<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Naar hogere leerprestaties in
het voortgezet onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Naar hogere leerprestaties in
het voortgezet onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
­Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
 kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal
onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
 De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de inter­nationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs, uitgebracht aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 Nr. 20110054/1002, februari 2011
 Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2011.
 ISBN 978-946121-012-8
 Bestellingen van publicaties:
 Onderwijsraad
 Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
 telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
 www.onderwijsraad.nl
 Ontwerp en opmaak:
 www.balyon.com
 Drukwerk:
 DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw LM vanBijsterveldt- Vliegenthart

Postbus 16375

2500 BJ Den Haag

Oe kereerh Coniaipencon
207 100541002
Uw kenners Dothan

Mevrouw de Minister,

onpeRrwljs aad

Nassaulaan 6
2514 15 Den Haag

Telefoon: 070 310 00 00

Fan: O70 356 14 74
zecretarlaatgonderwijsraad.nl
ween on dersijzaad.nl

Paasen

(hen Hag. 28 februari 2011

Cae

Advies Naar bogere leerprestaties in het voortgezet
enderwijs

Met genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs aan

In dit advies reageert de raad op uw aankondiging van een Actieplan Beter Presteren voor het woortgezet
onderwijs. De raad ondersteunt in dit advies ww ambitie om te streven naar betere onderwijskwalitelt en hogere
leerprestaties. Hij stelt dat er ruimte is voor het verhogen van het kennisniveau wan alle leerlingen Om deze
ruimte te benutten is inzet op kwaliteit gekoppeld aan hoge eisen nedig. De raad formuleert hiervoor enkele

aanbevelingen.

Goed onderwijs is naar de mening van de raad gebaseerd op een ondendjsprogramma met helderheid over de
te bereiken doelen en de kennisinhoud die aan de orde moet komen, Voor de deorstroamrebevante vakken zijn
häervoor referentieniveaus ontwikkeld, Deze waarborgen in de ogen van de raad niet alleen het basisniveau, maar
kunnen aak dienen voor het bevorderen van excellentie, Onderwijs leidt néet alleen op voor doorstroom naar het
vervalganderwijs. Het moer tevens zorg dragen voor een brede ontedkkeling wan leerlingen. Het bepalen van een
gemeenschappelljke kern voor de andere vakken en een herziening van de bovenbouw van havo/vwo en vmbo
kunnen hierbij helpen. Op basis van een duidelijk doelgericht onderwijaprogramma kunnen scholen werken aan
hogere leeropbrengsten. Daarvoor zijn cen leerlingvalgsysteem en goede benchmarks voor schelen om zich aan

te spiegelen eveneens onmisbaar.

De raad benadrukt de cruciate rol van leraar en schoolleider bij het verhogen van de leerprestaties, Alleen een
goed opgelesde leraar, gesteund door een op zijn taak berekende schoolleider, is in staat om op basis van een
goed onderwijsprogramma meer opbrengitgericht te werken. De Onderwijsraad adviseert daarom voor zowel
leraren als schoolleiders bij- em nascholing verplicht te stellen. Tevens stelt de raad voor om alle leraren op te
leiden tot masterniveau, Ten slotte verdient het aanbeveling excellente prestaties van leerlingen, leraren en

scholen expliciet te waarderen.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>onperwljs [aad

De raad hoopt met dit advies een bijdrage te leveren aan uw beleid gericht op niveauverhoging van ond

voorgezet onderwijs.
Met belselde groet,

+ |
re ol F "a, Fl Fi

La [|

NN

Le
frst Drs, A. van der Res
Voorzitter Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                                7
1    Inzet op kwaliteit                                                                    8
1.1  Aanleiding: aankondiging Actieplan Beter Presteren door de minister                    8
1.2  Adviesvraag: hoe kan het voortgezet onderwijs beter presteren?                         9
1.3  Advies: hogere leerprestaties door hoge kwaliteitseisen                              10
1.4  Wat is nodig: vier aanbevelingen gericht op betere kwaliteit en hogere prestaties     11
2    Aanbeveling 1: bevorder de kwaliteit van het onderwijsprogramma door meer focus 13
2.1  Gebruik referentieniveaus normstellend voor de doorstroomrelevante vakken            13
2.2  Bepaal voor de andere vakken en leergebieden de gemeenschappelijke kennisbasis       16
2.3  Herzie inrichting bovenbouw in samenspraak met het vervolgonderwijs                  18
3	Aanbeveling 2: bevorder de kwaliteit van de school door inzet op opbrengstgericht
     werken20
3.1 Scholen volgen gericht vorderingen van leerlingen                                     20
3.2 Jaarlijkse landelijke peiling doorstroomrelevante vakken als benchmark                21
3.3 Gebruik referentieniveaus om ambitieus onderwijs te stimuleren                        22
4    Aanbeveling 3: versterk kwaliteit en professionaliteit van leraren en schoolleiders  23
4.1  Een beroepsregister voor leraren met verplichte bij- en nascholing                   23
4.2  Alle nieuwe leraren opleiden tot masterniveau                                        24
4.3  Bekwaamheidseisen en professionalisering van schoolleiders                           25
5    Aanbeveling 4: waardeer getoonde kwaliteit                                           26
5.1  Waardeer prestaties van leerlingen                                                   26
5.2  Waardeer prestaties van docenten                                                     27
5.3  Waardeer prestaties van scholen                                                      27
Afkortingen                                                                               29
Literatuur30
Geraadpleegde deskundigen                                                                 32
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesvraag                                                                    33
Bijlage 2: Overzicht maatregelen voor de korte en de lange termijn                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In dit advies reageert de Onderwijsraad op de aankondiging door de minister van Onderwijs van
een Actieplan Beter Presteren voor het voortgezet onderwijs. De raad stelt dat er ruimte is voor het
verhogen van het kennisniveau van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Om deze ruimte
te benutten is inzet op kwaliteit gekoppeld aan hoge eisen nodig. De raad formuleert vier aan-
bevelingen om te komen tot een kwaliteitsverhoging van het onderwijs gericht op hogere leer-
prestaties van alle leerlingen.
Aanbeveling 1: bevorder de kwaliteit van het onderwijsprogramma door meer focus
De kwaliteit van het onderwijsprogramma is gebaat bij helderheid over zowel de te bereiken
doelen als over de kennisinhoud die aan de orde moet komen. De raad stelt voor om scholen
meer focus in het programma aan te laten brengen door aan de hand van de referentieniveaus
de leervorderingen in de doorstroomrelevante vakken Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde
aan het einde van het tweede leerjaar in kaart te brengen. Voor de andere vakken bepleit de
raad meer focus door het bepalen van een gemeenschappelijke kern. Een herziening van de
bovenbouw van het voortgezet onderwijs is gewenst en moet plaatsvinden in overleg met het
vervolgonderwijs.
Aanbeveling 2: bevorder de kwaliteit van de school door inzet op opbrengstgericht werken
Opbrengstgericht werken leidt tot betere prestaties van leerlingen. Daarom is het van belang
de inspanningen om tot een meer opbrengstgerichte cultuur te komen onverminderd voort te
zetten. De Onderwijsraad is van mening dat alle scholen zouden moeten beschikken over een
systeem om gericht de vorderingen van leerlingen te volgen en het onderwijs op de individuele
beheersingsniveaus van leerlingen af te stemmen. Het gebruik van de streefkwaliteiten van de
referentieniveaus zal daarbij de ambitie van leerlingen en leraren stimuleren. Daarnaast heeft het
onderwijs voor opbrengstgericht werken baat bij heldere benchmarks gerelateerd aan de leer-
lingenpopulatie. Dit is met name van belang voor de doorstroomrelevante vakken. Een jaarlijkse
peiling kan de informatie voor deze benchmark aanleveren en tevens de staat van het Neder-
landse onderwijs op dit vlak weergeven.
Aanbeveling 3: versterk de kwaliteit en professionaliteit van leraren en schoolleiders
Om scholen in staat te stellen op basis van een goed onderwijsprogramma meer opbrengstge-
richt te werken, is de kwaliteit van leraren en schoolleiders van cruciaal belang. De Onderwijsraad
adviseert daarom voor leraren en schoolleiders bij- en nascholing verplicht te stellen. Tevens stelt
de raad voor het opleidingsniveau van leraren te verhogen. Voor nieuwe leraren in de onder-
bouw van het voortgezet onderwijs zou een opleiding op bachelorniveau de startkwalificatie
moeten zijn. Binnen vijf jaar dienen ze een opleiding op masterniveau te hebben voltooid. Voor
schoolleiders in het voortgezet onderwijs moeten bekwaamheidseisen worden ontwikkeld.
Aanbeveling 4: waardeer getoonde kwaliteit
Wanneer kwaliteit op alle niveaus wordt gestimuleerd, leidt dit naar verwachting tot hogere
prestaties. Om dit goed tot uitdrukking te laten komen is het van belang dat de doelstellingen
hoog en ambitieus liggen en dat getoonde prestaties ook worden gewaardeerd. Daarbij gaat het
zowel om prestaties van leerlingen als ook van excellente leraren en om prestaties van scholen
die excellente resultaten behalen.
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    De minister van Onderwijs wil de leerprestaties in het voortgezet onderwijs
    verhogen. De Onderwijsraad is het met de minister eens dat er ruimte voor ver-
    betering is. Om deze ruimte te benutten is inzet op kwaliteit nodig gekoppeld
    aan hoge eisen. Daarbij gaat het om eisen aan het onderwijsprogramma, aan
    scholen, aan leraren en schoolleiders en aan leerlingen.
1
1.1
    Inzet op kwaliteit
    Aanleiding: aankondiging Actieplan Beter Presteren door de minister
    Begin december 2010 kondigde de minister een Actieplan Beter Presteren aan, gericht op het
    verhogen van de leerprestaties in het voortgezet onderwijs. De minister vraagt de Onderwijs-
    raad om advies over het plan. De raad ondersteunt de ambitie van de minister om te streven
    naar betere onderwijskwaliteit en hogere leerprestaties. Nationaal en internationaal onder-
    zoek wijst uit dat het Nederlandse onderwijs het behoorlijk goed doet. Ook de Inspectie van
    het Onderwijs constateert dat de prestaties van scholen in het voortgezet onderwijs de afge-
    lopen jaren constant zijn gebleven.1 Maar, zoals de Onderwijsraad al in eerdere adviezen heeft
    gezegd, betere prestaties van leerlingen zijn mogelijk én ook nodig.2
    Ontwikkelingen als globalisering, internationalisering en de snel veranderende arbeidsmarkt
    vragen om een goed en breed opgeleide bevolking. Vervolgopleidingen in het middelbaar en
    hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs zijn lang niet altijd tevreden over
    het niveau van instromende studenten, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de noodzaak van taal- en
    rekentoetsen op de pabo en verschillende remediërende programma’s aan universiteiten.3
    Een recente analyse van verschillende internationale metingen (PISA, TIMMS, PIRLS) tussen
    1995 en 2009 lijkt te wijzen op een (licht) neergaande trend voor wiskunde, natuurwetenschap-
    pen en lezen: “Het gaat te ver om met grote stelligheid te concluderen dat uit het internati-
    onaal vergelijkend onderzoek blijkt dat de prestaties van de Nederlandse leerlingen zijn ver-
    slechterd, maar de resultaten wijzen in ieder geval niet op een positieve ontwikkeling.”4 Deze
    conclusie is in lijn met eerder onderzoek hiernaar.5
    De PISA-resultaten (Programme for International Student Assessment) van 2009, een interna-
    tionaal vergelijkende meting van leerprestaties van vijftienjarigen op de domeinen leesvaar-
    digheid, rekenen/wiskunde en natuurwetenschappen (science), waren voor de minister aan-
    1	Inspectie van het Onderwijs, 2010a; Inspectie van het Onderwijs, 2010b.
    2	Onderwijsraad, 2007b; Onderwijsraad, 2007a; Onderwijsraad, 2007d; Onderwijsraad, 2006; Onderwijsraad, 2009c; Onderwijsraad,
        2009c.
    3	Onderwijsraad, 2006.
    4	Scheerens, Luyten & Ravens, 2011b, p.40.
    5	Borghans, Velden, Büchner, Coenen & Meng, 2008.
    8                                                                                             Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    leiding om het Actieplan Beter Presteren aan te kondigen. Uit de resultaten blijkt dat Nederland
    nog steeds tot de subtop van de wereld behoort: bij leesvaardigheid op de tiende plaats, bij
    wiskunde en natuurwetenschappen op de elfde plaats. De verschillen tussen de scores van
    2006 en 2009 voor de drie kennisdomeinen zijn niet statistisch significant. Nederland heeft
    daarbij een relatief gering aantal zeer laag presterende leerlingen en relatief weinig excellent
    presterende leerlingen. Zowel aan de onderkant als aan de bovenkant is ruimte voor verbete-
    ring. Ook uit een onderzoek dat in 2007 in opdracht van de raad is uitgevoerd, blijkt dat er in het
    voortgezet onderwijs sprake is van onderpresteren.6 De recente PISA-gegevens laten zien dat
    een land als Finland beter scoort dan Nederland door zowel een hoger percentage excellent
    presterende leerlingen als een lager percentage zeer laag presterende leerlingen.
    Concluderend: de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs is goed, maar er is over de hele linie
    ruimte voor verbetering van de prestaties van leerlingen.
1.2 Adviesvraag: hoe kan het voortgezet onderwijs beter presteren?
    De vraag die de raad in dit advies beantwoordt, luidt:
    Hoe kan de overheid bijdragen aan het verhogen van prestaties in het voortgezet onderwijs?
    Met het beantwoorden van deze vraag levert de Onderwijsraad bouwstenen aan voor het aan-
    gekondigde actieplan van de minister. Op basis van het advies van de raad zal de minister het
    plan nader uitwerken en in mei 2011 naar de Kamer sturen. De minister noemt in de advies-
    aanvraag een aantal elementen die de raad in zijn advisering mee zou moeten nemen.7 Samen-
    gevat gaat het daarbij om:
    • focus in het onderwijsprogramma door zowel meer nadruk op kernvakken als vereenvou-
         diging van de organiseerbaarheid voor scholen;
    • een effectieve inzet van onderwijstijd; en
    • de kwaliteit van leraren.
       Totstandkoming van dit advies
       Voor dit advies heeft de Onderwijsraad geïnventariseerd wat bekend is over de ontwikkeling die
       landen of regio’s doormaken, die significante en blijvende vooruitgang boeken in leerprestaties.8
       Daarnaast zijn de aanbevelingen gebaseerd op wat op basis van reviewstudies en meta-analyses be-
       kend is over schooleffectiviteit en effectief leren en onderwijzen.9 Ook is gebruikgemaakt van enkele
       reviewstudies en meta-analyses naar meer specifieke thema’s.10
       Om de meningen in het veld te peilen is een e-mail gestuurd aan alle schoolleiders in het voortgezet
       onderwijs, met de vraag om te reageren op de aankondiging van een Actieplan Beter Presteren door
       de minister en de raad in het kader van dit advies van input te voorzien. Daarnaast is in individuele
       gesprekken en panels gesproken met vertegenwoordigers van leraren, schoolbestuurders, experts
       en andere betrokkenen bij het onderwijs.
    6	Mulder, Roeleveld & Vierke, 2007.
    7	Zie voor de volledige adviesvraag bijlage 1.
    8	Barber, Chijioke & Mourshed, 2011; Auguste, Kihn & Miller, 2010; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010b.
    9	Hattie, 2009; Scheerens, 2007; Scheerens, Hendriks & Steen, 2011a; Scheerens, Luyten & Ravens, 2011b.
    10	Veen, Meirink & Verloop, 2010; Lomos, Roelande, Hofman & Bosker, 2010; Rosenkvist, 2010; Scheerens, Hendriks & Steen, 2011a.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.3 Advies: hogere leerprestaties door hoge kwaliteitseisen
    In dit advies stelt de Onderwijsraad dat het Nederlandse onderwijs beter kan presteren. Er is
    ruimte voor het verhogen van het kennisniveau van alle leerlingen in het voortgezet onder-
    wijs. Om alle jongeren een zo goed mogelijke basis te geven voor een vervolgopleiding of
    de arbeidsmarkt, moet iedereen de kans krijgen zijn talenten maximaal te ontwikkelen. Dit
    vraagt om het verhogen van de eisen die gesteld worden aan het onderwijsprogramma, aan
    het bewaken van de onderwijsopbrengsten, aan de professionals in het onderwijs (de leraar
    en schoolleider) en aan de leerling zelf. Het houdt tevens in dat het beleid zich niet uitsluitend
    richt op een beperkte set onderwijsuitkomsten, maar op goed onderwijs in de volle breedte.
    Goed onderwijs: brede kennis en hoge verwachtingen
    Goed onderwijs is volgens de raad onderwijs dat leerlingen en studenten een optimale voor-
    bereiding biedt op vervolgonderwijs, arbeidsmarkt en samenleving. Voortgezet onderwijs is
    funderend onderwijs, leerlingen stromen door naar vervolgonderwijs. Een brede kennisbasis
    is van groot belang; zowel vanwege de doorstroom naar vervolgopleidingen als vanwege de
    huidige samenleving waar het onderwijs leerlingen op voorbereidt. Om in een complexe en
    dynamische samenleving hun weg te vinden moeten (jong)volwassenen beschikken over vol-
    doende kennis en inzicht in bijvoorbeeld historische ontwikkelingen en natuurwetenschappe-
    lijke, politiek-maatschappelijke en economische vraagstukken.
    De verwachtingen die aan het onderwijs worden gesteld, liggen hoog en zijn talrijk.11 Jonge-
    ren hebben behoefte aan oriëntatie en zingeving, kortom aan vorming waarbij een verbinding
    wordt gelegd tussen de waarde van kennis, maatschappelijke ontwikkelingen en persoonsvor-
    ming.12 De vormende taak van het onderwijs doet naar de mening van de raad een appel op het
    hele onderwijs, van de bestuurder en de schoolleider tot de leraar en de leerling. Tot slot vraagt
    goed onderwijs om hoge, aanmoedigende verwachtingen van alle betrokkenen: van scholen
    en leraren, maar ook van ouders en leerlingen en van de overheid. Alleen dan daagt het onder-
    wijs leerlingen optimaal uit zich maximaal te ontwikkelen.
    Gericht op een hoger ambitieniveau
    Op alle niveaus, van vmbo tot en met gymnasium, moet en kan onderwijs uitdagender worden.
    Dat betekent hoge doelen stellen, maar er ook voor zorgen dat scholen, leraren en leerlingen
    er baat bij hebben om naar deze doelen toe te werken. Sinds een paar jaar werken scholen
    aan het verhogen van de leerprestaties van leerlingen voor taal en rekenen en zijn zij meer
    opbrengstgericht gaan werken. De eerste resultaten hiervan in het primair onderwijs zijn posi-
    tief.13 Het is zaak ervoor te zorgen dat een Actieplan Beter Presteren op deze initiatieven aansluit
    en deze verder versterkt.
    Belangrijke voorwaarden: consistent en coherent overheidsbeleid…
    Over één zaak zijn alle studies naar onderwijsverbetering unaniem: verhoging van leerpresta-
    ties vraagt om consistent en coherent beleid. Onderwijsbeleid dus met een herkenbare, helde-
    re lijn waaraan voor een langere periode wordt vastgehouden.14 De weg naar hogere prestaties
    van leerlingen vormt een lange keten, waarin tal van actoren (beleidsmakers, politici, bestuur-
    ders, schoolleiders, lerarenopleidingen, enzovoort) een rol spelen. Verbetering van onderwijs
    11	Onderwijsraad, 2008a; Wieringen, 2011.
    12	De Onderwijsraad brengt in het eerste kwartaal van 2011 een advies uit over vorming.
    13	Vijfeiken, Smeets, Schilt-Mol, Driessen, Kat e.a., 2010.
    14	Zie ook Onderwijsraad, 2007c.
    10                                                                                      Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    vraagt bovendien om een lange adem; er bestaat geen gemakkelijke en snelle oplossing. Voor
    het bereiken van substantiële resultaten is een kabinetsperiode-overstijgend beleidsperspec-
    tief van tien à vijftien jaar nodig.15 Tegelijk is bekend hoe lastig het in de praktijk is om een
    consistent en coherent onderwijsbeleid te voeren, binnen de onderwijssectoren en over de
    onderwijssectoren heen. Zelfs zeer goed presterende landen slagen hier maar ten dele in.
    …en vertrouwen in de professionaliteit van het veld
    Een belangrijke boodschap richting het onderwijsveld is: de inbreng van scholen en leraren
    doet ertoe, zij kunnen verschil maken voor leerlingen. Hierbij past een hoge professionaliteit
    van bestuurders, schoolleiding en leraren. De overheid zet in het beleid een hoog ambitie-
    niveau neer en moet daarbij kunnen vertrouwen op de professionaliteit van het veld.
    De overheid dient scholen helderheid te bieden over de inhoud en doelen die scholen in ieder
    geval behoren aan te bieden en te bereiken met leerlingen. Het maximaliseren van de leer-
    winst van alle leerlingen is daarbij richtinggevend. Met het bepalen van de focus markeert de
    overheid een kader voor scholen dat tevens duidelijk maakt welke ruimte zij hebben voor een
    nadere eigen invulling. Dit vormt de professionele autonomie van scholen en leraren. Over de
    onderwijsopbrengsten en de keuze die scholen maken moeten zij zich wel verantwoorden.
    Met het versterken van de professionaliteit van leraren en schoolleiders zijn scholen steeds
    beter in staat om verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van het onderwijs.16
1.4 Wat is nodig: vier aanbevelingen gericht op betere kwaliteit en
    hogere prestaties
    Op basis van het voorgaande geeft de raad vier aanbevelingen om te komen tot een kwaliteits-
    verhoging van het onderwijs gericht op hogere leerprestaties van alle leerlingen. De eerste
    aanbeveling is gericht op de kwaliteit van het onderwijsprogramma, de tweede op de kwaliteit
    van het werken binnen scholen en de derde op de kwaliteit en professionaliteit van leraren en
    schoolleiders. Met de vierde aanbeveling wil de raad bewerkstelligen dat hogere prestaties
    ook expliciet worden gewaardeerd.
    Aanbeveling 1: bevorder de kwaliteit van het onderwijsprogramma door meer focus
    Een goed onderwijsprogramma is gebaat bij heldere doelen en duidelijkheid over de kennis-
    inhoud.17 De overheid heeft als taak deze helderheid te bieden. Wanneer scholen weten wat
    van hen gevraagd wordt, leidt dit tot meer focus in het onderwijsprogramma. De Onderwijs-
    raad is van mening dat voor de doorstroomrelevante vakken Nederlands, Engels en rekenen/
    wiskunde daarbij strengere eisen gesteld mogen en moeten worden dan voor de andere vak-
    ken. De raad beveelt dan ook aan om de referentieniveaus leidend te maken voor de door-
    stroomrelevante vakken en om voor de andere vakken en leergebieden de gemeenschappe-
    lijke kennisbasis te bepalen. Voor de doorstroomrelevante vakken is het tevens van belang dat
    scholen in ieder geval aan het einde van het tweede leerjaar de leervorderingen van hun leer-
    lingen goed in beeld hebben. Het verhogen van de leerprestaties in deze vakken hoeft vol-
    gens de Onderwijsraad niet ten koste te gaan van onderwijs in natuurwetenschappen (science),
    moderne vreemde talen en de maatschappijvakken. Hoewel naar de mening van de raad alle
    leerlingen natuurwetenschappelijke bagage nodig hebben om te kunnen deelnemen aan de
    15	Onderwijsraad, 2007c. Organisation for Economic Coordination and Development, 2007; Auguste, Kihn & Miller, 2010.
    16	Barber, Chijioke & Mourshed, 2011; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010b.
    17	Zie Onderwijsraad, 2001; Onderwijsraad, 2005; Onderwijsraad, 2008b.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>samenleving, kent hij aan science geen andere status toe dan aan een vak als geschiedenis. De
zorg voor de kwaliteit van een breed onderwijsprogramma behoort tot de professionele ver-
antwoordelijkheid van scholen en leraren. Daarnaast is het gewenst om de inrichting van de
bovenbouw te herzien.
Aanbeveling 2: bevorder de kwaliteit van de school door inzet op opbrengstgericht
werken
Door op een opbrengstgerichte manier te werk te gaan, kunnen scholen gericht werken aan
verbetering van leerresultaten. In het onderwijsveld zijn diverse bewegingen in deze richting
gaande, die versterkt kunnen worden. De Onderwijsraad is van mening dat alle scholen zou-
den moeten beschikken over een systeem om gericht de vorderingen van leerlingen te volgen.
Daarnaast heeft het onderwijs voor opbrengstgericht werken baat bij heldere benchmarks
gerelateerd aan de leerlingenpopulatie. Dit is met name van belang voor de doorstroom-
relevante vakken. Een jaarlijkse peiling kan de informatie voor deze benchmark aanleveren en
tevens de staat van het Nederlandse onderwijs op dit vlak weergeven.
Aanbeveling 3: versterk de kwaliteit en professionaliteit van leraren en schoolleiders
Om scholen in staat te stellen op basis van een goed onderwijsprogramma meer opbrengst-
gericht te werken, is de kwaliteit van leraren en schoolleiders van cruciaal belang. De Onder-
wijsraad adviseert daarom voor zowel leraren als schoolleiders bij- en nascholing verplicht te
stellen. Daarbij zou het vooral moeten gaan om bij- en nascholing met betrekking tot de vak-
inhoud, de vakdidactiek en het leerproces van leerlingen in een specifiek leerdomein.18 Tevens
stelt de raad voor het opleidingsniveau van leraren te verhogen. Voor nieuwe leraren in de
onderbouw van het voortgezet onderwijs zou een opleiding op bachelorniveau de startkwa-
lificatie moeten zijn. Binnen vijf jaar dienen ze een opleiding op masterniveau te hebben vol-
tooid. De raad vindt dit van belang omdat onderwijsverbetering en opbrengstgericht werken
vragen om een sterkere verbinding tussen praktijk en onderzoek. In een masteropleiding krij-
gen leraren een onderzoekende houding aangeleerd. Ze zijn daardoor beter in staat om hun
onderwijs af te stemmen op de resultaten van hun leerlingen en daarbij gebruik te maken van
wetenschappelijke inzichten.
Aanbeveling 4: waardeer getoonde kwaliteit
Wanneer kwaliteit op alle niveaus wordt gestimuleerd, leidt dit naar verwachting tot hogere
prestaties. Om dit goed tot uitdrukking te laten komen is het van belang dat de doelstellingen
hoog liggen en dat getoonde prestaties ook worden gewaardeerd. Daarbij gaat het zowel om
prestaties van leerlingen die bijvoorbeeld meer doen dan het minimaal vereiste, als ook om
excellente leraren en om prestaties van scholen die excellente resultaten behalen.
In de hierop volgende hoofdstukken wordt steeds één van deze maatregelen nader uitge-
werkt. Bijlage 2 geeft een overzicht van de door de raad voorgestelde maatregelen op de korte
en de langere termijn.
18	Veen, Meirink & Verloop, 2010.
12                                                                     Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    De kwaliteit van het onderwijsprogramma is gebaat bij helderheid over te be-
    reiken doelen en over de kennisinhoud. De raad stelt voor om scholen meer
    focus in het programma aan te laten brengen door leervorderingen in de door-
    stroomrelevante vakken aan het einde van het tweede leerjaar in kaart te bren-
    gen. Ook voor andere vakken bepleit de raad meer focus door het bepalen
    van een gemeenschappelijke kern. Een herziening van de bovenbouw van het
    voortgezet onderwijs moet plaatsvinden in overleg met het vervolgonderwijs.
2   Aanbeveling 1: bevorder de kwaliteit van
    het onderwijsprogramma door meer focus
2.1 Gebruik referentieniveaus normstellend voor de doorstroomrelevante
    vakken
    Om focus aan te brengen in het onderwijsprogramma pleit de raad voor heldere doelen waar
    scholen aan moeten voldoen. In eerdere adviezen bepleitte de raad hiervoor leerstandaarden
    te gebruiken voor de doorstroomrelevante vakken Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde.19
    Deze vakken zijn naar de mening van de raad voor alle leerlingen onmisbaar voor verdere stu-
    die, de arbeidsmarkt en participatie in de samenleving. De raad zet datzelfde pleidooi in dit
    advies voort en sluit daarbij aan bij de referentieniveaus voor taal en rekenen die momenteel
    in het onderwijs worden ingevoerd. 20 Daaraan zou de raad ook referentieniveaus voor Engels
    willen toevoegen, gebaseerd op het Europees referentiekader. Wanneer de referentieniveaus
    in het onderwijs gemeengoed worden, zal dit ertoe leiden dat scholen zich hier meer op zullen
    richten. Leraren kunnen er houvast aan ontlenen voor de doelen die ze met hun leerlingen wil-
    len bereiken.21 De eerste resultaten van het werken met referentieniveaus in het primair onder-
    wijs bevestigen dit.22
    19	Onderwijsraad, 1999; Onderwijsraad, 2007d; Onderwijsraad, 2007b.
    20	Bron: http://www.taalenrekenen.nl/referentiekader/
    21	Inspectie van het Onderwijs, 2010b; Inspectie van het Onderwijs, 2010a.
    22  Vijfeijken, Smeets, Schilt-Mol, Driessen, Kat, e.a., 2010.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    De referentieniveaus in het kort
    De in 2010 wettelijk ingevoerde referentieniveaus geven voor taal en rekenen aan wat leerlingen op
    de overstapmomenten in ons onderwijssysteem minimaal moeten kennen en kunnen. 23 Ze zijn in-
    gevoerd naar aanleiding van een advies van de commissie-Meijerink. 24 Er zijn vier niveaus, die min of
    meer overeenkomen met de belangrijke overstapmomenten in het onderwijs:
    • niveau 1F: eind basisonderwijs;
    • niveau 2F: eind vmbo/mbo 2;
    • niveau 3F: eind havo 5 en mbo 4; en
    • niveau 4F: vwo 6.
    Naast deze F-niveaus (fundamentele niveaus) zijn er ook streefniveaus (1S tot en met 4S) gedefini-
    eerd. Deze streefniveaus zijn niet in de wet vastgelegd en zijn meer richtinggevend bedoeld. Voor
    taal komen de streefniveaus overeen met het daarop volgende fundamentele niveau (1S is hetzelfde
    als 2F). Voor rekenen bevatten de streefniveaus ook verdergaande vaardigheden die voorbereiden
    op wiskunde. Het niveau 2F is aangeduid als het algemeen maatschappelijk functioneel niveau, het
    niveau waaraan elke Nederlander zou moeten voldoen.
    Op dit moment is het hoogste, vierde niveau bij taal en rekenen nog niet volledig inhoudelijk uitge-
    werkt. 25 Voor taal gaat de uitwerking op dit moment tot niveau 4F en is niveau 4S niet uitgewerkt. Bij
    rekenen is er helemaal geen invulling gegeven aan het vierde niveau, omdat men dan geheel in het
    domein van de wiskunde komt. 26 Niveau 3S komt overeen met het rekendeel van het vak wiskunde
    A op de havo.
    In de toekomst zullen de referentieniveaus onderdeel uitmaken van de zak-slaagregeling op het eind-
    examen. Voor taal gebeurt dit via het examen Nederlands, voor rekenen via een aparte rekentoets.
    Bron: www.taalenrekenen.nl
Scholen bepalen het beheersingsniveau op doorstroomrelevante vakken einde tweede
leerjaar
Om tussentijds de vinger goed aan de pols te houden, adviseert de raad dat scholen aan het
einde van het tweede leerjaar voor alle leerlingen bepalen waar zij staan ten opzichte van de
referentieniveaus van taal en rekenen, en op termijn ook van Engels. Hiermee krijgen zij tevens
zicht op de leerwinst die leerlingen hebben geboekt in vergelijking met het einde van de
basisschool. Een bijkomend effect is dat de referentieniveaus door de niveaubepaling ook voor
docenten meer handen en voeten krijgen. Daarmee leidt de niveaubepaling tot extra aandacht
voor deze leergebieden.
De tussentijdse niveaubepaling moet waar nodig leiden tot een bijstelling van het onderwijs-
programma voor (individuele) leerlingen. Wanneer een leerling onder het verwachte niveau
presteert, besteedt de docent extra aandacht aan het behalen van dit niveau; wanneer een leer-
ling boven het niveau presteert, krijgt hij een uitdagender leerstofaanbod (zie ook paragraaf 3.2).
Betrouwbare toets met diagnostisch karakter
Scholen maken hiervoor bij voorkeur gebruik van een betrouwbare, gevalideerde toets. Belang-
rijk is dat een dergelijke toets geschikt is om het beheersingsniveau van alle leerlingen te bepa-
len, óók van de meer getalenteerde leerlingen. De toets moet niet alleen meten of leerlingen
23	Bron: http://www.taalenrekenen.nl/referentiekader/.
24	Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, 2008.
25	Voor taal dient niveau 4S uitgewerkt te worden en voor rekenen 4F en 4S.
26	Stichting Leerplanontwikkeling, 2009.
14                                                                                Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>een bepaald niveau halen, maar tevens hoever ze boven of onder dat niveau zitten. Alleen dan
levert een toets voldoende gegevens voor een school om verbeteringen door te kunnen voe-
ren.27 De toets is nadrukkelijk diagnostisch van aard: hij is bedoeld voor gebruik binnen de school
(verbeteringsperspectief).28 Wel zal een toets ervoor zorgen dat scholen extra aandacht aan de
hierin opgenomen vakken besteden.
De raad adviseert de minister om onder verantwoordelijkheid van het College voor Examens
toetsen te laten ontwikkelen. Dit zijn bij voorkeur adaptieve toetsen.29 Daarnaast staat het
(groepen van) scholen vrij om zelf een andere toets te (laten) ontwikkelen, waarbij uiteraard als
voorwaarde geldt dat zo’n toets dan betrouwbaar en valide is.30
Keuzes verantwoorden aan Inspectie
De resultaten van de diagnostische toets maken geen deel uit van de opbrengstenkaart van
de Inspectie. Scholen verantwoorden alleen dát zij het beheersingsniveau van leerlingen op
de doorstroomrelevante vakken aan het einde van leerjaar twee bepalen en op welke manier
zij dat doen. Ook verantwoorden scholen hoe zij de resultaten van deze bepaling gebruiken
in keuzes rondom leerstofaanbod, leertijd en instructie. Scholen zijn vanzelfsprekend vrij om
toetsresultaten (op groeps- of schoolniveau) zelf naar buiten te brengen, bijvoorbeeld richting
de ouders of in de schoolgids.
Geen verplichte toets, volg en evalueer ontwikkelingen in veld
De raad pleit ervoor om gedurende de komende vijf jaar ervaring op te doen met deze tussen-
tijdse, diagnostische toetsen. De effecten ervan kunnen dan zorgvuldig in kaart gebracht wor-
den: genereren deze toetsen voor scholen voldoende diagnostische meerwaarde, zijn er onge-
wenste neveneffecten? Daarmee kunnen uitspraken over een werkzaam arrangement gedaan
worden. Op basis hiervan kan al dan niet besloten worden tot invoering van een verplichte,
landelijke uniforme toets aan het einde van het tweede leerjaar.31
Voldoende leertijd voorwaarde voor goede prestaties
Afhankelijk van de schoolpopulatie zullen de te verwachten prestaties tussen scholen verschil-
len. Scholen beginnen namelijk vanuit verschillende uitgangsposities, samenhangend met de
resultaten die leerlingen behalen in het basisonderwijs. Om prestaties te realiseren die passen
bij de schoolpopulatie is voldoende leertijd voor de doorstroomrelevante vakken een eerste
voorwaarde. De raad is geen voorstander van het voorschrijven van onderwijstijd voor Neder-
lands, Engels en rekenen/wiskunde. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van scholen om
voldoende tijd voor deze vakken in te ruimen. Wat telt zijn de leerprestaties van leerlingen. De
referentieniveaus geven scholen hiervoor houvast. De raad acht het echter niet waarschijnlijk
dat scholen met minder dan circa een derde van de beschikbare onderwijstijd hun leerlingen
tot maximale leerprestaties zullen brengen in de doorstroomrelevante vakken.
27	Inspectie van het Onderwijs, 2010b.
28	Onderwijsraad, 2009b; Onderwijsraad, 2009a.
29	Adaptief toetsen houdt in dat de moeilijkheid van de toets wordt aangepast aan het niveau van de leerling zoals dat blijkt uit de tot
     dan toe gemaakte opgaven. Adaptief toetsen is alleen goed mogelijk met digitale toetsen. Het vereist bovendien de mogelijkheid om
     te putten uit een rijk gevulde toetsitembank. Op dit moment zijn er nog geen werkelijk adaptieve toetsen.
30	Hiervoor kan een toets bijvoorbeeld door de COTAN worden gevalideerd.
31	Onderwijsraad, 2009a; Onderwijsraad, 2009b
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2.2 Bepaal voor de andere vakken en leergebieden de gemeenschappelijke
    kennisbasis
    Voortgezet onderwijs leidt niet alleen op voor vervolgonderwijs en/of arbeidsmarkt, maar is
    bovenal ook de plek waar jongeren een brede kennisbasis opdoen en gevormd worden in per-
    soonlijk en maatschappelijk opzicht. Juist die aandacht voor een brede ontwikkeling maakt
    dat jongeren die de school verlaten goed toegerust zijn om te participeren in de samenleving.
    Ook scholen en schoolleiders hechten aan de bredere taak van de school, zo blijkt uit alle reac-
    ties die de Onderwijsraad heeft ontvangen op het door de minister aangekondigde actieplan.
    Schoolleiders onderschrijven het belang van meer aandacht voor taal en rekenen, maar waar-
    schuwen voor een mogelijke verschraling van het onderwijsprogramma. Zo’n ‘schraal’ pro-
    gramma biedt juist ook voor meer getalenteerde leerlingen onvoldoende uitdaging.
    Vier onmisbare clusters vakken
    De Onderwijsraad heeft eerder gewezen op de noodzaak van een brede ontwikkeling van leer-
    lingen. In aanvulling op de doorstroomrelevante vakken gaat het daarbij om vier vakkenclus-
    ters die volgens de raad onmisbaar zijn voor een goede voorbereiding van leerlingen op de
    samenleving. Dit zijn:
    • een cluster natuurwetenschappelijke vakken (natuurkunde, scheikunde, biologie en
        techniek);
    • een cluster moderne vreemde talen;
    • een cluster sociaalculturele vakken bestaande uit geschiedenis/staatsinrichting, aardrijks-
        kunde, economie en kunstvakken; en
    • een cluster van aanbod gericht op persoonlijke vorming en lichamelijke opvoeding; hier-
        onder vallen ook activiteiten in het kader van burgerschap, huiswerk-/ studiebegeleiding,
         loopbaanoriëntatie en -begeleiding, mentoraat en ‘advanced skills’.
    Geen aparte status voor science
    De Onderwijsraad onderschrijft het maatschappelijk belang dat de minister ziet voor de
    natuurwetenschappelijke vakken (science). In de huidige samenleving heeft iedereen natuur-
    wetenschappelijke bagage nodig. Hij is echter niet van mening dat science een wezenlijk ande-
    re status zou moeten hebben dan vakken als geschiedenis of de moderne vreemde talen. Ook
    deze clusters van vakken zijn zoals gezegd onmisbaar voor leerlingen.
    Het leergebied science moet in de onderbouw van het voortgezet onderwijs voor leerlingen
    op een aantrekkelijke en relevante wijze worden vormgegeven. Op die manier kan worden
    bewerkstelligd dat meer leerlingen kiezen voor biologie, natuurkunde en scheikunde als eind-
    examenvak. De examenprogramma’s waarborgen de kwaliteit van het vakonderwijs en zorgen
    voor een goede aansluiting met het vervolgonderwijs.
    Gemeenschappelijke kennisbasis vaststellen en periodiek herijken
    Scholen hebben baat bij helderheid over te bereiken doelen en de kennisinhoud die in het
    onderwijs aan bod moet komen.32 De overheid heeft als taak hen deze duidelijkheid te bieden.
    Uit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat landen die succesvol werken aan betere
    leerprestaties, in alle gevallen maatregelen nemen gericht op onderhoud en herziening van
    het onderwijsprogramma en het stellen van doelen.33 Uit een analyse van de SLO (Stichting
    Leerplanontwikkeling Nederland) in opdracht van het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur
    32	Zie Onderwijsraad, 2001; Onderwijsraad, 2005; Onderwijsraad, 2008a; Onderwijsraad, 2008b.
    33	Zie Barber, Chijioke & Mourshed, 2011; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010b.
    16                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>en Wetenschap) blijkt dat de huidige kerndoelen voor scholen en docenten onvoldoende rich-
tinggevend zijn.34
Voor de eerste drie van de genoemde vakkenclusters adviseert de raad daarom in samen-
spraak met leraren en vakinhoudelijke verenigingen een gemeenschappelijke kennisbasis vast
te stellen. Welke doelen en welke inhoud dienen bij elk vak aan bod te komen?35 Deze uitwer-
kingen zullen uiteraard verschillen per schooltype. Een dergelijk uitwerkingsproces zal zeer
waarschijnlijk leiden tot aanpassing en mogelijk ook versobering van de huidige kerndoelen
onderbouw. De vastgestelde kennisbases bieden scholen richting bij het inrichten van hun
onderwijsprogramma voor deze vakken. Naast de gezamenlijk vastgestelde kennisbases kun-
nen scholen zich profileren met eigen keuzes. Daarmee kunnen ze aansluiten op specifieke
behoeften en verwachtingen van hun leerlingenpopulatie.
De vastgestelde doelen en inhoud zouden periodiek herijkt moeten worden.36 Gedacht kan
worden aan ‘klein onderhoud’ eens in de vijf jaar en ‘groot onderhoud’ eens in de tien jaar.
Klein onderhoud vindt bijvoorbeeld plaats als maatschappelijke ontwikkelingen en/of resulta-
ten van monitoringstudies daartoe aanleiding geven. Groot onderhoud eens in de tien jaar is
bedoeld om zaken meer fundamenteel tegen het licht te houden en te herzien, tegen de ach-
tergrond van ontwikkelingen in de vakdisciplines.37
Daarnaast aandacht voor persoonlijke vorming en advanced skills
Burgerschapsvorming behoort tot de wettelijke opdracht aan scholen. De raad vindt het wen-
selijk om ook hiervoor een kleine, voor iedereen gelijke kern vast te stellen. Daaromheen kun-
nen scholen zelf hun burgerschapsonderwijs inrichten, al naargelang de eigen levensbeschou-
welijke grondslag en de leerlingenpopulatie.38
Wat de andere onderdelen uit het vierde vakkencluster betreft laten diverse studies zien dat
deze in belangrijke mate mede bepalend zijn voor de leerprestaties en voor succesvolle deel-
name aan vervolgopleiding, arbeidsmarkt en samenleving.39 Landen of regio’s die hoge leer-
prestaties behalen, besteden in hun onderwijs nadrukkelijk aandacht aan advanced skills als
leerstrategieën en persoonlijke effectiviteit, probleemoplossend vermogen, creatief denken
en het kunnen toepassen van geleerde (schoolse) kennis en vaardigheden in de praktijk.40
Momenteel besteden de meeste scholen op diverse manieren aandacht aan deze vaardig-
heden: bijvoorbeeld door middel van loopbaanoriëntatie en -begeleiding, studie- en huis-
werkbegeleiding, praktijkopdrachten en stages. Vaak komt aandacht hiervoor ook bij andere
vakken aan de orde. Tegelijk worstelen veel scholen met de vraag hoe zij vaardigheden als
plannen en reflecteren kunnen aanleren en versterken. Het zou goed zijn meer zicht te krijgen
op hoe scholen hieraan doelgericht en effectief aandacht kunnen besteden.
34	Stichting Leerplanontwikkeling, 2010.
35	Onderwijsraad, 2005; Onderwijsraad, 2009c.
36	Onderwijsraad, 2005; Onderwijsraad, 2007d; Onderwijsraad, 2009c.
37	Dit is gebaseerd op informatie van Wilmad Kuiper van de SLO.
38	Onderwijsraad, 2009c.
39   Uit de laatste PISA-resultaten blijkt dat de prestaties op leesvaardigheid in belangrijke mate worden bepaald door het beheersen van
     leerstrategieën die in staat stellen een gelezen tekst goed te begrijpen en samen te vatten. Zie Organisation for Economic Coordina-
     tion and Development, 2010a.
40	Organisation for Economic Coordination and Development, 2010c.
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    Scholen houden regie bij maatschappelijke taken
    Focus in het onderwijsprogramma houdt volgens de raad tevens in dat scholen zich zelfbe-
    wust opstellen als het gaat om het ingaan op maatschappelijke vragen en verwachtingen. Niet
    alle lespakketten en maatschappelijke thema’s zijn voor alle scholen relevant. Tegelijk geldt
    ook: dat wat voor de ene school voorwaardelijk is om te kunnen lesgeven, is voor een andere
    school een overbodige taak. De raad heeft eerder gesteld dat scholen voor de nadere invulling
    van hun maatschappelijke taken zelf keuzes zouden moeten maken, op basis van hun eigen
    visie en op basis van de behoeften en verwachtingen van hun leerlingen en ouders.41 Ze wer-
    ken daarvoor samen met zelfgekozen partners in hun directe omgeving, met andere scholen,
    en met bedrijven en maatschappelijke instellingen.
    Ook de inzet van uitgebreid onderwijs kan een rol spelen bij het inspelen op maatschappe-
    lijke vragen en verwachtingen.42 Scholen kunnen partners uitnodigen of in staat stellen tot
    het organiseren van extra onderwijsaanbod, zowel onder als buiten schooltijd. Dit uitgebreid
    onderwijs biedt tevens mogelijkheden voor het realiseren van extra uitdagend aanbod voor de
    meer getalenteerde leerlingen.
2.3 Herzie inrichting bovenbouw in samenspraak met het vervolgonderwijs
    Programma bovenbouw havo/ vwo: herziening profielen?
    De minister verzoekt in haar adviesaanvraag de raad aandacht te besteden aan de huidige vier
    profielen in de bovenbouw havo/vwo. De minister overweegt de vier profielen terug te bren-
    gen naar twee. De keuze voor twee profielen vergemakkelijkt de organiseerbaarheid van het
    onderwijs door scholen en kan daarmee efficiencywinst opleveren. Bovendien wordt onno-
    dige ‘keuzestress’ bij leerlingen voorkomen.
    De raad is van mening dat eventuele herziening van de profielen vraagt om een zorgvuldige
    evaluatie van de voor- en nadelen van de huidige inrichting van het voortgezet onderwijs. In
    het bijzonder moet nauwe afstemming met het vervolgonderwijs plaatsvinden.
    Al eerder is door de profielcommissies onder leiding van de heer Veldhuis (2007) voorgesteld
    om geleidelijk over te stappen naar twee profielen, een natuurprofiel en een maatschappij­
    profiel, waarbinnen nog wel nadere differentiaties mogelijk zijn.43 Het advies van de profiel-
    commissies verdient volgens de raad nadere aandacht.
    In de discussie over de herziening van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (havo/
    vwo) wil de raad nadrukkelijk de mogelijkheid van het volledig afschaffen van de profielen
    betrekken. De aansluiting van het voortgezet onderwijs op het vervolgonderwijs kan wellicht
    voldoende gewaarborgd worden op basis van de doorstroomrelevante vakken Nederlands,
    Engels en rekenen/wiskunde.44
    41	Onderwijsraad, 2008a.
    42	Onderwijsraad, 2010b.
    43	Deze commissies kregen in 2004 de opdracht om de minister van OCW te adviseren over de verdere inhoudelijke ontwikkeling en de
         vernieuwing van de profielen op de langere termijn. De commissies brachten eind 2006 een ontwerpadvies uit, waarover vervolgens
         uitgebreid is gediscussieerd met het veld. In 2007 volgde een eindadvies waarin werd gepleit voor twee profielen: een natuurprofiel
         en een maatschappijprofiel, met daarbinnen wel nadere richtingen en keuzemogelijkheden. Om de brede algemene ontwikkeling
         van alle leerlingen te versterken zou voor alle leerlingen een substantieel maatschappijvak moeten worden ingevoerd, en voor de
         leerlingen die kiezen voor het maatschappijprofiel een substantieel natuurvak, in beide gevallen ook met een centraal examen.
    44	Onderwijsraad, 2010b.
    18                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>In een komend advies zal de raad uitgebreider ingaan op de inrichting van de bovenbouw
havo/vwo en op de vraag of herziening hiervan nodig en gewenst is. Daarbij zal de raad in ieder
geval aandacht besteden aan:
• de doorstroomvakken in alle profielen/vakkenpakketten, waarbij ervoor gezorgd wordt
    dat wiskunde voor alle leerlingen een voldoende diepgaand karakter heeft; en
• de organiseerbaarheid en flexibiliteit van de huidige profielenstructuur.
Ook bovenbouwprogramma vmbo verdient nadere doordenking
In het bovenbouwprogramma van het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs)
is sprake van een veelheid aan keuzes. Daarom zou ook de inrichting van de bovenbouw van
het vmbo opnieuw moeten worden bekeken om een goede aansluiting met het middelbaar
beroepsonderwijs te waarborgen. Vanwege het belang van de doorstroomvakken (Neder-
lands, Engels en rekenen/wiskunde) zouden deze vakken ook in het vmbo een vast onderdeel
moeten zijn van het bovenbouwprogramma. Voor de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo
heeft de raad daarbij in eerdere adviezen voorgesteld Engels te vervangen door het beroeps-
gerichte vak. Een vraag die bij herziening van het bovenbouwprogramma in het vmbo sterk
speelt, is hoe breed of smal het programma zou moeten zijn.
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    Opbrengstgericht werken leidt tot betere prestaties van leerlingen. Daarom is
    het van belang de inspanningen om tot een meer opbrengstgerichte cultuur
    te komen onverminderd voort te zetten. Een leerlingvolgsysteem en goede
    benchmarks voor scholen zijn volgens de raad daarbij onmisbaar.
3   Aanbeveling 2: bevorder de
    kwaliteit van de school door inzet
    op opbrengstgericht werken
3.1 Scholen volgen gericht vorderingen van leerlingen
    Opbrengstgericht werken leidt tot hogere prestaties van leerlingen.45 Opbrengstgericht wer-
    ken wil zeggen: systematisch en doelgericht werken aan zo goed mogelijke leerlingprestaties,
    waarbij het vooral gaat om het doorlopen van alle stappen van de evaluatieve cyclus.46 Het
    hebben van een richtinggevend onderwijsprogramma zoals dat in het vorige hoofdstuk is
    besproken, is dan ook een noodzakelijke voorwaarde om opbrengstgericht aan leervorderin-
    gen te kunnen werken.
    Opbrengstgericht werken gaat verder dan het regelmatige toetsen van leerlingprestaties. Het
    houdt ook in dat er zicht is op het onderwijsproces in de klas, bijvoorbeeld door gebruik te
    maken van klassenobservaties en vormen van onderling leren en kennisuitwisseling van lera-
    ren. Een leerlingvolgsysteem is onmisbaar voor opbrengstgericht werken. De Onderwijsraad is
    dan ook van mening dat alle scholen over een systeem zouden moeten beschikken om de vor-
    deringen van leerlingen te volgen. Welk systeem zij hiervoor gebruiken is aan de scholen zelf.
    Van belang is wel dat diagnostische toetsen en de voorgestelde niveaubepaling ten opzichte
    van de referentieniveaus aan het einde van leerjaar twee hier een plaats in krijgen.
    Het streven om te werken aan een meer opbrengstgerichte cultuur kan op veel draagvlak reke-
    nen bij de scholen. De sectororganisaties hebben in de afgelopen jaren ook zelf initiatieven
    daartoe genomen, bijvoorbeeld door het project Vensters voor Verantwoording.47 Het is zaak om
    de kansen die deze ontwikkelingen bieden zo goed mogelijk te benutten.
    Ondersteuning voor scholen en docenten in gebruik diagnostische gegevens
    In het vorige hoofdstuk is betoogd dat leraren de uitkomsten van de niveaubepalingen zou-
    den moeten gebruiken voor het afstemmen van het onderwijs op de individuele beheersings-
    niveaus van leerlingen. Ook de andere gegevens uit het leerlingvolgsysteem kunnen op deze
    45	Barber, Chijioke & Mourshed, 2011; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010b; Scheerens, 2007; Scheerens,
        ­Luyten & Ravens, 2011b; Inspectie van het Onderwijs, 2010b.
    46	De evaluatieve cyclus bestaat uit vijf stappen: 1. vastleggen van doelen en standaarden; 2. verzamelen van informatie; 3. registreren
        van vorderingen; 4. interpreteren van vorderingen; 5. nemen van beslissingen. Zie Ledoux, Blok, Boogaard & Krüger, 2009.
    47	Zie www.venstersvoorverantwoording.nl.
    20                                                                                                    Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    manier worden gebruikt. Zicht op het individuele niveau van een leerling dient consequenties
    te hebben voor het leerstofaanbod en de hoeveelheid leertijd die een leerling wordt geboden.
    Leerlingen die nog een grote stap voorwaarts te maken hebben, kan extra leerstofaanbod en
    meer leertijd, eventueel ook buiten schooltijd, worden gegeven. Leerlingen die de stof al op
    een hoog niveau beheersen kan extra uitdaging geboden worden.
    Dat houdt wel in dat gezorgd moet worden voor voldoende ondersteuning voor scholen en
    docenten in het gebruik van diagnostische toetsen en andere gegevens uit een leerlingvolg-
    systeem.48 Onderzoek verricht onder leerkrachten in het primair onderwijs laat echter zien dat
    veel leerkrachten moeite hebben met het analyseren van toetsresultaten en het trekken van
    conclusies daaruit voor hun onderwijs.49 Voor leraren in het voortgezet onderwijs ligt dit naar
    alle waarschijnlijkheid niet anders. Op minder dan de helft van de scholen is de afstemming
    van het didactisch handelen op verschillen tussen leerlingen als voldoende beoordeeld.50
    Uiteindelijk veronderstelt het opbrengstgericht werken een onderzoekende en onderzoeks-
    matige houding bij leraren. Zij moeten in staat zijn om op basis van de opbrengstgegevens van
    leerlingen de juiste conclusies te trekken voor het leerstofaanbod.
3.2 Jaarlijkse landelijke peiling doorstroomrelevante vakken als benchmark
    Om opbrengstgericht te kunnen werken zijn goede benchmarks onmisbaar. Deze leveren
    scholen informatie over waar andere scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie op
    dit gebied staan. Daarom beveelt de raad aan om jaarlijks een landelijke peiling te organiseren
    naar het beheersingsniveau van leerlingen aan het eind van het tweede leerjaar op de door-
    stroomrelevante vakken (Nederlands, Engels, rekenen/wiskunde).
    Peiling levert ook informatie voor monitoring op stelselniveau
    De minister kan de resultaten van deze peiling gebruiken om op stelselniveau de onderwijsop-
    brengsten in de doorstroomrelevante vakken te monitoren. De landelijke peiling vindt plaats
    met behulp van één landelijke, uniforme toets, die binnen een bepaald tijdsbestek volgens
    vaste procedures wordt afgenomen. Hiervoor kan de toets worden gebruikt die de minister
    voor het monitoren van de leervorderingen heeft laten ontwikkelen (zie aanbeveling 1). Voor
    de landelijke peiling wordt gebruikgemaakt van een steekproef, bijvoorbeeld bij 20% van de
    scholen. De steekproef wordt zo opgezet dat elke school eens in de vijf jaar meedoet aan de
    peiling.51
    De gegevens van de nationale peiling kunnen een cruciale rol spelen bij onderzoek en ontwik-
    keling van onderwijs. Er kunnen vergelijkingen worden gemaakt tussen scholen met uiteenlo-
    pende leermethodes en het is ook een belangrijk ijkpunt voor veldexperimenten in het onder-
    wijs.52 Net als bij PISA zouden de resultaten beschikbaar moeten zijn voor wetenschappelijk
    onderzoek. De opzet van de peiling zou dan ook zodanig moeten zijn dat hij voor onderzoeks-
    48	Rosenkvist, 2010.
    49	Meijer, Ledoux & Elshof, 2011.
    50	Inspectie van het Onderwijs, 2010a.
    51	Door in de steekproef met varianten van toetsen te werken, kan bovendien meer gedetailleerde informatie op systeemniveau worden
        gekregen over het beheersingsniveau van leerlingen op meer specifieke kennisonderdelen (vergelijk het bestaande peilingsonder-
         zoek voor het primair onderwijs – PPON).
    52	Zie Onderwijsraad, 2010a.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    doeleinden geschikt is. Naast een dergelijke jaarlijkse peiling wijst de raad op het belang van
    longitudinaal cohortonderzoek zoals COOL5-18 (Cohortonderzoek onderwijsloopbanen).
3.3 Gebruik referentieniveaus om ambitieus onderwijs te stimuleren
    Op dit moment worden referentieniveaus met name gebruikt om een minimumniveau te waar-
    borgen. De referentieniveaus lenen zich echter ook uitstekend voor het stimuleren van ambi-
    tieus onderwijs. De door de raad voorgestelde benchmark levert scholen informatie op hoe zij
    op het gebied van de referentieniveaus presteren ten opzichte van scholen met een vergelijk-
    bare leerlingenpopulatie. Dit kan scholen ertoe aanzetten om alle leerlingen maximaal te laten
    presteren. De minister kan dit bevorderen door ook de streefkwaliteiten van de referentie-
    niveaus wettelijk vast te leggen. Dit laat zien dat prestaties hoger dan de basiskwaliteit worden
    gewaardeerd. Met behulp van de referentieniveaus kunnen scholen goed bepalen welke leer-
    stof zij leerlingen kunnen aanbieden die bovengemiddeld goed presteren.
    Om deze uitdaging ook voor de goed presterende leerlingen in havo en vwo te bieden, is het
    nodig om in overleg met het vervolgonderwijs doelen voor de hoogste niveaus uit te werken
    (4S voor taal en 4F en 4S voor rekenen). Het hoogste uitgewerkte niveau voor rekenen (3S) ligt
    op dit moment op het niveau van het rekenen benodigd voor wiskunde A op de havo. Het vier-
    de niveau voor rekenen zou volgens de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen
    volledig op het gebied van de wiskunde komen te liggen.53 Dat betekent dat de referentieni-
    veaus rekenen met invoering van een vierde niveau feitelijk referentieniveaus rekenen/wiskun-
    de worden. In overleg met het vervolgonderwijs, de exacte opleidingen, kan worden bekeken
    of het zinvol is om hieraan nog een vijfde niveau toe te voegen.
    53	Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, 2008.
    22                                                                        Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>    De sleutel voor het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs ligt bij leraren
    en schoolleiders. Opbrengstgericht werken, differentiëren tussen leerlingen
    en goed gebruikmaken van diagnostische gegevens vraagt om hooggekwali-
    ficeerd onderwijspersoneel. De raad stelt dan ook voor om bij- en nascholing
    verplicht te stellen en alle nieuwe leraren op te leiden tot masterniveau.
4   Aanbeveling 3: versterk kwaliteit en
    professionaliteit van leraren en schoolleiders
4.1 Een beroepsregister voor leraren met verplichte bij- en nascholing
    Uit onderzoek is bekend dat de kwaliteit van docenten de belangrijkste beïnvloedbare factor
    is voor de kwaliteit van onderwijs.54 Meta-analyses van onderwijseffectiviteitsonderzoek laten
    zien dat beleidsmaatregelen die van invloed zijn op microniveau, dat wil zeggen op het primai-
    re proces (leren en onderwijzen), het grootste effect hebben.55 Dat kan onder meer via beleid
    op het gebied van scholing en professionalisering van leraren. Daarnaast besteden landen en
    regio’s die hoge leerprestaties behalen, veel aandacht aan de kwaliteit van leraren en school-
    leiders.56 Om deze redenen ziet de raad versterking van de kwaliteit en professionaliteit van
    onderwijspersoneel als de sleutel voor het verhogen van de leerprestaties.
    Verlies bevoegdheid bij niet voldoen aan scholingseisen
    De Onderwijsraad pleit er daarom voor dat er nu werk wordt gemaakt van de invoering van een
    beroepsregister met daaraan gekoppelde verplichte bij- en nascholing. Daarbij zou het vooral
    moeten gaan om bij- en nascholing die ingaat op ondervonden problemen van leraren met
    betrekking tot de vakinhoud, de vakdidactiek en het leerproces van leerlingen in een specifiek
    leerdomein. Andere belangrijke aandachtpunten bij deze bij- en nascholing zijn: een focus op
    actief en onderzoekend leren, in de zin van het zelf analyseren van problemen en construeren
    van oplossingen in verband met de lespraktijk, en samen leren met collega’s. Voor effectieve
    bij- en nascholing zijn voorts een substantiële hoeveelheid tijd en samenhang met het school-
    beleid van belang. 57
    Qua omvang van de nascholingseisen denkt de raad aan minimaal 10% van de aanstelling. Een
    leraar die niet voldoet aan de scholingseisen uit het register verliest daarmee ook zijn bevoegd-
    heid. Aan een dergelijk lerarenregister wordt al sinds 2007 gewerkt, het is zaak de ingezette
    beweging nu door te zetten.58
    54	Hattie, 2009; Auguste, Kihn & Miller, 2010.
    55	Scheerens, Luyten & Ravens, 2011b.
    56	Organisation for Economic Coordination and Development, 2010b.
    57	Veen, Meirink & Verloop, 2010.
    58	Zie bijvoorbeeld: http://www.lerarenweb.nl/lerarenweb-lerarenregister.html.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    De raad vindt verplichte bij- en nascholing van belang omdat leraren moeten beschikken
    over uitstekende vakkennis en pedagogisch-didactische bekwaamheden om hoge leerpres-
    taties voor al hun leerlingen te realiseren. Voor kwalitatief hoogstaand onderwijs is het vooral
    belangrijk dat leraren beschikken over een breed repertoire aan onderwijsstrategieën, in staat
    zijn tot goed klassenmanagement en welbewuste keuzes kunnen maken als het gaat om leer-
    stofaanbod, instructie en didactische werkvormen, rekening houdend met de capaciteiten en
    het niveau van de leerlingen. Dit veronderstelt tevens dat zij in staat zijn tot opbrengstgericht
    werken, waaronder het gericht gebruiken van evaluatie en feedback (zie ook aanbeveling 2).
    Veel leraren slagen er op dit moment nog onvoldoende in om rekening te houden met verschil-
    len tussen leerlingen bij de verwerking van leerstof. In het voortgezet onderwijs heeft de helft
    van de leraren hier problemen mee.59
4.2 Alle nieuwe leraren opleiden tot masterniveau
    Alle nieuwe leraren in het voortgezet onderwijs zouden in de nabije toekomst op masterniveau
    moeten zijn opgeleid. Dit geldt óók voor leraren die lesgeven in de onderbouw havo/vwo en
    leraren in het vmbo.60 Daarbij ziet de Onderwijsraad een lerarenopleiding op bachelorniveau
    als een startkwalificatie. Binnen de eerste vijf jaren na het behalen van deze startkwalificatie
    (en daarmee zijn registratie in het lerarenregister) volgt de docent een postinitiële opleiding
    op masterniveau in het kader van zijn scholingsverplichtingen voor het lerarenregister.61 Na
    vijf jaar is herregistratie alleen met een masterdiploma mogelijk. Bij de te volgen master kan
    het zowel gaan om een vakinhoudelijke als om een educatieve master, en om een professi-
    onele master (hoger beroepsonderwijs) dan wel een academische master (wetenschappelijk
    onderwijs).
    Masteropleiding bevordert opbrengstgericht werken
    De reden dat de Onderwijsraad groot belang hecht aan een masteropleiding voor alle docen-
    ten is dat doelgericht werken aan verhoging van leerprestaties (opbrengstgericht werken)
    vraagt om een betere verbinding tussen onderzoek en praktijk.62 Leraren moeten onderzoeks-
    resultaten in de dagelijkse onderwijspraktijk kunnen vertalen naar hun werk met leerlingen,
    onderzoeksvragen kunnen stellen en op basis van toetsgegevens hun onderwijs kunnen aan-
    passen aan het niveau dat voor de verschillende leerlingen in de klas noodzakelijk is. Zoals in de
    vorige paragraaf is gesteld hebben leraren hier vaak nog moeite mee. Daarbij gebruik kunnen
    maken van wetenschappelijke inzichten bevordert de kwaliteit van het onderwijs verder. Dit
    zijn bij uitstek vaardigheden die in een masteropleiding aangeleerd worden. Daarnaast biedt
    het volgen van een masteropleiding naast het dagelijkse werk beginnende docenten een pro-
    fessioneel platform om zaken rondom onderwijsverbetering ook buiten de eigen school aan
    de orde te stellen.
    59	Inspectie van het Onderwijs, 2010a.
    60	De raad kan zich voorstellen dat er uitzonderingen mogelijk zijn voor sommige docenten in de beroepsgerichte vakken.
    61	 Uiteraard kan een leraar ook meteen met een masterniveau in het onderwijs beginnen. Dan gelden de normale bij- en
         nascholingsverplichtingen.
    62	Commissie Nationaal Plan Toekomst Onderwijswetenschappen, 2011.
    24                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>4.3 Bekwaamheidseisen en professionalisering van schoolleiders
    Bestuur en schoolleiding hebben een belangrijke stimulerende en faciliterende rol bij het ver-
    hogen van de leerprestaties. Zij kunnen op basis van behaalde leerprestaties van de school of
    de afdeling als geheel sturen in scholing en deskundigheidsbevordering. Zij kunnen ervoor
    zorgen dat excellente leraren breder worden benut binnen de school.63 Het bewerkstelligen
    van betere leerprestaties vraagt om onderwijskundig leiderschap. Dit houdt in: in staat zijn
    ervoor te zorgen dat er een gedeelde visie is op de doelen en missie van de school, zorgen
    voor een taakgericht leerklimaat binnen de school en leidinggeven aan het onderwijskundige
    domein binnen de school, het leerplan en het geven van onderwijs door leraren.64
    Professionalisering ook voor schoolleiders
    Om deze zaken te faciliteren moeten ook schoolleiders in staat zijn om goed met opbrengst-
    gegevens om te gaan en moeten ze de link tussen onderwijs en onderzoek op een produc-
    tieve manier kunnen leggen. De raad vindt daarom dat er bekwaamheidseisen moeten komen
    voor schoolleiders in het voortgezet onderwijs. Een dergelijk traject is voor schoolleiders in het
    primair onderwijs reeds in gang gezet. Naar de mening van de raad zijn bekwaamheids- en
    nascholingseisen van schoolleiders onderdeel van een in te richten schoolleidersregister.
    Stimuleren tot professionele leergemeenschappen
    Een belangrijke taak voor bestuur en schoolleiding ligt in het omvormen van de school en
    teams van leraren in de richting van een lerende organisatie: een plek waar niet alleen leer-
    lingen, maar ook leraren leren. 65 Daarmee wordt een school een zogenoemde professionele
    leergemeenschap. 66
    Op basis van empirisch onderzoek zijn vijf kenmerken van professionele leergemeenschappen
    te noemen: 1) leraren nemen deel aan een professionele dialoog over belangrijke onderwer-
    pen van hun werk; 2) leraren bezoeken elkaars lessen om elkaar feedback te geven; 3) leraren
    werken samen 4); er is een gedeelde visie onder leraren op de missie van de school en hoe die
    te bereiken; en 5) er is een gedeelde focus op het leren van leerlingen en een gedeelde verant-
    woordelijkheid voor leerlingsucces. De effecten van een professionele leergemeenschap op
    leerprestaties van leerlingen zijn weliswaar uiteenlopend en meestal klein, maar wel positief.67
    Daarnaast dragen leergemeenschappen bij aan de professionele ontwikkeling van leraren. Een
    goed voorbeeld in dit kader zijn de ‘academies’ die verschillende grote schoolbesturen hebben
    opgericht, waar scholen terecht kunnen met hun eigen leervragen.
    63	Zie hierover meer in te verschijnen advies van de Onderwijsraad over excellente leraren.
    64	Scheerens, Hendriks & Steen, 2011a.
    65	De Vries e.a., 2010.
    66  Lomos, Hofman & Bosker, 2010.
    67	Lomos, Hofman & Bosker, 2010.
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Wanneer in de hele keten gewerkt wordt aan hoge kwaliteit, komt dit het tota-
    le ambitieniveau van het onderwijs ten goede. Zowel leerlingen als docenten
    en schoolleiders moeten er baat bij hebben om boven zichzelf uit te stijgen.
    Dit hoofdstuk stelt een aantal maatregelen aan de orde om hoge ambities en
    de bijbehorende prestaties te stimuleren.
5
5.1
    Aanbeveling 4: waardeer getoonde kwaliteit
    Waardeer prestaties van leerlingen
    Onderwijs is gebaat bij hoge, aanmoedigende verwachtingen.68 Hoge verwachtingen van lera-
    ren resulteren in een hogere inzet en motivatie van leerlingen en daarmee in hogere presta-
    ties.69 Het werken vanuit hoge verwachtingen betekent: prestatiegerichtheid, vertrouwen en
    geloof in eigen kunnen.70 Prestatiegerichtheid wil hier zeggen hoge doelen stellen en streven
    naar excellente prestaties. Het is de pressie van de school gericht op beter willen presteren.
    Vertrouwen houdt in dat de leraren de overtuiging hebben dat alle leerlingen kunnen leren en
    een zeker prestatieniveau kunnen halen. Daarvoor is het tevens nodig dat leraren geloof heb-
    ben in hun eigen kunnen en in het feit dat zij verschil maken voor leerlingen. Dankzij de inzet
    en hulp van de leraar gaat een leerling (meer) leren en raakt hij of zij gemotiveerd om zich zo
    goed mogelijk in te spannen en zo nodig ook meer en langer dan een ‘gemiddelde’ leerling.
    Alleen dan slagen alle leerlingen erin het gestelde hoge doel te bereiken.
    Het hebben van hoge verwachtingen dient samen te gaan met het waarderen van de gelever-
    de prestaties. Voor leerlingen telt op dit moment alleen of zij zijn geslaagd of niet; los van de
    eigen ambitie zijn er weinig externe stimulansen om het diploma met hoge cijfers of extra vak-
    ken te behalen. Om een cultuur van excellentie te bevorderen is het zaak om leerlingen sterker
    tot een ambitieuze instelling te prikkelen. De raad ziet daarvoor een aantal mogelijkheden.
    Stimuleer afsluitingen in extra vakken en op hoger niveau
    Scholen kunnen meer stimuleren dat leerlingen extra vakken volgen of vakken op een hoger
    niveau afsluiten. Dit is weliswaar op dit moment al mogelijk – een leerling op het havo kan
    bijvoorbeeld een of enkele vakken op vwo-niveau afsluiten – maar vindt niet op grote schaal
    plaats. Ook zou het – in overleg met het hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onder-
    wijs – mogelijk moeten zijn om vakken al op een verdergaand niveau te volgen.
    Daarnaast adviseert de raad dat leerlingen die extra vakken willen volgen, ook wanneer deze
    door roostertechnische beperkingen niet kunnen worden ingeroosterd, in ieder geval deel
    kunnen nemen aan het examen. Op diverse scholen is het al mogelijk dat leerlingen meer vak-
    68	Wieringen, 2011; {Arnold, 2006 #2}.
    69	Zie Boer, Bosker & Werf, 2010.
    70	Hoy, Tarter & Woolfolk, 2006; Raban, 2010.
    26                                                                        Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    ken volgen dan er kunnen worden ingeroosterd. Zij moeten dan zelf keuzes maken wanneer
    zij aan de lessen van verschillende vakken deelnemen. De vakken worden in principe afgeslo-
    ten met zowel een schoolexamen als een centraal examen. Scholen zouden dit verder moeten
    stimuleren.
    Wanneer het niet mogelijk blijkt om leerlingen deel te laten nemen aan het schoolexamen –
    bijvoorbeeld wanneer een school in een krimpgebied niet in staat is om alle vakken aan te bie-
    den – zou het ook mogelijk moeten zijn om alleen deel te nemen aan het centraal examen. Van
    deze vakken krijgen leerlingen een aparte aantekening op hun diploma. Ze hebben immers
    alleen het centraal examen en niet het schoolexamen afgelegd.
    Waardeer extra prestaties op diplomasupplement
    Wanneer leerlingen extra inzet tonen of extra prestaties leveren, moeten scholen dat kunnen
    vermelden op een diplomasupplement. Dergelijke prestaties zijn bijvoorbeeld extra activitei-
    ten op een technasium of deelname aan een pre university college.
    Diploma’s met vermelding cum laude
    Een laatste optie is om scholen de mogelijkheid te geven om de aantekening cum laude aan
    een diploma toe te voegen. Er zouden dan wel vooraf landelijke afspraken gemaakt moeten
    worden voor de hele sector over wat er voor een dergelijke aantekening nodig is. Een derge-
    lijke aantekening heeft weliswaar geen civiel effect, maar kan voor leerlingen wel een extra sti-
    mulans zijn om net dat stapje extra te doen.
5.2 Waardeer prestaties van docenten
    Leraren zouden meer moeten worden beloond voor het leveren van bijzondere prestaties. Op
    dit moment zijn er voor docenten nog te weinig ‘incentives’ om extra te presteren. Ook wor-
    den leraren onvoldoende gestimuleerd om meer uitdagende taken op zich te nemen zoals het
    lesgeven in heterogene klassen. Daardoor blijven talenten van leraren onbenut en blijven er
    kansen liggen om leerlingen te laten groeien.
    Langzaamaan ontstaat wel meer aandacht voor excellentie. Voor excellente leerlingen is dat al
    een tijdje gaande, maar er zijn nog te weinig scholen die ook excellente prestaties bij leraren
    zichtbaar durven te maken en durven te waarderen. Wel is de aandacht ervoor de afgelopen
    tijd iets toegenomen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de verkiezing van de leraar van het jaar en de
    invoering van beloningsdifferentiatie in het kader van de functiemix.
    De minister kan deze toegenomen aandacht voor excellentie onder leraren benutten om het
    onderwijs een kwaliteitsimpuls te geven. Over dit onderwerp brengt de raad in maart 2011 een
    nader advies uit.
5.3 Waardeer prestaties van scholen
    Ook scholen kunnen meer worden uitgedaagd om te excelleren. Zo is het inspectietoezicht
    momenteel met name gericht op de basiskwaliteit. De belangrijkste zorg voor de overheid is
    uiteraard dat bij alle scholen de basiskwaliteit op orde is. Wanneer dit echter voor scholen een
    reden is om niet naar excellente leerprestaties te streven omdat die niet worden gewaardeerd,
    Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>werkt dit voor leerlingen nadelig uit. Zo zijn scholen soms voorzichtig om leerlingen waarover
enige twijfel bestaat te laten doorstromen naar een hoger schooltype. Veel scholen verbieden
nu bijvoorbeeld leerlingen die doorstromen vanuit het vmbo op de havo nog een keer te blij-
ven zitten. Het beleid zou scholen er juist voor moeten belonen wanneer zij voor alle leerlingen
streven naar het maximaal haalbare. Meer waardering voor excellente prestaties van scholen
kan daarmee bijdragen tot een hoger prestatieniveau van leerlingen.
Identificeer excellente scholen
Een mogelijkheid voor waardering is om naast excellente leerlingen en excellente docenten
ook zeer goede scholen te identificeren. De raad verstaat hieronder scholen waar de leerlingen
aantoonbaar bovengemiddelde leerwinst boeken en die tevens op alle aspecten uit het toe-
zichtskader van de Inspectie goed scoren. Dit betekent wel dat de Inspectie in haar oordelen
ook aan de bovenkant zou moeten differentiëren naar voldoende en goed/excellent. Daarmee
wordt het aantrekkelijk voor de school om een leerling met een vmbo-advies op havo-niveau
examen te laten doen, of om leerlingen uit de dagen om hogere cijfers te halen. De Inspectie
kan deze scholen belonen met de kwalificatie excellente school.
Laat scholen zich op aanvullende aandachtspunten profileren
Daarnaast zou de Inspectie ook het eigen profiel van scholen mee kunnen nemen in het toe-
zicht. Scholen zouden voorafgaand aan het inspectiebezoek aanvullend aan het inspectiekader
zelf twee aandachtpunten van schoolontwikkeling of profilering kunnen aangeven, waarover
zij het oordeel van de Inspectie wensen. De Inspectie neemt het oordeel over deze aandachts-
punten vervolgens op in de kwaliteitskaart van de school.
28                                                                      Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Afkortingen
COOL		       Cohortonderzoek onderwijsloopbanen
OCW		        Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
PIRLS		      Progress in International Reading Literacy Study
PISA		       Programme for International Student Assessment
SLO		        Stichting Leerplanontwikkeling Nederland
TIMMS		      Trends in International Mathematics and Science Study
vmbo		       voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Literatuur
Arnold, I. (2006). Het beste onderwijs komt uit de ivoren toren. Economisch Statistische Berichten,
    4490(334-335).
Auguste, B., Kihn, P. & Miller, M. (2010). Closing the Talent Gap: Attracting and Retaining Top-Third
    Graduates to Careers in Teaching. Z.p.: McKinsey.
Barber, M., Chijioke, C. & Mourshed, M. (2011). How the world’s most improved school systems keep
    getting better. Z.p.: Mc Kinsey.
Boer, H. de, Bosker, R.J. & Werf, M.P.C. van der (2010). Sustainability of teacher expectation bias
    effects and moderation by student characteristics. Journal of Educational Psychology, 102(1),
    168-179.
Borghans, L., Velden, R. van der, Büchner, Ch., Coenen, J. & Meng, Ch. (2008). Het meten van
    onderwijskwaliteit en de effecten van recente onderwijsvernieuwingen. Den Haag: Sdu
    Uitgevers.
Commissie Nationaal Plan Toekomst Onderwijswetenschappen (2011). Nationaal Plan Onder-
    wijs/leerwetenschappen. Geraadpleegd op 25 februari 2011 via http://www.rijksoverheid.nl/
    documenten-en-publicaties/rapporten/2011/02/10/nationaal-plan-toekomst-onderwijswe-
    tenschappen.html.
Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (2008). Over de drempels met taal en reke-
    nen. Enschede: Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen.
Hattie, J.A.C. (2009). Visible learning. Abingdon: Routledge.
Hoy, W.K., Tarter, J.C. & Woolfolk, A. Hoy (2006). Academic optimism of schools. In W.K. Hoy & C.
    Miskel (eds.), Contemporary issues in educational policy and school outcomes (135-156). Green-
    wich: Information Age.
Inspectie van het Onderwijs (2010a). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2008/2009.
    Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2010b). Opbrengstgericht werken in het basisonderwijs. Utrecht:
    Inspectie van het Onderwijs.
Ledoux, G., Blok, H., Boogaard, M. & Krüger, M. (2009). Opbrengstgericht werken; over de waarde
    van meetgestuurd onderwijs. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.
Lomos, C., Hofman, R.H. & Bosker, R.J. (2010). Professional communities and student achieve-
    ment – a meta-analysis. School Effectiveness and School Improvement, in druk.
Meijer, J.J., Ledoux, G. & Elshof, D.P. (2011). Gebruikersvriendelijke leerlingvolgsystemen in het pri-
    mair onderwijs. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
Mulder, L., Roeleveld, J. & Vierke, H. (2007). Onderbenutting van capaciteiten in basis- en voort-
    gezet onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (1999). Zeker Weten. Leerstandaarden als basis voor toegankelijkheid. Den Haag:
    Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2001). De Basisvorming: aanpassing en toekomstbeeld. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2005). Stand van educatief Nederland 2005. Den Haag Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2006). Versteviging van kennis in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007a). Doorstroom en talentontwikkeling. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007b). Presteren naar vermogen. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007c). Veelzeggende instrumenten van onderwijsbeleid. Den Haag: Onderwijs­raad.
Onderwijsraad (2007d). Versteviging van kennis in het onderwijs II. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2008a). Onderwijs en maatschappelijke verwachtingen. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2008b). Partners in onderwijsopbrengst. Den Haag: Onderwijsraad.
30                                                                            Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Onderwijsraad (2009a). Examens in het vmbo. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009b). Kaders voor referentieniveaus. Den Haag Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009c). Stand van educatief Nederland 2009. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010a). Ontwikkeling en ondersteuning van onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010b). Uitgebreid onderwijs. Den Haag Onderwijsraad.
Organisation for Economic Coordination and Development (2007). Understanding the Social
    Outcomes of Learning. Parijs: OECD.
Organisation for Economic Coordination and Development (2010a). PISA 2009 Results: Learning
    to Learn – Student Engagement, Strategies and Practices (Volume III). Parijs: OECD.
Organisation for Economic Coordination and Development (2010b). PISA 2009 Results: What Stu-
    dents Know and Can Do – Student Performance in Reading, Mathematics and Science (Volume
    I). Parijs: OECD.
Organisation for Economic Coordination and Development (2010c). Strong Performers and Suc-
    cessful Reformers in Education: Lessons from PISA for the United States. Parijs: OECD.
Raban, A.G. (2010). Educatief optimisme. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.
Rosenkvist, M.A. (2010). Using Student Test Results for Accountability and Improvement: A Litera-
    ture Review.OECD Education Working Papers. Geraadpleegd op 25 februari 2011 via de web-
    site van OECD, http://www.oecd-ilibrary.org/docserver/download/fulltext/5km4htwzbv30.
    pdf?expires=1298631495&id=0000&accname=guest&checksum=A14EAA240C2D37CC10C8
    6A77880F4F04.
Scheerens, J. (2007). Review and Meta-analysis of School and Teaching Effectiveness. Enschede:
    Universiteit Twente.
Scheerens, J., Hendriks, M. & Steen, R. (2011a). School leadership effects revisited. Review and meta-
    analysis of empirical studies. Enschede: University of Twente.
Scheerens, J., Luyten, H. & Ravens, J. van (2011b). Visies op onderwijskwaliteit met illustratieve
    gegevens over de kwaliteit van het nederlandse primair en secundair onderwijs.
Stichting Leerplanontwikkeling (2009). Referentiekader taal en rekenen. Enschede: Stichting
     Leerplanontwikkeling.
Stichting Leerplanontwikkeling (2010). Leerplankundige analyse van PISA-trends. Enschede: SLO.
Veen, K. van, Zwart, R., Meirink, J. & Verloop, N. (2010). Professionele ontwikkeling van leraren. Lei-
    den: ICLON.
Vijfeijken, M. van, Smeets, E., Schilt-Mol, T. van, Driessen, G., Kat, M., Graauw, C. de, Claassen,
    A. & Blom, S. (2010). Meta-analyse van de eerste opbrengsten van de Kwaliteitsagenda Primair
    Onderwijs. Tilburg: IVA/ITS.
Wieringen, A.M.L. van (2011). Verwachtingsvol onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
Lijst van gesprekspartners
De heer Jan van den Akker, algemeen directeur SLO
De heer Anton Béguin, wetenschappelijk directeur CITO
De heer Sander Breur, voorzitter LSVb
De heer Marten Elkerbout, rector Barleus gymnasium Amsterdam
Mevrouw Anne Hertman beleidsmedewerker LAKS
De heer Wik Jansen, projectleider Vensters voor Verantwoording, VO-raad
De heer Steven de Jong, voorzitter LAKS
De heer Wilmad Kuiper, Afdelingsmanager O&A SLO
De heer Paul Mosterd, directeur Stichting Lezen en Schrijven
De heer Dirk van der Spoel, voormalig voorzitter Adviesgroep vmbo
Mevrouw Margreet de Vries, algemeen directeur Stichting Lezen en Schrijven
De heer Jan Wiegers, lid raad van bestuur CITO
Deelnemers panel
De heer Patrick Banis, vice-voorzitter CNV Onderwijs
De heer Dirck van Bennekom, bestuursmanager Alliantie Voortgezet Onderwijs Nijmegen en
    Land van Maas en Waal
De heer Walter Dresscher, voorzitter AOB
De heer Ton Duif, voorzitter bestuur AVS
De heer Theo Joosten, voorzitter Bond KBO
De heer Wim Kok, voorzitter college van bestuur Assink Lyceum te Haaksbergen
De heer Wim Kuiper, voorzitter college van bestuur Besturenraad
De heer Peter Lucas, beleidsmedewerker VO raad
De heer Jan Edo Otten, rector Grotius College te Delft
De heer Frank Rob, voorzitter college van bestuur Atlas College te Hoorn
De heer Wouter van der Schaaf, stafmedewerker AOB
Mevrouw Annemiek Staarman, beleidsmedewerker VO raad
De heer Simon Steen, algemeen directeur VBS
De heer Mark Weekenborg, manager onderwijskwaliteit PO raad
32                                                                    Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesvraag
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>34 Onderwijsraad, februari 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs 35</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>36 Onderwijsraad, februari 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Overzicht maatregelen voor de korte en de lange termijn
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Het niveau van het Nederlandse onderwijs kan omhoog. Er mag meer geëist worden van leer-
lingen en scholen. Daarvoor is een perspectief op langere termijn noodzakelijk. Dit betekent
echter niet dat alle maatregelen pas op de lange termijn kunnen worden ingevoerd. Een aantal
voorgestelde maatregelen bouwen immers voort op dat wat al in gang is gezet.
 In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van maatregelen die op de korte ter-
mijn kunnen worden ingevoerd en van de maatregelen voor de langere termijn (drie tot zes
jaar). Deze vragen om meer voorbereidingstijd en/of nadere doordenking, zo nodig in samen-
spraak met het onderwijsveld.
                     Maatregelen korte termijn               Maatregelen langere termijn
  Meer focus in      • Scholen bepalen einde leerjaar        • De minister laat betrouwbare, geva-
  het onderwijs-       twee bij leerlingen beheersingsni-      lideerde diagnostische toetsen ont-
  programma            veau voor taal (Nederlands) en reke-    wikkelen om de beheersingsniveaus
                       nen/wiskunde, aan de hand van de        eind leerjaar twee te bepalen en stelt
                       referentieniveaus.                      deze beschikbaar aan scholen die
                     • Scholen verantwoorden hoe zij het       deze willen gebruiken.
                       beheersingsniveau van leerlingen      • De minister laat na vijf jaar ervaringen
                       op de doorstroomrelevante vak-          met het bepalen van beheersings-
                       ken in beeld brengen (wanneer zij       niveaus einde leerjaar 2 evalueren en
                       geen gebruikmaken van beschikbaar       neemt op basis daarvan een defini-
                       gestelde toetsen) en hoe zij resulta-   tief besluit nemen over het eventueel
                       ten benutten om hun onderwijs af te     alsnog verplicht stellen van een lan-
                       stemmen op de leerling.                 delijke toets.
                     • Scholen benutten hun omgeving         • De minister laat de hoogste
                       voor het organiseren van extra          referentieniveaus voor taal en reke-
                       onderwijsaanbod (onder en na            nen/wiskunde inhoudelijk uitwerken
                       schooltijd), aansluitend op de          (voor taal: 4S en voor rekenen/wis-
                       leerlingenpopulatie.                    kunde: 4F en 4S). Eventueel laat zij
                     • De minister laat de huidige profie-     experts bezien of het noodzakelijk is
                       len opnieuw bezien in het licht van     om hogere referentieniveaus te ont-
                       de aansluiting van het voortgezet       wikkelen voor de meest getalenteer-
                       onderwijs op het hoger onderwijs en     de leerlingen.
                       de organiseerbaarheid en flexibili-   • De minister laat referentieniveaus
                       teit van het onderwijsprogramma in      ontwikkelen voor Engels aan de hand
                       de bovenbouw van het voortgezet         van het Europees referentiekader.
                       onderwijs. Daarbij wordt tevens de    • Vakverenigingen en leraren stellen
                       optie verkend om alleen de door-        gemeenschappelijke kennisbasis vast
                       stroomrelevante vakken verplicht te     van de schoolvakken. Deze kennisba-
                       stellen en de rest van de vakkenkeu-    sis wordt periodiek herijkt: eens in de
                       ze vrij te laten.                       vijf jaar kleinschalig; eens in de tien
                     • De minister laat het bovenbouwpro-      jaar grootschalig en diepgaand.
                       gramma vmbo opnieuw bezien, met
                       aandacht voor:
                       a) aansluiting op vervolgonderwijs/
                       arbeidsmarkt;
                       b) voldoende aandacht voor de
                       doorstroomvakken; en
                       c) voldoende flexibiliteit en
                       organiseerbaarheid.
38                                                                             Onderwijsraad, februari 2011
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre> Inzet op               • Scholen verantwoorden dat zij         • De minister organiseert een jaarlijkse
 opbrengst-               niveau en voortgang van leerlingen      landelijke peiling onder 20% van de
 gericht werken           systematisch monitoren.                 scholen aan het eind van leerjaar
                        • Scholen richten zich op hogere leer-    twee om benchmarks te ontwikke-
                          prestaties voor alle leerlingen. Voor   len. Hiervoor maakt zij gebruik van
                          de doorstroomrelevante vakken           de toetsen die zijn ontwikkeld om
                          gebruiken ze daarvoor de referentie-    beheersingsniveau van leerlingen op
                          niveaus, aan de hand waarvan kan        de doorstroomrelevante vakken te
                          worden bepaald of een leerling op       monitoren. Scholen die in de steek-
                          een volgend niveau kan presteren.       proef vallen, doen verplicht mee.
                        • De minister legt naast de fundamen-     Resultaten worden tevens benut voor
                          tele niveaus ook de streefniveaus       het monitoren van stelselkwaliteit.
                          wettelijk vast.
 Kwaliteit en pro-      • De minister voert het lerarenregister • Nieuwe leraren halen binnen vijf jaar
 fessionaliteit           definitief in.                          een vakinhoudelijke of educatieve
 van leraren en         • Het lerarenregister stelt eisen aan     master (academisch of professioneel)
 schoolleiders            professionalisering van leraren         om hun bevoegdheid te behouden.
 versterken               en schoolleiders: onvoldoende
                          bij- en nascholing leidt tot verlies
                          registratie.
                        • De minister vraagt de sector
                          bekwaamheidseisen voor school-
                          leiders voortgezet onderwijs op te
                          stellen.
                        • Schoolleiders en schoolbesturen
                          stimuleren en faciliteren ont-
                          wikkeling van professionele
                          leergemeenschappen.
 Getoonde kwa-          • Scholen stimuleren getalenteerde      • De Inspectie ontwikkelt voor scho-
 liteit belonen           leerlingen om meer vakken te vol-       len meer gedifferentieerde oordelen
                          gen/af te sluiten met een examen.       (naast zeer zwak, zwak en voldoende,
                        • De minister maakt het mogelijk dat      ook goed/excellent).
                          leerlingen voor extra vakken alleen
                          deel kunnen nemen aan het centraal
                          examen.
                        • Het onderwijsveld spreekt een lan-
                          delijke norm af voor een aantekening
                          cum laude op het diploma.
                        • Scholen vermelden extra pres-
                          taties van leerlingen op het
                          diplomasupplement.
                        • De minister stimuleert het meer
                          en beter benutten van excellente
                          leraren.
                        • De Inspectie neemt het oordeel over
                          twee door de school aan te wijzen
                          aanvullende aandachtspunten op in
                          de kwaliteitskaart van de school.
Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>40 Onderwijsraad, februari 2011</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 js Den Haag
www.onderwijsraad.nl
In dit advies reageert de Onderwijsraad op de aankondi-
ging door de minister van Onderwijs van een Actieplan
Beter Presteren voor het voortgezet onderwijs. De raad
formuleert vier aanbevelingen om te komen tot een
kwaliteitsverhoging van het onderwijs gericht op hoge-
re leerprestaties van alle leerlingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>