<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Kiezen voor kwalitatief
sterke leraren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Kiezen voor kwalitatief sterke leraren</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
Economische Zaken. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen de raad ook om
advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep
doen op de Onderwijsraad.
De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Kiezen voor kwalitatief sterke leraren, uitgebracht aan de Minister en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Nr. 20130011/1026, januari 2013
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2013.
ISBN 978-946121-013-9
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
DeltaHage grafische dienstverlening
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>e Ahu

Aan de Minister en aan de St cretaris Nassaulaan 6

van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 25145 Den Haag

Mevroue dr. M_Bustemaker

De heer drs, 5, Dekker Telefoon: 070 310 0000

Postbus 16375 Fas 070 356 14 74

25008) Den Haag secretariaab@onders|sraad.nl
wanonderwijsraadni

Ora keerserk SOMALI Paanuidatumi

2013001 1/1026 Den Haag, 23 januari 2013

Thay rra Doerhum sure Crsderwerp

Advies Kiezen voor keealinatiel sterke leraren

Mevrouw de Minister, Mijnheer de Staatssecretaris,

Met genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies Kiezen waar kwalitatief sterke leraren aan, In dit advies geeft de
Onderwijsraad antwoord op de vraag welke sturingsmogelijkheden ingezet kunnen worden om ap de langere
termijn over voldoende goede leraren te beschikken, De raad conchudeert dat het beleid de afgelopen jaren
vooral gericht is geweest op het kwantitatieve lerarentekort. Hij pleit voor een sterkere sturing op kwaliteit, om
langs die weg de aantrekkelijkheid van het leraarsbercep te verhogen, Een integrale aanpak is daarvoor eruciaal.

De raad komt tot vier aanbevelingen, die er in combinatie met elkaar voor kunnen zorgen dat meer
hoogopgeleiden kiezen voor een carrière in het onderwijs, Gerichte werving en betere selectie rond de leraren-
opleiding draagt bij aan de kwaliteit van leraren, De interesse van hoogopgeleiden voor de lerarenopleiding
hangt af wan de status van het beroep en de professionele ruimte. Dit vraagt om een hage beroepsstandaard.
Deze kan worden gerealiseerd door hagere eisen te stellen aan de professionalisering van leraren en dit te
koppelen aan de invoering van een publiekrechtelijk register en het behalen van een masterdiploma als
standaard, Bovendien is professioneel schoolleiderschap essentieel voor het creëren van een aantrekkelijke
werkomgeving woor hoogopgeleide leraren, Het is daarom belangrijk om te investeren in de Capacitelten van de
schoolleiders, Tot slot geeft de raad het belang aan van een schaalowerstijgend arbeidsmarktbeleid dat past bij
de situatie in de regia.

De raad hoopt met dit acvies cen bijdrage te leveren aan onderwijsbeleid gericht op voldoende goede leraren in
het primair en voortgezet onderwijs en het middelaar beroepsonderwijs.

Met beleefde groet,
eN
s ‘i ea 7
eN
—— as
Prof. dr. GTM. ten Dam Drs, A. van der Rest

* Veorzitter Secretaris

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                                    
 Inleiding: lerarentekort niet opgelost                                                        
1.1 Aanleiding: tekort aan docenten loopt op; kwaliteit verschilt sterk                         8
1.2 Adviesvraag: hoe te sturen op voldoende goede leraren?                                     11
     Advies: stuur meer op kwaliteit                                                         
2.1  Door de kwantitatieve aanpak zijn concessies gedaan aan de kwaliteit                     14
2.2  Huidige kwaliteitsverbetering is nog te beperkt en vrijblijvend                          16
2.3  Uitdagende opleiding en beroepsomgeving trekt meer hoogopgeleide professionals aan       19
2.4  Integrale aanpak is noodzakelijk                                                         24
     Aanbeveling : maak meer gebruik van werving en selectie rond de lerarenopleiding       
3.1  Zoek actief naar geschikte leerlingen in voortgezet en hoger onderwijs                   26
3.2  Selecteer aan de poort van de opleiding                                                  27
3.3  Vergroot het zelfselecterend vermogen van de opleiding                                   29
     Aanbeveling : verhoog de beroepsstandaard                                              
4.1  Verplicht de bij- en nascholing, voer een publiekrechtelijk register in                  30
4.2  Maak van masterdiploma de standaard                                                       31
4.3  Investeer in inductieprogramma’s en beoordeel het functioneren van leraren in de
     praktijk serieuzer                                                                       33
     Aanbeveling : stimuleer onderwijskundig schoolleiderschap                              
5.1  Stel een register voor schoolleiders in po, vo en mbo verplicht                          36
5.2  Realiseer betere beoordelings- en functioneringsgesprekken en meer functiedifferentiatie 37
5.3  Geef leraren ruimte om hun vak uit te oefenen                                            39
     Aanbeveling : werk in de regio nauw samen aan kwaliteit en kwantiteit                  
6.1  Interesseer gezamenlijk meer (jonge) mensen voor het leraarsvak                          43
6.2  Investeer in het behoud van professionele leerkrachten voor de regio                     43
6.3  Werk samen aan mobiliteit in het onderwijs                                               44
Afkortingen                                                                                   
Literatuur                                                                                    
Geraadpleegde deskundigen                                                                     
Bijlagen
Bijlage 1: Adviesvraag OCW                                                                    53
Bijlage 2: Overzicht aanbevelingen naar actor en effect                                       57
Bijlage 3: Uitwerking financiering masteropleidingen                                          61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Onderwijs staat of valt met goede leraren. De raad pleit in dit advies daarom voor een sterkere
sturing op kwaliteit. Hij benadrukt het belang van een integrale aanpak zoals onder andere
bepleit door de commissie-Rinnooy Kan. Bovendien adviseert de raad meer gebruik te maken
van de mogelijkheden om (aankomende) leraren te selecteren, om de beroepsstandaard te ver-
hogen, om professioneel schoolleiderschap te stimuleren en om in de regio samen te werken.
De raad concludeert dat het beleid van de afgelopen jaren vooral gericht is geweest op het
kwantitatieve lerarentekort. Pas de laatste jaren is er een begin gemaakt met het sturen op
kwaliteit. De raad benadrukt dat dit het moment is om de beoogde kwaliteitsslag te maken
en structurele oplossingen te realiseren voor de toekomst. Het lerarentekort valt tijdelijk mee
door dalende leerlingenaantallen, de economische crisis en het succesvolle beleid om ouderen
binnenboord te houden. Een sterke beroepsgroep draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs
en dit heeft op langere termijn naar verwachting een aanzuigende werking op andere (aan-
komende) hoogopgeleiden om voor het leraarschap te kiezen, zodat de verwachte tekorten
ook op lange termijn afnemen.
Aanbeveling : maak meer gebruik van werving en selectie rond de lerarenopleiding
De raad pleit voor betere werving en selectie rond de lerarenopleiding. Dit is niet alleen goed
voor de kwaliteit van leraren, maar ook voor de status en aantrekkelijkheid van de opleiding.
Dergelijke werving en selectie kan plaatsvinden door actief goede kandidaten te zoeken voor
de opleiding vanuit het voortgezet onderwijs en hoger onderwijs, door selectie aan de poort,
door opleidingen op hoog niveau en door speciale trajecten voor excellente studenten.
Aanbeveling : verhoog de beroepsstandaard
De raad adviseert voor zittende leraren de beroepsstandaard te verhogen. Daarvoor wil de
raad hogere eisen stellen aan scholing. Ten eerste zou bij- en nascholing verplicht moeten zijn,
gekoppeld aan een publiekrechtelijk lerarenregister. Registratie is een voorwaarde voor het
behouden van de lesbevoegdheid. Ten tweede pleit de raad ervoor dat het behalen van een
masterdiploma de standaard wordt voor alle nieuwe havo- en vwo-leraren en de leraren in
de algemene vakken in het vmbo en mbo door beschikbare tijd en middelen in dit perspec-
tief te plaatsen. Verder adviseert de raad te investeren in inductieprogramma’s (begeleidings-
programma’s voor beginnende leraren) en het functioneren van leraren in de praktijk serieuzer
te beoordelen.
Aanbeveling : stimuleer onderwijskundig schoolleiderschap
Professioneel, onderwijskundig schoolleiderschap is essentieel voor een aantrekkelijke werk-
omgeving voor hoogopgeleide leraren. De raad adviseert ook voor schoolleiders een register
in te stellen. De verplichte bij- en nascholing die daarin opgenomen wordt, moet zich vooral
richten op competenties voor onderwijskundig leiderschap gekoppeld aan personeelsbeleid.
Aanbeveling : werk in de regio nauw samen aan kwaliteit en kwantiteit
De onderwijsarbeidsmarkt ziet er niet in heel Nederland hetzelfde uit. Er zijn tekortregio’s en
overschotregio’s. Landelijke maatregelen om lerarentekorten tegen te gaan, werken niet altijd
en overal even goed. De raad pleit voor het ontwikkelen van een schooloverstijgend strate-
gisch personeelsbeleid dat past bij de situatie in de regio. Hij doet daarvoor vooral een appel
op schoolbesturen.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                        7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    Om onderwijskwaliteit te kunnen leveren moeten er voldoende goede leraren
    zijn. Dat is een belangrijke voorwaarde. Ondanks het werk van verscheidene
    adviescommissies en ondanks genomen beleidsmaatregelen groeit het kwan-
    titatief en kwalitatief lerarentekort. Dit advies richt zich op de benodigde stu-
    ring om het lerarentekort verder aan te pakken.
1
1.1
    Inleiding: lerarentekort niet opgelost
    Aanleiding: tekort aan docenten loopt op; kwaliteit verschilt sterk
    Oplopend lerarentekort verwacht
    De onderwijsarbeidsmarkt in Nederland staat onder druk. Bij ongewijzigd beleid wordt een
    oplopend tekort aan docenten verwacht. De voorspelde kwantitatieve tekorten verschillen per
    sector en regio; in het voortgezet onderwijs is de situatie het meest bedreigend.1
    In het primair onderwijs werken de komende jaren twee processen tegen elkaar in. Aan de ene
    kant gaan er veel leraren met pensioen (pensioengolf) en dat zorgt voor extra vraag naar nieu-
    we leraren. Aan de andere kant neemt de vraag naar leraren juist af omdat er in krimpgebieden
    minder jonge leerlingen zijn. Per saldo zal er echter een tekort zijn.
    In het voortgezet onderwijs is de komende jaren nog geen sprake van een leerlingenafname,
    waardoor de uitstroom van gepensioneerden al op kortere termijn tot grote tekorten zal lei-
    den. Net als in het primair onderwijs verschilt dit tekort per regio. De vraag naar leraren in het
    voortgezet onderwijs is bovendien niet voor elk vak even groot. Leraren natuur- en scheikunde
    zijn schaarser dan bijvoorbeeld die voor Frans of geschiedenis.2
    De tekorten in het middelbaar beroepsonderwijs zijn lastiger te voorspellen. Docenten in het
    middelbaar beroepsonderwijs zijn vaak afkomstig uit het bedrijfsleven, waardoor het reser-
    voir aan mogelijke leraren niet beperkt is tot afgestudeerden aan een lerarenopleiding. Wel
    is duidelijk dat de komende jaren de concurrentie met het bedrijfsleven om deze vakkrachten
    zal toenemen. Ook bedrijven kampen immers met de gevolgen van de vergrijzing. Die vergrij-
    zing doet zich in het middelbaar beroepsonderwijs sterker voelen dan in de andere onderwijs-
    sectoren, waardoor er tekorten zullen ontstaan. Daar staat tegenover dat in het vmbo en mbo
    nu al sprake is van teruglopende leerlingenaantallen, waardoor er juist minder docenten nodig
    zullen zijn.3
    1   Fontein, Adriaens, Nelissen & De Vos, 2010; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c; Ministerie van Onderwijs, Cultuur
         en Wetenschap, 2012b; Ecorys & ResearchNed, 2012.
    2   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c.
    3   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c.
    8                                                                                                        Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Niet alle lesgevenden zijn gekwalificeerd
Daarnaast is de kwaliteit van leraren een punt van zorg. Er blijken grote verschillen tussen lera-
ren te zijn. Aan de ene kant zijn er veel goede leraren; lerarenopleidingen trekken minstens
even veel van de betere vo-leerlingen (voortgezet onderwijs) als andere hbo-opleidingen
(hoger beroepsonderwijs). Bovendien zijn deze studenten minstens zo gemotiveerd.4 Maar
daartegenover staan twee minpunten: veel docenten missen de basis- en complexe vaardig-
heden die zij wel zouden moeten beheersen. En het aantal lessen dat wordt gegeven door
onbevoegde docenten is groot. Zo geeft een op de vijf lesgevenden in het voortgezet onder-
wijs ten minste één vak zonder volledige bevoegdheid; in het middelbaar beroepsonderwijs is
dat een op de zes.5
Ook het verslag over de staat van het Nederlandse onderwijs van de Inspectie van het Onder-
wijs meldt dat de kwaliteit van leraren aandacht verdient. Een op de acht leraren in het primair
onderwijs en ruim een op de vijf in het voortgezet onderwijs beschikt niet over voldoende
basisvaardigheden.6 Ook wat complexe vaardigheden betreft schieten veel leraren tekort, zo
schrijft de Onderwijsinspectie. Het gaat om het afstemmen van het onderwijs op specifieke
leerlingen of leerlingengroepen en het bieden van extra ondersteuning en zorg aan leerlin-
gen die dit nodig hebben. De Onderwijsinspectie heeft berekend dat tussen de 40 en 45%
van de leraren in het basisonderwijs en in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo (voor-
bereidend middelbaar beroepsonderwijs) zowel de basis- als de complexe vaardigheden
meester zijn. In havo en vwo is dit percentage nog geen 30%. Voor docenten in het middelbaar
beroepsonderwijs zijn deze gegevens niet beschikbaar. Wel is bekend dat ook in deze sector
zorgen bestaan over de vaardigheden van leraren. Het middelbaar beroepsonderwijs kent een
grote groep zij-instromers die vakinhoudelijk sterk ontwikkeld zijn, maar op pedagogisch en
vakdidactisch gebied vaak vaardigheden missen als gevolg van wisselende kwaliteit van het
zij-instroomtraject.7
Diverse maatregelen hebben het tekort al verminderd, maar nog niet afdoende
Ruim twintig jaar is de aantrekkelijkheid van een baan in het onderwijs een thema in het onder-
wijsbeleid. Verschillende commissies hebben zich gebogen over de vraag hoe voldoende goe-
de leraren in het primair en voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs kunnen worden
gekregen én behouden: de commissies Van Es (1993), Van Rijn (2001) en Rinnooy Kan (2007)
brachten er rapporten over uit (zie kader).8
4    Van der Broek & Van Casteren, 2012.
5    Bokdam, Berger, Van Oploo & Volker, 2011.
6    Onder deze basisvaardigheden verstaat de Onderwijsinspectie: duidelijk uitleggen, creëren van een taakgerichte werksfeer en actief
     betrekken van leerlingen bij het onderwijs.
7    Onderwijsraad, 2011b.
8    Commissie-Van Es, 1993; Commissie-Van Rijn, 2001; Commissie Leraren, 2007.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   De commissies Van Es, Van Rijn en Rinnooy Kan over leraren en wat er veranderde
   r In 1993 constateerde de Commissie Toekomst Leraarschap onder voorzitterschap van Andrée
         van Es dat de professionalisering van de leraren achter bleef en leraren weinig mobiel waren,
         zowel binnen het onderwijs als tussen andere sectoren. Hun taakbelasting was te hoog en de
         maatschappelijke status te laag. De publieksversie van het rapport kreeg de veelzeggende titel
         Het gedroomde koninkrijk mee. De school zou een professionele arbeidsorganisatie moeten wor-
         den met oog voor de omgeving waarin zij functioneert. De leraar moet de motor zijn van het
         onderwijsproces en de onderwijsvernieuwing, en het management moet hem de ruimte geven
         om deze rol waar te maken. Bestuur en management moeten zorgen voor goed personeels-
         beleid, waarin collega’s elkaar ondersteunen. De commissie stelde voor om ook mensen met le-
         raarsbekwaamheden van buiten de lerarenopleidingen in het beroep te halen, de zij-instromers.
         In de beleidsreactie van het ministerie, Vitaal Leraarschap, werd het rapport op hoofdlijnen on-
         derschreven. Concrete maatregelen waren bijvoorbeeld een schoolprofielbudget bestemd voor
         taak- en functiedifferentiatie, een tweejarige opleiding voor schoolleiders in het primair onder-
         wijs en de campagne Onderwijskundig leiderschap om schoolleiders te doordringen van het be-
         lang van integraal management vanuit onderwijskundig perspectief. Ook is – zij het pas in 2000
       – wettelijk de mogelijkheid gecreëerd om zij-instroom toe te staan. De beoogde deregulering
         van het personeelsbeleid gericht op professionalisering van het hrm-beleid (human resources
         management; mobiliteit en loopbaanontwikkeling, lerende leraren) is niet van de grond geko-
         men. Ook de bepleite salarisverhoging voor bepaalde leraren in het basisonderwijs (schaal 10) is
         niet in beleid omgezet.
   r De commissie-Van Rijn (2001) voorspelde op korte termijn een aanzienlijk tekort aan personeel
         bij overheid en onderwijs. De commissie stelde onder meer voor de salarissen te verhogen om
         het grote verschil met beloningen in de marktsector te verkleinen. Het advies leidde tot een con-
         venant tussen de minister en de onderwijsvakbonden. Er werden daarin afspraken gemaakt over
         een evenwichtiger loongebouw en meer marktconforme salarisverhogingen. Ook werd een eer-
         ste stap gezet om de salarisschalen in het onderwijs in te korten om grotere sprongen in salaris
         mogelijk te maken. Door economische krimp en bezuinigingen zijn de lerarensalarissen na 2002
         niet verder verbeterd.
   r In 2007 constateerde de Commissie Leraren onder leiding van Alexander Rinnooy Kan wederom
         dat de leraar minder betaald krijgt in vergelijking met andere hoogopgeleide werknemers in de
         marktsector. De commissie stelt in het rapport Leerkracht! dat de stem van de beroepsgroep op
         landelijk niveau niet krachtig genoeg te horen is, er aanhoudende zorg is over de kwaliteit van
         de lerarenopleidingen, de na-, bij- en opscholingsmogelijkheden maar beperkt benut worden
         en de professionele school die de commissie-Van Es voor ogen stond nog lang niet gerealiseerd
         is. De Commissie Leraren stelde de leraar centraal en deed aanbevelingen die moesten leiden
         tot een betere beloning, een sterker beroep en een professionelere school. Het rapport werd
         goed ontvangen en heeft geleid tot een scala aan maatregelen.9 Salarisschalen in het onderwijs
         werden ingekort en verhoogd, er werd een nieuw functiegebouw in de vorm van de functiemix
         ingevoerd, een beroepsgroep leraren werd gevormd, er werd toegezien op de kwaliteitsverbe-
         tering van de lerarenopleiding en ten slotte werden convenanten opgesteld voor een profes-
         sioneler personeelsbeleid tussen overheid en organisaties van werkgevers. Bovendien worden
         de effecten van de maatregelen elk jaar geëvalueerd; dit in tegenstelling tot eerder genomen
         maatregelen.

De afgelopen jaren zijn, dankzij die adviezen en de genomen maatregelen, de kwantitatieve
tekorten minder groot geworden dan werd verwacht. Vooral het gewijzigd beleid rond (pre)
pensioen, de conjuncturele situatie en demografische ontwikkelingen hebben zoden aan de
dijk gezet. Op dit moment is in de verschillende sectoren het aantal openstaande vacatures
zelfs lager dan in voorgaande jaren.10 Maar doordat in de nabije toekomst een groot aantal
9    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007.
10   Vrielink, Kurver, Hampsink, Van der Boom, Van de Vlasakker, e.a., 2012.
10                                                                                  Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    leraren met pensioen gaat en bovendien in veel beroepen de vraag naar hoger opgeleiden
    toeneemt, zullen de kwantitatieve tekorten weer aanzienlijk toenemen.
    Het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort hangen samen
    Er bestaat een samenhang tussen het kwantitatieve en het kwalitatieve lerarentekort. Om
    kwantitatieve tekorten op te lossen doen scholen soms concessies aan de kwaliteit zoals onbe-
    voegden voor de klas laten staan of tweedegraads opgeleide leraren in het eerstegraads les-
    gebied inzetten. Tegelijkertijd kunnen maatregelen om de kwaliteit van leraren te verhogen
    consequenties hebben voor het kwantitatieve lerarentekort op de korte termijn; bijvoorbeeld
    wanneer strengere selectie bij de opleiding ertoe leidt dat er minder studenten worden aange-
    nomen en er dus ook minder afstuderen.
    In dit advies bekijkt de raad het kwalitatieve en het kwantitatieve lerarentekort in samenhang.
    De raad doet in dit advies aanbevelingen die gericht zijn op structurele oplossingen vanuit een
    langetermijnperspectief. Want het gaat erom dat er ook in de toekomst genoeg goede leraren
    moeten zijn om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen.
1.2 Adviesvraag: hoe te sturen op voldoende goede leraren?
    Adviesvraag van het ministerie van OCW
    Centraal in dit advies staat de aanpak van het lerarentekort. De focus ligt op de sturingsmoge-
    lijkheden om nu en in de toekomst over voldoende goede leraren te beschikken. Het gaat om
    de kwaliteit van zittende en aankomende docenten in alle sectoren. De raad besteedt daarbij
    ook aandacht aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid, lerarenopleidingen
    en de scholen.
       Adviesvraag
       Wat zijn de sturingsmogelijkheden om te zorgen voor voldoende én goede leraren op de langere
       termijn?
    Dit advies richt zich op de periode tot 2020. Met name in de tweede helft van dit decenni-
    um, dus na 2015, worden de grootste lerarentekorten verwacht. Op nog langere termijn zijn
    ze moeilijk te voorspellen. De aanbevelingen hebben betrekking op het funderend onderwijs
    (primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs). Het advies is gevraagd
    door de staatssecretaris van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). De brief met de formele
    adviesvraag is te vinden in bijlage 1.
    Beantwoording van de adviesvraag
    Bij de voorbereiding van dit advies zijn twee onderzoeken uitgezet. ResearchNed heeft door
    middel van een literatuurstudie en data-analyses achterhaald welke leerlingen kiezen voor een
    onderwijsopleiding en -loopbaan en waarom zij die keuzes maken. Het ICLON (Interfacultair
    Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing) van de Universiteit
    Leiden heeft negen scholen bezocht met veel hoogopgeleide professionals (verdeeld over pri-
    mair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) en beschreven hoe
    die scholen erin slagen deze docenten binnen te halen en aan zich te binden. De studies zijn te
    raadplegen via de website van de Onderwijsraad. Daarnaast heeft aanvullend literatuuronder-
    zoek plaatsgevonden en zijn gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen bij de onder-
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>wijsarbeidsmarkt. Een complete lijst van literatuur en geraadpleegde deskundigen is te vinden
achterin dit advies.
De raad heeft zeven mogelijkheden geïdentificeerd waarmee de onderwijsarbeidsmarkt (zie
figuur 1) gestuurd kan worden (zie kader). Ze komen voort uit een analyse van beleidsmaatrege-
len die in de afgelopen vijf jaar zijn genomen.11 De aanbevelingen die de raad doet, zijn alle gekop-
peld – in meerdere of mindere mate – aan deze sturingsmogelijkheden.
   Zeven sturingsmogelijkheden bekeken
   1. Kwaliteit en kwantiteit van de instroom in de lerarenopleiding. Dit aspect is te reguleren met
         maatregelen als de invoering van toelatingstoetsen en het creëren van nieuwe opleidingsroutes.
   2. Kwaliteit en kwantiteit van de uitstroom uit de lerarenopleiding. Dit aspect is te reguleren met
         maatregelen om de kwaliteit van de opleiding te verbeteren en het formuleren van landelijk gel-
        dende (start)bekwaamheidseisen.
   3. Kwaliteit en kwantiteit van de instroom in de onderwijsarbeidsmarkt. Dit aspect is te reguleren
         met maatregelen als de invoering van nieuwe routes naar de onderwijsarbeidsmarkt; bijvoor-
         beeld het zij-instroomtraject en het stimuleren van combinatiebanen.
   4. Kwaliteit en kwantiteit van de uitstroom uit de onderwijsarbeidsmarkt. Dit aspect is te reguleren
        door het verhogen van de pensioenleeftijd en het verbeteren van de mogelijkheden om slecht
         functionerende docenten te ontslaan.
   5. Onderhoud en uitbreiding van de bekwaamheid van leraren. Dit aspect is te reguleren met
         maatregelen als het aanpakken van onbevoegde docenten, de invoering van het lerarenregister
        en het stellen van eisen ten aanzien van postinitiële bij- en nascholing.
   6. Beloning van leraren. Dit aspect is te reguleren met maatregelen als het verbeteren van het sala-
         risniveau, de invoering van beloningsdifferentiatie en prestatiebeloning.
   7. Kwaliteit van de werkomgeving. Dit aspect is te reguleren met maatregelen als het verbeteren
         van de positie van de leraar, invoering van taakdifferentiatie, realiseren van een professionele
        cultuur en het verminderen van de werkdruk.
11   Zie Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2008; Ministerie van
     Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011a.
12                                                                                                    Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Figuur :       Stromen op de onderwijsarbeidsmarkt
Over dit advies
In hoofdstuk 2 wordt het advies van de raad onderbouwd: waarom is het noodzakelijk om meer
te sturen op kwaliteit en minder op kwantiteit? In de hoofdstukken 3 tot en met 6 volgt de uit-
werking van het advies in vier aanbevelingen.
In de bijlagen vindt u achtereenvolgens de adviesaanvraag, een schema van aanbevelingen
naar actor en effect , en een uitwerking van de financiering van de masteropleidingen.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    De aanpak van het lerarentekort heeft tot nu toe te weinig effect. Het is zaak
    sterker te gaan sturen op kwaliteit, aldus de raad. Het onderwijs wordt er aan-
    trekkelijker door voor hoogopgeleiden, wat op termijn het aantal leraren zal
    doen groeien.
2   Advies: stuur meer op kwaliteit
    Goed onderwijs staat of valt met goede leraren. De kwaliteit van de leraar bepaalt in hoge
    mate het niveau van het onderwijs. Voor alle sectoren van het onderwijs geldt dat een goede
    leraar veel invloed heeft op de onderwijsprestaties van leerlingen.12 Die invloed zal in de toe-
    komst in een kennisintensieve samenleving alleen nog maar groter worden. De toenemende
    complexiteit van het werk zal een steeds groter beroep doen op de (academische) kwaliteiten
    van de leraar.
    De raad adviseert: maak van het docentschap een baan waaraan hoge eisen worden gesteld, in
    een professionele werkomgeving. Stuur dus sterker op kwaliteit van het lerarenberoep en niet
    alleen op kwantiteit, zoals tot nu toe veel is gebeurd. Dit zal een aanzuigende werking hebben:
    door meer in te zetten op kwaliteit wordt het beroep aantrekkelijker voor hoogopgeleiden en
    nemen op langere termijn de tekorten af.
2.1 Door de kwantitatieve aanpak zijn concessies gedaan aan de kwaliteit
    Tot nu toe is het beleid vooral gericht op een kwantitatieve aanpak van het lerarentekort. Dit
    heeft wel effecten gehad, maar niet voldoende. Sterker nog: om extra leraren aan het werk te
    krijgen, zijn juist concessies gedaan aan de kwaliteit. De raad vindt dit daarom niet de weg om
    lerarentekorten weg te werken en pleit voor meer focus op kwaliteit.
    De focus op kwantiteit heeft minder resultaten opgeleverd dan verwacht
    Een overzicht van wat het beleid om de tekorten terug te dringen de afgelopen jaren heeft
    opgeleverd:
    r Het is aantrekkelijker gemaakt voor de zogenoemde stille reserves op (opnieuw) in het
        voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs te gaan werken.13 Deze maat-
        regel heeft nauwelijks effect gehad. Dat komt voor een deel omdat vlak na de start van de
        regeling de economie flink inzakte. Daarnaast betrof de werving vaak kleinere baantjes die
        het niet aantrekkelijk maakten om vanuit een andere baan over te stappen naar het onder-
        wijs. Ook bleek de kwaliteit van deze voormalige leraren vaak onvoldoende aan te sluiten
        op de wensen van het veld.
    r De zij-instroom is geactiveerd. Zij-instromers hebben de instroom van leraren wel vergroot.
        Het subsidiebedrag ten behoeve van zij-instroom in het voortgezet onderwijs en het mid-
    12  Chetty, Friedman & Rockhoff, 2011; Clotfelter, Ladd & Vigdor, 2010.
    13  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007.
    14                                                                          Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>     delbaar beroepsonderwijs is verhoogd vanwege het grote aantal aanmeldingen (ongeveer
     400 per jaar).14 Deze docenten zijn vakinhoudelijk sterk ontwikkeld, maar missen op peda-
     gogisch en vakdidactisch gebied vaak vaardigheden als gevolg van de wisselende kwaliteit
     van het zij-instroomtraject.15
r Gekeken is hoe het onderwijs ‘slimmer’ georganiseerd kan worden, zodat minder leraren
     nodig zijn. Recentelijk is de InnovatieImpuls Onderwijs van start gegaan, een subsidierege-
     ling die het voor scholen in het primair en voortgezet onderwijs mogelijk maakt te expe-
     rimenteren met innovatieve manieren om ‘slimmer’ te werken met minder mensen. Deze
     experimenten verkeren nog in een beginstadium.
r Docenten worden gemotiveerd om meer of langer te werken. Het gaat hierbij om maat-
     regelen als het stapsgewijs verhogen van de jaarlijkse arbeidsduur (van een 36- naar een
     40-urige werkweek) met bijbehorend hoger inkomen, het aanbieden van banen met sub-
     stantiële omvang aan deeltijders en starters, en het vervangen van de bestaande regelin-
     gen voor ouderen door een regeling voor leeftijdsfasebewust personeelsbeleid die aansluit
     bij het flexibel pensioen van het ABP.16 Aanpassingen in regelingen voor vervroegde pen-
     sionering hebben er sinds halverwege de jaren negentig voor gezorgd dat de uitstroom
     minder stijgt dan verwacht. De gemiddelde leeftijd waarop leraren uittreden is tussen 2006
     en 2010 gestegen van net onder de 61 jaar naar 62,5 jaar.17 Het uitstel van pensionering
     heeft wel vergrijzing van het personeelsbestand tot gevolg. De gemiddelde leeftijd is in
     het onderwijs, op landbouw en visserij na, het hoogst van alle bedrijfstakken.18 Er zijn daar-
     bij overigens grote regionale verschillen. In Noord-Groningen en Zuid-Limburg is het aan-
     deel vijftigplussers onder het onderwijspersoneel een stuk groter dan in de grote steden
     van de Randstadregio’s. Ook zijn er grote verschillen tussen de onderwijssectoren. Vooral
     in het middelbaar beroepsonderwijs is het aantal vijftigplussers groot (57%).19 Hoewel deze
     maatregelen dus wel enig effect laten zien, namelijk dat leraren langer doorwerken, gaat
     het niet om nieuwe aanwas. Het is slechts uitstel van de uitstroom.
Er zijn concessies gedaan aan de kwaliteit
De focus op het sturen op meer leraren heeft met zich meegebracht dat de kwaliteit onder
druk is komen te staan. De trend is waarneembaar dat er steeds meer onbevoegde leraren voor
de klas staan, met name in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. In
die sectoren moeten leraren aan de bekwaamheidseisen voldoen om les in een bepaald vak
te mogen geven. In het voortgezet onderwijs zijn er bovendien aanvullende eisen om les te
mogen geven in de bovenbouw van havo en vwo (eerstegraadsgebied). Uit onderzoek blijkt
dat niet alle lesgevenden in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs
een volledige onderwijsbevoegdheid hebben. In het voortgezet onderwijs geeft een op de
vijf ten minste één vak zonder volledige bevoegdheid, in het middelbaar beroepsonderwijs
is dat een op de zes. Gemiddeld staan deze lesgevenden in beide sectoren zo’n tien uur per
week niet volledig bevoegd voor de klas. Dit vindt doorgaans plaats op structurele basis en
niet alleen ter vervanging van een zieke collega. Vooral onderwijsondersteuners staan nog
wel eens voor de klas, terwijl ze daar niet de bevoegdheid voor hebben. Van de lesgevende
onderwijsondersteuners geeft in het voortgezet onderwijs 42% en in het middelbaar beroeps-
14   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012c.
15   Onderwijsraad, 2011b.
16   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007.
17   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011a.
18   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011b.
19   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    onderwijs een derde één of meer vakken onbevoegd.20 In het primair onderwijs is bijna al het
    onderwijzend personeel in het bezit van een pabo-diploma.21 In die sector wordt dus niet of
    nauwelijks onbevoegd lesgegeven.
    Een andere trend is dat er steeds minder eerstegraadsleraren zijn in het voortgezet onderwijs.22
    Hun aantal zal in de komende jaren verder dalen omdat zij sterk vertegenwoordigd zijn in de
    groep die binnenkort met pensioen gaat.23 Kennelijk is het onderwijs niet aantrekkelijk genoeg
    voor hoger opgeleiden.
2.2 Huidige kwaliteitsverbetering is nog te beperkt en vrijblijvend
    Er zijn sinds het advies van de commissie-Rinnooy Kan al wel meer maatregelen getroffen
    om de kwaliteit van leraren te verbeteren. Ze hebben echter vooral betrekking op de leraren-
    opleidingen. En waar het om zittende leraren gaat, zijn de maatregelen te vrijblijvend.
    Huidige kwaliteitsmaatregelen zijn vooral gericht op lerarenopleiding
    De kwaliteitsverbetering richt zich vooral op de lerarenopleiding en dus minder op de zittende
    leraren. Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen genomen om de kwaliteit van
    de hbo-lerarenopleidingen (met name de pabo’s) te verbeteren als reactie op zorgwekkende
    visitatierapporten.
    r Er zijn prestatieafspraken gemaakt over de borging van kwaliteit.24 Hierbij gaat het om de
         borging van het niveau van de opleiding en van de interne kwaliteitszorg.
    r Er is in een landelijke kennisbasis vastgelegd wat beginnende docenten moeten kennen en
         kunnen en er zijn (start)bekwaamheidseisen geformuleerd.
    r Er zijn landelijke eindtermen voor vakkennis, pedagogiek en didactiek geformuleerd op
         basis waarvan een landelijk eindexamen is gemaakt.
    r Er is gewerkt aan specialisaties binnen de lerarenopleidingen (bijvoorbeeld de uitstroom-
         profielen jong kind en ouder kind op de pabo) om de aankomende leraren zo goed moge-
         lijk voor te bereiden op hun taak in de onderwijspraktijk.
    r Voor opleidingsscholen en academische scholen zijn keurmerken ontwikkeld.25
    r Tot slot zijn er specifieke maatregelen genomen om de kwaliteit van de instroom in de
         pabo te verhogen. Studenten moeten bijvoorbeeld toelatingstoetsen doen op het gebied
         van rekenen en taal. Vanaf het collegejaar 2014-2015 worden ook toelatingstoetsen ver-
         plicht voor de vakgebieden Engels, aardrijkskunde, geschiedenis en natuur en techniek.
    Als gevolg van (een deel van) deze maatregelen daalt het aantal studenten dat voor de pabo
    kiest. Sinds 2003 is het totale aantal instromers met ongeveer een derde afgenomen.26 Volgens
    de HBO-raad komt dit gedeeltelijk door de taal- en rekentoetsen die werken als drempel. Ook
    tijdens de opleiding vallen er – mede door de genomen maatregelen – veel pabo-studenten af
    (zie kader). In de tweedegraads lerarenopleiding nam de instroom de laatste jaren juist toe, al is
    20   Bokdam, Berger, Van Oploo & Volker, 2011.
    21   Vrielink, Hogeling, Jacobs & Kurver, 2010.
    22   Bokdam, Berger, Van Oploo & Volker, 2011.
    23   Bokdam, Berger, Van Oploo & Volker, 2011.
    24   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, VSNU & Hbo-raad, 2005; Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, 2011c.
    25   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2008.
    26   www.hbo-raad.nl.
    16                                                                                                     Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>recent ook daar een afname te zien.27 Hetzelfde geldt voor de eerstegraadsopleidingen, zowel
op hbo- als op universitair niveau.28
De verwachting is dat in 2022 de instroom in de lerarenopleidingen weer zal toenemen, met de
grootste toename (ongeveer 10%) in de pabo en de kleinste (ongeveer 3%) bij de universitaire
lerarenopleidingen.29
3031
    Veel uitval tijdens opleiding
    Drie jaar na aanvang van de opleiding is een groot deel van de pabo-studenten ermee gestopt. Dat
    aandeel is de laatste jaren fors toegenomen tot 40%. Dit percentage is vergelijkbaar met het per-
    centage uitvallers bij andere hbo-opleidingen. Dat er meer studenten uitvallen, komt door de toe-
    latingstoetsen die gaandeweg het eerste studiejaar worden afgenomen. Vooral degenen die in hun
    vooropleiding zwakkere leerprestaties behaalden, vallen uit in het eerste studiejaar. 30 Ook bij de eer-
    stegraads- en tweedegraadsopleidingen is na drie jaar zo’n 40% van de studenten ermee gestopt.
    In tegenstelling tot de pabo-studenten neemt hun aantal de afgelopen jaren niet duidelijk toe of af.
    Meisjes, autochtonen en studenten afkomstig van het vwo presteren bij alle hbo-lerarenopleidin-
    gen bovengemiddeld. In de pabo zijn de verschillen tussen mannen (54% gestopt na drie jaar) en
    vrouwen (35%) en tussen niet-westerse allochtonen (58% gestopt) en autochtonen (37%) groter dan
    elders. 31
    Degenen die uitvallen uit de pabo- of hbo-lerarenopleidingen waren over het algemeen van begin
    af aan minder gemotiveerd dan gemiddeld. Zo hebben ze later de keuze gemaakt voor de opleiding
    en kozen ze minder vaak de opleiding vanwege specifieke taken van de leraar, zoals het overdragen
    van kennis. 32 Ongeveer een kwart van de uitvallers uit een lerarenopleiding denkt dat de opleiding
    of instelling iets had kunnen doen om te voorkomen dat zij uitvielen. Zij denken daarbij onder an-
    dere aan meer studiebegeleiding. Mannen geven daarnaast ook regelmatig aan dat zij hun opleiding
    mogelijk nog zouden volgen als de introductie in de studie beter was geweest. 33 Studenten met een
    allochtone achtergrond voelen zich vaker dan autochtone studenten niet thuis op de opleiding. 34
32 33 34
Ten slotte is er een voorzichtige verschuiving zichtbaar in de vooropleiding van de instromers
in de pabo. Het aandeel instromende vwo’ers is recent toegenomen van zo’n 6% naar 10%. Dat
komt door de populariteit van academische pabo’s. Tegelijkertijd is het aandeel instromende
mbo’ers licht afgenomen, van 35% tot 31%. Bij de instroom in tweede- en eerstegraadsopleidin-
gen neemt het aandeel vwo’ers juist licht af.35
Al met al concludeert de raad dat er stappen zijn gezet om de kwaliteit van de leraren-
opleidingen en vooral de pabo te verbeteren. Zwakkere of minder gemotiveerde studenten
komen niet meer door de selectie tijdens de entree van de pabo. Te verwachten is dat er in de
loop der tijd betere leraren van de opleiding afkomen. Minpunt is wel dat het er minder zijn.
27     Sinds 2009 bestaat ook het ad-programma lerarenondersteuner.
28     CAOP Research, 2012a.
29     Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012a.
30     Hbo-raad, 2011.
31     CAOP Research, 2012b.
32     Warps, Wartenbergh, Kurver, Muskens, Hogeling, e.a., 2010.
33     Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c.
34     De Graaf, De Jong, Van der Leeuwen & Van der Veen, 2005; Severiens, Meeuwisse, Rezai & De Vos, 2007.
35     CAOP Research, 2012a.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Kwaliteitsmaatregelen gericht op zittende leraren zijn nog vrijblijvend
De afgelopen jaren zijn ook beleidsmaatregelen genomen, die zijn gericht op meer kwaliteit
van (zittende) leraren.
Het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid van leraren heeft de afgelopen jaren
veel aandacht gekregen in het onderwijsbeleid. Er zijn in 2004 bekwaamheidseisen opgesteld
door de beroepsgroep zelf, waar leraren aan moeten voldoen op grond van de Wet BIO (Wet
beroepen in het onderwijs). Daarnaast wordt gewerkt aan het terugdringen van het aantal
onbevoegde leraren. Verschillende organisaties werken aan de versterking van de beroeps-
groep leraren zoals voorgesteld door de Onderwijsraad36 en de Commissie Leraren.37 Doordat
de sociale partners geen voorstander waren van dit voorstel, heeft het lang geduurd voordat
initiatieven op dit vlak van de grond kwamen.38 Pas in 2011 is de Onderwijscoöperatie opge-
richt. Deze moet uitgroeien tot een volwaardige beroepsvereniging. Tot op heden zijn vooral
de reeds georganiseerde groepen, zoals de vakbonden, verenigd in de nieuwe coöperatie. Het
blijkt moeilijk voor kleinere, bestaande of nieuwe beroepsverenigingen toe te treden tot de
overkoepelende Onderwijscoöperatie omdat daarvoor een minimum aantal leden is vereist.
Daarnaast is het beleid recentelijk gericht op het stimuleren van de professionalisering van
docenten. De lerarenbeurs en promotiebeurs zijn ingevoerd, waarbij de (zeer populaire) leraren-
beurs vanaf 2012 alleen nog mag worden ingezet voor bachelor- en masteropleidingen en pro-
motietrajecten.39 Verder is het bekwaamheidsdossier ingevoerd en is er in 2009 een start gemaakt
met registratie van leraren in het primair en voortgezet onderwijs. Het beroepsonderwijs volgt
later. Vooralsnog gaat het om privaatrechtelijke registratie, in plaats van een publiekrechtelijk
register dat de Onderwijsraad heeft voorgesteld.40 Er is daarmee alleen een inspanningsverplich-
ting geregeld en geen resultaatverplichting. Als leraren niet aan de eisen voldoen, zijn er geen
consequenties. Al met al komen de initiatieven rond het formeren van een beroepsgroep en het
realiseren van een (publiekrechtelijk) lerarenregister dus moeizaam van de grond.
Uit onderzoek van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling)
blijkt dat in verschillende landen, waaronder Nederland, de meeste leraren tijd investeren in
professionele ontwikkeling.41 In de achttien maanden die het OESO-onderzoek bestreek, had
ongeveer 90% van de leraren deelgenomen aan een of andere vorm van professionele ontwik-
keling. De gemiddelde tijdsbesteding bedroeg iets minder dan een dag per maand. Ongeveer
de helft van de leraren gaf aan meer aan scholingsactiviteiten te willen deelnemen.
Uit het onderzoek bleek echter ook dat in veel landen (inclusief Nederland) de professionele
ontwikkeling vaak eendaagse bijeenkomsten betreft, zoals seminars en dergelijke. Die bijeen-
komsten hebben echter (veel) minder effect dan langduriger en intensiever trajecten, zoals een
hogere kwalificatie halen of onderzoek doen (individueel of in samenwerking met collega’s).
Maar weinig leraren nemen deel aan deze vormen van professionele ontwikkeling, terwijl deze
volgens hen juist het effectiefst zijn.42
36   Onderwijsraad, 2006.
37   Commissie Leraren, 2007.
38   Hoogeveen & Nijssen, 2009.
39   Volgens het CPB zijn het ook vooral de langere opleidingen die zonder de Lerarenbeurs niet gevolgd zouden zijn.
40   Hoogeveen & Nijssen, 2009. Bij het privaatrechtelijk register zijn geen consequenties verbonden aan het niet voldoen aan de
     scholingseisen.
41   Organisation of Economic Co-operation and Development, 2009.
42   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011c.
18                                                                                                      Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>2.3 Uitdagende opleiding en beroepsomgeving trekt meer hoogopgeleide pro-
    fessionals aan
    Een omgeving waarin leraren werken met uitstekende vakinhoudelijke en didactische kwaliteiten
    en die gekenmerkt wordt door professionaliteit, maakt het beroep aantrekkelijk. Scholen moe-
    ten organisaties worden waarin professionele normen gelden, met bijbehorende status, verant-
    woordelijkheden, beloning en mogelijkheden tot ontwikkeling. Op termijn zal dit het aantal lera-
    ren doen toenemen; er gaat immers een aanzuigende werking uit van een beroep met status en
    aanzien.
    Gebrek aan uitdaging en loopbaanmogelijkheden remmen een keuze voor het onderwijs
    Beperkte loopbaanmogelijkheden (uitdaging, beloning) zijn nu een rem om voor het onder-
    wijs te kiezen.43 Er is onderzoek gedaan onder de groep hbo-studenten die wel een leraren-
    opleiding overwogen, maar uiteindelijk toch voor een andere opleiding hebben gekozen. De
    redenen die deze studenten opgeven, hebben vooral te maken met loopbaan en inkomen. Een
    derde van de twijfelaars noemt de beperkte loopbaan- en carrièremogelijkheden met een lera-
    rendiploma, de beperkte loopbaan- en carrièremogelijkheden in het onderwijs en de beperkte
    financiële groeimogelijkheden als reden. Verder verwacht een kwart dat een lerarenopleiding
    saai en weinig uitdagend is.44
    Een deel van de afgestudeerden van een lerarenopleiding zoekt bewust een baan buiten het
    onderwijs (zie kader). Het gaat om alle typen lerarenopleidingen: pabo, eerste- en tweede-
    graads opleidingen en universitaire lerarenopleidingen. De leraren geven als belangrijkste
    redenen voor een baan buiten de sector: het opdoen van ervaringen buiten het onderwijs
    (vooral leraren van eerste- en tweedegraadsopleidingen) en het (te verwachten) hogere salaris.
    Van degenen die buiten het onderwijs werken of geen betaalde baan hebben, wil 65% wel in
    het onderwijs werken. Ze stellen hier vaak bepaalde voorwaarden aan. Het gaat dan voorna-
    melijk om een vast contract en salarisverbetering.45
       Wie gaat er na de lerarenopleiding in het onderwijs werken?
       Zo’n 80% van de pabo-afgestudeerden gaat een jaar na het behalen van het diploma ook daadwer-
       kelijk aan de slag in het onderwijs. Ongeveer 10% kiest voor een baan in een andere sector. De rest
       is (nog) niet werkzaam binnen het onderwijs. Een deel van deze groep is een vervolgopleiding gaan
       doen. Van degenen die niet in het onderwijs werken, zou zo’n twee derde dat wel willen. De keuze
       om niet in het onderwijs te gaan werken is niet altijd vrijwillig. Het hangt ook samen met het aantal
       vacatures en daarmee met baankansen. Zo is het deel van de afgestudeerden dat (nog) niet aan het
       werk is, in het noorden van het land het grootst.
       Net als bij de pabo is zo’n 80% van de afgestudeerden van de universitaire lerarenopleiding een jaar
       na afstuderen daadwerkelijk gaan werken in het onderwijs. Wel gaan ze vaker buiten het onderwijs
       aan de slag dan afgestudeerden van de pabo (zo’n 10 tot 15%) en zijn ze minder vaak zonder werk
       (zo’n 5% tot 10%).
    
    43   Van Eck & Heemskerk, 2009.
    44   Warps, Wartenbergh, Kurver, Muskens, Hogeling, e.a., 2010.
    45   Van Leenen & Bemsden, 2012.
    46   Gebaseerd op Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2011b, Van Leenen & Bemsden, 2011 en Van Leenen & Bemsden, 2012.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   Van de afgestudeerden aan de tweede- en eerstegraads hbo-lerarenopleidingen gaat ongeveer 70%
   tot driekwart aan de slag als leraar, 15 tot 20% werkt buiten het onderwijs en 10% is nog zonder baan.
   Afgestudeerden van de lerarenopleiding voortgezet onderwijs met de richtingen economie, talen
   en exacte vakken hebben het vaakst een baan binnen het onderwijs. Degenen met de richtingen
   verzorgende vakken en technische vakken werken vaker buiten het onderwijs. Die hebben gezien
   hun opleiding ook betere baankansen elders.
   Instromers in het middelbaar beroepsonderwijs zijn minder vaak rechtstreeks afkomstig van een
   lerarenopleiding. In het middelbaar beroepsonderwijs bestaat de mogelijkheid om vakmensen uit
   de beroepspraktijk als leraar te benoemen op basis van hun werkervaring. Deze groep komt vaak uit
   de gezondheids- en welzijnszorg en de zakelijke dienstverlening.
Beperkte loopbaanmogelijkheden zijn niet alleen voor studenten reden om af te zien van het
onderwijs. Ook voor wie eenmaal voor de klas staat, is het een belangrijke reden om van baan
te wisselen, zeker in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs (zie kader).
In vergelijking tot andere beroepsgroepen zijn leraren overigens doorgaans wel ‘honkvaster’.

   Switchmotieven
   Leraren zijn gedurende hun carrière doorgaans honkvaster dan werknemers in andere beroepen.
   Gemiddeld veranderde in de periode 2001-2008 8% van het onderwijspersoneel van baan. Van de
   andere werknemers is dat percentage 12%. En zelfs als onderwijspersoneel van baan verandert, dan
   blijven ze in de helft van de gevallen ook na die tijd werkzaam in het onderwijs.
   In het primair onderwijs is dat percentage nog hoger. In deze sector vindt enige uitwisseling plaats
   met de zakelijke dienstverlening en de gezondheids- en welzijnszorg. Als leraren in het primair on-
   derwijs elders gaan werken, is de meest genoemde reden de werkdruk, gevolgd door de ‘leiding-
   gevende’ en de werk-privébalans. Degenen die juist voor het onderwijs kiezen, doen dit vanwege
   het werken in teamverband, de sfeer, de uitdaging en omdat ze een vaste aanstelling krijgen.
   Baanwisselaars die kiezen voor een (andere) baan in het voortgezet onderwijs zijn voor de helft af-
   komstig uit het onderwijs zelf, ook uit het primair onderwijs. Als er uitwisseling plaatsvindt met an-
   dere sectoren dan is dat vooral met de zakelijke dienstverlening. De belangrijkste redenen voor le-
   raren in het voortgezet onderwijs om een andere baan te zoeken zijn de reistijd en het gebrek aan
   loopbaanmogelijkheden en waardering.
   De mbo-docenten die elders gaan werken, kiezen in twee derde van de gevallen voor een baan bui-
   ten het middelbaar beroepsonderwijs. Al betekent dat niet altijd dat ze buiten het onderwijs gaan
   werken. Een deel van hen gaat in het voortgezet onderwijs aan de slag. Ook voor deze leraren is ge-
   brek aan loopbaanmogelijkheden een reden om van baan te wisselen. Daarnaast geven zij als rede-
   nen ‘de leidinggevende’ en het gebrek aan sturing in de organisatie.
Uitdagender opleidingsvarianten trekken nu al meer hoger opgeleiden
Er zijn aanwijzingen dat er een ‘aanzuigende werking’ uitgaat van uitdagender opleidings-
varianten. Het lukt nieuwe opleidingen en alternatieve opleidingsroutes om nieuwe doelgroe-
pen te interesseren voor het onderwijs, onder wie academici. Het gaat hierbij om de acade-
mische pabo, de educatieve minor in het wetenschappelijk onderwijs en het project Eerst de
klas voor academici. Er zijn overigens ook plannen om de educatieve minor in te voeren in de
hbo-bacheloropleidingen.
47   Gebaseerd op Centraal Bureau voor de Statistiek, 2011b; Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, 2011c, p.74 en Sectorbestuur
     Onderwijsarbeidsmarkt, 2011b.
20                                                                                                       Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>De nieuwe lerarenopleidingen boren inderdaad een nieuwe doelgroep aan. Veel deelnemers
aan de academische pabo geven desgevraagd aan zich daar meer thuis te voelen dan bij de
reguliere pabo, omdat het niveau beter aansluit bij hun vooropleiding. Zij vinden werken in
het basisonderwijs dus wel aantrekkelijk, maar menen dat de reguliere pabo onvoldoende uit-
dagend is. Van de deelnemers aan Eerst de Klas had ongeveer driekwart volgens eigen zeggen
zonder deze opleiding nooit voor de klas gestaan. Ook de educatieve minor trekt een aanzien-
lijke groep studenten die eerder nog niet van plan was leraar te worden (38%).48
De vraag is wel of deze nieuwe studenten voor een onderwijscarrière kiezen. Of de educa-
tieve minor (beperkte tweedegraads lesbevoegdheid) uiteindelijk ook tot meer eerstegraads-
docenten voor de klas leidt, zal nog moeten blijken. Voorlopig geeft ongeveer een kwart aan
na afronding van de educatieve minor naar de eerstegraadsopleiding te willen doorstromen.
Het merendeel van de deelnemers aan Eerst de Klas verwacht nog ongeveer één tot drie jaar
voor de klas te staan na afloop van het programma. De meeste deelnemers die de academische
pabo volgen, willen daarna doorgaan met een master en dus niet direct werken in het primair
onderwijs. Na de master wil een groot deel wel het onderwijs in. Ze hebben daarbij wel de
behoefte aan meer uitdagingen, bijvoorbeeld door te werken in het speciaal onderwijs, in het
vernieuwingsonderwijs of in achterstandswijken.
Deze eerste ervaringen met de nieuwe opleidingsvarianten suggereren dus dat het mogelijk is een
nieuwe doelgroep van ‘slimmere studenten’ aan te boren. Of deze groep uiteindelijk voor langere
periode in het onderwijs gaat werken, zal afhangen van een stimulerende en uitdagende werkplek.
Hoger opgeleide leraren willen een uitdagende beroepsomgeving
Vooral hoogopgeleiden hebben behoefte aan een uitdagend beroep (zoals ook de evaluaties van
Eerst de Klas en de academische pabo laten zien). Deze leraren hechten aan een werkomgeving
waarin een appel wordt gedaan op hun academische vaardigheden met bijbehorende verant-
woordelijkheden. Als dat ontbreekt, is het een reden om niet voor een onderwijscarrière te kiezen.
Verschillende onderzoeken onder docenten naar de werkomgeving bevestigen dit beeld.
Leraren blijken niet zo tevreden over de organisatie, het hrm-beleid (zoals functionerings- en
beoordelingsgesprekken, al is het beleid wel beter dan voorheen), en de zeggenschap. De
grootste knelpunten:
r Het aantrekkelijker maken van de werkomgeving. Dit staat op de huidige beleidsagenda.
     Een professioneel statuut is in ontwikkeling en er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waar-
     mee de positie van de leraar versterkt wordt.49 Vooral de professionele ruimte van de docent
     krijgt veel aandacht. Er wordt in verschillende gremia volop gediscussieerd over dit onder-
     werp, maar hoe het concreet vorm moet krijgen is niet duidelijk. Daarnaast is er beleid om
     een professioneler hrm-beleid te stimuleren, worden afspraken gemaakt over het vermin-
     deren van de werkdruk en moeten scholen meer functies realiseren (de functiemix). Over de
     effecten van deze maatregelen is nog weinig bekend, omdat de invoering nog gaande is.
r Het hrm-beleid is nog niet zoals het moet. Op veel scholen in het primair en voortgezet
     onderwijs voeren leidinggevenden geen functionerings- of beoordelingsgesprekken met
     leraren. Van de werknemers die deze gesprekken wél hebben gevoerd, is een vijfde tot een
     kwart er niet tevreden over. Wat betreft het aantal gevoerde gesprekken: driekwart van het
     onderwijspersoneel (73%) had in 2010 een of meerdere functionerings- of beoordelings-
48   Van der Wel & Van Bergen, 2012; Ecorys & ResearchNed, 2012; Bilderbeek, Bos, Jager & Korlaar, 2011.
49   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007; Onderwijsraad, 2007.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                   21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>     gesprekken gevoerd met de leidinggevende.50 In vergelijking met 2008 is de inzet van deze
     gesprekken volgens werknemers niet toegenomen. Een veelgenoemde reden daarvoor
     is een gebrek aan tijd en faciliteiten. Leidinggevenden moeten geëquipeerd zijn om de
     gesprekken goed te kunnen voeren en er dienen heldere beoordelingscriteria te zijn voor
     het functioneren van werknemers. Als scholen nieuwe promotiecriteria hebben gefor-
     muleerd, dan zijn ze doorgaans wel transparanter dan voorheen. Dat is van groot belang.
     Het helpt mee het heersende gevoel weg te nemen dat het promotieproces oneerlijk is.
     Op scholen en instellingen met heldere promotiecriteria geven leraren veel vaker aan dat
     iedereen een eerlijke kans heeft op een schaalpromotie.51 Wat betreft de ontevredenheid
     over de gesprekken: een belangrijke reden daarvoor is het onvermogen van de gespreks-
     partner om het functioneren en de ontwikkelmogelijkheden van de werknemer te beoor-
     delen.52 Soortgelijke conclusies gelden ook voor het middelbaar beroepsonderwijs.53
r Het leraarsberoep heeft aantrekkelijke kanten, maar leraren zijn over sommige aspecten
     minder tevreden: over het salaris, de werkdruk, sturing en organisatie en de mate van
     bureaucratie.54 Onderzoek naar de zeggenschap en professionele ruimte van docenten
     bevestigt deels dit beeld. Leraren blijken met name tevreden over hun autonomie bin-
     nen de muren van het klaslokaal; zij bepalen de inhoud van de lesstof, de volgorde waarin
     deze behandeld wordt en de gebruikte didactiek. Men is minder tevreden over de zeggen-
     schap over bijkomende taken in het onderwijs, over het onderwijskundig beleid en over
     het kwaliteitsbeleid.55 Positief is dat leraren hun werk gevarieerd vinden (‘leraar elke dag
     anders’). Ze opereren zelfstandig (vooral binnen het klaslokaal), er zijn goede mogelijkhe-
     den om werk en privé te combineren (deeltijdwerk is met name in het primair onderwijs
     gangbaar)56, en de baanzekerheid is relatief hoog.
Sturen op kwaliteit blijkt succesvol in het buitenland
Bepaalde sturing werkt goed in landen met hoge onderwijsprestaties en voldoende goede
leraren. Die sturing richt zich op betere kwaliteit door selectie van de instroom, een aantrekke-
lijke werkomgeving en een goede beloning. Finland is hier een goed voorbeeld van. De meest
succesvolle landen hebben een aantal kenmerken gemeen.
r Een betere instroom in de lerarenopleidingen. Door de opleiding zeer selectief te maken en
     effectieve selectiemechanismen te gebruiken, komen de juiste mensen het onderwijs bin-
     nen. Dit blijkt ook de status van het beroep te verhogen.
r Een aantrekkelijke werkomgeving met professionele normen en autonomie. Docenten zijn
     hier niet alleen uitvoerders van onderwijs, maar hebben in de school ook ontwikkel- en
     onderzoekstaken.
r Een aantrekkelijk (start)salaris. Goed presterende landen hanteren ook beloning als stu-
     ringsmiddel. In Nederland is de hoogte van de lerarensalarissen een rem om te kiezen voor
     het onderwijs. Recent is met de functiemix wel de eerste stap gezet naar een aantrekkelij-
     ker salaris en meer doorgroeimogelijkheden in het onderwijs.
50   Bokdam, Berger, Van Oploo & Volker, 2011.
51   De Graaf, Van der Berg, Dosker, Houkes, Pass, e.a., 2012.
52   Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2011a.
53   Expertisecentrum beroepsonderwijs, 2011.
54   Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2010.
55   Hogeling, Wartenbergh-Cras, Pass, Jacobs, Vrielink, e.a., 2009.
56   In het primair onderwijs werkt bijna twee derde van het personeel in deeltijd, in het voortgezet onderwijs en het middelbaar
      beroepsonderwijs is dat ruim de helft. De gemiddelde betrekkingsomvang is in het primair onderwijs 0,76, in de andere
     onderwijssectoren is dat iets hoger (circa 0,82). Dat wil zeggen, dat er ongeveer vijf leraren nodig zijn om vier arbeidsplaatsen in te
     vullen Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2011b.
22                                                                                                           Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>    Functiemix verkleint loonverschillen
    De functiemix doorbreekt de platte functie- en beloningsstructuur. Leraren die wat extra’s doen, be-
    ter functioneren of beter zijn opgeleid, kunnen daarvoor worden beloond. Bovendien zijn de mo-
    gelijkheden vergroot om leraren in gebieden met een grotere arbeidsmarktkrapte extra te belonen.
    Vo-scholen en mbo-instellingen in Randstadregio’s krijgen extra middelen zodat ze meer leraren in
    hogere schalen kunnen benoemen. Ook zijn de salarisschalen ingekort. Het aantal periodieken is te-
    ruggebracht en de jaarlijkse toekenning van de periodiek is geen automatisme meer. Ten slotte krij-
    gen leraren die het einde van hun loonschaal al hebben bereikt onder bepaalde voorwaarden een
    schaaluitloopbedrag.57 De invoering van de functiemix vraagt wel om een cultuuromslag in het on-
    derwijs. Deze cultuuromslag is in gang gezet, maar kost tijd.58 Door de functiemix zijn de loonverschil-
    len ten opzichte van hoogopgeleiden in andere sectoren wat kleiner geworden (met name in de Rand-
    stadregio’s), maar de verschillen zijn hier hoger dan in andere landen, vooral in het primair onderwijs
    (zie tabel 1).59 Rond 2005 bedroeg dat (bruto) loonverschil ten opzichte van de totale overheidssector
    gemiddeld ongeveer tussen de 10 en 20%. In het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroeps-
    onderwijs zijn deze gemiddelde loonverschillen veel kleiner, of zelfs afwezig. 60 Hoogopgeleiden in de
    marktsector verdienen wel een stuk meer.61 Vooral voor mbo-docenten in de beroepsgerichte vakken
    is dit loonverschil relevant. Zij zijn immers vaak afkomstig uit de marktsector. De afgekondigde nullijn
    voor ambtenaren zal de loonverschillen met de marktsector weer doen toenemen.
57 58 59 60 61
Tabel :             De verhouding tussen het lerarensalaris na  jaar werkervaring in de des-
                     betreffende sector en het gemiddelde salaris van een hoogopgeleide in 
                                          Primair onderwijs         Lager secundair       Hoger secundair
                                                                         onderwijs*              onderwijs
   België (Vlaanderen)                                       0,93              0,93                     1,22
   Denemarken                                                0,87              0,87                      1,01
   Duitsland                                                 0,88              0,97                     1,05
   Engeland                                                  0,99              1,09                     1,09
   Finland                                                   0,89              0,98                     1,10
   Frankrijk                                                 0,73              0,79                     0,80
   Nederland                                                 0,70              0,84                     0,84
   Zweden                                                    0,79              0,81                     0,86
   EU21-gemiddelde**                                         0,81              0,85                     0,90
*      Voor Nederland is geen onderscheid gemaakt naar de relatieve salarissen in lager (vmbo en onder-
       bouw havo en vwo) en hoger secundair onderwijs (onder meer bovenbouw havo en vwo). Het be-
       treft immers veelal dezelfde leraren.
**     Dit is het ongewogen gemiddelde van de 21 OESO-landen die lid zijn van de EU en waarvan data
       voorhanden zijn. Deze 21 landen zijn België, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Grie-
       kenland, Hongarije, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slo-
       wakije, Spanje, Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
Bron: Organisation for Economic Cooperation and Development, 
57    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007.
58    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2010.
59    Organisation for Economic Co-operation and Development, 2012.
60    Berkhout, Van der Werff & Heyma, 2010.
61    Heyma, De Graaf & Van Klaveren, 2006.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.4 Integrale aanpak is noodzakelijk
    De commissie-Rinnooy Kan stelde in het rapport Leerkracht! dat een combinatie van sturings-
    mogelijkheden de beste perspectieven biedt. De aanbevelingen concentreerden zich op een
    betere beloning, een sterker beroep èn een professionelere school.
    De raad benadrukt dat een integrale aanpak het onderwijs aantrekkelijk maakt voor hoog-
    opgeleiden. Strengere selectie aan de poort van de lerarenopleiding werkt alleen als er gro-
    tere groepen hoogopgeleiden geïnteresseerd zijn in de opleiding. Door het verhogen van de
    beroepsstandaard stijgt het aanzien van het beroep, waardoor meer hoogopgeleiden interes-
    se krijgen in het onderwijs. Professioneel, onderwijskundig leiderschap moet garant staan voor
    een aantrekkelijke werkomgeving, die ervoor zorgt dat hoogopgeleiden niet meer stoppen na
    een aantal jaar werken in de praktijk. Bovendien is de aanwezigheid van professionele collega’s
    een belangrijke factor die leraren langdurig bindt aan het onderwijs. Alleen geschikte men-
    sen kunnen zich staande houden in een professionele werkomgeving en daarom is een betere
    selectie noodzakelijk.
    Integrale aanpak met oog voor effecten op korte en lange termijn
    Zoals eerder gezegd hangen maatregelen om de kwaliteit te versterken nauw samen met het
    terugdringen van de kwantitatieve lerarentekorten. Sommige sturingsmogelijkheden gericht
    op voldoende goede leraren op lange termijn, hebben op korte termijn negatieve gevolgen
    voor het aantal leraren; bijvoorbeeld als er door strengere selectie aan de poort, of tijdens de
    opleiding, minder afgestudeerde leraren op de arbeidsmarkt komen. Het is daarom essentieel
    om een pakket van aanbevelingen samen te stellen waarin zowel oog is voor de effecten op de
    korte als op de lange termijn.
       Over dit advies
       De raad scherpt het advies van de commissie-Rinnooy Kan aan met vier aanbevelingen:
       1. maak meer gebruik van werving en selectie rond de lerarenopleiding;
       2. verhoog de beroepsstandaard;
       3. stimuleer onderwijskundig schoolleiderschap; en
       4. werk in de regio nauw samen aan kwaliteit en kwantiteit.
       Deze punten zijn tot nu toe het minste aangepakt bij alle sturende onderwijsmaatregelen.
       De aanbevelingen van de raad en manieren om deze in praktijk te brengen komen aan de orde in
       hoofdstuk 3 tot en met 6. Het punt van de beloning van leraren bespreekt de raad in hoofdstuk 4. In
       bijlage 2 is uitgewerkt welke effecten de sturingsmogelijkheden op de kwaliteit van leraren hebben
       en welke effecten ze op korte- en lange termijn hebben op de kwantiteit.
    24                                                                              Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  De raad adviseert gerichtere werving en betere selectie rond de leraren-
  opleiding. Dat kan op drie manieren: door in het voortgezet en hoger onder-
  wijs actief te zoeken naar goede kandidaten voor de lerarenopleiding, door
  selectie aan de poort, en door opleidingen op hoog niveau te brengen en spe-
  ciale trajecten op te zetten voor excellente studenten.
3 Aanbeveling : maak meer gebruik van
  werving en selectie rond de lerarenopleiding
  Een betere selectie zorgt ervoor dat alleen mensen voor de klas komen, die beschikken over
  uitstekende pedagogische en vakinhoudelijke kwaliteiten. Selectie leidt niet alleen tot verho-
  ging van de kwaliteit, maar zal naar verwachting op (middel)lange termijn ook resulteren in
  vergroting van het aantal leraren. In andere landen wordt dit selectiemechanisme met succes
  toegepast (zie kader).
     Selectie werkt in andere landen
     De mogelijkheid van selectie rond de lerarenopleiding is in eerdere rapporten over het lerarentekort
     onderbelicht gebleven (net als de hogere beroepsstandaard, zie hoofdstuk 4). Het Nederlandse be-
     leid is tot nu toe vooral gericht op de kwaliteit van de lerarenopleiding (meer het reguleren van de
     uitstroom dan van de instroom). Andere goed presterende onderwijslanden pakken het anders aan.
     Zij richten het systeem zo in dat de beste mensen leraar worden. Deze landen hebben de toegang
     tot de lerarenopleiding zeer selectief gemaakt en hebben effectieve mechanismen voor de selectie
     ontwikkeld. Dit komt ten goede aan de kwaliteit van leraren en aan de status van het beroep. Door-
     dat alleen geschikte en talentvolle mensen worden toegelaten tot de opleiding, is het beroep aan-
     trekkelijk voor andere talenten.62
  62
  Het is juist nu het aangewezen moment om de focus op kwaliteitsverbetering te leggen en
  strenger te gaan selecteren, vindt de raad, omdat het lerarentekort tijdelijk meevalt. Dat komt
  ten eerste door de economische crisis en ten tweede door het succesvolle beleid om ouderen
  binnenboord te houden. Door selectie kan de instroom weliswaar tijdelijk dalen (zoals zicht-
  baar is bij de pabo als gevolg van de taal- en rekentoets, zie hoofdstuk 2), maar op termijn trekt
  het aantal studenten weer aan. Dat valt in de jaren na 2015 samen met oplopende tekorten aan
  leerkrachten, die zich zullen voordoen als de grote groep ouderen met pensioen gaat.
  Om op korte termijn de daling van studenten die voor de lerarenopleiding kiezen tegen te
  gaan, beveelt de raad aan het accent te leggen op andere sturingsmiddelen, zoals actieve wer-
  ving van vo-leerlingen en studenten in het hoger onderwijs.
  62   Barber & Mourshed, 2007; Mourshed, Chijioke & Barber, 2010; Organisation of Economic Co-operation and Development, 2009;
       Organisation for Economic Co-operation and Development, 2011.
  Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Hieronder volgt een uiteenzetting van de sturingsmiddelen. In bijlage 2 staat voor elk ervan
    aangegeven wie wat zou moeten doen en welke resultaten dat oplevert.
3.1 Zoek actief naar geschikte leerlingen in voortgezet en hoger onderwijs
    De raad stelt ten eerste voor gerichter kandidaten te werven voor de lerarenopleiding. Leerlin-
    gen uit het voortgezet onderwijs en studenten uit het hoger onderwijs zijn nu al te enthousias-
    meren voor een baan in het onderwijs. De leerlingen die daarvoor open staan, zouden aan het
    onderwijs kunnen ruiken door ze op hun eigen school te betrekken bij verschillende onderwijs-
    ondersteunende taken. Universitaire studenten kunnen kennismaken met het onderwijs door
    bijvoorbeeld te helpen bij huiswerkklassen, vo-leerlingen te ondersteunen bij hun profielwerk-
    stukken en werkgroepen in de bachelorfase te begeleiden.
    Actieve werving komt nog weinig voor
    Het gebeurt nog relatief weinig dat leerlingen en studenten actief worden geworven voor het
    leraarsberoep. In het wetenschappelijke onderwijs gebeurt dat eigenlijk alleen met de edu-
    catieve minor. Die biedt studenten de mogelijkheid zich te oriënteren op het leraarschap en
    resulteert in een (beperkte) tweedegraads lesbevoegdheid. Er zijn overigens plannen om de
    educatieve minor binnen relevante hbo-vakopleidingen, bijvoorbeeld de technische opleidin-
    gen, in te voeren.
    Er zijn nog niet veel projecten gericht op het werven en interesseren van (goede) leerlingen
    in het voortgezet onderwijs. Dat is jammer, want leraren zelf zijn volop in de gelegenheid om
    reclame te maken voor hun beroep. Zij zijn ambassadeur van hun vak. Leraren zijn het rol-
    model op basis waarvan leerlingen hun studiekeuze kunnen bepalen. Zij hebben in de ogen
    van de raad daarom een belangrijke functie in het laten zien van hoe mooi, veelzijdig en uitda-
    gend het leraarsberoep kan zijn.
    Breid projecten uit die ‘vissen in eigen vijver’
    Op enkele scholen zijn interessante projecten gestart met als doel: hoe kun je je eigen leerlin-
    gen interesseren voor een baan in het onderwijs? Deze scholen betrekken leerlingen tijdens
    schooltijd bij diverse onderwijsondersteunende taken. De raad pleit voor meer van dergelijke
    projecten om actief de beste leerlingen te werven; leerlingen die zich zowel qua leerprestaties
    als sociaal-communicatieve vaardigheden onderscheiden. Deze projecten kunnen aan kracht
    winnen door voor geïnteresseerde leerlingen een kort opleidingstraject op te zetten, dat ze
    kunnen afsluiten met een certificaat. Daarmee kunnen zij verschillende onderwijsondersteu-
    nende taken uitvoeren, zoals mentoring en huiswerkbegeleiding.
       Vissen in eigen vijver
       Tijdens een rondetafelbijeenkomst georganiseerd door het SBO (Sectorbestuur Onderwijsarbeids-
       markt) vertelt Joop Grimm, locatiedirecteur en projectleider duaal opleiden op het PENTA college,
       hoe die school via een duaal opleidingstraject vist in eigen vijver. “Al zeven jaar lang maken we leer-
       lingen in 5 havo en 6 vwo warm voor het docentschap: we organiseren een informatiebijeenkomst
       en peilen hun interesse. Uiteindelijk selecteren we zo’n twaalf leerlingen, die we - in samenwerking
       met de Hogeschool Rotterdam - in een duaal traject opleiden.”
    26                                                                                   Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>       Hoofd p&o (personeel en organisatie) Job van der Mijl doet uit de doeken hoe de CVO Groep ‘aan-
       stormende docenten’ (asd’ers) de kans geeft om voor de klas ervaring op te doen. “De asd’ers - leer-
       lingen afkomstig uit de hoogste havo- en vwo-klassen - assisteren docenten met ondersteunende
       activiteiten in de onderbouw: ze corrigeren bijvoorbeeld toetsen of vangen een klas op als de docent
       ziek is. Voor leerlingen is het een uitstekende kans om te ontdekken of het onderwijs iets voor hen is.
       En oudere docenten - die optreden als coach van de asd’ers - ervaren dat vaak als een revitalisering. Zo
       snijdt het mes aan twee kanten.”
       Bron: SBO verslag van een rondetafelgesprek ()
3.2 Selecteer aan de poort van de opleiding
    De raad pleit ten tweede voor meer selectie aan de poort van de lerarenopleiding. Zo begin-
    nen alleen geschikte mensen aan de opleiding. Dit verhoogt – zoals vermeld – de status van
    de beroepsgroep. Opleidingen kunnen met een betere selectie niet alleen de minimumnorm
    waarborgen, maar ook excellente leerlingen proberen te identificeren om ze een apart traject
    aan te bieden.
    Ook andere landen testen op competenties
    Er zijn verschillende manieren om een opleiding meer selectief te maken. In Finland bijvoor-
    beeld worden landelijke tests afgenomen. De 30% best presterende studenten worden gese-
    lecteerd. Er wordt gelet op een breed scala van competenties variërend van een hoog taal- en
    rekenniveau en sterke sociale en communicatieve vaardigheden tot de bereidheid om te leren
    en de motivatie om les te geven. Selectieprocedures zijn speciaal ontworpen om deze compe-
    tenties te identificeren.63
    Selectie aan de poort uitbreiden naar andere lerarenopleidingen
    In Nederland concludeerde de Commissie Ruim Baan voor Talent in 2007 dat selectie een
    geschikt middel is om een minimumniveau te waarborgen. In 2006 is voor dit doel op de pabo
    een verplichte entreetoets op het gebied van taal en rekenen ingevoerd. In de toekomst zul-
    len bij studenten voordat ze de pabo starten, verplichte toelatingstoetsen worden afgenomen
    voor de schoolvakken Engels, aardrijkskunde, geschiedenis, en natuur en techniek (zie kader).
    Ook andere lerarenopleidingen zouden dergelijke toelatingstoetsen kunnen inbouwen.
        Toetsing wordt uitgebreid; waarborgen minimumniveaus
        In navolging van het advies van de commissie-Meijerink worden toelatingstoetsen aan de poort van
        de pabo ingevoerd.64 Volgens de commissie is dit nodig omdat de verschillen in voorkennis van de
        algemeen vormende vakken zeer groot is en het ingangsniveau kan variëren van eind basisschool
        tot en met eindexamen vwo. Momenteel is het aan de pabo’s om op allerlei manieren de studenten
        bij te spijkeren op vakken waar ze een achterstand hebben. Gedeelde normen over het minimale
        ingangsniveau ontbreken. De commissie-Meijerink heeft voorgesteld om naast toetsen voor taal en
        rekenen ook toetsen af te nemen voor Engels, aardrijkskunde, geschiedenis, en natuur en techniek.
        Als de studenten deze vakken in hun eindexamenpakket hebben, krijgen ze vrijstelling voor de toets.
        Door de brede selectie aan de poort kunnen alleen studenten die voldoen aan de minimumnorm de
        pabo-opleiding volgen. Deze aanbeveling is door de staatssecretaris overgenomen.
    64
    63    Organisation for Economic Co-operation and Development, 2011.
    64    Commissie-Meijerink, 2012.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Experimenteer met selectie van excellente studenten en ontwikkel speciale opleidingstrajecten
voor hen
Een tweede kwaliteitsimpuls is het selecteren van de beste studenten. Dat is echter veel inge-
wikkelder. Vaak bewijzen studenten hun geschiktheid pas gaandeweg de opleiding. Zo vor-
men goede eindexamencijfers geen garantie voor succes; hun motivatie kan zich ook gedu-
rende de opleiding ontwikkelen.
De raad pleit voor experimenten met selectiemechanismen om de beste studenten te identifi-
ceren. Daarvoor moeten de toelatingscommissies van de verschillende lerarenopleidingen een
grotere rol te krijgen. Een mogelijkheid is de invoering van een geschiktheidsonderzoek. De
criteria daarvoor zouden door de lerarenopleidingen zelf uitgewerkt moeten worden.
De raad is voorstander van selectiecriteria die ook competenties omvatten zoals sociale en
communicatieve vaardigheden, bereidheid om te leren en motivatie om les te geven. Leraren
hebben immers een brede intellectuele, culturele, inspirerende en vormende rol. De experi-
menten zouden na verloop van tijd geëvalueerd moeten worden om meer inzicht te krijgen
in de mogelijkheden om voor de start van de opleiding de beste studenten voor het leraars-
beroep te selecteren.
Bovendien zou een apart opleidingstraject kunnen worden opgezet, dat qua niveau en uit-
daging afgestemd is op excellente studenten. Dat houdt de opleiding aantrekkelijk voor deze
studenten. Het gaat dus om alternatieve opleidingen (naast de bestaande lerarenopleidingen)
die een eigen (streng) selectiemechanisme toepassen.65 Voorbeelden zijn te vinden in de Ver-
enigde Staten: The Boston Teacher Residency, Chicago Teaching Fellows, New York Teaching
Fellows. Zij leiden een ‘new brand’ leraren op. Het blijkt dat dit soort lerarenopleidingen aan-
trekkelijk is voor studenten met hogere academische prestaties.66 In Nederland lijkt het project
Eerst de Klas nog het meest op deze ontwikkeling (zie kader).
   Eerst de Klas selecteert excellente academici
   Het programma Eerst de Klas richt zich op excellente academici die maximaal twee jaar zijn afge-
   studeerd. Zij krijgen in het traineeprogramma de kans om het behalen van een eerstegraads les-
   bevoegdheid te combineren met lesgeven op een middelbare school en het volgen van een lei-
   derschapsprogramma binnen het bedrijfsleven. Het doel is om meer academici en getalenteerde,
   bevlogen docenten naar het onderwijs te trekken. Voor het bedrijfsleven levert het traject waarde-
   volle projecten op, die resulteren in werknemers met pedagogische en educatieve bagage. Voor de
   deelnemers biedt het programma een uitdagend leerproces.
   De deelnemers aan het programma ondergaan een strenge selectieprocedure. Zij moeten gemid-
   deld een 7,5 (bèta 7,0) hebben behaald voor hun studieonderdelen. De eerste stap in de selectie-
   procedure bestaat uit het schrijven van een motivatiebrief. Vervolgens is er een eerste selectiedag,
   waarbij de deelnemers een IQ- en persoonlijkheidstest maken. Op deze dag maken ze ook een groeps-
   opdracht en een zelfreflectieopdracht. Vervolgens is er een tweede selectiedag waarbij de kandida-
   ten een proefles moeten voorbereiden en geven. Uit de evaluaties van het project Eerst de Klas blijkt
   dat de bedrijven, scholen en lerarenopleiding van mening zijn dat deze strenge selectieprocedure
   geleid heeft tot een geschikte groep van kandidaten met veel potentie. Bovendien blijkt dat het
   programma een toegevoegde waarde heeft voor de onderwijsarbeidsmarkt. Deelnemers zouden
65   Barber & Mourshed, 2007.
66   Henry, Bastian & Smith, 2012.
28                                                                               Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>       zonder dit project niet voor het onderwijs hebben gekozen. Tot slot blijkt het project een nieuwe
       doelgroep te bereiken voor het onderwijs. Een ander type docent, van wie de lerarenopleiding zegt
       dat ze zaken sneller oppikken.67
    67
    De raad pleit ervoor om dit soort speciale projecten met een strenge selectie, gericht op ‘high
    potentials’, op grotere schaal in te voeren, zodat de lerarenopleiding aantrekkelijker wordt
    voor deze doelgroep. Dergelijke trajecten zouden bij voorkeur binnen de bestaande leraren-
    opleidingen moeten worden georganiseerd om optimaal gebruik te maken van de bestaande
    (kennis)infrastructuur.
3.3 Vergroot het zelfselecterend vermogen van de opleiding
    Ten derde vindt de raad dat de lerarenopleidingen hun zelfselecterend vermogen moeten ver-
    groten. Dat kan op drie manieren.
    Door de lesstof op een hoog niveau te brengen en te houden
    De lesstof moet op een hoog niveau worden gegeven. Beleid op dit punt is al in gang gezet
    (zie paragraaf 2.2). Er zijn prestatieafspraken gemaakt over de kwaliteitsborging van de leraren-
    opleidingen. Inmiddels is onder andere een landelijke kennisbasis vastgelegd voor de hbo-
    lerarenopleidingen en worden er landelijke eindtermen en examens geformuleerd. Dit beleid
    moet worden voortgezet.
    Door ook de praktijkstages kritisch te beoordelen
    De praktijkstage is bij uitstek een onderdeel van de opleiding waaruit blijkt of studenten
    geschikt zijn voor het vak. De raad krijgt signalen uit de praktijk dat in een tijd van leraren-
    tekorten scholen sneller geneigd zijn om het praktijkdeel van de opleiding als voldoende te
    beoordelen, om zo studenten te behouden voor het onderwijs. Serieuze beoordeling van de
    praktijkstage is echter noodzakelijk om uiteindelijk goede leraren voor de klas te krijgen. De
    examencommissies moeten beter toezien op een onafhankelijke beoordeling om concessies
    op het gebied van kwaliteit te voorkomen.68
    Door de studievoortgang te bewaken
    Vooral zwakkere studenten lijken relatief lang over hun opleiding te doen. De raad adviseert
    opleidingen daarom om strengere regels te stellen, bijvoorbeeld hoeveel punten een student
    jaarlijks moet halen om de studie te mogen voortzetten en vaak een tentamen herkanst mag
    worden. Dit soort maatregelen versterkt het selecterend vermogen van de opleiding.
    67  Bilderbeek, Bos, Jager & Korlaar, 2010; Bilderbeek, Bos, Jager & Korlaar, 2011.
    68  Commissie Externe Validering Examenkwaliteit Hoger Beroepsonderwijs, 2012.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                               29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    De raad pleit voor een hoge beroepsstandaard voor nieuwe en al langer wer-
    kende leraren. Daarom wil de raad hogere eisen stellen aan scholing, door in-
    voering van een publiekrechtelijk register en van de master als standaard. Ver-
    der pleit de raad voor inductieprogramma’s en meer serieuze beoordeling van
    het functioneren in de praktijk.
4   Aanbeveling : verhoog de
    beroepsstandaard
4.1 Verplicht de bij- en nascholing, voer een publiekrechtelijk register in
    Onderzoek toont aan dat een hoog opleidingsniveau van leraren positieve effecten heeft op
    de prestaties van de leerlingen.69 De raad vindt het noodzakelijk om de professionaliteit van de
    leraar te blijven ontwikkelen, ook tijdens hun loopbaan. Hij adviseert om de Wet BIO zo aan te
    scherpen dat er sancties volgen als leraren hun wettelijke verplichting om zich te laten bij- en
    nascholen niet nakomen.
    Van inspannings- naar prestatieverplichting
    De huidige Wet BIO verplicht leraren hun bekwaamheid te onderhouden; het bevoegd gezag
    heeft de opdracht leraren daartoe de gelegenheid te bieden. Er is echter geen sanctie op het
    niet nakomen van deze verplichting. De raad adviseert deze inspanningsverplichting om te
    zetten in een prestatieverplichting op basis van een puntenstelsel, zoals bij andere beroepen
    gebruikelijk is. De verplichte bij- en nascholing zou een omvang moeten hebben van 10% van
    de normjaartaak (166 uur). Dit is de scholingsomvang die tot voor kort in de cao was vastgelegd
    en die in veel gevallen door de scholen in de verschillende sectoren wordt aangehouden.70
    Van privaat- naar publiekrechtelijk lerarenregister
    Het puntenstelsel zou gekoppeld moeten worden aan een publiekrechtelijk lerarenregister.
    Leraren zouden zich eens in de vijf jaar opnieuw moeten registreren. Wie niet aan de scholings-
    eisen heeft voldaan, verliest zijn lesbevoegdheid. Net zoals in de zorgsector en bij andere
    beroepsgroepen zoals actuarissen, predikanten en piloten betekent dit dat de leraar bij verlies
    van bevoegdheid niet meer zelfstandig les mag geven. Wel mag hij taken uitvoeren die verge-
    lijkbaar zijn met de taken van onderwijsondersteuners en onderwijsassistenten. Werkgevers
    69   Clotfelter, Ladd & J.L., 2010.
    70   In de cao van het primair onderwijs staat de omvang van 10% nog steeds vermeld. In de cao van het middelbaar
         beroepsonderwijs wordt de professionalisering per team bepaald en verdeeld over de werknemers. Iedere leraar
         heeft jaarlijks recht op minimaal 59 uur ten behoeve van scholing en professionalisering. De werknemer die
         betrokken is bij het primaire proces en die benoemd is in de functie met een carrièrpatroon van 9 of hoger, heeft
         jaarlijks recht op 59 uur ten behoeven van scholing en professionalisering.
    30                                                                                         Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    bepalen in dit geval of de leraar in een andere functie behouden blijft of ontslagen wordt. Dit
    betekent dat het verlies van de bevoegdheid juridisch een reden voor ontslag kan zijn.
    Het bevoegd gezag van een school is daarnaast verplicht leraren in de gelegenheid te stellen
    om aan de scholingsverplichting te kunnen voldoen. Het gaat er vooral om dat leraren hier vol-
    doende tijd voor krijgen.
    De raad vindt dat de leraar medezeggenschap moet hebben over de invulling van de profes-
    sionalisering, zodat hij gericht kan werken aan doorgroeimogelijkheden. De cao van het pri-
    mair onderwijs is wat dat betreft een goed voorbeeld. Hierin staat dat de werkgever maximaal
    50% van de professionalisering mag inzetten voor persoonlijke scholing en ontwikkeling van
    de leraar en de andere 50% voor professionalisering in het kader van de schoolorganisatie. De
    raad adviseert om een dergelijke verdeling ook in het voortgezet onderwijs en het middelbaar
    beroepsonderwijs toe te passen.
    Tot slot benadrukt de raad het belang van het register voor leraren zelf. Opname in het register
    is een erkenning van hun bekwaamheid en kwaliteit: niet iedereen kan een leraar zijn. Boven-
    dien gelden de eisen voor de registratie ook voor collega’s, waardoor de leraar wordt omringd
    door andere vakbekwame leraren. Deze kwaliteitsverbetering maakt de werkomgeving ook
    weer aantrekkelijker.
4.2 Maak van masterdiploma de standaard
    Besteed de verplichte scholingstijd aan een masteropleiding
    De raad vindt dat de verplichte bij- en nascholing vorm moet krijgen binnen onderwijs-
    modulen die deel uitmaken van een (geaccrediteerde) masteropleiding. Daar krijgen leraren
    kennis en vaardigheden aangereikt die uitstekend passen bij opbrengstgericht werken in
    het onderwijs: kennisnemen van onderzoeksresultaten, vertalen van deze resultaten naar de
    dagelijkse onderwijspraktijk, stellen van onderzoeksvragen en aanpassen van het onderwijs
    (onder andere op basis van toetsgegevens) aan het niveau en de behoeften van verschillende
    leerlingen (differentiatie). Ook kennis en vaardigheden die de innovatiekracht van het onder-
    wijs versterken, komen aan bod: problemen analyseren in de onderwijspraktijk, oplossingen
    construeren, en evalueren van systematisch ontworpen werkwijzen en lessen. De activerende
    en onderzoeksgerichte leervormen in masteropleidingen zijn voor de professionalisering van
    leraren uiterst effectief gebleken.71 Een master is bovendien te behalen in de 10% nascholings-
    tijd van de normjaartaak over vijf jaar (zie kader). Het behalen van een masterdiploma komt
    zowel de kwaliteit als het aanzien van het beroep ten goede.72 Na het behalen ervan hebben
    leraar en werkgever meer vrijheid om de verplichte professionaliseringstijd in te vullen.
    71  Van Veen, Zwart, Meirink & Verloop, 2010.
    72  Evetts, 2009; Barber & Mourshed, 2007.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    Master: vakinhoud of didactiek, hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs
    Nascholing op het gebied van vakinhoud, vakdidactiek en pedagogiek heeft een positief effect op
    het lesgeven73, zeker wanneer deze professionalisering is ingebed in de dagelijkse praktijk.74 Lera-
    ren moeten kunnen kiezen tussen een master die gericht is op het versterken van de vakinhoud en
    een master die gericht is op het versterken van hun didactische en/of pedagogische bekwaamheid.
    Er is ook keuze in het niveau: een professionele master (hbo-niveau) of een universitaire master (wo-
    niveau). De masteropleidingen kennen een omvang van 60 ECTS (European Credit Transfer and Ac-
   cumulation System), wat overeenkomt met 1.680 uren. Over het algemeen bestaat een omvangrijk
    deel van de master uit een praktijkonderdeel. De professionele masters bestaan voor 50% uit een
    praktijkdeel. Daarin wordt de theorie die tijdens de opleiding aan de orde komt, gekoppeld aan het
    werken in de praktijk in de vorm van een stage (bijvoorbeeld lesgeven in het eerstegraadsgebied)
   of een ontwikkelings- of onderzoeksopdracht (bijvoorbeeld het ontwerpen en implementeren van
   een leerlingvolgsysteem).
7374
Master voor starters in voortgezet onderwijs en leraren algemene vakken in vmbo en mbo
De raad adviseert om een grote groep leraren in de eerste jaren van hun loopbaan het mas-
terdiploma te laten behalen (als zij dat nog niet hebben). Het gaat om de volgende groepen:
r Alle startende havo- en vwo-leraren in het voortgezet onderwijs en de leraren algeme-
      ne vakken in het vmbo en mbo. Zij kunnen hiervoor de verplichte bij- en nascholingstijd
      gebruiken.
r Een deel van de leraren in het primair onderwijs en leraren beroepsgerichte vakken in
      het vmbo en mbo, namelijk 25% van deze leraren per school. Het is niet in alle gevallen
      noodzakelijk en haalbaar om alle docenten uit deze groep op te leiden tot masters. Wel
      zou er meer dan één master op een school moeten zijn. Als er namelijk meer masters op
      een school zijn, blijken zij langer aan de school verbonden te blijven; ook de impact op de
      school is dan groter.75
Voor deze en de volgende aanbeveling geldt dat er voldoende financiële middelen beschik-
baar moeten zijn (zie kader).
Een reguliere masteropleiding voor leraren in het primair onderwijs en het beroepsonderwijs
Het aanbod van masteropleidingen gericht op docenten in het primair onderwijs en het mid-
delbaar beroepsonderwijs is schaars. De raad acht het van groot belang dat er een reguliere
masterroute komt voor leraren in het primair onderwijs. Op dit moment zijn er voor deze groep
enkel specialistische masters, zoals de opleiding ‘Special Educational Needs’. Ook voor leraren
in het beroepsonderwijs ontbreken specifiek op deze sector toegesneden masteropleidingen.
De raad denkt hierbij met name aan masteropleidingen op het gebied van de didactiek van de
beroepsgerichte vakken.
73    Van Gennip & Vrieze, 2008; Hanushek & Rivking, 2010; Hill, Rowan & Ball, 2005; Scheerens, 2007; Wayne & Youngs, 2003; Van Veen,
      Van Driel & Veldman, 2011.
74    Van Veen, Zwart, Meirink & Verloop, 2010.
75    Science Guide, 2012.
32                                                                                                     Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>       Voorwaarde voor meer masters: voldoende financiële middelen
       Een belangrijke voorwaarde voor het vergroten van het percentage leraren met een master, is de
       beschikbaarheid van voldoende financiële middelen. Die zijn nodig voor drie verschillende soorten
       kosten: opleidingskosten, vervangingskosten en salaristoeslag na het behalen van de master. Als
       het gaat om de salaristoeslag, vindt de raad dat het functioneren van leraren in de praktijk doorslag-
       gevend moet zijn, maar dat de afronding van een masteropleiding een voorwaarde is. De salaris-
       toeslag heeft de grootste omvang, maar is in de ogen van de raad cruciaal. Tegenover maatregelen
       voor een beroep met hoge standaarden, hoort een financiële beloning.
       Voor de opleidings- en vervangingskosten zou naar schatting voor de drie onderwijssectoren samen
       een bedrag van ongeveer 140 miljoen euro begroot moeten worden, waarvan ongeveer 6 miljoen
       collegegeld, ongeveer 15 miljoen opleidingssubsidie en ongeveer 120 miljoen vervangingskosten.76
       Voor de salaristoeslag na het behalen van de masteropleiding stelt de raad voor op termijn de doel-
       stellingen voor de functiemix aan te passen. In bijlage 3 is uitgewerkt hoe dat zou kunnen.
       De middelen die nodig zijn voor het salaris van leraren met een masteropleiding, horen in principe
       thuis binnen de lumpsum. De grootste verschuivingen vinden plaats in het primair onderwijs. Om
       te stimuleren dat ook het primair onderwijs meer leerkrachten krijgt die op masterniveau zijn op-
       geleid, adviseert de raad om gedurende een periode van maximaal vier jaar een fonds in te stellen
       waar scholen in het primair onderwijs extra salariskosten van hun masterdocenten kunnen declare-
       ren. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een tijdelijke stimuleringsmaatregel, die is ingegeven door het
       belang van de kwaliteitsimpuls in een periode van financiële krapte binnen scholen. Na vier jaar zou
       ook de salaristoeslag voor masterdocenten in het primair onderwijs in de lumpsum terecht moeten
       komen.
       De aanpassing van de functiemix is een eerste stap. Om hoogopgeleide mensen te werven voor het
       onderwijs zal op termijn het salaris nog meer in overeenstemming moeten worden gebracht met
       het salaris behorend bij andere banen op hbo- en wo-niveau. Uit tabel 1 blijkt dat het huidige loon-
       verschil met hoogopgeleiden in andere functies in Nederland relatief groot is.
    76
    Maak het opleidingsniveau van leraren openbaar
    Om leraren (en hun schoolleiders) te stimuleren het masterniveau te halen, adviseert de raad
    het opleidingsniveau van onderwijsgevenden openbaar te maken. Ouders moeten kunnen
    zien in het schoolplan of op de website van de school wat de bevoegdheid en het opleiding-
    sniveau van het lerarenkorps is. Dat biedt de ouders geen garantie voor goede lessen, maar
    het geeft ze wel inzicht in de vakinhoudelijke, pedagogische en didactische kennis en vaardig-
    heden die binnen de school aanwezig zijn. De verantwoordelijkheid voor het openbaar maken
    van deze gegevens ligt bij de scholen. Zij beschikken immers over de juiste gegevens.
4.3 Investeer in inductieprogramma’s en beoordeel het functioneren van lera-
    ren in de praktijk serieuzer
    Investeer in inductieprogramma’s
    Om de beroepsstandaard te verhogen is het noodzakelijk om nieuwe leraren te helpen bij
    hun professionele ontwikkeling. Met goed gestructureerde inductieprogramma’s (coaching
    76   De kosten per leraar zijn berekend op basis van bedragen die bij de subsidie van de lerarenbeurs gebruikt worden. Vervolgens zijn
         deze bedragen vermenigvuldigd met de jaarlijkse instroom van nieuwe docenten. Hierbij is er gemakshalve vanuit gegaan dat een
         leraar veertig jaar in het onderwijs werkzaam is en elk jaar 1/40ste van alle leraren met pensioen gaat en wordt vervangen door nieuwe
         instroom. Tevens is ervan uitgegaan dat 25% van de leraren in het primair onderwijs, 80% van de leraren in het voortgezet onderwijs
         en 50% van de leraren in het middelbaar beroepsonderwijs een master-opleiding gaat volgen.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                                   33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>en begeleiding voor beginnende docenten) kunnen nieuwe leraren ondersteuning krijgen in
hun groei naar volledige verantwoordelijkheid voor het lesgeven. Een sterkere begeleiding
kan er bovendien voor zorgen dat zij meer plezier krijgen in het lesgeven en voor het onderwijs
behouden blijven. Te veel beginnende docenten vertrekken nu uit het onderwijs (na vijf jaar
een kwart van het totaal77). Goede begeleiding kan dat voorkomen.78
Ondersteuning van beginnende leraren tijdens de eerste jaren van het lesgeven is nu niet
vanzelfsprekend. Sommige scholen hebben er een begeleidingsprogramma voor, andere
doen vrijwel niets. Die begeleiding kent een enorme variëteit in omvang, faciliteiten, format
en inhoud. De meeste begeleidingsprogramma’s zijn van kleine omvang of intensiteit (15 tot
25 uren ondersteuning voor beginnende docenten). Bovendien zijn de programma’s vooral
gericht op het welzijn van leraren en veel minder op het stimuleren van hun professionele
ontwikkeling.79
De raad vindt dat inductieprogramma’s gebruikt moeten worden om leraren in de eerste jaren
van hun loopbaan te ondersteunen en verder te professionaliseren. Hij adviseert scholen om
te investeren in goede inductieprogramma’s. Ze zijn te beschouwen als een voortzetting van
de initiële opleiding en zouden minimaal een periode van een jaar moeten omvatten. De raad
pleit ervoor de bestaande lestaakreductie van 20% voor beginnende leraren in het voortgezet
onderwijs daarvoor te gebruiken. Een dergelijk substantiële vermindering van de lestaak in het
eerste jaar van de beginnende leraar zou ook moeten worden ingevoerd in het primair onder-
wijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Het inductieprogramma vormt zo een opstap naar
verdere professionalisering.
Meer serieuze beoordeling van functioneren in de praktijk
De raad wijst erop dat voor een hogere beroepsstandaard ook professioneel hrm-beleid nodig
is. Het voldoen aan de scholingseisen zoals in de vorige paragrafen geschetst, is belangrijk,
maar biedt nog geen garantie dat leraren goed functioneren in de onderwijspraktijk. Daarom
is een hrm-beleid waarbinnen serieuze beoordelings- en functioneringsgesprekken worden
gehouden en waarbij men afscheid durft te nemen van slecht functionerende docenten, een
belangrijk aspect in de sturing op een hogere beroepsstandaard (meer hierover in hoofdstuk 5).
77   Inspectie van het Onderwijs, 2011.
78   Van Leenen & Bemsden, 2011. Uit de loopbaanmonitor van 2010 blijkt dat vooral de beginnende leraren die minder goed worden
      begeleid uitstromen.
79   Kessels, 2010.
34                                                                                                 Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>  Professioneel schoolleiderschap is essentieel om een aantrekkelijke werk-
  omgeving voor leraren te creëren. De raad adviseert ook voor schoolleiders
  een register in te stellen. De verplichte bij- en nascholing die daarin opgeno-
  men wordt, moet zich vooral richten op competenties voor personeelsbeleid
  dat is verbonden met een visie op onderwijs.
5 Aanbeveling : stimuleer onderwijskundig
  schoolleiderschap
  Trek hoogopgeleide professionals naar het onderwijs door te sturen op een aantrekkelijke
  werkomgeving. Andere landen met goede onderwijsprestaties zetten die vorm van sturing
  in.80 Daar hebben de scholen zich, meer dan in Nederland, ontwikkeld tot organisaties waar
  professionele normen gelden met bijbehorende status, autonomie en verantwoordelijkheden.
  Ook in Nederland is al veelvuldig aandacht gevraagd voor het belang van een professionele
  arbeidsorganisatie.
  De traagheid waarmee in het onderwijs toegewerkt wordt naar professionele arbeidsorgani-
  saties, baart de raad zorgen. Hij acht het risico groot dat het onderwijs te laat zal zijn met het
  realiseren van een professionele werkomgeving, waardoor het onderwijs de concurrentieslag
  om leraren met kwaliteit op de arbeidsmarkt verliest.81
  De raad ziet onderwijskundig leiderschap als een essentiële voorwaarde om een aantrekke-
  lijke werkomgeving voor hoogopgeleide leraren te realiseren. Onderwijskundig leiderschap
  betekent dat de schoolleider een gemeenschappelijke visie op onderwijs en opvoeding expli-
  citeert en werknemers hieraan bindt. De schoolleider draagt deze visie uit in het besturen van
  de organisatie, in samenwerking met afdelingsleiders en teamleiders. Professionele waarden
  en normen in de organisatie zijn dan leidend en leraren worden ondersteund om het onderwijs
  vorm te geven op basis van deze waarden en normen. De raad vindt het belangrijk dat school-
  leiders hun bekwaamheden op dit gebied onderhouden en uitbreiden. Dit aspect is in eerdere
  adviezen opvallend genoeg vrijwel afwezig geweest.
  In dit advies vraagt de raad speciaal aandacht voor schoolleiderschap waarin professioneel
  hrm-beleid een hoofdzaak is. Uit onderzoek blijkt dat juist carrièreperspectieven en vol-
  doende professionele ruimte een belangrijke invloed hebben op de aantrekkelijkheid van
  het leraarsberoep.82 Het beleid is tot nu toe vooral gericht op de invoering van de functie-
  mix en op meer functioneringsgesprekken. Deze maatregelen hebben echter niet vanzelf-
  80   Organisation for Economic Co-operation and Development, 2005; Barber & Mourshed, 2007; Organisation of Economic Co-operation
       and Development, 2009; Organisation for Economic Co-operation and Development, 2011.
  81   Vermeulen, 2012.
  82   Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2010; Van Eck & Heemskerk, 2009; Warps, Wartenbergh, Kurver, Muskens,
       Hogeling, e.a., 2010.
  Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    sprekend geleid tot een hrm-beleid met inhoudelijke carrièreperspectieven dat is verbon-
    den met een visie op onderwijs en schoolorganisatie.83 De capaciteiten van de schoolleider
    blijken hierbij een belemmerende factor.84 De raad verwacht dat er grote stappen gemaakt
    kunnen worden om het beroep aantrekkelijker te maken door te sturen op onderwijskundig
    leiderschap, gekoppeld aan een sterk hrm-beleid.
5.1 Stel een register voor schoolleiders in po, vo en mbo verplicht
    De raad pleit ervoor dat de competenties die nodig zijn voor onderwijskundig leiderschap, een
    prominente plek krijgen in de bekwaamheidseisen van schoolleiders. Net als voor leraren moet
    er een register komen voor schoolleiders, waarin zij zich kunnen inschrijven als ze voldoen aan
    de voor hen geldende bekwaamheidseisen. Ook dit register zou een publiekrechtelijk karakter
    moeten hebben en regels moeten bevatten over professionalisering gedurende de loopbaan.
    Er zijn al competenties geformuleerd
    In de afgelopen jaren zijn competenties geformuleerd voor schoolleiders in het primair en
    voortgezet onderwijs. Voor schoolleiders in het primair onderwijs heeft de NSA (Neder-
    landse Schoolleiders Academie) onlangs de competenties voor schoolleiders geactuali-
    seerd. De NSA heeft ook een register opgesteld waar leden zich kunnen registreren. De
    AOb (Algemene Onderwijsbond), AVS (Algemene Vereniging van Schoolleiders), CNV
    Onderwijs (Christelijk Nationaal Vakverbond) en PO-raad werken aan een onafhankelijke
    registerorganisatie voor schoolleiders in het primair onderwijs. Daarbij benutten ze de
    ervaring en kennis die is opgebouwd met de NSA. De intentie is dat de nieuwe organisatie
    in januari 2013 van start gaat.
    Stel registratie verplicht
    De raad moedigt deze ontwikkelingen aan. De professionalisering van schoolleiders en school-
    bestuurders in het primair onderwijs heeft echter nog een te vrijblijvend karakter.85 Hij adviseert
    daarom opname in het onafhankelijke register voor alle schoolleiders in het primair onderwijs
    verplicht te stellen. Om geregistreerd te kunnen worden moeten schoolleiders een gecertifi-
    ceerde opleiding tot schoolleider hebben gevolgd, waarmee ze aantonen startbekwaam te
    zijn. Om geregistreerd te blijven moeten zij hun professionele ontwikkeling op peil houden
    door deel te nemen aan scholing. Op dit moment zijn er nog geen scholingseisen geformu-
    leerd.86 Daarom moeten opleidingseisen worden geformuleerd, op basis waarvan bepaald
    wordt of de registratie verlengd kan worden of niet.
    Scholing voor schoolleiders kan aangevuld worden met ‘bovenbestuurlijke’ visitatietrajecten
    om reflectie op de eigen praktijk te bevorderen. De raad vindt het belangrijk om de beroeps-
    groep zelf te betrekken bij het bepalen van de beroepsstandaard.
    Voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs hebben inhaalslag te maken
    In vergelijking met het primair onderwijs zijn het voortgezet onderwijs en het beroeps-
    onderwijs op dit punt minder ver gevorderd. Voor schoolleiders in het voortgezet onderwijs
    hebben ISISQ5 en de VO-raad de handen ineen geslagen om basiscompetenties te formule-
    83   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2010.
    84   Expertisecentrum beroepsonderwijs, 2011; Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2011a.
    85   Kemper, Van der Berg & Vrielink, 2012.
    86   Kemper, Van der Berg & Vrielink, 2012.
    36                                                                                        Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    ren, maar er is nog geen register ontwikkeld. Voor schoolleiders in het middelbaar beroeps-
    onderwijs zijn nog geen competenties beschreven en is er ook geen register. De raad beveelt
    aan dat ook in deze sectoren werk gemaakt wordt van een register. De beroepsgroep kan zelf
    het voortouw nemen.
5.2 Realiseer betere beoordelings- en functioneringsgesprekken en meer
    functiedifferentiatie
    Beoordelings- en functioneringsgesprekken waarin persoonlijke ontwikkeling en doorgroei-
    mogelijkheden aan de orde komen, zijn essentieel om carrièreperspectieven te creëren. En
    juist die perspectieven zijn een factor in de beslissing om leraar te worden of om het onderwijs
    te verlaten (zie hoofdstuk 2). Vervolgens moeten ook verschillende functies in de organisatie
    mogelijk zijn. Schoolleiders moeten over de competenties beschikken die nodig zijn voor deze
    gesprekken en voor functiedifferentiatie. Hetzelfde geldt voor afdelings- en teamleiders, die in
    de praktijk veelal de functioneringsgesprekken voeren.
    Scholing in het voeren van beoordelings- en functioneringsgesprekken
    Leidinggevenden moeten serieuze beoordelings- en functioneringsgesprekken kunnen voe-
    ren. Er is scholing nodig om het functioneren van medewerkers goed te kunnen beoordelen.
    Beoordelings- en functioneringsgesprekken vinden nu lang niet altijd plaats of niet met alle
    categorieën personeel. Waar ze wel plaatsvinden, zijn veel medewerkers ontevreden over de
    gesprekken (zie kader). Verder moeten ook beloning en loopbaanontwikkeling deel uitmaken
    van die gesprekken.
       Onderzoek naar formele gesprekken
       Uit onderzoek van SBO (2011) blijkt dat het belang van en de behoefte aan formele gesprekken in
       het primair en voortgezet onderwijs de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling heeft door-
       gemaakt. Toch zijn er nog enkele punten die verbetering behoeven. Driekwart van het onderwijs-
       personeel (73%) had in 2010 een of meerdere functioneringsgesprekken gevoerd met de leiding-
       gevende. Met name het onderwijsondersteunend personeel wordt regelmatig overgeslagen in
       de gesprekkencyclus en voor het persoonlijk ontwikkelingsplan, en ook voor het functioneren en
       de loopbaan van het management is relatief weinig aandacht. Een veel genoemde reden waarom
       de beschikbare instrumenten niet worden ingezet, is gebrek aan tijd en faciliteiten. Zo moeten
       leidinggevenden ook in staat worden gesteld om de gesprekken goed te voeren (scholing) en
       zijn er heldere criteria nodig om het functioneren van werknemers te beoordelen. Daarnaast zijn
       beloning en loopbaanontwikkeling (vaak) geen onderwerp van gesprek. In het verleden waren er
       nauwelijks mogelijkheden om de beloning van werknemers in het onderwijs te variëren op basis
       van het functioneren. Met de invoering van de functiemix is hier verandering in gekomen. Gemid-
       deld is een vijfde tot een kwart van de werknemers niet tevreden met de formele gesprekken en
       persoonlijke ontwikkelingsplannen. Een belangrijke reden voor ontevredenheid is de gespreks-
       partner en zijn vermogen om het functioneren en de ontwikkelmogelijkheden te beoordelen.
       Een reden te meer om leidinggevenden op te leiden in het voeren van dergelijke gesprekken.
       Daarnaast is er volgens ontevreden werknemers met name een gebrek aan concrete afspraken
       over wat de werkgever gaat doen om de werknemer optimaal te laten functioneren en ontwik-
       kelen. Ten slotte houdt minder dan de helft van de instellingen in het primair en voortgezet on-
       derwijs loopbaangesprekken met de werknemers, terwijl deze gesprekken door werknemers wel
       het hoogst worden gewaardeerd.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                              37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    Het ecbo (expertisecentrum beroepsonderwijs; 2011) heeft het personeelsbeleid in het middelbaar
    beroepsonderwijs onderzocht.87 De resultaten zijn vergelijkbaar met die van het primair en voort-
   gezet onderwijs. Functionerings- en beoordelingsgesprekken vinden niet bij alle instellingen plaats,
   en als ze plaatsvinden dan vaak niet jaarlijks met alle medewerkers. Ook in het middelbaar beroeps-
   onderwijs geldt dat de beloning vaak geen onderwerp van gesprek is. Hoewel beloningsdifferentia-
    tie nog steeds niet gebruikelijk is, neemt de belangstelling daarvoor wel toe. Voor circa driekwart van
    het personeel wordt tegenwoordig een persoonlijk ontwikkelingsplan opgesteld.88 Scholing richt
   zich in het middelbaar beroepsonderwijs niet alleen op individuele docenten. Afgeleid van de team-
   ontwikkelingsplannen vinden op teamniveau scholing en training plaats voor teams en teamleiders.
87 88
Meer functiedifferentiatie binnen de functiemix
Het is de verantwoordelijkheid van de schoolleider om functiedifferentiatie binnen de school
vorm te geven. Ondanks de invoering van de functiemix blijft het carrièreperspectief van lera-
ren die willen blijven lesgeven beperkt. In het buitenland zijn initiatieven genomen om die
(ervaren) docenten perspectief te bieden. Zo werd in Engeland en Wales in 1998 een alterna-
tieve route geïntroduceerd voor docenten die ‘in de klas’ wensten te blijven. Zij zijn nu pedago-
gisch leider binnen hun school en ondersteunen collega’s bij hun professionele ontwikkeling.
In Quebec worden ervaren docenten ingezet als mentor voor studenten en beginnende lera-
ren; bovendien hebben zij de mogelijkheid om als co-researcher te functioneren.
De raad pleit ervoor om in navolging van voorbeelden in het buitenland dit soort functie-
differentiatie te realiseren in Nederlandse scholen. Dit is mogelijk door (binnen de functiemix)
verschillende functies te onderscheiden in het lesgeven. Bijvoorbeeld door verschillende erva-
ringsniveaus aan te brengen, die lopen van beginnende tot excellente docent met oplopende
verantwoordelijkheden. Excellente docenten kunnen binnen de school verschillende taken op
zich nemen.89
r Lesgeven aan groepen leerlingen voor wie ze de grootste meerwaarde kunnen bieden. De
      schoolleiding heeft hierbij een stimulerende rol, bijvoorbeeld door de leraren uit te dagen
      ook complexere groepen leerlingen les te geven, variërend van hoogbegaafden tot taal-
      zwakke leerlingen en leerlingen met grote gedragsproblemen.
r Coaching van beginnende leraren.
r Samenwerken met collega’s (in een team) aan onderwijsinnovaties. Bijvoorbeeld het ont-
      wikkelen en evalueren van leermaterialen en toetsen, het versterken van opbrengstgericht
      werken en het doen van praktijkonderzoek binnen de school dat de basis moet zijn voor
      verbetering van het onderwijs. Hiermee krijgt de excellente docent, ofwel ‘teacher leader’,
      een belangrijke rol in onderwijsinnovatie.
Functies moeten wel overeenstemmen met kwalificaties
Onder druk van de lerarentekorten is er al meer functiedifferentiatie ontstaan: er zijn vooral
ondersteunende functies bijgekomen, zoals de onderwijsondersteuner (1 en 2) en de persoon-
lijk assistent van leraren in het primair en voortgezet onderwijs, en de begeleider en instructeur
in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit biedt de mogelijkheid om het onderwijs anders te
organiseren: onderwijsondersteuners voeren bepaalde pedagogisch-didactische werkzaam-
heden uit en ontlasten daarmee het zittende personeel.
87    Expertisecentrum beroepsonderwijs, 2011.
88    Van Wonderen, 2005.
89    Onderwijsraad, 2011a.
38                                                                                   Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>    Het gevaar ligt echter op de loer dat ze worden ingezet als docent. De raad is van mening
    dat het aantrekken van personeel zoals onderwijsondersteuners, de onderwijskwaliteit en de
    aantrekkelijkheid van het onderwijs voor hoogopgeleide professionals niet negatief mag beïn-
    vloeden. De schoolleider heeft een belangrijke rol in het voorkomen hiervan.
    De raad pleit ervoor dat schoolleiders een functiestructuur realiseren en handhaven die gekop-
    peld is aan een heldere kwalificatiestructuur. Alleen de leraar is opgeleid voor de verantwoor-
    delijkheid en complexiteit die de leraarsfunctie met zich meebrengt. De schoolleider moet zor-
    gen dat de ondersteunende functies goed passen in de organisatie en aansluiten op de andere
    functies. Alleen dan kan optimaal gebruik worden gemaakt van de kwaliteiten van leraren en
    onderwijsondersteuners.
5.3 Geef leraren ruimte om hun vak uit te oefenen
    Leraren willen de ruimte krijgen om hun vak uit te oefenen, zowel binnen als buiten het klas-
    lokaal. Dit maakt de werkomgeving aantrekkelijker. Het sturen van een lerende organisatie met
    professionele ruimte voor leraren vraagt specifieke competenties van schoolleiders.
    Leraren hebben ruimte nodig
    Leraren hebben ruimte nodig om hun verantwoordelijkheid voor het onderwijs waar te kun-
    nen maken. Hun werk vraagt steeds opnieuw om analyse van specifieke situaties en om daarop
    gebaseerde beslissingen.90 Hun deskundigheid schept een zekere vrije ruimte ten opzichte van
    de overheid en ook ten opzichte van de hiërarchische (arbeids)relatie met het bevoegd gezag
    en de leiding van de organisatie.
    Professionele ruimte betekent niet dat leraren kunnen doen en laten wat ze willen. De ruimte
    is niet onbeperkt. Er is een zekere bandbreedte die begrensd wordt door onderwijswetgeving
    en beginselen van goed leraarschap, en door de schoolcontext. Bovendien lijkt er een relatie te
    bestaan tussen de kwaliteit van leraren en de vrijheid die ze krijgen om hun werk in te richten.91
    Bij zwakkere professionals zal de neiging bestaan om leerplannen dicht te timmeren en veel
    toezicht te gebruiken.92 In de McKinsey-analyse over verbetering van onderwijssystemen komt
    naar voren dat systemen die van goed naar excellent gaan, relatief veel ruimte bieden aan hun
    leraren.93 Kortom: ruimte veronderstelt hoogopgeleide en vakbekwame professionals en gaat
    samen met verantwoordelijkheid nemen en verantwoording afleggen.
    90   Nog te verschijnen advies van de Onderwijsraad over moderne professionaliteit van leraren.
    91   Vermeulen, 2012.
    92   Van Oostrom, 2007; Schwartz & Sharpe, 2010.
    93   Mourshed, Chijioke & Barber, 2010.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                          39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   Discussie over de positie van de leraar
   Anno 2012 is er nog steeds discussie over de professionele ruimte voor leraren. Wat houdt het pre-
   cies in en hoe moet het worden ingericht? In het actieplan LeerKracht! (2007) is dit thema hoog op
   de agenda gezet, met als doel de positie van de leraar in de school te versterken en meer eigenaar-
   schap voor leraren te creëren. De Inspectie heeft in 2012 de taak gekregen toezicht te houden op
   de kwaliteit van het leraarschap. Daarnaast is de beroepsgroep bezig met het formuleren van een
   professioneel statuut waarmee de positie van de leraar binnen de schoolorganisatie wordt versterkt.
   De Onderwijscoöperatie richt zich tevens op het stimuleren van de professionele dialoog. Tot slot
   verkent het ministerie van OCW welke mogelijkheden er zijn om het versterken van de positie van
   de leraar een stevige basis te geven.
Professionele ruimte is niet alleen essentieel voor goed onderwijs. Het maakt ook de werk-
omgeving aantrekkelijk. Juist de ruimte om naar eigen inzicht kwaliteiten in te zetten en te ont-
wikkelen maakt het onderwijs interessant voor hoogopgeleide professionals.94 Over het alge-
meen blijken leraren redelijk tevreden over hun autonomie binnen de muren van het klaslokaal.
Minder tevreden zijn zij over de zeggenschap over taken op het gebied van onderwijskundig
beleid en kwaliteitsbeleid.95 Leraren willen ook zelf vorm kunnen geven aan een inhoudelijke
visie op onderwijskwaliteit voor een specifieke leerlingenpopulatie, lesmateriaal ontwikkelen
en de effecten daarvan systematisch evalueren en vergelijken met die van andere leraren.
De raad is van mening dat professionele ruimte in eerste instantie moet worden vormgege-
ven in de school, door schoolleiders en leraren samen. In een professionele onderwijsinstel-
ling moet de ruimte van allen die er werkzaam zijn precies worden gedefinieerd, begrensd
en benut. Dit zullen schoolleiders en leraren in goed gesprek met elkaar moeten doen, met
respect voor ieders verantwoordelijkheid. De bij- en nascholing van schoolleiders zou gericht
moeten zijn op het aansturen van dit proces.
Schoolleiders willen lerende organisatie goed aansturen
Leergemeenschappen komen het functioneren van leraren ten goede.96 Daarin kan een leraar
samen met collega’s lastige vraagstukken aanpakken, ervaringen delen, nieuwe bekwaam-
heden verwerven en onderzoeken hoe hun onderwijspraktijk beter, sneller of slimmer kan. Het
sturen van een lerende organisatie met professionele ruimte vraagt om leiderschap, om onder-
wijskundige, organisatorische, financiële en personele deskundigheid van schoolbesturen en
schoolleiders. Enkele interessante casussen van hoe schoolleiders sturen binnen Nederlandse
scholen in verschillende sectoren, worden beschreven in een onderzoek dat is uitgevoerd in
het kader van dit advies.97
Uit onderzoek blijkt dat schoolleiders zich daarin verder willen bekwamen. Zij achten vooral
professionalisering nodig op de domeinen ‘leiderschap in een lerende organisatie, waarbij con-
tinue verbetering moet worden gerealiseerd’ en ‘leiderschap gericht op het stimuleren van de
professionaliteit van de individuele leraren’.98
94   Barber & Mourshed, 2007.
95   Hogeling, Wartenbergh-Cras, Pass, Jacobs, Vrielink, e.a., 2009.
96   Lomos, Hofman & Bosker, 2010.
97   Van der Rijst & Van Veen, 2013.
98   Waslander, Duckers & Van Dijk, 2012.
40                                                                                Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Betrek docenten bij het realiseren van een aantrekkelijke werkomgeving
De raad vindt het belangrijk dat leraren meedenken over hoe hun werkomgeving er uit zou
kunnen zien en ook over andere aspecten dan de professionele ruimte. Leraren weten immers
als geen ander welke aspecten hun werkomgeving en functie aantrekkelijk maken, onder-
steunen of belemmeren. Laat leraren bijvoorbeeld in een projectteam onderzoeken hoe de
schoolorganisatie beter kan zorgen voor een levendige beroepsuitoefening. Met zo’n positieve
insteek kunnen meer leraren voor het onderwijs behouden blijven. Zie het voorbeeld in het
kader.99
   Duurzaam, vitaal leraarschap in het voortgezet onderwijs
   In het project Duurzaam, vitaal leraarschap in het voortgezet onderwijs werken lerarenteams aan een
   aantrekkelijker werkomgeving. Zij gaan onder begeleiding van een onderzoeker en een facilitator
   zelf aan de slag. Dit gebeurt in een serie werkateliers met voorbereidings- en uitwerkopdrachten op
   basis van de hiërarchische methode. Die methode houdt in dat samen gezocht wordt naar onzicht-
   bare, ontbrekende en overbodige processen, die vitaliteit belemmeren dan wel stimuleren. Vervol-
   gens experimenteert men met oplossingen.
   Het project heeft tot doel het ontwikkelen en versterken van methoden en technieken om docenten
   en hun teams te (re)vitaliseren, ingebed en ondersteund vanuit de organisatorische randvoorwaar-
   den en stijl van leidinggeven. Daardoor vormen de betrokken leraren zelf met de onderzoekers beel-
   den van de oplossingsrichtingen voor de school waar zij werken. Vervolgens wordt in één of twee
   werkateliers met leidinggevenden en staf gewerkt aan organisatorische inbedding, zodat de resul-
   taten duurzaam beklijven in de school. Op basis hiervan vindt verbreding naar andere teams in de
   school plaats, door middel van verkorte trajecten. De onderzoekers analyseren de resultaten in de
   kenniscirculatiestroom en ontwikkelen een methode voor duurzame vitaliteit. De resultaten worden
   verwerkt in het programma van de lerarenopleiding van Inholland en in onderwijsmateriaal voor de
   management- en hrm-opleidingen.
   Bron: Programmavoorstel t.b.v. risicoregio Zuidelijk Noord-Holland ()
Tot slot kan samenwerking met de lerarenopleiding de aantrekkelijkheid van de werkplek ver-
groten (zie verder hoofdstuk 6).
99   Gebaseerd op het onderzoeksproject Duurzaam Vitaal Leraarschap in het Voortgezet Onderwijs dat onder begeleiding van Hogeschool
     Inholland is uitgevoerd tussen augustus 2011 en juli 2012 als onderdeel van het project Binden aan de regio van de Risicoregio Zuidelijke
     Noord-Holland.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                                      41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>  De onderwijsarbeidsmarkt ziet er niet in heel Nederland hetzelfde uit. Er zijn
  tekortregio’s en overschotregio’s. Landelijke maatregelen om lerarentekorten
  tegen te gaan, werken niet altijd en overal evengoed. De raad pleit voor het
  ontwikkelen van een schooloverstijgend arbeidsmarktbeleid dat past bij de
  situatie in de regio.
6 Aanbeveling : werk in de regio nauw samen
  aan kwaliteit en kwantiteit
  Scholen kunnen de lerarentekorten ook zelf tegengaan door nauw samen te werken in de regio.
  De raad doet een uitdrukkelijk appel op schoolbesturen om daarvoor initiatieven te nemen.
  Dat kan door goed te kijken naar de kwaliteit van het eigen personeelsbeleid, in samenhang
  met het beleid van andere scholen in de regio. Door de deregulering en autonomievergro-
  ting zijn onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk geworden voor hun personeelsbeleid. Een
  wezenlijk onderdeel daarvan is een strategisch personeelsbeleid: het voeren van beleid voor
  de instroom, doorstroom en uitstroom van personeel, waardoor een school altijd voldoende
  goede leraren heeft. Het doel is dus niet alleen voldoende leraren te werven. Ook de professi-
  onalisering van medewerkers en het organiseren van een aantrekkelijke werkomgeving maken
  er deel van uit.
  Schoolbesturen die op dit gebied regionaal samenwerken, hebben een streepje voor. Zij heb-
  ben een preciezer beeld van de knelpunten op de lokale onderwijsarbeidsmarkt, omdat ook
  de situatie op andere scholen wordt meegenomen in de plannen. Bovendien hebben scholen
  die regionaal samenwerken het voordeel dat ze hun expertise kunnen bundelen en ‘massa’
  kunnen creëren, bijvoorbeeld bij de inkoop van bij- en nascholingcursussen. Succesvolle pro-
  jecten kunnen zo worden verankerd in het bestaande personeels- en opleidingsbeleid van alle
  betrokkenen.
  In verschillende regio’s vindt deze samenwerking tussen scholen al plaats. Toch voeren nog te
  weinig scholen een (regionaal) strategisch personeelsbeleid. Uit onderzoek blijkt dat de mees-
  te scholen wel op de een of andere manier bezig zijn met meerjarige strategische personeels-
  planning, maar dat dit nog vrijwel nergens planmatig gebeurt.100
  In de nauwere, regionale samenwerking tussen scholen die de raad bepleit, moeten drie speci-
  fieke thema’s aan de orde komen:101
  1. interesseren van meer (jonge) mensen voor het leraarsvak;
   2. behouden van professionele leerkrachten voor de regio; en
   3. realiseren van mobiliteit op de regionale onderwijsarbeidsmarkt.
  100 Kuijk, Vrieze & Marx, 2008; Kuijk & Vrieze, 2008.
  101 Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2009.
  42                                                                      Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>6.1 Interesseer gezamenlijk meer (jonge) mensen voor het leraarsvak
    In paragraaf 3.1 werd het belang van werving van geschikte mensen voor het onderwijs aange-
    kaart, vooral door vroege scouting van goede leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het doel
    van die gerichte werving is tweeledig. Het levert ten eerste meer leraren op waarmee de tekor-
    ten worden tegengegaan. Ten tweede kunnen goede en gemotiveerde studenten uitgroeien
    tot sterke leraren en dus bijdragen aan kwaliteitsverbetering.
    Dit is bij uitstek een activiteit voor regionale samenwerkingsverbanden. Scholen kunnen hun
    krachten bundelen om leerlingen in het voortgezet onderwijs te interesseren voor een baan
    in het onderwijs, door bijvoorbeeld strategieën uit te wisselen en samen een kort opleidings-
    traject op te zetten. Ook scholen uit verschillende sectoren kunnen regionaal samenwerken
    om leerlingen te werven. Zo kan een basisschool leerlingen uit het voortgezet onderwijs warm
    maken voor een baan in die sector.
    Schoolbesturen trekken tegenwoordig vaker samen op om de werving en selectie van nieuw
    en goed personeel regionaal aan te pakken. Via websites maken zij inzichtelijk wat de moge-
    lijkheden zijn in de regio om in het onderwijs te werken. Ook biedt een toenemend aantal
    (leraren)opleidingen diverse leerroutes aan naar het vak van docent en schoolleider. Door rou-
    tes als ‘opleiden in de school’ zijn er regionale opleidingsstructuren ontstaan, die het verschil-
    lende doelgroepen makkelijker maken in te stromen in beroepen in het onderwijs. Zo zijn de
    drempels naar het onderwijs lager geworden, zonder concessies op het gebied van kwaliteit.102
    Bovendien worden in sommige regio’s initiatieven genomen om specifieke doelgroepen te
    werven die moeten voorzien in de plaatselijke behoefte. Het project Meer allochtone docenten
    voor Rotterdam is hier een voorbeeld van.
       Meer allochtone docenten voor Rotterdam
       Drie plaatselijke pabo’s en de lerarenopleiding werken samen in het project Meer allochtone docen-
       ten voor Rotterdam. Alle Rotterdamse instellingen die met het basisonderwijs te maken hebben (ver-
       enigd in Personeel Plus) zijn al acht à negen jaar bezig met het tekort aan allochtone leraren, aldus Lia
       Lugthart, onderwijsmanager pabo aan de Hogeschool Rotterdam. Zij is een van de drijvende krach-
       ten achter verschillende deelprojecten om de instroom en doorstroom van allochtoon talent te be-
       vorderen. De deelnemende scholen wisselen de resultaten en de leerpunten van hun deelprojecten
       onderling uit en stellen ze ook beschikbaar aan andere scholen. Het gaat om initiatieven als onder-
       steuning bij de sollicitatie, gastvrije stagescholen en netwerkactiviteiten.
       Bron: SBO ()
6.2 Investeer in het behoud van professionele leerkrachten voor de regio
    Voldoende goed personeel aantrekken voor het onderwijs is één ding, maar hoe blijven lera-
    ren gekwalificeerd en betrokken? Steeds meer scholen en lerarenopleidingen in de regio bun-
    delen hun krachten om samen te zorgen voor goede scholingsmogelijkheden en ruimte voor
    persoonlijke ontwikkeling.
    102 Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt, 2009.
    Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                       43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>    Er zijn verschillende manieren om dit in de praktijk te brengen. Schoolbesturen en leraren-
    opleidingen kunnen samenwerken om opleidingen af te stemmen op behoeften in de regio.
    De IDEE-leerroute (zie kader) is daar een voorbeeld van.
    Daarnaast kunnen scholen gebruikmaken van de mogelijkheden die de academische oplei-
    dingsschool biedt. In deze scholen wordt de opleiding van nieuwe leraren gekoppeld aan
    onderwijsontwikkeling en -onderzoek op de werkvloer. Dat helpt tegelijkertijd zittende lera-
    ren bij het ontwikkelen van een kritische, reflectieve en onderzoekende houding. De scholen
    maken zo een sterke verbinding tussen het doen van onderzoek, het opleiden van personeel
    en schoolontwikkeling. Op deze manier blijft de regio beschikken over goed gekwalificeerd
    onderwijspersoneel; omdat er meer carrièreperspectieven komen, wordt het beroep aantrek-
    kelijker en blijven leraren behouden voor het onderwijs. Het mes snijdt dus aan twee kanten:
    het levert meer leraren op en de kwaliteit wordt beter.
       Onderwijs anders organiseren: IDEE-leerroute
       Innovatief onderwijs vraagt om leraren met andere vaardigheden. Verschillende innovatieve mid-
       delbare scholen in de regio Midden-Nederland ontwikkelen samen met de Hogeschool Utrecht de
       nieuwe IDEE-leerroute (Innovatieve Didactiek en Educatie) die zich richt op de speciale competenties
       waar integraal vernieuwend onderwijs om vraagt.
       Neem het Amadeus Lyceum in Utrecht. Deze vernieuwende school heeft als motto Leren als levens-
       kunst en gaat uit van de leerling als volwaardig onderwijspartner met een natuurlijke behoefte om
       zich te ontwikkelen. Het onderwijs op het Amadeus Lyceum oriënteert zich op het leren vanuit cul-
       tureel erfgoed en de verschillende kunstdisciplines: architectuur, beeldende kunst, film, muziek, the-
       ater en dans. Andere pijlers in het onderwijsprogramma zijn: autonomie en samenwerking. Om te
       voorzien in de behoefte aan docenten met specifieke vaardigheden, hebben het Amadeus Lyceum
       en vier verwante, vernieuwende vwo/havoscholen in de regio de krachten gebundeld. Ze werken
       met de lerarenopleiding van de Hogeschool Utrecht samen in het project IDEE. De deelnemende
       scholen hanteren ieder hun eigen recept, maar hun werkwijze heeft wel gemeenschappelijke ken-
       merken en uitgangspunten, zoals samenwerkend leren, teamteaching, individuele coaching en elek-
       tronische leeromgeving.
       Bron: SBO ()
6.3 Werk samen aan mobiliteit in het onderwijs
    Meer samenwerking aan mobiliteit in het onderwijs kan ook een belangrijke bijdrage leve-
    ren aan het verkleinen van het kwantitatieve lerarentekorten op korte termijn. In verschillende
    regio’s zijn inmiddels personeelscentra opgezet en werken scholen samen in mobiliteitscentra
    (zie kader).
    Personeelscentra richten zich op vervanging bij ziekte en verlof van leraren en op het snel
    en adequaat vullen van vacatures. Hierdoor stromen personeelsleden soepeler in en door.
    Mobiliteitscentra bieden leraren carrièreperspectieven door ze te laten werken op een andere
    school of door ze te stimuleren en te faciliteren om in een andere onderwijssector aan de slag
    te gaan. Dit kan voor een langere of juist voor een kortere periode. Een mobiliteitscentrum is
    meer dan een vacaturebank. Het biedt leraren de mogelijkheid om hun eigen loopbaan vorm
    te geven en bewuste keuzes te maken: wat hij wil doen en vooral ook waar hij dat wil doen.
    44                                                                                 Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Mobiliteit heeft niet alleen voordelen voor de leraar; ook scholen kunnen ervan profiteren
doordat nieuwe ideeën de school binnenkomen. Dat kan opwegen tegen de angst van som-
mige scholen om hun goede leraren te verliezen aan de concurrentie.
   Mobiliteitsplein in Brabant voor primair en voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs
   Het Mobiliteitsplein is een inloopmiddag waar de deelnemende scholen en organisaties zich presen-
   teren. Ze bieden inzicht in hun werkwijze en in eventuele vacatures. Het doel is vooral om kennis te
   maken met andere scholen in de regio en te bekijken of je loopbaanwensen passen bij een andere
   organisatie, school of onderwijssector.
   Op het Mobiliteitsplein kun je bijvoorbeeld afspraken maken voor een snuffelstage. Of vrijblijvend
   advies inwinnen bij adviseurs die gespecialiseerd zijn in loopbaanontwikkeling, coaching, training
   en competentieonderzoek. Ook met vragen als: ‘’Welke opleiding heb ik nodig als ik overstap naar
   het beroepsonderwijs?’’, “Wat biedt het basisonderwijs aan leidinggevende of coördinerende func-
   ties?”, of: “Is het voortgezet onderwijs iets voor mij?” kun je terecht op het Mobiliteitsplein.
   Onder de vlag van het regionale vo-platform BRANO (Noordoost-Brabant) werken alle organisaties
   van po-scholen, twee vo-scholen en een ROC in de regio, samen aan regionale, sectoroverstijgende
   personeelszorg voor primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Daaruit is,
   om de loopbaanontwikkeling in het onderwijs te verbeteren, het Mobiliteitsplein voortgekomen.
   Bron: SBO ()
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                  45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Afkortingen
AOb     Algemene Onderwijsbond
AVS     Algemene Vereniging van Schoolleiders
CNV     Christelijk Nationaal Vakverbond
ecbo    expertisecentrum beroepsonderwijs
ECTS    European Credit Transfer and Accumulation System
hbo     hoger beroepsonderwijs
hrm     human resources management
ICLON   Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onder-
        wijsontwikkeling en Nascholing
IDEE    Innovatieve Didactiek en Educatie
mbo     middelbaar beroepsonderwijs
NSA     Nederlandse Schoolleiders Academie
OCW     Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OESO    Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
p&o     personeel en ontwikkeling
SBO     Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt
vmbo    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vo      voortgezet onderwijs
Wet BIO Wet beroepen in het onderwijs
46                                                              Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Literatuur
Barber, M. & Mourshed, M. (2007). How the world’s best performing school systems come out on
     top. McKinsey and Company.
Berkhout, S., Van der Werff, S. & Heyma, A. (2010). Het verdiende loon? Amsterdam: SEO Econo-
     misch Onderzoek.
Bilderbeek, R., Bos, J., Jager, C.J. & Korlaar, L. (2010). Eerst de klas. Utrecht: Dialogic.
Bilderbeek, R., Bos, J., Jager, C.J. & Korlaar, L. (2011). Eerst de klas. Utrecht: Dialogic.
Bokdam, J., Berger, J., Van Oploo, M. & Volker, G. (2011). Tussenmeting Convenant Leerkracht .
    Zoetermeer: Research voor beleid.
CAOP Research (2012a). Lerarenopleidingen, instroom. Geraadpleegd op 13 januari 2013 via de
     website STAMOS, http://www.stamos.nl/index.rfx?verb=showitem&item=9.31.4
CAOP Research (2012b). Studieuitval na  jaar studie (). Geraadpleegd op 13 januari 2013 via de
     website STAMOS, http://www.stamos.nl/index.rfx?verb=showitem&item=9.35.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2011a). Pensioenleeftijd werknemers weer hoger. Geraadpleegd
     op 13 januari 2013 via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek, http://www.cbs.
     nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/publicaties/artikelen/archief/2011/2011-
     3430-wm1.htm.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2011b). Sociaaleconomische trends. Den Haag/Heerlen: CBS.
Chetty, R., Friedman, J.N. & Rockhoff, J.E. (2011). The Long-term impacts of teachers: teacher
     value-added and student outcomes in adulthood. Cambridge: National Bureau of Economic
     Research, Working Paper.
Clotfelter, C.T., Ladd, H.F. & Vigdor, J.L. (2010). Teachers credentials and student achievement in
     high school: A cross-subject analysis with student fixed effects. Journal of human resources,
    (3), 655-681.
Commissie Externe Validering Examenkwaliteit Hoger Beroepsonderwijs (2012). Vreemde ogen
     dwingen. Den Haag: Hbo-raad.
Commissie Leraren (2007). Leerkracht! Den Haag.
Commissie-Meijerink (2012). Een goede basis. Den Haag: Hbo-raad.
Commissie-Van Es (1993). Een beroep met perspectief. Leiden: CTL, DOP.
De Graaf, D., De Jong, U., Van der Leeuwen, M. & Van der Veen, I. (2005). Stoppen of doorgaan.
    Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam & SEO Economisch
     Onderzoek.
De Graaf, D., Van der Berg, E., Dosker, R., Houkes, A., Pass, J. & Volkerink, M. (2012). Tussenmeting
     versterking functiemix . Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.
Ecorys & ResearchNed (2012). Evaluatie educatieve minor. Rotterdam: Ecorys en ResearchNed.
Evetts, J. (2009). New professionalism and new public management: Changes, continuities and
     consequences. Comparative Sociology, (2), 247-266.
Expertisecentrum beroepsonderwijs (2011). Personeelsbeleid in het middelbaar beroepsonderwijs.
     Utrecht: ECBO.
Fontein, P., Adriaens, H., Nelissen, J. & De Vos, K. (2010). De toekomstige arbeidsmarkt voor onder-
     wijspersoneel -. Tilburg: CenterData.
Hanushek, E. & Rivkin, S. (2010). Generalizations about using value-added measures of teacher
     quality. American Economic Review, , 267-271.
Hbo-raad (2011). Feiten en cijfers. Den Haag: Hbo-raad.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                              47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Henry, G., Bastian, K. & Smith, A. (2012). Scholarship to recruit the best and brightest into tea-
     ching: who is recruited, where do they teach, how effective are they, and how long do they
     stay? Educational Researcher, (3), 83-92.
Heyma, A., De Graaf, D. & Van Klaveren, C. (2006). Exploratie van beloningsverschillen in het onder-
     wijs -. Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.
Hill, H.C., Rowan, B. & Ball, D.L. (2005). Effects of teachers’ mathematical knowledge for teaching
     on student achievement. American Research Journal, , 371-406.
Hogeling, L., Wartenbergh-Cras, F., Pass, J., Jacobs, J., Vrielink, S. & Honingh, M. (2009). De zeg-
     genschap van leraren. Nijmegen: ResearchNed.
Hoogeveen, K. & Nijssen, A. (2009). Tien jaar adviezen over leraren en lerarenopleidingen: over-
     zicht en balans. Den Haag: Onderwijsraad.
Inspectie van het Onderwijs (2011). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag /.
     Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Kemper, R., Van der Berg, D. & Vrielink, S. (2012). Professioneel leiderschap in het primair onderwijs.
     Den Haag: CAOP Research.
Kessels, C. (2010). The influence of induction programs on beginning teachers’ well-being and pro-
     fessional development. Proefschrift. ICLON, Leiden.
Kuijk, J. & Vrieze, G. (2008). Casestudies convenant professionalisering en begeleiding van leraren in
     het po en vo. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit Nijmegen.
Kuijk, J., Vrieze, G. & Marx, T. (2008). Monitor convenant professionalisering en begeleiding onder-
     wijspersoneel in primair en voortgezet onderwijs. Nijmegen: ITS, Radboud Universiteit
     Nijmegen.
Lomos, C., Hofman, H. & Bosker, R.J. (2010). Professional communities and student achiement.
     School Effectiveness and School Improvement, (2), 121-148.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2010). Personeels- en mobiliteitsonder-
     zoek Overheidspersoneel. Den Haag: Ministerie van BZK.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2007). Actieplan leerkracht van Nederland.
     Den Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2008). Kwaliteitsagenda Krachtig meester-
     schap. Den Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2010). Nota werken in het onderwijs . Den
     Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011a). Actieplan Leraar . Den Haag:
     Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011b). Kerncijfers -. Den Haag:
     Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011c). Nota werken in het onderwijs . Den
     Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012a). Referentieraming . Den Haag
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012b). Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en
     resultaten tussenmeting functiemix. Brief van Staatssecretaris van OCW aan Voorzitter Twee-
     de Kamer, 2 juli 2012. Kamerstukken II, 27923, nr.141. Kenmerk 419738.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012c). Evaluatie zij-instroom leraren VO en
     MBO. Brief van staatssecretaris van OCW aan Voorzitter Tweede Kamer, 30 oktober 2012.
     Kamerstukken II, 27923, nr. 144. Kenmerk 450401.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, VSNU & Hbo-raad (2005). Beleidsagenda
     lerarenopleiding -. Meer kwaliteit en differentiatie: lerarenopleidingen aan zet. Den
     Haag: Ministerie van OCW.
48                                                                              Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Mourshed, M., Chijioke, C. & Barber, M. (2010). How the world’s most improved school systems keep
     getting better. McKinsey and Company.
Onderwijsraad (2006). Waardering voor het leraarschap. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007). Leraarschap is eigenaarschap. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2011a). Excellente leraren als inspirerend voorbeeld. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2011b). Goed opgeleide leraren voor het (voorbereidend) middelbaar beroeps-
     onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2005). Teachers matter. Parijs: OECD.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2009). Creating effective teaching
     and learning environments: First results from TALIS. Parijs: OECD.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2011). Building a high-quality
     teaching profession. Parijs: OECD.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2012). Education at a Glance .
     Parijs: OECD.
Scheerens, J. (2007). Review and meta-analysis of school and teaching effectiveness. Enschede:
     Universiteit Twente.
Schwartz, B. & Sharpe, K. (2010). Practical wisdom. New York: Yale University Press.
Science Guide (2012). Topleraren vasthouden, dat is de kunst. Geraadpleegd op 13 januari 2013 via
     http://www.scienceguide.nl/201211/topleraren-vasthouden,-dat-is-de-kunst.aspx?newslett
     er=422012&rel=9b95697e-0d73-452b-ab50-d08c16a36b3a.
Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (2009). Regionale platforms onderwijsarbeidsmarkt. Den
     Haag: SBO.
Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (2011a). Formele gesprekken in het onderwijs. Den Haag:
     CAOP Research.
Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (2011b). Mobiliteit van leraren. Den Haag: CAOP Research.
Severiens, S., Wolff, R., Meeuwisse, M., Rezai, S. & De Vos, W. (2007). Waarom stoppen zoveel
     allochtone studenten met de pabo? Rotterdam: Risbo, Erasmus universiteit.
Van den Broek, A. & Van Casteren, W. (2012). Waar zitten de goede docenten? Nijmegen:
     ResearchNed.
Van der Rijst, R.M. & Van Veen, K. (2013). Het werven en binden van leraren. Leiden: ICLON.
Van der Wel, J. & Van Bergen, K. (2012). Effectieve inzet academisch gevormde leerkrachten po.
    Amsterdam: Regioplan.
Van Eck, E. & Heemskerk, I. (2009). Leraar worden; kiezen voor opleiding en beroep. Den Haag: SBO.
Van Gennip, H. & Vrieze, G. (2008). Wat is de ideale leraar? Nijmegen: ITS.
Van Leenen, H. & Bemsden, F.E.M. (2011). Loopbaanmonitor onderwijs . Amsterdam:
     Regioplan.
Van Leenen, H. & Bemsden, F.E.M. (2012). Loopbaanmonitor onderwijs . Amsterdam:
     Regioplan.
Van Oostrom, F. (2007). Een zaak van alleman, gepresenteerd tijdens UvA Kohnstammlezing,
    Amsterdam.
Van Veen, K., Van Driel, J. & Veldman, I. (2011). Relaties tussen masterniveau en kwaliteit van onder-
     wijs: Conclusies en verklaringen vanuit onderzoek. Leiden: ICLON/Expertisecentrum Leren
     van Docenten.
Van Veen, K., Zwart, R, Meirink, J. & Verloop, N. (2010). Professionele ontwikkeling van leraren. Lei-
     den: ICLON.
Van Wonderen, R. (2005). Monitor integraal personeelsbeleid in de bve-sector, derde meting .
     Leiden: Research voor beleid.
Vermeulen, M. (2012). Lerarenbeleid .. Tilburg: IVA beleidsonderzoek en advies.
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                             49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Vrielink, S., Hogeling, L., Jacobs, J. & Kurver, B. (2010). Monitor convenant Leerkracht . Nijme-
    gen: ResearchNed.
Vrielink, S., Kurver, B., Hampsink, S., Van der Boom, E., Van de Vlasakker, S. & Warmerdam, S.
    (2012). Arbeidsmarktbarometer po, vo en mbo /. Nijmegen: ResearchNed en Ecorys.
Warps, J., Wartenbergh, F., Kurver, B., Muskens, M., Hogeling, L. & Pass, J. (2010). Studiesucces en
    studieuitval bij eerstejaars in de hbo-onderwijsopleidingen. Nijmegen: ResearchNed.
Waslander, S., Duckers, M.L.A. & Van Dijk, G.M. (2012). Professionalisering van schoolleiders in het
    voortgezet onderwijs. Utrecht: Leadership Development Centre TiasNimbas Business School,
    IVA beleidsonderzoek en advies & VO-Raad.
Wayne, A.J. & Youngs, P. (2003). Teacher characteristics and student achievement gains: A review.
    Review of Educational Research, (1), 89-122.
50                                                                            Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
De heer drs. R. van der Aa             Clustermanager onderwijs, Ecorys
Mevrouw drs. F. van Alebeek            Directeur Copernicus Schoolgemeenschap Hoorn
Mevrouw V. van Alphen                  Leraar speciaal basisonderwijs
De heer P. Banis                       Vice-voorzitter CNV Onderwijs
De heer M. ter Bork                    Leraar basisonderwijs, leraar van het jaar 2010
Mevrouw drs. A. Buys                   Voorzitter Algemeen Directeuroverleg van Educatieve
                                       Faculteit
De heer drs. D. van Bennekom           Lid bestuur VO-raad en voorzitter college van bestuur Alli-
                                       antie VO in Nijmegen
Mevrouw T. Coenen                      Leraar voortgezet onderwijs, leraar van het jaar 2010
De heer drs. C. van Dam                Coördinerend beleidsmedewerker unit arbeidsmarkt, CAOP
De heer drs. H. Duivenvoorden Projectmanager Zuid Noord-Holland, APO
De heer A. van Dijk                    Leraar voortgezet onderwijs, leraar van het jaar 2000
De heer S. Heusschen                   Leraar voortgezet onderwijs
De heer R. Hilbrandie                  Leraar basisonderwijs, leraar van het jaar 2007
De heer B. Hoogenboom                  Lid dagelijks bestuur Algemene Onderwijsbond
De heer drs. D. Hoozemans              Voorzitter Landelijk Overleg Lerarenopleidingen Basis-
                                       onderwijs
De heer drs. J. Kentson                Voorzitter Onderwijscoöperatie en voorzitter Lerarenkamer
Mevrouw drs. A.M.E. Kil-Alberts Directeur Onderwijscoöperatie
Mevrouw dr. D. Lanser                  Programmaleider sector arbeid en onderwijs, Centraal
                                       Planbureau
De heer A. Niemeijer                   Leraar voortgezet onderwijs, leraar van het jaar 2009
De heer R. Rijk                        Lid van bestuur VO-raad en voorzitter college van bestuur
                                       bij Stichting Carmelcollege
Mevrouw T. van der Steen               Leraar basisonderwijs, leraar van het jaar 2009
De heer drs. M. van der Steeg          Wetenschappelijk medewerker sector arbeid en onderwijs,
                                       Centraal Planbureau
De heer prof. dr. M. Vermeulen Hoogleraar onderwijskunde, Universiteit Tilburg
De heer S. van Vliet                   Leraar voortgezet onderwijs
Mevrouw drs. S. Walvisch               Lid bestuur PO-raad
De heer drs. F. Weima                  Unitmanager arbeidsmarkt, CAOP
De heer W. Weisfelt                    Leraar voortgezet onderwijs, leraar van het jaar 2005
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                             51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>52 Onderwijsraad, januari 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Bijlage 
Adviesvraag OCW
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>54 Onderwijsraad, januari 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Kiezen voor kwalitatief sterke leraren 55</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>56 Onderwijsraad, januari 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Bijlage 
Overzicht aanbevelingen naar actor en effect
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren       57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                   Kwantiteit leraren lange termijn   Kwantiteit leraren korte termijn
                                                                                                               Kwaliteit leraren
                                            Sturing                          Actor
                                            Meer werving en selectie         Schoolleiders en leraren in         +                                                          +
                                            van goede leerlingen en stu-     het vo
 Meer werving & selectie rond de leraren-
                                            denten
                                            Meer selectie aan de poort       OCW en lerarenopleidingen            +                      +                                    -
                                            van de lerarenopleidingen
                                            Trajecten voor excellente        Lerarenopleidingen                  +                                                          +
 opleiding
                                            leraren
                                            Groter zelfselecterend ver-      Lerarenopleidingen                   +                      +                                    -
                                            mogen van de opleiding
                                            Verplichte bij- en nascholing,   OCW, lerarenopleidingen/             +                      +                                 +
                                            door een publiekrechtelijk       scholingsinstituten, school-
                                            register                         leiders en leraren
 Verhoog de beroepsstandaard
                                            Masterdiploma is de stan-        OCW, lerarenopleidingen/             +                      +                                    -
                                            daard                            scholingsinstituten, school-
                                                                             leiders en leraren
                                            Investeringen in inductie-       OCW en schoolleiders                 +                      +                                    -
                                            programma’s en selectie op
                                            basis van functioneren in de
                                            lespraktijk
                                            Register voor schoolleiders      OCW en schoolleiders                 +                     +
 Aantrekkelijke werkomgeving
                                            met verplichte nascholing
                                            Serieuze functionerings- en      OCW en schoolleiders                 +                     +
 door professioneel, onderwijs-
                                            beoordelingsgesprekken en
                                            functiedifferentiatie
 kundig leiderschap
                                            Ruimte voor leraren om het       OCW en schoolleiders                 +                     +
                                            vak uit te oefenen
58                                                                                                          Onderwijsraad, augustus 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                                                                          Kwantiteit leraren lange termijn   Kwantiteit leraren korte termijn
                                                                                                      Kwaliteit leraren
                                                Sturing                        Actor
                                                Werving van (jonge) mensen     OCW en schoolleiders      +                      +                                  +
 Werk in de regio nauw samen aan kwaliteit en
                                                voor het leraarsvak
                                                Investeringen in het behoud    OCW en schoolleiders      +                      +                                  +
                                                van professionele leerkrach-
                                                ten voor de regio
 kwaliteit en kwantiteit
                                                Mobiliteit in het onderwijs    OCW en schoolleiders      +                      +                                  +
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren                                                                                                                                                          59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>60 Onderwijsraad, januari 2013</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Bijlage 
Uitwerking financiering masteropleidingen
Kiezen voor kwalitatief sterke leraren    61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre> De huidige doelstellingen ten aanzien van de functiemix staan vermeld in de Nota Werken in
 het Onderwijs (2011). De raad stelt voor om deze doelstellingen in percentages leraren per sala-
 risschaal op te hogen. Dit kan bijvoorbeeld zoals aangegeven in onderstaande tabel.
 Tabel :           Aanpassing doelstelling functiemix voor salaristoeslag, in percentages
                                                                                          LA             LB          LC            LD
   Doelstellingen primair onderwijs
   Huidige doelstellingen functiemix 2014                                                 58             40           2               -
   Voorgestelde aanpassing van doelstelling                                               50             30          20               -
   Doelstellingen voortgezet onderwijs
   Huidige doelstellingen functiemix 2014                                                    -            33         38            29
   Voorgestelde aanpassing van doelstelling                                                  -            33         34             33
   Voorstel middelbaar beroepsonderwijs
   Huidige doelstellingen salarismix 2014*                                                   -            25         65             10
   Voorgestelde aanpassing van doelstelling                                                  -            25         42             33
*    In het middelbaar beroepsonderwijs wordt de functiemix salarismix genoemd. De vermelde percen-
     tages betreffen de landelijke doelstellingen zoals vermeld in het Convenant Leerkracht. Ze zijn geba-
     seerd op de combinatie van een stabiel blijvende landelijke verdeling van schalen en de groei in de
     salarismix die met de beschikbare middelen in de Randstadregio’s moet worden bereikt. Om recht te
     doen aan de specifieke situatie in deze sector is met de instellingen een specifieke invulling gegeven
     aan de convenantafspraken.
 Wanneer uitgegaan wordt van de aanpassingen van de doelen voor de functiemix in boven-
 staand kader, brengt dit in het primair en voortgezet onderwijs een totaalbedrag van ongeveer
 200 miljoen euro aan salariskosten met zich mee. De verdeling van leraren in het middelbaar
 beroepsonderwijs over de schalen zou ongeveer gelijk getrokken kunnen worden met die in
 het voortgezet onderwijs. Het zijn wat betreft tweedegraads bevoegde leraren immers voor
 een deel concurrerende sectoren. Hiermee zou voor het middelbaar beroepsonderwijs onge-
 veer 40 miljoen euro aan salariskosten gemoeid zijn, uitgaande van de in het convenant Leer-
 kracht genoemde doelstelling van de salarismix.103 Samen met de opleidingskosten van 140
 miljoen komt dit in totaal uit op circa 380 miljoen euro.
 103 De verschillen tussen de schalen zijn gemiddeld 8000 euro bruto per maand. Op basis van dit verschil tussen de schalen zijn de extra
     salariskosten berekend.
 62                                                                                                     Onderwijsraad, januari 2013
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Nassaulaan 6 - 2514 JS Den Haag
www.onderwijsraad.nl
In dit advies geeft de Onderwijsraad antwoord op de
vraag welke sturingsmogelijkheden ingezet kunnen wor-
den om op de langere termijn over voldoende goede lera-
ren te beschikken. De raad concludeert dat het beleid de
afgelopen jaren vooral gericht is geweest op het kwanti-
tatieve lerarentekort. Hij pleit voor een sterkere sturing op
kwaliteit, om langs die weg de aantrekkelijkheid van het
leraarsberoep te verhogen. Een integrale aanpak is daar-
voor cruciaal.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>