<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Vluchtelingen en onderwijs
Naar een eﬃciëntere organisatie, betere toegankelijkheid en hogere kwaliteit
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Vluchtelingen en onderwijs
Naar een efficiëntere organisatie, betere toegankelijkheid en hogere kwaliteit
   Vluchtelingen en onderwijs                                                 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert,
gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied
van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van
­Economische Zaken. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen de raad ook om
advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep
doen op de Onderwijsraad.
 De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economi-
sche en juridische) disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk
van het onderwijs. Ook de inter­nationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de
aandacht.
De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschool-
se educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de
raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast ini-
tieert de raad seminars en websitediscussies over onderwerpen die van belang zijn voor het
onderwijsbeleid.
Advies Vluchtelingen en onderwijs, uitgebracht aan de Minister en aan de Staatssecretaris van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Registratienummer: 20170034/1112, februari 2017.
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2017.
ISBN 978-946121-056-2
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
Drukkerij Excelsior, Den Haag
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
2                                                                     Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>ONDERWIJS faa

Aan de Minister en Staatssecretaris van Prins Willem Alexanderhof 20
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2595 BE Den Haag
Mevrouw dr. M, Bussemaker en de heer drs, 5, Dekker
Postbus 16375 Telefoon: 070 310 00 00
2500 B Den Haag Fax: 070 356 14 74
secretariaat@onderwijsraad.nl
www.onderwijsraad.nl
Ons kenmerk Contacpersoon Plaats/datum
20170034/1112 Den Haag, 23 februari 2017
wr kenmerk Doorkiesnummer Onderwerp
Advies Vluchtelingen en onderwijs. Naar een efficiëntere
organisatie, betere t kelijkheid en hogere kwaliteit

Mevrouw de Minister, mijnheer de Staatssecretaris,

Met genoegen biedt de Onderwijsraad u zijn advies aan: Vluchtelingen en onderwijs. Naar een efficiëntere organisatie,
betere toegankelijkheid en hogere kwaliteit. De raad brengt het uit op eigen initiatief en beantwoordt daarmee de vraag
wat het onderwijs kan doen om te bevorderen dat vluchtelingen snel een goede plek vinden in de Nederlandse
samenleving.

De Onderwijsraad beklemtoont dat een succesvolle integratie van vluchtelingen een belangrijke voorwaarde is om de
negatieve beeldvorming over vluchtelingen tegen te gaan. De polarisatie in Nederland over de komst van vluchtelingen
gaat immers voor een deel over de maatschappelijke kosten van de ongunstige sociaaleconomische positie van
vluchtelingen. Tekortkomingen in het onderwijs aan vluchtelingen zijn op de lange termijn onwenselijk, Dit leidt onder
andere tot hogere kosten in sociale zekerheid, (geestelijke) gezondheidszorg en participatiebemiddeling. De raad vindt
ook dat het onderwijs aan vluchtelingen niet ten koste mag gaan van het onderwijs aan andere (kwetsbare) groepen.
De extra investeringen van de overheid in onderwijs aan vluchtelingenkinderen juicht de raad dan ook toe. Een simpele
kosten-batenanalyse leert dat op de lange termijn investeringen in onderwijs zichzelf terugverdienen. Immers, inves-
teren in voor- en vroegschoolse educatie voor jonge kinderen zorgt ervoor dat zij met een minder grote achterstand
aan het basisonderwijs beginnen. Investeren in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs kan
vluchtelingenkinderen mogelijkerwijs behoeden voor voortijdig schoolverlaten, Investeren in volwassenen stelt hen in
staat hun opleidingsniveau te verhogen en een Nederlands diploma te behalen, waardoor zij meer kans maken op de
arbeidsmarkt en minder gebruik hoeven maken van sociale voorzieningen. Daarnaast benadrukt de raad dat het
onderwijs niet alleen een kwalificerende functie heeft, maar ook socialiseert en bijdraagt aan de persoonsvorming. Zoals
de raad eerder heeft betoogd gaat het in het onderwijs - 66k het onderwijs aan vluchtelingen = om het centraal stellen
van democratische waarden.

De raad pleit voor meer aandacht voor onderwijs in het vluchtelingenbeleid én voor goede basisvoorzieningen die
kunnen worden opgeschaald bij een piek in de instroom, Het onderwijsbestel is nu onvoldoende voorbereid op de
komst van vluchtelingen. Dat bleek in de afgelopen jaren toen er relatief veel mensen naar Nederland kwamen. Ondanks
aangebrachte verbeteringen in de onderwijsvoorzieningen hebben vluchtelingen — ook leerplichtigen — nog steeds
onvoldoende toegang tot scholen, opleidingen en cursussen. Daarnaast is de kwaliteit van het aanbod niet goed
genoeg en kan de organisatie efficiënter.

De raad adviseert de toegankelijkheid van het onderwijs voor vluchtelingen te verbeteren in alle fasen van de leerloop-
baan. Zo zouden álle vluchtelingenpeuters toegang moeten hebben tot goede voorschoolse voorzieningen, Gemeen-
ten, scholen en de inspectie kunnen de handen ineenslaan am leerplichtige vluchtelingen gemakkelijker te plaatsen op

</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>ONDERWIJS [aad

Ons kenmerk Pagina

20170034/1112 2/2

basisscholen en middelbare scholen. Ook doet de raad voorstellen om de doorstroom van vluchtelingen naar hogere
niveaus in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs te bevorderen. Tot slot kunnen gemeenten
de regie van de inburgering meer naar zich toe trekken en vluchtelingen beter begeleiden.

Om de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen te verbeteren, zijn investeringen nodig in de deskundigheid van
leraren én in betere lesmaterialen. Er is binnen lerarenteams meer expertise nodig van tweedetaalverwerving en =
didactiek, van internationale competenties en van trauma's, Verder kan de overheid een sterkere rol spelen bij de tot-
standkoming van lesmethoden en toetsmaterialen.

Tot slot doet de raad aanbevelingen om het onderwijs efficiënter te organiseren. Meer aandacht voor onderwijs in het
vluchtelingenbeleid maet leiden tot sneller starten met scholing en tot minder verhuizingen (en dus ononderbroken
leerloopbanen) in de asielperiode. De raad pleit ook voor regionale netwerken van scholen, gemeenten en andere
betrokkenen. Zo’n netwerk maakt een plan voor opschaling van regionale onderwijsv ieningen bij een piek in de
instroom én deelt kennis met andere netwerken. De centrale overheid stelt de landelijke kaders vast voor het onderwijs
aan vluchtelingen en zorgt voor adequate financiering.

De raad hoopt dat dit advies bijdraagt aan een betere start van vluchtelingen in de Nederlandse samenleving.

Met beleefde groet,

Mail

Prof. dr. H. Maassen van den Brink Dr. LA. ope *
Voorzitter Secretaris ad interim

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting                                                                                7
1    Inleiding: vluchtelingen en onderwijs op de politiek-maatschappelijke agenda          9
     1.1 Aanleiding: meer vluchtelingen met ongunstige perspectieven op participatie        9
     1.2	Adviesvraag: Wat kan het onderwijs doen om te bevorderen dat vluchtelingen snel
          een goede plek vinden in de Nederlandse samenleving?                            12
2	Advies: richt het beleid zo in dat toegang, kwaliteit en organisatie van
     onderwijs aan vluchtelingen worden verbeterd                                         15
     2.1 Argument 1: goed onderwijs voor vluchtelingen is van groot belang                15
     2.2 Argument 2: beleid moet voorbereid zijn op pieken en dalen vluchtelingeninstroom 17
     2.3 Argument 3: het onderwijs is onvoldoende toegankelijk voor vluchtelingen         18
     2.4 Argument 4: de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen kan beter           22
     2.5 Argument 5: het onderwijs aan vluchtelingen is niet efficiënt georganiseerd      23
3	Aanbeveling 1: vergroot de toegankelijkheid van het onderwijs in alle fasen van
     de loopbaan                                                                         27
     3.1 Voorschoolse voorzieningen: geef álle vluchtelingenpeuters toegang               27
     3.2 Funderend onderwijs: laat scholen, gemeenten en inspectie de handen ineenslaan 28
     3.3	Middelbaar beroepsonderwijs: benut bestaande beleidsruimte én maak combinaties
          met taalonderwijs                                                              29
     3.4 Inburgering: begin sneller en pak het doelgerichter aan                          30
4    Aanbeveling 2: investeer in deskundigheid en onderwijsmaterialen                     33
     4.1 Blijf investeren in kennis van leraren en pedagogisch medewerkers                33
     4.2 Investeer continu in de kwaliteit van leerlijnen, lesmethoden en toetsen         36
5	Aanbeveling 3: geef onderwijs hogere prioriteit in het asielbeleid en stimuleer
    ­samenwerking                                                                        39
     5.1 Start snel met onderwijs op één plek                                             39
     5.2 Stimuleer netwerkvorming en kennisdeling                                         41
Afkortingen                                                                               45
Literatuur	                                                                              46
Geraadpleegde deskundigen                                                                 50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>6 Onderwijsraad, februari 2017</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In de afgelopen jaren kwamen er door oorlogsgeweld meer vluchtelingen naar Nederland dan
voorheen. Hun perspectieven op betaald werk en volwaardige participatie in de samen­leving
zijn slecht. In dit advies buigt de Onderwijsraad zich over de vraag: hoe kan het onderwijs
vluchtelingen beter op weg helpen? Hij richt zich daarbij op kinderen en volwassenen zonder
startkwalificatie.
De raad pleit voor meer aandacht voor onderwijs in het asielopvangbeleid én voor goede
basisvoorzieningen voor deze doelgroep. Vluchtelingen zullen naar ons land blijven komen,
soms in onverwacht grote aantallen. Het onderwijs is daar onvoldoende op voorbereid. In de
afgelopen jaren leidde dit ertoe dat bij een grote vluchtelingeninstroom het opstarten van
onderwijsvoorzieningen te lang duurde. Hoewel een deel van de problemen lijkt te zijn opge-
lost, hebben vluchtelingen nog steeds onvoldoende toegang tot scholen, opleidingen en cur-
sussen. Daarbij laat de kwaliteit van het aanbod te wensen over en kan ook de organisatie
ervan efficiënter.
De beperkte toegankelijkheid van het onderwijs voor vluchtelingen doet zich voor in alle fasen
van de leerloopbaan. Zo nemen peuters lang niet in elke gemeente deel aan voorschoolse
voorzieningen. Leerplichtige kinderen en jongeren kunnen niet snel genoeg terecht op een
passende school. Onderwijsinstellingen zijn terughoudend om hen te plaatsen vanwege
onder andere plaatsgebrek, gebrek aan draagvlak onder ouders van leerlingen, onvoldoen-
de ervaring met en kennis over de doelgroep, onzekerheid over de financiering en frustratie
over de vele (en noodgedwongen) verhuizingen van de kinderen. Vluchtelingen in de mid-
delbareschoolleeftijd stromen na een periode in een internationale schakelklas door naar een
lager schoolniveau dan ze potentieel aankunnen. Hun taalbeheersingsniveau is leidend. Het-
zelfde geldt voor vluchtelingenjongeren in het middelbaar beroepsonderwijs. Tot slot zijn er
toeganke­lijkheidsproblemen bij de inburgering. Statushouders beginnen laat met hun inbur-
gering – soms komt het er zelfs helemaal niet van.
De kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen is onvoldoende omdat er gebrek is aan
expertise en aan goede lesmaterialen. Op scholen ontbreekt kennis van Nederlands als twee-
de taal (NT2), evenals kennis van internationale competenties en (het signaleren van) trauma’s.
De gebruikte onderwijsmaterialen (intake-instrumenten, methoden en toetsen) zijn vaak
verouderd.
Het onderwijs aan vluchtelingen verloopt op drie punten niet efficiënt. In de eerste plaats wor-
den schoolloopbanen herhaaldelijk onderbroken – of zelfs stilgezet – door de vele verhuizin-
gen tijdens de asielprocedure. Kinderen moeten steeds opnieuw beginnen, hetgeen voor hen-
zelf én voor scholen frustrerend is. In de tweede plaats wordt er te weinig kennis gedeeld in
het eerste-opvangonderwijs. In de derde plaats brengt ad-hocbeleid allerlei kosten met zich
mee. Als er snel onderwijsvoorzieningen voor grote groepen vluchtelingen moeten komen,
werkt men op verschillende plekken in het land aan eigen oplossingen. Er zijn wel instanties
en mechanismes die stimuleren dat scholen en gemeenten in verschillende regio’s van elkaar
leren, maar de kaders waarmee zij moeten werken zijn onduidelijk. Er wordt, kortom, te veel
geïmproviseerd. Dat maakt de kans op herhaling van de problemen bij een volgende piek in
de instroom groot.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Om deze knelpunten op te lossen, doet de raad drie aanbevelingen.
Aanbeveling 1: vergroot de toegankelijkheid van het onderwijs in alle fasen van de schoolloopbaan
De toegankelijkheid van het onderwijs voor vluchtelingen moet beter, ook bij een snelle toe-
name van de instroom. De raad adviseert om álle vluchtelingenpeuters toegang te geven tot
kwalitatief hoogwaardige voorschoolse voorzieningen, ongeacht het opleidingsniveau van de
ouders. Daarnaast roept de raad scholen, gemeenten en de inspectie op om er samen voor
te zorgen dat basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs vluchtelingenleerlingen
gemakkelijker opnemen. Een betere doorstroom naar hogere schoolniveaus is te stimuleren
door internationale schakelklassen en de daar behaalde taalvaardigheidsniveaus te evalueren,
en door ze onder te brengen in brede scholengemeenschappen (niet alleen bij vmbo’s). Mbo-
instellingen kunnen bestaande beleidsruimte beter benutten om vluchtelingenjongeren kan-
sen te bieden. Zo kunnen ze elders behaalde diploma’s laten waarderen, dit gebeurt nu weinig.
Ook kunnen ze taalschakeltrajecten aanbieden aan studenten die van plan zijn hogere mbo-
opleidingen te volgen. De raad vindt tot slot dat gemeenten de regie van de inburgering meer
naar zich toe kunnen trekken. Zij kunnen vluchtelingen beter adviseren over de lokale onder-
wijs- en arbeidsmarktmogelijkheden.
Aanbeveling 2: investeer in deskundigheid en onderwijsmaterialen
Om de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen te verhogen, zijn investeringen nodig in
de deskundigheid van leraren en teams én in betere lesmaterialen. Expertise van tweedetaal-
verwerving en -didactiek zijn onontbeerlijk. Niet elke leraar of pedagogisch medewerker hoeft
deze kennis in dezelfde mate te bezitten, maar elk team moet er wel toegang toe hebben. Ook
kennis over (het signaleren van) trauma’s is voor docenten van belang, evenals het internati-
onaal competent zijn. De overheid zou een sterkere rol kunnen spelen bij de totstandkoming
van lesmethoden en toetsmaterialen als – en daar laat het zich naar aanzien – de markt ervoor
te klein is voor commerciële uitgevers. De raad wijst er nog eens op dat goed onderwijs moet
zijn gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Hij pleit daarom voor gedegen onderzoek naar
de effecten van de verschillende soorten eerste-opvangonderwijs.
Aanbeveling 3: geef onderwijs hogere prioriteit in het asielbeleid en stimuleer samenwerking
Een hogere prioriteit voor onderwijs in het asielopvangbeleid moet er onder meer toe leiden
dat vluchtelingen (zowel minderjarigen als volwassenen) zo min mogelijk verhuizen en snel
kunnen starten met school of een opleiding. Dit motiveert zeer. Daarnaast pleit de raad voor
netwerkvorming en kennisdeling. Hij adviseert om flexibele regionale netwerken in te rich-
ten, bestaande uit gemeenten, onderwijsinstellingen en andere betrokkenen. De gemeenten
hebben hierin een regiefunctie. Een goed geïnformeerd netwerk kan snel en efficiënt wor-
den opgeschaald. In ‘ruststand’ vervult eenieder zijn reguliere werkzaamheden, maar op het
moment dat het nodig is, wordt het netwerk verder geactiveerd volgens een gezamenlijk
opgesteld plan. Met dergelijke flexibele regionale netwerken neemt zowel het reactievermo-
gen als het lerend vermogen van het onderwijsbestel toe. De raad vindt het de taak van de cen-
trale overheid om een nationale, coherente visie te formuleren op onderwijs aan vluchtelingen,
onder meer gebaseerd op wetenschap en ‘best practices’. Ook worden met landelijke kaders
spanningen voorkomen tussen het centrale en het lokale niveau, of tussen overheden en bij-
voorbeeld onderwijsbesturen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. De centrale
overheid zorgt verder voor adequate en voorspelbare financiering, voor de aanwezigheid van
scholingsmogelijkheden en voor de betrokkenheid van landelijke partners als het COA (Cen-
traal Orgaan opvang Asielzoekers), de LOWAN (Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asiel­
zoekers en Nieuwkomers) en de Inspectie van het Onderwijs.
8                                                                            Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    In de afgelopen jaren kwamen er door oorlogsgeweld meer vluchte-
    lingen naar Nederland dan voorheen. Hun perspectieven op werk en
    participatie in bredere zin zijn slecht. Wat kan het onderwijs voor ze
    doen?
1   Inleiding: vluchtelingen en onderwijs
    op de politiek-maatschappelijke
    agenda
1.1 Aanleiding: meer vluchtelingen met ongunstige perspectieven op
    participatie
    Vluchtelingen in de wereld en in Nederland
    Al eeuwenlang vluchten over de hele wereld mensen over internationale grenzen of raken
    zij binnen de landsgrenzen ontheemd. In totaal hebben op dit moment meer dan 65 miljoen
    mensen hun omgeving gedwongen achtergelaten – meer dan ooit tevoren. Ruim 21 miljoen
    onder hen zijn (internationale) vluchtelingen; van hen is meer dan de helft onder de achttien
    en komt meer dan de helft uit drie herkomstlanden: Somalië, Afghanistan en Syrië. Ongeveer
    6% (van het totaal van 65 miljoen) bevindt zich in Europa.1 In 2015 was het totaal aantal eer-
    ste asielaanvragen in de Europese Unie ruim 1,25 miljoen, waarvan bijna 442.000 in Duitsland,
    ruim 174.000 in Hongarije en ruim 156.000 in Zweden. In Nederland dienden in 2015 meer dan
    43.000 personen een eerste asielverzoek in.2 Enkele jaren geleden was dit aantal flink lager,
    maar medio jaren negentig waren de aantallen juist vergelijkbaar. In 2016 is het aantal asiel-
    aanvragen in de Europese Unie inclusief Nederland een stuk gedaald, vooral als gevolg van
    het akkoord van de Europese Unie met Turkije (18 maart 2016) en het sluiten van de grenzen
    op de zogenoemde Balkan-route naar West-Europa. Het totaal aantal eerste asielaanvragen in
    Nederland in 2016 was ruim 18.000.3
    Ook in Nederland vormen vluchtelingen reeds lange tijd een deel van de bevolking en dit zal
    waarschijnlijk zo blijven. De bevolkingsprognose van het CBS (Centraal Bureau voor de Statis-
    tiek) geeft aan dat met name mensen uit het Midden-Oosten en Sub-Sahara Afrika de komen-
    de decennia zullen blijven proberen om te migreren naar Nederland (en andere welvarende
    landen).4 Een substantieel deel van deze mensen zal proberen een asielstatus te krijgen en ver-
    volgens gezinsleden en huwelijkspartners laten nareizen. Sommige migranten zullen uiteinde-
    lijk terugkeren (of opnieuw migreren5), maar het is reëel om te verwachten dat een groot deel
    in Nederland zal blijven.6 In januari 2016 werden de grootste groepen vluchtelingen in Neder-
    land gevormd door mensen van Afghaanse (44.000), Iraakse (56.000), Iraanse (38.000), Soma-
    1    Gebaseerd op United Nations High Commissioner for Refugees, 2017.
    2    Sociaal-Economische Raad, 2016.
    3    Cijfers IND, zoals geciteerd in Sociaal-Economische Raad, 2016.
    4    Centraal Bureau voor de Statistiek, 2014a.
    5    Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015.
    6    Leerkes & Scholten, 2016.
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre> lische (39.000) en Syrische (44.000) afkomst. Op dat moment waren er ook ongeveer 8.000
 mensen uit Eritrea in Nederland. Deze cijfers zijn overigens inclusief de tweede generatie, die
– logischerwijs – groter is naarmate de groep langer in Nederland verblijft. Grofweg een kwart
 van de Afghanen, Irakezen en Iraniërs in Nederland is hier geboren.7 Van de recent gearriveerde
 personen met een Eritrese of Syrische achtergrond is 40% jonger dan twintig jaar.8
 Op grond van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) hebben min-
 derjarige vluchtelingen hetzelfde recht op onderwijs als andere kinderen in Nederland (zie
 kader). Voor alle kinderen van vijf tot achttien jaar die in Nederland wonen, geldt dezelfde wet-
 en regelgeving op het gebied van de leer- en kwalificatieplicht.
    Recht op onderwijs voor vluchtelingenkinderen
    Ieder kind heeft recht op onderwijs zodra hij of zij Nederland binnenkomt, behalve als het doel het
    houden van vakantie is. Dat is vastgelegd in het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind
   (artikel 28). Dat betekent dat ieder kind zo snel mogelijk onderwijs moet krijgen, waar hij of zij zich ook
    bevindt.9 In de Europese Richtlijn staat dat asielzoekerskinderen na indiening van de asielaanvraag bin-
   nen drie maanden toegang moeten hebben tot onderwijs.10
    In Nederland verblijven vluchtelingen soms tijdelijk in zogenoemde crisisopvang, onder verantwoor-
   delijkheid van gemeenten. Dit zijn locaties zoals sporthallen, die normaal bij incidenten of rampen
   worden gebruikt. Crisisopvang is bedoeld voor in beginsel maximaal 72 uur, waarna de vluchtelingen
    kunnen doorstromen naar opvanglocaties van het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) en naar
   school kunnen. Kinderen die in de crisisopvang verblijven, gaan niet naar school.11 Vluchtelingen ver-
    blijven soms ook voor zes tot twaalf maanden in de noodopvang van het COA: hallen en paviljoens
   met een opvangcapaciteit van 300 tot meer dan 600 bewoners. In de periode waarin het aantal vluch-
   telingen relatief hoog was, duurde het soms weken voordat kinderen in de noodopvang naar school
    konden.12
 De sociaaleconomische positie van vluchtelingen verschilt per groep, maar is ongunstig9 10 11 12
 De hoge werkloosheid onder de vier vluchtelingengroepen die al wat langer in Nederland zijn
 (uit Irak, Afghanistan, Iran en Somalië) wordt gezien als een groot probleem.13 Met name gedu-
 rende de eerste jaren in Nederland is de arbeidsmarktparticipatie van deze vluchtelingen heel
 laag. Ook daarna blijft zij achter bij die van mensen zonder migratieachtergrond en andere
 migranten.14 De WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) vergeleek eind 201515
 deze vier vluchtelingengroepen met elkaar en met Nederlanders zonder migratieachtergrond
 aan de hand van enkele sociaaleconomische indicatoren, zoals participatie op de arbeidsmarkt,
 bijstandsafhankelijkheid en armoede. Hieruit kwam een ongunstig beeld naar voren, ook al
 waren er grote verschillen tussen bijvoorbeeld Iraniërs en Somaliërs. Inmiddels zijn er recen-
 7      Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.37-38. Zie het kader verderop over de terminologie die de Onderwijsraad in dit advies
        hanteert.
 8      Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.37.
 9      Ingrado, 2015, p.2.
 10     Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017, p.2.
 11     Ingrado, 2015, p.2.
 12     Kinderombudsman, 2016, p.34.
 13     Dourleijn, Muller, Dagevos, Vogels, Van Doorn, e.a., 2011; VluchtelingenWerk, 2014; Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes,
        2015.
 14     Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015.
 15     Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015; gebaseerd op het jaarrapport integratie 2013 (SCP) en jaarrapport integratie
        2014 (CBS).
 10                                                                                                       Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre> tere cijfers beschikbaar en is ook wat meer bekend over Syriërs en Eritreeërs in Nederland. Deze
 nieuwe cijfers bevestigen het ongunstige beeld van lage participatiegraad16, werkloosheid en
 armoede. Veel mensen uit (eerdere en recente) vluchtelingengroepen zijn nog steeds afhan-
 kelijk van de bijstand.17
 Vluchtelingengroepen hebben vergeleken met andere migranten en mensen zonder migratie-
 achtergrond de laagste inkomens.18 Vrouwelijke vluchtelingen zijn gemiddeld genomen min-
 der vaak economisch zelfstandig dan andere vrouwen. Van alle Somalische vrouwen is dat zelfs
 minder dan 3%.19
 Onderwijsfactoren bepalen voor een belangrijk deel de sociaaleconomische positie
 Wat zijn bepalende factoren voor de ongunstige arbeidsmarktpositie van vluchtelingen? De
 WRR noemt er een aantal, zoals geringe werkervaring, het ontbreken van relevante sociale net-
 werken, de ‘verloren tijd’20 tijdens de asielprocedure, de inspanningen ten behoeve van gezins-
 hereniging in de periode na statusverlening21, de psychische gezondheid en discriminatie.22 De
 WRR noemt ook een aantal factoren die direct met onderwijs te maken hebben. Een van die
 factoren is een lage en/of een elders voltooide opleiding; een voltooide opleiding in het land
 van herkomst biedt minder arbeidskansen dan een Nederlandse, mede doordat diploma’s uit
 bepaalde herkomstlanden niet worden erkend.23 Beheersing van het Nederlands speelt ook
 een rol. Taal- en inburgeringscursussen kunnen dit verbeteren,24 maar inburgeringscijfers voor
 vluchtelingen zijn evenmin gunstig.25 Ook de OESO (Organisatie voor Economische Samen-
 werking en Ontwikkeling) benadrukt dat nationale verschillen tussen onderwijssystemen en
-beleid ertoe doen voor de onderwijsprestaties van immigranten. Bij het verklaren van verschil-
 len in onderwijsprestaties blijkt het land waar een immigrant naar school gaat belangrijker dan
 het land waar hij of zij vandaan komt.26
 Vluchtelingen, onderwijs en de democratische samenleving
 De Onderwijsraad gaat in dit advies na wat vooral het onderwijs kan doen om te bevorderen
 dat vluchtelingen snel een plek vinden in de Nederlandse samenleving. Zoals het SCP (Soci-
 aal en Cultureel Planbureau) onlangs benadrukte bieden taalbeheersing en onderwijs op zich-
 zelf geen garanties voor evenredige participatie op de arbeidsmarkt, ook niet voor de tweede
 generatie: “Betere hulpbronnen in de vorm van Nederlandse taalbeheersing en hogere oplei-
 dingsniveaus zijn kennelijk niet voldoende”.27 Omgekeerd geldt echter wel dat het gevolgde
 16  Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.66.
 17  Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.11,65.
 18  Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.12,68.
 19  Voor Iraanse vrouwen geldt dat in mindere mate; zie Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.72.
 20  Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, 2013, in Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015, p.14.
 21  Een verzoek hiertoe moet in de eerste drie maanden na statusverlening worden ingediend.
 22  “Specifiek onderzoek naar discriminatie van vluchtelingengroepen ontbreekt, maar men mag aannemen dat zij, net als andere mi-
      granten, vanwege hun herkomst minder kansen hebben op werk (Andriessen et al. 2010; Andriessen en Dagevos 2014)”; in Engbersen,
      Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015, p.15.
 23  Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015, p.14.
 24  Ibid. p.15.
 25  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016c. Voor het cohort vluchtelingen dat in het eerste kwartaal van 2013 inburge-
      ringsplichtig is geworden en waarvan de initiële inburgeringstermijn in het eerste kwartaal van 2016 is afgelopen, is het beeld dat 66%
      nog inburgeringsplichtig was. 30% had aan de plicht voldaan, 3% procent had ontheffing. Zie ook Algemene Rekenkamer, 2017.
 26  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2015 (zoals aangehaald in The Economist, 10 december 2016).
 27  Huijnk & Andriessen, 2016, p.24. Deze verdiepende studie concentreerde zich overigens met name op de eerste en tweede generatie
      migranten van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse herkomst, niet op vluchtelingen.
 Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                                11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    onderwijs voor een groot deel de kansen en mogelijkheden op de arbeidsmarkt bepaalt.28 Vol-
    waardige participatie zonder taalbeheersing en zonder goede opleiding is welhaast ondenk-
    baar. De maatschappij is daarnaast ook gebaat bij een goed opleidingsniveau van de burgers
    en bijvoorbeeld kennis van democratische principes en democratische instituties. Het onder-
    wijs kwalificeert immers niet alleen, maar socialiseert ook. Kortom: als vluchtelingen geen gelij-
    ke kansen krijgen in het onderwijs, is dat slecht voor hun participatie op de arbeidsmarkt en
    voor het vinden van een plek in de democratische samenleving in het algemeen. Ook wordt
    door gebrek aan onderwijs het gevaar groter van een kloof met de burgers van het ontvan-
    gende land.
    De Onderwijsraad beklemtoont in dit verband – evenals onder andere de SER (Sociaal-Econo-
    mische Raad)29 – dat een succesvolle integratie van vluchtelingen een belangrijke voorwaarde
    is om de negatieve beeldvorming over vluchtelingen tegen te gaan. De polarisatie in Neder-
    land over de komst van vluchtelingen gaat immers voor een deel over de maatschappelijke
    kosten van de ongunstige sociaaleconomische positie van vluchtelingen en de mogelijke ach-
    terstelling van andere zwakke groepen in de Nederlandse samenleving.30 Uiteraard is het ook
    voor vluchtelingen zelf beter als het onderwijs hen goed op weg helpt en als zij zich zo snel
    mogelijk na aankomst realiseren dat hun kansen op de Nederlandse arbeidsmarkt in elk geval
    gering zijn zonder enige taalkennis en opleiding. De Onderwijsraad beschouwt integratie
    en participatie daarmee als een tweerichtingsproces. Enerzijds moet de overheid duidelijke
    kaders bieden, zodat alle betrokkenen weten waar ze aan toe zijn, en daarnaast participatie
    van vluchtelingen actief stimuleren. Hierin heeft overigens de gehele ontvangende samen-
    leving een rol. Anderzijds mag van vluchtelingen, net als van andere nieuwkomers, worden
    verwacht dat ze zich inzetten om zo snel mogelijk de taal en de belangrijkste gewoonten en
    gebruiken van het gastland te leren kennen.
1.2 Adviesvraag: Wat kan het onderwijs doen om te bevorderen dat vluchtelin-
    gen snel een goede plek vinden in de Nederlandse samenleving?
    In dit advies geeft de Onderwijsraad antwoord op de volgende vraag.
    Wat kan het onderwijs doen om te bevorderen dat vluchtelingen snel een goede plek vinden in de
    Nederlandse samenleving?
    Afbakening
    Dit advies over vluchtelingen en onderwijs is op twee manieren afgebakend.
    Ten eerste is het advies gericht op vluchtelingen in de eerste twee à drie jaar na binnenkomst.
    Dit is de periode waarin de meeste vluchtelingen te maken krijgen met ingrijpende gebeurte-
    nissen en situaties, zoals de asielprocedure, verhuizingen binnen de asielopvang, gezinshereni-
    ging, inburgering en lokale integratie in een Nederlandse gemeente. Vanuit het oogpunt van
    onderwijs zijn dit cruciale jaren omdat vluchtelingen zonder kennis van de Nederlandse taal
    binnenkomen en onderwijservaring meenemen die vaak niet aansluit op de Nederlandse situ-
    atie. Voor leerplichtige vluchtelingen zijn het de jaren waarin eerste-opvangonderwijs wordt
    genoten en de overstap naar het reguliere onderwijs wordt gemaakt. Deze afbakening bete-
    28  Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.42.
    29  Sociaal-Economische Raad, 2016, p.4.
    30  Zie ook Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2016.
    12                                                                        Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>kent overigens niet dat de Onderwijsraad vindt dat vluchtelingen (en andere nieuwkomers)
daarna op zichzelf aangewezen dienen te zijn in het onderwijs: veel van hen zullen een langere
periode baat hebben bij extra (taal)ondersteuning.31
Ten tweede is het advies specifiek gericht op het onderwijs voor vluchtelingen die niet beschik-
ken over een startkwalificatie. Een startkwalificatie is een havo- of vwo-diploma of een diploma
van een mbo-opleiding op minimaal niveau 2. Een startkwalificatie is een belangrijke mini-
mumvereiste om in Nederland te kunnen participeren op de arbeidsmarkt. Een aanzienlijk deel
van de meerderjarige vluchtelingen die binnenkomen heeft er geen, omdat zij voorafgaand
aan de vlucht (te) weinig onderwijs hebben gevolgd of onderwijs hebben gevolgd waarvan de
diploma’s niet worden erkend als startkwalificatie. Het advies gaat in op wat het onderwijs voor
deze vluchtelingen kan betekenen.
De raad besteedt overigens zowel aandacht aan de wijze waarop vluchtelingen binnen het
onderwijs hun plek vinden als aan de wijze waarop het onderwijs hen helpt om mee te doen
in de maatschappij. Door de samenstelling van de groep vluchtelingen kunnen de overdracht
van kennis en vaardigheden en de socialisatie en persoonsvorming uiteenlopende vormen
aannemen, zoals voorschoolse voorzieningen, funderend onderwijs, beroepsonderwijs en
inburgering. In dit advies komen deze voorzieningen dan ook expliciet aan de orde.
Aanpak
Ter voorbereiding op dit advies heeft literatuuronderzoek plaatsgevonden en zijn conferenties
bezocht en internationale en nationale bijeenkomsten bijgewoond. Daarnaast hebben vele
gesprekken plaatsgevonden met experts en betrokkenen uit praktijk, beleid en wetenschap
(zie bijlage). Ook heeft een oproep om mee te denken via de website van de Onderwijsraad
tot reacties geleid, waarvan dankbaar gebruikgemaakt is. Verder is een aantal scholen bezocht.
Een aantal experts heeft een concept van de tekst kritisch nagelezen of deelgenomen aan de
commissie (zie bijlage).
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft de hoofdboodschap van de raad weer en onderbouwt waarom het onder-
wijs aan vluchtelingen beter kan en moet. De hoofdstukken 3 t/m 5 beschrijven hoe dit in prak-
tijk kan worden uitgewerkt.
31   Volgens internationale reviewstudies veelal een periode van 4-7 jaar (Hajer, 2016a), waarbij ook de reguliere school en ‘gewoon goed
     onderwijs’ in een divers samengestelde groep in het beleid worden betrokken. Zie bijvoorbeeld ook Hill & Björk, 2008. In Zweden wor-
     den leerlingen tot vier jaar na aankomst als ‘nieuwkomer’ aangemerkt in het beleid (Hajer, 2016b).
Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre> Terminologie
  In de statistieken van het CBS , zoals in paragraaf 1.1 geciteerd, wordt iedereen tot vluchteling geteld die
  zélf zijn geboorteland is ontvlucht of een kind is van iemand die is gevlucht. Iedere ingezetene die is
 geboren in een land waar veel vluchtelingen vandaan komen of een ouder heeft uit zo´n geboorteland,
  wordt dan uit praktisch oogpunt als vluchteling geteld. Dit advies hanteert de term vluchtelingen op
 een vergelijkbare manier: de mensen die via een asielverzoek Nederland zijn binnengekomen, hun na-
  komelingen en de huwelijkspartners en gezinsleden die zich eventueel later bij hen hebben gevoegd.
  Laatstgenoemde groep wordt in beleidsjargon vaak aangeduid met de term ‘nareizigers’. Kenmerkend
  voor de groep vluchtelingen is dat deze bestaat uit mensen die afkomstig zijn uit landen waar de situa-
  tie zo bedreigend is (of was) dat ten minste een deel van hen op basis van de onveiligheid toestemming
  heeft gekregen om (voorlopig) in Nederland te blijven. Veel vluchtelingen komen uit oorlogsgebieden,
  maar er zijn ook vluchtelingen die in hun herkomstland om andere redenen gevaar lopen of liepen. Met
 de term vluchtelingen bedoelt de Onderwijsraad dus zowel asielzoekers als statushouders (asielzoekers
  van wie het asielverzoek is ingewilligd). Waar nodig maakt dit advies wel onderscheid tussen het brede
  begrip vluchtelingen en de term asielzoekers. Asielzoekers zijn mensen die een asielverzoek hebben
  ingediend en nog in afwachting zijn van het besluit over een verblijfsstatus. Zij verblijven in de asielop-
  vang, met de specifieke voorzieningen, rechten en plichten die daarbij horen.
  Vluchtelingen vormen een deel van de bredere groep nieuwkomers of migranten. Nieuw­komers of mi-
 granten zijn alle mensen die vanuit een ander land naar Nederland zijn gekomen om hier - al dan niet
  tijdelijk - een nieuw bestaan op te bouwen.
  De Onderwijsraad besteedt in dit advies geen specifieke aandacht aan uitgeprocedeerde asielzoekers:
  mensen van wie het asielverzoek is afgewezen. Hun mogelijkheden om verder te procederen zijn uit-
 geput of zij maken er geen gebruik van. Deze groep is ook relevant voor het onderwijs, al was het maar
 omdat de Nederlandse Leerplichtwet en het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind,
  waarin het recht op onderwijs is vastgelegd, geen onderscheid mag maken naar verblijfsstatus. De
  raad heeft de specifieke problemen van deze groep echter niet onderzocht in het kader van dit advies.
14                                                                                   Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    Het onderwijs voor vluchtelingen moet beter. Vluchtelingen hebben
    onvoldoende toegang tot scholen, opleidingen en cursussen. De kwa-
    liteit van het onderwijs voor vluchtelingen laat te wensen over en de
    organisatie kan efficiënter.
2   Advies: richt het beleid zo in dat
    toegang, kwaliteit en organisatie van
    onderwijs aan vluchtelingen worden
    verbeterd
    De uitdaging om vluchtelingen via het onderwijs een passende plek te bieden in de Neder-
    landse samenleving, is niet nieuw. Ze zal zich bovendien in de toekomst regelmatig voordoen,
    want het is realistisch te verwachten dat vluchtelingen naar ons land zullen blijven komen
    en dat een groot deel van hen zal blijven.32 Goed onderwijs voor vluchtelingen komt ook de
    Nederlandse samenleving ten goede: nieuwkomers die via hun opleiding gelijke kansen krij-
    gen, integreren gemakkelijker.
    Toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs voor vluchtelingen laten te wensen over.
    Nieuwkomers, die toch al met een (taal)achterstand binnenkomen, krijgen via het onderwijs
    onvoldoende kansen om hun onderwijspotentieel te realiseren. Daarnaast is het onderwijs niet
    doelmatig door onvoldoende efficiënte organisatie. Het bestel dient te zijn voorbereid op de
    plotselinge komst van meer vluchtelingen. De raad constateert dat dit nu niet het geval is. Dit
    ondanks tal van verbeteringen in de onderwijsvoorzieningen nadat in 2014, 2015 en begin 2016
    relatief meer vluchtelingen in Nederland aankwamen. Het onderwijsbestel is inmiddels beter
    op ze berekend, maar nog niet voldoende.
    De raad vindt dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat een
    nieuwe toestroom niet weer tot knelpunten zal leiden als gevolg van het ontbreken van een
    goede basisstructuur. Daarnaast bepleit de raad een algehele verbetering van de toegankelijk-
    heid, kwaliteit en doelmatigheid van het onderwijs aan vluchtelingen. De raad vindt dat in het
    asielopvangbeleid onderwijs meer prioriteit verdient, en dat voorzieningen voor vluchtelin-
    gen bij een grote toename van de vluchtelingeninstroom snel moeten kunnen worden opge-
    schaald, zonder concessies ten aanzien van de kwaliteit. Op die manier kan een lange opstart-
    fase voor onderwijsvoorzieningen bij nieuwe pieken in de instroom voorkomen worden.
2.1 Argument 1: goed onderwijs voor vluchtelingen is van groot belang
    Om een plek in de samenleving te kunnen innemen is onderwijs van cruciaal belang. In het
    onderwijs leren nieuwkomers Nederlands spreken, leren ze andere mensen kennen en zetten
    ze de eerste stappen die leiden naar participatie in de samenleving. Wie goed is opgeleid en
    32  Leerkes & Scholten, 2016.
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                  15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Nederlands spreekt, kan informatie tot zich nemen, de Nederlandse samenleving begrijpen en
zich daar deel van voelen.
Ook voor kansen op de arbeidsmarkt speelt onderwijs een belangrijke rol. Ingrediënten voor
succes zijn immers: een goede beheersing van de Nederlandse taal, het bezit van een (Neder-
lands) diploma, en toegang tot potentiële werkgevers via het onderwijs. In een recent rapport
wijst het SCP er evenwel op dat Nederlanders met een Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse of
Surinaamse achtergrond, ook als zij wel goed zijn opgeleid, toch veel problemen ondervinden
bij het vinden van een passende plek op de arbeidsmarkt. Onderwijs alleen is dus geen vol-
doende voorwaarde voor succes op de arbeidsmarkt, zeker niet in tijden van laagconjunctuur.33
Feit blijft echter dat onderwijs één van de meest bepalende factoren is om een passende plek
te vinden en dus een noodzakelijke voorwaarde is voor een groep om te participeren op de
arbeidsmarkt en in de samenleving. Onderwijs draagt bij aan de culturele, maatschappelijke
en sociaaleconomische integratie.34 Een hoog opleidingsniveau kan het risico op werkloosheid
verlagen.35
 De raad vindt dat de ongunstige arbeidsmarktsituatie van vluchtelingengroepen in Nederland
vraagt om extra inspanning in het onderwijsbeleid. Voorkomen moet worden dat (nieuwe)
vluchtelingen in Nederland een gemarginaliseerde en niet-participerende groep gaan vormen,
ook in de volgende generaties. De raad staat hierin niet alleen. In de toelichting op de miljoe-
nennota 2017 onderschrijft de regering het belang van een goede integratie van vluchtelin-
gen die in Nederland een verblijfsstatus hebben gekregen: “Het is zaak om asielzoekers die in
Nederland mogen blijven meteen te ondersteunen bij de integratie, zodat zij zo goed mogelijk
kunnen meedoen in de maatschappij”.36
Beleid gericht op goed onderwijs voor vluchtelingen houdt rekening met sterk variërende aan-
tallen en met een grote diversiteit. Maar er zijn ook gemeenschappelijke kenmerken, zoals bij-
voorbeeld een aanzienlijk risico op geestelijke gezondheidsproblemen en het ontbreken van
een sociaal netwerk. Ook meer algemene migrantenkenmerken spelen een rol, zoals een lastig
te vergelijken opleidingsachtergrond en een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal.
  Economische gevolgen van de komst van vluchtelingen
  Volgens een discussienota van de hand van medewerkers van het IMF (Internationaal Monetair Fonds)37
  neemt bij de komst van asielzoekers de groei van het bruto binnenlands product op korte termijn be-
  perkt toe. Dit als gevolg van hogere overheidsuitgaven aan bijvoorbeeld opvangvoorzieningen. Op de
  middellange en lange termijn hangen de economische gevolgen sterk af van de mate waarin vluchte-
  lingen die blijven, integreren op de arbeidsmarkt. Een goed geïntegreerde groep kan volop bijdragen
  aan de samenleving. Een slechte integratie gaat gepaard met verkwisting van menselijk kapitaal en on-
  nodig gebruik van de socialezekerheidsvoorzieningen.
Positieve invloed van onderwijs verschilt per (leeftijds)groep37
In hoeverre het onderwijsbestel in staat is om de participatie van vluchtelingen te bevorde-
ren, hangt samen met de leeftijd van vluchtelingen, hun al genoten opleiding en hun attitu-
de ten opzichte van het gastland. Voor bijna alle vluchtelingen is goed onderwijs van groot
33   Huijnk & Andriessen, 2016.
34   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.42.
35   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016, p.11.
36   Rijksoverheid, 2016a.
37   International Monetary Fund, 2016.
16                                                                            Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>     belang. Voor meerderjarige vluchtelingen die niet of nauwelijks naar school zijn geweest, is het
     belangrijk dat zij zich ten minste de basis van het Nederlands eigen maken en een startkwali-
    ficatie behalen, zodat zij in staat zijn om te participeren. Voor minderjarige vluchtelingen zijn
    er meer mogelijkheden om te zorgen dat zij een (hoger) Nederlands diploma behalen. Velen
    zullen een deel van of hun gehele schoolloopbaan in Nederland volgen. Zij horen onderwijs te
    krijgen dat aansluit bij hun ontwikkeling, waarbij vooral extra taalondersteuning belangrijk is.
    Voor de jongste kinderen die nog niet leerplichtig zijn, geldt dat goede voorschoolse voorzie-
    ningen helpen om een (taal)achterstand aan het begin van hun schoolloopbaan te beperken of
    te voorkomen.
2.2 Argument 2: beleid moet voorbereid zijn op pieken en dalen vluchtelingen-
    ­instroom
    Instroom en verblijf van vluchtelingen in ons land zijn een structureel gegeven
    De instroom en het verblijf van vluchtelingen in ons land zijn structureel van aard.38 Het onder-
    wijsbeleid moet daarom niet alleen zijn voorbereid op een acute toename van het aantal vluch-
    telingen, maar dient ook uit te gaan van een permanente aanwezigheid van degenen die een
    verblijfsvergunning hebben gekregen. De hoeveelheid vluchtelingen, hun herkomst en hun
    vluchtgeschiedenis kunnen variëren, maar een zekere basisstructuur voor integratie in de
    Nederlandse samenleving is nodig.39
    Zelfs het beleid voor leerplichtige kinderen met recht op onderwijs is ad hoc
    Uit de wijze waarop het onderwijs(beleid) heeft gereageerd op de plotselinge toename van het
    aantal vluchtelingen in 2014, 2015 en begin 2016, blijkt duidelijk dat het onderwijs niet goed was
    voorbereid. De periode van zoeken naar een aanpak duurde lang en het gevoerde beleid was
    weinig planmatig.
    Het hele asielbeleid stond in het teken van crisismanagement. Er was sprake van een groot
    tekort aan opvangplaatsen, omdat geen rekening was gehouden met de verhoogde instroom.
    Nieuwe locaties moesten in snel tempo worden opgestart. Dit had ook gevolgen voor het
    onderwijs. Het duurde vaak een tijd voordat er in of bij de opvang een onderwijsvoorziening
    was. Bovendien moesten vluchtelingen veel verhuizen, omdat ze maar kort terecht konden op
    de opvanglocaties. Door deze onzekere, steeds wisselende huisvesting moesten veel vluchte-
     lingenkinderen te lang wachten op een onderwijsplek. Het Rijk en de gemeenten hebben vele
    maanden onderhandeld om te komen tot een Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom (27
    november 2015).40 Dit werd gevolgd door een Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom
    (28 april 2016).41 Het bestuursakkoord vermeldt expliciet dat de partijen het akkoord zien “als
    een start richting een blijvende samenwerking tussen de verschillende overheidslagen”.42 De
    Onderwijsraad juicht dit toe.
    38   Leerkes & Scholten, 2016. Uit de bevolkingsprognose van het CBS (2016) blijkt dat met name mensen uit het Midden-Oosten en Sub-
         Sahara Afrika de komende jaren en decennia zullen blijven proberen om te migreren naar Nederland en andere welvarende landen. Zie
         ook de recente edities van de Clingendael Monitor (Rood, Van der Putten & Meijnders, 2015 en Van der Putten, Rood & Meijnders, 2016)
         over bijvoorbeeld de ‘Belt of Instability’.
    39   Zie ook Sociaal-Economische Raad, 2016; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2014a.
    40   Rijksoverheid, 2015.
    41   Rijksoverheid,2016b.
    42   p.2.
     Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    Om de situatie in het onderwijs het hoofd te bieden, besloot de staatssecretaris eind 2015 onder
    andere om dertien accountmanagers in te zetten.43 Hun taak was vooral om, samen met de sec-
    tororganisaties en het LOWAN (Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asielzoekers en Nieuw-
    komers), “lokaal en regionaal gemeenten in positie te brengen om hun regierol te nemen”.44
    Ook moesten de accountmanagers scholen en gemeenten informeren over maatwerkfinan-
    ciering, algemene voorlichting geven en kennis verspreiden. Mede dankzij hun inzet en een
    scala aan andere maatregelen kon de staatssecretaris op 1 april 2016 de Tweede Kamer mee­
    delen dat 94% van de leerplichtige kinderen in de centrale opvang in ieder geval een onder-
    wijsplek had. Het betrof 7.600 van de 8.100 kinderen. Van de overige 500 kinderen zou binnen
    een maand 75% een onderwijsplek krijgen. Tot dat moment werd de toegang tot onderwijs
    voor leerplichtige asielzoekers niet centraal gemonitord en bleek het een hele klus om het
    overzicht te krijgen.
    Veel is verbeterd, maar niet genoeg
    Na de ervaringen in 2014, 2015 en begin 2016 is er veel verbeterd in het onderwijs aan vluchtelin-
    gen. Veel leerkrachten met een pabo-diploma zijn bijgeschoold in NT2 en zijn nu bevoegd om
    voortgezet onderwijs aan vluchtelingen te verzorgen. Ook zijn er voor het voortgezet onder-
    wijs speciale leerlijnen voor nieuwkomers, waaronder vluchtelingen, ontwikkeld en verspreid.
    In andere sectoren, van de voorschoolse periode tot aan het volwassenenonderwijs, zijn even-
    eens activiteiten ontplooid. Er kwamen maatregelen om de toegankelijkheid van het onder-
    wijs te vergroten. Voorbeelden daarvan zijn meer toegang tot educatieve voorzieningen voor
    jonge, niet-leerplichtige kinderen en de uitbreiding van onderwijsplaatsen en financiële rege-
    lingen voor leerlingen in het funderend onderwijs. Mbo-instellingen en gemeenten startten
    initiatieven om statushouders duale trajecten van werken en leren aan te bieden. Voorts is er
    gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen; door bijvoor-
    beeld het ontwikkelen en samenbrengen van onderwijsmaterialen en het ontwikkelen van een
    gratis onlinecursus voor leerkrachten (hoe om te gaan met getraumatiseerde leerlingen).45 Tot
    slot is de doelmatigheid vergroot; door ervaringen uit te wisselen is de organisatie van het
    onderwijs op diverse plaatsen efficiënter geworden.
    Een aantal acute knelpunten is dus opgelost. Bovendien is de instroom van nieuwe vluchtelin-
    gen afgenomen. Dit kan de indruk wekken dat de problemen voorbij zijn, maar de raad betwij-
    felt deze aanname. In de resterende paragrafen van dit hoofdstuk werkt de raad dit verder uit.
    Er zijn nog steeds knelpunten die vragen om een oplossing. Het onderwijsbestel is niet klaar
    voor een nieuwe plotselinge toename van het aantal vluchtelingen. Bovendien is het oplossen
    en voorkomen van acute knelpunten niet het enige dat dient te gebeuren. Om vluchtelingen
    kansen te bieden op een goede plek in de Nederlandse samenleving moeten de toegankelijk-
    heid, de kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs aan deze groep verder verbeterd
    worden.
2.3 Argument 3: het onderwijs is onvoldoende toegankelijk voor vluchtelingen
    Het onderwijs is, ondanks de genomen maatregelen op dit gebied, nog onvoldoende toegan-
    kelijk voor vluchtelingen. Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen: peuters, leerplichtige kinderen,
    niet-leerplichtige jongeren en volwassenen.
    43   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016.
    44   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015.
    45   Laatstgenoemde initiatief is gefinancierd door Augeo, een charitatieve organisatie.
    18                                                                                      Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Peuters en voorschoolse voorzieningen
Peuters in de centrale asielopvang hebben vaak geen toegang tot voorschoolse voorzienin-
gen.46 Dit terwijl jonge vluchtelingenkinderen veel baat hebben bij een goed voorschools aan-
bod.47 De peuters verblijven in een omgeving waarin nauwelijks Nederlands wordt gesproken
en ze hebben weinig speelmogelijkheden. Hun ouders worden in beslag genomen door onze-
kerheid over de situatie in het herkomstland en over hun toekomst. De asielopvang biedt niet
de omgeving waar jonge kinderen de ervaringen opdoen die hun een goede start geven in het
basisonderwijs, zoals spelen, Nederlands horen en voorgelezen worden. Ze lopen het risico om
met een aanzienlijke taal- en ontwikkelingsachterstand aan hun schoolloopbaan te beginnen.
Uit een landelijke peiling48 blijkt dat van de 68 gemeenten met een COA-opvanglocatie ruim
een derde een voorschools aanbod heeft voor peuters van deze locatie(s). In een kwart van de
gemeenten is een vrijwilligersaanbod beschikbaar (onder verantwoordelijkheid van het COA),
maar geen professionele voorschoolse voorziening. In ruim 40% van de gemeenten is er voor
de peuters in de opvang geen georganiseerd aanbod.49
Gemeenten hebben in het kader van de Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educa-
tie (Wet OKE) de taak om voldoende voorzieningen te creëren voor kinderen met een risico
op taalachterstand. Daarbij kunnen ze zelf bepalen of peuters in de asielopvang binnen deze
doelgroep vallen. Er zijn geen landelijke richtlijnen voor een voorschools aanbod. Daar komt
bij dat bewoners in de asielopvang vaak niet bekend zijn met het fenomeen peuterspeelzaal of
kinderopvang en daar niet om vragen. Bovendien liggen asielopvanglocaties in veel gevallen
enigszins geïsoleerd en is er dus geen voorschoolse voorziening in de buurt.
Gemeenten noemen financiering als grootste knelpunt bij een voorschools aanbod voor peu-
ters in de asielopvang. Het Rijk stelt geen extra middelen ter beschikking; gemeenten wor-
den geacht het voorschoolse aanbod uit bestaande middelen voor onderwijsachterstanden-
beleid (oab) te financieren. Met name gemeenten met een klein oab-budget en een groot
opvangcentrum rapporteren dat de kosten van een voorschools aanbod een struikelblok vor-
men. Het oab-budget houdt immers geen rekening met peuters die niet in de gemeente staan
ingeschreven.
 Leerplichtigen en funderend onderwijs
In het funderend onderwijs signaleert de raad eveneens toegankelijkheidsproblemen, twee in
het bijzonder.
46  Beekhoven & Muller, 2016.
47  Zie Onderwijsraad, 2015.
48  Beekhoven & Muller, 2016.
49  Wel stelt COA in de reguliere azc’s een speelkamer beschikbaar waar jonge kinderen en hun ouders gebruik van kunnen maken.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                    19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>   Eerste-opvangonderwijs voor leerplichtigen
   Vluchtelingenkinderen die Nederland binnenkomen in de leerplichtige leeftijd, komen meestal terecht
   in het eerste-opvangonderwijs. Hiervoor zijn geen landelijke richtlijnen; de organisatievorm hangt af
   van lokale afspraken tussen bijvoorbeeld schoolbesturen en gemeenten. Op basis van de in de praktijk
  gegroeide sterke variëteit onderscheidt de Inspectie van het Onderwijs voor nieuwkomers in de basis-
  schoolleeftijd vier typen voorzieningen.50 Bij het toezicht houdt de Inspectie ook rekening met de bij-
  zondere populatie (behalve bij type 4);
 • type 1: ‘azc-scholen’ verbonden aan een asielzoekerscentrum; 51
 • t ype 2: scholen die uitsluitend onderwijs verzorgen aan nieuwkomers én basisscholen met drie of
         meer nieuwkomersklassen; 52
 • type 3: basisscholen met één of twee groepen voor nieuwkomers; 53 en
 • t ype 4: basisscholen waar de nieuwkomers zijn geïntegreerd in reguliere groepen.54 In feite is hier
         geen sprake van eerste-opvangonderwijs als aparte voorziening.
  Op de type 1-scholen zitten kinderen meestal zo lang als zij in de asielopvang verblijven. Vanuit de scho-
   len van type 2 en 3 stromen de leerlingen na een periode van één tot anderhalf jaar uit naar een regu-
   liere school voor primair of voortgezet onderwijs.
   In het voortgezet onderwijs zijn er internationale schakelklassen (isk). Deze klassen zijn vooral ge-
  richt op het leren van de Nederlandse taal, zodat leerlingen na maximaal twee jaar deelname naar het
  ­reguliere onderwijs kunnen. Er zijn in Nederland rond de 100 scholen met een isk-afdeling (formeel is
  er sprake van regulier onderwijs), vaak hebben ze 50 à 100 leerlingen. In de grote steden zijn er afde-
   lingen met soms 500 leerlingen. Het onderwijs in de internationale schakelklassen wordt anders geor-
  ganiseerd dan in het reguliere voortgezet onderwijs, vaak met vaste kleine groepen met een dubbele
   personele bezetting. De diversiteit onder de leerlingen is groot, zowel qua onderwijsniveau, leeftijd als
   land van herkomst.
Ten eerste blijkt uit de gesprekken die de raad met experts heeft gevoerd dat onderwijs-
voorzieningen voor vluchtelingen bij een plotselinge toename soms maar moeizaam van de
grond komen. Vluchtelingenouders hebben regelmatig moeite om hun kind geplaatst te krij-
gen op de basisschool of middelbare school van hun keuze. Bij de overstap van een specifieke
nieuwkomersvoorziening (zie kader) naar het reguliere primair of voortgezet onderwijs stui-
ten ouders op scholen die zich terughoudend opstellen bij de plaatsing van vluchtelingen­
kinderen. Experts noemen daarbij als redenen: plaatsgebrek; een gebrek aan draagvlak onder
de ouderpopulatie; de school heeft al veel nieuwkomerskinderen opgenomen; de school is net
van ‘zwarte’ school ‘gemengde’ school geworden; en het gebrek aan ervaring van de school
met deze doelgroep. Scholen lijken soms de risico’s te willen mijden die de binnenkomst van
deze leerlingen met zich meebrengt, zoals een verhoogde kans op lage schoolresultaten en
op voortijdig schoolverlaten. Andere redenen die genoemd worden zijn de onzekerheid over
de aanvullende financiering van het onderwijs aan vluchtelingen – of de zekerheid van het
ontbreken ervan, als gevolg van de drempelfinanciering (scholen krijgen dan pas aanvullende
financiering bij een minimum aantal vluchtelingen). Ook komen uit het onderwijsveld gelui-
den dat het moeilijk is om geschikt personeel te vinden. De Wet werk en zekerheid werkt op dit
punt belemmerend: ambulante leerkrachten die vanwege hun expertise worden ingezet krij-
gen geen contractverlenging omdat dat kan leiden tot de verplichting van een vaste aanstel-
50     Inspectie voor het Onderwijs, juni 2015; www.lowan.nl.
51     30 scholen in februari 2015 (Inspectie van het Onderwijs, 2015a), 40 scholen in mei 2016 (op basis van mondelinge informatie van een
       expert).
52     26 scholen in februari 2015 (Inspectie van het Onderwijs,2015a), 23 scholen in mei 2016 (mondelinge informatie). Het aantal leerlingen
       in deze voorzieningen nam echter toe.
53     78 scholen in februari 2015 (Inspectie van het Onderwijs,2015b), 125 scholen in mei 2015 (mondelinge informatie).
54     Aantal onbekend, een schatting van Verus is dat het meer dan duizend scholen betreft; zie Verus, 2017.
20                                                                                                          Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>ling. Tot slot is het niet alleen voor leerlingen, maar ook voor scholen frustrerend dat kinderen
zo vaak genoodzaakt worden te verhuizen.
Het tweede toegankelijkheidsprobleem doet zich specifiek voor bij vluchtelingen in de middel­
bareschoolleeftijd. Na de periode in de internationale schakelklas stromen leerlingen vaak door
naar een te laag schoolniveau, zoals vmbo-basis, vmbo-kader of het praktijkonderwijs. Vaak is
het taalniveau van de leerling hierbij leidend, terwijl een deel van hen cognitief gezien op een
hoger niveau zou kunnen instromen. Uit een peiling onder 44 directeuren van scholen met
internationale schakelklassen, uitgevoerd door de VO-raad, blijkt dat volgens deze directeuren
ruim één op de drie isk-leerlingen doorstroomt naar een schoolniveau onder zijn of haar cog-
nitieve niveau.55 Van de ongeveer 3.500 leerlingen in de internationale schakelklassen tussen
de twaalf en zeventien jaar stroomt bijna 70% door naar het praktijkonderwijs, de vmbo-basis-
opleiding of de vmbo-kaderopleiding. En van de jongeren die naar het middelbaar beroeps-
onderwijs gaan, gaat 80% naar de entreeopleiding. Volgens isk-directeuren kan een deel van
de nieuwkomers, waaronder vluchtelingen, bij uitstroom minstens niveau mbo-2, -3 of -4 aan.56
Jongeren en het middelbaar beroepsonderwijs
Doorstromen naar een te laag onderwijsniveau speelt zoals gezegd ook in het middelbaar
beroepsonderwijs: veel vluchtelingenjongeren komen terecht op de entree-opleiding niveau
1 (waarvoor geen vooropleiding is vereist), terwijl ze eigenlijk meer in hun mars hebben. Ook
hier zijn taalachterstanden vaak de oorzaak van de lage plaatsing. De vraag is in hoeverre het
isk-onderwijs leerlingen snel genoeg naar een taalniveau weet te brengen dat kans geeft op
een schoolcarrière die recht doet aan hun talenten. Mbo-instellingen waar deze jongeren naar
doorstromen, beschikken vaak over onvoldoende middelen om ze de benodigde taalonder-
steuning te bieden. Er spelen nog andere factoren een rol. Mbo-instellingen gaan tot nu toe
niet vaak genoeg over tot het laten waarderen van een diploma uit een ander land. Het komt
relatief weinig voor dat een mbo-instelling bij de aanmelding van een vluchtelingenstudent
een verzoek indient voor een diplomawaardering of voor een indicatie onderwijsniveau bij de
SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven). Hierdoor loopt een deel
van deze studenten de rechtstreekse toegang tot een mbo-opleiding op niveau 2, 3 of 4 mis.
Wanneer een student niet over een diploma beschikt, kan het bevoegd gezag besluiten tot een
toelatingstoets, waardoor de student in kwestie ook ongediplomeerd kan instromen op een
hoger niveau. Ook hiervan maken mbo-instellingen weinig gebruik. Een deel van de instellin-
gen geeft bovendien aan dat zij, omdat zij onder andere worden beoordeeld op hun diploma­
rendement, terughoudend zijn bij het toelaten van studenten die een hoger risico lopen op
slechte studieresultaten, vertraging en uitval. Vooralsnog houden die beoordelingen geen
rekening met de vluchtelingenachtergrond van sommige studenten.
Niet-leerplichtigen en inburgering
De raad signaleert ook toegankelijkheidsproblemen bij de inburgering. Statushouders die in
de asielopvang wachten op een reguliere woning in een gemeente, mogen deelnemen aan
een door het COA georganiseerd voorinburgeringsprogramma. Dit voorinburgeringspro-
gramma kent geen externe kwaliteitscontrole. Een tweede probleem is dat vluchtelingen die
zijn uitgeplaatst naar een gemeente, vaak pas na enige tijd beginnen met inburgering – soms
beginnen ze er helemaal niet aan.57 Een derde probleem is onlangs deels opgelost. Tot voor
kort mochten meerder­jarige asielzoekers pas met taalonderwijs door professionals beginnen
55  VO-raad, 2016a.
56  Ibid.
57  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016a; 2016c.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    als ze een asielstatus hadden, en het wachten op die status kan maanden duren. Inmiddels is
    besloten dat de Syriërs en Eritreeërs (omdat zij worden gezien als ‘kansrijke’ asielzoekers) onder
    bepaalde voorwaarden al eerder gebruik kunnen maken van het taalaanbod door professio-
    nals in het kader van het voorinburgeringsprogramma.58 Asielzoekers met andere nationalitei-
    ten zijn hiervan uitgesloten en moeten wachten tot ze een status krijgen.
      Inburgering is verplicht voor vluchtelingen met een status
     Vluchtelingen die als meerderjarige naar Nederland zijn gekomen en een verblijfsstatus hebben ge-
     kregen, zijn verplicht om het inburgeringsexamen te halen. Het inburgeringsaanbod bestaat uit drie
     onderdelen: beheersing van de Nederlandse taal op beginnersniveau (A2), algemene kennis van de
     Nederlandse samenleving en een oriëntatie op de arbeidsmarkt. Doel is om de integratie te verge-
     makkelijken. Vanaf het moment van verhuizing naar een eigen woning in een gemeente (en de bijbe-
     horende inschrijving in de gemeentelijke administratie) heeft men drie jaar de tijd om het examen te
     halen. Wie een asielstatus heeft (of een bepaalde ‘kansrijke’ nationaliteit, zie hierboven), kan binnen de
     asiel­opvang deelnemen aan het voorinburgeringsprogramma van het COA. Dit programma kent geen
     externe kwaliteitscontrole, maar wordt wel uitgevoerd door gekwalificeerde NT2-docenten. Het be-
     staat uit drie delen: een taalprogramma, een training kennis van de Nederlandse samenleving, en twee
     gesprekken in het kader van persoonlijke begeleiding.
     In 2013 zijn er wetswijzigingen doorgevoerd voor inburgering. De inburgeringsresultaten onder de
     nieuwe wet zijn vooralsnog niet goed, zeker niet van de vluchtelingen. Een belangrijke wijziging die in
     2013 werd ingevoerd, was dat de verantwoordelijkheid voor de inburgering verschoof van de gemeen-
     ten naar de individuele inburgeraars. Dit betekende onder meer dat de financiële middelen naar de in-
      burgeraars gaan (via DUO, Dienst Uitvoering Onderwijs) en niet meer naar de gemeente. Ook werd de
     markt voor het inburgeringsaanbod vrijgegeven en de tentaminering geheel gedigitaliseerd. Een sig-
     nificante verandering daarbij was dat het A2-niveau in de Nederlandse taal nu niet meer integraal door
     assessors werd getoetst, maar digitaal en in vier afzonderlijke onderdelen (spreken, schrijven, luisteren,
      lezen). Inmiddels worden door het Cito nieuwe toetsen ontwikkeld.59 Er ligt een voorstel bij de Tweede
     Kamer waarin opnieuw wijzigingen ten aanzien van de inburgering worden voorgesteld.60
2.4 Argument 4: de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen kan beter
    Het onderwijs aan vluchtelingen kent een aantal knelpunten die ervoor zorgen dat de kwali-
    teit te wensen overlaat. Knelpunten hebben vooral betrekking op de kennis en vaardigheden
    van de leraren, de materialen waarmee ze moeten werken en het (ontbrekende) taalbeleid van
    scholen.
    Leerkrachten en pedagogisch medewerkers die met vluchtelingen werken, zijn hiertoe vaak
    niet opgeleid. In reguliere lerarenopleidingen voor primair en voortgezet onderwijs wordt
    onvoldoende aandacht besteed aan meertaligheid en aan talige diversiteit in de klas, terwijl
    veruit de meeste leerkrachten wel te maken krijgen met leerlingen voor wie het Nederlands
    niet de moedertaal is. Veel leerkrachten die werkzaam zijn in het eerste-opvangonderwijs heb-
    ben wel een specifieke opleiding of cursus gevolgd in NT2 (Nederlands als tweede taal). Dit
    58   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016b. Uit onderzoek blijkt dat er steeds minder sprake van verloren tijd in azc’s nu
         asielzoekers mogen aansluiten bij taallessen (De Lange, Besselsen, Rahouti & Rijken, 2017, in voorbereiding).
    59   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016b.
    60   Zie Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2016, p.4. In het wetsvoorstel worden twee gemeentelijke taken wettelijk verankerd: het
         participatieverklaringstraject dat de gemeente aan inburgeringsplichtige moet aanbieden en het verzorgen van maatschappelijke
         begeleiding van inburgeringsplichtige statushouders en hun gezinsleden
    22                                                                                                       Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    geldt echter niet voor iedereen, zeker niet op scholen waar maar enkele vluchtelingen zitten.
    Binnen de school is ook niet altijd voldoende expertise beschikbaar van een collega die wél
    hiertoe is opgeleid. De toestroom van vluchtelingen in 2014, 2015 en begin 2016 heeft ervoor
    gezorgd dat er meer NT2-opleidingsplaatsen zijn gekomen en veel leerkrachten zijn alsnog bij-
    geschoold. Er is echter een groot aantal vluchtelingenleerlingen geweest dat les heeft gehad
    van leraren die nauwelijks kennis hadden van NT2-didactiek. Naast expertise op het terrein van
    NT2 is ook kennis en kunde nodig op het gebied van internationale competentie en (het signa-
    leren van) trauma’s. De raad constateert dat deze expertise onder leraren die met vluchtelin-
    gen werken geen gemeengoed is.
    Daarnaast werken leerkrachten in veel gevallen met een beperkt en verouderd arsenaal aan
    methoden, toetsen en leerlijnen. De kennisinfrastructuur die ooit bestond op het gebied van
    nieuwkomersonderwijs is in de loop der tijd voor een groot deel verdwenen, wegens bezuini-
    gingen en een veranderde politieke context.61 Daardoor hebben scholen nu vaak onvoldoende
    toegang tot kennis en materialen. Ook zijn de mogelijkheden tot uitwisseling van praktijken
    en ideeën zeer beperkt.
    Tot slot hebben de vluchtelingenleerlingen ook op de middellange termijn extra taalonder-
    steuning nodig. Een goede overgang van apart georganiseerd, expliciet taalonderwijs (eer-
    ste-opvangonderwijs) naar taalonderwijs in een reguliere setting door middel van taalgerichte
    (vak)didactiek is belangrijk voor schoolsucces. Deze ondersteuning is er lang niet altijd. Extra
    taalinstructie gericht op het leren van Nederlands als tweede taal stopt meestal na de overstap
    van eerste-opvangonderwijs naar regulier onderwijs, en taalgericht (vak)onderwijs is geen
    gemeengoed. Lang niet alle instellingen hebben een meerjarig taalbeleid waarin de visie op
    het gehele taalonderwijs beschreven staat, met daarin ook aandacht voor transfer en integra-
    tie van taalvaardigheid in overige vakken. Deze problemen raken niet alleen vluchtelingen, ook
    andere anderstalige nieuwkomers hebben ermee te maken.
2.5 Argument 5: het onderwijs aan vluchtelingen is niet efficiënt georganiseerd
    Het onderwijs aan vluchtelingen verloopt op dit moment op drie punten niet efficiënt. In de
    eerste plaats worden onderwijsloopbanen herhaaldelijk onderbroken – of zelfs stilgezet – door
    de vele verhuizingen tijdens de asielprocedure. In de tweede plaats is er te weinig sprake van
    kennisdeling binnen het eerste-opvangonderwijs. In de derde plaats brengt ad-hocbeleid
    allerlei kosten met zich mee.
    Verhuizingen en noodopvang zijn ongunstig voor schoolloopbaan
    De verschillende verhuizingen maken dat leerplichtige vluchtelingenkinderen op steeds weer
    een nieuwe school hun plek en hun draai moeten zien te vinden. Voor kinderen die toch al
    ontworteld zijn en de Nederlandse taal nog nauwelijks beheersen, is dit een grote opgave.
    Leerkrachten geven aan dat sommige kinderen zich door alle veranderingen afsluiten van
    de buitenwereld en zich niet meer hechten aan de leerkracht of aan klasgenootjes. Onder-
    zoek laat zien dat de vele verhuizingen van vluchtelingen kunnen leiden tot allerhande psy-
    chische en psychosomatische problemen.62 Omgekeerd is het voor leerkrachten en scholen
    61   In de jaren ’80, ’90 en ’00 bestond er bijvoorbeeld een landelijke projectgroep NT2 en namen landelijke pedagogische centra en onder-
         wijsbureaus de ontwikkeling van onderwijsmaterialen voor nieuwkomers ter hand. Ook werden opleidingen voor NT2 en universitaire
         studierichtingen gericht op het onderwijs aan migrantenleerlingen opgestart.
    62   Goosen, Stronks & Kunst, 2013.
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre> bijzonder lastig om telkens nieuwe kinderen in de groepen te krijgen, van wie bovendien het
 onderwijsniveau en de onderwijsbehoeften onbekend zijn. Uit onderzoek63 blijkt dat in het
 algemeen verhuizingen van welke kinderen dan ook tevens een negatief effect hebben op de
 onderwijsprestaties.
 Het gebeurt ook dat asielzoekers en vluchtelingenkinderen – al dan niet tijdelijk – buiten het
 schoolsysteem vallen door de dynamiek in de asielopvang. Dit geldt bijvoorbeeld voor kinde-
 ren die in een noodopvangvoorziening van COA geplaatst worden en moeten wachten tot daar
 een school geopend wordt, of tot er plek is gecreëerd bij een school in de buurt. Ook leidde
 de toestroom van asielzoekers uit met name Syrië eind 2015 en begin 2016 ertoe dat gemeen-
 ten crisisopvang moesten organiseren en er wachttijden ontstonden in de centrale ontvangst­
 locaties en de procesopvanglocaties van COA. In die periode kwam het herhaaldelijk voor dat
 kinderen na binnenkomst wekenlang niet naar school konden.64 Op het moment dat er sprake
 is van verhoogde toestroom komt de afspraak van een snelle start in het onderwijs onder druk
 te staan. Het risico om buiten het schoolsysteem te vallen lopen ook de kinderen die naar een
 andere opvanglocatie verhuizen of naar een reguliere woning in een andere gemeente door-
 schuiven. Zij hebben daar soms moeite om een school te vinden die plaats voor hen heeft. Dit
 risico geldt eveneens voor vluchtelingenjongeren die verhuizen op het moment dat zij bijna
 meerderjarig zijn. Scholen in het voortgezet onderwijs mogen zelf een leeftijdsgrens stellen en
 leggen die soms al bij zeventien jaar.
 De organisatie van het eerste-opvangonderwijs is gefragmenteerd
 Bij het onderwijs aan vluchtelingen wordt – vooral wanneer er sprake is van een sterke toe-
 name van de instroom – op verschillende plekken in het land afzonderlijk aan oplossingen
 gewerkt. Er zijn wel instanties en mechanismes die stimuleren dat scholen en gemeenten in en
 tussen verschillende regio’s van elkaar leren, maar de kaders waarmee zij moeten werken zijn
 op dit moment onvoldoende duidelijk. Er wordt, kortom, veel geïmproviseerd – in elk geval
 meer dan wenselijk en noodzakelijk is.
 Er zijn diverse ministeries direct of indirect betrokken bij het beleidsterrein onderwijs en vluch-
 telingen.65 Daarbij gelden verschillende regelingen en komt men tot verschillende initiatieven,
 waarbij de ministeries elk deels een andere insteek hebben. Vanuit het perspectief van het
 onderwijs is het ongewenst dat de asielopvang vooral ten dienste staat van de asielprocedure
– en in veel mindere mate ten dienste van een passende plek in het onderwijs en de toekom-
 stige participatie in de samenleving. Zo is het vanuit het perspectief van integratie verstandig
 te koersen op een zo snel mogelijke start van de schoolloopbaan, en dit wordt niet bevorderd
 door veelvuldige verhuizingen en gefragmenteerd beleid.
 Daarnaast is er, buiten de ministeries, een lange lijst van andere instanties en personen die
 betrokken zijn bij de opvang van en het onderwijs aan vluchtelingen. Decentrale beleids­vrijheid
 in het onderwijsstelsel is een groot goed, zoals de Onderwijsraad al vaker heeft betoogd.66
 63   Coley & Kull, 2016.
 64   Kinderombudsman, 2016.
 65   Het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom met de VNG van 27 november 2015 is ondertekend door bewindslieden van Binnen-
      landse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Veiligheid en Justitie, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en van Financiën, en door de
      Minister van Wonen en Rijksdienst. Laatstgenoemde ontbreekt bij het Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielinstroom met de VNG van
      28 april 2016. Dat akkoord is niet alleen (opnieuw) ondertekend door bewindslieden van de hierboven genoemde ministeries, maar
      ook door die van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
 66   Onderwijsraad, 2012; Onderwijsraad, 2013.
 24                                                                                                    Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Tegelijkertijd vinden de geraadpleegde experts dat er op dit moment te weinig centrale kaders
zijn, waardoor de uitvoering te zeer afhangt van COA, ambtenaren, vrijwilligers, privaat geld en
individuele leerkrachten. Schoolbesturen mogen bijvoorbeeld zelf bepalen hoe zij nieuwko-
mers zoals vluchtelingen opvangen. Zo komt het ene vluchtelingenkind terecht op een gespe-
cialiseerde basisschool die jarenlange ervaring heeft met anderstaligen, en wordt het andere
kind vanaf dag één ‘ondergedompeld’ in een reguliere klas. Er bestaan ook spanningen tussen
het centrale en het lokale niveau, en tussen overheden en bijvoorbeeld onderwijsbesturen
en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. En er is weinig verbinding tussen onderwijs-
beleid, onderwijsveld, opleidingen en wetenschap. Het gebrek aan kaders en kennis leidt tot
onduidelijkheid in de uitvoering op scholen, in gemeenten en in de regio’s.
Ad-hoc- en gefragmenteerd beleid is inefficiënt en kostbaar
Toen er in 2014, 2015 en begin 2016 sprake was van een grotere toestroom van vluchtelingen
in Nederland, en daarmee ook van vluchtelingen in de leerplichtige leeftijd, was er in het
begin sprake van capaciteitsproblemen. In snel tempo zijn veel voorzieningen opgestart of
uitgebreid, maar er zijn, zoals gezegd, ook groepen vluchtelingenkinderen geweest die te lang
van goed onderwijs verstoken zijn gebleven. Daarnaast zijn er nogal wat kosten gemaakt die
samengaan met een opstartfase (bijvoorbeeld het opzetten van opleidingen, het aanpassen
van methoden en het vrijmaken van een programmamanager en accountmanagers bij het
ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)).
Er zijn nog andere kosten verbonden aan ad-hocbeleid voor onderwijs aan vluchtelingen. Niet
alles kan immers snel worden opgestart. De Onderwijsraad heeft de afgelopen twee jaren
gezien dat het mogelijk is om snel nieuw beleid te formuleren als het gaat om nieuwe financi-
ële regelingen en om het tijdelijk vrijmaken van accountmanagers. Het is echter veel lastiger
om snel aan de benodigde kennis en expertise te komen die nodig is voor goed onderwijs.
Zo bestaat er nog nauwelijks een wetenschappelijk vakgebied Nederlands als tweede taal. Er
wordt wel enig toegepast onderzoek verricht (bijvoorbeeld door het kennisinstituut voor taal-
ontwikkeling ITTA). Ook zijn er onvoldoende leerkrachten die specifiek zijn opgeleid om met
vluchtelingen te werken en is aandacht voor culturele en talige diversiteit nagenoeg verdwe-
nen uit de lerarenopleidingen. De raad vindt het onverstandig als de kennis en expertise die nu
opnieuw zijn opgebouwd, weer worden afgebroken omdat het aantal vluchtelingen (tijdelijk)
afneemt.
Tekortkomingen in het onderwijs aan vluchtelingen zijn op de lange termijn onwenselijk. De
doelgroep krijgt onvoldoende de kans om via het onderwijs deel te nemen aan de Nederland-
se samenleving. Dit leidt onder andere tot hogere kosten voor sociale zekerheid, (geestelijke)
gezondheidszorg en participatiebemiddeling. Het afgelopen jaar is veel gediscussieerd over
de directe kosten van de asielopvang en het onderwijs aan vluchtelingen. Daarbij wordt vaak
uitgegaan van ‘directe substitutie’67: geld dat aan vluchtelingenonderwijs wordt uitgegeven,
gaat niet naar andere eveneens belangrijke onderwijsdoelen. De raad vindt ook dat het onder-
wijs aan vluchtelingen niet ten koste mag gaan van het onderwijs aan andere (kwetsbare) groe-
pen. De extra investeringen van de overheid in onderwijs aan vluchtelingenkinderen juicht de
raad dan ook toe. Een simpele kosten-batenanalyse leert dat op de lange termijn investeringen
in onderwijs zichzelf terugverdienen. Immers, investeren in voor- en vroegschoolse educatie
voor jonge kinderen zorgt dat zij met een minder grote achterstand aan het basisonderwijs
beginnen.68 Investeren in het voortgezet en middelbaar onderwijs kan vluchtelingenkinde-
67   Lucassen, 2016.
68   Heckman, Moon, Pinto, Savelyev & Yavitz, 2010; Onderwijsraad, 2015.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>ren mogelijkerwijs behoeden voor voortijdig schoolverlaten. Investeren in volwassenen stelt
hen in staat hun opleidingsniveau te verhogen en een Nederlands diploma te behalen, waar-
door zij meer kans maken op de arbeidsmarkt en minder gebruik hoeven maken van sociale
voorzieningen.69
Onderwijseconomisch onderzoek toont aan dat niet alleen de individuele baten (hoger loon,
minder werkloosheid), maar ook de maatschappelijk baten van investeren in onderwijs hoog
zijn. Investeringen in onderwijs leveren een hogere productiviteit, een betere gezondheid,
meer en betere sociale netwerken, minder criminaliteit en grotere deelname aan de samen­
leving op.70 Het niet beheersen van de Nederlandse taal en het niet voldoende kennismaken
via het onderwijs met democratische waarden brengt bovendien extra maatschappelijke kos-
ten met zich mee door de gevolgen van sociale uitsluiting.
69  Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016.
70  Groot & Maassen van den Brink, 2003a; Groot & Maassen van den Brink, 2003b.
26                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Toegang tot goed onderwijs is van groot belang, ook voor vluchtelin-
     gen. De raad doet aanbevelingen om de toegankelijkheid te verbete-
     ren, zodat ook bij een snelle toename van de instroom vluchtelingen
     aan goed onderwijs kunnen deelnemen.
3    Aanbeveling 1: vergroot de
     toegankelijkheid van het onderwijs in
     alle fasen van de loopbaan
     Zoals betoogd in hoofdstuk 2, is het van groot belang dat het onderwijs toegankelijk is voor
     vluchtelingen – jong en oud. De raad pleit voor beter bereikbare voorschoolse voorzieningen,
     voor betere toegang tot scholen in het funderend onderwijs en tot mbo-instellingen (met name
     de hogere niveaus), en voor het onder regie van gemeenten opzetten van duale trajecten voor
     volwassenen. In dit hoofdstuk wordt deze aanbeveling uitgewerkt.
3.1  Voorschoolse voorzieningen: geef álle vluchtelingenpeuters toegang
     Laat alle peuters in de asielopvang deelnemen aan voorschoolse voorzieningen
     Jonge kinderen hebben baat bij kwalitatief goede opvang en educatie in de voorschoolse peri-
     ode. In zijn advies Een goede start voor het jonge kind (2015) pleit de raad voor een vrijwillige,
     kwalitatief hoogwaardige voorziening voor alle kinderen vanaf tweeënhalf jaar waarin spe-
     len, vorming, het voorkomen van leerachterstanden en opvang bijeen zijn gebracht. Onder
    ‘alle’ kinderen verstaat de raad ook alle asielzoekers- en vluchtelingenkinderen. Hij vindt het
     verstandig om peuters in de asielopvang te laten deelnemen aan professionele voorschoolse
     voorzieningen.
      Dit vereist actieve inspanning van Rijk en gemeenten. Het betekent dat er een voorschools aan-
     bod beschikbaar dient te zijn in of bij de asielopvang óf dat vervoer wordt georganiseerd naar
     een voorschoolse voorziening elders. Peuters in de asielopvang dienen actief te worden toege-
     leid naar deze voorschoolse voorzieningen, waarbij het consultatiebureau (onderdeel van de
     gemeentelijke jeugdgezondheidszorg), COA en voorschoolse aanbieders meer dan nu samen-
     werken om deze groep snel en goed geplaatst te krijgen.
     Schenk ook aandacht aan vluchtelingenpeuters bij verhuizing als statushouder naar een gemeente
     Vanaf het moment dat vluchtelingenpeuters met het gezin verhuizen van de asielopvang naar
     een eigen woning in een gemeente, duurt het vaak nog enkele maanden voordat zij naar een
     peutervoorziening kunnen. Hiervoor zijn verschillende redenen: ouders zijn onbekend met het
     fenomeen peuterspeelzaal; ouders zijn bezig met de vele stappen die het opbouwen van een
     nieuw leven vergt en geven het zoeken naar een voorschoolse voorziening geen prioriteit; en er
     zijn wachtlijsten bij de dichtstbijzijnde peuterspeelzalen. De toeleidende rol naar voorschoolse
     educatieve voorzieningen die het consultatiebureau vaak heeft bij kinderen die hier geboren
     zijn, kunnen deze bureaus meestal niet spelen waar het gaat om vluchtelingenkinderen, omdat
     zij hen niet vanaf hun geboorte zien én vanwege taalbarrières. Er is op dit moment niemand die
      Vluchtelingen en onderwijs                                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    deze rol actief op zich neemt. Ook als ouders hun kind wél willen opgeven, kunnen er drem-
    pels zijn. Niet alle vluchtelingenpeuters komen in aanmerking voor voorschoolse educatie: het
    hangt af van de manier waarop de gemeente de doelgroep bepaalt. In gemeenten die daar-
    bij volledig uitgaan van het opleidingsniveau van ouders, hebben kinderen van gemiddeld of
    hoogopgeleide vluchtelingenouders niet automatisch recht op deelname aan voorschoolse
    educatie. De raad acht in dit geval de daadwerkelijke taalachterstand van een peuter en de
    socialiserende functie van de peuterspeelzaal belangrijker dan het initiële opleidingsniveau
    van de vluchtelingenouders. Hij beveelt dan ook aan het recht op deelname aan voorschoolse
    voorzieningen uit te breiden naar alle vluchtelingenkinderen, ongeacht het opleidingsniveau
    van de ouders. Idealiter kunnen vluchtelingenpeuters terecht op een vrijwillige, kwalitatief
    hoogwaardige voorziening voor alle kinderen vanaf tweeënhalf jaar.71
    De raad adviseert de bij de vluchtelingen betrokken partijen om de toegang van vluchtelin-
    genpeuters tot een voorschoolse voorziening tot prioriteit te maken bij de vestiging van sta-
    tushouders in een gemeente. Een snelle toeleiding naar de peutervoorziening hoort bijvoor-
    beeld ook een speerpunt te zijn bij de maatschappelijke begeleiding vanuit VluchtelingenWerk
    Nederland. Ook contact tussen consultatiebureaumedewerkers en vluchtelingenouders is
    nodig.
3.2 Funderend onderwijs: laat scholen, gemeenten en inspectie de handen
    ineenslaan
    Zorg dat scholen in primair en voortgezet onderwijs vluchtelingen makkelijker aannemen
    De raad ziet globaal drie mogelijke oplossingen om de toegankelijkheid van het primair en
    voortgezet onderwijs voor vluchtelingenkinderen te verbeteren. In de eerste plaats is het
    nodig om scholen te stimuleren zich minder terughoudend op te stellen bij het aannemen van
    deze leerlingen. De gemeente kan hierin een rol spelen door hierover van tevoren te spreken
    met de scholen binnen de gemeente of de regio en constructief overleg tussen alle betrokken
    partijen te entameren, ook (of juist) als de instroom van vluchtelingen relatief gering is. Ten
    tweede zou de inspectie prikkels kunnen wegnemen die maken dat scholen terughoudend
    zijn bij het accepteren van vluchtelingenleerlingen. Dit kan door rekening te houden met de
    vluchtelingenachtergrond van leerlingen in de beoordeling van de leerprestaties. Een derde en
    laatste component voor grotere toegankelijkheid is dat alle scholen voldoende geëquipeerd
    zijn voor een goed aanbod gericht op deze leerlingen. Het is daartoe belangrijk dat leerkrach-
    ten in het primair onderwijs basale kennis bezitten van zowel eerste- als tweedetaal­didactiek
    (NT2) en dat in het primair en voortgezet onderwijs elke school minstens één teamlid heeft met
    diepgaande kennis op het gebied van tweedetaalverwerving en -didactiek. In het voortgezet
    onderwijs is kennis van taalgericht vakonderwijs van belang. De school heeft voor informatie
    en advies verder korte lijnen nodig naar regionale of landelijke kennisinstituten en andere rele-
    vante partijen.
    Evalueer de internationale schakelklassen en plaats ze zo veel mogelijk binnen brede
    schoolgemeenschappen
    In paragraaf 2.3 werd betoogd dat te veel nieuwkomers in de middelbareschoolleeftijd, waar-
    onder vluchtelingen, na de periode in de internationale schakelklas doorstromen naar een
    schoolniveau dat lager ligt dan mogelijk zou zijn op basis van hun cognitieve capaciteiten. Het
    taalniveau van de leerlingen aan het einde van hun periode in de internationale schakelklas is
    71  Onderwijsraad, 2015.
    28                                                                       Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>     vaak onvoldoende om zonder extra steun op een hoger schoolniveau met alle vakken te kun-
     nen meekomen. De raad adviseert op grond van deze bevinding om het isk-onderwijs apart te
     evalueren en te bezien of het mogelijk is leerlingen die het aankunnen, sneller op een hoger
     niveau van Nederlandse taalvaardigheid te brengen. Zouden er bijvoorbeeld isk-diploma’s
     op verschillende niveaus moeten komen? In het onderwijsverslag 2014-2015 rapporteerde de
     inspectie reeds dat de bezoeken van inspecteurs grote verschillen in onderwijskwaliteit tussen
     de internationale schakelklassen aan het licht brengen.72 Het wachten is momenteel nog op de
     aangekondigde rapportage van de inspectie over dit type onderwijs.
     Daarbij komt dat internationale schakelklassen die zijn ondergebracht bij een vmbo-school of
    -afdeling (meestal vmbo-basis), hun leerlingen vaak min of meer automatisch verwijzen naar de
     lagere vmbo-typen, ook als een hoger schooltype beter zou zijn. De docenten op deze inter-
     nationale schakelklassen hanteren vooral het vmbo als referentiekader. Hierdoor bestaat het
     risico dat de aspiraties en capaciteiten die isk-leerlingen hebben om op een ander onderwijs­
     niveau terecht te komen, niet voldoende worden herkend. De raad vindt dat scholen en school-
     besturen in eerste instantie aan zet zijn op dit punt. Het zou verstandig zijn om internationale
     schakelklassen zo veel mogelijk binnen brede scholengemeenschappen te plaatsen, waarbij
     de verschillende schooltypes gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor het onderwijs
     aan nieuwkomers en hun doorstroomkansen.
     In het schooljaar 2015-2016 zijn er ongeveer 7.000 vluchtelingen op circa 120 isk-voorzieningen
     ingestroomd. Om al deze kinderen op te vangen zijn de bestaande isk-voorzieningen uitge-
     breid of nieuwe opgestart.73 Vluchtelingen zullen dus direct profiteren als de kwaliteit van deze
     voorzieningen beter wordt en de doorstroom naar hogere reguliere schoolniveaus toeneemt.
     De toegankelijkheid tot regulier onderwijs dat recht doet aan de (potentiële) capaciteiten van
     kinderen mag niet beperkt worden door de knelpunten in het eerste-opvangonderwijs.
3.3  Middelbaar beroepsonderwijs: benut bestaande beleidsruimte én maak
     combinaties met taalonderwijs
     De raad wil de toegang van vluchtelingen tot de hogere niveaus van het middelbaar beroeps-
     onderwijs vergemakkelijken door de instellingen de bestaande vrijheid die zij hebben bij toe-
     lating, beter te laten benutten. Ook pleit hij voor meer flexibiliteit in het aanbod.
     Laat mbo-instellingen actiever bestaande beleidsruimte benutten
     Uit internationale studies blijkt dat anderstalige leerlingen na vestiging in een ander land extra
     taalondersteuning vier tot zeven jaar nodig hebben om hun capaciteiten ten volle te benut-
     ten.74 In dit licht bezien is het niet verrassend dat vluchtelingenjongeren struikelen over toela-
     tingseisen van mbo-opleidingen. Ze komen daardoor vooral in de entree-opleidingen terecht.
     De raad beveelt aan om mbo-instellingen meer gebruik te laten maken van de beleidsruimte
     die er is om zelf te beslissen over toelating, zodat leerlingen die niet aan alle eisen voldoen
     toch toegelaten kunnen worden. Mbo-instellingen weten nu vaak niet dat ze deze ruimte heb-
     ben. Ook kunnen instellingen vaker extern een diplomawaardering aanvragen of extra inspan-
     ningen verrichten om het onderwijsniveau van leerlingen te laten vaststellen. De overheid
     kan de instellingen hierover beter informeren. Sommige mbo-instellingen realiseren momen-
     72   Inspectie van het Onderwijs, 2016, p.106.
     73   VO-raad, 2016b.
     74   Hajer, 2016a; Hill & Björk, 2008.
     Vluchtelingen en onderwijs                                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    teel reeds ‘taalschakeltrajecten’ voor studenten in spe, ter voorbereiding op de hogere mbo-­
    opleidingen. Ze werken daarbij samen met gemeenten en bijvoorbeeld het UAF (Stichting voor
    Vluchtelingen-Studenten). Dit soort initiatieven verdient navolging.
    De raad acht het nodig om het taalonderwijs binnen de instellingen te verstevigen en te inten-
    siveren. Daarvoor is voldoende expertise op het gebied van de didactiek van Nederlands als
    tweede taal nodig. Leerlingen met een taalachterstand zouden in het middelbaar beroeps-
    onderwijs naast het reguliere aanbod voldoende taalsteun moeten kunnen krijgen. Dit soort
    elementen hoort volgens de raad beschreven te zijn in een taalbeleidsplan, dat elke mbo-­
    instelling behoort te hebben. Ook is het raadzaam dat mbo-instellingen een visie ontwikkelen
    op wat zij behalve extra taalondersteuning kunnen en willen bieden aan vluchtelingen. In het
    middelbaar beroepsonderwijs zijn zelfstandigheid, zelfsturing en het eigen initiatief van stu-
    denten belangrijk. Voor vluchtelingen zijn deze vaardigheden niet vanzelfsprekend. Nadenken
    over de aanpak die nodig is om vluchtelingen deze (beroeps)vaardigheden bij te brengen, is
    noodzakelijk.
    Stimuleer combinatietrajecten taal- en beroepsonderwijs
    Vo-instellingen hebben voor vluchtelingenjongeren in de middelbareschoolleeftijd (net als
    bij andere nieuwkomers) recht op twee jaar aanvullende bekostiging. In de praktijk komt het
    veel voor dat vluchtelingenjongeren na de internationale schakelklas doorstromen naar een
    entree-opleiding en daarna geen werk vinden. Ze hebben dan immers geen startkwalificatie.
    Voor de arbeidskansen van deze jongeren is het belangrijk dat zij de mogelijkheid krijgen om
    op een hoger mbo-niveau onderwijs te volgen. Wettelijk is het toegestaan dat vo-leerlingen
    maximaal 50% van hun tijd elders doorbrengen. Deze regeling kan worden toegepast op isk-
    leerlingen die alvast de entree-opleiding volgen. Zo kunnen zij ná hun isk-tijd een hogere mbo-
    opleiding volgen. In de praktijk komt dit echter nauwelijks voor. De raad vindt dit een interes-
    sante route om vluchtelingenleerlingen op een hoger mbo-niveau te laten uitstromen en zo de
    kans te geven minstens een startkwalificatie te behalen. Hiervoor is een betere samenwerking
    nodig tussen de vo-scholen met internationale schakelklassen en de mbo-instellingen.
3.4 Inburgering: begin sneller en pak het doelgerichter aan
    De raad adviseert meerderjarige vluchtelingen sneller de kans te geven om Nederlands te
    leren en kennis te maken met het land. Het gaat daarbij om mensen die asiel hebben aan-
    gevraagd en een grote kans hebben dat hun verzoek wordt ingewilligd. Op dit moment
    duurt het wachten voor velen nog te lang. Het is daarom positief dat de minister van Soci-
    ale Zaken en Werk­gelegenheid de mogelijkheden voor ‘kansrijke’ asielzoekers onlangs heeft
    uitgebreid. Dit houdt in dat asielzoekers met “vastgestelde nationaliteiten (…) met een hoge
    kans op vergunningverlening, dat zijn op dit moment met name Syriërs en Eritreeërs” al eer-
    der aan taallessen mogen beginnen. Zij hoeven niet meer te wachten tot ze een verblijfsstatus
    hebben.75 De raad is daarnaast van mening dat gemeenten weer meer regie over de inburge-
    ring moeten nemen. Zij kunnen vluchtelingen beter adviseren over de lokale onderwijs- en
    arbeidsmarktmogelijkheden.
    75  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016b. Het wordt voor de meeste Syriërs en Eritreeërs die nog in afwachting zijn
         van een beslissing in hun asielprocedure vanaf voorjaar 2017 mogelijk om deel te nemen aan NT2-taallessen uit de voorinburgering op
         een azc bij hen in de buurt. Tot het moment van vergunningverlening wonen deze mensen in een proces-opvanglocatie. “In de buurt”
         betekent op minder dan 20 kilometer van een nabijgelegen azc. Met het COA wordt bezien hoe het vervoer naar het azc ingericht kan
         worden.
    30                                                                                                    Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Begin tijdig met het onderwijs aan vluchtelingen
De raad adviseert om al in te zetten op onderwijs zo snel mogelijk na binnenkomst in Neder-
land. Kansrijke asielzoekers moeten zo snel mogelijk Nederlandse taalles krijgen van professi-
onals. In de meeste asielopvanglocaties zijn wel al vrijwilligers actief die onder verantwoorde-
lijkheid van het COA taalles bieden aan (nog) niet-statushouders. Vanuit onderwijsperspectief
geldt echter dat hoe eerder vluchtelingen met (taal)onderwijs door professionals kunnen
beginnen, hoe beter het is. Goed taalonderwijs betekent een werkelijke start van het proces
naar participatie in de Nederlandse samenleving. Het helpt vluchtelingen zo snel mogelijk op
weg in de maatschappij en stimuleert hun actieve participatie daarin. Op het moment dat een
verblijfsvergunning wordt toegekend, zullen vluchtelingen die al begonnen zijn met taallessen
beter gemotiveerd en voorbereid zijn om hun inburgeringsexamen te halen.
De raad vindt het een goede zaak dat de voorinburgering van statushouders door gekwalifi-
ceerde professionals wordt uitgevoerd, omdat dit de kwaliteit ten goede komt. Uit het rapport
van de Algemene Rekenkamer 76 blijkt echter dat de toetsresultaten van de vluchtelingen die
de voorinburgering hebben gevolgd, lager waren dan de beleidsmakers hadden verwacht. De
raad pleit er daarom voor om de uitvoering van de voorinburgering aan een externe kwaliteits-
controle te onderwerpen.
In de asielopvang krijgen vluchtelingen soms ook taalles van vrijwilligers die zijn getraind door
professionals. De raad beveelt aan om de aansluiting tussen het vrijwilligersaanbod en het
voorinburgeringsprogramma goed te organiseren. Professionele NT2-docenten kunnen bij-
voorbeeld als vraagbaak dienen voor vrijwilligers. Zo nodig kunnen hierover regionale afspra-
ken worden gemaakt. Het is één van de thema’s die in het kader van de regioregie kunnen wor-
den opgepakt, zoals in pararaaf 5.2 nader wordt uitgewerkt.
 Een deel van de vluchtelingen die al wel een verblijfsstatus hebben, verblijft in de asielopvang
omdat voor hen nog geen woning beschikbaar is. De raad benadrukt dat snelle plaatsing in
een woning in een gemeente voor een optimale integratie beter is dan taalonderwijs door vrij-
willigers en/of een voorinburgeringstraject in de asielopvang. Enkele grote gemeenten, zoals
Amsterdam en Utrecht, hebben het initiatief genomen om vluchtelingen die bij hen in de asiel-
opvang verblijven, vervolgens binnen de eigen gemeentegrenzen te huisvesten. Zo investe-
ren ze al in de vluchtelingen als zij nog in de asielopvang zitten. Als vluchtelingen binnen één
gemeente blijven en minder vaak van school hoeven te wisselen, wordt het gemakkelijker om
voor ieder van hen een goede doorgaande schoolloopbaan te realiseren.
  Pilot: statushouder in de opvang alvast koppelen aan een gemeente
  In juli 2016 is in de asielopvang in de gemeente Doetinchem een pilot gestart om houders van een ver-
  blijfsvergunning en hun toekomstige gemeente eerder bij elkaar te brengen. Deze vergunninghouders
  worden in een zo vroeg mogelijk stadium gescreend op scholing- en arbeidskansen. Vervolgens wordt
  gekeken in welke gemeente (arbeidsmarktregio) ze het beste tot hun recht kunnen komen. Gemeen-
  ten die weten aan welke vergunninghouders zij zijn gekoppeld, kunnen de wachttijd tussen koppe-
  ling en huisvesting zinvol besteden en alvast trajecten inzetten gericht op toeleiding naar werk en/of
  opleiding.
Pak als gemeente de regie bij de inburgering
Op het moment dat vluchtelingen een eigen woning in een gemeente betrekken, worden ze
vaak verplicht – dit is afhankelijk van het plaatselijke integratiebeleid – eerst in te burgeren
76    Algemene Rekenkamer, 2017.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                             31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>voordat ze kunnen deelnemen aan (ander) onderwijs en/of kunnen gaan werken. In veel geval-
len loopt de start van de inburgering vertraging op doordat vluchtelingen bezig zijn met prak-
tische zaken en het in gang zetten van gezinshereniging. Ook blijft in veel gevallen actie uit
na de kennisgeving per brief, omdat mensen de informatie niet begrijpen of niet weten wat
precies van hen verwacht wordt.77 Wanneer ze willen beginnen aan de inburgering, moeten
ze een keuze maken uit het grote veld van aanbieders, een veld waarmee de meeste status­
houders onbekend zijn. Om deze redenen beginnen veel vluchtelingen in een laat stadium
aan een inburgeringscursus, en sommige beginnen er helemaal niet aan.78 Meer begeleiding
door de gemeente is wenselijk 79 en daarom heeft de minister besloten dat gemeenten bij de
voorziene aanpassing van de Wet inburgering 2013 een meer adviserende rol krijgen. Gemeen-
ten gaan vluchtelingen adviseren over de te volgen inburgeringscursus, als onderdeel van de
maatschappelijke begeleiding.80
Een deel van de jongvolwassen vluchtelingen zonder startkwalificatie wil vaak zo spoedig
mogelijk aan het werk, liever dan dat ze een opleiding gaan volgen. Ze overzien niet altijd de
consequenties van het niet behalen van een startkwalificatie voor hun kansen op de Neder-
landse arbeidsmarkt. Ook hier is een informerende en begeleidende rol door gemeenten
wenselijk.
Gemeenten kunnen vluchtelingen adviseren over de mogelijkheden op de lokale onderwijs-
en arbeidsmarkt en over een inburgeringstraject dat daar het beste op aansluit. Ze kunnen
vluchtelingen helpen een realistisch beeld te krijgen van de (lokale) arbeidsmarkt en de kansen
en knelpunten om aan de slag te komen. Gemeenten kunnen ook navragen hoe de individuele
voortgang verloopt en daar eventueel op bijsturen.
Duale trajecten waarin inburgering en beroepsopleiding gecombineerd worden, zijn wense-
lijk voor de integratie van vluchtelingen.81 Vanuit het Rijk worden duale trajecten gestimuleerd,
onder andere doordat de sociale lening van DUO binnen de entree-opleiding (mbo 1) kan wor-
den ingezet voor de inburgering.82 Sommige gemeenten zetten al in op zulke duale trajecten.83
In Amsterdam volgt een deel van de vluchtelingen een driejarig traject dat leidt tot afsluiting
van hun inburgering en van een beroepsopleiding. Er wordt opgeleid in arbeidsmarkt­relevante
beroepen. In de meeste gemeenten ontbreekt echter een doelgerichte centrale regie op dit
punt. Een goede eerste stap is overleg met de verschillende betrokkenen (taalaanbieders,
mbo-instellingen en werkgevers).84
77   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016a.
78   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016c.
79   Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2016; Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015.
80   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016.
81   Zie Onderwijsraad, 2016b over de effectiviteit van leerloopbanen voor jongvolwassenen.
82   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016a; Algemene Rekenkamer, 2017.
83   Engbersen, Dagevos, Jennissen, Bakker & Leerkes, 2015.
84   Ook de SER wijst hierop, zie Sociaal-Economische Raad, 2016; zie ook VluchtelingenWerk, 2014.
32                                                                                                 Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    De raad vindt dat de kwaliteit van het onderwijs aan vluchtelingen be-
    ter kan en moet. Daarvoor zijn investeringen nodig in de deskundig-
    heid van leraren en teams en in betere lesmaterialen.
4   Aanbeveling 2: investeer in deskundig-
    heid en onderwijsmaterialen
    Docenten in de eerste opvang en in reguliere scholen zijn vaak onvoldoende toegerust om
    vluchtelingen onderwijs te bieden dat aansluit op hun behoeften (zie paragraaf 2.4). Dit terwijl
    leraren van groot belang zijn voor vluchtelingenleerlingen. De thuisomgeving kan de kinderen
    en jongeren vaak beperkt ondersteuning bieden, omdat ouders de Nederlandse taal nog niet
    machtig zijn en weinig zicht hebben op het functioneren van het onderwijs, de arbeidsmarkt
    en de Nederlandse samenleving. De omstandigheden waaronder leraren hun werk doen zijn
    vaak niet ideaal, onder meer doordat er onvoldoende goede lesmaterialen zijn. Wat er is, is
    vaak sterk verouderd. Dit hoofdstuk doet aanbevelingen om docenten beter toe te rusten en
    te voorzien van de juiste lesmaterialen.
4.1 Blijf investeren in kennis van leraren en pedagogisch medewerkers
    Leerkrachten die les geven aan vluchtelingen (of pedagogisch medewerkers met vluchtelin-
    gen in hun groep) staan voor een ingewikkelde taak die zij alleen goed kunnen uitoefenen
    als zij hier voldoende voor zijn toegerust. Zij hebben kennis van NT2 nodig. Daarnaast is het
    belangrijk dat zij signalen die duiden op mogelijke trauma’s kunnen herkennen en toegang
    hebben tot professionals met specialistische kennis over trauma’s. De raad vindt voorts dat alle
    leerkrachten (en pedagogisch medewerkers), dus ook degenen die niet met vluchtelingen wer-
    ken, internationaal competent behoren te zijn. Interesse tonen in andere culturen en kunnen
    communiceren in klassen waarbinnen verschillende culturen samen komen, horen daar bij.85
    De aanbevelingen met betrekking tot de deskundigheid van leraren en pedagogisch mede-
    werkers staan in onderstaande tabel.
    85  Zie Onderwijsraad, 2016a; 2007.
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                   33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Vormen van deskundigheid en borging in het onderwijs
  Vorm van deskundigheid         Borging in het onderwijs
  Basale kennis van tweede-      De raad vindt dat alle docenten evenals alle pedagogisch medewer-
  taalverwerving (basale NT2)    kers in voorschoolse voorzieningen basale kennis van NT2 moeten
                                 hebben.
  Specialistische kennis van     Docenten en pedagogisch medewerkers die werkzaam zijn in het
  tweedetaalverwerving (speci-   eerste-opvangonderwijs, waaronder voorschoolse voorzieningen
  alistische NT2)                met nieuwkomers, moeten allen zelf specialistische kennis hebben
                                 van tweedetaalverwerving. In het reguliere onderwijs en in regulie-
                                 re voorschoolse voorzieningen moet dergelijke specialistische ken-
                                 nis in ieder geval in elk team aanwezig zijn.
  Internationale competentie     De raad vindt dat alle schoolleiders en docenten evenals alle peda-
                                 gogisch medewerkers in voorschoolse voorzieningen internatio-
                                 naal competent moeten zijn.86
  Het signaleren van mogelijke   Alle docenten evenals alle pedagogisch medewerkers in voor-
  trauma’s                       schoolse voorzieningen moeten in staat zijn om mogelijke trauma’s
                                 te signaleren.
  Het diagnosticeren van c.q.    Dit zijn specialistische gebieden, waarvoor specialisten moeten
  omgaan met trauma’s in de      worden ingeschakeld. Alle docenten, evenals alle pedagogisch me-
  onderwijscontext               dewerkers in voorschoolse voorzieningen moeten toegang hebben
                                 tot zulke specialisten; in het eigen team, in de organisatie, in het
                                 samenwerkingsverband of binnen een ander permanent regionaal
                                 netwerk.
Investeer in kennis over tweedetaalverwerving onder leraren
Het werken met nieuwkomers die nog geen twee jaar in Nederland zijn, vereist specialistische
kennis van professionals. Aangezien de eerste jaren vooral gericht zijn op het leren van de
Nederlandse taal, is een dergelijke kennis van NT2-didactiek voor deze docenten onontbeerlijk.
Het gaat bijvoorbeeld om kennis over het proces van tweedetaalverwerving, over de manier
waarop meertaligheid werkt, over transferproblemen die kunnen optreden als leerlingen een
nieuwe taal leren, en over de wijze waarop het taalleerproces van invloed is op het leren van
andere vakken.
Om te voorkomen dat bij een volgende piek in de toestroom van vluchtelingen weer een situ-
atie ontstaat waarin veel leerkrachten onvoldoende zijn toegerust voor deze doelgroep, vindt
de raad het van belang dat er voldoende NT2-opleidingen voor docenten beschikbaar zijn. De
opleidingen behoren van goede kwaliteit te zijn met een gevalideerd programma en certi-
ficaat. Daarnaast horen er voldoende nascholingsmogelijkheden te zijn. Het nascholingsaan-
bod van professionaliseringsinstellingen zou beter dan nu het geval is kunnen aansluiten bij
de wensen vanuit het onderwijsveld. Daarbij gaat het zowel om de behoeften van de eerste
opvang als die van de reguliere scholen.
Anderstalige nieuwkomers, waaronder vluchtelingenleerlingen, zijn niet alleen te vinden
in speciale eerste-opvangklassen. Bijna alle leerkrachten krijgen in hun onderwijspraktijk te
maken met leerlingen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is. In een recent uitgeko-
men rapport constateert de Taalunie dat desondanks expertise op het gebied van NT2 lang
86   Zie Onderwijsraad, 2016a.
34                                                                             Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>niet overal aanwezig is. De Taalunie beargumenteert dat duurzaam onderwijs Nederlands voor
álle leerlingen impliceert dat er ook structureel aandacht moet zijn voor de noden en behoef-
ten van leerlingen die het Nederlands niet als thuistaal hebben. Aanwezigheid van expertise
op het vlak van NT2 op elke school is daarom nodig.87 Ook de Onderwijsraad vindt dat iedere
docent (of pedagogisch medewerker) basale kennis van NT2 behoort te hebben, ook als er op
een bepaald moment geen vluchtelingenkinderen of andere nieuwkomers zijn.
Als het gaat om taal mag overigens van scholen worden verwacht dat zij een taalbeleid heb-
ben dat zich niet beperkt tot het schoolvak Nederlands of taal. Er moet ook beleid zijn over
hoe transfer en integratie van taalvaardigheden in andere vakken plaatsvindt. Een dergelijk
taalbeleidsplan is geen gemeengoed meer op scholen88; hernieuwde aandacht hiervoor is van
belang.
Zorg dat schoolleiders, leraren en pedagogisch medewerkers internationaal competent zijn
De komst van leerlingen én ouders uit diverse landen en culturen brengt ook andere dan taal-
uitdagingen mee voor professionals in (voor)scholen. Zowel leerlingen als hun ouders voelen
zich in het begin vaak ontworteld en hebben tijd nodig om te wennen aan de omgangsvormen
op een Nederlandse (voor)school. Voor hen zijn veel zaken niet vanzelfsprekend, bijvoorbeeld
de informele wijze waarop leerkracht en leerlingen met elkaar omgaan en de actieve betrok-
kenheid die vanuit de school wordt verwacht van ouders.
 In 201689 wees de OESO op de grote invloed die de houding van leraren en schoolleiders heeft
op de sociale cohesie in de groep of school. Het is niet automatisch zo dat de aanwezigheid van
verschillende culturen in een groep leidt tot wederzijdse positieve beeldvorming en acceptatie.
Leraren en schoolleiders spelen daarin een rol. In eerdere adviezen heeft de raad gewezen op
het belang van een verbindende schoolcultuur.90 Hij heeft in dat kader bepleit dat alle leraren
dienen te beschikken over zogenoemde ‘culturele sensitiviteit’: interesse in de ander, ook wan-
neer die een andere achtergrond heeft. Het kunnen communiceren binnen een context waarin
verschillende culturen samen komen, blijkt niet altijd eenvoudig. Leraren vinden het bijvoor-
beeld soms moeilijk om onderwerpen die binnen sommige culturen of religies moeilijk liggen,
zoals homoseksualiteit, te bespreken in de groep.91 De raad heeft het begrip culturele sensiti-
viteit recentelijk verbreed en spreekt nu over ‘internationaal competent’ zijn.92 Het onderwijs
dient erop gericht te zijn dat alle leerlingen het onderwijs internationaal competent verlaten.
Dat betekent dat ze beschikken over de oriëntatie, kennis en vaardigheden die hen in staat stel-
len om te communiceren, samen te werken en te reflecteren in uiteenlopende internationale
contexten, zowel in Nederland als daarbuiten. Communiceren binnen een klas met leerlingen
met verschillende talen en uit verschillende culturen, hoort daar bij. Het onderwijs kan leerlin-
gen dit alleen bijbrengen als ook leraren en schoolleiders internationaal competent zijn. De
raad heeft eerder bepleit dat dit thuishoort in het curriculum van de initiële opleidingen.93 Ook
zijn uitgebreidere mogelijkheden voor nascholing nodig.
87   Zie Vanhooren, Pereira & Bolhuis, 2017.
88   Zie Vanhooren, Pereira & Bolhuis, 2017.
89   Organisation for Economic Development and Coordination, 2016.
90   Onderwijsraad, 2005; 2007; 2010; 2014.
91   Kleijwegt, 2016.
92   Onderwijsraad, 2016a.
93   De Taalunie bepleit dat dit een integraal onderdeel is van het taalonderwijs. Eén van de functies van het taalonderwijs is de identiteits-
     ontwikkeling van de leerlingen. Daar hoort het reflecteren op jezelf en interculturele communicatie bij.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                                                                 35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    Zorg voor meer kennis in het onderwijs over omgaan met traumatisering
    Veel vluchtelingen hebben traumatische gebeurtenissen meegemaakt. Ook na aankomst
    in Nederland is het leven van vluchtelingen zwaar; door periodes van lethargie in de (nood)
    opvang, onzekerheid over de toekomst, een gebrek aan privacy, angst om achtergebleven ver-
    wanten en verdriet om omgekomen of vermiste familieleden. De mate waarin vluchtelingen
    hebben blootgestaan aan schokkende gebeurtenissen verschilt per persoon, en dat geldt ook
    voor de impact die zulke gebeurtenissen op hen hebben. Voor de kinderen en jongeren geldt
    dat zij vaak een grote veerkracht vertonen en na aankomst in Nederland snel de draad van het
    dagelijkse leven weer oppakken. Anderzijds is van jonge kinderen bekend dat langdurige stress
    (zogenoemde ‘toxic stress’) de ontwikkeling van de hersenen kan beschadigen.94 Pedagogisch
    medewerkers en leerkrachten krijgen te maken met gedrag dat samenhangt met schokken-
    de ervaringen. Dit gedrag kent zeer uiteenlopende verschijningsvormen. Voor pedagogisch
    medewerkers en leerkrachten is het belangrijk dat zij dergelijk gedrag kunnen signaleren en
    zo nodig specialistische hulp kunnen inschakelen. Er is momenteel echter weinig materiaal of
    nascholing beschikbaar. Meer kennis hierover is nodig, en het is aan schoolbesturen, scholen
    en docententeams om ervoor te zorgen dat deze kennis binnen elke school aanwezig is.
      Onlinecursus over het signaleren van trauma’s
      Er is een onlinecursus ontwikkeld voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs die zichzelf in en-
      kele uren willen scholen in het herkennen van trauma’s bij vluchtelingenkinderen.95 Het valt te overwe-
      gen om ook in de initiële opleidingen voor pedagogisch medewerkers en leraren aandacht te besteden
      aan dit onderwerp; trauma’s komen immers breder voor dan alleen bij vluchtelingenkinderen. Het sig-
      naleren van mogelijke trauma’s zou in lerarenopleidingen en nascholingstrajecten een vaste plek kun-
      nen krijgen bij het signaleren van gedragsproblemen en ontwikkelingsstoornissen.
4.2 Investeer continu in de kwaliteit van leerlijnen, lesmethoden en toetsen
    Voor kinderen in de voorschoolse leeftijd zijn er voorschoolse programma’s waarin ook aan-
    dacht is voor meertaligheid.
    Voor iets oudere kinderen, de leerplichtige nieuwkomers, geldt dat het aan goede, geactua-
    liseerde lesmaterialen ontbreekt. De raad adviseert de overheid om het voortouw te nemen
    in de ontwikkeling, actualisering en verspreiding van het les- en toetsinstrumentarium voor
    deze doelgroepen. De overheid dient ervoor te zorgen dat er voldoende op de doelgroep
    afgestemde methodieken beschikbaar zijn. Zij kan ontwikkelaars in staat stellen om op basis
    van wetenschappelijke inzichten materialen te herzien of te maken, en instellingen als Cito en
    SLO in de gelegenheid stellen om leerlijnen en toetsmaterialen te actualiseren. Dit alles is niet
    alleen nodig voor het eerste-opvangonderwijs, maar ook voor reguliere scholen in het primair
    en voortgezet onderwijs en voor mbo-instellingen, omdat veel nieuwkomers daar hun school-
    loopbaan vervolgen.
    In de onderwijscarrière van vluchtelingen is vaak sprake van haperingen en lacunes vanwege
    de situatie in het herkomstland en de vluchtperiode. Veel vluchtelingenkinderen die in Neder-
    land aankomen, zijn lange tijd niet naar school geweest. Deze situatie vraagt om adequate
    instrumenten voor de intake en assessment van leerlingen met een vluchtelingenachtergrond,
    94    Center on the Developing Child, 2017; Shonkoff & Garner,2011.
    95    Ontwikkeld door de charitatieve organisatie Augeo; zie Augeo, 2017.
    36                                                                              Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>zodat eerder verworven kennis en onderwijsgeschiedenis goed in beeld kunnen worden
gebracht. Experts die lesgeven aan vluchtelingenleerlingen geven aan dat zij dit soort materi-
alen zelf bij elkaar zoeken (vaak via internet) en dat het aanbod uiterst beperkt is. Een deel van
de scholen werkt bijvoorbeeld al met taalloze rekentoetsen, taalleerbaarheidstoetsen en non-
verbale intelligentietests, maar niet elke school is hier even ver mee.
Niet alleen voor de intake en competentiebeoordeling zijn speciaal op de doelgroep gerichte
instrumenten nodig; dit geldt ook voor lesmethoden, toetsen en leerlijnen. Zo is het belangrijk
dat leerlingen die het Nederlands nauwelijks beheersen, ondertussen wel verder kunnen met
een rekenmethode die niet te talig is. Ook is het noodzakelijk dat er tussentoetsen beschik-
baar zijn om de ontwikkeling van deze leerlingen op de verschillende (sub)domeinen te volgen.
Deze materialen zijn er nu onvoldoende, niet alleen voor vluchtelingen, maar voor alle anders-
talige nieuwkomers in het Nederlandse onderwijs.
In Nederland werd in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw veel geïnvesteerd in
het ontwikkelen van specifieke lesmaterialen voor anderstalige leerlingen. De noodzaak werd
gevoeld omdat veel kinderen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond instroomden in
het Nederlandse onderwijs. Zowel het Rijk als gemeenten stelden middelen beschikbaar om
leerlijnen, methoden en toetsmaterialen te ontwikkelen. De afgelopen twintig jaar is hier van
rijkswege echter nauwelijks meer in geïnvesteerd, omdat de politieke context veranderde en
het doelgroepenbeleid goeddeels verdween. Aan meertaligheid werd nauwelijks aandacht
besteed. Tegelijkertijd is het aantal anderstalige nieuwkomers in het onderwijs per leeftijds-
groep veelal te klein om een interessante markt te vormen voor commerciële ontwikkelaars.
Instanties die in de jaren tachtig en negentig materiaal ontwikkelden voor anderstalige leerlin-
gen, hebben zich om die reden op andere doelgroepen gericht. Op veel plaatsen in Nederland
werkt men daarom met verouderde NT2-materialen. Leerkrachten en andere experts geven
aan dat de methoden die zij gebruiken niet zijn aangepast aan recente wetenschappelijke
(didactische) inzichten en voor een deel ook niet meer leverbaar zijn. Docenten – vooral dege-
nen die niet op een eerste-opvanglocatie werken – zeggen onvoldoende expertise te hebben
om de verouderde methoden zelf aan te vullen of te actualiseren. Vandaar dat de raad hier een
actieve rol van de overheid bepleit. De overheid kan bijvoorbeeld financiële prikkels geven
die het voor gespecialiseerde uitgeverijen aantrekkelijk maken om samen met wetenschap en
praktijk programma’s te ontwikkelen en te actualiseren, of prototypes van materialen te maken
die vervolgens aan verschillende lespraktijken kunnen worden aangepast.
Mede als gevolg van de verhoogde instroom en het toegenomen gevoel van urgentie zijn er
de afgelopen tijd nieuwe initiatieven ontplooid. Zo heeft LOWAN een ‘leskist’ met bestaande
materialen samengesteld voor het primair onderwijs. Ook zijn leerlijnen opgesteld voor het
eerste-opvangonderwijs in het voortgezet onderwijs.96 De Onderwijsraad vindt echter dat
deze initiatieven ingebed zouden moeten zijn in nationaal, coherent beleid, gebaseerd op een
overkoepelende visie op onderwijs aan vluchtelingen en andere nieuwkomers. Landelijke ken-
nisinstituten kunnen deze visie vormgeven en uitdragen, werkend vanuit de meest recente
wetenschappelijke inzichten – ongeacht de dynamiek in de asielinstroom van het moment.
Voor het oplossen van bovengenoemde knelpunten pleit de Onderwijsraad voor een lang­
lopende onderzoeksagenda Onderwijs aan vluchtelingenkinderen. Om de kwaliteit van het
onderwijs aan vluchtelingen, asielzoekers en andere nieuwkomers te kunnen verzekeren, is
een goede onderzoeksagenda noodzakelijk. De raad ziet hier een rol weggelegd voor de rijks-
96   Ook door LOWAN, samen met het ITTA.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                      37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>overheid. In Nederland bestaat er nu een grote variëteit aan voorzieningen voor anderstalige
nieuwkomers, waaronder vluchtelingen. Zo komen sommige kinderen in de basisschoolleef-
tijd op een speciaal ingerichte azc-school, kunnen andere kinderen terecht op een bestaande,
gespecialiseerde school voor anderstaligen, en worden weer andere kinderen vrijwel direct
ondergedompeld in het reguliere onderwijs. Op dit moment ontbreken gegevens over de
effectiviteit van deze verschillende vormen van onderwijs. Gemeenten hanteren ook verschil-
lende aanpakken bij de begeleiding van volwassen vluchtelingen. De raad pleit daarom voor
gedegen onderzoek naar de effecten van deze verschillende vormen van eerste opvang.
Vanzelfsprekend is ook onderzoek gewenst naar NT2, internationale competentie, trauma’s,
leerlijnen, lesmethoden en toetsen. Met betrekking tot het thema meertaligheid in het onder-
wijs onderscheidt Nederland zich opvallend van andere Europese landen, in die zin dat vooral
mogelijke negatieve consequenties voor het leren van het Nederlands worden benadrukt en
minder de mogelijkheden om kennis van de moedertaal ook in het onderwijs in te zetten als
hulpbron bij het leren van het Nederlands. Het zou zinvol zijn te bezien hoe en waarom andere
landen anders omgaan met de rol van de moedertaal in onderwijsvoorzieningen en hoe deze
praktijken uitwerken.97 Qua onderzoek zou het een goede eerste stap zijn om op korte termijn
reviewstudies te laten doen naar het internationale en nationale onderzoek op de genoemde
thema’s om na te gaan welke relevante lessen voor de Nederlandse situatie getrokken kunnen
worden.
97   Hajer verwijst in dit verband naar het werk van Collier en Thomas, die met name het doordachte gebruik van en overgang van moeder-
     taal naar tweede taal verbinden aan schoolsucces. Daaruit blijkt dat programma’s waarin in enige vorm de eigen taal wordt ingezet in
     de loop van de jaren aantoonbaar succesvoller zijn dan programma’s die vanuit een snelle onderdompeling in de tweede taal werken.
     Zie Hajer, 2016a; Collier & Thomas, 2002; Collier & Thomas, 2004.
38                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    Het onderwijs aan vluchtelingen verloopt niet doelmatig. Een bete-
    re organisatie levert een bijdrage aan het oplossen van gesignaleer-
    de knelpunten. De raad pleit ervoor de schoolloopbanen van vluchte-
    lingen minder te onderbreken en voortaan voorbereid te zijn op een
    plotselinge toename van het aantal vluchtelingen door gebruik te ma-
    ken van een netwerkmodel (VLOW-procedure).
5   Aanbeveling 3: geef onderwijs
    hogere prioriteit in het asielbeleid en
    stimuleer samenwerking
    Er zijn allerlei knelpunten bij de organisatie van het onderwijs aan vluchtelingen, zoals in
    hoofdstuk 2 is betoogd. Niet iedereen kan snel aan onderwijs deelnemen; de vele verhuizin-
    gen van asielzoekers en vluchtelingen zijn ongunstig voor hun schoolloopbaan; en er is een
    gebrek aan kennisdeling wanneer het gaat om de organisatie van het eerste-opvangonderwijs
    en het onderwijsleerproces.
    Het ontwikkelen van een coherente visie en een efficiëntere organisatie van het onderwijs aan
    vluchtelingen kunnen helpen deze knelpunten op te lossen. De raad doet hiervoor twee aan-
    bevelingen. De eerste is: laat vluchtelingen snel starten met onderwijs, liefst op één plek. Het
    asielbeleid moet dus zo worden aangepast dat vluchtelingen minder hoeven te verhuizen. Een
    belangrijk neveneffect van een landelijke visie op de langere termijn is dat de overheid daar-
    mee een betrouwbaarder partner wordt bij de uitvoering van het asielbeleid en het gerelateer-
    de lokale onderwijsbeleid. De tweede aanbeveling gaat over het onderwijs zelf: zorg dat alle
    betrokken organisaties voorbereid zijn op een plotselinge toename van het aantal vluchtelin-
    gen in het onderwijs. Het in stand houden van ongebruikte voorzieningen is niet nodig, maar
    de flexibiliteit om snel te reageren op een verhoogde instroom moet en kan wel worden geor-
    ganiseerd, vóórdat een dergelijke verhoogde instroom plaatsvindt.
5.1 Start snel met onderwijs op één plek
    Het onderwijs neemt in het asielbeleid en de asielprocedure een ondergeschikte positie in,
    waardoor de onderwijsloopbanen van vluchtelingen in de eerste periode na aankomst her-
    haaldelijk worden vertraagd en onderbroken.
    Snel starten en zo min mogelijk verhuizen is van groot belang voor minderjarige vluchtelingen
    De meeste minderjarige leerplichtige kinderen die Nederland binnen komen, starten snel met
    integreren in het onderwijssysteem. Bij een grote toename van het aantal vluchtelingen is die
    snelle start echter niet voor iedereen gegarandeerd. Zo’n start is evenwel essentieel: hoe snel-
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                   39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>ler kinderen en jongeren naar school kunnen, hoe beter het voor hen is.98 De kans om de Neder-
landse taal te leren en daarmee grip te krijgen op de nieuwe, onbekende omgeving is van groot
belang. School biedt ook de kans om even afstand te nemen van de vaak stressvolle leefom-
standigheden in de asielopvang. Voor een snelle start in het onderwijs en een stabiele school-
loopbaan verdient het dus de voorkeur dat deze kinderen zo min mogelijk verhuizen.
 Snelle toeleiding naar onderwijs motiveert ook meerderjarige vluchtelingen
De raad vindt dat het ook voor meerderjarige vluchtelingen van groot belang is om zo snel
mogelijk de weg te vinden naar onderwijs. Voor meerderjarigen waren de mogelijkheden om
snel te integreren in de Nederlandse samenleving beperkt, maar recent zijn ze enigszins ver-
ruimd voor Syriërs en Eritreeërs.99 Omdat deze groepen momenteel ‘kansrijk’ zijn in de asiel-
procedure, mogen ze eerder beginnen met het taalonderwijs uit de voorinburgering. De raad
juicht deze verruiming toe. Het is immers vanuit onderwijsperspectief verstandig om ook de
groep jongvolwassen vluchtelingen zo snel en zo goed mogelijk te laten starten met oplei-
dingen en trajecten die hen een betere uitgangspositie geven op de arbeidsmarkt. Voor alle
asielzoekers die nog wachten op een verblijfsvergunning bestaat al wel de mogelijkheid om,
nadat zij minimaal zes maanden in Nederland verblijven, gedurende maximaal 24 weken per
jaar te werken tegen betaling. Daarnaast mogen zij onder enkele voorwaarden vrijwilligers-
werk doen. Ook zijn er op veel plaatsen vrijwilligers die Nederlandse taalles aanbieden. De
mogelijkheden voor een actieve dagbesteding in de asielopvang zijn niettemin nog steeds
beperkt. De Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken constateerde al in 2013 dat de scha-
delijke gevolgen daarvan toenemen naarmate de periode van inactiviteit langer duurt.100 Niet
voor niets is er recentelijk meer aandacht voor de geestelijke gezondheid van vluchtelingen.101
Dit geldt met name voor vluchtelingen die nog wachten op de uitkomst van hun procedure of
die een afwijzing hebben ontvangen, waardoor hun toekomstperspectief op losse schroeven
komt te staan. Maar ook voor statushouders die nog in de asielopvang verblijven, staat het
leven grotendeels stil tot het moment dat ze een woning krijgen toegewezen en echt kunnen
gaan inburgeren. Verhuisbewegingen moeten onderwijsactiviteiten en schoolloopbanen zo
min mogelijk doorkruisen.102
  Nieuw opvangmodel voor 18plus-jongeren zonder familie
  Het Nidos (jeugdbescherming voor vluchtelingen) is in januari 2016 begonnen met een nieuw opvang-
  model voor 18plus-jongeren. Het gaat om jongeren die hier zijn zonder familie. Alleenstaande minder-
  jarige vluchtelingen met een verblijfsstatus kunnen voortaan als ze 18 jaar worden op dezelfde plek
  blijven. Zo kunnen ze wennen aan één woonplaats en één school, en daar sociale contacten opbou-
  wen. Samen met de gemeenten kan een doorlopende leerlijn worden ingericht die ervoor zorgt dat
  de ondersteuning voor 18plus-jongeren aansluit op het eerder gevolgde traject en is gericht op door­
  stroming naar de arbeidsmarkt.103
98    Werkgroep Kind in AZC, 2016; Kinderombudsman, 2016.
99    Zie paragraaf 3.4.
100 Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, 2013; zie Heijmans, 2005, zoals geciteerd in Lucassen, 2016.
101   Zie bijvoorbeeld Bakker, 2016.
102 Zie onder andere Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, 2016.
103 Zie Stavenuiter, Smits van Waesberghe, Noordhuizen & Oostrik, 2016.
40                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>5.2 Stimuleer netwerkvorming en kennisdeling
    In deze laatste paragraaf bespreekt de Onderwijsraad de organisatorische lessen voor het
    onderwijs die met het oog op de toekomst getrokken kunnen worden uit de omgang met de
    plotselinge grote toestroom in de periode eind 2014-begin 2016. Hoe kunnen scholen, gemeen-
    ten en andere betrokken organisaties in het hele Nederlandse onderwijsbestel zorgen dat ze
    klaar staan bij een volgende piek in de hoeveelheid vluchtelingen? Hoe kunnen de betrokken
    organisaties meer van elkaar leren? Hoe kan er meer kennis worden gegenereerd en verspreid
    over eerste-opvangonderwijs aan vluchtelingen? Hoe kunnen de voorzieningen snel ‘opge-
    schaald’ worden zonder kwaliteitsverlies en onnodige extra kosten? Het onderwijsbestel moet
    in dit opzicht veerkrachtig zijn.
    Er is op dit moment in Nederland nog steeds weinig centrale kennis aanwezig als het gaat om
    de opvang van vluchtelingen in het onderwijs. De kennis díe er is – verspreid over verschillen-
    de plekken – wordt onvoldoende gedeeld. In het eerste-opvangonderwijs wordt op veel ver-
    schillende plekken het wiel opnieuw uitgevonden. Dit maakt dat schoolloopbanen van vluch-
    telingen in ons land niet soepel genoeg verlopen en dat de onderwijskwaliteit niet optimaal
    is. In allerijl opgetuigd beleid en improvisatie in de uitvoering zorgden er in de periode eind
    2014-begin 2016 voor dat veel vluchtelingenkinderen en -jongeren alsnog onderwijs kregen.
    Nu de instroom van vluchtelingen is afgenomen en daarmee de maatschappelijke en politieke
    druk, is ook de beleidsinteresse weer grotendeels verdwenen. Van de ervaringen en opgedane
    kennis is weinig vastgelegd. Er is zo geen basis voor een coherente en flexibele benadering die
    ook bruikbaar is voor een volgende piek in de toestroom van vluchtelingen. Ook zijn er niet
    overal in het land duurzame relaties tot stand gekomen tussen betrokkenen bij het onderwijs
    aan vluchtelingen, of afspraken vastgelegd. De kans is daardoor reëel dat bij een hernieuwde
    plotselinge toename opnieuw alom geïmproviseerd zal worden, terwijl dat voor een belangrijk
    deel onnodig is.
    Richt een regionaal netwerk in zodat organisaties meer van elkaar leren
    De Onderwijsraad adviseert om flexibele regionale netwerken in te richten, waarbinnen
    gemeenten een regiefunctie vervullen. Het gaat om goed geïnformeerde netwerken die snel
    en efficiënt ingeschakeld kunnen worden: in ‘ruststand’ vervult eenieder vooral zijn reguliere
    werkzaamheden, maar op het moment dat het nodig is wordt het netwerk verder geactiveerd.
    Daarbij kan zeker gebruikgemaakt worden van reeds bestaande (deel)netwerken. De raad
    heeft een model voor ogen dat lijkt op de GRIP (Gecoördineerde Regionale Incidentbestrij-
    dings Procedure). Deze procedure regelt binnen veiligheidsregio’s de coördinatie tussen hulp-
    verleningsdiensten in geval van een incident. Afhankelijk van de grootte van een incident en
    de betrokken middelen en bestuurslagen, wordt er opgeschaald. Er zijn landelijke richtlijnen
    voor opschaling, met bijbehorende procedures. Er zijn niet alleen procedures op het niveau
    van de betrokken gemeentes, maar ook op landelijk niveau. De procedures zijn ingericht om bij
    het bestrijden van incidenten de juiste hulpverleners en functionarissen op het juiste moment
    in te schakelen. Tijdens de dagelijkse werkzaamheden geldt voor alle betrokkenen de nulfase:
    er is geen centraal gecoördineerde actie nodig en de werkzaamheden behoren tot de dage-
    lijkse routine. Binnen de veiligheidsregio’s wordt verplicht samengewerkt. Elementen van een
    dergelijk model ziet de Onderwijsraad als bruikbaar als het gaat om het onderwijs aan vluchte-
    lingen. Een dergelijke VLOW-procedure (Vluchtelingen en Onderwijs) zorgt ervoor dat partners
    in het netwerk gezamenlijk afspraken maken over op welke wijze zij omgaan met toestroom
    van vluchtelingen. Ook beschrijft zo’n procedure verschillende niveaus van opschaling, en
    wanneer en in welke mate opschaling nodig is. De VLOW-procedure voorziet er bijvoorbeeld
    Vluchtelingen en onderwijs                                                                   41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>ook in dat alle leidinggevenden op het operationele niveau in paraatheid worden gebracht op
het moment dat dat nodig is. Overigens is het zo dat het netwerk nooit helemaal ‘slapende’ is,
omdat er ook in rustige jaren vluchtelingen arriveren. De procedure moet erin voorzien dat ook
in dergelijke periodes voor alle betrokkenen duidelijk is hoe deze vluchtelingen snel toegang
kan worden geboden tot onderwijs van goede kwaliteit.
Met dergelijke flexibele regionale netwerken neemt niet alleen het reactievermogen van het
onderwijsbestel toe, maar ook het lerend vermogen. Deze netwerken behoren namelijk ook
te zorgen voor een structurele kennishuishouding: het verzamelen, verspreiden, ontwikkelen
en beschikbaar stellen van de benodigde kennis en inzichten. Dit is nodig en behulpzaam om
verschillende redenen. Ten eerste overweldigt de plotselinge aankomst van duizenden vluch-
telingen individuele organisaties: geen enkele organisatie kan deze toestroom alleen oplos-
sen. Alleen via samenwerking is een dergelijke uitdaging het hoofd te bieden.104 Ten tweede
hebben netwerken algemene voordelen, die nuttig zijn bij het omgaan met zulke grootscha-
lige uitdagingen. Zo zorgt een dergelijk netwerk voor een snellere verspreiding van informatie,
meer bruikbare details en een grotere geloofwaardigheid.105 Door kennis te bundelen neemt
de onzekerheid over de aard van het probleem af en worden de vaardigheden van organisaties
om als partners samen te werken versterkt.106 Door te leren van elkaar kunnen bovendien in
een netwerk de kosten van leren door ‘trial and error’ worden verminderd.107
Regioregie als spil van het regionale netwerk
De raad heeft een netwerk voor ogen waarin alle betrokken partijen hun eigen, duidelijke rol
hebben, en waarin iedereen weet wat er moet gebeuren op het moment dat de plotselinge
toestroom plaatsvindt. Op dat moment treden de betreffende samenwerkingsafspraken in
werking. Het netwerk bestaat uit regionale deelnetwerken die kunnen inspelen op de regio-
nale en lokale situatie. Regioregie draagt ertoe bij dat beter kan worden ingespeeld op de spe-
cifieke behoeften van mensen, het specifieke onderwijsaanbod in een regio en de specifieke
arbeidsmarkt.108 Regioregie kan ook een oplossing bieden voor een aantal knelpunten die zich
tot nu toe voordoen en hebben voorgedaan in het onderwijs aan vluchtelingen: het is voor
veel gemeenten niet duidelijk welke rol zij moeten nemen, wat zij van de rijksoverheid kunnen
verwachten en in hoeverre zij met (voor)scholen en andere instellingen moeten samenwerken.
De raad werkt in dit advies niet uit hoe bevoegdheden, mogelijkheden en verantwoordelijkhe-
den binnen de nieuwe opzet worden geregeld, maar doet wel enkele suggesties.109
Binnen de regio fungeert één of fungeren enkele gemeenten als regiecentrum. Het is het regie-
centrum dat ervoor zorgt dat in tijden van rust de relevante onderdelen van het netwerk samen-
komen om een plan uit te werken over hoe te handelen indien een plotselinge toestroom van
vluchtelingen plaatsvindt. Het regiecentrum ziet erop toe dat het plan er komt en dat het plan
duidelijk aangeeft wie welke rol heeft. Als de plotselinge toestroom een feit is, zorgt het regie-
centrum dat het netwerk, of de relevante delen van dat netwerk, zo spoedig mogelijk in paraat-
heid worden gebracht. Deze regiecentra hebben lokaal dus een coördinerende rol. Zij dragen
104 Zie Boin & ’t Hart, 2008, in Moynihan, 2008.
105 Kraatz, 1998.
106 Brass, Galaskiewicz, Greve & Tsai, 2004.
107 Moynihan, 2008.
108 Onderwijsraad, 2016b; meer regie bij de gemeenten sluit ook goed aan op de rol die de raad ziet voor gemeenten als het gaat om in-
     burgering (zie paragraaf 3.4).
109 Onderwijsraad, 2016b. De raad heeft verder een advies in voorbereiding over bekostiging en sturing van het onderwijs, en een advies
     over de rol van gemeenten op het terrein van onderwijs.
42                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>zorg voor samenwerking binnen een regio, wanneer deze niet spontaan van de grond komt.110
In tijden dat er geen sprake is van verhoogde instroom houdt de coördinerende functie in dat
zij alle delen van het netwerk (gemeenten, onderwijsinstellingen en anderen) bijeenroepen,
dat zij hen adviseren over de situaties waarvoor een plan vastgesteld moet worden en over de
inhoud van een dergelijk plan, en dat zij toezien op de totstandkoming van een plan. Daarbij
hebben ze een ononderbroken schoolloopbaan van vluchtelingen voor ogen. Dat betekent
onder meer dat er in de plannen zowel staat hoe men ervoor zorgt dat vluchtelingenpeuters
naar voorschoolse voorzieningen worden toegeleid, als hoe de samenwerking tussen vo- en
mbo-instellingen gestalte krijgt en hoe met jongvolwassenen wordt omgegaan. Het zijn ook
de regiecentra die aangeven wanneer het moment is aangebroken om de samenwerkings-
plannen voor verhoogde instroom tot uitvoering te brengen. Ze bepalen dus wanneer verdere
activering van het regionale netwerk nodig is en entameren op dat moment overleg en de start
van de uitvoer van de plannen. Daarnaast verzorgen deze regiecentra enige ambtelijke onder-
steuning voor het geval dat het plan ten uitvoer moet worden gebracht.
Ook de onderwijsinstellingen hebben natuurlijk een rol en verantwoordelijkheid binnen dit
netwerk. Van scholen mag een actieve opstelling worden verwacht bij het dienen van publieke
belangen111, zoals het verzorgen van goed onderwijs aan vluchtelingen. Dat betekent dat instel-
lingen actief deelnemen aan de netwerken. Bij een relatief gering aantal vluchtelingen houdt
de rol van instellingen bijvoorbeeld in dat ze in kaart brengen wat het kennisniveau op het
gebied van onderwijs aan vluchtelingen en andere nieuwkomers is onder hun personeel. Ook
zorgen besturen voor de professionalisering van hun personeel, zodat binnen hun personeel
kennis aanwezig is op het gebied van bijvoorbeeld NT2, maar ook op dat van (signalering van
mogelijke) trauma’s en van internationale competentie. Binnen het netwerk worden scholen
actief aangemoedigd om die expertise vast te houden en structureel in te bedden, zodat ze
te allen tijde kan worden ingezet om niet alleen vluchtelingenkinderen, maar alle kinderen en
jongeren die het Nederlands niet als thuistaal hebben te begeleiden, onder meer bij de ontwik-
keling van hun taalcompetentie.112
Overheid stimuleert
Naast de regio heeft in het netwerk ook de centrale overheid, als verantwoordelijke voor de
kwaliteit van het onderwijsstelsel als geheel, een belangrijke rol. Het is aan de overheid om
te zorgen voor een nationale coherente visie, onder meer gebaseerd op wetenschap en ‘best
practices’. Ook bepaalt de overheid welke regio’s er zijn en wijst de overheid binnen de regio’s
één of enkele gemeenten aan die als regiecentrum fungeren. Een coördinerende rol van de cen-
trale overheid past bij de regionale sturing. De overheid faciliteert de regiecentra en stimuleert
ze om hun rol te nemen. Tegelijkertijd waakt de rijksoverheid ervoor dat de verschillen tussen
regio’s en gemeenten niet zo groot worden dat rechtsongelijkheid ontstaat (bijvoorbeeld als
een vluchteling uit de ene gemeente toegang heeft tot veel betere voorzieningen dan die in
een andere gemeente). De centrale overheid is verantwoordelijk voor een ‘lichte’ permanente
infrastructuur en voor adequate en voorspelbare financiering, die snel beschikbaar is als zich
een plotselinge toestroom voordoet. De overheid faciliteert de regionale netwerken financi-
eel. Ook zou de overheid zorg dienen te dragen voor de aanwezigheid van voldoende oplei-
dingen en nascholingsmogelijkheden waar professionals basale en specialistische NT2-kennis
en kennis op het gebied van trauma’s kunnen opdoen. De overheid ziet er tevens op toe dat
organisaties met een landelijke rol, zoals het COA, het LOWAN en ook bijvoorbeeld de onder-
110  Onderwijsraad, 2016b.
111  Onderwijsraad, 2013.
112  Vanhooren, Pereira & Bolhuis, 2017.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>wijsinspectie, goed kunnen samenwerken met, en hun expertise kunnen aanwenden ten bate
van, de regionale netwerken.
Er zijn op verschillende plaatsen in Nederland al goede voorbeelden beschikbaar. In diverse
regio’s en gemeenten hebben betrokkenen bij het onderwijs aan vluchtelingen (zoals bijvoor-
beeld COA, de gemeenten en de scholen) de handen ineengeslagen om zowel de opvang, de
inburgering, het onderwijs als de toeleiding naar de arbeidsmarkt regionaal te regelen. Het
zou goed zijn deze netwerken te monitoren, en te bezien waar andere regio’s en gemeenten
van de goede voorbeelden kunnen leren.
44                                                                  Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Afkortingen
azc           asielzoekerscentrum
CBS           Centraal Bureau voor de Statistiek
COA           Centraal Orgaan opvang Asielzoekers
DUO           Dienst Uitvoering Onderwijs
GRIP          Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure
isk           internationale schakelklas
IVRK          Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
LOWAN         Landelijke Onderwijs Werkgroep voor Asielzoekers en Nieuwkomers
mbo           middelbaar beroepsonderwijs
NT2           Nederlands als tweede taal
oab           onderwijsachterstandenbeleid
OCW           Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OESO          Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
SBB           Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven
SCP           Sociaal en Cultureel Planbureau
SER           Sociaal-Economische Raad
UAF           Stichting voor Vluchtelingen-Studenten
VLOW          Vluchtelingen en Onderwijs
vmbo          voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
Wet OKE       Wet ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie
WRR           Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
Vluchtelingen en onderwijs                                                   45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Literatuur
Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (2013). Verloren tijd: advies over dagbesteding in de
    opvang voor vreemdelingen. Den Haag: Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken.
Algemene Rekenkamer (2017). Inburgering. Eerste resultaten van de Wet inburgering 2013. Den
    Haag: Algemene Rekenkamer.
Augeo (2017). Vluchtelingenkinderen. Webpagina. Geraadpleegd op 14 februari via de website
    van Augeo, https://www.augeo.nl/nl-nl/thema/vluchtelingenkinderen/steun-bieden/.
Bakker, L. (2016). Seeking sanctuary in the Netherlands: Opportunities and obstacles to refugee inte-
    gration. Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.
Beekhoven, S. & Muller, P. (2016). Educatief aanbod voor asielzoekerspeuters en peuters met een
    status - Resultaten van een landelijke peiling. Utrecht: Sardes.
Brass, D.J., Galaskiewicz, J., Greve, H.R. & Tsai, W. (2004). Taking stock of networks and organiza-
    tions: A multilevel perspective. Academy of management journal, 47(6), 795-817.
Center on the Developing Child (2017). Toxic Stress. Webpagina. Geraadpleegd op 15 februari
    2017 via http://developingchild.harvard.edu/science/key-concepts/toxic-stress/.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2014a). Bevolkingsprognose 2014-2016: groei door migratie.
    Den Haag: CBS.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2014b). Jaarrapport integratie 2014. Den Haag: CBS.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2016). Jaarrapport integratie 2016. Den Haag: CBS.
Coley, R.L. & Kull, M. (2016). Cumulative, Timing Specific, and Interactive Models of Residen-
    tial Mobility and Children’s Cognitive and Psychosocial Skills. Child Development, 87(4),
    1204-1220.
Collier, V.P. & Thomas, W.P. (2002). A national study of school effectiveness for language minority
    students’ long-term academic achievement. Santa Cruz: Center for Research on Education,
    Diversity and Excellence, University of California Santa Cruz.
Collier, V.P. & Thomas, W.P. (2004). The astounding effectiveness of dual language education for
    all. NABE Journal of Research and Practice, 2(1), 1-20.
De Lange, T., Besselsen, E., Rahouti, S. & Rijken, C. (2017). Van azc naar een baan. Publicatie in
    voorbereiding.
Dourleijn, E., Muller, P., Dagevos, J., Vogels, R., Van Doorn, M. & Permentier, M. (2011). Vluchtelin-
    gengroepen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Engbersen, G., Dagevos, J., Jennissen, R., Bakker, L. & Leerkes, A. (2015). Geen tijd verliezen: van
    opvang naar integratie van asielmigranten. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het
    Regeringsbeleid.
Goosen, S., Stronks, K. & Kunst, A.E. (2013). Frequent relocations between asylum-seeker cen-
    tres are associated with mental distress in asylum-seeking children: a longitudinal medical
    record study. International journal of epidemiology, 43(1),94-104.
Groot, W. & Maassen van den Brink, H. (2003a). Investeren en terugverdienen. Kosten en baten van
    onderwijsinvesteringen. Den Haag: SBO.
Groot, W. & Maassen van den Brink, H. (2003b). Investeren en terugverdienen. Inverdien- en wel-
    vaartseffecten van onderwijsinvesteringen. Den Haag: SBO.
Hajer, M. (2016a). Onderwijs aan nieuwkomers organiseren - belangrijke inzichten en principes.
    In M. Lieskamp, J. van Loo & A. Schoemaker (eds.), Nieuwkomers op school. Onderwijs als
    startpunt voor een betere toekomst (19-25). Huizen: Uitgeverij Pica.
Hajer, M. (2016b). Zweden, gidsland in onderwijs aan nieuwkomers? In M. Lieskamp, J. van Loo
    & A. Schoemaker (eds.), Nieuwkomers op school. Onderwijs als startpunt voor een betere toe-
    komst (39-41). Huizen: Uitgeverij Pica.
46                                                                            Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Hill, J.D. & Björk, C.L. (2008). Classroom Instruction that Works with English Language Learners.
     Alexandria: ASCD.
Heckman, J.J., Moon, S.H., Pinto, R., Savelyev, P.A. & Yavitz, A. (2010). A new cost-benefit and rate
     of return analysis for the Perry Preschool Program: A summary. Webpagina. Geraadpleegd op
     2 februari 2017 via http://ftp.iza.org/pp17.pdf.
Huijnk, W. & Andriessen, I. (2016). Integratie in zicht? De integratie van migranten in Nederland op
     acht terreinen nader bekeken. Den Haag: SCP.
Immigratie- en Naturalisatiedienst (2017). Totale asielstroom 2016 31.600. Webpagina. Geraad-
     pleegd op 3 januari 2016 via de website van Immigratie- en Naturalisatiedienst, https://ind.
     nl/nieuws/Paginas/Totale-asielinstroom-2016-31-600.aspx.
Ingrado (2015). Notitie Onderwijs aan asielzoekerskinderen. Geraadpleegd op 15 februari 2017 via
     de website van Ingrado,http://www.ingrado.nl/actueel/news_entry/recht_op_onderwijs_
     voor_ vluchtelingenkinderen.
Inspectie van het Onderwijs (2015a). De kwaliteit van het onderwijs aan nieuwkomers, type 1 en 2,
     2013/2014. Evaluatie van de kwaliteit van AZC scholen, relatief zelfstandige en grotere nieuwko-
     mersvoorzieningen. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2015b). De kwaliteit van het onderwijs aan nieuwkomers, type 3,
     2013/2014. Evaluatie van de kwaliteit van basisscholen met één of twee nieuwkomersklassen.
     Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2016). De Staat van het Onderwijs. Hoofdlijnen onderwijsverslag
     2014/2015. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
International Monetary Fund (2016).The Refugee Surge in Europe: Economic Challenge. Geraad-
     leegd op 15 februari 2017 via de website van International Monetary Fund, https://www.imf.
     org/external/pubs/cat/longres.aspx?sk=43609.
Kinderombudsman (2016). Wachten op je toekomst - Kinderen in de noodopvang in Nederland.
     Den Haag: Kinderombudsman.
Kleijwegt, M. (2016). 2 werelden, 2 werkelijkheden: een verslag over gevoelige maatschappelijke
     kwesties in de school. Geraadpleegd op 14 februari 2017 via de website van Rijksoverheid,
     https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/02/01/twee-werelden-twee-
     werkelijkheden-een-verslag-over-gevoelige-maatschappelijke-kwesties-in-de-school.
Kraatz, M.S. (1998). Learning by association? Interorganizational networks and adaptation to
     environmental change. Academy of management journal, 41(6), 621-643.
Leerkes, A. & Scholten, P. (2016). Landen in Nederland. De vluchtelingenstroom in integratieper-
     spectief. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam.
Lucassen, L. (2016). Een historisch perspectief op de kosten van een vluchteling. ESB, 101(4730),
    198-202.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015). Vluchtelingenonderwijs. Brief van
     Staatssecretaris van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 1 december 2015. Kamer-
     stukken II (2015-2016), 34334, 3.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016). Leerplichtige asielzoekerskinderen. Brief
     van Staatssecretaris van OCW aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 1 april 2016. Kamerstuk-
     ken II (2015-2016), 34334, 10.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017). Antwoord op schriftelijke vragen van het
     lid Klein. Brief van Staatssecretaris van OCW aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 20 januari
     2017. Aanhangsel van de Handelingen, 998.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016a). Inburgering. Brief van Minister van
     Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 11 oktober 2016.
     Kamerstukken II (2016-2017), 32824, 161.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016b). Onderwijs aan vreemdelingen. Brief
    van Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzitter van de Tweede Kamer,
    17 november 2016. Kamerstukken II (2016-2017), 34334, 23.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2016c). Voortgang inburgering. Brief van
    Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 20
    april 2016. Kamerstukken II (2015-2016), 32824, 129.
Moynihan, D.P. (2008). Learning under uncertainty: Networks in crisis management. Public
    Administration Review, 68(2), 350-365.
Onderwijsraad (2005). Bakens voor spreiding en integratie. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2007). De verbindende schoolcultuur. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2010). Vroeg of laat. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2012). Geregelde ruimte. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2013). Een smalle kijk op onderwijskwaliteit. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014). Een onderwijsstelsel met veerkracht. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015). Een goede start voor het jonge kind. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016a). Internationaliseren met ambitie. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016b). Vakmanschap in beweging. Den Haag: Onderwijsraad.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2015). Immigrant Students at School.
    Easing the Journey towards Integration. Paris: OECD.
Organisation for Economic Development and Coordination (2016). Making integration work.
    Refugees and others in need of protection. Paris: OECD.
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2016). Grensconflicten. Toegang tot sociale voorzie-
    ningen voor vluchtelingen. Den Haag: Raad voor Volksgezondheid en Samenleving.
Rijksoverheid (2015). Bestuursakkoord Verhoogde Asielstroom. Geraadpleegd op 15
    februari 2017 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/11/27/
    bestuursakkoord-verhoogde-asielinstroom.
Rijksoverheid (2016a). Miljoenennota 2017. Den Haag: Ministerie van Financiën.
Rijksoverheid (2016b). Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielstroom.Geraadpleegd op 15
    februari 2016 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/04/28/
    rapport-uitwerkingsakkoord-verhoogde-asielinstroom.
Rood, J., Van der Putten, F-P. & Meijnders, M. (2015). A world without order? Clingendael Monitor,
    2015. Den Haag, Clingendael.
Shonkoff, J.P. & Garner, A.S. (2011). The Lifelong Effects of Early Childhood Adversity and Toxic
    Stress. Pediatrics, 129(1), e232-e246.
Sociaal-Economische Raad (2016). Nieuwe wegen naar een meer succesvolle arbeidsmarktintegra-
    tie van vluchtelingen. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2014). Jaarrapport integratie 2013. Den Haag: SCP.
Stavenuiter, M., Smits van Waesberghe, E., Noordhuizen, B. & Oostrik, S. (2016). Onderwijs en
    doorstroom naar de arbeidsmarkt van jonge nieuwkomers in Nederland. Geraadpleegd op
    14 februari 2017 via de website van Verwey-Jonker Instituut, http://www.verwey-jonker.nl/
    publicaties/2016/onderwijs-en-doorstroom-arbeidsmarkt-nieuwkomers.
United Nations High Commissioner for Refugees (2017). Figures at a Glance. Webpagina. Geraad-
    pleegd op 3 januari 2017 via de website van UNHCR, http://www.unhcr.org/figures-at-a-
    glance.html.
Van der Putten, F-P., Rood, J. & Meijnders, M. (2016). Grootmachten en mondiale stabiliteit. Clin-
    gendael Monitor 2016. Den Haag: Clingendael.
Vanhooren, S., Pereira, C. & Bolhuis, M. (2017). Iedereen taalcompetent! Visie op de rol, de positie en
    de inhoud van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw. Den Haag: Taalunie.
48                                                                          Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2016). Factsheet Integratie en participatie voor gemeen-
    ten december 2016. Den Haag: VNG.
Verus (2017). Input voor advies Onderwijsraad. Geraadpleegd op 30 januari 2017 via: www.verus.
    nl/sites/2ww.verus.nl/files/documenten/input_verus_voor_advies_onderwijsraad_onder-
    wijs_en_vluchtelingen.pdf.
VluchtelingenWerk (2014). VluchtelingenWerk Integratiebarometer 2014. Een onderzoek naar de
    integratie van vluchtelingen in Nederland. Amsterdam: VluchtelingenWerk.
VO-raad (2016a). Asielkind leert onder zijn niveau. Webpagina. Geraadpleegd op 14 februari 2017 via
    de website van VO-raad, https://www.vo-raad.nl/nieuws/asielkind-leert-onder-zijn-niveau.
VO-raad (2016b). Leernetwerken rond onderwijs op maat voor nieuwkomersleerlingen. Webpagi-
    na. Geraadpleegd op 8 februari 2017 via de website van VO-raad, https://www.vo-raad.nl/
    nieuws/leernetwerken-rond-onderwijs-op-maat-voor-nieuwkomersleerlingen.
Werkgroep Kind in AZC (2016). Zo kan het ook. Geraadpleegd op 14 februari 2017 via de website
    van Kind in azc, http://www.kind-in-azc.nl/wp-content/uploads/2016/11/Voorkant-rapport-
    web.jpg.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                      49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
De heer N. van As		        PBLQ (adviesbureau)
Mevrouw M. Baltussen		     Onderwijsinspectie
Mevrouw T. Berg - le Clerq Augeo
Mevrouw H. Boerboom        LOWAN (ondersteuning onderwijs nieuwkomers)
De heer L. Boogerd		       COA
Mevrouw I. Colijn		        Ministerie van SZW
De heer J. Dagevos		       SCP
De heer W. van Es		        Sardes
De heer W. Evers		         Stedelijk College Eindhoven
Mevrouw M. Göbbels		       Ministerie van OCW
De heer J. Gross		        Massachusetts Immigrant & Refugee Advocacy Coalition
                           (MIRA), Boston, VS
Mevrouw M. de Haan		       MBO Raad
Mevrouw M. Hajer		         Hogeschool Utrecht en Universiteit van Malmö
Mevrouw I. den Hollander   CINOP
Mevrouw M. Hoekstra		      Ministerie van SZW
De heer W. van der Horst   CED-Groep (nu gepensioneerd)
De heer W. Janssens		      Vlaams Ministerie van Onderwijs, Antwerpen
De heer J. Kloprogge		     Zelfstandig adviseur
Mevrouw J. Maasland		      VNG
De heer J. van Meerkerk    Manpowergroup
Mevrouw D. van Petersen    VNG
Mevrouw M. Postma		        LOWAN
Mevrouw S. Roorda		        Ministerie van OCW
De heer S. Rutten		        Zelfstandig adviseur
Mevrouw M. Seighali		      UAF
Mevrouw K. Slinger		       GGD GHOR Nederland
Mevrouw. A. Smits		        Augeo
De heer M. Stoker		        Stedelijk College Eindhoven
De heer B. Tuk		           Pharos
Mevrouw A. den Uyl		       VluchtelingenWerk Nederland
Mevrouw N. van der Veen    Mister Dutch
De heer F. Voncken		       Ministerie van OCW
De heer A. de Voogd		      UAF
De heer S. de Vries		      PO-raad
De heer M. Vroom		         Onderwijsinspectie
Mevrouw A. Waarts		        Ministerie van OCW
Mevrouw J. Wormhoudt       Bataviaschool Amsterdam
Mevrouw D. Zeldenrijk		    VO-raad
50                                                              Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Verder zijn in het kader van dit project de volgende bijeenkomsten bezocht:
Kennismarkt OCW Vluchtelingen
Conferentie in Brussel
Conferentie taallectoren
Expertbijeenkomst NRO Onderwijs aan vluchtelingenkinderen
De volgende deskundigen hebben op persoonlijke titel commentaar geleverd op een concept
van het advies.
De heer N. van As		               PBLQ
De heer H. Boutellier		           Verwey-Jonker Instituut
Mevrouw M. de Gruijter            Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS)
Mevrouw M. Hajer		                Hogeschool Utrecht en Universiteit van Malmö
De heer J. Hinloopen		            Universiteit Utrecht
Mevrouw A. Westerhuis             ecbo
De heer Han Entzinger, emeritus hoogleraar Migratie- en Integratiestudies van de Erasmus Uni-
versiteit Rotterdam, maakte deel uit van de raadscommissie die dit advies heeft voorbereid.
Vluchtelingen en onderwijs                                                                 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
www.onderwijsraad.nl
               52           Onderwijsraad, februari 2017
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>