<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Verzelfstandiging in het onderwijs II
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Verzelfstandiging in het onderwijs II</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van
het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Land-
bouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen
de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal onderwijs-
beleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
De raad bestaat uit twaalf leden die op persoonlijke titel zijn benoemd.
Advies Verzelfstandiging in het onderwijs II, uitgebracht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Nr. 20100276/971, november 2010
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2010.
ISBN 978-94612-005-0
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>% Ühis

onpERWUs faad

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Nassaulaan &
Mewouw GA Verbeet 2514 15 Den Haag
Postbus 20018
2500 EA Den Haag Telefoon: 070 310 00 00
Fax: O70 356 14 74
seererarlaatkonderwijaraad.ril
vra onderwijtraad.nl
Cra beer Com ait Puan
20100276071 Den Haag. 23 november 2010
vererven Cheat Ordre
Advies Verzelfstandiging in het onderwijs M
Mevrouw de Voorzitter,

Met genoegen zendt de Onderwijsraad u hierbij het advies Verzelfstandiging in het onderwijs IL De raad reageert
met dit advies op de vraag van uw Kamer over passende interne organisatiemodellen voor scholen en besturen,
die ruimte geven aan interne betrokkenen en externe krachten,

In het advies geeft de raad enerzijds aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks kan aanspreken
fen via haar het ondermijsveld) en anderzijds aanbevelingen waarmee de Kamer de minister uitnodigt om
activiteiten in het onderwijsveld te initiëren en aan te moedigen,

Het rechtstreeks aanspeewen van de minister en het veld kan door het debat over een optimale verhouding tut-
zen centraal en decentraal of ‘de menselijke maat’ scherper te omiijreen, Maast een herijking van het wettelijke
begrip ‘schaal’ en een steviger empirische basis voor het debat kan er volpens de raad actieve uitoefening van de
stelselverantwoordelijkheid door de minisser plaatsvinden. Hij herhaalt In dit advies eerdere aanbevelingen zoals
een verplichting fot aanbedvariëtei voor schoolbesturen en een verdere uitwerking van de fusbetoets door
concrete wettelijke normen.

Voor wat betreft het activeren van het onderwijsveld adviseert de raad de Kamer bij de minister een overleg te
bevorderen met de sectoronganisaties, Dit overleg is gericht op gezamenlijke voorlichting over en verduidelijking
van de alternative bestuurlijke inrichtingen.

De raad vindt dat de discussie over met name de verhouding tussen management/bestuur en docent te veel in
de deer van formele bevoegdheden en macht is beland, en zich te veel concentreert op vastlegging in wettelijke
verhoudingen zoals een professioneel stacuut. Deze ‘machtsgerichte’ benadering levert volgens de raad uirein-
delijk te weinig op woor een Inhoudelijke en Intrinsieke prafessionaliten waar docenten en leraren zekerheid en
helderheid aan onthenen in hun dagelijkse werk.

Met beleefde groet,

[lente ar yn

Prof. dr. AML. van Wieringen Drs, A, wan der Rest
Voorzitter Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
     Samenvatting                                                                          
    Inleiding                                                                           
1.1 Achtergrond: positieve en negatieve aspecten van schaalvergroting                    10
1.2 Adviesvraag en advieskader                                                            15
1.3 Werkwijze en opzet advies                                                            16
 Juridische en beleidsmatige kaders van interne verzelfstandiging                       
2.1 Juridisch kader: bestuur als centrale actor en mogelijkheden voor overdracht van
    bevoegdheden                                                                          17
2.2 Beleidskader: tegengestelde bewegingen                                               20
2.3 Alternatieven voor bestuurlijke samenwerking en vormen van interne verzelfstandiging 23
2.4 Grenzen: individuele school als eigenaar van de bekostiging?                         27
2.5 Conclusies: wettelijke mogelijkheden voor grotere zelfstandigheid van afzonderlijke
    vestigingen, maar afhankelijk van landelijk, lokaal en schoolbestuurlijk beleid      28
    Structuur van de interne organisatie: de casus                                      
3.1 Inleiding                                                                            30
3.2 Overeenkomsten tussen tien onderwijsinstellingen                                      31
3.3 Praktijkvariant 1: bestuur op de achtergrond, scholen voorop (primair en voorgezet
    onderwijs)                                                                           37
3.4 Praktijkvariant 2: bestuur op de voorgrond, scholen/opleidingen erachter (middelbaar
    en hoger beroepsonderwijs)                                                           41
3.5 Conclusie: onderscheid in besturingsfilosofie tussen po/vo en mbo/hbo                46
    Scholen en groepen scholen: bestuurders, leraren en ouders                          
4.1 Inleiding: dualiteit in verhoudingen                                                 47
4.2 Bestuurlijke zone: verhouding intern toezicht, bestuur en management/directie        48
4.3 Professionele zone: leraar ten opzichte van het management                           54
4.4 Relatie en verhouding met ouders                                                     57
4.5 Conclusie: veranderende verhoudingen scherper in beeld brengen                       59
 Aanbevelingen: taken voor minister en onderwijsveld                                    
5.1 Passende organisatievormen: minister en onderwijsveld                                61
5.2 Aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks aanspreekt en via haar het
    onderwijsveld                                                                        65
5.3 Aanbevelingen waarmee de Kamer activiteiten in het onderwijsveld wil activeren en
    waartoe de Kamer de minister uitnodigt                                               68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Afkortingen               
Literatuurlijst           
Geraadpleegde deskundigen 
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesvraag    75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Aanleiding: vragen rond de ‘menselijke maat’
Dit advies vormt een uitwerking van het eerdere advies Verzelfstandiging in het onderwijs I. Het
gaat na hoe grote schoolbesturen een passend model van interne organisatie realiseren. Daarbij
spelen verschillende percepties een rol van wat een passende vorm van interne organisatie is.
Voor gebruikers zit een zekere zorg over de schaalomvang vaak op het niveau van de klas of oplei-
ding, of het gebouw. Soms relateren docenten en directeuren die zorgen ook aan de bestuurlijke
schaalgrootte; bijvoorbeeld wanneer het bestuur te weinig ruimte geeft voor eigen invulling van
concepten omdat het geen concurrentie tussen scholen van hetzelfde bestuur wil. Onduidelijke
communicatie door verschillende lagen met verschillende bevoegdheden komt vaak voor bin-
nen grotere onderwijsorganisaties.
Steeds is de vraag aan de orde naar de balans tussen centrale en decentrale sturing en de mate
van autonomie. Hoe kunnen grote schoolbesturen een eenheid vormen en toch voldoende ruim-
te bieden voor een zo zelfstandig mogelijk functioneren van de te onderscheiden onderwijseen-
heden (scholen, vestigingen, units) en daarbinnen onderwijsteams? De raad constateert dat (voor
het primair en voortgezet onderwijs) er wettelijke mogelijkheden zijn om bevoegdheden van het
bevoegd gezag, zoals de identiteit of vormgeving van het schoolplan, laag in de organisatie, dat
wil zeggen op schooldirectieniveau, te beleggen. Het bestuur (aangeduid als bevoegd gezag) is
wel eindverantwoordelijk, bijvoorbeeld voor de kwaliteit van het onderwijs, en wordt als zodanig
ook op het niveau van het (college van) bestuur aangesproken door de Inspectie.
In de praktijk: twee modellen
De raad ziet in de praktijk grofweg een tweedeling. Enerzijds is er binnen het primair en voort-
gezet onderwijs een model waarbij besturen meer op de achtergrond staan en het accent ligt op
de afzonderlijke vestigingen. Anderzijds wordt in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs een
model gehanteerd waarbij de nadruk ligt op een centrale aansturing, en de opleidingen/’schools’
ondergeschikt zijn. Er wordt echter ook naar middenwegen gezocht. Sommige mbo- (middel-
baar beroepsonderwijs) en hbo-instellingen (hoger beroepsonderwijs) kiezen voor een meer
decentrale filosofie en sommige vo-besturen (voortgezet onderwijs) voor meer centrale aanstu-
ring. In zijn algemeenheid kan vastgesteld worden dat er met name op het gebied van personeel
en financiën beperkingen zijn. Dat is logisch gezien de wens om efficiënter te kunnen opereren,
maar ook gegeven de financiële risico’s die kunnen kleven aan al te veel autonomie van scholen
en schoolleiders.
Aanbevelingen: taken voor de minister, taken voor het onderwijsveld
Twee aanbevelingen betreffen aspecten van structuur en kwaliteit. Daarbij kan de Kamer de
minister en via haar het onderwijsveld rechtstreeks aanspreken. De twee overige aanbevelingen
hebben betrekking op de houding/cultuur van betrokkenen. Daarbij gaat het om een uitnodi-
ging aan de minister om activiteiten in het onderwijsveld op te zetten.
Aanbeveling : Een scherper debat over de verhouding tussen centraal en decentraal
Deze aanbeveling bestaat uit aanzetten tot het formuleren van criteria voor de balans tussen cen-
traal en decentraal, tot een herijking van het wettelijke begrip ’school’ en tot een steviger empi-
rische basis voor het debat.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                           7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Criteria voor het debat centraal-decentraal
Het debat over een optimale verhouding tussen centraal en decentraal of ‘de menselijke maat’
kan scherper omlijnd worden. Daartoe heeft de raad de volgende vier criteria voor ogen.
• Optimale condities voor de uitvoering van het primaire proces (waaronder begrepen
    professionele standaarden en protocollering door leraren en docenten).
• Eigenaarschap en eigenheid/herkenbaarheid (mate van de mogelijkheid van profilering
    van individuele locaties/scholen/opleidingen, differentieel beleid van het bevoegd gezag).
• Keuzevrijheid en concurrentiekracht (is er voor ouders, leerlingen en studenten een vol-
    doende gedifferentieerd aanbod in termen van soorten onderwijs, methode van onderwijs,
    denominatie, openbaar-bijzonder, en dergelijke; dit beeld kan ook opgemaakt worden uit
    een overzicht van de fusie-effectrapportages).
• Doelmatigheid/kostenaspecten (is de balans zodanig dat afzonderlijke eenheden en het
    geheel doelmatig kunnen werken en is duidelijk welke middelen besteed worden aan het
    primaire proces en hoe dit aandeel zich verhoudt tot een bepaalde benchmark?)
Herijking van het wettelijke begrip ’school’
De raad ziet een discrepantie tussen wat betrokkenen als ‘school’ zien, en wat feitelijk juridisch
(bekostigings- en wetstechnisch) als school geldt. De raad beveelt aan het begrip ‘school’ dui-
delijker en eenduidiger in de wet te stroomlijnen. De term ´school´ zou moeten worden gebruikt
voor de resultaatverantwoordelijke eenheid in de organisatie. Afhankelijk van de sector wordt
deze ook locatie, vestiging, domein, sector, unit of afdeling genoemd. De term ´onderwijsin-
stelling´ zou moeten worden gebruikt voor de bestuurlijke eenheid als totaal. Afzonderlijke
vestigingen zouden – wanneer het bevoegd gezag dat wenst – bijvoorbeeld een eigen ‘vesti-
gingsplan’ mogen schrijven, een medezeggenschapsraad kunnen hebben en het toelatingsbe-
leid bepalen. De administratieve problemen waar schoolbesturen mee kampen als het gaat om
brin-registratie (basisregistratie instellingen) in algemene zin moeten aangepakt worden.
Steviger empirische basis voor het debat
Een stevigere empirische basis van het maatschappelijk debat over schaalgrootte is geen over-
dreven luxe, juist met het oog op het maatschappelijk onbehagen rond schaalgrootte. De raad
stelt voor dat de minister de Inspectie vraagt (op basis van de grondwettelijke informatiefunc-
tie over het functioneren van het stelsel) beschikbare (recente) onderzoeksuitkomsten bijeen
te brengen en aan de hand hiervan eventueel vervolgonderzoek doet. Dit onderzoek kan peri-
odiek plaatsvinden (bijvoorbeeld eenmaal in de drie jaar) aan de hand van diverse invalshoe-
ken. De Inspectie kan het functioneren van instellingen voor wat betreft de ‘passende vormen
van interne zelfstandigheid’ toetsen aan de hand van de vier bovengenoemde criteria. Gezien
de vele variëteiten kan er niet uitgegaan worden van een ‘ideaalmodel’, maar gaat het om het
functioneren van het stelsel als zodanig.
Aanbeveling : Actievere uitoefening van de stelselverantwoordelijkheid door de minister
De minister heeft in de optiek van de raad een eigen, mede aan artikel 23 van de Grondwet te
ontlenen, onvervreemdbare rol in het bewaken van de kwaliteit en variëteit van het stelsel als
zodanig. De raad beveelt de Kamer aan de stelselverantwoordelijkheid van de minister met
haar te bespreken en daarbij in te gaan nader op de volgende drie mogelijke concrete acties.
• De raad wil hier nogmaals pleiten voor een verplichting tot aanbodvariëteit voor school-
     besturen: een periodieke toets (één keer in de vier jaar) waarbij het bevoegd gezag nagaat
8                                                                        Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>     of het aanbod van de scholen voldoet aan de duurzame wens van ouders in een bepaald
     gebied (in brede zin: identiteit, onderwijskundige inrichting, profiel).1
•    Een verdere uitwerking van de fusietoets door concrete normen als deugdelijkheidseis te
     stellen. Een fusietoets kan dienen als een preventief instrument. In navolging van een eer-
     der advies betekent dat een meldingsplicht voor besturen met – om een orde van grootte
     aan te geven – respectievelijk 2.500 (primair onderwijs), 5.000 (voortgezet onderwijs) en
     10.000 leerlingen (middelbaar beroepsonderwijs). Voor het hoger onderwijs zou de toet-
     singsdrempel bijvoorbeeld bij 20.000 studenten kunnen worden gelegd.
•    Verruiming van de mogelijkheid tot toetreding als een ‘incentive’ voor interne verzelfstan-
     diging (variëteit binnen het bestuur verhogen om nieuwe toetreding te voorkomen). Dit
     kan in verschillende sectoren diverse vormen aannemen, zoals vouchers aan leerplichtige
     leerlingen en in het hoger onderwijs en systemen met een combinatie van uit- en intreding.
     Deze vormen moeten nader verkend en uitgewerkt worden en de raad zal hierop ingaan in
     zijn advies Naar een breed gedragen vrijheid van onderwijs, over artikel 23 Grondwet.
Aanbeveling : Samenwerkingsalternatieven, varianten van interne verzelfstandi-
ging en oudernetwerken bevorderen door instellen projectgroep van gezamenlijke
sectorraden
De raad beveelt de Kamer aan bij de minister een overleg te bevorderen met de sectororga-
nisaties gericht op de instelling van een projectgroep, met als opdracht een verbetering in de
voorlichting en verduidelijking van de alternatieven voor bestuurlijke verzelfstandiging, met
inbegrip van de (fiscale) belemmeringen daarbij. Aan de hand van verder onderzoek zouden
die belemmeringen door de overheid weggenomen moeten worden. Deze projectgroep kan
ook de door de raad eerder voorgestelde varianten van interne verzelfstandiging (program-
maschool en gastschool) en het stimuleren van ouder-ouderverbanden onderzoeken. Er kan
een stimuleringsmaatregel worden genomen, die groepen ouders de gelegenheid biedt een
ouderbudget aan te vragen voor de opstartfase van een lokaal te organiseren ouder-ouder-
verband voor een klas, opleiding of school. Dit kan de betrokkenheid van ouders bij een klas,
groep of school vergroten.
Aanbeveling : Verdere profilering en bewustwording van de kwaliteiten van bestuur-
ders en docenten/ leraren
Het debat over centraal-decentraal vraagt meer dan inzicht in de functie-eisen die aan bestuur-
ders en docenten worden gesteld, zoals de intentie waarmee de functies worden uitgeoefend.
Hier ligt bij uitstek een verantwoordelijkheid voor het onderwijsveld. De minister is hierbij in
eerste instantie een belangstellende, maar in tweede instantie ook een aanmoedigster van een
dergelijk debat omdat de kwaliteit van bestuur en onderwijs aan de orde is.
Wezenlijk referentiepunt bij dit debat is dat het bestuur en het management uitstralen dat
zij als vanzelfsprekend in dienst staan van het primair proces van leren en onderwijzen. Via
de besturen-, management- en sectororganisaties kan de minister bewustwording daarover
verder faciliteren, bijvoorbeeld door visitatie, reflectiegroepen, conferenties, enzovoort. Hou-
ding en ethiek van de bestuurder zijn aspecten die de raad van toezicht kan meenemen in zijn
rol als werkgever voor het bestuur en is een element in het toetsingskader van de raad van
toezicht/interne toezichthouder. Ook de raad van toezicht/interne toezichthouder zal zich in
dit verband verantwoordingsbewust op moeten stellen. Via de huidige in ontwikkeling zijnde
netwerkorganisaties en platforms van bestuurders en toezichthouders in het onderwijs kan dit
1     Zie Onderwijsraad, 2008.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>inzicht verder gestimuleerd worden. Voor leraren en docenten bestaan intussen op verschil-
lende niveaus vormen waarmee kwaliteit zichtbaar wordt gemaakt, bijvoorbeeld de verkiezing
van leraar van het jaar. Ook het zichtbaar maken van goede bestuurders kan langs deze weg
worden bevorderd. Een jaarlijkse ceremonie om de kwaliteit te laten zien kan hierbij behulp-
zaam zijn. Rolmodellen zijn ook voor bestuurders nuttig.
De raad heeft als consistent uitgangspunt dat de onderwijsinstelling vooral een sociaal ver-
band is – een gemeenschap – waarbinnen alle partijen in belangrijke mate parallelle belangen
hebben. De raad vindt dat de discussie te veel in een discussie rond formele bevoegdheden en
macht is beland, zoals de formele ‘afperking’ in de vorm van een wettelijk vastgelegd profes-
sioneel statuut. Deze ‘machtsgerichte’ benadering levert uiteindelijk te weinig op aan inhou-
delijke en ‘intrinsieke’ professionaliteit waar docenten en leraren zekerheid en helderheid aan
kunnen ontlenen in hun dagelijkse werk. In alle debatten over schaal en organisatie zal per
saldo toch de toets daar moeten liggen: wat docenten en leraren in hun beroepsuitoefening
aan kracht meenemen en uitstralen. Hier ligt niet direct een taak voor de Kamer of de minister
in regelende zin, maar een aanhoudende belangstelling van Kamer en minister voor wat ten
diepste de zorg voor onderwijs betekent, is voor ons land wel degelijk van groot belang.
10                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    Dit advies gaat na hoe grote schoolbesturen een passend model van interne
    organisatie realiseren. Welke organisatievormen en modellen worden daarbij
    gehanteerd? Hoe kunnen grote schoolbesturen een eenheid vormen en toch
    voldoende ruimte bieden voor een zo zelfstandig mogelijk functioneren van
    de te onderscheiden onderwijseenheden? Welke belemmeringen en uitda-
    gingen zijn daarbij aan de orde? Welke acties zijn nodig van welke actoren en
    betreft het dan vooral structuren of juist een verandering van (bestuurlijke)
    cultuur?
1
.
    Inleiding
    Achtergrond: positieve en negatieve aspecten van schaalvergroting
    Tot vijf jaar terug is er in bijna alle onderwijssectoren een ontwikkeling geweest naar schaal-
    vergroting, op het niveau van instellingen én besturen. Deze ontwikkeling is bewust door de
    overheid gestimuleerd, onder meer door het veranderen van de bekostiging (waarbij bijvoor-
     beeld de vorming van brede scholengemeenschappen is gestimuleerd) en het vergroten van
    de (financiële) autonomie van de instellingen. In het advies Variëteit in Schaal van 2005 heeft de
    raad de belangrijkste voor- en nadelen geschetst van schaalgrootte van onderwijsinstellingen.
    In theorie kunnen, zoals de raad schetste in het advies uit 2005, grote schoolorganisaties voor-
    delen behalen als:
    • een breed onderwijsaanbod met meer mogelijkheden voor diﬀerentiatie en specialisatie;
        dit kan ook de integratie tussen verschillende ´typen´ leerlingen bevorderen;
    • doelmatigheidswinst (in eerste instantie) en meer financiële armslag door risicospreiding
        en grotere investeringscapaciteit;
    • een groter beleidsvoerend vermogen; professionaliteit/expertisebundeling;
    • als speler op hoger niveau mee kunnen doen (krachtige onderhandelingspartner);
    • een meer professioneel personeelsbeleid: meer loopbaanperspectieven en specialiserings-
        mogelijkheden voor het personeel; en
    • optimale inzet van docenten in het onderwijs en verbeterde huisvesting.
    De voor het huidige advies onderzochte instellingen noemen vergelijkbare voordelen (ook als
    aanleiding voor de fusie) van hun schaalgrootte.2
    2   De Vijlder, Bakker, Lindeman, Aalfs & Visser, 2010.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Opvangen gevolgen krimp
De voor het huidige advies onderzochte instellingen voegen aan bovenstaand rijtje toe dat
het vervullen van de maatschappelijke opdracht volgens hen gemakkelijker wordt bij een gro-
te schaal. Ten eerste is concurrentie tussen de scholen binnen een schoolbestuur niet meer
nodig, zelfs onwenselijk, aldus deze respondenten. Hierdoor kan meer tijd en energie wor-
den besteed aan het onderwijs zelf en aan een goede samenwerking. Daarnaast kunnen grote
schoolbesturen kleine eenheden in stand houden, die anders zouden verdwijnen. Zo zijn in
een regio (Limburg) waar het bevolkingsaantal afneemt, grote schoolbesturen als INNOVO in
staat de gevolgen van de krimp voor de scholen op te vangen. Op dit moment bevinden twin-
tig scholen van INNOVO zich wat leerlingenaantallen betreft onder de opheffingsnorm. Deze
scholen zouden zelfstandig (‘eenpitter’ ) geen overheidsbekostiging meer ontvangen. Maar
dergelijke scholen nemen vaak een centrale plek in de lokale gemeenschap in en zorgen daar
voor een meer evenwichtige leeftijdsverdeling. Daarom laat INNOVO de scholen voortbestaan
door de leerlingenaantallen over alle scholen te ‘middelen’. Ook OMO (Ons Middelbaar Onder-
wijs) houdt vanwege hun maatschappelijk belang in de omgeving een aantal scholen in stand,
die technisch gezien failliet zijn. Bovendien kan een groot schoolbestuur een zwakke school
extra steun bieden, zodat deze zich kan verbeteren.
   Zwakke school verbeterd
   Een van de scholen van Signum was, al voordat de school door Signum was overgenomen, door de
   Inspectie aangemerkt als zeer zwak. Signum heeft de school toch overgenomen omdat er veertig
   kinderen op zaten en het alternatief was om de school te sluiten. Inmiddels is het aanbod van de
   school van voldoende kwaliteit. De nodige verbeteringen zijn snel gerealiseerd. Signum heeft de
   helft van het personeel kunnen overplaatsen naar een andere plek. Er is flink geïnvesteerd in de
   school door het aanstellen van een nieuwe directeur die goed ingewerkt is. Vanuit Signum is het toe-
   zicht op de school geïntensiveerd. Dergelijke investeringen zijn mogelijk als een bestuur voldoende
   omvang en middelen heeft.
   Bron: Vijlder e.a., .
Tot slot kan door schaalvergroting de uitval van leerlingen en studenten makkelijker opgevan-
gen worden. Wanneer een leerling uitvalt bij een opleiding of school, kan hij binnen de eigen
organisatie vaak nog elders geplaatst worden. Dit zijn samengevat de door geïnterviewden
genoemde voordelen.
Mogelijke nadelen grote schaal
De raad heeft in het advies Variëteit in schaal (2005) op een aantal mogelijke nadelen gewezen.
• Doelmatigheidsverlies bij doorgeschoten schaalvergroting. Er zijn te weinig prikkels voor
     schoolbesturen om te stoppen met vergroting als de optimale schaal is bereikt: er treedt
     een effect op van budgetmaximalisatie.3
• Beperking van keuzemogelijkheden qua aanbod voor deelnemers/studenten/ouders. Er is
     tevens een afname van de prikkel (concurrentie) tot innovatie en tegemoetkomen aan de
     wensen van ouders en leerlingen.
• Risico van anonimiteit en verminderde betrokkenheid en identificatie van ouders, deel-
     nemers, studenten, personeel en afnemers. Daarbij komt een verminderde invloed op de
     besluitvorming van ouders, studenten, deelnemers en personeel.
• Grote concentratie van leerlingen en studenten (met name in het voortgezet onderwijs en
     het beroepsonderwijs) kan overlast voor omgeving veroorzaken.
3    Baarsma,2008.
12                                                                             Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>•    Het ontbreken van legitimatie en controle in het geval van lokale of regionale monopolies.
     Daarbij nemen ook financiële risico’s voor het systeem toe als meer middelen in minder
     handen zijn: potentiële schade van een verkeerde investeringsbeslissing is veel groter.4
•    Toenemende complexiteit van het afstemmen en managen van de primaire processen.
Afwegingen van schoolbesturen
De belangrijkste organisatorische redenen die worden gegeven voor schaalvergroting door
 fusie zijn professionalisering en slagkracht. Schaalvergroting vergroot volgens bestuurders
de effectiviteit van de organisatie door kennisdeling, innovatie en kennisontwikkeling, beter
personeelsbeleid, grotere mobiliteit van het personeel, bestuurlijke professionaliteit en onder-
handelingsmacht naar financiers en gemeenten.5
Redenen om niet te fuseren zijn de grotere bestuurlijke bureaucratie, het verlies van betrokken-
heid en de mogelijkheid om voordelen van schaalvergroting ook in samenwerking te regelen.6
Wat eveneens veel wordt genoemd is het behoud van de autonomie van de school of rechts-
persoon. Daarnaast spelen ook mogelijke schaalnadelen en zorgen over de bestuurbaarheid
en de te verwachten rompslomp een rol en is ook het ontbreken van noodzaak een belang-
rijke overweging. Een en ander houdt volgens Dijkgraaf tevens verband met de hoeveelheid
financiële reserves. Ten slotte is het ontbreken van partners of de onwil van partners ook een
 belangrijke reden om niet te fuseren.
Perspectief van de leerlingen, ouders, deelnemers en studenten
Het organiseren van kleinschaligere verbanden kan recht doen aan bepaalde zorgen van
ouders, leerlingen, deelnemers en studenten. Zo bleek uit de Onderwijsmeter van 2008 dat met
name in het basisonderwijs ouders zich druk maken over schaalgrootte op het ‘kleinste niveau’,
dat wil zeggen de groepsgrootte (54%). 28% van de ouders maakt zich zorgen over de omvang
van de school. In het voortgezet onderwijs waren die cijfers respectievelijk 34% en 23%.7 Onge-
veer een kwart van de ouders in het primair en voortgezet onderwijs ziet de schaalgrootte (de
omvang van de school, de fysieke locatie) dus als een zorgpunt.
In het onderzoek Schoolgrootte uit leerlingperspectief van het LAKS (Landelijk Aktie Komitee
Scholieren) komt naar voren dat voor leerlingen in het voortgezet onderwijs schoolgrootte
wordt verbonden met de omvang van de schoollocatie of vestiging. De omvang van de school
als instelling of als bestuurlijke eenheid is bijna niet relevant voor leerlingen. Leerlingen kijken
daarbij naar de grootte van het gebouw, het leerlingenaantal, de drukte in de school en het
aantal schoolsoorten. De meeste leerlingen zijn tevreden over de grootte van hun school. Op
kleinere scholen hebben leerlingen beter contact met elkaar en is het veiliger. De schooluitval
is echter – de onderzoekers verwijzen hierbij naar andere onderzoeken – op kleine scholen wel
groter. Uit die analyse van gevonden verschillen blijkt volgens het LAKS dat de schoolgrootte
een rol speelt bij hoe overzichtelijk leerlingen hun school vinden en bij de kwaliteit van hun
contact met leraren. Ook als de onderzoekers de effecten van leerjaar of schooltype meene-
men, scoren scholen met meer dan duizend leerlingen beduidend slechter op deze punten dan
kleinere scholen.8
4    Waterreus, 2009.
5    Dijkgraaf, Gelderblom, Jong, Maasland & Tanis,2010.
6    Dijkgraaf e.a., 2010.
7    Plantinga, Diepen, Schildmeijer & Bruxvoort, 2008.
8    Bokdam & Linden, 2010.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Uit een recente casestudie bij vier roc’s (regionale opleidingencentra) van Van de Venne en
Hesseling (2010) blijkt dat er binnen de onderzochte scholen manieren zijn gevonden om het
primaire proces met aandacht voor de menselijke maat te organiseren. Het bieden van een
vaste structuur (met beperkte keuzemogelijkheden voor deelnemers), het werken met vaste
coaches, ‘echte’ verbindingen maken met de deelnemers, passende huisvesting en een ver-
trouwde fysieke en sociale omgeving dragen daaraan bij. Volgens de JOB-monitor  zijn
deelnemers over het algemeen tevreden over de sfeer, maar wordt op roc’s minder positief
geoordeeld over veiligheid en sfeer en alle onderliggende aspecten dan op (kleinschaligere)
aoc’s (agrarische opleidingencentra) en vooral ook vakinstellingen. Dat verschil is het grootst
bij het oordeel over de sfeer op de instelling.9
In het hoger onderwijs is massaliteit, in algemene zin, een zorgpunt. Een onderzoek uit 2008
bevat een analyse van de oordelen van in totaal bijna 150.000 studenten over hun opleiding,
in het kader van de nationale studentenenquête over de periode -. Het geeft aan dat
massaliteit en gebrek aan contact twee belangrijke factoren zijn bij het verklaren van de ver-
schillen in tevredenheid. Dat geldt ook bij de vergelijking per vakgebied. Bij universitaire stu-
dies als rechten, economie en bedrijfskunde – met gemiddeld meer dan driehonderd eerste-
jaars – krijgen de docenten en het onderwijs bijvoorbeeld een half punt lagere rapportcijfers
dan bij studies met rond de vijftig eerstejaars. Dit verschil is significant. Voor het hoger onder-
wijs geldt dus de omvang van de opleiding als voornaamste zorgpunt.10
Eerdere adviezen van de raad
In het recente verleden heeft de raad verschillende keren geadviseerd over bestuurlijke schaal-
grootte en schaalvergroting in het onderwijs. De risico’s en de kansen op het gebied van kwali-
teit, doelmatigheid, keuzevrijheid, toegankelijkheid en sociale cohesie heeft de Onderwijsraad
in drie adviezen (Bureaucratisering in het onderwijs, 2004, Variëteit in schaal               schaal, 2005 en De bestuurlij-
ke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs, 2008) besproken.11 In het laatstgenoemde advies
is de raad tevens ingegaan op het signaleren en voorkomen van risico’s, de rol van de overheid
daarin en het instrumentarium dat de overheid nodig heeft om de risico’s te vermijden of onge-
wenste gevolgen te corrigeren. Steeds is gebruikgemaakt van het empirische gegeven dat er
geen eenduidige relatie is te leggen tussen schaalgrootte en kwaliteit. Schaalvergroting kan
bedrijfsmatige en onderwijskundige schaalvoordelen hebben, maar vanaf een zekere grootte
kunnen ook nadelen optreden. Er zijn weinig aanknopingspunten voor een ‘optimale’ schaal,
zo heeft de raad vastgesteld.12
De Onderwijsraad heeft gewezen op de mogelijke negatieve effecten van fusies op de keuze-
vrijheid van ouders. De raad heeft daarbij vanaf 2002 (Wat scholen vermogen) consistent gepleit
voor het faciliteren van initiatieven door ouders en leraren tot verzelfstandiging binnen en bui-
ten het bestaande bestuurlijke verband. In het advies Verzelfstandiging in het onderwijs 1 (2010b)
heeft de raad de vraag beantwoord van de minister naar een nadere uitwerking van een spe-
cifiek op ouders gerichte procedure voor ‘opting out’. De raad vindt dat dergelijke initiatieven
serieus dienen te worden genomen en dat er een zorgvuldige procedure moet zijn voor de
afhandeling ervan. Er zijn daarbij twee mogelijkheden. Het gewenste aanbod kan, op verzoek
van (een grote groep) ouders, alsnog binnen het schoolbestuur tot stand komen (interne ver-
zelfstandiging). Maar het nieuwe aanbod kan ook daarbuiten worden gecreëerd (externe ver-
9    Jongeren Organisatie in het Beroepsonderwijs, 2010.
10   Steenkamp, Timmers, Schilt, Heim & Goede, 2008.
11   Deze adviezen zijn samengevat in het webdossier bestuur en organisatie van het onderwijs op de website van de Onderwijsraad.
12   Onderwijsraad, 2005; Onderwijsraad, 2008.
14                                                                                                Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    zelfstandiging door de stichting van een nieuwe school). De raad is van mening dat mogelijk-
    heden tot interne verzelfstandiging eerst onderzocht moeten worden. Pas wanneer deze er
    niet blijken te zijn en overleg tussen de medezeggenschapsraad en het bevoegd gezag niet tot
    resultaten heeft geleid, zouden mogelijkheden voor externe verzelfstandiging in beeld moe-
    ten komen. Dit is de zwaarste variant die juridisch neerkomt op bestuurlijke overdracht naar
    een ander of nieuw bestuur dat wel bereid is te voldoen aan de wens van de ouders. De raad
    heeft met het advies recht willen doen aan de balans die er moet zijn tussen de gerechtvaar-
    digde en duurzame wens van een groep ouders enerzijds en de verantwoordelijkheid van het
    bevoegd gezag voor de instandhouding en kwaliteit van alle scholen onder zijn gezag ander-
    zijds. Ouders kunnen door middel van een initiatiefrecht hun keuzevrijheid en betrokkenheid
    als burger tot uitdrukking brengen. Maar de raad wijst ook nadrukkelijk op mogelijke risico’s en
    (negatieve) neveneffecten van opting out: eerst zouden vooral de interne vormen van verzelf-
    standiging verkend moeten worden.
. Adviesvraag en advieskader
    Het advies van mei 2010 uitgebracht aan de bewindslieden van OCW (Onderwijs, Cultuur en
    Wetenschap), getiteld Verzelfstandiging in het onderwijs , bevat deels antwoord op een advies-
    vraag van de Tweede Kamer van 24 juni 2009 over checks en balances in het Nederlands onder-
    wijsbestel. In het voorliggende advies wordt het tweede deel van deze vraag van de Tweede
    Kamer beantwoord: Wat zijn passende interne organisatiemodellen voor scholen en besturen die
    ruimte geven aan interne betrokkenen en externe krachten? Hoe realiseren we ‘checks and balances’
    in en rond de scholen?
    Toelichting adviesvraag
    In dit advies staat bestuurlijke schaalgrootte op zichzelf niet centraal, maar vormt het bestaan
    van een aantal grote schoolbesturen een gegeven. Onderwerp van het advies zijn organisatie-
    vormen waarbij één bevoegd gezag (in de diverse onderwijssectoren) meerdere onderdelen
    (scholen, opleidingen, sectoren, eenheden, locaties, vestigingen, units of afdelingen) omvat
    en aanstuurt. De raad gaat in op de verschillende manieren waarop instellingen omgaan met
    de afweging tussen zelfstandigheid van organisatieonderdelen enerzijds en de wens om cen-
    traal aan te sturen anderzijds, oftewel: de verschillende aspecten van ‘interne verzelfstandi-
    ging’. Weten bestuurders, schooldirecteuren en leraren voldoende ruimte en mogelijkheden te
    geven voor kleinschaligheid binnen de grootschalige context waarin zij opereren? Welke vari-
    anten komen nu in de praktijk voor en wat zijn effectieve manieren om zowel zelfstandigheid
    als eenheid te bereiken? Op basis hiervan wil de raad aanbevelingen aan de Tweede Kamer
    doen over de mogelijkheden die bewindslieden hebben om onderwijsorganisaties te stimu-
    leren en helpen beter vorm te geven aan ‘kleinschaligheid binnen grootschaligheid’. Hierbij
    komen zaken aan de orde als financiën, personeelsbeleid, facilitaire zaken en huisvesting, com-
    municatie, beeldvorming en samenwerking, en onderwijsprogrammering en -inhoud.
    Het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs staan centraal. Zij-
    delings zal ook naar (ontwikkelingen in) het hoger beroepsonderwijs worden verwezen.
    Dit advies is zoals gezegd een vervolg op het advies Verzelfstandiging in het onderwijs . De
    nadruk in dit advies ligt primair op de verantwoordelijkheid van besturen, de bestuurlijke vorm-
    geving en passende organisatievormen. Over de positie van leraren binnen nieuwe bestuurlij-
    13  Zie voor de volledige adviesvraag bijlage 1.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>     ke ontwikkelingen heeft de raad uitgebreid geadviseerd in Leraarschap is eigenaarschap (2007).
     De raad maakt voor het huidig advies opnieuw gebruik van dit rijke materiaal, dat dit keer in
     een iets ander licht (positie van leraren in grote onderwijsinstellingen) wordt bezien. Over de
     positie van ouders heeft de raad geadviseerd in Ouders als partners (2010c). In Verzelfstandiging
     in het onderwijs  is tevens uitgebreid ingegaan op de vraag hoe schoolbesturen zouden moe-
     ten ingaan op de wensen van ouders, bijvoorbeeld als zij een bepaald onderwijskundig profiel
     op een school wensen. In het voorliggend advies komt het perspectief van ouders beknopt aan
      bod in hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.
.  Werkwijze en opzet advies
     De raad ziet dit advies als aanvulling op het advies Verzelfstandiging in het onderwijs . Het advies
      leunt mede op drie onderzoekspijlers:
     • Een studie naar de wijze waarop verschillende grote onderwijsinstellingen omgaan met
         eenheid en zelfstandigheid.14 Hierin zijn in totaal tien gevalsstudies van interne organisatie-
         vormen van grote schoolbesturen beschreven en geanalyseerd.
     • De resultaten van een expertpanel rondom dit onderwerp met vertegenwoordigers van de
         casus, gehouden op 18 juni 2010 en van een panel, gehouden op 15 oktober 2010, met juri-
         dische experts over de vraag in hoeverre overdracht van bevoegdheden mogelijk en wen-
         selijk is (bijlage 2).
     • Zeven aanvullende casus en voorbeelden zijn de raad, op zijn verzoek, toegestuurd (of
         na gesprek zelf opgesteld) door betrokkenen bij andere grote onderwijsinstellingen en
         samenwerkende onderwijsinstellingen (zie bijlage 2). Het gaat om drie volledige casus en
         vier korte beschrijvingen van de situatie bij verschillende onderwijsinstellingen. Tot slot zijn
         er gesprekken gevoerd met bestuurders en staf van twee andere middelgrote onderwijs-
         instellingen. Het gaat om gegevens en informatie afkomstig van één of een beperkt aantal
         bronnen binnen een organisatie. De raad heeft hiervan met voorzichtigheid gebruik van
         gemaakt, vooral als aanvullende voorbeelden op de uitgevoerde studie.
     Opbouw advies
     In hoofdstuk 2 wordt kort aandacht besteed aan de juridische en beleidsmatige kaders: de
     huidige mogelijkheden om bevoegdheden over te dragen aan het management, alternatie-
     ven voor bestuurlijke fusie en vormen van interne verzelfstandiging (op basis van het eerdere
     advies van de raad). Aan de juridische verzelfstandiging zitten grenzen, ook in verband met
     de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. In hoofdstuk 3 wordt de structuur van
     de interne organisatie van tien grote onderwijsinstellingen beschreven en ingedeeld in twee
     praktijkvarianten. Hoofdstuk 4 staat stil bij de rolverdeling in de bestuurlijke en professionele
     zone van grote onderwijsinstellingen. Ook is er aandacht voor de mogelijkheden om ouders
    ‘op maat’ bij de school te betrekken. Op basis van de conclusies van deze beide analyses wor-
     den in hoofdstuk 5 de aanbevelingen geformuleerd.
     14  Vijlder e.a., 2010.
     16                                                                         Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    Wat zegt de onderwijswetgeving over de verdeling van bevoegdheden tussen
    bestuur en scholen of tussen bestuur en management? Welk actueel beleid en
    welke actuele ontwikkelingen zijn van invloed op de wijze van interne orga-
    nisatie van grote schoolbesturen? Welke alternatieve modellen zijn denkbaar
    voor bestuurlijk samengaan en interne verzelfstandiging? Welke (juridische)
    grenzen en belemmeringen zijn aan de orde bij het intern verzelfstandigen,
    bijvoorbeeld in de sfeer van bekostiging?
2   Juridische en beleidsmatige kaders
    van interne verzelfstandiging
. Juridisch kader: bestuur als centrale actor en mogelijkheden voor over-
    dracht van bevoegdheden
    Term bevoegd gezag en school
    Het bevoegd gezag is de instantie die volgens de onderwijswetten is belast met de uitoefening
    van bevoegdheden, zoals het vaststellen van het schoolplan, het aannemen of ontslaan van
    personeel en het verwijderen van leerlingen. Bevoegd gezag is volgens de wettelijke defini-
    tie, bijvoorbeeld in artikel 1 WPO (Wet op het primair onderwijs), in het bijzonder onderwijs de
    rechtspersoon en voor het zogenoemde integraal of rechtstreeks door de gemeente bestuurd
    openbaar onderwijs het bestuursorgaan (bijvoorbeeld het college van burgemeester en wet-
    houders). Wie bevoegd gezag is wordt voor het bijzonder onderwijs dus niet wettelijk vast-
    gelegd, in verband met de vrijheid van inrichting, maar geregeld in de statuten. Vaak zal in de
    statuten opgenomen zijn dat het bestuur van de rechtspersoon het bevoegd gezag in de zin
    der wet is. De ‘school’ is geen juridische entiteit: de school kan geen juridische handelingen
    verrichten, dat is de rechtspersoon, vertegenwoordigd door het bestuur. Het bevoegd gezag is
    de drager van de onderwijsvrijheid, bijvoorbeeld bij conflicten tussen personeel/directeur en
    bestuur. Bij het bepalen van de richting, maar ook de onderwijskundige koers, is de uitleg van
    het bestuur beslissend.15
    School aangrijpingspunt in de regelgeving
    Hoewel de school juridisch gezien geen zelfstandige drager van bevoegdheden is, is het begrip
    school wel aangrijpingspunt in de verschillende onderwijswetten. Zo wordt een leerling in het
    primair en voortgezet onderwijs niet toegelaten tot een bestuur, maar tot een school (zie bij-
    voorbeeld artikel 27 WVO, Wet op het voortgezet onderwijs)16 en geldt er ook een verplichting
    tot vaststelling van een schoolplan (artikel 24 WVO). En zo stelt artikel 17 lid 2 WPO dat het doel
    15   Onderwijsraad, 2010a.
    16   In het middelbaar beroepsonderwijs geldt dan weer dat de deelnemer wordt toegelaten tot de instelling en niet tot een bepaalde
         opleiding, zie art. 8.1.1 WEB.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                                            17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>van een samenwerkingsbestuur “in elk geval het geven van openbaar onderwijs en onder-
wijs van een of meer richtingen [is] in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk
bijzonder onderwijs”. De school is ook de bekostigingseenheid. In artikel 84 lid 1 WVO worden
bijvoorbeeld de grondslagen vastgesteld voor de omvang van de formatie van rectoren, direc-
teuren, enzovoort: “De formatie is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de
school”.
De school staat ook centraal in de regelingen voor de medezeggenschap. Artikel 13 lid 1 van
de WMS (Wet medezeggenschap scholen) stelt dat de oudergeleding instemmingsrecht heeft
bij de verandering van de grondslag van de school of de omzetting van de school of van een
onderdeel daarvan, en bij wijziging van beleid rondom dit onderwerp. Kort en goed: de mede-
zeggenschap voor het identiteitsbeleid (beleid op het gebied van de grondslag) is een aange-
legenheid op schoolniveau, waarbij instemming vereist is van de medezeggenschapsraad (op
schoolniveau). De gemeenschappelijke medezeggenschapsraad treedt van rechtswege in die
bevoegdheden van de medezeggenschapsraad die voor alle of een meerderheid van de scho-
len van belang zijn. De WMS biedt ook de mogelijkheid tot het instellen van deelmedezeggen-
schapsraden (bijvoorbeeld per vestiging).
Als het gaat om de aanstelling van het personeel is er geen sprake van een aanstelling bij een
school, maar is men benoemd “in algemene dienst van het bevoegd gezag” (zie bijvoorbeeld
artikel 34 WPO).
Bestuur kan taken en bevoegdheden op-/overdragen aan het management
Veel schoolbesturen worstelen met de vraag hoe zij hun bevoegdheden kunnen op- of over-
dragen aan de directie, de locatieleiders of het management(team). De juridische instrumen-
ten daarvoor zijn mandaat en delegatie. De begrippen mandaat en delegatie zijn afkomstig uit
het publiekrecht. Mandaat betekent volgens artikel 10:1 AWB (Algemene wet bestuursrecht):
de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Delegatie wordt in
artikel 10:13 AWB omschreven als het overdragen door een bestuursorgaan van zijn bevoegd-
heid tot het nemen van besluiten aan een ander die deze onder eigen verantwoordelijkheid
uitoefent. Mandaat heet in het privaatrecht volmacht. Het toepassen van het publiekrechtelijk
begrip delegatie binnen een privaatrechtelijke rechtspersoon is niet goed mogelijk: in begin-
sel worden de bevoegdheden door de statuten verdeeld over de verschillende organen.
Als gevolg van wijzigingen in de WPO en de WVO is nu expliciet in de wet opgenomen dat
het bestuur bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden kan overdragen, bij-
voorbeeld aan de directeur van de school (artikel 30a WPO). De memorie van toelichting zegt
hierover: “Om tegemoet te komen aan de tendens in het funderend onderwijs om bestuursbe-
voegdheden aan het management toe te delen, maakt dit wetsvoorstel delegatie van bevoegd-
heden van bestuur naar management (schoolleiding) mogelijk. Dit geeft verdere ruimte aan
het bevoegd gezag om de organisatie naar eigen inzicht te organiseren. Bij management gaat
het om personen die actief zijn bij de beleidsvoering en die dagelijks leiding geven aan een
school/scholen zoals een directeur, een adjunct-directeur, schoolleider, meerhoofdige school-
leider, locatieleider, bovenschools directeur, meerschools directeur, directieraad, centrale
directie of bestuursmanager”. Voor het openbaar onderwijs bestaat nu ook de mogelijkheid de
bevoegdheden van het bevoegd gezag (afhankelijk van de bestuursvorm) te delegeren naar
een ander orgaan. Er geldt dus geen verplichting; in verreweg de meeste gevallen zal er een
mandaat of volmacht worden verleend door de bestuurder aan de directie (met submandaat
aan locatieleiders of schoolleiders). Een en ander heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat
18                                                                     Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>de eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs of de financiële verantwoor-
delijkheid blijft rusten bij het bevoegd gezag (het bestuur, zie bijvoorbeeld artikel 10 WPO). Het
centrale document waar de bevoegdheden van de directeur, schoolleider, rector enzovoort
worden vastgelegd is het managementstatuut (artikel 31 WPO, artikel 32c WVO).
   Subsidiariteit als principe van goed bestuur
   Door de PO-raad wordt aangedrongen op het leggen van verantwoordelijkheden op een zo laag
   mogelijk niveau. Artikel 8 lid 2 van de in januari 2010 vastgestelde Code goed bestuur po (vastgesteld
   door en voor po-scholen aangesloten bij de PO-raad) stelt over de interne verdeling van taken en
   bevoegdheden: ”Het schoolbestuur en het intern toezichtorgaan dragen zorg voor een goede ver-
   deling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de verschillende organen, in het
   bijzonder tussen het schoolbestuur, het intern toezichtorgaan en de directeuren. Daarbij worden
   taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden in beginsel zo laag mogelijk in de organisatie be-
   legd”. Met andere woorden: de besturen aangesloten bij de PO-raad hebben afgesproken dat leden
   in principe het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel hanteren.
De WEB (Wet educatie en beroepsopleiding) definieert een roc als een verzameling opleidingen
(“aan regionale opleidingencentra worden opleidingen beroepsonderwijs verzorgd”). Daarbij
hebben de vakinstellingen een aparte status (artikel 1.3.2a WEB). Aan de opleidingen worden
verder geen wettelijke bevoegdheden toegekend. De WEB kent wel een bepaling (artikel 9.1.3
lid 3c) waarin is vastgelegd dat, indien de instelling een of meer organisatorische eenheden
omvat, het college van bestuur een bestuursreglement moet maken waarin zijn omschreven:
• de organisatorische eenheden;
• de taken en bevoegdheden die zijn op- of overgedragen aan het bestuur van de desbetref-
     fende eenheid;
• de verhouding van het bestuur van de desbetreffende eenheid tot het college van bestuur;
     en
• de samenstelling, de wijze van benoeming en de werkwijze van het bestuur van de desbe-
     treffende eenheid.
Volgens de definitiebepalingen in de WHW (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek) is een bijzondere instelling: een instelling die uitgaat van een rechtspersoon met
volledige rechtsbevoegdheid. Het instellingsbestuur van een bekostigde instelling is het col-
lege van bestuur, ‘tenzij anders is bepaald’. Het college van bestuur is dat orgaan dat als zoda-
nig in de statuten is aangewezen (bij een bijzondere instelling) of het orgaan dat op grond van
de WHW bevoegd is.
Ook in het hoger onderwijs worden aan bepaalde onderdelen, zoals (het bestuur van) de facul-
teiten en de hoogleraren, bij wet afzonderlijke taken toebedeeld (zie bijvoorbeeld artikel 9.17
WHW over het bestuur van de faculteiten).
Positie van docenten binnen een school(bestuurlijk)- en instellingsverband
Binnen scholen kan er onderscheid gemaakt worden in locaties, maar daarbinnen is er voor
wat betreft het personeel weer onderscheid te maken in teams. In het wetsvoorstel rond het
professioneel statuut (32 396) is ten behoeve van de leraar opgenomen dat de “leraar beschikt
over zeggenschap binnen de school, waaronder ten minste wordt verstaan de zeggenschap
van de leraar over het ontwerp en de uitvoering van het onderwijskundig beleid en het beleid
met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs”. De leraar doet dat in samenwerking met
collega’s en in overleg met het bevoegd gezag.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>. Beleidskader: tegengestelde bewegingen
    Regering: kleinere eenheden keuze bevoegd gezag
    Het vorige kabinet heeft gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van bevoegde gezagen voor
    passende maatvoering van onderwijsinstellingen. Demissionair minister Rouvoet stelde in dat
    verband: “De leden van de VVD-fractie vragen (…) naar alternatieven om tot kleinere eenheden
    binnen een grote instelling te komen. De regering is van mening dat organiseren op een kleiner
    niveau reeds nu tot de mogelijkheden behoort, maar dat dit een keuze van het bevoegd gezag
    is. Zoals aangegeven organiseren grotere scholen zich al in toenemende mate in kleinere, meer
    herkenbare eenheden. Besturen en schoolleiding zijn zich steeds beter bewust van het belang
    om binnen bestaande, grote onderwijseenheden de menselijke maat («het gekend en gehoord
    worden») te realiseren. Dit laat zich niet goed afdwingen door wetgeving. De wetgever zou zich
    daarmee ook te sterk in het «hoe» begeven. Het voorliggende wetsvoorstel ziet dus ook niet op
    dit aspect. De scholen c.q. besturen hebben de ruimte om zelf de inhoudelijke afweging te maken
    wat in hun geval de meest wenselijke schaal is.”17
    Voorstel fusietoets: wettelijke grip op schaalgrootte
    Een directe maatregel om verdere schaalvergroting onder controle te brengen is het wetsvoorstel
    rond de fusietoets. Dit voorstel regelt door wijziging van een aantal onderwijswetten de invoe-
    ring van een fusietoets in het onderwijs en is mede na advies van de Onderwijsraad (De bestuurlij-
    ke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs, 2008) tot stand gekomen. Onderwijsinstellingen die
    willen fuseren moeten, als het wetsvoorstel wordt aangenomen, voortaan laten zien dat dit ook
    echt nodig is. Betrokken medezeggenschapsorganen moeten instemmen met de fusie en de
    minister moet vervolgens goedkeuring geven. De partijen (rechtspersonen) die willen fuseren,
    moeten een aanvraag indienen vergezeld met een fusie-effectrapportage (voorstel nieuw artikel
    64b in WPO, 53f in WVO, 2.1.10 in WEB en 16.16a in de WHW).
        Fusie-effectrapportage toets interne keuzevrijheid
        De memorie van toelichting geeft aan dat uit de fusie-effectrapportage moet blijken wat de doe-
        len en effecten zijn van de fusie. Wat wil het bestuur bereiken, bijvoorbeeld een hogere kwaliteit of
       meer keuzemogelijkheden voor leerlingen of studenten? Tevens zullen de effecten van de fusie op
       diversiteit in beeld moeten komen. Bij dit punt geeft het bestuur aan hoe hij waarborgt dat in een
        bepaalde regio variëteit van het onderwijsaanbod blijft bestaan of zelfs groter wordt door de fusie.
        Daarbij gaat het zowel om diversiteit op het niveau van onderwijsinstellingen (keuze uit verschil-
        lende besturen) als om het niveau van opleidingen of vestigingen (keuze uit verschillende richtingen
       of pedagogisch-didactische ‘kleuren’). “Bij dat laatste gaat het om wat men zou kunnen noemen «in-
       terne keuzevrijheid»: de mogelijkheid om te kiezen uit een gevarieerd onderwijsaanbod binnen een
        bestuurlijke eenheid”, aldus de regering.
        Bron: Memorie van toelichting wijziging onderwijs in verband met fusietoets, , p..
    Het Wetsvoorstel fusietoets is op 26 januari 2010 met algemene stemmen aangenomen door de
    Tweede Kamer. Op 21 september 2010 is er een nader voorlopig verslag opgesteld in de Eerste
    Kamer.
    Tegelijkertijd: bestuur meer centraal in het onderwijstoezicht
    Gesteld zou kunnen worden dat de wet mogelijkheden biedt om een zekere zelfstandigheid te
    creëren voor de afzonderlijke eenheden, units of vestigingen (zie paragraaf 2.1). Tegelijkertijd is
    17    Memorie van antwoord wijziging onderwijswetten in verband met fusietoets (2010).
    20                                                                                           Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre> en blijft het bevoegd gezag de centrale actor en eindverantwoordelijke. De bekostiging wordt
 ook niet overgemaakt naar de school, maar naar de rechtspersoon. De (bekostigings)wetgeving
 beperkt herkenbaarheid van vestigingen/scholen door het werken met een brin-nummer (basis-
 registratie instellingen); die bekostigingseenheid bestaat echter vaak weer uit verschillende vesti-
 gingen.18 Bij sommige subsidies wordt wel gewerkt met een ‘sub-brin-nummer’, zoals bij het leer-
 plusarrangement voortgezet onderwijs, dat bepaald wordt op vestigingsniveau.19
 De Inspectie heeft als aangrijpingspunt in principe ‘de school’, maar maakt wel onderscheid in
‘objecten van toezicht’, bijvoorbeeld als het gaat om het in beeld brengen van vestigingen, afde-
 lingen of ‘onderwijskundige eenheden’ die de Inspectie als zeer zwak beoordeelt. De koppeling
 met het brin-nummer belemmert het toezicht op de (kwaliteit van) bovenschoolse verbanden,
 zoals in het kader van wsns (weer samen naar school; deze verbanden hebben namelijk geen
 brin-nummer).20
 Het brin-nummer komt steeds minder vaak één op één overeen met een individuele school, waar-
 door met name grotere scholenorganisaties tijd kwijt zijn om zowel per vestiging als per (school)
 brin-nummer bepaalde administratieve gegevens separaat op orde te hebben. Een hieraan ver-
 want probleem vormt de medezeggenschap.21 Na een fusie kan de vraag ontstaan of aan elke
 vestiging van een school een volwaardige medezeggenschapsraad verbonden kan worden, met
 een afvaardiging naar de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad. Formeel is het echter zo
 dat alleen de vestigingen met een brin-nummer een school zijn in de zin van de WVO en WPO en
 dat – volgens een uitspraak van een geschillencommissie – alleen scholen (feitelijk: brin-nummer)
 een medezeggenschapsraad kunnen hebben. De vestigingen van een school kunnen wel een
 deelraad instellen (mits het bevoegd gezag en een twee derde meerderheid van de medezeggen-
 schapsraad hierin toestemt), maar niet een ‘aparte’ medezeggenschapsraad.22
 Het beleid (en de aansluitende wetgeving) tendeert naar een sterkere rol voor het bestuur en kan
 tot gevolg hebben dat er centraler wordt aangestuurd. Zo is in oktober 2009 het wetsvoorstel tot
 wijziging van de WOT (Wet onderwijstoezicht) ingediend, waarin in een nieuw derde lid van arti-
 kel 4 is toegevoegd: “De intensiteit van het toezicht in het onderwijs, […], is afhankelijk van […] de
 wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd, van de mate
 van naleving van wettelijke voorschriften en, voor zover deze wordt bekostigd uit ’s Rijks kas, van
 de financiële situatie van de instelling”. De professionaliteit van het bestuur en de instelling wordt
 daarmee een belangrijk ijkpunt. Volgens de nieuwe systematiek is het (college van) bestuur ook
 het eerste aanspreekpunt van de Inspectie (en niet zoals vroeger de directeur).
 Bestuur moet zeer zwakke scholen ´kort volgen´
 De centrale rol en verantwoordelijkheid van het bestuur voor de kwaliteit worden ook geaccen-
 tueerd in het Inspectieverslag over 2008-2009.23 De Inspectie constateert dat veel schoolbesturen
 te afwachtend zijn in de gesprekken met de schoolleiding wanneer de kwaliteit niet op orde is.
 Vandaar dat in het huidige toezichtkader daar waarschijnlijk al op wordt geanticipeerd (er is een
 aparte module voor het functioneren van het management opgenomen). Ook in andere rappor-
 18  Dijkgraaf, Gelderblom, Jong, Maasland & Tanis, 2010, p.117.
 19  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2008.
 20  Zie Lijst van vragen en antwoorden zorgleerlingen in het primair en voortgezet onderwijs, 2010. Vermeld moet worden dat de centrale
     diensten die verbonden zijn met de samenwerkingsverbanden wel weer zo een nummer hebben.
 21  Bont-Hanekamp, 2010.
 22  Uitspraak Landelijke Geschillencommissie van 19 december 2007.
 23  Inspectie van het Onderwijs, 2010, p. 25.
 Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                                                21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>ten van de Inspectie wordt gewezen op de rol van een zwak functionerend bestuur, in relatie tot
het ontstaan of juist opheffen van de status van zeer zwakke school. Wanneer de kwaliteit onder
de maat is, veronderstelt de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (het bestuur) dus
geen ‘besturen op afstand’, maar juist ‘kort volgen’.
Voor wat betreft het hoger onderwijs is daarnaast te wijzen op de plannen om accreditatie van de
instelling centraal te stellen in plaats van enkel de opleiding, zoals nu het geval is.24 Meest ingrij-
pende wijziging is de introductie van een zogenoemde instellingstoets kwaliteitszorg. Nadat
instellingen voor hoger onderwijs deze toets met succes hebben doorstaan, kunnen zij hun
bestaande en nieuwe opleidingen op grond van een beperkter beoordelingskader laten beoor-
delen. Instellingen die niet kiezen voor de instellingstoets (of deze niet halen) moeten hun oplei-
dingen laten beoordelen volgens een uitgebreid kader. De vraag kan worden gesteld of de keuze
voor een instellingstoets kwaliteitszorg ook betekent dat de centralisering van de kwaliteitszorg
een verdere beperking van de sturingsruimte voor afzonderlijke opleidingen met zich meebrengt.
Aan de andere kant is het nu al de praktijk dat een instelling één accreditatie dient te behalen voor
een opleiding die op meerdere vestigingen (vaak in verschillende studiesteden) wordt aangebo-
den. Ook dit vereist al centrale sturing van het bestuur: het is zaak te voorkomen dat één vestiging
onder de maat blijkt, omdat anders de hele instelling de opleiding kwijt is, ongeacht de kwaliteit
van de opleiding in een andere stad.
Gemeentebeleid leidend voor schaal huisvesting
De keuze voor een locatie is in principe aan het bevoegd gezag (er gelden uiteraard wel de ophef-
fingsnorm en de ruimtelijke-ordeningsnormen), waarbij in de meeste gevallen de verantwoor-
delijkheid voor de huisvesting in het primair en voortgezet onderwijs rust bij de gemeente.25 De
gemeente maakt dus de keuze tussen enerzijds afzonderlijke locaties en anderzijds het samen-
brengen van gebouwen in bijvoorbeeld een brede school met kinderopvangvoorzieningen of
andere maatschappelijke nutsfuncties. Er bestaat voor schoolbesturen ook geen recht om ‘apart’
te worden gehuisvest op grond van een andere richting.26
Autonoom functioneren schoolbestuur relatief door bovenbestuurlijke netwerkvorming
Het uitgangspunt van het ‘autonoom’ opererende schoolbestuur kan overigens zeker in het pri-
mair en voortgezet onderwijs gerelativeerd worden. In toenemende mate is er sprake van boven-
bestuurlijke netwerkvorming: schoolbesturen worden direct of indirect tot samenwerking en
overleg gedwongen met besturen in de regio.27 Dergelijke bestuurlijke samenwerkingsverplichtin-
gen zijn gericht op onderwijsachterstandenbeleid (gemeente en andere schoolbesturen), opvang
en voor- en vroegschoolse educatie (gemeente en kinderopvang), onderwijs aan zorgleerlingen
(samenwerkingsverbanden wsns, passend onderwijs), leerplicht en schoolverlaten (gemeente) en
jeugdzorg en welzijn. Vaak krijgt dit ook fysiek gestalte in bijvoorbeeld het concept van een bre-
de school, waarbij ook meerdere maatschappelijke voorzieningen in de huisvesting zijn onder-
gebracht. Als het gaat om huisvesting en regionale planning van onderwijsvoorzieningen in het
voortgezet onderwijs zijn schoolbesturen in beginsel ook tot elkaar veroordeeld. Via regionale
plannen en overeenkomsten worden afspraken gemaakt voor meerdere jaren.
24  Ook nu is de accreditatie van een opleiding op meerdere locaties problematisch; een slechte beoordeling van de ene locatie betekent
    automatisch consequenties voor de overige locaties.
25  Er is wel de mogelijkheid van ‘doordecentralisatie’, waarbij het schoolbestuur door middel van een budgetovereenkomst verantwoor-
    delijk wordt voor de huisvesting, dat geeft in ieder geval meer zeggenschap over besteding van huisvestingsmiddelen. De gemeente
     blijft wel verantwoordelijk voor het bestemmingsplan en moet ook toestemmen in doordecentralisatie. Zie Schraven, 2005.
26  KB 8 september 1977, AB 1978, 232.
27  Nolen,2010.
22                                                                                                   Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>. Alternatieven voor bestuurlijke samenwerking en vormen van interne
    verzelfstandiging
    Scholen (bevoegde gezagsorganen) hoeven niet bestuurlijk samen te gaan: er zijn voldoende juri-
    dische mogelijkheden voorhanden om een voldoende basis te bieden voor structurele samen-
    werking. In Verzelfstandiging in het onderwijs  zijn enkele modellen voor interne verzelfstandiging
    aangegeven. Hieronder beschrijven we (nogmaals) enkele mogelijkheden en modellen.
    . Samenwerking via overeenkomst
    Artikel 157 lid 3 WPO biedt een voorbeeld van een samenwerkingsovereenkomst. Het gaat hier om
    een overeenkomst tussen bevoegde gezagsorganen met het doel boven de opheffingsnorm uit
    te komen. Door de overeenkomst mogen leerlingenaantallen worden opgeteld, zodat een gewo-
    gen gemiddelde ontstaat. Dergelijke samenwerkingsovereenkomsten zijn nu ook mogelijk bij de
    herziening van de zorgarrangementen (voor leerlingen die speciaal onderwijs nodig hebben), het
    voorkomen van uitval, en de regionale planning van voorzieningen in het voortgezet onderwijs.
    Een voorbeeld zijn de afspraken in de regio over samenwerking die een passend onderwijsarran-
    gement voor alle leerlingen mogelijk maakt.
    Tussentijds overstappen van vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) naar mbo
    (middelbaar beroepsonderwijs) wordt gemakkelijker doordat de bekostiging met de deelnemer
    mee kan gaan van scholen in het voortgezet onderwijs naar roc’s. Hiervoor is de WVO gewijzigd.
    Artikel 25a WVO bevat een bepaling over de samenwerkingsovereenkomst met daarin het doel
    van de samenwerking, de doelgroep, de wijze waarop wordt getoetst of het doel bereikt wordt,
    het onderwijsprogramma, de mogelijke overdracht van financiële middelen en een regeling voor
    de beslechting van eventuele geschillen.28
       Overeenkomsten in het kader van de brede school
       De figuur van de overeenkomst wordt veel gebruikt wanneer naast onderwijsinstellingen ook an-
       dere partijen meedoen, bijvoorbeeld bij de realisatie van een brede school.
       Overigens kan de samenwerking in een brede school of het opzetten van zogenoemde multifuncti-
       onele accommodaties leiden tot gecentraliseerde huisvesting. Een voorbeeld is de Brabantse plaats
       Sint Anthonis, waar een basisschool, een peuterspeelzaal, een kinderdagverblijf, voorzieningen voor
       buitenschoolse opvang, een sporthal, een jongerencentrum, een bibliotheek, muziekruimtes, en
       een stichting voor verstandelijk gehandicapte kinderen (Kleur) in één gebouw moeten komen.
       Bron: http://www.bredeschool.nl/actueel/interviews/mfa-in-sint-anthonis.html
    Een ander voorbeeld zijn de samenwerkingsovereenkomsten in het kader van de regionale plan-
    ning in het voortgezet onderwijs (in de wet genoemd regionaal plan onderwijsvoorzieningen).
    Onderdeel van de regionale overeenkomst is een regionale visie, met kaders voor wat betreft de
    aansluiting op vervolgonderwijs, doelmatigheid en bereikbaarheid.
    . Samenwerking door een federatieve vereniging
    Onder een federatief samenwerkingsmodel wordt verstaan: samenwerking tussen besturen geïn-
    stitutionaliseerd door middel van een speciaal voor dat doel opgerichte rechtspersoon. Dit kan
    dus een vereniging zijn, maar ook een stichting. Bij een federatie-vereniging blijven in beginsel
    de afzonderlijke leden-rechtspersonen autonoom. De federatie fungeert dan niet als bevoegd
    28   Stbl. 2005, 512.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                  23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>gezag of schoolbestuur. Er ontstaat een lidmaatschapsverhouding tussen de leden en de fede-
ratie. De doelstelling van de federatie moet ruim zijn om niet te conflicteren met het doel van de
ledenrechtspersonen.
Het oprichten van een federatie is een ‘middenweg’ tussen het sluiten van een overeenkomst
over een enkel onderwerp en een bestuursoverdracht waarbij de instellingen bestuurlijk als één
geheel gaan functioneren. Het oprichten van een federatie kan een oplossing zijn indien bij-
voorbeeld een verschil in denominatie fusie in de weg staat of indien men grote nadelen ziet in
bestuurlijke schaalvergroting (toenemende bureaucratie en een grotere afstand tussen school en
bestuur bijvoorbeeld).
Het federatiebestuur bestaat uit afgevaardigden van de deelnemende schoolbesturen. De fede-
ratie heeft hier als taak bepaalde schooloverstijgende beheerstaken uit te voeren en te coördine-
ren. Voor de hand ligt dat met name materiële zaken als onderhoud en administratieve ondersteu-
ning als taken voor de federatie worden aangewezen. Op het terrein van personele zaken zijn er
minder mogelijkheden voor de federatie, daar de leden-rechtspersonen bevoegd gezag blijven
en het onderwijspersoneel via de bestuursbenoeming wordt aangenomen. Er kan wel personeel
in dienst worden genomen ter uitvoering van federatieve taken, bijvoorbeeld via een centrale
administratieve dienst of een centrale onderhoudsdienst (artikel 68 WPO). Volgens de wet moet
de centrale dienst rechtspersoonlijkheid hebben. In de praktijk zal de rechtspersoonlijkheid van
de federatie en de centrale dienst samenvallen.
   Voorbeeld federatie in het voortgezet onderwijs: Orion
   Dit is een samenwerkingsverband van nagenoeg alle vormen van voortgezet onderwijs, van voor-
   bereidend wetenschappelijk tot (theoretisch en praktisch) beroepsonderwijs. Het samenwerkings-
   verband herbergt zowel openbare, protestants-christelijke als katholieke scholengemeenschappen.
   Het gaat om in totaal zeventien scholen, in omvang variërend van 500 tot 3.000 leerlingen. Tijdens
   de bijeenkomsten van deelnemers zijn er vaste agendapunten zoals personeelsbeleid. Daar worden
   ook afspraken over gemaakt. Zo bestaat er een p&o-platform voor de Orion-scholen. De invulling
   van het personeelsbeleid kan van school tot school verschillen. Tegelijk is het ook mogelijk dat men
   samen scholingstrajecten oppakt, zoals het voorbeeld dat zeventien deelnemers een middenma-
   nagement-opleiding volgen met een studiebelasting van 800 uur. Vrijwel alle Orion-scholen hebben
   een hoofd p&o en zij komen ook periodiek bijeen om over zaken zoals de functiemix te praten. Bin-
   nen Orion worden ervaringen uitgewisseld over hoe dat te bereiken op de gebieden van arbeids-
   omstandigheden, arbeidscontracten, ict, enzovoort. Er zijn afspraken gemaakt om elkaar bij vaca-
   tures als eerste te informeren en om elkaars personeelsleden voorrang te geven. Wie binnen Orion
   verder wil, kan verder. Zo heeft Pius X met Voortgezet Onderwijs Best Oirschot en het Strabrecht
   College uit Geldrop een gezamenlijk sociaal statuut vastgesteld met steun van de vakbonden. Zo
   nemen zij onder bepaalde omstandigheden elkaars personeel over, staan ze elkaar bij als leerlingen-
   aantallen fluctueren en faciliteren ze mobiliteit voor elkaars personeelsleden.
   Bron: www.orionscholen.nl
Een voorbeeld in het onderwijs waarbij veelal de federatie wordt gebruikt zijn de wsns-samen-
werkingsverbanden in artikel 18 WPO. De federatie moet zorgen voor het vaststellen van een
reglement door de deelnemers, het opstellen van een zorgplan en de instelling van een perma-
nente commissie leerlingenzorg. De spil in het samenwerkingsverband is de centrale dienst ex
artikel 21 jo artikel 68 WPO.
24                                                                              Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Een variant is het zogenoemde ‘federatie-plus’ model. Dit model wordt voornamelijk gebruikt
bij de inrichting van het samenwerkingsverband zoals omschreven in artikel 18 WPO. De afwij-
king ten opzichte van de ‘normale’ federatie is dat de federatie bevoegd gezag is van de speciale
school voor basisonderwijs. Deze school wordt dus via een bestuursoverdracht ex artikel 49 of
56 WPO overgedragen. De leden van de federatie zijn de rechtspersonen die de (reguliere) basis-
scholen in stand houden; gezamenlijk dragen zij verantwoordelijkheid voor de instandhouding
van de speciale school doordat ze het nieuwe bestuur vormen van die speciale school voor basis-
onderwijs. Artikelen 10h en 11 WVO bevatten de relevante bepalingen over de samenwerkingsver-
banden in het voortgezet onderwijs.
. Samenwerking door middel van een coöperatie
Een volgende variant is de coöperatie. De coöperatie is een vereniging die door middel van een
notariële akte als coöperatie wordt opgericht. In de statuten van de coöperatie moet worden aan-
gegeven dat de vereniging in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden dient te voorzien.
Met stoffelijke behoeften is bedoeld behoeften in economische zin. Daar valt ook het verstrekken
van diensten onder. Wat men met elkaar wil doen is een kwestie van afspraken.
Het economisch verkeer met de leden staat centraal. Dat sluit niet uit dat de coöperatie ook aan
derden (niet-leden) goederen kan leveren en diensten kan verlenen. Het voorzien in de stoffe-
lijke behoeften geschiedt in beginsel op basis van een overeenkomst tussen de coöperatie en
de leden. Aangenomen wordt dat de voorziening in stoffelijke belangen van de leden niet nood-
zakelijk behoeft te berusten op een overeenkomst, maar ook kan voortvloeien uit het lidmaat-
schap van de coöperatie.
De coöperatie draagt zelf zorg voor de financiering. De leden doen dat door zelf geld bijeen te
brengen en/of personele formatie beschikbaar te stellen. Een coöperatie mag winst maken en
deze aan haar leden uitkeren.
    Voorbeeld coöperatie SAMON Noord Holland
    De oprichters van de coöperatie SAMON (Samenwerkende montessorischolen Noord-Holland U.A.)
    houden scholen in stand waar basisonderwijs wordt gegeven volgens het pedagogische concept
    van Montessori. De scholen van de oprichters zijn allen gelegen in Noord-Holland.
    De oprichters hebben onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden om de bestaande on-
   derlinge samenwerking te continueren en te intensiveren. Op basis van de conclusies uit dat on-
   derzoek hebben de oprichters besloten een rechtspersoon op te richten ten einde de gewenste
   samenwerking vorm te kunnen geven. De oprichters hebben besloten dit te doen in de vorm van
   een coöperatieve vereniging. Doelstelling van de coöperatie is financiële risico’s te beheersen door
   onder meer het oprichten van een gezamenlijk reservefonds, het contracteren van een administra-
    tiekantoor en overige inkoop van producten en diensten. Tevens willen de oprichters de professiona-
    liteit van bestuur, management en onderwijskundig personeel van haar leden te bevorderen, zodat
   zij in staat zijn als kleinschalige zelfstandige schoolorganisaties te blijven voortbestaan.
    Bron:www.montessoribeverwijk.nl/index.php?ID=&subID=
Beperkingen in alternatieve samenwerkingsmogelijkheden
Samenwerking in een federatie of coöperatie kan dus een alternatief vormen voor bestuurlijke
fusie, maar aan deze vormen zitten ook beperkingen. Het vereist op de eerste plaats meer over-
29    Zie Hooge, Dijk & Steen, 2003.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                   25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>leg en overeenstemming tussen de verschillende leden. Er zal een beroep worden gedaan op
de solidariteit van de leden en de vraag is of die stand houdt bij een (financiële) calamiteit.
Een formele belemmering lijkt er verder te bestaan op fiscaal vlak. Het verstrekken van onder-
wijs is op grond van artikel 111 lid 1 onder o sub 1 Wet op de omzetbelasting 1968 vrijgesteld
van btw. Om die reden kunnen schoolbesturen door derden aan hen in rekening gebrachte
btw niet aftrekken. Als een schoolbestuur samenwerkt met een ander schoolbestuur in een
federatie, een coöperatie of een centrale dienst (bijvoorbeeld op het terrein van doorlopende
leerlijnen/vakcolleges, integrale kindcentra, passend onderwijs) kan er onzekerheid ontstaan
over de btw. Belastingtechnische redenen kunnen de aantrekkelijkheid van alternatieven ver-
minderen. De raad heeft begrepen dat de belastingdienst en de verschillende inspecteurs op
dit vlak geen eenduidig beleid voeren. Instellingen zouden vanwege de onduidelijkheid rond
de btw een afweging kunnen maken om niet te kiezen voor tussenvormen van samenwerking,
maar voor bestuurlijk samengaan.30
Interne verzelfstandiging: varianten
De raad herhaalt hier zijn beschrijving van de varianten van interne verzelfstandiging die hij
heeft voorgesteld in Verzelfstandiging in het onderwijs  (2010b). Bij de eerste variant neemt een
groep ouders het initiatief en biedt het bestuur hen expliciet ruimte (eventueel ontwikkelt de
oudergroep een eigen concept). Er wordt gestart met het opbouwen van een nieuw geheel
van betrekkingen. Dat loopt van programmatische invulling tot organisatorisch-financiële rela-
tievorming binnen het bestaande bestuurlijk verband. Kenmerkend voor deze variant zijn het
tijdelijke karakter en het feit dat de bestuurlijke vormgeving niet verandert: de school blijft
zonder meer deel uitmaken van het bestaande bestuurlijke verband. Deze variant kan als initi-
atiefschool worden aangeduid. Na een afgesproken tijd wordt de initiatiefschool geëvalueerd
door het bevoegd gezag (bijvoorbeeld bij de periodieke herziening van het schoolplan). Er zijn
dan verschillende mogelijkheden. Ten eerste is denkbaar dat het project geen vervolg krijgt en
de oorspronkelijke situatie weer gaat gelden. In dit geval wordt de interne verzelfstandiging
dus weer ongedaan gemaakt. Ten tweede kan de initiatiefschool (bij een positieve evaluatie)
een vervolg krijgen in die zin dat het ontwikkelde concept op de betrokken school/scholen blij-
vend wordt ingevoerd, met behoud van de bestaande bestuurlijke vormgeving. Deze variant
kan als programmaschool worden aangeduid. Deze variant bestaat momenteel al in de praktijk;
denk bijvoorbeeld aan scholen die zich profileren als school voor tweetalig onderwijs of voor
topsporters. Het verschil bestaat hierin dat in bovengenoemde gevallen expliciet de wens van
de ouders komt. Afspraken kunnen ook geëxpliciteerd worden in een convenant of geforma-
liseerd in het managementstatuut. In dergelijke afspraken wordt bijvoorbeeld vastgelegd wat
de eigen beweegruimte is van de school ten aanzien van het werven van personeel, het selec-
teren van leerlingen of het voeren van een eigen ‘huisstijl’. Het is denkbaar dat er na evaluatie
van een initiatiefschool voor wordt gekozen om het project voort te zetten, in die zin dat het
tijdelijke karakter blijft bestaan (bijvoorbeeld voor drie of vijf jaar), maar dat in die periode de
betrokken school of scholen binnen een andere bestuurlijke vorm gaat/gaan opereren. De lijn
met het bestaande bestuur wordt behouden – het gaat immers nog steeds om een tijdelijke
30  Recentelijk heeft de Hoge Raad het centrale vrijstellingscriterium ‘nauw met het onderwijs samenhangend’ iets opgerekt, zie HR 10
    september 2010, LJN BK 3786. Uitlening van docenten aan het Cito werd vrijgesteld van btw. “Het door onderwijsinstellingen voor
    dat doel ter beschikking stellen van in dienst zijnde docenten waarborgt de kwaliteit van de eindexamens en optimaliseert de wijze
    waarop de examens tot stand komen”, aldus de Hoge Raad. Aangezien eindexamens volgens de Hoge Raad een niet weg te denken
    onderdeel vormen van voortgezet onderwijs, moeten dergelijke onderwijsondersteunende diensten worden aangemerkt als nauw
    met onderwijs samenhangende diensten in de zin van de zogenoemde Zesde Europese belastingrichtlijn.
31  Deze paragraaf is gebaseerd op Onderwijsraad, 2010b.
26                                                                                                  Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>     vorm van conceptontwikkeling – maar de invulling daarvan kan worden aangepast. Tevens is
     denkbaar dat daarnaast relaties met andere besturen worden aangeknoopt (bijvoorbeeld in de
     vorm van een coöperatiemodel). Na de afgesproken periode volgt een nieuwe evaluatie. Deze
     tijdelijke en externe variant is door de raad als gastschoolvariant aangeduid.
.  Grenzen: individuele school als eigenaar van de bekostiging?
     De Vaste Kamercommissie OCW heeft in 2010 gediscussieerd over de mogelijkheden om de
     bekostiging van het onderwijs per vestiging te regelen in plaats van per schoolbestuur. De
     minister geeft in zijn reactie daarop aan dat er in de afgelopen jaren veel gebeurd is om reken-
     schap en verantwoording van schoolbesturen te versterken.32 De minister schetst vier varian-
     ten voor verdere decentralisatie van de bekostiging en geeft bij elk variant weer waarom het
     juridisch ondoenlijk is om deze door te voeren. Conclusie is steeds dat het weghalen van de
     exclusieve verantwoordelijkheid voor het financieel beleid bij het bevoegd gezag conflicteert
     met de vrijheid van stichting, richting en/of inrichting.
     Vier varianten verworpen
     De eerste variant is dat in wet- en regelgeving wordt geregeld dat elke school rechtspersoon-
     lijkheid krijgt. Elke school heeft dan een eigen bevoegd gezag/bestuur. Bij bekostiging per
     vestiging zou elke vestiging een afzonderlijke school moeten worden. De belangrijkste juridi-
     sche vraag die zich dan voordoet is of de overheid dit mag voorschrijven. De minister acht dit
    “waarschijnlijk” in strijd met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs en stichting. Bovendien
     kan volgens de minister het effect zijn dat te kleine vestigingen onder de opheffingsnorm val-
     len en, als deze niet wordt aangepast, moeten sluiten. Een ander effect is dat elke school afzon-
     derlijk financieel beleid (jaarverslag met balans en exploitatierekening, risicoreserve aanhou-
     den, enzovoort) moet voeren en dus over de nodige deskundigheid moet beschikken. Dat is
     nu niet het geval. Datzelfde geldt voor veel andere terreinen die nu doorgaans bovenschools
     geregeld zijn. Belangrijke efficiencyvoordelen van het bovenschools organiseren worden zo
     tenietgedaan.
     De tweede variant is dat één bestuur meerdere scholen onder zijn beheer heeft, maar dat de
     bekostiging die een bestuur voor een school ontvangt, volledig ten behoeve van die school
     moet worden besteed. In de wet kunnen dergelijke bestedingsbeperkingen als bekostigings-
     voorwaarden worden opgenomen. Maar wat is dan besteding ten behoeve van de school?
     Dat is moeilijk te bepalen bij bovenschools geregelde zaken zoals een gezamenlijk schoon-
     maakcontract of gezamenlijke remedial teachers, logopedisten, zorgmedewerkers, enzovoort.
     Nadere gedetailleerde regels zijn dan nodig om dit duidelijk te maken, met bijbehorende toe-
     name van de bureaucratie, administratieve regels, en dergelijke. Ook kunnen tegenvallers bij
     de ene school niet meer opgevangen worden door meevallers elders. Een dergelijke oormer-
     king is volgens de minister bovendien in strijd met de gedachte achter de lumpsumbekosti-
     ging: dat lokaal het beste te bepalen is waaraan geld moet worden besteed.
     Derde variant is dat het bevoegd gezag dat meer dan één school in stand houdt, de zeggen-
     schap meer op het niveau van de school belegt. In het managementstatuut kan het bevoegd
     gezag normaliter aangeven welke taken en bevoegdheden de directeur of rector in naam van
     het bevoegd gezag mag uitoefenen. De rechtspersoon zou in dit geval dan in het manage-
     32   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2010.
     Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    mentstatuut moeten regelen dat bijvoorbeeld alleen in overleg met de directeur of rector
    bekostiging van de school voor andere scholen of voor bovenschoolse doelen kan worden
    aangewend. Maar juridisch gezien kan het bestuur zijn eigen verantwoordelijkheden niet
    elders beleggen, het bestuur blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op
    de scholen die het in stand houdt. Als de overheid op deze wijze de interne verhoudingen
    (zeggenschap over geld en onderwijskwaliteit) gaat voorschrijven, komt zij in conflict met de
    grondwettelijk verankerde vrijheid van inrichting. Het effect is bovendien dat het bestuur zijn
    onderwijskundige en financiële verantwoordelijkheden niet meer kan waarmaken.
    Vierde variant ten slotte is dat de medezeggenschapsraad instemmingsrecht in plaats van
    adviesrecht krijgt over het financieel beleid. De minister concludeert dat dit een zo grote
    inbreuk op de bevoegdheid van het bestuur van de rechtspersoon is, dat het bestuur de ver-
    antwoordelijkheid voor het onderwijs en het financieel beleid van de rechtspersoon niet langer
    waar kan maken. Bovendien ontstaat er een onduidelijke verantwoordelijkheidsverdeling die
    kan leiden tot impasses in de besluitvorming. Het bestuur kan – zo stelt de minister – niet lan-
    ger worden aangesproken op de kwaliteit van het onderwijs (zwakke of zeer zwakke scholen).
    Pilotstudie naar toedelen van bekostiging naar vestigingen
    De raad heeft kennisgenomen van de mededeling van de minister dat zij, naar aanleiding van
    een motie33 van de Kamerleden Smits en Celik waarin de regering verzocht wordt een pilot te
    organiseren waarin de rijksbijdrage rechtstreeks aan de schoolvestiging wordt uitgekeerd, wil
    bekijken of het mogelijk is om dat bij een paar scholen wat scherper in beeld te krijgen en te
    onderzoeken wat voor dynamiek bekostiging per vestiging op gang brengt. Deze aanpak past
    in het algemene streven van de raad naar meer evidence based onderwijsbeleid.34
. Conclusies: wettelijke mogelijkheden voor grotere zelfstandigheid van
    afzonderlijke vestigingen, maar afhankelijk van landelijk, lokaal en
    schoolbestuurlijk beleid
    Bestuur eindverantwoordelijk
    Samengevat: er is wettelijk geen belemmering om bevoegdheden van het bevoegd gezag,
    zoals de identiteit of vormgeving van het schoolplan, laag in de organisatie, dat wil zeggen op
    schooldirectieniveau, te beleggen, hetzij via mandaat (opdracht/volmacht), hetzij door over-
    dracht (normaliter: via statutaire verdeling en tevens vastgelegd in het managementstatuut).
    In de meeste statuten zal echter staan dat het bevoegd gezag in de zin der wet het (college
    van) bestuur is, terwijl de schoolleiding een ruim mandaat/volmacht heeft om bijvoorbeeld
    het onderwijs in te richten. Het bestuur (aangeduid als bevoegd gezag) is eindverantwoorde-
    lijk voor de kwaliteit van het onderwijs (zie bijvoorbeeld artikel 10 WPO). Het bestuur van de
    rechtspersoon is ook het orgaan dat civielrechtelijk aansprakelijk is. Zo is ook de vertegenwoor-
    digingsbevoegdheid een zaak van het bestuur (zie artikel 2:291 en 2:292 BW voor de stichting).
    De administratief-technische bekostigingsvoorwaarden (zoals inzake het brin-nummer) beper-
    ken soms de mogelijkheid om vestigingen administratief apart te onderscheiden of een realis-
    tisch beeld te krijgen van bijvoorbeeld de omvang van de locatie. Ook de medezeggenschaps-
    wetgeving lijkt niet geheel toegesneden op de praktijksituaties. Het komt voor dat er grote
    33   Motie van de leden Smits en Çelik, 2010.
    34   Onderwijsraad, 2006.
    28                                                                       Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>afzonderlijke vestigingen zijn die geen aanspraak kunnen maken op een volwaardige mede-
zeggenschapsraad vanwege het ontbreken van een brin-nummer.
Beleid in twee richtingen
De raad constateert verder dat er in de landelijke beleidsvorming een duidelijke lijn te bespeu-
ren valt om ‘kleinschaligheid binnen grootschaligheid’ te bevorderen en een al te ongecontro-
leerde fusievorming af te remmen (bijvoorbeeld via de procedure van de fusietoets). De positie
van teams binnen scholen wil de wetgever versterken door het professioneel statuut. Tegelij-
kertijd blijft de eindverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (bestuur) voor de financiële
continuïteit van scholen en de onderwijskwaliteit overeind. In het nieuwe toezichtregime van
de Inspectie is de gesprekspartner ook niet langer de directeur of rector van een school, maar
het (college van) bestuur (metatoezicht). De Inspectie kijkt daarbij of het bestuur het manage-
ment wel correct aanstuurt: besturen moeten bovenop directies van (zeer) zwakke scholen
zitten. Ook bij een eventuele calamiteit op een afzonderlijke school of opleiding zal de buiten-
wacht verwachten dat het bestuur op de hoogte is en ingrijpt.
Ook moet bedacht worden dat in toenemende mate de autonomie van schoolbesturen
beperkt wordt door (bij wet voorgeschreven) vormen van bovenbestuurlijke samenwerking
met andere schoolbesturen, (jeugd)instellingen, bedrijfsleven of gemeenten (bijvoorbeeld in
de regionale planning of in het kader van spreidingsmaatregelen). Samenwerkingsverplichtin-
gen van het bestuur betekenen uiteraard op hun beurt weer een beperking van de speelruimte
van de afzonderlijke scholen en de verantwoordelijkheden van de (locatie)directeur, rector of
unit/teamleider.
Alternatieven en begrenzingen aan interne verzelfstandiging
Er zijn alternatieve modellen voorhanden waarbij de besturen zelfstandig kunnen blijven, maar
toch via samenwerking schaalvoordelen kunnen halen. Die zijn alleen niet zo bekend en heb-
ben ook (fiscale) nadelen. Het vereist meer verdieping in de mogelijkheden en meer onderzoek
naar met name de fiscale aspecten.
Het afzonderlijk toedelen van bekostiging aan eenheden binnen het bestuur is door de minis-
ter onderzocht. De raad vindt de afwegingen van de minister plausibel: afzonderlijke toe-
deling van bekostiging betekent dat het schoolbestuur zijn eindverantwoordelijkheid niet
meer waar kan maken. Bovendien zou dit – voor wat betreft het bijzonder onderwijs – haaks
staan op de verantwoordelijkheid die het Burgerlijk Wetboek toedeelt aan het bestuur van de
rechtspersoon en een disproportionele inbreuk betekenen op de grondwettelijke vrijheid van
inrichting.
Volgens de raad zal een antwoord op de vraag hoe we de ruimte voor interne betrokkenen
(scholen, vestigingen, units, en dergelijke) kunnen vergroten dus niet zo zeer liggen in groot-
schalige aanpassing van wetgeving en het opleggen van één model, maar in het benadrukken
dat er vele variëteiten zijn. Ook zal de boodschap zijn dat er duidelijkheid moet zijn over de
rolverdeling tussen de verschillende betrokkenen binnen de instelling (bestuur, interne toe-
zichthouder, management, teams) en dat de bestuurs- en organisatiecultuur een belangrijke,
zo niet dominante factor vormt bij de inkleuring. Op de verschillende praktijkvarianten wordt
ingegaan in hoofdstuk 3. De rolverdeling in de bestuurlijke en professionele zone komt aan de
orde in hoofdstuk 4.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    Globaal kan onderscheid gemaakt worden tussen twee praktijkvarianten. In
    het primair en voortgezet onderwijs staan scholen meer voorop en het be-
    stuur op de achtergrond. In het middelbaar en hoger beroepsonderwijs heeft
    het bestuur vaker een voorhoedepositie. In het voorliggend hoofdstuk komen
    de overeenkomsten en variaties tussen de instellingen aan bod. Hoe probeert
    een groot schoolbestuur grootschalig bestuur met kleinschalige organisatie
    van onderdelen te realiseren?
3   Structuur van de interne
    organisatie: de casus
. Inleiding
    Een analyse van de interne organisatie van tien grote schoolorganisaties – verspreid over de
    onderwijssectoren – vormt de kern van dit adviesrapport.35 Daarnaast hebben zeven onder-
    wijsorganisaties gereageerd op het verzoek van de raad om gegevens over en/of een praktijk-
    beschrijving van de interne organisatie van hun instelling (zie hoofdstuk 1). In het voorliggend
    hoofdstuk staan de meer structurele kanten van de interne organisatie centraal, hoofdstuk 4
    kijkt naar de (wenselijke en bereikte) bestuurlijke en professionele verhoudingen binnen de
    organisaties.
    Er blijken enkele belangrijke overeenkomsten te zijn in de structuur van de interne organisatie
    van grote onderwijsinstellingen en de uitdagingen en problemen waar zij voor staan. Para-
    graaf 3.2 beschrijft deze overeenkomsten. Er zijn ook verschillen in de gekozen structuur. Daar-
    bij is globaal (en gradueel) onderscheid te maken tussen twee varianten in de besturingsfilo-
    sofie van de organisaties. De eerste praktijkvariant is dat de individuele scholen binnen een
    bestuur36 als het ware voorop staan, terwijl het bestuur op de achtergrond blijft. Deze variant
    komt voor bij de instellingen in het primair en voortgezet onderwijs, maar ook bij sommige
    mbo-instellingen. De tweede praktijkvariant is dat het bestuur een voorhoedepositie heeft
    met de individuele scholen daarachter. Dit komt voor in het middelbaar en hoger beroeps-
    onderwijs (en het wetenschappelijk onderwijs).
    35   Zie Vijlder e.a. (2010). Voor deze cases zijn interviews gehouden met de voorzitter of een lid van het bestuur,een vertegenwoordiger
         van het personeel (meestal de voorzitter van de gmr), een vertegenwoordiger van de lokale overheid en een vertegenwoordiger uit
         de externe omgeving van de deelnemende onderwijsinstelling. Daarnaast zijn bij alle cases relevante beleids- en organisatiedocu-
         menten bestudeerd.
    36   Met de term scholen wordt gedoeld op de resultaatverantwoordelijke eenheden in de organisatie; die worden, afhankelijk van de
         sector en instelling ook locaties, vestigingen, schools, units of afdelingen genoemd.
    30                                                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    In dit hoofdstuk worden beide praktijkvarianten beschreven (paragraaf 3.3 en 3.4) met behulp
    van concrete voorbeelden uit het rapport. Steeds wordt nagegaan hoe een organisatie vanuit
    de gekozen besturingsfilosofie omgaat met vier terreinen van beleid en uitvoering: financiën
    en facilitaire zaken, personeelsinzet en -beleid, externe communicatie en samenwerking, en
    onderwijsprogrammering en -inhoud. Aan de hand hiervan worden conclusies getrokken over
    de bestuurbaarheid van grote onderwijsorganisaties (paragraaf 3.4) als opmaat voor de aanbe-
    velingen van het advies.
       De onderwijsinstellingen
       De instellingen zijn (in volgorde van aantal onderwijsdeelnemers):
       • Ons Middelbaar onderwijs (OMO): voortgezet onderwijs; 61.648 leerlingen op 33 scholen (67
            vestigingen); 4.414 fte’s (fulltime functies);
       • Carmel Onderwijs: voortgezet onderwijs; 35.000 leerlingen op 50 schoollocaties; 4.200
            medewerkers;
       • Lucas Onderwijs; primair en voortgezet onderwijs; 31.000 leerlingen op 54 scholen; 3.600
            medewerkers;
       • Hogeschool INHolland: hoger beroepsonderwijs; 31.000 studenten op 6 hoofd- en 7 nevenloca-
            ties; 2.200 ftes;
       • Amarantis Onderwijsgroep: voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs; 30.000 on-
            derwijsdeelnemers op 60 scholen; 3.300 medewerkers;
       • ROC Zadkine: vmbo, middelbaar beroepsonderwijs en educatie; 25.000 leerlingen; 2.200
            medewerkers
       • ROC Midden Nederland: middelbaar beroepsonderwijs en educatie; 22.000 leerlingen op 50 lo-
            caties; 2.000 medewerkers;
       • Windesheim: hoger beroepsonderwijs; 20.000 studenten op 5 locaties; 1.700 medewerkers;
       • INNOVO: primair onderwijs; 12.000 leerlingen op 59 scholen; 1.300 medewerkers;
       • Signum: primair onderwijs (en kinderopvang); 6.500 leerlingen op 25 scholen; 750 medewerkers
            (daarnaast 35 peuterspeelzalen).
    Daarnaast zijn aanvullende praktijkbeschrijvingen ontvangen van en/of gesprekken gevoerd
    met betrokkenen bij een schoolbestuur met zes basisscholen, vijf middelgrote instellingen
    voor voortgezet onderwijs (tussen vijf en dertien scholen), een schoolbestuur met in totaal elf
    po- (primair onderwijs), vo- (voortgezet onderwijs) en vmbo-scholen, en een business case van
    de samenwerkende oprichters van een Dutch HealthTec Academy (zie bijlage 2). De raad heeft
    deze voorbeelden als aanvulling op de uitgevoerde studie benut.
. Overeenkomsten tussen tien onderwijsinstellingen
    Streven naar zo veel mogelijk interne zelfstandigheid
    De belangrijkste overeenkomst is dat alle instellingen, van primair onderwijs tot hoger beroeps-
    onderwijs, expliciet aangeven in principe te streven naar een balans tussen centrale en decen-
    trale verantwoordelijkheden, waarbij als het kan de schooldirecteuren een zo groot mogelijk
    mandaat krijgen. Dat wil zeggen dat besturen zich willen onthouden van activiteiten die de
    individuele scholen, teams of werknemers zelf kunnen vormgeven en uitvoeren. Zij streven
    dus naar zo veel mogelijk interne zelfstandigheid van betrokken medewerkers en onderlig-
    gende organisatieonderdelen.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                             31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   Schooldirecteur verantwoordelijk
   Binnen Signum (primair onderwijs, 25 basisscholen) is de directeur van de school primair verant-
   woordelijk voor het onderwijs. Hij heeft veel autonomie en zeggenschap over zijn eigen school. De
   directeur houdt toezicht op de leraren en de bestuurder houdt toezicht op de directeur, en daarmee
   indirect ook op de leraren.
   Bron: Vijlder e.a., .
   Schooldirecteur vergaand mandaat
   De Meerwegenscholengemeenschap is een scholengroep met vijf scholen voor voortgezet onder-
   wijs, 5.400 leerlingen en 700 medewerkers. Elke school heeft een directie, het geheel wordt bestuurd
   door een vrijwilligersbestuur, dat vrijwel alle bestuurlijke taken heeft gemandateerd aan een twee-
   hoofdige centrale directie. De schooldirecteuren hebben een vergaand mandaat voor het besturen
   van de eigen school. Op alle beleidsterreinen is aangegeven binnen welke kaders de schooldirectie
   kan opereren. Op onderwijsgebied zijn er bijvoorbeeld ruimere regels dan op personeelsgebied. “Bij
   onderwijs geldt: je mag alles doen voor zover dat geen gevolgen heeft voor andere scholen. Centraal
   eisen wij dat scholen een (onderling verschillend) onderwijskundig profiel kiezen”, aldus het College
   van Bestuur.
   Bron: toegestuurde beschrijving van cvb-lid Meerwegengroep.
Rol van het bestuur in principe op macroniveau
Het streven van elk onderzochte instelling is de taken van het bestuur (college/raad van
bestuur) zo veel mogelijk te beleggen op het macroniveau van de organisatie. Daarbij gaat
het om: het beheren en verdelen van de financiën; het vaststellen van gezamenlijke kaders
van beleid; de centrale organisatie van stafdiensten en scholen; en de eindverantwoordelijk-
heid (het uitvoeren van het bevoegd gezag) voor onderwijskwaliteit en financiën. Om op
deze wijze te kunnen sturen en toezicht te kunnen houden, moeten de resultaten van de ver-
schillende lagen van de organisatie voldoende transparant zijn en moeten de verantwoor-
delijken ´per laag´ verantwoording afleggen naar de laag erboven (en uiteindelijk aan het
college van bestuur).
Het daadwerkelijk in praktijk brengen van dit streven is ingewikkeld en een kwestie van het
steeds opnieuw zoeken van de juiste ´balans´tussen centraal en decentraal. Dit lukt sommige
instellingen beter dan andere, zoals ook in hoofdstuk 4 aan bod zal komen.
Meestal stichting, soms vereniging
Acht van de tien cases kennen de stichtingsvorm als (consoliderend) rechtspersoon; OMO
en Windesheim hebben de verenigingsvorm. Het betreft in alle gevallen privaatrechtelijke
rechtspersonen. Niet alleen in het primair en voortgezet onderwijs, maar soms ook in het
beroepsonderwijs spelen denominatieve oorsprong en achtergrond een rol van betekenis
bij het besluit om te fuseren. Maar in veel organisaties lijkt de één-op-éénrelatie tussen de
identiteit van het bestuur en de identiteit van de individuele scholen wat minder betekenis
te hebben gekregen: de individuele scholen hebben verschillende schoolidentiteiten en zijn
met name samengegaan vanuit praktische redenen.
Raad-van-toezichtmodel
Onder de vrijheid van inrichting (voor het bijzonder onderwijs) valt de keuze voor het
bestuursmodel. Bij het openbaar onderwijs is de vrijheid van bestuurlijke inrichting beperk-
32                                                                              Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>ter. De gemeente heeft wel een keuze ten aanzien van de bestuursvorm (integraal bestuur,
bestuurscommissie of verzelfstandiging door bijvoorbeeld een openbare rechtspersoon of
stichting).
Bijna alle onderzochte instellingen (negen van de tien) kennen een raad-van-toezichtmodel.
Dat wil zeggen dat er een organisatorische scheiding bestaat tussen de raad van toezicht
en het college van bestuur. De raad van toezicht controleert of de instelling (het bestuur)
de publieke belangen waarborgt en een goed bestuur voert, en treedt op als werkgever en
klankbord voor het college van bestuur (in een enkel geval raad van bestuur genoemd). Het
college van bestuur legt periodiek verantwoording af bij de raad van toezicht. Het college
van bestuur bestaat in alle gevallen uit een tot drie personen. De raad van toezicht bestaat
meestal uit vijf tot acht personen.
Een uitzondering vormt het ROC Zadkine, dat gekozen heeft voor een zogenoemde ‘one-
tier board’. Dit is een gezamenlijke raad van uitvoerende en toezichthoudende bestuurders.
Er is dus geen aparte raad van toezicht en geen apart college van bestuur. Taken binnen
het bestuur van een onderneming worden verdeeld over ‘non-executives’ (Zadkine heeft
er zeven), die een primair toezicht houden en een klankbordfunctie hebben, en ‘executives’
(Zadkine heeft er twee, de chief executive officer en de chief financial officer), die bestempeld
kunnen worden als uitvoerende bestuurders.
Vaak tussenlaag: clusters van scholen
Soms zijn de scholen en stafdiensten direct gepositioneerd onder het college van bestuur
(INNOVO, OMO, Carmel, INHolland). Veel instellingen kennen echter een tussenlaag in de
organisatie. Het kan gaan om clusters van scholen (onderwijsgroepen, opleidingscentra, sec-
toren) met een clusterdirecteur, groepsdirectie of sectordirectie (Lucas, Windesheim, Amaran-
tis, Zadkine, ROC Midden Nederland). INHolland kent nu geen tussenlaag, maar werkt aan het
clusteren van de 18 ‘schools’ in 6 domeinen. Signum ten slotte heeft 2 ´losse´ bovenschool-
se directeuren. De directeur bedrijfsvoering stuurt de diensten aan, de directeur onderwijs
heeft een bestuursmandaat en staat boven de 25 schooldirecteuren.
De keuze voor het clusteren van scholen lijkt vooral aan de orde wanneer de instelling zo
groot is, dat het onmogelijk is voor het college van bestuur om met alle schooldirecteuren
afzonderlijk te overleggen en tot echte afspraken te komen. Ook is het een manier om te
komen tot minder bestuurders en directeuren, dus lagere kosten. Soms besluiten instellingen
(vanwege de bestuurbaarheid en kostenreductie) de bestaande clusters nóg eens te cluste-
ren. In feite gaat het daarbij om interne schaalvergroting. Het doel is echter om uiteindelijk te
komen tot kleinschaligere organisatie door meer verantwoordelijkheden te beleggen op het
laagst mogelijke organisatieniveau, zoals dit bij Windesheim het geval is.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   Reorganisatie bij Windesheim (hoger beroepsonderwijs)
   Windesheim heeft één grote campus en vier nevenvestigingen en werkt aan nog een grote locatie.
   In totaal bieden deze vijf locaties onderdak aan tien schools en zeven centrale diensten. Elke school
   bestaat uit een cluster van verwante opleidingen. Elke opleiding in een school wordt momenteel be-
   schouwd als een zelfstandige eenheid en heeft een eigen manager.
   Windesheim wil toewerken naar minder gelaagdheid, minder directeuren en minder managers. Dit
   wil de instelling bereiken door de schools opnieuw te clusteren: elke twee of drie schools worden
   daarbij samengevoegd tot een domein en de zeven diensten worden geclusterd tot drie diensten.
   De reorganisatie moet daarnaast leiden tot een kleinschaligere organisatie en betere communicatie.
   Om dit te bereiken komen verantwoordelijkheden laag te liggen. Uitgangspunt is dat een manager
   maximaal vijftien mensen mag beoordelen en voor maximaal vijftig mensen budgetverantwoorde-
   lijkheid heeft.
   Bron: Vijlder e.a., .
Strategische beleidsvorming
Alle onderzochte organisaties kennen een of meerdere beleidsorganen of overlegvormen
waarin bestuur en decentrale eenheden elkaar ontmoeten en met elkaar van gedachten wis-
selen over de hoofdlijnen van beleid. Deze zijn in meerdere of mindere mate geformaliseerd,
bijvoorbeeld in statuten of een managementstatuut. Een voorbeeld van dat laatste is de Car-
melstichting, waar het convent van schoolleiders een statutair orgaan is met een adviserende
taak naar het college van bestuur.
Resultaatverantwoordelijke eenheden
Alle onderzochte instellingen kennen resultaatverantwoordelijke eenheden in de organisa-
tie. Sommige beschouwen de individuele scholen als resultaatverantwoordelijk (die hebben
een eigen directeur en budget). Andere zien de clusters of onderwijsgroepen als resultaat-
verantwoordelijk. Resultaatverantwoordelijk wil doorgaans zeggen dat de clusters of scholen
zelf verantwoordelijk zijn voor de invulling van onderwijs en voor budgetbeheersing binnen
de bestuurlijke kaders. Het bestuur maakt hiertoe met de desbetreffende directeur afspraken
over de budgettaire ruimte en de resultaten die bereikt moeten worden, vrijwel altijd op basis
van prestatie-indicatoren. Op zijn beurt vertaalt de directeur deze afspraken naar verantwoor-
delijkheden en taken voor individuele scholen en eenheden. Deze zelfverantwoordelijkheid
van de afzonderlijke eenheden geldt zo lang het goed gaat op financieel en onderwijskun-
dig gebied, naar het oordeel van de toezichthoudende instanties NVAO (Nederlands-Vlaamse
Accreditatieorganisatie) en Inspectie. Het college van bestuur blijft immers altijd het bevoegd
gezag en kan/moet de touwtjes weer strakker in handen nemen als een school of cluster onder
een bepaalde maat komt of dreigt te komen. Hiervoor is een goed systeem van intern toezicht
(‘checks and balances’) essentieel.
Balans autonomie en sturing (checks en balances)
Alle instellingen zoeken voordurend naar een goede balans tussen autonomie van scholen/scho-
lenclusters enerzijds en centrale sturing door het college van bestuur als bevoegd gezag ander-
zijds. Subsidiariteit (zo veel mogelijk zelfstandigheid binnen algemene kaders) van de individuele
eenheden is voor instellingen vaak een uitgangspunt. Het motto van OMO laat dit bijvoorbeeld
zien: “kom eerder vragen om vergeving dan om permissie”. Dit geldt vooral als het gaat om het
vormgeven van de schoolidentiteit en het onderwijsprogramma. Op drie van de onderzochte
instellingen zijn de colleges van bestuur bezig meer checks en balances in te bouwen om te zor-
gen dat zij tijdig kunnen ingrijpen als het niet goed gaat met een school (of cluster).
34                                                                             Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Financieel beleid en personeelsbeleid centraal
De financiële en personele zaken zijn binnen de meeste grote onderwijsinstellingen sterk
gecentraliseerd. Hierbij speelt de wens om specialisten in te kunnen zetten voor specialistische
taken, zodat schoolleiders hun handen vrij hebben voor het onderwijsbeleid en het primair
proces. Het aanstellen van dergelijke specialisten of het uitbesteden van specialistisch werk
kan centraal beter vormgegeven worden door het bundelen van middelen en menskracht.
Ook speelt de angst van besturen voor de financiële risico’s die kunnen kleven aan al te grote
autonomie van schoolleiders op deze beleidsterreinen een rol.37 Twee voorbeelden zijn daarbij
genoemd. Ten eerste een schoolleider die zelf alle onderhandelingen voert rond een scholen-
bouwproject, met als resultaat een forse overschrijving van het bouwbudget. Ten tweede een
schoolleider die zelf het juridisch proces afhandelt rond een ex-medewerker, met als resultaat
dat de school een forse schadevergoeding moet betalen. In beide gevallen is het de vraag of
dit taken zijn die tot het domein van de schoolleider moeten worden gerekend. Het in dienst
nemen (inhuren) van professionals op deze gebieden kan dan veel leed voorkomen.
De verantwoordelijkheid voor het personeelsbeleid en voor de personeels- en salarisadminis-
tratie (al dan niet uitbesteed) ligt bij alle instellingen op het centrale niveau van de organisa-
tie. Voor het beleid zijn in het primair en voorgezet onderwijs hierbij de collectieve afspra-
ken tussen sociale partners en de minister van OCW in het Convenant Leerkracht van Nederland
(2008) bepalend. Hierin is afgesproken dat er meer loopbaanmogelijkheden komen voor lera-
ren. Er komt een nieuwe zogenoemde functiemix, waarbij er meer financiële ruimte komt voor
leraarsfuncties op een hoger functieniveau. Aan de verschillende lerarenfuncties (LA, LB en LC)
worden duidelijke criteria (opleidings- en functie-eisen) gekoppeld. De invoering van een ver-
beterde functiemix gebeurt vanaf 2010. Schoolbesturen ontvangen hiervoor deels extra over-
heidsgeld (vanaf 2009), deels bekostigen zij de invoering zelf.
Om de verplichte (collectief afgesproken) functiemix te realiseren, moeten de schoolbesturen
centrale afspraken maken. De functies zijn een gegeven, de school maakt zelf profielen die
daarbinnen passen. Op het centrale niveau van de organisatie gaat het niet om het aanne-
men en inzetten van individuele personeelsleden, daarover beslist doorgaans de individuele
school. Maar de individuele school heeft zich daarbij wel te houden aan de collectieve afspra-
ken over de toebedeling van functies (inclusief scholingsverplichtingen). Een schoolleiding kan
niet meer ‘zomaar’ iemand promoveren.
Een aantal instellingen geeft aan dat zij proberen op meer strategische wijze om te gaan met
het personeelsbeleid. Met het oog op het tekort aan gekwalificeerde leraren is het nodig zeer
efficiënt om te gaan met beschikbare menskracht en deskundigheid.
Centrale voorzieningen voor scholing
Verschillende grote scholenorganisaties onderhouden centrale voorzieningen voor opleiding
en bijscholing van docenten. Zo kent Amarantis management development beleid, waarbij
docenten getraind kunnen worden op het gebied van middenmanagement. Signum biedt coa-
ching gericht op professionele en persoonlijke ontwikkeling, en Lucas en ROC Midden Neder-
land kennen een eigen academie (zie onder).
37   Persoonlijke mededeling in gesprek met juridisch medewerker in dienst van groot schoolbestuur.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                               35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   Lucas Academie en Onderwijs Prijs
   Binnen Lucas Onderwijs zorgt de Lucas Academie voor uitwisseling van expertise, kennisdeling en
   professionalisering van medewerkers. In de Lucas Academie komen vraag en aanbod van medewer-
   kers op het gebied van scholing en schoolontwikkeling bij elkaar.
   Om kwaliteit en excellentie te bevorderen kent de stichting de Lucas Onderwijs Prijs. Een prijs die Lu-
   cas Onderwijs jaarlijks toekent aan eigen medewerkers en andere personen. De prijs wordt uitgereikt
   op basis van excellentie, betrokkenheid, (com)passie, talent, initiatief en bijzondere prestaties.
   Bron: Vijlder e.a., .
   Investeren in mensen
   NUOVO is in 2006 gestart met een traject waarbij alle leden van de schoolleiding van de elf scholen
   een management development programma hebben gevolgd. Voor dit programma hebben de deel-
   nemers hun eigen leerdoelen bepaald. Scholen voldoen zo aan de standaarden voor Investors In
   People. Allemaal voorbeelden van investeringen in mensen en leiderschap.
   Bron: casus NUOVO, geschreven door voormalige voorzitter van het college van bestuur, ingestuurd ten behoeve van dit advies.
Contacten externe relaties kunnen beter
De relaties met externe partners kunnen beter, aldus alle geïnterviewde bestuurders. De rela-
ties zijn in het algemeen nog niet goed georganiseerd. De houding van de instelling naar bui-
ten toe wordt door de besturen en andere geïnterviewden binnen en buiten de organisatie
(bijvoorbeeld door gemeenten) als ‘te beperkt’ beoordeeld. De centrale besturen voeren regel-
matig overleg met externe partijen, maar voor scholen, teams en docenten is dit vaak nog geen
gewoonte, hoewel de instellingen wel aangeven dergelijk relatiemanagement erg belangrijk
te vinden. Daarnaast is vaak niet goed afgestemd wie vanuit de instelling contact heeft met
welke (keten)partner. Het komt bijvoorbeeld voor dat vier mensen van vier verschillende een-
heden van de instelling over de vloer komen bij een ketenpartner (soms ook met verschillende
resultaten voor ogen).
De partners van grote scholenorganisaties geven op hun beurt doorgaans aan tevreden te zijn
met de samenwerking. Toch zijn er ook geluiden die aangeven dat het soms moeilijk onderhan-
delen is met een grote, machtige partner en dat zij daarbij vaak het onderspit delven. Daarbij is
het, wanneer de interne communicatie niet goed geregeld is, soms onduidelijk of de gespreks-
partner wel in staat is de uitgewisselde informatie en gemaakte afspraken te communiceren
naar de werkvloer.
Publiek debat negatief
Verschillende instellingen, met name in voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonder-
wijs, geven aan zich niet in het publieke debat te willen mengen. De publieke opinie is volgens
deze instellingen per definitie negatief over grote onderwijsinstellingen; dat zouden anonieme
leerfabrieken zijn zonder zeggenschap van docenten en leerlingen, onder zichzelf verrijkende
besturen. Men reageert vanuit dit beeld op de bestaande instellingen, los van hoe de werke-
lijke praktijk is. De instellingen hebben niet het idee dat zij dit beeld door deelname aan het
debat kunnen veranderen.
36                                                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>. Praktijkvariant : bestuur op de achtergrond, scholen voorop (primair en
    voorgezet onderwijs)
    Hieronder volgt een beschrijving van de eerste praktijkvariant. De twee varianten verschillen in
    besturingsfilosofie (A) en voeren deze filosofie door in de wijze van omgaan met financiën en
    facilitaire zaken (B), communicatie, beeldvorming en samenwerking (C) en onderwijsprogram-
    mering en –inhoud (D).
    Vooraf: stand van zaken in primair en voortgezet onderwijs
    In de afgelopen tien jaar is het aantal basisscholen nagenoeg gelijk gebleven, maar het aantal
    besturen met een derde afgenomen. Dit is voornamelijk het gevolg van ingezet overheidsbe-
    leid om bestuurlijke krachtenbundeling te bevorderen. Het gemiddelde aantal leerlingen per
    vestiging is constant gebleven (ruim 200), 7% van de leerlingen zat in 2004 op een school met
    meer dan 500 leerlingen. De bestuurlijke variëteit lijkt in deze sector nog voldoende gegaran-
    deerd. Fusies hebben vooral plaatsgevonden tussen scholen van dezelfde denominatie, zodat
    er binnen de meeste gemeenten nog steeds besturen van verschillende richtingen actief zijn.
    Uitzondering is een aantal gemeenten waar het gehele basisonderwijs tot één bestuur is gefu-
    seerd, zodat ouders enkel kunnen kiezen voor een school van dat bestuur; het schoolbestuur
    heeft dan een monopoliepositie.38
    Ook in het voortgezet onderwijs heeft het beleid geleid tot schaalvergroting, maar in dit
    geval zowel fysiek (samengaan van categorale scholen in grote scholengemeenschappen ) als
    bestuurlijk. In vergelijking met begin jaren negentig is hierdoor zowel het aantal scholen als
    het aantal schoolbesturen met een derde afgenomen. Het aantal vestigingen met één school-
    type is gehalveerd (van 661 in 1993 naar 366 in 2005). Het aantal vestigingen met meerdere
    schooltypen is gestegen (van 264 naar 422). De gemiddelde grootte van een vestiging is 700
    leerlingen, maar de onderlinge verschillen zijn groot. De helft van de leerlingen heeft les op
    een school met meer dan 1.000 leerlingen.39 Net als bij de basisscholen gaat het vaak om fusies
    van partijen van gelijke denominatie, maar ook hier neemt het aantal scholen met een mono-
    poliepositie in een gemeente toe.
    Binnen het openbaar onderwijs vindt bestuurlijke verzelfstandiging ten opzichte van de
    gemeente plaats. Meest genoemde motief hiervoor is de wens om een einde te maken aan een
    situatie waarin de gemeente de dubbelrol van overheid en bestuur vervult. Maar ook schaal-
    vergroting is een motief. Tussen 1997 en 2008 is het aandeel gemeentelijk bestuurd onderwijs
    gedaald van ruim 30% naar minder dan 10% in het primair onderwijs en van 25% naar ruim 5%
    in het voortgezet onderwijs. In de meeste gevallen wordt ervoor gekozen het onderwijs onder
    te brengen in een stichting voor openbaar onderwijs, die vermogensrechtelijk losstaat van de
    gemeente.40
    A. Besturingsfilosofie
    Binnen het primair en voortgezet onderwijs organiseren grote instellingen zich meestal zo
    dat de individuele scholen als het ware aan de voorkant staan en het bestuur erachter. Indi-
    viduele scholen voeren hun eigen naam en hebben veel autonomie als het gaat om onder-
    wijsinhoud en uitvoering. Personeel en leerlingen identificeren zich in de eerste plaats met de
    school; soms weten ze slechts vaag dat de school deel uitmaakt van een groter geheel. Dit is
    38  Onderwijsraad, 2008.
    39  Onderwijsraad, 2008.
    40  Onderwijsraad, 2008.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                          37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>een bewuste beleidskeuze van het bevoegd gezag, dat zichzelf positioneert als steunend en
adviserend. Belangrijkste taken van het bevoegd gezag zijn een doelmatige besteding van de
financiën, bestuurlijke en administratieve werkzaamheden en het creëren van een krachtige
onderhandelingspositie. Zo kan de schoolleiding zich concentreren op de onderwijsinhoud,
het eigen personeel en de leerlingen en ouders. Of de individuele scholen en schoolleiders ook
ervaren dat zij voldoende ruimte hebben voor eigen invulling komt in hoofdstuk 4 aan bod.
    Ons Middelbaar Onderwijs: niet sturen op onderwijsinhoud
    Het bestuur geeft aan dat zij ruimte wil geven aan de scholen om een eigen didactische aanpak te
    bepalen, zodat er voor ouders en leerlingen de mogelijkheid is onderwijs te kiezen dat aansluit bij
    hun wensen. Het bestuur wil niet sturen op onderwijskundige inhoud, afgezien van een paar basis-
    uitgangspunten. Men wil sturen op output in termen van prestaties van de verschillende scholen.
    Scholen kunnen meer vrijheid en een minder streng toezicht ‘verdienen’ door te laten zien dat ze
    goed presteren.
    Bron: Vijlder e.a., .
    Twee basisvoorwaarden voor interne verzelfstandiging
   “In mijn ogen zijn er twee basisvoorwaarden waarbinnen interne verzelfstandiging van scholen vorm
    kan krijgen:
    • een besturingsfilosofie gericht op ondersteunen, faciliteren en samenwerken:
    • een college van bestuur dat leiding durft te geven met lef (sturing), maar ook met liefde
          (ruimte).”
    Bron: casus NUOVO, geschreven door voormalige voorzitter van het college van bestuur ten behoeve van dit advies.
Doelmatigheidsdenken
Veel schoolbesturen in primair en voortgezet onderwijs noemen als belangrijkste motief voor
en voordeel van de grote schaal de mogelijkheid van doelmatiger omgaan met financiën. Alle
instellingen, ook die in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs, geven wat dit betreft
aan dat zij meer mogelijkheden (en middelen) hebben om goede bestuurders aan te trekken
dan kleinere instellingen en eenpitters. De doelmatigheid neemt kort na een fusie in eerste
instantie vaak af. Dan reduceert de instelling het aantal bestuurders en worden stafafdelingen
gebundeld en gesaneerd. Hierdoor neemt volgens de instellingen de doelmatigheid toe. Uit-
eindelijk komen meer middelen beschikbaar voor het primair proces. Ten eerste zijn er minder
(dure) bestuurders en managers. Daarnaast kan er goedkoper gewerkt worden door gezamen-
lijk inkoopbeleid, gezamenlijke diensten, betere benutting van gebouwen en vierkante meters,
gunstigere contracten voor aankoop van leermiddelen en uitbesteding van diensten.
Geen eenheidsworst maar familiegevoel
De individuele scholen hebben zoals gezegd veel onderwijskundige en organisatorische vrij-
heid en treden op als individuele school met een eigen geschiedenis en schoolcultuur. Het
is niet de bedoeling dat de bestuurlijke overdracht leidt tot een ‘eenheidsworst’. Zo stellen
verschillende bestuurders dat het voor de gemiddelde docent en leerling op een school niet
belangrijk is dat ze deel uitmaken van Carmel of OMO, het leeft op dit niveau niet en dat hoeft
ook niet per se.41 Op het niveau van teamleiders en daarboven leeft er volgens de bestuurders
wel zoiets als een ‘familiegevoel’.
41    Bron: seminar van 18 juni.
38                                                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Collectieve ambitie én eigenheid
Het college van bestuur ambieert in sommige organisaties binnen het primair en voorgezet
onderwijs voor de toekomst toch een wat meer inhoudelijk sturende en steunende rol. Taken
die deze colleges daarbij voor zichzelf zien weggelegd zijn: het steunen van innovatieve ont-
wikkelingen; het verbinden van scholen onderling; en het samen oppakken van de kwaliteits-
zorg. Vooral grote onderwijstellingen die vanuit een gezamenlijke identiteit zijn gefuseerd
(zoals de SKBA, Stichting Katholiek Basisonderwijs Alphen, in Alphen aan de Rijn42) lijken veel
waarde te hechten aan het zoeken en versterken naar het gezamenlijke, ook in de inhoud. Ver-
schillende schoolbestuurders geven aan dat zij de komende jaren willen werken aan meer col-
lectieve ambitie, maar daarbij toch de eigenheid van scholen willen bewaken.43
B. Financiën en facilitaire zaken
In het primair en voortgezet onderwijs is de middelenverdeling vanuit de overheid in alle
gevallen leidend voor de interne middelenverdeling. De praktische uitvoering van dit principe
verschilt. Bij sommigen (Carmel) gaat de overheidsbijdrage direct van het schoolbestuur naar
de school (het brin-nummer) waarvoor het bestemd is. Het schoolbestuur vraagt vervolgens
van de school een bijdrage voor de centrale kosten. De scholen kunnen de rest van het budget
naar eigen inzicht intern beheren en besteden. Soms gaat het andersom: het geld blijft eerst
bij het college van bestuur en de individuele scholen moeten het vervolgens ‘verdienen’ ( vol-
gens transparante criteria). Meestal bestaat er een afspraak of een beleid over de middelen die
besteed worden aan bestuur en staf op centraal niveau in de vorm van een ‘afdracht’ vanuit
de scholen en instellingen. Voor het overige kennen de afzonderlijke scholen en instellingen
een grote autonomie in de aanwending van de middelen. Bij geen enkele van de onderzochte
organisaties is het zo geregeld dat een school het budget dat aan het eind van het jaar over
is terug moet geven aan het college van bestuur. Dan zou er voor scholen geen prikkel meer
zijn om verstandig met geld om te gaan en wordt financieel initiatief niet beloond. Daarnaast
bestaan er vaak een of meerdere centrale fondsen als voorziening voor het gezamenlijk afdek-
ken van risico’s.
Bovenschools geld
De bestuurders uit de casus zijn het er over eens dat het, om de solidariteit tussen de scholen
onderling niet in gevaar te brengen, niet goed is om overheidsgeld dat bestemd is voor de ene
school over te hevelen naar de andere. Het is zaak dat het schoolbestuur financieel de zaken zo
op orde heeft (door bijvoorbeeld gezamenlijke fondsen te beheren) dat er bovenschools geld
beschikbaar is voor situaties waarin een school extra middelen nodig heeft of verdient. Zo kan
het bestuur een bepaalde school extra middelen verschaffen zonder dat het ten koste gaat van
een andere school. Bestuurders stellen soms dat het aantrekken van vreemd kapitaal ook een
functie is van grote schoolbesturen.44
Facilitair management en huisvesting
Grote schoolorganisaties kunnen voordelig omgaan met hun facilitaire voorzieningen. Het gaat
hierbij om huisvesting, centrale administratieve diensten, inkoopbeleid en contracten voor bij-
voorbeeld ict, leermiddelen en schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden. Voor Carmel
was dat zelfs dé belangrijkste reden om over te gaan tot fusie. De schoolbesturen sturen dan
ook allemaal stafdiensten en/of centrale bestuursbureaus aan, die op professionele wijze kun-
nen adviseren over wat er wordt uitbesteed en wat in eigen beheer gebeurt, welke centrale
42   Stichting Katholiek Basisonderwijs, 2009.
43   Bron: seminar 18 juni 2010.
44   Bron: seminar 18 juni 2010.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                         39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre> contracten afgesloten zouden moeten worden, enzovoort. Overigens moet binnen het primair
 en voortgezet onderwijs de huisvesting kleinschalig en wijkgericht zijn, waardoor op dit punt
 geen voordeel te behalen valt door scholen gezamenlijk te huisvesten op campussen. Dit is wel
 het geval in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs.
 Lage interne mobiliteit
 Een groot schoolbestuur heeft in principe ook het voordeel dat medewerkers gemakkelijk kun-
 nen overstappen van de ene naar de andere school om een tijd ergens anders te werken en
 nieuwe ervaringen op te doen. Alle onderzochte organisaties in deze praktijkvariant streven
 deze interne mobiliteit dan ook na, maar de resultaten blijven achter bij de wensen van de
 organisatie. Docenten lijken wat dit betreft zeer honkvast en zijn moeilijk te bewegen om (tij-
 delijk) elders aan de slag te gaan. Daarbij speelt waarschijnlijk een rol dat zij doorgaans onbe-
 kend zijn met de andere scholen die onder het schoolbestuur vallen en dat er soms grote (fysie-
 ke) afstanden zijn tussen de scholen onderling. Ook jongere docenten zijn niet te verleiden tot
 mobiliteit.
 C. Beeldvorming en samenwerking
 Niet profileren als eenheid
 De instellingen in primair en voortgezet onderwijs kiezen er doorgaans voor niet als ‘eenheid’
 naar buiten te treden. Dat betekent dat de individuele scholen ieder hun eigen naam voeren,
 met soms daarnaast de naam van de grotere organisatie als ‘achternaam’. De instellingen wil-
 len dat de individuele scholen hun ‘couleur locale’ behouden en zich als kleinschalige school
 met een eigen geschiedenis en cultuur profileren. “Op vestigingsniveau moet je een identiteit
 kunnen herkennen, overkoepelend zijn er enkel wat algemene waarden.” 45
 Daarnaast is er angst dat wanneer de organisatie zich als eenheid profileert en er iets misgaat op
 een school, alle scholen die onder dezelfde vlag varen besmet worden met het negatieve ima-
 go. Daarom is er binnen Amarantis zelfs sprake van een verbod op het gebruik van deze naam
 voor de individuele scholen. Niemand zit ‘bij Amarantis’ op school zoals studenten bijvoor-
 beeld bij INHolland op school zitten. Het imagorisico hiervan is volgens het bestuur te groot:
 een steekpartij in Amsterdam, en heel Amarantis is besmet met het beeld van onveiligheid.
 Dit beleid kan als nadeel hebben dat er ook geen eenheid ontstaat. Zo zou, volgens samenwer-
 kingspartner Amsterdam, Amarantis successen breder kunnen uitdragen. En externe belang-
 hebbenden (zoals het bedrijfsleven) vragen om meer duidelijkheid als het gaat om de strategi-
 sche keuzes van Amarantis als geheel.
 Extern overleg
 In het primair en voortgezet onderwijs bevindt de externe gerichtheid zich nog in een begin-
 stadium. Overleg en samenwerking met externen gebeurt in dit model vooral op bestuursni-
 veau. Dit is niet zozeer een bewuste keuze als wel een uitvloeisel van het feit dat individuele
 scholen hun externe communicatie vaak niet goed op orde hebben en nog erg intern gericht
 zijn. Samenwerkingspartners geven soms aan het lastig te vinden dat zij niet in rechtstreeks
 contact komen met de uitvoerders van het onderwijs.
 Bij Carmel lijkt dit probleem grotendeels opgelost. Hier heeft elke individuele school een
‘omgevingsadviesraad’, waarmee het omringend bedrijfsleven bij de school wordt betrokken.
 45  Bron: seminar 18 juni 2010.
 40                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>    Ook mogen individuele scholen veel zelf beslissen zonder goedkeuring van Carmel, waardoor
    samenwerking tot echte keuzes kan leiden, zoals onderstaand voorbeeld laat zien.
       Relatie met gemeente
       Een gemeente waar een Carmelschool is gevestigd geeft aan dat de relatie op dit moment vooral
       wordt gekenmerkt door samen optrekken en ‘elkaar wat gunnen’. Het is in het belang van deze ge-
       meente dat de Carmellocatie blijft bestaan. Het gesprek over benodigde nieuwbouw verliep langere
       tijd moeizaam, tot beide partijen bereid waren om te kijken naar nieuwe mogelijkheden en wegen
       om met dit vraagstuk om te gaan.
       In dit proces heeft de gemeente vooral samengewerkt met de schoolleiding en de locatieleiding.
       Deze staan gezien het onderwerp in nauw contact met het college van bestuur en het bestuursbu-
       reau vanwege de daar aanwezige expertise. Pas als de afspraken geformaliseerd moeten worden,
       heeft het college van bestuur een expliciete rol. De gemeente ervaart dit als een adequate verant-
       woordelijkheidsverdeling en heeft wel gemerkt dat binnen Carmel af en toe even moest worden ge-
       zocht naar en afgestemd over wie welke beslissing kon nemen.
       Bron: Vijlder e.a., .
    D. Onderwijsprogrammering en -inhoud
    Individuele scholen eerstverantwoordelijk
    Zoals gezegd zijn de individuele scholen in eerste instantie verantwoordelijk voor de inrich-
    ting van het onderwijs en de didactische en inhoudelijke keuzes die ze hierbij maken. Grenzen
    aan deze vrijheid liggen bij de inhoudelijke kaders die door wetgeving gegeven zijn (kerndoe-
    len, examens), kwaliteitsoverwegingen (de Inspectie moet gunstig oordelen en ‘dwingt’ grote
    schoolbesturen om zwakke scholen sterk aan te sturen) en de relatie met de keuzes die ande-
    re scholen maken. Een groot schoolbestuur wil namelijk voorkomen dat individuele scholen
    elkaar te veel beconcurreren en in elkaars vaarwater terechtkomen. Als daarom een school
    grootse plannen heeft om de aanpak of inhoud te veranderen (bijvoorbeeld het omvormen tot
    een technasium of het oprichten van een gymnasium), dan moet dat in overleg met het college
    van bestuur gebeuren. Immers, wanneer er al een school met een dergelijk aanbod in de buurt
    is, dan zou dat kunnen betekenen dat de scholen leerlingen van elkaar ‘afsnoepen’. Carmel
    heeft er om deze reden bijvoorbeeld voor gekozen een aantal scholen in Almelo die te sterk op
    elkaar leken onder te brengen bij twee centrale directies, met als voornaamste taak: de plurifor-
    miteit bewaken en zodoende voorkomen dat de scholen elkaar kapot concurreren.46
. Praktijkvariant : bestuur op de voorgrond, scholen/opleidingen erachter
    (middelbaar en hoger beroepsonderwijs)
    Hieronder volgt een beschrijving van de tweede praktijkvariant. Net als bij de eerste wordt
    nagegaan hoe een organisatie vanuit deze besturingsfilosofie (A) omgaat met drie terreinen
    van beleid en uitvoering: financiën en facilitaire zaken (B), communicatie, beeldvorming en
    samenwerking (C) en onderwijsprogrammering en -inhoud (D).
    Vooraf: stand van zaken in bve-veld en hoger beroepsonderwijs
    Met de invoering van de WEB in 1996 zijn verschillende scholen voor middelbaar beroeps-
    onderwijs en volwasseneneducatie opgegaan in roc’s en aoc’s (agrarisch opleidingen centrum).
    Sindsdien zijn er veel bestuurlijk fusies geweest in de sector. Het totale aantal mbo-instellingen
    46   Bron: seminar 18 juni 2010.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre> ligt nu rond de 60. In veel gevallen hebben de roc’s een regionale monopoliepositie. Tussen
 2001 en 2006 is het aantal bve-instellingen (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) met
 meer dan 10.000 deelnemers gestegen van 17 naar 20 ten koste van het aantal instellingen
 met 5.000 tot 10.000 deelnemers. Het aantal kleine instellingen (minder dan 5000) is gelijk
 gebleven (26). De gemiddelde vestigingsgrootte ligt onder de 500 deelnemers.47 Recentelijk
 zijn daarnaast samenwerkingsverbanden ontstaan tussen voortgezet onderwijs en middelbaar
 beroepsonderwijs in het kader van het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. Inmiddels zijn
 verschillende roc’s gefuseerd met vo-scholengemeenschappen, eenmaal is er gefuseerd met
 een hbo-instelling (hoger beroepsonderwijs).48
 In het hoger beroepsonderwijs heeft in de afgelopen decennia een sterke schaalvergroting
 plaatsgevonden. Tussen 1999 en 2006 is het aantal instellingen gedaald van 56 naar 41 en het
 gemiddelde aantal studenten gestegen van 5.200 naar ruim 8.700. De opleidingen zijn (ook in
 het middelbaar beroepsonderwijs) soms verspreid over verschillende locaties, soms bijeenge-
 bracht op een gezamenlijke campus. Het aantal instellingen in het wetenschappelijk onder-
 wijs is de afgelopen tien jaar gelijk gebleven, waarbij de instellingsgrootte is toegenomen (van
 gemiddeld 13.000 naar gemiddeld 17.000). Wel zijn er interne reorganisaties geweest waarbij bij-
 voorbeeld faculteiten zijn samengevoegd, wat wellicht interne schaalvergroting met zich heeft
 meegebracht (hierover zijn geen cijfers beschikbaar). Tegelijkertijd hebben universiteiten initi-
 atieven genomen om kleinschalig onderwijs te bevorderen (‘university colleges’, intensievere
 begeleiding van studenten). Bestuurlijke samenwerking is in deze sector beperkt gebleven tot
 samenwerking tussen de drie technische universiteiten en de (bestuurlijke) samenwerking tus-
 sen de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam en tussen de Vrije Uni-
 versiteit en Windesheim (deze laatste is overigens per 2009 weer ontbonden).
 A. Besturingsfilosofie
 Deze besturingsfilosofie kenmerkt zich door meer gerichtheid op het bereiken van eenheid in
 de organisatie dan in variant 1. Het bestuur heeft een bredere taakstelling: het realiseren en in
 stand houden van één organisatie met één naam en een duidelijk imago. Deze eenheid komt
 ook tot uiting in grootschalige, gezamenlijke huisvesting van verschillende scholen (meestal
‘units’ of ‘schools’ genoemd). Om eenheid te bevorderen hanteren de bestuurders in eerste
 instantie veel verplichte beleidskaders, waaronder vaak ook een gezamenlijk onderwijscon-
 cept en een uniform systeem van kwaliteitszorg. Enkele jaren na een fusie zwakken instellin-
 gen de kaders op het gebied van onderwijs overigens nog wel eens af (zie onder D). Andere
 instellingen (ROC Midden Nederland) concluderen juist na enige jaren dat het niet gelukt is om
 eenheid te creëren en maken alsnog een slag richting centralisatie. Wel streven alle instellingen
 ernaar zo veel mogelijk de verantwoordelijkheden decentraal te beleggen.
 Accreditatie en Crebo vragen om gelijke inhoud en minimale kwaliteit
 Wet- en regelgeving maken het voor mbo- en hbo-instellingen soms moeilijk verantwoorde-
 lijkheden over te laten aan decentrale niveaus. Accreditering en het verlenen van Crebo-licen-
 ties (Centraal Register Beroepsopleidingen) hebben bijvoorbeeld belangrijke consequenties.
 Een instelling moet namelijk per opleiding instellingsbreed een Crebo-licentie (middelbaar
 beroepsonderwijs) of een accreditatie (hoger onderwijs) verwerven om de opleiding te mogen
 aanbieden en voor bekostiging in aanmerking te komen. Dat betekent dat de inhoud van gelij-
 ke opleidingen die op verschillende locaties worden aangeboden grotendeels gelijk moet zijn.
 Daarnaast is het zo dat als een opleiding op één locatie niet voldoet, deze ook op andere loca-
 47   Onderwijsraad, 2008.
 48   Waterreus, 2009.
 42                                                                       Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>ties niet meer mag worden aangeboden. Daardoor is het college van bestuur gedwongen toe
te zien op de inhoudelijke kwaliteit van het opleidingenaanbod. Immers, als deze verantwoor-
delijkheid bij de individuele school wordt belegd, kan dat betekenen dat een niet behaalde
accreditatie of Crebo-licentie gevolgen heeft voor de hele instelling.
B. Financiën en facilitaire zaken
Ook in het beroepsonderwijs en hoger onderwijs bestaan er onderling afgesproken verdeel-
sleutels voor het budget. In alle gevallen zijn de gemeenschappelijke onderwijsondersteu-
nende voorzieningen (al dan niet centraal gepositioneerd) hier wat groter en is het aandeel
van personeel in het primair proces wat kleiner. Mede onder invloed van de maatschappe-
lijke discussie hierover wordt op deze percentages overigens ook wel gestuurd. Het college
van bestuur van ROC Midden Nederland streeft er bijvoorbeeld naar dat 70% besteed wordt
aan het primair proces, wat de ruimte voor bureaucratie of overhead per definitie beperkt. In
alle gevallen worden ook met centrale diensten en stafbureaus duidelijke budgetafspraken
gemaakt en interne verrekenprocedures vastgelegd. Beheer en verdeling van de financiële
middelen is een taak van het college van bestuur.
Verschillende instellingen hebben besparingen weten te bereiken (of proberen deze te berei-
ken). Dat gebeurt allereerst door meer efficiency in de bedrijfsvoering. Daarnaast geven
bestuurders ook aan dat het terugbrengen van het aantal bestuurders en sanering en cluste-
ring van bestaande diensten een rol speelt. Zo willen de instellingen bereiken dat een groter
deel van het geld direct beschikbaar komt voor het primair proces.
Gezamenlijke huisvesting
Onderwijsinstellingen kennen vaak één of meer hoofdvestigingen (vaak nieuwbouw) waar
diverse scholen gezamenlijk zijn gehuisvest (als campus), met daarnaast soms kleinere neven-
vestigingen. Hierdoor zijn zij in staat doelmatiger om te gaan met ruimte en materialen. Door
vestiging op één campus kan meer samenwerking ontstaan tussen individuele scholen. Ook
zijn de lijnen met centrale diensten en bestuurders korter wanneer deze in hetzelfde gebouw
of op hetzelfde terrein gehuisvest zijn. Tevens is het makkelijker om gezamenlijk bijeenkom-
sten (overleg, scholing) en uitwisseling van docenten en studenten tussen de scholen onderling
vorm te geven wanneer er een campus is. Aan de andere kant mag er geen sprake zijn van een
anoniem gebouw waar niemand elkaar kent. Instellingen lossen dit op door de vormgeving van
hun nieuwbouw: hierin krijgt iedere school een duidelijk, apart onderdeel van het gebouw.
C. Beeldvorming en samenwerking
Instellingen voor middelbaar en hoger beroepsonderwijs kiezen er doorgaans voor om zich
extern te profileren als eenheid.49 Een voorbeeld is Saxionhogescholen in Oost-Nederland.
Sommige mbo-instellingen profileren zich per school
Overigens zijn er ook mbo-instellingen die ervoor kiezen veel kleine locaties in stand te hou-
den. ROC West Brabant (geen casus) is een voorbeeld: iedere school houdt daar zijn eigen naam
en zorgt zelf voor profilering. Mondriaan Den Haag heeft dit ook geprobeerd, maar men kiest
langzamerhand toch voor een gelijke ‘kleur’.50
49   Bron: seminar 18 juni 2010.
50   Bron: seminar 18 juni 2010.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                        43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Samenwerking, externe contacten
In het algemeen geven gemeentes aan dat zij de samenwerking met de grote onderwijstel-
lingen in de begintijd na de fusies moeilijk vonden. De instellingen waren vooral bezig met
de interne organisatie en hadden minder oog voor externe partners. Vooral de laatste jaren is,
mede door de intrede van lectoren en de verschuiving van opleidingsinstituut naar kennisin-
stituut, de externe oriëntatie van hbo-instellingen verbeterd. Lastig blijft dat er op bestuurlijk
niveau, maar vooral op managementniveau veel verschillende gesprekspartners zijn, omdat de
expertise verdeeld is over meerdere personen en locaties. Wel spelen externe contacten zich,
meer dan bij organisaties van praktijkvariant 1, af op zowel bestuurs- als schoolniveau. INHol-
land geeft desondanks aan moeite te houden met het organiseren van de externe contacten.
   Lastig samenwerken
   Het onderhouden van alle relaties met de externe omgeving is voor de drie leden van het college
   van bestuur van INHolland fysiek ondoenlijk. Dit wordt dus veelal gedelegeerd, maar het moet wel
   georganiseerd worden. Bestuurders van INHolland ervaren dat het lastig blijft om de regionale ver-
   binding goed tot stand te brengen op verschillende locaties. In de praktijk hebben externe partijen
   vaak met veel verschillende mensen vanuit INHolland te maken en komen er bijvoorbeeld vier ver-
   schillende mensen van vier verschillende domeinen over de vloer.
   Ook gemeenten geven aan dat het contact vanzelfsprekender en gemakkelijker (met één persoon)
   was toen de hogescholen nog ‘stadshogescholen’ waren. Nu zijn er meerdere schools, meerdere
   directeuren, meerdere contactpersonen, het gemis van één aanspreekpunt wordt daardoor wel
   gevoeld.
   Bron: Vijlder e.a., .
De samenwerking met anderen neemt soms ook verregaande vormen aan, waarbij partners
bijvoorbeeld samen bepaalde voorzieningen in stand houden of zelfs nieuwe onderwijsvoor-
zieningen oprichten, zoals onderstaand voorbeeld laat zien.
   Dutch HealthTec Academy in oprichting
   In 2007 ontstond bij Amarantis, ROC Koning Willem 1 College, opleidingscentrum SVGB en ROC Zad-
   kine het idee om gezamenlijk één nieuwe school op te zetten op het gebied van de gezondheids-
   techniek, een branche waarin groeiende vraag is naar goed opgeleid personeel. De verschillende
   instellingen hebben elk al beroepsbegeleidende leerwegen op dit gebied in huis, die zij nu in één
   kennisinstelling in Utrecht willen samenbrengen tot Dutch Health Academy: één merk, één locatie,
   één directeur. Op termijn willen de samenwerkende partners graag dat de nieuwe school één juridi-
   sche entiteit wordt, maar voorlopig wordt dit belemmerd door bepaalde delen van de onderwijswet-
   geving. Voorlopig is daarom gekozen voor een samenwerkingsovereenkomst.
   Het ontbreken van een juridische eenheid veroorzaakt wel problemen; bijvoorbeeld bij de aanstel-
   ling van gemeenschappelijk personeel, de aanschaf van gemeenschappelijke middelen, en het in-
   schrijven, examineren en diplomeren van de leerling onder de regimes van drie verschillende roc’s.
   Bron: business case Dutch HealthTec Academy. Zien, Horen, lachen, Bewegen. SVGB kenniscentrum, juli .
44                                                                                                      Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>D. Onderwijsprogrammering en –inhoud
Gezamenlijk onderwijskader
In deze praktijkvariant zijn er op centraal niveau meer inhoudelijke afspraken over de opzet
en inhoud van het onderwijs dan in praktijkvariant 1. Daarnaast zijn Crebo-eisen en accredita-
tie-eisen bepalend voor de inhoud van het onderwijs. Individuele scholen hebben doorgaans
ruimte in de manier waarop zij het onderwijsproces inrichten om aan deze eisen te voldoen.
De onderlinge afhankelijkheid tussen de eenheden is hier vaak groter dan in het primair en
voortgezet onderwijs. Dat heeft te maken met de wijze waarop het toezicht georganiseerd
is (zie onder), maar ook bijvoorbeeld met de noodzaak studenten aan verschillende schools
of vestigingen les te geven. Sterk verschillende roosters, leerlingvolgsystemen en onderwijs-
concepten zouden hierbij een belemmering vormen. Dit alles betekent dat meer sturing van
bovenaf noodzakelijk is waar het de inhoud van het onderwijs betreft dan in het primair en
voortgezet onderwijs.
Competentiegericht onderwijs op roc´s
Beide roc´s (Zadkine en ROC Midden Nederland) hebben een centrale onderwijsvisie aanslui-
tend op de landelijke norm van competentiegericht onderwijs. Zadkine heeft bovendien cen-
traal beleid en een implementatieplan ontwikkeld om dit te bereiken.
   Competentiegericht onderwijs bij Zadkine
   Zadkine voert een centraal onderwijsconcept in. Met ingang van het cursusjaar 2010-2011 moeten –
   net als elders – alle mbo-opleidingen competentiegericht zijn. Dit betekent tevens dat alle opleidin-
   gen gebaseerd zullen zijn op de nieuwe kwalificatiestructuur. Bij dit omvangrijke proces is de onder-
   wijsvisie van Zadkine Leren is samen denken, durven en doen richtinggevend en bindend.
   De onderwijsteams spelen volgens de bestuurders een cruciale rol bij de implementatie van deze
   visie. Zadkine heeft de uitvoering daarom uitgewerkt in een Aanvalsplan invoering. De vijf pijlers van
   de visie zijn hierin uitgewerkt in standaarden, die vervolgens weer vertaald zijn in indicatoren. Deze
   zijn bedoeld om teams houvast te bieden. Bij alle indicatoren geldt het principe ‘pas toe of leg uit’,
   met andere woorden: ieder team geeft aan hoe de onderwijsvisie concreet toegepast wordt bij het
   ontwikkelen, inrichten en uitvoeren van het onderwijsprogramma.
   Bron: Vijlder e.a., .
Gezamenlijk onderwijskader op hbo-instellingen
INHolland heeft in de begintijd na de fusie geprobeerd een centraal onderwijsconcept (Back-
bone) in te voeren op alle schools. Daarbij werd er gestreefd naar een grote uniformiteit tus-
sen dezelfde opleidingen op verschillende locaties. Er was weinig ruimte voor een regionale
kleuring van de opleidingen. Dit proces stuitte op de nodige weerstand bij de opleidingsteams
en verliep daardoor niet erg soepel. Inmiddels is echter de ervaring opgedaan dat de betrok-
kenheid van docenten bij het onderwijs afneemt door te veel uniformiteit, omdat zij zelf dan
te weinig invloed hebben op de inhoud. De huidige koers is juist om te streven naar meer regi-
onale kleuring en minder sturing. Dit is duidelijk te zien in de ontwikkeling van het onderwijs-
concept Backbone 2.0, waarin opleidingen de ruimte krijgen om onderling te verschillen. Dit
schept mogelijkheden voor meer regionale inbedding van de opleidingen en biedt ruimte om
verschillende invullingen te geven aan de voltijd- en deeltijdvorm van onderwijs. Wel zijn er
gezamenlijke afspraken over bijvoorbeeld het opdelen van het jaar in semesters, omdat het
voor studenten anders lastig wordt een bepaald studieonderdeel elders te volgen. Dat ervaren
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                     45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    docenten vaak ook als restrictie, maar bestuurders zien het als onvermijdelijk. 51 Ook Windes-
    heim probeert vorm te geven aan gezamenlijke onderwijsinnovatie.
       Onderwijskader Windesheim
       In 2004 is Windesheim gestart met een proces van onderwijsinnovatie onder de naam Windesheim
       Organisatie Ontwikkelings Plan. De innovatie heeft tot doel om het onderwijs zodanig in te richten
       dat het beantwoordt aan de nieuwe eisen die de omgeving nu en in het komende decennium stelt.
       Men stelt dat die omgeving vraagt om studenten die breed zijn opgeleid en tegelijk deskundig op
       hun vakgebied zijn en die adequaat en flexibel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen in de
       samenleving. Het in 2006 ingevoerde major- en minormodel ondersteunt deze doelstelling en moet
       Windesheim in staat stellen snel in te spelen op veranderende wensen en behoeften van de arbeids-
       markt. Het competentiegericht onderwijs is bedoeld om een goede aansluiting bij de praktijk te
       realiseren.
       Bron:Vijlder e.a., .
. Conclusie: onderscheid in besturingsﬁlosoﬁe tussen po/vo en mbo/hbo
    Voor alle onderzochte instellingen staan twee principiële uitgangspunten als een paal boven
    water. Ten eerste moet het bestuur zich (enkel) bezighouden met taken op het macroniveau
    van de organisatie. Ten tweede moeten verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in de organisa-
    tie gelegd worden. Toch blijft het steeds zoeken naar de beste praktische uitwerking van deze
    principes en daarmee naar een goede balans tussen een centrale en decentrale organisatie-
    structuur. In de praktijk zijn er na de fusies globaal twee besturingsfilosofieën ontstaan, deels
    ingegeven door praktische verschillen tussen de onderwijssectoren primair en voortgezet
    onderwijs enerzijds en middelbaar en hoger beroepsonderwijs anderzijds. In het primair en
    voortgezet onderwijs (en deels ook in het middelbaar beroepsonderwijs) plaatsten de bestu-
    ren zich in eerste instantie veelal wat op de achtergrond, met als belangrijkste taak vormgeven
    aan meer doelmatigheid en het bij de scholen wegnemen van bureaucratisch gedoe. In het
    middelbaar en hoger beroepsonderwijs neemt het bestuur vaker een voorhoedepositie in en
    heeft het als taak alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Gaandeweg zijn de beide varianten
    echter, bij het zoeken naar een goede balans, meer naar elkaar toegegroeid. Zo geven po- en
    vo-instellingen vaak aan dat zij in de toekomst streven naar meer collectieve uitgangspunten
    en beleid (Zonder koers geen richting52), terwijl veel mbo- en hbo-instellingen juist aangeven dat
    zij wat zijn afgestapt van het streven naar eenheid en uniformiteit. Toch zal de uitkomst niet
    zijn dat er slechts één ‘best practice’ overblijft; varianten zullen altijd nodig zijn, al was het enkel
    door de verschillen in aard tussen de onderwijssoorten. Alleen al het feit dat het primair onder-
    wijs bestaat uit veel kleine scholen en er geen maatschappelijk draagvlak is voor grote basis-
    scholen (plus veel praktische bezwaren, bijvoorbeeld de reistijd voor kinderen), zorgt ervoor
    dat de verschillen blijven voortbestaan.
    In het volgend hoofdstuk staan de rolverdeling in de bestuurlijke en professionele zone en de
    acties ten behoeve van ouderbetrokkenheid in grote onderwijsorganisaties centraal.
    51   Bron: seminar 18 juni 2010.
    52   Stichting Katholiek Basisonderwijs Alphen aan de Rijn, 2009.
    46                                                                           Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>    De rolverdeling tussen bestuurders, managers en leraren is in de afgelopen
    twintig jaar sterk veranderd. De rol van bestuurders en managers is omvang-
    rijker en ingewikkelder geworden. Schooldirecteuren functioneren nu als lijn-
    manager en ook docenten staan steeds minder alleen in de uitvoering van hun
    beroep. De ruimte van directeuren en docenten hangt samen met de mate
    waarin de organisatie kleinschaligheid weet te bewerkstelligen en met de or-
    ganisatiecultuur: docenten willen de waarde en waardigheid van hun vak er-
    kend hebben worden en het moet de gewoonte zijn om afspraken na te komen.
    De verhouding met ouders is weer een andere; de zorg over de omvang van de
    school kan weggenomen worden door oudernetwerken te organiseren.
4   Scholen en groepen scholen:
    bestuurders, leraren en ouders
. Inleiding: dualiteit in verhoudingen
    Scholen zijn duale organisaties met een beheersmatige-bestuurlijke component en een pro-
    fessionele component. Het scherpst is deze dualiteit tot uitdrukking gekomen aan de universi-
    teit waar in principe sprake is van enerzijds academisch zelfbestuur en anderzijds een centraal
    beheersapparaat. Nu is dat specifiek voor de universiteit, maar in elke onderwijsinstelling is een
    debat over wat de beste vorm is voor de verhouding tussen deskundigheid op het gebied van
    het financieel-economisch bestuur en vertegenwoordiging van de beroepsgemeenschap.
    Het gaat erom deze dualiteit in te zetten voor de vorming van een onderwijsgemeenschap. De
    raad heeft als consistent uitgangspunt dat de onderwijsinstelling vooral een sociaal verband
    is – een gemeenschap – waarbinnen alle partijen in belangrijke mate parallelle belangen heb-
    ben. Zoals ook al bleek uit het vorige hoofdstuk, wil dat niet zeggen dat er geen verschillende
    posities bestaan. Het gaat er juist om deze uiteenlopende posities samen te doen komen in
    een onderwijsgemeenschap waarin allen willen bijdragen aan het leren en de vorming van
    leerlingen en studenten.
    Mede als gevolg van het beleid van deregulering en autonomievergroting van de afgelopen
    twintig jaar zijn onderwijsinstellingen in toenemende mate zelf verantwoordelijk voor het
    financieel en personeelsbeleid en voor de manier waarop zij onderwijsconcepten invullen. Dit
    leidt tot verschuivingen in de rollen en taken van professionals en dualiteit in rolmodellen:
    managers en docenten worden in de ‘governancediscussie’ tegenover elkaar geplaatst. Er ont-
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                            47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>    staat een dynamiek in termen van ‘machtenscheidingen’ en bevoegdheden (zie de totstandko-
    ming van het professioneel statuut dat een eigen positie van de leraar wettelijk wil borgen). Dit
    hoofdstuk gaat eerst in op de wat de raad hier noemt de bestuurlijke zone: de huidige rolverde-
    ling (opvatting en invulling) van interne toezichthouders, bestuurder en directeuren/managers
    (paragraaf 4.2). Vervolgens wordt ingegaan op de veranderende rol van leraren en de relatie
    met het management: de professionele zone (paragraaf 4.3). De verhouding met ouders komt
    aan bod in paragraaf 4.4. De conclusies en aanbevelingen uit het advies Ouders als partners
    (Onderwijsraad, 2010c) staan hier centraal. Tot slot worden conclusies getrokken (paragraaf 4.5),
    die de opmaat vormen voor de aanbevelingen in het volgende hoofdstuk.
. Bestuurlijke zone: verhouding intern toezicht, bestuur en management/
    directie
    Raad van toezicht
    De meeste onderwijsinstellingen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs hebben
    gekozen voor een raad-van-toezichtmodel. Daarbij worden toezicht en bestuur door twee
    afzonderlijke instanties uitgevoerd: de raad van toezicht en het bestuur.53 De raad van toezicht
    controleert de instelling op goed bestuur en treedt op als werkgever en klankbord voor de
    bestuurders. De leden van een raad van toezicht moeten er dus steeds alert op zijn dat hun rol
    een andere is dan die van bestuurder. Zeker als er binnen de raad van toezicht oud-bestuurders
    aanwezig zijn, zal scholing in het onderscheid niet overbodig zijn.
    Bestuurders en managers
    Zo veel mogelijk autonomie voor schoolbesturen was lange tijd de insteek van het beleid. Deze
    grotere bestuurlijke en financiële vrijheid voor het bestuur heeft zijn impact op de positie van
    schooldirecteuren en leraren (zie paragraaf 4.3). De laatste jaren is er echter als gevolg van een
    nieuwe governance filosofie weer meer aandacht voor andere partijen dan het bestuur. Uit-
    gangspunt daarbij is dat het bestuur zodanig moet zijn dat het andere partijen (leraren, ouders,
    bedrijfsleven) in staat stelt invloed uit te oefenen op het onderwijsbeleid en op de praktijk van
    een school. Dit zou de mogelijkheden van leraren/docenten vergroten om het onderwijs in te
    richten op basis van professionele inzichten. Een ingewikkelde opgave voor (met name grote)
    schoolbesturen, waar zij in de praktijk gestalte aan proberen te geven.
    De rol van bestuurders en managers (schoolleiders) is de afgelopen jaren veranderd en gepro-
    fessionaliseerd. De toenemende eigen (financiële) verantwoordelijkheid van scholen en de
    complexiteit van het werk betekenen dat het niet langer mogelijk is dat bestuurders en mana-
    gers hun taken er ‘even bij doen’ als vrijwilligerswerk of naast lesgevende taken. Zeker niet
    wanneer het een grote onderwijsinstelling betreft: daar bestaat het management van de
    school inmiddels meestal uit meerdere lagen. De beroepsgroep van schoolleiders heeft zich
    in de afgelopen jaren duidelijk geprofileerd. Zo zijn er beroepsprofielen ontwikkeld voor het
    schoolmanagement. Daarin is de competentie leidinggeven aan het onderwijsproces (uiteen-
    gelegd in diverse onderdelen) van groot belang. In de functiebeschrijvingen van fuwasys (func-
    tiewaarderingssysteem voor het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroeps-
    onderwijs) is terug te vinden dat de schoolleider zich in toenemende mate bezig moet houden
    met het leidinggeven op hoofdlijnen.54
    53  Er is geen reden om dat bestuur aan te duiden als college van bestuur, een aanduiding die zeker in het basisonderwijs niet past bij een
        wijk-/dorpsgericht en oudervriendelijke voorziening.
    54  Onderwijsraad 2007. Het hoger beroepsonderwijs werkt met een verwant systeem fuwa-hbo.
    48                                                                                                    Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Praktijk: verbeteren bestuurbaarheid centraal
Het besturen van een grote organisatie is ingewikkeld en hierdoor kwetsbaar. Verschillende
van de voor dit advies onderzochte instellingen zijn op dit moment dan ook bezig met een ver-
betering van de bestuurbaarheid. Dat doen zij door te proberen verbetering aan te brengen in
de verantwoording van individuele scholen over beleid en resultaten, de vertaling van gege-
vens naar bruikbare managementinformatie en de vooruitgang en verdere implementatie van
een ‘plan-do-check-act’ kwaliteitscyclus.
Uit de verschillende interviews blijkt dat bestuurders het wel eens lastig vinden om niet op de
stoel van de schooldirecteuren te gaan zitten en om de individuele eenheden echt de ruimte
te geven waar de besturingsfilosofie van spreekt. De bestuurders van een aantal instellingen
voelen juist de noodzaak de touwtjes meer aan te trekken om zo meer controle te hebben.
Daarnaast wordt door een aantal geïnterviewden aangegeven dat door toenemende regelge-
ving de besturen steeds meer checks en balances inbouwen om ‘in control’ te zijn. Dit wordt
op het niveau van de scholen als belastend ervaren. Bestuurbaarheid en het op papier op orde
hebben van lijstjes en resultaten lijkt daarmee een doel op zich te zijn geworden, aldus een van
de geïnterviewden. Soms leiden bestuurbaarheidproblemen zelfs weer tot ontvlechting van
de organisatie.
   Onoverbrugbare afstand tussen VU en Windesheim
   Aanleiding voor de fusie tussen de Vrije Universiteit en Hogeschool Windesheim tot één rechtsper-
   soon (Vereniging VU-Windesheim) in 2003 waren maatschappelijke ontwikkelingen (kennisecono-
   mie, levenslang leren in brede variëteit, enzovoort) en voorgenomen wetgeving waarbij het hoger
   beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs veel nadrukkelijker met elkaar verbonden
   zouden worden. Daarnaast wilde men vanuit de protestants-christelijke identiteit samen optrekken.
   Oorspronkelijk was er na de fusie één college van bestuur. Er zouden twee volwaardige campussen
   ontwikkeld worden met elk een eigen profiel. Daarbij gingen de bestuurders ervan uit dat de wetge-
   ving op termijn toe zou gaan naar meer verbinding tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschap-
   pelijk onderwijs. Dat gebeurde echter niet. Daarnaast bleek het onhaalbaar om op twee campussen
   een volwaardig pakket aan opleidingen te bieden. Tot slot is het bestuur er niet in geslaagd zowel
   de fysieke als de culturele afstand tussen de twee organisaties te overbruggen. Er is nog steeds één
   overkoepelende vereniging, met één raad van toezicht, maar wel aparte colleges van bestuur en er is
   in de praktijk vooral sprake van samenwerking tussen de twee organisatieonderdelen.
   Bron: Vijlder e.a., .
Gevaar van budgetmaximalisatie
Een grote organisatie, of dat nu in het onderwijs is of daarbuiten, brengt vaak het streven met
zich mee van budgetmaximalisatie.55 Dat kan gebeuren wanneer maatschappelijke status en
soms ook de beloning van bestuurders en managers in grote mate afhankelijk zijn van de
omvang en de groei van de organisatie en de daarmee verband houdende maatschappelijke
betekenis. Bovendien is er landelijk een proces waarbij gaandeweg de rollen en functie-eisen
van bestuurders en toezichthouders zich verder uitkristalliseren. Nog niet in alle gevallen is hier
de vereiste professionaliteit aanwezig, die bij grote tot zeer grote eenheden hoort, zoals onder-
staande zienswijze van een schooldirecteur duidelijk maakt.
55   Baarsma,2008.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                   49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   Onvoldoende checks en balances
   Bij het governance model zoals dat binnen onze onderwijsinstelling gestalte heeft gekregen, was
   de afgelopen jaren sprake van onvoldoende checks en balances. De raad van toezicht had weinig
   kennis van en ervaring met onderwijsproblematiek. De voornaamste informatiebron van de raad
   van toezicht was de bestuurder. Daardoor werd de raad van toezicht eenzijdig geïnformeerd. Als
   er een vacature in de raad van toezicht was, kwam de bestuurder met een voorstel voor aanvulling
   (een bekende) en dat voorstel werd doorgaans overgenomen. De bestuurder had daardoor steeds
   gelijkgestemde zielen als toezichthouder. Daarnaast huurde het bestuur ook bekenden in als ´onaf-
   hankelijke adviseur´.
   Dit bestuur beschouwde onderwijs als onderneming. De focus lag op plannen en verantwoorden,
   prestaties, rendement en output. De schooldirecteuren wilden wel verantwoording afleggen, maar
   bij hen lag het accent meer op vertrouwen (in plaats van wantrouwen), ruimte (in plaats van sturing)
   en aandacht (in plaats van beleidsplannen en verantwoording daarover). Onderwijsverbetering laat
   zich immers niet afdwingen door het stellen van targets.
   Conclusie: in de praktijk van het onderwijs kan de democratische controle onvoldoende zijn, wan-
   neer de ouders of personeelsleden in de medezeggenschapsraad over onvoldoende kennis of over-
   redingskracht beschikken tegenover een krachtige bestuurder. Ook als directeuren hebben wij ons
   in deze periode volstrekt machteloos gevoeld.
   Bron: bijdrage van een schooldirecteur aan dit advies
Positie directeur/management
De schooldirecteur had enkele decennia geleden een vrij autonome positie en voerde de lei-
ding over één school of onderwijsinstelling, een leef- en werkgemeenschap van hooguit enke-
le honderden leerlingen en tientallen leraren; in het primair onderwijs was en is deze schaal
in veel gevallen nog kleiner. De directeur was degene die de zorg droeg voor de uitvoering
van alle taken die niet tot het primair proces behoorden: financiën, gebouwenbeheer, contac-
ten met ouders en de gemeente, aanname van leraren en leerlingen, lesrooster, aanschaf van
onderwijsmiddelen , enzovoort. De schoolleider stond in directe verbinding met de overheid
(Inspectie) en met de ouders van de leerlingen. Vaak woonde de rector of directeur nabij de
school en gaf zelf ook wat onderwijs. Er was een herkenbaar gezicht van de school naar buiten
toe, ook omdat men vaak jarenlang verbonden bleef aan één en dezelfde school.
De autonome schooldirecteur die de volledige leiding voerde over zijn eigen school, is steeds
meer vervangen door de directeur als ´locatiemanager´ die een bepaalde positie inneemt in
een hiërarchische organisatielijn van bestuurders en managers. Dit is voor velen een nieuwe rol.
Inmiddels lijken veel schooldirecteuren in het voortgezet onderwijs en middelbaar en hoger
beroepsonderwijs goed op hun plek in hun nieuwe positie, dan wel vervangen te zijn door een
nieuwe generatie schoolmanagers die nooit anders gewend is geweest. In het basisonderwijs
is dit soms anders, met name omdat scholen in deze sector veelal eenpitters zijn. Nu dat ook in
deze sector gaat veranderen in de richting van institutionele en bestuurlijke samenwerking/fusie,
vinden sommige schooldirecteuren het niet makkelijk hun draai te vinden in hun nieuwe rol.
Schoolleiders ervaren doorgaans voldoende ruimte van het bestuur
Recent onderzoek onder schoolleiders in het primair onderwijs laat zien dat de meeste school-
leiders – ondanks bovengenoemde veranderingen – vinden dat zij voldoende autonomie heb-
ben ten opzichte van het bestuur.
50                                                                           Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   Casus: autonomie in bepalen identiteit van scholen openbaar primair onderwijs Amsterdam
   De Rekenkamer Amsterdam heeft de onderwijskundige autonomie van verzelfstandigde openbare
   scholen in Amsterdam (stadsdelen west binnen de ring) getoetst door na te gaan of zij ruimte heb-
   ben voor het formuleren van een eigen profiel en of schoolleidingen zeggenschap hebben over be-
   langrijke delen van het beleid.
   Wat is het beleid?
   Volgens het beleid van het bevoegd gezag kunnen goed functionerende scholen hun eigen profiel
   of onderwijsconcept bepalen. Alleen als scholen zwak functioneren of te klein worden, kan het be-
   stuur veranderingen in het onderwijsconcept voorstellen.
   De Rekenkamer constateert dat er variëteit aan profielen tussen de scholen is. Het meest duidelijk is
   de profilering van scholen op grond van onderwijsmethoden (dalton, montessori) of een specifiek
   aandachtsprofiel zoals kunst en cultuur. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek concludeert
   de Rekenkamer dat er bij de schoolleidingen geen sprake is van ontevredenheid over de wijze waar-
   op zij de identiteit van hun school kunnen vormgeven. Leden van de (gemeenschappelijke) mede-
   zeggenschapsraden constateerden nauwelijks veranderingen in de profilering van de scholen in de
   afgelopen jaren. Een enkel lid van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad constateerde
   zelfs verbetering in de herkenning van de scholen. Overigens bestaat er bij sommige leden wel zorg
   over de identiteit van scholen in de toekomst.
   Hoe is de zeggenschap verdeeld?
   Conclusie van de Rekenkamer is dat er over het algemeen genoeg ruimte is voor de afzonderlijke
   scholen om vorm te geven aan hun identiteit. De onderwijskundige autonomie is in het beleid ge-
   waarborgd. Wel dienen de schoolleidingen rekening te houden met aandachtspunten over de or-
   ganisatie van het onderwijs, het personeel, huisvesting en ict, die hoofdzakelijk door het bestuur
   worden bepaald.
   In een aantal gevallen heeft het bestuur ingegrepen met duidelijke gevolgen voor de zeggenschap
   van de schoolleidingen. Dit is gebeurd bij drie door de Inspectie als zwak beoordeelde scholen en bij
   een enkele andere school, waarvan de leiding door bestuur en directie als onvoldoende werd gezien.
   Directe gevolgen voor de onderwijskundige autonomie heeft dit niet gehad. Bij één school werd
   vanwege de omvang van het aantal leerlingen het profiel wel veranderd. Voor zover de Rekenkamer
   dit kon beoordelen gebeurde dit in goed overleg met de schoolleiding, de ouders en het stadsdeel.
   Tevredenheid over taakverdeling bestuur en scholen
   De Rekenkamer stelt dat er in het algemeen tevredenheid bestaat bij de schoolleidingen over de
   mate van zeggenschap die zij over inhoudelijke en bedrijfsmatige onderwerpen hebben. Onderwijs-
   inhoudelijke onderwerpen, zoals de brede school en vroeg- en voorschoolse educatie, liggen vooral
   bij de scholen. Over bedrijfsmatige onderwerpen bepalen het bestuur en de directie het beleid. On-
   tevredenheid is er bij schoolleidingen vooral over passend onderwijs en over het onderhoud van
   de scholen. Met betrekking tot passend onderwijs stelt een aantal schoolleidingen dat door een te
   hoge ambitie en een te hoog tempo onderwerpen niet goed in het directieoverleg aan de orde zijn
   geweest. Enkele schooldirecteuren menen dat het bestuur de stedelijke koers te ‘braaf’ volgt en wil-
   len meer tijd voor de invulling van passend onderwijs op hun school.
   Bron: Rekenkamer stadsdelen Amsterdam, .
Het blijkt dat de besturen de scholen vooral in hun onderwijskundige keuzes veel vrijheid
laten.56 Scholen ervaren zelden beperkingen vanuit hun bestuur bij beslissingen die ze nemen
over het primaire proces of over vernieuwingen die ze willen aangaan. Iets minder beleidsvrij-
heid krijgen ze vanuit hun bestuur bij de inrichting van het kwaliteitsbeleid. Duidelijk de minste
56   Karstanje, Glaudé, Ledoux & Verbeek, 2008.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                    51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>vrijheid (dus de meeste beperking) is er op het gebied van personeel en financiën. Ongeveer
de helft van de schoolleiders geeft aan dat bij hen op dit gebied de beleidsvrijheid niet groot is.
Hoe meer scholen er vallen onder een bestuur, hoe geringer de ervaren beleidsvrijheid, vooral
op de terreinen kwaliteitsbeleid en financieel beleid. Grote besturen hebben kennelijk de nei-
ging om op deze terreinen meer centraal te regelen dan kleine besturen.57 Verder blijkt dat
scholen met veel leerlingen uit achterstandsgroepen op financieel gebied, anders dan ver-
moed, minder beleidsvrijheid te ervaren dan andere scholen. De verschuiving van middelen
voor de bestrijding van onderwijsachterstanden van gemeente naar schoolbestuur heeft er
mogelijk toe geleid dat besturen die middelen aan hun scholen zijn gaan toekennen vanuit
eigen centrale regie, zonder scholen veel ruimte te laten.
Een belangrijke kanttekening die diverse schoolleiders ten aanzien van de lumpsumfinancie-
ring maken is dat beleidsvrijheid in het basisonderwijs een relatief begrip is. Een groot deel
van de middelen ligt vast, vooral in salarissen, en er is dus feitelijk niet zo veel ruimte om eigen
accenten te leggen. Het onderzoek schetst ook dat er een ontwikkeling gaande is. Steeds vaker
wordt beleid door bestuur en schoolleiders samen gemaakt, waarbij bijvoorbeeld het direc-
teurenoverleg van de betrokken scholen een belangrijke rol speelt.
Basisonderwijs: lange communicatielijnen tussen scholen
In het primair onderwijs komt daar nog bij dat er geen sprake is van gezamenlijke huisves-
ting zoals in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs of van grote scholengemeenschap-
pen zoals in het voortgezet onderwijs. Immers, een basisschool heeft een wijk- of dorpsfunctie
en moet zijn gevestigd op een locatie dicht bij de leerlingen. Voor een school voor voortgezet
onderwijs geldt dit ook, zij het dat een wat grotere afstand tot de woonomgeving van de leer-
ling acceptabel is. Hierdoor kunnen de communicatielijnen tussen scholen onderling lang zijn,
vaak is het zelfs zo dat scholen van eenzelfde schoolbestuur elkaar nauwelijks kennen.
Eenheidsbeleid
Maar weinig besturen voeren een differentieel beleid, dat wil zeggen beleid dat rekening houdt
met verschillen tussen scholen en schoolleiders in behoeften, capaciteiten en omstandighe-
den. Karstanje c.s. (2008) heeft vrijwel geen voorbeelden gevonden van expliciet bestuursbe-
leid dat uitgaat van verschillen tussen scholen. Het beleid laat zich meestal typeren als een-
heidsbeleid. Wel komt het voor dat het bestuur algemene kaders stelt waarbinnen scholen
weer eigen accenten kunnen leggen.
57  Karstanje e.a, 2008.
52                                                                          Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   Voorbeeld van indeling in eenheden: INOS basis- en speciaal onderwijs Breda
   In een jaarverslag van de INOS/SKOB-scholen wordt in het jaarverslag een uitwerking gegeven van
   de organisatorische indeling.
  “De eerste verschijningsvorm is de school als bekostigingseenheid (brinnummer). Gezien de financiële
   implicaties is het zaak hier niets aan te veranderen.
   De twee verschijningsvorm is de school als eenheid voor ouders en kinderen. Ouders hechten veelal
   aan deze eenheid: de school in de buurt. Dit gaat uiteraard in mindere mate op voor de REC en SBO
   scholen die veel meer een regionale functie vervullen. Op grond van de relatie met ouders en kinde-
   ren past het niet in de visie van INOS om dit beeld van de school aan te tasten.
   De derde verschijningsvorm is de school als organisatorische eenheid. Vanuit deze invalshoek kan in
   het verlengde van de organiseerprincipes en de visie op sturingslagen een organisatorische bunde-
   ling van scholen binnen een organisatorische eenheid worden gemaakt. Het is dan zaak om eenhe-
   den te maken van 3 tot 6 teams.
   Meer specifiek heeft in deze benadering een organisatorische eenheid de volgende kenmerken:
   • Eén visie als afgeleide van centrale missie, visie en strategische kaders met ruimte voor verschil-
         lende onderwijsconcepten
   • Eén beleid op het gebied van bedrijfsvoering
   • Eén organisatorisch raamwerk met ruimte voor teams om daar op “eigen” resultaatverantwoor-
         delijke wijze binnen te functioneren
   […]
   Met de invoering van resultaatverantwoordelijke teams is het helder hoe verantwoordelijkheden
   zijn verdeeld. Scholen kunnen er afhankelijk van hun algemene situatie in die context voor kiezen
   om een gefaciliteerd aanspreekpunt voor een locatie te hebben. Dit uiteraard binnen de reguliere
   exploitatieruimte.
   Tijdens het proces van de vorming van de organisatorische eenheden hebben alle scholen een alge-
   meen schoolprofiel voor INOS-scholen aangevuld met een specifiek schooleigen profiel dat mede
   als informatiebron in dit proces heeft gefunctioneerd. Tevens heeft elke school aangegeven over
   welke specifieke kenmerken de directeur voor hun school bij voorkeur zou moeten beschikken. Dit
   in aanvulling op het algemene INOS-profiel voor directeuren. In individuele gesprekken met alle di-
   recteuren zijn de voorkeuren van betrokkenen besproken en vastgelegd.”
   Bron: INOS/SKOB jaarverslag .
Ruimte ‘opeisen’
Schoolleiders die vonden dat de overheid de inhoudelijke beleidsvrijheid van de school beperkt,
gaven ook aan dat zij minder ruimte hebben voor eigen beleid. Een mogelijke verklaring hier-
voor is dat een schoolleider die meer vrijheid neemt, meer ruimte creëert voor eigen beleid en
daarmee kansen schept voor de ontwikkeling van het eigen beleidsvoerend vermogen.58 Ver-
der is gebleken dat naarmate besturen meer vrijheid laten op het terrein van kwaliteitsbeleid
en er lokaal meer beleidsvrijheid is, schoolleiders de school hoger positioneren op het aspect
integraal strategisch beleid. Oftewel: scholen zijn volgens schoolleiders op dit terrein actie-
ver naarmate het schoolbestuur minder stuurt op kwaliteitsbeleid (en de invulling hiervan dus
meer overlaat aan de scholen).
58   Karstanje e.a, 2008.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                    53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>    Bestuurders: directeuren opereren soms té autonoom
    De schoolbestuurders met wie in het kader van dit advies is gesproken schetsen een iets ander
    beeld dan hierboven. Na een lange tijd van zelfstandigheid identificeren sommige schooldi-
    recteuren en individuele scholen zich volgens hen niet altijd ten volle met de centrale orga-
    nisatie waarvan zij nu onderdeel uitmaken. Dit geldt niet alleen voor het primair onderwijs.
    Ook in delen van het hoger beroepsonderwijs is dit sentiment volgens hen hier en daar nog
    te bespeuren, zoals bij voormalige zelfstandige pabo’s, heao’s of hts’en met een lange eigen
    historie.59 Het kan er ook mee te maken hebben dat scholen met diverse religieuze, sociale
    en/of vakinhoudelijke achtergronden zijn samengevoegd. Deze scholen zijn nu genoodzaakt
    zich aan te passen aan een centrale organisatie die de belangen van meerdere scholen en de
    organisatie als geheel dient en niet altijd in de eerste plaats de belangen van elke afzonder-
    lijke school. Daarnaast zien de schooldirecteuren volgens bestuurders niet altijd de voordelen
    van deelname aan een groter geheel en identificeren zij zich te weinig met de organisatie als
    geheel. Ook het afleggen van verantwoording over resultaten is een cultuurverandering voor
    deze directeuren. De weg naar een meerlagige loyaliteit die zowel de school omvat als de gro-
    tere eenheden (onderwijsinstelling, schoolbestuur) is niet eenvoudig.
. Professionele zone: leraar ten opzichte van het management
    Leraren binnen grotere onderwijsorganisaties
    Voor de professionele zone is van belang hoe leraren en docenten zich tot elkaar verhouden
    en hoe de verhouding is tot het management. Drie aspecten lijken bepalend voor de positie
    van leraren die deel uitmaken van een grote onderwijsorganisatie: de mate van inspraak, de
    betrokkenheid, en de zelfstandigheid in de uitoefening van hun functie.60 De hogeschool Win-
    desheim heeft onlangs een enquête uitgezet onder de docenten, waaruit blijkt dat er wel een
    spanning wordt ervaren in de verhouding tot het management, maar dat de inhoudelijke auto-
    nomie vooralsnog voldoende is.
       Professionele ruimte?
       In het kader van het publieke debat over de professionele ruimte heeft de centrale medezeggen-
       schapsraad een enquête gehouden onder Windesheim-docenten. Enkele resultaten:
        • vrijwel alle docenten geven aan soms spanning te ervaren in hun relatie tot het management
             indien beide hun professionele ruimte innemen; en
        • twee derde van de docenten ervaart voldoende ruimte om het onderwijs inhoudelijk en didac-
             tisch vorm te geven.
       Bron: Vijlder e.a., .
    Dit resultaat komt overeen met eerdere bevindingen van de raad in het advies Leraarschap is
    eigenaarschap (2007), met de aantekening dat er wel verschillen zijn naar leeftijd en onderwijs-
    sector. De positie van leraren verschilt per onderwijssector. Zo is in het primair onderwijs vaak
    het team leidend; de schoolleiding neemt meestal geen inhoudelijke beslissingen zonder het
    team te raadplegen. In het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is dit
    minder vanzelfsprekend.
    59   Vijlder e.a, 2010.
    60   Onderwijsraad ,2007.
    54                                                                         Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>De verschillende managementlagen in een grote onderwijsinstelling maken het voor de lera-
ren soms onduidelijk waar bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden liggen. Zij
ervaren het (college van) bestuur of de bovenschoolse manager als een relatieve buitenstaan-
der. Het gevoel van afstand is soms letterlijk: vroeger liep je zo bij de directeur binnen, tegen-
woordig is er een apart kantoor.
Zoals de raad al aangaf in zijn advies over het eigenaarschap van leraren in 2007 is altijd sprake
van een zekere dualiteit in posities. De schoolleiding heeft het voortouw in het bepalen van de
financiële en organisatorische randcondities, de professionele beroepsbeoefenaren hebben
het voortouw als het gaat om de vakinhoud en het primair proces.
Er spelen ook informele, met de organisatiecultuur verbonden factoren rond positiebepaling
van leraren en managers in het onderwijs. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een cultuur van
verantwoordelijkheid geven en vertrouwen. De erkenning van de ‘waardigheid’ van het beroep
van leraren speelt als belangrijke gevoelskwestie door deze discussie, die vaak gaat over forme-
le posities en zeggenschap. Leraren zullen – zo stelde de raad in genoemd advies – een meer
actieve opstelling moeten innemen en het wij-zijdenken doorbreken. Managers moeten com-
petent zijn en beide partijen moeten elkaar aanspreken op professionaliteit.
   Verkenning in het middelbaar beroepsonderwijs
   Hoe kun je als roc het onderwijsproces zo organiseren dat er nog sprake is van een menselijke maat
   (zich gekend en betrokken voelen bij de school)? In het rapport De menselijke maat in het mbo ver-
   kend van het ECBO (Expertisecentrum Beroepsonderwijs) wordt ingegaan op de wijze waarop bin-
   nen grote scholen het primaire onderwijsproces in aparte units of afdelingen met vaste docentteams
   dicht bij de deelnemer op menselijke maat georganiseerd wordt. 60
   De onderzoekers concluderen dat er binnen de vier onderzochte opleidingen manieren zijn gevon-
   den om het primaire proces met aandacht voor de menselijke maat te organiseren. Aspecten die
   voor leraren daarin een rol spelen zijn het bieden van een vaste structuur (met beperkte keuzemoge-
   lijkheden voor deelnemers), passende huisvesting, een vertrouwde fysieke en sociale omgeving en
   een heldere organisatiestructuur met voldoende professionele ruimte voor docententeams, gefacili-
   teerd door de organisatie (aansturing, professionele bedrijfsvoering, goede ondersteuning).
   Deze aspecten van de menselijke maat komen eigenlijk gewoon neer op een goede organisatiekwa-
   liteit van het onderwijs. Het optimaliseren van de organisatie is volgens de onderzoekers een con-
   tinu ontwikkelproces, waarbij voortdurende interactie tussen organisatie, docententeams en deel-
   nemers plaatsvindt.
Niet streven naar te veel eenheid in onderwijs
Het streven naar sterke uniformiteit in het onderwijs binnen grote onderwijsorganisaties lijkt
niet te leiden tot kwaliteitsverbetering en kan er zelfs voor zorgen dan professionals niet meer
betrokken zijn bij hun werk. Zodoende kan het gebeuren dat mooie plannen niet geïmplemen-
teerd worden omdat docenten niet meewerken.
Er zijn voorbeelden waarbij instellingen proberen de betrokkenheid van docenten (en daar-
mee de implementatie van beleid) te vergroten door het invoeren van zelfverantwoordelijke/
zelfsturende teams. Het gevaar hiervan is echter dat docenten zich dan alleen betrokken voelen
61    Venne & Hesseling, 2010.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                  55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>bij het team waarvoor ze verantwoordelijk zijn (dit was bijvoorbeeld bij Amarantis het geval).
De autonomie van teams is in die zin ook altijd relatief.
Autonomie van professional onjuiste insteek?
De discussie over de autonomie van de professionele onderwijsgevende lijkt steeds minder te
gaan over de optimale balans tussen autonomie en ruimte enerzijds en controle en gezamen-
lijke kaders anderzijds. Het is veeleer een ‘machtsstrijd’ over formele bevoegdheden gewor-
den. Onderwijsgevenden ´eisen´ daarbij ruimte op ten opzichte van het management en het
bestuur. Op hun beurt proberen managers en bestuurders deze autonomie zodanig in te per-
ken dat zij grip houden op de organisatie. Met voldoende ruimte voor het zelfstandig hande-
len van professionals zijn de kwaliteit van het onderwijs en het onderwijsproces zeker gediend.
Autonomie is echter geen doel op zich, maar dient de kwaliteit van het onderwijs in stand te
houden of te verbeteren. En naast het recht op ruimte heeft de onderwijsgevende ook (morele)
plichten ten aanzien van de professionele invulling ervan. Van belang is dat er een meervoudige
loyaliteit wordt gecreëerd: loyaliteit ten opzichte van het team, de school(locatie), de instelling
(bestaande uit meerdere collega-vestigingen) en ten slotte ‘het onderwijs’ als zodanig.62
Professionele organisatiecultuur; voortdurend gesprek
Professionele autonomie wil niet zeggen dat iedereen zijn eigen gang kan gaan. Autonomie is
altijd relatief en ingebed in een kader van afspraken die in de verschillende netwerken worden
gemaakt. Zo is het bevoegd gezag afhankelijk van de wettelijke kaders en de bovenbestuur-
lijke afspraken, de schoolleider afhankelijk van de afspraken binnen het bestuur, en de docent
afhankelijk van de afspraken binnen het team. Duidelijkheid in de verhoudingen is van belang
(geen ‘rolvervaging’: een raad van toezicht houdt toezicht, een bestuurder bestuurt, een mana-
ger geeft leiding, een team heeft duidelijke doelstellingen) en checks en balances in de com-
municatie en informatievoorziening (eenduidigheid van afspraken).
Kortom: bestuurders en managers hebben de opdracht met elkaar en met de professionals te
communiceren over de manier waarop er met ruimte, controle en fouten wordt omgegaan in
de organisatie. Het feit dat een organisatie nooit uitgepraat raakt over dergelijke kwesties is
geen teken van zwakte maar juist van kracht.
Wat is de juiste reflex op het moment dat er meer autonomie wordt genomen dan is afgespro-
ken in de kaders? Sancties? Maar er moet ook lerend en zelfcorrigerend vermogen worden
opgebouwd, waarbij fouten maken mogelijk moet zijn, en daarover openlijk wordt gesproken.
Een cultuur van geslotenheid, of erger intimidatie, kan een risico inhouden voor de instelling;
zaken die uit het lood lopen worden lastiger te ontdekken, en komen vaak te laat naar boven.
Een docent ziet iets, maar houdt het voor zich vanwege mogelijke consequenties voor hem of
voor een collega, student of leerling. Een en ander kan ook het gevolg zijn van vervreemding
in de besluitvorming (de besluiten zijn ‘ver weg’ genomen, de vertegenwoordigende instan-
tie zoals de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad wordt niet als legitiem gezien). Het
gevolg kan zijn dat er gehandeld worden in strijd met geldende afspraken binnen de instelling.
Door instellingen en betrokken instanties die zorgen voor legitimering van besluitvorming
moet dus gezorgd worden voor intrinsieke professionaliteit waar een leraar of docent vastigheid
aan kan ontlenen in zijn of haar omgang met leerlingen en studenten.
62   Vergelijk de verschillende vormen van burgerschap die de raad onderscheidde in zijn advies Onderwijs en burgerschap (2003): school-
     burgerschap, maatschappelijk burgerschap en staatsburgerschap.
56                                                                                                 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>. Relatie en verhouding met ouders
    Zoals in paragraaf 1.1 al is gesteld richt de raad zich in dit advies primair op het bestuur en
    de passende vormen van interne organisatie. Uiteraard zijn passende vormen (de ‘menselijke’
    maat) uiteindelijk functioneel voor de gebruiker: ouders, leerlingen en studenten.
    De raad heeft in zijn advies Ouders als partners (Onderwijsraad, 2010c) aangegeven dat hij geen
    meerwaarde ziet in toenemende juridisering van de relatie tussen de ouder en de school. Juri-
    dische veranderingen hebben sinds de introductie van de WMS weinig meerwaarde opgele-
    verd voor ouders. Integendeel, zo stelde de raad, met de toegenomen schaalvergroting en
    de introductie van de bovenschoolse gemeenschappelijke medezeggenschapsraad lijkt die
    afstand zelfs groter geworden. Wettelijke positionering is bovendien geen garantie dat de
    betrokkenheid daadwerkelijk toeneemt. De raad maakte in het advies een onderscheid in drie
    typen van relaties tussen ouders en school. Ten eerste bestaat er een individuele, juridische rela-
    tie (vastgestelde rechten en plichten). Ten tweede zijn ouders samenwerkingspartners als het
    gaat om de opvoeding en het leerproces van hun kind. Ten slotte zijn alle ouders onderdeel
    van een (informele) oudergemeenschap. In deze benadering gaat het niet meer zozeer direct
    om de belangen en noden van de eigen kinderen, maar om die van de oudergroep van een klas,
    een groep, een jaar of de school als geheel; kortom, voor een ouder is de schaal van de school
    de kleinst mogelijke eenheid. De Onderwijsmeter  (zie eerder paragraaf 1.1) bevestigt dit: de
    meeste ouders maken zich druk om de groepsgrootte en een kwart van de ouders in het pri-
    mair en voortgezet onderwijs heeft zorgen over de omvang van de school. 63
    De hoofdlijn in het advies Ouders als partners was dat het beleid minder de juridische relatie,
    maar meer het partnerschap en het lidmaatschap van de oudergemeenschap moest bena-
    drukken. In theorie wordt door schoolbesturen onderschreven dat ouders bij het onderwijs
    betrokken worden en dat er partnerschap is tussen ouders en school. De wijze waarop ouders
    in de praktijk werkelijk betrokken zijn, partners worden, hangt af van de visie en inzet van
    de school, waarbij er duidelijke verschillen bestaan tussen de onderwijssectoren: elke basis-
    school is ermee bezig en heeft ouders over de vloer, terwijl in het middelbaar beroepsonder-
    wijs ouders te weinig in het vizier zijn. Het advies concludeerde op basis van onderzoeken en
    literatuur dat de meeste scholen wel een visie op papier hebben ter bevordering van ouder-
    betrokkenheid, maar dat de invulling van partnerschap vaak beperkt blijft tot het verstrekken
    van informatie en het inschakelen van ouders voor hand- en spandiensten.
    In de opvatting van de raad zal door scholen en de overheid de focus moeten worden gericht
    op facilitering van partnerschap tussen ouders en school en op het vormen van (kleinschalige)
    oudergemeenschappen rond de klas, de groep, het jaar of de school als herkenbare eenheid. In
    deze ouder-ouderverbanden gaat het om onderlinge contacten en samenwerking; de school
    is hierbij wel altijd aanwezig, maar speelt een ‘maatgebonden’ rol.
    De raad herhaalt hier dat hij het in het primair onderwijs voor de hand vindt liggen dat het
    schoolplan naast de verplichte wettelijke onderdelen van onderwijskundig beleid, personeels-
    beleid en kwaliteitsbeleid, ook een onderdeel bevat rond beleid over ouderbetrokkenheid. Een
    onderdeel daarvan is dat de ouder deelgenoot wordt van de school- en van de oudergemeen-
    schap. Een goede betrokkenheid van ouders bij elkaar, bij de klas en bij de school kan effecten
    hebben op de sociale cohesie in een buurt, wijk, dorp en stad. In alle onderwijssectoren kan de
    63   Plantinga,Diepen, Schildmeijer & Bruxvoort, 2008.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>schoolorganisatie bijdragen aan processen van gemeenschapsvorming tussen ouders onder-
ling en tussen school en ouders. Ook hier geldt dat de investeringen door ouders in onderlin-
ge contacten, in ouderverbanden, zichzelf terugverdienen: onderzoek wijst uit dat ouders die
elkaar kennen, elkaar ook aanspreken. Kleinschalig georganiseerde contacten tussen ouders
helpen ouders onderling en kunnen zo ook de school (de leraar) ondersteunen. Het organi-
seren van dergelijke oudernetwerken bevordert bovendien de socialiserende functie van het
onderwijs en de (wettelijke) taak die de school heeft ten aanzien van burgerschapsvorming.
De aanbevelingen van de raad richtten zich in Ouders als partners dus op een algemene koers-
wijziging van het landelijk beleid: geen verdere juridisering van de relatie ouder-school, maar
een investering in oudernetwerken. Bij de vormgeving van landelijk beleid adviseerde de raad
de Tweede Kamer onder meer aandacht te vragen voor een ouderparagraaf in de respectieve-
lijke kwaliteitsagenda’s voor de onderscheiden onderwijssectoren. De inzet zou breed moeten
zijn: de acties moeten niet alleen gericht zijn op het betrekken van de niet-actieve ouder, maar
ook op het betrokken houden van de wel actieve ouder. De uitwerking moet daarbij aan scho-
len worden gelaten. De raad stelde dat vaste en voorspelbare ouder-oudercontacten de sociale
textuur rond een klas, groep, jaar of school vergroot; het versterkt het gevoel van geborgen-
heid en herkenbaarheid. Bovendien zeven deze ouderverbanden problemen uit, waardoor er
minder opvoedvraagstukken in het klaslokaal terecht komen. Ouder-ouderverbanden maken
het makkelijker om met ouders in gesprek te komen wanneer zich problemen voordoen met
een kind.
Kleinere onderwijsschaal
In het advies Ouders als partners (Onderwijsraad, 2010c) is uitgebreid ingegaan op de diverse
vormen van (het verbeteren) van ouderbetrokkenheid. In het land zijn talloze voorbeelden te
vinden van scholen die werken aan herkenbaarheid en kleinschaligheid, zodat ouders en leer-
lingen zich geborgen weten.
   Verticale deelschool
   Kleinschaligheid en persoonlijke aandacht voor de leerling zijn belangrijke kenmerken van de ‘verti-
   cale deelschool’. Het Accent College in Maassluis heeft ervoor gekozen zo’n verticale deelschool op
   te zetten. Dutch Big Picture (naar de Amerikaanse Big Picture-scholen) is het onderwijsconcept dat
   centraal staat. Op Big Picture-scholen zijn leerlingen twee dagen per week buiten de school op een
    levensechte leerplek. De brugklas heeft één vaste docent voor de hele week en een vast lokaal. Hier-
   door is persoonlijke aandacht voor de leerling mogelijk. De bedoeling is dat de hoofddocent vier jaar
   met de leerlingen meegaat.
   Bron: www.accentcollege.nl
Ouders zijn niet alleen van belang in het primair en voortgezet onderwijs, ook in het middel-
baar en hoger beroepsonderwijs zijn ouders steeds meer relevant. Een kleinschalige organisa-
tie van opleidingen is hierbij behulpzaam. Zo is voor het Markiezaat College in Bergen op Zoom
de persoonlijke benadering van de deelnemer belangrijk.64 Het onderwijsbeleid drukt dat uit
door kleinschaligheid, maatwerk en het individu voorop te stellen.
64    www.markiezaatcollege.nl.
58                                                                              Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>. Conclusie: veranderende verhoudingen scherper in beeld brengen
    Bestuurlijke zone: duidelijkere criteria en duidelijker zicht op ‘menselijke maat’
    De rol van bestuurders en managers (schoolleiders) is geprofessionaliseerd, hun werk
    omvangrijker en ingewikkelder geworden. Dit geldt zeker in een grote onderwijsinstelling
    waar het management uit meerdere lagen bestaat en de aantallen personeelsleden en leer-
    lingen aanzienlijk zijn. De schooldirecteur is niet langer een autonoom functionerende per-
    soon, maar heeft een functie binnen een groter organisatiegeheel. Voor de bestuurder en de
    schooldirecteur is het soms lastig te bepalen welke onderlinge rol- en verantwoordelijkhe-
    denverdeling er bestaat. Het is daarom zaak hierover duidelijk te communiceren en helder-
    heid te scheppen.
    Er is in dit hoofdstuk een onderscheid gemaakt tussen de discussie in de ‘bestuurlijke zone’
    (verhouding interne toezichthouder, bestuur, management), de discussie in de ‘professionele
    zone’ (verhouding leraren onderling en verhouding management en docent) en de verhou-
    ding met ouders. Overkoepelend daarbij is de vraag wat centraal moet en wat decentraal kan.
    Onderzoek naar hoe schoolbesturen op dit vlak opereren en hoe directeuren, maar ook docen-
    ten dit waarnemen is beperkt voorhanden. De raad vindt op de eerste plaats dat het debat
    over de menselijke maat scherper kan worden gevoerd aan de hand van concrete(re) criteria en
    (empirische) gegevens. Als het gaat om het genereren van de meerwaarde van schaalvoorde-
    len (zie paragraaf 1.1) kan het (empirisch) zicht daarop verbeteren door de Inspectie in beeld te
    laten brengen hoe de verschillende instellingen in de onderscheiden onderwijssectoren op dit
    punt scoren. In het volgende hoofdstuk wordt dit nader uitgewerkt.
    Professionele zone: kwaliteiten van bestuurders en docenten in hun onderlinge professionele ver-
    houdingen in kaart brengen
    De raad constateert een voortdurend gesprek over passende vormen van interne verzelfstan-
    diging tussen het management en de docenten. Dit debat gaat over de mate van professionele
    ruimte en wordt landelijk richting gegeven door regelgeving, zoals de regeling van een profes-
    sioneel statuut. De raad vindt dat de discussie te veel in een discussie rond formele bevoegdhe-
    den en macht is beland. Deze machtsgerichte professionaliteitsbenadering levert uiteindelijk
    te weinig op voor een inhoudelijke en intrinsieke professionaliteit waar docenten en leraren
    zekerheid en helderheid aan ontlenen in hun dagelijkse werk.
    Scholen zijn duale organisaties met een beheersmatige-bestuurlijke component en een pro-
    fessionele component. Het gaat erom deze dualiteit in te zetten voor de vorming van een
    onderwijsgemeenschap: een organisatie waar gezamenlijke, overkoepelende belangen voor-
    op staan, te weten vorming en onderwijs aan jongeren.
    Partijen moeten daarbij wederkerige betrekkingen met elkaar aangaan. Managers en bestuur-
    ders moeten enerzijds binnen scholen ruimte scheppen voor pedagogische en didactische
    variëteit. Leraren die goede resultaten met hun aanpak boeken, moeten een zekere vrijheid
    hebben om die aanpak te continueren. Een gedwongen sjabloon werkt niet. Het vergt van
    betrokken partijen een zeker vermogen tot perspectiefwisseling en een wil/vermogen tot ont-
    wikkeling. Van het management zal het de vaardigheid vergen van goed schoolleiderschap:
    combineren en schakelen tussen leiderschapsstijlen zoals aanmoedigen, delegeren, afstem-
    men, visie, aanspreken op gedrag, vertrouwen geven, dienstbaar en deemoedig zijn. Ander-
    zijds: voor de beroepsbeoefenaar betekent het de professionele claim ook waarmaken door
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                          59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>actieve zelfontwikkeling, zelfvertrouwen, zelfinzicht, resultaatgerichtheid, dienstbaar en
betrokken zijn bij leerlingen en organisatiedoelstellingen.
Voor de raad zijn dus niet zozeer de structuurelementen in dit debat van belang (de afspraken
in cao’s, een statuut, reglement) maar de (organisatie)cultuur en het ‘interne kompas’ van de lei-
dinggevenden. Een cultuur van helderheid, aanspreekbaarheid en bescheidenheid opbouwen
en in stand houden is in de ogen van de raad een belangrijk facet van het werk van bestuurders.
In het volgende hoofdstuk zal dit nader uitgewerkt worden in een aanbeveling.
Ouders en schaal: oudernetwerken
Passende vormen van interne organisatie raken niet op de laatste plaats de positie en het wel-
bevinden van leerlingen en ouders; voor hen is de omvang van de groep en de school elemen-
tair. Deelnemers en studenten in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs bezien massa-
liteit van opleidingen met argusogen. Goede voorbeelden van hoe kleinschaligheid binnen
grotere bestuurlijke verbanden is te realiseren zijn voorhanden. De raad heeft in het advies
Ouders als partners daarnaast voorgesteld ouder-ouderverbanden te stimuleren; herkenbare
en kleinschalig georganiseerde groepen van ouders rond een klas, groep of school met als doel
elkaar te helpen bij opvoeding en onderwijs.
Structuur en cultuur van belang
Wanneer het gaat over passende organisatiemodellen, zijn enerzijds structuur en kwaliteit ((met
een taak voor de minister en de instellingen/instellingsbesturen) van belang, maar daarnaast
ook opvatting en houding van betrokken actoren zoals bestuurders, managers en leraren. Op
deze twee aspecten heeft de minister te onderscheiden verantwoordelijkheden.
Voor wat betreft de aanbevelingen maakt de raad daarom in het volgende hoofdstuk een
onderscheid in twee groepen aanbevelingen:
• aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks aanspreekt en via haar het
     onderwijsveld;
• aanbevelingen waarmee de Kamer activiteiten in het onderwijsveld wil activeren en waar-
     toe de Kamer de minister uitnodigt.
60                                                                       Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>    Hoe kunnen individuele scholen zo veel mogelijk ruimte krijgen en wat is een
    passende vorm? Dat kan volgens de raad op de eerste plaats door de span-
    ning tussen het maatschappelijk onbehagen over grote onderwijsinstellingen
    en de realiteit te benoemen en de communicatie daarover te verbeteren. Daar-
    naast kan de overheid interne verzelfstandiging faciliteren, onder meer door
    alternatieven voor bestuurlijke samenwerking beter voor het voetlicht te bren-
    gen. Instellingsbesturen zijn zelf aan zet; geven van ruimte waar dat kan, en het
    bewerkstelligen van terughoudend, maar tegelijk richtinggevend leiderschap
    waar dat moet.
5   Aanbevelingen: taken voor
    minister en onderwijsveld
. Passende organisatievormen: minister en onderwijsveld
    De vragen waar dit advies een antwoord op wil geven luidden: Wat zijn passende interne orga-
    nisatiemodellen voor scholen en besturen die ruimte geven aan interne betrokkenen en exter-
    ne krachten? Hoe realiseren we ‘checks and balances’ in en rond de scholen?
    De raad is in een tweetal adviezen ingegaan op de verschillende criteria aan de hand waar-
    van schaalgrootte kan worden beoordeeld. In zijn rapport Bureaucratisering in het onderwijs
    (2004b) heeft de raad vooral gekeken naar het criterium doelmatigheid. De raad concludeerde
    dat bureaucratisering vele gezichten heeft; overhead is soms ook nodig. Bureaucratie draagt
    immers ook bij aan overzichtelijkheid en voorspelbaarheid van gedrag en beschermt mensen
    tegen willekeur. Ondanks deze positieve aspecten heeft de raad in deze verkenning laten zien
    dat er veel redenen zijn om waakzaam te zijn. Over een langere periode bezien zijn extra mid-
    delen voor het onderwijs zelden ten goede gekomen aan het primaire proces. Dat geldt – zij
    het in verschillende mate – voor alle onderwijssectoren. Er is weinig fantasie voor nodig om
    te zien waar het doortrekken van deze trend toe zal leiden: ondoelmatigheid, vervreemding,
    soms zelfs regelrechte opstand.65 Schaalvergroting kan niet tot in het oneindige voortduren. In
    die zin kan er ook bij onderwijsinstellingen op een gegeven moment sprake zijn van ‘imperial
    overstretch’.66 Er kan een punt komen waarop instellingen (instellingsbesturen) het overzicht
    kwijt raken omdat ze te groot en log worden. Daardoor kunnen ook problemen ontstaan voor
    de instelling om de economische en maatschappelijke verplichtingen na te komen.
    65  Onderwijsraad, 2010b.
    66  Term van Paul Kennedy in zijn The rise and fall of great powers waarin hij betoogt dat grote (wereld)rijken ten onder gaan als ze op te
        veel borden moeten schaken (dat wil zeggen oorlogen voeren) en daarmee kosten moeten maken om hun macht te behouden.
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                                                    61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>In zijn advies Variëteit in schaal (2005) hanteerde de raad de criteria keuzevrijheid, sociale
samenhang en draagvlak om schaalgrootte te beoordelen. In zijn advies De bestuurlijke ont-
wikkeling van het Nederlandse onderwijs (2008) gaf de raad een nadere uitwerking en actua-
lisering. ”Autonomievergroting en de bijbehorende toenemende verantwoordelijkheden en
risico’s hebben […] de druk op instellingen verhoogd. Instellingen krijgen steeds meer finan-
ciële verantwoordelijkheden en moeten steeds meer professionaliteit in huis hebben om die
aan te kunnen. Grotere (bestuurlijke) instellingen kunnen die zelfstandigheid over het alge-
meen beter aan dan kleinere. Maar tegelijk geven vertegenwoordigers van studenten, ouders
en personeel aan dat de ervaren afstand tussen hen en de grootschaligere besturen van de
onderwijsinstellingen groter wordt, en neemt in hun beleving de eigen invloed op het reilen
en zeilen van de organisatie af”.
De beleving bij docenten, ouders, leerlingen, deelnemers en studenten hoeft niet parallel te
lopen met de cijfers. Voor de raad is het bij het geven van het antwoord op de vraag wat ‘pas-
sende vormen’ zijn van belang dat de beeldvorming van eigenheid of zelfstandigheid van
afzonderlijke eenheden (scholen, locaties, vestigingen) correct is. Daarbij moet niet alleen
recht worden gedaan aan de empirische kant (correcte ‘facts and figures’ over schaalgrootte
en de mate van differentiatie van het aanbod), maar ook aan de gevoelde beleving en soms
het onbehagen (zie bijvoorbeeld de resultaten van de Onderwijsmeter ). Voor gebruikers
zit het onbehagen vaak op de kleinste of fysieke schaal (omvang van de klas of opleiding, of
het gebouw). Soms kan het vanuit docenten en directeuren ook gerelateerd worden aan de
bestuurlijke schaalgrootte. Dit is bijvoorbeeld het geval bij beperkte bewegingsruimte voor
eigen invulling van concepten omdat het bestuur geen concurrentie tussen scholen wenst. Of
indien er onduidelijke communicatie is door verschillende lagen met verschillende bevoegd-
heden binnen de organisatie. Wie zich als professional niet betrokken voelt bij de organisatie,
loopt de kans om zijn of haar enthousiasme voor het primaire proces geleidelijk te verliezen.
Voor het primaire proces is het creëren van een sociaal verbindend klimaat van belang, dat
onder andere gekenmerkt wordt door overzichtelijkheid, herkenbaarheid, ruimte voor ont-
plooiing, normatieve sturing, zelfsturing en identiteitsvorming. Een dergelijk klimaat is niet
alleen bevorderlijk voor het welbevinden van leerlingen en studenten, maar ook voor dat van
professionals.
Hoofdstuk 3 geeft aan dat veel onderwijsinstellingen, in alle sectoren, op weg zijn om een
balans te vinden tussen centrale sturing waar dat moet en decentrale ruimte en verantwoor-
delijkheid waar dat kan. De dualiteit tussen de bestuurszone en de professionele zone en tus-
sen docenten en management en het balanceren tussen autonomie en onderdeel zijn van een
netwerk, is voor alle betrokken partijen een uitdaging. Er kan daarom volgens de raad geen
sprake zijn van een absolute autonomie van docenten of docententeams, noch van een abso-
lute autonomie van bestuurders en managers. Autonomie is altijd relatief en wordt begrensd
door bestuurlijke kaders en professionele standaarden. Zo wordt de verantwoordelijkheid van
het bevoegd gezag (in het primair en voortgezet onderwijs) voor de schaalgrootte van de huis-
vesting begrensd door de kaders en middelen van de gemeente voor de huisvesting.
Bij ‘passende organisatiemodellen’ zijn volgens de raad van belang zowel aspecten van de
structuur en kwaliteit (stelsel), met een taak voor de minister en de instellingen/instellingsbe-
sturen, als de opvatting en houding (cultuur) van betrokken actoren zoals bestuurders, mana-
gers en leraren.
62                                                                     Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Voor wat betreft de aanbevelingen maakt de raad daarom een onderscheid:
• aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks aanspreekt en via haar het
     onderwijsveld;
• aanbevelingen waarmee de Kamer activiteiten in het onderwijsveld wil activeren en waar-
     toe de Kamer de minister uitnodigt.
.   Aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks aanspreekt en via haar het
     onderwijsveld
De minister heeft in de optiek van de raad een eigen, mede aan artikel 23 van de Grondwet te
ontlenen, onvervreemdbare rol in het bewaken van de kwaliteit van het stelsel en heeft enkele
specifieke verantwoordelijkheden die niet te herleiden zijn tot de optelsom van die van de
afzonderlijke besturen en instellingen. De minister ziet in het bijzonder toe op het functione-
ren van het stelsel in dienst van het algemeen belang. Daarbij dient de overheid behoedzaam
te werk te gaan, rekening houdend met de specifieke kenmerken van ons zorgvuldig opge-
bouwd stelsel en zijn pluriformiteit en met inbegrip van de vrijheid van inrichting van het bij-
zonder onderwijs. Dit vraagt om een proportionele en toegespitste inzet van overheidsinstru-
menten. De minister kan zich direct, maar ook indirect richten tot de bevoegde gezagsorganen
(hen herinneren aan de opdracht die zij zichzelf gesteld hebben).
De belangrijkste opgave voor bestuurders is het bewaren van de balans tussen centrale en
decentrale verdeling van verantwoordelijkheden. Deze verdeling moet voor een ieder helder
zijn en bovendien zodanig dat de meeste leraren en docenten die verdeling onderschrijven en
ernaar handelen. Het organiseren van kleinschaligheid in de uitvoering, het stapsgewijs inno-
veren met ruimte voor kleine verbeteringen, lijkt hier het aangewezen middel.67
Verder is er een afweging te maken of alternatieve samenwerkingsvormen ook werkelijk een
alternatief kunnen zijn voor bestuurlijke fusie. Daarbij is het van belang dat eventuele bestaan-
de belemmeringen bij de totstandkoming van bijvoorbeeld een federatie of coöperatie wor-
den weggenomen. Voor wat betreft het vormgeven van interne verzelfstandiging moet ook
het aangrijpingspunt van de wetgeving duidelijk zijn; er is nu te veel verwarring rond begrip-
pen als school, (neven)vestiging, (dis)locatie, unit, eenheid en cluster. Een herijking van het
begrip ‘school’ in de (bekostigings)wetgeving is daarom nodig.
. Aanbevelingen waarmee de Kamer activiteiten in het onderwijsveld wil activeren en waartoe de
     Kamer de minister uitnodigt
De grootte van de instelling waar zij werken is voor de meeste directeuren en docenten niet
het belangrijkste aandachtspunt in hun dagelijkse werk. Wanneer zij zorgen uitspreken, gaan
die niet over de grootte van de organisatie als zodanig, maar over een (vermeend) gebrek aan
bestuurlijk vermogen bij de instelling. Het gaat daarbij om zaken als de organisatiecultuur of
(het gebrek aan) communicatie tussen de verschillende afdelingen, teams en leidinggevenden.
Het aansturen van een grote onderwijsinstelling vergt immers veel meer van bestuurders en
staat of valt met hun bestuurlijk vermogen. Het is zaak dat bestuurders in staat zijn voldoende
checks en balances in te bouwen zónder op de stoel van de directeur, rector of teammanager
te gaan zitten. Tegelijk vormen de leraren en docenten onderling een motiverend werkver-
band, in voorkomende gevallen gestimuleerd door leidinggevenden. Dat lukt vaak, maar niet
altijd. Het vinden van de juiste balans is dan ook geen lineair, maar een incrementeel proces.
67   De raad zal hierover in 2011 een nader advies uitbrengen (werktitel Ruim baan voor kleinschalige, stapsgewijze verbeteringen).
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                                               63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Het verloopt stapsgewijs, en soms moet er ook duidelijk ruimte worden ingeperkt omdat de
omstandigheden daarom vragen.
Belangrijker dan de vraag naar de grootte van een onderwijsinstelling lijken daarom de vragen
naar enerzijds het bestuurlijk vermogen en de kwaliteit van het leiderschap van de organisatie
en anderzijds het vermogen van leraren en docenten om hun intrinsieke en collegiale profes-
sionaliteit gestalte te geven. Wanneer de complexiteit en de omvang van de organisatie toe-
neemt en er meer managementlagen en teams komen, dan vereist dat aan de ene kant meer
van de ‘governance’ van een organisatie (de wijze waarop bevoegdheden en verantwoorde-
lijkheden zijn verdeeld), en ook van de visie van de ‘top’ en hun voorbeeldgedrag. Maar aan de
andere kant wordt ook meer individuele en collegiale inzet van leraren en docenten gevraagd.
Onderwijsorganisaties zijn in dat opzicht duale organisaties met een bestuurs- en beheerssfeer
aan de ene kant en een professionele sfeer aan de andere kant. Eigenaarschap van de organi-
satie gaat daarbij hand in hand met het dragen van verantwoordelijkheid, waarbij uitgegaan
wordt van het lerend vermogen van betrokkenen.
De dialoog over wat tot ieders zone behoort (raad van toezicht, college van bestuur, manage-
ment, teams, leraren en docenten afzonderlijk) kan inhoudelijker worden gevoerd, vooral tus-
sen docenten onderling en tussen docenten en management.
In het advies Leraarschap is eigenaarschap (2007a) stelde de raad dat leraren functioneren als
lid van een schoolorganisatie als geheel, de activiteiten in de eigen klas of leergroep relateren
aan het beleid en de doelen van de school, en naast het lesgeven ook duidelijk betrokken zijn
bij onderwijsontwikkeling en andere activiteiten binnen de school. De raad veronderstelde in
dat advies dat binnen een schoolgemeenschap beroepsbeoefenaars en de organisatie dezelf-
de missie onderschrijven en kenbaar hebben gemaakt een duurzame en wederkerige band
met elkaar te willen aangaan. Dat betekent dat beroepsbeoefenaars niet alleen aanspraken
hebben, maar ook plichten. De schoolleiding mag hen daarop wijzen. Aan de andere kant:
de beroepsbeoefenaar en het team hebben volgens de raad recht op een ‘invloedsvrije’ sfeer,
een zekere vrijheid van inrichting van het te geven onderwijs en de ontwikkeling daarvan. De
leraar heeft een dubbele positie: enerzijds is hij werknemer, opdrachtnemer, gebonden aan de
bekwaamheidseisen van de wetgever, de missie van de school, zijn werkgever. Anderzijds is hij
vakinhoudelijk deskundige en zijn autonomie is rechtstreeks (in primair en voortgezet onder-
wijs ongeschreven) geattribueerd. Hij onderneemt stappen om zijn vakkennis bij te houden,
ontwikkelt zaken, neemt initiatieven. De raad wenste in het advies uit 2007 dat de managers
en professionals een meer positieve relatie met elkaar zouden aangaan. De raad ziet echter dat
de verhoudingen zich lijken te formaliseren in termen van machts- en invloedsafbakening, bij-
voorbeeld in de vorm van een professioneel statuut. Tegelijkertijd lijkt er in sommige opzichten
sprake te zijn van onvoldoende professioneel gedrag door bestuurders en leidinggevenden
indien er sprake is van een conflictsituatie en belanghebbenden (docenten) gebruikmaken van
hun rechten.68 Ook docenten kunnen zich onvoldoende professioneel gedragen, bijvoorbeeld
wanneer in te geringe mate onderscheid wordt gemaakt tussen de rol van docent/begeleider
en die van examinator.
In dit kader is ook van belang in hoeverre er sprake is van zelfregulering en zelfcorrigerend
(‘lerend’) vermogen van een instelling. Daarvoor is een open cultuur nodig waarbij ruimte
68   Soms zelfs leidend tot intimidatie of ontzegging tot medezeggenschapsorganen, vgl. Schoonhoven & Keijzer, 2010, p. 61. Zij wijzen
     aan de andere kant ook op onprofessioneel gedrag van leden van de mr, doordat persoonlijke belangen soms de boventoon kunnen
     voeren.
64                                                                                                Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>    gegeven wordt, maar tegelijkertijd individuen elkaar steeds bevragen over hoe met deze ruim-
    te om te gaan. Er mogen fouten gemaakt worden, maar wel transparant, en eventuele sancties
    moeten evenredig zijn aan de ernst. Het gaat om een juiste taxatie van het handelen: is het een
    goed bedoeld, maar mislukt experiment, of is er sprake van doelbewuste fraude?
    De bovenstaande twee aspecten worden uitgewerkt in aanbevelingen. De opdracht tot betere
    herkenbaarheid en zichtbaarheid van afzonderlijke eenheden is een opdracht voor alle betrokken
    partijen (minister, besturen, management, leraren, sectororganisaties). Er is vooral ook behoefte
    aan stimulansen en facilitering, en het wegnemen van obstakels voor passende zelfstandigheid
    van scholen en betrokkenen. De Tweede Kamer kan de minister aansporen verschillende (som-
    mige al eerder door de raad voorgestelde) beleids/wetswijzigingen in gang te zetten.
. Aanbevelingen waarmee de Kamer de minister rechtstreeks aanspreekt en
    via haar het onderwijsveld
    Aanbeveling : Een scherper debat over de verhouding tussen centraal en decentraal
    De raad stelt in de eerste plaats een scherper debat voor over de verhouding tussen centraal
    en decentraal. De raad doet daarbij een voorstel voor criteria voor de balans tussen centraal en
    decentraal. Daarnaast pleit de raad voor een herijking van het wettelijke begrip ’school’ en voor
    een steviger empirische basis voor het debat.
    Criteria voor de balans tussen centraal en decentraal
    De raad stelt de volgende criteria voor voor de balans tussen centraal en decentraal.
    • Optimale condities voor de uitvoering van het primaire proces (waaronder begrepen pro-
         fessionele standaarden en protocollering door leraren en docenten).
    • Eigenaarschap en eigenheid/herkenbaarheid: de mate waarin profilering van individuele
         locaties/scholen/opleidingen mogelijk is en het bevoegd gezag differentieel beleid voert.
    • Keuzevrijheid en concurrentiekracht: is er voor ouders, leerlingen en studenten binnen een
         bepaald bestuur of instelling een voldoende gedifferentieerd aanbod in termen van soor-
         ten onderwijs, onderwijsmethoden, denominatie, openbaar-bijzonder, en dergelijke. Dit
         beeld kan ook opgemaakt worden uit een overzicht van de fusie-effectrapportages.
    • Doelmatigheid/kostenaspecten: is de balans zodanig dat afzonderlijke eenheden en het
         geheel doelmatig kunnen werken en is duidelijk welke middelen besteed worden aan het
         primaire proces en hoe dit aandeel zich verhoudt tot een bepaalde benchmark?
    Herijking van het wettelijke begrip ’school’
    Het regelen en implementeren van zelfsturing en zelfstandigheid van vestigingen, scholen,
    locaties, directeuren en teams is maatwerk. De wet biedt volgens de raad alle mogelijkheden
    om op diverse manieren binnen de instelling vorm te geven aan interne verzelfstandiging. In
    die zin zijn er – als antwoord op de aankondiging in het advies Verzelfstandiging in het onderwijs
     – in principe zo veel modellen als dat er schoolbesturen zijn waar het gaat om centrale of juist
    decentrale aansturing van programmatische, financiële, personele en arbeidsvoorwaardelijke
    aspecten en kwesties rondom huisvesting en communicatie.
    De raad ziet een discrepantie tussen wat betrokkenen als ‘school’ zien en wat feitelijk juridisch
    (bekostigings- en wetstechnisch) als school geldt. De raad beveelt aan het begrip ‘school’ dui-
    delijker en eenduidiger te stroomlijnen. De term ´school´ zou de raad willen omschrijven als de
    resultaatverantwoordelijke eenheid in de organisatie, die – afhankelijk van de sector en instel-
    Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                           65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>  ling – ook locatie, vestiging, domein, sector, unit of afdeling wordt genoemd. Met de term
´onderwijsinstelling´ wordt dan gedoeld op de bestuurlijke eenheid als totaal.
  Omwille van de herkenbaarheid zou in principe elke vestiging desgewenst, maar wel met
  instemming van het bevoegd gezag, zijn eigen naam moeten kunnen voeren (hoewel de
 ‘school’ dus uit meerdere vestigingen kan bestaan). Afzonderlijke vestigingen kunnen een
  eigen naam voeren. Het zou voor afzonderlijke vestigingen tevens wettelijk mogelijk moeten
  zijn om een eigen ‘vestigingsplan’ te schrijven, een medezeggenschapsraad te hebben en het
  toelatingsbeleid te bepalen (als het bevoegd gezag deze bevoegdheid wil op- of overdragen
  aan de vestiging). Ten aanzien van de brin-registratie en de relatie tot de medezeggenschap zal
  duidelijkheid verschaft moeten worden. De administratieve problemen waar schoolbesturen
  mee kampen als het gaat om brin-registratie in algemene zin moeten aangepakt worden.
  Stevigere empirische basis voor het debat
  Een stevigere empirische basis van het maatschappelijk debat over schaalgrootte is geen over-
  dreven luxe, juist met het oog op het maatschappelijk onbehagen rond schaalgrootte. De raad
  stelt voor dat de minister de Inspectie vraagt beschikbare (recente) onderzoeksuitkomsten bij-
  een te brengen en aan de hand hiervan eventueel een vervolgonderzoek in te stellen. Peri-
  odiek (bijvoorbeeld een maal in de drie jaar) kan dit onderzoek gebeuren aan de hand van
  diverse invalshoeken (omvang van de instelling, omvang van aparte vestigingen). De raad stelt
  daarbij voor een onderscheid te maken tussen het primair en voortgezet onderwijs enerzijds
  en het middelbaar en hoger beroepsonderwijs anderzijds (zie het onderscheid gemaakt in
  hoofdstuk 3). Uiteraard gaat het er daarbij in de eerste plaats om de kwaliteit van het onder-
  wijs in relatie tot de (bestuurlijke) schaalgrootte in beeld te brengen: zaken zoals evaluatie van
  kwaliteitseffecten, relatie met de schoolloopbaan, innovatief vermogen en betrokkenheid van
  belanghebbenden zijn dan aan de orde. Er kan zo systematisch in beeld worden gebracht of er
  in de verschillende instellingen en in de verschillende onderwijssectoren een correlatie is tus-
  sen (bestuurlijke) schaalgrootte en genoemde aspecten. Scoren besturen met veel leerlingen
  en scholen bijvoorbeeld beter als het gaat om schooluitval en kwaliteitszorg? De Inspectie kan
  het functioneren van instellingen voor wat betreft de passende vormen van interne zelfstan-
  digheid toetsen aan de hand van de vier bovengenoemde criteria. Nadrukkelijk gaat het hier
  om de informatiefunctie van de Inspectie, gericht op het geven van een overzicht over het func-
  tioneren van het stelsel, en niet om het voorschrijven van een bepaald ideaalmodel.
  De Inspectie zal uiteraard aan kunnen sluiten bij de gegevens die instellingen zelf al verzame-
  len of openbaren, zoals in het kader van het project Vensters voor verantwoording van de VO-
  raad en de benchmark voor overhead.69
  Aanbeveling : Actievere uitoefening van de stelselverantwoordelijkheid door de minister
  Vanuit de stelselverantwoordelijkheid kan de minister een oproep doen aan het veld om de
  eigen verantwoordelijkheid voor zelfstandigheid en eigenheid van vestigingen als serieus
  punt op te pakken. Uit het onderzoek van Karstanje c.s. (2008) blijkt immers dat in algemene
  zin schoolbesturen nog te weinig zoeken naar mogelijkheden van interne differentiatie, zelf-
  standigheid, en verdere overdracht van taken en bevoegdheden (de aangehaalde voorbeel-
  den in dit advies schetsen overigens een iets gunstiger beeld). In dat kader zouden de wensen
  van actoren (schoolleiders, personeel, ouders, leerlingen en studenten) concreet vorm kunnen
  krijgen door interne zelfstandigheid en verscheidenheid een onderdeel te laten zijn van de
  (vierjaarlijkse) strategische beleidscyclus.
  69  Zie http://www.vo-raad.nl/publicaties/brochures/benchmark-overhead-of-onderwijs11.
  66                                                                                     Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>De raad beveelt de Kamer aan vanuit de stelselverantwoordelijkheid van de minister de vol-
gende drie concrete acties nader met haar te bespreken:
1. De raad wil hier nogmaals pleiten voor een verplichting tot aanbodvariëteit70 voor school-
     besturen: een periodieke toets (één keer in de vier jaar) waarbij het bevoegd gezag nagaat
     of het aanbod van de scholen voldoet aan de duurzame wens van ouders in een bepaald
     gebied (in brede zin: identiteit, onderwijskundige inrichting, profiel). Daarbij kunnen een
     aantal vragen aan de orde worden gesteld. Welke meerwaarde bieden we als bestuur ten
     opzichte van onze afzonderlijke scholen, wat zijn hun wensen, welke geluiden komen
     uit de medezeggenschapsraad, welke geluiden laten andere actoren rondom de school
     horen? Nogmaals: daarbij kan volgens de raad aangesloten worden bij lopende projecten
     zoals Vensters voor verantwoording (voortgezet onderwijs).
2. Scholen en besturen kunnen deels vrij, deels onder voorwaarden tot fusie besluiten. In het
     advies De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs beschreef de raad hoe
     scholen en besturen bestuurlijke schaalvergroting inzetten om opleidingen te kunnen
     blijven aanbieden. Tegelijkertijd gaan er geluiden op die pleiten voor een kleinschaligere
     organisatie van onderwijs, ook binnen grootschalige bestuurlijke fusies. Zo zou de keuze-
     vrijheid van ouders en leerlingen behouden worden en blijft er voldoende inspraak moge-
     lijk. In bepaalde gebieden dreigt nog maar één aanbieder over te blijven. De raad acht dat
     een risicovolle situatie. Hij heeft de overheid dan ook geadviseerd om, gegeven de moge-
     lijke risico’s van bepaalde fusies, een verplichte fusietoets in te voeren voor grootschali-
     ge fusies. De minister heeft deze aanbeveling overgenomen en heeft een wetgevingstra-
     ject gestart. In deze richting kan een verdere stap worden gezet door concrete normen als
     deugdelijkheidseis te stellen. Een fusietoets kan dienen als een preventief instrument. De
     raad stelde voor in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs
     te werken met een meldingsplicht voor besturen met – om een orde van grootte aan te
     geven – respectievelijk 2.500, 5.000 en 10.000 leerlingen. Voor het hoger onderwijs zou de
     toetsingsdrempel bijvoorbeeld bij 20.000 studenten kunnen worden gelegd.
. Mogelijkheden voor toetreding versterken. De raad heeft in diverse adviezen onderstreept
     dat de stichtingsmogelijkheden in het huidige systeem verbreed moeten worden. De
     mogelijkheid van nieuwe toetreders kan het bestaande veld scherp houden en kan een
    ‘incentive’ zijn voor interne verzelfstandiging (variëteit binnen het bestuur verhogen om
     nieuwe toetreding te voorkomen). In bepaalde gevallen zou volgens de raad bekostiging
     in plaats van via een collectief (een rechtspersoon) ook plaats kunnen vinden via vouchers
     aan leerplichtige leerlingen. De minister kan dit meenemen in het onderzoek naar meer
     ruimte in de planningssystematiek (zie eerder het advies Toezicht en bekostiging bij nieu-
     we schoolstichting, 2010d). In het verlengde hiervan is de aanscherping van de Leerplicht-
     wet, die een mogelijke belemmering kan inhouden voor nieuwe, niet-bekostigde onder-
     wijsconcepten, te monitoren en wellicht te versoepelen. De raad komt hierop terug in het
     advies over artikel 23 Grondwet (werktitel: Naar een breed gedragen vrijheid van onderwijs).
     In het advies Ruimte voor nieuwe aanbieders (2004a) is gewezen op systemen met een com-
     binatie van uit- en intreding. Hierbij ontstaat ruimte voor vrije aanbesteding van een nieuw
     te bekostigen opleiding wanneer een bestaande bekostigde opleiding zijn accreditatie en
     daarmee ook de bekostiging voor die opleiding verliest. Andere aanbieders kunnen in een
     open aanbestedingsprocedure proberen met een opleiding voor de vrijkomende plaats in
     aanmerking te komen. Het voordeel hierbij is dat er ruimte ontstaat voor nieuwe aanbie-
     ders zonder dat het beschikbare budget versnipperd raakt. Dit concept zou nader verkend
     en uitgewerkt kunnen worden.
70   Zie eerder Onderwijsraad, 2008.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                           67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>. Aanbevelingen waarmee de Kamer activiteiten in het onderwijsveld wil acti-
    veren en waartoe de Kamer de minister uitnodigt
    Aanbeveling : Samenwerkingsalternatieven, varianten van interne verzelfstandiging en
    oudernetwerken bevorderen door instellen projectgroep van gezamenlijke sectorraden
    In het onderwijs is in toenemende mate vooral de stichting dominant Maar er zijn meer vor-
    men die wellicht beter passen bij integraal management. Daarbij kan het gaan om door de
    raad voorgestelde interne verzelfstandigingsmodellen zoals een programmaschool, maar ook
    om alternatieven voor bestuurlijk samengaan zoals de coöperatie of de federatie. De federatie
    (waaronder wordt verstaan een vereniging met leden-rechtspersonen) of de samenwerkings-
    stichting ( een stichting met aangesloten rechtspersonen) wordt in het burgerlijk wetboek
    niet met zo veel woorden geregeld. Dit is echter ook niet nodig, omdat voor de federatie en
    samenwerkingsstichting geen andere regels gelden dan voor een vereniging met als leden
    natuurlijke personen en een stichting met aangeslotenen. Het belangrijkste verschil tussen de
    federatie en de samenwerkingsstichting is dat bij de laatste de rechtsverhouding tussen de
    stichting en de aangesloten rechtspersonen contractueel van aard is. De statuten en reglemen-
    ten van de samenwerkingsstichting kunnen wel voorzieningen bevatten om de aangesloten
    rechtspersonen bij de organisatie te betrekken. Daarbij kan gedacht worden aan voorzienin-
    gen in verband met de samenstelling van het bestuur (bijvoorbeeld dat aangesloten rechts-
    personen bevoegd zijn het bestuur van de stichting te benoemen) of aan de instelling van een
    orgaan met adviserende of goedkeurende bevoegdheden waarin de aangesloten rechtsperso-
    nen zitting hebben.
    Welke taken en bevoegdheden aan de federatie worden overgedragen is afhankelijk van de
    vraag of de afzonderlijke schoolbesturen meer of minder zelfstandig wensen te blijven. De
    belemmeringen rond de vorming van alternatieven moeten dan wel in kaart worden gebracht.
    De raad acht het vooral van belang een onderzoek in te stellen naar de btw-problematiek (zie
    eerder hoofdstuk 2).
    De raad beveelt de Kamer aan de minister te verzoeken een overleg te bevorderen met de sec-
    tororganisaties gericht op instelling van een gezamenlijke projectgroep. Deze projectgroep
    moet als opdracht meekrijgen zorg te dragen voor een betere voorlichting over de alterna-
    tieven voor bestuurlijke verzelfstandiging, met daarbij opsporing en aanduiding van de (fis-
    cale) belemmeringen. Aan de hand van verder onderzoek zouden die belemmeringen door de
    overheid weggenomen moeten worden. Deze projectgroep kan ook de door de raad eerder
    voorgestelde varianten van interne verzelfstandiging (programmaschool en gastschool) en
    het stimuleren van ouder-ouderverbanden onderzoeken. Er kan een bescheiden stimulerings-
    maatregel worden genomen, die groepen ouders de gelegenheid biedt een ouderbudget aan
    te vragen voor de opstartfase van een lokaal te organiseren ouderverband voor een klas, oplei-
    ding of school. Het ouderverband heeft volgens de raad als functie de dialoog tussen ouders
    onderling en wederzijdse ondersteuning te faciliteren.
    Aanbeveling : Verdere profilering en bewustwording van de kwaliteiten van bestuurders
    en docenten/leraren
    De functie-eisen voor het onderwijs zijn helder geformuleerd. Voor leraren en docenten zijn de
    vereiste kwaliteiten vastgelegd op grond van de Wet beroepen in het onderwijs en de bijgaan-
    de besluiten; voor bestuurders in bestuurlijke codes. Voor schoolleiders en verwante functies
    bestaan hierover onder meer in de wereld van de desbetreffende opleidingen duidelijke for-
    muleringen. Het debat over centraal-decentraal vraagt echter om meer dan inzicht in dergelij-
    68                                                                    Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>ke functie-eisen. Van belang is evenzeer de intentie waarmee de functies worden uitgeoefend.
Hier ligt bij uitstek een verantwoordelijkheid voor het onderwijsveld. De minister is in eerste
instantie een belangstellende, maar in tweede instantie ook een aanmoedigster van een der-
gelijk debat omdat de kwaliteit van bestuur en onderwijs aan de orde is.
Wat betreft dit debat ziet de raad voor bestuurders en voor leraren en docenten enkele wezen-
lijke referentiepunten. Bestuurders leven met het feit en het besef dat zij maatschappelijke
organisaties in stand houden die geheel of grotendeels uit gemeenschapsmiddelen worden
gefinancierd. Zij handelen in een veeleisende omgeving waarin uiteenlopende belangen
spelen en waarin zij altijd moeten proberen de missie en doelstelling van de instelling of de
groep van scholen voorop te stellen: goed onderwijs voor leerlingen en studenten. Dat besef
is volgens de raad groeiende. De discussies tussen de verschillende actoren binnen de instel-
lingen en eenheden lijken in toenemende mate te verschuiven van de financiële, technische
en bestuurlijke kant naar zaken als missie, visie, identiteit en hoe betrokkenheid is te creëren
met de belangrijkste belanghebbenden.71 Zoals de raad eerder in 2005 stelde is het voor de
onderwijssector als geheel van belang dat bestuur en management uitstralen dat zij als van-
zelfsprekend in dienst staan van het primair proces van leren en onderwijzen. Dat betekent
volgens de raad dat bestuurders en managers zich duidelijk, rolvast en bescheiden opstellen.
Een dergelijke cultuur van helderheid, aanspreekbaarheid en bescheidenheid opbouwen en in
stand houden is een belangrijk facet van het werk van bestuurders.
Bestuurders hebben de opdracht om tegenover een zeer gevarieerde groep ouders, leerlingen,
studenten en andere belanghebbenden in heldere en begrijpelijke taal aan te geven wat de
doelstelling van de onderwijsorganisatie is, hoe en met wie zij dat willen bereiken en wat ze
daarvoor gedaan hebben. Via de besturen-, management- en sectororganisaties kan de minis-
ter bewustwording daarover verder faciliteren, bijvoorbeeld door visitatie, reflectiegroepen,
conferenties, enzovoort.
Houding en ethiek van de bestuurder zijn aspecten die de raad van toezicht kan meenemen
in zijn rol als werkgever voor het bestuur; het is dus een element in het toetsingskader van de
raad van toezicht/interne toezichthouder. Ook de raad van toezicht/interne toezichthouder
zal zich in dit verband verantwoordingsbewust op moeten stellen. Via de thans in ontwikke-
ling zijnde netwerkorganisaties en platforms van bestuurders en toezichthouders in het onder-
wijs kan dit inzicht verder gestimuleerd worden (zie eerder Onderwijsraad, 2008). Voor leraren
en docenten bestaan intussen op verschillende niveaus vormen waarmee kwaliteit zichtbaar
wordt gemaakt, bijvoorbeeld de verkiezing van leraar van het jaar. Ook het zichtbaar maken
van goede bestuurders kan langs deze weg worden bevorderd. Een jaarlijkse ceremonie om de
kwaliteit te laten zien kan hierbij behulpzaam zijn. Rolmodellen zijn ook hier nuttig.
Scholen zijn duale organisaties met een beheersmatige-bestuurlijke component en een profes-
sionele component. Het gaat erom deze dualiteit in te zetten voor de vorming van een onder-
wijsgemeenschap. De raad heeft als consistent uitgangspunt dat de onderwijsinstelling vooral
een sociaal verband is – een gemeenschap – waarbinnen alle partijen in belangrijke mate paral-
lelle belangen hebben. Zoals hierboven ook al is aangegeven, kunnen daarbij natuurlijk ver-
schillende posities bestaan; het gaat er juist om, deze uiteenlopende posities samen te doen
komen in een onderwijsgemeenschap waarin allen willen bijdragen aan het leren en de vor-
ming van leerlingen en studenten.
71   In het uit te brengen advies Een onderwijsprogramma met maatschappelijke voorhoedes) zal hier nader op in worden gegaan.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                                         69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>De professionaliteit van leraren en docenten wordt vaak gezien in machtstermen ten opzich-
te van managers en bestuurders. In Leraarschap is eigenaarschap (2007a) wees de raad op de
behoefte aan een professionele oriëntatie waarbij leraren functioneren als lid van een school-
organisatie als geheel, de activiteiten in de eigen klas of leergroep relateren aan het beleid en
de doelen van de school, en naast het lesgeven ook duidelijk betrokken zijn bij onderwijsont-
wikkeling en andere activiteiten binnen de school.
De raad vindt dat de discussie te veel gaat over formele bevoegdheden en macht (zie de for-
mele ‘afperking’ in de vorm van een wettelijk vastgelegd professioneel statuut). Deze ‘machts-
gerichte’ professionaliteitsbenadering levert uiteindelijk te weinig op voor een inhoudelijke en
intrinsieke professionaliteit waar docenten en leraren zekerheid en helderheid aan ontlenen in
hun dagelijkse werk. In alle debatten over schaal en organisatie zal per saldo toch de toets daar
moeten liggen: wat docenten en leraren in hun beroepsuitoefening aan kracht meenemen en
uitstralen. Hier ligt niet direct een taak voor de Kamer of de minister in regelende zin. Maar een
aanhoudende belangstelling van Kamer en minister voor wat ten diepste de zorg voor onder-
wijs betekent, is voor ons land wel degelijk van groot belang.
70                                                                        Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Afkortingen
aoc          agrarisch opleidingencentrum
AWS          Algemene wet bestuursrecht
brin         basisregistratie instellingen
bve          beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
Crebo        Centraal Register Beroepsopleidingen
ECBO         Expertisecentrum Beroepsonderwijs
fuwasys       functiewaarderingssysteem
hbo          hoger beroepsonderwijs
LAKS         Landelijk Aktie Komitee Scholieren
mbo          middelbaar beroepsonderwijs
NVAO         Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
OCW          Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OMO          Ons Middelbaar Onderwijs
po           primair onderwijs
roc          regionaal opleidingencentrum
SAMON         Samenwerkende montessorischolen Noord-Holland
SKBA         Stichting Katholiek Basisonderwijs Alphen
vmbo         voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vo           voortgezet onderwijs
WEB          Wet educatie en beroepsonderwijs
WHW          Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
WMS          Wet medezeggenschap scholen
WOT          Wet onderwijstoezicht
WPO          Wet op het primair onderwijs
wsns         weer samen naar school
WVO          Wet op het voortgezet onderwijs
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Literatuurlijst
Baarsma,B. (2008). Fusietoezicht op Not for Profits. TPEdigitaal, (4), 49-70. Geraadpleegd op 18
     november 2010 via de website TPEdigitaal, http://www.tpedigitaal.nl/archief/4-2008/.
Bokdam, J. & Linden, B. van der (2010). Schoolgrootte uit leerlingperspectief
                                                            leerlingperspectief. Zoetermeer: Research
     voor Beleid.
Bont-Hanekamp, M.R.A.E de (2010). Zonder BRIN-nummer geen school? School en Wet, (5),
     24-26.
Dijkgraaf, E., Gelderblom, A., Jong, M. de, Maasland, E. & Tanis, O. (2010). Onderzoek naar de rela-
     tie tussen financiële prikkels en schaalgrootte in het onderwijs. Rotterdam: SEOR.
Hooge, E., Van Dijk, G. & Steen, S. (2003). De coöperatie in het onderwijs: een nieuwe vorm van
     pedagogisch ondernemerschap. School en wet, (6), 210-215.
Inspectie van het Onderwijs (2010). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag /.
     Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Jongeren Organisatie in het Beroepsonderwijs (2010). JOB-monitor . Geraadpleegd op 18
     november 2010 vi a de website van JOB, http://www.job-site.nl/brochures.php.
Karstanje, P.N., Glaudé , M.T., Ledoux, G. & Verbeek, A.E. (2008). Beleidvoerend vermogen van
     basisscholen: stand van zaken en verklarende factoren. Amsterdam: SCO Kohnstamm.
Kennedy, P. (1987). The rise and fall of great powers. London: Random House.
Lijst van vragen en antwoorden zorgleerlingen in het primair en voortgezet onderwijs (2010). Kamer-
     stukken II, 2009-2010, 32338, 3.
Memorie van antwoord wijziging onderwijswetten in verband met fusietoets (2010). Kamerstukken
     I, 2009-2010, 32040, C.
Memorie van toelichting wijziging onderwijs in verband met fusietoets (2009). Kamerstukken II,
     2008-2009, 32040, 3.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2008). Nieuwe inzichten toepassing indica-
     tor op brin- versus vestigingsniveau. Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
     Wetenschap aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. Kamerstukken II, 2007-2008, 27020,
     59.
Motie van de leden Smits en Çelik (2010). Kamerstukken II, 2010-2011, 32500 VIII, 19.
Nolen, M. (2010). Bestuurlijke netwerken in en om het onderwijs. School en Wet, (5), 5-13.
Onderwijsraad (2003). Onderwijs en burgerschap. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2004a). Ruimte voor nieuwe aanbieders. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2004b). Bureaucratisering in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2005). Variëteit in schaal. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2006). Naar meer evidence based onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007). Leraarschap is eigenaarschap. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2008). Bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010a). Het recht op toelating nader bezien. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010b). Verzelfstandiging in het onderwijs . Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010c). Ouders als partners. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010d). Toezicht en bekostiging bij nieuwe schoolstichting. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Plantinga, S., Diepen, M. van, Schildmeijer, R. & Bruxvoort, M. van (2008). Onderwijsmeter .
     Z.p.: TNS NIPO.
72                                                                           Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Rekenkamer stadsdelen Amsterdam (2010). Verzelfstandiging van openbaar primair onderwijs in
    de stadsdelen West binnen de Ring. Amsterdam: Rekenkamer stadsdelen Amsterdam.
Schoonhoven, R. van & Keijzer, M. (2010). Een geschil is geen ruzie. Rotterdam: Actis advies.
Schraven, J.W. (2005). Het schoolgebouw in de steigers. School en Wet, (), 11-16.
Steenkamp, F., Timmers, T., Schilt, J. van, Heim, M. & Goede, M. de (2008). Tien jaar patronen en
     trends in “student satisfaction” in Nederland. Leiden: Choice.
Venne, L. van de & Hesseling, M. (2010). De menselijke maat in het middelbaar beroepsonderwijs
    verkend. Den Bosch/Utrecht: ECBO.
Vijlder, F. de, Bakker, D., Lindemann, B., Aalfs, N. & Visser, M. de (2010). De waarde van bestuurlijke
    schaal. Studie uitgevoerd door Interstudie NDO in opdracht van de Onderwijsraad. Den
     Haag: Onderwijsraad.
Waterreus, I. (2009). Is er een economische reden voor een fusietoets in het onderwijs? TPEdi-
    gitaal, (), 80-102. Geraadpleegd op 18 november 2010 via de website TPEdigitaal, http://
     www.tpedigitaal.nl/archief/3-2009/.
Verzelfstandiging in het onderwijs II                                                                 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
Deelnemers seminar  juni 
De heer H.A.J. van Asseldonk        Stichting Lucas Onderwijs
Mevrouw D.M. Bakker BBA             Interstudie NDO
De heer mr.drs. H.J.G. van Beers    INNOVO, Stichting voor Katholiek Onderijs
De heer drs. E.G.H. Bernard MPM     Ons Middelbaar Onderwijs
De heer L.N. Labruyère              Hogeschool INHolland
Mevrouw drs. B. Lindemann           Vrije Universiteit Amsterdam
De heer L.J. Molenkamp MPA          Amarantis Onderwijsgroep
De heer mr.drs. R.W.J. Rijk         Stichting Carmelcollege
De heer dr. F.J. de Vijlder         Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
De heer drs. H.W.J.A.M. van Vlodrop Zadkine
Deelnemers panel  oktober 
De heer H.M. Davids                 Bond KBO
De heer J. van Elderen              Van Beekveld & Terpstra
De heer mr. P.H.M. Kanters          Algemeen Voortgezet Onderwijs Arnhem
De heer mr. P.C. Kwikkers           TriasNet Consultants
De heer M. Nolen                    Van Doorne advocaten
74                                                                 Onderwijsraad, november 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Bijlage 
Adviesvraag
Verzelfstandiging in het onderwijs II 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>76 Onderwijsraad, november 2010</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Verzelfstandiging in het onderwijs II 77</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>78 Onderwijsraad, november 2010</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Verzelfstandiging in het onderwijs II 79</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>80 Onderwijsraad, november 2010</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>