<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>       Advies
       Zicht op een macrodoelmatig
       opleidingsaanbod
Ad i
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Zicht op een macrodoelmatig
opleidingsaanbod
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal
kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal
onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod, uitgebracht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Nr. 20120162/1022, juni 2012
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2012.
ISBN 978-946121-027-2
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
DeltaHage graﬁsche dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>xe if ‘

Aan de Voorzitter van de Hassaulaan 6
Tweede Kamer der Staten-Generaal 25145 Den Haag
GA, Verbeet
Postbus 20018 Telefoon: 070 310 00 00
2500 EA Den Haag Fax: 070 354 14 74
secretaraattonderaijsraad.nl
ww. On derwijzraad.nl
Cra pera SES E
201201621023 Den Haag. 26 juni 2012
ihm Deere ürik
Advies Zeht op een macradeeimang
opledingsaabod

Mevrouw de Voorzitter,

in een bespreking tussen de leden van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de
Onderwijsraad jä van de zijde van de Tweede Kamer aandacht gerraagd voor mogelijkheden om de macro-
doelmatigheid van het opleidingiaanbed in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs te ver
beteren,

Een goede informatevooriening is volgens de raad van groot belang. Voordat ingrijpen van de overhed aan de
orde is, mont immers duidelijk zijn dat het opleidingsaanbod nlet macradselmatig is: bijvoorbeeld In het geval
wan keine opleidingen die op meerdere plekken worden aangebeden, unieke opleidingen die juist dreigen te
verdwijnen of opbeldingen met een zeer beperkt arbeidsmarktperspectief,

Een betere voorlichting richting deelnemer over de kwaliteit en arbeidsmarktrelevantie van de opleiding, kan
heet vudieheuzeproces verbeteren. Daarnaast moeten instellingen hun opleidingsportfolio nauwettender
monitoren, verantwoorden en zo nodig aanpassen. De raad doet een voorstel voor een aanpak waarbij
instelingen allereerst zelf aan zet zijn. In de visie van de raad behoort het evenwel tet de stelsel
verantwoordelijkheid van de overheid om bij te houden of dit daadwerkelijk leidt tot een macradoelmatig
opleidingsaanbed. in het uiterste geval moet de overheid kunnen besluiten om opleidingen te sluiter of juist

apen te houden.
Met beleefde groet,
( =|
a
Prof:dr GTM. ten Dam Ors. A. van det Rost

„Noarzitter Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
     Samenvatting                                                                    7
1    Inleiding                                                                       8
1.1 Opleidingsaanbod is uitkomst van interactie tussen verschillende partijen        8
1.2 Aanleiding: zelfsturing leidt soms tot versnipperd aanbod                        9
1.3 Adviesvraag: hoe kan de macrodoelmatigheid van opleidingen worden verbeterd?   10
2    Macrodoelmatigheid opleidingen in Nederland: in grote lijnen op orde,
     maar kan op punten beter                                                      12
2.1 Macrodoelmatigheid kent drie elementen                                         12
2.2 Studiekeuze: informatie kan beter                                               13
2.3 Inhoud van opleidingen: enkele opleidingen met beperkt arbeidsmarktperspectief 14
2.4 Eﬃciëntie: veel kleine onrendabele opleidingen                                  17
2.5 Rol van de overheid ten aanzien van macrodoelmatigheid                         19
3 Macrodoelmatigheid zichtbaar maken                                               20
3.1 Indicatoren als handvat voor deelnemers, instellingen en overheid              20
3.2 Drie aanbevelingen voor verbetering macrodoelmatigheid                         22
4    Aanbeveling 1: verantwoording aan overheid op basis van knipperlichtnormen    24
4.1 Openbaarmaking van knipperlichtnormen                                          24
4.2 Verantwoording in jaarverslag en richting raad van toezicht                    25
4.3 Invulling stelselverantwoordelijkheid overheid                                 26
5    Aanbeveling 2: verbeter studiekeuzeproces door vergroting inzicht deelnemers  29
5.1 Beperkt zicht op kwaliteit en arbeidsmarktperspectief opleidingen              29
5.2 Belemmeringen in studiekeuzeproces wegnemen                                    30
5.3 Rekening houden met arbeidsmarktperspectief op lange termijn                   32
6    Aanbeveling 3: licentiesysteem voor unieke kleine opleidingen                 33
6.1 Licentiesysteem voor unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen    33
6.2 Ov-kaart voor deelnemers unieke mbo-opleidingen                                34
6.3 Meldingsplicht voor opheﬀen opleidingen                                        34
     Afkortingen                                                                   36
     Literatuur                                                                    37
     Geraadpleegde deskundigen                                                     39
    Bijlagen
    Bijlage 1: Adviesvraag Tweede Kamer                                            41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Om te sturen op een macrodoelmatig opleidingsaanbod in het middelbaar beroepsonderwijs
en het hoger onderwijs is goede informatievoorziening volgens de raad cruciaal. Ingrijpen in
het huidige aanbod is immers alleen nodig bij die opleidingen waarvan duidelijk is dat ze niet
op een macrodoelmatige wijze worden aangeboden. Dit geldt bijvoorbeeld voor kleine, onren-
dabele opleidingen die op meerdere plekken worden gegeven, voor opleidingen die juist drei-
gen te verdwijnen, of voor opleidingen met een zeer beperkt arbeidsmarktperspectief. Voor
instellingen zouden indicatoren moeten worden ingevoerd, die hen stimuleren zelf hun oplei-
dingsportfolio nauwlettend te monitoren, te verantwoorden en zo nodig aan te passen. Het
behoort in de visie van de raad tot de stelselverantwoordelijkheid van de overheid om bij te
houden of dit daadwerkelijk leidt tot een macrodoelmatig opleidingsaanbod. In het uiterste
geval moet de overheid kunnen besluiten om opleidingen te sluiten of juist open te houden.
Om de informatievoorziening richting aankomende studenten te verbeteren, is de raad voor-
stander van een verplichte studiebijsluiter.
Aanbeveling 1: verantwoording aan overheid op basis van knipperlichtnormen
De raad stelt voor dat de overheid ‘knipperlichtnormen’ hanteert als indicatie voor onder meer
de gewenste omvang en de arbeidsmarktrelevantie van opleidingen. Als opleidingen niet vol-
doen aan vooraf vastgestelde normen, gaan de bijbehorende knipperlichten branden. Invoe-
ring en openbaarmaking van dergelijke knipperlichtnormen moet instellingen aanzetten tot
het doelmatig inrichten en afstemmen van hun opleidingsportfolio, in overleg met andere
instellingen. Zo nodig kunnen instellingen in hun jaarverslag aangeven waarom speciﬁeke
opleidingen toch opengehouden worden. Ook de raad van toezicht dient hierbij een rol te
spelen door instellingsbesturen nadrukkelijk te vragen zich te verantwoorden over het open-
houden en sluiten van opleidingen. Tot slot is de overheid aan zet. In het uiterste geval kan de
overheid op basis van de knipperlichtnormen opleidingslocaties sluiten of opleidingen niet
langer bekostigen.
Aanbeveling 2: verbeter studiekeuzeproces door vergroting inzicht deelnemers
Wanneer deelnemers goed zicht hebben op de arbeidsmarktrelevantie en kwaliteit van oplei-
dingen, dan kunnen zij een meer afgewogen opleidingskeuze maken. De raad adviseert daar-
om de voorlichting te verbeteren. Instellingen zouden door middel van een studiebijsluiter aan-
komende studenten verplicht moeten informeren over de kwaliteit en arbeidsmarktrelevantie
van de opleiding. Het kan studenten op andere gedachten brengen en daarmee uiteindelijk
instellingen doen heroverwegen om deze opleidingen aan te bieden. Ook in het voortgezet
onderwijs zou de aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding moeten worden vergroot.
Aanbeveling 3: licentiesysteem voor unieke en maatschappelijk relevante kleine
opleidingen
Unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen zouden door middel van een speci-
ale licentie met extra bekostiging in de lucht moeten worden gehouden. Bij de voorgenomen
opheﬃng van de laatste opleiding in zijn soort zou een signaal af moeten gaan. De raad advi-
seert de overheid een meldpunt in te stellen voor de voorgenomen opheﬃng van opleidingen
en zorg te dragen voor aanbesteding van de licenties van unieke en maatschappelijk relevante
kleine opleidingen.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    Het opleidingsaanbod in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger on-
    derwijs moet zo goed mogelijk aansluiten op de vraag van deelnemers en
    van de (toekomstige) arbeidsmarkt. Tegelijkertijd moet het aanbod op een ef-
    ﬁciënte manier worden georganiseerd. Er is sprake van een macrodoelmatig
    opleidingsaanbod als deze verschillende aspecten met elkaar in balans zijn.
    Op dit moment bestaat de indruk dat dit niet altijd het geval is.
1
1.1
    Inleiding
    Opleidingsaanbod is uitkomst van interactie tussen verschillende partijen
    Het opleidingsaanbod in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs komt tot
    stand door een complexe interactie tussen verschillende aansturingsmechanismen, zoals de
    keuzevrijheid van deelnemers (marktwerking), bekostigingsregels van de overheid, inhoude-
    lijke overwegingen van instellingen en docenten, al dan niet georganiseerd overleg tussen
    instellingen en bedrijfsleven, accreditatie en toelatingsprocedures.
    Er is sprake van een macrodoelmatigheid opleidingsaanbod indien het uiteindelijke resultaat
    van de beslissingen van al deze actoren eﬃciënt is. Er kunnen verschillende redenen zijn waar-
    om dit niet het geval is. Deelnemers kunnen bijvoorbeeld niet goed in staat zijn om de juiste
    studiekeuze te maken, omdat zij geen goed beeld hebben van het toekomstige arbeidsmarkt-
    perspectief dat daarbij hoort. Bij instellingen kan daarnaast de neiging bestaan om meer oplei-
    dingen in de lucht te houden dan vanuit maatschappelijk perspectief optimaal zou zijn. Bedrij-
    ven hebben vooral oog voor hun vraag naar werknemers op de korte termijn en minder voor
    het loopbaanperspectief van afgestudeerden op de lange termijn.
    Vervolgens is de vraag welke instrumenten het meest geschikt zijn om een eventueel pro-
    bleem met macrodoelmatigheid op te lossen en welke rol de overheid daarbij kan spelen. Dit is
    afhankelijk van de oorzaak van het probleem. Wanneer (sommige) deelnemers onvoldoende
    in staat zijn om de langetermijneﬀecten van hun studiekeuze in te schatten, dan vraagt dit om
    betere voorlichting en mogelijk ook inhoudelijke aanpassing van sommige opleidingen. In het
    geval dat instellingen een sterkere incentive hebben om nieuwe opleidingen te starten dan
    oude af te bouwen, kunnen aanvullende incentives mogelijk bijdragen aan een evenwichti-
    ger situatie. Om de aansluiting van opleidingen op de arbeidsmarkt te beoordelen, moet niet
    alleen worden gekeken naar het arbeidsmarktperspectief van afgestudeerden op korte termijn,
    maar ook op lange termijn.
    8                                                                            Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1.2 Aanleiding: zelfsturing leidt soms tot versnipperd aanbod
    Instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs kunnen in hoge mate
    zelf bepalen welke opleidingen zij aanbieden. De bekostiging volgt daarbij de deelnemer,
    zodat de instellingen worden gestimuleerd om opleidingen aan te bieden waar deelnemers
    om vragen. Dit leidt tot een breed en gevarieerd opleidingsaanbod, maar in sommige gevallen
    ook tot versnippering: kleine opleidingen die op meerdere plekken in een regio (middelbaar
    beroepsonderwijs) of landelijk (hoger onderwijs) worden aangeboden.
    Deze versnippering brengt risico’s met zich mee voor de kwaliteit van opleidingen en de aan-
    sluiting op de arbeidsmarkt. De urgentie van het probleem wordt bovendien versterkt doordat
    in een toenemend aantal regio’s sprake is van krimp, waardoor deelnemersaantallen terug-
    lopen en een groeiend aantal opleidingen onrendabel dreigt te worden. Daarbij bestaan uiter-
    aard verschillen tussen onderwijssectoren. Hieronder wordt daarom apart ingegaan op het
    macrodoelmatigheidsbeleid in enerzijds het middelbaar beroepsonderwijs en anderzijds het
    hoger onderwijs.
    Middelbaar beroepsonderwijs
    In het middelbaar beroepsonderwijs is er bij de meeste roc’s (regionale opleidingencentra) een
    breed aanbod, met daarbinnen veel ruimte om (nieuwe) opleidingen aan te bieden. Daarnaast
    bestaan er ook vakscholen met een speciﬁek aanbod van opleidingen, die die mogelijkheid in
    principe niet hebben. Roc’s hebben de opdracht onderwijs aan te bieden dat voldoet aan de
    maatschappelijke vraag. Het feit dat de bekostiging sterk gerelateerd is aan het aantal deel-
    nemers, geeft instellingen een incentive om in te spelen op de behoefte van (potentiële) stu-
    denten. Daarnaast speelt, met name in het beroepsonderwijs, de vraag van de arbeidsmarkt
    een belangrijke rol, bijvoorbeeld via het aanbod van leerwerkplekken en stageplaatsen.
    Voor het middelbaar beroepsonderwijs heeft de commissie-Oudeman (2010) gepleit voor
    de ontwikkeling van een escalatiemechanisme, dat moet leiden tot een macrodoelmatig
    opleidingsaanbod. In de eerste plaats zijn instellingen daarbij zelf aan zet om te komen tot een
    verantwoord pakket van opleidingen. Mocht dit echter niet leiden tot de gewenste regionale
    en landelijke afstemming van het opleidingsaanbod, dan dienen er mogelijkheden te zijn tot
    bemiddeling en geschillenbeslechting.1 Het advies van de commissie-Oudeman sluit aan op de
    aanbeveling van de commissie-Hermans-Van Zijl (2010) gericht op een regionale afstemming
    van het opleidingsaanbod, in overleg met het bedrijfsleven. De commissie-Oudeman volgt
    ook de aanbeveling van de commissie-Hermans-Van Zijl om te komen tot een vereenvoudi-
    ging van de kwaliﬁcatiestructuur, die gebaseerd is op meer globale kwaliﬁcatiedossiers, met
    daarbinnen ruimte voor brede en smalle opleidingen. Een centrale rol is daarbij weggelegd
    voor de SBB (nieuwe stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven).2
    Hoger onderwijs
    In het hoger onderwijs vindt bij de toelating van nieuwe opleidingen naast een inhoudelijke
    toets door de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie) ook een macrodoelmatig-
    heidstoets plaats door de CDHO (Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs). Naast arbeids-
    marktrelevantie en regionale spreiding is daarbij een belangrijk criterium of de nieuwe oplei-
    1    Commissie Onderwijs en Besturing BVE, 2010.
    2    Commissie Kwaliﬁceren en Examineren, 2010.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                   9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    ding niet leidt tot onderbenutting van de bestaande capaciteit.3 Kan de nieuwe opleiding
    voldoende studenten bedienen en vormt het geen bedreiging voor de schaal, kwaliteit en
    levensvatbaarheid van bestaande opleidingen?
    De macrodoelmatigheidstoets in het hoger onderwijs lijkt inderdaad te zorgen voor een
    beperking van het aantal nieuwe opleidingen, maar is niet van toepassing op het bestaan-
    de opleidingsaanbod. Op die manier wordt de groei van het aantal opleidingen hooguit ver-
    traagd en wordt geen rekening gehouden met eventueel teruglopende studentenbelangstel-
    ling. Dit roept de vraag op of voor het bestaande aanbod niet ook maatregelen gewenst zijn.
    Daar staat tegenover dat aan de bestaande macrodoelmatigheidstoets ook al forse administra-
    tieve kosten zijn verbonden voor instellingen die een nieuwe opleiding willen starten. Deze
    kosten zijn niet direct zichtbaar op de onderwijsbegroting, maar dragen wel bij aan de over-
    head van instellingen. Deze kosten nemen verder toe op het moment dat de macrodoelmatig-
    heidstoets wordt uitgebreid naar het bestaande opleidingsaanbod.
    Eerdere pogingen in het hoger onderwijs om het opleidingsaanbod te reduceren, zijn in het
    verleden stukgelopen.4 Instellingen zouden vooral gericht zijn op de continuïteit van de eigen
    organisatie en in reactie op een afnemende interesse voor bestaande opleidingen hun toe-
    vlucht zoeken tot het starten van nieuwe opleidingen.5 Pogingen van instellingen om tot zelf-
    regulering te komen via onderlinge afspraken, bleken zelden succesvol. Het is voor instellingen
    bijzonder lastig om tot onderlinge afspraken te komen en zich vervolgens te committeren aan
    die afspraken.6 Tijdelijke afschaﬃng van een macrodoelmatigheidstoets voor nieuwe oplei-
    dingen rond 2000 ging bijvoorbeeld gepaard met een hausse aan voorstellen voor nieuwe
    opleidingen.
1.3 Adviesvraag: hoe kan de macrodoelmatigheid van opleidingen worden
    verbeterd?
    De aanleiding voor dit advies is een adviesvraag van de Vaste Kamercommissie voor Onderwijs
    van de Tweede Kamer. Centraal in dit advies staat de vraag hoe de macrodoelmatigheid van
    het opleidingsaanbod kan worden verbeterd. Is een toekomstbestendige aanpak denkbaar die
    enerzijds tegemoetkomt aan de vraag van individuele studenten en anderzijds rekening houdt
    met de vraag van de arbeidsmarkt en de ﬁnanciële haalbaarheid?
    De brief van de Tweede Kamer met de formele adviesvraag is te vinden in bijlage 1. Dit advies
    richt zich op het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het weten-
    schappelijk onderwijs. Daarbij wordt gekeken naar de macrodoelmatigheid zowel van nieuwe
    opleidingen als, met name, van het bestaande opleidingsaanbod.
    3   Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 juni 2009, nr. HO&S/BS/2009/118878, houdende beleidsre-
        gels inzake de doelmatigheid van het hoger onderwijs (Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2009). Staatscourant, nr 115, 25
        juni 2009.
    4   Huisman, 2012.
    5   Huisman, 1995.
    6   Box, 1991.
    10                                                                                                       Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   Totstandkoming van dit advies
   Bij de voorbereiding van dit advies is onderzoek uitgezet naar de ervaringen met de macro-
   doelmatigheid van het opleidingsaanbod in een aantal andere landen. Onderzoekers van het KBA
   (Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt) en IVA (bureau voor beleidsonderzoek en advies)
   hebben dit gedaan voor het middelbaar beroepsonderwijs, onderzoekers van het CHEPS (Center for
   Higher Education Policy Studies) voor het hoger onderwijs. De studies zijn te raadplegen via de web-
   site van de Onderwijsraad. Verder heeft literatuuronderzoek plaatsgevonden en zijn gesprekken ge-
   voerd met verschillende betrokkenen bij het macrodoelmatigheidsbeleid (zie het overzicht van de
   geraadpleegde deskundigen aan het einde dit advies). Ook is er een panelbijeenkomst geweest met
   de SER (Sociaal-Economische Raad).
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Onder het begrip macrodoelmatigheid gaan de studiekeuze van deelnemers,
    de inhoud van opleidingen en de eﬃciëntie van het opleidingsaanbod schuil.
    Deelnemers kiezen in de meeste gevallen voor opleidingen waar ze later geen
    spijt van hebben en ook de aansluiting op de arbeidsmarkt is over het alge-
    meen goed. Dat neemt niet weg dat deelnemers soms onvoldoende zicht heb-
    ben op de inhoud en het arbeidsmarktperspectief van opleidingen. Ook be-
    staan er nog relatief veel kleine en onrendabele opleidingen.
2   Macrodoelmatigheid opleidingen in
    Nederland: in grote lijnen op orde,
    maar kan op punten beter
2.1 Macrodoelmatigheid kent drie elementen
    Bij de beoordeling van de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod gaat het om een
    evenwicht tussen drie elementen: 1) de studiekeuze van deelnemers; 2) de inhoud van oplei-
    dingen; en 3) de eﬃciëntie van het opleidingsaanbod (organiseerbaarheid). Om na te kunnen
    gaan of sprake is van een macrodoelmatig opleidingsaanbod moeten deze drie elementen
    eerst afzonderlijk worden beschouwd. Zijn deelnemers in staat om een goede studiekeuze te
    maken? Bevat de inhoud van opleidingen een juiste mix tussen algemene en beroepsgerichte
    vakken, is de opleiding niet te breed of juist te smal? Is het opleidingsaanbod op een eﬃciënte
    manier georganiseerd? Of het uiteindelijke opleidingsaanbod macrodoelmatig is, hangt ver-
    volgens af van het evenwicht tussen deze drie elementen.
    Meer focus op het ene element kan ten koste gaan van het andere element. Zo kan concen-
    tratie van opleidingen van verschillende instellingen schaalvoordelen opleveren die leiden
    tot grotere eﬃciëntie, maar ten koste gaan van de keuzemogelijkheden voor deelnemers. De
    opleiding wordt immers op minder plekken aangeboden, waardoor de gemiddelde afstand tot
    de opleiding voor studenten toeneemt. Per sector kan deze afweging anders uitvallen: in het
    middelbaar beroepsonderwijs is het belang van regionale spreiding bijvoorbeeld groter dan
    in het wetenschappelijk onderwijs.
    Ook tussen eﬃciëntie en inhoud kan spanning bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het aanbie-
    den van smalle of brede opleidingen. Brede opleidingen kunnen meer studenten trekken en
    keuzes voor studenten uitstellen, waardoor een eﬃciëntere inrichting en doorstroom ont-
    staat. Tegelijkertijd kan de breedte van de opleiding afgestudeerden minder geschikt maken
    voor een speciﬁek beroep. Overigens is het voor andere opleidingen mogelijk dat de bredere
    opleidingen juist de arbeidsmarktrelevantie versterken. Een breder opgeleide afgestudeerde
    kan ﬂexibeler worden ingezet en is beter bestand tegen nieuwe ontwikkelingen in beroep
    12                                                                            Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    en arbeidsmarkt. Deze spanning tussen eﬃciëntie en arbeidsmarktrelevantie is bijvoorbeeld
    afhankelijk van de conjunctuurgevoeligheid van de aansluitende beroepen en van de mate
    van onzekerheid op de arbeidsmarkt.7 Bovendien is er sprake van interactie met de afweging
    tussen schaal en regionale spreiding: regionale spreiding is makkelijker te realiseren met bre-
    dere opleidingen.
    Tot slot kan ook de studiekeuze op gespannen voet staan met de inhoud van opleidingen. Een
    voorbeeld daarvan is dat instellingen een incentive kunnen hebben om populaire, maar weinig
    arbeidsmarktrelevante opleidingen aan te bieden.
2.2 Studiekeuze: informatie kan beter
    In Nederland worden deelnemers nauwelijks belemmerd in hun studiekeuze. Het opleidings-
    aanbod van instellingen is divers en vaak regionaal gespreid. Vrijwel alle studenten kunnen
    daardoor de opleiding van hun keuze volgen. Slechts voor enkele opleidingen (in het hoger
    onderwijs) geldt een numerus ﬁxus (maximum aantal studenten) of worden toelatingseisen
    gehanteerd (zoals bij de toneelacademie of de hotelschool). Dit is een verschil met andere lan-
    den, waar veel opleidingen capaciteitsbeperkingen kennen, ook in het middelbaar beroeps-
    onderwijs.8 Dit wil niet zeggen dat er in Nederland geen afstemming is tussen vraag en aanbod
    op de arbeidsmarkt, maar dat men deze afstemming primair via marktwerking laat lopen. Dat
    heeft grote voordelen voor de ﬂexibiliteit en de toegankelijkheid van het aanbod.
    Er zit wel een rem op het aanbod van nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs. Bij de toe-
    lating van nieuwe opleidingen vindt naast een inhoudelijke toets (door de NVAO) ook een
    macrodoelmatigheidstoets plaats door de CDHO. In het middelbaar beroepsonderwijs bestaat
    een dergelijke macrodoelmatigheidstoets niet. Wel zijn mbo-opleidingen gehouden alleen
    opleidingen met voldoende arbeidsmarktperspectief aan te bieden, maar in de praktijk speelt
    deze zogenoemde zorgplicht nauwelijks een rol.9
    In het middelbaar beroepsonderwijs bestaan ook nauwelijks beperkingen voor studenten:
    wanneer een opleiding niet elders wordt aangeboden, is een opleiding verplicht om iemand
    (met de juiste kwaliﬁcaties) toe te laten.10 Verder kan voor een afzonderlijke opleiding een
    numerus ﬁxus worden ingesteld, maar ook dat gebeurt in het middelbaar beroepsonderwijs
    zelden. In het hoger onderwijs komt het vaker voor dat er grenzen zijn aan het aantal stu-
    denten, bijvoorbeeld bij fysiotherapie, journalistiek, mondzorgkunde en psychologie in het
    hoger beroepsonderwijs en criminologie, geneeskunde, psychologie en tandheelkunde in het
    wetenschappelijk onderwijs.11
    In een aantal gevallen maken studenten een keuze waar ze achteraf spijt van krijgen. Tabel 1
    laat zien welk percentage van de afgestudeerden in het middelbaar beroepsonderwijs en het
    hoger onderwijs achteraf spijt heeft van de opleidingskeuze. Gemiddeld blijkt ongeveer een
    op de zes afgestudeerden spijt te hebben, maar het is nog interessanter om te zien bij welke
    opleidingen dat percentage duidelijk lager of hoger ligt. Tabel 1 laat alleen de verschillen op
    7    Borghans & De Grip, 1999.
    8    Eimers, Boer, Busse, Vermeulen, Vink, e.a., 2012; Jongbloed, Berthold, Bischof, De Boer, Vossensteyn, e.a., 2012.
    9    Inspectie van het Onderwijs, 2010.
    10   Webpagina: Wat zijn de toelatingseisen voor het middelbaar beroepsonderwijs?
    11   Webpagina: Lotingsstudies 2012-2013 in hbo en wo.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    sectorniveau zien waardoor deze verschillen beperkt blijven, maar daaruit blijkt wel dat bij-
    voorbeeld afgestudeerden van opleidingen in de zorg het minste spijt hebben van hun studie-
    keuze. Het feit dat vo-scholieren bij hun studiekeuze vaak nauwelijks een idee hebben van hun
    kansen op de arbeidsmarkt, geeft aan dat de informatievoorziening voor verbetering vatbaar
    is.12
    Tabel 1:           Afgestudeerden die spijt hebben van opleidingskeuze
                                                                               Spijt van opleiding
       Mbo groen                                                                              18,6%
       Mbo techniek                                                                            17,9%
       Mbo sociaal-cultureel                                                                  18,0%
       Mbo gezondheidszorg                                                                     13,1%
       Mbo economie                                                                           22,8%
       Hbo onderwijs                                                                          12,2%
       Hbo sociaal-cultureel                                                                  23,0%
       Hbo groen                                                                              24,4%
       Hbo techniek                                                                           13,2%
       Hbo paramedisch                                                                         11,6%
       Hbo economie                                                                           26,3%
       Wo letteren en sociaal-cultureel                                                        15,5%
       Wo groen                                                                               23,0%
       Wo techniek                                                                             11,2%
       Wo medisch                                                                               6,5%
       Wo economie en recht                                                                    12,9%
    Bron: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2011.
2.3 Inhoud van opleidingen: enkele opleidingen met beperkt
    arbeidsmarktperspectief
    Het is van belang dat de inhoud van opleidingen goed aansluit op de arbeidsmarkt; niet alleen
    op de korte, maar ook op de lange termijn. Opleidingen moeten daarom een goede balans
    vinden tussen algemene en beroepsgerichte vakken en dus niet te breed of te smal zijn. Het is
    bijvoorbeeld wenselijk dat afgestudeerden direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt, maar ook
    dat zij ﬂexibel genoeg zijn om van baan te kunnen wisselen. Op hoofdlijnen is de aansluiting
    op de arbeidsmarkt in orde. Wel bestaan er speciﬁeke knelpunten: niet elke opleiding biedt
    voldoende kansen op een baan. Aan de andere kant worden in sommige sectoren juist knel-
    punten op de arbeidsmarkt verwacht.
    12    Mazza, 2012.
    14                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Beperkte overheidssturing
In het huidige overheidsbeleid speelt de arbeidsmarktrelevantie alleen een rol in de macro-
doelmatigheidstoets en bij het vaststellen van een numerus ﬁxus. Een numerus ﬁxus voor een
opleiding kan worden ingesteld op grond van de behoefte van de arbeidsmarkt of op grond
van een beperkte capaciteit van een opleiding. In de meeste gevallen speelt vooral de beperk-
te capaciteit een rol, al dan niet in combinatie met indirecte afscherming van een beroep tegen
veel nieuwe instroom (zoals bij geneeskunde en tandheelkunde). Vanuit de instellingen zijn er
uiteraard wel contacten met het bedrijfsleven om de behoefte aan arbeidskrachten te bespre-
ken en in het kader van stageplaatsen. Daarnaast werken onderwijs en bedrijfsleven samen in
de SBB.
Het is ook de vraag in hoeverre een sterke overheidssturing op instroom in opleidingen met
een grote arbeidsmarktrelevantie zinvol is, zeker in het hoger onderwijs. Lang niet alle afgestu-
deerden zoeken immers een baan die in het verlengde ligt van de opleiding. Van de technisch
opgeleiden in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs is bijvoorbeeld
bijna de helft werkzaam in een niet-technisch beroep.13
Huidige arbeidsmarktrelevantie
Het vertrouwen in marktwerking in plaats van regulering van opleidingsplaatsen leidt in
Nederland nauwelijks tot slechte arbeidsmarktkansen van afgestudeerden, uitzonderingen
daargelaten. Nederland heeft in vergelijking met andere landen in de Europese Unie een zeer
lage jeugdwerkloosheid. De gemiddelde werkloosheid voor jongeren onder de 25 jaar was
begin 2012 in de Europese Unie 21,3, zo blijkt uit cijfers van het Europese statistiekbureau
Eurostat. Nederland doet het een stuk beter met een jeugdwerkloosheid van 8,6. Alleen
in Oostenrijk lag de werkloosheid nog iets lager. Ook de werkloosheid van de hele beroeps-
bevolking is in Nederland bijna het laagst van de hele eurozone. Hoewel de werkloosheid van
meer factoren afhankelijk is dan de opleiding alleen, is de lage (jeugd)werkloosheid een indica-
tie dat de arbeidsmarktrelevantie van de Nederlandse opleidingen in ieder geval niet slecht is.
Tabel 2 toont het gemiddelde werkloosheidspercentage van degenen die anderhalf jaar eerder
zijn afgestudeerd. Alleen bij de afgestudeerden in mbo-economie is dit meer dan 10 (11).
In andere mbo-sectoren en alle hbo-sectoren is dat gemiddelde percentage nooit hoger dan
9, in de meeste sectoren een stuk lager. In het wetenschappelijk onderwijs komen de weer-
gegeven gemiddelde werkloosheidspercentages niet boven de 7 uit.
13   De Graaf, Hof & Van Klaveren, 2009.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Tabel 2:            Perspectieven na 1,5 jaar na afstuderen
   Sector en opleidingsniveau                                        Werkloosheid      Baan onder niveau
                                                            1,5 jaar na afstuderen  1,5 jaar na afstuderen
   Mbo groen                                                                   7,7%                    25,9%
   Mbo techniek                                                                9,0%                     17,0%
   Mbo sociaal-cultureel                                                       5,5%                     13,9%
   Mbo gezondheidszorg                                                         2,7%                      8,2%
   Mbo economie                                                               11,0%                     27,2%
   Hbo onderwijs                                                               4,7%                      8,0%
   Hbo sociaal-cultureel                                                       8,1%                     30,1%
   Hbo groen                                                                   8,8%                    23,5%
   Hbo techniek                                                                4,7%                    15,0%
   Hbo paramedisch                                                             2,5%                    18,7%
   Hbo economie                                                                6,3%                    22,8%
   Wo letteren en sociaal-cultureel                                            6,7%                     43,1%
   Wo groen                                                                    6,9%                    36,6%
   Wo techniek                                                                 4,4%                    32,7%
   Wo medisch                                                                  1,7%                      2,9%
   Wo economie en recht                                                        6,5%                    34,0%
Bron: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2011.
Een tweetal kanttekeningen bij deze cijfers is op zijn plaats. Ten eerste gaat het om gemiddel-
den per sector. Het is dus mogelijk dat sommige studies binnen een sector met (veel) hogere
werkloosheidspercentages kampen. Ten tweede is de kans op een baan een onvolledige indi-
cator voor het arbeidsmarktperspectief van afgestudeerden. Ook het niveau van de baan is van
belang. Afgestudeerden kunnen immers terecht komen in lager gekwaliﬁceerde banen dan
waarvoor ze zijn opgeleid. Na anderhalf jaar is dat voor circa 20 van de afgestudeerden het
geval, met een grote variatie over de opleidingsniveaus en sectoren (zie tabel 2). Hierbij moet
worden opgemerkt dat hoger opgeleiden met hun beroepskeuze ook het niveau van een
beroep kunnen verhogen, bijvoorbeeld in het geval dat academici kiezen voor een docent-
functie waarvoor een hbo-niveau is vereist.
Toekomstige arbeidsmarktrelevantie
De gegevens in tabel 2 over de arbeidsmarktrelevantie van de opleidingen zijn gebaseerd op
een steekproef onder afgestudeerden. De cijfers geven dus eigenlijk de situatie in het (recente)
verleden weer. Voor studenten die met een opleiding beginnen, is vooral de arbeidsmarkt-
relevantie in de nabije toekomst van belang. Tabel 3 gaat daarop in.
16                                                                                       Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    Tabel 3:           Arbeidsmarktperspectief in nabije toekomst varieert tussen sectoren
                                                                          Arbeidsmarktperspectief
                                                                                        2011-2016
       Mbo groen                                                                              goed
       Mbo techniek                                                                           goed
       Mbo sociaal-cultureel                                                               redelijk
       Mbo gezondheidszorg                                                                    goed
       Mbo economie                                                                          matig
       Hbo onderwijs                                                                          goed
       Hbo sociaal-cultureel                                                                 matig
       Hbo groen                                                                           redelijk
       Hbo techniek                                                                           goed
       Hbo paramedisch                                                                        goed
       Hbo economie                                                                          matig
       Wo letteren en sociaal-cultureel                                                       goed
       Wo groen                                                                              matig
       Wo techniek                                                                            goed
       Wo medisch                                                                        zeer goed
       Wo economie en recht                                                                  matig
    Bron:Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2011.
    Geen van de sectoren kent een slecht arbeidsmarktperspectief voor de komende jaren. Wel
    zijn er enkele met een matig vooruitzicht, met name de opleidingen economie. Bij andere
    opleidingen blijft het aantal studenten juist achter bij de vraag van de arbeidsmarkt. Dit risico
    van arbeidsmarkttekorten doet zich vooral voor op het terrein van zorg, techniek en onder-
    wijs.14 Het gunstige arbeidsmarktperspectief van medische en technische wo-opleidingen lijkt
    bovendien vrij constant, ook tussen 1994 en 2000 waren dit de studies met de hoogste arbeids-
    marktrelevantie. De arbeidsmarktperspectieven van sommige andere studies zoals leraren-
    opleidingen zijn gevoeliger voor conjuncturele en demograﬁsche ontwikkelingen.
2.4 Efficiëntie: veel kleine onrendabele opleidingen
    Zowel in het middelbaar beroepsonderwijs als in het hoger onderwijs bestaan nog veel kleine
    opleidingen naast elkaar. In het middelbaar beroepsonderwijs gaat het dan om het aanbod
    binnen een bepaalde regio, in het hoger onderwijs gaat het vooral om het aanbod op lan-
    delijk niveau. Daardoor wordt het geld landelijk gezien niet eﬃciënt besteed. Er zijn immers
    vaste kosten per opleiding, die overigens wel per opleiding kunnen verschillen: veel techni-
    sche opleidingen vereisen bijvoorbeeld investeringen in speciale lokalen en apparatuur. Hoe-
    wel er speciﬁeke redenen kunnen zijn waardoor dit anders kan liggen, lijkt het dus doelmatiger
    14   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2011.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                    17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>als instellingen in dezelfde regio opleidingen onderling verdelen. Dat kan ook kwaliteits-
verhogend werken.
Minimum aantal deelnemers
In het middelbaar beroepsonderwijs heeft de MBO Raad de doelmatigheid van het opleidings-
aanbod in 2011 in kaart laten brengen, waarbij als uitgangspunt is genomen dat een opleiding
minimaal achttien deelnemers zou moeten hebben.15 Hantering van deze norm zou op natio-
naal niveau leiden tot het beëindigen van negentien kleine opleidingen die landelijk gezien
minder dan achttien deelnemers hebben (6). Op regionaal en lokaal niveau zou hantering
van deze norm echter leiden tot de sluiting van 1.361 van de 4.778 opleidingslocaties (28).
Daarbij dient te worden opgemerkt dat op deze 1.361 opleidingslocaties nog geen 10.000 deel-
nemers onderwijs volgen (2).16 Dit betekent dat de gevolgen van sluiting van deze opleidin-
gen voor de toegankelijkheid beperkt zijn. Met name in de Randstad geldt bovendien vaak dat
dezelfde opleiding ook door een naburige instelling wordt aangeboden.
Ook in het hoger onderwijs wordt geregeld de vraag gesteld of het opleidingsaanbod niet te
groot is. Het totale opleidingsaanbod in het hoger beroepsonderwijs omvat ruim 900 bachelor-
opleidingen en 250 masteropleidingen.17 In het wetenschappelijk onderwijs gaat het om
420 bachelor- en 850 masteropleidingen.18 In het wetenschappelijk onderwijs is het aantal
bacheloropleidingen de afgelopen tien jaar bovendien vrijwel constant gebleven.
Gemiddeld worden er elk jaar in het hoger onderwijs meer dan vijftig aanvragen voor nieuwe
opleidingen of nieuwe vestigingsplaatsen of nevenvestigingen goedgekeurd.19 Het beëindi-
gen van opleidingen is vooral een zaak van de instellingen zelf en leek tot voor kort niet zo
snel te gebeuren, terwijl er toch de nodige kleine opleidingen zijn: ruim 10 van de bachelor-
opleidingen in het hoger onderwijs heeft minder dan vijftig deelnemers.20 In een aantal geval-
len gaat het om unieke opleidingen, maar veelal gaat het om opleidingen die op meerdere
locaties worden aangeboden.
Tegelijkertijd is het lastig om een harde minimumnorm voor het aantal deelnemers vast te stel-
len, omdat opleidingen veelal met elkaar overlappen: wanneer een groot deel van een oplei-
ding gezamenlijk met een grotere opleiding kan worden georganiseerd, kan een kleine oplei-
ding toch rendabel zijn. Daarbij komt dat een deel van de kleine opleidingen ook bijzonder
arbeidsmarktrelevant kan zijn.
Toekomstige krimp vergroot urgentie
De toekomstige daling van het aantal deelnemers door demograﬁsche ontwikkelingen maakt
een doelmatigheidsslag in het opleidingsaanbod extra urgent. Deze daling speelt nu al in het
primair en voortgezet onderwijs, bijvoorbeeld als het gaat om krimpregio’s, maar is straks ook
relevant voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Een dilemma daarbij
is dat het opleidingsaanbod zich enerzijds moet aanpassen aan de krimp, maar anderzijds wel
voldoende breed en kwalitatief hoogstaand moet zijn. Aangezien met name in het middelbaar
15  Dit is gebaseerd op de veronderstelling dat een opleiding met achttien deelnemers (in bol en bbl op de niveaus 2,3 en 4 samen) kan
    draaien.
16  Vink, Oosterling, Vermeulen, Eimers & Kennis, 2010.
17  Webpagina: 1 cijfer HO 2011 (voor bacheloropleidingen) en Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011a (voor master-
    opleidingen)
18  VSNU, 2012.
19  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011a.
20  Webpagina: 1 cijfer HO 2011.
18                                                                                                        Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>    en hoger beroepsonderwijs veel afgestudeerden werkzaam blijven in de regio waar ze stu-
    deerden, is dit ook een belangrijke factor voor de economische ontwikkeling van krimpregio’s.
    In het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs betekent deze krimp een omslag
    in het denken, omdat daar de laatste decennia steeds sprake is geweest van een sterke groei
    van het aantal studenten. Het opleidingsportfolio van roc’s is bijvoorbeeld in veel gevallen
    een optelsom van het aanbod van de mbo-instellingen die erin zijn opgegaan, aangevuld
    met opleidingen die daar in een periode van deelnemersgroei aan zijn toegevoegd. Nu het
    aantal deelnemers in de komende jaren niet langer groeit, worden roc’s gedwongen om hun
    opleidingsaanbod aan te passen en keuzes te maken.21
2.5 Rol van de overheid ten aanzien van macrodoelmatigheid
    In eerste instantie zijn instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs
    zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun opleidingen en de doelmatige besteding van
    de middelen die zij ontvangen voor het aanbieden van die opleidingen. Op instellingsniveau
    biedt dit ook de beste garantie voor een kwalitatief hoogstaand en doelmatig opleidings-
    aanbod. Daarbij ziet de overheid toe op de kwaliteit van de opleidingen via de Inspectie van
    het Onderwijs en de NVAO. Het Nederlandse systeem geeft instellingen ook de ruimte om ﬂexi-
    bel in te spelen op veranderingen in de vraag van deelnemers en de arbeidsmarkt. In landen
    die werken met een planningssystematiek blijkt het veel lastiger om het aantal opleidings-
    plaatsen tijdig aan te passen wanneer bijvoorbeeld de conjunctuur verandert.22
    Het is echter niet gegarandeerd dat het gedrag van individuele instellingen ook op macro-
    niveau leidt tot een optimaal opleidingsaanbod.23 De overheid heeft daarom vanuit haar
    stelselverantwoordelijkheid een rol om toe te zien op een doelmatige besteding van
    overheidsmiddelen.
    Ook als het gaat om de toegankelijkheid op stelselniveau heeft de overheid een waarborg-
    functie. In de visie van de raad betekent dit dat de overheid moet kunnen ingrijpen in het (uit-
    zonderlijke) geval dat een instelling een unieke en maatschappelijk relevante opleiding niet
    langer wil aanbieden. In hoofdstuk 3 werkt de raad de rol van de overheid in het kader van de
    macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod nader uit.
    21   Programmamanagement MBO15, 2012.
    22   Eimers, Den Boer, Busse, Vermeulen, Vink, e.a., 2012.
    23   Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2012.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    Om te sturen op de macrodoelmatigheid van opleidingen is goede informatie-
    voorziening cruciaal. Een studiebijsluiter met informatie over de kwaliteit en de
    arbeidsmarktrelevantie van opleidingen helpt deelnemers bij het maken van
    een studiekeuze. Voor instellingen zouden knipperlichtnormen moeten wor-
    den ingevoerd, die hen stimuleren om hun opleidingsportfolio nauwlettend
    te monitoren en zo nodig aan te passen. In het uiterste geval moet de overheid
    kunnen ingrijpen.
3
3.1
    Macrodoelmatigheid zichtbaar maken
    Indicatoren als handvat voor deelnemers, instellingen en overheid
    In grote lijnen is de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod in Nederland op orde.
    Deelnemers hebben de keuze uit een breed en regionaal gespreid aanbod van opleidingen en
    afgestudeerden zijn in de meeste gevallen ook achteraf tevreden over de gekozen opleiding.
    Ook de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is over het algemeen goed. De meeste
    afgestudeerden vinden immers snel een baan. Wel kan de aansluiting in een aantal speciﬁeke
    gevallen beter. Tot slot is de eﬃciëntie van de organisatie van het opleidingsaanbod voor ver-
    betering vatbaar, maar ook daarbij gaat het om een aantal speciﬁeke opleidingen.
    Oplossingen op maat
    De genoemde speciﬁeke problemen rond macrodoelmatigheid vragen om oplossingen op
    maat. De raad ziet geen aanleiding voor een complete herziening van het beleid. Hij acht het
    verstandig om instellingen in principe de ruimte te laten om een opleidingsaanbod tot stand
    te brengen, passend bij het eigen proﬁel en de (lokale) vraag van deelnemers en bedrijven.
    Daarbij heeft de overheid in eerste instantie de taak om mogelijke problemen met macro-
    doelmatigheid te signaleren en deelnemers en instellingen daarop te wijzen. Vanuit haar
    stelselverantwoordelijkheid kan de overheid indien nodig interveniëren.
    Het verstrekken van informatie aan de hand van indicatoren over de eﬃciëntie van opleidingen,
    over de aansluiting op de arbeidsmarkt en over de tevredenheid van studenten kan naar het
    oordeel van de raad een belangrijk instrument zijn om de macrodoelmatigheid te verhogen.
    Betere informatie kan aankomende studenten helpen om een betere studiekeuze te maken en
    instellingen ertoe bewegen om het opleidingsaanbod daar waar nodig aan te passen.
    Instellingen aan zet
    Om instellingen er nadrukkelijker toe aan te zetten om zelf het opleidingsaanbod tegen het
    licht te houden, pleit de raad voor het koppelen van knipperlichtnormen aan deze indicato-
    ren. Dit houdt in dat gesignaleerd wordt wanneer bijvoorbeeld het aantal deelnemers van
    20                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>een opleiding onder een kritische grens komt, wanneer een opleiding (te) slecht aansluit op
de arbeidsmarkt of wanneer (te) veel deelnemers ontevreden zijn over hun studiekeuze. Voor
deze opleidingen gaan ‘lichten knipperen’, ook zichtbaar voor de instellingen zelf.
De raad pleit bewust voor knipperlichtnormen die een indicatie geven van een mogelijk
ondoelmatige situatie, en niet voor normen die automatische consequenties hebben. Afhan-
kelijk van het type opleiding kan het benodigde minimum aantal deelnemers bijvoorbeeld
sterk verschillen. Het is duidelijk dat het niet doelmatig is om een opleiding met slechts enkele
deelnemers in de lucht te houden, maar wanneer die opleiding een sterke overlap vertoont
met een andere opleiding, kan die mogelijk toch rendabel worden aangeboden (onderstaand
kader geeft hier een voorbeeld van). Ook kunnen instellingen in overleg met werkgevers een
bepaalde opleiding in stand houden omdat die voorziet in een vraag naar afgestudeerden.
   In  heeft Colo in samenwerking met de verschillende kenniscentra de doelmatigheid van het
   opleidingenaanbod in het middelbaar beroepsonderwijs in kaart gebracht. Voor elke opleiding is
   zichtbaar gemaakt waar de opleidingen worden aangeboden, waar de deelnemers vandaan komen
   en welke opleidingen minder dan achttien deelnemers hebben.
   Aan de hand van het laboratoriumonderwijs kan worden geïllustreerd hoe complex dit vraagstuk
   is. De opleiding tot laborant wordt bijvoorbeeld op zes plaatsen aangeboden, maar heeft slechts
   op éen locatie meer dan achttien deelnemers. Daarnaast bestaat de opleiding allround laborant,
   die op twaalf van de vijftien plaatsen meer dan achttien deelnemers heeft. Op veel van dezelfde
   instellingen worden ook verschillende opleidingen tot analist aangeboden, die afzonderlijk vaak
   ook weinig deelnemers hebben, maar mogelijk gezamenlijk soms wel voldoende deelnemers kun-
   nen hebben voor een rendabel onderwijsaanbod. Hetzelfde geldt voor de opleiding tot technisch
   opleidingsassistent.
   Bron: www.aanbodmbo.nl
In eerste instantie is het dus aan de instellingen zelf om na te gaan of knipperende lichten vra-
gen om maatregelen. Het jaarverslag van iedere instelling zou een paragraaf moeten bevatten
waarin wordt aangegeven welke knipperlichten in het afgelopen jaar zijn gaan branden en hoe
daar als instelling op is gereageerd. Een knipperlicht moet (langdurig) kunnen worden uitgezet
indien een instelling kan beargumenteren waarom er legitieme redenen zijn om een opleiding
in stand te houden.
Overheid heeft het laatste woord
De overheid moet toezien of dit leidt tot een betere afstemming en verantwoording van het
opleidingsaanbod. Mochten instellingen er niet in slagen om onderling tot een macrodoel-
matiger opleidingsaanbod te komen, dan kan de overheid voorzien in een procedure om
eventuele geschillen te beslechten. In het geval dat instellingen zonder legitieme reden geen
actie ondernemen bij opleidingen met knipperende lichten, kan de overheid besluiten om de
bekostiging van opleidingen stop te zetten. Daarnaast heeft de overheid een taak wanneer
unieke en maatschappelijk relevante opleidingen dreigen te verdwijnen.
Dat een knipperlichtnorm kan leiden tot bewustwording, blijkt in Vlaanderen. Daar heeft de
commissie-Soete (2008-2010) bepaald dat bacheloropleidingen in 2012-2013 minimaal 80 stu-
denten moeten tellen en vanaf 2015-2016 minimaal 115. Het betreft geen harde kwantitatieve
norm. Deze zogenoemde knipperlichtnorm vervult meer een signaalfunctie. Hoewel deze
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    minimumnormen niet in de wet zijn opgenomen, gaat er wel een werking van uit. Een aan-
    tal instellingen gebruikt dergelijke normen om het eigen aanbod tegen het licht te houden.24
3.2 Drie aanbevelingen voor verbetering macrodoelmatigheid
    Aanbeveling 1: verantwoording aan overheid op basis van knipperlichtnormen
    De raad stelt voor dat lichten gaan knipperen op het moment dat vooraf vastgestelde normen
    met betrekking tot studiekeuze, inhoud en eﬃciëntie worden overschreden. Deze knipper-
    lichten geven een indicatie van mogelijke macrodoelmatigheidsproblemen. Invoering en open-
    baarmaking van dergelijke knipperlichtnormen moet instellingen aanzetten tot het doelmatig
    inrichten en afstemmen van hun opleidingsportfolio, in overleg met andere instellingen. Daar-
    naast kunnen instellingen in hun jaarverslag aangeven waarom speciﬁeke kleine opleidingen
    desondanks opengehouden worden. Ook de raad van toezicht dient hierbij een rol te spelen
    door instellingsbesturen nadrukkelijk te vragen zich te verantwoorden over het openhouden
    en sluiten van opleidingen. Tot slot behoort het volgens de raad tot de stelselverantwoordelijk-
    heid van de overheid om toe te zien op de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod.
    In dat verband moet de overheid voorzien in een procedure voor beslechting van eventuele
    geschillen tussen instellingen die er onderling niet uitkomen. In het uiterste geval kan de over-
    heid opleidingslocaties sluiten of opleidingen niet langer bekostigen wanneer knipperlichten
    zonder geldige reden blijven branden.
    Aanbeveling 2: verbeter studiekeuzeproces door vergroting inzicht deelnemers
    Om deelnemers in staat te stellen om een afgewogen opleidingskeuze te maken, is het van
    belang dat zij zicht hebben op inhoud, arbeidsmarktrelevantie en kwaliteit van opleidingen.
    Op dit moment is dergelijke objectieve informatie nog onvoldoende beschikbaar en toeganke-
    lijk. Dit betekent dat de voorlichting aan aankomende deelnemers moet worden verbeterd.
    Instellingen zouden door middel van een studiebijsluiter aankomende studenten moeten
    informeren over de kwaliteit en het arbeidsmarktperspectief van opleidingen. Het kan studen-
    ten op andere gedachten brengen wat betreft hun studiekeuze en daarmee instellingen doen
    heroverwegen om deze opleidingen aan te bieden. De Onderwijsinspectie zou moeten con-
    troleren of de instellingen deze afspraken ook daadwerkelijk naleven (in het kader van het toe-
    zicht op de zorgplicht van instellingen). De beschikbaarheid van objectieve informatie biedt
    ook scholen in het voortgezet onderwijs de mogelijkheid om hun voorlichting in het kader van
    loopbaanoriëntatie en -begeleiding te verbeteren.
    Aanbeveling 3: licentiesysteem voor unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen
    Om te voorkomen dat unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen nergens meer
    in Nederland worden aangeboden, zou de overheid een licentiesysteem moeten invoeren. Via
    een aanbestedingsprocedure zouden speciale licenties met extra bekostiging moeten worden
    verstrekt om hele speciﬁeke opleidingen in de lucht te houden. Daarnaast zou de mobiliteit
    van bijvoorbeeld minderjarige mbo-deelnemers kunnen worden vergroot door hen voor unie-
    ke opleidingen die niet vlakbij worden aangeboden, een ov-kaart te verstrekken. Tot slot zou
    bij de voorgenomen opheﬃng van de laatste opleiding in zijn soort een signaal af moeten
    gaan. De raad ziet daarbij een rol voor de overheid weggelegd. Hij adviseert de overheid een
    meldpunt in te stellen voor de voorgenomen opheﬃng van opleidingen en zorg te dragen
    voor aanbesteding van de licenties van unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidin-
    24   Jongbloed, Berthold, Bischof, De Boer, Vossensteyn, e.a., 2012.
    22                                                                            Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>gen. In het beroepsonderwijs gaat het daarbij primair om arbeidsmarktrelevantie. In het weten-
schappelijk onderwijs gaat het ook om het in stand houden van een onderzoeksinfrastructuur.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    De raad stelt voor dat de overheid met behulp van knipperlichtnormen mo-
    gelijke problemen met macrodoelmatigheid signaleert. Dit moet instellin-
    gen aanzetten tot een betere inrichting of (onderlinge) afstemming van hun
    opleidingsaanbod. Instellingen zouden zich hierover moeten verantwoorden
    in hun jaarverslag en richting de raad van toezicht. De overheid is aan zet als
    instellingen er zelf niet uitkomen.
4   Aanbeveling 1: verantwoording aan overheid
    op basis van knipperlichtnormen
4.1 Openbaarmaking van knipperlichtnormen
    De overheid zou ervoor moeten zorgen dat zichtbaar is bij welke opleidingen mogelijke proble-
    men met macrodoelmatigheid worden gesignaleerd door publicatie van knipperlichtnormen,
    bijvoorbeeld op een website. Daarnaast zou jaarlijks moeten worden gemonitord hoe het aan-
    tal brandende knipperlichten zich ontwikkelt en welke verklaringen hiervoor gegeven worden.
    De raad denkt aan de volgende mogelijke knipperlichtnormen:
    r aantal deelnemers van een opleiding in relatie tot het aantal soortgelijke opleidingen die
         landelijk (hoger onderwijs) of in een regio (middelbaar beroepsonderwijs) worden aange-
         boden: hoe meer opleidingen, hoe hoger het minimum aantal deelnemers (eﬃciëntie);
    r werkloosheidspercentage bij afgestudeerden van een opleiding (inhoud);
    r percentage afgestudeerden dat geen baan op niveau heeft (inhoud);
    r percentage deelnemers dat in eerste jaar van opleiding verandert (studiekeuze); en
    r percentage afgestudeerden dat achteraf spijt heeft van de gevolgde opleiding (studiekeuze).
    De knipperlichten zouden vervolgens zo moeten worden afgesteld dat ze gaan branden als er
    aanleiding is tot zorg vanuit het oogpunt van macrodoelmatigheid. Dit betekent dat het aantal
    deelnemers dermate laag moet zijn, dat mag worden verondersteld dat het niet goed mogelijk
    is om een rendabele opleiding in te richten. Bij het percentage afgestudeerden zonder baan
    (op niveau) of met spijt over de gevolgde opleiding moeten knipperlichten gaan branden wan-
    neer die indicatoren sterk afwijken van het landelijk gemiddelde.
    De raad acht het van belang dat het veld zich in de knipperlichtnormen herkent. Het verdient
    daarom aanbeveling dat de instellingen een rol spelen bij de totstandkoming ervan. Uiteinde-
    lijk moet dit resulteren in knipperlichtnormen die breed worden erkend; door instellingen en
    overheid. Momenteel circuleren in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs
    al enkele normen die als een mogelijk knipperlicht zouden kunnen gaan fungeren voor eﬃci-
    entie. Voor het middelbaar beroepsonderwijs rekent de SBB bijvoorbeeld met achttien deel-
    nemers als minimumnorm (voor de beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerwegen
    24                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>    op de niveaus 2, 3 en 4 samen). In het hoger onderwijs spreekt de reviewcommissie van (te)
    kleine ho-opleidingen wanneer zij minder dan 50 bachelorstudenten hebben.25
    Deze maten zijn grove indicaties. Dergelijke grenzen kunnen immers verschillen per oplei-
    ding, of – om het transparant te houden – per sector. Een technische opleiding kent doorgaans
    hogere vaste lasten dan een opleiding economie, waardoor meer studenten nodig zijn om de
    kosten eruit te halen.26 Tegelijkertijd blijken deelnemers van technische opleidingen minder
    gevoelig voor afstand dan deelnemers van opleidingen in economie en zorg. Wanneer een
    opleiding tien kilometer verderop ligt, verkleint dat de kans dat een leerling ervoor kiest (met
    3 voor technische opleidingen en met 9 voor economische en zorgopleidingen).27 Ook dat
    suggereert dat het aanbod van technische opleidingen minder ﬁjnmazig hoeft te zijn en dus
    wellicht met hogere minimum aantallen studenten toe kan dan het aanbod van opleidingen
    in economie en zorg.
    Verder is het vanuit macroperspectief van belang om te kijken naar het aantal vergelijkbare
    opleidingen dat in een regio of landelijk bestaat. Van opleidingen die op meerdere locaties
    worden aangeboden mag een hoger minimum aantal deelnemers verlangd worden dan van
    een unieke opleiding. Een unieke ho-opleiding met 50 studenten is in bepaalde gevallen voor-
    stelbaar, maar het is in beginsel niet doelmatig om 100 studenten over twee opleidingslocaties
    te verspreiden.
    Belang van goede gegevens
    De kwaliteit van de indicatoren is een belangrijk aandachtspunt. Het aantal deelnemers is rela-
    tief eenvoudig vast te stellen, maar de activiteiten en ervaringen van afgestudeerden van een
    speciﬁeke opleiding zijn lastiger te meten. Dit vraagt om goede gegevens over de arbeids-
    markt in relatie tot de gevolgde opleiding. In een aantal gevallen beschikt het CBS (Centraal
    Bureau voor de Statistiek) over behoorlijk gedetailleerde data, maar komen de gegevens met
    vertraging beschikbaar. Alternatieve data van bijvoorbeeld het UWV (Uitvoeringsinstituut
    Werknemersverzekeringen) zijn sneller beschikbaar, maar kennen weer andere beperkingen.
    Bovendien kunnen veranderingen in deﬁnities van opleidingen leiden tot grote ﬂuctuaties met
    name bij kleine opleidingen.
4.2 Verantwoording in jaarverslag en richting raad van toezicht
    Instellingen zouden zich in hun jaarverslag moeten verantwoorden over de knipperlichten
    die branden bij hun opleidingen. Zij moeten kunnen aangeven tot welke maatregelen deze
    knipperlichten aanleiding geven of waarom zij daartoe geen reden zien.
    Daarbij kan het zowel gaan om de didactische inrichting van opleidingen (breed/smal) als om
    de logistieke inrichting van opleidingen (door hoeveel instellingen wordt een opleiding aange-
    boden). De afweging breed/smal is lastig en kan van opleiding tot opleiding verschillen. In veel
    gevallen leidt verbreding tot minder uitval, maar soms kan het de uitval juist vergroten. Voor
    deelnemers die nog niet precies weten wat ze willen, kan een breder begin van een opleiding
    25   Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek, 2012.
    26   De bekostiging houdt tot op zekere hoogte rekening met verschillen in opleidingskosten doordat de bekostiging per deelnemer ho-
         ger is voor bijvoorbeeld technische opleidingen. Instellingen worden echter geacht zelf voldoende schaalvoordelen te behalen om
         met de bekostiging uit te komen: speciﬁeke kleine opleiidngen kunnen daardoor onrendabel zijn.
    27   Bertrand-Cloodt, Cörvers, Heijke & Van Thor, 2011.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    helpen bij de oriëntatie op een beroep, maar voor degenen die het al wel weten kan het juist
    afschrikken (een opleiding van bakkers en slagers die bijvoorbeeld deels gezamenlijk wordt
    aangeboden). Ook een schijnbare verbreding van een opleiding kan vanuit arbeidsmarktper-
    spectief juist tot een versmalling leiden: een opleiding economie biedt een breder arbeids-
    marktperspectief dan bijvoorbeeld een opleiding economie & toerisme.
    Instellingen zouden vaker moeten durven kiezen om opleidingen onder te brengen in bredere
    verbanden, bijvoorbeeld door het inrichten van speciﬁeke ‘tracks’ binnen een bestaande oplei-
    ding in plaats van een aparte opleiding. Dit is wel afhankelijk van het type opleiding: verschil-
    lende disciplines zoals de opleiding tot tolk Engels, Frans of Duits kunnen bijvoorbeeld moeilijk
    als aparte tracks van een opleiding worden georganiseerd.
    Ook voor de raad van toezicht ziet de raad nadrukkelijk een rol weggelegd bij de beoordeling
    van de macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod. De raad van toezicht moet zijn rol
    als tussenlaag tussen instelling en overheid sterker benutten en het bestuur van de instelling
    soms stimuleren tot het nemen van moeilijke beslissingen. Bij de samenstelling van de raad
    van toezicht zou primair moeten worden gekeken naar persoonlijke expertise en kwaliteit
    op het gebied van onderwijs en onderzoek. De overheid zou de raad van toezicht op zijn rol
    moeten aanspreken en mag verlangen dat de raad van toezicht zich over zijn rol bij macro-
    doelmatigheid verantwoordt in het eigen jaarverslag. De volgende paragraaf gaat nader in op
    de rol van de overheid vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
4.3 Invulling stelselverantwoordelijkheid overheid
    De raad gaat ervan uit dat de publicatie van de voorgestelde knipperlichtnormen en de ver-
    plichting tot verantwoording hierover een groot deel van de gesignaleerde knelpunten rond
    macrodoelmatigheid zullen helpen oplossen. Voor de gevallen waarbij dit niet zo is, ligt er
    een taak voor de overheid vanuit haar verantwoordelijkheid voor het stelsel. Daarbij ziet de
    raad, in aanvulling op de reeds bestaande instrumenten (zoals de zorgplicht in het middelbaar
    beroepsonderwijs en de toets voor nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs), een rol voor
    de overheid bij het slechten van geschillen tussen instellingen en bij het stopzetten van de
    bekostiging van opleidingen waar knipperlichten zonder legitieme reden branden.
    Voorzien in procedure voor beslechten van geschillen tussen instellingen
    Op het moment dat instellingen er onderling niet in slagen om hun opleidingsaanbod met
    elkaar af te stemmen, is er voor de overheid een rol weggelegd om te voorzien in een proce-
    dure voor beslechting van deze geschillen. Ook daarbij zouden de knipperlichtnormen een
    belangrijke bron van informatie kunnen vormen.
    Daarnaast zal de overheid moeten bijhouden of de knipperlichtnormen ook daadwerkelijk lei-
    den tot een macrodoelmatig opleidingsaanbod. Als dat niet het geval blijkt te zijn, moet zij
    de mogelijkheid hebben om opleidingen open te houden (wanneer opheﬃng van unieke en
    maatschappelijke relevante opleidingen dreigt plaats te vinden, zie aanbeveling 3 in hoofdstuk
    6) of te sluiten, zoals hieronder wordt uitgewerkt.
    Voor het middelbaar beroepsonderwijs sluit de voorgestelde aanpak in grote lijnen aan bij
    het toetsingskader voor het regionale opleidingsaanbod dat door het Ministerie van OCW
    (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) in april 2012 is voorgesteld als onderdeel van plannen
    26                                                                             Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>voor verbetering van de macrodoelmatigheid.28 De door het Ministerie van OCW voorgestel-
de aanpak voorziet in het verbeteren van de informatie richting deelnemers, het versterken
van het opleidingsportfolio op instellingsniveau, een betere afstemming van het aanbod op
regionaal niveau, en het versterken van het aanbod van speciﬁeke opleidingen op landelijk
niveau. Onderdeel daarvan is het opstellen van een toetsingskader voor het opleidingsaanbod
op regionaal niveau, waarbij wordt gekeken naar indicatoren met bijbehorende signalerings-
waarden voor arbeidsmarktrelevantie, doelmatigheid en toegankelijkheid. Indien één van de
signaleringswaarden wordt overschreden, is dat reden voor nadere analyse van de speciﬁeke
situatie. Het zwaartepunt ligt daarbij echter op arbeidsmarktrelevantie. Voor de andere ele-
menten van macrodoelmatigheid (zoals studiekeuze en eﬃciëntie) is aanmerkelijk minder
aandacht.
Ook in het hoger onderwijs worden afspraken met instellingen gemaakt over een herschikking,
indikking en scherpere proﬁlering van het opleidingsaanbod, mede in relatie tot de agenda’s
van de topsectoren. Zo wordt toekenning van 7 van het onderwijsbudget voor het hoger
onderwijs in de periode 2013-2016 afhankelijk van prestatie-afspraken tussen instellingen. In
dat kader is een reviewcommissie hoger onderwijs en onderzoek ingesteld voor de beoor-
deling van voorstellen van universiteiten en hogescholen. De commissie hanteert daarbij drie
criteria: 1) het ambitieniveau en realiteitsgehalte van de voorstellen voor onderwijs, onderzoek
en valorisatie; 2) de aansluiting bij de op stelselniveau gewenste zwaartepuntvorming en dif-
ferentiatie; en 3) de uitvoerbaarheid. 29
Hoewel de afspraken in het hoger onderwijs kunnen bijdragen aan een verbetering van de
macrodoelmatigheid van het opleidingsaanbod, bieden zij daarvoor nog onvoldoende garan-
tie. De raad stelt daarom voor om in het hoger onderwijs analoog aan het middelbaar beroeps-
onderwijs een toetsingskader te ontwikkelen voor de macrodoelmatigheid van het lande-
lijke opleidingsaanbod. Dit sluit aan op het voornemen van het Ministerie van OCW om het
opleidingsaanbod periodiek te analyseren met als doel een betere regionale taakverdeling en
afstemming. Het gaat daarbij zowel om vermindering van het aantal (onrendabele) opleidin-
gen die sterk met elkaar verwant zijn (binnen de sector techniek bestaan bijvoorbeeld ruim
zestig verschillende opleidingsnamen), als om vermindering van het aantal locaties waar een-
zelfde opleiding wordt aangeboden.30
In het uiterste geval zou de overheid moeten overgaan tot het ontnemen van het recht op
bekostiging van een bepaalde opleiding of het recht om een opleiding op een bepaalde loca-
tie aan te bieden. De raad wijst erop dat in de WHW (Wet op het hoger onderwijs en weten-
schappelijk onderzoek) is vastgelegd dat de minister van OCW die bevoegdheid heeft op
grond van macrodoelmatigheidsoverwegingen.31
Procedure voor ingrijpen overheid in het kader van macrodoelmatigheid in middelbaar beroeps-
onderwijs en hoger onderwijs
De raad stelt voor dat de overheid daaraan een procedure koppelt voor sluiting van opleidin-
gen in het geval er op macroniveau sprake is van een ondoelmatig opleidingsaanbod. Bran-
dende knipperlichten vormen daarvoor de aanleiding. Vervolgens is het in eerste instantie aan
instellingen om (gezamenlijk) actie te ondernemen om deze knipperlichten ‘te doven’ of om
28   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
29   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012b.
30   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011a.
31   Zie artikel 6.5 en artikel 7.17a van de WHW.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>overtuigend uit te leggen waarom de bestaande situatie toch verantwoord is. Wanneer mocht
blijken dat knipperlichten langer dan een jaar blijven branden, dan kan de overheid instellin-
gen daarop schriftelijk aanspreken. Daarbij kan de overheid de instellingen vragen om binnen
een afzienbare termijn met een actieplan te komen. Alleen in het geval dat dit actieplan onvol-
doende vertrouwen wekt, is overheidsingrijpen gerechtvaardigd.
Vervolgens moet worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van een unieke en maatschap-
pelijk relevante opleiding, of er sprake is van meerdere knipperlichten die branden, en op wel-
ke wijze de instelling het in stand houden van een opleiding heeft verantwoord. Mocht het
niet gaan om een unieke en maatschappelijk relevante opleiding en mocht de instelling geen
goede verantwoording kunnen bieden voor het (blijven) knipperen van verschillende knipper-
lichten, dan kan de overheid beslissen om de desbetreﬀende opleiding(slocatie) te sluiten (dan
wel de bekostiging stop te zetten).
Bij de nadere uitwerking van deze door de raad voorgestelde procedure moet niet alleen wor-
den gelet op de bijbehorende administratieve lasten voor de overheid, maar ook op de extra
administratieve lasten voor instellingen. De procedure dient zo te worden ingericht dat die niet
of nauwelijks leidt tot een toename van de verantwoordingslast bij opleidingen waar geen
sprake is van een ondoelmatige situatie.
Als het gaat om de studiekeuze voor en de inhoud (arbeidsmarktrelevantie) van grotere oplei-
dingen, beveelt de raad aan om óók deelnemers de beschikking te geven over betere informa-
tie. De volgende aanbeveling gaat daarom in op de vraag op welke manier deelnemers kunnen
worden geholpen om een betere afweging te maken tussen verschillende opleidingen.
28                                                                          Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    Een afgewogen opleidingskeuze is alleen mogelijk wanneer aankomende
    studenten weten waar ze voor kiezen. Instellingen dienen daarom een eerlijk
    beeld te schetsen van de kwaliteit en de arbeidsmarktrelevantie van opleidin-
    gen. De Onderwijsinspectie zou hierop toe moeten zien. Ook scholen in het
    voortgezet onderwijs kunnen hun leerlingen beter voorlichten wanneer zij be-
    schikken over objectieve informatie over mogelijke vervolgopleidingen.
5   Aanbeveling 2: verbeter studiekeuzeproces
    door vergroting inzicht deelnemers
5.1 Beperkt zicht op kwaliteit en arbeidsmarktperspectief opleidingen
    Aankomende studenten hebben de keuze uit veel opleidingen, met name in het middelbaar
    beroepsonderwijs. Goede voorlichting is daarom van groot belang. Objectieve informatie
    helpt bij het maken van een gedegen keuze. Denk bijvoorbeeld aan informatie over de kwali-
    teit van de opleidingen, of over de te verwachten arbeidsmarktkansen. Momenteel wordt deze
    informatie niet structureel aan studenten verstrekt. Vo-scholieren hebben bij hun studiekeuze
    dan ook nauwelijks een idee van hun kansen op de arbeidsmarkt.32
    Instellingen onderkennen zelf ook dat de informatievoorziening beter kan. De HBO-raad en
    de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) hebben toegezegd om
    plannen uit te werken omtrent een gemeenschappelijke ‘studiebijsluiter’ voor hogescholen
    en universiteiten. In de bijsluiter moeten opleidingen verplicht informatie verstrekken over
    bijvoorbeeld het aantal contacturen, het studiesucces en de baankansen.33 Een aantal hoge-
    scholen is hier op eigen initiatief al mee gestart. Per opleiding geven ze informatie over een
    standaard set van indicatoren, afgezet tegen een landelijke benchmark.
    Mbo-instellingen zijn momenteel al wettelijk verplicht om aankomende studenten tijdig en
    realistisch voor te lichten over de arbeidsmarktkansen, als onderdeel van de zogenoemde
    zorgplicht.34 In de praktijk wordt deze zorgplicht echter lang niet altijd nageleefd. De instel-
    lingen komen moeilijk uit de spagaat om enerzijds potentiële studenten goed voor te lich-
    ten en anderzijds zo veel mogelijk studenten binnen te halen vanuit een bedrijfseconomische
    behoefte.35 Om de informatievoorziening naar aankomende mbo’ers te verbeteren, bestaan
    ook voor mbo-opleidingen plannen voor een studiebijsluiter.36 Ook wordt het toezicht op de
    32   Mazza, 2012.
    33   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011b.
    34   Het wettelijk kader hiervoor is de zorgplicht voor een deelnemersstatuut waarvan een systeem van beroepskeuzevoorlichting deel
         kan uitmaken. WEB, artikel 7.4.8 en Model Deelnemersstatuut JOB-MBO Raad.
    35   Inspectie van het Onderwijs, 2010.
    36   Memorie van toelichting bij begroting OCW 2012, 2011.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    zorgplicht van instellingen aangescherpt. Daarbij kijkt de Inspectie naar de vraag of instellin-
    gen voldoende oog hebben voor de doelmatigheid en het arbeidsmarktperspectief van hun
    opleidingen.37
    De huidige gegevens over arbeidsmarktperspectieven zijn voor verbetering vatbaar. Ze zijn
    namelijk gebaseerd op enquêtes onder afgestudeerden. Dat betekent dat slechts van een
    beperkt deel van de studenten bekend is hoe de overgang naar de arbeidsmarkt is verlopen.
    Wanneer gebruik wordt gemaakt van registratiegegevens, is van (vrijwel) iedere afgestudeer-
    de informatie over de eerste schreden op de arbeidsmarkt voorhanden. Dat betekent dat ook
    van relatief kleine opleidingen informatie kan worden verstrekt. Per opleiding zijn immers van
    een minimum aantal afgestudeerden gegevens nodig om over die speciﬁeke opleiding te kun-
    nen berichten. Alleen dan is de informatie betrouwbaar en kan de privacy van individuen wor-
    den gegarandeerd. Momenteel zet de DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) een dergelijke data-
    bank op.38
    Beperkte keuzevrijheid door regionale binding
    Onderwijsdeelnemers in het middelbaar beroepsonderwijs zijn beperkt in hun studiekeuze
    door de afstand tot de opleiding. Onderzoek laat zien dat zij minder snel kiezen voor een
    opleiding wanneer die verder weg ligt.39 Ook in het hoger onderwijs, met name in het hoger
    beroepsonderwijs, blijkt een groot deel van de studenten te kiezen voor een opleiding in de
    buurt van het ouderlijk huis. De mobiliteit van studenten in het hoger onderwijs is wat groter
    dan die van mbo-studenten, maar ook nog steeds sterk regionaal gericht, met name in het
    hoger beroepsonderwijs.40 Onderzoek in Duitsland suggereert bijvoorbeeld dat de kans dat
    een individu überhaupt naar een universiteit gaat, met twee tot drie procentpunt afneemt als
    de afstand tot de dichtstbijzijnde universiteit met tien kilometer toeneemt. Voor hogescholen
    wordt geen eﬀect gevonden, mogelijk doordat deze meer gespreid zijn over Duitsland.41
5.2 Belemmeringen in studiekeuzeproces wegnemen
    De raad is een voorstander van een zo compleet mogelijke informatievoorziening richting aan-
    komende studenten. Hij omarmt daarom het idee van de studiebijsluiter en zou deze ook in het
    middelbaar beroepsonderwijs ingevoerd willen zien.
    Daarnaast is de raad van mening dat ook de vooropleiding een verantwoordelijkheid heeft
    in een goede studievoorlichting. Scholen zouden daarom moeten weten hoe succesvol hun
    gediplomeerden in vervolgopleidingen zijn. Aan de hand daarvan kunnen ze hun voorlichting
    eventueel aanpassen.
    Een eerste stap in het verbeteren van de transparantie van opleidingen is het verminderen
    van het aantal verschillende benamingen voor nagenoeg dezelfde opleidingen. In het hoger
    onderwijs heeft de Commissie Reductie Aanbod Bacheloropleidingen (CRAB) bijvoorbeeld
    in 2003 geadviseerd om het aantal opleidingslabels nagenoeg te halveren van 206 naar 113. 42
    37  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012b.
    38  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012b.
    39  Van Huis & Wobma, 2010.
    40  Van Huis & Wobma, 2010.
    41  Spiess & Wrohlich, 2010.
    42  Stuurgroep Onderwijsbeleid & Commissie Reductie Aanbod Bacheloropleidingen, 2003.
    30                                                                                    Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Momenteel is de SBB bezig om het opleidingsaanbod in het middelbaar beroepsonderwijs
inzichtelijker te maken.43 In het hoger onderwijs zijn sectoren doende om te komen tot secto-
rale afspraken over de naamgeving en de invoering van bredere opleidingen.44
Vervolgens zou van elke opleiding bekend moeten zijn wat de kwaliteit is en wat de arbeids-
marktperspectieven zijn. Hiervoor dient een databank te worden aangemaakt met zo veel
mogelijk objectieve informatie. Deze databank is dezelfde als die waar de knipperlichtnormen
gebruik van kunnen maken. Met een druk op de knop zou de informatie per gewenste oplei-
ding bekend moeten zijn, inclusief een benchmark van dezelfde opleiding op andere instel-
lingen, of van aanverwante opleidingen. Instellingen zouden moeten worden verplicht om
met deze gegevens aankomende studenten voor te lichten. Door de knipperlichten duidelijk
te communiceren, gaat hier een waarschuwende werking vanuit. Het kan studenten op andere
gedachten brengen wat betreft hun studiekeuze en daarmee instellingen doen heroverwe-
gen om deze opleidingen aan te bieden. De Onderwijsinspectie zou moeten controleren of de
instellingen deze zorgplicht ook daadwerkelijk naleven.
Ook scholen in het voortgezet onderwijs kunnen gebruikmaken van de databank. In het bij-
zonder zouden zij het succes van de studiekeuze van hun gediplomeerden moeten kunnen
volgen. Denk bijvoorbeeld aan het percentage dat al binnen een jaar verandert van oplei-
ding, of het percentage dat aangeeft achteraf spijt te hebben van de opleidingskeuze. Als deze
cijfers slechter uitvallen dan gemiddeld, is dat een indicatie van een minder goede studie-
voorlichting. De loopbaanoriëntatie en -begeleiding zou dan nog eens tegen het licht kunnen
worden gehouden.
Keuze niet alleen gebaseerd op harde gegevens
Het is realistisch om te veronderstellen dat de studiekeuze van jongeren altijd voor een deel zal
worden ingegeven door andere motieven dan opleidingskwaliteit en arbeidsmarktperspectief.
Zeker als het gaat om relatief jonge deelnemers die bijvoorbeeld op hun vijftiende een keuze
moeten maken voor een mbo-opleiding, ligt het voor de hand dat een deel van hen nog niet
precies weet wat zij later willen en kunnen worden. Zij zijn vaak geneigd om te kiezen voor
een speciﬁekere opleiding dan gezien hun latere loopbaan verstandig is.45 Dit betekent dat
een macrodoelmatig opleidingsaanbod een goede mix van brede en smalle opleidingen moet
omvatten.
Problemen bij de studiekeuze komen bovendien niet alleen voort uit gebrek aan informa-
tie over de arbeidsmarktperspectieven, maar ook uit onwetendheid over de inhoud van het
beroep. Denk bijvoorbeeld aan iemand die graag zorg wil besteden aan zieke mensen. Een
opleiding verpleegkunde ligt dan voor de hand. Het verkrijgen van de baan hoeft dan geen
probleem te zijn, de invulling ervan wellicht wel. Het kan immers tegenvallen hoeveel aan-
dacht een verpleger in de praktijk aan een patiënt kan geven. Ook is het mogelijk dat afgestu-
deerden terechtkomen in banen die op het moment van de studiekeuze in het geheel nog niet
bestonden.
43   Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, 2012.
44   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011a.
45   Borghans & De Grip, 1999.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                   31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>5.3 Rekening houden met arbeidsmarktperspectief op lange termijn
    Met name in het middelbaar beroepsonderwijs komen opleidingen tot stand in samenspraak
    met het afnemend beroepenveld. Bedrijven zijn er in de eerste plaats in geïnteresseerd dat zij
    een vacature kunnen opvullen op het moment dat die ontstaat. Daartoe hebben zij het liefst
    een ruime beschikbaarheid van speciﬁek geschoold personeel dat direct inzetbaar is. Ze heb-
    ben daardoor minder oog voor het langetermijnperspectief van de arbeidsmarktrelevantie van
    opleidingen. Die vooruitzichten op lange termijn zijn voor studenten uiteraard wel van belang.
    Al is het maar omdat er zo’n vier jaar zit tussen de start van een opleiding en het moment van
    afstuderen. Het informeren over het langetermijnperspectief is echter niet eenvoudig.
    Voor bedrijven, zeker in het mkb (midden- en kleinbedrijf) dat het grootste deel van het bedrijfs-
    leven uitmaakt, is het moeilijk zo niet onmogelijk om langere tijd vooruit te kijken. De vraag
    naar afgestudeerden is vaak conjunctuurgevoelig. Daarnaast zorgen technologische verande-
    ringen voor wijzigingen in de vraag op de arbeidsmarkt. Vaardigheden die van werknemers
    gevraagd worden, veranderen door de tijd. Brits onderzoek laat zien dat tussen 1997 en 2006
    het belang van bijvoorbeeld sociale en communicatieve vaardigheden sterk is toegenomen.46
    Verder geeft de aansluiting van het onderwijs op de eerste banen slechts een beperkt beeld
    van de arbeidsmarktrelevantie van een opleiding. Op de langere termijn kan die aansluiting
    anders uitpakken. Speciﬁeke beroepsgerichte opleidingen zijn bijvoorbeeld goed voor de aan-
    sluiting op de arbeidsmarkt op korte termijn, maar op de lange termijn kunnen meer algemene
    opleidingen eﬀectiever zijn.47 Een opleiding moet niet alleen goede arbeidsmarktperspectie-
    ven bieden voor een eerste baan, maar ook voldoende ﬂexibiliteit bieden om later naar een
    andere baan te kunnen doorstromen, zeker in conjunctuurgevoelige sectoren.
    Beschikbare informatie verbeteren
    De beschikbare informatie over arbeidsmarktrelevantie van opleidingen heeft daarom slechts
    ten dele een voorspellende waarde. De informatie is vooral gebaseerd op het (recente) verle-
    den, hooguit aangevuld met verwachtingen voor de nabije toekomst. Bovendien betreft het
    informatie over de aansluiting met de opleiding op korte termijn. De cijfers over arbeidsmarkt-
    perspectief kunnen bovendien gerelateerd zijn aan het type studenten (zelfselectie) dat in het
    recente verleden een bepaalde opleiding heeft gevolgd en daarmee een minder goede voor-
    speller zijn voor andere studenten die de opleiding gaan doen.
    Desalniettemin is de beschikbare informatie over de arbeidsmarktrelevantie nog steeds van
    waarde. Voor sommige sectoren is de lange termijn ook beter te voorspellen dan voor andere.
    De vraag naar personeel is bijvoorbeeld in grote delen van de zorg en de techniek structureel
    groter dan het aanbod. Het aantal schoolverlaters is te klein om aan de vervangingsvraag te
    voldoen.48 Bovendien is de huidige beschikbare informatie voor verbetering vatbaar. De lan-
    delijke voorspellingen zouden meer naar regionaal niveau kunnen worden uitgesplitst. Hoe
    preciezer de informatie is die aan studenten wordt gegeven, hoe gefundeerder zij hun keuze
    kunnen maken.
    46   Green, 2012.
    47   Hanushek, Woessmann & Zhang, 2011.
    48   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2011.
    32                                                                            Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>    Unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen zouden door middel
    van een speciale licentie met extra bekostiging in de lucht moeten worden
    gehouden. De raad ziet daarbij een rol weggelegd voor de overheid. Zij zou
    een meldpunt moeten instellen voor de voorgenomen opheﬃng van oplei-
    dingen en zorg moeten dragen voor aanbesteding van de licenties voor unieke
    en maatschappelijk relevante kleine opleidingen.
6   Aanbeveling 3: licentiesysteem voor unieke
    kleine opleidingen
6.1 Licentiesysteem voor unieke en maatschappelijk relevante kleine
    opleidingen
    De raad stelt voor dat er een licentiesysteem moet komen voor unieke en maatschappelijk
    relevante kleine opleidingen. Op die manier moet worden voorkomen dat deze opleidingen
    nergens in Nederland meer worden aangeboden. Om dat te bereiken zou er naast een mel-
    dingsplicht voor de opheﬃng van opleidingen een aanbestedingsprocedure moeten komen
    voor unieke opleidingen. In het middelbaar beroepsonderwijs kan worden aangesloten bij het
    daar voorgestelde licentiesysteem voor kleine opleidingen. In het hoger onderwijs moet een
    vergelijkbare procedure worden uitgewerkt, waarbij de overheid uiteindelijk verantwoordelijk
    is voor de toekenning van licenties.
    Daarbij is van belang of sprake is van een opleiding met maatschappelijke relevantie. In het
    beroepsonderwijs gaat het dan in de eerste plaats om arbeidsmarktrelevantie. Dit sluit aan bij
    het initiatief van de Samenwerkende Organisaties Specialistisch (SOS) Vakmanschap. Dit initia-
    tief is gericht op het behoud van specialistische mbo-opleidingen met landelijk een klein aan-
    tal deelnemers, die echter noodzakelijk zijn om een bepaald beroep in stand te houden. Daar-
    naast moet het gaan om een beroep met toekomst en aantoonbare bereidheid bij de branche
    om zelf bij te dragen. SOS Vakmanschap heeft hiervoor criteria opgesteld, die ook door het
    Ministerie van OCW zijn overgenomen.49
    Voor kleine opleidingen die op meerdere plekken worden aangeboden, is het volgens de raad
    aan de instellingen om in overleg met (regionale) werkgevers te bepalen of een opleiding in
    stand moet worden gehouden. Naast werkgevers in het bedrijfsleven gaat het hierbij ook om
    werkgevers in de semi-publieke sector, zoals in de zorg en het onderwijs.
    In het hoger beroepsonderwijs kunnen soortgelijke criteria als in het middelbaar beroeps-
    onderwijs worden gehanteerd, zij het dat bij de toekenning van een licentie rekening kan wor-
    den gehouden met een grotere mobiliteit van studenten. In het wetenschappelijk onderwijs
    49   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
    Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>    zou ook het in stand houden van een wetenschappelijke infrastructuur een criterium bij de
    toekenning van een licentie moeten zijn.
    Aan deze licentie zou ook extra bekostiging moeten zijn verbonden, die het mogelijk maakt
    om opleidingen op een verantwoorde manier in stand te houden, zoals ook eerder door de SER
    bepleit.50 Verder pleit de raad voor het toekennen van een licentie voor een beperkte periode
    (bijvoorbeeld vijf instroomlichtingen), omdat bijvoorbeeld de arbeidsmarktrelevantie door de
    jaren heen kan veranderen. Ook bestaat de mogelijkheid dat ontwikkelingen in het opleidings-
    aanbod van verwante opleidingen ervoor zorgen dat een andere instelling beter in staat is om
    een bepaalde opleidingslicentie uit te voeren.
    Overigens kan in het hoger onderwijs ook worden overwogen om te komen tot een gezamen-
    lijk aanbod met Vlaanderen. Bijvoorbeeld in het geval van studies die een te klein aantal stu-
    denten trekken om in Nederland een verantwoorde opleiding te kunnen organiseren, maar die
    wel van belang zijn voor de wetenschappelijke infrastructuur van het Nederlandse taalgebied
    (vergelijk de situatie rondom de aangekondigde opheﬃng van de studie Portugees).
6.2 Ov-kaart voor deelnemers unieke mbo-opleidingen
    De raad pleit er verder voor om de mobiliteit van zestien- en zeventienjarige mbo-deelnemers
    te vergroten als ze voor een maatschappelijke relevante opleiding kiezen, die niet vlakbij huis
    wordt aangeboden. De raad denkt hierbij aan het verstrekken van een ov-kaart. Nu krijgen
    mbo-deelnemers alleen een ov-kaart als ze 18 jaar of ouder zijn, ongeacht de afstand tot hun
    opleiding. Bij sommige kleine opleidingen zouden de knipperlichtnormen immers aanleiding
    kunnen geven tot sluiting bij enkele instellingen, waardoor de dichtstbijzijnde instelling die de
    opleiding aanbiedt verder weg ligt. Om unieke mbo-opleidingen die maatschappelijke meer-
    waarde hebben toch bereisbaar te maken, kan een ov-kaart goede diensten bewijzen.
6.3 Meldingsplicht voor opheffen opleidingen
    Voorwaarde voor het invoeren van een licentiesysteem voor unieke opleidingen is een mel-
    dingsplicht voor het opheﬀen van opleidingen. Om te kunnen bepalen of een bepaalde
    opleiding nog maar op één plek in Nederland wordt aangeboden, moet duidelijk zijn wat het
    bestaande opleidingsaanbod is. Als de laatste opleiding in zijn soort dreigt te worden opgehe-
    ven, zou een signaal af moeten gaan.
    De bestaande opleidingsregisters voor middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs
    (Crebo en Croho) bieden daarvoor onvoldoende informatie. Bij de opheﬃng van opleidin-
    gen kunnen instellingen bijvoorbeeld slapende Crebo- en Croho-registraties aanhouden. Ook
    het signaleren van Crebo- of Croho-opleidingen zonder deelnemers biedt geen soelaas: wan-
    neer de laatste deelnemer een opleiding heeft verlaten, kan het zijn dat een opleiding fei-
    telijk al enkele jaren niet meer (als keuzemogelijkheid) bestaat. Ook zijn er voorbeelden van
    kleine speciﬁeke opleidingen in het middelbaar beroepsonderwijs (bijvoorbeeld museum-
    restaurateur) die slechts een keer in de vijf jaar met een klasje starten.
    50   Sociaal-Economische Raad, 2002.
    34                                                                           Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Instellingen die het voornemen hebben om een opleiding te sluiten, zouden dat daarom tijdig
moeten melden. De overheid zou daarvoor een meldpunt moeten instellen. Vervolgens is het
aan de overheid om te beoordelen of het gaat om opheﬃng van een unieke opleiding. Is dat
inderdaad het geval, dan kan de aanbestedingsprocedure voor een licentie worden gestart.
De vraag hoe unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen te beschermen, vormt
het sluitstuk van een systeem voor macrodoelmatigheid op maat. Als wordt gesignaleerd van
welke speciﬁeke mbo- en ho-opleidingen het aanbod niet macrodoelmatig is, zijn in de visie
van de raad eerst de desbetreﬀende instellingen aan zet om hier verandering in aan te bren-
gen. Vervolgens kan de overheid ingrijpen als een meer macrodoelmatig opleidingsaanbod
uitblijft. Dit betreft ook een ongewenste verschraling van het opleidingsaanbod.
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Afkortingen
CBS   Centraal Bureau voor de Statistiek
CDHO  Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs
CHEPS Center for Higher Education Policy Studies
CRAB  Commissie Reductie Aanbod Bacheloropleidingen
Crebo Centraal register beroepsopleidingen
Croho Centraal register opleidingen hoger onderwijs
DUO   Dienst Uitvoering Onderwijs
hbo   hoger beroepsonderwijs
ho    hoger onderwijs
KBA   Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt
mbo   middelbaar beroepsonderwijs
mkb   midden- en kleinbedrijf
NVAO  Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
OCW   Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
roc   regionaal opleidingencentrum
SBB   Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
SER   Sociaal-Economische Raad
UWV   Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
VSNU  Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten
WHW   Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
wo    wetenschappelijk onderwijs
36                                                             Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Literatuur
 1 cijfer HO 2011. Geraadpleegd op 18 juni 2012 via de website van Dienst Uitvoering Onderwijs,
      http://duo.nl/zakelijk/ho/inschrijven_en_bekostigen/1_cijfer_ho_2011.asp.
Bertrand-Cloodt, D., Cörvers, F., Heijke, H. & Van Thor, J. (2011). Verkenning van de invloed van reis-
     afstand op de keuze voor een middelbare beroepsopleiding. Maastricht: ROA.
Borghans, L. & De Grip, A. (1999). Smal en breed opleiden: productiviteit versus ﬂexibiliteit. Gids
      voor de opleidingspraktijk, 1999(28), 1.29.Bor.21 - 21.29.Bor.33.
Box, J.M.F. (1991). Macrodoelmatigheid en het lemmingen-eﬀect. Tijdschrift voor hoger onder-
      wijs, 9(4), 219-224.
Commissie Kwaliﬁceren en Examineren (2010). Naar meer doelmatigheid in het mbo. Zoeter-
      meer: Stuurgroep Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.
Commissie Onderwijs en Besturing BVE (2010). Naar meer focus op het mbo!! Den Haag: Ministe-
      rie van OCW.
De Graaf, D., Hof, B. & Van Klaveren, C. (2009). De diverse loopbanen van bèta’s. Amsterdam: SEO.
Eimers, T., Den Boer, P., Busse, G., Vermeulen, M., Vink, R. & Kat-de Jong, M. (2012). Macro-
      doelmatigheid van het opleidingsaanbod in het mbo: ervaringen in vier Europese landen. Nij-
      megen/Tilburg: KBA/IVA.
Green, F. (2012). Employee Involvement, Technology, and Evolution in Job Skills: A Task-Based
     Analysis. Industrial and Labor Relations Review, 65(1).
Hanushek, E.A., Woessmann, L. & Zhang, L. (2011). General education, vocational education, and
      labor-market outcomes over the life-cycle. Geraadpleegd op 15 juni 2012 via de website van
     The National Bureau of Economic Research, http://www.nber.org/papers/w17504.
Huisman, J. (1995). Diﬀerentiation, diversity and dependency in higher education: A theoretical and
      empirical analysis. Proefschrift. Lemma, Utrecht.
Huisman, J. (2012). De regulering van studierichtingen in de eerste helft van de jaren tachtig.
     TH&MA, 2012(2), 49-53.
Inspectie van het Onderwijs (2010). Zorgplicht arbeidsmarktperspectief bij mbo-instellingen.
      Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Jongbloed, B., Berthold, C., Bischof, L., De Boer, H., Vossensteyn, H. & Van Weel, T. (2012). Macro-
      doelmatigheid in het hoger onderwijs: een internationaal vergelijkende studie. Enschede:
      CHEPS.
Lotingsstudies 2012-2013 in hbo en wo. Geraadpleegd op 22 juni 2012 via http://www.ib-groep.nl/
      particulieren/studeren/loten/loten.asp.
Mazza, J. (2012). On the Uncertain Nature of Human Capital Investments. Proefschrift. Universiteit
      van Amsterdam, Amsterdam.
Memorie van toelichting bij begroting OCW 2012 (2011). Kamerstukken II, 2011-2012, 33000 VIII, nr. 2.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011a). Kwaliteit in verscheidenheid. Den
      Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011b). Schriftelijke beantwoording begroting
     OCW. W Brief van Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Twee-
      de Kamer, 30 november 2011. Kenmerk 350178. Geraadpleegd op 18 juni 2012 via http://www.
      rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/12/01/
      beantwoording-vragen-begroting-ocw.html.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012a). Aanbod van mbo-opleidingen. Brief
      van Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede Kamer,
     2 april 2012. Kenmerk 381437. Geraadpleegd op 18 juni 2012 via http://www.rijksoverheid.nl/
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/04/02/kamerbrief-over-
    aanbod-mbo-opleidingen.html.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012b). Prestatieafspraken met hogescholen
    en universiteiten. Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voor-
    zitter van de Tweede Kamer, 7 maart 2012. Kenmerk 386473. Geraadpleegd op 18 juni 2012
    via http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ocw/documenten-en-publicaties/kamerstuk-
    ken/2012/03/07/kamerbrief-over-prestatieafspraken-met-hogescholen-en-universiteiten.
    html.
Programmamanagement MBO15 (2012). Macrodoelmatigheid als opdracht. Den Haag: Program-
    ma Macrodoelmatigheid MBO.
Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2011). De arbeidsmarkt naar opleiding en
    beroep tot 2016. Maastricht: ROA.
Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2012). Overzicht indicatoren. Den Haag:
    RCHO.
Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (2012). Mbo-diploma’s: doelmatige basis voor
    vakmanschap. Zoetermeer: SBB.
Sociaal-Economische Raad (2002). Koersen op vernieuwing. Den Haag: SER.
Spiess, C.K. & Wrohlich, K. (2010). Does distance determine who attends a university in Germany?
    Economics of Education Review, 29(3), 470-479.
Stuurgroep Onderwijsbeleid & Commissie Reductie Aanbod Bacheloropleidingen (2003). Een
    meer overzichtelijk en doorzichtig aanbod van universitaire bacheloropleidingen. Utrecht:
    VSNU.
Van Huis, M. & Wobma, E. (2010). Verhuisgedrag van jongeren. CBS Bevolkingstrends, 2010 (1e kwar-
    taal), 22-27.
Vink, R., Oosterling, M., Vermeulen, M., Eimers, T. & Kennis, R. (2010). Doelmatigheid van het mid-
    delbaar beroepsonderwijs. Tilburg: IVA.
VSNU (2012). Prestaties in perspectief. Den Haag: VSNU.
Wat zijn de toelatingseisen voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo)?? Geraadpleegd op 18 juni
   2012 via de website van Rijksoverheid, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/beroeps-
    onderwijs/vraag-en-antwoord/wat-zijn-de-toelatingseisen-voor-het-middelbaar-beroeps-
    onderwijs-mbo.html.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2012). Publieke zaken in de marktsamen-
    leving. Den Haag: WRR.
38                                                                             Onderwijsraad, juni 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
Individuele gesprekken
De heer R. Baarda                      Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
De heer W. Berentsen                   Vereniging FME-CWM
De heer C. van den Berg                VSNU
Mevrouw B. Claassen                    Sociaal-Economische Raad
De heer H. Corstjens                   Platform Bèta Techniek/MBO15
De heer F. Cörvers                     Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
Mevrouw G. van Erp                     MKB-Nederland
De heer H. de Jonge                    VSNU
Mevrouw A. Knottnerus                  Platform Bèta Techniek/MBO15
Mevrouw D. Lanser                      Centraal Planbureau
De heer A. van der Leest               Metaalunie
De heer H. van der Meer                Sociaal-Economische Raad
De heer K. Pagrach                     Inspectie van het Onderwijs
Mevrouw T. Riemens                     Sociaal-Economische Raad
De heer R. Smits                       HBO-raad
De heer M. van der Steeg               Centraal Planbureau
De heer G. Veneboer                    Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
De heer N. Verbraak                    Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs
De heer F. van Vught                   Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek
Mevrouw G. van der Wal                 Inspectie van het Onderwijs
Mevrouw M. van der Weiden              MBO-raad
Panelbijeenkomst SER (3 april 2012)
Mevrouw M. Bussemaker                  Hogeschool van Amsterdam
Mevrouw A. Deelen                      Centraal Planbureau
Mevrouw G. Dolsma                      VNO-NCW
Mevrouw G. van Erp                     MKB-Nederland
Mevrouw H. de Geus                     MHP
De heer A. de Grip                     Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
De heer A. Hokken                      LTO-Nederland
Mevrouw J. Plantenga                   Universiteit Utrecht
Mevrouw C. Rietbergen                  FNV
De heer A. Steenhart                   Algemene Onderwijsbond
De heer R. van der Woud                CNV
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod                                          39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>40 Onderwijsraad, juni 2012</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesvraag Tweede Kamer
Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42 Onderwijsraad, juni 2012</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod 43</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 JS Den Haag
www.onderwijsraad.nl
                                                           p
Het opleidingsaanbod moet zo goed mogelijk aansluiten
op de vraag van deelnemers en van de (toekomstige)
arbeidsmarkt. Tegelijkertijd moet het aanbod op een eﬃ-
ciënte manier worden georganiseerd. Er is sprake van een
macrodoelmatig opleidingsaanbod als deze verschillen-
                                                           g p
de aspecten met elkaar in balans zijn. De Onderwijsraad
doet in dit advies aanbevelingen voor verbetering van
                                                           g
de macrodoelmatigheid van het middelbaar beroeps-
onderwijs en het hoger onderwijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>