<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Om de kwaliteit van het
beroepsonderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs
Reactie op het Actieplan mbo Focus op vakmanschap 2011-2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
­Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
 kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal
onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de inter­nationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs, uitgebracht aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 Nr. 20110134/1007, april 2011
 Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2011.
 ISBN 978-946121-015-9
 Bestellingen van publicaties:
 Onderwijsraad
 Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
 telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
 www.onderwijsraad.nl
 Ontwerp en opmaak:
 www.balyon.com
 Drukwerk:
 DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>onperwlss [aad

Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschag Massaulaan &

Mevroue JAA, van Bijsterveldt Vhegenthart 251415 Den Haag

Postbus 16375

2500 8) Der Hang Teleloon: 070 310 00:00
Fae O70 A56 14 Tä
secretariaarponderwijsraad.nl
eeuw. orderwijsraad.nl

Cr eee reen Ceelen i

ZnO 1341007 Den Haag, 18 april 2011

Ve terre Deere Cinergy

Advies Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs

Mevrouw de Minister,
Mt genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies On de keatiteit van het beroepsondenijs aan.

Het middathaar beroepsnadermijs in Nederland werdt internationaal hoog aangeslagen, Studenten worden opgelest
woar de beroepspraktijk, voor doortroming binnen de beroepskolom en voor maatschappelijke participatie, De
Onderwijsraad is van mening dat deze drievoudige kwalfieatteepdracht leidend moet zijn by het verbeteren van de
kwalitet van het middelbaar bessepsonderwijs. Versterking van opbrengstgericht werken is daarroor een krachtig
ingtrument. Optimaal gebruikmaken van gegevens over de studievoortgang van studenten en de tevredenheid van
het bedrijfsleven en het vervolgonderwijs veronderstel dat instelingen en professionals vuimte lukgen om bet
onderwijs in te richten en te verzorgen en daarbij eigen keuzen te maken; de professionele zelfstandigheid dient te ©
warden gewaarborgd.

Vanuit deze uitgangspunten ti de raad nagegaan in hoeverre de plannen In Focus op vakmanschap bijdragen aan de
beoogde verbetering van het middelbaar bemepionderwiji in Nederland. De raad onserschrijfs uw streven am te
komen tot beroepsopleidingen van hogere kwalltelt, gecombineerd met aantrekkelijkheid voor de deelnemers en
doelmatigheid in de bedrijfzeoering. Op enkele punten van uw Actieplan signalees de raad echter ook risico’s, Zo
vindt de raad het van belang dat de eigenheid en herkenbaarheid van het beroepsonderwijs goed geborgd blijf.
Tevans hecht de raad aan het behoud van het algemeen doorstroomrecht van het middelbaar naar het hoger
betoepsonderwijs. Een zorgvuldig impäementatletraject, ten slotte, draagt bij aan een sutvesvalle realisatle van het
Actieplan.

De raad hoopt met dit advies een bijdrage te leveren aan de kwaliteit wan het middelbaar beroepsonderwijs in
Mechelen.

Met beleefde groet,

a d
red 6 ( s a
fe M 4 \

Pi a

F ge -
Pe dr. GTM, ten Dam Or. A.war der Best
sores Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
    Samenvatting                                                                        7
1 Reactie gevraagd op het Actieplan mbo                                                 9
1.1 Aanleiding: Actieplan mbo Focus op vakmanschap 2011-2015                            9
1.2 Adviesvraag: wat vindt de raad van het Actieplan?                                  11
2   Context: visie van de raad op beroepsonderwijs en volwasseneneducatie              12
2.1 Evenwicht tussen opleiden voor beroep, vervolgonderwijs en samenleving scoort goed 12
2.2 Opbrengstgericht werken leidt tot hogere prestaties van studenten                  13
2.3 Zelfregulering stimuleert eigenaarschap                                            14
3   Voorstellen uit het Actieplan zijn te verbeteren                                   15
3.1 Het Actieplan samengevat                                                           15
3.2 Conclusie: Onderwijsraad steunt grote lijnen van Actieplan                         17
3.3 Vijf aanbevelingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie                    18
4   Aanbeveling 1: houd beroepsopleidingen herkenbaar en praktijkgericht              20
4.1 Kort niet op stages, maar verhoog kwaliteit van beroepspraktijkvorming            20
4.2 Professionaliseer de praktijkbegeleiding                                           21
4.3 Behoud in de kwalificatiestructuur de aansluiting op het beroepenveld             22
5   Aanbeveling 2: koester de doorstroom­mogelijk­heden in de beroepskolom            26
5.1 Verduidelijk de positie, de bekostiging en het aanbod van de entree­opleidingen   26
5.2 Waak voor onbedoelde effecten bij bekostigingsprikkel op studievoortgang           27
5.3 Voorkom dat verkorting van de opleidingsduur de doorstroom beperkt                28
5.4 Behoud de generieke doorstroommogelijkheid van middelbaar naar hoger beroeps-
    onderwijs                                                                         29
6   Aanbeveling 3: formuleer een toekomst­perspectief op onderwijs aan volwassenen    30
6.1 Bepaal een langetermijnvisie op volwassenenonderwijs                              30
6.2 Overdenk nogmaals het schrappen van vavo voor dertigplussers                       31
6.3 Houd publiek onderwijs open voor volwassenen zonder startkwalificatie              31
7   Aanbeveling 4: zet in op opbrengstgericht werken                                  33
7.1 Stimuleer opbrengstgericht werken in de instellingen                               33
7.2 Verken de mogelijkheid van gemeenschappelijke kennisbases                         34
7.3 Borg de kwaliteit van examens                                                      35
8   Aanbeveling 5: zorg voor een realistische invoering                               36
8.1 Werk de kalender van wet- en regelgeving verder uit                               36
8.2 Geef het Uitvoeringsprogramma een duidelijke positie                               37
8.3 Kom tot een doelmatig opleidingenaanbod in de regio                                37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Afkortingen                                                              39
Literatuur                                                               40
Geraadpleegde organisaties                                               42
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesaanvraag                                                43
Bijlage 2: Toelichting op het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Met het Actieplan mbo Focus op vakmanschap 2011-2015 uit februari 2011 wil het kabinet de kwa-
liteit van het beroepsonderwijs verbeteren. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
heeft de Onderwijsraad gevraagd advies uit te brengen over de hoofdlijn van de voorstellen
uit het Actieplan en de implementatie ervan. De raad onderschrijft de inzet van het Actieplan
op verbetering van de kwaliteit, de bestuurbaarheid en de aantrekkelijkheid van het beroeps-
onderwijs, maar meent dat er op onderdelen verbetering mogelijk is. Hiervoor doet hij vijf
aanbevelingen.
Aanbeveling 1: houd beroepsopleidingen herkenbaar en praktijkgericht
Voor de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs is de relatie met de beroepspraktijk
onmisbaar. Stages zijn hierin een belangrijke schakel. Vergaande reductie van onderwijstijd die
beschikbaar is voor stages kan die schakel onder druk zetten. Bovendien moet voor de student,
zijn ouders en toekomstige werkgevers duidelijk zijn en blijven voor welk beroep de student is
opgeleid. Bij inschrijving van de student op een meer algemeen opleidingsdomein moet zorg-
vuldigheid worden betracht.
Aanbeveling 2: koester de doorstroommogelijkheden in de beroepskolom
Het is van belang dat leerlingen en studenten kunnen doorstromen van het vmbo naar het
mbo (middelbaar beroepsonderwijs) en aansluitend naar het hbo (hoger beroepsonderwijs).
Sommige maatregelen in het Actieplan kunnen dit belemmeren. De raad adviseert het alge-
meen doorstroomrecht van middelbaar naar hoger beroepsonderwijs onaangetast te laten. In
dat kader is het in het bijzonder van belang opnieuw te kijken naar het bekostigingssysteem
om studievertraging tegen te gaan en de nominale opleidingsduur van niveau 4-opleidingen.
Aanbeveling 3: formuleer een toekomstperspectief op onderwijs aan volwassenen
Onderwijs aan volwassenen hoort bij het huidige stelsel van beroepsonderwijs en volwassenen-
educatie. Hiervoor is een langetermijnvisie van de overheid op publiek bekostigd volwas-
senenonderwijs nodig. Vanuit deze optiek zouden voorstellen uit het Actieplan nader moeten
worden overwogen, waaronder het schrappen van het voortgezet algemeen volwassenen-
onderwijs voor mensen van dertig jaar en ouder.
Aanbeveling 4: zet in op opbrengstgericht werken
Door middel van opbrengstgericht werken kan de kwaliteit van het beroepsonderwijs de
komende jaren verder worden uitgebouwd. Dat veronderstelt dat er voor instellingen en lera-
ren meer inhoudelijke richtpunten komen. Deze zijn er al voor de doorstroomrelevante vakken
Nederlands en rekenen/wiskunde; voor Engels komen er centrale mbo-examens. Verkend zou
moeten worden of daarnaast richtpunten voor andere vakgebieden mogelijk zijn. Ook advi-
seert de raad om na te gaan in hoeverre de examens voor beroepsgerichte vakken nader kun-
nen worden genormeerd en geëquivaleerd, zodat mbo-diploma’s aan waarde winnen.
Aanbeveling 5: zorg voor een realistische invoering
De invoering van het Actieplan kan worden bespoedigd door instellingen inzicht te geven in
de pakketten wet- en regelgeving die zijn aangekondigd en door instellingen de tijd te geven
de nodige aanpassingen door te voeren. Het aangekondigde uitvoeringsprogramma moet in
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>termen van taken en verantwoordelijkheden een duidelijke plaats krijgen en aansluiten bij het
zelfregulerend vermogen van de sector, instellingen en professionals.
Ten slotte adviseert de raad meer te investeren in de professionaliteit van het onderwijzend
personeel in het beroepsonderwijs. Deze aanbeveling wordt niet uitgewerkt in dit rapport,
omdat hierover tegelijk met deze reactie op het Actieplan een apart advies verschijnt.
8                                                                        Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    De Onderwijsraad adviseert de minister over de voorstellen uit het Actieplan
    mbo dat in februari 2011 is verschenen. Met het Actieplan beoogt het kabi-
    net de kwaliteit van het beroepsonderwijs te verbeteren. Daarmee wordt het
    beroepsonderwijs een aantrekkelijker onderwijsroute voor studenten. De raad
    brengt advies uit over de hoofdlijn van het Actieplan en over de invoering van
    de voorstellen.
1
1.1
    Reactie gevraagd op het Actieplan mbo
    Aanleiding: Actieplan mbo Focus op vakmanschap 2011-2015
    Negatieve bevindingen inspectierapport, klagende werkgevers en studenten
    Het overheidsbeleid ten aanzien van de bve-sector (beroepsonderwijs en volwassenen-
    educatie) staat in het teken van kwaliteitsverhoging. Dit wordt ingegeven door recente rap-
    porten van de Inspectie van het Onderwijs, waaruit blijkt dat een deel van de mbo-opleidingen
    (middelbaar beroepsonderwijs) niet aan de maat is, maar ook door zorgen bij werkgevers over
    de kwaliteit van de stages (beroepspraktijkvorming) en klachten van studenten over onder
    meer lesuitval.1 Uit onderzoeken van de Inspectie blijkt dat er zwakke en zeer zwakke oplei-
    dingen zijn en dat de examenkwaliteit bij een aantal opleidingen onvoldoende is.2 Met name
    bij de langere mbo-opleidingen programmeert een deel van de instellingen in de eerste leer-
    jaren te weinig onderwijstijd. Daarnaast blijkt uit eerdere onderzoeken dat de kwaliteit van de
    beroepspraktijkvorming te wensen overlaat.3 Circa 15% van de instellingen beschikt bovendien
    over onvoldoende bestuurskracht; dit gaat veelal gepaard met gebrek aan onderwijskwaliteit. 4
    Tegen deze achtergrond wordt in het regeerakkoord gesteld dat “de basis op orde moet, de
    lat omhoog”.5 Voor het beroepsonderwijs wordt dit beleidsuitgangspunt aangevuld met het
    streven het voortijdig schoolverlaten verder terug te dringen en mede in dat verband de door-
    stroom van het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) naar het middelbaar en
    hoger beroepsonderwijs te stimuleren. Ook de aanpak van laaggeletterdheid staat hoog op
    de beleidsagenda.
    1	Inspectie van het Onderwijs, 2010b; Inspectie van het Onderwijs, 2010d; Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs, 2010.
    2	Inspectie van het Onderwijs, 2010c; Onderwijsraad, 2010.
    3	Detmar & Vries, 2009; Inspectie van het Onderwijs, 2009.
    4	Inspectie van het Onderwijs, 2010a.
    5	Vrijheid en verantwoordelijkheid, 2010.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    Kwaliteit in het middelbaar beroepsonderwijs volgens Inspectie
    Jaarlijks volgen ruim 530.000 studenten een publiek bekostigde mbo-opleiding aan één van de 55
    roc’s en aoc’s (regionale en agrarische opleidingencentra) of vakscholen. Daarnaast volgt een flink
    aantal een mbo-opleiding bij niet-bekostigde, maar wel door de overheid erkende instellingen. De
    Inspectie van het Onderwijs ziet op grond van de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs) en de
    WOT (Wet op het onderwijstoezicht) toe op de kwaliteit van het onderwijs en de examinering in het
    middelbaar beroepsonderwijs.
    4% zwakke opleidingen, 2% onvoldoende examenkwaliteit
    Van de in totaal ruim 11.000 mbo-opleidingen die worden aangeboden, zijn er begin maart 2011 22
    zeer zwak (0,2%). Uit het Onderwijsverslag over 2009 komt naar voren dat er daarnaast ruim 400 op-
    leidingen (4%) als zwak beoordeeld zijn.6 Zo’n 233 opleidingen (2%) kampen begin maart 2011 met
    een onvoldoende examenkwaliteit. Deze percentages liggen ónder de gemiddelden voor het pri-
    mair en voortgezet onderwijs.
    De basis voor onvoldoende kwaliteit in het middelbaar beroepsonderwijs ligt vaak in onvoldoende
    begeleiding van studenten, het tekortschieten van de intake en de gehanteerde werkvormen/het
    didactisch handelen (waarbij eindtermgerichte opleidingen beter scoren dan competentiegerichte).
    Een derde van de studenten haalt het diploma niet
    In het bekostigd middelbaar beroepsonderwijs verlaat bijna een derde van de studenten de oplei-
    ding zonder een diploma. De opbrengsten liggen in de beroepsopleidende leerweg hoger dan in
    beroepsbegeleidende leerweg. Ook is de gediplomeerde uitstroom hoger bij hogere opleidings-
    niveaus: 48% van de studenten verlaat een niveau 1-opleiding met diploma, tegenover 77% van de
    niveau 4-studenten.
    Een tiende van opleidingen biedt te weinig onderwijstijd aan
    In het Onderwijsverslag over 2009 wordt gesignaleerd dat zo’n 10% van de mbo-opleidingen on-
    voldoende onderwijstijd realiseert, oftewel de norm van 850 uur in instellingstijd verzorgd onderwijs
    niet haalt. In die norm is tevens de beroepspraktijkvorming inbegrepen. Vooral in de eerste leerjaren
    van opleidingen wordt volgens de Inspectie te weinig onderwijstijd aangeboden.
Minister heeft drie doelen met Actieplan
In het Actieplan mbo Focus op vakmanschap 2011-2015 (hierna: het Actieplan) maakt de minister
van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) het beleid voor het middelbaar beroepsonder-
wijs en de volwasseneneducatie concreet. Het Actieplan is in februari 2011 verschenen.7 Met het
geheel aan maatregelen uit het plan streeft de minister drie doelen na.
• In 2015 moet het middelbaar beroepsonderwijs over de gehele linie goed, initieel beroeps-
      onderwijs voor jongeren bieden. Het mbo-diploma moet een goede basis zijn voor toetre-
      ding tot de arbeidsmarkt of doorstroom naar vervolgonderwijs. Het voortijdig schoolverla-
      ten moet danig zijn teruggedrongen.
• In 2015 moeten de besturing en bedrijfsvoering van álle instellingen op orde zijn. Dat houdt
      in dat studenten voldoende onderwijstijd krijgen, verzorgd door professionele docenten,
      dat de onderwijsprogramma’s goed in elkaar steken en dat de examens in orde zijn.
• Het beroepsonderwijs moet ten opzichte van het algemeen vormend onderwijs aan aan-
      trekkelijkheid winnen. De onderwijsroute naar vakmanschap wordt aan het eind van deze
      kabinetsperiode beter gewaardeerd door jongeren en hun ouders. Meer jongeren dan nu
      kiezen voor het beroepsonderwijs; de tevredenheid van studenten is toegenomen.
6     Inspectie van het Onderwijs, 2010b.
7	Ministerie van Onderwijs, 2011a.
10                                                                                    Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    Actieplan bouwt voort op adviezen en voorstellen uit het veld
    In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de inhoud van het Actieplan. Hier merkt de raad op
    dat het Actieplan voortbouwt op twee adviezen die in 2010 zijn uitgebracht. Ten eerste het
    advies van de Commissie Onderwijs en Besturing bve – ook wel aangeduid als de commissie-
    Oudeman – en ten tweede het advies van de Commissie Kwalificeren en Examineren – naar de
    voorzitters ook wel de commissie-Hermans/Van Zijl genoemd.8
    Verder staan er voorstellen in die vanuit het veld in 2010 zijn gedaan in de context van de Twee-
    de Kamerverkiezingen en de kabinetsformatie, door actoren als MBO Raad, COLO en sociale
    partners.9 Eveneens zijn in het Actieplan voorstellen terug te vinden uit het ambtelijke rapport
    Brede heroverwegingen van april 2010, namelijk die uit bijlage 6, Productiviteit onderwijs.10
1.2 Adviesvraag: wat vindt de raad van het Actieplan?
    De minister heeft de Onderwijsraad gevraagd “een kritische blik te werpen op het actieplan
    in den brede” en specifiek “op hoofdlijnen te adviseren over de implementatie van de onder-
    delen van het actieplan”. De adviesaanvraag is opgenomen in bijlage 1 bij dit advies.
    De Onderwijsraad geeft in dit advies zijn oordeel over de hoofdlijnen van het Actieplan en
    aanbevelingen om inhoud en implementatie te verbeteren. De vraag die de raad beantwoordt,
    luidt: op welke manier kan het Actieplan beter bijdragen aan de beleidsmatig beoogde verbe-
    teringen in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, te weten: vergroting van kwali-
    teit, bestuurbaarheid en aantrekkelijkheid?
    De Onderwijsraad baseert het advies op recente analyses en standpunten van de raad over de
    bve-sector. Aanvullend daarop heeft de raad bij relevante belanghebbenden uit het bve-veld
    een korte inventarisatie verricht van standpunten over en reacties op het Actieplan (zie de lijst
    geraadpleegde deskundigen achterin dit advies).
    De raad beziet het Actieplan vanuit zijn analyse van de bve-sector, onder meer vanuit de drie
    functies van deze sector: zorgdragen voor beroepskwalificatie, aansluiten op vervolgonder-
    wijs en bijdragen aan sociale cohesie in de samenleving. In lijn daarmee beziet de raad het
    Actieplan voor wat betreft het middelbaar beroepsonderwijs vanuit de drieledige kwalificatie-
    opdracht: opleiden voor de arbeidsmarkt, opleiden voor doorstroom naar het vervolgonder-
    wijs en voorbereiden op maatschappelijk functioneren.11 Het volgende hoofdstuk hierna gaat
    hier nader op in.
    8	Commissie-Hermans/Van Zijl, 2010; Commissie Onderwijs en Besturing BVE, 2010.
    9	  MBO Raad, 2010; MBO-raad e.a., 2010.
    10	Ministerie van Financiën, 2010.
    11	Onderwijsraad, 2008.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    De raad gaat bij de weging van de voorstellen uit het Actieplan uit van drie uit-
    gangspunten. Ten eerste is beleidsmatige aandacht nodig voor een belangrijk
    kenmerk van het beroepsonderwijs: het evenwicht tussen het opleiden voor
    een beroep, voor vervolgonderwijs en voor maatschappelijke participatie (pa-
    ragraaf 2.1). Ten tweede hecht de raad eraan dat het onderwijsbestel en dus
    ook het beroepsonderwijs erop gericht is helder omschreven doelen te berei-
    ken en opbrengstgericht te werken (paragraaf 2.2). In de derde plaats is nodig
    dat instellingen en professionals ruimte krijgen om het onderwijs in te richten
    en te verzorgen en eigen keuzen te maken (paragraaf 2.3).
2   Context: visie van de raad op
    beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
2.1 Evenwicht tussen opleiden voor beroep, vervolgonderwijs en samenleving
    scoort goed
    Drieledige kwalificatie en functie van het bve-bestel12
    Het beroepsonderwijs kent een andere historie dan het primair en voortgezet onderwijs, in die
    zin dat wet- en regelgeving laat tot ontwikkeling is gekomen.13 De eerste wet – de Wet op het
    nijverheidsonderwijs – stamt uit 1919, terwijl in de negentiende eeuw al wetten voor het lager
    en middelbaar onderwijs tot stand waren gekomen.14 Het beroepsonderwijs is in de negentien-
    de eeuw ontstaan uit initiatieven van bedrijfsleven en gegoede burgerij, dus zonder wettelijke
    kaders. In feite codificeerde de Wet op het nijverheidsonderwijs in belangrijke mate die zelf-
    standige ontwikkeling. De wet liet ruimte voor de samenwerking tussen scholen en bedrijfs-
    leven die door de tijd heen was ontstaan en respecteerde daarmee de historische worteling
    van het beroepsonderwijs in de beroepspraktijk.
    In het advies Ontwikkelingsrichtingen voor het mbo heeft de raad de historie van het beroeps-
    onderwijs beschreven.15 Uit die beschrijving blijkt dat de kwalificerende opdracht van het
    middelbaar beroepsonderwijs door de tijd heen is verbreed. Het middelbaar beroepsonderwijs
    leidt niet alleen meer op voor het uitoefenen van een beroep, maar ook voor vervolgonderwijs
    en voor maatschappelijk functioneren. Anders gezegd, de instellingen voor beroepsonderwijs
    12	Voor een toelichting op het bve-bestel: zie bijlage 2.
    13	Onderwijsraad, 2008.
    14	Schoonhoven, 2010a.
    15	Onderwijsraad, 2008.
    12                                                                        Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    kennen nu een drieledige kwalificatieopdracht die is verankerd in de WEB: een beroepskwalifi-
    catie, een doorstroomkwalificatie en een leer- en burgerschapskwalificatie.
    Deze drievoudige kwalificatieopdracht correspondeert met de drie functies van de bve-sector.
    Het gaat in het bve-bestel niet alleen om opleiden voor de arbeidsmarkt, maar ook om het bor-
    gen van de aansluiting met enerzijds het vmbo en anderzijds het hbo (hoger beroepsonder-
    wijs), en om bijdragen aan sociale cohesie door onder meer burgerschapsvorming en het ver-
    zorgen van volwassenenonderwijs gericht op maatschappelijke participatie.16
    Drieslag openhouden voor aantrekkelijk bve-bestel
    Deze drieslag heeft in de ogen van de raad een belangrijk voordeel. Het voorkomt een te een-
    zijdig gerichte benadering op hetzij het bedrijfsleven respectievelijk de instellingen, hetzij het
    (vervolg)onderwijs, hetzij de maatschappij. Uit internationale vergelijkingen komt naar voren
    dat juist het evenwicht tussen onderwijs, beroepspraktijk en brede vorming in ons bve-bestel
    goed scoort.17 De status van het beroepsonderwijs is in ons land mede daardoor in vergelijking
    met het buitenland relatief hoog; het beroepsonderwijs vervult een belangrijke positie in ons
    onderwijsbestel.18
    Voor de raad is het gelet op het voorgaande dan ook van belang dat voor het toekomstige
    beroepsonderwijs – gekoppeld aan de drieslag – drie ontwikkelingsrichtingen open blijven
    staan:
    • het aangaan van combinaties tussen middelbaar beroepsonderwijs en algemeen vormend
        onderwijs;
    • het verticaliseren van het onderwijs in de beroepskolom vmbo-mbo-hbo; en
    • het inzetten op een betere benutting van leermogelijkheden in bedrijven.
    Juist het ruimte bieden voor deze variëteit in het bestel en aan instellingen en professionals de
    mogelijkheid laten hierin zelf de meest passende mix te bepalen, werkt kwaliteitsverhogend
    en houdt het beroepsonderwijs aantrekkelijk ten opzichte van algemeen vormend onderwijs.
2.2 Opbrengstgericht werken leidt tot hogere prestaties van studenten
    Systematisch en cyclisch proces
    Opbrengstgericht werken leidt tot hogere prestaties van leerlingen en studenten.19 Opbrengst-
    gericht werken houdt in dat systematisch en cyclisch wordt gewerkt aan het bereiken van bete-
    re prestaties van studenten. Het betekent dat de studievoortgang regelmatig wordt getoetst
    en dat er zicht is op het onderwijsproces, onder meer door gebruik te maken van vormen van
    onderling leren en kennisuitwisseling van leraren, bijvoorbeeld in de vorm van intervisie. Om
    opbrengstgericht te kunnen werken moeten leraren in staat zijn om op basis van studievoort-
    gangsuitkomsten keuzes te maken ten aanzien van leerstof, instructie en leertijd. Daarvoor is
    het nodig dat de instelling de administratie op orde heeft, zodat de prestaties van studenten
    kunnen worden bijgehouden en gevolgd. Opbrengstgericht werken kan ook in het beroeps-
    onderwijs worden uitgebouwd.
    16	Wieringen, 1996.
    17	Visser, Westerhuis & Hövels, 2009.
    18	Onderwijsraad, 2009c.
    19	Barber, Chijoke & Mourshed, 2011; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010;Scheerens, 2007; Scheerens, Luy-
        ten & Ravens, 2011; Inspectie van het Onderwijs, 2010b.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    Met heldere doelen
    Verder wordt opbrengstgericht werken gestimuleerd met heldere doelen. Eerder heeft de raad
    aangegeven dat het zaak is om in onderwijsagenda’s zoals het Actieplan vooral te borgen dat
    binnen elke onderwijssoort kernkwalificaties worden behaald op een manier die bij deze soort
    past.20 Anders gezegd: bij voorkeur zijn er heldere inhoudelijke doelen waaraan scholen moe-
    ten voldoen, zodat instellingen en professionals op grond daarvan focus kunnen aanbrengen
    in het onderwijsprogramma. In het geval van het beroepsonderwijs betreft het hierbij in ieder
    geval de benutting van leerstandaarden voor de doorstroomrelevante vakken Nederlands,
    Engels en rekenen/wiskunde. Deze vakken zijn naar de mening van de raad voor alle leerlingen
    onmisbaar voor verdere studie, de arbeidsmarkt en participatie in de samenleving. Waar moge-
    lijk kan het stellen van inhoudelijke doelen in het beroepsonderwijs worden uitgebreid. Norm-
    stellende kaders zoals referentieniveaus kunnen leraren houvast geven voor de doelen die ze
    met hun leerlingen willen bereiken.
2.3 Zelfregulering stimuleert eigenaarschap
    Voor goed onderwijs is van belang dat de overheid een consistent en coherent beleid voert,
    dat over een reeks van jaren wordt voortgezet.21 De overheid dient daarbij, zoals gezegd, doe-
    len te stellen waarnaar instellingen en leraren zich kunnen richten, te stimuleren dat prestaties
    inzichtelijk worden gemaakt, en waar nodig te interveniëren.
    De raad kiest daarbij voor subsidiariteit: daar waar het gaat over de (pedagogische) organisatie
    van het onderwijs, moeten de instellingen in principe zelf kunnen beslissen.22 Zelfregulering als
    vertrekpunt is van belang omdat dat bewegingsruimte kan geven aan instellingen en profes-
    sionals om zelf afwegingen te maken en – gegeven hun context en visie – tot een inhoudelijk
    juiste keuze te komen. Het stimuleert eigenaarschap en bevordert beroepseer en beroepstrots.
    Gegeven het vertrekpunt van subsidiariteit zijn overheidsinterventies mogelijk als er gemo-
    tiveerde en zwaarwegende redenen voor zijn. In dat verband wil de raad wijzen op zijn eer-
    dere advies Richtpunten bij onderwijsagenda’s en de verkenning Veelzeggende instrumenten van
    onderwijsbeleid.23 Daarin is verwoord dat het voor een zorgvuldig beleidsproces onder meer
    van belang is dat probleemanalyses helder zijn, dat deze wetenschappelijk zijn onderbouwd
    en dat mede op grond daarvan overtuigend wordt aangetoond dat een overheidsinterven-
    tie noodzakelijk is. Dit advies is in 2008 overgenomen door de Tijdelijke Commissie Parlemen-
    tair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen (de commissie-Dijsselbloem) in het rapport Tijd voor
    onderwijs en in de beleidsreactie van de minister op dit rapport.24 Onderbouwing van de voor-
    genomen interventies is in de ogen van de raad onder meer van belang bij de invoering van
    het Actieplan.
    20	Onderwijsraad, 2008.
    21	Onderwijsraad, 2007; Organisation for Economic Co-operation and Development, 2007
    22	Onderwijsraad, 2008.
    23	Onderwijsraad, 2007.
    24	Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen, 2008.
    14                                                                                   Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    De raad onderschrijft de inzet van het Actieplan op verbetering van de kwaliteit,
    de bestuurbaarheid en de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs, maar
    acht verbeteringen mogelijk. Het evenwicht tussen opleiden voor beroep, op-
    leiden voor vervolgonderwijs en voorbereiding op de samenleving kan beter
    geborgd worden. Daarnaast moet opbrengstgericht werken naar een hoger
    plan worden gebracht. Bij de invoering van de plannen kan bovendien meer
    worden aangesloten bij het zelfregulerend vermogen van instellingen. Para-
    graaf 3.2 gaat in op deze verbeterpunten, waaraan de raad in paragraaf 3.3 vijf
    aanbevelingen koppelt. Het hoofdstuk begint met een korte toelichting op de
    inhoud van het Actieplan.
3   Voorstellen uit het Actieplan zijn te
    verbeteren
3.1 Het Actieplan samengevat
    Het Actieplan is, zoals geschetst in het eerste hoofdstuk, gericht op verbetering van de kwali-
    teit, de bestuurbaarheid en de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs. Het voornemen is
    dat te doen aan de hand van drie categorieën van voorstellen, die zijn samengevat in tabel 1.
    • Voorstellen die beogen de kwaliteit te verbeteren, zoals het intensiveren van de onderwijs-
         tijd in het eerste mbo-leerjaar binnen de 1.000 uren en het stellen van een specifieke norm
         ten aanzien van de begeleide onderwijsuren. Ook de voornemens voor verbetering van
         examens, professionalisering van leraren en het stimuleren van de samenwerking tussen
         vmbo-, mbo- en hbo-instellingen vallen in deze categorie.
    • Voorstellen om het bve-bestel te vereenvoudigen en daarmee de bestuurbaarheid te ver-
         groten. Deze categorie omvat onder meer het plan de zogeheten drempelloze instroom in
         de niveau 2-opleidingen af te schaffen.25
    • Voorstellen die erop gericht zijn de besturing en bedrijfsvoering in het beroepsonderwijs
         verder op orde te brengen, onder meer door het bekostigingssysteem te moderniseren en
         door deelname aan een landelijke benchmark verplicht te stellen.
    Het is de bedoeling met vijf pakketten wet- en regelgeving in de periode 2012-2014 het leeu-
    wendeel van de voorstellen uit het Actieplan in te voeren. Het betreft daarbij vooral de voor-
    25	Zie bijlage 2 voor een toelichting op de huidige niveaus, in- en doorstroommogelijkheden.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>stellen uit het Actieplan die een normstellend karakter dragen, in de sfeer van bekostiging,
opleidingstijden en -duur, structuur van opleidingen, examinering en toezicht.
Parallel daaraan komt er een Uitvoeringsprogramma (Programma MBO 2015) dat de instellingen
zal ondersteunen. Onder dit Uitvoeringsprogramma zullen de onderdelen van het Actieplan
een plaats krijgen, die meer stimulerend van karakter zijn en zijn gericht op onder meer profes-
sionalisering van het personeel, samenwerking in de beroepskolom en een doelmatig aanbod
van voorzieningen in de regio.
Figuur 1: Overzicht van voorstellen uit het Actieplan
  Verhoging kwaliteit
  Intensiveren en     Verhogen en aanscherpen onderwijstijd bol; verkorten nominale opleidings-
  verkorten oplei-    duur: niveau 4 naar drie jaar en aanpassing bekostigingssystematiek; impuls
  dingen              loopbaanoriëntatie en -begeleiding (stimuleringsplan)
  Betere examens      Keurmerk voor examens beroepsgerichte vakken; structurele verbetering exa-
                      menkwaliteit, onder andere taal/rekenen/Engels; publicatie instellingen on-
                      voldoende examenkwaliteit en sancties
  Professionalise-    Beleid conform Actieplan Leerkracht van Nederland; versterking professionele
  ring docenten       ruimte; investeren in professionalisering en prestatiebeloning
  Vereenvoudigen      Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven krijgt opdracht tot vereenvoudiging
  kwalificatie-       kwalificatiestructuur; efficiencykorting kenniscentra; bestaande kwalificaties
  structuur           drie jaar vast; invoering opleidingsdomeinen
  Opleidingenaan-     Pilots met regionale coördinatie opleidingenaanbod; meldpunt monitoring
  bod                 kleinschalige opleiding
  Samenwerking        Financiële impuls vakcollege; verlenging vm2; wettelijk kader voor experimen-
  vmbo–mbo–hbo        ten/samenwerking; onderzoek exameneisen doorstroom mbo–hbo; good prac-
                      tices; nieuwe ronde pilots associate degree (ook in middelbaar beroepsonder-
                      wijs)
  Vereenvoudiging bve-stelsel
  Niveau 2 niet       Beëindiging drempelloze instroom niveau 2
  meer drempel-
  loos
  Niveau 1 wordt      Entreeopleidingen; bindend studieadvies/prestatieprikkel; pilots met de werk-
 ‘entreeopleiding’    school
  Centralisatie       Vavo budgetneutraal onder directe aansturing Rijk en invoeren leeftijdsgrens
  vavo; dubbele       dertig jaar; actieplan laaggeletterden; dubbele oormerking blijft in stand gedu-
  oormerking          rende deze kabinetsperiode
  handhaven
16                                                                                Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>      Besturing en bedrijfsvoering op orde
      Door de instel-        Verplichte deelname aan benchmark MBO Raad/drie tevredenheidsonderzoe-
      lingen                 ken; koppelen aan toezicht Inspectie; Gereedschapskist MBO2010; digitaal loket;
                             kwaliteitsnetwerk; benutting instrumenten bevorderen
      Door intern toe-       Versteviging band OCW – Platform rvt’s; versterking wettelijke positie rvt’s; eva-
      zicht                  luatie branchecode
      Door de over-          Ombuigingen en intensiveringen cf. regeerakkoord; prestatiebox mbt vsv en
      heid                   tevredenheid bedrijfsleven; modernisering lumpsum; één toezichtskader voor
                             kwaliteit en examens; proportioneler toezicht; contact Inspectie – rvt als inter-
                             ventiemogelijkheid
3.2 Conclusie: Onderwijsraad steunt grote lijnen van Actieplan
    De raad onderschrijft de inzet van het Actieplan op verbetering van de kwaliteit, de bestuur-
    baarheid en de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs. De voorstellen uit het plan liggen
    verder voor een belangrijk deel in het verlengde van de adviezen van de commissie-Oudeman
    en de commissie-Hermans/Van Zijl, en van diverse voorstellen uit het veld die in 2010 ten tijde
    van de verkiezingen en de kabinetsformatie naar voren zijn gebracht. Voor dat deel kan het
    Actieplan bogen op draagvlak in de sector.
    De raad heeft het geheel van voorstellen bezien vanuit de visie die in het vorige hoofdstuk is
    beschreven. Houdt het Actieplan de drievoudige kwalificatieopdracht en functionaliteit, en de
    ontwikkelingsrichtingen die daarmee samenhangen, voor de toekomst voldoende in stand?
    Besteedt het Actieplan aandacht aan het stellen van inhoudelijke doelen en opbrengstgericht
    werken? Krijgen instellingen en professionals de gelegenheid om zelf tot afgewogen keuzen
    te komen voor de inrichting en organisatie van het onderwijs? Vanuit deze drie vragen bezien
    constateert de raad dat er mogelijkheden zijn tot verbetering van het Actieplan. Het gaat om
    de volgende punten.
    1. Houd ruimte voor opleiden voor beroep, vervolgonderwijs én samenleving(aanbevelingen 1 t/m 3)
    De raad is van mening dat er meer oog kan zijn voor de drievoudige kwalificatie-opdracht
    van het middelbaar beroepsonderwijs en de drie functies van het bve-bestel: 1) opleiden voor
    beroep en arbeidsmarkt; 2) opleiden voor vervolgonderwijs; en 3) voorbereiden op maatschap-
    pelijke participatie en bijdragen aan sociale cohesie.
    In het Actieplan kan hieraan in drie opzichten meer aandacht worden besteed, namelijk door
    het stimuleren van:
    • de aansluiting van het beroepsonderwijs op de toekomstige werkomgeving en de arbeids-
         markt in het algemeen (aanbeveling 1);
    • de mogelijkheden voor doorstroom in de beroepskolom (aanbeveling 2); en
    • onderwijs aan volwassenen in het bve-bestel (aanbeveling 3).
    2. Bouw ook aan kwaliteit door opbrengstgericht werken (aanbeveling 4)
    De kwaliteit van het beroepsonderwijs kan ook worden uitgebouwd door in het beroeps-
    onderwijs systematisch opbrengstgericht te gaan werken. Dat impliceert dat instellingen en
    leraren steun en richting ontlenen aan duidelijke inhoudelijke doelstellingen. Alleen referentie-
    niveaus op het terrein van taal en rekenen volstaan niet. Ook op het terrein van de examinering
    van beroepsgerichte vakken kan een stap extra worden gezet door middel van een inzet op
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    normstelling en equivalering; dit gaat verder dan het keurmerk voor examinering van beroeps-
    gerichte vakken zoals de minister nu in het Actieplan voorstelt.
    3. Zorg voor ruimte voor professionals en een realistische invoering (aanbeveling 5)
    De raad geeft omwille van onder meer draagvlak en een goed invoeringsproces van het Actie-
    plan mee dat het verstandig is bij de uitwerking ervan uitgebreider dan nu is gebeurd stil te
    staan bij zowel de ruimte die instellingen en professionals wordt geboden als bij de onderbou-
    wing van nut en noodzaak van de voorstellen. In het verlengde daarvan is het raadzaam de
    instellingen op korte termijn meer informatie te geven over de veranderingen die de komende
    jaren op stapel staan en de instellingen de tijd te geven om hierop te anticiperen. Het uitvoe-
    ringsprogramma dat de instellingen daarbij gaat ondersteunen moet bovendien een duide-
    lijke taak en verantwoordelijkheid krijgen.
3.3 Vijf aanbevelingen voor beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
    Aanbeveling 1: houd beroepsopleidingen herkenbaar en praktijkgericht
    Het beroepsonderwijs ontleent zijn aantrekkingskracht voor een belangrijk deel aan het oplei-
    den voor en de relatie met de beroepspraktijk. De in het Actieplan voorgestelde reductie van de
    tijd die voor stages beschikbaar is, kan daar afbreuk aan doen. Voor studenten, ouders en toe-
    komstige werkgevers moet bovendien duidelijk zijn en blijven waarvoor de beroepsopleiding
    opleidt; dat moet blijken uit het diploma. Herkenbaarheid betekent tevens dat instellingen
    zorgvuldig moeten omgaan met de inschrijvingsduur op een zogeheten opleidingsdomein.
    Aanbeveling 2: koester de doorstroommogelijkheden in de beroepskolom
    Het is van belang dat leerlingen en studenten kunnen doorstromen van het vmbo naar het mbo
    en aansluitend naar het hbo. Sommige maatregelen in het Actieplan kunnen dit belemmeren.
    De raad adviseert het algemeen doorstroom recht van middelbaar naar hoger beroepsonder-
    wijs onaangetast te laten. In dat kader is het in het bijzonder van belang opnieuw te kijken naar
    het bekostigingssysteem om studievertraging tegen te gaan ende nominale opleidingsduur
    van niveau 4-opleidingen.
    Aanbeveling 3: formuleer een toekomstperspectief op onderwijs aan volwassenen
    Onderwijs aan volwassenen is een inherent onderdeel van het stelsel van beroepsonderwijs
    en volwasseneneducatie. Voor behoud van deze infrastructuur is het wenselijk dat de overheid
    een langetermijnvisie formuleert op publiek bekostigd volwassenenonderwijs. Vanuit deze
    optiek zouden voorstellen uit het Actieplan nader moeten worden overwogen, waaronder het
    schrappen van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs voor mensen van dertig jaar
    en ouder.
    Aanbeveling 4: zet in op opbrengstgericht werken
    Door middel van opbrengstgericht werken kan de kwaliteit van het beroepsonderwijs de
    komende jaren verder worden uitgebouwd. Dat veronderstelt dat er voor instellingen en lera-
    ren meer inhoudelijke richtpunten komen. Deze zijn er al voor de doorstroomrelevante vak-
    ken Nederlands en rekenen/wiskunde; er komen verder centrale mbo-examens voor Engels.
    Verkend kan worden of daarnaast richtpunten voor andere vakgebieden mogelijk zijn. Ook
    dient nagegaan te worden hoe de examens voor beroepsgerichte vakken nader kunnen wor-
    den genormeerd en geëquivaleerd, zodat mbo-diploma’s aan waarde winnen.
    18                                                                           Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 5: zorg voor een realistische invoering
De invoering van het Actieplan kan worden bespoedigd door instellingen inzicht te geven in
de pakketten wet- en regelgeving die zijn aangekondigd en door instellingen de tijd te geven
de nodige aanpassingen door te voeren. Het uitvoeringsprogramma dat is aangekondigd, kan
instellingen hierbij ondersteunen. Het moet in termen van taken en verantwoordelijkheden
een duidelijke plaats krijgen en aansluiten bij het zelfregulerend vermogen van sector, instel-
lingen en professionals. Het beoogde regionale overleg over het opleidingenaanbod kan de
doelmatigheid van het aanbod aan beroepsonderwijs versterken.
Deze aanbevelingen werkt de raad in hoofdstuk 4 tot en met 8 verder uit.
Overigens adviseert de raad meer te investeren in de professionaliteit van het onderwijzend
personeel in het beroepsonderwijs. Deze aanbeveling wordt niet uitgewerkt in dit advies,
omdat hierover tegelijk met deze reactie op het Actieplan een apart advies verschijnt.
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    Afstemming van het beroepsonderwijs op de praktijk is van belang om deze
    vorm van onderwijs actueel en aantrekkelijk te houden voor zowel studenten
    als werkgevers. Daarmee kan het beroepsonderwijs competitief zijn aan het al-
    gemeen vormend onderwijs. De kwaliteit van de beroepspraktijkvorming kan
    volgens de raad omhoog (paragraaf 4.1). Professionalisering van de begelei-
    ding door docenten en praktijkbegeleiders kan daaraan bijdragen (paragraaf
    4.2). De beroepsopleidingen moeten bovendien herkenbaar zijn en blijven
    voor studenten, ouders en toekomstig werkgevers en arbeidsmarktrelevant
    zijn (paragraaf 4.3).
4   Aanbeveling 1: houd beroepsopleidingen
    herkenbaar en praktijkgericht
4.1 Kort niet op stages, maar verhoog kwaliteit van beroepspraktijkvorming
    In het Actieplan wordt voorgesteld het aandeel van uren te reduceren dat binnen de beroeps-
    opleidende leerweg beschikbaar is voor beroepspraktijkvorming (zie kader). De raad waar-
    schuwt voor vergaande reductie van de stages omdat dit koste kan gaan van de beroepskwali-
    ficerende functie van het beroepsonderwijs.
        Actieplan reduceert onderwijstijd voor beroepspraktijkvorming
        Mbo-opleidingen in de beroepsopleidende leerweg moeten nu voldoen aan de norm van minimaal
        850 uur in instellingstijd verzorgd onderwijs per jaar. Maximaal 60% van de onderwijstijd tijdens de
        opleidingsduur mag worden besteed aan beroepspraktijkvorming. Uit onderzoek van ITS uit 2009
        komt naar voren dat gemiddeld genomen een opleiding binnen de beroepsopleidende leerweg
        voor 45% van de onderwijstijd bestaat uit beroepspraktijkvorming. In eerdere studiejaren ligt dit
        percentage lager dan in de hogere.
        In het Actieplan wordt voorgesteld om – in combinatie met verhoging van de onderwijstijd in het
        eerste jaar naar 1.000 uur – een specifieke norm te stellen ten aanzien van het aantal begeleide on-
        derwijsuren. Binnen de bekostigingsvoorwaarde van minimaal 1.000 uur resteert daardoor 250 uur
        voor beroepspraktijkvorming. Gemiddeld genomen en over de gehele opleidingsduur heen bezien,
        betekent dit een reductie van het aandeel beroepspraktijkvorming tot circa 30% van de onderwijs-
        tijd. Bij inkorting van de niveau 4-opleidingen tot 3 jaar loopt dit nog iets verder terug omdat in
        deze opleidingen de meeste bpv-uren (beroepspraktijkvorming) in het laatste opleidingsjaar wor-
        den gezet.
        Opleidingen in de beroepsbegeleidende leerweg kennen een minimumnorm van 300 klokuren aan
        in instellingstijd verzorgd onderwijs; dit komt neer op vier dagen per week leren-werken in de be-
        roepspraktijk en één dag per week naar school gaan.
    20                                                                                   Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>       In mei 2010 heeft de toenmalige staatssecretaris aangekondigd de minimumnorm voor onderwijs-
       contacttijd in de beroepsbegeleidende leerweg te stellen op 240 klokuren per jaar. Het moet dan
       gaan om geprogrammeerde en geplande activiteiten die gericht zijn op het bereiken van de onder-
       wijs- en vormingsdoelen van de opleiding, waarbij sprake is van actieve betrokkenheid van een be-
       voegd docent. In het Actieplan handhaaft de huidige minister deze lijn.
    De raad is van mening dat leren in de praktijk in de juiste vorm, op het juiste moment, met
    de juiste omvang en met de juiste begeleiding dient te worden ingezet. De raad beveelt aan
    in te zetten op kwaliteitsverbetering van het praktijkleren, omdat daarmee één van de in de
    ogen van de raad wenselijke ontwikkelingsrichtingen voor het beroepsonderwijs – te weten
    het beter benutten van leermogelijkheden in bedrijven – behouden blijft en wordt gestimu-
    leerd. Bij enkel reductie van de uren voor beroepspraktijkvorming – zeker in combinatie met
    het inkorten van de niveau 4-opleidingen – is dat laatste in mindere mate het geval.
    Kwaliteitsverhoging van de praktijkleerervaring is op drie manieren mogelijk, daarbij voort-
    bouwend op initiatieven die reeds zijn ingezet in de sector, waaronder het bpv-protocol.
    • Laat de drie actoren die bij beroepspraktijkvorming zijn betrokken (onderwijsinstelling,
         student en bedrijf) beter afstemmen over de organisatie en de inhoud van het leren in de
         praktijk. Door zorgvuldiger te overwegen wanneer praktijkleren wordt ingezet en in welke
         vorm, kan meer toegevoegde waarde uit het praktijkleren worden gehaald.26
    • Verbeter de garantie op een goede begeleiding van de student door de docent-stagebege-
         leider enerzijds en de praktijkopleider anderzijds duidelijker te profileren; in paragraaf 4.2
         gaat de raad gedetailleerder op dit punt in.
    • Verbeter de inbedding van dit cruciale onderdeel van de beroepsopleiding in het curri-
         culum. Door meer ruimte in de opleiding te nemen voor structurele en situatiespecifie-
         ke voorbereiding en reflectie op de praktijkvorming gaat de kwaliteit van de leerervaring
         omhoog. De leerling moet de koppeling kunnen leggen tussen de (algemene, onderlig-
         gende) theorie en de ervaringen uit de praktijk.
    De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het praktijkleren ligt bij de onderwijsinstellingen
    en bedrijven. De overheid kan dit bevorderen via het Uitvoeringsprogramma van het Actieplan.
       Kritiek op kwaliteit beroepspraktijkvorming
       Mede naar aanleiding van onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de werkgeversorganisatie
       VNO/NCW naar de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming heeft de Inspectie in 2009 gerappor-
       teerd over dit onderwerp. 27 De Inspectie signaleert dat opleidingen deelnemers soms te weinig on-
       dersteunen bij het zoeken van een bpv-plaats en te weinig gericht zijn op een goede match tussen
       individuele leerbehoeften en de leermogelijkheden van het bedrijf. Niet altijd gaan de opleidingen
       na of de beroepspraktijkvorming nog verloopt als afgesproken; ze benutten de opgedane ervarin-
       gen te weinig voor reflectie.
4.2 Professionaliseer de praktijkbegeleiding
    De raad adviseert, gelijktijdig met deze reactie op het Actieplan, over de professionaliteit van
    het onderwijzend personeel in het (v)mbo, in het bijzonder de zorg voor een adequaat oplei-
    dingen- en kwalificatiestelsel. Op deze plaats wil de raad het belang benadrukken van deugde-
    26	Koole, 2010a; Koole, 2010b; Nedermeijer, Groot & e.a., 2010.
    27	Detmar & Vries, 2009; Inspectie van het Onderwijs, 2009.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>     lijke praktijkbegeleiders in de praktijkleersituatie (bij stages, afstudeerplekken, en dergelijke)
     en vanzelfsprekend binnen de onderwijsinstelling.
     Er wordt veel gevraagd van de docent-stagebegeleiders en de praktijkbegeleiders in het
     bedrijfsleven. Kennis van zowel de inhoud van de opleiding als de situatie in de praktijk zijn
     noodzakelijk. Daarbij dient iedere begeleider het pedagogische inzicht en de didactische vaar-
     digheden te bezitten om een student optimaal te kunnen begeleiden. Hier moeten theorie
     en praktijk aan elkaar gekoppeld worden, als onderdeel van de doorlopende leerlijn waarbij
     kerntaken en werkprocessen op elkaar aansluiten. Om dit mogelijk te maken zal de begeleider
     die tijdens het proces de student begeleidt, zowel de opleiding als de praktijk moeten kennen.
     Om de kwaliteit van het praktijkleren beter te waarborgen vindt de raad het wenselijk dat de
     docent-stage-begeleider en praktijkbegeleider tijd en ruimte hebben (of krijgen) om zich te
     professionaliseren. De raad adviseert een planmatige aanpak, waarbij bekwaamheidseisen
     voor de docent-stagebegeleider en de praktijkbegeleider worden geformuleerd, met inacht-
     neming van de verschillen tussen de onderwijssectoren en de eigenheid van de verschillende
     sectoren van het bedrijfsleven. Deze vorm van individuele kwalificatie bevat bij voorkeur geza-
     menlijke onderdelen, waarin de docent-stagebegeleider en de praktijkbegeleider van elkaars
     werkveld kunnen leren. Deze professionalisering en kwalificatie dragen bij aan de positie van
     de begeleiders binnen de organisatie en de ruimte die zij binnen de organisatie kunnen nemen
     om studenten optimaal te begeleiden.
     Neem kwaliteitseisen docent-stagebegeleiders op in competentieprofielen
     De raad beveelt aan dat de docent-stagebegeleider moet voldoen aan bepaalde kwaliteitsei-
     sen. De begeleiding van studenten is een onbetwistbaar onderdeel van het takenpakket van
     docenten in het beroepsonderwijs. In de centraal opgestelde competentieprofielen van docen-
     ten is hier echter weinig over uitgewerkt. De raad stelt voor deze aanvullende bekwaamheids-
     eisen door de Onderwijscoöperatie in oprichting te laten ontwikkelen en daar een vorm van
     certificering van de docent-stagebegeleider aan te verbinden, met daarbij ook eisen aan het
     onderhoud van deze bekwaamheid.
     Professionaliseer praktijkbegeleiders
     De raad ziet professionalisering van praktijkbegeleiders als een wenselijke ontwikkeling. De
     eisen voor de praktijkbegeleider worden bij voorkeur decentraal – op sectorniveau – gefor-
     muleerd. Persoonscertificering op brancheniveau van de mbo-praktijkbegeleider is volgens
     de raad een logisch vervolg op de professionalisering, het is echter geen streefdoel. Het uit-
     gangspunt is kwaliteitsverbetering, certificering draagt alleen bij als dat voor de branche toe-
     gevoegde waarde biedt.
4.3  Behoud in de kwalificatiestructuur de aansluiting op het beroepenveld
     In het Actieplan wordt voorgesteld om de nieuwe Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
    – een samenwerkingsverband tussen sociale partners en mbo-instellingen – de opdracht te
     geven tot vereenvoudiging van de kwalificatiestructuur. Daarbij speelt mee de idee om stu-
     denten in de toekomst niet meer op het niveau van een specifieke opleiding te diplomeren,
     maar op het niveau van het zogeheten kwalificatiedossier. Een kwalificatiedossier bevat voor
     één opleiding of een aantal verwante opleidingen de omschrijving van datgene waarin een
     student competentie moet kunnen aantonen. Een tweede voorstel in het kader van vereen-
     22                                                                           Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>voudiging van de kwalificatiestructuur is om studenten na instroom in de opleiding langer dan
één cursusjaar te mogen inschrijven op een zogeheten opleidingsdomein. Zie het kader voor
een toelichting op de huidige stand van zaken rondom kwalificatiedossiers en domeinen.
De raad juicht het toe dat het voornemen in het Actieplan is de huidige kwalificatiedossiers
voor drie jaar vast te stellen. Dat geeft instellingen houvast en de gelegenheid de dossiers over
de gehele breedte van alle opleidingen in te voeren. Ook steunt de raad de inzet van het Actie-
plan om te komen tot verdere vereenvoudiging. De raad stelt wel vragen bij het voornemen
om de maximering van de inschrijvingsduur op opleidingsdomeinen los te laten. Daarnaast is
het van belang om ook bij een inzet op vereenvoudiging van de kwalificatiestructuur de aan-
sluiting op het beroepenveld in het oog te houden.
   Toelichting op de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs
   De kenniscentra bedrijfsleven beroepsonderwijs werken per beroepsopleiding of groep van oplei-
   dingen uit wat de student aan het einde van de rit moet kennen en kunnen. Dit wordt gebundeld in
   een kwalificatiedossier; de minister stelt de kwalificatiedossiers vast. Er zijn 237 dossiers.
   De kwalificatiedossiers gaan uit van ‘competenties’: combinaties van kennis, vaardigheden en hou-
   ding. Binnen één dossier kunnen meerdere opleidingen vallen, vaak ook van verschillend niveau. De
   instellingen diplomeren de studenten voor hun opleiding, dus op het niveau van het Crebo-nummer
   (Centrale registratie beroepsopleidingen). Er zijn 627 opleidingen. Voorbeelden zijn:
   • het kwalificatiedossier administratief medewerker bevat drie opleidingen op niveau 2: secretari-
       eel medewerker, telefonist/receptionist en bedrijfsadministratief medewerker;
   • het kwalificatiedossier binnenvaart omvat de opleiding tot zowel matroos (niveau 2) als schipper
       (niveau 3) en kapitein (niveau 4); en
   • het dossier brood en banket bestaat onder meer uit de opleiding banketbakker (niveau 2), all-
       round broodbakker (niveau 3) en patissier (niveau 4).28
   Met het wetsvoorstel tot invoering van de competentiegerichte kwalificatiestructuur wordt de syste-
   matiek van de kwalificatiedossiers, die het werken met de zogeheten eindtermen vervangt, definitief
   in de Wet educatie en beroepsonderwijs verankerd. 29
   Domeinen
   In het wetsvoorstel competentiegerichte kwalificatiestructuur is ook begrepen de invoering van de
   mogelijkheid om studenten in de beroepsopleidende leerweg die nog geen definitieve opleidings-
   keuze hebben gemaakt, gedurende het eerste jaar in te schrijven op een domein. Onder een domein
   wordt verstaan een samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van be-
   lang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken. De invoering van domeinen levert
   voor de instellingen een administratief voordeel op; voor studenten die nog niet precies weten welk
   beroep zij willen gaan uitoefenen, is het voordeel dat zij zich eerst beter kunnen oriënteren op de
   mogelijkheden.
   De MBO Raad en Colo hebben vooralsnog zestien domeinen benoemd, zoals: bouw & infra, media
   en vormgeving, economie en administratie, horeca en bakkerij, en zorg en welzijn.
Zet instellingen ertoe aan zorgvuldig om te gaan met de inschrijvingsduur op een opleidingsdomein
De raad ziet de voordelen van de mogelijkheid om studenten na instroom gedurende maxi-
maal één cursusjaar in te schrijven in een opleidingsdomein. Het stelt studenten in staat tot een
meer afgewogen studiekeuze, en voor de instellingen dringt het de administratieve last terug
28	Zie ook www.kwalificatiesmbo.nl.
29	Ministerie van Onderwijs, 2010.
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>die gepaard gaat met switchen. Het Actieplan stelt nu voor dat de (voorgenomen) maximale
inschrijvingsduur van één jaar in een domein, wordt losgelaten.
De raad realiseert zich dat daarmee de administratieve lasten die komen kijken bij het swit-
chen van opleiding, nog verder worden teruggedrongen. Instellingen krijgen bovendien meer
mogelijkheden tot een andere groepering en clustering van studenten, wat de kwaliteit van
het onderwijs – zeker in het geval van kleinschalig aanbod – ten goede kán komen. In deze zin
past het voorstel bij het belang dat de raad hecht aan ruimte voor instellingen en professionals.
Tegelijkertijd signaleert de raad dat spanning kan optreden met het opleiden voor een beroep,
indien studenten langer dan nodig op een opleidingsdomein staan ingeschreven en het aan-
geboden onderwijs nog niet uitgaat van een duidelijk gespecificeerd beroepsbeeld. Enerzijds
is het zaak dat instellingen ruimte krijgen om studenten die nog twijfelen over hun studiekeu-
ze aan het begin van hun opleiding in een domein te plaatsen. Anderzijds moet de opleiding
wel gericht zijn op en gerelateerd zijn aan een specifieke beroepspraktijk; dat bepaalt immers
ook de arbeidsmarktrelevantie van de opleiding.
Instellingen moeten daarom zorgvuldig omgaan met de inschrijvingsduur op een domein.
Het mogelijke administratieve en organisatorische voordeel moet daarbij worden afgewogen
tegen de herkenbaarheid en arbeidsmarktrelevantie van de opleiding die de student volgt. Het
draait daarbij om herkenbaarheid en relevantie voor de student en voor zijn ouders, maar ook
voor zijn mogelijke toekomstige werkgever.
De raad dringt erop aan bij de verdere uitwerking van dit voorstel de vraag te beantwoorden
hoe instellingen bij de inschrijving in een opleidingsdomein de noodzakelijke zorgvuldigheid
zullen betrachten, aangezien die zorgvuldigheid essentieel is om arbeidsmarktrelevantie te
borgen. In die beantwoording kan een relatie worden gelegd met de zorgplicht van instel-
lingen die nu al geldt ten aanzien van de arbeidsmarktrelevantie van het opleidingenaanbod
(artikel 6.1.3 WEB).
Voorkom verlies aan herkenbaarheid van beroepsopleidingen
Het Actieplan stelt dat de minister aan de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven opdracht
verstrekt om de kwalificatiestructuur te vereenvoudigen. De commissie-Oudeman heeft
gewezen op het belang van het terugbrengen van het aantal van 627 opleidingen. Met minder
opleidingen neemt volgens de commissie de complexiteit af en ontstaat een doelmatiger en
transparanter structuur. Het is bovendien nodig omdat grenzen tussen sectoren en beroepen
vervagen.30 De commissie-Hermans/Van Zijl stelt in het verlengde hiervan voor de diplomering
in het vervolg niet meer te koppelen aan het niveau van de opleiding, maar aan het niveau van
het kwalificatiedossier, waarbij dan wel op het diploma de uitstroom en het niveau worden
aangetekend. Dit heeft volgens deze commissie twee voordelen. Het beperkt ten eerste de
administratieve lasten van de instellingen. Ten tweede kunnen – zeker in combinatie met de
invoering van domeinen – de instellingen hun programma’s efficiënter programmeren. Onder-
delen van het programma kunnen in de praktijk dan immers eerder worden gecombineerd.31
De raad geeft in dit verband mee dat reductie van het aantal opleidingen en diploma’s geen
doel op zich is, maar een middel om te komen tot kwalitatief beter beroepsonderwijs dat com-
petitief is aan het algemeen vormend onderwijs. Het kan daarbij voorkomen dat, zoals de com-
30	Commissie Onderwijs en Besturing BVE, 2010.
31	Commissie-Hermans/Van Zijl, 2010.
24                                                                          Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>missie-Oudeman stelt, grenzen tussen beroepen en sectoren vervagen en dat dat aanleiding
kan vormen voor het samenvoegen, schrappen of clusteren van bepaalde opleidingen. De
raad waarschuwt hierbij echter wel voor een te generieke benadering. Een vergaande vereen-
voudiging van de kwalificatiestructuur zoals de commissie-Hermans/Van Zijl voorstaat – het
diplomeren op het niveau van een kwalificatiedossier in plaats van op het niveau van de oplei-
ding – vraagt naar het oordeel van de raad om stevig maatschappelijk draagvlak. De raad heeft
er in zijn advies Een diploma van waarde op gewezen dat commitment van het beroepenveld
aan opleidingen met daaraan verbonden een eigen formele verantwoordelijkheid in een vorm
van partnerschap, de waardering van diploma’s positief beïnvloedt.32 De raad dringt er dan
ook op aan in de opdracht aan de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven de herkenbaarheid
van opleidingen en versterking van het vertrouwen in de waarde van het mbo-diploma mee
te nemen.
32	Onderwijsraad, 2010.
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Opleiden voor vervolgonderwijs is een van de drie functies van het beroeps-
    onderwijs. De raad onderschrijft de voorstellen uit het Actieplan om de door-
    stroom in de beroepskolom te verbeteren. De raad acht het nodig vier ande-
    re elementen uit het Actieplan nader te beschouwen: het omzetten van de
    niveau 1-kwalificatie in entreekwalificatie (paragraaf 5.1), het tegengaan van
    studievertraging door wijziging van het bekostigingssysteem (paragraaf 5.2),
    het verkorten van de nominale opleidingsduur van niveau 4-opleidingen (pa-
    ragraaf 5.3) en het aangekondigde onderzoek naar selectieve doorstroom tus-
    sen middelbaar en hoger beroepsonderwijs (paragraaf 5.4).
5   Aanbeveling 2: koester de doorstroom­
    mogelijk­heden in de beroepskolom
5.1 Verduidelijk de positie, de bekostiging en het aanbod van de
    entree­opleidingen
    In het Actieplan wordt voorgesteld de niveau 1-opleidingen een eigen positie te geven binnen
    het bve-bestel. Ze worden aangeduid als entreeopleidingen en blijven toegankelijk voor leer-
    lingen zonder afgeronde vooropleiding. Er komt één macrobudget voor deze opleidingen. De
    instellingen mogen straks van studenten vanaf 18 jaar een leerprestatie eisen.
    Bij de raad leven vragen over dit voorstel, meer in het bijzonder over de status van de entree-
    opleidingen, over de financiering ervan en – in combinatie daarmee – over de regie op het aan-
    bod van deze voorzieningen in de regio (infrastructuur).
    Expliciteer de positie van de entreeopleidingen in het bestel
    De raad beveelt aan bij de uitwerking van het voorstel duidelijk aan te geven wat de positie en
    status is van de entreeopleidingen in het onderwijsbestel. Daarbij moet naar de mening van de
    raad in ieder geval worden ingegaan op:
    • de positie van de entreeopleidingen in de kwalificatiestructuur beroepsonderwijs, inclusief
        de wijze waarop mbo-instellingen verantwoording afleggen over de kwaliteit en examine-
         ring van deze opleidingen;
    • de vraag of en in hoeverre bekostigde mbo-instellingen worden verplicht entreeopleidin-
        gen aan te bieden en hoe zich dit verhoudt tot de mogelijkheid dat scholen met vmbo en
        scholen voor praktijkonderwijs niveau 1-opleidingen aanbieden;
    • de positie van de entreeopleidingen ten opzichte van de basisberoepsgerichte leerweg
         van het vmbo, het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs; bij voorkeur
    26                                                                         Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>          wordt daarbij ook ingegaan op de (mogelijke) relaties tussen entreeopleidingen enerzijds
          en concepten als de wijkschool en de werkschool anderzijds; en
    •    de relatie tussen deelname aan een entreeopleiding (inclusief de vereiste leerprestatie) en de
          kwalificatieplicht (Leerplichtwet) respectievelijk leer-werkplicht (Wet investeren in jongeren).
    Zorg voor een voldoende financieringsniveau van entreeopleidingen
    In het Actieplan wordt voorgesteld een maximum te stellen aan het macrobudget dat voor
    entreeopleidingen beschikbaar is. Dit baart de raad zorgen, mede gelet op het feit dat het
    voornemen is de drempelloze instroom in niveau 2 te schrappen. Dat leidt waarschijnlijk in eer-
    ste aanleg tot een toename van studenten in niveau 1-opleidingen. Dat, plus het feit dat voor
    de toegang tot niveau 2 jongeren zonder afgeronde vooropleiding afhankelijk zijn van niveau
    1-opleidingen, leidt ertoe dat de raad vraagtekens plaatst bij een budgettair maximum aan
    deelname aan niveau 1-opleidingen.
    Dat geldt temeer daar de jongeren die zijn aangewezen op entreeopleidingen, vaak problemen
    hebben op meerdere terreinen. Juist dan zijn een goede zorgstructuur, docenten met expertise
    op dit vlak en samenwerking met jeugdzorg en andere professionals van groot belang om uitval
    te voorkomen.33 De raad wil in dit verband aandacht vragen voor een mogelijke samenloop tus-
    sen een onverhoopt onvoldoende macrobudget voor entreeopleidingen en het beleidsvoor-
    nemen van het kabinet dat wordt aangeduid als ‘werken naar vermogen’.34 Het kabinet streeft
    naar één regeling die de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet werk en
    arbeidsondersteuning jonggehandicapten en de Wet sociale werkvoorziening hervormt. Het
    beleidsvoornemen is erop gericht dat gemeenten meer mensen kunnen laten participeren, en
    budgetten gerichter en effectiever kunnen inzetten en daarmee kosten kunnen besparen. Het
    risico van een mogelijke samenloop schuilt erin dat mogelijk op termijn onvoldoende relevante
    op- en toeleidingsplaatsen beschikbaar zijn voor jongeren die hierop aangewezen zijn, zeker in
    het geval zij aanvullende begeleiding/zorg nodig hebben. Dit kan een belemmering zijn voor
    het streven zo veel mogelijk jongeren een startkwalificatie te laten behalen.
    Zorg in elke regio voor een adequaat aanbod van entreeopleidingen
    De raad dringt erop aan dat in elke regio een adequaat aanbod van entreeopleidingen
    beschikbaar is en blijft. Daarbij is niet uitgesloten dat vanuit het oogpunt van doelmatigheid
    en toegankelijkheid enige mate van regie op het aanbod vanuit vmbo-scholen, scholen voor
    praktijkonderwijs en mbo-instellingen wenselijk zal zijn. Dit kan onderdeel zijn van het Uit-
    voeringsprogramma, waarin wordt voorgesteld instellingen te ondersteunen bij het maken
    van afspraken over een doelmatig en toegankelijk regionaal onderwijsaanbod. In de ogen van
    de raad moeten hierbij voor wat betreft het aanbod van entreeopleidingen dus ook vmbo-
    scholen en scholen voor praktijkonderwijs betrokken zijn.
5.2 Waak voor onbedoelde effecten bij bekostigingsprikkel op
    studievoortgang
    Om instellingen te prikkelen het onderwijs in het eerste opleidingsjaar te intensiveren en de
    studievoortgang te bevorderen, stelt het Actieplan voor het bekostigingssysteem aan te pas-
    sen: instellingen krijgen minder bekostigd naarmate een student langer ingeschreven staat.
    33	Onderwijsraad, 2010b.
    34	Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2011.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    De raad merkt op dat in het kader van de Heroverweging is gewezen op risico’s van het inbou-
    wen van dergelijke prikkels in het bekostigingssysteem.35 Een risico is bijvoorbeeld dat mbo-
    instellingen studenten op een verhoudingsgewijs te laag niveau inschrijven, zodat zij in ieder
    geval snel het examen halen. Een ander risico is dat instellingen gaan selecteren aan de poort
    en relatief zwakke studenten – die langer over de opleiding zullen doen – buiten de deur
    houden. Beide risico’s belemmeren volgens de raad extra doorstroom van studenten in de
    beroepskolom naar een zo hoog mogelijk niveau.
    De raad stelt voor om (voor het besluit tot invoering) het nodige onderzoek te verrichten naar
    onbedoelde effecten en hoe deze kunnen worden ondervangen.
5.3 Voorkom dat verkorting van de opleidingsduur de doorstroom beperkt
    In het Actieplan wordt voorgesteld de nominale opleidingsduur van de niveau 4-opleidingen
    in te korten van vier naar drie jaar. Volgens het Actieplan is het mogelijk dat dit niet gaat gelden
    voor opleidingen in de sector techniek.
    De raad wijst erop dat in het kader van de Heroverweging is gesteld dat niveau 4-opleidingen
    wellicht in 3,5 jaar geprogrammeerd zouden kunnen worden bij intensivering van het onder-
    wijs in diezelfde periode. Daarbij is ook gemeld dat geen empirisch materiaal beschikbaar is
    over de vraag in hoeverre het haalbaar is de mbo 4-opleiding in te korten. Dit dan in twee
    opzichten: of het haalbaar is voor alle studenten en of het inkorten van de opleidingen pro-
    grammatisch haalbaar is. Gewezen is bovendien op het belang van een zorgvuldige implemen-
    tatie via de weg van experimenteren, evalueren en daarna invoeren. De raad heeft mede in het
    licht van deze opmerkingen bedenkingen bij dit voorstel uit het Actieplan, en pleit dan ook
    voor een zorgvuldige invoering van dit voorstel.
    Zorg voor een zorgvuldige, evidence based invoering
    De raad ziet als mogelijk voordeel van een kortere nominale opleidingsduur van niveau
    4-opleidingen, dat de route vmbo-mbo-hbo korter wordt en daarmee aan aantrekkelijkheid
    wint ten opzichte van de havo-hbo-route. De raad signaleert dat in sommige branches mede
    tegen deze achtergrond niveau 4-opleidingen al zijn bekort. Er zijn verder al diverse good prac-
    tices ontwikkeld, zoals het Groene Lyceum. De raad acht echter de datum 1 januari 2013 zoals
    het Actieplan voorstelt, te snel voor een generieke invoering over het hele spectrum van álle
    niveau 4-opleidingen. De raad pleit ervoor instellingen en opleidingen eerst in de gelegen-
    heid te stellen na te gaan voor welke opleidingen het onder welke voorwaarden mogelijk is de
    opleidingsduur te bekorten. Parallel daaraan kan ook ruimte worden geschapen voor adequa-
    te en tijdige informatie over dit voorstel aan potentiële mbo-studenten.
    De raad signaleert verder dat de beroepspraktijkvorming bij de niveau 4-opleidingen meestal
    is gesitueerd in het laatste opleidingsjaar. Niet uitgesloten is dan ook dat een inkorting tot
    drie jaar ertoe leidt dat de beroepspraktijkvorming binnen de niveau 4-opleidingen aanzienlijk
    wordt beperkt en dat deze opleidingen daarmee inboeten aan aansluiting op de beroepsprak-
    tijk. Minstens een deel van de praktijkgerelateerde opleiding zal dan in de eerste baan van de
    afgestudeerde mbo’er gaan plaatsvinden. De raad acht dit onwenselijk.
    35	Ministerie van Financiën, 2010.
    28                                                                             Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>5.4 Behoud de generieke doorstroommogelijkheid van middelbaar naar hoger
    beroepsonderwijs
    Net als in het regeerakkoord wordt in het Actieplan gesteld dat bij selectieve doorstroom van
    middelbaar naar hoger beroepsonderwijs, de examinering van de kernvakken wordt betrokken.
    De raad vat deze passage zo op dat extra instroomeisen gaan gelden voor studenten die met
    een mbo-kwalificatie op niveau 4 willen doorstromen naar een niet-verwante hbo-opleiding.
    Zoals beargumenteerd in zijn advies De weg naar de hogeschool meent de raad dat het rende-
    ment van hbo-opleidingen beter kan.36 Daarvoor is beleid nodig voor de instroom uit zowel het
    mbo als het havo. Er is daarbij volgens de raad onvoldoende grond om het algemeen instroom-
    recht voor mbo’ers te amenderen, in het licht van het algemeen belang van dit instroomrecht.
    Het verschil in uitval tussen mbo’ers en havo’ers is betrekkelijk klein en er is verder onvoldoende
    empirisch bewijs over verschillen in het rendement tussen doorstroom naar verwante secto-
    ren en doorstroom naar niet-verwante sectoren. Daarbij creëert de werking van de selectie-
    ve hbo-propedeuse een evenwicht tussen het belang van het opleiden van kwalitatief goede
    beroepsbeoefenaren enerzijds en het belang van een algemeen instroomrecht anderzijds. De
    raad meent het algemene instroomrecht mede te kunnen behouden vanuit de wetenschap dat
    ingezet beleid in de nabije toekomst de kwaliteit van de instroom zal verhogen.
    Neem doorstroomeisen op in het kwalificatiedossier
    De raad heeft in De weg naar de hogeschool aangegeven dat voor versterking van de door-
    stroom mbo-hbo het vooral van belang is ingezet beleid (onder andere referentieniveaus, lan-
    delijke examens) vast te houden. Daarnaast beveelt de raad aan in de kwalificatiedossiers van
    de niveau 4-opleidingen ook de vereisten op te nemen voor hbo-doorstroom (die zowel voor
    mbo’ers als voor havo’ers van belang zijn). Op dit moment bevatten deze nog enkel de arbeids-
    marktkwalificatie. Ook heeft de raad in genoemd advies gewezen op diverse andere mogelijk-
    heden om de doorstroom mbo-hbo te stimuleren, waaronder het bevorderen van een actieve
    opstelling van mbo-opleidingen in de richting van het hbo.
    36	Onderwijsraad, 2009a.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    De bve-sector omvat middelbaar beroepsonderwijs en educatie; zowel in het
    middelbaar beroepsonderwijs als in educatie wordt publiek bekostigd onder-
    wijs verzorgd voor volwassenen. De raad pleit voor een langetermijnvisie op
    het bve-onderwijs aan volwassenen (paragraaf 6.1). Bovendien roept de raad
    op om het plan het vavo-aanbod voor dertigplussers te schrappen, nog-
    maals te overdenken (paragraaf 6.2) en om het publiek bekostigd middelbaar
    beroepsonderwijs open te houden voor volwassenen zonder startkwalificatie
    (paragraaf 6.3).
6   Aanbeveling 3: formuleer een toekomst­
    perspectief op onderwijs aan volwassenen
6.1 Bepaal een langetermijnvisie op volwassenenonderwijs
    Het Actieplan bevat het voornemen om gedurende deze kabinetsperiode de zogeheten ‘oor-
    merking’37 van educatiemiddelen die via de gemeenten naar de roc’s gaan, te handhaven.
    Langetermijnvisie kan roc’s overtuigen te blijven investeren in educatie
    De raad twijfelt eraan of het voorstel uit het Actieplan voldoende is roc’s ervan te overtuigen
    om te blijven investeren in de nog resterende infrastructuur van educatie. Immers, het voorstel
    uit het Actieplan houdt in dat ná deze kabinetsperiode in beginsel uitbreiding van marktwer-
    king mogelijk is, hetgeen zou kunnen inhouden dat de nog bestaande voorzieningen op ter-
    mijn alsnog moeten worden afgebouwd. De raad acht het wenselijk dat, gelet op de opdracht
    aan roc’s in de WEB, nog gedurende deze kabinetsperiode een langetermijnvisie wordt gefor-
    muleerd over de positie van educatie in het bestel. Dit geeft instellingen meer houvast en daar-
    mee mogelijkheden om dit deel van de infrastructuur van het bve-bestel te behouden.
    Breid de visie uit tot het publiek onderwijs aan volwassenen in de bve-sector
    Een langetermijnvisie sluit ook aan op wat de raad heeft geadviseerd in zijn advies Middelbaar
    en hoger onderwijs voor volwassenen. Uitgangspunt daarbij is dat goed initieel onderwijs de
    basis is voor een kennissamenleving: alles wat jongeren in het initieel onderwijs leren, hoeft
    later niet meer geleerd te worden.38 Maar niet iedereen is op jonge leeftijd in staat het initi-
    eel onderwijs af te maken op het maximaal haalbare niveau. De raad stelt in het genoemde
    advies voor dat het ministerie onnodige belemmeringen moet wegnemen voor een leven lang
    37	Zie voor een toelichting op oormerken ook bijlage 2; Onderwijsraad, 2009b.
    38	Onderwijsraad, 2009b.
    30                                                                            Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    leren, zodat de vier basisfuncties die de raad toekent aan volwassenenonderwijs vervuld kun-
    nen worden:
    • reparatie: wie geen opleiding heeft gevolgd op jonge leeftijd, moet dat later kunnen
         inhalen;
    • wisseling in loopbaan: wie er pas op latere leeftijd achter komt dat hij iets anders wil doen
         of talenten ontdekt, moet een opleiding kunnen volgen om een switch te maken;
    • bij de tijd blijven en vooruitkomen in de samenleving: volwassenen moeten hun kennis en
         competenties actueel kunnen houden om zo hun arbeidsmarktpositie op peil te houden
         en te werken aan verbetering van hun positie; en
    • sociaal-culturele en persoonlijke functie: mensen leren niet alleen voor hun arbeidsloop-
         baan, maar ook om zich in algemene zin te blijven ontwikkelen.
    De raad pleit ervoor de langetermijnvisie niet te beperken tot educatie, maar in meer alge-
    mene zin de koers te verduidelijken die de overheid op langere termijn voert voor het publiek
    bekostigd bve-onderwijs aan volwassenen, waaronder basiseducatie, het voortgezet alge-
    meen volwassenenonderwijs en het onderwijs aan dertigplussers in mbo-opleidingen.
6.2 Overdenk nogmaals het schrappen van vavo voor dertigplussers
    De raad onderschrijft het voorstel uit het Actieplan de vavo-gelden te centraliseren naar het
    Rijk en aansluitend uit te keren aan de roc’s. Niet bij alle roc’s zijn anno 2011 nog vavo-voor-
    zieningen aanwezig; er zijn verschillen in volume en positionering ten opzichte van zowel het
    voortgezet onderwijs als het beroepsonderwijs. De raad gaat ervan uit dat de toekomstige
    bekostiging van het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs deze verschillen respecteert.
    Voorts vraagt de raad zich af waarom de publieke bekostiging van het voortgezet algemeen
    volwassenenonderwijs voor dertigplussers wordt geschrapt. Het leidt ertoe dat er een extra
    hindernis komt op de weg naar het hoger onderwijs voor mensen zonder een vo-diploma
    (voortgezet onderwijs) die op latere leeftijd nog een kans nodig hebben. De raad beveelt aan
    dit element van het voorstel nogmaals te overdenken.
6.3 Houd publiek onderwijs open voor volwassenen zonder startkwalificatie
    In het Actieplan wordt voorgesteld het publiek bekostigd middelbaar beroepsonderwijs voor
    studenten van dertig jaar en ouder te schrappen, zowel voor de beroepsopleidende als voor de
    beroepsbegeleidende leerweg. Inmiddels is dit onderdeel van het plan in overleg met het bve-
    veld gewijzigd; de minister heeft de wijziging toegelicht in een brief aan de Tweede Kamer.39
       Aantal studenten in het middelbaar beroepsonderwijs van dertig jaar en ouder
       Volgens het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) telt het middelbaar beroepsonderwijs in het
       schooljaar 2009-2010 zo’n 524.000 studenten. Meer dan de helft daarvan, 58%, bestaat uit studenten
       van jonger dan twintig jaar. Nog eens 30% van de studenten is tussen de twintig en dertig jaar oud.
       12% van de studenten – dat zijn er 61.795 in totaal – is dertig jaar of ouder. Het overgrote deel van
       de dertigplussers – 89%, zo’n 55.000 studenten - volgt een opleiding in de beroepsbegeleidende
       leerweg.
    39	Ministerie van Onderwijs, 2011b.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>De minister stelt in het bijgestelde voorstel voor de publieke bekostiging voor mbo-studenten
van dertig jaar en ouder voor, de beroepsbegeleidende leerweg grotendeels te handhaven.
Deze onderwijsprogramma’s worden beperkt tot maximaal twee jaar, omdat aangenomen
mag worden dat deze studenten – door de opgedane werkervaring – sneller door de lesstof
kunnen. De burgerschapsonderdelen uit het kwalificatiedossier vervallen. Van de studenten
en hun werkgevers wordt een hogere financiële bijdrage gevraagd; dit is overeenkomstig het
regeerakkoord.
De raad treedt niet in de discussie over keuzen ten aanzien van financiële ombuigingen
en intensiveringen. De raad stelt wel de vraag waarom de publieke bekostiging voor mbo-
opleidingen van dertigplussers wordt teruggedrongen, terwijl dit niet gebeurt voor publie-
ke bekostiging van hoger onderwijs voor dezelfde leeftijdscategorie. Vanuit het oogpunt van
consistent onderwijsbeleid lijkt dat niet logisch.
De raad vraagt zich daarnaast af wat een hogere eigen bijdrage voor die dertigplussers die nog
niet beschikken over een startkwalificatie, betekent voor de toegankelijkheid van deze voorzie-
ningen voor deze categorie potentiële mbo-studenten.
32                                                                         Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>    Mbo-instellingen werken zichtbaar aan de kwaliteit van hun onderwijs.40 Om
    de kwaliteit verder te verbeteren stelt de raad voor om systematisch op-
    brengstgericht werken in de instellingen te stimuleren (paragraaf 7.1). Daarbij
    is het wenselijk instellingen en leraren houvast te geven. Er zijn al leerstan-
    daarden voor de doorstroomrelevante vakken Nederlands en rekenen/wiskun-
    de en ook voor Engels komen er centrale mbo-examens. Verkend zou moeten
    worden of het mogelijk is dergelijke richtpunten voor andere vakgebieden op
    te stellen (paragraaf 7.2). Ook verdient het aanbeveling na te gaan hoe examens
    voor beroepsgerichte vakken zijn te normeren en equivaleren (paragraaf 7.3).
7   Aanbeveling 4: zet in op opbrengstgericht
    werken
7.1 Stimuleer opbrengstgericht werken in de instellingen
    Het Actieplan stelt voor dat instellingen worden verplicht mee te doen aan een landelijke
    benchmark van uitkomsten van tevredenheidsonderzoek onder studenten, medewerkers en
    bedrijfsleven. Dit voorstel sluit aan bij een waarneming van de Inspectie dat veel instellingen
    al werken met tevredenheidsindicatoren.41 Uit het inspectieonderzoek blijkt bovendien dat de
    interne doorwerking van de informatie uit dergelijke monitoringssystemen beter kan. Volgens
    de Inspectie wordt in de instellingen nog te weinig gewerkt met normen en concrete doelen
    voor te behalen leerprestaties en de kwaliteit van het onderwijsproces en examens. Informatie
    over de te behalen resultaten wordt nog niet systematisch verzameld. Informatie die er wel is,
    is vaak nog niet op teamniveau beschikbaar, waardoor teams en docenten nog niet toekomen
    aan een cyclische manier van werken die opbrengstgericht is.
    In het beroepsonderwijs kan opbrengstgericht werken volgens de raad op een hoger plan wor-
    den gebracht. Het houdt in dat de vorderingen van studenten systematisch worden gevolgd
    en dat het onderwijsprogramma op grond daarvan in een cyclisch proces waar nodig wordt
    bijgesteld. Het betekent dat er beter zicht moet zijn op de vorderingen van studenten én het
    onderwijsproces zelf: de interactie tussen docent en student.
    Maak opbrengstgericht werken tot een centraal thema in het uitvoeringsprogramma
    De raad denkt dat er kansen zijn om de kwaliteit van het beroepsonderwijs te verbeteren door
    opbrengstgericht werken te stimuleren. In het Uitvoeringsprogramma kan dit een belang-
    40	Inspectie van het Onderwijs, 2010b; Inspectie van het Onderwijs, 2010c.
    41	Inspectie van het Onderwijs, 2010a.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>    rijk thema zijn. Daaronder wordt dan niet alleen verstaan opbrengstgericht werken ten aan-
    zien van doorstroomrelevante vakken, maar ook ten aanzien van andere vakgebieden én de
    beroepspraktijkvorming. In het verlengde daarvan stelt de raad voor te onderzoeken of het
    mogelijk is om naast het invoeren van centrale examens voor doorstroomrelevante vakken,
    periodieke peilingen te houden van leerprestaties van mbo-studenten over de gehele breedte
    van het mbo-onderwijsprogramma, inclusief beroepspraktijkvorming.
    Onderzoek de koppeling van tevredenheid van het bedrijfsleven aan het bekostigingssysteem
    Overigens wil de raad erop wijzen dat het realiseren van een effectieve koppeling van tevre-
    denheidsindicatoren aan een bekostigingssysteem – zoals nu wordt voorgesteld voor de tevre-
    denheid van het bedrijfsleven – nauw luistert. Een dergelijke koppeling kan de afstemming van
    het beroepsonderwijs op het beroepenveld (de afnemers) en daarmee de resultaatgerichtheid
    van het stelsel stimuleren, een lijn die de raad onderschrijft. Tegelijkertijd is aan monitorinfor-
    matie een belangrijke interne leerfunctie verbonden, die het tevens beoogde opbrengstge-
    richte, cyclisch werken in instellingen moet schragen. Het gebruik van indicatoren die bijvoor-
    beeld te weinig valide zijn (niet of niet afdoende meten wat beoogd wordt) en/of niet op de
    juiste wijze gekoppeld zijn aan bekostigingsparameters, kan deze leerfunctie ondergraven. 42
    Een te strakke koppeling van tevredenheid van het bedrijfsleven aan bekostiging kan boven-
    dien een te eenzijdig accent leggen op opleiden voor een beroep, en daarmee de andere twee
    kwalificatieopdrachten van het beroepsonderwijs (opleiden voor vervolgonderwijs en voor-
    bereiden op maatschappelijk functioneren) enigszins in de schaduw plaatsen. De wijze waar-
    op tevredenheid van het bedrijfsleven meetbaar wordt gemaakt en wordt gekoppeld aan het
    bekostigingssysteem, verdient volgens de raad – alvorens tot invoering over te gaan – een
    experiment om de werking en het nut ervan na te gaan.
7.2 Verken de mogelijkheid van gemeenschappelijke kennisbases
    Uit onderzoek blijkt dat onderwijs beter wordt als de onderwijsprogramma’s regelmatig wor-
    den onderhouden en herzien en als doelen worden gesteld, want scholen en vooral leraren
    hebben houvast nodig.43 In het beroepsonderwijs worden net als in andere onderwijssectoren
    doelen gesteld als het gaat om het werken met referentieniveaus voor taal en rekenen. Instel-
    lingen moeten deze referentieniveaus toepassen voor alle studenten die dit schooljaar met
    hun opleiding zijn begonnen. De studenten van de niveau 4-opleidingen worden met ingang
    van het schooljaar 2013-2014 centraal geëxamineerd op hun taal- en rekenniveau; de studenten
    van de niveau 2- en 3-opleidingen volgen een jaar later. Het voorstel in het Actieplan is deze
    beleidslijn voort te zetten naar moderne vreemde talen in het middelbaar beroepsonderwijs,
    in het bijzonder Engels.
    De raad onderschrijft het hanteren van leerstandaarden voor de doorstroomrelevante vak-
    ken Nederlands en rekenen/wiskunde en de komst van centrale examens voor Engels. Studen-
    ten doen daarmee kennis en vaardigheden op die van groot belang zijn in de beroepspraktijk,
    voor een vervolgstudie en voor participatie in de samenleving. De raad vindt het echter ook
    het overwegen waard om te bezien of voor clusters van vakken die – over de diversiteit aan
    beroepsopleidingen heen – een gemeenschappelijke kern kan worden geformuleerd, zoals
    bijvoorbeeld de natuurwetenschappelijke vakken (natuur- en scheikunde, biologie) en de
    sociaalculturele vakken (waaronder geschiedenis, economie).
    42	Vlaamse Onderwijsraad, 2008.
    43	Barber, Chijoke & Mourshed, 2011; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010.
    34                                                                                                 Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    Het hanteren van een gemeenschappelijke kern laat de huidige indeling van kwalificatie-
    dossiers overigens onverlet: ook gegeven de huidige dossiers kan volgens de raad bekeken
    worden of dossieroverstijgend normstellende, gemeenschappelijke kernen van vakgebieden
    kunnen worden beschreven. Deze verkenning kan worden verricht met betrokkenheid van
    actoren die nu betrokken zijn bij de kwalificatiedossiers, dus de kenniscentra en/of de nieuwe
    Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven in oprichting.
7.3 Borg de kwaliteit van examens
    De raad onderschrijft het voorstel uit het Actieplan om kwaliteitsverbetering van mbo-exa-
    mens in het algemeen voort te zetten. Het voorstel om te komen tot een landelijk kwaliteits-
    keurmerk voor de examens in de beroepsgerichte vakken, nader uit te werken door het College
    van Examens, wordt door de raad gezien als een stap in de goede richting.
    Verken mogelijkheid voor normering en equivalering voor beroepsgerichte vakken
    In zijn advies Een diploma van waarde heeft de raad gesignaleerd dat er bij docenten van ver-
    volgopleidingen en werkgevers zorgen bestaan over het kennis- en vaardighedenniveau van
    afgestudeerde mbo’ers.44 Om het vertrouwen te vergroten moet om te beginnen de inbreng
    van objectieve elementen in de beoordeling worden versterkt. Invoering van een kwaliteits-
    keurmerk zoals wordt voorgesteld in het Actieplan kan het vertrouwen van belanghebbenden
    in de waarde van het mbo-diploma vergroten. Via een keurmerk kan de kwaliteit van de exa-
    mens meer worden geborgd. Hierbij is echter het niveau over de jaren en over de diverse oplei-
    dingen heen nog niet geborgd; dit is wel een belangrijke factor die de waarde van een diplo-
    ma bepaalt. Om tot deze borging te komen is een systeem van normering en equivalering
    noodzakelijk.
    Het is niet eenvoudig om een dergelijk systeem te ontwikkelen. De raad beveelt echter aan te
    onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de normering en equivalering in het beroeps-
    onderwijs vorm te geven, óók voor de beroepsgerelateerde onderdelen. Hierbij zou de aan-
    dacht uit moeten gaan naar zowel de inhoudelijke aspecten van een dergelijk systeem als naar
    uitvoerbaarheidsaspecten.
    Verstrek belanghebbenden informatie over het bereikte niveau
    De raad heeft er in het genoemde advies ook voor gepleit duidelijker, objectiever informatie
    te verstrekken aan belanghebbenden (student, vervolgonderwijs, werkgever) over het in de
    mbo-opleiding bereikte niveau. In het middelbaar beroepsonderwijs bestaat hiervoor geen
    afdoende regeling. Voorgesteld wordt het College voor Examens hierin een rol te geven.
    Scherp de rol van examencommissies aan als het gaat om evc
    De raad beveelt verder aan de wettelijke rol van examencommissies in het beroepsonderwijs
    aan te scherpen ten aanzien van ervaringscertificaten. Het verlenen van vrijstellingen op grond
    van evc (erkenning van verworven competenties) is van een andere orde dan het verlenen van
    vrijstellingen op grond van genoten opleidingen of opleidingsonderdelen. De raad adviseert
    nader onderzoek naar de wenselijkheid om in de wettelijke taakomschrijving richtlijnen op te
    nemen voor de wijze waarop de examencommissie in dit soort specifieke gevallen dient op te
    treden.
    44	Onderwijraad, 2010a.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>     De voorstellen uit het Actieplan zijn ambitieus. De raad is van mening dat het
     invoeringsproces kan worden bespoedigd door instellingen inzicht te geven
     in een meer uitgewerkte kalender van wet- en regelgeving (paragraaf 8.1). Be-
     langrijk is verder dat instellingen de tijd krijgen om na invoering het geheel aan
     voorstellen in hun organisaties een plek te geven. Het Uitvoeringsprogramma
     is nodig; het moet in termen van taken en verantwoordelijkheden een duide-
     lijke plaats krijgen en aansluiten bij het zelfregulerend vermogen van de sec-
     tor, de instellingen en de professionals (paragraaf 8.2). Het beoogde regionale
     overleg over het opleidingenaanbod kan de doelmatigheid van het aanbod
     aan beroepsonderwijs versterken (paragraaf 8.3).
8    Aanbeveling 5: zorg voor een realistische
     invoering
8.1  Werk de kalender van wet- en regelgeving verder uit
     Uit juridisch onderzoek is bekend dat het gemiddeld zo’n achttien maanden duurt voordat een
     beleidsvoorstel door middel van wet- en regelgeving is ingevoerd. 45 In het Actieplan wordt
     aangekondigd dat het eerste pakket wetgeving (dat betrekking heeft op het aangepaste voor-
     stel het publiek bekostigd onderwijs aan dertigplussers te beperken) in werking zal treden per
     1 augustus 2012. Dat is zo’n vijftien maanden na een eerste bespreking van het Actieplan in
     de Tweede Kamer. Beoogd wordt het tweede pakket, over de bekostiging, het verkorten van
     opleidingen en het afschaffen van de drempelloze instroom, in te voeren per 1 januari 2013. Dit
     is twintig maanden na eerste bespreking. De raad acht deze termijnen ambitieus, maar kort.
     Het bestuurlijk vermogen van instellingen verschilt. Van de instellingen wordt de komende tijd
     gevraagd hun organisatorisch vermogen te vergroten. Dat zal de nodige inspanning vergen.
     Daar staat tegenover dat het Actieplan een veelheid aan voorstellen omvat die de instellingen
    – ook zij die werken aan hun bestuurlijk vermogen – in een relatief korte tijd moeten verwerken
     in eigen beleid en organisatie. De raad vraagt dan ook aandacht voor de tijd die instellingen
     nodig zullen hebben om zich aan te passen aan de wet- en regelgeving.
     De raad geeft aan dat het tegen die achtergrond goed zou zijn als de wetgevingskalender nu
     al voor de instellingen verder wordt uitgewerkt in een gedetailleerder versie. De voorstellen
     45	Voermans & Wijk, 2010.
     36                                                                          Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    omvatten immers naar verwachting niet alleen wijziging van wetgeving, maar ook van daar-
    aan gerelateerde regelgeving. Geef instellingen via een uitgewerkter overzicht meer informa-
    tie over de compartimentering van de verschillende elementen van de voorstellen en beoogde
    inwerkingtreding. Dat zal het invoeringsproces naar verwachting vergemakkelijken.
8.2 Geef het Uitvoeringsprogramma een duidelijke positie
    Het Actieplan kondigt aan dat er een Uitvoeringsprogramma komt om de instellingen te
    ondersteunen. In lijn met het voorgaande ondersteunt de raad dit voorstel. Wel is het zaak
    dat de taakverdeling tussen overheid, uitvoeringsprogramma en intermediaire organisaties
    als de MBO Raad en de AOC Raad, helder wordt uitgewerkt. 46 Wie gaat welke taken vervul-
    len en zijn deze taken en verantwoordelijkheden helder omschreven? De raad vraagt daarbij
    aandacht voor een heldere afbakening van verantwoordelijkheden tussen de minister en het
    Uitvoeringsprogramma.
    De raad adviseert dat bij de uitvoering van het Actieplan een beroep wordt gedaan op het
    zelfregulerend vermogen van de sector. In een aantal opzichten is het beroepsonderwijs voor
    wat betreft zelfregulering – bijvoorbeeld ten aanzien van benchmarking en het professioneel
    statuut – andere onderwijssectoren vooruit. Het maken van prestatieafspraken kan het zelf-
    regulerend en lerend vermogen versterken. Daarbij moet dan wel helder zijn met wie de instel-
    lingen deze afspraken maken en wat de consequenties zijn indien deze onverhoopt niet wor-
    den nagekomen. Gewaakt moet worden voor een proces waarbij prestatieafspraken afbreuk
    doen aan het zelfregulerend vermogen, omdat het accent te zeer ligt op (financieel) afrekenen
    en te weinig op het inhoudelijk verantwoorden van de beoogde kwaliteitsverbetering van het
    beroepsonderwijs.
8.3 Kom tot een doelmatig opleidingenaanbod in de regio
    De raad onderschrijft het Actieplan daar waar het voorstelt werk te maken van een doelmatig
    aanbod aan opleidingen op regionaal niveau. Als in goed overleg met de instellingen een goe-
    de spreiding van opleidingen kan worden bereikt in combinatie met een heldere regionale
    profilering van onderwijsinstellingen, dan is hiermee efficiencywinst te boeken. Daarmee kun-
    nen kleinere opleidingen bestaansrecht houden. De raad pleit ervoor dit onderdeel van het
    Actieplan een stevige plaats te geven in het Uitvoeringsprogramma.
    De raad ziet daarbij twee aandachtspunten.
    • De raad heeft eerder in dit advies aangegeven dat bij de regionale afspraken ook de vmbo-
         scholen en scholen voor praktijkonderwijs dienen te worden betrokken. Volgens de raad
         is dit wenselijk omdat hun betrokkenheid de organiseerbaarheid en toegankelijkheid van
         met name het aanbod van niveau 1- en 2-opleidingen in de regio kan vergroten en borgen.
    • De raad adviseert in het overleg over het opleidingenaanbod in de regio een relatie te leg-
         gen met de bestaande zorgplicht van instellingen om te komen tot een arbeidsmarktrele-
         vant aanbod (artikel 6.1.3 WEB). Uit recent Inspectieonderzoek is naar voren gekomen dat
         instellingen dit niet altijd doen omdat zij hun aanbod baseren op signalen uit het overleg
         met regionale werkgevers en hun organisaties en op signalen vanuit het toeleverend onder-
    46	Onderwijsraad, 2008.
    Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    wijs over een groeiende vraag bij leerlingen. Het reële arbeidsmarktperspectief wordt uit
    het oog verloren. Daar komt volgens de Inspectie nog bij dat de instellingen de studenten
    niet altijd informeren over de arbeidsmarktrelevantie van de opleiding die zij willen gaan
    volgen. De raad ziet mogelijkheden om hierin stappen te zetten door een relatie te leggen
    tussen het voorgestelde regionale overleg over doelmatigheid en de genoemde zorgplicht.
    De bedoeling is dat de instellingen hun oordeel over de arbeidsmarktrelevantie baseren op
    openbare bronnen op dit terrein.47 In de uitwerking van dit deel van het Actieplan en het
    Uitvoeringsprogramma kan worden meegenomen dat de desbetreffende openbare bron-
    nen de informatie bevatten die in het beoogde regionale overleg wordt vastgesteld. Dit
    stimuleert álle instellingen mee te doen aan de versterking van de doelmatigheid van het
    opleidingenaanbod in de regio.
47	Ministerie van Financiën, 2006.
38                                                                        Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Afkortingen
ad		 associate degree
aoc		 agrarisch opleidingen centrum
bbl		 beroepsbegeleidende leerweg
bol		 beroepsopleidende leerweg
bpv		beroepspraktijkvorming
bve		 beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
CBS		 Centraal Bureau voor de Statistiek
Crebo		 Centraal register beroepsopleidingen
evc		 erkenning van verworven competenties
hbo		 hoger beroepsonderwijs
mbo		 middelbaar beroepsonderwijs
OCW		 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
roc		 regionaal opleidingencentrum
vavo		 voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
vm2		 experimenten vmbo-mbo niveau 2
vmbo		 voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vo		 voortgezet onderwijs
WEB		 Wet educatie en beroepsonderwijs
WOT		 Wet op het onderwijstoezicht
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Literatuur
Barber, M., Chijoke, C. & Mourshed, M. (2011). How the world’s most improved school systems keep
    getting better. Z.p.: McKinsey.
Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen (2008). Tijd voor onderwijs. Den
    Haag: Sdu.
Detmar, B. & Vries, I.E.M. de (2009). Beroepspraktijkvorming in het mbo. Den Haag: VNO-NCW/
    MKB Nederland.
Inspectie van het Onderwijs (2009). Aan het werk. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2010a). Besturing en onderwijskwaliteit in het mbo. Utrecht:
    Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2010b). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2008/2009.
    Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2010c). Examenverslag MBO 2009. Utrecht: Inspectie van het
    Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2010d). Zorgplicht arbeidsmarktperspectief bij mbo-instellingen.
    Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (2010). JOB Monitor. Amsterdam: Jongeren Organisatie
    Beroepsonderwijs.
Koole, H. (2010a). Begeleiden van leren in de praktijk. Haarlem: Bruggenbouwer onderwijs.
Koole, H. (2010b). Prikkelen tot meer en beter. Haarlem: Bruggenbouwer onderwijs.
MBO-raad e.a. (2010). Input relatie mbo-bedrijfsleven. Brief van Mbo-raad e.a. aan Commissie-
    Smit, 8 februari 2010.
MBO Raad (2009). Zakelijke afspraak of aanbestedingscircus. De Bilt/Zoetermeer: MBO Raad.
MBO Raad (2010). Meer kwaliteit, minder bureaucratie, sterker beroepsonderwijs. Woerden: MBO
    Raad.
Ministerie van Financiën (2010). Rapport brede heroverwegingen. Productiviteit onderwijs. Kamer-
    stukken II, 2009-2010, 32359, nr. 1, bijlage werkgroep 6.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Onderwijs (2010). De urennorm voor begeleidende uren in
    de BBL. Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Voorzit-
    ter van de Tweede Kamer, 20 mei 2010. Kamerstukken II, 31524, 65.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011a). Actieplan mbo ‘Focus op vakmanschap
    2011-2015’. Brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Voor-
    zitter van de Tweede Kamer, 16 februari 2011. Kamerstukken II, 2010-2011, 31524, 88.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011b). Brief over aangepast voorstel 30+. Brief
    van Minister en Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Voor­
    zitter van de Tweede Kamer, 11 maart 2011. Kamerstukken II, 2010-2011, 31524, 89.
Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (2010). Kerncijfers 2005-2009. Den Haag.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2011). Brief inzake stand van zaken ‘Werken
    naar vermogen’. Brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan
    de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 27 januari 2011. Kamerstukken II,
    2010-2011, 29544, 277.
Nedermeijer, J., Groot, K. & e.a. (2010). Versterken van partnerschap beroepsonderwijs en bedrijfs-
    leven via de begeleiding op de werkplek. Leiden: ICLON.
Onderwijsraad (2007). Veelzeggende instrumenten van onderwijsbeleid. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2008). Richtpunten bij onderwijsagenda’s. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009a). De weg naar de hogeschool. Den Haag: Onderwijsraad.
40                                                                          Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Onderwijsraad (2009b). Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009c). Ontwikkelingsrichtingen voor het middelbaar beroepsonderwijs. Den
     Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010a). Een diploma van waarde. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010b). De school en leerlingen met gedragsproblemen. Den Haag: Onderwijsraad.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2007). Thematic review of ter-
     tiary education, The Netherlands. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and
     Development.
Organisation for Economic Coordination and Development (2010). PISA 2009 Results: What Stu-
     dens Know and Can Do - Student Performance in Reading, Mathematics and Science (Volume
    1). Parijs: OECD.
Scheerens, J. (2007). Review and Meta-analysis of School and Teaching Effectiveness. Enschede:
     Universiteit Twente.
Scheerens, J., Luyten, H. & Ravens, J. van (2011). Visies op onderwijskwaliteit met illustratieve gege-
     vens over de kwaliteit van het nederlandse primair en secundair onderwijs.
Schoonhoven, R. van (2010a). Ruimte, regels en beroepsonderwijs. Amsterdam: SWP publishers.
Schoonhoven, R. van (2010b). Tussen tafellaken en servet? Rotterdam: Nederlandse Verening
     voor Onderwijsrecht.
Visser, K., Westerhuis, A. & Hövels, B. (2009). De positie van het middelbaar beroepsonderwijs in het
     buitenland. ‘s-Hertogenbosch/Nijmegen: ECBO/KBA.
Vlaamse Onderwijsraad (2008). Publieke informatie over scholen - een verkenning. Antwerpen/
    Apeldoorn: Garant.
Voermans, W.J.M. & Wijk, R. van (2010, 29 september). Nieuwe wet maken? Kijk eerst naar de
     kosten. Trouw.
Vrijheid en verantwoordelijkheid (2010). Regeerakkoord VVD-CDA. Geraadpleegd op 14 april
     2011 via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/30/
     regeerakkoord-vvd-cda.html.
Wieringen, A.M.L. van (1996). Onderwijsbeleid in Nederland. Alphen aan den Rijn: Samsom HD
     Tjeenk Willink.
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde organisaties
De volgende organisaties hebben op verzoek van de raad gereageerd en hun reactie op het
Actieplan Focus op vakmanschap aan de raad beschikbaar gesteld:
Algemene Onderwijsbond
Boaborea
Calibris
CNV
COLO
Ecabo
FNV
HBO Raad
Jongerenorganisatie beroepsonderwijs (JOB)
Kenniscentrum PMLF
Kenniscentrum SH&M
Kenniscentrum SVGB
Kenwerk
MBO Raad
NRTO (voorheen: Paepon)
Stichting Platforms vmbo
UNIE NFTO (CMHF/MHP)
Vakopleiding Carrosseriebedrijf (VOC)
VNO/NCW en MKB Nederland
VNG
VO Raad
42                                                                 Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesaanvraag
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>44 Onderwijsraad, april 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Toelichting op het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Beroepsonderwijs en educatie
Het Actieplan omvat voorstellen voor zowel het middelbaar beroepsonderwijs als het volwas-
senenonderwijs. Samen maken deze onderwijssoorten deel uit van het bve-stelsel (beroeps-
onderwijs en volwasseneneducatie). De Wet educatie en beroepsonderwijs reguleert sinds
1996 dit bve-bestel.
Het middelbaar beroepsonderwijs wordt aangeboden door roc’s en aoc’s (regionale en agrari-
sche opleidingencentra) en door vakinstellingen zoals bijvoorbeeld een grafisch lyceum of een
school voor meubelmaken. Volwasseneneducatie wordt aangeboden door roc’s. Volwassenen-
educatie bestaat voornamelijk uit onderwijs dat in het teken staat van de aanpak van laag-
geletterdheid en uit het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (de oude ‘moedermavo’,
afgekort als vavo).
Vier niveaus en twee leerwegen
De mbo-opleidingen zijn in te delen in vier niveaus, waarbij niveau 1 staat voor het laagste
opleidingsniveau (assistent) en niveau 4 voor het hoogste (middenkader/specialist). In de tabel
hierna zijn deze niveaus samengevat en van enkele voorbeelden voorzien.
Mbo-studenten kunnen kiezen voor een opleiding langs één van twee leerwegen: de beroeps-
opleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg. In de beroepsopleidende leerweg
volgt de student een voltijds onderwijsprogramma; daarbinnen wordt voorzien in een stage
oftewel beroepspraktijkvorming van minimaal 20% en maximaal 60%. De beroepsbegeleidende
leerweg is de duale variant: de student heeft een arbeidscontract bij een werkgever en volgt in
een deel van de werkweek – meestal één dag – zijn mbo-opleiding; de bpv-component moet bij
de beroepsbegeleidende leerweg minimaal 60% bedragen. De diploma’s van beide leerwegen
zijn in de kwalificatiestructuur van het middelbaar beroepsonderwijs aan elkaar gelijk gesteld.
Figuur 2:      Mbo-opleidingen in vier niveaus48
  Niveau     Aanduiding         Omschrijving                  Voorbeelden
   1         Assistenten-       Leidt op voor eenvoudige uit- Aankomend verkoopmedewerker
             opleiding          voerende werkzaamheden;       Assistent bouw & infra
                                duurt een half tot één jaar
  2          Basisberoeps-      Leidt op voor uitvoerende     Verkoper detailhandel
             opleiding          werkzaamheden;                Helpende zorg & welzijn
                                duurt twee tot drie jaar;     Metselaar
                                staat gelijk aan de startkwa-
                                lificatie
  3          Vakopleiding       Leidt op voor zelfstandige    Vakbekaam medewerker vershandel
                                uitvoering van werkzaam-      Medewerker maatschappelijke zorg
                                heden;                        Betonreparateur
                                duurt twee tot vier jaar
  4          Middenkader-       Voegt aan niveau 3 brede in-  Verkoopmanager
             en specialisten-   zetbaarheid toe;              Tandartsassistent
             opleiding          afhankelijk van startniveau   Technicus landbouwmechanisatie
                                duurt dit één tot vier jaar
48	Schoonhoven, 2010b.
46                                                                            Onderwijsraad, april 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Doorstroom in de beroepskolom
Leerlingen met een vmbo-diploma gaan naar een mbo-opleiding van niveau 2 of hoger;
heeft de leerling geen vmbo-diploma behaald, dan kan hij of zij naar een niveau 1-opleiding.
Niet alle branches en sectoren hebben niveau 1-opleidingen omdat daaraan geen functies
op de arbeidsmarkt gekoppeld zijn. In dat geval kan de leerling zonder vmbo-diploma naar
een niveau 2-opleiding in die branche of sector. Dit heet ook wel de drempelloze instroom in
niveau 2.
Een mbo-diploma op niveau 4 geeft op grond van de Wet op het hoger onderwijs en weten-
schappelijk onderzoek het recht om in te stromen in de propedeuse van een hbo-opleiding. Dit
doorstroomrecht is generiek. Alleen bij bijzondere hbo-opleidingen kunnen specifieke diplo-
ma-eisen worden gesteld, bijvoorbeeld bij conservatoria en kunstacademies.
Educatie en de ‘dubbele oormerking’
Roc’s bieden middelbaar beroepsonderwijs aan én dragen op grond van de Wet educatie en
beroepsonderwijs zorg voor aanbod van educatie. Daaronder vallen anno 2011 de voorzienin-
gen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en aanbod dat kan worden aangeduid
als basiseducatie en dat veelal betrekking heeft op alfabetisering en het tegengaan van laag-
geletterdheid. De financiering van dit educatieaanbod loopt via de gemeenten. Zij krijgen voor
dit doel op grond van de WEB middelen uitgekeerd (cira 200 miljoen euro), die zij nu nog moe-
ten besteden bij de roc’s voor educatiedoeleinden.49 Dit heet ook wel de ‘dubbele oormerking’.
In 2007 is de Wet inburgering ingevoerd. Sindsdien vallen de inburgeringscursussen voor
nieuwkomers niet meer onder deze dubbele oormerking. Gemeenten kunnen deze gelden
aanbesteden op de scholingsmarkt. Roc’s concurreren voor dit deel van hun educatieaanbod
nu dus met andere scholingsaanbieders. Niet overal is dat succesvol verlopen, reden waarom
bij diverse instellingen in de afgelopen jaren flinke reorganisaties zijn ingezet.50
49	Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, 2010.
50	MBO Raad, 2009.
Om de kwaliteit van het beroepsonderwijs47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>48 Onderwijsraad, april 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 js Den Haag
www.onderwijsraad.nl
De Onderwijsraad reageert in dit advies op de kabinets-
plannen voor het middelbaar beroepsonderwijs. De raad
onderschrijft de inzet op verbetering van de kwaliteit, de
bestuurbaarheid en de aantrekkelijkheid van het beroeps-
onderwijs, maar meent dat er op onderdelen verbetering
mogelijk is. De raad formuleert vijf aanbevelingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>