<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Over de drempel van
postinitieel leren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Over de drempel van postinitieel leren</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal
onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Over de drempel van postinitieel leren, uitgebracht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Nr. 20120115/1020, juni 2012
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2012.
ISBN 978-946121-026-5
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
DeltaHage graﬁsche dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>a% A

onperwljs [aad

Ci hese ed
Ww
Aan de Voorzitter van de Nassaulaan &
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2514 F5 Den Haag
GA Verbert
Pastis 20018 Telefoon: 070 3110.00.00
2500 EA Den Haag Fan O70 356 14 74
secretariaat@ondernijsraad.nl
wears onderwijsraad.nl
Den eer Contato LOTT
20120115/1070 Den Haag, 26 jund 2012
Thr here fare ae
Aghios Over de drempel van postinitied leren
Mevrouw de Voorzitter,

U heeft de Onderveijsraad de adveesvraag voorgelegd op welke manier een levert lang leren bij laagopgeleiden
kan warden gestimuleerd, opdat ze duurraam kumnen participeren in de veranderende arbeidsmaik: en
maatschappij.

Er zijn de laatste jaren reeds veel adviezen verschenen over een leven lang leren Een aantal daarvan is vertaald in
belesdimaatregelen. Ondanks de genomen iniatieven om de deelname van laagopgeleiden aan postinimeel
leren te verhogen, Is de gewenste verbetering nog niet gerealisserd, De raad constateert dat er voor laag-
opgeleiden hogere drempels zijn in de deelname aan pastindtieel keren dan voor hoger opgeleiden,

De raad Is van mening dat goed Initieel onderwijs de voomaamste manier ks om duurzame inzetbaarheld van
burgers te garanderen, De praktijk laat echter zien dat een deel van de jongeren het onderwijs verlaat zoer
vanthwalificatie Voor deze groep van laagopgeleiden heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheic.

Om de posite van laagopgeleide volwassenen le verstevigen, beveelt de raad aan om postinitisel leren te
stimulesen door aan te sluiten bij de behoeften van laagopgeleiden en de kwaliteit van bestaande stimulerings-
maatregelen zorgvuldig te borgen, De raad constateert verder dat er te weinig Inzicht bestaat in de werking en
effectivteit van de tot nu toe genomen maatregelen vaer upecifeke groepen laagopgeleiden, Hij beveelt aan om
veelbelovende nieuwe maatregelen eerst op keine schaal nauwkeurig te monitoren, voordat er wordt geinves:
teerd in het uitretten van maatregelen op grotere schaal.

Met baleelde groet,
<4 4 n ( LA
os — =
Pro dr GTM. ten Bem Des. A. van dew Rest
Aoorzimer Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
     Samenvatting                                                                      7
1 Ontwikkelingen vragen om duurzame inzetbaarheid en participatie                      8
1.1 Aanleiding: laagopgeleiden missen benodigde competenties voor de toekomst          8
1.2 Adviesvraag: duurzame inzetbaarheid en maatschappelijke participatie               9
2    Blijvend investeren in competenties noodzakelijk                                 11
2.1 Vooral laagopgeleiden te weinig voorbereid op de toekomst                         11
2.2 Postinitieel leren leidt tot een betere maatschappelijke positie                 13
2.3 Drempel voor postinitieel leren hoger voor laagopgeleiden                        14
2.4 Overheid heeft een verantwoordelijkheid voor de doorgaande ontwikkeling van
    laagopgeleiden                                                                   16
2.5 Meer inzicht nodig in werking en eﬀectiviteit van stimuleringsmaatregelen         17
3 Postinitieel leren stimuleren onder laagopgeleiden                                 18
3.1 Basis leggen voor postinitieel leren in initieel onderwijs                       18
3.2 Vier aanbevelingen voor stimulering van postinitieel leren onder laagopgeleiden  19
4    Aanbeveling 1: laat stimuleringsmaatregelen aansluiten bij specifieke behoeften
     laagopgeleide                                                                   22
4.1 Start laagdrempelig                                                              22
4.2 Maak postinitieel leren een vanzelfsprekend onderdeel in loopbaanbeleid          23
4.3 Vergroot het aanwezige sociaal kapitaal                                          24
5    Aanbeveling 2: borg kwaliteit ervaringscertificaten                             26
5.1 Informeel leren erkennen                                                         26
5.2 Evc waardevol, maar kwaliteit nog onvoldoende geborgd                            26
5.3 Verscherp toezicht op erkenningsproces                                           27
5.4 Kwaliteit aanbieder zichtbaarder maken                                           28
5.5 Langere licenties voor evc-aanbieders                                            28
6 Aanbeveling 3: stel scherpe eisen aan aanbieders educatietrajecten                 29
6.1 Kwaliteit non-formeel onderwijs transparanter maken                              29
6.2 Een duidelijk kader voor aanbieders volwasseneneducatie                          30
7    Aanbeveling 4: experimenteer met maatregelen en onderzoek hun werking en
     effectiviteit                                                                   33
7.1 Verduidelijk beeld van werking en eﬀectiviteit van maatregelen                   33
7.2 Experimenteer met beloftevolle maatregelen                                       34
                                                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Afkortingen               36
Geraadpleegde deskundigen 37
Literatuur                38
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesvraag    41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Als gevolg van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij worden er steeds
hogere eisen gesteld aan volwassenen. Hierdoor komt de positie van, toch al kwetsbare, laag-
opgeleiden (mensen met een opleiding op maximaal mbo 1-niveau) verder onder druk te staan.
Om duurzaam inzetbaar te kunnen blijven op de arbeidsmarkt en om voldoende zelfredzaam
te zijn in de maatschappij is postinitieel leren voor deze groep belangrijk.
De raad is van mening dat goed initieel onderwijs de voornaamste manier is om duurzame
inzetbaarheid van alle burgers te garanderen. De praktijk laat echter zien dat een deel van
de jongeren het onderwijs verlaat zonder startkwaliﬁcatie (zonder diploma op mbo 2-niveau).
Voor deze groep van laagopgeleiden heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid.
Om de positie van laagopgeleide volwassenen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij te
verstevigen doet de raad vier aanbevelingen om hen te stimuleren tot postinitieel leren.
Laat stimuleringsmaatregelen aansluiten bij specifieke behoeften laagopgeleide
De raad adviseert het bedrijfsleven en de overheid om bij het stimuleren van postinitieel leren
laagdrempelig te beginnen. Betrokken partijen kunnen dit het beste doen door gebruik te
maken van kleinschalige samenwerkingsverbanden. De dagelijkse werk- en leefomgeving van
de potentiële deelnemer moet centraal staan en er kan meer ingezet worden op sociale con-
tacten die mensen kunnen helpen in hun loopbaan. Verder zou postinitieel leren standaard
onderdeel moeten zijn in het loopbaanbeleid van bedrijven, zowel voor vaste werknemers als
voor ﬂexwerkers.
Borg kwaliteit ervaringscertificaten
Ervaringscertiﬁcaten zijn behulpzaam bij het erkennen van informeel leren en het stimuleren
van postinitieel leren, maar de kwaliteit van evc (erkenning van verworven competenties) blijkt
wisselend. De raad adviseert het toezicht op het erkenningsproces te verscherpen. Hiertoe zou
het Ministerie van OCW het toezicht op de kwaliteit van de licentieverlenende instanties moe-
ten onderbrengen bij een overheidsinstelling. Tevens stelt de raad voor om de kwaliteit van
evc-aanbieders zichtbaarder te maken door resultaten van beoordelingen openbaar te maken.
Door vaker te controleren kan een licentie afgegeven worden voor een langere periode. Verder
stelt de raad voor naast de reguliere erkenning per kwaliﬁcatieproﬁel ook een erkenning op het
niveau van de instelling in het leven te roepen.
Stel scherpe eisen aan aanbieders educatietrajecten
Een aanzienlijk deel van de laagopgeleiden is laaggeletterd en daardoor extra kwetsbaar. Daar-
om adviseert de raad om heldere kwaliteitseisen op te stellen voor aanbieders van volwasse-
neneducatie. Hiermee zou de kwaliteit geborgd kunnen worden, terwijl tegelijkertijd educatie-
trajecten beter op de verschillende deelnemersvragen afgestemd kunnen worden.
Experimenteer met maatregelen en onderzoek hun werking en effectiviteit
De deelname aan postinitieel leren wordt te globaal gemeten om het succes van stimulerings-
maatregelen goed te kunnen beoordelen. In het bijzonder voor de heterogene groep van
laagopgeleiden beveelt de raad aan om op kleine schaal te experimenteren met initiatieven
die beloftevol zijn gebleken. Deze maatregelen moeten systematisch op hun werking en eﬀec-
tiviteit worden onderzocht, voordat er wordt geïnvesteerd in maatregelen op grote schaal.
Over de drempel van postinitieel leren                                                        7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    De eisen die aan volwassenen worden gesteld om te kunnen blijven partici-
    peren op de arbeidsmarkt en in de maatschappij worden steeds hoger. Daar-
    mee neemt het belang van een leven lang leren toe. Laagopgeleiden nemen
    minder deel aan postinitieel leren dan hoogopgeleiden en kunnen daardoor
    kansen missen. Dit advies richt zich op het bevorderen van de deelname van
    laagopgeleiden aan formele, non-formele en informele scholing.
1   Ontwikkelingen vragen om duurzame
    inzetbaarheid en participatie
1.1 Aanleiding: laagopgeleiden missen benodigde competenties voor de
    toekomst
    Allerlei ontwikkelingen, waaronder globalisering en de technologische vooruitgang, leiden
    ertoe dat er hogere eisen aan kennis en vaardigheden worden gesteld op de arbeidsmarkt en
    in de maatschappij. Er wordt bovendien meer druk op mensen gelegd om zelfredzaam te zijn
    en in hun eigen inkomen te kunnen voorzien.
    Wat dit betreft zijn laagopgeleiden kwetsbaarder dan hoger opgeleiden.1 Zo lopen zij een gro-
    ter risico op langdurige werkloosheid en komen ze sneller in een lastige ﬁnanciële situatie. Ook
    zal het voor hen moeilijker worden om deel te nemen aan het maatschappelijke leven als ze
    niet beschikken over een aantal basiscompetenties. Toch investeren laagopgeleiden minder
    dan hoger opgeleiden in hun eigen ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de lagere deel-
    name aan postinitiële leermogelijkheden. Dit verschil tussen laag- en hoogopgeleiden wordt
    eerder groter dan kleiner. Een verklaring hiervoor is dat laagopgeleiden een grotere drempel
    tot het volgen van scholing ervaren dan middelbaar en hoogopgeleiden.2
    Goed initieel onderwijs is bij uitstek de manier om jongeren toe te rusten voor de samenleving.
    De raad heeft al menig advies geschreven over de manier waarop initieel onderwijs kan wor-
    den versterkt.3 De praktijk laat echter zien dat een deel van de jongeren het onderwijs ver-
    laat zonder startkwaliﬁcatie, dat wil zeggen zonder een diploma op mbo 2-niveau (middelbaar
    beroepsonderwijs). Hoewel sommige van hen zich goed weten te redden zonder deze start-
    kwaliﬁcatie, geldt voor het overgrote deel van deze groep het tegendeel.4 Voor deze groep van
    laagopgeleiden heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid.
    1    Met de term laagopgeleiden wordt in dit advies gerefereerd aan mensen die maximaal een mbo 1-diploma hebben.
    2    Zie o.a. Fouarge & De Grip, 2011; Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
    3    Zie bijvoorbeeld: Onderwijsraad, 2007; Onderwijsraad, 2010b; Onderwijsraad, 2011a; Onderwijsraad, 2011b; Onderwijsraad, 2011c.
    4    Allen & Meng, 2010.
    8                                                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    Om de positie van laagopgeleide volwassenen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij te
    verstevigen, vindt de raad het belangrijk dat zij zich blijven ontwikkelen door postinitieel leren.
    In 2009 heeft de raad over middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen geadviseerd. Veel
    van de destijds geformuleerde aanbevelingen zijn ook voor laagopgeleiden relevant. Daar-
    naast zijn speciﬁeke stimulansen nodig voor laagopgeleiden om voor hen de drempel naar
    postinitieel leren te verlagen.
1.2 Adviesvraag: duurzame inzetbaarheid en maatschappelijke participatie
    De Tweede Kamer heeft de Onderwijsraad gevraagd advies uit te brengen over een leven lang
    leren. De adviesvraag luidt:
    Hoe kan postinitieel leren ertoe bijdragen dat laagopgeleiden duurzaam inzetbaar worden en
    blijven op de arbeidsmarkt, en maatschappelijk kunnen blijven participeren in een veranderende
    samenleving?
    Doel van het advies
    Het advies richt zich op maatregelen die een bijdrage kunnen leveren aan de duurzame inzet-
    baarheid op de arbeidsmarkt en de maatschappelijke zelfredzaamheid van laagopgeleiden.
    Laagopgeleiden hebben een kwetsbaardere positie dan hoger opgeleiden en de verschillen
    lijken toe te nemen. Nagegaan zal worden of dergelijke verschillen verkleind kunnen worden
    door laagopgeleiden te stimuleren tot postinitieel leren.
    Definitie duurzame inzetbaarheid
    Inzetbaarheid wil zeggen dat iemand een baan kan vinden en in staat is om dit werk te behou-
    den en naar behoren uit te voeren. Duurzaam wil zeggen dat iemand tot zijn pensioengerech-
    tigde leeftijd zo veel mogelijk inzetbaar blijft en dat lange periodes van werkloosheid of baan-
    onzekerheid zo veel mogelijk voorkomen worden.
    Definitie maatschappelijke participatie
    Met maatschappelijke participatie doelt de raad op het zelfredzaam zijn in het dagelijkse maat-
    schappelijke leven. Zelfredzaamheid heeft in de context van dit advies onder andere betrek-
    king op het kunnen deelnemen aan activiteiten met anderen, zelfstandig initiatieven kunnen
    nemen en het kunnen afsluiten van overeenkomsten. Voorbeelden zijn het aanvragen van
    zorgtoeslag of het schrijven van een sollicitatiebrief. Hierbij zijn geletterdheid, gecijferdheid
    en een basisniveau van bijvoorbeeld sociale vaardigheden van groot belang. Het advies is niet
    gericht op personen die beperkt participeren in het maatschappelijk leven door een fysieke
    oorzaak of een verstandelijke beperking.
    Postinitieel leren en postinitieel onderwijs/postinitiële scholing
    In aansluiting op de deﬁnitie van een leven lang leren van de Europese Commissie omschrijft
    de raad postinitieel leren als georganiseerde leeractiviteiten die na het initiële onderwijs wor-
    den ontplooid om kennis, vaardigheden en competenties vanuit een persoonlijk, burgerlijk,
    sociaal en/of werkgelegenheidsperspectief te verwerven en te verbeteren.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                           9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Postinitieel leren omvat formeel leren, non-formeel leren én informeel leren. Het is een breder
begrip dan postinitieel onderwijs of postinitiële scholing, dat alleen betrekking heeft op for-
meel en non-formeel leren.5
r Formeel leren. Intentionele en systematische overdracht van kennis, vaardigheden en atti-
     tuden (doorgaans met de nadruk op kennis) binnen vaste, institutioneel gestructureerde
     grenzen van leeromgeving en tijd. Voorbeeld: roc (regionaal opleidingencentrum).
r Non-formeel leren. Intentioneel leren dat zich in een andere institutioneel verband dan het
     opleidingsinstituut afspeelt. Voorbeelden zijn te vinden in werkgerelateerd of ontplooi-
     ingsgericht leeraanbod, zoals in bedrijfsopleidingen en vormingswerk, en in sociale active-
     ringsactiviteiten als de klussenbus en zelfhulpgroepen.
r Informeel leren. Hiermee wordt het leren bedoeld dat zich, min of meer spontaan, in con-
     texten voordoet die niet expliciet rond leren georganiseerd zijn. Voorbeelden: gesprekken
     met collega’s of buurtgenoten, vergaderingen, krant lezen.
Afbakening doelgroep en postinitieel onderwijs
In dit advies richt de raad zich op volwassenen van 25 jaar en ouder die geschoold zijn op
mbo 1-niveau of lager, dus mensen zonder startkwaliﬁcatie. Het gaat daarbij om werkenden
en niet-werkenden. Deze laatsten kunnen werkloos zijn of niet actief op de arbeidsmarkt
(niet-uitkeringsgerechtigd).
De grens tussen initieel en postinitieel onderwijs is vanuit het onderwijsaanbod              d bezien niet
eenduidig te trekken. Deelnemers van bijvoorbeeld een bbl-opleiding (beroepsbegeleiden-
de leerweg) kunnen zowel doorstromers zijn vanuit het vmbo (voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs) als volwassenen die eerst een paar jaar hebben gewerkt en daarna een
aanvullende opleiding volgen. Om een werkbare scheidslijn te hanteren heeft de raad ervoor
gekozen om het onderscheid tussen initieel en postinitieel onderwijs vanuit de onderwijs-
vragerr af te bakenen. Postinitieel onderwijs is dan het onderwijs dat iemand volgt die reeds
het initiële onderwijs heeft afgerond, of die ouder is dan 25 jaar en daarmee de leeftijd heeft
bereikt waarop de initiële opleiding doorgaans is afgerond.
   Totstandkoming van het advies
   Dit advies bouwt voort op het advies Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen () en Werk
   maken van een leven lang leren (). Er zijn voor dit advies verschillende studies verricht. Deze zijn
   te raadplegen op de website van de Onderwijsraad. De eerste studie is verricht door onderzoekers
   van het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) en beschrijft de stand van zaken op
   het gebied van deelname aan en rendement van een leven lang leren. De tweede studie is een on-
   derzoek uitgevoerd door de Universiteit Maastricht naar de eﬀecten van eerdere adviezen die door
   de Onderwijsraad en andere adviesorganen zijn gegeven over een leven lang leren. Daarnaast is er
   een analyse verricht door het expertisecentrum van de Open Universiteit naar factoren die informeel
   leren bevorderen dan wel belemmeren bij laagopgeleiden. Verder is een panel georganiseerd met
   werkgevers en vertegenwoordigers van werknemers. Ten slotte zijn verschillende deskundigen en
   betrokkenen geraadpleegd.
5    Onderwijsraad, 2003a.
10                                                                                     Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    Voor veel laagopgeleiden is het niet vanzelfsprekend om via postinitieel le-
    ren te investeren in verdere competentieontwikkeling, terwijl dit wel van groot
    belang is om economische en maatschappelijke kansen te kunnen benutten.
    Daarom is het noodzaak dat onder andere de overheid gericht investeert in de
    doorgaande ontwikkeling van laagopgeleiden.
2   Blijvend investeren in competenties
    noodzakelijk
2.1 Vooral laagopgeleiden te weinig voorbereid op de toekomst
    Maatschappelijke en economische ontwikkelingen hebben een grote impact op het dagelijks
    leven en op de arbeidsmarkt. Zo worden banen complexer en daalt de baanzekerheid door
    het toenemende aantal ﬂexcontracten.6 Kennis en vaardigheden verouderen sneller door de
    steeds snellere opvolging van nieuwe technologieën. Individualisering brengt met zich mee
    dat in de samenleving en op de werkvloer meer zelfredzaamheid en eigen initiatief wordt ver-
    wacht. De overheidsvoorzieningen zijn minder ruimhartig en de individuele risico’s dus groter.
    Verder vinden er verschuivingen plaats in de vraag naar arbeid in verschillende sectoren. In de
    ene sector is behoefte aan meer mensen, zoals in de zorg of de techniek. Tegelijk zijn in andere
    sectoren minder arbeidskrachten nodig door het uitbesteden van werk aan lagelonenlanden
    of omdat er groot aanbod is vanuit andere EU-landen (Europese Unie), bijvoorbeeld in de pri-
    maire sector. Dit vraagt om grotere intersectorale mobiliteit.
    Deze ontwikkelingen hebben gemeen dat er andere en hogere eisen gesteld worden aan men-
    sen. Vooral laagopgeleiden komen daardoor in een kwetsbaardere positie in de samenleving
    en op de arbeidsmarkt.
    Moeite om te voldoen aan hogere eisen op gebied van geletterdheid en andere
    vaardigheden
    Voor veel laagopgeleiden is het moeilijker om aan de hogere eisen van de arbeidsmarkt en
    samenleving te voldoen. Zo is een deel van hen onvoldoende geletterd, terwijl geletterdheid
    in brede zin een “fundamentele voorwaarde voor duurzame inzetbaarheid” is en blijft.7 Op het
    gebied van lezen, schrijven, rekenen en omgaan met (digitale) informatie hebben laaggelet-
    terden een beheersingsniveau dat lager is dan het niveau in groep 8 van de basisschool. De
    globalisering leidt er verder toe dat ook kennis van vreemde talen en het kunnen omgaan met
    andere culturen steeds belangrijker worden.8
    6    Josten, Vlasblom & De Voogd-Hamelink, 2012.
    7    Onderwijsraad, 2011b; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011. Geletterdheid bestaat volgens het ministerie van OCW
        niet alleen uit vaardigheid in luisteren, spreken, lezen, schrijven, maar ook uit gecijferdheid en het gebruiken van alledaagse techno-
        logie om te communiceren en om te gaan met informatie.
    8    Onderwijsraad, 2011b.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Laagopgeleiden blijken daarnaast meer moeite te hebben om zich nieuwe kennis en vaardig-
heden eigen te maken. Als verklaring hiervoor wordt gegeven dat ze minder proactief zijn en
over minder leervaardigheden en leerbereidheid beschikken.9 Naarmate routinewerk meer
wordt overgenomen door de techniek, worden deze vaardigheden en houding echter belang-
rijker. Ook van laagopgeleide werknemers wordt gevraagd om complexere taken uit te voeren,
waarbij bijvoorbeeld het ﬂexibel kunnen inspelen op nieuwe situaties vereist is. Van werkne-
mers vraagt dit de (leer)bereidheid om zich naast vakinhoud nieuwe vaardigheden eigen te
maken zoals communicatieve competenties, plannen en het oplossen van problemen.10
Lagere deelname aan postinitiële scholing
De deelname aan postinitiële scholing onder laagopgeleiden is beduidend lager dan onder
hoger opgeleiden en de laatste jaren lijkt dit verschil steeds groter te worden. Uit de ROA-
enquête blijkt bijvoorbeeld dat van de laagopgeleiden in de afgelopen twee jaar ongeveer
47 heeft deelgenomen aan enige vorm van scholing. Dit percentage blijft constant, terwijl
het onder hbo-plussers gestegen is naar 66.11 Ook CBS-cijfers (Centraal Bureau voor de Statis-
tiek) en het door de raad uitgezette onderzoek bevestigen het deelnameverschil tussen laag-
en hoogopgeleiden.12 Bij informeel postinitieel leren op het werk is hetzelfde verschil te zien.
Hoogopgeleiden besteden in hun werk gemiddeld 471 uur per jaar aan taken waarvan zij kun-
nen leren, terwijl dit onder laag- en middelbaar opgeleiden rond de 340 uur ligt. Bovendien is
alleen bij laagopgeleiden het aantal uren dat besteed wordt aan leerzame taken of scholing de
afgelopen jaren gedaald.13
Laagopgeleiden op achterstand op arbeidsmarkt
De noodzaak voor een doorgaande ontwikkeling is voor laagopgeleiden nog groter dan voor
hoger opgeleiden, omdat zij zich in een kwetsbaardere positie bevinden. Zo moeten mensen
met een opleiding op maximaal mbo 1-niveau gemiddeld twee keer zo lang zoeken naar een
baan: 6,4 maanden tegenover een gemiddelde van ongeveer 3 maanden voor hoger opgelei-
den.14 Verder lopen laagopgeleiden vier keer zoveel kans onder de armoedegrens te komen
dan hoogopgeleiden, ongeacht of ze wel of niet werken.15 Tevens hebben laagopgeleiden een
groter risico om hun baan kwijt te raken en langdurig werkloos te blijven.16 In de huidige cri-
sis is de werkgelegenheid voor laagopgeleiden veel sterker gedaald dan die voor hoogopge-
leiden.17 Voor laagopgeleide vrouwen is het risico op werkloosheid ook nog groter dan voor
laagopgeleide mannen.18 Ook is het een reëel risico dat de functies voor laagopgeleide volwas-
senen steeds meer ingevuld gaan worden door mensen die op hoger niveau zijn opgeleid.19
Oorzaken van de slechtere baankansen van laagopgeleiden zijn dat ze vaker op tijdelijke con-
tracten werken, meer in conjunctuurgevoelige sectoren werken en vaker fysiek belastend werk
doen.20
9    Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012; Scholt, Dekkers & Ketelaar, 2010.
10   Onderwijsraad, 2011b; Van de Werfhorst, 2009.
11   Fouarge & De Grip, 2011.
12   Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
13   Borghans, Fouarge & De Grip, 2011.
14   Eurydice & Eurostat, 2012.
15   European Commission, 2011.
16   European Commission, 2011; Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012; Raad voor Werk en Inkomen, 2011b.
17   Raad voor Werk en Inkomen, 2011a.
18   Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
19   Gesthuizen & Wolbers, 2010.
20   Haelermans & Borghans, 2011; De Lange, Gesthuizen & Wolbers, in press.
12                                                                                                   Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    Ook groter risico op maatschappelijke achterstand
    Uit een eerdere verkenning van de Onderwijsraad blijken laagopgeleiden een van de belang-
    rijkste groepen te zijn die risico lopen op achterstand door verminderde maatschappelijke par-
    ticipatie.21 Daarnaast zijn laagopgeleiden vaker ziek, doen ze een groter beroep op de gezond-
    heidszorg, belanden ze vaker in de criminaliteit en hebben ze vaker een uitkering.22
2.2 Postinitieel leren leidt tot een betere maatschappelijke positie
    De verwachting van de raad is dat investeren in een doorgaande ontwikkeling leidt tot een
    betere participatie op de arbeidsmarkt en in de maatschappij. Concreet zijn er verschillende
    economische voordelen te verwachten. Op individueel niveau gaat het bijvoorbeeld om een
    hoger en stabieler inkomen met minder kans op armoede en werkloosheid. Op macroniveau
    kan een beter ontwikkelde bevolking leiden tot een sterkere en meer toekomstbestendige
    economie en lagere uitgaven aan sociale voorzieningen. Volgens een onderzoek van de eco-
    nomen Groot en Maassen-van den Brink zou een jaar extra onderwijs voor een volwassene de
    overheid een paar duizend euro per persoon per jaar opleveren.23
    Ook op maatschappelijk vlak kunnen positieve eﬀecten verwacht worden, zoals een toename
    van de sociale inclusie en maatschappelijke participatie, een vermindering van de criminaliteit,
    en een betere volksgezondheid.24 Een betere geletterdheid kan er bijvoorbeeld voor zorgen
    dat mensen doktersvoorschriften begrijpen, waardoor deze meer eﬀect hebben en de kans
    op complicaties verkleind wordt.25 Op macroniveau kan verwacht worden dat competentere
    werknemers op ieder niveau in de zorg, defensie en onderwijs ertoe leiden dat de uitvoering
    van deze overheidstaken verbeterd wordt.
    Initieel onderwijs van wezenlijk belang voor doorgaande ontwikkeling van volwassenen
    De raad acht postinitieel leren een goede manier om bij te dragen aan de doorgaande ontwik-
    keling van volwassenen. Postinitieel leren kan leiden tot positieve eﬀecten, maar de raad bena-
    drukt dat deze eﬀecten sterker kunnen zijn als een belangrijk deel van het leren al op jonge
    leeftijd plaatsvindt. Het belang van initieel onderwijs als basis voor een leven lang leren kan
    nooit te veel worden benadrukt. Bovendien zijn er soms hogere kosten gemoeid met (non-)
    formele scholing in het postinitieel onderwijs dan in het initieel onderwijs. Naast de scholings-
    kosten is er dan bijvoorbeeld voor werkgevers ook sprake van inkomstenderving wanneer de
    scholing van werknemers plaatsvindt in potentiële werktijd. De raad wil daarom ook hier bena-
    drukken dat het initiële onderwijs van wezenlijk belang is voor de doorgaande ontwikkeling
    van volwassenen. Dit is voor de toekomstige beroepsbevolking de meest logische en eﬃciënte
    plek voor het aanleren van de benodigde competenties.
    Redenen om te investeren in postinitieel leren
    Er zijn redenen waarom een tweede leerweg of postinitieel leren zinvol is.26 Ten eerste voor de
    reparatie van een eerder opgelopen kennistekort.27 Dit kennistekort kan in het initiële onder-
    21   Onderwijsraad, 2011b. Zie ook Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, 2011.
    22   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2012; Groot & Maassen van den Brink, 2006.
    23   Groot & Maassen van den Brink, 2003.
    24   Groot & Maassen van den Brink, 2006; De Greef, 2009; European Commission, 2011; Oreopoulos & Salvanes, 2011.
    25   Gezondheidsraad, 2011.
    26   Golsteyn, 2012.
    27   Onderwijsraad, 2009.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                                                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    wijs zijn opgebouwd doordat de opleiding van onvoldoende kwaliteit was, doordat een stu-
    diekeuze is gemaakt die niet past bij de deelnemer, of wanneer iemand op jonge leeftijd niet in
    staat was een opleiding af te maken. Tevens kan een kennistekort ontstaan wanneer de eerder
    geleerde kennis verouderd is. Ten slotte kan postinitieel leren zinvol zijn als het leren eﬃciënter
    gaat op de werkplek of bij wisselingen in de loopbaan.
    Rendement van postinitieel leren
    Bij de overweging om wel of niet te investeren in postinitieel leren is het tevens van belang dat
    het postinitiële leren het gewenste eﬀect heeft en dat de ﬁnanciële en maatschappelijke kos-
    ten niet hoger zijn dan de baten.
    Verscheidene studies rapporteren positieve eﬀecten van postinitieel leren. Sommige onder-
    zoekers concluderen bijvoorbeeld dat het volgen van cursussen en trainingen samenhangt
    met een hoger loon voor de werknemer en een hogere productiviteit voor de werkgever.28
    Tevens zijn er bevindingen die suggereren dat deelnemers aan scholing hun kennis op de werk-
    vloer vervolgens weer (informeel) delen met collega’s die de training niet hebben gevolgd,
    zodat er een ‘spill-over’ eﬀect ontstaat.29 Onderzoek dat door de Open Universiteit is verricht in
    opdracht van de Onderwijsraad levert ook aanwijzingen dat informele vormen van postinitieel
    leren een bijdrage kunnen leveren aan de inzetbaarheid van werknemers.30 Een baan waarin
    op informele manier geleerd kan worden, lijkt een positief eﬀect te hebben op onder meer de
    professionalisering van de werknemers, hun veranderingsbereidheid en participatie in teams.
    Er zijn dus aanwijzingen dat postinitieel leren rendement heeft. De resultaten van de verschil-
    lende studies op dit terrein lopen echter sterk uiteen.31 Er bestaat geen eenduidig beeld van het
    rendement op economisch en maatschappelijk vlak, omdat vormen van postinitieel leren sterk
    van elkaar blijken te verschillen, evenals de deelnemers, de doelen en de situaties waarin het
    leren plaatsvindt (bedrijf, land, cultuur). Er is meer systematisch onderzoek nodig om scherper
    inzicht te krijgen in deze diversiteit, zodat beter kan worden beoordeeld wat de precieze wer-
    king en eﬀectiviteit is van de verschillende vormen van postinitieel leren en voor welke doelen
    en doelgroepen ze het meest geschikt zijn.32
2.3 Drempel voor postinitieel leren hoger voor laagopgeleiden
    Het is duidelijk dat investeringen in postinitiële leermogelijkheden voor laagopgeleiden nood-
    zakelijk zijn en op zowel individueel als maatschappelijk niveau voordelen opleveren. De vraag
    naar dergelijke leermogelijkheden vanuit deze groep is echter kleiner dan op grond van de
    genoemde voordelen te verwachten zou zijn.33 Voor laagopgeleiden blijkt in de praktijk de
    drempel om deel te nemen aan postinitieel leren vaak hoog.34
    28   Fouarge & De Grip, 2011.
    29   Fouarge & De Grip, 2011.
    30   Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
    31   Nelen, Poortman, Nieuwenhuis, De Grip & Kirschner, 2010.
    32   Nelen, Poortman, Nieuwenhuis, De Grip & Kirschner, 2010.
    33   Golsteyn, 2012.
    34   Fouarge & De Grip, 2011; Raad voor Werk en Inkomen, 2011.
    14                                                                              Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Factoren in de leerintentie van laagopgeleiden
De leerintentie van de laagopgeleide speelt een belangrijke rol bij de lagere participatie in
postinitieel leren.35 De leerintentie is de bereidheid of het voornemen om training of onder-
wijs te volgen en is een robuuste voorspeller van daadwerkelijke participatie in postinitiële
scholing. Socio-economische en psychologische factoren spelen hierbij een belangrijke rol.36
Wanneer het gaat om formele vormen van postinitieel leren, wordt de leerintentie van laag-
opgeleiden positief beïnvloed door onder andere zelfsturing in loopbaanontwikkeling, geloof
in eigen kunnen en ﬁnanciële voordelen.37 Eerdere negatieve ervaringen in het initieel onder-
wijs en examenangst hebben daarentegen een negatieve invloed.38 Over de factoren die een
rol spelen in de intentie om deel te nemen aan informele vormen van postinitieel leren, is tot
op heden veel minder bekend.
In een studie die voor de Onderwijsraad is uitgevoerd, concluderen de onderzoekers dat in
de afweging van laagopgeleiden om deel te nemen in postinitiële scholing de psychologi-
sche factoren uiteindelijk zwaarder wegen dan de economische factoren.39 Ondanks ﬁnanciële
voordelen is voor laagopgeleiden de drempel in de vorm van bijvoorbeeld examenangst vaak
nog te hoog om deel te nemen aan postinitiële scholing.
De basis voor postinitieel leren wordt gelegd in het initieel onderwijs
De intentie om deel te nemen aan postinitieel leren wordt voor een belangrijk deel bepaald
door eerdere ervaringen in het initieel onderwijs. Voelde iemand zich op school bijvoorbeeld
voldoende uitgedaagd en waren er mogelijkheden om succeservaringen op het eigen niveau
op te doen? Voor laagopgeleiden waren deze ervaringen niet altijd positief, getuige het feit
dat ze het initieel onderwijs hebben verlaten op een moment waarop dat ongebruikelijk is
en doorgaans afgeraden wordt.40 Hier ligt vaak een belangrijke oorzaak van de hierboven
genoemde drempel om op volwassen leeftijd weer deel te gaan nemen aan postinitieel leren.
Die drempel kan in het initieel onderwijs op verschillende manieren ontstaan. Er kan bijvoor-
beeld sprake zijn van onderpresteren op de lagere onderwijsniveaus. Dit kan het gevolg zijn
van laagopgeleide ouders die hun kinderen in de thuissituatie weinig stimuleren tot goede
schoolprestaties.41 Daarnaast kan het ook het gevolg zijn van mechanismen in het onderwijs-
systeem zelf, die in wisselwerking kunnen leiden tot onderpresteren of voortijdig schoolverla-
ten. Zo komt het voor dat leraren bewust of onbewust lage verwachtingen hebben van leer-
lingen uit deze groep.42 De leerlingen worden zo minder uitgedaagd en kunnen dus minder
vaak laten zien wat ze kunnen. Hierdoor doen ze minder succeservaringen op, met als moge-
lijk gevolg de ontwikkeling van faalangst en een negatief beeld van leren en zichzelf. Verder
komen de minder goed presterende leerlingen in het primair onderwijs en het begin van het
voortgezet onderwijs vaak tussen klasgenoten die duidelijk beter presteren. Wanneer niet
secuur met deze verschillen wordt omgegaan, kunnen deze ook een oorzaak zijn voor het min-
der opdoen van succeservaringen.
35   Kyndt, Govaerts, Dochy & Baert, 2011.
36   Boeren, Nicaise & Baert, 2010; Kyndt, Govaerts, Dochy & Baert, 2011.
37   Hazelzet, Oomens & Keijzer, 2009; Kyndt, Govaerts, Dochy & Baert, 2011.
38   Fouarge, Schils & De Grip, 2010; Illeris, 2006.
39   Fouarge & De Grip, 2011.
40   Op basis van veldgesprekken.
41   Onderwijsraad, 2011b.
42   Onderwijsraad, 2007.
Over de drempel van postinitieel leren                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    Het is niet verwonderlijk dat enige jaren na het verlaten van het onderwijs de leerlingen met
    dergelijke negatieve ervaringen weinig zin meer hebben om deel te nemen aan postinitieel
    leren, en dan in het bijzonder aan formele vormen van scholing die hen herinneren aan het
    initiële onderwijs. Daarnaast kan meespelen dat ze mede door het voortijdig verlaten van het
    initieel onderwijs niet over de competenties beschikken om zelfstandig op zoek te gaan naar
    leermogelijkheden en scholing en deze ook te benutten.
2.4 Overheid heeft een verantwoordelijkheid voor de doorgaande ontwikke-
    ling van laagopgeleiden
    Wanneer het gaat om het stimuleren van maatschappelijke participatie, wordt dit vooral gezien
    als een taak van de overheid en het individu. Bij duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt
    is ook het bedrijfsleven een belangrijke partij. Wanneer het gaat om hoger opgeleiden kunnen
    de drie partijen – individu, overheid en bedrijfsleven – gelijkwaardig worden aangesproken.
    Waar het gaat om mensen die maximaal mbo 1-niveau hebben gehaald, ligt er een bijzondere
    verantwoordelijkheid voor de overheid, aldus de raad.
    Een van de redenen hiervoor is dat een aanzienlijk deel van de mensen zonder startkwaliﬁcatie
    laaggeletterd is. Wat betreft taal en rekenen hebben ze een lager niveau dan leerlingen in
    groep 8 van de basisschool. Zij missen dus een aantal cruciale basisvaardigheden om goed te
    kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. Het verwerven van deze basisvaardig-
    heden is een overheidsverantwoordelijkheid, die in beginsel is uitgewerkt voor jongeren in het
    funderend onderwijs. Eenmaal volwassen zijn mensen in een veel grotere mate verantwoorde-
    lijk voor hun eigen zelfredzaamheid. Er worden in het overheidsbeleid duidelijke eisen gesteld
    aan de zelfredzaamheid van volwassenen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de nieuwe Wet wer-
    ken naar vermogen. Wanneer echter een bepaalde groep de noodzakelijke basisvaardigheden
    voor maatschappelijk functioneren op volwassen leeftijd nog niet beheerst, blijft de overheid
    een verantwoordelijkheid houden voor deze groep.
    Naast deze maatschappelijke reden voor overheidsverantwoordelijkheid heeft de overheid
    ook duidelijke economische belangen om te investeren in duurzame inzetbaarheid van laag-
    opgeleiden. Er zijn groepen laagopgeleiden waar buiten de overheid om te weinig in wordt
    geïnvesteerd om hen duurzaam inzetbaar te houden op de arbeidsmarkt.
    Niet-werkenden vormen bijvoorbeeld een groep die afhankelijk is van de overheid, aangezien
    zij geen werkgever hebben die in hen investeren kan. Ook ﬂexwerkers zijn meer afhankelijk
    van de overheid dan anderen. Het aandeel ﬂexwerkers is relatief groot onder laagopgeleiden.
    Voor veel van hen zijn stimulansen die vanuit het bedrijfsleven komen, niet van toepassing. Uit-
    zendkrachten zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de afgesloten cao in de branche waarin ze op
    dat moment werken of in de desbetreﬀende uitzendbranche. Daarin staat of ze, net zoals vaste
    medewerkers, recht hebben op scholing en dergelijke faciliteiten. Door de beperking van de
    WVA-aftrek (Wet vermindering afdracht), waardoor deze niet meer van toepassing is voor de
    uitzendbranche, verslechtert de positie van ﬂexwerkers.
    Werkgevers investeren ook niet vanzelfsprekend in de ontwikkeling van laagopgeleide werk-
    nemers. Kleine bedrijven investeren bijvoorbeeld minder gemakkelijk in hun personeel.43 Som-
    43    Josten, Vlasblom & De Voogd-Hamelink, 2012; Onderwijsraad, 2009.
    16                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    mige bedrijven investeren vooral minder in hun laagopgeleide werknemers, omdat deze een-
    voudig inwisselbaar zijn of omdat ze niet weten hoe ze deze groep tot postinitieel leren kunnen
    stimuleren.44 Andere bedrijven investeren misschien wel evenveel in hoog- als laagopgeleiden,
    maar bieden laagopgeleiden dan vooral bedrijfsspeciﬁeke scholing aan in plaats van scholing
    gericht op brede ontwikkeling en inzetbaarheid.45
2.5 Meer inzicht nodig in werking en effectiviteit van stimuleringsmaatregelen
    Vele adviezen geschreven, geen duidelijk beeld van het effect
    Een leven lang leren is geen nieuw thema. In de adviezen die hierover geschreven zijn, is veel
    aandacht besteed aan het weghalen van de mogelijke drempels die er zijn met betrekking
    tot geld, tijd en aanbod, om zo de deelname aan postinitieel leren te stimuleren. Zo heeft de
    Onderwijsraad in 2009 ingezet op het weghalen van drempels door de overheid, onder meer
    door een toegankelijker en systematischer aanbod en door kwaliteitsborging.46 Ook in 2003
    heeft de raad al gepleit voor extra ﬁnanciering, voornamelijk door bedrijven, en certiﬁcering
    van leeractiviteiten.
    Over de doorwerking van deze adviezen in beleid en praktijk is nog maar weinig bekend.
    Een aantal adviezen is in beleid omgezet, bijvoorbeeld het SER-advies (Sociaal-Economische
    Raad) uit 2002 en Onderwijsraadadviezen uit 2003 en 2009.47 Hieraan heeft onder andere de
    Projectdirectie Leren en Werken bijgedragen. Uit onderzoek dat voor de raad is uitgevoerd,
    blijkt echter dat de deelname aan postinitieel leren te globaal wordt gemeten om goed te
    kunnen beoordelen of de adviezen en daaraan gekoppelde beleidsmaatregelen succesvol zijn
    geweest in het stimuleren van postinitieel leren.48
    Beter inzicht in werking en effectiviteit van stimuleringsmaatregelen voor laagopgeleiden
    Verder blijkt uit ander onderzoek dat de resultaten van de verschillende studies naar het rende-
    ment van postinitieel leren sterk uiteenlopen, waardoor er geen duidelijk beeld is van de pre-
    cieze werking en eﬀectiviteit van de maatregelen.49 Het is goed mogelijk dat bepaalde maat-
    regelen voor speciﬁeke groepen wel en voor andere niet of anders werken. In het bijzonder
    voor de heterogene groep laagopgeleiden is er behoefte aan een beter inzicht.
    44   Raad voor Werk en Inkomen, 2011b.
    45   Fouarge & De Grip, 2011.
    46   Onderwijsraad, 2009.
    47   Onderwijsraad, 2003b; Onderwijsraad, 2009; Sociaal-Economische Raad, 2002.
    48   Golsteyn, 2012.
    49   Nelen, Poortman, Nieuwenhuis, De Grip & Kirschner, 2010.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    Het initieel onderwijs is de voornaamste plaats om jongeren voor te bereiden op
    deelname aan de samenleving. Een deel van de jongeren verlaat echter het ini-
    tieel onderwijs zonder startkwaliﬁcatie. Om de positie van deze laagopgeleide
    volwassenen te verstevigen beveelt de raad aan om postinitieel leren te stimu-
    leren door aan te sluiten bij de speciﬁeke behoeften van laagopgeleiden, de
    kwaliteit van bestaande stimuleringsmaatregelen te borgen en de werking en
    eﬀectiviteit van beloftevolle nieuwe maatregelen te onderzoeken.
3   Postinitieel leren stimuleren onder
    laagopgeleiden
3.1 Basis leggen voor postinitieel leren in initieel onderwijs
    Jong geleerd is oud gedaan. Wat op jonge leeftijd geleerd wordt, legt de basis voor maatschap-
    pelijke functioneren en een leven lang leren. Er moet daarom vooral in de initiële onderwijs-
    weg geïnvesteerd worden. Dit betekent echter niet dat postinitieel leren onbelangrijk is. Niet
    iedereen is in de gelegenheid geweest zich via het initiële onderwijs een startkwaliﬁcatie te
    verwerven. Dat kan te maken hebben met ongunstige persoonlijke en sociale omstandig-
    heden, maar ook met het feit dat sommige mensen ‘laatbloeier’ zijn of een verkeerde studie-
    keuze hebben gemaakt.
    Een deel van de laagopgeleiden is minder gemotiveerd voor postinitieel leren door minder
    positieve ervaringen in het initiële onderwijs. Daarnaast hebben sommigen onvoldoende hun
    competenties ontwikkeld om zelfstandig op zoek te gaan naar leermogelijkheden en deze
    te benutten. Om te voorkomen dat een deel van de toekomstige laagopgeleiden straks met
    dezelfde problemen worstelt als de huidige generatie, is het van belang dat het initiële onder-
    wijs hen de juiste basis weet mee te geven. Daarvoor is inspirerend en kwalitatief goed onder-
    wijs nodig, waarin leerlingen zich ten volle kunnen ontplooien en waarin ze leren leren.50
    Het gaat voor dit advies te ver om uitgebreid in te gaan op onderwijsverbeteringen die kunnen
    bijdragen aan dergelijk goed initieel onderwijs. De Onderwijsraad heeft hierover in de afge-
    lopen jaren menig advies geschreven.51 Er zijn drie aspecten die de raad in het kader van dit
    advies nader wil belichten.
    Leercompetenties en advanced (soft) skills
    Om zich te kunnen blijven ontwikkelen, moeten volwassen weten hoe ze zichzelf kennis en vaar-
    digheden eigen kunnen maken. Hiervoor zijn competenties nodig zoals probleemoplossend
    50  Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2011.
    51  Zie bijvoorbeeld: Onderwijsraad, 2007; Onderwijsraad, 2010b; Onderwijsraad, 2011a; Onderwijsraad, 2011b; Onderwijsraad, 2011c.
    18                                                                                                        Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>    vermogen, kritisch denken, en zelfstandigheid. Dergelijke competenties worden door sommi-
    gen ‘advanced skills’ genoemd. De raad is van mening dat het aanleren van dergelijke compe-
    tenties integraal onderdeel zou moeten zijn van het primair en voortgezet onderwijs. De raad
    heeft hier in het advies Maatschappelijke achterstanden van de toekomstt al voor gepleit.
    Preventie voortijdig schoolverlaten voorkomt kennistekort
    De laagopgeleiden op wie dit advies zich richt, hebben geen startkwaliﬁcatie behaald. Er zal
    altijd een groep leerlingen zijn voor wie een startkwaliﬁcatie onhaalbaar blijkt, door bijvoor-
    beeld grote persoonlijke problemen. Huidig beleid laat echter zien dat een deel van het voor-
    tijdig schoolverlaten kan worden voorkomen.52 Belangrijke maatregelen waren onder andere
    de prestatieafspraken tussen het Rijk en de rmc-regio’s (regionale meld- en coördinatiepunten)
    vastgelegd in regionale convenanten, de invoering van de kwaliﬁcatieplicht, en een betere
    registratie van schoolverzuim. De raad benadrukt het belang om dit beleid voort te zetten.
    Voor de groep die desondanks voortijdig uitvalt, zijn goede postinitiële leermogelijkheden
    nog belangrijker dan voor anderen.
    Kundige loopbaanbegeleiding
    Een kennistekort op latere leeftijd kan ook ontstaan wanneer in het initiële onderwijs een stu-
    diekeuze is gemaakt, die niet past bij de deelnemer. Dan is op latere leeftijd postinitiële omscho-
    ling nodig. Om verkeerde keuzes zo veel mogelijk te voorkomen, zou er op scholen zorgvuldig
    aandacht moeten worden besteed aan de kwaliteit van loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
    Eerder onderzoek hiernaar in het (voorbereidend) beroepsonderwijs heeft laten zien dat de
    kwaliteit van de begeleiding van groot belang is, maar dat in de praktijk docenten niet altijd
    de mogelijkheden en/of benodigde competenties hebben voor loopbaanbegeleiding.53 Een
    onderzoek van de VO-raad laat tegelijkertijd zien dat slechts weinig onderzochte scholen het
    beleid voor loopbaanbegeleiding hebben vertaald naar competenties voor hun personeel.54
    Tegen deze achtergrond pleit de raad er daarom voor dat scholen in hun beleid meer aandacht
    besteden aan professionalisering van docenten op het gebied van loopbaanbegeleiding.
3.2 Vier aanbevelingen voor stimulering van postinitieel leren onder
    laagopgeleiden
    Goed initieel onderwijs is bij uitstek de manier om jongeren toe te rusten voor de samenleving.
    Er zullen echter altijd jongeren zijn, die het onderwijs verlaten zonder startkwaliﬁcatie. Zij mis-
    sen de basisuitrusting die noodzakelijk is om te functioneren in de samenleving. Een van de
    manieren om de positie van deze laagopgeleide volwassenen te versterken is door hen te sti-
    muleren tot postinitieel leren.
    De deelname aan postinitieel leren lijkt bij laagopgeleiden te stagneren. Voor een belangrijk
    deel kan dit worden verklaard door de hogere drempels die zij ervaren bij postinitieel leren.
    Om deze drempels te verlagen doet de raad een aantal aanbevelingen. In de eerste plaats pleit
    de raad ervoor om stimuleringsmaatregelen te doen aansluiten bij de speciﬁeke behoeften
    van laagopgeleiden. Verder kan postinitieel leren door laagopgeleiden bevorderd worden
    door aandacht voor de borging van de kwaliteit van ervaringscertiﬁcaten. En ten slotte ver-
    52   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012.
    53   Kuijpers, Meijers & Bakker, 2006; Mittendorf, 2008.
    54   VO-raad, 2010.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                           19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>wacht de raad positieve eﬀecten van het verkrijgen van een nauwkeuriger inzicht in de wer-
king en eﬀectiviteit van stimuleringsmaatregelen.
Aanbevelingen
Aanbeveling 1: laat stimuleringsmaatregelen aansluiten bij speciﬁeke behoeften laagopgeleide
De raad adviseert het bedrijfsleven en de overheid om bij het stimuleren van postinitieel
leren laagdrempelig te beginnen. Dit kan door aan te sluiten bij de dagelijkse context waar-
in de potentiële deelnemer zich bevindt en door gebruik te maken van bestaande regionale
samenwerkingsverbanden. Daarnaast wordt aanbevolen dat postinitieel leren een standaard-
onderdeel is in het loopbaanbeleid van een bedrijf, zowel voor vaste werknemers als voor ﬂex-
werkers. Verder wordt aandacht gevraagd voor de versterking en inzet van loopbaanrelevante
netwerken binnen en buiten de eigen organisatie. Laagopgeleiden kennen minder mensen
binnen en buiten hun werkorganisatie die hen kunnen helpen bij hun leren en loopbaan. Door
dit kleinere sociaal kapitaal hebben laagopgeleiden minder mogelijkheden om in hun netwer-
ken deel te nemen aan informeel leren. Overheid en het bedrijfsleven zouden in het stimuleren
van (informeel) leren bij laagopgeleiden nadrukkelijk aandacht moeten besteden aan het ver-
groten van het sociaal kapitaal.
Aanbeveling 2: borg de kwaliteit van ervaringscertiﬁcaten
Op een informele manier kan er veel geleerd worden. Om te zorgen dat deze ervaringen ook
gebruikt kunnen worden in verdere loopbaanstappen en als eerste aanzet tot verder leren,
acht de raad het waardevol dat dit leren formeel wordt erkend. Ervaringscertiﬁcaten waarin
eerder verworven competenties worden erkend, spelen bij deze erkenning een belangrijke
rol. Ondanks allerlei kwaliteitsimpulsen blijkt het waarborgen van de kwaliteit echter moeilijk.
Onduidelijkheid over de kwaliteit belemmert verzilvering bij mbo-instellingen en werkt ver-
spreiding van het instrument tegen. De raad richt zich daarom op de borging van de kwaliteit.
Hij adviseert het toezicht op het erkenningsproces te verscherpen. Hiertoe zou het Ministerie
van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) het toezicht op de kwaliteit van de licentiever-
lenende instanties moeten onderbrengen bij een overheidsinstelling. Daarnaast adviseert de
raad om de kwaliteit van de evc-aanbieders (erkenning van verworven competenties) zicht-
baarder te maken. Dit kan door strenger en vaker de afgeronde evc-trajecten te controleren
en deze bevindingen openbaar te maken. Om administratieve lasten te beperken en samen-
werking te bevorderen kan dit gedaan worden in combinatie met de afgifte van een langere
licentie. Ook doet de raad de suggestie om een onderscheid te maken tussen het erkennen van
aanbieders als instelling en de erkenning van aanbieders om evc’s voor bepaalde crebo-num-
mers (centraal register beroepsopleidingen) uit te geven. De procedure voor het aanvragen
van licenties voor nieuwe nummers kan dan vereenvoudigd worden voor die evc-aanbieders
die bewezen hebben goede kwaliteit te leveren.
Aanbeveling 3: stel scherpe eisen aan aanbieders educatietrajecten
Voor het succesvol stimuleren van postinitieel leren zijn kwalitatief goede leermogelijkheden
van groot belang. Daarom is het belangrijk om het toezicht op formele en non-formele scho-
ling op elkaar af te stemmen, zoals de raad in 2009 heeft geadviseerd. In dit advies focust de
raad op de leermogelijkheden voor laaggeletterden in volwasseneneducatie. De deelname
van laaggeletterden aan volwasseneneducatie is gewenst. De geplande invoering van markt-
werking bij deze trajecten voor volwasseneneducatie roept een nieuw kwaliteitsvraagstuk op.
Verschillende argumenten afwegende adviseert de raad aan de Tweede Kamer en het Ministe-
rie van OCW om marktwerking toe te staan onder voorwaarde van scherpe eisen voor aanbie-
ders van educatietrajecten, eventueel opgesteld in een kwaliﬁcatiedossier basiseducatie. Hier-
mee zou de kwaliteit geborgd kunnen worden. Marktwerking zal aanbieders naar verwachting
20                                                                           Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>ook stimuleren tot concurrentie op kwaliteit en doelmatigheid. De raad vindt in dat kader voor-
al het ontwikkelen en aanbieden van maatwerktrajecten voor de verschillende doelgroepen
van belang.
Aanbeveling 4: experimenteer met maatregelen en onderzoek hun werking en eﬀectiviteit
Er zijn veel adviezen verschenen over een leven lang leren. Een aantal daarvan is vertaald in
beleidsmaatregelen gericht op de stimulering van postinitieel leren. De deelname aan post-
initieel leren wordt echter te globaal gemeten om het succes van deze maatregelen goed te
kunnen beoordelen. In het bijzonder voor de diverse groep van laagopgeleiden beveelt de
raad aan om op kleine schaal te experimenteren met een verscheidenheid aan initiatieven die
uit eerdere evaluaties beloftevol zijn gebleken in het stimuleren van postinitieel leren bij laag-
opgeleiden. Deze maatregelen moeten systematisch op hun werking en eﬀectiviteit worden
onderzocht, voordat er wordt geïnvesteerd in het uitzetten van maatregelen op grote schaal.
De raad noemt een aantal voorbeelden van veelbelovende initiatieven.
Over de drempel van postinitieel leren                                                          21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    De groep laagopgeleiden is divers en heeft uitgesproken leerbehoeften. Om
    het postinitieel leren bij laagopgeleiden te stimuleren, is het belangrijk dat de
    initiatieven bij hun speciﬁeke behoeften aansluiten. Hiervoor noemt de raad
    een aantal mogelijkheden.
4   Aanbeveling 1: laat stimuleringsmaatregelen
    aansluiten bij specifieke behoeften laag-
    opgeleide
    In hoofdstuk 2 bleek dat de drempel tot postinitieel leren, vooral bij formele scholing, voor
    laagopgeleiden hoger is dan voor anderen. Om de leerdrempel te verlagen zullen stimulansen
    tot postinitieel leren en de leermogelijkheden goed moeten aansluiten bij de speciﬁeke leer-
    behoeften van deze groep. Deze behoeften zijn niet zozeer anders dan bij hoger opgeleiden,
    maar wel meer uitgesproken. Voor laagopgeleide deelnemers geldt in het bijzonder dat goede
    begeleiding in het leerproces belangrijk is, dat de leerstof voortbouwt op aanwezige compe-
    tenties, dat het aanbod zeer toegankelijk en ﬂexibel is, en dat het leren erkend wordt.
    De raad doet een oproep aan de Tweede Kamer en via hen aan de andere betrokkenen – ver-
    schillende overheidsinstanties en het bedrijfsleven – om te zorgen dat de stimulerende maat-
    regelen aansluiten bij de speciﬁeke behoeften van laagopgeleiden. Hieronder wordt een aantal
    manieren genoemd waarop deze betrokkenen de deelname van laagopgeleiden aan post-
    initieel leren kunnen stimuleren.
4.1 Start laagdrempelig
    De groep laagopgeleiden is zeer divers: wel of niet werkend, meer of minder geletterd, wel
    of niet vakinhoudelijk geschoold. In verband met deze diversiteit is het essentieel om bij het
    benaderen van potentiële deelnemers aan te sluiten bij de dagelijkse leef- en werkcontext.
    Voor de werkende is de werkgever een belangrijke motivator. Dit geldt in het bijzonder voor
    laagopgeleiden, omdat zij zich over het algemeen sterk betrokken voelen bij hun werk.55 Voor
    niet-werkenden kunnen het UWV, de gemeente, het buurthuis en het schoolgebouw van hun
    kinderen een plek zijn om scholing aan te bieden.
    Voor sommigen is de afstand tot de arbeidsmarkt zo groot dat het beter is om hen eerst te laten
    ervaren dat jezelf ontwikkelen interessant en toepasbaar is in het dagelijks leven, in plaats van
    gelijk te beginnen met een opleiding voor een speciﬁek beroep. Dat wakkert de motivatie voor
    leren in bredere zin aan. Tegelijk is het belangrijk dat het leren wel als doel heeft om het loop-
    baanperspectief te verbreden. Een goed voorbeeld hiervan is het programma Vuurwerktt uit
    55   Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
    22                                                                             Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>    Vlaanderen (zie kader). De winst die hiermee wordt geboekt is dat moeilijk bereikbare groepen
    zich bewust worden van het belang van loopbaanplanning op lange termijn en nieuwe ont-
    wikkelmogelijkheden zien.
       Programma Vuurwerkt: voor mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt
       In Vlaanderen is de methodiek Vuurwerktt ontwikkeld als resultaat van het Europese project Kleur
       aan competenties. Dit project liep in de periode - en werd gesubsidieerd door het Vlaams
       Hefboomkrediet en het ESF (Europees Sociaal Fonds). Vuurwerktt helpt mensen uit kansengroepen
       (onder andere werkzoekenden, laaggeschoolden) om hun bezieling en enthousiasme te (her)ont-
       dekken en te werken aan een motiverende toekomst. In  kreeg de kwaliteit van deze methodiek
       erkenning en werd het project tot ESF-ambassadeur in Vlaanderen benoemd.
       Vuurwerktt is een coachingstijl die de principes van ‘appreciative inquiry’ volgt. Deze vorm van coa-
       chen start bij het waarderen van de kracht van mensen en ondersteunt mensen om stapsgewijs aan
       een toekomst te werken die hen motiveert. Vuurwerktt volgt hierin vier stappen.
        r De ontdekking van het vuur.r Vanuit goede herinneringen worden mensen begeleid in het (her-)
             ontdekken van dingen die ze goed kunnen en waar ze enthousiast van worden.
        r Ik droom dat ik kan vliegen. Mensen worden aangemoedigd om de realiteit van vandaag even los
             te laten en te vertellen over hoe hun gedroomde toekomst eruit ziet.
        r Een koﬀer vol plannen. Met de motiverende toekomstdroom voor ogen worden in deze stap rea-
             listische en concrete stappen bedacht die de mensen kunnen zetten op weg naar hun gewenste
             toekomst.
        r Mijn droom waarmaken. In deze fase is het tijd voor actie en worden de bedachte stappen uit
             de planningsfase verder uitgewerkt, voorbereid en uitgevoerd. Tijdens het waarmaken van de
             droom wordt door experimenteren en leren verder gebouwd op de uitkomsten van de vorige
             stappen: de vroegere successen, persoonlijke sterke punten en energiebronnen.
       Bron: http://www.vuurwerkt.be
    De stimulansen kunnen het beste vanuit kleinschalige, regionale samenwerkingsverbanden
    of initiatieven worden georganiseerd, omdat die de mogelijkheden kennen die de plaatse-
    lijke situatie biedt en goed bereikbaar zijn voor de potentiële deelnemer. Ook de vraag naar
    arbeid manifesteert zich meestal via regionale instanties. Er bestaan al meerdere van deze
    samenwerkingsverbanden, onder meer opgericht tussen 2005-2011 met behulp van de stimu-
    lansen van de Projectdirectie Leren en Werken.56
4.2 Maak postinitieel leren een vanzelfsprekend onderdeel in loopbaanbeleid
    Leren zou een vanzelfsprekend onderdeel van iedere werkomgeving moeten zijn, want zowel
    de werknemer als de werkgever hebben belang bij een doorgaande ontwikkeling. Heldere
    afspraken kunnen ertoe bijdragen dat de (leer)behoeften van de werknemer en de huidige
    en toekomstige behoeften van bedrijven en sectoren op elkaar kunnen worden afgestemd.57
    Samenhangende afspraken rondom de inzet van scholingsinstrumenten zouden daarom een
    vast onderdeel moeten zijn van cao’s binnen iedere sector.58
    56    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2011.
    57    Sociaal-Economische Raad, 2011.
    58    Kaemingk & Kippersluis, 2011.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                                         23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    De raad vestigt in deze context in het bijzonder de aandacht op cao-afspraken met betrekking
    tot werknemers in de ﬂexbranche. In de ﬂexbranche zijn laagopgeleiden oververtegenwoor-
    digd; van de 530.000 ﬂexkrachten is 40 werkzaam zonder startkwaliﬁcatie.59 In de meeste
    cao´s wordt echter niet expliciet aangegeven in hoeverre ﬂexwerkers gebruik kunnen maken
    van scholingsafspraken.60 Aangezien juist onder mensen zonder startkwaliﬁcatie een rela-
    tief groot deel uitzendwerk verricht of een ﬂexibel contract heeft, is dit een groep die extra
    aandacht verdient. De sociale partners zouden hiervoor meer verantwoordelijkheid moeten
    nemen. Zij moeten bij het afsluiten van een cao met daarin afspraken over het scholingsbeleid
    de gevolgen voor ﬂexwerkers in het oog houden en ervoor zorgen dat zij niet in een bena-
    deelde positie komen.
4.3 Vergroot het aanwezige sociaal kapitaal
    Laagopgeleiden beschikken over minder loopbaanrelevant sociaal kapitaal
    Relaties en netwerken zijn van grote waarde voor de ontwikkeling van mensen en hun loop-
    baan. Dit sociaal kapitaal kan postinitieel leren stimuleren; het vertegenwoordigt een sociaal
    vermogen dat binnen en buiten de eigen organisatie deuren kan openen en informeel leren op
    de werkplek kan versterken. Zo kunnen medewerkers via hun netwerken belangrijke informa-
    tie over mogelijkheden voor leren en loopbaanontwikkeling ontvangen.
    Uit het onderzoek dat de Open Universiteit in opdracht van de Onderwijsraad heeft uitgevoerd,
    blijkt dat laagopgeleiden in vergelijking met hoogopgeleide medewerkers over minder loop-
    baanrelevant sociaal kapitaal beschikken. Zowel hun loopbaanrelevante netwerken binnen de
    organisatie waar ze werkzaam zijn als die daarbuiten zijn kleiner.61 Deze bevinding wijst op een
    onderbelicht aspect in het stimuleren van informele vormen van postinitieel leren. Het sug-
    gereert namelijk dat laagopgeleiden door een kleiner sociaal kapitaal minder mogelijkheden
    hebben om in hun netwerken deel te nemen aan informeel leren. De raad beveelt daarom aan
    om bij het stimuleren van informeel leren bij laagopgeleiden nadrukkelijk aandacht te beste-
    den aan de versterking en inzet van hun loopbaanrelevante netwerken binnen en buiten de
    eigen organisatie.
    Vanuit dit perspectief zou men laagopgeleiden bijvoorbeeld kunnen stimuleren tot verder
    leren door het inzetten van speciﬁeke sleutelpersonen in hun organisatiewerk. In Engeland
    zijn hiermee al successen geboekt. Daar enthousiasmeren zogenoemde ‘learning representa-
    tives’ hun laagopgeleide collega’s voor postinitiële scholing. In Nederland is dit door enkele
    (particuliere) partijen opgepakt onder de naam leerambassadeurs (zie kader).
    59   Workshop Werkconferentie Kenniscentrum EVC, 2012.
    60   Raad voor Werk en Inkomen, 2011.
    61   Kirschner, Caniëls & Bijker, 2012.
    24                                                                           Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   Leerambassadeurs
   Het idee van leerambassadeurs is ontleend aan het project ‘Learning reps’ dat de Engelse vakbond
   TUC sinds midden jaren negentig met succes heeft uitgevoerd bij duizenden bedrijven in Engeland.
   Learning representatives (kortweg learning reps) zijn laaggeschoolde medewerkers die gerespec-
   teerd worden door hun collega’s en een training krijgen om leerambassadeur te worden binnen hun
   organisatie. Deze leerambassadeurs proberen andere laaggeschoolde collega’s ertoe te verleiden
   (opnieuw) scholing te volgen. Uitkomsten van een experiment met leerambassadeurs in Nederland
   suggereren dat met deze benadering laagopgeleide medewerkers weer gemotiveerd kunnen wor-
   den om te leren.
   Taken die een leerambassadeur uitvoert zijn onder meer:
   r weghalen van angst voor leren bij laagopgeleiden;
   r promoten van het nut van leren;
   r in kaart brengen van leer- en trainingsbehoefte;
   r leveren van informatie en advies over leren en trainingen; en
   r organiseren en ondersteunen van leren en training.
   Bron: http://www.raadwerkinkomen.nl/CmsData/Signaal202010/EindrapportageWijsmakers.pdf
62   Houben, 2009.
Over de drempel van postinitieel leren                                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Om laagopgeleiden te stimuleren tot leren, is het van belang om aan te slui-
    ten bij hun bestaande kennis en ervaring. Daarom beschouwt de raad het er-
    kennen van eerdere verworven competenties als een waardevol instrument.
    De kwaliteitsborging van ervaringscertiﬁcaten kan op enkele punten wordt
    verbeterd.
5   Aanbeveling 2: borg kwaliteit
    ervaringscertificaten
5.1 Informeel leren erkennen
    Informeel leren belangrijk, maar niet voldoende zonder erkenning
    Leren vindt niet alleen plaats door formele en non-formele scholing, maar ook door te doen, in
    het werk en daarbuiten. Deze informele manier van leren kan net zo eﬀectief en waardevol zijn
    als andere vormen van leren. Eenmaal in een bepaalde functie kan informeel en non-formeel
    leren voldoende zijn om inzetbaar te blijven. Ook in het maatschappelijk verkeer kan het vol-
    doende zijn. In beide gevallen gaat het primair om de beheersing van de benodigde compe-
    tenties. Duurzame inzetbaarheid betekent echter dat men zich ﬂexibel op de arbeidsmarkt kan
    begeven en ook naar een andere werkgever kan overstappen. Voor deze overstap is vaak een
    diploma of certiﬁcaat vereist als bewijs voor het beschikken over de vereiste competenties. In
    dit licht acht de raad het wenselijk dat er goede mogelijkheden bestaan om informeel en non-
    formeel verworven kennis en vaardigheden formeel te erkennen.
    Het erkennen van verkregen competenties kan voor laagopgeleiden als een belangrijke sti-
    mulans fungeren om te starten met scholing. Met deze erkenning is immers de eerste succes-
    ervaring al binnen. Een tweede stimulerende werking van een dergelijke erkenning is dat de
    deelnemers niet opnieuw hoeven te leren wat ze al kunnen. De scholing sluit dan beter aan op
    bestaande kennis en vaardigheden.
5.2 Evc waardevol, maar kwaliteit nog onvoldoende geborgd
    Ervaringscertiﬁcaten worden alom genoemd als een waardevol instrument om eerder ver-
    worven competenties te erkennen en zo te stimuleren tot leren. Ervaringscertiﬁcaten kunnen
    gebruikt worden om vrijstelling te krijgen voor een bepaalde opleiding (scholingsinstrument),
    maar ook om aan een (nieuwe) werkgever te tonen over welke competenties iemand beschikt
    (loopbaaninstrument). De Projectdirectie Leren en Werken heeft de afgelopen jaren veel
    aandacht besteed aan het breder bekend maken van de mogelijkheden van evc. Het aantal
    evc-trajecten is daardoor toegenomen, maar niet in de gewenste mate.63 Voor sommige laag-
    63   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2011.
    26                                                                                                       Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    opgeleiden is extra begeleiding nodig omdat gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van
    evc een zekere mate van geletterdheid en reﬂectievermogen vraagt.
    Maar een belangrijk knelpunt blijft ook dan de kwaliteit van ervaringscertiﬁcaten, zo blijkt uit
    een recent onderzoek van het Kenniscentrum EVC.64 De status van erkend aanbieder is niet altijd
    een garantie voor de kwaliteit van ervaringscertiﬁcaten en in de ogen van examencommissies
    schiet deze vaak tekort. Hierdoor durven examencommissies van opleidingsinstellingen nog
    niet blind te varen op evc. Vanuit hun verantwoordelijkheid voor de afgegeven diploma’s kie-
    zen ze steeds vaker voor de veilige weg en verlenen ze op basis van het ervaringscertiﬁcaat
    geen vrijstelling van onderwijsonderdelen. Deze ontwikkeling verkleint vanzelfsprekend de
    maatschappelijke en economische waarde van het certiﬁcaat. Volgens betrokkenen loopt evc
    zo het risico een zachte dood te sterven.
    Om deze kwaliteitsproblemen op te lossen is tussen juli 2010 en december 2011 het actieplan
    Kwaliteit van EVC       C uitgevoerd door het Kenniscentrum EVC.65 Tevens wordt in het vitaliteits-
    pakket door het kabinet ingezet op verdere stimulering en kwaliteitsborging van evc als een
    belangrijk scholings- en arbeidsmarktinstrument.66 Om het proces te volmaken is het voor-
    nemen om eind 2012 een nieuwe Wet evc in te dienen in de Tweede Kamer.
    Hieronder doet de raad enkele voorstellen via de Tweede Kamer aan de minister van OCW om
    de kwaliteit van evc beter te borgen.
5.3 Verscherp toezicht op erkenningsproces
    In een beleidsregel is vastgelegd dat de minister van OCW een erkenningsverklaring afgeeft
    aan een evc-aanbieder.67 Het beoordelen van de evc-aanbieders wordt gedaan door zeven
    commerciële instanties.68 Deze beoordelen of de evc-aanbieder voldoende kwaliteit levert om
    gecertiﬁceerd te worden. De erkende, gecertiﬁceerde aanbieders worden opgenomen in een
    register. Deze taak wordt uitgevoerd door DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs).
    Deze certiﬁcerende instanties hanteren alle de kwaliteitscode evc voor de beoordeling van evc-
    aanbieders. Toch bieden deze richtlijnen geen garantie, want er blijven verschillen in beoor-
    deling bestaan en daardoor verschillen in de kwaliteit van de afgegeven certiﬁcaten.69 Er is
    behoefte aan het verscherpen van het toezicht op het erkenningsproces.
    De raad vindt dat dit toezicht op de kwaliteit van de instanties die certiﬁcaten verlenen, niet
    bij commerciële partijen hoort, zoals op dit moment het geval is, en beveelt het Ministerie van
    OCW aan om vanuit haar verantwoordelijkheid het toezicht onder te brengen bij een over-
    heidsinstelling. Deze uitvoering zou zodanig moeten worden belegd dat er enerzijds voldoen-
    de afstand is van de overheid en anderzijds voldoende afstand van de markt. De voorkeur van
    de raad gaat uit naar een bestaande instelling.
    64   Van den Dungen, Heuts & Venema, 2012.
    65   Van den Dungen & Pijls, 2010.
    66   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2011.
    67   Zie Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen, 2010.
    68   Zie Selecteer beoordelende organisatie.
    69   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2009.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>5.4 Kwaliteit aanbieder zichtbaarder maken
    De raad adviseert om de kwaliteit van de evc-aanbieders zichtbaarder te maken. Op deze
    manier wordt het gemakkelijker om een keuze uit de diverse aanbieders te maken. Daarbij
    mag verwacht worden dat een keuze voor een aanbieder die heeft bewezen goede kwaliteit te
    leveren, ertoe leidt dat de verzilvering bij de onderwijsinstelling ook eenvoudiger gaat. Meer
    transparantie over de aanbieders is een van de belangrijkste verbeterpunten volgens eerder
    inspectieonderzoek naar de kwaliteit van evc.70
    Resultaten beoordeling openbaar maken
    De raad stelt voor dat de resultaten van een beoordeling openbaar worden gemaakt. De rap-
    porten kunnen bijvoorbeeld samen met de licentie-informatie worden opgenomen in het
    evc-register. Deze maatregel zou uitgevoerd moeten worden in combinatie met strengere en
    regelmatigere controles. Nu wordt een gecertiﬁceerde instantie alleen gecontroleerd aan het
    einde van een licentieperiode, of aan het einde van een jaar als de kwaliteit in het vorige jaar
    onvoldoende is gebleken.71 Het zou beter zijn om steekproefsgewijs ook gedurende de licen-
    tieperiode de evc-aanbieders te controleren.
    Onderscheid instellingserkenning en dossiererkenning
    Om te voorkomen dat meer controle leidt tot een te grote bureaucratische druk, stelt de raad
    voor dat er een tweedeling wordt gemaakt in de erkenning van een evc-aanbieder als instelling
    en als uitvoerder van een evc-procedure voor een bepaald kwaliﬁcatiedossier. Dit zou bete-
    kenen dat voor aanbieders die al gedurende meerdere jaren positief beoordeeld worden, de
    erkenningsprocedure om voor een nieuw crebo-nummer evc’s te mogen afgeven versoepeld
    wordt. Een dergelijke tweedeling biedt ook extra mogelijkheden om de kwaliteit van de aan-
    bieders zichtbaarder te maken.
5.5 Langere licenties voor evc-aanbieders
    Aanbieders kunnen een licentie krijgen voor een jaar als ze een goede opzet hebben voor evc-
    procedures conform de kwaliteitscode evc.72 Deze licentie wordt verlengd met drie jaar bij
    gebleken kwaliteit. Bij de eenjarige licenties kan de kwaliteit van de evc-aanbieders dus nog
    tekort schieten, waardoor er in deze groep te veel kwaliteitsverschillen ontstaan. Ook is door
    de korte duur van de licentie het aanbod groot en steeds veranderend van samenstelling. De
    raad stelt voor dat de een- en driejarige licenties worden omgezet in een vierjarige licentie. Het
    voordeel van een langere licentie is dat hiermee duidelijkheid wordt verschaft aan zowel de
    evc-aanbieder als aan mbo-instellingen en werkgevers. Dit biedt meer ruimte aan partijen om
    samenwerkingsverbanden op te zetten en expertise op te bouwen. Tevens kan deze verlen-
    ging van de licentie administratieve lasten beperken.
    70  Inspectie van het Onderwijs, 2009.
    71  Zie Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen, 2010.
    72  Zie Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen, 2010.
    28                                                                           Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    Goede leermogelijkheden zijn nodig om laagopgeleiden te stimuleren tot
    postinitieel leren en een zo succesvol mogelijk leerproces te doorlopen. In dit
    kader beveelt de raad aan om de kwaliteit van non-formeel onderwijs trans-
    paranter te maken en de kwaliteit van educatietrajecten voor laaggeletterden
    beter te borgen door voor deze trajecten een helder kwaliteitskader op te stel-
    len, en tegelijkertijd maatwerkmogelijkheden te vergroten.
6   Aanbeveling 3: stel scherpe eisen aan
    aanbieders educatietrajecten
    Een belangrijke factor in het welslagen van postinitieel onderwijs voor laagopgeleiden is de
    kwaliteit van de leermogelijkheden. De kwaliteit van het aanbod van leermogelijkheden blijkt
    op een aantal punten vatbaar voor verbetering. Hierbij gaat het enerzijds om de inhoud van
    het leeraanbod en anderzijds om het diploma of certiﬁcaat waarmee het leerproces wordt
    afgesloten: wordt er voldoende waarde aan gehecht door het onderwijs, het bedrijfsleven en
    de samenleving?
6.1 Kwaliteit non-formeel onderwijs transparanter maken
    Sommige diploma’s van particuliere cursussen worden door een branche erkend. Bij de meeste
    non-formele scholing blijft er echter onduidelijkheid bestaan over de inhoudelijke kwaliteit
    van een cursus en de waarde van een certiﬁcaat of diploma. Deze onduidelijkheid kan demo-
    tiverend werken. De waarde van een certiﬁcaat is hoger als een deelnemer het certiﬁcaat niet
    alleen bij zijn eventuele huidige werkgever kan gebruiken om zijn competentie aan te tonen,
    maar ook bij volgende werkgevers. In het advies uit 2009 over een leven lang leren heeft de
    Onderwijsraad in dit kader een aantal aanbevelingen gedaan. Deze adviezen zijn nog steeds
    relevant, zo blijkt uit een recent rapport van de SER over de postinitiële scholingsmarkt.73
    De raad is voorstander van een nieuwe systematiek voor de beoordeling van particuliere trai-
    ningen en werkplekleren.74 In het advies Een diploma van waarde (2010) is gepleit voor vormen
    van examinering die onafhankelijker zijn van de gevolgde scholing en de instelling.75
    Afstemmen toezicht op publiek en privaat bekostigde scholing
    Om een zelfstandige maatschappelijke en economische waarde te hebben, is een adequate
    vorm van toezicht nodig op zowel publiek als privaat bekostigd onderwijs. Deze hebben nu
    ieder een eigen vorm van toezicht. Op het publiek bekostigd mbo-onderwijs wordt toege-
    73   Sociaal-Economische Raad, 2012 .
    74   Zie ook Onderwijsraad, 2009.
    75   Onderwijsraad, 2010a.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                       29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    zien door de Inspectie van het Onderwijs. Het private onderwijs kan vrijwillig kiezen om aan
    gedrags- en kwaliteitscodes te voldoen van brancheverenigingen zoals de Nederlandse Raad
    voor Training en Opleiding. Sommige particuliere examens staan onder toezicht van de Stich-
    ting Examenkamer en evc-aanbieders worden gecertiﬁceerd door verschillende instanties
    onder de coördinatie van de DUO.
    De raad heeft in 2009 geadviseerd om deze toezichtvormen op elkaar af te stemmen.76 Inmid-
    dels lijkt het erop dat hiervoor in het hoger onderwijs stappen worden gezet. Eind 2011 is een
    akkoord gesloten tussen een aantal private aanbieders van hbo-opleidingen en de staats-
    secretaris.77 Hierin is onder andere opgenomen dat de hbo-opleidingen hun kwaliteit beter
    gaan controleren door middel van visitaties. De raad beveelt aan om te bevorderen dat een
    dergelijk akkoord ook met private aanbieders van mbo-onderwijs (cursussen en volledige
    opleidingen) tot stand wordt gebracht.
6.2 Een duidelijk kader voor aanbieders volwasseneneducatie
    Volwasseneneducatie kan beschouwd worden als onderwijs voor volwassenen die wat betreft
    rekenen en de Nederlandse taal functioneren op het niveau van het primair onderwijs of daar-
    onder: de laaggeletterden.78 Ongeveer 11 van de Nederlandse bevolking is laaggeletterd; van
    deze groep behoort 1,1 miljoen tot de potentiële beroepsbevolking. Meer dan de helft (61)
    van deze 1,1 miljoen is ouder dan 46 jaar, 8 is jonger dan 25.79
    De reikwijdte van volwasseneneducatie was eerst breder, maar is recent aangepast. Het Minis-
    terie van OCW onderscheidde voorheen verschillende typen opleidingen, waaronder het vavo
    (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs; bekostigd onderwijs voor volwassenen die als-
    nog een diploma voortgezet onderwijs willen halen) en opleidingen gericht op zelfredzaam-
    heid en breed maatschappelijk functioneren. 80 Laatstgenoemde opleidingen worden niet
    meer bekostigd door het Ministerie van OCW. Investeringen hierin worden aan andere partijen
    overgelaten.
    Financiering nu via participatiebudget, marktwerking op komst
    Sinds 1996 zijn de educatietrajecten ondergebracht bij de roc’s. In samenwerking met gemeen-
    ten en het bedrijfsleven hebben zij een behoorlijke expertise opgebouwd op het terrein van
    volwasseneneducatie.
    De roc’s kregen tot 2009 van het ministerie aparte ﬁnanciering voor de volwasseneneducatie.
    Daarna is dit budget (met uitzondering van het vavo-budget) samengevoegd met de gelden
    voor re-integratie en inburgering tot een participatiebudget dat onder beheer van de gemeen-
    ten staat.81 Voor de verdeling, besteding en verantwoording van deze middelen zijn regels vast-
    gelegd in de Wet participatiebudget en het Besluit participatiebudget. Vooralsnog wordt het
    educatiedeel verplicht besteed bij de roc’s. De bedoeling was dat deze verplichte aanbeste-
    76   Onderwijsraad, 2009.
    77   Zie Hoofdlijnenakkoord OCW-NRTO, 2012.
    78   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011..
    79   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011.
    80   Zie Welke opleidingen kan ik volgen in de volwasseneneducatie?
    81   Zie Participatiebudget.
    30                                                                         Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>ding zou vervallen met de invoering van het participatiebudget. Dit is tot nader order uitge-
steld. Het wetsvoorstel laat ruimte voor het later invoeren van de vrije aanbesteding.82
Uit de eerdere invoering van marktwerking bij inburgering blijkt dat dit heeft geleid tot een ver-
sterking van de regiefunctie van gemeenten.83 Een knelpunt in de uitvoering destijds was dat
gemeenten maar een beperkte voorbereidingstijd hadden voor deze nieuwe positie en taken.
Het voordeel was dat gemeenten nieuwe afspraken konden maken over de dienstverlening en
er ruimte kwam om te kiezen voor de beste en meest doelmatige inburgeringstrajecten.
De verwachting bij marktwerking in de volwasseneneducatie is dat het op eenzelfde manier
aanbieders van educatietrajecten zal stimuleren tot concurrentie op kwaliteit en doelmatig-
heid. Het zou bovendien meer ruimte kunnen bieden voor maatwerk. De groep laaggelet-
terde volwassenen is namelijk zeer divers. Zowel een oudere autochtone vrouw die het lezen
en schrijven verleerd is, als een allochtone man zonder opleiding die aan de lopende band
werkt, kunnen hiertoe behoren. Deze groepen vragen ieder om een andere benadering en
andere organisatie van het educatietraject. Op deze manier zouden meer laaggeletterden wor-
den bereikt, waardoor het doel van het Ministerie van OCW om het aantal laaggeletterden te
verminderen dichterbij komt.84 Daarnaast zou het gemeenten meer mogelijkheden geven om
maatregelen ten aanzien van volwasseneneducatie, inburgering en re-integratie te koppelen.
De groepen die hiermee bereikt worden overlappen elkaar immers voor een groot deel en
hebben deels dezelfde problematiek.
Argumenten om af te zien van marktwerking en de volwasseneneducatie bij de roc’s te laten,
zijn er ook. Ten eerste hebben roc’s vanuit hun verleden de meeste ervaring met het aanbie-
den van volwasseneneducatie. Hun infrastructuur is het meest toegesneden op de behoef-
ten van de deelnemer. Zij zijn stevig verankerd in de regio door contacten met gemeenten
en buurtinstellingen, waardoor ze makkelijker hun educatietrajecten kunnen afstemmen op
lokale omstandigheden.
Een tweede argument tegen marktwerking is dat educatietrajecten ingedeeld zijn op niveau 1
en 2 van het Nederlands kwaliﬁcatiekader. Daaruit kan geconcludeerd worden dat volwassenen-
educatie beschouwd wordt als kwaliﬁcerend onderwijs en dat het in overeenstemming daar-
mee een taak zou moeten zijn van de rijksoverheid.
Een derde argument is dat de kwaliteit van het traject beter geborgd kan worden wanneer
volwasseneneducatie bij de roc’s blijft. Roc’s staan immers onder toezicht van de Inspectie,
maar private opleidingen niet. De private opleidingen worden beoordeeld op de kwaliteit van
de examens, maar niet op het proces dat daaraan vooraf gaat of op het rendement. Roc’s moe-
ten echter aan strengere eisen voldoen. Bovendien hebben zij minder mogelijkheden om met
het bedrijfsleven of andere private partijen samen te werken. Beide zaken zouden oneerlij-
ke concurrentie in de hand werken, tenzij er strenge kwaliteitseisen worden gesteld. De MBO
Raad wil deze kwaliteitseisen vormgeven op een manier die analoog is aan het kerncurriculum
in het ‘Skills for Life’ programma in Engeland. In Nederland zou dit vorm gegeven kunnen wor-
den door een kwaliﬁcatiedossier basiseducatie op te stellen met daarin nauwkeurig beschre-
ven wat iemand aan reken- en taalvaardigheden moet kunnen op een bepaald niveau. Deze
82   In het wetsvoorstel tot wijziging van de WEB staat dat regionale opleidingencentra verzorgen ” tot een bij algemene maatregel van
     bestuur te bepalen tijdstip: opleidingen educatie als bedoeld in artikel 7.3.1.”
83   Van Maanen, Van Gestel & Visscher, 2009.
84   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011.
Over de drempel van postinitieel leren                                                                                              31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>vaardigheden zouden getoetst moeten worden, en aan de docenten zouden hogere eisen
gesteld moeten worden. Het educatietraject kan dan worden afgesloten met een diploma. Dit
zou voor deelnemers aan het educatietraject een extra stimulans zijn het traject af te maken.
Een vierde argument om volwasseneneducatie bij roc’s te laten is dat bij vrije aanbesteding
gemeenten volwasseneneducatie steeds weer opnieuw kunnen aanbesteden, waardoor de
betrokken partijen geen sterke infrastructuur qua kennis, personeel en andere voorzieningen
kunnen opbouwen. Het zou in die situatie bijvoorbeeld onzeker zijn tot wanneer een bepaalde
partij de educatie mag verzorgen.
Raad: hogere kwaliteitseisen stellen aan aanbieders en diverse doelgroepen bereiken
De raad heeft de verschillende belangen afgewogen. In het kader van het stimuleren van post-
initieel leren van laagopgeleiden hecht hij er vooral waarde aan dat er kwalitatief sterke edu-
catietrajecten worden aangeboden en er een groot bereik wordt gecreëerd onder de groep
laaggeletterde deelnemers.
De raad ziet een bijzondere overheidsverantwoordelijkheid voor het borgen van de kwaliteit
van deze educatietrajecten, omdat het gaat om het aanleren van basisvaardigheden die zijn
vastgelegd in het Nederlands kwaliﬁcatiekader. In het licht van deze verantwoordelijkheid pleit
de raad ervoor dat de minister van OCW duidelijk vastlegt wat de doelen zijn van volwassenen-
educatie. Er is een erkenning nodig van aanbieders die aan de kwaliteitseisen voldoen, analoog
aan de crebo-erkenning van mbo-opleidingen. Gemeenten zouden dan gestimuleerd kunnen
worden om gebruik te maken van erkende aanbieders.
Voor het vastleggen van de doelen ziet de raad verschillende mogelijkheden voor de minister:
het verder speciﬁceren en toetsen van de referentieniveaus tot 2F (niveau voortgezet onder-
wijs) of het opstellen van een kwaliﬁcatiedossier basiseducatie zoals de MBO Raad voorstelde.
Deze doelen kunnen ook getoetst worden, zodat de deelnemer het traject met een diploma
kan afsluiten. Hoe het een en ander het beste vormgegeven kan worden, kan nader bepaald
worden aan de hand van de evaluatie van de pilots Lezen en Schrijven, die recent van start zijn
gegaan.
Op uitdrukkelijke voorwaarde dat de kwaliteit van educatietrajecten geborgd is, kan markt-
werking toegevoegde waarde hebben, omdat het meer mogelijkheden biedt om het aan-
bod af te stemmen op de behoeften van de deelnemers. Dit kan voor deelnemers drempel-
verlagend werken, waardoor er meer laaggeletterden worden bereikt. Bovendien kan het een
prikkel zijn voor aanbieders om kwaliteit te bieden en zich indien nodig te specialiseren in een
bepaalde doelgroep, waardoor ze expertise kunnen opbouwen. Daarnaast weten aanbieders
door de erkenning beter waar ze aan toe zijn en kunnen zij hun aanbod en infrastructuur hier-
op afstemmen.
32                                                                           Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>    Er zijn veel adviezen verschenen over een leven lang leren. Een aantal daarvan is
    vertaald in beleidsmaatregelen gericht op de stimulering van postinitieel leren.
    De deelname aan postinitieel leren wordt echter te globaal gemeten en resul-
    taten van studies lopen te ver uiteen om het succes van de maatregelen goed
    te kunnen beoordelen. Vooral voor de diverse groep van laagopgeleiden be-
    veelt de raad aan om te experimenteren met verschillende soorten beloftevolle
    maatregelen en deze preciezer op hun werking en eﬀectiviteit te onderzoeken.
7   Aanbeveling 4: experimenteer met maat-
    regelen en onderzoek hun werking en
    effectiviteit
7.1 Verduidelijk beeld van werking en effectiviteit van maatregelen
    In de loop der jaren is er een groot aantal adviezen over een leven lang leren verschenen, maar
    over de doorwerking ervan naar beleid en praktijk is weinig bekend. Uit het onderzoek naar
    deze doorwerking, dat in opdracht van de Onderwijsraad is uitgevoerd, blijkt dat een aan-
    tal van deze adviezen daadwerkelijk is vertaald in beleidsmaatregelen, uitgevoerd door de
    Projectdirectie Leren en Werken.85 Het onderzoek laat echter ook zien dat de deelname aan
    postinitieel leren te globaal wordt gemeten om te kunnen beoordelen of de beleidsmaat-
    regelen succesvol zijn geweest. Daarnaast blijkt uit ander onderzoek dat de resultaten van de
    verschillende studies naar het rendement van postinitieel leren sterk uiteenlopen, waardoor
    er geen duidelijk beeld is van de precieze werking en eﬀectiviteit van de diversiteit aan maat-
    regelen.86 Het is goed mogelijk dat bepaalde maatregelen voor speciﬁeke groepen wel en voor
    andere niet of anders werken. De raad acht het daarom van belang om nu eerst een scher-
    per beeld te krijgen van de precieze werking en eﬀectiviteit van de verschillende maatregelen,
    voordat er wordt geïnvesteerd in het uitzetten van maatregelen op grote schaal.
    In het bijzonder voor de groep laagopgeleiden is er behoefte aan een beter inzicht in werking
    en eﬀectiviteit van maatregelen. Immers, ondanks de genomen initiatieven om de deelname
    van laagopgeleiden aan postinitieel leren te verhogen, wordt nog steeds niet de gewenste ver-
    betering gezien. Integendeel, het verschil in deelname aan postinitieel leren tussen laag- en
    hoogopgeleiden lijkt de laatste jaren nog groter te worden.87 Bovendien kenmerkt de groep
    laagopgeleiden zich door een grote verscheidenheid (werkenden/niet werkenden, autoch-
    toon/allochtoon, geletterd/ongeletterd, vaste krachten/ﬂexkrachten, enzovoort). Dit sugge-
    85  Golsteyn, 2012.
    86  Nelen, Poortman, Nieuwenhuis, De Grip & Kirschner, 2010.
    87  Fouarge & De Grip, 2011.
    Over de drempel van postinitieel leren                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>    reert dat er ook een diversiteit aan maatregelen nodig is om goed aan te sluiten bij de behoeften
    en kenmerken van iedere groep.88 Het is daarom noodzakelijk om beter zicht te krijgen op welke
    manier de verschillende maatregelen precies werken, voor welke speciﬁeke groep laagopgelei-
    den bepaalde maatregelen het meest geschikt zijn en wat het exacte eﬀect ervan is.
7.2 Experimenteer met beloftevolle maatregelen
    De raad beveelt aan om op kleine schaal te experimenteren met een verscheidenheid aan ini-
    tiatieven, die uit eerdere evaluaties beloftevol zijn gebleken in het stimuleren van postinitieel
    leren bij laagopgeleiden. Van belang hierbij is dat deze experimenten in systematisch onder-
    zoek nauwkeurig worden gemonitord op hun werking en eﬀecten. Vanuit de inzichten die der-
    gelijk onderzoek oplevert, kunnen vervolgens eﬀectieve maatregelen worden geselecteerd en
    gericht worden ingezet voor bepaalde groepen laagopgeleiden.
    Enkele voorbeelden van dergelijke beloftevolle maatregelen werden al in de eerste aanbeve-
    ling genoemd, zoals de projecten Leerambassadeurs en Vuurwerkt. In de onderstaande kaders
    worden nog vier voorbeelden gegeven van andere maatregelen die de raad als beloftevol aan-
    merkt en die nader onderzoek op werking en eﬀectiviteit verdienen.
       Loopbaantraject Bouw & Infra: voorbeeld van passende loopbaanbegeleiding
       Sinds  hebben alle werknemers die volgens de cao voor de bouwnijverheid werken, recht op loop-
       baanadvies en scholing, georganiseerd en geﬁnancierd door het sectorale Opleidings- en Ontwikke-
       lingsfonds (O&O-fonds) voor de Bouwnijverheid. Het Loopbaantraject Bouw & Infra wordt ondersteund
       door een professionele organisatie, met onafhankelijke trajectadviseurs verspreid over  adviescentra.
       Het loopbaantraject biedt medewerkers de kans om zich te ontwikkelen en zich om te scholen naar
       een ander beroep; ook omscholing naar een beroep buiten de sector is mogelijk. Het loopbaan-
       traject is vrijwillig en voor alle werknemers gratis. Een deelnemer kan zich één keer in de vijf jaar aan-
       melden voor een loopbaantraject.
       Tijdens een loopbaantraject bieden trajectadviseurs van het sectorale kenniscentrum (Fundeon) on-
       afhankelijk advies en ondersteuning. De trajectadviseurs zijn hier speciaal voor opgeleid en kennen
       de bouwsector goed. Ze bekijken samen met de deelnemers welke functie bij hen past en welke op-
       leiding of cursus daarvoor nodig is. Onder hun persoonlijke begeleiding doorlopen de werknemers
       zo verschillende fases: intake, nader onderzoek/assessment, opstellen individueel opleidingsplannen,
       nazorg. Er wordt verwacht dat werknemers zelf contact opnemen met de trajectadviseur in hun re-
       gio, maar werkgevers en arbodiensten kunnen werknemers ook naar het loopbaantraject verwijzen.
       Het traject is beloftevol voor stimulering van postinitieel leren, in het bijzonder voor laagopgeleiden.
       Uit evaluatie bleek dat van de . werknemers die in de eerste vijf jaren deelnam, , % het tra-
       ject volledig doorlopen heeft en een werkrelevante cursus en opleiding heeft afgerond en het voor
       ruim % van de deelnemers behulpzaam is geweest voor het maken van een functiestap binnen
       hun loopbaan. Het aantal laagopgeleiden binnen deze groep was aanzienlijk; minder dan de helft
       van de deelnemers beschikte over een opleidingsniveau dat hoger was dan mbo-.
       Bron: Evaluatie en verantwoording EVC-centra Bouw & Infra, Loopbaantraject Bouw & Infra (Fundeon, 2011)899; www.fundeon.nl
    88   Raad voor Werk en Inkomen, 2011.
    89   Fundeon, 2011.
    34                                                                                                               Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  Leerwerkloket: voorbeeld samenwerkingsverband werkzoekenden
  De leerwerkloketten zijn opgezet door UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen), ge-
  meenten en roc’s. Er zijn fysieke loketten, maar er kan ook een samenwerkingsverband mee wor-
  den aangeduid. De loketten hebben verschillende doelen. Ze hebben expertise op het gebied van
  ervaringscertiﬁcaten en scholingsmogelijkheden. Hiermee kunnen ze werkzoekenden of mensen
  die werkloos dreigen te worden helpen bij scholingsvraagstukken of bij het vinden van een nieuwe
  baan. Meer in het algemeen hebben ze tot doel om samenwerking tussen vragers en aanbieders van
  scholing te versterken. Verder stimuleren ze scholingsaanbieders tot het maken van een passend
  aanbod. Overheidssubsidie vormde de afgelopen jaren een groot deel van de ﬁnanciering. Er zijn op
  dit moment  leerwerkloketten, die allemaal anders fungeren. Bij sommige zijn bedrijven betrok-
  ken, bij andere niet. Ook verschilt de vraag vanuit de regio per leerwerkloket. In de regio Haarlem-
  mermeer is bijvoorbeeld een tekort aan technisch personeel, terwijl in de regio Groningen men een
  oplossing probeert te vinden voor de toenemende werkloosheid.
  Bron: Bakker, De Zwart, Terwel, Willemen, De Jong & De Vaan, 2011.
  Opleidingscheque: voorbeeld financiële stimulering postinitieel leren
  De opleidingscheque wordt verstrekt via het Servicepunt Leren en Werken in de regio Eindhoven
  aan mensen die korter dan een jaar werkloos zijn of werkloos dreigen te worden. Het doel is om ar-
  beidskwaliﬁcaties te verbeteren en daarmee sneller aan een baan te komen. De cheque is maximaal
  . euro. Na het eerste jaar zijn de bevindingen positief. Er zijn  opleidingscheques uitgegeven.
  Van de ondervraagden heeft % de gevolgde opleiding afgerond met een diploma of certiﬁcaat.
  Een kwart van hen vond een baan die zij toeschreven aan de inzet van de opleidingscheque. De ove-
  rige ondervraagden zijn nog bezig met het volgen van een opleiding. Zij verwachten dat de oplei-
  dingscheque een positieve bijdrage levert aan het vinden van een baan, doordat ze meer vacatures
  vinden en meer sollicitatiegesprekken voeren.
  Bron: persoonlijke communicatie; verder: Eerste resultaten Opleidingscheque regio Eindhoven positief.
  Ontwikkelingscheque: voorbeeld financiële stimulering postinitieel leren
  Het ROA heeft onlangs op basis van de uitkomsten van eerdere opleidingscheque-projecten een
  model ontwikkeld voor een ontwikkelingscheque voor laagopgeleiden. Uit het onderzoek blijkt dat
  een dergelijke cheque inderdaad scholing kan stimuleren als deze op de goede manier wordt inge-
  voerd. Als de voucher door de werkgever wordt verstrekt, is dit eﬀectiever dan wanneer de overheid
  deze direct aan de werknemer verstrekt. Daarom kiezen zij er voor dat voor de besteding een hand-
  tekening van de werkgever nodig is. De door het ROA voorgestelde ontwikkelingscheque bestaat
  uit twee stapelbare cheques, elk ter waarde van  euro, die jaarlijks aan medewerkers worden ver-
  strekt. De ene cheque wordt geﬁnancierd door de werkgever en de andere door het O&O fonds of de
  werkgever. Beide cheques zijn maximaal drie jaar geldig. Op deze manier kan de ontvanger cheques
  stapelen voor duurdere leeractiviteiten, maar de geldigheidstermijn voorkomt dat van uitstel afstel
  komt. Deze ontwikkelingscheque mag aan zowel functiegerichte als niet-functiegerichte leeractivi-
  teiten worden besteed. De medewerker moet worden ondersteund bij het inwisselen van de vou-
  cher. Deze moet goed onder de aandacht worden gebracht door een persoonlijke benadering met
  veel mondelinge communicatie.
  Bron: Van Breugel & De Grip, 2011.
Over de drempel van postinitieel leren                                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Afkortingen
bbl   beroepsbegeleidende leerweg
CBS   Centraal Bureau voor de Statistiek
crebo centraal register beroepsopleidingen
DUO   Dienst Uitvoering Onderwijs
ESF   Europees Sociaal Fonds
EU    Europese Unie
evc   erkenning van verworven competenties
mbo   middelbaar beroepsonderwijs
OCW   Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
ROA   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
roc   regionaal opleidingencentrum
SER   Sociaal-Economische Raad
UWV   Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
vavo  voortgezet algemeen volwassenenonderwijs
vmbo  voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
WVA   Wet vermindering afdracht
36                                                   Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
P. Faber                    Beleidsadviseur FNV
M. de Groot                 Manager beroepsonderwijs CINOP
M. de Haan                  Beleidsadviseur MBO Raad
I. Harmelink                Bestuurder Zorgaccent Twente
J. Kessels                  Hoogleraar Open Universiteit en Universiteit van Twente
R. van ’t Klooster          Directeur NRTO
A. Kok                      Beleidsmedewerker VNG
J. Leenhouts                Voorzitter college van bestuur ROC Mondriaan
L. Peters                   Programmamanager MKB Nederland
T. Pijls                    Coördinator Kenniscentrum EVC
A. Venema                   Medewerker Kenniscentrum EVC
M. Wijdeven                 Projectondersteuner People in Transfer
M. Zoetmulder               Projectmanager UWV
Gezondheidszorgcollege ROC Midden-Nederland
S. de Boer                  Docent
A. van Ewijk                Student
I. Halstein                 Docent
C. Pool                     Docent
C. van Renswouw             Student
J. Volmer                   Student
S. Yilidim                  Student
Paneldeelnemers
W. Berentsen                Beleidsadviseur FME
J. Bijvank                  Projectleider leerwerkloket gemeente Utrecht
J. de Goede                 Learning consultant, Koninklijke Philips Electronics, N.V.
H. van Hout                 Hoofd onderwijsdiensten Shell Nederland, B.V.
G. Hufken                   Learning oﬃcer Koninklijke Philips Electronics, N.V.
H. Klein Poelhuis           Bestuursvoorzitter Aannemersfederatie Bouw & Infra Nederland
R. Koolen                   Eigenaar BV Maakbaar
A. Stel                     Directeur STOOF-online
I. Thepass                  Bestuursvoorzitter Laurens
Over de drempel van postinitieel leren                                                   37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Literatuur
Allen, J. & Meng, C. (2010). Voortijdige schoolverlaters: Aanleiding en gevolgen. Maastricht:
     Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.
Bakker, H., De Zwart, S., Terwel, L., Willemen, M., De Jong, D. & De Vaan, H.(2011). De functie
     en meerwaarde van de Leerwerkloketten. Geraadpleegd via http://www.arbeidsmarktbra-
     bant.nl/html/nieuwsbrief/nieuwsbrief_08_2011/downloads/4474120Rapport20LWL20
     2807201120def.pdf.f
Beleidsregel afgifte EVC-verklaringen (2010). Beleidsregel. Staatscourant 2010, 4981.
Boeren, E., Nicaise, I. & Baert, H. (2010). Theoretical models of participation in adult education:
     The need for an integrated model. International Journal of LifeLong Education, 29(1), 45-61.
Borghans, L., Fouarge, D. & De Grip, A. (2011). Een leven lang leren in Nederland. Maastricht:
     Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2011). Psychische klachten vooral bij vrouwen, ouderen en
     laagopgeleiden. Geraadpleegd via http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-
     welzijn/publicaties/artikelen/archief/2011/2011-3288-wm.htm.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2012). Kloof in levensverwachting tussen hoog- en laagop-
     geleiden blijft even groot. Geraadpleegd via http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/
     gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2012/2012-feb07-glv-opleiding-art.
     htm?RefererType=RSSItem.
De Greef, M. (2009). Leren voor leven: een eigen plek in het dagelijks leven. Velp: Spectrum CMO
     Gelderland.
De Lange, M., Gesthuizen, M. & Wolbers, M.H.J. (in press). Trends in arbeidsmarktﬂexibiliser-
     ing onder schoolverlaters in Nederland: de invloed van economische globalisering op ver-
     schillen tussen opleidingsniveaus. . In H.G. van de Werfhorst & H.B.G. Ganzeboom (eds.),
     Onderwijs en stratiﬁcatie: Ongelijkheid, arbeidsmarkt en participatie in de afgelopen decennia.
     Amsterdam: University Press.
Eerste resultaten Opleidingscheque regio Eindhoven positief.f Geraadpleegd op 4 mei 2012 via de
     website van WWB Uitvoering, http://www.gemeenteloket.minszw.nl/dossiers/ﬁnancieel/
     participatiebudget/wet-participatiebudget.html.
European Commission (2011). Employment and social developments in Europe 2011. Brussel: Direc-
     torate-General for Employment, Social Aﬀairs and Inclusion.
Eurydice & Eurostat (2012). Key data on education in Europe 2012. Brussel: Education, Audiovisual
     and Culture Executive Agency.
Fouarge, D. & De Grip, A.(2011). Postinitieel leren: deelname en rendement. Geraadpleegd op 1 mei
     2012 via http://www.roa.unimaas.nl/pdf_publications/2012/ROA_PP_2012_1.pdf.f
Fouarge, D., Schils, T. & De Grip, A. (2010). Prikkels voor postinitiele scholing van laagopgeleiden.
    ‘s-Hertogenbosch: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.
Fundeon (2011). Feiten en cijfers, april 2011. Harderwijk: Fundeon.
Geletterdheid in Nederland. Actieplan laaggeletterdheid 2012-2015 (2011). Kamerstukken II, 28760,
     22.
Gesthuizen, M. & Wolbers, M.H.J. (2010). Employment transitions in the Netherlands, 1980-2004:
     Are low educated men subject to structural or cyclical crowding out? Research in Social
     Stratiﬁcation and Mobility, 28, 437-451.
Gezondheidsraad (2011). Laaggeletterdheid te lijf. Den Haag: Centrum voor ethiek en gezondheid.
Golsteyn, B. (2012). Waarom groeit leven lang leren in Nederland niet sterker ondanks de vele
     adviezen erover?? Maastricht: Universiteit Maastricht.
38                                                                                Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Groot, W. & Maassen van den Brink, H. (2003). Investeren en terugverdienen. Inverdien- en wel-
     vaartseﬀecten van onderwijsinvesteringen. Den Haag: Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt.
Groot, W. & Maassen van den Brink, H. (2006). Stil vermogen, een onderzoek naar de maatschap-
     pelijke kosten van laaggeletterdheid. . Den Haag: Stichting Lezen & Schrijven.
Haelermans, C. & Borghans, L. (2011). Wage Eﬀects of On-the-Job Training: A Meta-Analysis. . Ger-
     aadpleegd op 1 mei 2012 via http://ftp.iza.org/dp6077.pdf.f
Hazelzet, A., Oomens, S. & Keijzer, L. (2009). Wat prikkelt laagopgeleide werknemers voor schol-
     ing? Develop, 2, 53-60.
Hoofdlijnenakkoord OCW-NRTO (2012). Geraadpleegd op 2 februari 2012 via http://www.rijks-
     overheid.nl/documenten-en-publicaties/convenanten/2012/01/23/hoofdlijnenakkoord-
     ocw-nrto.html.
Illeris, K. (2006). Lifelong learning and the low-skilled. International Journal of LifeLong Educa-
     tion, 25(1), 15-28.
Inspectie van het Onderwijs (2009). Kwaliteit evc-procedures in het mbo. Utrecht: Inspectie van
     het Onderwijs.
Josten, E., Vlasblom, J.D. & De Voogd-Hamelink, M. (2012). Vraag naar arbeid. Den Haag: SCP.
Kaemingk, E. & Van Kippersluis, R. (2011). Naar goede afspraken over EVC in de cao. Utrecht: Ken-
     niscentrum EVC.
Kirschner, P.A., Caniëls, M. & Bijker, M. (2012). Informeel leren in Nederland: Deelname en ken-
     merken van mensen met een vmbo en mbo vooropleiding. Heerlen: Open Universiteit.
Kuijpers, M., Meijers, F. & Bakker, J. (2006). Krachtige loopbaangerichte leeromgevingen in het (v)
     mbo. Driebergen: Het Platform Beroepsonderwijs.
Kyndt, E., Govaerts, N., Dochy, F. & Baert, H. (2011). The learning intention of low-qualiﬁed
     employees: A key for participation in lifelong learning and continuous training. Vocations
     and Learning, 4, 211-229.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009). Leven lang leren. Brief van Staatssec-
     retaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 15
     december 2009. Kamerstukken II, 30012, 30.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012). Kamerbrief voortijdig schoolverlaten.
     Brief van Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede
     Kamer, 14 februari 2012. Kamerstukken II, 26695, 84.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-
     genheid (2011). Resultaten Leren en Werken 2005-2011. Geraadpleegd via http://www.rijks-
     overheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/12/20/kamerbrief-resultaten-
     leren-en-werken-2005-2011.html.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2011). Vitaliteitspakket. Brief van Minister van
     Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 4 juli 2011. Ken-
     merk ASEA/SAS/2011/11971.
Mittendorf, K. (2008). De kwaliteit van loopbaanbegeleiding in het beroepsonderwijs en de rol
     van het POP en Portfolio. In M. Kuipers & F.Meijers (ed.), Loopbaanleren: Onderzoek en prak-
     tijk in het onderwijs (171-189). Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
Nelen, A., Poortman, C., Nieuwenhuis, L., De Grip, A. & Kirschner, P.A. (2010). Het rendement van
     combinaties van leren en werken: een review studie. Den Haag: NWO-PROO.
Onderwijsraad (2003a). Leren in een kennissamenleving. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2003b). Werk maken van een leven lang leren. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007). Presteren naar vermogen. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2009). Middelbaar en hoger onderwijs voor volwassenen. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010a). Een diploma van waarde. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010b). Een onderwijsprogramma met maatschappelijke voorhoedes. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Over de drempel van postinitieel leren                                                           39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Onderwijsraad (2011a). Een stevige basis voor iedere leerling. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2011b). Maatschappelijke achterstanden van de toekomst. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2011c). Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs. Den Haag:
    Onderwijsraad.
Oreopoulos, P. & Salvanes, K. (2011). Priceless: the nonpecuniary beneﬁts of schooling. Journal of
    Economic Perspective, 25(1), 159-184.
Participatiebudget. Geraadpleegd op 4 mei 2012 via de website van Ministerie van Sociale Zak-
    en en Werkgelegenheid, http://www.gemeenteloket.minszw.nl/dossiers/ﬁnancieel/partici-
    patiebudget/wet-participatiebudget.html.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2011). Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Den Haag: Raad
    voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Raad voor Werk en Inkomen (2011a). Arbeidsmarktanalyse 2011. Den Haag: Raad voor Werk en
    Inkomen.
Raad voor Werk en Inkomen (2011b). We worden er beiden beter van. Investeren in de ontwikkel-
    ing van werknemers met een lage en/of verouderde opleiding. Den Haag: Raad voor Werk en
    Inkomen.
Scholt, E., Dekkers, L. & Ketelaar, H. (2010). 4xL: Lang Leve Leren Laagopgeleiden: van. ‘s Hertogen-
    bosch: PSW i.s.m. Mee & Ander.
Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (2011). Verslag SBO bijeenkomst: “Levenlang leren van leer-
    lingen en leraren in Nederland: utopie of realiteit?”.” Geraadpleegd op 1 mei 2012 via http://
    www.leroweb.nl/docs/lero/deﬁnitief_verslag_lll_bijeenkomst_10_november_20111.pdf.f
Selecteer beoordelende organisatie. Geraadpleegd op 4 mei 2012 via de website van Kenniscen-
    trum evc, www.kenniscentrumevc.nl/index.php/mt-kcevc-erkenning/mt-kcevec-stap2.
Sociaal-Economische Raad (2002). Het nieuwe leren: advies over een leven lang leren in de ken-
    niseconomie. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
Sociaal-Economische Raad (2011). Werk maken van baan-baanmobiliteit. Den Haag: Sociaal-
    Economische Raad.
Sociaal-Economische Raad (2012). Werk maken van scholing, advies over de postinitiële scholings-
    markt. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
Van Breugel, G. & De Grip, A. (2011). Een ontwikkelingscheque voor laagopgeleide werknemers.
    Economisch Statistische Berichten, 96(4611), 330-332.
Van den Dungen, M., Heuts, P. & Venema, A. (2012). Onderzoek naar verzilvering van ervaringscer-
    tiﬁcaten – Belemmeringen, oplossingen en aanbevelingen. Utrecht: Kenniscentrum EVC.
Van den Dungen, M. & Pijls, T. (2010). Actieplan kwaliteit van EVC. ‘s-Hertogenbosch: CINOP.
VO-raad (2010). Highlights nulmeting loopbaanbegeleiding en -oriëntatie. Utrecht: VO-raad.
Van de Werfhorst, H.G. (2009). Education, inequality, and active citizenship: Tensions in a diﬀerenti-
    ated schooling system. Amsterdam: Amsterdam Institute for Advanced labour Studies.
Van Maanen, D., Van Gestel, N. & Visscher, K. (2009). Marktwerking in het inburgeringsonderwijs.
    Utrecht: Capgemini Consulting.
Welke opleidingen kan ik volgen in de volwasseneneducatie?? Geraadpleegd op 4 mei 2012 via de
    website van Rijksoverheid, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/volwassenenonder-
    wijs/vraag-en-antwoord/welke-opleidingen-kan-ik-volgen-in-de-volwasseneneducatie.
    html.
Workshop Werkconferentie Kenniscentrum EVC       C (2012). Geraadpleegd op 4 mei 2012 via http://
    www.kenniscentrumevc.nl/attachments/article/155/Werkgever201520en201620
    maart20-20Stoof.pdf.f
40                                                                              Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesvraag
Over de drempel van postinitieel leren 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42 Onderwijsraad, juni 2012</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Over de drempel van postinitieel leren 43</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 JS Den Haag
www.onderwijsraad.nl
Goed initieel onderwijs is de voornaamste manier om        p
duurzame inzetbaarheid van burgers te garanderen. De
praktijk laat echter zien dat een deel van de jongeren     p
het onderwijs verlaat zonder startkwaliﬁcatie. Voor deze
groep van laagopgeleiden heeft de overheid een belang-
rijke verantwoordelijkheid. Om de positie van laagopge-
leide volwassenen op de arbeidsmarkt en in de samenle-
ving te verstevigen, doet de raad vier aanbevelingen om
hen te stimuleren tot postinitieel leren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>