<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Humanisme als richting
Nr. 20140089/1068
Onderwijsraad
Nassaulaan 6
2514 JS Den Haag
e-mail: secretariaat@onderwijsraad.nl
070 – 310 00 000 of via de website: www.onderwijsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
1    Adviesvraag en eerdere adviezen van de raad    7
1.1  Aanleiding                                     7
1.2  Eerdere adviezen van de raad inzake richting   7
1.3  Opbouw van het advies                          8
2    Wettelijke grondslag                           9
3    Humanisme als richting                       11
3.1  Eisen aan richting                            11
3.2  Toepassing criteria op het humanisme          11
4    Conclusie                                    14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>6 Onderwijsraad, maart 2014</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1           Adviesvraag en eerdere adviezen van de raad
1.1         Aanleiding
            Bij de DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) is op 1 oktober 2013 een aanvraag ingediend door de Stichting De
            Amsterdamse MAVO te Amsterdam tot bekostiging van een categorale mavo op humanistische grondslag.
            Naar aanleiding hiervan heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de raad op 3 februari
            2014 gevraagd om advies. “Aangezien er in Nederland”, zo schreef de staatssecretaris, “nog geen bekostigde
            school voor voortgezet onderwijs op humanistische grondslag aanwezig is, verzoek ik u om na te gaan of de
            humanistische grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als een richting als bedoeld in de onderwijs-
            wetten in de betekenis die daaraan (met name) in de uitspraken van de Kroon, De Raad van State en uw Raad
            wordt toegekend.”
1.2         Eerdere adviezen van de raad inzake richtin           richting
            De raad heeft de minister, respectievelijk de staatssecretaris desgevraagd eerder van advies gediend over de
            invulling van het richtingsbegrip. Zo adviseerde de raad in mei 1992 al over kleine richtingen in het voortgezet
            onderwijs.1 De raad formuleerde, met inachtneming van de toen geldende jurisprudentie, enkele specifieke
            voorwaarden waaraan een ‘richting’ moest voldoen om als zodanig erkend te worden. In oktober van dat jaar
            gaf de raad zijn mening over de aanvraag tot opneming in het (toentertijd nog bestaande) scholenplan voor het
            basisonderwijs van een school gebaseerd op integrale yoga.2 In januari 1996 bracht de raad een omvangrijk
            advies uit met als titel Richtingvrij en richtingbepalend.3 In maart 2005 beantwoordde de raad de vraag of de
            koptisch-orthodoxe stroming een richting kon zijn bij het voor bekostiging in aanmerking brengen van een
            basisschool.4 In oktober 2010 ging het opnieuw over een richting binnen het basisonderwijs, namelijk het
            boeddhisme.5 In april 2012 publiceerde de raad zijn advies Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief,
            waarin hij onder andere pleitte voor een ruimere interpretatie van het begrip richting.6 In juni 2012 sprak de
            raad zich ten slotte uit over de vraag of een bekostigingsaanvraag tegelijkertijd op verschillende richtingen
            betrekking kon hebben.7
            Bij de beantwoording van de vraag of de humanistische grondslag is te beschouwen als een richting als
            bedoeld in de onderwijswetten, volgt de raad de systematiek die in het hierboven genoemde advies uit 1992
            werd ontwikkeld. Die systematiek houdt in dat achtereenvolgens onderzocht zal worden:
            a.        wat de wettelijke grondslag is van de wens van de staatssecretaris om antwoord te krijgen op de vraag
                      of humanisme als een richting in de zin van de onderwijswetten is te beschouwen;
            b.        wat in het algemeen als richting heeft te gelden;
            c.        aan welke specifieke eisen voldaan moet worden om een richting te kunnen zijn;
            d.        of de te beoordelen stroming van zodanige aard is dat het aan die eisen voldoet;
            e.        of, ten slotte, de Stichting De Amsterdamse MAVO, die heeft aangegeven dat humanisme de grondslag
                      van de school vormt, aan die eisen voldoet.
1
  Onderwijsraad (1992a). Kleine richtingen in het v.o. Den Haag: Onderwijsraad.
2
  Onderwijsraad (1992b). Nieuwe richting schoolstichting Rotterdam. Den Haag: Onderwijsraad.
3
  Onderwijsraad (1996). Richtingvrij en richtingbepalend. Den Haag: Onderwijsraad.
4
  Onderwijsraad (2005). Adviesvraag inzake richting - Stichting Koptisch Orthodoxe Studie en Cultuur. Den Haag: Onderwijsraad.
5
  Onderwijsraad (2010). Boeddhisme als richting, Den Haag: Onderwijsraad.
6
  Onderwijsraad (2012a). Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief. Den Haag: Onderwijsraad.
7
  Onderwijsraad (2012b). Advies Meerdere richtingen. Den Haag: Onderwijsraad.
  Humanisme als richting                                                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1.3 Opbouw va van het advie
                       advi es
    In hoofdstuk 2 gaat de raad in op de wettelijke grondslag van het verzoek van de staatssecretaris. Daarbij
    betrekt hij tevens de in paragraaf 1.2 onder b. genoemde vraag naar wat in het algemeen als richting heeft te
    gelden. Hoofdstuk 3 bevat de meer specifieke criteria waaraan richtingen moeten voldoen en de eigenlijke
    beoordeling of het humanisme en meer in het bijzonder of de door de Stichting De Amsterdamse MAVO
    aangevoerde grondslag aan deze criteria voldoet. In hoofdstuk 4 wordt de conclusie getrokken.
8                                                                                           Onderwijsraad, maart 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>2            Wettelijke grondslag
             Artikel 65 van de WVO (Wet op het voortgezet onderwijs) bepaalt welke scholen voor voortgezet onderwijs
             voor bekostiging in aanmerking komen. Dat zijn in beginsel alle scholen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan
             worden aangenomen dat zij zullen worden bezocht door een bepaald aantal leerlingen. Voor een categorale
             school waar middelbaar algemeen vormend voortgezet onderwijs (mavo) wordt gegeven is dat een aantal van
             ten minste 260 leerlingen. De beslissing wordt gebaseerd op statistische gegevens, onder meer verstrekt door
             het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij gekeken wordt naar de belangstelling voor de desbetreffende
             schoolsoort en de verlangde richting, en het leerlingenverloop.
             Artikel 66 WVO bepaalt aansluitend dat de procedure leidend tot bekostiging wordt ingezet door het voor 1
             november van enig jaar indienen van een aanvraag bij de minister. In samenhang met de genoemde criteria
             moet de aanvraag een aantal gegevens bevatten, namelijk:
                      de schoolsoort;
                      de verlangde richting;
                      de plaats van vestiging;
                      of bekostiging wordt gevraagd voor een school of voor een scholengemeenschap; en
                      een prognose over de te verwachten omvang.
             In artikel 21 WVO is bepaald dat het bevoegd gezag in het maatschappelijk verkeer onder meer ondubbelzinnig
             tot uitdrukking dient te brengen van welke richting het onderwijs uitgaat.
             Tot aan de inwerkingtreding op 1 augustus 2008 van de wet van 11 juli 2008, Stb. 296, was de eis dat bij een
             bekostigingsaanvraag de verlangde richting van de betrokken school moest worden opgegeven, nog niet
             expliciet in de wet opgenomen. Het derde lid van het toenmalige artikel 69 stelde dat bij de bepaling van het
             aantal leerlingen niet in aanmerking mochten worden genomen de leerlingen voor wie binnen redelijke afstand
             plaatsruimte beschikbaar zal zijn op een gelijksoortige school, waar het verlangde onderwijs wordt gegeven.
             In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat leidde tot de genoemde wet van 11 juli 2008, Stb. 296,
             wordt niet aangegeven waarom werd voorgesteld voortaan expliciet in de wet op te nemen dat een voor
             bekostiging in aanmerking te brengen school een richting diende te vertegenwoordigen. Ook wordt niet
             aangegeven wat onder richting moet worden verstaan in vergelijking met de voordien gebruikte formulering
             ‘het verlangde onderwijs’. Niettemin wordt bij de toelichting op het wijzigingsvoorstel met betrekking tot
             artikel 21 WVO wel impliciet aangegeven wat de regering met richting bedoelde. “Het is van belang”, zo stelt de
             memorie van toelichting,8 “dat in het maatschappelijk verkeer ook duidelijk de godsdienstige of levens-
             beschouwelijke richting van de school wordt aangegeven.” De opvatting dat het begrip richting betrekking
             heeft op godsdienst of levensbeschouwing sluit aan bij het standpunt dat sinds 1933 een en ander maal in de
             rechtspraak naar voren is gekomen.9
             De raad stelt zich op het standpunt dat, zoals in zijn adviezen uit 199610 en 201211 is verwoord, het begrip
             richting vanuit haar oorsprong niet tot ‘godsdienst en levensbeschouwing’ beperkt blijft en dat een verruimde
             en pluriforme invulling van het richtingsbegrip voor de hand ligt. Ook heeft de raad kennis genomen van het
             standpunt van de staatssecretaris, dat hij – net als de raad – voorstander is van het principe van richtingvrije
             planning.12
8
  Kamerstukken II, 2007-2008, 31310, nr.3, p. 25.
9
   Het KB van 15 mei 1933, nr. 22, AB 1933, p. 543, spreekt in relatie tot het toenmalige artikel 13 van de Lager-onderwijswet 1920 dat handelde over het
leerlingenvervoer van een richting “welke zich in het Nederlandse Volk op geestelijk terrein” openbaart. Meer recent HR, 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719
(betreft het begrip ‘richting’ in artikel 5 van de Leerplichtwet 1969) en ABRvS, 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1478 (betreft de notie ‘godsdienst of
levensbeschouwing’ in artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs; idem artikel 4 WVO).
10
   Onderwijsraad (1996), p.71.
11
   Onderwijsraad (2012) Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief. Den Haag: Onderwijsraad.
12
   Kamerstukken II, 2012-2013, 33400 VIII, nr. 164.
  Humanisme als richting                                                                                                                                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>   Een en ander neemt niet weg dat vooralsnog zal moeten worden uitgegaan van de strikte eis in artikel 65,
   eerste lid, WVO, dat bekostiging van een school voor voortgezet onderwijs gerelateerd is aan ‘de verlangde
   richting’ en dat daaronder verstaan zal moeten worden ‘godsdienst of levensbeschouwing’.
10                                                                                        Onderwijsraad, maart 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>3              Humanisme als richting
3.1            Eisen aan richting
               Op basis van het advies van de raad uit 1992 over kleine richtingen in het voortgezet onderwijs formuleert de
               raad enkele criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de aan een school ten grondslag gelegde
               godsdienst of levensbeschouwing als richting in de zin van de WVO kan worden geduid. Deze criteria zijn de
               volgende:
               a.        de voorgestane richting moet blijken uit de statuten van de rechtspersoon die de bekostigingsaanvraag
                         indient;
               b.        de aanvrager moet - voor zover dat niet uit de statuten duidelijk is - aan de hand van andere bescheiden
                         kunnen toelichten wat de specifieke uitgangspunten van de voorgestane richting zijn en hoe zich dat in
                         de onderwijspraktijk vertaalt;
               c.        er moet een bepaalde organisatievorm bestaan in de samenleving; en
               d.        bij de richting zijn uitingen van levensstijl en levenspraktijk waarneembaar, die vooral symbolische
                         waarde voor betrokkenen hebben en die met de grondslag van de school verband houden, zoals
                         rituelen, ceremoniën en uiterlijke kenmerken, waarmee men laat zien tot een bepaalde godsdienstige of
                         levensbeschouwelijke groep te behoren.13
               De hierboven genoemde criteria met uitzondering van die onder d zijn ontleend aan de rechtspraak. Zo
               bepaalde de Kroon bij besluit van 28 februari 1992, Stb. 118, dat bij de beantwoording van de vraag of een
               islamitische school op het (toen nog geldende) plan van basisscholen moest wordt opgenomen, de statuten
               van de aanvragende stichting bepalend zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zit op
               dezelfde lijn,14 maar stelt tevens dat de aan het onderwijs ten grondslag liggende geestelijke stroming “zich in
               een binnen Nederland waarneembare beweging” moet openbaren en “ook op andere terreinen van het leven”
               moet doorwerken.15 In zijn arrest van 6 juli 2010 conformeert de Hoge Raad16 zich aan het door het Gerechtshof
               in Amsterdam ingenomen standpunt dat onder het begrip richting als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b
               van de Leerplichtwet 1969 moet worden verstaan "een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde
               godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing". Weliswaar is het richtingsbegrip, zoals dat in de
               leerplichtwet wordt gebruikt niet geheel op één lijn te stellen met richtingsbegrip bij schoolstichting,17 maar
               het laat wel zien dat het om meer moet gaan dan een in beperkte kring heersende opvatting.
               Het vierde criterium dat verwijst naar uiterlijke kenmerken is secundair en heeft vooral betrekking op religies.
3.2            Toepassin
               Toepassi ng criteria op het humanisme
               Het adviesverzoek van de staatssecretaris is vergezeld gegaan van onder meer de statuten van de Stichting De
               Amsterdamse MAVO. Artikel 3, eerste lid, van deze statuten luidt:
               “1. De stichting heeft ten doel het geven of doen geven van middelbaar algemeen voortgezet onderwijs
               volgens de humanistische levensovertuiging, welke levensovertuiging probeert leven en wereld te begrijpen
               uitsluitend met menselijke vermogens, welke levensovertuiging het vermogen tot onderscheidend oordelen
               voor de mens wezenlijk acht en waarvoor niets of niemand buiten de mens verantwoordelijk kan worden
               gesteld, waarbij het onderwijs bijdraagt aan:
13
   Onderwijsraad (1992a), p.2-3. In dit advies nam de raad tevens het standpunt in dat - conform artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek - de werkzaamheden
en het doel van de rechtspersoon die een bekostigingsaanvraag doet niet in strijd mogen zijn met de openbare orde. Of dat het geval is kan echter alleen
na rechterlijke toetsing worden vastgesteld.
14
   ABRvS, 26 januari 1999, AB 1999, 235 m. nt. BPV: “Weliswaar zijn de statuten van de aanvragende stichting of vereniging van belang voor de vraag naar de
richting van bijzondere scholen, echter het onderzoek hiernaar is op zichzelf niet voldoende ...”.
15
   ABRvS, 11 februari 1997, AB 1998, 28 m. nt. BPV en ABRvS, 15 januari 1998, AB 1998, 173 m.nt. BPV.
16
   HR, 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719.
17
   Zie ook Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (2012). Het begrip ‘richting’ en artikel 5 van de Leerplichtwet 1969. Den Haag, Openbaar
Ministerie.
Humanisme als richting                                                                                                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>               a.         de voortdurende bereidheid zich in denken en doen naar normen van redelijkheid en zedelijkheid te
                          verantwoorden;
               b.         de helpende zorg voor de medemens om hem in staat te stellen zich te ontplooien tot een volwaardig
                          bestaan in zelfbestemming;
               c.         het streven naar een samenleving waarin vrijheid, gerechtigdheid, verdraagzaamheid, eerbied voor de
                          menselijke waardigheid en medemenselijkheid centraal staan; en
               d.         het geven van onderwijs zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing en met
                          eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.”
               Deze doelstelling voldoet aan het gestelde kenbaarheidscriterium (het criterium genoemd in paragraaf 3.1.
               onder a). Dat men kiest voor het humanisme als grondslag van de school is uitdrukkelijk vastgelegd. Bovendien
               is tot uitdrukking gebracht wat humanisme volgens de oprichters van de stichting inhoudt en wat de vertaling
               daarvan is voor het onderwijs (het criterium genoemd in paragraaf 3.1. onder b).
               Met deze passage uit de statuten plaatst de stichting het humanisme tevens binnen de categorie van de levens-
               beschouwingen en niet binnen die van de godsdiensten. Materieel gezien maakt dat overigens niet uit. Bij de
               algehele herziening van de Grondwet in 1983 en het bij die gelegenheid in de Grondwet opnemen van de
               grondrechten werd levensovertuiging als volledig gelijkwaardig naast godsdienst in artikel 6 Grondwet
               opgenomen. Bij de behandeling van de wet van 17 april 1997, Stb. 192, tot wijziging van bepalingen van
               verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht kwam
               onder meer het verschil in terminologie aan de orde tussen de in artikel 6 van de Grondwet gebruikte
               aanduiding levensovertuiging en de aanduiding levensbeschouwing, die in onder meer de onderwijswetten
               wordt gebezigd. De regering merkte daarover op dat beide termen als synoniem moeten worden beschouwd.
               De term levensbeschouwing is meer bruikbaar omdat van die term, in tegenstelling tot levensovertuiging, wel
               een bijvoeglijk naamwoord bestaat, zoals blijkt uit de woordgroep levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.18
               In het perspectief van de in dit advies aan de orde zijnde vraag of humanisme als levensbeschouwing kan
               worden erkend, is het indicatief dat de regering na de passage over het bijvoeglijk gebruik van het zelfstandig
               naamwoord levensbeschouwing twee voorbeelden noemt van levensbeschouwelijk vormingsonderwijs,
               namelijk vormingsonderwijs gebaseerd op de humanistische levensbeschouwing en vormingsonderwijs geba-
               seerd op de antroposofische levensbeschouwing.19
               Rest de vraag of het humanisme zich binnen Nederland als waarneembare beweging openbaart en ook op
               andere terreinen van het leven doorwerkt (het criterium genoemd in paragraaf 3.1. onder c). Een feit is dat het
               humanisme zich al in de negentiende eeuw als stroming van ‘onkerkelijken’ manifesteerde. Een belangrijk
               platform voor mensen die zich verbonden voelen met het humanisme is het Humanistisch Verbond. De
               geschiedenis van het Humanistisch Verbond gaat terug tot vlak na de Tweede Wereldoorlog.20 Daarnaast zijn er
               op allerlei terreinen van het maatschappelijk leven afzonderlijke organisaties die het humanisme tot uitgangs-
               punt hebben gekozen. Zij zijn verenigd in de Humanistische Alliantie. Als humanistisch afficheren zich verder
               onder meer: de Humanistische Omroep (HUMAN), de Vereniging Humanitas, de Dienst Humanistische
               Geestelijke Verzorging in de Krijgsmacht, de humanistische geestelijke verzorgers van de Dienst Geestelijke
               Verzorging Justitie en humanistische geestelijke verzorgers verenigd in de Vereniging van Geestelijke
               Verzorgers in Zorginstellingen.
               Voor het onderwijs is met name van belang de Stichting HVO, dat het Centrum Humanistische Vorming in stand
               houdt. Verder is in dit verband relevant dat de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht, uitgaande van de
               Stichting Universiteit voor Humanistiek, als levensbeschouwelijke universiteit staat opgenomen in de bijlage,
               behorend bij artikel 1.8. van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Allemaal
               voorbeelden van de inbedding van het humanisme in de Nederlandse samenleving en een indicatie voor de
               beantwoording van de vraag of er in relatie tot het humanisme sprake is van een zekere organisatiegraad en of
               deze stroming aan het in paragraaf 3.1. genoemde derde criterium voldoet.
               Anders dan bij godsdiensten veelal het geval is, kan humanisme niet worden geassocieerd met bepaalde
               rituelen, ceremoniën, symbolen of uiterlijke kenmerken. Humanisme voldoet dus niet aan het in paragraaf 3.1.
18
   Zie Kamerstukken II, 1996-1997, 24614, nr. 5, p. 2.
19
   Ibidem.
20
   Zie Tj. Flokstra en Sj. Wieling (1986). De Geschiedenis van het Humanistisch verbond, 1946-1986. Utrecht: Humanistisch verbond/Zutphen: De Walburg Pers.
12                                                                                                                                 Onderwijsraad, maart 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>         onder d genoemde criterium.
Humanisme als richting               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>4              Conclusie
               De raad stelt vast dat de Stichting De Amsterdamse MAVO zich er terecht op beroept een (nog niet erkende)
               richting in de zin van artikel 65 WVO te vertegenwoordigen. Aan die vaststelling staat niet in de weg dat het
               humanisme zich in de Nederlandse samenleving niet door middel van vaststaande ceremoniën, rituelen of
               andere uiterlijkheden manifesteert en geen ruimten kent waar gelijkgestemden periodiek voor het beleven van
               de gemeenschappelijke waarden bijeenkomen. Dit laatstgenoemde criterium verwijst, zoals eerder gezegd,
               naar de uiterlijke kenmerken van religies en is in dit geval niet van toepassing, omdat het humanisme niet als
               godsdienst maar als levensbeschouwing moet worden beschouwd . In de kern gaat het vooral om de vraag of
               de grondslag van de door deze stichting in stand te houden school teruggrijpt op een “stroming die zich in een
               binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt”21
               of zoals de Hoge Raad bevestigde “een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige
               overtuiging of levensbeschouwing”.22
21
   ABRvS 11 februari 1997, AB 1998, 28 m. nt. BPV en ABRvS 15 januari 1998, AB 1998, 173 m.nt. BPV; vergelijkbaar is ook ABRvS 10 november 1992, nr. G
06900687.
22
   HR, 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719.
14                                                                                                                           Onderwijsraad, maart 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>