<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Hoger onderwijs voor
de toekomst
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Hoger onderwijs voor de toekomst</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
­Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
 kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal
onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de inter­nationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Hoger onderwijs voor de toekomst, uitgebracht aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 Nr. 20110270/997, september 2011
 Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2011.
 ISBN 978-946121-020-3
 Bestellingen van publicaties:
 Onderwijsraad
 Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
 telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
 www.onderwijsraad.nl
 Ontwerp en opmaak:
 www.balyon.com
 Drukwerk:
 DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>onperwis faad

Aan do Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Nassaulaan &

De heer Ho Zijlstra 251455 Den Haag

Postbus 15375

2300 8 Den Haag Telefoon: 070 310 00 00
Fasc O70 356 14 74
secretanlaatgonderwijsraad.nl
weven on derwijsraad.nl

ey keer Corte pers Pah aten

20010270907 Den Haag, 22 september 2011

Le eer fries Creep

Advies Hoger onderwijs voor de ostate

Mijnheer de Staatssecretaris,

Met genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies Hoger onderwijs voor de toekomst aan, in dit edvies reageer de
raad op de strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenichap Kwaliteit in verscheidenheid. De raad
ondersteunt uw ambitie voor meer kwaliteit en differentiatie In het hoger onderwijs. Hij doet in het advies enkele aan-
bevelingen tar verdere versterking van de innovatieve kracht van de samenleving door hoger onderwijs,

Allereerst acht de raad het van belang om de raak van het hoger onderwijs ruim te definigren, Een Internationaal
georBnteerde konniseconomis vraagt om afgestudeerden die geed zijn opgeleid in hun vak, creatief zijn, krikisch en
probleemoplossend kunnen denken en handelen, kunnen samenwerken in interdisciplinaine verbanden, zich thuis
voelen In een diversitelt aan culturen en een brede blik op de wereld hebben, Dem veel omvattende taak van het
hoger onderwijs kan in de te maken prestatieafspraken met de Instellingen tot uitdrukking komen.

Oaarnaass is kwaliteitwerhoging van het hoger onderwijs noodzakelijk. Orn de ambitses op dat gebled waar te maken,
lä een breed gedragen en op Internationale maatstaven gebaseerd kwaliteltsbegrip van belang. De raad adviseert aan
de hand daarvan rechtstreeks en meer integraal op kwalteitsaspecten te sturen. Ook profilering van Instellingen kan

bijdragen aan kwalitelgsverhoging. Een krachtig proceimanagement en de inzet van meer middelen zijn noodzakelijk
om Git proces te stimuleren.

Ten slotte vraagt de raad aandacht voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De agenda bevat maatregelen
die de toegankelijkheid van en de doorstroom binnen het hoger onderwijs onnodig kunnen bemoeljken.

Met beleefde groet,

i —

Prof dr. GT-M. ten Darn Drs, A. van der Rest
earner Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
     Samenvatting                                                                    7
1 Aanleiding: advies over strategische agenda                                        8
1.1 Strategische agenda beoogt kwaliteitsimpuls hoger onderwijs                      8
1.2 Adviesvraag                                                                     11
2 Hoger onderwijs vervult verschillende functies                                   12
2.1 Hoger onderwijs vervult verschillende functies…                                 12
2.2 … en heeft een brede taak                                                       13
3    Advies: versterk inzet op innovatieve kracht van de samenleving               15
3.1 Ambities agenda vragen om directe sturing op kwaliteit                          15
3.2 Innovatie vraagt om kritische geesten                                          16
3.3 Vier aanbevelingen voor de versterking van de agenda                            17
4    Aanbeveling 1: versterk de inzet op kwaliteit                                 19
4.1 Sturen op kwaliteit en internationale uitstraling                              19
4.2 Belang van kwalitatief beschrijvende indicatoren voor kwaliteit                20
4.3 Prestatieafspraken binden zowel overheid als instellingen                      22
4.4 Bevorder de kwaliteitscultuur binnen instellingen                              22
5    Aanbeveling 2: versterk inzet op profilering                                  24
5.1 Sturen op een breed scala aan profileringen                                    24
5.2 Zet in op krachtig procesmanagement                                            26
5.3 Maatregelen profielbekostiging onvoldoende voor omslag stelsel                 27
6	Aanbeveling 3: zet in op brede taak hoger onderwijs om innovatieve kracht van de
     samenleving te bevorderen                                                     29
6.1 Innovatie en creativiteit hebben ruimte nodig                                  29
6.2 Hoger onderwijs moet deze ruimte kunnen bieden                                 30
7    Aanbeveling 4: waarborg de toegankelijk­heid van het hoger onderwijs          32
7.1 Geen onnodige drempels bij toegang tot hoger onderwijs                         32
7.2 Meer doorstroming binnen het hoger onderwijs mogelijk maken                    33
7.3 Inspelen op diverse doelgroepen                                                35
     Afkortingen                                                                   37
     Literatuur                                                                    38
     Geraadpleegde deskundigen		                                                   40
    Bijlagen
    Bijlage 1: Adviesvraag                                                         41
    Bijlage 2: Wisselende nadruk op verschillende doelen en taken hoger onderwijs  43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
  In dit advies reageert de Onderwijsraad op de strategische agenda hoger onderwijs en onder-
  zoek. De raad staat achter de ambitie van de agenda voor meer kwaliteit en differentiatie. Hij
  is echter van mening dat de innovatieve kracht van de samenleving door ons hoger onderwijs
  nog verder versterkt kan worden. Uitstekend hoger onderwijs is nodig voor economische groei
  en heeft een intrinsieke waarde zowel voor de deelnemers als voor de maatschappij. Vanuit
  deze visie formuleert de raad vier aanbevelingen.
  Versterk de inzet op kwaliteit
  De raad onderschrijft het streven van de staatssecretaris om de kwaliteit van het hoger onder-
  wijs te verhogen. De raad adviseert om daarbij niet alleen op rendement te sturen, maar
  tevens rechtstreeks en meer integraal op kwaliteitsaspecten. Een breed gedragen en op inter-
  nationale maatstaven gebaseerd kwaliteitsbegrip zou daarbij het uitgangspunt moeten zijn.
  Om de ambities te realiseren is een versterking van de kwaliteitscultuur nodig.
  Versterk de inzet op profilering
  De raad ondersteunt het streven om te komen tot meer profilering van instellingen. Hij is van
  mening dat het daarbij van belang is om niet op voorhand te sturen op het type profilering.
  Naast inhoudelijke profilering door uitruil van masteropleidingen zijn ook andere profileringen
  (regionaal, op doelgroep) mogelijk. De raad is van oordeel dat een krachtig procesmanage-
  ment en de inzet van meer middelen noodzakelijk zijn om dit proces te stimuleren.
	Zet in op brede taak hoger onderwijs om innovatieve kracht van de samenleving te
  bevorderen
  Voor de innovatieve kracht van de samenleving is het van belang om de taak van het hoger
  onderwijs ruim te definiëren. Een internationaal georiënteerde kenniseconomie vraagt om
  afgestudeerden die goed zijn opgeleid in hun vak, creatief zijn, kritisch en probleemoplossend
  kunnen denken en handelen, kunnen samenwerken in interdisciplinaire verbanden, zich thuis
  voelen in een diversiteit aan culturen en een brede blik op de wereld hebben. Deze brede taak
  van het hoger onderwijs vindt de raad tevens van belang met het oog op de persoonlijke vor-
  ming van de student.
  Waarborg de toegankelijkheid van het hoger onderwijs
  Een belangrijk aandachtspunt is de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De in de agen-
  da bepleite toegankelijkheid op stelselniveau vormt daarvan een belangrijk aspect. Hoewel
  de raad van mening is dat selectie een bijdrage kan leveren aan kwaliteitsverhoging van het
  hoger onderwijs, acht hij het raadzaam de deelname aan hoger onderwijs eerder te bevor-
  deren dan te belemmeren. Een grotere variëteit binnen zowel wetenschappelijk onderwijs als
  hoger beroepsonderwijs is daarvoor noodzakelijk. Hierdoor kan iedere student hoger onder-
  wijs volgen dat bij hem past. Daarnaast vraagt de raad aandacht voor het bevorderen van de
  doorstroming binnen het hoger onderwijs.
  Hoger onderwijs voor de toekomst7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    De recent uitgebrachte strategische agenda bevat de hoofdlijnen van het ho-
    geronderwijsbeleid voor de komende jaren. De kern hiervan is het verhogen
    van de prestaties van het hoger onderwijs door een ambitieuzere studiecul-
    tuur, een hogere onderwijskwaliteit en een scherpere profilering.
1
1.1
    Aanleiding: advies over strategische agenda
    Strategische agenda beoogt kwaliteitsimpuls hoger onderwijs
    Hoger onderwijs is essentieel voor onze kenniseconomie en maatschappij. De doelstelling om
    te behoren tot de top van de wereldeconomieën kan alleen worden gerealiseerd met ambiti-
    eus hoger onderwijs dat het beste haalt uit studenten, docenten en onderzoekers, dat weten-
    schappelijke doorbraken realiseert, en dat een wezenlijke bijdrage levert aan de oplossing van
    grote maatschappelijke problemen. Dat betekent dat er hoge eisen moeten worden gesteld
    aan zowel de basiskwaliteit als aan de daarbovenuit stekende toppen met grote internationale
    zichtbaarheid.
    Hoger onderwijs heeft daarnaast te maken met een gevarieerde instroom van studenten. Voor
    het wetenschappelijk onderwijs gaat het daarbij onder andere om een aanzienlijke groep eer-
    stegeneratiestudenten (waarvan de meesten van allochtone afkomst) en om studenten die
    instromen na een propedeuse in het hoger beroepsonderwijs of een afgeronde hbo-bachelor-
    opleiding. Voor het hoger beroepsonderwijs is die diversiteit nog groter. Zowel studenten
    afkomstig uit het vwo als studenten die een mbo 4-opleiding hebben afgerond, kunnen begin-
    nen met een hbo-opleiding.
    Commissie-Veerman laakt toekomstbestendigheid hoger onderwijs
    In het voorjaar van 2010 constateerde de commissie-Veerman dat de basiskwaliteit van ons
    hoger onderwijs weliswaar op orde is, maar dat voor aansluiting bij de wereldtop investerin-
    gen en veranderingen onvermijdelijk zijn.1 Het hoger onderwijs moet over de volle breedte
    beter, schrijft de commissie. Het hoger onderwijs is niet toekomstbestendig, de uitval is onaan-
    vaardbaar hoog, de kwaliteit van docenten laat te wensen over, het onderzoeksniveau daalt
    en de internationale oriëntatie is gebrekkig. Volgens de commissie-Veerman is meer differenti-
    atie tussen instellingen een belangrijk hulpmiddel om de kwaliteit van het hoger onderwijs te
    bevorderen. De commissie spreekt van een drievoudige differentiatie: in de structuur van het
    stelsel, in profielen van instellingen en in het onderwijsaanbod. Zowel de analyse als de aanbe-
    velingen van de commissie-Veerman zijn in het hogeronderwijsveld breed omarmd. Van stu-
    denten tot instellingsbestuurders, van bedrijfsleven tot politiek was iedereen het eens: niet of,
    maar hoe de aanbevelingen zouden worden uitgevoerd was de vraag.
    1	 Commissie Toekomsbestendig Hoger Onderwijs Stelsel, 2010.
    8                                                                     Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Werkgroep Profilering en Bekostiging werkt voorstellen Veerman uit
In het najaar van 2010 riep de staatssecretaris een werkgroep in het leven om te adviseren over
de implementatie van de adviezen van de commissie-Veerman.2 Het advies van de werkgroep
is tegelijkertijd met de strategische agenda gepubliceerd. In grote lijnen beveelt de werkgroep
het volgende aan.3
   Belangrijkste aanbevelingen van de Werkgroep Profilering en Bekostiging
   De werkgroep onderscheidt twee vormen van profilering:
   •    zwaartepuntvorming binnen en taakverdeling tussen instellingen, zowel op het gebied van
         onderwijs als onderzoek.
   •   profilering naar type instelling: hoe profileert de instelling zich ten opzichte van andere
         instellingen?
   Om deze profilering te realiseren doet zij acht aanbevelingen:
   1. Zorg voor een systematische aanpak van sectorplannen (nieuwe stijl).
   2.	Vraag (gezamenlijke) instellingsplannen met strategische profielkeuzes aan de hand van ambi-
         ties voor de lange termijn.
   3.	Voer een strategische dialoog met de instellingen aan de hand van de concept-plannen over
         keuzes.
   4.	Maak 10-15% van het landelijke macrobudget profielgebonden en verdeel dit deels op grond van
         trekkingsrechten (naar rato van de huidige verdeling van het macrobudget) en deels competitief.
   5.	Stel een procesregisseur aan die integraal verantwoordelijk is voor de aansturing van de sector-
         en instellingsplannen en overzicht houdt over het geheel.
   6.	Voer geen generieke kwaliteitsbekostiging of capaciteitsbekostiging in; werk aan kwaliteitsindi-
         catoren ingebed in een kwalitatief oordeel.
   7. Veranker het proces in wet- en regelgeving.
   8.	Investeer extra in hoger onderwijs; kennisuitgaven zijn geen consumptieve uitgaven, maar in-
         vesteringen die lonen, zowel voor het individu als de maatschappij.
Advies van de SER
Daarnaast heeft ook de SER (Sociaal-Economische Raad) een advies4 opgesteld, waarin in grote
lijnen dezelfde problemen worden geconstateerd als in het rapport van de commissie-Veer-
man. De SER bepleit onder meer een hogere basiskwaliteit in het hoger onderwijs en een ster-
kere inzet op de matching tussen student en opleiding. De toegankelijkheid van het hoger
onderwijs mag daarbij evenwel niet in gevaar komen.
De SER pleit tevens voor een grotere differentiatie (focus en massa) in het hoger onderwijs.
Ook moet het hoger onderwijs een rol kunnen blijven spelen bij het proces van een leven
lang leren. Alhoewel aansluiting bij de topsectoren gewenst is, benadrukt de SER dat relevant
onderzoek, innovatie en valorisatie ook op wetenschapsgebieden buiten deze sectoren plaats-
vindt. De extra investeringen die een kwaliteitsverhoging in het hoger onderwijs vraagt, zul-
len naar het oordeel van de raad renderen, zowel voor het individu als voor het land. In dat
kader pleit de SER voor een bekostigingssysteem dat meer is gericht op kwaliteit en minder op
studentenaantallen.
2	  De werkgroep bestond uit prof. dr. Robbert Dijkgraaf, dr. Joop Sistermans en prof. dr. Fons van Wieringen.
3	  Werkgroep Profilering en Bekostiging, 2011.
4	  Sociaal Economische Raad, 2011.
Hoger onderwijs voor de toekomst9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Aanscherping van eisen aan de kwaliteit van het hbo na rapport van de Inspectie
In het afgelopen jaar is het hoger beroepsonderwijs opgeschrikt door problemen met de
examenkwaliteit en -procedures. Alhoewel eerst leek dat het probleem op één instelling was
geconcentreerd, leverde nader onderzoek op dat vergelijkbare problemen ook op andere
instellingen konden voorkomen, en niet alleen in het hoger beroepsonderwijs.5
Naar aanleiding van rapporten van de Inspectie van het Onderwijs over hbo-opleidingen waar
de kwaliteitszorg te kort is geschoten, heeft de staatssecretaris verschillende maatregelen aan-
gekondigd waarmee de eisen aan de kwaliteit van het onderwijs in het hoger beroepsonderwijs
worden aangescherpt. Deze maatregelen zijn opgenomen in de strategische agenda. Zo komen
er landelijke toetsen voor kernvakken. Daarnaast moeten alle docenten in het hoger beroeps-
onderwijs in het bezit zijn van minimaal een mastergraad. Als laatste wil de staatssecretaris
meer controle op de kwaliteit van het onderwijs. Onderdeel hiervan is dat de Inspectie van het
Onderwijs een nadrukkelijker rol krijgt in het toezicht op de kwaliteit van hbo-instellingen.
De strategische agenda: kwaliteit in verscheidenheid
In de strategische agenda6 reageert de staatssecretaris op de adviezen van de Commissie Veer-
man, de Werkgroep Profilering en Bekostiging en het advies van de SER, en presenteert hij
zijn plannen voor de komende kabinetsperiode. De agenda schetst een langetermijnperspec-
tief voor het hoger onderwijs, het onderzoek en de wetenschap. Voor het jaar 2025 spreekt
de agenda van: ‘’Een stelsel van internationale allure, waarin studenten worden uitgedaagd,
docenten met enthousiasme college geven en onderzoekers bijdragen aan wetenschappelijke
doorbraken, het oplossen van de grote maatschappelijke vraagstukken en het vergroten van
onze economische voorspoed.’’
Met de in de agenda voorgestelde maatregelen beoogt de staatssecretaris de zwakke plekken
in het Nederlandse hogeronderwijsstelsel aan te pakken. Concreet benoemt de agenda op
onderwijsgebied vier zwakke plekken (p. 12-13).
• Het opleidingenaanbod is versnipperd en hogescholen en universiteiten brengen
     onvoldoende focus aan in hun onderwijs- en onderzoekaanbod.
• Het hogeronderwijsstelsel is onvoldoende ingericht op de diversiteit van de studenten-
     populatie. Daardoor worden studenten enerzijds onvoldoende uitgedaagd en is er ander-
     zijds sprake van hoge uitval.
• De verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek is te gering. In het wetenschappelijk
     onderwijs staat die onder druk door de grote toestroom van studenten, waardoor ook de
     academische kwaliteit onder druk staat. In het hoger beroepsonderwijs ontbreekt het nog
     aan voldoende praktijkgericht onderzoek om het onderwijs genoeg te kunnen verrijken.
• Het niveau van de docenten. Het opleidingsniveau van de docenten in het hoger beroeps-
     onderwijs is – ook internationaal gezien – te laag. In het wetenschappelijk onderwijs is niet
     het opleidingsniveau van docenten het probleem, maar de aandacht die onderwijs krijgt
     in vergelijking met onderzoek. Daarom zijn ook hier investeringen in de didactische kwali-
     ficaties van het personeel nodig.
Op wetenschapsgebied constateert de agenda voorts een gebrek aan focus en massa. Mede
daardoor heeft het onderzoek minder impact dan verwacht zou mogen worden. Ten slotte
heeft Nederland relatief weinig onderzoekers en promovendi.
5	  Inspectie van het Onderwijs, 2011.
6	  Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, 2011b.
10                                                                      Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    Om de geconstateerde zwaktes aan te pakken, worden in de agenda een aantal ‘ingrijpende
    koerswijzigingen” voorgesteld. Op het gebied van onderwijs gaat het om:
    • een strenger studieklimaat: de lat voor studenten omhoog, intensiever onderwijs, meer
         selectie en een grotere financiële bijdrage door studenten; kwaliteit van onderwijs boven
         kwantiteit van studentenaantallen;
    • differentiatie in onderwijsaanbod: onderwijs dat inspeelt op verschillen in aanleg en ver-
         mogen van studenten in plaats van alle studenten zo snel mogelijk door dezelfde opleiding
         te loodsen; en
    • profilering en specialisatie van instellingen: reductie van het versnipperde aanbod en ver-
         sterken van zwaartepunten; belonen van kwaliteit en profiel in de bekostiging van uni-
         versiteiten en hogescholen en het terugdringen van het studentgebonden deel in de
         bekostiging.
    Op het gebied van onderzoek wordt in de agenda het belang van de kennisketen geaccen-
    tueerd. Er moet meer uitwisseling en samenwerking zijn tussen fundamenteel onderzoek,
    praktijkgericht onderzoek, toegepast onderzoek en innovatie in netwerkorganisaties met
    gezamenlijke, publiek-private kennisopbouw.
    Om de beoogde koerswijzigingen te realiseren zet de agenda in op commitment van alle part-
    ners - universiteiten, hogescholen, docenten, studenten, onderzoekers en werkgevers - aan
    een gezamenlijk toekomstperspectief. Een belangrijk onderdeel van de agenda richt zich op
    het type prestatieafspraken dat de staatssecretaris wil maken met de instellingen (collectief en
    individueel) over de door hen te leveren prestaties op het gebied van kwaliteit en profilering.
    Ook wordt aandacht besteed aan de te voeren regie op het proces van profilering.
1.2 Adviesvraag
    De staatssecretaris heeft de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over de strategische agenda
    hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap (zie bijlage 1). In zijn reactie op de agenda gaat de
    raad in op maatregelen die genomen kunnen worden om de kwaliteit van het hoger onderwijs
    te bevorderen.
      Totstandkoming van dit advies
      Voor dit advies heeft de Onderwijsraad gebruikgemaakt van de reacties in woord en geschrift die
      door verschillende partijen (LSVB, ISO, HBO-raad, VSNU, VNO-NCW) zijn gegeven op de strategische
      agenda hoger onderwijs. Daarnaast heeft de raad ook de adviezen die voorafgaand aan de strategi-
      sche agenda zijn uitgebracht door de SER en de Werkgroep Profilering en Bekostiging, bij zijn over­
      wegingen betrokken. Waar nodig zijn gesprekken met deskundigen gevoerd.
      Elk advies wordt voorbereid door een commissie van raadsleden. Paul van Maanen, voorzitter van
      het college van bestuur van de Hogeschool Leiden, heeft als extern lid deel uitgemaakt van deze
      commissie.
    In hoofdstuk 2 wordt eerst de visie van de Onderwijsraad op het hoger onderwijs geschetst,
    die ten grondslag ligt aan dit advies. In de daarop volgende hoofdstukken worden achtereen-
    volgens vier aanbevelingen uitgewerkt, gericht op verbetering van de in de strategische agen-
    da voorgestelde maatregelen. De raad beoogt zo een bijdrage te leveren aan een versterking
    van het hoger onderwijs.
    Hoger onderwijs voor de toekomst11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Uitgangspunt voor de Onderwijsraad is dat hoger onderwijs de innovatieve
    kracht van de samenleving versterkt. De kerntaken van het hoger onderwijs
    zijn het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, de vorming van jonge
    mensen en het bijdragen aan de ontwikkeling van de maatschappij. Deze slui-
    ten elkaar niet uit, maar versterken elkaar.
2   Hoger onderwijs vervult verschillende
    functies
2.1 Hoger onderwijs vervult verschillende functies…
    Dat hoger onderwijs voor onze kenniseconomie van belang is, staat buiten kijf. Hogeropgelei-
    den spelen een belangrijke rol binnen alle kennisintensieve sectoren. De kennissamenleving is
    daarbij voor haar groei afhankelijk van de productie van nieuwe kennis, van de overdracht van
    kennis via onderwijs en training, van de verspreiding van kennis door middel van informatie-
    en communicatietechnologie en van het gebruik ervan binnen nieuwe productieprocessen in
    industrie en dienstverlening. De hogeronderwijsinstellingen zijn uniek omdat ze participeren
    in al deze processen.
    Het belang van hoger onderwijs voor de kenniseconomie wordt ook politiek breed gedeeld,
    zoals blijkt uit de in 2009 door de Tweede Kamer unaniem aangenomen motie-Hamer.7 De
    motie zet de ambitie om ook in 2020 bij de top vijf van kennisnaties te horen, centraal in het
    onderwijsbeleid. In de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Veerman krijgt het
    hoger onderwijs expliciet de opdracht om te zorgen voor voldoende menselijk kapitaal voor
    de door het kabinet aangewezen economische topgebieden.8 Het bedrijfsleven kan hier vol-
    gens de kabinetsreactie met ‘human capital roadmaps’ een belangrijke bijdrage aan leveren.
    Ook de Europese Unie sluit in zijn Lissabonagenda nauw aan bij dit perspectief: hogeronder-
    wijsinstellingen moeten de kennis leveren die ervoor zorgt dat Europa competitief mee kan
    met bijvoorbeeld de Verenigde Staten en de zich ontwikkelende economieën in bijvoorbeeld
    China en India.9 De Europese Commissie benoemt de instellingen van hoger onderwijs tot aan-
    jagers van de Europese kennissamenleving en kenniseconomie. Deze zullen een fundamen-
    tele rol spelen in de verdere ontwikkeling van Europa en in het beantwoorden aan de behoef-
    ten van burgers. Opererend op lokaal, regionaal, nationaal, Europees en soms zelfs mondiaal
    niveau, zullen zij in belangrijke mate moeten bijdragen aan een gemeenschap die is gebaseerd
    op gedeelde waarden.
    7	  Motie van het lid Hamer c.s., 2009.
    8	  Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, 2011a.
    9	  Schleicher, 2006.
    12                                                                   Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    Het belang van de kenniseconomie is op meerdere manieren te interpreteren. In de enge zin
    van het woord omvat de kenniseconomie met name de huidige economische (top)activiteiten
    en de wens om Nederland daarbinnen zo goed mogelijk concurrerend te maken. De kennis-
    economie is echter meer dan dat. De raad vat kenniseconomie op als de innovatieve kracht
    van de samenleving in de volle breedte. Het hoger onderwijs heeft hierin een belangrijke rol.
2.2 … en heeft een brede taak
    Creatieve en innovatieve geesten vormen
    Om de innovatieve kracht van de samenleving te bevorderen heeft het hoger onderwijs een
    brede taak. Naast het opleiden van hoogwaardige experts hoort daar ook het vormen van cre-
    atieve en innovatieve geesten bij. Voor een deel staat ook deze taak van het hoger onderwijs
    in dienst van de kenniseconomie in enge zin. Elke kennisintensieve sector is immers afhankelijk
    van de innovatiekracht van zijn medewerkers. De taak van het hoger onderwijs gaat echter ver-
    der. Het hoger onderwijs vervult een taak voor de gehele samenleving; niet op de korte, maar
    op de lange termijn en op een kritisch vernieuwende wijze.10
    Als onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te dienstbaar gemaakt worden aan de doelen
    van het gevoerde economische beleid (de door het ministerie van Economische Zaken, Land-
    bouw & Innovatie vastgestelde topsectoren), kan dat een inperking van creativiteit en innove-
    rend vermogen betekenen. Op termijn keert zich dit tegen de kenniseconomie.
    Om de brede opdracht te kunnen vervullen moet, in ieder geval bij de universiteiten, gewaakt
    worden voor het behoud van kernwaarden als het intellectuele debat en de kritische discus-
    sie.11 Deze moeten steeds opnieuw gewaarborgd en gefaciliteerd worden. Maar ook het hoger
    beroepsonderwijs heeft een rol om toekomstige beroepsbeoefenaars te leren om te “denken,
    vergelijken, onderscheiden, meningen te vormen en hun mentale capaciteit te vergroten om
    de ambiguïteiten en raadselachtigheden van de menselijke natuur tegemoet te treden”.12
    Verwevenheid onderwijs en maatschappij
    Het hoger onderwijs is een sector waarin de mensen die erin werken het verschil maken. Deze
    professionals geven een instelling een veel bredere uitstraling dan de directe productie en
    overdracht van kennis via onderzoek en onderwijs. Zij zijn direct en indirect stimulerend voor
    studenten, maar ook voor samenleving en cultuur in brede zin, en leveren een bijdrage aan de
    infrastructuur en de welvaart.
    De verwevenheid van het hoger onderwijs met de maatschappij komt tot stand in allerlei for-
    mele en informele verbanden van werkeenheden en individuele stafleden. Daarnaast kan de
    burger meer direct en persoonlijk profiteren van de aanwezigheid van een hogeronderwijs-
    instelling via onderwijs- en debatactiviteiten. Hogeronderwijsinstellingen vervullen zo een
    brede culturele functie. Hogescholen en universiteiten vormen tezamen de schakel tussen
    nieuwe kennis die door universiteiten wordt ontwikkeld en de toepassing daarvan. Afgestu-
    deerden zijn daarbij een belangrijk voertuig. Tevens zijn relatienetwerken van belang waarin
    universiteiten en hogescholen participeren, samen met instellingen en bedrijven. Door (prak-
    tijk)gerichte innovatie kunnen universiteiten en hogescholen hun maatschappelijke taak beter
    10	  Gevers, 1998.
    11	  Onderwijsraad, 2008.
    12	  Shapiro, 2005.
    Hoger onderwijs voor de toekomst13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>gestalte geven. Tegelijk versterkt zo’n functie als regionaal of landelijk kenniscentrum het pri-
maire onderwijsproces.
Pijler van een democratische samenleving
Het hoger onderwijs is bovendien één van de pijlers van een democratische samenleving. Met
zijn onafhankelijke en kritische bijdrage levert het een belangrijke impuls aan de vitaliteit van
de maatschappij, aan het beschermen van democratisch-rechtsstatelijke beginselen, en aan
de discussie over maatschappelijke waarden en normen en zingevingsvragen in een complexe
wereld. De wetenschap draagt bijvoorbeeld bij aan de kwaliteit van de samenleving door aan-
dacht voor thema’s als veiligheid, sociale cohesie, gezondheid(szorg), pensionering en vergrij-
zing, solidariteit tussen generaties, transparantie en efficiëntie van het openbaar bestuur.
Het belang van evenwicht
Zowel bij het wetenschappelijk onderwijs als het hoger beroepsonderwijs is de (economisch-)
maatschappelijke invalshoek van groot belang. Bij het hoger beroepsonderwijs is dit de domi-
nante invalshoek. Vanuit wetshistorisch oogpunt is het opmerkelijk dat de WHBO (Wet op het
hoger beroepsonderwijs) persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk functioneren nog zag
als kernfuncties van het hoger beroepsonderwijs (zie bijlage 2). In de WHW (Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) is dat niet meer het geval. Deze aspecten worden
ook niet meer gerekend tot de centrale taken van hogescholen. Zij hoeven er slechts mede
aandacht aan te schenken.
In het overheidsbeleid en ook in de visie van diverse belangenorganisaties staat op dit moment
de (economisch-)maatschappelijke invalshoek centraal. Hoger onderwijs en (wetenschappe-
lijk) onderzoek lijken exclusief in dienst van het maatschappelijk nut te moeten staan. Dit is
geen nieuw verschijnsel. Deze beweging is al langer aan de gang.
De raad vindt het van belang dat de verschillende taken van het hoger onderwijs met elkaar in
evenwicht zijn. Dit komt de innovatieve kracht van de samenleving ten goede. Hoger onder-
wijs moet gericht zijn op het opleiden van wetenschappers die baanbrekend onderzoek kun-
nen verrichten op velerlei terrein; van professionals die een kritische bijdrage kunnen leveren
aan de beroepspraktijk; van werknemers met een goed ontwikkelde nieuwsgierigheid naar
wat er nog meer ‘te koop’ is qua kennis en nieuwe ontwikkelingen, en met een maatschappelijk
verantwoordelijkheidsbesef. De doelen die het hogeronderwijsbeleid nastreeft, moeten deze
brede taak weerspiegelen.
14                                                                      Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    “Universiteiten en hogescholen zijn uitdrukking van het beste wat ons land te
     bieden heeft”, zo schreef de Onderwijsraad in zijn advies Waardering voor h               ­ oger
     onderwijs uit 2005. Hiervoor is een sterke inzet op kwaliteit en de innovatieve
     functie van het hoger onderwijs nodig. Dit enerzijds om de kenniseconomie te
     versterken, en anderzijds om het hoger onderwijs zijn rol als luis in de pels van
     de samenleving te laten vervullen.
3    Advies: versterk inzet op innovatieve kracht
     van de samenleving
3.1  Ambities agenda vragen om directe sturing op kwaliteit
     De strategische agenda zet een stap in de richting van de door de commissie-Veerman voor-
     gestelde ontwikkeling naar meer differentiatie en hogere kwaliteit in het hoger onderwijs. De
     raad deelt de inzet van de agenda op verhoging van de kwaliteit, en vindt het noodzakelijk
     deze inzet op kwaliteit te versterken met het oog op de innovatieve kracht van de samenleving.
     Directe en integrale sturing op kwaliteit
     De agenda wil bevorderen dat de lat in het hoger onderwijs hoger wordt gelegd, dat de kwali-
     teit van het onderwijs omhoog gaat, dat docenten beter geschoold zijn, dat opleidingen meer
     contacturen kennen en dat studenten intensiever worden begeleid. Ook voor de Onderwijs-
     raad staat de inzet op hogere kwaliteit voorop. Daartoe is het naar mening van de raad nodig
     om kwaliteit meer direct en integraal onderdeel te maken van de sturing, zowel landelijk als
     binnen de instellingen. Het in de sturing op de voorgrond zetten van gemakkelijk meetbare
     indicatoren als rendement en staf-studentratio, kan de innovatie van onderwijsprogramma’s
     frustreren. Deze indicatoren zijn te weinig verbonden met een internationaal herkenbaar kwa-
     liteitsbegrip. Een Nederlandse instelling van hoger onderwijs zal geen internationale reputatie
     verwerven met (uitsluitend) hoge rendementen of een goede student-stafratio. Rendement is
     een gevolg van kwalitatief goed onderwijs. Reputatie verwijst naar andere, meer op de inhoud
     gebaseerde factoren. De raad acht het van groot belang dat instellingen zich gestimuleerd
     voelen om te experimenteren met maatregelen waarvan een kwaliteitsverhoging wordt ver-
     wacht, om daarvan te leren. Hiervoor zijn ook meer op kwaliteit gerichte indicatoren nodig, die
     rechtstreeks raken aan het onderwijsproces. Als instellingen na een experiment worden afge-
     rekend op (mogelijk) niet uitgekomen verwachtingen met betrekking tot rendementen, terwijl
     de beoogde kwaliteit wel is gerealiseerd, zou dat contraproductief kunnen werken.
     De raad onderschrijft dat prestatie-indicatoren kunnen bijdragen aan verbetering, transparan-
     tie, professionaliteit en zakelijkheid. Daarvoor is het nodig dat de prestatieafspraken goed wor-
     Hoger onderwijs voor de toekomst15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    den opgezet: dat er goede indicatoren worden ontwikkeld en dat de instellingen binnen een
    onderling vergelijkbare groep instellingen worden vergeleken.13
    Ook het door de agenda beoogde proces van profilering kan aan deze kwaliteit bijdragen. Dit
    proces zou erop gericht moeten zijn dat het voor instellingen niet alleen de moeite waard is
    zich te profileren op excellente researchmasters, maar ook op opleidingen met een sterk profiel
    op een maatschappelijk probleem (bijvoorbeeld krimp en vergrijzing), op een doelgroep van
    studenten (grotestadsuniversiteit of -hogeschool met speciale aandacht voor de pluriformiteit
    van haar inwoners) of op een sector van de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld handel en logistiek).
    De raad is van mening dat de inzet op profilering van instellingen en opleidingen versterking
    behoeft en denkt daarbij aan meer regie en meer aandacht voor kwaliteit en profilering in de
    bekostiging.
3.2 Innovatie vraagt om kritische geesten
    In de visie van de Onderwijsraad dienen instellingen van hoger onderwijs en onderzoek drie
    doelen: de wetenschap, de maatschappij en de persoonlijke vorming van de student. De in de
    strategische agenda aangekondigde maatregelen zijn met name gericht op de bevordering
    van de kenniseconomie in enge zin. De raad beschouwt de kenniseconomie als de innovatieve
    kracht van de samenleving in de volle breedte. Het begrip academische vorming komt in het in
    de agenda geschetste vergezicht weliswaar aan de orde, maar in de uitwerking van de agenda
    krijgt de vorming van jonge mensen tot niet alleen experts, maar ook intellectuelen, weinig
    aandacht. Een innovatieve samenleving kan echter niet zonder.
    Uit de voorgestelde maatregelen spreekt met name de wens om de hogeronderwijsinstellin-
    gen zo goed mogelijk in te zetten ten behoeve van de samenleving (en dan met name de
    arbeidsmarkt). De raad onderschrijft het belang van deze functie. De instellingen hebben ech-
    ter ook een rol (in zowel onderwijs als onderzoek) om zich kritisch te verhouden tot de samen-
    leving en haar nieuwe wegen te laten zien naar de toekomst.14 Voor deze innovatieve rol van
    het hoger onderwijs is vrijheid nodig.
    Volgens de raad is ook de persoonlijke vorming van studenten een belangrijke opdracht van
    het hoger onderwijs. Dit geldt niet alleen voor het wetenschappelijk onderwijs, zoals ook in
    de wet is vermeld. Ook het hoger beroepsonderwijs heeft een rol om mede aandacht te schen-
    ken aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten en aan de bevordering van hun maat-
    schappelijk verantwoordelijkheidsbesef. In het wetenschappelijke onderwijs vertaalt dit zich
    deels in het ontwikkelen van een kritische academische houding. Het hoger beroepsonderwijs
    zou in dat kader meer aandacht moeten besteden aan het leren stellen van kritische vragen,
    zodat afgestudeerden in staat worden gesteld om hun beroep niet alleen uit te oefenen, maar
    ook te vernieuwen.
    In dit advies van de raad staat versterking van de innovatieve kracht van de samenleving voor-
    op. Met betrekking tot het proces dat daartoe leidt is zowel de rol van de instellingen als de rol
    13	 Sluis & Thiel, 2003; Thiel, 2009.
    14	 Fresco, 2011; Lundvall, 2008; Delnooz, 2008.
    16                                                                    Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    van de overheid van belang. Hoe kunnen instellingen en overheid ieder hun verantwoordelijk-
    heden nemen?
    Van hieruit redenerend, formuleert de raad vier aanbevelingen om de strategische agenda te
    versterken.
3.3 Vier aanbevelingen voor de versterking van de agenda
    Aanbeveling 1: versterk de inzet op kwaliteit
    Voor de innovatieve kracht van de samenleving is hoger onderwijs van groot belang. De raad
    onderschrijft dan ook het streven van de staatssecretaris om de kwaliteit van het hoger onder-
    wijs te versterken. Dit is noodzakelijk om hoger onderwijs van internationale allure te realiseren
    en zicht te blijven houden op een plaats in de top vijf van kenniseconomieën. De raad waar-
    schuwt er nadrukkelijk voor om rendementsindicatoren niet te verwarren met kwaliteitsindi-
    catoren. Ook rechtstreeks en meer integraal sturen op kwaliteitsaspecten is naar zijn oordeel
    noodzakelijk. In een volwassen sector zou heel goed het gesprek gevoerd kunnen en moeten
    worden over de totstandkoming van een sterkere kwaliteitscultuur gebaseerd op een breed
    gedragen en op internationale maatstaven gebaseerd kwaliteitsbegrip. De raad is daarbij van
    mening dat de staatssecretaris niet op te veel gebieden tegelijk moet willen inzetten. In de
    verdere uitwerking van de ambities zal hij samen met de instellingen keuzes moeten maken.
    Aanbeveling 2: versterk de inzet op profilering
    Vanuit de wens om te komen tot meer kwaliteit en focus ondersteunt de raad het streven om
    te komen tot meer profilering van instellingen. Hij is van mening dat het daarbij van belang is
    om niet op voorhand te sturen op het type profilering. Inhoudelijke profilering door uitruil van
    masteropleidingen is een van de opties, maar een profiel als grotestadsuniversiteit, met speci-
    ale aandacht voor een diverse studentenpopulatie, kan evenzeer een valide keuze zijn. Daar-
    naast is de raad van oordeel dat een krachtig procesmanagement en de inzet van meer midde-
    len noodzakelijk zijn om dit proces van de grond te krijgen. Om werkelijke instellingsprofilering
    op redelijk korte termijn te bewerkstelligen, moet ten slotte rekening worden gehouden met,
    weliswaar eenmalige, maar in het algemeen hoge transitiekosten.
    Aanbeveling 3: zet in op brede taak hoger onderwijs om innovatieve kracht van de samenleving te
    bevorderen
    Voor versterking van de innovatieve kracht van de samenleving is het van belang om de taak
    van het hoger onderwijs ruim te definiëren. Een internationaal georiënteerde kenniseconomie
    vraagt om afgestudeerden die goed zijn opgeleid in hun vak, creatief zijn, kritisch en probleem-
    oplossend kunnen denken en handelen, kunnen samenwerken in interdisciplinaire verbanden,
    zich thuis voelen in een diversiteit aan culturen en een brede blik op de wereld hebben. Deze
    brede taak van het hoger onderwijs vindt de raad tevens van belang met het oog op de per-
    soonlijke vorming van de student.
    Aanbeveling 4: waarborg de toegankelijkheid van het hoger onderwijs
    Het is van groot belang dat een ieder die dat aan kan, hoger onderwijs naar eigen vermogen
    kan volgen. Een belangrijk aandachtspunt van de raad is dan ook de toegankelijkheid. De in
    de agenda bepleite “toegankelijkheid op stelselniveau” vormt daarvan een belangrijk aspect.
    Toegankelijkheid van het hoger onderwijs heeft twee aspecten: enerzijds de toegang zelf en
    anderzijds de begaanbaarheid van leerwegen. Hoewel de raad van mening is dat selectie een
    bijdrage kan leveren aan de kwaliteitsverhoging van het hoger onderwijs, acht hij het raad-
    Hoger onderwijs voor de toekomst17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>zaam de deelname aan hoger onderwijs eerder te bevorderen dan te belemmeren. De regel-
geving moet daarvoor geen onnodige drempels opwerpen. Ook een grotere variëteit binnen
zowel wetenschappelijk als hoger onderwijs is daarvoor noodzakelijk. Daarnaast vraagt hij aan-
dacht voor het bevorderen van de doorstroming binnen het hoger onderwijs, zowel door de
structuur als door de opzet van opleidingen.
18                                                                 Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>    De agenda beoogt een kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs door in
    sterke mate op rendement te sturen. De raad adviseert om sterker op kwali-
    teitsaspecten te sturen. Kwaliteit omvat daarbij meer dan eenvoudig meetbare
    doelen. Daarover zou in een volwassen sector heel goed het gesprek gevoerd
    kunnen en moeten worden.
4
4.1
    Aanbeveling 1: versterk de inzet op kwaliteit
    Sturen op kwaliteit en internationale uitstraling
    De raad onderschrijft als vanzelfsprekend het belang dat in de strategische agenda wordt
    gehecht aan de kwaliteit van het studieklimaat en het onderwijs. In de afgelopen jaren hebben
    veel instellingen belangrijke stappen weten te zetten op weg naar hogere kwaliteit, maar ver-
    dere verbeteringen zijn mogelijk en nodig. Dan pas zal Nederland daadwerkelijk een positie in
    de top van de wereldeconomieën kunnen innemen en behouden.
      Bevordering kwaliteitscultuur in de strategische agenda
      Een van de kernpunten van de strategische agenda is het bevorderen van een kwaliteitscultuur in
      het hoger onderwijs. Zowel de kwaliteit van de studiekeuze als van het onderwijs zelf maken daar-
      van deel uit. Hiertoe worden onder andere de volgende maatregelen ingezet (zie hoofdstuk 2 van
      de agenda):
      • brede invoering van studiekeuzegesprekken, gekoppeld aan een vervroegde uiterste aanmel-
           dingsdatum van 1 mei;
      • intensivering van onderwijs ( en activerend onderwijs);
      • nastreven van een ambitieuzere studiecultuur, onder meer via herziening van tentamen- en
           examenregelingen;
      • selectie aan de poort in verregaander mate mogelijk maken;
      • afspraken over percentage studenten (10%) dat aan excellente trajecten deelneemt;
      • nominaal studeren als regel (experimenten met jaarklassensysteem in hbo); beter toegeruste
           docenten door masters of PhD als functievereiste voor alle docenten in het hoger onderwijs in
           2020.
      Hoe worden deze maatregelen ingezet?
      De staatsecretaris wil afspraken maken met de instellingen over Intensivering van onderwijs-
      programma’s. De andere maatregelen vragen steeds om nieuwe wetgeving of wetswijzigingen.
      Daarbij worden de huidige mogelijkheden verruimd of, in het geval van de tentamen- en examen-
      regelingen, nieuwe bepalingen doorgevoerd.
      Daarnaast wil de staatssecretaris uiterlijk juni 2012 nieuwe meerjarenafspraken maken met de instel-
      lingen over hun prestaties. De nieuwe doelen zullen gaan over de volgende onderwerpen:
    Hoger onderwijs voor de toekomst19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>        •    uitval en rendement, vooral in het eerste jaar;
        •    studieduur/rendement;
        •    kwaliteitsoordelen uit de accreditatie;
        •    onderwijsintensiteit (contacturen, staf/studentratio);
        •    docentenkwaliteit;
        •    reductie van overhead waar dit bijdraagt aan primair proces.
        Bron: Kwaliteit in verscheidenheid. Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschappen
    De raad is evenwel van mening dat de strategische agenda nog te veel lijkt in te zetten op
    verbetering van rendementen. Een positie in de top vijf van wereldeconomieën zal echter
    niet haalbaar zijn als voornamelijk wordt ingezet op studierendement. Immers niet het aantal
    hoogopgeleiden, maar de kwaliteit van de beroepsbevolking is uiteindelijk bepalend voor het
    succes van de kenniseconomie. Uiteraard is het van belang om te streven naar een doelmatige
    besteding van middelen, maar zeker in het hoger onderwijs blijkt vaak dat de kortste weg niet
    altijd de beste is om het hoogste resultaat te bereiken (zie ook aanbeveling 3).
    Kwaliteitsindicatoren duidelijker koppelen aan ambities
    Uiteraard is het mogelijk om over rendementen kwantitatieve prestatieafspraken te maken
    met een bonus-malusregeling, zoals de agenda voorstelt. De raad is echter van mening dat
    intrinsieke kwaliteitsaspecten een eigen rol kunnen spelen in de bekostiging. Uitgangspunt is
    dan dat het kwaliteitsbegrip aantoonbaar gekoppeld is aan de ambitie om Nederland te bren-
    gen in de voorhoede van de mondiale kenniseconomieën. Welke maatregelen en indicatoren
    zijn daarvoor nodig? De in de agenda genoemde indicatoren kwaliteit en opleidingsniveau van
    docenten spelen hier zeker een rol in. Dergelijke indicatoren juicht de raad dan ook toe.
    Onderdeel van de sturing op kwaliteit is de internationale context. Met name het wetenschap-
    pelijke onderwijs kan niet los gezien worden van de Europese markt voor hoger onderwijs.
    Juist nu kan versterking van de wo-opleidingen betekenen dat Nederland op langere termijn
    een vooraanstaande positie inneemt in het Europese hoger onderwijs.
    Ook voor het hoger beroepsonderwijs neemt de internationale beroepspraktijk in belang toe.
    Het beleid van de Nederlandse overheid zal er dus meer en meer op gericht moeten zijn dat
    de instellingen een positie innemen in deze dynamische markt. De raad bepleit dat deze inter-
    nationale uitstraling van instellingen onderdeel uitmaakt van de bekostigingssystematiek.
4.2 Belang van kwalitatief beschrijvende indicatoren voor kwaliteit
    In het hoger onderwijs wordt al lange tijd gewerkt met meerjarenafspraken over de gele-
    verde prestaties. Nieuw aan de voorstellen in de strategische agenda is dat de instellingen
    rechtstreeks afgerekend worden op hun prestaties op de afgesproken indicatoren via een
    bonus-malussystematiek.
    Het accent in de voorgestelde indicatoren voor de bonus-malussystematiek lijkt te liggen
    op rendementsaspecten. Deze nadruk heeft als risico een eenzijdige focus op prestaties die
    gemakkelijk kunnen worden gemeten (bijvoorbeeld het propedeuserendement). Dit kan lei-
    den tot een situatie waarin instellingen zich zo sterk gaan richten op de gestelde indicato-
    20                                                                                                     Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>ren, dat aspecten die minder goed kunnen worden gemeten, onvoldoende aandacht krijgen
(maatstaffixatie).15
Goede prestatie-indicatoren verwijzen naar zaken waar de instelling invloed op heeft.16 Het
is van belang de set van indicatoren zodanig te kiezen dat indicatoren niet alleen de output
maar ook de input en het proces beschrijven.17 De raad adviseert dat ook niet-getalsmatige
kwaliteitsindicatoren worden meegenomen. Hij denkt hierbij aan (in hun aard) kwalitatieve
omschrijvingen van de leerresultaten, zoals typeringen van het niveau van afstudeerproduc-
ten, van verworven kritische en sociale vaardigheden, van vaardigheid in vreemde talen, van
arbeidsmarktposities van afgestudeerden; en omschrijvingen van de leeromgeving (werk-
vormen, aangeboden praktijk- of oefensituaties), van de manier waarop de opleiding studen-
ten begeleidt en uitval wil voorkomen, en van de ‘diepte’ van (internationale) samenwerking
(‘deep collaboration’).18
Hiernaast is het van belang dat de opbrengst van het werken met prestatieafspraken voor
het leren van de instellingen en opleidingen centraal komt te staan. De kwaliteitsverbetering
die de agenda beoogt, zal door een leerproces tot stand moeten komen. Dit leerproces vindt
plaats zowel op landelijk (beleids)niveau als op het niveau van de instellingen. Daarom zou
dan niet alleen geïnvesteerd moeten worden in de ontwikkeling van prestatie-indicatoren,
maar ook in het proces om de spelregels te bepalen: de afspraken over meting, normering en
interpretatie.19
Op landelijk niveau is het tevens nodig ervaring op te bouwen met de manier van meten. Is er
een nulmeting, op welk niveau ligt die? Wat is het minimum, wat is het maximum? Wat is een
redelijke uitkomst? Wat is het referentiepunt? De raad adviseert de ontwikkeling van de indi-
catoren te zien als een groeiproces, waarbij instellingen en overheid gaandeweg leren welke
betekenis de prestatie-indicatoren hebben in het proces van kwaliteitsverbetering.
Liever goede prestaties bevorderen dan afrekenen op falen
Soms kan prestatiemeting contraproductieve prikkels bevatten, bijvoorbeeld wanneer de
indicator zowel eenvoudig meetbaar als eenvoudig manipuleerbaar is.20 Dit kan (ver)leiden
tot manipulatief gedrag om de score kunstmatig te beïnvloeden. Prestatieafspraken over het
terugdringen van uitval in het eerste jaar met daaraan gekoppelde financiële consequenties
bijvoorbeeld kunnen leiden tot normverlaging. Het risico bestaat dat instellingen geneigd zijn
om studenten makkelijker te laten slagen. Recente gebeurtenissen in het hoger onderwijs dui-
den erop dat dit een reëel risico kan zijn.
Veel perverse effecten ontstaan doordat prestatiemetingen worden gebruikt om instellingen
af te rekenen op falen. Dit werkt defensief gedrag in de hand. Beter is het, goede prestaties te
belonen en prestatiemetingen te gebruiken om van te leren. Als met een systeem van pres-
tatieafspraken wordt gewerkt, zijn afspraken nodig met de overheid over het waarom van de
prestatiemeting en de manier waarop instellingen worden beloond. De in de agenda genoem-
de audit op inspanningen acht de raad in dit kader zinvol.
15	 Thiel, 2009.
16	 Sluis & Thiel, 2003; Thiel, 2009.
17	 Organisation for Economic Co-ordination and Development, 2008.
18	 Benneworth, Boer, Cremonini, Jongbloed, Leisyte, e.a., 2011.
19	 Vink, Oosterling, Vermeulen, Eimers & Kennis, 2010; Benneworth, Boer, Cremonini, Jongbloed, Leisyte, e.a., 2011.
20	 Thiel, 2009.
Hoger onderwijs voor de toekomst21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    Andere incentives
    In dit verband merkt de raad ook op dat het begrip reputatie in het hoger onderwijs een
    belangrijke rol heeft. Dit speelt mee bij beslissingen van toekomstige studenten, maar zeker
    ook bij de keuze van wetenschappelijk en onderwijzend personeel van de instelling waar ze
    willen werken. Ook de mate waarin bedrijven hun naam aan bepaalde instellingen willen ver-
    binden, is in hoge mate een reputatiekwestie. Dat reputatie ‘te voet komt en te paard gaat’,
    maakt het tot een interessant sturingsmechanisme. De raad adviseert de overheid daarom te
    blijven investeren in het op verantwoorde wijze meten van de reputatie van instellingen van
    hoger onderwijs, met inachtneming van de door de instellingen en opleidingen gekozen pro-
    filering. De maatschappelijke behoefte hieraan zal alleen maar toenemen als wordt besloten
    minder onderscheid aan te brengen in de formele titulatuur die aan hogeronderwijsdiploma’s
    wordt verbonden.
4.3 Prestatieafspraken binden zowel overheid als instellingen
    De strategische agenda gaat uit van hoofdlijnenafspraken met HBO-raad en VSNU (Vereniging
    Samenwerkende Nederlandse Universiteiten), waarbij deze laatste een initiërende rol hebben.
    De raad waardeert het dat het veld de noodzaak van onderlinge afstemming ziet en dergelijke
    afspraken wil maken. Net als in de gezondheidszorg groeit het bewustzijn dat het voor de legi-
    timiteit in de maatschappij noodzakelijk is om te laten zien dat de kwaliteit op orde is, en hoe
    die is geborgd.
    In de hoofdlijnenakkoorden spreken instellingen en overheid een wederzijds commitment
    uit om zich op de afgesproken doelen te richten. De raad tekent daarbij aan dat het ambitie-
    niveau zoals dat in de inleiding van de strategische agenda is geformuleerd, hoog is en zich
    uitstrekt over vele terreinen. De raad adviseert de overheid om geconcentreerd in te zetten op
    een beperkt aantal terreinen.21 De hogeronderwijsinstellingen moeten er dan vervolgens op
    kunnen rekenen dat de overheid zich aan de prioritering zal houden.
    Aanvullend op de hoofdlijnenakkoorden stelt de agenda voor om afspraken met individuele
    instellingen te maken. Dit is een goede zaak, aangezien de instellingen niet verantwoordelijk
    gemaakt kunnen worden voor elkaars prestaties. De instellingen formuleren in dialoog met de
    staatssecretaris eigen doelen met betrekking tot de profilering en de prestatieafspraken. Naar
    de mening van de raad horen deze prestatieafspraken daarom te gaan over de onderdelen
    waar de instellingen afzonderlijk de verantwoordelijkheid voor dragen. De prestatieafspraken
    kunnen dan ook verschillen tussen instellingen. Wanneer duidelijk is welke instellingen/oplei-
    dingen een vergelijkbaar profiel hebben, kunnen deze zich onderling vergelijken met betrek-
    king tot de prestatieafspraken. Doel hiervan zou vooral moeten zijn om te zoeken naar verkla-
    ringen, mogelijkheden voor verbetering en benchmarking.
4.4 Bevorder de kwaliteitscultuur binnen instellingen
    Juist omdat er geen algemeen aanvaarde definitie van kwaliteit bestaat, is het van belang dat
    de instellingen de prestatie-indicatoren zien als een hulpmiddel om een doel te bereiken, en
    niet als een objectief gegeven.22 Een dergelijk proces heeft zich afgespeeld bij het Landelijk
    21	 Onderwijsraad, 2007.
    22	 Vink, Oosterling, Vermeulen, Eimers & Kennis, 2010.
    22                                                                   Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Kader Nederlandse Politie.23 Daarvoor is het bij het overeenkomen van prestatie-indicatoren
ook van belang dat deze binnen de instellingen betekenisvol zijn.
Afspraken moeten binnen de instellingen worden vertaald in termen van het te voeren
onderwijsbeleid. Colleges van bestuur moeten met alle niveaus binnen de instelling overleg-
gen en onderhandelen om de landelijke doelen door te vertalen naar operationele doelen
die op draagvlak kunnen rekenen bij de faculteiten, opleidingen en docenten. De ambitie van
kwaliteitsverbetering moet worden uitgewerkt tot een onderwijsinhoudelijke discussie over
de programma’s van de opleidingen, de toegepaste werkvormen, de inzet van docenten, de
kwaliteit van de organisatie van de opleiding, de maatregelen om studenten te boeien en prik-
kelen. Betrokkenheid van docenten is daarbij cruciaal. Zij moeten de opleidingsdoelen onder-
schrijven, evenals de wegen waarlangs ze bereikt kunnen worden, en zij moeten ook de gele-
genheid hebben om ze daadwerkelijk te realiseren. Instellingen moeten op hun beurt nagaan
of zij de gestelde doelen bereiken. Resultaten moeten worden geëvalueerd en geïnterpreteerd.
Dit vergt communicatie over doelen, middelen, rollen, resultaten, verbetering.
Om dit proces van kwaliteitsbevordering op gang te brengen en houden, is er binnen instel-
lingen een sterke kwaliteitscultuur nodig. Daaronder verstaat de raad een cultuur waarin men-
sen elkaar aanspreken op prestaties, maar ook niet bang (hoeven te) zijn om een keer te falen.
De raad acht het daarom van belang dat de overheid en de instellingen gericht aandacht beste-
den aan het waar nodig versterken van het onderwijsmanagement, en projecten opzetten die
de kwaliteit van het onderwijs binnen de instellingen bevorderen. De middelen die een instel-
ling hiervoor nodig heeft, kan zij halen uit de inkomsten via de kwaliteitsbekostiging. Hiermee
kunnen prestaties worden benut om de kwaliteit nog verder te verhogen.
23	 Sluis & Thiel, 2003.
Hoger onderwijs voor de toekomst23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    De raad ondersteunt het streven om te komen tot meer profilering van instel-
    lingen. Sturen op een breed scala aan profileringen is gewenst. Daarnaast is de
    raad van oordeel dat een krachtig procesmanagement en de inzet van meer
    middelen noodzakelijk zijn om dit proces van de grond te krijgen
5
5.1
    Aanbeveling 2: versterk inzet op profilering
    Sturen op een breed scala aan profileringen
    De raad onderschrijft een koers gericht op profilering, zowel in onderzoek als onderwijs. Hij is
    van mening dat de discussie bij profilering zou moeten gaan over een adequaat opleidings-
    aanbod in relatie tot onderzoeksvelden, maatschappelijke problemen en beroepsprofielen, en
    een variëteit aan talent. Dit draagt bij aan het gewenste evenwicht tussen de verschillende
    functies van het hoger onderwijs.
    De raad adviseert dan ook te sturen op een breed scala aan profileringen. Het is onwenselijk
    dat alle instellingen zich over de volle breedte gaan richten op excellente mastersopleidingen,
    gaan selecteren aan de poort, brede bachelors gaan invoeren, driejarige hbo-programma’s
    gaan opzetten, en hun onderwijs en onderzoek richten op de topsectoren. Als dit het effect
    zou zijn van de agenda, zou dat juist differentiatie en profilering tegengaan.
    De raad pleit ervoor om voor hogeronderwijsinstellingen incentives te bedenken die het inte-
    ressant maken om niet per se naar de wetenschappelijke top te streven, maar om ook bredere
    groepen studenten tot een hoog niveau te brengen. Als voorbeeld kunnen “colleges” in de Ver-
    enigde Staten dienen, die een zeer hoge onderwijsreputatie hebben en waar onderzoek door
    het wetenschappelijk personeel een ondergeschikte rol speelt. Ook het grote peloton van de
    studentenpopulatie is in het licht van onze kenniseconomie hard nodig. Een focus als die van
    de Erasmus Universiteit op het opleiden van eerstegeneratiestudenten van allochtone afkomst
    is daarom als profiel minstens zo interessant als een inzet op de wetenschappelijke top in een
    bepaald vakgebied.
    Daarnaast is het de vraag of het in het Nederlandse systeem sowieso mogelijk is om te komen
    tot een topuniversiteit over de volle breedte. Het kapitaal dat daarvoor bij buitenlandse top-
    universiteiten aanwezig is, is binnen het Nederlandse systeem nauwelijks op te brengen. De
    verwachting is dan ook eerder dat profielen van instellingen gedifferentieerd zullen zijn: we
    hebben een topopleiding op vakgebied A, richten ons op de brede studentenpopulatie in vak-
    gebied B & C en hebben een publiek dat is te karakteriseren als Y (bijvoorbeeld grootstedelijk/
    internationaal/met name eerste generatie).
    24                                                                     Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  OESO: regionale profilering
   In een aantal rapporten heeft de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwik-
   keling) recent gekeken naar de positie van hogeronderwijsinstellingen in Rotterdam en Amsterdam
   binnen hun regio. De OESO komt daarbij tot de conclusie dat in Rotterdam te weinig sprake is van
  een gedeelde visie van verschillende kennisinstellingen in de regio. 24 In Amsterdam spreekt de OESO
  van te weinig samenhang tussen kennis en bedrijfsleven. 25 Op sommige punten waar de Amsterdam-
  se onderwijsinstellingen heel sterk zijn, is er juist geen bedrijfsleven aanwezig.
Aanknopingspunten voor de verschillende mogelijkheden voor profilering biedt het Europe-
se project U-Map, gefinancierd in het kader van Lifelong Learning Program van de Europese
Unie en uitgevoerd onder leiding van het CHEPS (Center for Higher Education Policy Studies).
Hierin is een Europees systeem van classificatie ontwikkeld voor hogeronderwijsinstellingen.
Het systeem omvat zes dimensies en een aantal indicatoren per dimensie. De gedachte ach-
ter U-Map is het streven naar een beter begrip en benutting van diversiteit als een belangrijke
basis voor de verdere ontwikkeling van Europese systemen voor hoger onderwijs en onder-
zoek. Dit instrument maakt het mogelijk een duidelijker beeld te krijgen van de institutionele
missies en profielen van hogeronderwijsinstellingen. Het gaat hier dus om een beschrijving,
niet om ranking.26
   Voorbeeld van een profileringsaanpak: Hong Kong
   In Hong Kong is een Performance and Role Related Funding Scheme geïntroduceerd om differen-
   tiatie in rollen (missies) van instellingen te realiseren. Iedere instelling heeft zijn eigen individuele
  missie, uitgedrukt in een role statement. 27 Er zijn meer toepassingsgerichte universiteiten, maar ook
  met een uitgebreide onderzoeksfunctie, weer anderen met accent op specifiek onderzoeksterrein
  of “liberal arts”, en een “teacher training college”, alles afgestemd op de zich ontwikkelende behoef-
   ten van Hong Kong. Deze verschillende profielen komen ook tot uitdrukking in de programma’s van
  onderwijs en onderzoek. Kwaliteit wordt gezien als “fitness for purpose”. Het voorbeeld laat zien dat,
  uitgaande van een gekozen rol of missie, er een consistente visie op (kwaliteit van) onderwijs en on-
  derzoek kan worden ontwikkeld – en gemeten.
Verwevenheid onderwijs en onderzoek vormgeven
De agenda pleit voor de verwevenheid van onderwijs en onderzoek. Aan die verwevenheid
wordt geen nadere invulling gegeven. Deze kan in de praktijk echter verschillende betekenis-
sen hebben. Zo kan verwevenheid betekenen dat elke student in het onderzoek van de hoog-
leraar meewerkt, dat medewerkers zowel onderzoeks- als onderwijstaken hebben, dat er in
de opleidingen aandacht is voor onderzoeksmatig werken, of dat in de opleiding de nieuwste
stand van het onderzoek wordt verwerkt, ontleend aan het toponderzoek waaraan de oplei-
ding is gekoppeld.
De raad signaleert dat profilering consequenties kan hebben voor de verwevenheid van
onderwijs en onderzoek en bepleit dat hieromtrent duidelijke uitspraken worden gedaan in
de profielomschrijvingen.
Als een instelling inzet op een excellente master, zal dat een aanzuigende werking hebben op
topdocenten die de voorkeur geven aan een wetenschappelijk gezien inspirerende werkomge-
24	  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2010b.
25	  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2010a.
26	  Vught, Kaiser, File, Gaethgens, Peter, e.a., 2010.
27	  Benneworth, Boer, Cremonini, Jongbloed, Leisyte, e.a., 2011.
Hoger onderwijs voor de toekomst25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    ving met getalenteerde studenten en collega’s. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het belang
    van de bachelor, ook in het kader van de academische vorming van studenten. Het beleid zou
    daarom ook incentives moeten bevatten die topdocenten/-onderzoekers ertoe aanzetten om
    ook werkzaam te zijn in de (academische) bacheloropleidingen.
5.2 Zet in op krachtig procesmanagement
    Sectorplannen zijn traditioneel een instrument om problemen met de schaarste aan studenten
    of facilitaire voorzieningen in die disciplines aan te pakken. Er zijn geen voorbeelden bekend
    van sectorplannen voor gebieden als recht, economie of sociale wetenschappen, met juist een
    overvloed aan geïnteresseerde studenten.
    De strategische agenda beoogt – in lijn met de voorstellen van de Werkgroep Profilering en
    Bekostiging – een ander type sectorplannen, die niet alleen zijn gericht op doelmatigheid,
    maar die juist ook de behoefte aan excellente of juist brede, maatschappelijk georiënteerde
    opleidingen beredeneren vanuit inhoudelijk perspectief. De raad sluit zich aan bij deze inter-
    pretatie van sectorplannen. Hij ziet als voordeel dat periodiek een inhoudelijke heroverwe-
    ging plaatsvindt, die een stimulans voor de ontwikkeling van het wetenschapsgebied of het
    beroepsdomein betekent. Ook kan op deze manier een doelmatig palet aan opleidingen wor-
    den gerealiseerd.
    Een doeltreffende coördinatie, waarbij het bewaken van de voortgang van het proces cruciaal
    is, is hier van groot belang. Profilering is immers een ingewikkeld vraagstuk, waarbij rekening
    moet worden gehouden met zowel de individuele (instellings)belangen (vanuit profilerings-
    oogpunt) als de collectieve belangen. Dit vergt bestuurlijk gezien een goede afstemming tus-
    sen centraal en decentraal niveau, zowel lokaal als landelijk.
    Het hogeronderwijsveld heeft geen overtuigend ‘track record’ voor gezamenlijke operaties.
    Eerdere operaties waar de verantwoordelijkheid bij de gezamenlijke instellingen werd gelegd,
    bijvoorbeeld op het gebied van herordening van onderwijsaanbod in de vorm van taakverde-
    ling en concentratie en op het gebied van macrodoelmatigheid, zijn naar de waarneming van
    de raad vanuit stelseloogpunt niet zonder meer succesvol verlopen. De raad is van mening dat
    instellingen verantwoordelijk zijn voor hun eigen onderwijsaanbod en niet collectief voor het
    totale aanbod op macroniveau. De verantwoordelijkheid op macroniveau behoort bij de over-
    heid te liggen.
    De raad wijst in dit verband op de overwegingen die hebben geleid tot het schrappen van
    bepalingen uit de WHW, die een dergelijke collectieve verantwoordelijkheid poneerden. Naar
    de mening van een meerderheid van de Tweede Kamer hadden de gezamenlijke instellin-
    gen er onvoldoende blijk van gegeven in staat te zijn de verantwoordelijkheid voor landelijke
    afstemming op het gebied van het opleidingenaanbod voor hun rekening te kunnen en willen
    nemen. Door het aannemen van het amendement-Hamer c.s.28 koos de Kamer voor een directe
    verantwoordelijkheid van de minister voor de beoordeling van een doelmatige taakverdeling
    tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger
    onderwijs.
    28	   Gewijzigd amendement van het lid Hamer c.s. ter vervanging van de amendementen gedrukt onder de nrs. 12 en
          18, 2002.
    26                                                                               Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    De raad is van mening dat op zijn minst enige reflectie op het verloop van genoemde proces-
    sen is aan te bevelen, voordat de staatssecretaris voor een aanpak van landelijke afstemming
    door de instellingen zelf kiest. Hij adviseert om op onderdelen waarbij de verantwoordelijk-
    heid in redelijkheid niet bij de gezamenlijke instellingen behoort te worden gelegd, zoals het
    proces van verdeling van het opleidingenaanbod, te kiezen voor een sterkere overheidsregie.
    De raad pleit daarom voor een krachtiger procesmanagement dan de strategische agen-
    da voorstelt. De keuze om een bepaalde profilering te prioriteren binnen een instelling gaat
    onvermijdelijk gepaard met posterioritering van andere. De opbouw van nieuwe programma’s
    op één plek leidt ontegenzeglijk tot afbouw van andere. Er is nog geen zicht op de te verwach-
    ten personele implicaties en transitiekosten. Om te voorkomen dat deze het proces van profi-
    lering verhinderen, is sterk procesmanagement vanaf het begin nodig, en niet pas na enige tijd,
    als gebleken zou zijn dat er niet voldoende tempo is gemaakt.
    Het voorgaande laat onverlet dat de raad positief staat tegenover initiatieven van instellingen
    om op een door hen te bepalen schaal te komen tot afstemming en taakverdeling, zoals dat
    op dit moment lijkt te gebeuren binnen diverse conglomeraten van instellingen (Universiteit
    Utrecht en Technische Universiteit Eindhoven, de universiteiten van Leiden, Delft en Rotter-
    dam, de Amsterdamse universiteiten en de Hogeschool Rotterdam met InHolland). Niettemin
    dient ook dan de eindverantwoordelijkheid van de overheid voor de macrodoelmatigheid
    overeind te blijven.
    Tot de procesregie behoort ook het opstellen van de spelregels over de kwaliteits- en presta-
    tie-indicatoren. De hoofdlijnenafspraken, die in 2012 moeten zijn afgerond, kunnen niet in de
    plaats van deze spelregels komen. De hoofdlijnenafspraken moeten gaan over de bewaking
    van de profileringen van alle instellingen, de spelregels moeten gaan over de bewaking van de
    manier waarop de indicatoren van de kwaliteit en de profilering worden gemeten. De proces-
    regisseur spreekt, als het pakket van profleringen gereed is, met de afzonderlijke instellingen
    af welke indicatoren daarbij passen. Dit garandeert dat de indicatoren bijdragen aan de stel-
    seldoelen. Uiteraard is er nauwe interactie tussen procesregisseur en instellingen over de aard
    van de indicatoren.
5.3 Maatregelen profielbekostiging onvoldoende voor omslag stelsel
    Profilering als beoogd in de strategische agenda roept direct de vraag op naar de rolverdeling
    tussen overheid en instellingen bij de realisatie daarvan. Verschillende scenario’s zijn hierbij
    denkbaar, die variëren van volledig overlaten aan de instellingen en de relevante onderdelen
    daarbinnen tot integrale planning door de overheid. Als het gaat om de inhoudelijke kant zijn
    de instellingen wellicht het best in staat te beoordelen wat vanuit die invalshoek wenselijk is.
    De overheid zal vooral kijken vanuit de door haar gepercipieerde (of bepaalde) maatschappe-
    lijke behoefte, met inachtneming van haar verantwoordelijkheid voor een macrodoelmatig en
    toegankelijk bestel.
    Het ligt voor de hand een model te kiezen waarbij aan alle belangen zo veel mogelijk recht
    wordt gedaan én waarbij de kans op realisatie van de beoogde profilering zo groot mogelijk
    is. Zo lijkt het in het Nederlandse bestel onwaarschijnlijk dat een universiteit zich ten aanzien
    van een bepaalde discipline vrijwillig zou willen beperken tot de bacheloropleidingen en de
    masteropleidingen aan andere instellingen overlaat. Het omgekeerde lijkt een meer aanne-
    Hoger onderwijs voor de toekomst27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>melijke keuze, zij het dat in het huidige stelsel een dergelijke keus vanwege de hoge transitie-
kosten alleen realistisch is met een substantiële extra financiële ondersteuning. Met andere
woorden: verregaande profilering zal alleen tot stand komen met behulp van substantiële
financiële prikkels.
De agenda wil een gedeelte van het onderwijsbudget afzonderen voor een in het bekosti-
gingsmodel op te nemen deel ‘kwaliteit en profiel’, en dit bedrag herverdelen primair aan de
hand van de prestatieafspraken met individuele instellingen. Dit bedrag bestaat uit de huidige
middelen voor de meerjarenafspraken (80 miljoen euro), plus de herinvesteringsmaatregelen
(oplopend van 200 tot 230 miljoen euro). Daarbinnen wordt voor zwaartepuntvorming en pro-
filering in het onderwijs 50 miljoen euro op jaarbasis selectief toegewezen. De beschikbare 310
miljoen is 7% van het hogeronderwijsbudget. Op termijn kan dit percentage oplopen naar 20%
van het onderwijsbudget (als uit evaluatie in 2015 blijkt dat de aanpassing van de bekostigings-
systematiek een duidelijk positief effect heeft op profilering en kwaliteit en er aanvullende
middelen beschikbaar komen). Voor onderzoeksprofilering is daarnaast nog eens 90 miljoen
beschikbaar, die grotendeels ten goede komt aan de topsectoren.
De raad is van mening dat met de beschikbare middelen te veel doelen tegelijk worden nage-
streefd. Reallocatie van middelen uit het bestaande budget zou moeten worden benut voor
prestatieafspraken en gedeeltelijke bekostiging op basis van kwaliteit. Voor profilering van
individuele instellingen zullen additionele middelen moeten worden ingezet.
Tegen deze achtergrond kan men zich afvragen of een herverdeling van (uiteindelijk) 15% van
de middelen, waarvan slechts een klein deel daadwerkelijk voor profilering bestemd is, vol-
doende is voor de gewenste omslag met behoud van alle functies van het hoger onderwijs.
Wellicht moet het proces in ieder geval worden opgestart met voorzieningen om de transitie-
kosten te dekken.29
29	 Werkgroep Profilering en Bekostiging, 2011.
28                                                                     Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    Hogeropgeleiden vervullen een innovatieve rol in de maatschappij, maar in-
    novatie laat zich moeilijk sturen. Door de financiële crisis krijgen de sociaal-
    economische opbrengsten van het hoger onderwijs extra gewicht, maar de
    sociaalculturele waarde is evenzeer van belang en minstens even urgent. Daar-
    om pleit de raad voor ruimte voor de instellingen om met hun studenten ook
    niet-gebaande paden te kunnen inslaan.
6   Aanbeveling 3: zet in op brede taak hoger
    onderwijs om innovatieve kracht van de
    samenleving te bevorderen
6.1 Innovatie en creativiteit hebben ruimte nodig
    Het hoger onderwijs leidt zowel ‘equilibrators’ op als ‘innovators’.30 De eersten gebruiken hun
    kennis en vaardigheden om problemen op te lossen door de vraag te stellen: doen we de din-
    gen goed? (eerste orde leren). Zij bestendigen daarmee de vakinhoudelijke en maatschappe-
    lijke orde. De innovatoren proberen problemen op te lossen door de vraag te stellen: doen we
    de goede dingen? en hoe kunnen we leren om de goede dingen te doen? Zij proberen de werk-
    wijze of de context van het probleem te veranderen (tweede of derde orde leren).
    Hoger onderwijs moet creativiteit en innovatief denkvermogen ontwikkelen en koesteren.
    Nederland zal het in de internationale kenniscompetitie moeten hebben van zijn ‘koppige,
    dwarse manier van denken’ en zijn pragmatische geest, die zich niet te veel gelegen liggen
    laat aan regels. Het hoger onderwijs moet daarom een klimaat scheppen waarin deze dwars-
    heid en innovatiekracht kan bloeien, waarin de tijd van onderzoekers opgaat aan denken en
    niet aan formaliteiten en waarin studenten worden gestimuleerd tot creatief denken en niet
    tot ‘vakjes halen’.31
    Hoe goed leidt het hoger onderwijs studenten op voor innovatie? Omdat innovatie intensieve
    interactie vereist tussen individu en organisatie, moeten vakinhoudelijke kennis en vaardig-
    heden worden gecombineerd met sociale vaardigheden. Dat vraagt ook om minder traditio-
    nele onderwijsmethoden, bijvoorbeeld probleemgestuurd leren.32
    De raad onderschrijft dat het hoger onderwijs mensen opleidt voor de toekomstige kennis-
    economie. Hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs hebben daarin hun eigen
    rol in de opleiding van ’equilibrators’ en ‘innovators’. Voor beide groepen moet het onderwijs
    30	 Lundvall, 2008.
    31	 Fresco, 2011.
    32	 Lundvall, 2008.
    Hoger onderwijs voor de toekomst29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    gericht zijn op het oplossen van problemen in de praktijk van wetenschap of beroep. Het is daarbij
    belangrijk dat studenten situaties vanuit meer (onder andere culturele en emotionele) perspec-
    tieven kunnen bekijken. Creatief denken vergroot kennis (door het combineren van mogelijk-
    heden), terwijl het hebben van kennis ook voorwaarde is om creatief te kunnen denken. Creatief
    denken en handelen leidt tot een andere manier van luisteren, praten en lezen, tot sneller een
    serieuze gesprekspartner zijn, tot meer kritisch en met meer zelfvertrouwen de wereld tegemoet
    kunnen treden omdat geleerd is om te gaan met onzekerheden (van feiten naar twijfels).33
    Kernkwaliteiten van wo’ers en hbo’ers
    Alle wetenschappelijke opleidingen zullen zich, volgens de agenda, in 2025 kenmerken door
    een sterke component van academisch vorming. Daaraan wordt direct toegevoegd: “en is de
    verwevenheid van onderzoek en onderwijs versterkt”. De raad is van mening dat zowel acade-
    mische vorming als de verwevenheid onderwijs-onderzoek van belang zijn, maar dat dit niet
    behoeft te betekenen dat studenten louter in disciplinegebonden kennis worden opgeleid.
    Een complexe samenleving heeft professionals en intellectuelen nodig, die multidisciplinair
    kunnen denken en (samen)werken. Ook moeten ze leren die kennis te gebruiken; opleidingen
    dienen daartoe aandacht te besteden aan probleemoplossende vermogens, sociale vaardig-
    heden en creativiteit.
    Kerntaak van het hoger beroepsonderwijs is het inleiden in een beroep, maar ook dat gaat verder
    dan alleen het overdragen van vakkennis. Een hbo-professional moet beschikken over een onder-
    zoekende open houding ten opzichte van nieuwe kennis en moet in zijn opleiding leren die te
    integreren in zijn beroepspraktijk. Een hbo-opleiding behoort tevens bij te dragen aan de verdere
    ontwikkeling van het beroep. Een constante wisselwerking met de beroepspraktijk is essentieel.
    Zij is dus meer dan de som der delen en geen verzameling beroepsgerelateerde cursussen.
    Hoger beroepsonderwijs moet gericht zijn op het opleiden van professionals voor de arbeids-
    markt, die ook in staat zijn om vragen te stellen bij de beroepspraktijk; van werknemers met
    een goed ontwikkelde nieuwsgierigheid naar wat er nog meer te koop is qua kennis en nieu-
    we ontwikkelingen. Dit is een belangrijk onderdeel van de professionaliteit. Leijnse, Hulst en
    Vroman (2006) spreken in dat kader van “passie voor de professie”.34
6.2 Hoger onderwijs moet deze ruimte kunnen bieden
    De raad ziet het economisch rendement van hoger onderwijs in brede zin (zie ook hoofdstuk 2).
    Aan maatschappelijke vraagstukken, zoals bijvoorbeeld veiligheid, onderwijs, gezondheids-
    zorg, arbeidsmarkt, vergrijzing en kwaliteit van openbaar bestuur, die uiteindelijk minstens zo
    bepalend zijn voor het economisch welvaren, kan en moet het hoger onderwijs eveneens een
    substantiële bijdrage leveren. Juist deze factoren zijn in hoge mate bepalend voor een samen-
    leving waarin het goed toeven is en die aantrekkelijk is voor buitenlandse kenniswerkers en
    investeerders.
    In de ogen van de raad heeft het hoger onderwijs dan ook meerdere opdrachten:
    • een wetenschappelijke opdracht (met name universiteiten);
    • een maatschappelijke opdracht; en
    • een persoonlijke vormingsopdracht.
    33	  Delnooz, 2008.
    34	  Leijnse, Hulst & Vromans, 2006.
    30                                                                     Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De kenniseconomie is het meest gebaat met hogeronderwijsinstellingen die hun studenten
stimuleren om ook niet-gebaande paden in te slaan en onorthodoxe wegen te beproeven. De
raad is dan ook van mening dat het hoger onderwijs de ruimte moet houden om zelf een even-
wicht te zoeken tussen de verschillende opdrachten. De profilering van instellingen via hun
instellingsplannen kan hiervoor de ruimte bieden.
Hoger onderwijs voor de toekomst31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    Een belangrijk aandachtspunt van de raad is de toegankelijkheid van het
    onderwijs. Dit reikt verder dan de in de agenda bepleite toegankelijkheid op
    stelselniveau. Daarbij hoort dat er verschillende wegen kunnen zijn die naar
    hetzelfde doel leiden. In dit kader besteedt de raad aandacht aan de instroom
    en doorstroom van studenten en aan het inspelen op diversiteit.
7   Aanbeveling 4: waarborg de toegankelijk­
    heid van het hoger onderwijs
7.1 Geen onnodige drempels bij toegang tot hoger onderwijs
    Toegankelijkheid tot het hoger onderwijs is op twee manieren te definiëren. Het kan gaan om
    toegang tot het hoger onderwijs bij instroom en om de begaanbaarheid van leerwegen bin-
    nen het hoger onderwijs.
    De raad kan zich er in principe in vinden dat de strategische agenda een onderscheid maakt
    tussen toelaatbaarheid tot een opleiding en de daadwerkelijke toelating. Selectie van studen-
    ten kan kwaliteitsverhogend werken, met name wanneer selectie studenten stimuleert in wat
    ze potentieel kunnen. Het is wel van belang om te kijken naar eventuele ongewenste neven-
    effecten van selectie op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. De raad hecht er grote
    waarde aan dat eenieder hoger onderwijs naar zijn capaciteiten kan volgen. Dit uitgangspunt
    speelt een rol zowel bij de toegang tot het hoger onderwijs als bij de verdere doorstroming
    binnen het hoger onderwijs (voor het tweede aspect zie paragraaf 7.2 en 7.3).
    Raad steunt beperkte mate van selectie
    In de strategische agenda is selectie met name een middel om de profilering van opleidin-
    gen te ondersteunen. Uitgangspunt daarbij blijft dat selectie altijd gericht moet zijn op een
    betere afstemming tussen enerzijds het niveau en het profiel van de opleiding en anderzijds
    de capaciteiten en motivatie van de studenten. De agenda stelt dan ook voor dat opleidingen
    met een scherp onderwijs- of beroepsprofiel de mogelijkheid krijgen om selectie-eisen te stel-
    len. Daarbij stelt de agenda dat selectie niet uitsluitend op basis van eindexamencijfers mag
    plaatsvinden, maar altijd een combinatie van criteria moet betreffen. Het kan dan gaan om
    onderwijsprestaties (zoals het minimumcijfer dat vereist is voor relevante vakken of de vak-
    ken waarin in het voortgezet onderwijs of middelbaar beroepsonderwijs examen moet zijn
    gedaan), in combinatie met motivatie.
    De raad steunt een beperkte selectie, gebaseerd op het hierboven genoemde uitgangspunt.
    Hij adviseert instellingen de profilering adequaat door te trekken naar de opvang en begelei-
    ding van studenten. Anders komt de toegankelijkheid alsnog in gevaar. De raad bepleit daar-
    om een coherente invulling van profilering, selectie, studievoorlichting en studiegesprekken,
    didactiek, tentaminering en examinering; onderwijs op maat of ’onderwijs op profiel’.
    32                                                                    Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>    De faire behandeling van studenten is daarbij ook van belang. Het is bekend dat selectie,
    en ook het middel voor zelfselectie door de student, de studiekeuzegesprekken, tijd kosten.
    Opleidingen zullen naar alle waarschijnlijkheid zwaarder belast worden door selectie- en zelf-
    selectieprocessen, met als risico dat vooral goed automatiseerbare processen de boventoon
    gaan voeren. Dit geldt zeker voor opleidingen die geen voorportaal in het voortgezet onder-
    wijs hebben, zoals rechten en psychologie. De raad bepleit daarom dat het hoger onderwijs
    een standaard ontwikkelt voor valide en faire selectiemethoden en -processen, en deze naleeft.
    Tevens is het van belang de effectiviteit van studiekeuzegesprekken ten aanzien van profile-
    ring en kwaliteit zorgvuldig te monitoren.
    Nadere toelatingseisen voor mbo’ers gelijkstellen aan die van havisten
    Voor de toegang tot het hoger onderwijs vraagt de raad om speciale aandacht voor de
    instroom van mbo’ers (middelbaar beroepsonderwijs). De agenda pleit voor ‘nadere toela-
    tingseisen’ die instellingen mogen stellen aan studenten met een mbo 4-opleiding. De raad is
    weliswaar voorstander van het in stand houden van het algemeen doorstroomrecht van mbo
    4 naar hbo35, maar acht het stellen van gelijksoortige toelatingseisen aan mbo’ers en havisten
    daarmee niet in strijd. Zo stelt bijvoorbeeld de hbo-opleiding bestuurskunde aan de havo-
    instroom de eis dat het vak economie is gevolgd. De raad acht het redelijk om deze eis dan
    ook aan mbo 4-­studenten te stellen, zodat een mbo 4-opleiding die toegang geeft tot de hbo-
    opleiding bestuurskunde ook een economiecomponent zal moeten bevatten. Andere eisen
    die afbreuk doen aan het algemeen doorstroomrecht van mbo 4 naar het hbo, zijn wat hem
    betreft niet aan de orde.
    Ook de plannen om mbo 4-opleidingen tot 3 jaar te verkorten, kunnen consequenties hebben
    voor de toelating van mbo’ers tot het hoger onderwijs Een sterk punt van het Nederlandse
    systeem is altijd geweest dat selectie weliswaar op jonge leeftijd plaatsvindt, maar dat er vol-
    doende alternatieve routes zijn om elk gewenst onderwijsniveau alsnog te bereiken indien de
    leerling de capaciteiten daarvoor heeft. De raad acht het daarom van belang dat deze route
    open blijft.
    Stimulerend inzetten op ambitieuze studiecultuur
    Een laatste punt dat in dit kader van belang is, betreft de ambitieuze studiecultuur die de agen-
    da beoogt te realiseren. De raad deelt de opvatting van de staatssecretaris dat er ook van stu-
    denten meer inzet gevraagd mag worden in het hoger onderwijs. De tijdsbesteding van stu-
    denten aan enerzijds studie en anderzijds andere zaken is hiervoor illustratief. De uitwerking
    van deze inzet op studiecultuur zou vooral stimulerend moeten zijn, om de toegankelijkheid
    van het hoger onderwijs te waarborgen; zeker voor groepen voor wie het volgen van hoger
    onderwijs minder vanzelfsprekend is.
7.2 Meer doorstroming binnen het hoger onderwijs mogelijk maken
    Doorstroommogelijkheden binnen het hoger onderwijs dragen ook bij aan de toegankelijk-
    heid van het onderwijs. Eenmaal binnen het hoger onderwijs zijn er voor studenten verschil-
    lende wegen waarlangs zij eenzelfde onderwijspositie kunnen bereiken. Deze paragraaf gaat
    in op een aantal structurele aspecten die samenhangen met de begaanbaarheid van leer-
    wegen. De gevolgen voor de opzet van opleidingen staan in paragraaf 7.3.
    35	Onderwijsraad, 2009.
    Hoger onderwijs voor de toekomst33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>    Maatregelen in de strategische agenda op het gebied van differentiatie in het onderwijsaanbod
    Meer differentiatie in het hoger beroepsonderwijs
    • De associate degree wordt definitief ingevoerd.
    • Driejarige trajecten voor vwo’ers worden mogelijk gemaakt.
    • De titulatuur gaat beter aansluiten bij de titulatuur die internationaal gebruikelijk is.
    • Er komt meer ruimte voor de professionele master en voor brede bachelors in het doel­matig-
          heids­beleid.
    Meer differentiatie in het wetenschappelijk onderwijs
    • Er komt meer ruimte voor brede bachelors in het doelmatigheidsbeleid.
    • De verplichte doorstroommaster wordt afgeschaft.
    Bron: Kwaliteit in verscheidenheid. Strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap.
De agenda pleit voor het afschaffen van de automatische toegang tot een wo-opleiding na
het behalen van een hbo-propedeuse. Hiermee beperkt de agenda de doorstroom binnen het
hoger onderwijs. Omdat het Nederlandse onderwijssysteem zo is ingericht dat kinderen al op
twaalfjarige leeftijd een keuze maken voor het type voortgezet onderwijs, versterkt deze maat-
regel de vroege selectie van leerlingen. Dit is nadelig voor de toegankelijkheid.
De implicaties van de in de agenda bepleite verdere uitbouw van de associate degree voor de
toegankelijkheid zijn minder duidelijk. De associate degree blijft in het huidige plan onder-
deel van de hbo-bachelor, maar krijgt daarbinnen wel een zelfstandiger positie met een eigen
arbeidsmarktgerichte profilering. Het automatisch doorstroomrecht van de ad’er naar de ver-
volgfase in de bachelor verdwijnt, het behalen van een associate degree garandeert geen
rechtstreekse toelating tot het derde jaar van de hbo-bachelor meer. Deze beleidsvoornemens
zijn enerzijds positief te waarderen (aparte trede op de onderwijsladder en doorstroom naar de
arbeidsmarkt), maar verminderen anderzijds de toegankelijkheid.
De agenda schrapt de bepalingen met betrekking tot de doorstroommaster, waarmee een
kunstmatige constructie verdwijnt uit de wetgeving. Landelijk gezien zullen er altijd mogelijk-
heden blijven om na een bachelor op een bepaald gebied een aansluitende master te doen.
Wat verdwijnt is de verplichting dat dit op instellingsniveau ook wordt mogelijk gemaakt. De
raad acht landelijke doorstroommogelijkheden voldoende.
Tegelijkertijd ziet de raad interessante mogelijkheden voor het volgen van niet-aansluitende
trajecten na de bachelor. Het is een belangrijke verworvenheid van het bachelor-masterstelsel
dat switches naar andere disciplines mogelijk zijn. Een juridische bachelor, gevolgd door een
economische, theologische of sociaal-wetenschappelijke master, levert een rijker geschakeer-
de groep van afgestudeerden dan een monodisciplinair opgeleide groep. Eventueel volgt deze
groep een tweejarige master. Het zal hier gaan om relatief kleine aantallen studenten (in de
orde van grootte van 5%), die echter wel het aanbod op de arbeidsmarkt aanzienlijk kunnen
verrijken. De profileringsdiscussie zal leiden tot een nieuwe doordenking van het opleidingen-
aanbod en wellicht blijkt er dan behoefte aan dergelijke cross-disciplinaire profileringen. Hier-
bij is het wel van belang om na te gaan wat het effect is van de maatregel om instellingen voor
schakelprogramma’s die langer dan een half jaar duren het instellingscollegegeld te laten vra-
gen. Dit zou cross-disciplinaire doorstroom juist kunnen ontmoedigen.
34                                                                                                   Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>     Het systeem van de in de agenda voorgestelde brede bachelorprogramma’s die zich na een
     breed eerste deel steeds verder toespitsen, is in dit verband ook aantrekkelijk. Hiervoor zijn
     verschillende mogelijkheden, zoals verdere specialisatie binnen één discipline en het volgen
     van een minor in een andere discipline. Laatstgenoemde mogelijkheid vergemakkelijkt de toe-
     gang tot masteropleidingen in die discipline.
7.3  Inspelen op diverse doelgroepen
     Een andere mogelijkheid om de begaanbaarheid van leerwegen te vergroten, is het goed
     inspelen op diverse doelgroepen bij de opzet van een opleiding. Meer deelname aan het
     hoger onderwijs gaat samen met een grotere variëteit in het onderwijsaanbod.36 De raad heeft
     hierboven al aangegeven dat de discussie bij profilering zou moeten gaan over een adequaat
     opleidingenaanbod in relatie tot onderzoeksvelden, maatschappelijke problemen en beroeps-
     profielen, en een variëteit aan talent. De profilering van opleidingen moet zodanig zijn inge-
     richt dat iedereen die voldoende gekwalificeerd is voor het hoger onderwijs, een opleiding
     moet kunnen vinden die past bij niveau en inhoudelijke ambities. Naast de driejarige trajec-
     ten voor vwo’ers in het hoger beroepsonderwijs pleit de raad overigens nadrukkelijk ook voor
     excellentietrajecten voor deze groep. Andere vormen van diversiteit waar meer instellingen
     aan zouden kunnen werken, zijn differentiatie naar didactiek, inzet, moeilijkheidsgraad en
     inhoud, brede en smalle bachelors, associate degrees (hbo), instroom op basis van evc (erken-
     ning van elders verworven competenties), meervoudige deelinstructietalen, honours classes,
     universiteitscolleges en bijspijkerklassen voor studenten met een achterstand op een bepaald
     gebied. Ook binnen instellingen kan een grotere variëteit in het aanbod ontstaan. Een oplei-
     ding met veel studenten, zoals psychologie of geneeskunde, kan zijn onderwijs op verschillen-
     de manieren aanbieden (bijvoorbeeld meer/minder intensief of met gebruik van verschillende
     didactieken aangepast aan de behoeftes van de student).
     Een onderwijsinstelling kan zo haar onderwijsinhoud, programmering en didactiek afstem-
     men op de belangstelling en vaardigheden van de doelgroep. Deze kan zoals gezegd heel
     divers zijn: autochtonen, allochtonen, eerstegeneratiestudenten, regionaal ingekleurd, groot-
     stedelijk met verschillende vooropleiding en wellicht soms ook al veel werkervaring.
     Om de begaanbaarheid van leerroutes te vergroten is het ten slotte van belang hoe plaatsing
     van studenten in verschillende trajecten plaatsvindt. Zo is het mogelijk om direct bij binnen-
     komst de top van 20% van de studenten te plaatsen in aparte trajecten. Deze vorm van selec-
     tie is ‘streaming’. De groep is op voorhand bekend en zal min of meer automatisch worden
     toegeleid naar het hogere onderwijsniveau. Instellingen kunnen hier een alternatief voor bie-
     den door op basis van ‘setting’ studenten gedurende hun opleiding steeds weer opnieuw de
     mogelijkheid te geven om op onderdelen de opleiding op een hoger niveau af te sluiten. Daar-
     mee doen zij ook recht aan het feit dat er studenten zijn die pas in hun studie opbloeien en
     kunnen zij ‘verborgen talent’ aanboren.
     Andere voorstellen om aan de toenemende diversiteit tegemoet te komen, kunnen bijvoor-
     beeld zijn het creëren van algemene hogere opleidingsroutes op verschillende niveaus naast
    ‘echte’ wetenschappelijke en beroepsopleidingen. Ook zou in dit kader gedacht kunnen wor-
     den aan het creëren van dakpanconstructies voor opleidingen die gezien hun inhoud en eisen
     tussen hbo- en academisch niveau inzitten. Combinatieopleidingen, zoals de academische
     36	 Onderwijsraad, 2005.
     Hoger onderwijs voor de toekomst35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>pabo (studenten halen in vier jaar zowel de hbo-bachelor pabo als de bachelor onderwijs-
kunde aan de universiteit), zijn in meer sectoren denkbaar.
De raad is van mening dat het accommoderen van diverse doelgroepen onderdeel uit zou
moeten maken van de afspraken tussen de instellingen en de overheid met betrekking tot pro-
filering en/of kwaliteit en studiesucces.
36                                                               Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Afkortingen
ad		       associate degree
hbo		      hoger beroepsonderwijs
mbo		      middelbaar beroepsonderwijs
OESO		     Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
SER		      Sociaal-Economische Raad
VSNU		     Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
WHBO		     Wet op het hoger beroepsonderwijs
WHW		      Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
wo		       wetenschappelijk onderwijs
Hoger onderwijs voor de toekomst37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Literatuur
Benneworth, P., Boer, H. de, Cremonini, L., Jongbloed, B., Leisyte, L., Vossensteyn, H. & Weert, E.
    de (2011). Quality related funding, performane agreements and profiling in higher education: An
    international comparative study. Enschede: CHEPS Universiteit Twente.
Commissie Toekomsbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (2010). Differentiëren in drievoud. Den
    Haag: Ministerie van OCW.
Delnooz, P.V.A. (2008). Onderwijs, Onderzoek en de Kunst van het Creatieve Denken. Proefschrift.
    Universiteit van Tilburg, Tilburg.
Fresco, L. (2011, 5 mei). Afgedwongen kennis. NRC Handelsblad.
Gevers, J. (1998). De breekbaarheid van het goede. Amsterdam: Vossiuspers AUP.
Gewijzigd amendement van het lid Hamer c.s. ter vervanging van de amendementen gedrukt onder
    de nrs. 12 en 18 (2002). Amendement. Geraadpleegd op 12 september 2011 via http://opmaat-
    nieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=op&key=KST59177.
Inspectie van het Onderwijs (2011). Alternatieve afstudeertrajecten en de bewaking van het eind-
    niveau. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Leijnse, F., Hulst, J. & Vromans, L. (2006). Passie en precisie. Utrecht: Hogeschool Utrecht.
Lundvall, B.A. (2008). Higher education, innovation and economic development. In J.Y. Lin & B.
    Pleskovic (eds.), Annual World Bank conference on development economics regional. Washing-
    ton: The World Bank.
Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (2011a). Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en
    Wetenschapsbeleid; brief staatssecretaris over de toekomstbestendigheid van het hogeronder-
    wijsstelsel. Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter
    van de Tweede Kamer, 7 februari 2011. Kamerstukken II, 31 288, 150.
Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (2011b). Kwaliteit in verscheidenheid. Den
    Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Motie van het lid Hamer c.s. (2009). Motie. Geraadpleegd op 12 september 2011 via http://opmaat-
    nieuw.sdu.nl/opmaat/show.do?type=op&key=KST134755.
Onderwijsraad (2005). De helft van Nederland hoogopgeleid. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007). Veelzeggende instrumenten van onderwijsbeleid. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2008). Richtpunten bij onderwijsagenda’s. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009). De weg naar de hogeschool. Den Haag: Onderwijsraad.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2008). Final Synthesis Report from
    the OECD Thematic Review of Tertiary Education. Geraadpleegd op 20 september 2011 via
    http://oecd-conference-teks.iscte.pt/documents.html.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2010a). Higher Education in Regio-
    nal and City Development, Amsterdam, The Netherlands. Geraadpleegd op 20 september 2011
    via http://www.oecd.org/dataoecd/20/6/46006696.pdf.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2010b). Higher Education in Regio-
    nal and City Development, Rotterdam, The Netherlands. Geraadpleegd op 20 september 2011
    via http://www.oecd.org/dataoecd/11/58/45986968.pdf.
Schleicher, A. (2006). The economics of knowledge: Why education is key for Europe’s success. Brus-
    sel: The Lisbon Council.
Shapiro, H.T. (2005). A Larger Sense of Purpose: Higher Education and Society. Princeton: Princeton
    University Press.
Sluis, A. van & Thiel, S. van (2003). Mogelijkheden en onmogelijkheden van prestatiesturing bij
    de Nederlandse politie. Tijdschrift voor veiligheid en veiligheidszorg, 2(4), 18-31.
38                                                                         Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Sociaal Economische Raad (2011). Advies Strategische Agenda Hoger Onderwijs Onderzoek en
    Wetenschap. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
Thiel, S. van (2009). Prestatiemeting in de publieke sector. Zeven misvattingen. Overheidsma-
    nagement, 2009 (1), 20-23.
Vink, R., Oosterling, M., Vermeulen, M., Eimers, T. & Kennis, R. (2010). Doelmatigheid van het
    middelbaar beroepsonderwijs. Tilburg: IVA.
Vught, F.A. van, Kaiser, F., File, J.M., Gaethgens, C., Peter, R. & Westerheijden, D.F. (2010). U-Map:
   The European classification of higher education institutions. Enschede: CHEPS.
Werkgroep Profilering en Bekostiging (2011). Naar een meer geprofileerd hoger onderwijs en
    onderzoek.
Hoger onderwijs voor de toekomst39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen		
Bij de totstandkoming van dit advies is gesproken met de volgende deskundigen.
De heer dr. A.A.B. van Bemmel, secretaris HBO-raad
De heer drs. C. van den Berg, beleidsadviseur VSNU
Mevrouw dr. G. ter Horst, voorzitter HBO-raad
De heer prof. dr. J.F.M.J. van Hout, emeritus-hoogleraar Universiteit van Amsterdam en hoog-
     leraar bij de Open Universiteit Nederland
De heer dr. B.W.A. Jongbloed, medewerker onderzoek, Center for Higher Education Policy
     Studies
De heer drs. H. de Jonge, VSNU
De heer drs. R. Smits, adviseur onderwijsbeleid HBO-raad
Mevrouw dr. S. van Thiel, universitair hoofddocent, Erasmus Universiteit Rotterdam
De heer prof. dr. C. Veerman, voorzitter van de Commissie Toekomstbestendig Hoger Onder-
     wijs Stelsel
De heer prof. dr. A.M.L. van Wieringen, oud-voorzitter van de Onderwijsraad
Mevrouw J. van Zoggel, vanZoggel Advies
40                                                                    Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesvraag
Hoger onderwijs voor de toekomst41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42 Onderwijsraad, september 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Wisselende nadruk op verschillende doelen en taken hoger onderwijs
Hoger onderwijs voor de toekomst43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Het Nederlandse hoger onderwijs is verankerd in de WHW (Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek). Deze wet geeft onder meer weer wat de kerntaken van hoger
onderwijs volgens de wetgever zouden moeten zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze
taken in grote lijnen constant zijn gebleven. In de loop van de tijd heeft de sociaaleconomische
functie van het hoger onderwijs echter meer accent gekregen.
Wetenschappelijk onderwijs: kerntaken wetenschap en maatschappij
De geschiedenis van het wetenschappelijk onderwijs laat een lange traditie zien van discussie
over de doelen van dit onderwijstype en de taken van de universiteit. Tot in de negentiende
eeuw werd de academische vorming en vooral de persoonlijke vorming van de student als de
centrale functie van de universiteit gezien. Daarna gingen twee andere functies een steeds
grotere rol spelen: de wetenschappelijke en de (arbeidsmarktgerichte) maatschappelijke. Tot
aan de Tweede Wereldoorlog werd dit in diverse formuleringen in wetgeving vastgelegd. In de
jaren vijftig kwam de persoonlijke vorming van de student weer sterker naar voren, zij het dat
deze niet (in deze bewoordingen) in de WWO (Wet op het wetenschappelijk onderwijs) uit 1960
werd opgenomen. Wél bevat de wetgeving sinds de WWO 1960 aspecten die aan persoonlijke
vorming zijn te relateren: “bevordering van het inzicht in de samenhang der wetenschappen”
(studium generale, en wijsbegeerte in de centrale interfaculteit) en “bevordering van maat-
schappelijk verantwoordelijkheidsbesef”. Sinds de WHW van 1992 dienen universiteiten ook
mede aandacht te schenken aan de persoonlijke ontplooiing. Wat de maatschappelijke invals-
hoek betreft kwam er in 1986 nog het aspect “overdracht van kennis ten behoeve van de maat-
schappij” bij.
Grosso modo vervult het hoger onderwijs heden ten dage dus drie kenmerkende functies:
de wetenschappelijke functie, de maatschappelijke functie en de functie van persoonlijke
vorming/ontplooiing, met dien verstande dat persoonlijke ontplooiing door de wetgever
niet wordt gezien als een kernfunctie van het hoger onderwijs, noch als een kerntaak van de
instellingen.
Hoger beroepsonderwijs: veel aandacht voor beroepspraktijk
Het hoger beroepsonderwijs heeft pas sinds de WHBO (Wet op het hoger beroepsonderwijs)
van 1986 de status van hoger onderwijs. Volgens deze wet was het hoger beroepsonderwijs
gericht op:
• theoretische en praktische voorbereiding voor het beroep;
• persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk functioneren;
• bijdragen aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is gericht;
• overdracht van kennis aan de maatschappij voor zover dit verband houdt met het onder-
    wijs aan de instelling; en
• eventueel onderzoek, al of niet uit ’s Rijks kas.
Volgens de WHW van 1992 is hoger beroepsonderwijs gericht op zowel de overdracht van the-
oretische kennis als op de ontwikkeling van vaardigheden in nauwe aansluiting op de beroeps-
praktijk. Om deze dubbele taak te vervullen verrichten hogescholen ontwerp- en ontwikkel-
activiteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk; verzorgen zij bacheloropleidingen
en in voorkomende gevallen masteropleidingen; dragen zij kennis over ten behoeve van de
maatschappij, en dragen zij bij aan de ontwikkeling van beroepen waarop het onderwijs is
gericht. Evenals universiteiten dienen hogescholen mede aandacht te schenken aan de per-
soonlijke ontplooiing van hun studenten en aan de bevordering van hun maatschappelijk
verantwoordelijkheidsbesef.
44                                                                      Onderwijsraad, september 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 js Den Haag
www.onderwijsraad.nl
In dit advies reageert de raad op de strategische agenda
hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap Kwaliteit in
verscheidenheid. De raad ondersteunt de daarin uitge-
sproken ambitie voor meer kwaliteit en differentiatie in
het hoger onderwijs. Hij doet in het advies enkele aan-
bevelingen ter verdere versterking van de innovatieve
kracht van de samenleving door hoger onderwijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>