<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Het recht op toelating nogmaals bezien
Advies bij het Initiatiefwetsvoorstel regeling toelatingsrecht
(scholen)
Nr. 20100151/988
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
e-mail: secretariaat@onderwijsraad.nl
070 – 310 00 000 of via de website: www.onderwijsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Samenvatting                                                                                                     7
1       Aanleiding advies, centrale vraagstelling en leeswijzer                                                  9
1.1     Aanleiding advies en centrale vraagstelling                                                              9
1.2     Leeswijzer                                                                                               9
2       Inhoud en motivering wetsvoorstel                                                                      11
2.1     Inhoud en opzet wetsvoorstel                                                                            11
2.2     Doelstelling en toelichting van het wetsvoorstel                                                        14
3       Functionele overwegingen bij het wetsvoorstel                                                          16
3.1     Adviescriteria                                                                                          16
3.2     Overwegingen ten aanzien van nut en noodzaak van het wetsvoorstel                                       16
3.3     Overwegingen ten aanzien van de proportionaliteit                                                       18
3.4     Overwegingen ten aanzien van uitvoerbaarheid en neveneffecten                                           19
3.5     Conclusies ten aanzien van de functionaliteit van het wetsvoorstel: onvoldoende relatie tussen doel en
        middel                                                                                                  20
4       Principiële overwegingen bij het wetsvoorstel                                                          22
4.1     Advieskader van de raad: inhoudelijke uitgangspunten                                                    22
4.2     Principiële overwegingen ten aanzien van de ruimte voor richtingen                                      24
4.3     Principiële overwegingen ten aanzien van de (in)richtingsvrijheid van het bevoegd gezag bij toelating   24
4.4     Conclusies ten aanzien van de principiële overwegingen: debat over artikel 23 Grondwet                  26
5       Conclusies en overwegingen voor de Kamer                                                               29
5.1     Algemene uitgangspunten en conclusies                                                                   29
5.2     Overwegingen ten behoeve van de verdere behandeling                                                     30
Literatuur                                                                                                     32
Geraadpleegde deskundigen                                                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>a JIM

ONDERWUs Faad

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Nassaulaan 6

Mevrouw G.A. Verbeet 2514 JS Den Haag
Postbus 20018

2500 EA Den Haag Telefoon: 070 310 00 00

Fax: 070 356 14 74
secretariaat@onderwijsraad.nl
www. onderwijsraad.nl

Ons kenmerk Contactpersoon Plaats/datum
20100151/988 Den Haag, 18 juni 2010
Uw kenmerk Doorkiesnummer Onderwerp

Advies Het recht op toelating nogmaals bezien

Mevrouw de Voorzitter,
Met genoegen zendt de Onderwijsraad u hierbij het advies Het recht op toelating nogmaals bezien.

De Onderwijsraad adviseert hierbij over het initiatiefwetsvoorstel van de leden Hamer, Jasper van Dijk, Dibi, Van
der Ham en Kraneveldt-van der Veen houdende wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Algemene wet
gelijke behandeling inzake toelating tot onderwijsinstellingen van leerlingen of deelnemers (regeling toelatings-
recht onderwijs).

De raad kan zich vinden in de motieven en doelen van de indieners, gericht op het bestrijden van segregatie en
het vergroten van keuzevrijheid, maar ziet tegelijk niet in hoe dit wetsvoorstel de beoogde doelen dichterbij kan
brengen.

De algemene conclusie is dat het wetsvoorstel (voor het primair en voortgezet onderwijs) weinig wijziging brengt
in de bestaande verhoudingen en dat vanwege wetstechnische onduidelijkheden en mogelijke uitvoerings-
kwesties het initiatiefwetsvoorstel te heroverwegen is.

De raad heeft het gevoel dat het wetsvoorstel appelleert aan een dieperliggende wens tot een debat over de
grondwettelijke uitgangspunten van het Nederlandse onderwijsbestel. De raad geeft aan dat dit debat op trans-

parante, integrale en coherente wijze gevoerd kan worden en stelt een advies ter zake voor.

Mocht de Kamer van oordeel zijn de behandeling van het wetsvoorstel te willen vervolgen, dan heeft hij enkele
aanbevelingen het voorstel te verhelderen en te verbeteren.

Met beleefde groet,

Dinter bre, A

vv

Prof.dr. A..M.L. van Wieringen Drs. A. van der Rest
Voorzitter Secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Hoofdlijn wetsvoorstel
De raad adviseert aan de Tweede Kamer over het initiatiefwetsvoorstel-Hamer c.s, dat beoogt de toelatings-
rechten van ouders te vergroten om daarmee onder andere de segregatie tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ scholen
tegen te gaan. Het wetsvoorstel is reeds in 2005 ingediend, maar is pas recentelijk door de demissionaire
status van het kabinet weer in een volgende fase gekomen.
Het wetsvoorstel betreft een wijziging van de WPO (Wet op het primair onderwijs), de WVO (Wet op het
voortgezet onderwijs) en de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs). Het uitgangspunt in het primair en
voortgezet onderwijs is dat het respecteren van de grondslag van de instelling voldoende is voor toelating.
Willen instellingen dat leerlingen ook de grondslag onderschrijven, dan kan dat alleen als dat conform de
AWGB (Algemene wet gelijke behandeling) is en het toelatingsbeleid in de schoolgids is opgenomen. Ook
ander toelatingsbeleid (bijvoorbeeld door loting) zou alleen nog mogelijk zijn als dit tevoren bekend is
gemaakt, en conform de AWGB. Tegen beslissingen van het bevoegd gezag zou beroep open staan bij een
nieuw in te stellen Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen. Het bevoegd gezag is gebonden aan de
uitspraken.
In het middelbaar beroepsonderwijs zijn alle opleidingen volgens het voorstel voortaan algemeen toegan-
kelijk en kunnen instellingen alleen nog vragen van leerlingen dat zij de grondslag respecteren. Het bevoegd
gezag kan niet langer vragen van leerlingen dat zij deze onderschrijven.
Doelstellingen legitiem, wetgeving niet passend
De raad vindt dat doelstellingen zoals bestrijding van segregatie en vergroting van keuzevrijheid van leer-
lingen en ouders nastrevenswaardig zijn. Duidelijk en transparant toelatingsbeleid mag van alle onderwijs-
instellingen verwacht worden. Ten aanzien van de hoofddoelstelling, het bestrijden van segregatie, is sinds
2005 al de nodige wet- en regelgeving tot stand gekomen en zijn scholen, samen met gemeenten, initia-
tieven gestart gericht op het bewuster kiezen van ouders, zodat scholen waar mogelijk een meer gemengd
karakter krijgen. Op basis van beschikbaar empirisch onderzoek ziet de raad niet hoe dit wetsvoorstel verder
kan bijdragen aan genoemde doelstelling van bestrijding van segregatie. Het bijzonder onderwijs neemt een
evenredig deel van achterstandsleerlingen op, terwijl slechts een zeer beperkt aantal scholen selecteert op
grond van de richting, dat wil zeggen: vraagt van de leerlingen de grondslag te onderschrijven.
De wijziging van de WEB is in de ogen van de raad niet proportioneel, omdat ten aanzien van het
onderschrijven feitelijk slechts twee instellingen worden geraakt, die ook geen monopoliepositie hebben. Een
ander mogelijk disproportioneel element betreft de mogelijkheid voor opleidingen te selecteren op talent. En
ten slotte zijn er vragen ten aanzien van de uitwerking en de effecten van de voorgestelde regeling, zoals de
instelling van een aparte Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen. De raad ziet hierin onder meer een
ongewenste overlapping met de bevoegdheid van de Commissie Gelijke Behandeling. Deze commissie kan
blijven oordelen op grond van het algemene artikel rond ongelijke behandeling in de AWGB, waardoor naar
alle waarschijnlijkheid verschillende afstemmingsproblemen gaan ontstaan.
De algemene conclusie is dat het wetsvoorstel voor het primair en voortgezet onderwijs weinig wijziging
brengt in de bestaande verhoudingen en dat vanwege wetstechnische onduidelijkheden en mogelijke
uitvoeringskwesties het initiatiefwetsvoorstel te heroverwegen is.
                                                                              Het recht op toelating nogmaals bezien 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De raad heeft het gevoel dat het wetsvoorstel appelleert aan een dieperliggende wens tot een debat over de
grondwettelijke uitgangspunten van het Nederlandse onderwijsbestel. In de ogen van de raad is er
voldoende aanleiding voor een meer fundamentele discussie over de principes, reikwijdte en interpretatie
van het artikel over onderwijsvrijheid. Het is uiteraard aan de Kamer dit debat op transparante, integrale en
coherente wijze te voeren. De raad kan de Kamer hierbij ten dienste zijn met een daarbij passend advies.
Overwegingen voor de Tweede Kamer bij de verdere behandeling
De raad geeft de Kamer bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel de volgende overwegingen mee.
1)
De Kamer kan overwegen of het voorgestelde instrument het doel substantieel dichterbij brengt. En als het
antwoord negatief is, dan kan het voorstel wellicht beter heroverwogen worden. De raad ziet dat een
algemeen en principieel debat over de reikwijdte en interpretatie van artikel 23 Grondwet aan betekenis wint,
een dergelijk debat zal dan transparant en coherent gevoerd moeten worden. De raad zou net als in 2002
opnieuw een advies kunnen uitbrengen waarin lijn wordt gebracht in de diverse interpretaties die zijn
ontstaan. De belangrijkste representanten van de partijen in het onderwijs (deelnemers, leerkrachten,
schoolbesturen) worden naast experts betrokken bij de consultatiefase van het advies.
2)
Een van de debatpunten bij dit advies is het uitgangspunt van een zekere (wettelijk) gewaarborgde
pluriformiteit en tolerantie ten opzichte van – in ieder geval – kwantitatief kleine en zeer kleine richtingen. De
basisstelling in deze discussie is dan dat pluriformiteit van richtingen (levensbeschouwelijk, maar eventueel
ook pedagogisch-didactisch) een verrijking voor het systeem betekent. Een tweede breder debatpunt is het
vraagstuk hoe in het publieke domein naast communale componenten gestalte te geven aan wezenlijke
verschillen van opvatting over mens en samenleving, zoals die beiden (gemeenschappelijk en verschillend) in
ons onderwijs tot uitdrukking komen. Het gaat om het borgen van uitgangspunten van het Nederlandse
bestel, waarbij een (beheerste) mogelijkheid van concurrentie en profilering zorgt voor dynamiek en variëteit.
Daardoor biedt het ook mogelijkheden om naast gemeenschappelijke onderdelen aan uiteenlopende
verwachtingen van deelnemers en aan maatschappelijke veranderingen tegemoet te komen.
3)
Mocht het wetsvoorstel toch worden doorgezet, dan geeft de raad het volgende in overweging.
•       De huidige adviesbevoegdheid ten aanzien van de AWGB kan om praktische redenen blijven bij de
        Commissie Gelijke Behandeling, respectievelijk de bestaande bezwarencommissies en rechters; het
        instellen van een aparte commissie kan komen te vervallen.
•       De regeling moet verder niet het effect hebben dat het bevoegd gezag als het ware gedwongen is om
        alleen leerlingen te accepteren die de richting onderschrijven. De raad beveelt aan dit met zoveel
        woorden duidelijk te maken in de toelichting, dan wel dit bij nota van wijziging te expliciteren.
•       Ten aanzien van de voorgestelde wijziging van de WEB zou de raad willen aanraden de regeling te
        laten zoals deze is. De wijziging is niet proportioneel waar het gaat om het onderschrijven van de
        grondslag (het betreft twee instellingen) en verder dreigt het risico dat de selectievrijheid voor met
        name kunstzinnige opleidingen onmogelijk gemaakt wordt.
Op enkele wetstechnische punten zal een nadere verduidelijking/toelichting moeten worden gegeven (met
name de toepassing van het voorgestelde artikel 40 WPO op het openbaar onderwijs).
8 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    De raad gaat in dit advies in op een initiatiefwetsvoorstel gericht op het vergroten van het
    toelatingsrecht voor ouders. Aan de hand van functionele en principiële criteria gaat de raad
    na in hoeverre de voorgenomen maatregelen kunnen bijdragen aan de gestelde doelen,
    welke (neven)effecten mogelijk optreden en in hoeverre ee                eenn mogelijke discussie rond artikel
    23 Grondwet opportuun is. De raad geeft in het slothoofdstuk enkele overwegingen mee
    voor de Kamer ten behoeve van de verdere behandeling in het parlement.
1   Aanleiding advies, centrale vraagstelling en leeswijzer
1.1 Aanleiding advies en centrale vraagstelling
    In december 2005 dienden de Tweede Kamerleden Hamer (PvdA), Jungbluth (Groen Links), Vergeer (SP) en
    Lambrechts (D66) een initiatiefwetsvoorstel in over toelating tot bijzondere onderwijsinstellingen van
    leerlingen of deelnemers die, of van wie de wettelijk vertegenwoordigers, de grondslag van de instelling niet
    onderschrijven (regeling toelatingsrecht bijzonder onderwijs).1 De belangrijkste wijziging die het
    wetsvoorstel wil bewerkstelligen, is het wettelijk regelen van het uitgangspunt dat de toelating van een
    leerling niet mag worden geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te
    verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren. Het voorstel behelst het
    primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.
    Na advies van de Raad van State2 is het wetsvoorstel op belangrijke punten aangepast. Vanwege het
    regeerakkoord-Balkenende IV3 werd het wetsvoorstel in de ijskast gezet. Nu het kabinet door het vertrek van
    de Partij van de Arbeid demissionair is geworden, heeft het Kamerlid Hamer – niet meer door het
    regeerakkoord gebonden – het wetsvoorstel opnieuw op de agenda gebracht. Op 8 april heeft de Vaste
    Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verslag uitgebracht.5
    Dit advies van de raad aan de Tweede Kamer, hanteert als centrale vraagstelling: Welke belangrijke
    overwegingen, zowel in functionele als in principieel-juridische zin, zijn te maken bij het uitgebrachte
    initiatiefwetsvoorstel over de regeling van het toelatingsrecht?
1.2 Leeswijzer
    Hoofdstuk 2 schetst kort de inhoud van het wetsvoorstel. Hoofdstuk 3 gaat aan de hand van enkele criteria in
    op vragen rond het doel en de motivering van het wetsvoorstel en mogelijke uitwerkingskwesties. Hoofdstuk
    1
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2005a. De huidige indieners zijn de leden Hamer, Jasper van Dijk, Dibi, Van der Ham
    en Kraneveldt-van der Veen.
    2
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006a.
    3
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2007a, p.14: “Segregatie in het onderwijs moet worden bestreden. Zonder dat er
    sprake is van een acceptatieplicht zal hier sterk op worden ingezet.”
    5
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2010.
                                                                                      Het recht op toelating nogmaals bezien 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>4 gaat - op basis van uitgangspunten uit eerdere adviezen – in op principiële overwegingen bij het
wetsvoorstel. Hoofdstuk 5 tot slot bevat enkele overwegingen voor de Tweede Kamer, die mee kunnen
worden genomen bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel.
10 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    Dit hoofdstuk schetst in de eerste paragraaf de belangrijkste punten van het wetsvoorstel.
    De tweede paragraaf betreft een uiteenzetting van de belangrijkste doelstellingen, zoals die
    door de indieners naar voren zijn gebracht.gebracht .
2   Inhoud en motivering wetsvoorstel
2.1 Inhoud en opzet wetsvoorstel
    Sectoren primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs
    Het toepassingsbereik van het voorstel is ruim: het ziet toe op het handelen van besturen in het openbaar en
    bijzonder onderwijs in zowel het primair, voortgezet en speciaal onderwijs, alsmede het middelbaar
    beroepsonderwijs. Na advies van de Raad van State is het aanvankelijke wetsvoorstel bij nota van wijziging
    aangepast.6 Het wetsvoorstel beoogt voor elke vorm van selectie bij toelating, nu en in de toekomst, een
    voorziening te bieden.7 In tegenstelling tot het aanvankelijke ingediende voorstel, dat enkel betrekking had
    op selectie op grond van richting van de school, betreft de laatste versie ook andere selectiemethoden die
    ontleend zijn aan de vrijheid van inrichting, dat wil zeggen de pedagogische vrijheid van de school.
    In de artikelen 40 WPO (Wet op het primair onderwijs), 40 WEC (Wet op de expertisecentra) en 27 WVO (Wet
    op het voortgezet onderwijs) wordt een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Deze luiden als volgt.
    1a. De toelating van een leerling kan niet worden geweigerd op denominatieve gronden, tenzij degene die
    het ouderlijk gezag heeft over de leerling weigert te verklaren dat hij de grondslag van het onderwijs van de
    school zal respecteren. Afwijking van het in de vorige volzin gestelde is slechts mogelijk, indien:
              a. het toelatingsbeleid in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, onderdeel e, vooraf is
              bekendgemaakt, en
              b. het bevoegd gezag van een school van bijzonder onderwijs daarbij gebruik maakt van zijn
              vrijheid, om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die
              gelet op het doel van de school nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze
              eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras,
              geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat, als bedoeld in de
              Algemene Wet Gelijke Behandeling. Onderscheid op grond van geslacht is alleen toegestaan, indien
              de eigen aard van de school dit eist en voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige
              voorzieningen aanwezig zijn.
    1b. Onverminderd het tweede tot en met vierde lid kan de toelating van leerlingen niet worden geweigerd op
    andere gronden, tenzij:
              a. het toelatingsbeleid in overeenstemming met artikel 13, eerste lid, onderdeel e, vooraf is
              bekendgemaakt, en
              b. de Algemene wet gelijke behandeling zich hiertegen niet verzet.
    1c. De beslissing van het bevoegd gezag tot weigering van toelating wordt door hem gemotiveerd en op
    schrift gesteld. In de beslissing wordt opgenomen dat degene tot wie zij is gericht tegen deze beslissing in
    6
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b.
    7
      Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b, p.6.
                                                                                   Het recht op toelating nogmaals bezien 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>beroep kan gaan bij een Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen, bedoeld in het zevende lid, met
vermelding van adres en beroepstermijn. Indien de beslissing niet op schrift is gesteld en daarin geen
vermelding en verwijzing inzake beroep is opgenomen, is zij nietig. De beroepstermijn loopt tot twee weken
na de bekendmaking van de beslissing. De beslissing wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking
aan degene die ouderlijk gezag over de leerling heeft. Zolang op de beslissing niet in beroep is beslist of de
beroepstermijn niet ongebruikt is verstreken, kan de leerling geen toegang worden geweigerd tot de school.
1d. Een leerling die is toegelaten kan niet op een van de in de bovenstaande leden bedoelde gronden van
school worden verwijderd door het bevoegd gezag.
Op grond van een voorgesteld lid zeven van artikel 40 WPO, dient de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap) een Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen in te stellen. Deze commissie is als gevolg
van het voorgestelde lid 8 onafhankelijk en oordeelt zonder vooringenomenheid. Degene die ouderlijk gezag
heeft over een leerling aan wie de toegang tot een school is geweigerd, kan tegen deze beslissing in beroep
gaan bij de commissie. De uitspraak van de commissie is bindend voor het bevoegd gezag (het voorgestelde
lid 9).
De schoolgids dient op basis van het voorgestelde artikel 13 lid 1 sub e WPO informatie te verschaffen over
het beleid ten aanzien van de toelating van leerlingen.
Besluiten tot weigering van toelating van leerlingen moeten dus uitdrukkelijk gerechtvaardigd worden en
getoetst in een laagdrempelige voorziening van beroep.8 Het uitgangspunt is dat elke school algemeen
toegankelijk is, tenzij een toelatingsbeleid wordt gevoerd dat aan duidelijke en stringente
rechtmatigheidscriteria voldoet.9
Het aanvankelijke ‘ontheffingsartikel’ voor scholen die streng selecteren op grond van godsdienst of
levensbeschouwing, is bij nota van wijziging vervangen. Voorgesteld wordt de Algemene Wet Gelijke
Behandeling aan te passen, in die zin dat artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling
vervalt (dit artikel wordt opgenomen in het corpus van WPO en WVO).
Relevante artikelen in de AWGB
Artikel 7
1. Onderscheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij
het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van loopbaanoriën-
tatie en advies of voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit geschiedt:
a. […]
b. […]
c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van […] onderwijs
d. […].
2. Het eerste lid, onderdeel c, laat onverlet de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om bij de
toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de
instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot
onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of
homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Onderscheid op grond van geslacht is alleen toegestaan, in-
dien de eigen aard van de instelling dit eist en voor leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorzie-
ningen aanwezig zijn.
8
  Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b, p.6.
9
  Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b, p.7.
12 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Algemeen toegankelijk, tenzij
Volgens de voorgestelde regeling geldt als uitgangspunt dat elke school algemeen toegankelijk is, tenzij een
toelatingsbeleid wordt gevoerd dat aan duidelijke en stringente rechtmatigheidsvoorwaarden voldoet.
Weigering op grond van denominatie is dan slechts toegestaan, indien de ouders tevoren aangeven dat zij de
grondslag niet zullen respecteren (zij hoeven de grondslag dus niet te onderschrijven).
Een algemene voorwaarde is dat het toelatingsbeleid vooraf op voor ouders kenbare wijze is gepubliceerd in
de schoolgids. Verder geldt dat aan leerlingen alleen eisen op denominatieve gronden kunnen worden
gesteld ten aanzien van de toelating en de deelname aan onderwijs, als die gelet op het doel van de school
nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag en deze eisen niet leiden tot onderscheid op grond
van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid
of burgerlijke staat. Deze norm is rechtstreeks ontleend aan artikel 7, tweede lid, AWGB. Selectie op
denominatieve gronden is slechts gerechtvaardigd als het gaat om een richting die in de statuten van de
rechtspersoon die de school in stand houdt is vastgelegd, en deze richting ook consequent en consistent in
het toelatingsbeleid gehandhaafd wordt.10
Toetsing beslissingen door Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen
Tegen de weigering van toelating van een leerling kan de ouder die het daarmee niet eens is, zich verweren in
een procedure van beroep bij de Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen. De commissie is onafhankelijk
en doet voor het bevoegd gezag bindende uitspraken, maar is geen rechter. Zij is bedoeld als een
laagdrempelige voorziening, waartoe ouders zich kosteloos kunnen richten. Er geldt een beroepstermijn van
twee weken. Aan de beslissing van het bevoegd gezag worden specifieke eisen gesteld (schriftelijkheid,
rechtsgangverwijzing) om het recht op beroep veilig te stellen. Zolang op de beslissing niet in beroep is
beslist of de beroepstermijn niet ongebruikt is verstreken, kan de leerling geen toegang worden geweigerd
tot de school.
De indieners van het wetsvoorstel willen nadrukkelijk dat gemeenten en scholen de ruimte krijgen om
afspraken te maken over het tegengaan van segregatie. Postcodebeleid of woonwijkenbeleid moet volgens
de toelichting wel transparant en toetsbaar zijn. Ouders die met de consequenties voor hun kind problemen
hebben, kunnen daarom laten toetsen of het beleid in strijd is met de Wet Gelijke Behandeling, of dat er reële
criteria worden gehanteerd om leerlingen te spreiden. Als het spreiding op grond van achterstanden betreft,
dan is dat geen discriminatie in termen van de Wet Gelijke Behandeling. Bij lokale afspraken (dubbele
wachtlijsten op grond van gewicht of geen gewicht) weten de ouders waar ze aan toe zijn en kunnen ze niet
tegen deze dubbele wachtlijst in beroep gaan, omdat deze is gebaseerd op gewicht en niet op etniciteit.11
Ten slotte geldt dat een leerling die is toegelaten, niet op een van de hierboven bedoelde gronden van school
kan worden verwijderd door het bevoegd gezag. Alle hiervoor genoemde gronden beperken zich derhalve
tot de toelating.
Algemene toegankelijkheid bve-instellingen
Ten aanzien van de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs) wordt voorgesteld een algemene
toelatingsplicht in te voeren, ongeacht het niveau van de opleiding. Volgens de indieners is de huidige
systematiek, waarbij er voor deelnemers wat betreft de laagste twee niveaus (assistentopleiding en
basisberoepsopleiding) van het beroepsonderwijs een algemeen recht op toegang geldt en niet voor de
hogere niveaus, verwarrend omdat in wezen iemand niet tot een opleiding wordt toegelaten – zoals de
wettelijke regeling suggereert – maar tot een instelling. Verder beantwoordt zij niet aan de principiële
garantieplicht van de overheid tot algemene toegankelijkheid van onderwijsvoorzieningen. Algemene
toegankelijkheid voor de gehele bve-sector (beroepsonderwijs en volwasseneneducatie) is volgens de
indieners ook noodzakelijk omdat er geen openbare instellingen zijn, vanwege de regionale spreiding van de
10
   Afgeleid van de criteria genoemd in het Maimonides-arrest van de Hoge Raad, HR 22 januari 1988, NJ 1988, 981.
11
   Zie eerder Onderwijsraad, 2005.
                                                                                    Het recht op toelating nogmaals bezien 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    voorzieningen én vanwege het toenemende belang van het behalen van een kwalificatie door mensen uit
    groepen in de samenleving die niet vanzelfsprekend de weg naar school vinden. De beoogde wijziging van
    artikel 8.1.1 van de WEB valt uiteen in twee delen: de wijziging van het derde lid stelt dat de inschrijving
    openstaat “voor degenen ten aanzien van wie met inachtneming van [de vooropleidingseisen] is beslist dat
    zij tot de instelling worden toegelaten. Het bevoegd gezag kan het nemen van de beslissing over de toelating
    opdragen aan een door hem in te stellen toelatingscommissie”. De selectievrijheid van het bevoegd gezag is
    aldus beperkt tot toetsing aan de wettelijke vooropleidingseisen.
    Volgens de voorgestelde wijziging van het vijfde lid kan het bestuur van de bijzondere bve-instelling wel
    aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven, geacht worden de grondslag en de
    doelstellingen van de instelling te respecteren. De grondslag hoeft echter niet te worden onderschreven.
2.2 Doelstelling en toelichting van het wetsvoorstel
    Bij de indiening van het wetsvoorstel (eind 2005) hebben de initiatiefnemers aanvankelijk drie redenen voor
    het voorstel genoemd:
         de keuzevrijheid van ouders bij de schoolkeuze is soms beperkt en er bestaat voor ouders onduidelijk-
          heid over bij welke scholen men allemaal terecht kan (uit onderzoek blijkt dat er bij ouders uit achter-
          standsgroepen en allochtone ouders meer onbekendheid bestaat over de toelatingsmogelijkheden);
         ongelijkheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs maken onderlinge afspraken over het
          toelatingsbeleid moeilijk en brengt hen in een ongelijke positie ten opzichte van elkaar; en
         de segregatie is soms in het onderwijs nog sterker dan in de wijk waarin de school staat.
    De indieners van het wetsvoorstel beargumenteren deze acceptatieplicht in de eerste plaats op basis van de
    vrijheid van schoolkeuze. “De indieners vinden dat dit recht op vrije schoolkeuze dient te worden versterkt
    voor alle ouders met een toelatingsrecht dat in principe voor alle scholen geldt. Dit wetsvoorstel beoogt
    beperkingen weg te nemen in de keuzevrijheid van ouders door de toelatingsgronden bij het bijzonder
    onderwijs te verruimen. Het is bij ouders lang niet altijd duidelijk dat zij met een andere levensbeschouwing
    toch op een bepaalde school terecht kunnen.”12
    Een ander argument is de gewenste gelijkheid in rechtspositie van de leerling in het openbaar en het
    bijzonder onderwijs. “De ongelijke rechtspositie van openbaar en bijzonder onderwijs bij de toelating van
    leerlingen maakt het tevens moeilijk om tot onderlinge afspraken te komen over een gezamenlijk
    toelatingsbeleid. Wanneer er een meer gelijke uitgangspositie is tussen de scholen, kan men ook
    gemakkelijker gezamenlijke instrumenten inzetten zoals vaste inschrijfmomenten en voorlichting.”13
    De indieners stellen de waarde van het bijzonder onderwijs niet ter discussie, maar constateren in de
    memorie van toelichting wel dat de toegankelijkheid anders is geregeld. ”Door een toelatingsbeleid te
    mogen voeren kan het bijzonder onderwijs andere regels hanteren (zichtbaar of onzichtbaar) waarmee de
    keuzevrijheid van ouders wordt beperkt. De initiatiefnemers erkennen dat veel bijzondere scholen hun bij-
    drage proberen te leveren aan integratie. Ook bijzondere scholen zijn soms door de wijk waarin zij staan,
    eenzijdig samengesteld. Procentueel heeft het openbaar onderwijs echter een groter aandeel allochtone
    leerlingen, zoals ook blijkt uit Kerncijfers 2000–2004 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.” De indieners merken
    daarbij op dat een schoolbestuur in het bijzonder onderwijs bewust een beleid kan voeren van een kleine
    schaal, waarbij zij wachtlijsten aanleggen of via loting de toegang regelen, terwijl het openbaar onderwijs dat
    niet kan vanwege de garantiefunctie.
    12
       Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2005b, p.1.
    13
       Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2005b, p.1.
    14 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Het wetsvoorstel beoogt – volgens de nota van wijziging – dat ouders, ongeacht hun individuele hoedanig-
heid, afkomst of maatschappelijke positie, gelijke kansen hebben bij het kiezen van een school. Daarbij geldt
dat zij er recht op hebben te weten dat in het geval hun kind de toegang tot een school wordt geweigerd dit
is geschied op grond van verifieerbare en rechtmatige criteria. Een deugdelijk kader voor verantwoording
door schoolbesturen van hun toelatingsbeleid en voor de versterking van de bekendheid en voorspel-
baarheid bij ouders en leerlingen van hun handelen wordt als een noodzakelijk instrument beschouwd ter
bestrijding van maatschappelijke ongelijkheid bij de schoolkeuze, aldus de indieners.14
De raad zal bij de bespreking van het wetvoorstel uitgaan van de versie zoals deze is aangepast na de nota
van wijziging.
14
   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b, p.7.
                                                                             Het recht op toelating nogmaals bezien 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    De raad gaat in dit hoofdstuk in op het initiatiefwetsvoorstel waarbij hij aan de hand van
    functionele criteria zoals nut en noodzaak, motivering en proportionaliteit      proportionaliteit en subsidiariteit
    nagaat of de beoogde wetswijzigingen bijdragen aan de doelstelling, zoals die de indieners
    voor ogen staat.
3   Functionele overwegingen bij het wetsvoorstel
3.1 Adviescriteria15
    De eerste relevante vraag is die naar het nut en de relatie tussen probleem en oplossing: draagt het
    wetsvoorstel bij aan de voorgestelde doelstellingen (bestrijding segregatie, uitbreiding keuzerecht ouders,
    gelijke behandeling openbaar en bijzonder onderwijs)? Een verwante vraag is die van de noodzakelijkheid:
    welke (maatschappelijke en juridische) noodzaak noopt tot ingrijpen van de wetgever? Is er in de motivering
    van het wetvoorstel voldoende aangetoond dat de geschetste ontwikkelingen en bewegingen zich inder-
    daad voordoen: met andere woorden in hoeverre is de motivering gestoeld op empirische bevindingen?
    Een tweede vraag is die naar proportionaliteit en subsidiariteit: zijn de voorgestelde maatregelen evenredig?
    Beperken zij zicht tot het strikt noodzakelijke en worden eventuele rechten van het bevoegd gezag – of
    bepaalde individuele schoolbesturen – niet onevenredig ingeperkt? Een en ander moet beschouwd worden
    in het licht van de vraag naar het nut en de noodzakelijkheid van het wetsvoorstel in relatie tot het wijzigen
    van de verplichtingen voor betrokkenen door aanname van dit wetsvoorstel.
    Een derde en laatste vraag in dit verband is die naar de (juridische) uitvoerbaarheid. Tot welke mogelijke
    (onbedoelde en negatieve) neveneffecten leidt de voorgestelde wetswijziging? Is er sprake van ‘botsende’ of
    juist samenlopende rechten of rechtsgangen (zijn er bijvoorbeeld meerdere instanties die bevoegd zijn over
    hetzelfde geschil)?
3.2 Overwegingen ten aanzien van nut en noodzaak van het wetsvoorstel
    De raad wil op de eerste plaats opmerken dat doelstellingen zoals bestrijding van leerachterstanden en
    segregatie en versterking van het keuzerecht van ouders actuele kwesties en legitieme doelstellingen van
    beleid en wetgeving zijn. De raad is hierop ingegaan, onder meer in de adviezen Bakens voor spreiding en
    integratie (2005) ten aanzien van de segregatieproblematiek en De bestuurlijke ontwikkeling van het
    Nederlandse onderwijs (2008), waarin keuze van ouders als een belangrijk kenmerk van het stelsel is genoemd.
    Het advies Bakens voor spreiding en integratie (2005) ging specifiek in op het toelatingsbeleid van scholen,
    gericht op een evenwichtige samenstelling op basis van het onderscheid tussen allochtone en autochtone
    leerlingen. In zijn algemeenheid werd opgemerkt dat communicatie met ouders over het toelatingsbeleid
    15
       Zie in dit verband ook Aanwijzing voor de regelgeving art.9a, leden 1 en 2: Bij de afweging van verschillende mogelijkhe-
    den tot overheidsinterventie om een doelstelling te bereiken wordt in ieder geval gelet op de volgende aspecten: de mate
    waarin verwacht mag worden dat een regeling het beoogde doel zal helpen te verwezenlijken en de neveneffecten van
    een regeling.
    16 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>zeer belangrijk is. “Ervoor zorgen dat iedereen dezelfde informatie heeft, zorgt in zekere zin ook voor ‘checks
and balances’: schoolbesturen houden elkaar in de gaten en kunnen elkaar aanspreken op hun handelen.
Criteria voor toelating moeten helder en verdedigbaar zijn. […] De voorlichting aan ouders moet er dus toe
bijdragen dat ouders weten waar ze aan toe zijn”, aldus het advies.16
De raad kon zich voorstellen dat – vanwege bestrijding van leerachterstanden en segregatie – het toelatings-
beleid van scholen gecoördineerd zou worden. Om de informatieachterstand van ouders met achterstands-
kinderen te compenseren was het volgens de raad te overwegen, ook gezamenlijk af te spreken de
inschrijving pas toe te staan bij een bepaalde leeftijd (bijvoorbeeld 3,5 jaar).
Ten aanzien van een belangrijk achterliggend motief van het hier besproken initiatiefwetsvoorstel
(bestrijding segregatie en afspraken tussen openbaar en bijzonder onderwijs in dat kader over het
toelatingsbeleid) constateert de raad dat door de wetgever de afgelopen jaren belangrijke stappen zijn gezet
en dat door veel schoolbesturen in onderlinge coördinatie, al dan niet samen met gemeenten op grond van
artikel 167a WPO, gerichte acties worden ondernomen, waarbij ook de afstemming van het toelatingsbeleid
een rol speelt.17 Een in het oog springend voorbeeld is in dit verband het initiatief in Nijmegen, waarbij per 1
april 2009 is gestart met een systeem van centrale aanmelding voor het primair onderwijs, waarbij er op elke
basisschool een capaciteitsplafond is ingesteld. Iedereen moet zijn kind centraal aanmelden. De aanmelding
leidt tot een plaatsingsadvies van het centraal aanmeldpunt, waarbij geldt dat scholen alleen die kinderen
inschrijven die zo’n plaatsingsadvies hebben ontvangen.
Aan dit systeem liggen afspraken tussen de schoolbesturen en het gemeentebestuur ten grondslag. Alle
basisscholen in Nijmegen nemen zonder uitzondering aan dit systeem deel. Doel ervan is te komen tot een
rechtvaardiger verdeling van de beschikbare plaatsen over kansrijke en kansarme kinderen en daarmee
segregatie naar onderwijsachterstand tegen te gaan. Via het Kenniscentrum Gemengde Scholen zijn
programma’s en praktijken uitgewisseld.18
De raad kan uit de (nadere) toelichting niet opmaken op welke wijze de wetswijziging (verder) bijdraagt aan
de beoogde hoofddoelstelling. Zo mist hij een empirische onderbouwing van de vraag hoe deze
wetswijziging – waarbij een hoofdbestanddeel is het verplaatsen van een artikel uit de Algemene Wet Gelijke
Behandeling naar de sectorale onderwijswetten - bij kan dragen aan de bestrijding van leerachterstanden en
segregatie of aan verbetering van integratie. De raad vermoedt dat onderbouwing daarvoor zeer moeilijk te
geven is, daar een acceptatieplicht van bijzondere scholen op zijn hoogst slechts in een zeer beperkte zin
leidt tot een evenwichtigere spreiding van allochtone en autochtone leerlingen over de Nederlandse
scholen.19 Te wijzen valt verder op de ervaringen in Vlaanderen met het Gelijke Kansendecreet. Deze wet
beoogt sinds 2002 een versterkt inschrijvingsrecht voor leerlingen van het basisonderwijs en het secundair
onderwijs.20 Het basisprincipe is dat elke kandidaat-leerling het recht heeft om in de school van zijn of haar
keuze te worden ingeschreven, op voorwaarde dat de leerling met het pedagogisch project en het school-
reglement instemt. Ornelis en Verbeeck concluderen na zeven jaar evaring met deze wet: ”Veel problemen
waar het decreet geen oplossing voor aandraagt, vinden hun oorzaak veeleer in de sociaal-economische
realiteit dan in eventueel juridisch-technische onvolkomendheden”.21 De oorzaken voor het ontstaan van
zwarte en witte scholen zijn – zoals de raad eerder heeft gesteld – niet gelegen in de wijze van uitoefening
16
   Onderwijsraad, 2005, p.39.
17
   Zie bijvoorbeeld de pilots in de vier grote steden voor het basisonderwijs, en in Deventer, Eindhoven en Nijmegen. Vanaf
1 mei 2009 is er ook financiële ondersteuning voor pilots in Schiedam, Amersfoort, Tilburg en Leiden.
18
   Zie www.gemengdescholen.nl.
19
   Zie eerder Onderwijsraad 2002, p.63-64; Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006a, p.3-4.
20
   Decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I, Belgisch Staatsblad, 14 september 2002 (tweede editie).
Een Vlaams decreet is gelijk te stellen met een wet in Nederland.
21
   Ornelis & Verbeeck, 2009.
                                                                                        Het recht op toelating nogmaals bezien 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    van de toelatingsbevoegdheid door bijzondere scholen, maar in het bestaan van gesegregeerde wijken. Er
    bestaan bijvoorbeeld geen aanwijzingen dat de vrijheid van toelating op grote schaal wordt misbruikt om
    allochtone leerlingen te weren.22
    Naar het oordeel van de raad brengt het huidige wetsvoorstel in materiële zin weinig wijzigingen ten aanzien
    van het huidige wettelijk kader: de huidige wetgeving en het huidige toelatingsbeleid van scholen roepen
    vooralsnog geen noodzaak op voor wetgeving. Omdat circa 95% van de bijzondere scholen op dit moment
    een open toelatingsbeleid voert (dat wil zeggen niet selecteren op basis van godsdienst- of
    levensovertuiging, of slechts vragen om het respecteren van de grondslag) is het nu reeds mogelijk dat
    openbare en bijzondere scholen op een gemakkelijke manier tot gezamenlijke afspraken over het
    toelatingsbeleid komen (zie het hierboven genoemde artikel in de WPO). Er bestaat daarnaast geen wezenlijk
    verschil in rechtspositie op het terrein van de toelating tussen openbare scholen en de circa 95% bijzondere
    scholen die een open toelatingsbeleid voeren. Juist omdat door deze categorie bijzondere scholen een open
    toelatingsbeleid wordt gevoerd, hebben zij niet het recht om leerlingen te weigeren die niet aan de
    grondslag van de school beantwoorden.
    Ten slotte zijn er juridisch gezien ook geen principiële veranderingen ten aanzien van de vrijheid van
    schoolbesturen om leerlingen te selecteren op andere gronden dan godsdienst- of levensovertuiging. Op
    grond van het voorgestelde artikel 1b eerste volzin WPO kan de toelating van leerlingen niet worden
    geweigerd op andere, niet-richtingsgerelateerde gronden, tenzij het beleid vooraf bekend is gemaakt in de
    schoolgids en in overeenstemming is met de Algemene wet gelijke behandeling. Op basis van de AWGB is
    bijvoorbeeld het voeren van een schoolvolumebeleid niet verboden. Het is echter wel verboden om binnen
    het kader van dit beleid onderscheid te maken, bijvoorbeeld door (objectief niet te rechtvaardigen) voorrang
    te verlenen aan leerlingen die afkomstig zijn van katholieke of protestants-christelijke basisscholen.23 In de
    meeste gevallen zal een toelatingsbeleid op grond van de vrijheid van inrichting van de bijzondere school c.q.
    de pedagogische vrijheid van de openbare school in overeenstemming zijn met deze wet omdat er geen
    verboden onderscheid wordt gemaakt. De meest ingrijpende wijziging ten opzichte van het huidige regime is
    de instelling van een Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen. Een nadere beschouwing daarover volgt
    in paragraaf 3.4.
3.3 Overwegingen ten aanzien van de proportionaliteit
    In aansluiting op de vorige paragraaf concludeert de raad dat dit wetsvoorstel ten aanzien van het primair en
    voortgezet onderwijs de facto weinig verandering brengt in de huidige materiële rechten en plichten van het
    bevoegd gezag enerzijds en ouders anderzijds.
    Bij de overwegingen ten aanzien van de reikwijdte van het voorstel in het primair en voortgezet onderwijs is
    op te merken dat in deze sectoren slechts een kleine categorie scholen gebruikmaakt van de in artikel 7 lid 2
    AWGB genoemde mogelijkheid.24
    Ten aanzien van het middelbaar beroepsonderwijs constateert de raad evenwel dat er in de huidige context
    van het aanbod van mbo-instellingen, op twee uitzonderingen na25, alleen maar algemeen toegankelijke
    22
       Zie ook eerder en ten overvloede Onderwijsraad 2005. Uit een mededeling van prof. Karsten (UvA) blijkt dat op grond van
    uitgevoerd en lopend onderzoek het steden als Amsterdam bijvoorbeeld het protestants-christelijk onderwijs relatief meer
    allochtone leerlingen opneemt dan openbare scholen. Dit beeld wordt bevestigd bij een recent (nog lopend) onderzoek
    van Emmelot in Almere.
    23
       Commissie Gelijke Behandeling, 6 november 2003, oordeel 2003-134.
    24
       Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2009.
    25
       Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2007b.
    18 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    instellingen in de omgeving zijn waar leerlingen kunnen en zullen worden toegelaten. De desbetreffende
    opleidingen die vragen van deelnemers om de grondslag te onderschrijven zijn bovendien geen monopolist.
    De vraag is in dat verband dan ook welke dwingende redenen er zijn om voor het middelbaar beroeps-
    onderwijs een algemene toelatingsplicht te creëren, waarbij de deelnemers niet de grondslag hoeven te
    onderschrijven.
    De desbetreffende regeling in het initiatiefwetsvoorstel waarbij de mogelijkheid wordt geschrapt om van
    deelnemers vanaf niveau 3 te vragen de richting te onderschrijven, lijkt louter geënt te zijn op de casus van
    het Hoornbeeck College.26 De raad vindt het in het kader van de overwegingen ten aanzien van de
    proportionaliteit niet opportuun de WEB op dit punt te wijzigen, omdat de wettelijke regeling betrekking
    heeft op slechts zeer specifieke gevallen. De vraag is overigens ook hier aan de orde welk doel de wijziging
    van de WEB heeft, gerelateerd aan de beoogde doelstellingen; de wijziging van het toelatingsbeleid van twee
    roc’s kan geen wijziging brengen in de – gepercipieerde – segregatie (van opleidingen) binnen het middel-
    baar beroepsonderwijs, wanneer deze instellingen geen monopoliepositie hebben en bovendien niet in een
    stedelijke omgeving gevestigd zijn.
    Ten aanzien van de andere voorgestelde wijziging van de WEB (wijziging van artikel 8.1.1, derde lid,
    neerkomend op het uitgangspunt dat de inschrijving openstaat voor iedereen, mits voldaan is aan de
    vooropleidingseisen) vraagt de raad zich af welke strekking dit artikel heeft. Als dit zou betekenen dat elke
    mogelijkheid om deelnemers te selecteren wordt afgeschaft (de raad denkt hierbij met name aan opleidingen
    dans of andere creatieve opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs, maar ook in geval er geen
    huisvesting beschikbaar is of een tekort aan praktijkplaatsen), dan is dit volgens de raad ook een
    disproportionele inperking van de vrijheid van het bevoegd gezag.
3.4 Overwegingen ten    ten aanzien van uitvoerbaarheid en neveneffecten
    Een wijziging ten opzichte van de huidige situatie betreft de instelling van een centrale commissie die feitelijk
    alle toelatingsbeslissingen van alle bevoegde gezagsorganen gaat beoordelen op conformiteit met artikel 7
    lid 2 AWGB en op transparantie van toelatingsbeleid. Volgens de toelichting op de voorgestelde wijzigingen
    in de nota van wijziging worden geschillen over de toelating van leerlingen onttrokken aan de bevoegdheid
    van de Commissie Gelijke Behandeling. De reden hiervoor is volgens de nota van wijziging dat een goede
    inkadering van de toelatingsproblematiek voor het onderwijs hoge maatschappelijke prioriteit heeft en voor
    ouders een laagdrempelige, herkenbare en onderwijskundig-specialistische voorziening vereist.27
    Naar het oordeel van de raad zullen de werkzaamheden van een Commissie Beoordeling Toelating Leerlingen
    centralisering tot gevolg hebben (toelatingsbeslissingen van alle scholen zullen centraal getoetst worden,
    weliswaar op een beperkt aantal aspecten, maar toch via een door de overheid ingesteld orgaan). Juridisch-
    technisch zijn daarnaast een aantal vragen te stellen, bijvoorbeeld rond de vermeende ‘bindendheid’ van de
    uitspraken, zowel voor het openbaar als voor het bijzonder onderwijs. Volgens het wetsvoorstel zijn de
    bindende adviezen overigens alleen bindend voor het bevoegd gezag.28 Het is niet duidelijk hoe de
    commissie de beslissingen (voor openbaar onderwijs zou beter gesproken kunnen worden van de
    bestuursrechtelijke term besluiten) toetst van het bevoegd gezag en hoe dit zich verhoudt met artikel 40 lid 6
    26
       Meer specifiek: de rechtszaak die is gevoerd naar aanleiding van een verzoek tot toelating. De rechter heeft hierbij de
    mogelijkheid tot toelatingsbeleid op grond van de richting in het middelbaar beroepsonderwijs erkend, zie Gerechtshof
    Amsterdam, 25 juli 2007, NJCM-bulletin, 2008, nr.4, p. 498-506.
    27
       Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2006b, p.8.
    28
       Wanneer werknemers, ouders of studenten niet expliciet hebben ingestemd zijn zij niet gebonden. Zie HR 31 mei 1996,
    Rvdw 1996, 127 (Amghane). De Rb. ’s-Gravenhage heeft om diezelfde reden ook de ‘bindende oordelen’ van het
    college van beroep voor examens van een hbo-instelling terzijde geschoven, Rb. ‘s-Gravenhage, 30 juli 2008, rolnr.
    288344/HA ZA 07-1702, n.n.g.
                                                                                        Het recht op toelating nogmaals bezien 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    WPO (AWB rechtsgang) en 63 WPO (waar ook al een procedure bij toelating is opgenomen). Ook de onder-
    linge verhouding tussen de (civiele of bestuursrechtelijke) rechtsgang en andere commissies is een
    vraagpunt, bijvoorbeeld het oordeel van de Commissie Heroverweging in Nijmegen (die een ‘bindend advies’
    geeft aan ouders die bezwaar maken tegen toewijzing van een school).29 En voor het openbaar onderwijs kan
    nog worden gewezen op de bestaande Bezwarencommissie Schoolbestuurbeslissingen, die al op een laag-
    drempelige manier besluiten van het bevoegd gezag over toelating tot de openbare school kan toetsen.30 De
    voorgestelde aanpak kan tot een bouwwerk van onoverzichtelijke administratieve en juridische handelingen
    leiden. Dit raakt aan de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel en waarborgt zodoende ook niet de bedoelde
    ‘eenduidigheid’. Ook de verhouding met de Commissie Gelijke Behandeling, zoals aan de orde gesteld door
    enkele Kamerfracties, kan hier genoemd worden. De raad ziet in dit verband een samenloop ontstaan. De
    hoofdnorm – de gelijkheidsnorm/antidiscriminatiebepaling van artikel 7 lid 1 AWGB, volgens welke leerlingen
    (ook door het niet-bekostigd onderwijs) niet op grond van godsdienst/richting enzovoort geweerd mogen
    worden – blijft onverkort in de AWGB staan. De Commissie Gelijke Behandeling kan en moet dus onder het
    toekomstig regime de weigering (bijvoorbeeld op grond van richting) om een leerling toe te laten nog steeds
    toetsen, maar dan uitsluitend aan artikel 7 lid 1 AWGB, waardoor de commissie per definitie tot de conclusie
    moet komen dat sprake is van strijdigheid met de AWGB.
    De Commissie Gelijke Behandeling heeft in de loop der jaren een uitgebreide ervaring opgebouwd bij de
    beoordeling van kwesties van gelijke behandeling en is op dit gebied dan ook bij uitstek deskundig.
    Voorshands stelt de raad voor – gezien bovenstaande vraagpunten – de adviesbevoegdheid ten aanzien van
    de AWGB te laten bij de Commissie Gelijke Behandeling respectievelijk de bestaande bezwarencommissies en
    rechters, en geen aparte commissie in te stellen. De conclusie is dus dat de voorgestelde commissie niet
    noodzakelijk is, gezien de reeds bestaande voorzieningen.
    Een slotvraag in dit kader betreft de reikwijdte van het voorgestelde in artikel 40 WPO. Dit artikel is van
    toepassing op zowel het bevoegd gezag van openbare als bijzondere scholen.31 Op basis van artikel 46 lid 2
    WPO en artikel 42 lid 2 WVO dient het openbaar onderwijs algemeen toegankelijk te zijn, zonder onderscheid
    naar godsdienst of levensbeschouwing. In het verlengde hiervan kan de vraag gesteld worden of openbare
    scholen nu ook van leerlingen (ouders) kunnen eisen dat de pluriforme grondslag van het openbaar
    onderwijs wordt gerespecteerd. Wanneer een leerling om geloofsreden zou weigeren om die grondslag te
    respecteren (bijvoorbeeld omdat zij religieus gebonden zijn aan een getuigenisplicht of door het weigeren
    van het schudden van handen), zou deze leerling dan de toegang geweigerd kunnen worden? Dit lijkt niet te
    rijmen met voornoemd artikel 46 lid 2 WPO. De indieners zouden op dit punt omwille van de uitvoerbaarheid
    duidelijkheid moeten verschaffen.
3.5 Conclusies ten aanzien van de functionaliteit van het wetsvoorstel: onvoldoende relatie tussen
    doel en middel
    Wanneer de raad het wetsvoorstel beziet zoals dat bij nota van wijziging is aangepast, constateert hij dat de
    bestaande situatie/uitspraken van de rechter in grote lijnen worden gecodificeerd. De beoogde wijzigingen
    van de WPO en WVO behelzen een wetstechnische herordening van reeds geldende rechtsregels,
    bijvoorbeeld door verplaatsing van een artikel van de AWGB naar de WPO en WVO. De hoofddoelstelling van
    de nota van wijziging heeft betrekking op het aanpakken van de segregatie en het vergroten van de school-
    keuzevrijheid, maar de raad vindt hiervoor onvoldoende (empirisch) houvast in de toelichting. De raad is
    29
       Zie www.schoolwijzernijmegen.nl.
    30
       Zie www.onderwijsgeschillen.nl.
    31
       Het is ondergebracht bij titel 1 van afdeling 1 van de WPO: regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden
    voor bekostiging van het bijzonder onderwijs.
    20 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>kortom van mening dat het voorstel weinig verandering brengt in het thans geldende juridische regime én
de ontwikkelde praktijk betreffende de toelating tot bijzondere scholen.
Al met al kan daarom betwijfeld worden of de aangevoerde doelstellingen – hoe plausibel ook – genoeg
grondslag bieden voor de noodzaak van de voorgestelde wijzigingen van de WPO en de WVO. Bijkomende
overweging is dat de raad niet de relatie ziet tussen de geconstateerde problemen (die nogmaals op zich
evident en plausibel zijn) en voorgestelde oplossingen via de beoogde wetswijzigingen. De raad mist
daaromtrent een overzicht van en reflectie op de effectiviteit van de huidige wetgeving en bestaande
mogelijkheden om aan het bestaande segregatieprobleem in het onderwijs in de praktijk tegemoet te
komen.
In algemene zin verwacht de raad – zoals in eerdere adviezen overwogen en op grond van beschikbaar
onderzoek – dat versterking van het toelatingsrecht niet bijdraagt aan bestrijding van de segregatie. De
indieners van het wetsvoorstel vooronderstellen dat met deze versterking van het ouderlijk keuzerecht de
tweedeling in witte en zwarte scholen verminderd zal worden, oftewel: dat ouderlijke keuzepatronen als
vanzelf een maatschappelijk gewenst eindresultaat zullen opleveren. Literatuur en de adviezen over dit
onderwerp geven evenwel het inzicht dat versterking van het keuzerecht de integratie niet per se bevordert,
maar de segregatie soms juist kan versterken.32 Daarbij kan ook gewezen worden op onderzoek dat uitwijst
dat er binnen de Nederlandse bevolking geen overeenstemming is over of het tegengaan van zwarte en witte
scholen belangrijker is dan de schoolkeuzevrijheid.33
Ten aanzien van de proportionaliteit vindt de raad met name de voorgestelde wetswijziging van de WEB
(artikel 8.1.1) nader te overwegen; feitelijk raakt de wijziging van het vijfde lid slechts aan het toelatingsbeleid
van twee instellingen. De raad betwijfelt of dit voldoende grond is voor een wetswijziging. Ten aanzien van
het derde lid (inschrijving als voldaan wordt aan de wettelijke vooropleidingseisen) kan dit met name de
kunstzinnige opleidingen disproportioneel beperken in hun vrijheid te selecteren op talent.
De raad voorziet verder knelpunten bij de uitvoering en neveneffecten, met name als gevolg van de instelling
van een aparte commissie voor de toelatingsbeslissingen.
In het volgende hoofdstuk zal de raad enige principiële beschouwingen wijden aan het wetsvoorstel, mede
aan de hand van eerdere adviezen.
32
   Vgl. Vermeulen, 2005, p.219-221.
33
   Volgens onderzoek van TNS/NIPO verwerpt 42% de stelling dat het tegengaan van de scheiding tussen witte en zwarte
scholen voorgaat op keuzevrijheid, ongeveer een even groot percentage kan die stelling wel onderschrijven, zie Volkskrant,
2009.
                                                                                    Het recht op toelating nogmaals bezien 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    Buiten de overwegingen van technische en functionele aard heeft de raad ook een aantal
    overwegingen voor de Kamer van principiële aard. Deze overwegingen zijn gebaseerd               gebaseerd op
    twee uitgangspunten uit eerdere adviezen.
4   Principiële overwegingen bij het wetsvoorstel
4.1 Advieskader van de raad: inhoudelijke uitgangspunten
    Uitgangspunt 1: ruimte voor (‘kleine’) richtingen
    De raad verwees in de verkenning Vaste grond onder de voeten (2002) naar de toen aangenomen – en in
    strekking en motivering met het initiatiefwetsvoorstel-Hamer c.s. vergelijkbare – motie-Lambrechts c.s. Daarin
    was gesteld “dat kinderen die extra aandacht en zorg nodig hebben (o.a. gehandicapte leerlingen,
    zorgleerlingen, allochtone leerlingen) steeds vaker op wachtlijsten komen, worden geweigerd dan wel via
    discriminerende quoteringsregelingen over scholen voor openbaar en bijzonder onderwijs worden verdeeld”.
    De motie riep de regering op te onderzoeken of het mogelijk was een algemene toelatingsplicht voor (alle)
    scholen in te voeren. De raad relativeerde op de eerste plaats de reikwijdte van vrijheid van bijzonder
    onderwijsinstellingen tot het selecteren van leerlingen. Uit de vrijheid van richting en inrichting (artikel 23 lid
    5 en lid 6 Grondwet) vloeit voort, dat het bijzonder onderwijs binnen bepaalde marges vrij is om leerlingen te
    weigeren. Binnen bepaalde marges: want die vrijheid is niet onbeperkt. Zo omvat die vrijheid niet selectie op
    grond van ras of etnische afkomst. De internationale en nationale verbodsbepalingen laten het echter wel
    expliciet toe, dat bijzondere scholen leerlingen weigeren op denominatieve gronden, ook als met zo’n
    selectiecriterium verhoudingsgewijs veel leerlingen van allochtone afkomst getroffen worden. Zo ligt het
    voor de hand dat het selecteren op basis van een streng protestants-christelijke richting met zich meebrengt
    dat zeer weinig van zulke leerlingen op de desbetreffende school toegelaten zullen worden. Met verwijzing
    naar jurisprudentie van de Hoge Raad werd voorts gewezen op het feit dat een dergelijke selectie evenmin
    toelaatbaar is als zij niet consequent en consistent toegepast wordt. Dit betekende volgens de raad dat
    bijzondere scholen van de ‘grote’ stromingen – die immers in het algemeen niet structureel op basis van hun
    richting selecteren – leerlingen niet met een beroep op de vrijheid van richting op grond van hun van de
    grondslag afwijkende geloofsovertuiging mogen weigeren. Deze vrijheid komt slechts toe aan een beperkt
    aantal scholen die ter zake een consistent en consequent beleid voeren. Evenmin komt deze vrijheid toe aan
    bijzondere onderwijsinstellingen die vanwege hun geografische ligging, hun positie in de onderwijsmarkt of
    de specifieke aard van hun onderwijs algemeen toegankelijk behoren te zijn. Dat geldt onder meer voor de
    scholen voor speciaal onderwijs en de instellingen voor hoger onderwijs.
    De raad zag geen doorslaggevende argumenten waarom het nodig zou moeten zijn de vrijheid van deze
    beperkte groep van scholen weg te nemen, en met het oog hierop de Grondwet te wijzigen. “Gezien de
    liberaalrechtsstatelijke uitgangspunten van ons staatsbestel moet het voor deze religieuze minderheden – die
    immers moeten opboksen tegen de maatschappelijke hoofdstromen van secularisme en individualisme –
    mogelijk blijven om in hun onderwijs voor een uitgesproken orthodox profiel te opteren, en met het oog
    daarop leerkrachten en leerlingen te selecteren. Het beperkte aantal van deze scholen betekent bovendien
    dat het wegnemen van hun vrijheid van richting op dit punt geen oplossing is voor de groeiende tweedeling
    in witte en zwarte scholen. En gezien juist hun expliciete orthodoxe profiel – wat ze, naar de raad meent,
    moeten kunnen blijven uitdragen – valt niet goed in te zien hoe deze scholen aantrekkelijk zouden kunnen
    zijn voor (de meeste) leerlingen die niet binnen dit profiel ‘passen’”, aldus de raad in 2002.
    22 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>In zijn advies Hoe kan governance in het onderwijs verder vorm krijgen (2006) gaf de raad aan dat ons onderwijs-
systeem daarnaast ook internationaal gezien een aantrekkelijke variëteit kent: van bestuursvormen, maar
bijvoorbeeld ook van diverse richtingen naast openbaar onderwijs. Deze verscheidenheid biedt scholen
ruimte en geeft instanties mogelijkheden om relaties met het onderwijs aan te knopen. Het onderwijssysteem
kent vele vertakkingen naar uiteenlopende maatschappelijke groepen en sectoren. In dat licht was het
volgens de raad niet aantrekkelijk om uit te gaan van een uniforme (bestuurlijke) opzet.
In het advies Verzelfstandiging in het onderwijs 1 (2010) heeft de raad in algemene zin aangegeven dat het
verstandig zou zijn de stichtingssystematiek van scholen, waarin onder meer de richting van de school
(godsdienst of levensovertuiging) een onderscheidend gegeven is, nader te doordenken. De raad kan zich
voorstellen dat een onderdeel van een onderzoek bij die vraag zou kunnen betreffen of een zekere
nevenschikking van duurzame pedagogische richting en van denominatieve richting mogelijk is.
Uitgangspunt 2: in beginsel (in)richtingsvrijheid voor het bevoegd gezag bij toelating
De raad vond in de aangehaalde verkenning uit 2002 dat de kern van de toelatingsproblematiek niet was
gelegen in de vrijheid van richting, maar in de vrijheid van inrichting, de vrijheid van het bijzonder onderwijs
om leerlingen op basis van andere criteria dan de religieuze grondslag (richting) te mogen selecteren. Deze
vrijheid van inrichting – de pedagogisch-organisatorische autonomie van het bijzonder onderwijs – houdt
onder meer in dat een bijzondere school leerlingen op gronden van principiële, onderwijsinhoudelijke,
onderwijskundige en pragmatische aard kan weigeren. Te denken valt aan criteria samenhangend met een
minimumniveau waaraan de leerling moet voldoen (taalbeheersing, Cito-score, maximumaantal leerlingen
met een onderwijsachterstand), het geven van voorrang bij een bewuste keuze voor een bepaalde religieuze
grondslag of pedagogische visie, enzovoort. Maar ook kan gedacht worden aan administratieve maatstaven
(postcode, reisafstand), organisatorische uitgangspunten (de school is vol, de klassen zijn al te groot, wie het
eerst komt het eerst maalt) en sociale criteria (kinderen uit hetzelfde gezin worden sowieso toegelaten).
De raad gaf in de verkenning aan dat de vrijheid van inrichting – zonder dat de Grondwet gewijzigd wordt –
in substantiële mate door de wetgever beperkt kan worden. “Uiteraard dienen daarvoor dan wel zwaar-
wegende gronden te zijn, en dienen de beperkende regelingen reëel te zijn en te voldoen aan randvoor-
waarden zoals proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent dat sommige beperkingen niet aanvaardbaar
zijn. Zo is het […] niet goed voorstelbaar dat scholen verplicht zouden worden leerlingen te blijven aanne-
men als ze echt ‘vol’ zitten, en niet op zeer korte termijn aanvullende onderwijshuisvesting te realiseren is.”34
In het advies Verzelfstandiging in het onderwijs I is als aandachtspunt genoemd dat het aanbodvariëteitsbeleid
van besturen belangrijk is: variëteit is nodig wil keuzevrijheid iets voorstellen. Tegelijkertijd is in dit advies – in
lijn met de verkenning uit 2002 – vastgesteld dat het bevoegd gezag uiteindelijk de drager is van de richting
van de school. Om die reden zijn oordelen van de Landelijk Geschillencommissie Medezeggenschap over
initiatieven van de medezeggenschapsraad gericht op externe verzelfstandiging of verandering van de
richting van de school slechts adviezen voor het bevoegd gezag: in deze kwesties geldt het primaat van het
bevoegd gezag (het bevoegd gezag is drager/verantwoordelijke voor de richting van de school) en het
bestuur van de rechtspersoon (het bestuur moet niet gedwongen zijn de statuten aan te passen op grond
van een initiatief van de medezeggenschapsraad). Niettemin is, zoals de raad eerder heeft gesteld, de mede-
zeggenschapsraad in zekere zin mede-eigenaar ten aanzien van de kern van de vrijheid van onderwijs, te
weten de richting van de school. Immers, het bevoegd gezag kan niet zonder instemming van de
oudergeleding van de medezeggenschapsraad de grondslag van de school wijzigen (artikel 13g WMS).
34
   Onderwijsraad, 2002, p. 61.
                                                                                 Het recht op toelating nogmaals bezien 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>4.2 Principiële overwegingen ten aanzien van de ruimte voor richtingen
    Zoals in het vorige hoofdstuk geconcludeerd is, herordent het voorstel in grote lijnen de bestaande praktijk,
    waarbij het uitgangspunt nu wordt vastgelegd dat weigering van toelating op denominatieve gronden niet
    mogelijk is, tenzij de leerling weigert te verklaren dat hij de grondslag van het onderwijs van de school zal
    respecteren. Het gevolg van deze wettelijke verankering betekent ook dat de grondslag van bijzondere
    scholen die een open toelatingsbeleid voeren moet worden gerespecteerd, wat vanuit het oogpunt van de
    vrijheid van onderwijs als winst mag worden beschouwd. Ook bij deze scholen kan de behoefte bestaan dat,
    ondanks dat er geen denominatief toelatingsbeleid wordt gevoerd, de grondslag van de school wordt
    gerespecteerd. In algemene zin acht de raad het daarbij redelijk om van scholen te vragen hun toelatings-
    beleid te expliciteren in de schoolgids opdat ouders en leerlingen weten wat de school van hen verlangt.
    Tegen deze voorgestelde wetswijziging heeft de raad dan ook geen wezenlijke bezwaren, hoewel hij zich wel
    afvraagt welke scholen in hun schoolgids op dit moment het toelatingsbeleid niet vermelden.35
    Artikel 23 Grondwet borgt zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs en zorgt voor pluriformiteit van
    grote en ‘kleine’ richtingen zoals evangelisch, reformatorisch en islamitisch onderwijs. Verder zijn er nog
    steeds ‘nieuwe’ richtingen die, indien zij voldoen aan de planningscriteria, nieuwe scholen oprichten (zoals de
    boeddhistische stroming).36 Het feit dat op dit moment slechts een beperkt aantal scholen een stringent
    beleid op grond van de richting voert, ontneemt in de ogen van de raad niet de waarde van dit recht,
    integendeel. Aan religieuze en culturele minderheden wordt op deze wijze de ruimte geboden om in een
    seculiere meerderheidscultuur hun specifieke visie en identiteit in eigen instellingen tot uiting te brengen.37
    Een algemene acceptatieplicht, waarbinnen een beperkt aantal scholen die op een gewetensvolle en
    juridisch houdbare wijze een denominatief toelatingsbeleid voeren dit recht wordt ontnomen, is hiermee niet
    verenigbaar. Dit initiatiefwetsvoorstel doet dat ook niet, maar vanwege het waarborgkarakter van de
    Grondwet verdient het aanbeveling dit ook te expliciteren. De raad beschouwt de vrijheid van onderwijs met
    de pluriforme praktijk die dit oplevert als belangrijke toegevoegde waarde, die zorgvuldige bescherming
    verdient.
    De raad beveelt dan ook aan de pluriformiteit in het stelsel te handhaven en waar mogelijk ruimte te
    scheppen voor nieuwe richtingen, die mogelijk – na onderzoek – ook pedagogisch-didactisch georiënteerd
    kunnen zijn. De dynamiek in het stelsel moet ook zodanig zijn dat het bevoegd gezag de ruimte heeft en
    houdt om binnen de huidige wettelijke regelingen zoals de AWGB een eigen, op de richting gebaseerd
    toelatingsbeleid te voeren, dat in de tijd ook kan evolueren. De volgende paragraaf gaat hier nader op in.
4.3 Principiële overwegingen ten aanzien van de (in)richtingsvrijheid van het bevoegd gezag bij
    toelating
    De raad constateert op de eerste plaats dat ten aanzien van de inrichtingsvrijheid (de mogelijkheid om te
    selecteren op basis van bijvoorbeeld postcodes) de positie van het bevoegd gezag niet verandert: het
    bevoegd gezag blijft evenals onder het huidige regime gerechtigd een dergelijk toelatingsbeleid te voeren,
    mits binnen de kaders van de wet en de eisen die voortvloeien uit de jurisprudentie.
    De meest indringende wijziging in dit verband lijkt te zitten in het feit dat bijzondere onderwijsinstellingen
    geen leerlingen meer kunnen weigeren wanneer ouders/leerlingen aangeven de grondslag te zullen
    respecteren. Samengevat stelt het wetsvoorstel dat algemene toegankelijkheid prima facie gegeven is, tenzij
    35
       Volgens artikel 13g WMS heeft het ouder-/leerlingendeel instemmingsrecht met betrekking tot de vaststelling van de
    schoolgids. Ouders kunnen dus nu ook al bewaken dat het toelatingsbeleid helder in de gids wordt verwoord.
    36
       Zie www.mandalaschool.nl.
    37
       Zie ook: Onderwijsraad 2002, p.94.
    24 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>de instelling met recht aantoont te mogen selecteren door publicatie in de schoolgids van het beleid en door
een toets aan de norm van artikel 7, tweede lid, AWGB. Het bestaande vermoeden van te mogen selecteren
(mits in overeenstemming met de wet enzovoort) verandert in: algemeen toegankelijk, tenzij. Niettegen-
staande de in de vorige paragraaf geconstateerde ogenschijnlijke geringe verandering van de praktijk, wil de
raad enige opmerkingen maken over mogelijke ongewenste neveneffecten en daaruit voortvloeiende
uitwerkingsvragen bij deze voorgestelde wijziging.
De wijziging komt in de opvatting van de raad neer op een omkering van de bewijslast ten aanzien van het
bevoegd gezag om een toelatingsbeleid te voeren, waarbij van leerlingen gevraagd wordt de grondslag te
onderschrijven. Juridisch dient een onderscheid te worden gemaakt tussen onderschrijven en respecteren.
Onderschrijven betekent dat betrokkene zich met de grondslag kan verenigen en deze tot de zijne of hare
maken (van de ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat zij kerkelijk meelevend zijn). Wanneer het bevoegd
gezag stelt dat de leerling of deelnemer niet de grondslag respecteert, betekent dit dat er “gegronde vrees
bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in
ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van de instelling” (zie artikel 8.1.1. lid 5, derde volzin WEB).
Een (onbedoeld) effect, tegengesteld aan het oogmerk van juist meer open toelating, zou kunnen zijn dat het
toelatingsbeleid door het bevoegd gezag juist selectiever wordt, om daarmee onder de wettelijke
uitzonderingsgrond te (kunnen blijven) vallen. Het is namelijk de vraag in hoeverre het nog mogelijk is een
toelatingsbeleid te voeren waarbij van leerlingen gevraagd wordt de grondslag te respecteren of te
onderschrijven, en welke (verdere) eisen zullen worden gesteld aan een ‘vast’ en consistent toelatingsbeleid,
gericht op het onderschrijven van de doelstelling. Moet elke leerling van wie gevraagd wordt de richting te
onderschrijven, ook daadwerkelijk het desbetreffende geloof aanhangen of lid zijn van het desbetreffende
kerkgenootschap?38 De uitspraken van de Commissie Gelijke Behandeling laat op dit moment enige ruimte
aan het bevoegd gezag. Bij een zaak rond toelatingsbeleid van een katholieke school39 ging het om een
verbod voor de leerlingen tot het dragen van kleding die zou kunnen worden geassocieerd met een niet-
katholieke of niet-christelijke geloofsovertuiging, zoals een hoofddoek. Dit verbod was opgenomen in het
leerlingenstatuut en in de schoolregels, waarvan de leerlingen een uittreksel ontvingen. De Commissie Gelijke
Behandeling oordeelde dat het door het schoolbestuur gehandhaafde verbod nodig was voor de
verwezenlijking van de grondslag van de school, en bovendien gegrond was op een consistent en op het
doel van de instelling berustend beleid. Ook wanneer anders-gelovige leerlingen toegelaten werden, ontnam
dit gegeven het bevoegd gezag niet het recht om aan die leerlingen eisen met het oog op de katholieke
identiteit van de school te stellen. Het vereiste van consequente handhaving ging blijkbaar volgens de
Commissie Gelijke Behandeling niet zover, dat het stellen van identiteitseisen alleen maar mogelijk zou zijn
als de school een stringent toelatingsbeleid zou voeren, op grond waarvan alleen katholieke leerlingen
welkom zouden zijn. De vraag is of een dergelijk toelatingsbeleid (met als onderdeel een kledingvoorschrift)
nog kan, wanneer deze leerlingen op grond van de wet moeten worden toegelaten omdat zij aangeven de
grondslag te respecteren.
Een andere vraag in dit verband is deze: kan een instelling nog evolueren van een profiel waarbij leerlingen
slechts de grondslag hoeven te respecteren naar een grondslag waarbij zij de grondslag moeten onder-
schrijven? Het bevoegd gezag mag – mits er geen sprake is van willekeur en het gemotiveerd is – zijn beleid
aanscherpen.40 De raad gaat ervan uit dat de huidige lijn in de jurisprudentie gecontinueerd wordt. Dit
betekent dat aanscherping van beleid door de jaren heen, mits weloverwogen en voor betrokkenen duidelijk
kenbaar, niet zonder meer leidt tot de conclusie dat er sprake is van inconsequent beleid. De raad gaat ervan
38
   De Commissie Gelijke Behandeling maakt in deze een strikt onderscheid: wanneer het bevoegd gezag een toelatings-
beleid wil voeren waarbij alleen leerlingen van een bepaalde denominatie welkom zijn, moet de school eisen dat de
leerlingen de grondslag onderschrijven. Zie CGB, 2008, p. 42.
39
   CGB 16 april 2007, oordeel 2007-61. Zie ook CGB 14 april 2009, oordeel 2009-29.
40
   Zie Rb. Alkmaar 22 januari 1982, NJCM Bulletin 1982, p. 134.
                                                                                   Het recht op toelating nogmaals bezien 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    uit dat scholen (door een besluit van het bevoegd gezag, na instemming van de medezeggenschapsraad) ook
    nog steeds de vrijheid hebben om van identiteit te wisselen (van kleur te verschieten of de grondslag uit te
    breiden).41
    Met het voorgaande heeft de raad aan willen geven dat de regeling ten aanzien van het toelatingsbeleid de
    bestaande juridische ruimte en marges handhaaft. De raad beveelt aan dit met zoveel woorden duidelijk te
    maken in de toelichting, dan wel dit bij nota van wijziging te expliciteren.
4.4 Conclusies ten aanzien van de principiële overwegingen: debat over artikel 23 Grondwet
    Doordat de initiatiefnemers principieel het ‘respecteren’ van de grondslag voorop zetten, proeft de raad in
    het voorliggende initiatiefwetsvoorstel de wens tot een principieel debat over de reikwijdte van richtings-
    vrijheid van het bijzonder onderwijs, meer in het bijzonder de vrijheid tot het voeren van toelatingsbeleid op
    grond van godsdienst of levensbeschouwing.
    In algemene zin vindt de raad dat er ruimte binnen het stelsel moet zijn voor scholen om dergelijk toelatings-
    beleid te voeren. Vanuit de gedachte van een pluriform en dynamisch stelsel, dat daarmee ook tegemoet-
    komt aan de gedifferentieerde wensen van ouders, is dit ook toe te juichen.
    De raad heeft eerder gesteld, en dit zij hier herhaald, dat elk grondrecht, dus ook de vrijheid van onderwijs,
    slechts geldt binnen bepaalde marges van redelijkheid.42 Een noodzakelijke en gewenste aanpassing van het
    artikel of de interpretatie daarvan zou niet door verschillende incidentele en beperkte wijzigingen moeten
    geschieden, maar coherent door een algemeen debat. De raad stelde in 2002 dat een ingrijpende herziening
    evenwel slechts dan voor de hand zou liggen als er een duidelijke consensus is dat zonder zo’n wijziging
    adequate oplossingen voor nijpende maatschappelijke kwesties door dit artikel geblokkeerd zouden worden.
    Wel achtte de raad het gezien de snelle maatschappelijke en technologische ontwikkelingen mogelijk nodig
    om nieuwe antwoorden te formuleren, die op termijn in een grondwetstekst of in een interpretatie hun neer-
    slag zouden moeten krijgen.
    De raad kan zich voorstellen dat de betekenis van een dergelijk debat toeneemt. Er zijn verschillende redenen
    te noemen, die een discussie over de reikwijdte van artikel 23 Grondwet opportuun doen zijn. “Vrijheid van
    onderwijs duidt op dit moment toch voor alles op de mate waarin het individu zich kan verzekeren van
    onderwijs voor zijn kinderen dat aansluit bij zijn opvattingen over vorming tot het goede leven. Die vrijheid
    heeft zowel betrekking op de keuze uit bestaand aanbod als op de oprichting van nieuwe scholen. Bovendien
    hoeven de hier bedoelde opvattingen niet beperkt te blijven tot religie of levensbeschouwing. Zij omvatten
    in beginsel elke zienswijze omtrent relevant onderwijs, of die nu van inhoudelijke of methodische
    (pedagogisch-didactische) aard is”, aldus Zoontjens.43 Gesteld zou kunnen worden dat de ultieme kern van de
    onderwijsvrijheid, te weten de vrijheid van stichting, daarin bestaat dat ouders zelf een nieuwe school
    oprichten. Het oprichten van een nieuwe, door de overheid bekostigde school is – zeker voor scholen die nog
    niet tot de ‘geijkte’ richtingen behoren – door de plannings- en bekostigingssystematiek zeer beperkt moge-
    lijk.44 Ook het stichten van een niet-bekostigde, particuliere school is moeilijk, door de strengere eisen van de
    Inspectie en aanscherping van de Leerplichtwet (kinderen voldoen alleen aan de Leerplichtwet als de
    41
       Een zekere onderlinge inschikkelijkheid tussen richtingen in de zin van richtinguitbreiding kan een verrijking opleveren in
    het kader van een gevarieerd onderwijsaanbod, Onderwijsraad, 2010.
    42
       Zie laatstelijk Onderwijsraad, 2010.
    43
       Zoontjens, 2008.
    44
       Dit heeft te maken met de stringente stichtingsnormen (minimum aantal benodigde leerlingen) en de prognose die moet
    worden gemaakt, waarbij leerlingen van dezelfde denominatie die al elders op school zitten niet mogen meetellen. Zo zijn
    er per 1 augustus 2009 18 nieuwe basisscholen gesticht, waarvan 5 openbaar, zie tabel in TK 2009-2010, 32007, nr.6, p.10.
    26 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Inspectie heeft bepaald dat de school een school is in de zin van de Leerplichtwet).45 Niet alleen bij dit initi-
atiefwetsvoorstel, maar ook bij het initiatiefwetsvoorstel dat beoogt het toezicht op eventueel nieuw te
bekostigen scholen nader in te kaderen, zijn elementaire discussies aan de orde rond de reikwijdte van artikel
23.46 De raad zal hierover zoals bekend een advies uitbrengen aan de Kamer. Hierbij zal ook zijdelings de
vraag worden opgeworpen in hoeverre het stelsel nadere ruimte zou moeten bieden tot andere vormen van
(directe) financiering, opdat (leerplichtige) leerlingen onderwijs kunnen volgen in het niet-publieke onderwijs
dat dan een mate van bekostiging kent in functie van de omvang en ingrijpendheid van aan dat onderwijs
gestelde deugdelijkheidseisen.
Ook is te wijzen op het in 2002 ingediende initiatiefwetsvoorstel-Halsema. Daarin wordt een wijziging van de
Grondwet bepleit, die (alle) rechters toestaat de grondwettigheid van wetten te toetsen. Dat kan volgens
artikel 120 van de Grondwet nu niet. Aanvankelijk wat het voorstel om bij artikel 23 uitsluitend het artikellid
inzake de vrijheid van onderwijs (lid 2) voor constitutionele toetsing in aanmerking te laten komen.47 Na het
advies van de Raad van State voegde de initiatiefneemster daar de leden vijf, zes en zeven, en later ook nog
het derde lid (over het neutrale karakter van het openbaar onderwijs) aan toe.48 Een amendement om alsnog
het vierde lid (over de genoegzame voorziening in openbaar onderwijs) aan de rij toe te voegen werd
verworpen.49 De Eerste Kamer heeft in eerste lezing (met 37 tegen 36 stemmen) met het voorstel ingestemd;
in tweede lezing is een twee derde meerderheid vereist.
De raad komt aldus tot de slotsom dat het Nederlandse onderwijsbestel op termijn een antwoord op de
vragen die de genoemde ontwikkelingen oproepen zal moeten formuleren. Mogelijk zal dat antwoord ook in
een grondwetstekst moeten worden geformuleerd. Artikel 23 Grondwet heeft verbindingen met belangrijke
vraagstukken en met doelstellingen die we graag nu, maar ook in de toekomst met het onderwijs in verband
willen brengen. Deze strekking zou in een goed ingericht debat aan bod moeten komen, waaraan naast
experts representanten van de belangrijkste betrokken instanties en groeperingen deelnemen.
Dat debat zou niet met haast, maar met zorgvuldigheid moeten worden gevoerd en zou dan ook daartoe
ingericht moeten worden. De raad heeft van oudsher een functie als het gaat om het nader doordenken van
de grondwettelijke basisprincipes van de vrijheid van onderwijs, via zijn adviezen; maar hij kan dit ook op
andere manieren entameren.50
Een denkbare vorm is – zoals hij ook al eerder voorstelde in 2002 - een door de raad te organiseren maat-
schappelijk debat, waar de belangrijkste representanten van de partijen in het onderwijs (deelnemers, leer-
krachten, schoolbesturen) en experts bij betrokken zouden moeten worden. Dit debat dient dan als bouw-
steen voor een nader advies van de raad, dat de functie vervult van een gezaghebbende interpretatie. Een
dergelijk gezaghebbend document kan een vergelijkbare functie vervullen als de verkenning van de raad uit
2002: grenzen stellen aan een al te zeer door incidenten bepaalde uitleg van deze bepaling en zorgen voor
een stabielere, breed gedragen en duurzame interpretatie van het grondwetsartikel.
45
   Nationale ombudsman, 2009.
46
   Voorstel van wet van het lid Jan Jacob van Dijk houdende wijziging van de Wet op het onderwijstoezicht inzake de
aanscherping van het toezicht bij nieuw bekostigde scholen, TK 2009-2010, 32007, nrs. 1-3.
47
   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2002.
48
   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2003a, 2003b.
49
   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2004; Handelingen II 2004/05, p. 472.
50
   De Nota n.a.v het Verslag bij de Wet op de Onderwijsraad stelt in dit verband: “Ook in onze[=regering] optiek blijft de
nieuwe Onderwijsraad evenals zijn voorganger een belangrijke functie houden als het gaat om advisering aan de hand van
artikel 23 van de Grondwet. De meer dan 75 jaar oude Onderwijsraad heeft genoegzaam aangetoond hoe waardevol dat is.
Zeer dikwijls hebben de adviezen van de Onderwijsraad tot fundamentele gedachtenwisselingen in de voorbereiding van
belangrijke onderwijswetten geleid”. TK 1996-1997, 25 041, nr. 5, p. 2.
                                                                                     Het recht op toelating nogmaals bezien 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>In het slothoofdstuk geeft de raad enkele slotbeschouwingen, die ten dienste kunnen staan bij de verdere
behandeling van het wetsvoorstel.
28 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    In dit slothoofdstuk volgen, na herneming van enkele uitgangspunten en conclusies, een
    paar specifieke overwegingen ten behoeve van de Kamer bij de verdere behandeling van het
    wetsvoorstel.
5   Conclusies en overwegingen voor de Kamer
5.1 Algemene uitgangspunten en conclusies
    De raad beaamt dat er fundamentele problemen in het onderwijs zijn zoals leerachterstanden en segregatie.
    Tevens vindt hij dat principes zoals het vergroten van keuzevrijheid van leerlingen en ouders nastrevens-
    waardig zijn. De raad ziet ook geen bezwaren om wettelijk te regelen dat de schoolgids duidelijk en trans-
    parant moet zijn wat betreft het toelatingsbeleid. Als grondslag is een wetswijziging die louter betrekking
    heeft op de bepaling ten aanzien van de schoolgids evenwel onvoldoende. De raad stelt bovenal vragen bij
    het belangrijkste uitgangspunt van dit wetsvoorstel, namelijk dat de voorgestelde wijzigingen in de WPO,
    WVO en WEB gericht op het principe van toelating zolang de grondslag wordt gerespecteerd, zorgen voor
    vermindering van segregatie van scholen. De raad constateert op de eerste plaats dat sinds de indiening van
    het initiatiefwetsvoorstel in 2005 al de nodige wet- en regelgeving tot stand is gekomen, bijvoorbeeld waar
    het gaat om de afspraken tussen schoolbesturen en gemeenten over het toelatingsbeleid om daarmee
    leerachterstanden en segregatie in de gemeente aan te pakken. Voorts is er in de praktijk gestart met
    initiatieven die gericht zijn op het bewuster kiezen van ouders, zodat scholen waar mogelijk een meer
    gemengd karakter krijgen.
    Op de tweede plaats ziet de raad op basis van de beschikbare empirische evidentie niet in hoe dit wets-
    voorstel verder zou kunnen bijdragen aan bestrijding van leerachterstanden en segregatie en vergroting van
    het keuzerecht. Daarvoor wijzigt het wetsvoorstel enerzijds te weinig in de bestaande verhoudingen. Zo
    houden schoolbesturen een grote mate van vrijheid om bijvoorbeeld toelatingsbeleid te voeren op grond
    van postcode. Anderzijds – veel belangrijker – kan volgens de raad een wijziging van het recht van het be-
    voegd gezag van bijzondere scholen om leerlingen te selecteren op grond van de richting per definitie
    weinig bijdragen aan de problemen van scheiding tussen zogenoemde witte en zwarte scholen. Het
    toelatingsbeleid van het bijzonder onderwijs is zodanig, dat dit onderwijs zijn evenredige deel van
    achterstandsleerlingen opneemt, terwijl slechts een zeer beperkt aantal scholen selecteert op grond van de
    richting.51 De raad heeft dit standpunt eerder toegelicht in verschillende adviezen.
    Al met al zijn nut en noodzaak van deze wijzigingen volgens de raad onvoldoende plausibel gemaakt.
    Daarenboven is het wetsvoorstel ten aanzien van de wijziging van de WEB niet proportioneel, omdat feitelijk
    slechts twee instellingen worden geraakt en sommige instellingen die moeten selecteren op talent mogelijk
    geen enkele selectievrijheid meer hebben. Ten slotte zijn er vragen ten aanzien van de uitwerking en de
    effecten van de voorgestelde regeling, zoals de instelling van een aparte Commissie Beoordeling Toelating
    Leerlingen. De raad ziet daarbij onder meer samenlooop ontstaan met de bevoegdheid van de Commissie
    Gelijke Behandeling, die kan blijven oordelen op grond van artikel 7 lid 1 AWGB.
    51
       Zie ook antwoord van staatssecretaris Dijksma op vragen van Van Dijk en Karablulut, Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    2009.
                                                                                         Het recht op toelating nogmaals bezien 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    Een principieel uitgangspunten bij dit advies is dat de ruimte voor de verschillende richtingen, en met name
    de ‘kleine’ richtingen die een toelatingsbeleid voeren op basis van het onderschrijven van de richting,
    gewaarborgd moet zijn. In dat kader voorziet de raad een ongewenst neveneffect, in de zin dat het
    wetsvoorstel mogelijk noopt tot verscherpt en selectiever toelatingsbeleid (scholen die uit voorzorg overgaan
    tot een beleid van onderschrijven, om daarmee voldoende manoeuvreerruimte te houden), terwijl de
    gedachte bij de indieners juist lijkt te zijn scholen minder selectief te doen zijn. De raad zou het wenselijk
    vinden dat scholen die op een bepaald moment het toelatingsbeleid willen aanpassen (van respecteren naar
    onderschrijven) deze mogelijkheid conform de huidige jurisprudentie kunnen behouden.
    Alles overziende moet de raad concluderen dat dit wetsvoorstel op het oog weinig wijziging brengt in de
    bestaande verhoudingen. Vanuit deze constatering, in combinatie met verschillende wetstechnische
    onduidelijkheden (bijvoorbeeld de vraag of de voorgestelde eis van respecteren door de leerling nu ook geldt
    voor het openbaar onderwijs) en mogelijke uitvoeringskwesties (bijvoorbeeld rond de nieuwe commissie),
    beveelt de raad aan het initiatiefwetsvoorstel nader te overwegen.
    De raad heeft het gevoel dat het wetsvoorstel appelleert aan een dieperliggende wens tot een debat over de
    grondwettelijke uitgangspunten van het Nederlandse onderwijsbestel. Als dat gevoelen algemeen is, moet er
    een meer fundamentele discussie gevoerd kunnen worden over principes, reikwijdte en interpretatie van het
    artikel inzake de onderwijsvrijheid. De raad geeft hierbij aan de Kamer in overweging dit debat op trans-
    parante, integrale en coherente wijze te voeren. Een advies terzake kan het debat in de Kamer helpen.
5.2 Overwegingen
    Overwegingen ten behoeve van de verdere behandeling
    De raad reikt de Kamer bij de verdere behandeling van het wetsvoorstel de volgende punten aan ter
    overweging.
    De raad zou de indieners en de Kamer in algemene zin willen vragen na te denken over de vraag of de
    beoogde wetswijziging(en) nu de veronderstelde (plausibele) doelen dichterbij brengen. Wanneer dit niet het
    geval is, zoals de raad veronderstelt, adviseert hij het gehele voorstel te heroverwegen en in een bredere
    context te plaatsen. De raad wil niet uitsluiten dat achterliggend een algemeen en principieel debat over de
    reikwijdte en interpretatie van artikel 23 Grondwet aan de orde is, en zou er in dat kader voor willen pleiten
    dat debat transparant en coherent te voeren. Mede op grond van de (geschiedenis van de) Wet op de Onder-
    wijsraad heeft de raad van oudsher als een van de kernfuncties het (grond)wettelijk debat rond artikel 23 te
    faciliteren. In dat kader overweegt hij een meer integrale doordenking van artikel 23, uitmondend in een
    nader advies. Dat advies of die verkenning kan de functie vervullen van een gezaghebbende interpretatie, die
    in de plaats komt van uiteenlopende en incidentele interpretaties. De belangrijkste representanten van de
    partijen in het onderwijs (deelnemers, leerkrachten, schoolbesturen) worden naast experts betrokken bij de
    consultatiefase van het advies. Een dergelijk gezaghebbend document kan een vergelijkbare functie ver-
    vullen als de verkenning van de raad uit 2002.
    De raad geeft als eerste debatpunt in overweging de vraag in hoeverre het Nederlandse systeem het
    uitgangspunt moet blijven behouden dat er een zekere (wettelijk) gewaarborgde pluriformiteit is en daar-
    naast tolerantie ten opzichte van – in ieder geval – kwantitatief kleine en zeer kleine richtingen. De basis-
    stelling in deze discussie is dan dat pluriformiteit van richtingen (levensbeschouwelijk, maar eventueel ook
    pedagogisch-didactisch) een verrijking voor het systeem betekent. Een tweede, maar breder debatpunt is het
    vraagstuk hoe in het publieke domein naast communale opvattingen over mens en samenleving gestalte te
    geven aan tegelijkertijd bestaande wezenlijke verschillen van opvatting over mens en samenleving, zoals die
    beiden (gemeenschappelijk en verschillend) in ons onderwijs tot uitdrukking komen. Zoals de raad daarover
    in zijn verkenning in 2002 reeds opmerkte, gaat het daarbij om het borgen van uitgangspunten in het Neder-
    landse bestel, dat gekenmerkt wordt door (beheerste) concurrentie en profilering, en daarmee zorgt voor
    30 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>dynamiek en variëteit.52 Daardoor biedt het stelsel naast belangrijke gemeenschappelijke componenten ook
mogelijkheden om aan uiteenlopende verwachtingen van deelnemers en maatschappelijke veranderingen
tegemoet te komen
Mocht de Kamer toch dit wetsvoorstel verder willen behandelen en uitwerken, dan zou de raad de volgende
punten ter (her)overweging mee willen geven.
•         Het is om praktische redenen aan te bevelen de huidige adviesbevoegdheid ten aanzien van de
          AWGB te laten bij de Commissie Gelijke Behandeling, respectievelijk de bestaande bezwaren-
          commissies en rechters, en dus de regeling inzake een aparte commissie te laten vervallen.
•         De regeling moet verder niet het effect hebben dat het bevoegd gezag als het ware gedwongen is
          om alleen leerlingen te accepteren die de richting onderschrijven. De raad beveelt aan dit met
          zoveel woorden duidelijk te maken in de toelichting, dan wel dit bij nota van wijziging te explici-
          teren.
•         Ten aanzien van de voorgestelde wijziging van de WEB zou de raad de voorgestelde regeling willen
          laten zoals deze is. Dit vanwege het feit dat het niet proportioneel is het onderschrijven van de
          grondslag voor twee confessionele instellingen (zonder monopolistische status) en de selectie-
          vrijheid voor met name kunstzinnige opleidingen onmogelijk te maken.
•         Op enkele wetstechnische punten zal een nadere verduidelijking/toelichting moeten worden
          gegeven (met name de toepassing van het voorgestelde artikel 40 WPO op het openbaar onder-
          wijs).
52
   Onderwijsraad, 2002, p. 50.
                                                                           Het recht op toelating nogmaals bezien 31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Literatuur
Commissie Gelijke Behandeling (2008). Naar een discriminatievrije school. Utrecht: Commissie Gelijke
           Behandeling.
Nationale Ombudsman (2009). Onderwijsvrijheid en onderwijstoezicht, in het radicaal vernieuwend onderwijs.
           Den Haag: Nationale Ombudsman.
Onderwijsraad (2002). Vaste grond onder de voeten. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2005). Bakens voor spreiding en integratie. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2006). Hoe kan governance in het onderwijs verder vorm krijgen. Den Haag: Onderwijsraad
Onderwijsraad (2008). De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010). Verzelfstandiging in het onderwijs 1. Den Haag: Onderwijsraad.
Ornelis, F & Verbeeck, B. (2009). Streven naar gelijke onderwijskansen in Vlaanderen. In P.W.A. Huisman & P.J.J.
           Zoontjens( ed.), Juridische aspecten van selectie bij toegang tot het onderwijs. Deventer: Kluwer.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2002). Voorstel tot invoering van toetsingsbevoegdheid van wetten aan
           bepalingen Grondwet door de rechter; Memorie van toelichting. TK 2001-2002, 28331, nr.2.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2003a). Voorstel tot invoering van toetsingsbevoegdheid van wetten aan
           bepalingen Grondwet door de rechter; Gewijzigd voorstel van wet. TK 2002-2003, 28331, nr. 8.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2003b). Voorstel tot invoering van toetsingsbevoegdheid van wetten aan
           bepalingen Grondwet door rechter; Advies en nader rapport. TK 2002-2003, 28331, nr. A.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2004). Voorstel tot invoering van toetsingsbevoegdheid van wetten aan
           bepalingen Grondwet door de rechter; Amendement … TK 2003-2004, 28331, nr.13.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2005a). Voorstel van wet van de leden Hamer, Vergeer, Jungbluth en
           Lambrechts … TK 2005-2006, 30417, nr.2.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2005b). Voorstel van wet van de leden Hamer, Vergeer, Jungbluth en
           Lambrechts … Memorie van toelichting. TK 2005-2006, 30417, nr.3.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2006a). Voorstel van wet van de leden Hamer, Vergeer, Jungbluth en
           Lambrechts … Advies Raad van State en reactie van de indieners. TK 2006-2007, 30417, nr.4.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2006b). Voorstel van wet van de leden Hamer, Vergeer, Jungbluth en
           Lambrechts … Nota van wijziging die ertoe strekt het individuele recht op toegang tot
           onderwijsvoorzieningen centraal te stellen. TK 2006-2007, 30417, nr.5.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2007a). Kabinetsformatie 2006; Brief informateur met het Coalitieakkoord
           ‘Samen Werken, Samen Leven’. TK 2006-2007, 30891, nr.4.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2007b). Vragen van het lid Jasper van Dijk … TK 2007-2008, Kamervragen,
           832.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2009). Vragen van de leden Karabulut en Jasper van Dijk … TK 2008-2009,
           Kamervragen, 2049.
Tweede Kamer der Staten-Generaal (2010). Voorstel van wet van de leden Hamer, Vergeer, Jungbluth en
           Lambrechts … Verslag. TK 2009-2010, 30417, nr.9.
Vermeulen, B.P. (2005). De toelaatbaarheid van spreidingsbeleid en aanverwante maatregelen in het
           onderwijs. In S. Burri (ed.), Gelijke behandeling: oordelen en commentaar, 217-229. Nijmegen: Wolf
           Legal Publishers.
Volkskrant (2009). Integratie blijft de kiezers verdelen. 19 mei 2010.
Zoontjens, P.J..J. (2008). Zorgplichten in het onderwijs. Ondraaglijke lichtheid of serieus geschut? RegelMaat,
           2008(4), 111-121.
32 Onderwijsraad, juni 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
Prof. dr. S. Karsten (UvA)
Mw. C. Tuitel (Besturenraad)
                             Het recht op toelating nogmaals bezien 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>