<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Meer kansen voor
kwetsbare jongeren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Meer kansen voor kwetsbare jongeren
     Meer kansen voor kwetsbare jongeren 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
Economische Zaken. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen de raad ook om
advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep
doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Meer kansen voor kwetsbare jongeren, uitgebracht aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap.
Nr. 20130247/1047, december 2013
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2013.
ISBN 978-94-6121-039-5
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
2                                                                    Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Aan de Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De heer drs. 5. Dekker

Postbus 16375

2500 8) Den Haag

‘Ona harsrark Coron
2013024771087

Mijnheer de Maatssecrelars,

mogelijk te maken,

Met beleefde groet,

Prof.dr. GTM, ten Dam
7 Voorzitter

Ue epee, Dearne

Drs, A. van der Rest

ONDERW ‚raad

Nassaulaan &
2514/5 Den Haag

Telefoon: 070 310 00 00
Fax: O70 356 14 74

seeretäriaanöonderwjaraad.ril
wen onderwijzraad.nl

Den Haag, 12 december 2013

Advies Meer kanten voor kwetsbare jongeren

Met genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies Meer kansen voor kwetsbare jongeren aan, In dit advies geeft
de Onderwijsraad antwoord op de vraag hoe kwetsbare jongeren voorbereid kunnen worden op een zelfstandige
en waardevolle positie op de arbeidsmarks en in de samenleving.

— Het bestaande stelsel helpt veel leerlingen aan een startkwalificatie. Toch blijft er een groep jongeren over die de
school voortijdig verlaat. Deze groep dreigt te groelen doordat de samenleving en de arbeidsmarkt steeds
complexer worden en de eisen die worden gesteld aan een startkwalificatie navenant toenemen,

In dit advies pleit de raad daarom voor het uitwerken van alternatieven voor de starthwalificatie in de worm van
een extra uitstroomprofiel binnen de entreeoplelding én voor meer Aexibiliteit in het stelsel De eerste aan-
beveling is gericht op de groep jongeren die niet in staat is een startkwalificatie te halen. De kans is groot dat zij
tussen walen schip vallen, omdat er geen duidelijk altematief is om een diploma te halen na ven negatief studie-
advies in de entreeopleiding. Een uitstroompeofiel in de entreeopleiding dat jongeren voorbereidt ap de
arbeidsmarkt kan dit voorkomen. Voor de jongeren die wel in staat zijn een starthwalificathe te halen, maar niet op
de standaard manier en niet binnen de standaard termijn, verdient het aanbeveling meer flexibele routes

De raad heapt met dit advies een bijdrage te leveren aan het vergroten van de kansen van kwetsbare jongeren,

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                            7
1 Inleiding: minimale bagage nodig voor werk en samenleving                             9
1.1 Aanleiding: nog steeds jongeren zonder startkwalificatie                            9
1.2 Adviesvraag: hoe zijn kwetsbare jongeren voor te bereiden op werk en samenleving? 10
2    Advies: creëer alternatieven voor jongeren die nu geen startkwalificatie halen   12
2.1  Schooluitval is gehalveerd, maar blijft nu stabiel                                12
2.2  Voor sommige leerlingen is de startkwalificatie (nu) niet haalbaar               18
2.3  De groep zonder startkwalificatie dreigt te groeien                              19
3    Aanbeveling 1: geef de entreeopleiding twee uitstroomprofielen                   21
3.1  Vervang het bindend studieadvies door een stevige intake                         22
3.2  Stel in het nieuwe uitstroomprofiel leren op de werkplek centraal                23
3.3  Stel als voorwaarde: voldoende regionale ondersteuning en begeleiding            24
3.4  Zorg voor ruimere regels, goede taakverdeling en prestatieafspraken              26
4    Aanbeveling 2: zorg voor meer flexibiliteit op stelselniveau                     28
4.1  Formaliseer het verlengde vmbo als alternatieve route                            28
4.2  Start schakelklassen waarin uitvallers zich oriënteren op andere opleidingen     30
4.3  Hanteer een overgangsperiode voor de invoering van de streefniveaus voor taal en
     rekenen                                                                          30
4.4 Voorkom ongunstige neveneffecten in bekostiging en toezicht                       32
Afkortingen                                                                           34
Literatuur                                                                            35
Geraadpleegde deskundigen                                                             37
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesvraag                                                                39
Bijlage 2: Aantal leerlingen aan de basis van de beroepskolom                         43
Bijlage 3: Doorstroomgegevens van leerlingen aan de basis van de beroepskolom         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Het bestaande stelsel helpt veel leerlingen aan een startkwalificatie: een diploma op ten
minste mbo niveau 2. Deze startkwalificatie garandeert een minimale bagage aan kennis en
vaardigheden die nodig zijn om zelfstandig te kunnen functioneren op de arbeidsmarkt en in
de samenleving. Taal- en rekenvaardigheden maken er deel van uit. Doordat de samenleving
en arbeidsmarkt steeds complexer worden, neemt het belang van een opleiding toe en stijgen
de eisen die aan een startkwalificatie worden gesteld. Mede hierdoor dreigt de groep leerlin-
gen die de startkwalificatie niet haalt, te groeien.
Dit advies richt zich op de vraag hoe kwetsbare jongeren voorbereid kunnen worden op een
zelfstandige en waardevolle positie op de arbeidsmarkt en in de samenleving. De raad consta-
teert dat de groep jongeren die nu uitvalt, zeer divers is. Hij pleit daarom voor het uitwerken
van alternatieven voor de startkwalificatie én voor meer flexibiliteit in het stelsel, zodat alter-
natieve routes naar het diploma mogelijk zijn.
Aanbeveling 1: Geef de entreeopleiding twee uitstroomprofielen
Sommige jongeren zijn niet in staat een startkwalificatie te halen. De invoering van het bin-
dend studieadvies in het laagste niveau van het mbo, de entreeopleiding, vormt een extra
hobbel. Bij een negatief advies zijn er voor deze jongeren nauwelijks alternatieven om een
diploma te behalen. De kans is groot dat zij tussen wal en schip raken. Het vasthouden aan
de startkwalificatie is voor deze groep demotiverend en legt meer nadruk op wat zij niet kun-
nen, dan op wat zij wel kunnen. De raad pleit daarom voor een tweede uitstroomprofiel in de
entreeopleiding dat jongeren toeleidt naar de arbeidsmarkt. Een intakeprocedure bij aanvang
van de opleiding moet zorgen voor toelating tot dit traject. In dit extra uitstroomprofiel staat
leren op de werkplek centraal, onder goede begeleiding. Jongeren krijgen zo beroepsvaar-
digheden aangeleerd. Daarnaast krijgen ze taal en rekenen, maar toegepast op het werk dat
ze doen. De raad formuleert verder enkele randvoorwaarden voor dit extra uitstroomprofiel:
ruimere regelgeving, goede taakverdeling tussen betrokken instellingen en het maken van
prestatieafspraken.
Aanbeveling 2: Zorg voor meer flexibiliteit op stelselniveau
Andere jongeren zijn wel in staat een startkwalificatie te halen, maar niet op de standaard
manier en niet binnen de standaard termijn. Door meer flexibele routes aan te bieden naar de
startkwalificatie, kan de uitval van deze groep beperkt worden: een deel van deze jongeren
kan het minimumniveau alsnog halen. De raad pleit voor het formaliseren van het verlengd
vmbo, naast de reguliere route naar de startkwalificatie. Hij adviseert ook een schakelprogram-
ma te organiseren voor leerlingen die uitvallen in mbo 2. Daarnaast kan een overgangsperiode
voor de invoering van de streefniveaus taal en rekenen aan de basis van de beroepskolom
ervoor zorgen dat niet onnodig veel jongeren zullen uitvallen. Tot slot adviseert de raad om
knelpunten in de bekostigingssystematiek en het toezicht (die vooral kwetsbare jongeren tref-
fen) weg te nemen.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                               7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>8 Onderwijsraad, december 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    Een startkwalificatie is van groot belang voor de zelfredzaamheid van
    jongeren. Door hogere eisen wordt het voor kwetsbare jongeren ech-
    ter moeilijker om deze minimale basis te verwerven. Dit advies richt
    zich op de vraag hoe ook deze jongeren voorbereid kunnen worden
    op een zelfstandige en waardevolle positie op de arbeidsmarkt en in
    de samenleving.
1   Inleiding: minimale bagage nodig
    voor werk en samenleving
1.1 Aanleiding: nog steeds jongeren zonder startkwalificatie
    In de afgelopen decennia is het gemiddelde opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking
    snel gestegen. Was een halve eeuw geleden het overgrote deel van de Nederlandse bevol-
    king nog laagopgeleid, inmiddels volgt landelijk 44% van de middelbare scholieren een havo-
    of vwo-opleiding, die in principe toegang geeft tot het hoger onderwijs. Ruim de helft van
    de leerlingen volgt een vmbo- opleiding (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) of
    gaat naar het speciaal onderwijs of het praktijkonderwijs.1 Nederland heeft zich de afgelopen
    decennia ontwikkeld tot een kenniseconomie met de nadruk op dienstverlening en innova-
    tie. Samenleving en arbeidsmarkt zijn steeds complexer en gedifferentieerder geworden.2 De
    voortschrijdende internationalisering en globalisering spelen hierin een belangrijke rol, even-
    als ontwikkelingen op het gebied van informatisering en digitalisering.
    Steeds hogere eisen aan opleiding en werkervaring
    Eenvoudig werk is steeds ingewikkelder geworden. De eisen aan de opleiding en werk-
    ervaring van burgers veranderen.3 Mensen moeten over meer en andere kennis en vaardig-
    heden beschikken dan vroeger. In het verleden verwachtten werkgevers specifieke praktische
    en technische vaardigheden, tegenwoordig moeten werknemers ook beschikken over soci-
    ale en communicatieve capaciteiten, kritisch denkvermogen en het vermogen om zelfstandig
    problemen op te lossen. 4 Hoger opgeleiden zijn over het algemeen beter toegerust om zich
    aan deze veranderende omstandigheden en eisen aan te passen dan lager opgeleiden. In het
    advies Over de drempel van postinitieel leren (2012) heeft de raad eerder geconstateerd dat juist
    lager opgeleiden deze competenties missen en ook niet gemakkelijk meer verwerven tijdens
    hun verdere levensloop, waardoor hun positie nog kwetsbaarder wordt.
    1    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
    2    Josten, Vlasblom & De Voogd-Hamelink, 2012; Onderwijsraad, 2011.
    3    Green, 2009.
    4    Voogt & Roblin, 2010; Onderwijsraad, 2013; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2013.
    Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>        Kunnen lezen en rekenen voor eenvoudig werk
        Onderzoek naar de vereiste vaardigheden van Britse werknemers onderschrijft het belang van so-
        ciale competenties én dat van geletterdheid en gecijferdheid.5 Er blijkt uit dat het percentage werk-
        nemers dat voor het werk nooit hoeft te schrijven, gedaald is van 13% in 1997 naar 8% in 2006. Het
        percentage dat niet hoeft te rekenen daalde van 18% naar 14%. Bovendien wordt het eenvoudige
        werk, zeker in tijden van economische crisis, verplaatst naar het buitenland, omdat daar goedkopere
        arbeidskrachten gevonden kunnen worden.
     Startkwalificatie van groot belang voor een zelfstandige positie in de maatschappij
     Het onderwijs is een belangrijke plek om de kennis te verwerven en de vaardigheden aan te
     leren, die nodig zijn voor zelfredzaamheid op de arbeidsmarkt en in de samenleving. De raad
     vindt het belangrijk dat zo veel mogelijk mensen een minimale opleidingsbasis krijgen.6 De
     overheid heeft hier de afgelopen jaren sterk op ingezet via beleidsmaatregelen die het voor-
     tijdig schoolverlaten hebben teruggedrongen en die jongeren verplichten een minimum
     opleidingsniveau te halen. Sinds de invoering van de kwalificatieplicht in 2007 moeten jon-
     geren ten minste een diploma halen op mbo niveau 2 (middelbaar beroepsonderwijs). Deze
     zogenoemde startkwalificatie garandeert een minimale bagage aan kennis en vaardigheden
     waarmee iemand zelfstandig kan functioneren op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Het
     gaat om taal- en rekenvaardigheden, nodig om bijvoorbeeld formulieren te lezen en in te vul-
     len, en te kunnen afrekenen in winkels. Daarnaast gaat het om praktische basiskennis, -vaardig-
     heden en -houdingen die nodig zijn om een vak uit te oefenen. Wie bij het verstrijken van de
     leerplicht (zestien jaar) de startkwalificatie nog niet heeft gehaald, moet tot de leeftijd van
     achttien jaar onderwijs blijven volgen.7 Wie de opleiding verlaat vóórdat een diploma op mbo
     niveau 2 is gehaald, is een voortijdig schoolverlater.
    Jongeren die de startkwalificatie niet behalen, lopen een grotere kans dan anderen om de
     aansluiting met de veranderende samenleving te missen. Zeker in ongunstige economische
     omstandigheden is het moeilijk aan werk te komen (en te blijven) zonder dit minimale diploma.
     Ondanks de voortdurende (en grotendeels succesvolle) inspanningen om voortijdig school-
     verlaten terug te dringen, blijft er een groep jongeren over die uitvalt en geen startkwalificatie
     behaalt.8 In het schooljaar 2011-2012 ging het om 36.245 jongeren.9
1.2 Adviesvraag: hoe zijn kwetsbare jongeren voor te bereiden op werk en
     samenleving?
     Het risico bestaat dat een groep jongeren niet meer aan de eisen van de moderne samen-
     leving kan voldoen. Het is van belang dat er voor deze jongeren toegankelijke opleidings-
     mogelijkheden blijven, zodat ook zij in staat worden gesteld om actief te blijven participeren
     op de arbeidsmarkt en in de samenleving. De vraag die aan dit advies ten grondslag ligt, luidt
     dan ook:
     5    Green, 2009.
     6    Onderwijsraad, 2011.
     7    Leerplicht geldt voor kinderen van vijf tot en met zestien jaar, vanaf de eerste dag van de maand nadat een kind vijf jaar wordt tot het
          einde van het schooljaar waarin het zestien jaar is geworden, of aan het einde van het twaalfde schooljaar. De basisschoolperiode telt
          mee voor acht jaar, ook als de leerling hier in werkelijkheid korter over gedaan heeft.
     8    Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2013.
     9    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
    10                                                                                                       Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   Adviesvraag
   Hoe kan het onderwijs jongeren in een kwetsbare positie voorbereiden op een zelfstandige en waarde-
   volle plaats op de arbeidsmarkt en in de samenleving?
Advies richt zich op de basis van de beroepskolom
Dit advies richt zich op het voortgezet onderwijs – tot het niveau van de startkwalificatie (mbo
2). Schooluitval komt namelijk het meeste voor aan de basis van de beroepskolom: het voort-
gezet speciaal onderwijs, de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen in het
vmbo en mbo niveau 1 (toekomstige entreeopleiding) en 2 (zie kader). Overige voortijdige
schoolverlaters worden buiten beschouwing gelaten, omdat zij een kleine groep vormen die
meestal alsnog zelf weer terugkeert naar de schoolbanken.
Beantwoording van de adviesvraag
Ter voorbereiding op dit advies heeft uitgebreid literatuuronderzoek plaatsgevonden. Daarbij
zijn ook adviezen betrokken van andere adviesraden (SER, WRR en RMO). Er zijn drie panel-
bijeenkomsten gehouden met organisaties die zich richten op onderwijs aan kwetsbare jonge-
ren. Voorts is er een werkbezoek afgelegd aan een wijkschool in Rotterdam. Tijdens dat werk-
bezoek is ook gesproken met mensen die allerlei voorzieningen ontwikkelen in de regio om
de gevarieerde groep aan de basis van de beroepskolom te ondersteunen door alternatieve
opleidingsroutes te bieden. Tot slot hebben diverse individuele consultaties met deskundi-
gen plaatsgevonden. Een overzicht van de deelnemers aan de panelbijeenkomsten en van de
geraadpleegde deskundigen en literatuur is te vinden achter in dit advies.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                    11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Ondanks het huidige beleid om schooluitval tegen te gaan, is er een
    groep jongeren die de school voortijdig verlaat. De raad signaleert het
    risico dat deze groep in de nabije toekomst zal groeien. Hij pleit daar-
    om voor het uitwerken van alternatieven voor de startkwalificatie en
    voor meer flexibiliteit in het stelsel, zodat alternatieve routes naar het
    diploma mogelijk zijn.
2   Advies: creëer alternatieven voor
    jongeren die nu geen startkwalificatie
    halen
     De Onderwijsraad ziet de startkwalificatie als een belangrijke verworvenheid in het Neder-
     landse opleidingssysteem. Het minimale diploma bereidt jongeren goed voor op deelname
     aan de samenleving en op het verwerven van een plaats op de arbeidsmarkt. De raad pleit
     voor handhaving van het streven om zo veel mogelijk jongeren deze kwalificatie te laten beha-
     len. Overheidsmaatregelen die dit moeten bewerkstelligen, hebben effect gehad. Steeds meer
     jongeren hebben de kwalificatie gehaald.
     Niettemin constateert de raad dat er méér nodig is. De grenzen van het huidige beleid om
     schooluitval tegen te gaan, komen in zicht. De cijfers laten zien dat er een harde kern van jon-
     geren overblijft, op wie de maatregelen geen vat hebben. Deze leerlingen behalen, ondanks
     alle inzet, de startkwalificatie niet, althans niet via de reguliere route.
     De raad pleit ervoor om de aandacht óók te richten op deze groep. De omvang van de groep
     is nu stabiel, maar zal in de toekomst – onder andere door steeds hogere eisen aan leerlin-
     gen – waarschijnlijk toenemen. Het is zaak de jongeren om wie het gaat niet uit het oog te
     verliezen. Ook voor hen is actieve participatie op de arbeidsmarkt en in de samenleving van
     groot belang. Dit voorkomt sociale uitsluiting. Als iemand in staat is om zelfstandig een baan
     te verwerven en zo onafhankelijk een eigen inkomen te genereren, draagt dit bij aan het
     gevoel van eigenwaarde. Het scheelt ook aanzienlijk in het beroep op sociale voorzienin-
     gen dat mensen doen die zo’n positie niet verwerven.10 De raad pleit voor het uitwerken van
     alternatieven voor de startkwalificatie én voor meer flexibiliteit in het stelsel, zodat alterna-
     tieve routes naar het diploma mogelijk zijn.
2.1 Schooluitval is gehalveerd, maar blijft nu stabiel
     In tien jaar tijd is de schooluitval gehalveerd. Verliet in 2000 15,4% van de jongeren de school
     voortijdig, in 2012 was dat nog 8,8%. In vergelijking met andere Europese landen doet
     10   Van der Steeg & Webbink, 2006.
    12                                                                           Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Nederland het in dit opzicht goed.11 Het gemiddelde uitvalpercentage in de Europese Unie
daalde van 17,6% (2000) naar 12,8% (2012). Er valt nog steeds winst te behalen op dit punt, maar
minder eenvoudig dan tien jaar geleden, zo blijkt uit de cijfers. Het aantal schooluitvallers lijkt
zich te stabiliseren.
Tabel 1: Aantallen en percentages voortijdige schoolverlaters
                            2002       2004-         2005-         2006-          2007-         2008-         2009-          2010-
                                        2005          2006          2007          2008           2009          2010           2011
   Aantal                 71.000      58.600        52.700        50.900         46.800        41.80012      39.900         38.600
   Percentage                  5,5         4,6           4,0           3,9           3,6            3,2           3,0            2,9
Bron: DUO
In het schooljaar 2005-2006 verlieten nog 52.681 leerlingen de schoolbanken zonder diploma,
in 2011-2012 is dit aantal gedaald naar 36.245 (voorlopige cijfers). De grootste afname is behaald
bij jongeren onder de 18 jaar, waardoor in 2011-2012 meer dan 80% van de voortijdige school-
verlaters 18 jaar en ouder is.13 Bij deze cijfers moeten twee kanttekeningen worden geplaatst. In
de eerste plaats gaat het hier om ‘nieuwe’ schoolverlaters. In de tweede plaats worden men-
sen van 23 jaar en ouder niet meegenomen in de cijfers van het ministerie, waardoor de cijfers
een vertekend beeld kunnen geven. Het aantal mensen van boven de 23 dat de school zonder
startkwalificatie verlaat, is sinds 2005 namelijk toegenomen; van krap 21.000 naar ruim 23.000
in 2013.14
    Schooluitval het grootste aan de basis van de beroepskolom
    Uit bijlage 2 blijkt dat de leerlingenaantallen in de meeste onderwijsvormen aan de basis van de
    beroepskolom ongeveer 3 tot 5% van de totalen vormen. Alleen voor mbo niveau 2 ligt het per-
   centage beduidend hoger met 22%. Schooluitval doet zich vooral voor in de basisberoepsgerichte
    leerweg. Hier is het risico van uitval ongeveer drie keer zo groot als gemiddeld.15 Een lwoo-indicatie
    (leerwegondersteunend onderwijs) blijkt vooral in de eerste jaren van het vmbo een bijkomende
    risicofactor (in 2010 betrof dit 60% van de leerlingen in de basisberoepsgerichte leerweg).16 Voortij-
    dige schooluitval is ook een probleem in het mbo, en dan met name op niveau 1. In 2012 viel binnen
    de beroepsopleidende leerweg 34% van de leerlingen op niveau 1 uit en binnen de beroepsbege-
    leidende leerweg 45%.17 Verder is er relatief veel uitval in mbo 2 en 4. In figuur 1 lijkt de uitval in deze
   opleidingen zelfs groter, maar dit komt omdat mbo 1 relatief weinig leerlingen telt. Percentueel is de
    uitval in mbo 1 groter dan in andere opleidingen.
11    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
12    In dit jaar is het onderwijsnummer ingevoerd in het voortgezet speciaal onderwijs. Vanaf dat moment was het mogelijk te bepalen
      hoeveel leerlingen doorstroomden naar het speciaal onderwijs. Tot dan werd het aantal voortijdig schoolverlaters standaard gecor-
      rigeerd met 1.800.
13    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013b.
14    CBS statline, 24 juni 2013.
15    Herweijer, 2008.
16    Herweijer, 2008.
17    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013b.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                                                  13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    Figuur 1: Herkomst voortijdige schoolverlaters mbo t/m 22 jaar
    Percentage ten opzichte van het totaal aantal voortijdige schoolverlaters mbo, 27.000 in 2011-2012
    25%
                                                                                                                ni
    20%                                                                                                         ni
                                                                                                                ni
    15%
                                                                                                                ni
    10%
     5%
     0%
                                         bol                                      bbl
                                        niveau 1         niveau 2 niveau 3 niveau 4
    Bron: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
 Verschillende redenen om de school voortijdig te verlaten
 Leerlingen halen om uiteenlopende redenen geen startkwalificatie. Bij sommige leerlingen
 begrenzen beperkte cognitieve capaciteiten het opleidingsniveau. Dit is vooral bij leerlingen
 in het praktijkonderwijs het geval. Bij anderen is het afronden van een opleiding moeilijk of
 zelfs onmogelijk door bijvoorbeeld fysieke of psychische gezondheidsklachten of verslavin-
 gen.18 Ruim een op de zes leerlingen noemt (psychische) gezondheidsklachten als reden om
 de school voortijdig te verlaten. Dit geldt meer voor vmbo’ers (27%) dan voor mbo’ers (niveau
1 en 2: 15%; niveau 3 en 4: 16%). Daarnaast vormen zelfoverschatting, beperkte zelfreguleren-
 de vaardigheden en problemen met gezag een risico voor het succesvol afronden van een
 opleiding. Door zelfoverschatting kan een verschil ontstaan tussen het niveau dat leerlingen
 aan kunnen en het niveau waarop leerlingen willen beginnen. Onrealistische verwachtingen
 en motivatieproblemen zorgen er dan voor dat leerlingen uitvallen. Beperkte zelfregulatie en
 gezagsproblemen uiten zich onder meer in het zich niet houden aan afspraken en regels op
 school en op de stageplek. Ook dit leidt ertoe dat leerlingen de opleiding voortijdig moeten
 verlaten.19
 Daarnaast zijn er leerlingen die door te weinig ondersteuning en stimulering van het thuis-
 front niet in staat zijn een opleiding succesvol af te ronden. Ze voelen zich genoodzaakt om
 een inkomen te genereren voor hun ouders of voor hun eigen gezin20 en/of hebben tijdens de
 opleiding werk gevonden. Vooral mbo’ers verlaten de school voortijdig om te gaan werken.
 18   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2013.
 19   Francissen, Cohen & Bosveld, 2011.
 20   Een deel van deze groep heeft zelf kinderen.
14                                                                                 Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Naast de (thuis)situatie van de leerling speelt ook de opleiding zelf een rol bij voortijdig school-
verlaten. Leerlingen zelf noemen schoolgerelateerde oorzaken het meest (45%).21 Ze geven
redenen op als: “de opleiding was inhoudelijk (toch) niet wat ik wilde”, “de opleiding was slecht
georganiseerd” en “de opleiding was te moeilijk”. Voortijdige schoolverlaters uit het mbo
noemden deze schoolgerelateerde oorzaken het vaakst.
Een complicerende factor is dat leerlingen aan de basis van de beroepskolom vaak meerde-
re problemen tegelijk ervaren. Jongeren waarbij sprake is van ‘multi-problematiek’ worden
ook wel de overbelasten genoemd.22 De WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regerings-
beleid) onderscheidt deze groep van twee andere typen (potentiële) uitvallers: opstappers en
niet-kunners. Deze laten zich respectievelijk omschrijven als jongeren die een bewuste keuze
maken de school voortijdig te verlaten zonder dat er sprake is van een probleemgeschiedenis,
en jongeren die te weinig capaciteiten en leervermogen of een te ernstig gedragsprobleem
hebben om hun opleiding met succes af te ronden.23 De overheid heeft bijna dezelfde groe-
pen beschreven in een beleidsnota (1993), waar zij spreekt over: arbeidsmarktgerichte school-
verlaters, moeilijk lerende schoolverlaters en de ‘moeilijk grijpbare’ schoolverlaters.24
De grens tussen de verschillende categorieën is niet altijd scherp te trekken. Er is eerder sprake
van een continuüm waarbij de ernst van de problematiek en de onderliggende oorzaken varië-
ren. Wat uiteindelijk maakt dat leerlingen met één of meerdere problemen voortijdig de school
verlaten, wordt in hoge mate bepaald door een samenspel van factoren die een negatieve
invloed hebben op de voortzetting van de opleiding.
Uitval succesvol teruggedrongen door meer maatwerk en betere onderwijskwaliteit
Bij het streven om zo veel mogelijk jongeren een startkwalificatie te laten behalen, heeft het
overheidsbeleid zich onder andere gericht op het verbeteren van de onderwijskwaliteit aan de
basis van de beroepskolom. Om zo veel mogelijk tegemoet te komen aan de mogelijkheden
en beperkingen van leerlingen en de aansluiting met de arbeidsmarkt en de samenleving te
vergroten, zijn door de overheid en opleidingen verschillende maatregelen genomen en initi-
atieven ontwikkeld. Een overzicht van de ontwikkelingen in het onderwijs aan de basis van de
beroepskolom is opgenomen in het onderstaande kader.
De basis van de beroepskolom bestaat uit een zeer diverse groep jongeren, maar ze hebben
een aantal zaken gemeen. Ze leren door te doen, hebben relatief vaak concentratieproblemen,
moeite met het plannen en combineren van taken, zijn snel afgeleid,25 en ook speelt gebrek
aan motivatie vaak een rol.26 Leerlingen zijn zich bewust van de lage status van hun opleiding
en van de relatief beperkte toekomstperspectieven,27 en voor de meesten is een vertrouwens-
band met één volwassen begeleider van groot belang.28 Uiteraard zijn er ook verschillen tus-
sen leerlingen. Zoals gezegd is er een grote variëteit in cognitieve capaciteiten en fysieke of
psychische gezondheidsklachten. Bovendien kunnen er zeer diverse problemen spelen in de
thuissituatie van de leerlingen. Vaak ervaren de leerlingen meerdere van deze complicerende
factoren tegelijk.
21  Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2012.
22  Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009.
23  Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009.
24  Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen, 1993.
25  Groeneveld, Benschop & Olvers, 2010.
26  Francissen, Cohen & Bosveld, 2011; Elffers, 2011.
27  Van den Bulk, 2011.
28  Oberon, 2008; Francissen, Cohen & Bosveld, 2011; Sociaal-Economische Raad, 2007.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre> Een goede afstemming van het onderwijs op de behoeften van de leerlingen is cruciaal om
 uitval tegen te gaan. Dit vraagt om een specifieke inrichting van het onderwijs en een speci-
 fieke aanpak door leraren. Door de concentratie- en motivatieproblemen is bijvoorbeeld de
 behoefte aan structuur en instructie vaak groot. De leerlingen hebben duidelijke uitleg en een
 duidelijke opdracht nodig. Daarnaast is aansprekend en beroepsgericht onderwijs voor prak-
 tisch ingestelde leerlingen noodzakelijk, evenals een goede begeleiding bij de overstap naar
 de arbeidsmarkt.29 Onderwijs dat is losgemaakt van de praktijk – bijvoorbeeld in taal en reke-
 nen – kan demotiverend werken. Dan komt de focus te liggen op wat jongeren niet kunnen en
 is er minder aandacht en waardering voor wat ze wel kunnen.
    Ontwikkelingen aan de basis van de beroepskolom
    Voortgezet speciaal onderwijs: drie uitstroomprofielen
    Sinds 2012 hanteert het (voortgezet) speciaal onderwijs drie uitstroomprofielen: vervolgonderwijs,
    arbeidsmarkt en dagbesteding. Scholen kunnen hiermee doelgerichter en systematischer toe-
    werken naar een zo passend mogelijk eindresultaat voor hun leerlingen. Dit vergroot de kansen van
    jongeren met een beperking op maatschappelijke participatie. 30
    Praktijkonderwijs: individuele ontwikkelingsplannen en aansluiting op de arbeidsmarkt
    Het praktijkonderwijs bereidt leerlingen die (cognitief) niet in staat zijn om een vmbo-diploma te
    halen, voor op de arbeidsmarkt. Er is actief gewerkt aan een betere kwaliteit van het competentie-
    gerichte onderwijs op de praktijkscholen. Verder verloopt de overgang van leren naar werken gelei-
    delijker dan voorheen, waardoor het redelijk goed lukt om leerlingen naar een geschikte arbeids-
    plaats toe te leiden en uitval tegen te gaan. Voorbeelden van initiatieven hieromtrent zijn de duale
    leertrajecten, het arbeidscollege en Praktijknet.
    Vmbo: focus op maatwerk
    Het vmbo heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot een onderwijssoort dat als geen ander kan in-
    spelen op verschillende leerstijlen en -behoeftes. Met name de basisberoepsgerichte leerweg kent
    maatwerk. Zo zijn er verschillende vormen van leer-werktrajecten mogelijk en wordt intensief ge-
    werkt aan een optimale en geleidelijke aansluiting met het mbo. Een voorbeeld is het experiment
    vmbo-mbo 2 (vm2), waarin leerlingen geen overstap hoeven te maken naar een andere opleiding en
    de kans op uitval kleiner wordt. 31
    Mbo: verbeterde intake en invoering entreeopleiding
    In het mbo worden de entreeopleidingen (voormalig mbo niveau 1) geïntroduceerd voor leerlingen
    die geen vmbo-diploma hebben. Wie zo’n diploma wel heeft, kan terecht op niveau 2. Doelgroepen
    worden zo beter afgebakend en krijgen een beter afgestemde onderwijsaanpak en begeleiding
    (waarin onder andere intaketoetsen en assessments van leerlingen plaatsvinden). 32 Daarnaast zijn
    veel scholen gaan werken met pluscoaches voor leerlingen met gedragsproblemen. Verder wordt
    geëxperimenteerd met contextrijke leeromgevingen die dichter bij de beroepspraktijk liggen en die
    beter passen bij ‘doeners’. Voorbeelden zijn werkplekstructuren en de vakschool.
 De Inspectie beoordeelt de kwaliteit van het praktijkonderwijs inmiddels als voldoende. Ook
 het percentage zwakke en zeer zwakke scholen in de basisberoepsgerichte leerweg is het
 afgelopen jaar afgenomen. Toch kent het voortgezet onderwijs een relatief hoog percentage
 zwakke en zeer zwakke scholen. In 2012 was nog altijd een op de tien afdelingen in de kader-
 beroepsgerichte leerweg van het vmbo zwak of zeer zwak. De onderwijskwaliteit in het voort-
 29   Sociaal-Economische Raad, 2007.
 30   Memorie van toelichting bij wetswijziging ivm de kwaliteit van het speciaal en voortgezet onderwijs (2011).
 31   Bouwmans & Schoonhoven, 2012; Elffers, 2011.
 32   Francissen, Cohen & Bosveld, 2011.
16                                                                                                          Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>gezet speciaal onderwijs en het mbo op niveau 1 en 2 is nog steeds een aandachtspunt. Vooral
in de clusters 2 en 4 schiet de kwaliteit tekort: ruim een derde van de scholen in cluster 4 is
zwak of zeer zwak. De kwaliteit van de huidige mbo-opleidingen op de verschillende niveaus
wisselt sterk van opleiding tot opleiding. In het algemeen gaat de kwaliteit van het mbo er niet
op vooruit, het aantal zeer zwakke opleidingen neemt toe.33
Lokale aanval op schooluitval had effect
Naast het verbeteren van de onderwijskwaliteit aan de basis van de beroepskolom, is het
beleid ook gericht geweest op andere aspecten. Internationaal onderzoek laat zien dat beleids-
initiatieven vooral effectief zijn als deze niet alleen worden gericht op de situatie binnen de
school, maar ook op risicofactoren buiten de school. Daarbij gaat het om de achtergrond van
leerlingen en om het onderwijssysteem als geheel. Een dergelijke integrale aanpak vraagt om
een nauwe samenwerking tussen onderwijs, overheid, zorg en sociale dienstverlening.
Verder is het effectief om maatregelen vroeg in te zetten. Zo is het belangrijk om (vroeg) risi-
cogedrag te identificeren. Indien hierover betrouwbare gegevens beschikbaar worden gesteld
aan scholen, kunnen zij hun beleid hierop afstemmen. Het risico op uitval blijkt vooral groot
bij overgangen in het stelsel. Extra ondersteuning bij overgangen is daarom wenselijk. Tot slot
draagt het betrekken van ouders bij het onderwijs en het faciliteren van positieve relaties tus-
sen leraren en leerlingen en tussen leerlingen onderling bij aan het voorkomen van voortijdig
schoolverlaten.34
Veel van deze effectieve maatregelen zijn terug te vinden in het Nederlandse beleid. In het
kader staan de sleutelelementen van het Nederlandse beleid. Vooral de heldere (landelijke)
afspraken tussen ketenpartners over het voorkomen van schoolverzuim hebben effect gehad.
   Sleutelelementen uit het Nederlandse beleid35
   r Adequate, digitale absentieregistratie.
   r Langetermijnconvenanten tussen overheid, gemeenten en scholen. Er worden prestatie-
        afspraken gemaakt met scholen over een te behalen vermindering van voortijdig schoolverla-
        ten. Scholen krijgen een financiële bonus wanneer de doelstellingen worden behaald.
   r Samenwerking tussen 39 regio’s door heel het land om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan.
        Beleid wordt lokaal bepaald. De regio’s worden gefaciliteerd met financiële middelen. Goede
        voorbeelden van lokaal beleid worden uitgewisseld.
   r Extra faciliteiten voor kwetsbare jongeren: een combinatie van regulier onderwijs met zorg en
        ondersteuning en beroepsonderwijs als dat nodig is.
   r Verbeteringen binnen het mbo door in de eerste jaren de (loopbaan)begeleiding van leerlingen
        te intensiveren.
Huidige beleid: nog steeds verbetering mogelijk, maar dat is niet genoeg
Er gebeurt veel om leerlingen binnen het onderwijs te houden en ze op die manier zo goed
mogelijk voor te bereiden op werk en samenleving. Er wordt hard gewerkt aan kwalitatief
goed en aantrekkelijk onderwijs dat inspeelt op de mogelijkheden en interesses van de indi-
viduele leerlingen. Bovendien wordt lokaal beleid ontwikkeld om voortijdig schoolverlaten
tegen te gaan. Het beleid is zinnig en er zijn nog steeds verbeteringen mogelijk, met name als
het gaat om de onderwijskwaliteit in het voortgezet speciaal onderwijs en het mbo niveau 1
33   Inspectie van het Onderwijs, 2013.
34   Lyche, 2010.
35   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                  17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>     en 2. Tegelijkertijd constateert de raad een grens aan de effectiviteit van onderwijsontwikke-
     ling en -beleid. Niet alle leerlingen kunnen naar het niveau van een startkwalificatie worden
     gebracht – sommige zijn niet in staat aan de eisen te voldoen.
2.2 Voor sommige leerlingen is de startkwalificatie (nu) niet haalbaar
     Het is de vraag of de doelstelling van 25.000 schoolverlaters in 2016 gehaald gaat worden. Er
     lijkt een ‘harde kern’ van jongeren over te blijven, die door het beleid niet wordt bereikt. Dit
     betreft jongeren die nu thuis zitten, maar ook jongeren die op dit moment wel werk hebben.
     Ongeveer 10% van de leerlingen verliet school omdat ze betaald werk hadden gevonden;
     anderhalf jaar later is ruim een derde daarvan alweer werkloos, waarschijnlijk doordat ze ouder
     worden en dus ‘te duur’ zijn voor simpele werkzaamheden.36
     In dit advies wordt een onderscheid gemaakt tussen twee groepen leerlingen: een groep
     die niet in staat is een startkwalificatie te halen, en een groep die wel in staat is een start-
     kwalificatie te halen, maar niet via de bestaande reguliere opleidingsroutes en in de tijd die
     voor de opleiding gegeven wordt.
    Zonder startkwalificatie toch een goede voorbereiding op arbeidsmarkt en samenleving
     De groep leerlingen die niet in staat is een startkwalificatie te halen, heeft een omvang van
     ongeveer 12.700 leerlingen per jaar. Deze schatting is gebaseerd op de uitvalcijfers in de basis-
     en kaderberoepsgerichte leerwegen van het vmbo en die in mbo 1.37 Deze groep leerlingen
     heeft tot op heden weinig aandacht gekregen in het beleid. Het beleid was vooral gericht
     op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Toch kunnen ook jongeren zonder start-
     kwalificatie zich een waardevolle plek op de arbeidsmarkt en in de samenleving verwer-
     ven. Eerder lijkt er sprake te zijn van een glijdende schaal voor mensen zonder en met start-
     kwalificatie. Naarmate men meer onderwijs volgt, verbeteren de arbeidsmarktperspectieven.
     Dit geldt zowel voor het niveau onder als voor het niveau boven de startkwalificatie. Alhoewel
     de Onderwijsraad pleit voor het behoud van de startkwalificatie (het heeft voor veel leerlingen
     een positief effect)38, wil hij in dit advies ook wijzen op alternatieven voor de startkwalificatie
     (zie hoofdstuk 3).
     Door verbeteren toegankelijkheid toch een startkwalificatie
     Er is ook een groep leerlingen die nu uitvalt, maar die naar verwachting wel een start-
     kwalificatie kan halen. Van leerlingen die een vmbo-diploma hebben behaald, moet de meer-
     derheid in staat zijn een startkwalificatie te halen. Voor deze groep verdient het aanbeveling de
     toegankelijkheid van de opleidingen te verbeteren (zie verder hoofdstuk 4).
     36   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2012.
     37   In 2011-2012 verlieten 8.421 leerlingen het voortgezet onderwijs. Van deze leerlingen was een derde afkomstig uit het vmbo (leerjaar
          3 en 4, inclusief gemengde en theoretische leerweg). Dit komt neer op ongeveer 2.800 leerlingen. Verder verlieten in 2011-2012 27.002
          leerlingen het mbo. Hiervan was 36,4% afkomstig uit opleidingen op niveau 1. Dit komt neer op 9.900 leerlingen. Totaal komt het dus
          neer op maximaal 12.700 nieuwe schoolverlaters per jaar. Zie Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
     38   Onlangs hield de RMO in het essay getiteld Klaar voor de start. Overwegingen bij de startkwalificatie een pleidooi voor de afschaffing
          van de startkwalificatie in de huidige vorm; Harchaoui, Janssens & Van der Meer, 2013.
    18                                                                                                      Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>2.3 De groep zonder startkwalificatie dreigt te groeien
    De raad signaleert het risico dat de groep jongeren die uitvalt in de nabije toekomst zal groei-
    en. Daarmee zal ook de omvang van de harde kern – die niet bereikt wordt door het huidige
    beleid – toenemen. De raad ziet drie oorzaken hiervoor, die ook op elkaar inspelen: strakkere
    normen voor taal en rekenen; ongunstige economische ontwikkelingen; en aanpassingen in
    de zorg- en sociale voorzieningen.
    Strakkere normen voor taal en rekenen
    Er komen steeds strakkere normen voor taal en rekenen. Onlangs zijn streefniveaus ingevoerd:
    aan het einde van het vmbo en mbo 1 dienen leerlingen niveau 2F voor taal en rekenen te
    beheersen. Het onderwijsveld maakt zich grote zorgen over de haalbaarheid van deze niveaus
    voor veel leerlingen. Meer algemeen vormende vakken maken het onderwijs voor deze leer-
    lingen niet uitdagender, eerder meer belastend. Zeker als het gaat om leerlingen die bewust
    hebben gekozen voor een opleidingsroute die werken combineert met vooral praktijkvak-
    ken op school (beroepsbegeleidende leerweg). Bovendien kan het voornemen om de streef-
    niveaus op relatief korte termijn in te voeren, ertoe leiden dat een aanzienlijk aantal leerlingen
    dit niveau in elk geval de komende jaren nog niet gaat halen. Als reactie hierop inventariseert
    het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) ervaringen van scholen met taal-
    en rekenonderwijs op mbo niveau 1.39
    Ongunstige economische ontwikkelingen
    Door de voortdurende crisis in de eurozone lopen de werkloosheidscijfers op, en die voor de
    jeugd in het bijzonder. Bovendien treedt er een verdringingseffect op. Bij een tekort aan banen
    hebben werkgevers een grotere keuze uit potentiële arbeidskrachten en zullen zij geneigd zijn
    jongeren aan te nemen met een zo hoog mogelijk opleidingsniveau. Werkgevers zullen vaker
    jongeren aannemen met een mbo 3- of 4-opleiding dan jongeren met een mbo 1- of 2-oplei-
    ding. Voor de laatste groep wordt het dus nog moeilijker om werk te vinden.
    De economische malaise gaat niet alleen ten koste van arbeidsplaatsen voor schoolverlaters.
    Ook het vinden van stageplaatsen is moeilijker geworden. Dit vergt vooral in het mbo veel
    inspanning van de opleidingen en van de leerlingen zelf.40 Zonder leer-werkplek is het volgen
    van de beroepsbegeleidende leerweg niet mogelijk. Het kabinet heeft maatregelen aange-
    kondigd om de jeugdwerkloosheid tegen te gaan en besteedt daarbij expliciet aandacht aan
    de beschikbaarheid van voldoende leer-werkplekken. 41 Samen met de sociale partners zal wor-
    den gewerkt aan een sectorale aanpak en ook de arbeidsmarktregio’s worden hierin betrokken.
    Het kabinet heeft opgeroepen in de plannen expliciet aandacht te schenken aan voldoende
    stageplaatsen en (leer-werk)banen, die onder voorwaarden door middel van cofinanciering
    (vanuit overheid en bedrijfsleven) ondersteund worden. Gemeenten gaan meer met elkaar,
    met scholen en met andere instellingen samenwerken om de jeugdwerkloosheid te bestrijden.
    Concrete voorbeelden van initiatieven op dit vlak zijn de Startersbeurs, het Jongerenloket en
    jong-oudarrangementen. Ook is een ambassadeur voor de aanpak jeugdwerkloosheid aange-
    steld die ervoor moet zorgen dat de regionale en sectorale aanpakken goed op elkaar aanslui-
    ten als het gaat om vacatures, stageplaatsen en leer-werkbanen. 42
    39  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
    40  Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven, 2013; Om subsidie te krijgen, overdrijven werkgevers en mbo stagetekort, 2012.
    41  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013.
    42  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2012.
    Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                                                   19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Veranderingen in zorgstructuren en sociale voorzieningen
 Er gaan verschillende zaken veranderen in de zorgstructuren rond de basis van de beroeps-
 kolom. In het algemeen kan gesteld worden dat de sociale voorzieningen worden afgebouwd.
 Het wordt dus moeilijker om aanspraak te maken op extra begeleiding of hulpverlening, waar-
door meer jongeren moeite zullen hebben zich te redden. Daarnaast krijgen verschillende par-
 tijen, vooral de gemeenten, een nieuwe rol met daarbij nieuwe verantwoordelijkheden die
vragen om specifieke expertise. Sommige partijen zullen snel in staat zijn om zich de rol en
expertise eigen te maken; voor andere partijen zal hier tijd overheen gaan. Hoewel de ver-
onderstelling is dat op termijn de uitval vermindert, zal gedurende de overgangsperiode de
 uitval waarschijnlijk (tijdelijk) toenemen.
 In het nieuwe stelsel voor passend onderwijs verdwijnt de leerlinggebonden financiering. Het
 budget blijft wel volledig beschikbaar (in tegenstelling tot eerdere voorstellen), maar gaat
voortaan rechtstreeks naar de samenwerkende scholen in plaats van naar de individuele scho-
 len. Het nieuwe stelsel gaat in op 1 augustus 2014. Op het eerste gezicht lijkt dit budgetneu-
 traal te gaan. In de praktijk worden echter ambulante begeleiders vanuit het voortgezet speci-
aal onderwijs ingezet om leerlingen te begeleiden in het middelbaar beroepsonderwijs. Deze
 mensen worden in het nieuwe stelsel wegbezuinigd. De mbo-sector maakt geen onderdeel
 uit van het tripartiete akkoord met de bonden en is vooralsnog niet van plan om de ambulante
 begeleiders in het middelbaar beroepsonderwijs te behouden. De zorg en begeleiding bin-
 nen het mbo gaan dus in de toekomst verminderen, wat kan leiden tot meer uitval.
 Gemeenten krijgen een belangrijke taak in het passend onderwijs. Op uitvoerend niveau
 moet het funderend onderwijs een zorgaanbod voor een leerling afstemmen met gemeentes
en jeugdzorgaanbieders. Dit geldt natuurlijk alleen als de problematiek de onderwijszorg te
 boven gaat. Idealiter betekent dit dat onderwijs en gemeenten samen en in samenhang pas-
sende onderwijs- , opvoed- en opgroeiondersteuning bieden aan het kind, het gezin en de
docenten in de klas. De gemeente kan het zorgplan van de samenwerkingsverbanden bekijken
 in het licht van de plannen in het bredere (jeugd)zorgdomein. De op handen zijnde Jeugdwet
 regelt dat de gemeenten vanaf 2015 verantwoordelijk worden voor alle ondersteuning, hulp
en zorg aan kinderen, jongeren en opvoeders. Er komen dus meer verantwoordelijkheden bij
gemeenten terecht. Er zullen grote verschillen zijn tussen gemeenten voor wat betreft de erva-
ring en expertise op dit gebied. Dit is een risico voor kwetsbare jongeren.
 Daarnaast wordt vanaf 1 januari 2015 de nieuwe Participatiewet ingevoerd. Over de invulling
 hiervan heeft het kabinet nadere afspraken gemaakt in het sociaal akkoord. 43 In de Participa-
 tiewet wordt een aantal wetten samengevoegd: de Wet werk en bijstand, de Wet sociale werk-
voorziening en een deel van de Wet wajong (werk- en arbeidsondersteuning jonggehandicap-
 ten). De Participatiewet vervangt het voormalige wetsvoorstel Wet werken naar vermogen. De
 Participatiewet zal onder meer betekenen dat alleen mensen die volledig en duurzaam niet
 kunnen werken, nog voor de Wet wajong in aanmerking komen. Anderen kunnen naar het
 Werkbedrijf, dat deze mensen op weg naar werk ondersteunt. De gemeente wordt voor hen
verantwoordelijk, zowel wat betreft re-integratie als inkomen (uitkering op bijstandsniveau).
 De sociale werkvoorziening wordt gesloten voor nieuwe werknemers. Gemeenten krijgen
geld om straks 30.000 arbeidsgehandicapten een werkplek te bieden. Door deze inperkingen
van sociale voorzieningen zullen meer jongeren zichzelf moeten kunnen redden.
43   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2013.
20                                                                     Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>  Ook leerlingen die niet in staat zijn een startkwalificatie te halen, moe-
  ten worden voorbereid op de arbeidsmarkt en samenleving. De raad
  adviseert een tweede uitstroomprofiel toe te voegen aan de entree-
  opleiding die toeleidt naar de arbeidsmarkt. Hierin staat leren op de
  werkplek centraal. De raad formuleert tevens randvoorwaarden voor
  dit extra uitstroomprofiel.
3 Aanbeveling 1: geef de entree-
  opleiding twee uitstroomprofielen
  De groep jongeren die niet in staat is een startkwalificatie te behalen, is (grotendeels) wel in
  staat om te werken. De raad pleit daarom voor twee uitstroomprofielen in de entreeopleiding.
  Eén dat leidt naar een mbo 2-opleiding (conform de huidige plannen) en één dat leidt naar de
  arbeidsmarkt.
  Leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs behoren tot de
  groep jongeren die meestal niet in staat is een startkwalificatie te halen. Voor de meeste
  leerlingen zijn het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs eindonderwijs:
  ze stromen door naar de arbeidsmarkt of naar een andere dagbesteding. Leerlingen zijn in
  het voortgezet speciaal onderwijs of het praktijkonderwijs terechtgekomen omdat ze op of
  na de basisschool een indicatie krijgen van een Commissie voor de Indicatiestelling of een
  Regionale Verwijzingscommissie. Er is daarnaast echter een groep leerlingen die niet op de
  juiste plek terechtkomt. Het gaat daarbij vooral om jongeren die met het voortgezet onder-
  wijs beginnen in het vmbo, maar van wie later blijkt dat zij niet in staat zijn om een start-
  kwalificatie te halen. Er is voor hen geen (logische) weg meer (terug) naar het eindonderwijs.
  Zij kunnen zonder vmbo-diploma weliswaar terecht op de toekomstige entreeopleiding in
  het mbo, maar hier krijgen zij na vier maanden een bindend studieadvies (zie kader). Maakt
  de jongere onvoldoende vordering, dan is dit advies negatief en moet hij de opleiding stop-
  pen. In dat geval is er geen duidelijk alternatief.
     De entreeopleiding en het bindend studieadvies
     Vanaf 1 augustus 2014 gaat de nieuwe entreeopleiding in het mbo van start (als gevolg van een wets-
     wijziging die doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs moet bewerkstelligen). De opleiding
     komt in de plaats van de mbo niveau 1-opleiding en de aka-opleiding (arbeidsmarktgekwalificeerd
     assistent). Er geldt een drempelloze instroom: jongeren die niet meer volledig leerplichtig zijn, kun-
     nen er terecht zonder de eis van een diploma op ten minste vmbo-niveau. Schooluitval wordt zo
     tegengegaan door een betere voorsortering van de doelgroep, intensivering van het onderwijs en
     betere individuele begeleiding. De entreeopleiding duurt één jaar en is in principe gericht op door-
     stroom naar vervolgonderwijs op mbo niveau 2.44
  44   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013b.
  Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>       De entreeopleiding kent een bindend studieadvies. Uiterlijk vier maanden na de start van een oplei-
       ding zijn scholen verplicht aan studenten een advies af te geven over de voortzetting van de oplei-
       ding. Maakt de leerling onvoldoende vordering, dan hebben scholen de mogelijkheid een negatief
       studieadvies af te geven. De onderwijsovereenkomst wordt ontbonden en de student kan de oplei-
       ding niet afmaken. Studenten kunnen zich daarna wel weer inschrijven voor een andere entreeoplei-
       ding bij dezelfde instelling, of voor dezelfde entreeopleiding bij een andere instelling. Voor studen-
       ten die het niet lukt om een entreeopleiding na twee jaar succesvol af te ronden – de studenten zijn
       dan inmiddels minimaal achttien jaar oud en daarmee niet meer kwalificatieplichtig – bestaan er
       geen alternatieven binnen het onderwijs.
     De raad verwacht dat door de invoering van het bindend studieadvies in de nieuwe entree-
    opleiding de groep ongekwalificeerde jongeren zal toenemen. De kans is groot dat leerlingen
     tussen wal en schip raken. Bovendien kunnen zij door het bindend studieadvies heen en weer
    worden geslingerd tussen opleidingen en instellingen (of tussen instellingen en gemeenten),
    omdat ze wel een nieuwe entreeopleiding mogen starten.
     De raad pleit daarom voor twee uitstroomprofielen voor de entreeopleiding, in plaats van één.
     Eén route die voorbereidt op het behalen van een startkwalificatie, en één die toeleidt naar de
    arbeidsmarkt. Dit laatste uitstroomprofiel zou voorbehouden moeten zijn aan de leerlingen
    voor wie de startkwalificatie een brug te ver is. Voor deze groep adviseert de raad een diploma
    aan het einde van het traject waarbij de eisen voor taal en rekenen (2F) worden losgelaten,
    maar waarbij wel recht wordt gedaan aan de verworven capaciteiten.
3.1 Vervang het bindend studieadvies door een stevige intake
     Heel belangrijk bij twee uitstroomprofielen is een goede intakeprocedure bij aanvang van de
    entreeopleiding. Deze procedure bepaalt of leerlingen passen in het uitstroomprofiel richting
    startkwalificatie of het uitstroomprofiel richting de arbeidsmarkt. Er zullen strikte toelatings-
    criteria moeten komen voor de toelating tot het uitstroomprofiel richting de arbeidsmarkt, om
     te voorkomen dat dit een aantrekkelijke route wordt voor jongeren die wel in staat zijn een
    startkwalificatie te halen. Het uitstroomprofiel is een relatief dure onderwijsvorm vanwege de
     begeleiding die rond het traject is georganiseerd (zie de uitwerking in paragrafen 3.2 en 3.3). Dit
     betekent dat de intake zorgvuldig moet gebeuren en dat alleen de leerlingen die echt niet in
    staat zijn een startkwalificatie te halen, een plek krijgen in dit uitstroomprofiel. Het middelbaar
     beroepsonderwijs heeft al enige tijd ervaring opgedaan met intakeprocedures; voor een intake
    voor de entreeopleiding zijn waarschijnlijk geen grote aanpassingen nodig. De raad pleit ervoor
    dat scholen jaarlijks de intake evalueren, zodat de plaatsing steeds beter wordt. Met het oog op
     individuele kenmerken van jongeren of onvoorziene leervorderingen die maken dat het ontwik-
     kelingsperspectief van jongeren verandert, moet het mogelijk kunnen zijn om tussentijds van
    uitstroomprofiel te veranderen.
    Sta verschillende licentiehouders toe
     De raad vindt dat zowel roc’s en aoc’s (regionale opleidingencentra en agrarische opleidin-
    gencentra) als instellingen voor praktijkonderwijs licentiehouder moeten kunnen zijn voor de
    entreeopleiding met twee uitstroomprofielen. De roc’s en aoc’s hebben vooral ervaring met
     het onderwijs gericht op de voorbereiding op een startkwalificatie (het ene uitstroomprofiel).
     Het praktijkonderwijs heeft vooral ervaring met het onderwijs gericht op toeleiding naar de
    arbeidsmarkt (het andere uitstroomprofiel). Uiteraard moet het ook mogelijk zijn, zoals nu al
    22                                                                             Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>    op sommige plekken in Nederland gebeurt, om door middel van samenwerking tussen beide
    soorten onderwijsinstellingen een opleiding te verzorgen.
3.2 Stel in het nieuwe uitstroomprofiel leren op de werkplek centraal
    Het extra uitstroomprofiel dat de raad voorstelt, is gericht op het toeleiden van jongeren
    naar de arbeidsmarkt. Werken op de werkplek – onder begeleiding – staat centraal. Juist deze
    kwetsbare groep jongeren is gebaat bij een naadloze overgang van school naar werk. 45 Om
    deze overgang zo soepel mogelijk te laten zijn, zijn verschillende principes belangrijk. Ze wor-
    den hieronder uitgewerkt.
    Kijk naar wat jongeren wél kunnen en help hen bij het ontwikkelen van een reëel zelfbeeld
    De inhoud van het traject is belangrijk. Die moet een beroep doen op de kwaliteiten van de
    jongeren die benut kunnen worden in het werk. Dit betekent dat het individu centraal staat.
    Het traject houdt rekening met zijn kwaliteiten en beperkingen, zodat uiteindelijk participatie
    mogelijk is in een vorm van werk die hierop aansluit. 46 In de eerste fase van de opleiding richt
    het (onder begeleiding) werken op een echte werkplek zich op loopbaanoriëntatie: welk werk
    past bij de jongere? Jongeren krijgen zo beter zicht op hun voorkeuren, sterktes en zwaktes
    en ze ontwikkelen een reëel zelfbeeld. Naast loopbaanoriëntatie is het ontwikkelen van basis-
    vaardigheden een zeer belangrijk aspect van deze opleidingsroute: op tijd komen, sociale en
    communicatieve vaardigheden, motivatie. Deze groep leerlingen heeft dergelijke vaardighe-
    den vaak niet van huis uit aangeleerd gekregen. 47
    Lerende werkplek
    In de tweede fase van het traject kunnen scholingselementen worden ingevoegd. Er moet aan-
    dacht zijn voor het verwerven van de voor beroep en arbeidsmarkt relevante kennis en vaardig-
    heden. In het uitstroomprofiel wordt dus gewerkt aan basisvaardigheden, maar deze worden
    geleerd op een andere manier, namelijk in de context van het beroep. Dit geldt ook voor taal- en
    rekenvaardigheden. Hoewel het streefniveau 2F voor taal en rekenen wordt losgelaten in dit
    uitstroomprofiel, wordt er nog wel gewerkt aan taal- en rekenvaardigheden. Taal en rekenen
    worden geleerd door toepassing in het werk. Diagnostische toetsen van taal- en rekenvaardig-
    heden in de beroepscontext kunnen richting geven aan dit leerproces. De raad adviseert dan ook
    dergelijke toetsen te laten ontwikkelen. De afronding van de scholing wordt met een certificaat
    bezegeld: erkenning van competenties via deelcertificaten werkt motiverend.48
    De raad benadrukt dat het dus zou moeten gaan om een werkplek waar geleerd wordt. Wan-
    neer jongeren enkel worden toegeleid naar de arbeidsmarkt, komen ze aan onderkant van de
    arbeidsmarkt terecht. Ze blijven daar en worden na verloop van tijd vaak alsnog werkloos. Met
    het leren van basisvaardigheden worden ze minder kwetsbaar op de arbeidsmarkt en hebben
    ze de mogelijkheid om op te klimmen.
    Ook na de afronding van de entreeopleiding is het belangrijk om door te leren. In een eerder
    advies van de raad is gewezen op het belang van postinitieel leren, juist voor laagopgeleide
    jongeren en volwassenen, om hun positie op de arbeidsmarkt en in de maatschappij te ver-
    45  Sociaal-Economische Raad, 2007.
    46  Sociaal-Economische Raad, 2007; Smulders, Voncken & Westerhuis, 2013.
    47  Smulders, Voncken & Westerhuis, 2013.
    48  Smulders, Voncken & Westerhuis, 2013.
    Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    stevigen. Het uitstroomprofiel kan de basis leggen voor verdere scholing na de entreeoplei-
    ding. De deelcertificaten en ervaringscertificaten (gebaseerd op erkennen van verworven com-
    petenties) vormen hiervoor een extra stimulans. De raad doet hierbij tevens een nadrukkelijk
     beroep op de werkgevers. Uit onderzoek blijkt dat zij niet vanzelfsprekend investeren in de
    ontwikkeling van laagopgeleide werknemers. 49 Om de positie van de groep te verstevigen, tij-
    dens de entreeopleiding én daarna, is de medewerking van werkgevers essentieel.
    Zorg voor goede begeleiding: geef jongeren een jobcoach
     De vorm waarin begeleiding wordt georganiseerd is belangrijk. Om de overgang naar werk
    soepel te maken, wordt er in het praktijkonderwijs (en ook in het middelbaar beroepsonder-
    wijs) steeds meer gewerkt met jobcoaches. Zij begeleiden de leerlingen (intensief) tot ze zelf-
    standig het werk kunnen uitvoeren op de werkplek. Vooral kleine begeleidingsteams en het
    meester-gezelprincipe blijken goed te werken.50 Deze kwetsbare jongeren hebben de behoef-
     te om een vertrouwensband op te bouwen met een volwassene die hen gedurende het hele
     traject begeleidt met uiteenlopende kwesties waar ze tegenaan lopen (op school, op de werk-
    plek en privé). Van belang is verder dat er naast de persoonlijke jobcoach voldoende (specialis-
     tische) ondersteuning kan worden geboden wanneer dat nodig is, ook op de werkvloer. Deze
    voorzieningen mogen niet te versnipperd zijn.51
3.3 Stel als voorwaarde: voldoende regionale ondersteuning en begeleiding
    Zorgplicht als voorwaarde voor de entreeopleiding
     De groep jongeren aan de basis van de beroepskolom is verder gebaat bij regionale afspra-
     ken over zorgplicht. Als duidelijk is welke instelling zich moet ontfermen over een zorgleerling,
     kan dit voorkomen dat niet-leerplichtige leerlingen tussen wal en schip raken en tussen instel-
     lingen heen en weer worden geschoven. De raad adviseert dan ook te regelen dat een niet-
     leerplichtige jongere pas mag worden uitgeschreven bij de ene instelling als een andere de
     jongere overneemt. De raad wil deze inbedding van zorgplicht als voorwaarde stellen voor de
    entreeopleiding: pas wanneer de zorgplicht in de regio is geborgd, mag de onderwijsinstelling
    de opleiding aanbieden.
    Samenwerkingsverbanden spelen belangrijke rol in zorg en ondersteuning
     Bij de toeleiding van jongeren naar de arbeidsmarkt zijn verschillende partijen betrokken.
    Andere adviesorganen hebben ten aanzien van deze groep jongeren het belang van samen-
    werking en afstemming tussen alle betrokkenen aangegeven.52 Alleen bij een goede samen-
    werking kan sprake zijn van voldoende ondersteuning en begeleiding op maat van jongeren
    zonder startkwalificatie. Ook de Onderwijsraad wijst op het belang van regionale samenwer-
     king. Regionale samenwerking gebeurt al op verschillende gebieden, zoals arbeidsmarkt,
     jeugdzorg en passend onderwijs. Het zou goed zijn om van deze reeds bestaande samenwer-
     kingsverbanden gebruik te maken bij het realiseren van de zorg en ondersteuning van de leer-
     lingen die worden toegeleid naar de arbeidsmarkt.
    Op verschillende plekken in Nederland ontstaan ook al samenwerkingsverbanden tussen roc’s,
    praktijkonderwijs, gemeenten, UWV, bedrijfsleven en jeugdzorg gericht op het coördineren
    van de ondersteuning en begeleiding van kwetsbare jongeren (zie kader).
    49   Josten, Vlasblom & De Voogd-Hamelink, 2012; Onderwijsraad, 2012; Raad voor Werk en Inkomen, 2011; Fouarge, Schils & De Grip, 2011.
    50   Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009; Inspectie van het Onderwijs, 2011; Oberon, 2008.
    51   Sociaal-Economische Raad, 2007.
    52   Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009; Sociaal-Economische Raad, 2007.
    24                                                                                                 Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   Rijnmond NetWerkt biedt jongeren uit praktijkonderwijs en vso perspectief op werk
   Voor de start van het regionale samenwerkingsverband is een grondige probleemanalyse gemaakt.
   Een wezenlijk deel van de jongeren uit het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs die
   wel kunnen werken, werkt niet vanwege een aantal redenen.
   r Werkgevers houden vast aan (minimale) diploma-eisen en zijn onbekend met de mogelijk-
         heden van jongeren. Werkgevers ontbreken vaak aan tafels waar gesproken wordt over beleid
         om jongeren aan het werk te krijgen.
   r Scholen hebben weinig contact met werkgevers, waardoor er onvoldoende zicht is op kansen
         voor jongeren.
   r Het lukt onvoldoende andere organisaties in te schakelen voor de ondersteuning van de jonge-
         ren op de werkplek, en daarmee werkgevers en jongeren te ontlasten. Dit komt doordat werk-
         gevers onvoldoende bekend zijn met de voorzieningen, maar ook doordat organisatiebelangen
         prevaleren boven dat van de opvang van de jongeren.
   r Werkend leren op niveau 1 van het mbo is tot op heden niet mogelijk. Doorleren is voor leerlin-
         gen makkelijker. Jongeren volgen een opleiding bij het roc terwijl ze in een werksituatie beter
         op hun plek zijn.
   Op initiatief van een groep directeuren van praktijkscholen in Rotterdam Rijnmond (en van een door
   hen aangestelde ambassadeur praktijkonderwijs) is een regionaal netwerk ontstaan waarin UWV,
   MEE, Sociale Werkvoorziening, roc’s en PrOWerk participeren. Doel is jongeren aan werk helpen. Er
   is ook veel geïnvesteerd in de samenwerking tussen de praktijkscholen en de roc’s en er zijn afspra-
   ken gemaakt over de overgangen van de ene onderwijssoort naar de andere.
   In het samenwerkingsverband gaat het niet om nieuwe organisatievormen, maar om bundeling
   en maximaal gebruikmaken van kwaliteiten en middelen van bestaande partijen. Een integrale
   aanpak met een nadrukkelijke link naar het bedrijfsleven en waarbij de belangen van jongeren en
   werkgevers boven organisatiebelangen staan. Het samenwerkingsverband biedt voor jongeren
   en werkgevers verschillende voordelen. Voor jongeren: verwerven van werkvaardigheden, keuze-
   begeleiding, een plan van aanpak en arbeidstoeleiding op maat, aanbod van stage- en werkplekken,
   werk houden, een vast aanspreekpunt. Voor werkgevers: beeld van mogelijkheden van jongeren,
   realistisch beeld van omgaan met jongeren, ondersteuning in de vorm van een al dan niet interne
   jobcoach en loondispensatie en eerlijke informatie.
   Jongeren met hun wensen, mogelijkheden en beperkingen vormen het vertrekpunt in het werk-
   model. Om hen aan werk te helpen worden de krachten gebundeld en wordt een brug geslagen naar
   werkgevers. Al werkende loopt men aan tegen belemmeringen en knelpunten die vragen om een
   structurele aanpak. Die komen op de gezamenlijke werkagenda, waarna afgesproken wordt hoe de
   knelpunten op te lossen.
   Knelpunten die overwonnen moesten worden lagen op het terrein van verdeling van verantwoordelijk-
   heden en onduidelijke wet- en regelgeving. Verder geldt dat dit type initiatieven zich begeven op het
   snijvlak van onderwijs en arbeid. Partijen zijn goed in de ene of de andere kant, maar bijna nooit in
   beide. Dat maakt het altijd ingewikkeld.
   Bron: Smulders, Voncken & Westerhuis, 2013.
Geef lokale samenwerkingsverbanden ruimte om te experimenteren
Een kenmerk van de bestaande en succesvolle samenwerkingsverbanden is dat ze zijn ont-
staan als antwoord op een probleem in de regio. Ze ontstaan langzaam, zijn gebaseerd op ver-
trouwen en ontwikkelen zich van onderop.53 Het heeft daarom de voorkeur om de organisatie
van de samenwerkingsverbanden over te laten aan de organisaties en instellingen in de regio.
Op deze manier kunnen zij zelf bepalen wat voor hun situatie het beste is. Dit laat onverlet dat
53   Van Delden, 2010.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    de overheid vanuit haar stelselverantwoordelijkheid wel moet toezien op de totstandkoming
    van een dekkend systeem van samenwerkingsverbanden en moet overgaan tot sturing als dit
     niet van onderop tot stand komt.
     Een van de drijvende krachten van een samenwerkingsverband is het samenspel tussen uitvoe-
     rende medewerkers. In succesvolle verbanden staat het aanpakken van concrete problemen
    centraal en ligt de nadruk op handelen. In de meest succesvolle situaties heerst een pioniers-
     klimaat: men zoekt op de werkvloer actief naar en experimenteert met nieuwe oplossingen.
     Dit vraagt om een specifieke rol en houding van bestuurders en samenwerkingsverbanden. Zij
    zouden dit pioniersklimaat zo veel mogelijk moeten faciliteren door ruimte te laten voor uit-
     proberen en ontdekken. Op deze manier kan optimaal gebruik worden gemaakt van het lokale
     probleemoplossend vermogen.54
     Deze exploratieve ontwikkelstrategie komt in de praktijk weinig voor. De overheid en ook loka-
     le bestuurders hebben de neiging om vanuit inhoudelijke en bestuurlijke vraagstukken te den-
     ken bij de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden. Ze formuleren vaak centrale doelen,
    vertalen die in algemeen geldend beleid en zetten ze om in een uitvoeringsprogramma. Bij
    een dergelijke aanpak is er weinig tot geen ruimte voor experimenteren55, terwijl dat uitein-
    delijk tot meer succes leidt. Voor de vormgeving van samenwerkingsverbanden doet de raad
    daarom een oproep aan de overheid en lokale bestuurders om in de praktijk ruimte te laten
    voor uitproberen en daar de vorming en organisatie van samenwerkingsverbanden op af te
    stemmen.
3.4 Zorg voor ruimere regels, goede taakverdeling en prestatieafspraken
     Een aantal randvoorwaarden is essentieel om het op de arbeidsmarkt gericht uitstroomprofiel
    af te kunnen stemmen op de doelgroep. Het gaat om ruimte in de wet- en regelgeving, een
     heldere verdeling van verantwoordelijkheden, en het maken van prestatieafspraken.
    Geef ruimte in wet- en regelgeving voor de inrichting van trajecten
     De raad pleit voor gebruikmaking van de experimenteerwet. Op deze manier kan het uit-
    stroomprofiel worden vormgegeven op een manier die past bij de doelgroep. In 2009 wees
    de WRR in dit verband al op de behoefte aan “onorthodoxe trekkers die niet teveel gelegen
     laten liggen aan bestuurlijke kokers of bureaucratische regels”.56 Ook vanuit het onderwijsveld
     kreeg de Onderwijsraad signalen dat voor een dergelijk traject de bestaande wet- en regelge-
    ving knellend is. Een concreet voorbeeld is dat het verplichte aantal lesuren onder begeleiding
    van een bevoegd docent belemmerend werkt.
    Zorg voor een heldere verdeling van verantwoordelijkheden
     Daarnaast vindt de raad dat duidelijk moet zijn hoe de verantwoordelijkheden zijn verdeeld.57
     Het onderwijs is ook in de entreeopleiding met het nieuwe uitstroomprofiel eindverantwoor-
    delijk voor de leerlingen – net zoals in de beroepsbegeleidende leerweg. Als prikkel om deze
    zaken goed te regelen acht de raad het wenselijk dat de licentie voor het verzorgen van de
    opleiding pas verstrekt wordt wanneer de verantwoordelijkheden zijn vastgelegd.
     54  Van Delden, 2010.
     55  Van Delden, 2010.
     56  Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009.
     57  Sociaal-Economische Raad, 2007.
    26                                                                       Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>De verantwoordelijkheden kunnen bijvoorbeeld zo verdeeld worden dat de onderwijsinstel-
ling de intake en plaatsing van de leerlingen voor zijn rekening neemt, evenals de scholings-
activiteiten in de tweede fase van het uitstroomprofiel. De begeleiding van het leren op de
werkplek tijdens de eerste fase van het traject kan het model van de beroepsbegeleidende
leerweg volgen: de opleiding begeleidt de leerling via een jobcoach, het bedrijf doet dat via
een leermeester. Uiteindelijk blijft de onderwijsinstelling hierbij verantwoordelijk. De job-
coach kan een beroep doen op meer specialistische zorg. De verantwoordelijkheid voor deze
specialistische zorg zou bij de gemeente belegd kunnen worden. Verder kunnen de gemeente
en het UWV verantwoordelijk zijn voor het vinden van een passende werkplek voor een jon-
gere en het aanpassen van die plek aan zijn capaciteiten. De raad stelt voor om de financiering
van het uitstroomprofiel op te zetten op een wijze die vergelijkbaar is met die van de beroeps-
begeleidende leerweg. De entreeopleiding wordt bekostigd om de opleiding vorm te geven.
Bekeken zou moeten worden of dit te realiseren is op basis van bestaande middelen voor deze
beperkte groep of dat investeringen nodig zijn. De bestaande middelen zouden in kaart moe-
ten worden gebracht. Hierbij denkt de raad niet alleen aan de bekostiging van de entreeop-
leiding, maar ook aan de middelen voor bijvoorbeeld jeugdzorg en participatie. Bekeken zou
moeten worden op welke manier de geldstromen omgebogen kunnen worden richting de
begeleiding van leerlingen in het uitstroomprofiel gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt.
Eventueel zou wet- en regelgeving aangepast moeten worden om dit te realiseren. Preventie
is immers belangrijker dan het opvangen van werkloze jongeren.
Prestatieafspraken in de vorm van maatschappelijk rendement
Tot slot vindt de raad het van belang om ook voor dit uitstroomprofiel prestatieafspraken te
maken. Toezicht en verantwoording op basis van rendement (zoals gebruikelijk in vmbo en
mbo) werken hier echter niet omdat de jongeren gebaat zijn bij een traject in hun eigen tempo.
Wel kunnen andersoortige prestatieafspraken worden gemaakt tussen scholen en het minis-
terie: een bepaald aantal jongeren dat binnen een redelijke termijn een stabiele plaats op de
arbeidsmarkt heeft verworven. De Inspectie kan hier toezicht op houden en de bekostiging
van het traject kan aan de prestatieafspraken verbonden worden.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                           27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    Voor de jongeren die nu geen startkwalificatie halen, maar daartoe
    wel in staat zijn, adviseert de raad meer flexibele routes. Ook is er een
    overgangsperiode nodig voor de invoering van de streefniveaus taal
    en rekenen. Ten slotte doet de raad aanbevelingen om knelpunten in
    de bekostigingssystematiek en het toezicht weg te nemen die vooral
    kwetsbare jongeren treffen.
4   Aanbeveling 2: zorg voor meer
    flexibiliteit op stelselniveau
     Er is een groep schooluitvallers die nu geen startkwalificatie behaalt, maar daar best toe in
    staat is. Het lukt deze jongeren echter niet het diploma te halen binnen de gebruikelijke ter-
    mijn en op de gebruikelijke manier. Voor deze groep is meer nodig dan maatwerk en flexibili-
     teit in bestaande opleidingen. Voor hen is ook flexibiliteit op stelselniveau nodig.
     De raad denkt deze flexibiliteit te kunnen bereiken binnen de bestaande structuren. Dat kan
    op vier manieren: door het verlengde vmbo als alternatieve route naar de startkwalificatie te
     formaliseren; door schakelklassen te starten voor mbo 2-uitvallers; door de streefniveaus voor
     taal en rekenen stapsgewijs in te voeren; en door ongunstige neveneffecten in bekostiging en
     toezicht te voorkomen.
4.1 Formaliseer het verlengde vmbo als alternatieve route
    Sinds de zomer van 2008 wordt geëxperimenteerd met alternatieve routes naar het mbo: het
    zogenoemde verlengde vmbo (of vm2-trajecten). Scholen en opleidingen brengen het prin-
    cipe van ‘één dak, één team en één concept’ in praktijk. Ze versoepelen de overgang van vmbo
    naar mbo door de vertrouwde omgeving voor vmbo-leerlingen te handhaven tot aan het
     behalen van de startkwalificatie op mbo niveau 2. Vmbo-scholen en mbo-opleidingen kun-
    nen binnen de experimenten verkenningen met geïntegreerde leerroutes uitvoeren.
     De raad beschouwt het vm2-traject als een waardevolle, alternatieve route in het opleidings-
    stelsel. Hij pleit ervoor deze route te formaliseren, naast de bestaande routes naar de startkwa-
     lificatie. Een toch al kwetsbare groep jongeren hoeft daarmee niet de overstap te maken van
    vmbo naar mbo, een overstap die risicovol is gebleken. Ook kunnen hiermee de consequen-
     ties van uitval in een eventuele vervolgopleiding worden ingeperkt. Leerlingen beschikken
     immers al over een kwalificatie.
     De overstap van vmbo naar mbo is moeilijk
     De vm2-trajecten zijn gestart omdat de overgang van vmbo naar mbo 1 en 2 voor veel leerlin-
    gen moeilijk is. Relatief veel (zwakkere) leerlingen vallen uit door de verschillen tussen de oplei-
    28                                                                        Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>dingen.58 In het schooljaar 2011-2012 ging het om ruim 10.000 leerlingen op niveau 2 (zowel
in de beroepsopleidende als de beroepsbegeleidende leerweg).59 Veelgenoemde redenen
voor uitval waren: de opleiding of het beroep bleek niet te zijn wat de leerling zich ervan had
voorgesteld, en de opleiding was ‘slecht georganiseerd’.60 In het algemeen hebben leerlingen
op niveau 1 en 2 in het mbo als achtergrond vmbo-basis of -kader, of praktijkonderwijs. Deze
opleidingen kennen vaak een duidelijke structuur en er is veel ruimte voor persoonlijke bege-
leiding. Roc’s zijn anders georganiseerd en de opleidingen doen een groter beroep op de zelf-
standigheid en eigen verantwoordelijkheid van de leerling – iets waar juist deze jongeren op
deze leeftijd moeite mee hebben.
Wanneer jongeren voldoende steun van ouders en de omgeving ontvangen bij overgangen
in het onderwijs en tijdens de eerste fase in een vervolgopleiding, heeft dit een positieve
invloed op het slagen van onderwijstransities. Uit onderzoek is gebleken dat kwetsbare jonge-
ren die de overstap maken van vmbo naar mbo, aangeven vaak niet voldoende te beschikken
over dergelijke steun. Zij hebben bijvoorbeeld een instabiele thuissituatie, hebben te kampen
met lage verwachtingen van diezelfde ouders, of ze hebben problemen buiten school.61 Deze
groep is dan ook aangewezen op extra ondersteuning vanuit andere hulpbronnen, waaronder
leerkrachten en medeleerlingen.62 Het principe van ‘één dak, één team en één concept’ lijkt
voor hen goed te werken.
Overwegend positieve resultaten van de experimenten
Het ecbo (expertisecentrum beroepsonderwijs) heeft de vm2-experimenten gemonitord. Uit
deze monitor blijkt dat in vergelijking met landelijke cijfers de uitval binnen vm2-experimen-
ten lager is en het aantal behaalde startkwalificaties hoger. Ook komt uit de monitor naar voren
dat meisjes en jongere leerlingen binnen vm2-trajecten een kleinere kans op uitval hebben.
Daarnaast is een aantal kenmerken van deze experimenten te noemen die positief bijdragen
aan het behalen van een startkwalificatie. Zo hebben leerlingen meer kans op het behalen
van de startkwalificatie in experimenten die naar versnelling streven (verkorte trajecten), extra
activiteiten ondernemen om leerlingen binnen te houden en ouders goed op de hoogte stel-
len. Leerlingen in experimenten zonder deze inhoudelijke kenmerken maakten minder kans
op het diploma. Bovendien blijkt uit de monitor dat een goede samenwerking tussen leraren
op vmbo en mbo een belangrijke voorwaarde is voor het slagen van het experiment. Ook heb-
ben de succesvolle experimenten vaker een herkenbaar inhoudelijk traject op didactische en
pedagogisch gebied.63
Uit de monitor komt daarnaast een specifiek aandachtspunt naar voren. Door het afnemende
aantal leerlingen in met name de basisberoepsgerichte leerweg is het een groeiend probleem
om het vm2-traject rendabel en op een voldoende kwalitatief niveau te organiseren. Ongeveer
een derde van de experimenten is hierdoor gestopt.
Het vm2-traject zou op basis van de conclusies van de monitor verder ontwikkeld moeten wor-
den. Vooral de samenwerking tussen vmbo-leraren en mbo-leraren kan beter. Daarnaast moe-
58  Bouwmans & Schoonhoven, 2012.
59  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
60  Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2013.
61  Francissen, Cohen & Bosveld, 2011.
62  Elffers, 2011.
63  Bouwmans & Van Schoonhoven, 2012.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>     ten de trajecten didactisch en pedagogisch herkenbaarder worden. Wanneer de leerlingen-
    aantallen te laag zijn om een vm2-traject rendabel te organiseren, ziet de raad mogelijkheden
    voor schoolbesturen om binnen de bestaande regelgeving of experimenteerruimte creatieve
    oplossingen te bedenken. Zo zouden schoolbesturen in hun eigen regio tot schaalvergroting
     kunnen komen door bijvoorbeeld twee of meer vm2-trajecten bij twee of meer scholen te clus-
     teren. Per regio moet dan bepaald worden wie de licentiehouder is en resultaatverantwoor-
    delijk wordt. Die duidelijkheid moet er onder andere zijn voor de Inspectie. Het is van belang
    dat schoolbesturen hierin gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen. Zorgen om de eigen
    concurrentiepositie moeten zij loslaten. Het gaat erom het onderwijs zo te organiseren dat het
     tegemoetkomt aan de behoeften van kwetsbare jongeren in hun specifieke regio.
4.2 Start schakelklassen waarin uitvallers zich oriënteren op andere
    opleidingen
    Jongeren met een vmbo-diploma die wel kiezen voor de overstap naar het mbo, moeten een
    goed beeld hebben van wat een opleiding te bieden heeft, en ook goed weten wat hun eigen
     interesses en toekomstverwachtingen zijn. Eerder is al genoemd dat bij veel jongeren dit
     inzicht nog ontbreekt. Het is dan ook een belangrijke oorzaak voor uitval.
     Wanneer jongeren uitvallen in mbo 2, bestaat er eigenlijk geen andere mogelijkheid dan het
    op een andere opleiding opnieuw proberen. Dit is een zeer inefficiënte manier van heroriënte-
     ren, waarbij bovendien veel leerlingen opnieuw uitvallen.
     De raad adviseert op ieder roc een domeinbrede schakelklas te starten. Jongeren die uitvallen
    op niveau 2 kunnen kiezen voor deze schakelklas om zich te oriënteren op de diverse richtin-
    gen en beroepen. Het schakeljaar is dus in eerste instantie bedoeld als vangnet voor uitvallers
    op niveau 2. Eventueel kan dit schakeljaar ook preventief worden ingezet voor kwetsbare jon-
    geren of andere jongeren die er behoefte aan hebben. Sommige leerlingen hebben al een aan-
     tal mislukkingen binnen het onderwijs achter de rug. Voor hen kan het (opnieuw) falen op het
     mbo schadelijk zijn voor hun motivatie.
     In de schakelklas zou veel aandacht moeten worden besteed aan beroepsoriëntatie in verschil-
     lende richtingen en aan basisvaardigheden en studievaardigheden. Leerlingen weten zo beter
    waar ze aan beginnen met een specifieke mbo-opleiding en hebben meer bagage om een
     reguliere opleiding met succes af te ronden.
4.3 Hanteer een overgangsperiode voor de invoering van de streefniveaus
     voor taal en rekenen
     In 2010 zijn in het basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het mid-
    delbaar beroepsonderwijs de referentieniveaus taal en rekenen ingevoerd: standaarden die
     beschrijven wat leerlingen op bepaalde momenten in hun leerloopbaan moeten kunnen en
     kennen. Doel ervan is de prestaties in de basisvakken taal en rekenen te verhogen (zie kader).
     De raad staat hier positief tegenover.64 Hij heeft eerder al gewezen op het belang van een wel-
    overwogen implementatietraject en gewaarschuwd voor overhaaste invoering van de referen-
     64  Onderwijsraad, 2009, p 13-14.
    30                                                                       Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>tieniveaus.65 Zijn voorstellen om de invoering ‘tranchegewijs’ te doen, waarbij de streefni-
veaus eerst in het basisonderwijs worden ingevoerd, daarna in het voortgezet onderwijs en
pas daarna in het middelbaar beroepsonderwijs, zijn grotendeels overgenomen.
De raad vindt echter dat de tranchegewijze invoering van de streefniveaus aan de basis van
de beroepskolom meer tijd nodig heeft. Het onderwijsveld is bang dat een snelle invoering de
schooluitval fors zal doen toenemen. Met een langere overgangsperiode kan extra uitval als
gevolg van een overhaaste invoering worden ondervangen. Na jaren van ‘verslapping’, kun-
nen niet ineens hoge eisen worden gesteld aan de taal- en rekenprestaties. Zeker aan de basis
van de beroepskolom hebben leerlingen moeite met rekenen en taal. De voorbereiding in het
basisonderwijs is onvoldoende geweest en ze hebben er weinig affiniteit mee. Een realistische
invoering voor vmbo (basis- en kaderberoepsgerichte leerweg), mbo 1 (de entreeopleiding) en
mbo 2 is daarom van groot belang.
   De referentieniveaus taal en rekenen
   Op 1 augustus 2010 is de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen van kracht geworden
   voor het basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar be-
   roepsonderwijs, met een uitzondering voor de zeer moeilijk lerende of meervoudig gehandicapte
   leerlingen. Deze sectoroverstijgende wet is onder andere tot stand gekomen door zorgen over de
   kwaliteit van het Nederlandse onderwijs en dan vooral waar het gaat om het niveau van het taal- en
   rekenonderwijs.
   Ter onderbouwing werd destijds het PISA-rapport (Programme for International Student Assess-
   ment) van 2010 aangedragen. Nederlandse leerlingen zouden ten opzichte van hun buitenlandse
   medeleerlingen niet zo goed scoren in taal en rekenen. De referentieniveaus moeten niet alleen de
   prestaties verhogen, maar ook de doorstroom van leerlingen in het onderwijs en de aansluiting tus-
   sen sectoren verbeteren.
Entreeopleiding: voorlopig toegang tot mbo 2 zonder te voldoen aan streefniveaus
In 2012 is besloten om de streefniveaus voor taal en rekenen aan de basis van de beroepskolom
pas in te voeren nadat de ervaringen van de roc’s met taal- en rekenonderwijs op mbo niveau
1 zijn onderzocht. Met de uitkomsten van dat onderzoek zal (in 2014) worden bepaald of en op
welke manier centrale examinering taal en rekenen wordt ingevoerd in de entreeopleiding.
Scholen moeten wel onverkort een inspanning leveren ten aanzien van het behalen van het
referentieniveau 2F en aangeven welke vooruitgang een leerling boekt. De raad onderschrijft
het belang van deze maatregelen. Op deze manier kunnen scholen nauwlettend volgen in
hoeverre ze leerlingen naar het niveau van de streefniveaus helpen en kunnen ze op basis hier-
van desgewenst aanpassingen maken in hun onderwijs. Daarnaast is het beleidsvoornemen
om de leerling van de entreeopleiding wel een diploma te geven als niet wordt voldaan aan de
referentieniveaus, maar géén toegang te verlenen tot een mbo 2-opleiding.
De raad vindt evenwel dat een langere overgangsperiode wenselijk is. In zijn opvatting kun-
nen er niet ineens hogere eisen worden gesteld aan de toelating tot mbo 2 (startkwalificatie).
Hij beveelt daarom aan om gedurende een periode van twee tot drie jaar de toegang tot een
mbo 2-opleiding wel te verlenen, ook als de leerling niet aan de streefniveaus voldoet. De
norm van de streefniveaus moet pas gelden wanneer het taal- en rekenniveau in de hele leer-
lijn weer is opgebouwd.
65   Onderwijsraad, 2009, p.17.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                   31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    Mbo 2: voorlopig toegang tot mbo 3 zonder te voldoen aan streefniveaus
     Voor de basisberoepsgerichte leerweg in het vmbo geldt dat de invoering van de referentie-
    niveaus is uitgesteld. De eisen voor vmbo-bb-leerlingen (basisberoepsgericht) zijn wat lichter
    dan die voor de vmbo-kb-leerlingen (kaderberoepsgericht). In 2013-2014 en in 2014-2015 mogen
    vmbo-bb-leerlingen nog onder de 2F scoren om een voldoende te halen. Deze voorgestelde
    overgangsperiode van twee jaar volstaat. Leerlingen vanuit de basis- en kaderberoepsgerich-
     te leerweg in het vmbo stromen over het algemeen door naar een mbo 2-opleiding. In 2014
    wordt bezien of passende maatregelen nodig zijn voor mbo 2.
     De raad vindt dat ook voor mbo 2 een overgangsperiode wenselijk is. De transitieperiode voor
    mbo 2 zou beter afgestemd moeten worden op de transitieperiode van het vmbo, aangezien
    de meeste leerlingen vanuit het vmbo doorstromen naar mbo 2. Voor de mbo 2-opleidingen
    zou de transitieperiode ingericht kunnen worden zoals voor mbo 1. Wanneer in de komende
     twee tot drie jaar niet voldaan wordt aan de referentieniveaus, krijgt de leerling wel een start-
     kwalificatie en een doorstroomrecht naar mbo 3, maar geen aantekening op het diploma dat
    de streefniveaus behaald zijn.
    Volg de doorstroom vanuit het praktijkonderwijs naar het mbo
    Tot slot wil de raad op deze plek aandacht vragen voor mogelijk negatieve effecten van de
     invoering van de streefniveaus en de afschaffing van de drempelloze instroom op mbo niveau
    2 (voortaan gelden voor niveau 2 vooropleidingseisen; wie daaraan niet voldoet, kan naar de
    entreeopleiding). De doorstroom vanuit het praktijkonderwijs naar het mbo is de afgelopen
     jaren gegroeid (zie bijlage 3). Veel leerlingen benutten het praktijkonderwijs als een opstap
    naar het mbo met als perspectief het behalen van een startkwalificatie. De komende drie jaar
    zou deze doorstroom kritisch gevolgd moeten worden om te bezien in hoeverre de referentie-
    niveaus en de afschaffing van de drempelloze instroom belemmerend werken voor deze
     leerlingen.
4.4 Voorkom ongunstige neveneffecten in bekostiging en toezicht
     De financiering van en het toezicht op het onderwijs zijn voornamelijk gebaseerd op output
    en rendement. De bekostiging van het mbo kent voor een deel het principe van prestatie-
     bekostiging, omdat het bekostigingsniveau mede bepaald wordt door het aantal uitgegeven
    diploma’s: voor elke leerling die slaagt, krijgt de onderwijsinstelling geld; voor elke leerling
    die uitvalt, niet. In combinatie met de mogelijke effecten van de invoering van het cascade-
    model, waarbij de bekostiging afneemt naarmate leerlingen langer onderwijs volgen aan de
    onderwijsinstelling, is er een grotere kans dat onderwijsinstellingen een scherpere intake hou-
    den. Onderwijsinstellingen zouden verleid kunnen worden tot berekenend gedrag door leer-
     lingen te weren uit de opleiding. Om dit negatieve neveneffect te voorkomen, pleit de raad
    ervoor op niveau mbo 1 en 2 de invoering van het cascademodel nauwlettend te volgen. Wan-
    neer negatieve neveneffecten zich voordoen, stelt de raad voor de bekostiging minder afhan-
     kelijk te maken van de verblijfsduur in de opleiding. Op deze manier worden doelmatigheid en
     toegankelijkheid meer met elkaar in evenwicht gebracht. Bovendien worden de meerkosten
    op de lange termijn ruimschoots terugverdiend omdat jongeren met een baan geen beroep
    doen op sociale voorzieningen.
     Daarnaast beïnvloeden leerlingen in het vmbo en in het mbo de inspectie-indicator ‘rende-
    ment’ negatief als zij langer over een opleiding doen. Een risicomijdende school die terug-
    32                                                                      Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>houdend is bij de plaatsing van leerlingen in trajecten naar een startkwalificatie, kan daardoor
een hoger rendement krijgen. Dit is niet altijd in het belang van de leerling. Om scholen te
stimuleren leerlingen kansen te geven, adviseert de raad de opstroom in het vmbo (bijvoor-
beeld) dubbel te laten meewegen bij de beoordeling van de opbrengsten. In het mbo kan het
maatschappelijke rendement mede bepalend zijn. Naarmate meer leerlingen uiteindelijk op
een betaalde werkplek terechtkomen, worden instellingen beter beloond.
De raad benadrukt dat deze twee aanbevelingen juist voor de groep jongeren aan de basis
van de beroepskolom van belang zijn, omdat de verwachting is dat negatieve effecten van de
bekostigingssystematiek en de organisatie van het toezicht voor deze groep het grootst zijn.
Deze leerlingen zullen als eerste geweerd worden uit de opleidingen.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Afkortingen
aka     arbeidsmarktgekwalificeerd assistent
aoc     agrarisch opleidingencentrum
ecbo    expertisecentrum beroepsonderwijs
evc     erkennen van verworven competenties
 lwoo   leerwegondersteunend onderwijs
mbo     middelbaar beroepsonderwijs
 OCW    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
 PISA   Programme for International Student Assessment
 RMO    Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling
roc     regionaal opleidingencentrum
SER     Sociaal-Economische Raad
vmbo    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vmbo-bb basisberoepsgerichte leerweg vmbo
vmbo-kb kaderberoepsgerichte leerweg vmbo
vm2     vmbo-mbo 2
wajong  werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
 WRR    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
34                                                      Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Literatuur
Bouwmans, M. & Van Schoonhoven, R. (2012). Op weg naar succes. ‘s-Hertogenbosch/Utrecht:
     ecbo.
Elffers, L. (2011). The Transition to PostSecondary Vocational Education: Students’ Entrance,
     Experiences, and Attainment. Proefschrift. Enschede: Ipskampo Drukkers B.V.
Fouarge, D., Schils, T. & De Grip, A. (2010). Prikkels voor postinitiele scholing van laagopgeleiden.
   ‘s-Hertogenbosch: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.
Francissen, L., Cohen, L. & Bosveld, W. (2011). Ze moeten ergens wel de wil hebben. Amsterdam:
     Dienst Onderzoek en Statistiek.
Green, F. (2009). Employee Involvement, Technology and Job Tasks. NIESR Discussion Paper No.
     326, March 2009.
Groeneveld, M.J., Benschop, M. & Olvers, D. (2010). Kenmerkend vmbo, mbo, havo en vwo.
     Hilversum: Hiteq, centrum van innovatie.
Harchaoui, S., Janssens, R. & Van der Meer, J. (2013). Klaar voor de start. Den Haag: Raad voor
     Maatschappelijke Ontwikkeling.
Herweijer, L. (2008). Gestruikeld voor de start. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Inspectie van het Onderwijs (2011). Aandacht voor kwetsbare jongeren in het mbo. Utrecht:
     Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2013). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2011/2012.
     Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Josten, E., Vlasblom, J.D. & De Voogd-Hamelink, M. (2012). Vraag naar arbeid 2011. Den Haag:
     Sociaal en Cultureel Planbureau.
Lyche, C. (2010). Taking on the Completion Challenge: A Literature Review on Policies to Prevent
     Dropout and Early School Leaving. OECD Education Working Papers, no.53. Parijs: OECD
     Publishing.
Memorie van toelichting bij wetswijziging ivm de kwaliteit van het speciaal en voortgezet onderwijs
     (2011). Kamerstukken II, 2010-2011, 32812, 3.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen (1993). Een goed voorbereide start. Zoeter-
     meer: Ministerie van OC&W.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012a). The approach to Early School Leaving.
     Geraadpleegd op 29 november 2013 via de website van Ministerie van OCW, http://www.
     aanvalopschooluitval.nl/userfiles/file/2012/ Eng%20brochure%20sept%202012%20inter-
     net%20versie.pdf.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012b). Doorlopende Leerlijnen Taal en
     Rekenen. Brief van Staatssecretaris en Minister van OCW aan Voorzitter van de Tweede
     Kamer, 19 december 2012. Kamerstukken II, 2012-2013, 31332, 19.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012c). Doorstroomatlas vmbo. Den Haag:
     Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2013a). Kerncijfers 2008-2012. Den Haag:
     Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2013b). Nieuwe voortijdig schoolverlaters.
     Convenantjaar 2011-2012. Geraadpleegd op 2 december 2013 via de website van Overheid.nl,
     https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-207720.html.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2012). Arbeidsmarktbeleid. Brief van Minister
     en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzitter van de Tweede
     Kamer, 12 december 2012. Kamerstukken II, 2012-2013, 29544, 425.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                                35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre> Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2013c). Maatregelen voor het leerwegonder-
     steunend onderwijs (lwoo) en het praktijkonderwijs (pro). Brief van Staatssecretaris van OCW
     aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 5 april 2013. Kamerstukken II, 2012-2013, 30079, 39.
 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2013). Participatiewet en het quotum na soci-
     aal akkoord. Brief van Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzit-
     ter van de Tweede Kamer, 27 juni 2013. Kamerstukken II, 2012-2013, 33566, 55.
 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
     Wetenschap (2013). Arbeidsmarktbeleid; brief ministers over jeugdwerkloosheid. Brief van
     Minister van SZW en Minister van OCW aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 5 maart 2013.
     Kamerstukken II, 2012-2013, 29544, 438.
 Oberon (2008). De belevingswereld van Voortijdig Schoolverlaters. Utrecht: Oberon.
 Om subsidie te krijgen, overdrijven werkgevers en mbo stagetekort (2012). Trouw, 23 juli 2012.
 Onderwijsraad (2009). Kaders voor de referentieniveaus. Den Haag: Onderwijsraad.
 Onderwijsraad (2011). Maatschappelijke achterstanden van de toekomst. Den Haag: Onderwijsraad.
 Onderwijsraad (2012). Over de drempel van postinitieel leren. Den Haag: Onderwijsraad.
 Onderwijsraad (2013). Een smalle kijk op onderwijskwaliteit. Stand van educatief Nederland 2013.
     Den Haag: Onderwijsraad.
 Raad voor Werk en Inkomen (2011). We worden er beiden beter van. Investeren in de ontwikke-
     ling van werknemers met een lage en/of verouderde opleiding. Den Haag: Raad voor Werk en
     Inkomen.
 Regionale Verwijzingscommissies VO (2013). Praktijkonderwijs werkt. Enkhuizen: RVC/VO.
 Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2012). Voortijdige schoolverlaters. Geraad-
     pleegd op 2 december 2013 via de website van Research Centre for Education and the
     Labour Market, http://www.roa.unimaas.nl/pdf_publications/2012/ROA_F_2012_2.pdf.
 Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2013). Schoolverlaters tussen onderwijs en
     arbeidsmarkt 2012. Maastricht: ROA.
 Smulders, H., Voncken, E. & Westerhuis, A. (2013). Regionale samenwerking in goede banen,
     arbeidstoeleiding van jongeren uit het vso, pro, en mbo1. ‘s-Hertogenbosch: ECBO.
 Sociaal-Economische Raad (2007). Meedoen zonder beperkingen. Den Haag: SER.
 Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (2013). SBB Barometer van de stage-
     plaatsen- en leerbanenmarkt juni 2013. Zoetermeer: SBB.
 Van Delden, P. (2010). Ketensamenwerking: interne krachten bepalen het externe resultaat. Proef-
     schrift. Amsterdam: Van Gennep.
 Van den Bulk, L. (2011). Later kan ik altijd nog worden wat ik wil. Statusbeleving, eigenwaarde en
     toekomstbeeld van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Proefschrift Universiteit Utrecht.
     Apeldoorn: Garant.
 Van der Steeg, M. & Webbink, D. (2006). Vroegtijdig schoolverlaten: omvang, beleid en resultaten.
     Den Haag: Centraal Planbureau.
 Voogt, J. & Roblin, N.P. (2010). 21st Century Skills. Discussienota. Enschede: Universiteit Twente
     i.o.v. Kennisnet.
 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2009). Vertrouwen in de school. Over de uit-
     val van ‘overbelaste’ jongeren. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2013). Naar een lerende economie. Den Haag:
     WRR.
36                                                                          Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
Mevrouw E. Arons                    Directie Voortijdig Schoolverlaten, OCW
Mevrouw K. Baarda                   Spirit4you
Mevrouw L. de Backer                Koning Willem I College
De heer M. Bakker                   Fundeon
De heer O. van Bladel               Gemeente Rotterdam
Mevrouw R. den Besten               PO-Raad
Mevrouw A. van Bodegom              Soma College
De heer P. Boekhoud                 De Nieuwe Kans
Mevrouw T. Boes                     Fundeon
De heer L. de Boom                  Regionaal Expertisecentrum Noord Nederland -
                                    cluster 4
Mevrouw B. Brink                    Fundeon
Mevrouw J.J.M. Cörvers              MBO Diensten
Mevrouw N. Daoudi                   SWV Voortgezet Onderwijs 20.1
De heer W. Derksen                  Fundeon
Mevrouw C. Dijkstra                 Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Mevrouw L. Elffers                  Universiteit van Amsterdam
De heer H. Everhardt                Noorderpoort
Mevrouw O. van Griensven            Gemeente Rotterdam
Mevrouw R. Groenenberg              ECBO
De heer A.D. de Groot               Stichting Platforms VMBO
Mevrouw M.F.J. de Haan              MBO Raad
De heer J. Haga                     Challenge Sports
Mevrouw M. Heimens Visser           Stichting Lezen & Schrijven
Mevrouw J. Hermanussen              ECBO
De heer P. van der Heijden          Friesland College
Mevrouw I. den Hollander            Centrum voor Innovatie van Opleidingen
De heer D. Huiberts                 ROC van Amsterdam, Gooi en Vechtstreek
De heer A. van Iterson              GSG Het Segment
Mevrouw A. Jeurissen                SWV Voortgezet Onderwijs 20.1
De heer J. de Jong                  Albeda College
De heer P. de Jong                  Vereniging Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs
Mevrouw D. Kamps                    Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid
Mevrouw M. Klamer                   Fundeon
De heer A. Koops                    GSG Het Segment
De heer A. Kooyman                  CVO Accent
Mevrouw M. Kroeze                   ROC van Twente
De heer P. Lakens                   Lentiz
Mevrouw N. Lebbink                  Hegman Bouwpartners
De heer P. Nauta                    Dockingacollege
De heer R. Peeters                  Gemeente Almere
De heer J.J.G. van Petegem          Vereniging RVC-VO Landelijk
De heer H. Poels                    Vereniging Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs
De heer R. Poortstra                SWV Amersfoort e.o.
Mevrouw K. Pijl                     Wijkschool Charlois
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre> Mevrouw J. Roelse     Schakenbosch College
 De heer H. Roosenburg Stichting Platforms VMBO
 Mevrouw D. de Ruiter  Gemeente Rotterdam
 De heer L.M. Rurup    SWV PO Zuid Kennemerland
 Mevrouw E. Vis        Vereniging van Nederlandse Gemeenten
 De heer F. Voncken    Directie Voortijdig Schoolverlaten, OCW
 De heer P. Wiese      Gemeente Rotterdam
38                                                 Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Adviesvraag
Meer kansen voor kwetsbare jongeren 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>40 Onderwijsraad, december 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Meer kansen voor kwetsbare jongeren 41</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42 Onderwijsraad, december 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Aantal leerlingen aan de basis van de beroepskolom
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Tabel 2: Aantal leerlingen aan de basis van de beroepskolom
                                                                2008                       2012
   Vso cluster 3                                               12.500                     13.400
   Vso cluster 4                                               17.000                     21.100
   Praktijkonderwijs                                           26.800                     27.700
   Vmbo bbl66                                                  43.100                     25.500
   Vmbo kbl                                                    51.300                     50.500
   Mbo 1   67
                                                               18.700                     19.100
   Mbo 2                                                      124.600                    108.600
Bron: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a
In 2008 bezocht iets meer dan 3% van het totaal aantal vo-leerlingen speciaal onderwijs cluster
3 en 4. In 2012 was dit bijna 4%. Voor het praktijkonderwijs was dat 2,4% van de vo-leerlingen
en in 2012 3,0 %.68 Het percentage van het totaal aantal mbo’ers dat mbo niveau 1 bezoekt
schommelt rond de 4%; het percentage in mbo niveau 2 is echter gedaald, van 26% naar 22%
 in vier jaar tijd.
66    Vmbo alleen klas 3 en 4.
67    Bol en bbl.
68    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013a.
44                                                                     Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage 3
Doorstroomgegevens van leerlingen aan de basis van de beroepskolom
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre> De doorstroomgegevens vanuit de verschillende opleidingen aan de basis van de beroeps-
 kolom zijn opgenomen in het onderstaande kader.
   Doorstroom van leerlingen vanuit de basis van de beroepskolom
   Steeds meer bekend over de plaatsbestendigheid van doorstroom uit het vso
   Als gekeken wordt naar de uitstroom van het voortgezet speciaal onderwijs, dan blijkt dat ongeveer
   een derde van de leerlingen start met een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs (dit zijn voor-
   namelijk leerlingen uit het speciaal onderwijs cluster 1, 2 en 4). Daarnaast komt ongeveer 17% terecht in
   een vorm van dagbesteding (dit zijn voornamelijk de cluster 1- en 3-leerlingen). Een klein percentage
   leerlingen komt terecht op een reguliere of beschermde arbeidsplaats of een sociale werkvoorziening.
   Van ongeveer een derde van de leerlingen is onbekend naar welke plek zij zijn doorgestroomd. Sinds
   kort bekijkt de Inspectie ook de plaatsbestendigheid van de leerlingen uit het voortgezet speciaal on-
   derwijs. Eerste uitkomsten wijzen uit dat ongeveer 40% van de leerlingen na ruim een jaar nog steeds
   dezelfde opleiding volgt, een werkplek heeft of anderszins op dezelfde bestemming verblijft. 10% heeft
   een andere bestemming en van 40% van de leerlingen is het onbekend waar ze verblijven.
   Grote verscheidenheid in de doorstroom vanuit het praktijkonderwijs
   De doorstroom vanuit het praktijkonderwijs varieert van dagopvang en sociale werkvoorziening
   tot reguliere arbeid en doorstroom naar het middelbaar beroepsonderwijs. Over de laatste drie jaar
   geeft de uitstroom uit het praktijkonderwijs een stabiel beeld. In totaal stroomt 38% uit naar een ar-
   beidsplek (met of zonder een opleidingsmogelijkheid). Gewone arbeidsplaatsen en gesubsidieerde
   arbeidsplaatsen komen even vaak voor. Slechts een klein deel komt terecht in een sociale werkvoor-
   ziening. Bijna de helft van de leerlingen uit het praktijkonderwijs stroomt door naar ander onderwijs,
   waarvan 17% doorstroomt naar een mbo 1- en 15% naar een mbo 2-opleiding.69 Dit beeld wordt be-
   vestigd in een studie naar de loopbanen van leerlingen in het praktijkonderwijs over een periode
   van zes jaar vanaf de start van de opleiding.70 Wat opvalt is de hoge doorstroom vanuit het praktijk-
   onderwijs naar het middelbaar beroepsonderwijs. Het is echter de vraag of deze doorstroom stand
   kan houden, nu de referentieniveaus voor taal en rekenen in het middelbaar beroepsonderwijs zijn
   ingevoerd en de drempelloze instroom in mbo 2-opleidingen verdwijnt.
   Leerlingen uit het vmbo stromen door naar het mbo
   Leerlingen uit de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo stromen voornamelijk door naar de roc’s.71
   Van de leerlingen uit de beroepsgerichte leerwegen stroomt ongeveer 95% door naar het mbo. Veel
   vmbo-leerlingen halen een diploma op een hoger mbo-niveau dan waarop ze zijn ingestroomd. Dit
   doet zich vooral voor bij de leerlingen uit de beroepsgerichte leerwegen. Ongeveer een derde van
   de leerlingen uit de basisberoepsgerichte leerweg haalt een diploma op niveau 3 of 4. Vanuit de ka-
   derberoepsgerichte leerweg haalt 40% van de leerlingen een niveau 4-diploma.72
   De arbeidspositie is de afgelopen jaren voor mbo’ers verslechterd
   Gemiddeld stroomt de helft van de mbo’ers na de opleiding door naar vervolgonderwijs (55%). Leer-
   lingen uit opleidingen niveau 2 stromen het vaakst door naar een vervolgopleiding. Gemiddeld is 3,2%
   van de gediplomeerde schoolverlaters van het mbo die zich op de arbeidsmarkt hebben aangeboden
   circa 1,5 jaar na het afronden van de opleiding werkloos. Het werkloosheidspercentage van starters op
   de arbeidsmarkt met een mbo-diploma verschilt sterk naar leerweg en niveau. Hoewel het gemiddelde
   werkloosheidspercentage onder starters van mbo-bol 5,3% bedraagt, is dit onder starters van mbo-bbl
   gemiddeld 1%. Naarmate het opleidingsniveau toeneemt, neemt het percentage af. Mbo niveau 1 kent
   het hoogste percentage van 16,4%. De arbeidspositie van mbo’ers is de afgelopen jaren verslechterd.73
69   Inspectie van het Onderwijs, 2013.
70   Regionale Verwijzingscommissies VO, 2013.
71   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012c.
72   Inspectie van het Onderwijs, 2013.
73   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2013.
46                                                                                 Onderwijsraad, december 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Wat opvalt is dat de doorstroom vanuit het praktijkonderwijs naar het middelbaar beroeps-
onderwijs is gegroeid de afgelopen jaren. Hoewel het praktijkonderwijs bedoeld is als eind-
onderwijs en naar een plek op de arbeidsmarkt leidt, wordt het praktijkonderwijs benut als een
opstap naar het middelbaar beroepsonderwijs met als perspectief het behalen van een start-
kwalificatie. Daarnaast valt op dat de doorstroom naar de arbeidsmarkt voor leerlingen met
een diploma op mbo niveau 1 en 2 is verslechterd de afgelopen jaren. Deze trend hangt mede
samen met de economische omstandigheden.
Meer kansen voor kwetsbare jongeren                                                          47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 JS Den Haag
www.onderwijsraad.nl
Een startkwalificatie is van groot belang voor de zelf-
redzaamheid van jongeren. Door hogere eisen wordt
het voor kwetsbare jongeren echter moeilijker om deze
minimale basis te verwerven. Dit advies richt zich op de
vraag hoe ook deze jongeren voorbereid kunnen worden
op een zelfstandige en waardevolle positie op de arbeids-
markt en in de samenleving. Voor jongeren die niet in
staat zijn een startkwalificatie te halen, pleit de raad voor
een extra uitstroomprofiel in de entreeopleiding waarin
leren op de werkplek centraal staat. Daarnaast pleit hij
voor meer flexibiliteit in het stelsel, zodat alternatieve
routes naar het diploma mogelijk zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>