wel ruimte laten voor doelgroepprofilering (bijvoorbeeld door de huidige speciale scholen). De
            samenwerking tussen scholen (voorheen regulier en speciaal) zou makkelijker worden door het weghalen van
            wettelijke belemmeringen. Dit zou bijdragen aan de totstandkoming van clusteroverstijgende scholen en
            tussenvormen van regulier-speciaal onderwijs.
            Bovendien bestaan er momenteel in het regulier onderwijs ook speciale scholen voor leerlingen die niet in staat
            worden geacht het reguliere programma te doorlopen: het speciaal basisonderwijs en het praktijkonderwijs
            (vo). De scheiding tussen de doelgroepen, het programma en de (ortho)pedagogische aanpak in deze
            (reguliere) onderwijsvormen en doelgroepen in het speciaal onderwijs (cluster 3 en 4) is niet altijd even helder.
            De verschillende schoolsoorten zijn ontstaan vanuit behoefte in het veld en ze zijn in de loop der jaren
            uitgegroeid tot speciale scholen. Hun plek in het stelsel (regulier of speciaal) komt niet voort uit een
            vooropgezet en doordacht plan. Zouden deze schoolsoorten niet ook onder de wetgeving en
            bekostigingsvoorwaarden van het speciaal onderwijs moeten vallen? Ook dit vraagstuk is een belangrijk
            argument om de huidige wettelijke scheiding tussen regulier en speciaal onderwijs nog eens onder de loep te
            nemen. Ook de tussenpositie van het praktijkonderwijs geeft daartoe aanleiding.
            Conclusie: expliciteren keuze voor aanpassing wetgeving
            Het idee om het wettelijk onderscheid regulier-speciaal op te heffen is uiteindelijk verlaten omdat de plannen
            weerstand opriepen. Betrokken schoolleiders waren bang dat met de aparte wetgeving (de WEC) ook het
            speciaal onderwijs zelf zou verdwijnen en alle kinderen met handicaps of beperkingen naar reguliere scholen
            zouden moeten (zoals in sommige andere landen). Dat laatste is overigens nooit het doel geweest van de
            beleidsvoorstellen. Immers, in de wetgeving zou er nog altijd ruimte zijn voor profilering van (de huidige
            speciale) scholen op bepaalde doelgroepen en aanpakken. Met de huidige voorstellen wordt er impliciet van
            uitgegaan dat de wettelijke scheiding tussen (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier onderwijs in de
            toekomst gehandhaafd blijft. Zo’n wijzigingstraject wordt immers alleen ingezet wanneer het aannemelijk is
            dat de aangepaste wet nog lange tijd nodig zal zijn. Deze keuze zou in de memorie van toelichting ten minste
            expliciet gemaakt moeten worden en gemotiveerd. Is de mogelijkheid van het afschaffen van de WEC vol-
            doende bestudeerd en terecht verworpen? Of is er toch reden terug te keren naar de oorspronkelijke plannen
            en toe te werken naar één onderwijswetgeving? Sleutelen aan bestaande wetgeving (zoals nu gebeurt) is naar
            de mening van de raad in elk geval niet genoeg om de grote problemen binnen het speciaal onderwijs en
            speciale onderwijsvoorzieningen op te lossen.
            Hoewel de raad van mening is dat eerst de voorgaande vragen ten aanzien de wetgeving beantwoord zouden
            moeten worden, wil hij toch ingaan op een aantal (andere) aspecten van het wetsvoorstel. Hij doet dit aan de
            hand van een advieskader dat in de volgende paragraaf is opgenomen.
4
  Ministerie van Onderwijs, 2005.
                                                                                                       Wetsvoorstel kwaliteit vso 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2.3       Advieskader
          Bij zijn advisering hanteert de raad in het algemeen vijf inhoudelijke, normatieve criteria: kwaliteit,
          toegankelijkheid, doelmatigheid, keuzevrijheid/pluriformiteit en sociale samenhang. Deze criteria zijn vaak niet
          in dezelfde mate tegelijkertijd te vervullen. Voor de bespreking van het wetsvoorstel hanteert de raad in het
          bijzonder de volgende drie criteria.
               Kwaliteit. Aan dit criterium is voldaan wanneer het wetsvoorstel naar verwachting van de raad inderdaad
                zal bijdragen aan verbetering van de inhoudelijke kwaliteit in de praktijk van het (voortgezet) speciaal
                onderwijs.
               Keuzevrijheid. Aan dit criterium is voldaan wanneer de invloed van ouders en leerling op de keuze voor een
                uitstroomprofiel en het ontwikkelingsperspectief is gewaarborgd.
               Sociale samenhang. Aan dit criterium is voldaan wanneer het wetsvoorstel er daadwerkelijk voor zorgt dat
                het aantal leerlingen dat vanuit het speciaal onderwijs direct doorstroomt naar een inkomensvoorziening
                (geen werk, geen vervolgopleiding) afneemt en meer leerlingen doorstromen naar werk of
                vervolgonderwijs.
          In het volgende hoofdstuk gaat de raad hierop nader in.
16 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    In dit hoofdstuk gaat de raad er (voor de redeneerlijn)
                                                 re deneerlijn) van uit dat de noodzaak en wenselijkheid van het
    wetsvoorstel expliciet getoetst is (zie paragraaf 2.3) en dat de conclusie positief is. In een vervolgstap
    gaat hij na of het huidige voorstel naar verwachting het gewenste resultaat zal hebben. Daarbij hanteert
    hij de criteria kwaliteit, keuzevrijheid en sociale samenhang. De raad onderschrijft de redenering die aan
    de huidige voorstellen ten grondslag ligt: het (voortgezet) speciaal onderwijs zou planmatig moeten
    streven naar een gedegen uitstroomperspectief
                                       uitstroomperspectief voor iedere leerling. Maar hij plaatst kritische
    kanttekeningen bij de voorgestelde uitwerking van deze gedachte.
3   Commentaar van de raad bij de voorstellen
3.1                                                             kwaliteitsverbete
    Kwaliteit: draagt het voorstel naar verwachting bij aan kwaliteitsverbet    ering?
    Omdat kwaliteitsverhoging het primair doel is van het wetsvoorstel krijgt dit criterium als eerste aandacht.
    Wordt kwaliteitsverbetering naar verwachting echt bereikt door de aangepaste wetgeving? Daarvoor zijn
    verschillende punten van belang. Ten eerste moet aangepaste wetgeving scholen uitdagen een zo hoog
    mogelijke graad van zelfredzaamheid voor de leerlingen na te streven, zeker wanneer bepaalde (cognitieve)
    leerresultaten niet haalbaar zijn. Dit betekent dat het einddoel in principe altijd vervolgonderwijs of
    arbeidsmarkt is. Dagbesteding is dan geen einddoel, hoewel de raad beseft dat dit voor een aantal leerlingen
    wel de uitkomst zal blijken te zijn.
    Daarnaast moet élke leerling (op basis van zijn mogelijkheden) kunnen kiezen uit de profielen vervolgonderwijs
    en arbeidsmarkt. Dat betekent dat elke school voor voorgezet speciaal onderwijs beide profielen moet
    aanbieden. Andere thema’s die mogelijkerwijs kunnen bijdragen aan een betere kwaliteit zijn: het landelijk
    getuigschrift, het vervangen van het (verplichte) handelingsplan door ontwikkelingsperspectief, het bieden van
    stages en de verplichting om Engels te geven in het speciaal onderwijs.
    Vooraf: volledige instemming
                        instemming met een aantal voorstellen
    Ondanks zijn kritiek op de uitwerking van het voorstel kan de raad met een aantal aspecten volledig
    instemmen. Zo is het heel belangrijk dat het vso-onderwijspersoneel dat reguliere vo-programma’s uitvoert aan
    dezelfde bekwaamheidseisen voldoet als het onderwijspersoneel op reguliere vo-scholen. Dat vergt wel goed
    flankerend beleid rondom de veranderingen en eventuele personele problemen die deze eis in eerste instantie
    met zich mee zal brengen voor het voortgezet speciaal onderwijs. Denk aan de noodzaak om
    onderwijspersoneel op en bij te scholen en het hoofd te bieden aan het lerarentekort zonder af te doen aan de
    kwaliteit van onderwijspersoneel. Daarnaast ziet de raad het nut en de noodzaak van een duidelijke scheiding
    tussen speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, al is het de vraag of dit zo urgent is dat dit wettelijk
    vastgelegd moet worden en voorts vragen oproept over de relatie met het praktijkonderwijs. Tot slot stemt de
    raad in met het voorstel het mogelijk te maken dat (v)so-scholen zelfstandig vo-onderwijs aanbieden en
    examens afnemen.
    Uitgangspunt: zelfredzaamheid is altijd streefdoel
    De gedachte dat ook het (voortgezet) speciaal onderwijs zou moeten streven naar een bepaald eindniveau, een
    uitstroomprofiel, onderschrijft de raad van harte. Echter, de manier waarop dit in het wetsvoorstel is uitgewerkt,
    gaat er niet expliciet van uit dat elke vorm van onderwijs, ook het (voortgezet) speciaal onderwijs, zo veel
    mogelijk moet opleiden tot zelfredzaamheid (zelfverantwoordelijkheid, zelfbeschikking). Dat is de kern van
    inhoudelijke kwaliteit. Dit zou daarom het kernconcept moeten zijn van de nieuwe (aangepaste) wetgeving,
                                                                                             Wetsvoorstel kwaliteit vso 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>            maar dit uitgangspunt ontbreekt nu. Lukt zelfredzaamheid uiteindelijk niet, dan staat het hoogst haalbare in
            deze richting centraal. Dus zou de wetgever een poging moeten doen (al is dat erg moeilijk) aan te geven aan
            welke minimale eisen iemand moet voldoen om min of meer zelfstandig te kunnen functioneren in de
            maatschappij. Het gaat natuurlijk om de basisvakken taal (functionele geletterdheid) en rekenen. Maar het gaat
            in het speciaal onderwijs misschien nog wel meer om de mate waarin iemand uiteindelijk zelfstandig en zinvol
            functioneert in de maatschappij. Basisvaardigheden helpen daarbij, maar het is niet gezegd dat iemand die
            hierin minder mogelijkheden heeft per definitie niet zelfstandig kan leven. Zelfredzaamheid wil volgens de raad
            zeggen (maar dit verdient nadere uitwerking) dat iemand zelfstandig kan wonen, werken, voor zichzelf kan
            opkomen en zorgen, en positieve sociale contacten kan onderhouden.
            Elke (v)so-school zou moeten aangeven hoe zij probeert de minimumlat te bereiken per leerling (en per profiel),
            of dat naar verwachting zal lukken en zo nee, wat niet haalbaar is en waarom. Het ontwikkelingsperspectief van
            de leerling zou geen minimumnorm moeten zijn. Een school mag niet tevreden zijn als ze het minimum bereikt.
            De school streeft dan niet naar het maximaal haalbare voor een leerling door steeds de ‘zone van de naaste
            ontwikkeling’ op te zoeken en daarin te stimuleren.5
            Kerndoelen niet voldoende
            Onlangs zijn de kerndoelen speciaal onderwijs vastgesteld voor leerlingen in de basisschoolleeftijd. Deze geven
            aan wat leerlingen in het speciaal onderwijs moeten leren. Een zekere breedte van vorming staat hierin ook
            voor deze leerlingen centraal. De raad vindt dit een goede zaak. Hij heeft eerder positief geadviseerd over de
            introductie van kerndoelen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Maar kerndoelen bepalen wat aangeboden
            moet worden, niet wat minimaal nodig is voor zelfredzaamheid. Bovendien zijn er geen kerndoelen voor het
            voortgezet speciaal onderwijs en ook de drie uitstroomprofielen geven geen duidelijkheid over wat leerlingen
            minimaal moeten kunnen/kennen om een goede kans te hebben op zelfredzaamheid. Het beleid gaat ervan uit
            dat het (voortgezet) speciaal onderwijs leerlingen verder kan brengen dan het nu doet. De veronderstelling is
            dat scholen nu niet altijd alles uit de kast halen als het gaat om (cognitieve) prestaties. Als dit het uitgangspunt
            is, zijn resultaatsverplichtingen via wetgeving onontbeerlijk om tot kwaliteitsverbetering te komen. Nu kan een
            school vaak niet aantonen dat er niet meer inzit. Ze zou echter verplicht moeten aantonen dat dit het hoogst
            haalbare is.
            Dus: streefdoel altijd arbeidsmarkt of vervolgonderwijs
            Om van kwalitatief hoogwaardig onderwijs te kunnen spreken moet het streefdoel van speciaal onderwijs altijd
            deelname aan vervolgonderwijs of arbeidsmarkt zijn. Deelname aan dagbesteding is soms het hoogst haalbare
            voor een leerling, maar mag nooit van meet af aan het streven (of het ontwikkelingsperspectief van de leerling)
            zijn. Een voormalige vso-leerling die een tijdlang aan dagbesteding deelneemt moet toch op enig moment (en
            bijvoorbeeld met de juiste technische hulpmiddelen) in staat worden gesteld om alsnog te gaan werken of
            leren. De wet moet daarom zo geformuleerd zijn dat het einddoel in eerste instantie altijd vervolgonderwijs of
            arbeidsmarkt is, met uitzondering van bijzondere gevallen. Ook leerlingen binnen het profiel dagbesteding
            leren daarom zo veel mogelijk vaardigheden en kennis die nodig zijn voor vervolgonderwijs of arbeidsmarkt.
            Het systeem moet bovendien zo zijn opgezet dat een school moeite doet om aan te tonen dat dagbesteding
            het hoogst haalbare is voor (een zo beperkt mogelijke) groep leerlingen.
            Alle vso-
                   vso-scholen
                       sch olen beide uitstroomprofielen?
            Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs worden verplicht ten minste één van de uitstroomprofielen te
            verzorgen. Zij krijgen dus de mogelijkheid leerlingen het onderwijs te bieden dat het best bij hen past in de
            vorm van een tweede en/of derde uitstroomprofiel. De desbetreffende passage in de memorie van toelichting
            kan op dit punt gelezen worden als een inspanningsverplichting. Leerlingen in het (voortgezet) speciaal
            onderwijs hebben recht op onderwijs dat zo goed mogelijk aansluit bij hun mogelijkheden en hen een
5
  Dit is een term uit de pedagogische theorie van de Russische pedagoog Lev Vygotsky(1896-1935). Deze notie geeft Vygotski's kijk op
de menselijke ontwikkeling weer: een kind heeft een bepaalde cognitieve ontwikkeling bereikt en kan nu met hulp van een docent de
kloof naar de zone van de naaste ontwikkeling dichten. De docent moet er daarbij op toezien dat het kind gebruik maakt van de tools
van het feitelijke cognitieve niveau.
18 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>gedegen voorbereiding biedt op hun verwachte uitstroombestemming: een vervolgopleiding, de arbeidsmarkt
of vormen van dagbesteding.
De raad heeft zich echter in eerste instantie afgevraagd of het niet beter is elke school voor (voortgezet)
speciaal onderwijs te verplichten zowel het profiel arbeidsmarkt als het profiel vervolgonderwijs aan te bieden.
Of een school zich voldoende inspant om het genoemde maatwerk te leveren is namelijk moeilijk te toetsen. De
school heeft veel ruimte alles bij het oude te laten en dat draagt niet bij aan kwaliteitsverbetering. Aan de
andere kant zal de inspanning in de praktijk waarschijnlijk vooral betrekking hebben op het uitstroomprofiel
vervolgonderwijs. Vso-scholen zijn immers te klein om zelf alle vo-richtingen (laat staan de mbo 1- en -2-
opleidingen) aan te bieden en kunnen hiertoe ook niet worden verplicht. Daarnaast is er op sommige vso-
scholen weinig vraag naar het uitstroomprofiel vervolgonderwijs (bijvoorbeeld op sommige cluster 3-scholen).
Het zou vreemd zijn als de school dan toch een aanbod moet hebben.
Kortom: de inspanningsverplichting voldoet en moet opgevat worden als stimulans voor schoolbesturen om
hun uiterste best te doen elke leerling op de juiste onderwijsplaats te krijgen. De memorie van toelichting moet
hierop nader ingaan.
Combinaties van profielen mogelijk maken
Veel vso-scholen, vooral in cluster 4, zouden meer willen differentiëren en hun onderwijsaanbod en de
bijbehorende onderwijsvoorzieningen (zoals praktijklokalen) willen uitbreiden. Zij zoeken samenwerking in hun
omgeving om elke leerling een passend aanbod te kunnen doen. Het is de vraag of dergelijk maatwerk past bij
een strikte driedeling in uitstroomprofielen. De raad stelt voor de mogelijkheid van maatwerk open te houden
doordat scholen combinaties van profielen mogen nastreven.
Doel landelijk getuigschrift?
De raad vindt het een sympathieke gedachte te willen komen tot een landelijk getuigschrift vso. Maar de
huidige voorstellen maken onvoldoende duidelijk waartoe dit dient. Is het getuigschrift bedoeld als bewijs van
deelname aan het vso? Of moeten leerlingen een examen/toets afleggen om het getuigschrift te verkrijgen?
Wat is het beoogde civiel effect van zo’n getuigschrift?
De raad veronderstelt dat het landelijke getuigschrift bedoeld is als bewijs van deelname. Leerlingen zullen
immers in principe opgaan voor een regulier diploma; alleen degenen die dat niet kunnen en het (voortgezet)
speciaal onderwijs wel hebben doorlopen, ontvangen dan een getuigschrift (v)so. De raad vraagt zich af wat de
meerwaarde is van zo’n landelijk getuigschrift. Leerlingen ontvangen immers nu al een getuigschrift van hun
vso-school. De memorie van toelichting zou dit ten minste moeten ophelderen.
Handelingsplan
Handelingspl an en ontwikkelings
                       ontwikkelingsperspectief
                                  ings perspectief in een
                                                      ee n
Door het wetsvoorstel wordt het handelingsplan vervangen door een nieuwe verplichting: het ontwikkelings-
perspectief. De raad plaatst hier vraagtekens bij. Immers, de praktijkproblemen met het verplichte handelings-
plan hebben niet zozeer te maken met het instrument, als wel met de (benodigde tijd en) moeite om het wer-
ken met handelingsplannen onder de knie te krijgen. Dit wordt bevestigd door het inspectieonderzoek naar het
speciaal onderwijs. Het probleem ligt vooral in de kwaliteit van de handelingsplannen en de uitvoering in de
praktijk. Een jaarlijks op te stellen handelingsplan biedt op zichzelf onvoldoende waarborgen voor de begelei-
ding van een leerling. Een handelingsplan (of ander schriftelijk instrument) dient altijd onderdeel te zijn van re-
gelmatige leerlingenbesprekingen met het lerarenteam en andere experts (zoals een orthopedagoog). Hierin
komt aan de orde of het plan echt uitgevoerd wordt, of het effectief is en welke aanpassingen eventueel nodig
zijn.
Het handelingsplan en het ontwikkelingsperspectief – de raad heeft een voorkeur voor de term streefdoel – zijn
vooralsnog twee verschillende grootheden. Het ontwikkelingsperspectief is een visie op het einddoel van het
onderwijs aan een bepaalde leerling (het wat). Een handelingsplan is een instrument. In dit plan staat (idealiter)
hoe de school/de leraar concreet en oplossingsgericht te werk gaat om het ontwikkelingsperspectief te berei-
ken (het hoe). Verschillende scholen voor speciaal basisonderwijs oefenen al met het in praktijk brengen van de
ideeën over het ontwikkelingsperspectief. Ook zij vatten het ontwikkelingsperspectief veelal niet op als nieuw
                                                                                          Wetsvoorstel kwaliteit vso 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>          instrument, maar als een uitbreiding van het bestaande handelingsplan. Het belangrijkste verschil daarbij is dat
          scholen nu een jaar vooruit kijken (het jaarlijkse handelingsplan), maar in de toekomst moeten proberen het
          langere termijnperspectief in kaart te brengen en in de gaten te houden.
          De raad vraagt zich of het verstandig is de gangbare term handelingsplan te vervangen door ontwikkelingsper-
          spectief. Dat zou tot verwarring kunnen leiden bij (v)so-scholen die denken dat zij hun handelingsplannen die-
          nen te vervangen door iets geheel nieuws. De wetswijziging en de voorlichting over de komende veranderin-
          gen moeten zo geformuleerd worden dat duidelijk is dat het handelingsplan ook een ‘omschrijving van het
          ontwikkelingsperspectief’ moet bevatten.
          Op termijn verplichting laten vervallen?
          De school heeft, naar de mening van de raad, de plicht beide zaken in kaart te brengen: het ontwikkelingsper-
          spectief en de manier waarop daaraan gewerkt wordt. In principe zou het (op termijn) goed zijn als scholen zelf
          kunnen bepalen hoe zij deze plicht vormgeven (handelingsplan, ontwikkelingsperspectief en ook een relatief
          nieuw instrument als het onderwijscontinuüm). Scholen zouden eerst moeten aantonen dat zij in staat zijn dui-
          delijk en planmatig toe te werken naar een bepaald einddoel. Achteraf leggen zij hierover verantwoording af
          aan de inspectie. Ook zouden zij ervoor moeten zorgen dat de communicatie hierover met ouders en leerling
          duidelijk is; één document dat beide zaken benoemt, is dan zeer verhelderend.
          Stageplaatsen
          Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs laten leerlingen nu al zo veel mogelijk opgaan voor een regulier
          diploma. Nu wordt daaraan toegevoegd dat (v)so-scholen zelf een vmbo-, havo- of vwo-programma kunnen
          aanbieden. Dat betekent onder meer dat leerlingen op (maatschappelijke) stage moeten. De raad vindt dat op
          zich een prima ontwikkeling. Echter, er is nu al een tekort aan stageplaatsen. Flankerend beleid op dit terrein is
          daarom van groot belang.
          De positie van het Engels
          De raad constateert verder dat de positie van de kerndoelen voor het leergebied Engels in het speciaal
          onderwijs een andere is dan in het reguliere onderwijs. De basisschool moet deze kerndoelen als
          richtinggevend hanteren, terwijl het speciaal onderwijs dit kan doen. De reden hiervoor is dat de WEC niet
          verplicht om Engels in het onderwijsaanbod op te nemen. De raad acht het gewenst dat de kerndoelen Engels
          ook voor de 'normaal lerenden' in het speciaal onderwijs een verplichtend karakter hebben. De raad adviseerde
          in zijn advies van 2008 de kerndoelen Engels verplicht in te voeren in het speciaal onderwijs, met uitzondering
          van de zml- en mg-leerlingen (zeer moeilijk lerend en meervoudig gehandicapt).6 De wet zal ruimte moeten
          laten om een passende vormgeving voor dit Engels tot stand te brengen.
          Speciaal basisonderwijs
                     basisonderwijs en praktijkonderwijs
          Het praktijkonderwijs en het speciaal basisonderwijs vallen buiten het bestek van het wetsvoorstel kwaliteit
          (v)so. Toch gaat het deels om dezelfde doelgroepen leerlingen, een vergelijkbare schoolaanpak en problemen
          (bijvoorbeeld met doorstroom). Het is daarom van belang na te gaan of bepaalde beoogde veranderingen voor
          het speciaal onderwijs ook (wettelijk) moeten worden doorgevoerd in het speciaal basisonderwijs en het
          praktijkonderwijs. Zo zou het werken met een ontwikkelingsperspectief (opgenomen in het handelingsplan)
          ook goed zijn voor het speciaal basisonderwijs en het praktijkonderwijs.
3.2       Keuzevrijheid: positie van de ouders onduidelijk
          De school bepaalt in het nieuwe voorstel aan welk profiel de leerling kan deelnemen. Het is echter onduidelijk
          of ouders hierop ook invloed hebben. Ouders kunnen (volgens het wetsvoorstel) een klacht indienen als ze het
          oneens zijn met de beslissing, maar dat is (juridisch) een wat magere invulling van ouderbetrokkenheid. Een
          school zou in elk geval altijd eerst met ouders (en zo mogelijk de leerling zelf) moeten overleggen over het
          ontwikkelingsperspectief. De mening van ouders over de plaatsing in een bepaald profiel moet altijd worden
6
  Onderwijsraad, 2008.
20 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>    gehoord en vastgelegd. En wat is het vervolgtraject wanneer ouders vinden dat de school hun klacht niet
    serieus behandeld heeft? Aan de beslissing tot plaatsing in een uitstroomprofiel gaat in elk geval een
    zorgvuldig traject vooraf, waarbij de school zo veel mogelijk in samenwerking met ouders het ontwikkelings-
    perspectief vaststelt. De school zou ook aan ouders moeten kunnen aantonen hoe zij tot keuzes gekomen is.
    Kortom: de positie van ouders verdient meer aandacht in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.
3.3 Sociale cohesie: meer doorstroom naar arbeid en onderwijs door wetswijzwetswijzii ging?
    Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs zijn er naar verwachting bij gebaat als scholen hen meer
    planmatig ‘toeleiden’ naar werk of vervolgonderwijs, en uitgaan van het maximaal haalbare voor iedere
    leerling. Dat zou in theorie kunnen leiden tot meer doorstroom vanuit het voortgezet speciaal onderwijs naar
    arbeid en vervolgonderwijs en minder naar de Wajong, een inkomensvoorziening voor mensen die vóór hun
    zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt zijn geraakt. Circa een derde van de instroom in de Wajong komt
    direct uit het onderwijs. Daarvan is 2% afkomstig uit cluster 1 en 2, 10% uit cluster 3, 1% uit cluster 4 en 9% uit
    het praktijkonderwijs. Uiteindelijk is circa 42% van de wajongers afkomstig uit het speciaal onderwijs (vooral
    cluster 3) of het praktijkonderwijs, 22% stroomt direct in vanuit voortgezet speciaal onderwijs of praktijk-
    onderwijs, en 20% stroomt op latere leeftijd door naar de Wajong.
    Deze doorstroom hangt samen met verschillende andere factoren waar het onderwijs weinig vat op heeft.
    Wanneer het een leerling niet lukt een plek op de arbeidsmarkt te veroveren, heeft dat niet altijd en uitsluitend
    te maken heeft met een gebrek aan kunnen van de leerling. De toeleiding naar de arbeidsmarkt kan
    onvoldoende zijn (het zoeken naar een werkplek), werkgevers kunnen te hoge eisen stellen en soms weinig
    animo hebben om personen met een vso-achtergrond aan te nemen en te begeleiden. Een eigentijdse variant
    van het klassieke leerlingwezen zou hier een oplossing kunnen geven. Uitwerking hiervan valt buiten het kader
    van dit advies.
    Stimuleren en steunen van werkgevers
    Beleid gericht op het stimuleren van bedrijven en organisaties om mensen met een vso-opleiding in dienst te
    nemen zou gelijk op moeten gaan met de kwaliteitsverbetering van het speciaal onderwijs, om de doorstroom
    naar arbeid echt te verhogen. Ten eerste kunnen de scholen zelf iets doen om bedrijven en organisaties te
    betrekken bij de school, het onderwijs en de leerlingen. Voorbeelden zijn het verzorgen van praktijklessen, het
    mede beoordelen van stages, en schoolbezoeken aan bedrijven en instellingen. Daarnaast kan de overheid
    bedrijven en andere werkgevers die veel personeel aannemen vanuit het voortgezet speciaal onderwijs
    expliciet voor het voetlicht brengen als voorbeeld voor andere werkgevers. Hoe werkt het, wat levert het
    aannemen van personeel uit deze doelgroep de organisatie op, hoe wordt iemand begeleid met een vso-
    achtergrond het best? Onderzoek is nodig naar de werkplekken waar oud-vso-leerlingen nu terecht komen.
    Hoeveel leerlingen stromen direct door naar werk, om welke soort organisaties en bedrijven gaat het, en wat
    zijn succes- en faalfactoren? De overheid kan het goede voorbeeld geven door inzichtelijk te maken hoeveel
    ambtenaren afkomstig zijn uit het vso en hoe zij op hun werkplek begeleid en ondersteund worden.
3.4 Conclusie
    De raad plaatst kritische kanttekeningen bij enkele voorstellen voor wetswijziging. Ten eerste zou de
    wetswijziging moeten aangeven aan welke minimale eisen iemand moet voldoen om min of meer zelfredzaam
    te kunnen functioneren in de maatschappij. Alleen het ontwikkelingsperspectief van de leerling centraal stellen,
    zoals het wetsvoorstel nu doet, kan ertoe leiden dat een school al tevreden is als het minimum bereikt wordt.
    Ten tweede moet het doel van speciaal onderwijs in principe altijd deelname aan vervolgonderwijs of
    arbeidsmarkt zijn, met uitzondering van nader te omschrijven bijzondere gevallen. Deelname aan
    dagbesteding kan niet van meet af aan het streven zijn (het ontwikkelingsperspectief).
    De raad vraagt zich verder af hoe een landelijk getuigschrift zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het
    onderwijs, nu het lijkt te gaan om een deelnamebewijs. Leerlingen ontvangen immers al een getuigschrift van
                                                                                              Wetsvoorstel kwaliteit vso 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>          hun vso-school. Verder is flankerend beleid op het terrein van stageplaatsen van groot belang, en beveelt aan
          in de wet ruimte te laten om een passende vormgeving voor dit Engels tot stand te brengen.
          Scholen moeten zeker de plicht hebben zowel het langere termijnperspectief van een leerling als het
          planmatige handelen van de school en de leraar ten aanzien van de leerling in kaart te brengen. Maar ze dienen
          zelf te bepalen hoe ze dat doen (handelingsplan, ontwikkelingsperspectief, onderwijscontinuüm), tenminste als
          ze aantonen hiertoe in staat te zijn. Zij leggen hierover verantwoording af via de Inspectie van het Onderwijs.
          De positie van ouders verdient meer aandacht in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting. In hoeverre
          mogen zij meedenken (en meebeslissen) over het ontwikkelingsperspectief van de leerling? Het is verder van
          belang na te gaan of bepaalde veranderingen (ontwikkelingsperspectief) ook door te voeren zijn in het speciaal
          basisonderwijs en het praktijkonderwijs. Tot slot moet beleid gericht op het stimuleren van bedrijven en
          organisaties om personeel met een vso-achtergrond aan te nemen gelijk opgaan met de beoogde
          kwaliteitsverbetering van het speciaal onderwijs.
22 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    De meeste scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs werken hard aan kwaliteitsverbetering. Zij zullen
    steun ontlenen aan het feit dat ook ook op politiek-
                                                   politiek-bestuurlijk niveau wordt meegedacht over de beste
    manier om de kwaliteit te verbeteren. De raad onderschrijft de redenering die aan de huidige voorstellen
    ten grondslag ligt: het (voortgezet) speciaal onderwijs moet planmatig streven naar een            ee n bepaald
    uitstroomperspectief voor iedere leerling. Maar hij plaatst kanttekeningen bij de huidige uitwerking van
    deze gedachte.
4   Conclusies en aanbevelingen bij de voorgestelde wetswijziging
4.1 Wetswijziging nodig voor kwaliteitsslag?
    In de huidige praktijk toetst de Inspectie al of scholen een ontwikkelingsperspectief vaststellen voor hun
    leerlingen en gaat de Inspectie na of er uitstroomprofielen zijn. Ook in de WEC zijn deze zaken, zij het summier
    en in andere termen, aangestipt. Natuurlijk schept het voor een enkele school wellicht meer duidelijkheid als de
    wetgeving expliciet aangeeft wat precies van de school geëist wordt. Maar is dat voldoende reden een
    wetswijziging te door te voeren? Verschillende (v)so-scholen hebben ook zonder wetswijziging al vooruitgang
    weten te boeken wat betreft de inhoudelijke kwaliteit van het aanbod. Het wetsvoorstel voegt ook nieuwe
    zaken toe (kerndoelen, de mogelijkheid om zelf examens af te nemen). Toch lijken de problemen in het
    (voortgezet) speciaal onderwijs niet zozeer te liggen in de eisen waaraan de scholen moeten voldoen of de
    wettelijke ruimte die zij hebben om hun taak uit te oefenen, maar veeleer in de vertaling naar de dagelijkse
    praktijk.
    Vooraf: aantal voorstellen van belang voor het onderwijs
    Ondanks zijn kritiek op de uitwerking van het voorstel acht de raad een aantal aspecten inderdaad van belang
    voor het onderwijs. Het is goed als het vso-onderwijspersoneel dat reguliere vo-programma’s uitvoert aan
    dezelfde bekwaamheidseisen voldoen als het onderwijspersoneel op reguliere vo-scholen. Dat vergt wel een
    goed flankerend personeelsbeleid. Ook vindt de raad het geen probleem als vso-scholen de ruimte krijgen om
    zelfstandig vo-onderwijs aan te bieden en examens af te leggen, mits zij aan de eisen voldoen. Het is wel de
    vraag hoeveel vso-scholen dit daadwerkelijk zullen gaan doen.
    Discussie over de noodzaak van dubbele wetgeving
    Waarom bestaan er separate wetten voor het regulier onderwijs en het speciaal onderwijs en is dat nodig en
    wenselijk? De raad is van mening dat deze discussie gevoerd moet worden in het beleidstraject passend
    onderwijs en vooraf dient te gaan aan eventuele wijzigingen van bestaande wetgeving. Is de mogelijkheid van
    het afschaffen van de WEC voldoende bestudeerd en terecht verworpen? Een gezamenlijke wetgeving kan
    ertoe bijdragen dat er voor beide onderwijstypen zo min mogelijk belemmeringen zijn om naar elkaar toe te
    groeien en de noodzaak afneemt van gescheiden doelgroepen, financieringsstromen, schoolsoorten,
    indicatiesystematieken en toelatingsprocedures. De brugfunctie van het praktijkonderwijs kan zodoende beter
    worden benut. Er blijft dan natuurlijk ruimte voor speciale scholen. Samenwerking tussen scholen (voorheen
    regulier en speciaal) zou makkelijker worden door het weghalen van wettelijke belemmeringen en cluster-
    overstijgende scholen, en tussenvormen van regulier-speciaal onderwijs zijn makkelijker te realiseren.
    Met de voorgestelde wetswijzigingen wordt impliciet uitgegaan van handhaving van de wettelijke scheiding
    tussen (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier onderwijs. Deze keuze zou ten minste expliciet gemaakt
    moeten worden en gemotiveerd.
                                                                                            Wetsvoorstel kwaliteit vso 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>4.2       Aanbevelingen
          Aanbeveling 1: Stel een ‘referentieniveau zelfverantwoordelijkheid’ als streefniveau vast
          Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelden geen eindtermen en er is geen eindexamen. De doelgroep is zo
          divers, dat het niet mogelijk zou zijn een bepaald minimum aan eindeisen voor het programma vast te stellen.
          Dat is waar, maar er kan wel een streefniveau geformuleerd worden. Dit is het niveau waarmee een redelijke
          mate van zelfredzaamheid en zelfbeschikking mogelijk is. Het gaat daarbij om de basisvakken taal (functionele
          geletterdheid) en rekenen. Voor de uitstroomprofielen gericht op de arbeidsmarkt en het vervolgonderwijs is
          dit voldoende gewaarborgd met het huidige voorstel om referentieniveaus Nederlands en rekenen te
          ontwikkelen en in te voeren. Maar het gaat misschien nog wel meer om de mate waarin iemand uiteindelijk
          zelfstandig en zinvol weet te functioneren in de maatschappij, ook als hij de basisvakken niet optimaal
          beheerst. De raad stelt voor een ’referentieniveau zelfverantwoordelijkheid’ op te nemen.
          Aanbeveling 2: Dagbesteding geen regulier uitstroomprofiel, maak combinaties van uitstroomprofielen
          mogelijk
          mogelijk
          Het doel van speciaal onderwijs moet in principe altijd deelname aan vervolgonderwijs of arbeidsmarkt zijn.
          Deelname aan dagbesteding kan niet van meet af aan een gelijkwaardig streefdoel zijn, bijzondere gevallen
          uitgezonderd. Daarnaast zou de mogelijkheid van maatwerk open gehouden moeten worden: scholen moeten
          combinaties van verschillende profielen mogen blijven nastreven, waarbij dagbesteding niet evenwaardig kan
          zijn.
          Aanbeveling 3: Onderscheid tussen wat en hoe bij ontwikkelingsperspectief
                                                                  ontwikkelingsperspectief en planmatig
                                                                                               planmatig handelen
          De school brengt het langetermijnperspectief van een leerling in kaart (het wat) in het licht van het planmatige
          handelen van school en leraar ten aanzien van de leerling (het hoe). Vanwege de samenhang kan het een het
          ander dus niet vervangen. De manier waarop de samenhang wordt aangebracht (handelingsplan, ontwik-
          kelingsperspectief, onderwijscontinuüm) moet de school dan zelf bepalen. Regelmatige leerlingen-
          besprekingen (aan de hand van het handelingsplan of andere schriftelijke informatie) zijn wel een essentiële
          voorwaarde voor het daadwerkelijk verhogen van de kwaliteit van het onderwijs.
          Het toekomstperspectief van de leerlingen vergt ook na de school aandacht. In dit licht is een nadere studie
          naar een moderne leerlingwezenvariant (arbeidsaanstelling met vaste training) voor leerlingen met een uitloop
          naar de Wajong wenselijk.
          Aanbeveling
          Aanbeveling 4: Meer toelichting in de memorie
                                                      memorie van toelichting en het flankerende beleidsplan
          Het is wenselijk in de memorie van toelichting op het voorstel tot wetswijzing op te nemen:
               hoe het landelijk getuigschrift zal bijdragen aan de onderwijskwaliteit; en
               hoe de wet ruimte laat om een passende vormgeving voor Engels tot stand te brengen. De raad
                adviseerde in zijn advies van 2008 de kerndoelen Engels verplicht in te voeren in het speciaal onderwijs,
                met uitzondering van de zml- en mg-leerlingen.7
          Verder dient de memorie van toelichting:
               meer aandacht te besteden aan de positie van ouders: in hoeverre (en hoe) mogen zij meedenken (en
                meebeslissen) over het ontwikkelingsperspectief van de leerling?;
               nader inzicht te geven in het samenhangend programma van flankerend beleid en vooral:
                •     beleid op het gebied van stageplaatsen (kwantiteit en kwaliteit);
                •     ondersteunend beleid voor vso-scholen die zelf regulier vo-onderwijs bieden en hun lerarenkorps
                      moeten opscholen en aanvullen zodat zij aan de reguliere bekwaamheidseisen voldoen; en
                •     beleid om bedrijven en organisaties te stimuleren personeel met een vso-achtergrond aan te nemen
                      en te begeleiden.
7
  Onderwijsraad, 2008.
24 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 5:5: Ga na welke zaken ook gelden voor het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs
Tot slot: bepaalde veranderingen (ontwikkelingsperspectief) moeten ook (wettelijk) doorgevoerd worden in het
speciaal basisonderwijs en het praktijkonderwijs. Het is van belang dit tegelijkertijd te regelen met de
veranderingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs om te voorkomen dat er ongelijke situaties ontstaan.
Bovendien vraagt het benutten van de verhouding tussen voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs
nadere toelichting.
                                                                                      Wetsvoorstel kwaliteit vso 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Afkortingen
bbl                   beroepsbegeleidende leerweg
DUO                   Dienst Uitvoering Onderwijs
IVIO                  Instituut voor Individuele Ontwikkeling
mbo                   middelbaar beroepsonderwijs
mg                    meervoudig gehandicapt
OCW                   Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
pro                   praktijkonderwijs
rec                   regionaal expertisecentrum
sbao                  speciaal basisonderwijs
so                    speciaal onderwijs
UWV                   Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
vmbo                  voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vo                    voortgezet onderwijs
vso                   voortgezet speciaal onderwijs
WEB                   Wet educatie en beroepsopleiding
WEC                   Wet op de expertisecentra
WSW                   Wet op de sociale werkvoorziening
WVO                   Wet op het voortgezet onderwijs
WWB                   Wet werk en bijstand
zml                   zeer moeilijk lerend
zmolk                 zeer moeilijk opvoedbaar en lerend kind
26 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Literatuur
Literatuur
Berendsen, E., Havinga, H. & Stoutjesdijk, M. (2008). De participatiemogelijkheden van de Wajong-instroom. UWV.
Boer, P. den, Rovers, M. & Sentjens, M. (2010). Klaar voor het werk. Tilburg: IVA.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2005). Aanbieding notitie vernieuwing zorgstructuren. Brief van Minister
      van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 30 september 2005. Kenmerk
      Kamerstukken II, 2005-2006, 27728, nr. 85.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2006). Groei van het (voortgezet) speciaal onderwijs. Brief van Minister
      van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 28 augustus 2006. Kenmerk
      Kamerstukken II, 2005-2006, 30300-VIII nr.267.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2010). Kerncijfers 2005-2009. Den Haag: Ministerie van OCW.
Onderwijsraad (2008). Kerndoelen en leerstandaarden voor het speciaal onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010). De school en leerlingen met gedragsproblemen. Den Haag: Onderwijsraad.
Sontag, L. & Westerlaken, J. (2010). Uitstroomprofielen in het voortgezet speciaal onderwijs. Tilburg: het PON.
Stoutjesdijk, M. & Berendsen, E. (2007). De groei van de Wajong-instroom. UWV.
Vink, Schilt-Mol, van & Sontag (2008). De arbeidsmarkt op! Tilburg: IVA.
                                                                                                       Wetsvoorstel kwaliteit vso 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>28 Onderwijsraad, november 2010</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Bijlage 1:
        1: Adviesvraag
                       Wetsvoorstel kwaliteit vso 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap

> Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag

Rijnstraat 50

Onderwijsraad sd A
ostDus

Nassaulaan 6 ONDERWI!S raad 2500 B} Den Haag

2514 JS DEN HAAG i www.minocw.nl

ingekomen: 1 6 SEP 201 Yy aron

T +31-70-412 3895
k.m.mahler@minocw.nl
IPC 5650
Onze referentie
WJZ/233691(2698)
Bijlagen

Datum {7 SEP. 2019 1

Betreft Wetsvoorstel in verband met de kwaliteit van het speciaal en

voortgezet speciaal onderwijs

Ter advisering zend ik u hierbij het bovengenoemde wetsvoorstel, Ik verzoek u
om uw advies binnen zes weken uit te brengen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

U

mr. A. Rouvoet 7

Pagina 1 van 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bijlage 2: Korte beschrijving van de huidige positie van het speciaal
    onderwijs
                                                            Wetsvoorstel kwaliteit vso 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>1         Huidig wettelijk kader
          Het is de vraag of de problemen met de kwaliteit van het (voortgezet) speciaal onderwijs schuilen in
          onduidelijke dan wel onvolledige wetgeving of (ook/vooral) te maken hebben met moeilijkheden in de
          handhaving ervan. Om dit te kunnen bepalen moeten we nagaan wat er nu in de Wet op de expertisecentra
          (WEC) staat over de resultaten die het (voortgezet) speciaal onderwijs moet behalen, en in hoeverre dat (sterk)
          afwijkt van wat in de nieuwe wet zal worden voorgesteld.
          Volgens artikel 11 (lid 1 en 2) van de WEC moet het onderwijs worden afgestemd op de
          ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling. Het wordt zo ingericht dat de leerling een ononderbroken
          ontwikkelingsproces kan doorlopen. Een identieke bepaling is te vinden in de Wet op het primair onderwijs. Zo
          mogelijk brengt het kinderen tot het volgen van regulier basisonderwijs of voortgezet onderwijs. Het onderwijs
          richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit,
          het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Het onderwijs wordt
          bovendien zo ingericht dat het op structurele en herkenbare wijze aandacht besteedt aan het bestrijden van
          (taal)achterstanden.
          Voorschrift vakken
          Artikel 14 WEC schrijft voor dat het vso, mogelijk in samenhang, de volgende vakken verzorgt: Nederlandse taal;
          geschiedenis, waaronder staatsinrichting; aardrijkskunde; maatschappijleer; wiskunde en rekenen; muziek;
          tekenen; handvaardigheid en lichamelijke oefening. Voor deze vakken worden bij algemene maatregel van
          bestuur kerndoelen vastgesteld. Dit zijn de te bereiken doelstellingen aan het eind van het vso. Het onderwijs
          kan een stage omvatten; dit is niet verplicht.
          Het onderwijsaanbod in het vso voor zeer moeilijk lerende kinderen is verder uitgewerkt in artikel 5a van het
          Onderwijskundig besluit WEC. Daarin staat bijvoorbeeld dat dit onderwijs ten minste omvat:
               Nederlandse taal, waaronder in elk geval wordt verstaan een functionele communicatievaardigheid in de
                Nederlandse taal voor wat betreft het mondelinge taalgebruik en, afhankelijk van de
                ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, het schriftelijke taalgebruik, gericht op de huidige en de te
                verwachten leef- en werksituatie van de leerling;
               kennisgebieden bestaande uit, in samenhang, aardrijkskunde, geschiedenis, maatschappijleer en kennis
                der natuur waaronder in elk geval wordt verstaan een functioneel aanbod van deze gebieden leidende tot
                fundamentele vaardigheden welke zinvolle toepassingen mogelijk maken als het zich oriënteren in ruimte
                en tijd, het omgaan met mensen in verschillende situaties en in verschillende maatschappelijke rollen, het
                omgaan met dieren en planten en het omgaan met voorwerpen en verschijnselen uit de natuur;
               rekenen en wiskunde waaronder in elk geval wordt verstaan de vaardigheid van het praktisch omgaan met
                rekenkundige grootheden en het toepassen van eenvoudige rekenvaardigheden;
               bevordering van sociale redzaamheid, waaronder in elk geval worden verstaan de vaardigheden die van
                wezenlijk belang zijn voor het leggen van sociale contacten en deelname aan het maatschappelijk verkeer,
                daaronder begrepen aspecten van sanitaire en cosmetische zorg, zorg voor de woning, de voeding en de
                kleding, vormen van sociale omgang in de huidige en de te verwachten leef- en werksituatie van de
                leerling en gedrag in het verkeer.
          Vso aan zeer moeilijk lerende kinderen omvat voorts ten minste twee van de vakken die gegeven worden in het
          lager beroepsonderwijs, het algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend wetenschappelijk
          onderwijs, anders dan de vakken bedoeld in het eerste lid. Artikel 16 WEC geeft de minister de bevoegdheid in
          bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd gezag toe te staan dat wordt afgeweken van de voorschriften.
          De toestemming wordt verleend voor een bepaald tijdvak. Aan de toestemming kunnen voorwaarden worden
          verbonden.
          Aantal uren onderwijs
          Leerlingen van 4 tot en met 12 jaar moeten in acht schooljaren ten minste 7.520 uren onderwijs ontvangen. Het
          onderwijs aan leerlingen ouder dan 12 jaar omvat ten minste 1.000 uren per schooljaar.
32 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>  Afleggen eindexamen mogelijk
  Artikel 47 van de WEC gaat in op de mogelijkheid van het afleggen van een eindexamen aan een school voor
  regulier onderwijs. Op verzoek van de ouders of, als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, de
  leerling, krijgen vso-leerlingen die daartoe in staat zijn de gelegenheid eindexamen af te leggen aan een school
  voor regulier onderwijs.
  Handelingsplan
  Het bevoegd gezag van een instelling dient voor elke leerling voor elk schooljaar een handelingsplan op te
  stellen, uiterlijk een maand na de inschrijving van de leerling (artikel 41a). Het handelingsplan wordt jaarlijks
  met de ouders geëvalueerd. De WEC geeft verder niet expliciet aan wat het doel en de inhoud van het
  handelingsplan zijn. Het enige wat hierover in de wet staat is: wanneer van een leerling niet kan worden
  verwacht dat hij of zij de kerndoelen haalt, geeft het handelingsplan aan hoe dat komt en welke vervangende
  onderwijsdoelen worden gehanteerd.
  Onderwijskundig rapport
  Over iedere leerling die de school verlaat, stelt de directeur na overleg met het onderwijzend personeel en de
  commissie voor de begeleiding een onderwijskundig rapport op. De commissie kan daartoe de leerling aan een
  onderzoek onderwerpen. Een afschrift van dit rapport wordt verstrekt aan de ouders van een minderjarige of
  handelingsonbekwame leerling en aan de leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is. Desgewenst
  wordt tevens een afschrift verstrekt aan de leerling die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en nog geen 18 jaar
  is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent dit rapport worden gegeven.
  Vergelijking met de nieuwe voorstellen
  De nieuwe voorstellen zijn vertaald naar conceptwijzigingen in de Wet op de expertisecentra. Kort gezegd
  komen deze wijzingen erop neer dat:
        het speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs wettelijk duidelijker gesplitst worden (verschillende
         artikelen, onder andere toevoegingen en wijzigingen in artikel 3, de formulering van een nieuw artikel 12
         en wijzigingen in artikel 39);
        drie uitstroomprofielen aan de wet worden toegevoegd, er kerndoelen komen per uitstroomprofiel en
         referentieniveaus rekenen en Nederlands (behalve voor profiel dagbesteding) (artikel 14);
        het vak Engels verplicht gesteld wordt in het so (artikel 13);
        (v)so-scholen via de schoolgids aan ouders verantwoording dienen af te leggen over het percentage
         leerlingen dat doorstroomt naar een hogere/andere vorm van onderwijs en over het percentage voortijdig
         schoolverlaters en geslaagde examenkandidaten. Ook dienen zij het onderwijsprogramma in de school-
         gids te vermelden (artikel 22);
        het verplichte handelingsplan wordt vervangen door de verplichting tot het opstellen van een
         ontwikkelingsperspectief (via wijzingen in artikel 40b en 41 en een herzien artikel 41b); en
        advisering plaatsvindt aan leerlingen die de school verlaten met het oog op een eventueel vervolgtraject
         (nieuw artikel 44).
2 Huidig toezichtkader Inspectie van het Onderwijs
  Zo gewoon mogelijk onderwijsleerproces
  De inspectie geeft in het Toezichtkader (voorgezet) speciaal onderwijs en expertisecentra aan dat de school
  “het onderwijsleerproces zo moet inrichten dat alle geïndiceerde en plaatsbekostigde leerlingen kunnen
  worden opgevangen”. Op basis van de specifieke kennis van de leerling en diens handicap of stoornis dient de
  school zodanige onderwijsaanpassingen te realiseren dat maatwerk (een op diens capaciteiten aansluitend
  onderwijsleerproces) mogelijk wordt. Juist deze afstemming maakt volgens de inspectie de gespecialiseerde
  expertise van de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs zichtbaar. Deze expertise moet erin voorzien dat
  de school streeft naar deelname aan een zo gewoon mogelijk onderwijsleerproces, als het kan binnen de
  setting van een school voor regulier onderwijs. Streven naar een ononderbroken ontwikkeling betekent
  volgens de inspectie een streven naar continue voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen. “Daarbij wordt
  steeds expliciet rekening gehouden met de mogelijkheden van de leerling zoals die voortvloeien uit zijn
  onderwijsbeperking. Dit vraagt van de school dat zij zich rekenschap geeft van de specifieke
                                                                                              Wetsvoorstel kwaliteit vso 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>          onderwijsbeperkingen en -mogelijkheden van de leerling en daar het onderwijsleerproces op aanpast”, aldus
          het toezichtkader.
          Vrijstellingen nodig, sociale competenties voorop
          De toelichting bij het toezichtkader geeft verder aan dat bepaalde vrijstellingen voor bepaalde kerndoelen
          nodig zijn voor een deel van de leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Dan is het nodig alternatieve
          doelen na te streven. Een duidelijk accent ligt op het bevorderen van sociale competenties. Deze sociale
          competenties liggen ten grondslag aan alle onderwijsactiviteiten voor deze leerlingen.
          Verschil met regulier onderwijs
          De school zal per leerling de juiste dosering moeten bepalen tussen de elementen van het ortho-
          onderwijsleerproces en een zo gewoon mogelijk onderwijsleerproces. Deze elementen zullen volgens de
          inspectie in de (individuele) documenten voor handelingsplanning van de school zichtbaar moeten zijn. Voor
          de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs staat centraal dat zij gestalte geven aan een maximum aan
          gespecialiseerde deskundigheid bij het vorm- en inhoud geven van het geïntegreerde (ortho)-
          onderwijsleerproces. Dit is het belangrijkste onderscheid tussen scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs
          en scholen voor regulier primair en voortgezet onderwijs.
          Geen clusterspecifiek waarderingskader
          De scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs verschillen naar zowel aard als intensiteit van het
          (ortho)onderwijsleerproces. Echter, op alle scholen gelden dezelfde kwaliteitsaspecten en -indicatoren. Er is
          volgens de inspectie onvoldoende grond voor een clusterspecifiek waarderingskader. In het toezicht kan
          worden volstaan met één waarderingskader.
                 Voorbeeld indicator uit het waarderingskader
                 Aanbod:
                       de school hanteert een leerstofaanbod voor de schoolse vakken;
                       het leerstofaanbod sluit aan op het uitstroomperspectief van de leerlingen;
          U            het leerstofaanbod maakt het mogelijk gericht in te spelen op verschillen tussen
                 leerlingen;
                       de school heeft een aanbod gericht op bevordering van sociale integratie en
                 burgerschap, met inbegrip van het overdragen van kennis van en kennismaking met de
                 diversiteit van de samenleving.
          Uitstroomperspectief: vervolgonderwijs, arbeidsmarkt of dagbesteding
          De school moet zijn inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling (minimaal jaarlijks)
          bijstellen op basis van de feitelijke ontwikkeling die de leerling doormaakt. De school volgt deze ontwikkeling
          als onderdeel van het cyclisch proces van handelingsplanning. Daarnaast wordt het ontwikkelingsperspectief
          ook begrensd door de feitelijke beperkingen van de leerling. Het diagnostisch beeld en het
          ontwikkelingsperspectief bepalen op termijn het uitstroomperspectief of de vervolgsituatie van de leerling bij
          uitstroom, aldus het waarderingskader van de inspectie. Het leerstofaanbod stelt leerlingen in staat zich
          optimaal te ontwikkelen en voor te bereiden op hun uitstroombestemming (vervolgonderwijs, arbeidsmarkt of
          beschutte naschoolse situatie). Het inrichten van stages kan daartoe een passende vorm zijn.
          Inhoud handelingsplan en evaluatie
          Het toezichtkader van de inspectie geeft aan dat het bevoegd gezag voor elke leerling voor elk schooljaar een
          handelingsplan moet vaststellen (conform de WEC). De school dient op basis van de onderwijsrelevante
          beginsituatie en het ontwikkelingsperspectief van de leerling tot handelingsplanning (groepsplan,
          handelingsplan) te komen. De school moet het beoogde beleid toetsen aan de opvattingen en ideeën van de
          ouders en hen actief betrekken bij het inhoudelijk vormgeven van de begeleiding van de leerling. Scholen
          hebben alle ruimte om meermaals per jaar een handelingsplan op te stellen of te herzien. In het handelingsplan
          komt te staan wat de aanleiding van het plan is, voor welke aandachtsgebieden het geldt, welk doel en welke
          aanpak zijn gekozen gedurende een vastgestelde periode, welke ‘opbrengst’ is gerealiseerd en hoe deze is
34 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>            vastgesteld. Verwacht wordt dat de jaarlijkse evaluatie van een handelingsplan zal ingaan op de aard en de
            ernst van de beperkingen die een leerling ervaart om aan onderwijs deel te nemen, zoals een leerachterstand of
            een beperkte redzaamheid, en aangeeft welke speciale zorg nodig is om de leerling het komende jaar
            vooruitgang te laten boeken op school. Is de geboden zorg tot dusver toereikend geweest? De school betrekt
            bij de evaluatie van de handelingsplanning een analyse van de belemmerende en bevorderende factoren die
            hebben bijgedragen aan de realisatie van de doelen. De school benut hierbij de gegevens uit het
            leerlingvolgsysteem. Op basis van deze evaluatie stelt de school opnieuw de onderwijsbehoeften van de
            leerling vast op het gebied van onderwijs, therapie en behandeling. Dit vormt de start voor een nieuwe
            begeleidingsfase gericht op continuering van het verblijf op de school, herindicering dan wel uitstroom naar de
            vervolgbestemming.
            Verder hanteert de inspectie het criterium dat de teamleden in de praktijk uitvoering geven aan de in de
            documenten voor handelingsplanning (groepsplan, handelingsplan) vastgelegde leerinhouden (dus geen
            papieren tijgers).
            Leerstofaanbod
            Het waarderingskader stelt in een bijlage: “Het leerstofaanbod bepaalt de kennis, vaardigheden en houdingen
            die de leerlingen door het onderwijs kunnen verwerven en beheersen. Het leerstofaanbod stelt leerlingen in
            staat zich optimaal te ontwikkelen en voor te bereiden op hun uitstroombestemming (vervolgonderwijs,
            arbeidsmarkt of beschutte naschoolse situatie). Het inrichten van stages kan daartoe een passende vorm zijn”.
            Ten aanzien van de indicator Onderwijsopbrengsten wordt gesteld: “De resultaten van de leerlingen aan het
            eind van de schoolperiode liggen ten minste op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingen
            mag worden verwacht”.
            Verantwoording opbrengsten
            Volgens de Inspectie moet het bevoegd gezag van de school zich over de opbrengsten van haar onderwijs
            verantwoorden in relatie tot het bij instroom geformuleerde ontwikkelingsperspectief. Daarbij staat voorop dat
            de school zichtbaar kan maken dat zij er bij de leerlingen ‘uit haalt wat er in zit’. Dit betekent dat de school op
            basis van de handelingsplannen kan aantonen dat de school realistische doelen heeft gesteld. De planning van
            de doelen vindt plaats op basis van het eerder geformuleerde ontwikkelingsperspectief van de leerling. De
            planning van leerdoelen wordt bijgesteld naar aanleiding van beredeneerde verklaringen over de behaalde
            resultaten aan het einde van ieder schooljaar.
3          Omvang (voortgezet) speciaal onderwijs, huidig aanbod van uitstroomprofielen, uitstroombestemming
           Groei vooral in cluster 4
            In de afgelopen jaren is de vraag naar plaatsing in het gehele speciaal onderwijs, en naar ambulante
            begeleiding in het regulier onderwijs (leerlinggebonden financiering) sterk toegenomen. Die groei is vooral te
            zien in cluster 4. In 2000 zaten 8.690 kinderen in cluster 4 van het speciaal onderwijs en 7.127 leerlingen in
            cluster 4 van het voorgezet speciaal onderwijs. In 2005 waren dit respectievelijk 11.373 en 12.891 kinderen. Het
            aantal cluster 4-kinderen met een rugzak in het regulier onderwijs steeg in dezelfde periode binnen het speciaal
            onderwijs van 457 naar 4.564, en in het voortgezet speciaal onderwijs van 562 naar 3.573..8 Dit leidde tot
            wachtlijsten voor indicatiestelling, ambulante begeleiding en plaatsing op cluster 4-scholen. Het heeft, kortom,
            geleid tot capaciteitsproblemen op het terrein van huisvesting, leraren en ambulante begeleiders, tot een
            toename van leerlingen die geen onderwijs kunnen volgen en natuurlijk tot hogere (overheids)kosten.
            Aantal rugzakken
            In totaal waren er op peildatum 5 juli 2009 44.002 rugzakken. De verdeling van de rugzakken over de clusters en
            onderwijssoorten is weergegeven in figuur 1.
8
  Ministerie van Onderwijs, 2006.
                                                                                                        Wetsvoorstel kwaliteit vso 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>            Figuur 1. Verdeling rugzakken over de clusters en onderwijssoorten9
                30000
                25000
                                                                                MBO
                                                                                PRO
                20000
                                                                                VWO
                                                                                HAVO
                15000
                                                                                VMBO
                                                                                LWOO
                10000
                                                                                Speciaal basisonderw ijs
                                                                                Basisonderw ijs
                  5000
                      0
                              Cluster 2      Cluster 3       Cluster 4
            Thuiszitters
            De inspectie heeft geen directe gegevens over thuiszitters, maar heeft vanaf november 2008 wel informatie
            over welke leerlingen thuis zaten op het moment dat zij zich aanmeldden voor een indicatie. In totaal zaten 437
            leerlingen thuis op het moment van aanmelden. Een groot deel, 227 leerlingen, was nog niet leerplichtig op het
            moment van aanmelden, 38 leerlingen waren geschorst, 75 waren van school verwijderd, 77 zaten in een
            herstart/reboundtraject, 2 leerlingen hadden ontheffing van de leerplicht en er waren 18 asielzoekers. De
            gegevens geven beperkt inzicht omdat leerlingen ook na het verkrijgen van een indicatie thuis kunnen komen
            te zitten, en omdat de gegevens pas recent worden geregistreerd. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)
            onderzoekt of het verzuimloket, waar gemeenten melden welke leerlingen niet op school komen, meer
            informatie kan bieden. 10
            Aanbod arbeidsmarktkwalificerende trajecten
            Vso-scholen (en praktijkscholen) hebben in grote lijnen drie soorten arbeidsmarktkwalificerende trajecten tot
            hun beschikking.11 Trajecten op mbo 1-niveau (arbeidsmarktgekwalificeerd assisent, aka), branchegerichte
            cursussen en kse-trajecten (kwalificatiestructuur educatie: taal en rekenen). Van de vso-scholen maakt naar
            schatting 36% mbo 1-trajecten mogelijk voor hun leerlingen (tegenover 73% van de praktijkscholen). Kse-
            trajecten kunnen naar schatting gevolgd worden bij 34% van de vso-scholen (en 13% van de pro-scholen). In
            totaal worden 32 branchegerichte cursussen aangeboden in het vso en het pro. De meeste leerlingen nemen
            deel aan de VCA-veiligheidscursus (Veiligheid, Gezondheid en Milieu Checklist Aannemers), schoonmaken in de
            groothuishouding traditioneel (Instructie bij Introductie, IBI), het brommercertificaat en werken in de keuken.
            Deze cursussen zijn landelijk erkend en gecertificeerd door de branches.
            Aanbod uitstroomprofielen
            Om na te gaan hoeveel vso-scholen een of meer van de drie uitstroomprofielen aanbieden, heeft het Ministerie
            van OCW een ‘quickscan’ laten uitvoeren.12 Daaruit blijkt dat ruim de helft van de scholen (55%) aangeeft op dit
            moment een onderwijsaanbod te hebben dat past bij de omschrijving van het uitstroomprofiel
            vervolgonderwijs. De meerderheid hiervan biedt onderwijs op vmbo-niveau aan, 40% biedt onderwijs op havo-
            niveau aan en 11% op vwo-niveau. Bijna de helft van de scholen bereidt de leerlingen voor op mbo-niveau 1-2.
            Een groter percentage scholen (69%) biedt het uitstroomprofiel arbeidsmarkt al aan. Het uitstroomprofiel
9
  Bron: interne notitie Ministerie van OCW.
10
   Bron: interne notitie Ministerie van OCW.
11
   Boer, Rovers & Sentjens, 2010.
12
   Sontag & Westerlaken, 2010.
36 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>            dagbesteding wordt op dit moment op 62% van de scholen aangeboden. De meeste scholen bieden ten
            minste twee van de drie profielen aan.
            De opstellers van de ‘quickscan’13 geven aan dat het onderwijsaanbod in het voortgezet speciaal onderwijs
            veelal maatwerk is. Zo zijn er veel scholen waarbij het onderwijsaanbod aan een leerling een combinatie is van
            de uitstroomprofielen die nu zijn voorbereid. De profielen overlappen elkaar (deels) en zijn op veel scholen
            waarschijnlijk niet altijd los van elkaar te zien. Het onderwijs is bijvoorbeeld geënt op het havo-curriculum, maar
            ook op elementen van het profiel arbeidsmarkt. Dit geldt ook voor combinaties van arbeidsmarkt en
            dagbesteding. Ook verwijzen ze naar arbeidsgerelateerde trajecten, praktijkonderwijs en IVIO-diplomering
            (Instituut voor Individuele Ontwikkeling).
            Er is een substantieel aantal scholen, vooral in cluster 4, dat aangeeft er niet altijd in te slagen voldoende
            maatwerk te bieden. Zij zouden veel meer willen differentiëren en hun onderwijsaanbod en de bijbehorende
            onderwijsvoorzieningen (zoals praktijklokalen) willen uitbreiden. Zij zoeken samenwerking in hun omgeving
            om elke leerling een passend aanbod te kunnen doen. Het is de vraag of dergelijk maatwerk past bij de
            driedeling in uitstroomprofielen die nu wettelijk voorbereid wordt.
            Uitstroom na voortgezet speciaal onderwijs
            Van de schoolverlaters uit het voortgezet speciaal onderwijs stroomt ongeveer 38% uit naar arbeid: regulier,
            met subsidie of een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg). Verder stroomt 25% van de schoolverlaters
            door naar vervolgonderwijs, 28% naar dagbesteding en van 8% is de bestemming onbekend. De
            uitstroombestemming verschilt per cluster. Schoolverlaters uit de clusters 2 en 4 stromen vaker door naar een
            vervolgopleiding (respectievelijk 45 en 49%). Van cluster 3-leerlingen komt 43% direct terecht in de AWBZ-
            dagbesteding, nog eens 24% verricht arbeid en ontvangt daarnaast een uitkering. 14
            Begin 2010 heeft toenmalig staatssecretaris Dijksma van OCW uitgesproken dat momenteel te veel leerlingen
            met een beperking na hun schooltijd in een uitkeringssituatie terechtkomen. De ‘werkschool’ is een concept
            om leerlingen een soepele overstap te laten maken van opleiding naar arbeidsmarkt, waardoor naar
            verwachting meer jongeren aan de slag worden geholpen. Om het concept werkschool nader te onderzoeken,
            heeft toenmalig minister Rouvoet van OCW de Commissie Werkscholen ingesteld. Deze commissie, onder
            voorzitterschap van Hans Kamps, zal naar verwachting eind 2010 advies uitbrengen.15
            Relatie Wajong-voortgezet speciaal onderwijs16
            De Wajong is een inkomensvoorziening voor mensen die vóór hun zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt
            zijn geraakt. Ook op latere leeftijd is instroom in de Wajong mogelijk, indien aangetoond kan worden dat de
            persoon al op jonge leeftijd arbeidsongeschikt is geraakt. Het komt daarom vaak voor dat jongeren niet direct
            vanuit het vso/pro instromen, maar pas na enkele jaren. De totale instroom in de Wajong was in 2007 en 2008
            circa 14.900. Ongeveer een derde van de instroom komt direct uit het onderwijs. Daarvan is 2% afkomstig uit
            cluster 1 en 2, 10% uit cluster 3, 1% uit cluster 4 (en 9% uit het praktijkonderwijs). Uiteindelijk is circa 42% van
            de wajongers afkomstig uit het speciaal onderwijs (vooral cluster 3) of het praktijkonderwijs, 22% stroomt direct
            in vanuit vso of pro, en 20% stroomt op latere leeftijd door naar de Wajong.
            Het regeerakkoord van het kabinet Rutte-Verhagen bevat een aantal ingrijpende maatregelen op het gebied
            van de sociale zekerheid. De WWB (Wet werk en bijstand), de Wajong en de WSW (Wet op de sociale
            werkvoorziening) worden samengevoegd tot één regeling. Ze worden niet langer uitgevoerd door het UWV
13
   Sontag & Westerlaken, 2010.
14
    Vink, Schilt-Mol & Sontag, 2008.
15
   Besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 28 mei 2010. In de toelichting wordt gesteld dat de werkschool op
meerdere manieren kan worden ingevuld; aan het ene uiteinde van de schaal staat een ‘frontoffice’, waarbij alle huidige voorzieningen,
regelgeving, inschrijving en bekostiging ongewijzigd blijven. De werkschool heeft in dat geval primair een communicatieve functie. Het
andere uiteinde wordt gevormd door een regionale voorziening, die leerlingen van het huidige vso, pro, mbo 1, aka, rea naar werk
begeleidt. De werkschool krijgt in deze variant haar eigen bekostiging.
16
    De gegevens zijn op basis van Berendsen, Havinga & Stoutjesdijk, 2008 en Stoutjesdijk & Berendsen, 2007.
                                                                                                             Wetsvoorstel kwaliteit vso 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>          (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen). De taken worden overgeheveld naar gemeenten die de
          uitvoering van deze regeling voor hun rekening moeten nemen. De regeling wordt de Participatiewet
          genoemd.
          Dit betekent dat de Wajong ingrijpend verandert. Er wordt, aldus het regeerakkoord, gekeken naar de
          mogelijkheden in plaats van naar de beperkingen. Alle wajongers worden herkeurd, ongeacht het
          arbeidsongeschiktheidspercentage. De Wajong wordt alleen toegankelijk voor volledig en duurzaam
          arbeidsongeschikten. Nu kunnen wajongers die werken loonaanvulling krijgen tot maximaal het minimumloon.
          Dat zal straks op bijstandsniveau zijn. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten worden zo veel mogelijk aan de slag
          geholpen bij reguliere werkgevers, via loondispensatie. Maar de groep die begeleiding krijgt, wordt beperkt tot
          de meest kwetsbare groepen. De anderen moeten zelf aan werk zien te komen
     4    De kwaliteit in cluster 2, 3 en 4
          De onderwijsinspectie heeft in de achterliggende jaren onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het onderwijs
          in cluster 2, 3 en 4. Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen.
          Cluster 2-2-scholen: twee derde van voldoende kwaliteit
          Leerlingen met een cluster 2-indicatie hebben een auditieve en/of communicatieve beperking. De Inspectie
          heeft het onderwijs in cluster 2-scholen en het onderwijs aan rugzakleerlingen met een cluster 2-indicatie
          onderzocht. Vooraf geeft de Inspectie aan dat er diverse contextfactoren zijn die het voor scholen moeilijk
          maken kwaliteit te leveren. Denk aan de grote verschillen tussen leerlingen, waaronder leerlingen met ernstige
          spraak- en taalmoeilijkheden (al dan niet met gedragsproblemen), wisselingen van directies en teamleden, en
          ongeschikte praktijklokalen. Deze factoren zijn niet in het onderzoek betrokken omdat de Inspectie ervan
          uitgaat dat iedere leerling recht heeft op goed onderwijs en er ook scholen zijn die ondanks deze context goed
          functioneren.
          Conclusie van het onderzoek: vergeleken met enkele jaren geleden is de kwaliteit op een deel van de scholen
          verbeterd. Enkele zaken met betrekking tot het pedagogisch-didactisch handelen zijn goed op orde. Alle cluster
          2-scholen in het onderzoek zijn voldoende in staat respectvol om te gaan met de leerlingen. Zij handhaven
          gedragsregels, realiseren een taakgerichte werksfeer en betrekken de leerlingen actief bij de lessen. Toch is de
          kwaliteit van te veel scholen momenteel op te veel indicatoren nog onvoldoende. Ontwikkelpunten voor veel
          scholen hebben betrekking op de leerlingenzorg, evaluatie en borging, differentiatie en het veiligheidsbeleid.
          De beoordelingen hebben geleid tot een toezichtarrangement. Van de 46 scholen/afdelingen kreeg 65% een
          basisarrangement en 35% een aangepast arrangement. Dat houdt in dat de Inspectie de onderwijskwaliteit in
          ruim een derde van de cluster 2-scholen als risicovol beoordeelt. In vergelijking met cluster 3- en 4-scholen zijn
          de leerlingenzorg, het leerstofaanbod en de onderwijstijd beter ontwikkeld. Maar cluster 2-scholen zijn minder
          ver dan cluster 3 en 4 op het gebied van veiligheid(sbeleid).
          Rugzakleerlingen: handelings- en begeleidingsplannen niet op orde
          Ook het onderwijs aan leerlingen met een cluster 2-indicatie in het regulier onderwijs kan beter. Daar fungeren
          de handelings- en begeleidingsplannen over het algemeen onvoldoende als betekenisvolle sturings- en
          verantwoordingsdocumenten. Zo zouden de (wettelijk verplichte) handelingsplannen handvatten moeten
          bieden voor leraren die lesgeven aan deze rugzakleerlingen. Maar SMART-geformuleerde doelen ontbreken
          vaak, evenals informatie over de aanpak, evaluatie en inzet van deskundigen. Ook de verantwoording van de
          faciliteiten en de verplichte handtekeningen, als blijk van overeenstemming over de inhoud, zijn in te weinig
          plannen opgenomen. Dit geldt vooral voor het primair en voortgezet onderwijs en in mindere mate voor het
          middelbaar beroepsonderwijs. De handelingsplannen zijn bovendien niet in alle geobserveerde lessen
          herkenbaar. De Inspectie zag de uitvoering van de handelingsplannen terug in circa 60% van de geobserveerde
          lessen in het basisonderwijs, 40% in het voortgezet onderwijs en circa 80% in het mbo. Daarnaast komt uit de
          observaties naar voren dat de differentiatie in het basisonderwijs (circa 80%) vaker voldoende is dan in het
          voortgezet onderwijs (circa 55%) en het middelbaar beroepsonderwijs (circa 50%). Het (ortho)pedagogisch
          handelen is in de meeste scholen op orde.
38 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Cluster 3-
         3-scholen: bijna de helft van voldoende kwaliteit
In 2006 en 2007 heeft de Inspectie van het Onderwijs kwaliteitsonderzoek uitgevoerd op een representatieve
steekproef van de scholen en/of afdelingen van cluster 3-(v)so-scholen. Deze bieden onderwijs aan langdurig
zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende
kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps.
De Inspectie geeft vooraf aan, net als bij de cluster 2-scholen, dat er verschillende contextfactoren zijn die de
kwaliteit van het onderwijs negatief beïnvloeden. Denk aan grote variëteit tussen cluster 3-
onderwijsinstellingen, de grote diversiteit in leerlingkenmerken en de wachtlijsten. Deze factoren zijn niet in
het onderzoek betrokken omdat de Inspectie ervan uitgaat dat iedere leerling recht heeft op goed onderwijs en
omdat er ook scholen zijn die ondanks deze context goed functioneren.
Als sterke punten van het cluster 3-onderwijs komen het (ortho)pedagogisch en (ortho)didactisch handelen en
het schoolklimaat naar voren. Leerstofaanbod en onderwijstijd laten ook een positieve ontwikkeling zien.
Scholen doen volgens de Inspectie over het algemeen hun uiterste best onderwijs van voldoende kwaliteit te
leveren, maar slagen daar niet altijd in. De leerlingenzorg is verbeterd, maar nog niet op alle scholen voldoende
aanwezig. Er zijn ook flinke verbeteringen nodig bij de evaluatie van de handelingsplannen. En op veel cluster
3-scholen is de kwaliteitszorg onvoldoende ontwikkeld.
Moeite met meervoudig gehandicapten en zmolkers
Cluster 3-scholen hebben vooral grote problemen met het onderwijs aan ernstig meervoudig gehandicapte
leerlingen en leerlingen met een gecombineerde cluster 3- en cluster 4-problematiek (zmolkers). Voor de
meeste scholen zijn dit nieuwe doelgroepen, en veel scholen lijken pas echt gestart te zijn met
beleidsontwikkeling op het moment dat deze doelgroepen werden toegelaten. Door de complexiteit van de
problemen ervaren scholen unaniem dat de formatie ontoereikend is. Verdere scholing en implementatie van
een speciaal ontwikkeld curriculum zijn volgens de inspectie noodzakelijk. Bij meer dan de helft van de in 2006-
2007 bezochte scholen/afdelingen (109) is de onderwijskwaliteit voldoende. Bij 45% is de onderwijskwaliteit
zorgelijk of risicovol (‘zwak’), één school is als ‘zeer zwak’ beoordeeld.
Rugzakleerlingen op reguliere scholen
Voor ongeveer een op de negen leerlingen uit de steekproef was geen (wettelijk verplicht) handelingsplan
aanwezig. In het basisonderwijs gaat het om 8% van de leerlingen, in het voortgezet onderwijs om 19%. De
aanwezige handelingsplannen zijn doorgaans van onvoldoende kwaliteit. Ze functioneren dikwijls niet als
sturingsdocumenten. In vier op de tien geobserveerde lessen zien inspecteurs onderdelen van het
handelingsplan terug, maar meestal onvoldoende. Dat heeft deels te maken met de slechte kwaliteit van de
plannen zelf. In het voortgezet onderwijs komt het zelfs voor dat leraren op geen enkele wijze rekening houden
met een cluster 3-leerling in hun les of ze kennen het handelingsplan niet of onvoldoende. De Inspectie stelt in
zijn rapport dat een goed handelingsplan voor deze leerlingen een belangrijk hulpmiddel is, maar dat de
plannen in de praktijk van onvoldoende kwaliteit zijn en/of onvoldoende geïmplementeerd.
Cluster 4-
         4-scholen: bijna de helft van voldoende kwaliteit
In 2006 heeft de Inspectie kwaliteitsonderzoek uitgevoerd op 79 cluster 4-scholen, voor leerlingen met ernstige
gedragsproblemen. Vooraf geeft de inspectie, net als bij de cluster 2 en 3-scholen, aan dat de scholen te
kampen hebben met diverse contextfactoren die de kwaliteit van het onderwijs negatief beïnvloeden. De grote
variëteit in cluster 4-voorzieningen, de grote diversiteit in leerlingkenmerken en de wachtlijsten. Een sterk
overheersende contextfactor is de enorme groei van het aantal leerlingen. Deze factoren zijn niet in het
onderzoek betrokken omdat de inspectie ervan uitgaat dat iedere leerling recht heeft op goed onderwijs en
omdat er ook scholen zijn die ondanks deze context goed functioneren.
Conclusie van het onderzoek: de kwaliteitszorg is zwak ontwikkeld. Leerstofaanbod en onderwijstijd laten een
licht positieve ontwikkeling zien. Leerlingzorg is onvoldoende aanwezig. Sterk punt is het (ortho)pedagogisch
handelen. Zorgelijk is dat zeer weinig scholen de kwaliteit van hun opbrengsten systematisch evalueren. Ook
worden leerlingen te weinig zelf verantwoordelijk gemaakt voor hun leerproces. De onderwijskwaliteit is bij
bijna de helft van de scholen voldoende, bij 45% zorgelijk/risicovol. In totaal 11 scholen zijn als zeer zwak
                                                                                          Wetsvoorstel kwaliteit vso 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>           beoordeeld. Cluster 4-scholen scoren dus slechter dan de andere clusters (peildatum 1 januari 2007). De
           Inspectie stelt op basis van deze conclusies dat de onderwijskwaliteit van de helft van de scholen in 2006
           onvoldoende is, hoewel scholen over het algemeen hun uiterste best doen om leerlingen onderwijs van
           voldoende kwaliteit te bieden en hierin langzaam een positieve ontwikkeling doormaken.
           Rugzakleerlingen op reguliere scholen
           Een op de zes basisscholen heeft geen (wettelijk verplicht) handelingsplan beschikbaar voor leerlingen met een
           cluster 4-indicatie. In het voortgezet onderwijs is dat een op de zeven scholen. Voor zover er wel
           handelingsplannen zijn, vertonen deze veel manco’s. In sommige geobserveerde lessen zien inspecteurs
           onderdelen van het handelingsplan terug, maar meestal onvoldoende. Dat is deels te wijten aan de slechte
           kwaliteit van de plannen zelf. In het voortgezet onderwijs komt het zelfs voor dat leraren op geen enkele wijze
           rekening houden met een cluster 4-leerling in hun les of ze kennen het handelingsplan niet of onvoldoende. De
           Inspectie stelt in zijn rapport dat een goed handelingsplan voor deze leerlingen een belangrijk hulpmiddel is,
           maar dat de plannen in de praktijk van onvoldoende kwaliteit zijn en/of onvoldoende geïmplementeerd.
           Aantal zeer zwakke scholen ( 2009)
           Per 1 december 2009 worden in totaal nog tien (v)so-locaties als ‘zeer zwak’ aangemerkt door de inspectie.17
           Het gaat steeds om scholen in cluster 3 (moeilijk lerende kinderen) maar vooral cluster 4 (moeilijk opvoedbare
           kinderen). Vier van de tien (alle cluster 4) vallen onder hetzelfde bevoegd gezag (Scholengroep Twente
           speciaal). Acht andere locaties (meeste in cluster 4) hebben hun kwaliteit zodanig weten te verbeteren dat ze
           per december 2009 niet meer als (zeer) zwak worden aangemerkt.
17
   http://www.onderwijsinspectie.nl/site/actueel/publicaties/zwakke/Zeer+zwakke+scholen+(voortgezet)+speciaal+onderwijs+en+expe
rtisecentra.
40 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>