<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap                                                     Nassaulaan 6
Mevrouw dr. J. Bussemaker                                                                                2514 JS Den Haag
Postbus 16375
2500 BJ Den Haag                                                                                         Telefoon: 070 310 00 00
                                                                                                         Fax: 070 356 14 74
                                                                                                         secretariaat@onderwijsraad.nl
                                                                                                         www.onderwijsraad.nl
Ons kenmerk                            Contactpersoon                        Plaats/datum
20150182/1103                                                                Den Haag, 5 oktober 2015
Uw kenmerk                             Doorkiesnummer                        Onderwerp
                                                                             Advies Strategische Agenda Hoger Onderwijs en
                                                                             Onderzoek 2015-2025
Mevrouw de Minister,
U heeft op 10 juli jongstleden de Onderwijsraad verzocht om een advies uit te brengen over de Strategische
Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025 – De waarde(n) van weten1 – waarin u de beleidsprioriteiten op
het gebied van het hoger onderwijs tot 2025 alsmede de investeringsagenda voor de middelen voortkomend uit
het studievoorschot heeft vastgelegd.
In deze brief geeft de raad zijn advies over de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025
(hierna: de agenda). De agenda stelt herkenbare ambities en kiest voor het hogeronderwijsbeleid een richting die
de raad onderschrijft. De agenda zet een eerder ingezette beweging in de richting van differentiatie versterkt
voort en geeft daarmee continuïteit aan het hogeronderwijsbeleid. Met de minister meent de raad dat kwaliteit in
het hoger onderwijs centraal hoort te staan. Hij stelt vast dat de agenda op draagvlak in het hoger onderwijs kan
rekenen. De raad plaatst echter ook enkele kanttekeningen bij de agenda en doet in dat licht aanbevelingen die
de uitvoering van de agenda kunnen versterken.
Alvorens zijn overwegingen bij de agenda weer te geven, vat de raad de ambities uit de agenda en de voor-
gestelde investeringsagenda samen. Vervolgens geeft de raad een algemene waardering van de agenda, gevolgd
door zijn kanttekeningen en aanbevelingen.
1.           De Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-                                   2015 -2025
In de agenda wordt ingezet op een combinatie van hogere kwaliteit en “de juiste student op de juiste plek”. Deze
combinatie moet leiden tot een verbetering van de prestaties van het Nederlandse hoger onderwijs, afgestemd
op de eenentwintigste eeuw. Daartoe worden de middelen voortkomend uit het studievoorschot aangewend.
      De eerste ambitie is om kwaliteit voorop te stellen door kleinschalig en intensief onderwijs, door het creëren
       van rijke leeromgevingen en leergemeenschappen, door te werken aan de kwaliteit van docenten en
       onderwijsleiders en door ruimte voor onderwijsvernieuwing.
      De tweede ambitie is om elk talent de kans te geven zich te ontwikkelen. Daartoe wordt ingezet op een goed
       toegankelijk hoger onderwijs, op flexibilisering, differentiatie en maatwerk, op talentprogramma’s, op het
       vergroten van studiesucces, op samenwerking in de onderwijsketen ten behoeve van aansluiting en
       doorstroming, op extra aandacht voor de doorstroom van mbo’ers naar het hbo, op doorstroom binnen het
1
  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015b). De waarde(n) van weten. Den Haag: Ministerie van OCW. De Strategische Agenda
betreft het hoger onderwijs- en onderzoekplan in de zin van artikel 2.3 WHW.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           2/15
       hoger onderwijs, en op een flexibel stelsel van een leven lang leren. De leerloopbaan van de individuele
       student wordt meer centraal gezet, terwijl de student ook altijd onderdeel van een (leer)gemeenschap hoort
       te zijn.
      De derde en laatste ambitie is om te komen tot responsieve instellingen die in het hart van de samenleving
       staan. Daarom wordt gestreefd naar duurzame regionale samenwerking, naar een sterkere verbinding van
       het hoger onderwijs met de arbeidsmarkt, naar meer aandacht voor maatschappelijke vragen, naar meer
       kennisbenutting (zowel economisch als maatschappelijk) en naar verdere profilering van instellingen, ook
       op onderwijskundige concepten.
De investeringsagenda geeft bestedingsrichtingen aan voor de investeringen die vanaf 2018 geleidelijk mogelijk
worden door de invoering van het studievoorschot. Deze investeringen moeten leiden tot voor studenten zicht-
bare verbeteringen. De helft van de middelen wordt bestemd voor kleinschalig en intensief onderwijs (50%). Dat
wordt vertaald in circa 2.500 fte aan extra docenten voor het hoger beroepsonderwijs en circa 1.400 fte aan extra
docenten voor het wetenschappelijk onderwijs. Verder geeft de investeringsagenda als bestedingsrichtingen
aan: talentprogramma’s (10%), onderwijsgerelateerd onderzoek (20%; met name vertaald in extra docent-
onderzoekers en extra lectoren) en studiefaciliteiten en digitalisering (10%). 10% van de middelen wordt
gereserveerd voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten; met name te besteden aan een onderwijs-
beurzenprogramma, het verbeteren van de samenwerking in de regio en initiatieven en experimenten op het
gebied van onderwijsinnovatie. Met uitzondering van de specifieke stimulering van landelijke prioriteiten zullen
de middelen via de rijksbijdrage naar de instellingen gaan.2 Over de besteding van die middelen wil de minister
kwaliteitsafspraken met de instellingen maken. De agenda geeft aan dat instellingen vrij zijn om van de
genoemde percentages af te wijken. Binnen de instellingen hebben studenten en docenten invloed op de
besteding ervan via het instemmingsrecht van de medezeggenschapsorganen op de hoofdlijnen van de begro-
ting. De investeringsagenda zet ook in op het continueren van bestaande middelen voor profilering en zwaarte-
puntvorming ter ondersteuning van de verdere profilering van instellingen. De minister verwacht verder dat er
extra middelen vrijkomen door het beter benutten van de ov-kaart.
2.            Overwegingen van de Onderwijsraad bij de Strategische Agenda Hoger
              Onderwijs en Onderzoek 2015-             2015-20253
De agenda presenteert een ambitieuze visie op het Nederlandse hoger onderwijs. De raad deelt de ambities van
de minister en onderschrijft de gekozen richting op hoofdlijnen. Hij vindt in de agenda een aantal trends in het
hoger onderwijs terug, zoals hogere studentenaantallen en de consequenties daarvan voor de onderwijs-
kwaliteit, de grotere diversiteit van de studentenpopulatie, het in toenemende mate opleiden voor beroepen en
banen die we nu nog niet kennen, en de opkomst van excellentietrajecten, brede bachelors en university
colleges. De raad meent met de minister dat kwaliteit in het hoger onderwijs centraal hoort te staan en waardeert
dat de agenda de inhoudelijke vraag naar wat goed onderwijs is, als vertrekpunt neemt. Hij is het ermee eens dat
studenten meer uitgedaagd moeten worden en juicht toe dat de agenda het belang van doorstroming en aan-
sluiting in de onderwijsketen uitdraagt.4
2
  In de tabellen waarin de verdeling van middelen wordt uitgewerkt, worden ook de middelen voor landelijke prioriteiten opgeteld bij de
“middelen beschikbaar voor instellingen”. Zie Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 86-89.
3
  De raad heeft voor zijn advies externe deskundigen uit of op het gebied van het hoger onderwijs geconsulteerd en dankt hen voor hun
antwoorden en reflecties op de agenda.
4
  Onderwijsraad (2014d). Overgangen in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                                Pagina
20150182/1103                              3/15
Ook onderschrijft de raad het voornemen van de minister om bij de overheidssturing op het hoger onderwijs
meer uit te gaan van vertrouwen en minder van controle.5 Onderwijs wordt gemaakt in het samenspel van
docent en student en daarvoor is voldoende ruimte nodig. Tegelijk dragen instellings- en faculteitsbesturen én
de overheid verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het hoger onderwijs. Zij moeten die medeverant-
woordelijkheid waar kunnen maken. Dat vraagt om evenwicht in ruimte, regels en rekenschap in het kwaliteits-
beleid voor het hoger onderwijs.6
De raad wijst evenwel ook op een aantal punten in de agenda die nadere aandacht behoeven. In de sub-
paragrafen hieronder worden deze punten nader uitgewerkt. Samengevat concludeert de raad het volgende.
De oriëntatie van de agenda kan volgens de raad op twee punten worden verbreed. De internationale dimensie
van het hoger onderwijs verdient meer aandacht. Wat betreft het type student waar het hoger onderwijs van uit
hoort te gaan, kent de agenda volgens de raad een te smalle oriëntatie.
De raad vraagt aandacht voor het spanningsveld tussen enerzijds differentiatie, flexibilisering en maatwerk voor
studenten7 en anderzijds gemeenschapsvorming, samenhang binnen opleidingen en het stelsel als geheel. De
agenda kan duidelijker zijn in wat precies met flexibilisering en differentiatie bedoeld wordt en waar maatwerk
betrekking op heeft. Flexibilisering, differentiatie en maatwerk gaan niet altijd samen met andere in de agenda
gepresenteerde voornemens en genoemde belangen. Gelet op de geconstateerde spanningsvelden meent de
raad dat flexibilisering en differentiatie vooral gezocht dienen te worden in variëteit tussen (initiële) opleidingen
en instellingen. Daarnaast dienen de consequenties van flexibilisering, differentiatie en maatwerk voor de
organisatie van het onderwijs en de rol van docenten nader doordacht te worden. Daarbij wijst de raad erop dat
het niet alleen gaat om investeren in meer docenten, maar ook om investeren in de kwaliteit van docenten.
Volgens de raad moet gewaakt worden voor een eenzijdige opvatting van goed hoger onderwijs. De agenda lijkt
nu één opvatting te versterken, te weten persoonsvorming en individuele talentontwikkeling. Aandacht voor
kwalificatie blijft van groot belang.
Het is bovendien nodig om consequent te zijn in het verweven van onderwijs en onderzoek. De agenda lijkt de
onderwijskant als zodanig te willen versterken. De raad wijst erop dat met name in het wetenschappelijk
onderwijs voortdurend de verbinding tussen onderwijs en onderzoek gemaakt dient te worden; ook bij de taak-
stelling van de extra docenten.
Ook plaatst de raad enkele kanttekeningen bij de investeringsagenda. Met een aantal betrokkenen uit het hoger
onderwijs heeft de raad twijfels over de haalbaarheid van de ambities in het licht van de beschikbare middelen en
gekozen bestedingsrichtingen. De geambieerde kleinschaligheid lijkt met de beschikbare middelen niet over de
volle breedte van het hoger onderwijs te verwezenlijken. Bovendien is dat voor het verbeteren van het onderwijs
ook niet altijd nodig. Een meer gerichte inzet van de middelen is geboden. Tot slot suggereert de raad om de
besteding van de vrijkomende middelen ten behoeve van verbetering van de onderwijskwaliteit beter te borgen.
5
  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, p.18. De raad heeft kennisgenomen van de brief die de minister op 1 juni 2015 aan de
Tweede Kamer heeft gezonden over de doorontwikkeling van het accreditatiestelsel (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015a).
Accreditatie op maat. Brief van de Minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 1 juni 2015, Kamerstukken II
2014-2015, 31 288, nr. 471).
6
  Onderwijsraad (2015). Kwaliteit in het hoger onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
7
  De raad refereert hier aan flexibilisering, differentiatie en maatwerk zoals voorgesteld en opgevat in de agenda.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                              Pagina
20150182/1103                            4/15
2.1           Verbreed de oriëntatie van de agenda
De raad acht een verbreding van de oriëntatie van de agenda op twee punten wenselijk.
In de eerste plaats kent de agenda een sterke oriëntatie op de regio als omgeving van hogescholen en
universiteiten.8 De raad erkent het belang van de regio en heeft voor hogescholen ook sterkere samenwerking in
regionaal verband bepleit.9 Het hoger (in het bijzonder het wetenschappelijk) onderwijs opereert daarnaast ook
in een internationale context.10 Zonder het belang van regionale verankering te ontkennen – er valt juist veel te
winnen door internationalisering vanuit verankering in een sterke regio –, meent de raad dat de dimensie van
internationalisering in de agenda enigszins ondergesneeuwd raakt en meer aandacht verdient.
In de praktijk hebben hogescholen en universiteiten te maken met internationale benchmarks en standaarden en
participeren zij volop in internationale netwerken. Internationalisering omvat meer dan studentenmobiliteit en
contacten met buitenlandse universiteiten. De ambities van hogescholen en universiteiten reiken verder dan die
in de agenda.11 Sommige hogescholen en universiteiten beschouwen en gedragen zichzelf inmiddels als instel-
lingen binnen een Europese of mondiale omgeving voor hoger onderwijs. Veel afgestudeerden bewegen zich op
een internationale arbeidsmarkt.
Tegen deze achtergrond meent de raad dat in de strategiebepaling voor het hoger onderwijs voor de komende
tien jaar de internationale dimensie een meer prominente plaats verdient.12 Verder vindt de raad dat internatio-
nalisering in de agenda smal, weinig innovatief, instrumenteel en vooral vanuit klassieke aspecten benaderd
wordt.13 De agenda kan meer aandacht besteden aan zogenoemde “internationalisation at home” waarbij
studenten aan hun eigen hogeschool of universiteit internationale ervaring opdoen en een internationale
oriëntatie meekrijgen, aan de betekenis daarvan voor curricula en onderwijsvormen, en aan de mogelijkheden
die digitalisering biedt om een groter deel van de studentenpopulatie een internationale oriëntatie mee te
geven. Ook past aandacht voor de verhouding tussen internationalisering van het onderwijs en het internationale
karakter van het onderzoek, voor de verschillen in internationalisering tussen bachelor- en masteropleidingen en
tussen disciplines, alsmede voor de verhouding van internationalisering van het hoger onderwijs tot internatio-
naliseringsactiviteiten in andere onderwijssectoren.
In de tweede plaats lijkt de agenda georiënteerd op een bepaald type student: een student die uitgedaagd wil
worden, autonoom zijn studiepad kiest en op zoek is naar brede vorming.14 De raad onderschrijft dat aan
studenten in het hoger onderwijs hoge verwachtingen gesteld mogen en moeten worden. Tegelijkertijd lijkt het
8
  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 62-66.
9
  Onderwijsraad (2014b). Meer innovatieve professionals. Den Haag: Onderwijsraad.
10
   Onderwijsraad (1999). Hoger onderwijs in internationale context. Den Haag: Onderwijsraad. Vereniging Hogescholen (2015). Minister omarmt met
nieuwe strategische agenda visie hogescholen. Geraadpleegd op 23 september 2015 via
http://www.vereniginghogescholen.nl/persberichten/1705-minister-omarmt-met-nieuwe-strategische-agenda-visie-hogescholen. Zie tevens
Sursock, A. (2015). Trends 2015: Learning and Teaching in European Universities. Geraadpleegd op 23 september 2015 via
http://www.eu.a.be/Libraries/publications-homepage-list/EUA_Trends_2015_web,
11
   VSNU (2015). Goede morgen Professor! Visie op studeren in een nieuwe tijd. Geraadpleegd op 23 september 2015 via
http://www.vsnu.nl/files/documenten/Publicaties/Visie_op_studeren_in_een_nieuwe_tijd_20150611. pdf; Vereniging Hogescholen & VSNU
(2014). Gezamenlijke Visie Internationaal. Geraadpleegd op 23 september 2015 via
http://www.vsnu.nl/files/documenten/Domeinen/Internationaal/Notitie%20Visie%20Internationaal%20definitief.pdf.
12
   Zie ook Onderwijsraad, 1999, 3-5.
13
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 32-32. Zie ook Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014a). De wereld in:
Visiebrief internationale dimensie van ho en mbo. Brief van de Minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 15 juli 2014.
Kamerstukken II 2013-2014, 22 452, nr. 41.
14
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, p.13,17,22,42.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                               Pagina
20150182/1103                             5/15
beeld van goed hoger onderwijs dat de agenda schetst, afgestemd te zijn op bepaalde behoeften en manieren
van studeren. De raad merkt op dat ook studenten die meer behoefte hebben aan structuur, begeleiding en/of
specialisatie, in het hoger onderwijs thuishoren.15 In plaats van voortdurend een eenzijdige manier van studeren
bij de student te faciliteren, zou in het onderwijs de manier van studeren steeds afgestemd moeten worden op de
leerdoelen.16 Naarmate de diversiteit van de studentenpopulatie toeneemt, zijn verschillende benaderingen van
studenten nodig. Het hoger onderwijs hoort een gedifferentieerd aanbod te bieden, dat tegemoetkomt aan deze
en andere verschillen tussen studenten.
2.2           Verduidelijk de visie op flexibilisering, differentiatie en maatwerk in het hoger onderwijs
De beweging naar meer differentiatie in het hoger onderwijs is al in 2010 ingezet door de commissie-Veerman17
en heeft vervolg gekregen in de vorige strategische agenda en daarop gebaseerde hoofdlijnenakkoorden, die
inzetten op differentiatie van het onderwijsaanbod.18 De voorliggende agenda zet deze beweging versterkt voort
en geeft daarmee continuïteit aan het hogeronderwijsbeleid. De agenda zet sterk in op flexibilisering, differenti-
atie en maatwerk. De leerloopbaan van de individuele student moet volgens de agenda centraal staan, waarbij
studenten een eigen studiepad moeten kunnen volgen.19 Tegelijk moeten studenten onderdeel zijn van een
academische of hogeschoolgemeenschap.20
De raad wijst erop dat flexibilisering en differentiatie geen wondermiddelen zijn en dat het gebrek eraan niet de
enige oorzaak van gebrekkig studiesucces of achterblijvende kwaliteit is. De raad meent dat een nadere analyse
van de oorzaken van het in de agenda genoemde motivatiegebrek, de studieuitval en het achterblijvend studie-
succes op zijn plaats is voordat voor een specifieke oplossing – flexibilisering en maatwerk – geopteerd wordt.21
De agenda lijkt in elk geval te optimistisch waar gesteld wordt dat differentiatie hét antwoord is op het
‘trilemma’.22
De raad meent dat de visie op flexibilisering, differentiatie en maatwerk in de agenda verduidelijkt dient te
worden en hij noemt enkele spanningen met andere voornemens en belangen die in de agenda genoemd
worden. Het gaat daarbij om de spanning met:
1) het belang van gemeenschapsvorming;
15
   Onder andere voor studenten met een functiebeperking zijn specifieke begeleiding en doeltreffende aanpassingen nodig. De agenda beperkt
zich in dit opzicht (p.43) tot een wel erg algemene notie van “blijvende aandacht”.
16
   Brockerhoff, L., Huisman, J. & Laufer, M. (2015). Factors Affecting the Quality of Higher Education: A literature review. Gent: Centre for Higher
Education Governance Ghent, 2015, 16. Raadpleegbaar via de website van de Onderwijsraad.
17
   Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel (2010). Differentiëren in drievoud. Geraadpleegd op 20 augustus 2015 via de website van
de Rijksoverheid, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2010/04/13/advies-van-de-commissie-toekomstbestendig-hoger-
onderwi.html.
18
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2011). Kwaliteit in verscheidenheid. Den Haag: Ministerie van OCW. Hoofdlijnenakkoord OCW -
HBO-Raad (2011). Geraadpleegd op 23 september 2015 via http://www.vereniginghogescholen.nl/persberichten/ 888-hbo-raad-en-
staatssecretaris-zijlstra-sluiten-hoofdlijnenakkoord. Hoofdlijnenakkoord OCW – VSNU (2011). Geraadpleegd op 23 september 2015 via
http://www.vsnu.nl/files/documenten/Domeinen/Accountability/HLA/ Hoofdlijnenakkoord_universiteiten_DEF_20111208.pdf.
Hoofdlijnenakkoord OCW – NRTO (2012). Geraadpleegd op 23 september 2015 via
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2012/01/23/hoofdlijnenakkoord-ocw-nrto.
19
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, p.3,13,17,22,29 en 42-43.
20
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, p.8,10,13,22 en 24-25.
21
   Uit internationaal onderzoek blijken verschillende oorzaken van studiesucces of -falen. Deels vallen die buiten de invloed van docenten en
instellingen. Ook is dit onderzoek niet eenduidig in conclusies over oorzaken van uitval. Zie Brockerhoff, Huisman & Laufer, 2015. Zie ook VSNU
(2011). Een succes maken van Studiesucces. Den Haag, VSNU. Inspectie van het Onderwijs (2011). Inspanningen voor studiesucces en
onderwijskwaliteit in beeld. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs. European Commission (2014). Eurydice Brief: Modernisation of Higher Education in
Europe, 13-14. Geraadpleegd op 23 september 2015 via http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/documents/thematic_reports/180EN.pdf.
22
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 22. Zie ook de opmerking over het trilemma in Vereniging Hogescholen (2015a).
Hbo2025: Wendbaar & weerbaar. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           6/15
2) het belang van samenhang in curricula en het stelsel;
3) aansluiting en doorstroming;
4) de noodzaak van standaardisering bij meer individueel maatwerk; en
5) profilering van instellingen.
Hieronder gaat de raad nader op deze spanningsvelden in.
Gelet op de in deze paragraaf genoemde spanningsvelden en overwegingen adviseert de raad om flexibilisering
en differentiatie in het hoger onderwijs vooral te zoeken in variëteit tussen (initiële) opleidingen en instellingen.
Daarbij vormen opleidingen als zodanig samenhangende programma’s – in elk geval met een stevig gezamenlijk
deel van het curriculum – en zijn opleidingen het aanknopingspunt voor leergemeenschappen van studenten en
docenten. De raad ziet meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk op individueel niveau bij postinitieel onderwijs,
bij talentprogramma’s en bij opleidingen in het kader van een leven lang leren.
Visie op flexibilisering, differentiatie en maatwerk behoeft verduidelijking
Het is de raad niet duidelijk wat in de agenda precies onder flexibilisering, differentiatie en maatwerk wordt
verstaan. Flexibilisering en differentiatie zijn op verschillende manieren mogelijk. Het kan gaan om diversiteit in
typen opleidingen of om verschillen tussen instellingen en opleidingen op stelselniveau. Het kan ook gaan om
verschillen en variëteit binnen opleidingen, leerlijnen en studieloopbanen; om didactische differentiatie tussen
studenten bij een gegeven programma en gegeven leerdoelen. Het kan gaan om verschillen in pedagogisch-
didactisch concept, in tempo, in niveau (bijvoorbeeld ‘honourstrajecten’), vakkenpakket en/of werkvormen, al
dan niet met het oogmerk van maatwerk. De agenda lijkt alle vormen van variatie tegelijk te bedoelen of open te
willen houden zonder dat de onderscheiden vormen met elkaar verbonden worden. Waar in eerdere
documenten de differentiatie aan de aanbodkant gezocht werd – variatie in het aanbod aan en binnen
programma’s vanuit de instellingen –, lijkt nu een verschuiving naar de vraagkant gemaakt te worden: studenten
die vrij zijn om hun eigen programma samen te stellen. De agenda zet in op “een stelsel met ruimte voor flexibele
leerroutes”, op het combineren van vakken van verschillende opleidingen en instellingen, en op meer flexibiliteit
en maatwerk in programma’s. Maar tegelijkertijd richt de agenda zich op “differentiatie binnen het stelsel” zonder
“individualisering” en “ontbundeling”.23
Het hoger onderwijs kan meer rekening houden met verschillen tussen studenten. Het standaardcurriculum
vertaalt zich nu te vaak in een standaarddidactiek en uniforme onderwijsvormen. Vaak gaan verschillende
vormen van flexibilisering, differentiatie en maatwerk echter niet samen en zij stellen verschillende voorwaarden
aan bijvoorbeeld begeleiding en informatievoorziening, onderwijsvoorzieningen, regelgeving en bekostiging. Of
variatie mogelijk en wenselijk is, hangt met name af van het aggregatieniveau waarop variatie wordt
georganiseerd (stelsel, instelling, opleiding of individuele student). De raad acht het dan ook van belang dat een
duidelijkere visie op de aard en het aggregatieniveau van flexibilisering, differentiatie en maatwerk wordt
gegeven. Daarbij moet rekening gehouden worden met het feit dat verschillende vormen van flexibilisering,
differentiatie en maatwerk onverenigbaar kunnen zijn.
Flexibiliteit en differentiatie kunnen op gespannen voet staan met gemeenschapsvorming
De raad neemt als eerste een spanningsveld waar tussen flexibiliteit, differentiatie en maatwerk enerzijds en
gemeenschapsvorming en intensief onderwijs anderzijds. Studenten maken, volgens de agenda, deel uit van een
23
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,2015b, p.13,43,54 en 57.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           7/15
academische of hogeschoolgemeenschap.24 De raad onderschrijft het belang daarvan. Gemeenschapsvorming is
belangrijk voor de versterking van een kwaliteitscultuur25 en daarnaast is betrokkenheid van studenten bij de
opleiding als gemeenschap van belang voor hun studiesucces.26 Dat veronderstelt echter een duurzame betrok-
kenheid waaraan flexibiliteit en maatwerk af kunnen doen. Flexibilisering kan de sociale voordelen van
gemeenschapsvorming – het elkaar kennen en gekend worden – ondermijnen. Ook verhoudt de vluchtigheid
van flexibele leerroutes zich slecht met het bestaan van een goede leeromgeving die door het curriculum en
onderwijsvormen gecultiveerd wordt en zo diepgaand leren faciliteert.27 Flexibilisering en differentiatie op het
niveau van de individuele student kunnen een (ongewenste) consumentenhouding bij studenten bevorderen.
Een opstelling als ‘klant’ kan zich slecht verdragen met de duurzame betrokkenheid en medeverant-
woordelijkheid van de student binnen een opleiding als gemeenschap. Verder maakt intensivering van het
onderwijs – bijvoorbeeld door (groeps)opdrachten, meer colleges en actieve onderwijsvormen waarbij aanwezig-
heid vereist is – het flexibel combineren van vakken van verschillende opleidingen lastiger.
Flexibiliteit, differentiatie en maatwerk staan op gespannen voet met het belang van samenhang in curricula en in het
stelsel
De kwaliteit van het onderwijs kan worden verbeterd door binnen het curriculum de samenhang tussen vakken
te verhogen, te werken aan de integratie van leereenheden, onderwijsvormen af te stemmen en kennis-
verwerving en vaardighedentraining op te bouwen. Een samenhangend, geïntegreerd curriculum verhoudt zich
echter slecht met flexibilisering in de zin van ruimere vrijstellingsmogelijkheden en het volgen van delen van
opleidingen.28 Hoe meer er binnen het curriculum sprake is van een opbouw in vaardighedentraining en aange-
sloten wordt bij voorkennis uit eerdere vakken, hoe minder het mogelijk is om delen van opleidingen te doen of
vakken van verschillende opleidingen te combineren.29
De raad merkt verder op dat bij veel disciplines en beroepen een gedeelde basis en een gezamenlijk curriculum
van belang zijn voor kwalificatie en socialisatie in het beroep. Voor bepaalde beroepen of bepaalde disciplines is
het noodzakelijk om essentiële kennis en vaardigheden te verwerven. Ook past de erkenning dat niet alle studen-
ten altijd in staat zijn om te beoordelen welke kennis en vaardigheden ontwikkeld moeten worden in het licht
van hun professionele en persoonlijke ambities. De expertise van docenten en de ervaringen van de beroeps-
praktijk horen daarom een belangrijke rol in het ontwerp van curricula te blijven spelen. De raad adviseert daar-
om te waken voor te grote vrijblijvendheid bij maatwerk en bij de keuzeruimte van studenten ten aanzien van
hun vakkenpakket.30
In deze context is ook de waarde en het civiel effect van diploma’s relevant. Bij meer variëteit past het diploma als
ijkpunt.31 Als gelijksoortige opleidingen van elkaar verschillen bijvoorbeeld wat betreft didactisch concept en
inhoud, is een gelijkwaardig eindniveau niet vanzelfsprekend. Als door verdere flexibilisering programma’s vrij(er)
24
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, p.8,10,13, 22 en 24-25.
25
   Onderwijsraad, 2015.
26
   Brockerhoff, Huisman & Laufer, 2015, 12-16.
27
   Idem.
28
   De wet gaat momenteel uit van de opleiding als samenhangend geheel van onderwijseenheden, leidend tot een examen. Daarnaast bestaat in
het wetenschappelijk onderwijs al de mogelijkheid voor de student om een vrij onderwijsprogramma te volgen, waarbij de student zelf
onderwijseenheden kan kiezen (art. 7.3d WHW). Maar ook dan zal de examencommissie moeten toetsen of het gekozen programma voldoende
samenhang, kwaliteit en niveau heeft.
29
   Vergelijk hiervoor bijvoorbeeld de ervaring met meer competentiegerichte curricula in het mbo; Den Boer, P., Gielen, P., Oosterling, M. &
Willemse, P. (2011). Wegen naar maatwerk. Tilburg: IVA beleidsonderzoek en advies.
30
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015, 2.
31
   Onderwijsraad (2014a). Een onderwijsstelsel met veerkracht. Den Haag: Onderwijsraad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           8/15
kunnen worden samengesteld, adviseert de raad meer aandacht te geven aan de waarde(ring) van het diploma.32
In dat licht wijst de raad ook op internationale en Europese beroepsstandaarden en criteria voor de erkenning in
het buitenland (zowel op de arbeidsmarkt als bij vervolgopleidingen) van diploma’s, kennis en vaardigheden van
afgestudeerden van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs.
Verder kunnen instellingen (al dan niet gezamenlijk) niet volledig autonoom zijn in flexibilisering en differentiatie
van het onderwijsaanbod.33 Op macroniveau kunnen lacunes ontstaan als het onderwijs wordt afgestemd op
regionale kennisagenda’s.34 De minister blijft verantwoordelijk voor het stelsel als geheel. Het is aan de minister
om de samenhang binnen het stelsel, de macrodoelmatigheid, het bestaan van een landelijk dekkend aanbod en
het behoud van unieke opleidingen te bewaken. De raad ondersteunt ten volle het voornemen van de minister
om die stelselverantwoordelijkheid te blijven waarmaken.35
Aansluiting en doorstroming behoeven extra aandacht bij flexibilisering, differentiatie en maatwerk
Een goede aansluiting van havo, mbo en vwo op het hoger onderwijs en goede doorstroommogelijkheden
binnen het hoger onderwijs zijn nodig.36 In die zin is het goed dat de agenda aandacht vraagt voor meer
(structurele) samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs enerzijds en het voortgezet onderwijs en
middelbaar beroepsonderwijs anderzijds, want deze kan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs en het
studiesucces van studenten vergroten.37
Flexibilisering, differentiatie en maatwerk roepen echter vragen op ten aanzien van de aansluiting en door-
stroming in de onderwijsketen. Het aanbod aan hoger onderwijs en doorstroommogelijkheden kan daardoor
complexer worden. Het is zaak om ervoor te zorgen dat het aanbod niet zo onoverzichtelijk wordt dat een goede
studiekeuze juist belemmerd wordt. Flexibilisering en differentiatie vragen in elk geval om versterking van de
samenwerking met het toeleverend onderwijs om aankomende studenten goed te informeren en te begeleiden.
De raad acht afstemming tussen instellingen in de regio onvoldoende om dit te waarborgen. Hogescholen en
universiteiten trekken immers ook studenten uit andere regio’s en uit het buitenland.
Ook kunnen flexibilisering en differentiatie de doorstroom binnen het hoger onderwijs – bijvoorbeeld van
bachelorprogramma’s naar masteropleidingen – lastig maken, als de curricula en toelatingseisen onvoldoende
op elkaar worden afgestemd. In dat geval zijn meer en langere schakelprogramma’s nodig, zet flexibiliteit op
bachelorniveau aan tot selectie bij de vervolgstap en gaan flexibilisering en differentiatie ten koste van de
toegankelijkheid van masteropleidingen,38 hetgeen de raad niet wenselijk acht.
Individueel maatwerk noodzaakt ook tot standaardisatie
Flexibiliteit op het niveau van de individuele student over de grenzen van opleidingen heen noodzaakt tot
minder differentiatie op andere aggregatieniveaus. Als studenten vrijelijk vakken van verschillende opleidingen
32
   Onderwijsraad (2006). Examinering: draagvlak en toegankelijkheid. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2004). Examinering in het hoger
onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2010). Een diploma van waarde. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad, 2015.
33
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 73.
34
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 74.
35
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 18, 44, 74. Zie ook Onderwijsraad (2012). Zicht op een macrodoelmatig
opleidingsaanbod. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2014c). Onderwijspolitiek na de commissie-Dijsselbloem. Den Haag: Onderwijsraad.
36
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 47-50; Onderwijsraad (2008). Een succesvolle start in het hoger onderwijs. Den Haag:
Onderwijsraad. Onderwijsraad (2009). De weg naar de hogeschool. Den Haag: Onderwijsraad. Onderwijsraad (2011). Hoger onderwijs voor de
toekomst. Den Haag: Onderwijsraad.
37
   Onderwijsraad, 2014d.
38
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 56.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                              Pagina
20150182/1103                            9/15
en zelfs van verschillende instellingen moeten kunnen volgen, vergt dat voor een soepel verloop standaardisatie
tussen opleidingen en instellingen; bijvoorbeeld van de jaarindeling in onderwijs- en tentamenperiodes, van de
omvang van vakken in ECTS-punten (European Credit Transfer and Accumulation System) en van onderwijs- en
examenregelingen.39 Maatwerk voor individuele studenten botst zo met differentiatie tussen opleidingen en
instellingen. Door verschillende vormen van differentiatie tegelijk open te laten, gaat de agenda aan dit
spanningsveld voorbij.
Maatwerk kan botsen met profilering instellingen
De agenda zet mede in op differentiatie door profilering van instellingen, ook wat betreft onderwijsconcept.40
Ook hier lijkt een spanningsveld te ontstaan met flexibilisering en maatwerk op het niveau van de individuele
student. De agenda constateert terecht dat maatwerk en flexibiliteit juist om meer landelijke samenwerking
tussen instellingen vragen.41 Maar dit roept de vraag op hoe meer samenwerking tussen instellingen en de voor
flexibilisering noodzakelijke standaardisatie zich verhouden tot de ambitie van verdere profilering van
instellingen.
De raad ondersteunt de profilering van instellingen,42 maar vindt ook dat een eenduidig onderwijsconcept op
instellingsniveau niet altijd wenselijk is. Zo’n concept kan bij een kleine instelling werkbaar zijn. Bij grotere instel-
lingen zullen verschillen tussen opleidingen en disciplines echter al snel om meer interne variëteit vragen. De
raad heeft recent dan ook gepleit voor het formuleren van een gedeelde onderwijsvisie op het niveau van de
opleiding of een cluster van opleidingen.43
2.3           Besteed meer aandacht aan de consequenties van flexibilisering, differentiatie en maatwerk voor
de organisatie van het onderwijs en de rol van de docent
Naast de in de vorige paragraaf genoemde spanningsvelden rondom flexibilisering, differentiatie en maatwerk,
meent de raad dat de consequenties van flexibilisering, differentiatie en maatwerk voor de bekostigings-
systematiek, de waarborging van de onderwijskwaliteit en de inrichting van het stelsel in de agenda beter door-
dacht kunnen worden.44 Het loslaten van de opleiding (een samenhangend geheel van onderwijseenheden) als
centraal element heeft meer vergaande consequenties dan de agenda lijkt te veronderstellen. Flexibilisering,
differentiatie en maatwerk staan bijvoorbeeld op gespannen voet met de huidige manier van bekostiging waarbij
de instelling een bedrag per student ontvangt. Het vergaand flexibiliseren van het onderwijs op het niveau van
de individuele student maakt het voor instellingsbesturen en de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatie-
organisatie) moeilijker om de basiskwaliteit van het hoger onderwijs te beoordelen en te bewaken. De agenda
besteedt onvoldoende aandacht aan dergelijke consequenties van voornemens.
De betekenis van de geschetste visie op hoger onderwijs voor de organisatie en vorm van het onderwijs kan
beter worden uitgewerkt. De door de agenda beoogde beweging naar flexibiliteit, het centraal stellen van de
student en nadruk op persoonsvorming veronderstellen een verandering in de rol van de docent. Die rol ver-
39
   Zelfs op internationaal niveau vindt standaardisatie plaats. Zie bijvoorbeeld de afstemming van noodzakelijke basiskennis voor bepaalde
disciplines en de ontwikkeling van criteria voor wederzijdse erkenning door de OECD (http://www.oecd.org/edu/skills-beyond-
school/testingstudentanduniversityperformancegloballyoecdsahelo.htm.
40
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 71-72.
41
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 53 en 57.
42
   Onderwijsraad, 2011.
43
   Onderwijsraad, 2015.
44
   De raad zal in 2016 advies uitbrengen over de consequenties van het centraal stellen van de leerling/student in plaats van de instelling.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           10/15
schuift van die van (uitsluitend) een inhoudelijke expert die fungeert als rolmodel en studenten wegwijs maakt in
de kennis, paradigmata, methoden en redeneerwijzen van zijn vakgebied, naar die van begeleider en tutor van
de student in zijn ontwikkeling en keuzes. Diversiteit en maatwerk vragen ook om extra ondersteunend perso-
neel en om investeringen in infrastructuur en voorzieningen om flexibele leerroutes goed te laten verlopen en
studenten te begeleiden in hun keuzeprocessen. In die zin betekent flexibilisering een verschuiving ten gunste
van andere kosten dan personeelskosten voor onderwijzend personeel. Dat vraagt vervolgens om een kritische
kijk op wat geldt als overhead.
De voornemens uit de agenda zijn dan ook niet zonder meer te realiseren door te investeren in meer docenten.
Extra docenten zijn zelfs niet overal nodig voor kwaliteitsverbetering. De kwaliteit (vakinhoudelijk en
pedagogisch-didactisch) en een toegespitste rol van docenten zijn ook zeer belangrijke factoren. Met name in het
wetenschappelijk onderwijs staat de docentprofessionalisering nog in de kinderschoenen en kunnen didactische
(bij- of na)scholing van docenten – overigens gekoppeld aan de ontwikkeling van op het wetenschappelijk
onderwijs afgestemde didactiek – en investeringen in het lerend vermogen van docenten bijdragen aan
kwaliteitsverbetering.45 In dit verband noemt de raad ook aan het onderwijs gerelateerd onderzoek. Er zijn goede
voorbeelden van onderzoek waarin vakkennis en onderwijskundige inzichten en methoden gecombineerd
worden om het onderwijs te verbeteren en een afgestemde didactiek te ontwikkelen. Het voornemen hierin te
investeren juicht de raad daarom toe.46
Verbetering van het hoger onderwijs vergt bovenal een cultuurverandering.47 Dat is geen kwestie van geld alleen.
Kleinschaligheid en intensief onderwijs (voor zover nodig) zijn ook een kwestie van cultuur en van hoe
instellingen en het onderwijs georganiseerd worden.48 Om tot een verdere verbetering van het hoger onderwijs
te komen zijn ook andere maatregelen en veranderingen nodig. Met het oog daarop verwijst de raad kortheids-
halve naar zijn recente advies over kwaliteitscultuur en kwaliteitszorg in het hoger onderwijs.49 Dit vraagt volgens
de raad om ruimte voor instellingen om de besteding van de extra middelen af te stemmen op specifieke, lokale
behoeften. De raad noemt daarbij specifiek het hrm-beleid (human resources management) en het werken aan
collegiaal leiderschap op opleidingsniveau en aan het collectief en individueel lerend vermogen van docenten.
De raad onderschrijft het streven om docenten in meer stabiele arbeidsplaatsen te benoemen.50 Stabiele
docententeams zijn een randvoorwaarde voor onderwijs van constante kwaliteit en voor het bestaan van een
sterke kwaliteitscultuur.51 Flexibele dienstverbanden zijn in het hoger onderwijs niet altijd onwenselijk. Voor het
hoger beroepsonderwijs is een nauwe aansluiting op de beroepspraktijk van groot belang. De raad heeft de
indruk dat hogescholen door de beperking van het aantal en de duur van flexibele contracten juist goede
docenten uit de praktijk verliezen.52 In het wetenschappelijk onderwijs kunnen (gedeeltelijk) flexibele arbeids-
relaties een manier zijn om unieke specialismes bij meerdere universiteiten in te zetten en om ervoor te zorgen
dat de desbetreffende docenten zich volledig op hun specialisme kunnen richten. Een andere positieve kant van
flexibiliteit van arbeidsverhoudingen is dat het zowel in het hoger beroepsonderwijs als in het wetenschappelijk
45
   Onderwijsraad, 2015.
46
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 69.
47
   Onderwijsraad, 2015.
48
   Brockerhoff, Huisman & Laufer, 2015. Onderwijsraad, 2015.
49
   Onderwijsraad, 2015.
50
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 28.
51
   Onderwijsraad, 2015.
52
   Vereniging Hogescholen (2014). “Kabinet, houd rekening met echte zzp’er in het hbo”. Geraadpleegd op 23 september 2015 via de website van de
Vereniging Hogescholen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                              Pagina
20150182/1103                            11/15
onderwijs mogelijkheden biedt om met externe instroom en nieuw elan tegenwicht te geven aan op de status
quo en/of sterk intern gerichte docententeams.53
2.4           Vermijd een eenzijdige kwaliteitsopvatting
De agenda zet sterk in op onderwijs “waarmee elke student het beste uit zichzelf kan halen” en op individuele
talentontwikkeling.54 Naast kennisoverdracht en kwalificatie zou veel meer nadruk moeten komen te liggen op
persoonsvorming.55 Hoewel de raad het ermee eens is dat het nodig is om in te spelen op verschillen tussen
studenten en het wenselijk is om meer aandacht te besteden aan persoonsvorming (waaronder de zogenoemde
‘21st-century skills’),56 constateert hij ook op dit punt een spanningsveld in de agenda.
De agenda lijkt uit te gaan van een specifiek beeld van goed hoger onderwijs,57 namelijk kwaliteit als
transformatie:58 hoger onderwijs is goed als de student door het onderwijs een optimale verandering en
vooruitgang doormaakt. De agenda benadrukt de intrinsieke waarde van hoger onderwijs (de talentontwikkeling
en persoonlijke vorming van de student) meer dan de extrinsieke waarde (de bijdrage van hoger onderwijs aan
de kenniseconomie en samenleving).59 De raad heeft er onlangs op gewezen dat het van belang is de meer-
duidigheid van het kwaliteitsbegrip in het hoger onderwijs te erkennen om kwaliteitsculturen te versterken.
Kwaliteitsopvattingen kunnen in het hoger onderwijs uiteenlopen en voor sterke kwaliteitsculturen is het nodig
om hierin ruimte voor variëteit te laten.60 De raad adviseert de minister om de meervoudigheid aan kwaliteits-
opvattingen als grondslag van het hogeronderwijsbeleid te hanteren. Naast kwaliteit als transformatie kan
onderwijs bijvoorbeeld ook als goed beschouwd worden wanneer studenten bij hun afstuderen aan gestelde
eindtermen voldoen of als het onderwijs aan bepaalde proceskenmerken voldoet.
Hoewel de raad meer aandacht voor brede vorming ondersteunt,61 blijven een gedeelde inhoudelijke (basis)-
kennis en het bereiken van een bepaald kwalificatieniveau voor veel beroepen en in veel (wetenschappelijke)
disciplines evenzeer van belang. Een verschuiving ten gunste van persoonsvorming en individuele talentontwik-
keling mag hier niet aan afdoen. Ook is vaak een bepaalde basiskennis nodig voordat studenten echt (op niveau)
creatief en innovatief kunnen zijn.
Daarnaast wijst de raad op een mogelijke spanning met de internationale en wettelijke standaarden voor
accreditatie, waarin eindkwalificaties (het beoogde en gerealiseerde eindniveau) en/of leerdoelen op
programmaniveau centraal staan.62 Binnen vastgestelde eindniveaus kan wel meer variatie in didactiek plaats-
vinden waardoor studenten op andere, meer actieve en uitdagende manieren kennis verwerven.63
53
   Onderwijsraad, 2015.
54
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 22 en 42. Zie ook Vereniging Hogescholen, 2015.
55
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 1 en 11. Zie ook VSNU, 2015.
56
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 27.
57
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 76.
58
   Harvey, L. & Green, D. (1993). Defining Quality. Assessment & evaluation in higher education, 18(1), 9-34. Zie ook Onderwijsraad, 2015.
59
   Van Vught, F.A. & Westerheijden, D. (1994). Towards a general model of quality assessment in higher education. Higher Education, 28(3), 355-371;
zie ook VNO-NCW & MKB Nederland (2015). Inbreng voor de Strategische Agenda Hoger Onderwijs.
60
   Onderwijsraad, 2015.
61
   Onderwijsraad, 2011.
62
   Artikel 5a.8, lid 2, WHW; European Association for Quality Assurance in Higher Education (2009). Standards and Guidelines for Quality Assurance in
the European Higher Education Area. Geraadpleegd op 23 september 2015 via http://www.enqa.eu/wp-content/uploads/2013/06/ESG_3edition-
2.pdf.
63
   Brockerhoff, Huisman & Laufer, 2015, 9-10.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                              Pagina
20150182/1103                            12/15
Hoewel kleinschaligheid veel voordelen heeft en bevorderlijk kan zijn voor een sterke kwaliteitscultuur,64 wijst de
raad erop dat kleinschaligheid niet voor alle studenten en vakken goed is en niet voor alle leerdoelen nodig. Wat
dat betreft is het toepassen van de sterke kanten van talentprogramma’s zoals de university colleges bij reguliere
opleidingen niet altijd de aangewezen weg. Bovendien kunnen ook grootschalige werkvormen bijdragen aan
goed onderwijs.65
Ten slotte ziet de raad in de agenda een tegenstelling tussen enerzijds het poneren van onvoorspelbaarheid66 en
anderzijds het presenteren van één (ideaal)beeld van het hoger onderwijs gericht op talentontwikkeling en
persoonsvorming. Het hoger onderwijs bevindt zich in een dynamische omgeving. Ontwikkelingen rondom en
binnen het hoger onderwijs kunnen verschillende kanten op gaan en zijn deels afhankelijk van exogene factoren.
Het Rathenau Instituut heeft bijvoorbeeld vier zeer verschillende toekomstscenario’s voor de Nederlandse
universiteiten geschetst.67 Dat pleit ervoor om niet voor een eenzijdig (ideaal)beeld van goed hoger onderwijs te
opteren, maar om meervoudigheid van kwaliteitsopvattingen toe te laten. Dat kan betekenen dat over de volle
breedte van het hoger onderwijs wordt uitgegaan van een evenwichtige doelstelling met aandacht voor
kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Het kan ook betekenen dat ook of juist op het gebied van doel-
stellingen en opvattingen over wat goed hoger onderwijs is, diversiteit wordt toegelaten: bijvoorbeeld brede én
smalle (specialistische) opleidingen; opleidingen met een focus op vorming én opleidingen met een focus op
kennis en het leren van een vak; mono- én multidisciplinaire opleidingen; en ‘gewone’ opleidingen én
programma’s voor studenten die meer willen. Juist gelet op de in de strategische agenda genoemde onvoorspel-
baarheid van de toekomst maakt een dergelijke variëteit het stelsel van hoger onderwijs weerbaar en blijvend
toekomstbestendig. Doordat er al verschillende varianten bestaan, kan het stelsel zich dan immers gemakkelijker
en sneller aan veranderingen aanpassen en sneller inspelen op nieuwe vragen.68
2.5           Wees consequent in het verweven van onderwijs en onderzoek
De agenda poneert de verwevenheid van onderwijs en onderzoek terecht als een kracht van het Nederlandse
hoger onderwijs.69 De AWTI (Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie) heeft het belang daarvan
recent ook benadrukt.70 Met de AWTI meent de raad dat de verwevenheid van en de balans tussen onderzoek en
onderwijs in het wetenschappelijk onderwijs aandacht verdienen en dat het onderzoek in het hoger beroeps-
onderwijs versterkt dient te worden.71 Daarbij zijn vooral de instellingen zelf aan zet.
Verwevenheid van onderwijs en onderzoek is de essentie van het wetenschappelijk onderwijs. Hoewel de agenda
stelt dat hoger onderwijs “stevig ingebed […] in een onderzoeksomgeving” hoort te zijn,72 lijkt die tegelijkertijd
de onderwijskant van de universiteiten als zodanig en in isolement te willen versterken. De agenda heeft het over
extra docenten én extra docentonderzoekers of “wetenschappelijke docenten”.73 Hier gaat de suggestie van uit
dat een deel van de nieuwe wo-docenten uitsluitend een onderwijstaak zal hebben. Ook de voorstellen rondom
64
   Onderwijsraad, 2015.
65
   Zie bijvoorbeeld Mishel, L. & Rothstein, R. (2002). The Class Size Debate, Washington D.C.: Economic Policy Institute.
66
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 3 en 7-8.
67
   VSNU & Rathenau Instituut (2014). Vizier vooruit. 4 toekomstscenario’s voor Nederlandse universiteiten. Geraadpleegd op 23 september 2015 via de
website van het Rathenau Instituut.
68
   Onderwijsraad, 2014a, 15.
69
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 28-29; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014b). Wetenschapsvisie
2025, keuzes voor de toekomst, 53. Den Haag: Ministerie van OCW.
70
   Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (2015). Verwevenheid van onderzoek en hoger onderwijs. Den Haag: AWTI.
71
   Onderwijsraad, 2011; 2014b; 2015.
72
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 28.
73
   Idem.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           13/15
het beurzenprogramma voor onderwijs74 en onderwijshoogleraren duiden op het loslaten van die noodzakelijke
verwevenheid van onderwijs en onderzoek.75 Het is volgens de raad niet wenselijk om in het wetenschappelijk
onderwijs onderdelen te hebben met alleen onderzoek of alleen onderwijs. Goed wetenschappelijk onderwijs
vaart immers wel bij kruisbestuiving tussen onderwijs en onderzoek. De raad meent dat de gewenste verhoging
van de kwaliteit van onderwijs en de grotere aandacht daarvoor binnen universiteiten juist vanuit de verweven-
heid van onderwijs en onderzoek vormgegeven kan en hoort te worden. Zo kunnen combinaties worden gezocht
die voor studenten en docenten/onderzoekers interessant zijn. Beide taken van de universiteit horen met elkaar
verbonden te zijn, ook op persoonsniveau. Daartoe is het volgens de raad zaak om de trend van personele
ontvlechting van onderwijs en onderzoek te keren. Bij de essentie van de universiteit past niet dat er docenten
zijn die alleen onderwijs geven en onderzoekers die alleen onderzoek doen. Er hoort in beginsel altijd sprake te
zijn van docent-onderzoekers met een gecombineerde onderwijs- en onderzoektaak, waarbij de nadruk wel op
de ene of op de andere kant kan liggen. Gelijke waardering voor en verbinding tussen die taken horen weer-
spiegeld te worden in bijvoorbeeld het hrm-beleid en in beurzen- of subsidieprogramma’s.
Op instellings- en faculteitsniveau vraagt de verwevenheid van onderzoek en onderwijs ook om een goede
afstemming tussen onderzoeksprogramma’s en het aanbod van opleidingen. Dat hoort een aandachtspunt te
zijn bij de profilering van instellingen en bij hun keuze voor zwaartepunten in het onderzoek.76 Profilering van
onderzoek en differentiatie van het onderwijs horen volgens de raad meer geïntegreerd te verlopen, zowel om-
wille van de verwevenheid van onderwijs en onderzoek als vanwege het voorkomen van organisatorische en
logistieke problemen rondom bijvoorbeeld docentinzet waar de onderzoeksprogramma’s en het palet aan oplei-
dingen van een instelling te veel uiteenlopen.77
2.6           Stuur gerichter en strikter op besteding
Zet middelen minder uniform en minder eenzijdig in
De agenda suggereert dat met de middelen die voortkomen uit het studievoorschot, het hoger onderwijs over de
hele linie intensief en kleinschalig kan worden. Het merendeel van de middelen uit de investeringsagenda zal
volgens de agenda ingezet worden voor extra docenten. De raad staat positief tegenover deze bestedings-
richting. Bij veel opleidingen kan met extra docenten zeker aan kwaliteit van het onderwijs gewonnen worden.
Maar de raad meent ook dat de beschikbare middelen uit het studievoorschot niet tot de geschetste klein-
schaligheid kunnen leiden en vraagt zich af of voldoende wordt gelet op de doelmatigheid. Bij elkaar opgeteld
lijkt zo’n 4.000 fte aan extra docenten aanzienlijk. Afgezet tegen het aantal studenten gaat het echter om één fte
per circa 180 studenten in het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs.78 Daarmee is de inves-
tering in de omvang van de docentenstaf onvoldoende voor een aanzienlijke intensivering en beweging naar
kleinschalig onderwijs over de volle linie.79 Bovendien worden de middelen hiermee erg gespreid over de
74
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 36-37.
75
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 34; Zie ook Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014b, 63. Dat doet er
niet aan af dat ook de raad voorstander is van het aanstellen van hoogleraren met onderzoek naar het onderwijs (in een bepaalde discipline) als
leeropdracht. Dergelijk onderwijsonderzoek kan een waardevolle bijdrage leveren aan onderwijsinnovatie en het ontwikkelen van een op het
hoger onderwijs (in de desbetreffende discipline) afgestemde didactiek (Onderwijsraad, 2015).
76
   Onderwijsraad, 2011.
77
   Onderwijsraad, 2011.
78
   Berekend op basis van de totaalaantallen ingeschreven studenten in 2014, zoals vermeld op https://duo.nl/organisatie/pers/aantallen.asp
(geraadpleegd op 31 augustus 2015). Hierbij zijn de extra docentonderzoekers voor het wo (460 fte) en de extra lectoren (580 fte) niet
meegenomen. Inclusief deze docenten gaat het om één fte per circa 137 studenten in het wo en één fte per circa 145 studenten in het hbo.
79
   Zie ook Vereniging Hogescholen, 2015b en http://www.vsnu.nl/nl_NL/nieuwsbericht/nieuwsbericht/221-universiteiten-onderschrijven-
onderwijsambities-bussemaker.html (7 juli 2015).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                              Pagina
20150182/1103                            14/15
instellingen en daarbinnen (waarschijnlijk) over de faculteiten en opleidingen. Als de extra docenten verspreid
worden, zal dit ongetwijfeld plaatselijk enige – welkome – verlichting van de werkdruk brengen,80 maar zullen de
meeste studenten er waarschijnlijk weinig van merken wat betreft een verbetering van de kwaliteit van hun
onderwijs. Voor het op grote schaal maken van een beweging naar kleinschalig en intensief onderwijs zou bij
klassieke werkvormen een veelvoud van de in de investeringsagenda gereserveerde middelen nodig zijn.
Bovendien is zulk kleinschalig onderwijs, zoals eerder betoogd, niet altijd noodzakelijk. Met meer variatie in werk-
vormen en didactiek (bijvoorbeeld ‘blended learning’) kan meer bereikt worden. Voor dergelijke innovaties zijn
vaak niet zozeer meer docenten nodig, als wel docenten die zijn toegerust om die werkvormen toe te passen en
die ook andere rollen dan de klassieke docentrol kunnen vervullen. Naast kwantiteit is dan ook aandacht nodig
voor de kwaliteit van docenten. De agenda zet terecht ook daar op in, maar de raad ziet dit aspect – behoudens
het beurzenprogramma81 waar slechts een beperkt aantal docenten van zal kunnen profiteren – niet terug in de
investeringsagenda. De instellingen zouden in elk geval de ruimte moeten krijgen om een deel van de extra
middelen in te zetten voor docentprofessionalisering. Daarnaast zijn voor nieuwe werkvormen vaak ook investe-
ringen in onderwijsvoorzieningen en ict-infrastructuur nodig.
Tegen deze achtergrond geeft de raad in overweging om de vrijkomende middelen minder uniform en minder
eenzijdig in te zetten, zodat naast investeringen in extra docenten ook investeringen in onderwijsvoorzieningen
en de kwaliteit van docenten mogelijk zijn en per saldo een grotere kwaliteitsverbetering bereikt kan worden. De
precieze verhouding tussen bestedingen kan daarbij afgestemd worden op lokale behoeften en strategische
doelen van de instellingen.
Investeringen in regionale samenwerking en centres of expertise behoeven aandacht
De investeringsagenda bestemt 30 miljoen euro per jaar voor het verbeteren van de samenwerking in de regio.
Voor het hoger beroepsonderwijs heeft de raad recent gepleit voor betere samenwerking met het voortgezet
onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs82 en voor versterking van de inbreng uit het beroepenveld door
meer en sterkere strategische netwerken met de beroepspraktijk in de regio en door de huidige ‘centres of
expertise’ nog enige tijd te blijven subsidiëren.83 De raad steunt investeringen in samenwerkingsverbanden en
centres of expertise dan ook.84 De centres of expertise zijn als model goed (al kan de doorwerking van onderzoek
en samenwerking in de centres in de curricula van reguliere opleidingen beter85), maar ze zijn qua ontwikkeling
nog jong en hun continuïteit lijkt bij het aflopen van de huidige middelen niet gewaarborgd. Tegen deze achter-
grond zou het goed zijn om meer te investeren in langdurige en innovatieve samenwerking met het bedrijfs-
leven.
Gebruik kwaliteitsafspraken om te sturen op besteding van de middelen om de investeringsdoelen van de agenda te
borgen
Het grootste deel van de middelen in de investeringsagenda zal via de rijksbijdrage verdeeld worden.86 Alleen de
specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10%) wordt erbuiten gehouden. De agenda geeft weliswaar
80
   VSNU, 2015.
81
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 33-34.
82
   Onderwijsraad, 2014d, 11-12. Zie ook Vereniging Hogescholen, 2015.
83
   Onderwijsraad, 2014b.
84
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015b, 69-70 en 81-82.
85
   Commissie Van der Touw (2014). Dynamiek onderweg. Centres of expertise & Centra voor innovatief vakmanschap.
86
   De raad zal in een later advies aandacht besteden aan vraagstukken rondom (de principes die ten grondslag liggen aan) bekostiging van het
onderwijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                             Pagina
20150182/1103                           15/15
bestedingsrichtingen aan, maar 90% van de middelen is daarmee formeel niet geoormerkt. De agenda stelt zelf
dat instellingen mogen afwijken. Verdeling van de middelen via de rijksbijdrage betekent dat de beoogde
besteding niet is gewaarborgd, hetgeen afbreuk kan doen aan de beloften in de agenda. De middelen zouden
kunnen verdampen of voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden, zoals het opvullen van bestaande gaten
in de begroting. Een kwaliteitsimpuls wordt dan niet bereikt; althans het blijft dan in elk geval onduidelijk
waaraan de extra middelen besteed worden.87
De raad geeft in overweging om de besteding van de via de rijksbijdrage te verdelen middelen meer te sturen en
zo beter te waarborgen dat de middelen aangewend worden voor een impuls in de onderwijskwaliteit. Dat kan
bijvoorbeeld door de in de agenda aangekondigde kwaliteitsafspraken nauw te koppelen aan de verdeling van
de middelen. Er mag op vertrouwd worden dat instellingen de extra middelen goed zullen inzetten, maar het
past ook om over de besteding van publiek geld verantwoording af te leggen. Het instrument van kwaliteits-
afspraken zoals voorgesteld in de agenda sluit – mits goed gehanteerd en voorzien van de juiste indicatoren –
aan bij de eigen verantwoordelijkheid en autonomie van de instellingen. Via kwaliteitsafspraken bieden instel-
lingen inzicht in hun zelf gestelde strategische doelen en leggen zij daaraan gerelateerd verantwoording af over
de besteding van de middelen uit de invoering van het studievoorschot.88 Als voor de invulling van de besteding
van de middelen afspraken worden gemaakt met individuele instellingen, vraagt de raad expliciet aandacht voor
de samenhang in het stelsel voor hoger onderwijs.
Met beleefde groet,
Prof. dr. H. Maassen van den Brink                                    Drs. A. van der Rest
Voorzitter                                                            Secretaris
87
   Vergelijk Algemene Rekenkamer (2015). Onderwijsmonitor. Den Haag: Algemene Rekenkamer.
88
   Zie aanbeveling 3 in Onderwijsraad, 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>