<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Plezier in
bewegen
Een oproep tot dagelijks twee
keer een half uur sporten en
bewegen in het onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                   Nederlandse Sportraad
                           Onderwijsraad
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                               3
Inhoud
Samenvatting							5
1     Wisselende aandacht voor sporten en bewegen op school		           13
1.1	Aanleiding: kinderen bewegen te weinig, ook op school		            15
1.2   Vraag: wat kan maatschappelijk van het onderwijs worden verwacht
       op het gebied van sporten en bewegen?				                        18
2	Maak bewegen op elke onderwijsinstelling vanzelfsprekend		           21
2.1	Bewegen kan nog beter doorwerken in de brede opdracht van
      het onderwijs 						22
2.2 Jong geleerd is (vanzelf) oud gedaan				                            27
2.3	Ongelijke kansen door verschillen in aanbod tussen scholen		       29
2.4 Wetgeving en beleid geven nauwelijks richting			                    35
3	Aanbeveling 1 – leg beweeg­norm vast en versterk toezicht		          45
3.1 Verscherp de wettelijke opdracht aan scholen			                     45
3.2	Borg in het toezicht de aandacht voor sporten en bewegen		         49
4	Aanbeveling 2 – zet vakleerkrachten, leraarondersteuners
      bewegingsonderwijs en sport, buurtsportcoaches en topsporters in  53
4.1	Zoek naar creatieve oplossingen voor de inzet van personeel 		     54
4.2	Benut inspirerende praktijkvoorbeelden 				                        56
5	Aanbeveling 3 – bundel kennis, ervaring, middelen en faciliteiten
      op lokaal niveau						63
5.1	Zet netwerken in om samenwerking vorm te geven			64
5.2 Vervul als gemeente een regierol					                               66
Afkortingen							70
Geraadpleegde deskundigen 					71
Literatuur							72
Bijlage – Kerndoelen bewegingsonderwijs po en vo en
kwalificatie-eisen vitaal burgerschap mbo				                           82
                                                                         Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Foto: David Rozing | Hollandse Hoogte</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                               5
Samenvatting
Te veel kinderen bewegen te weinig
Bijna de helft van de kinderen beweegt te weinig. Kinderen zitten urenlang per dag,
spelen weinig buiten en fietsen steeds minder naar school. Dat is een gemiste kans:
wie op jonge leeftijd plezier ervaart in sporten en bewegen, ontwikkelt dikwijls een
actieve leefstijl op latere leeftijd. De gevolgen van bewegingsarmoede zijn merkbaar.
Per generatie nemen de motorische vaardigheden af en neemt het overgewicht toe,
en daarmee ook de kans op welvaartsziekten zoals diabetes type 2.
Veel scholen hebben beperkt sport- en beweegaanbod
Er is één plek waar alle kinderen samen komen: op school. Hoewel er goede voorbeelden
zijn, bieden veel scholen sport en beweging beperkt aan. Scholen verschillen in hun
visie op sport en beweging en daarmee ook in de kwantiteit en kwaliteit van het sport-
en beweegaanbod voor hun leerlingen. Sommige scholen profileren zich als gezonde
of sportieve school, met extra sport- en beweegaanbod, sportklassen en talent­
programma’s. Andere scholen beperken zich echter tot het geven van een of twee uur
gymles, bouwen geen beweegmomenten in tussen de lessen en bieden geen sportieve
activiteiten aan tijdens de pauzes. Het landelijke en lokale beleid heeft hierin de
afgelopen jaren, ondanks verschillende stimuleringsmaatregelen, weinig verande-
ring gebracht.
Verschillen leiden tot kansenongelijkheid
De verschillen tussen scholen in de aandacht die zij geven aan sporten en bewegen
zijn te groot. Op termijn zal dit leiden tot kansenongelijkheid. Dit signaal is ook
afgegeven door de onderwijsinspectie. Op scholen waar het aanbod onvoldoende is,
kunnen leerlingen niet profiteren van de voordelen van bewegen. Vrijheid van onder-
wijs moet niet leiden tot vrijblijvendheid. De verschillen en ongelijkheid worden nog
verder versterkt door het lokale en regionale overheidsbeleid. Gemeenten bepalen zelf
hoe zij hun sport- en beweegbeleid vormgeven. Zij investeren meer of minder in sporten
en bewegen op en rond scholen en nemen daarbij soms wel, maar soms ook geen rol
in de coördinatie en samenwerking.
                                                                         Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6
  Landelijk beleid en wetgeving geven onvoldoende richting
  Landelijk beleid en wetgeving geven onvoldoende richting aan sporten en bewegen
  op school. Subsidieregelingen van de rijksoverheid zijn vaak niet structureel van karakter
  en stimuleren vooral de voorlopers onder scholen en gemeenten. Wettelijke eisen op
  het gebied van sporten en bewegen – kerndoelen voor het primair en voortgezet onder­
  wijs en kwalificatie-eisen voor het middelbaar beroepsonderwijs – zijn multi-inter­
  pretabel en kennen geen minimum aantal uren. De kwalificatie-eisen in het middelbaar
  beroepsonderwijs beperken zich vooral tot het opdoen van kennis over bewegen en gaan
  niet over het bewegen zelf. Scholen hebben vooral aandacht voor de kwalificerende
  functie van bewegen, dat wil zeggen: het aanleren van (een beperkt aantal) motorische
  vaardigheden. Het toezicht door de inspectie versterkt deze – volgens de raden te
  beperkte – focus op gymnastiek. De kerndoelen voor sport en bewegen zijn vakgericht
  in plaats van vakoverstijgend, zoals bij veel andere leergebieden wel het geval is. Ook in
  het nieuwe curriculum lijkt weer voor de vakgerichte aanpak te worden gekozen.
  Drie raden geven samen advies
  De Nederlandse Sportraad (NLsportraad), de Onderwijsraad en de Raad voor Volks­
  gezondheid en Samenleving (RVS) achten de bovengeschetste ontwikkelingen ongewenst
  en zien hierin aanleiding om samen te adviseren over de rol van scholen op het gebied
  van sport en bewegen. In het advies richten de raden zich op het primair en voortgezet
  onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Daarbij hanteren de raden een ruime
  definitie van sporten en bewegen: van beweegmomenten ter ondersteuning van de
  lessen en expressie tijdens dans en theater tot spelactiviteiten op het schoolplein en
  bewegingsonderwijs in het gymlokaal.
  Centrale vragen in het advies zijn:
  • Wat mag worden verwacht van scholen op het gebied van sport en bewegen?
  • En wat is ervoor nodig om scholen in staat te stellen deze verwachting waar te
      maken?
  // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                                                7
Meer sporten en bewegen: voor het onderwijs
In het advies concluderen de raden onomwonden dat het nodig is om meer aandacht
te geven aan sport en bewegen op school. Niet alleen vanwege de gezondheid.
Sporten en bewegen kunnen veel breder worden ingezet voor het onderwijs zelf.
Sport en beweging hoort een vanzelfsprekend en integraal onderdeel te zijn van het
onderwijs dat erop gericht is leerlingen te kwalificeren (voorbereiden op werk of een
vervolgopleiding), te socialiseren (leren omgaan met elkaar) en te vormen (persoons-
vorming). Kinderen leren tijdens sport- en spelactiviteiten naast motorische vaardig-
heden ook gedragsnormen aan, leren samenwerken in een groep, krijgen meer zelf-
vertrouwen, leren hun leeftijdgenoten respecteren en ontwikkelen verantwoordelijkheid
voor en controle op het eigen handelen. Het gaat de raden om alle vormen van sporten
en bewegen, binnen en buiten de gymles. De raden stellen vast dat alleen een of twee uur
bewegingsonderwijs per week niet voldoende is om de doelen van kwalificatie, socia-
lisatie en persoonsvorming na te streven, een actieve leefstijl bij kinderen en jongeren
te ontwikkelen en cognitieve functies te stimuleren.
Meer sporten en bewegen: voor cognitieve functies
Lichamelijke beweging stimuleert de cognitieve functies. Voor de raden is dit een belang­
rijk argument om meer aandacht te geven aan sporten en bewegen in het onderwijs.
Beweging brengt acute en structurele veranderingen tot stand in de hersenstructuur, die
een positief effect hebben op aandacht, concentratie en executieve cognitieve functies
zoals planning en besluitvorming. Er zijn aanwijzingen dat bewegen een positieve
invloed heeft op onderwijsprestaties. Bewegend leren in de klas is dan ook in opmars.
Meer sporten en bewegen: voor een actieve leefstijl
Hoe jonger kinderen op school worden aangemoedigd om veel en vooral plezierig te
bewegen, hoe groter hun deelname aan sport- en beweegactiviteiten op latere leeftijd is.
Scholen spelen een belangrijke rol in het aanleren van een actieve leefstijl. Het plezier
in sporten en bewegen achten de raden essentieel; het is een van de belangrijkste
succesfactoren voor een leven lang bewegen. Een gedifferentieerd aanbod dat inspeelt
op de verschillen tussen kinderen is van groot belang. Een veilig pedagogisch klimaat,
des­kundige begeleiding, aantrekkelijk ingerichte ruimtes en veilige toestellen zijn
randvoorwaarden.
Drie adviezen van de raden
Op basis van bovenstaande visie geven de NLsportraad, de Onderwijsraad en de RVS de
volgende drie adviezen. De adviezen richten zich zowel tot scholen als tot lokale partners
(zoals sportverenigingen en kinderopvangorganisaties), gemeenten en de rijksoverheid.
Ieder heeft daarin een eigen rol. Het versterken van het sport- en beweegaanbod zien
de raden als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren.
                                                                          Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8
  1	Verscherp de wettelijke opdracht aan scholen en
           houd toezicht op deze opdracht
  Om kansenongelijkheid tegen te gaan vinden de raden dat op iedere school een mini-
  male basis aan sporten en bewegen moet worden geboden. De raden adviseren om
  leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonder-
  wijs minimaal twee keer per dag een half uur matig intensief te laten sporten en
  bewegen. Deze norm komt overeen met de beweegrichtlijnen van de
  Gezondheidsraad. Conform deze beweegrichtlijnen geven de raden ook het advies om
  leerlingen drie keer per week bot- en spierversterkende oefeningen te laten doen en
  ervoor te zorgen dat leerlingen het zitten onderbreken. Daartoe adviseren de raden de
  minister van OCW om de wettelijke opdracht (kerndoelen en kwalificatie-eisen) aan
  scholen op het gebied van sport en bewegen aan te scherpen.
  Tegelijkertijd adviseren de raden om scholen binnen het wettelijk kader voldoende
  gelegenheid te geven om het sporten en bewegen – in de ruimste definitie – naar
  eigen inzicht in te richten. Scholen moeten het sport- en beweegaanbod kunnen aan-
  passen aan de leerlingenpopulatie – met extra aandacht voor kwetsbare groepen - en
  het eigen didactisch en pedagogisch concept. Hun visie op sporten en bewegen kun-
  nen scholen weergeven in het school- of instellingsplan (primair en voortgezet onder-
  wijs) dan wel het strategisch beleidsplan (middelbaar beroepsonderwijs).
  Op basis van de aangescherpte kerndoelen en de visie in het schoolplan (voor het
  middelbaar beroepsonderwijs: kwalificatie-eisen en beleidsplan) kan de inspectie ver-
  volgens toezicht uitoefenen. Daarbij heeft de inspectie een waarborgende rol als het
  gaat om vastgelegde kerndoelen en kwalificatie-eisen en een stimulerende rol als het
  gaat om de uitvoering van het eigen school- of beleidsplan.
  // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                             9
2	Verruim de mogelijkheden voor de inzet van
       personeel en benut inspirerende
       praktijkvoorbeelden
De raden zijn zich bewust van de knelpunten die in de praktijk bestaan, zoals een
tekort aan vakleerkrachten, onvoldoende lokale samenwerkingspartners, gebrek aan
financiële middelen, een te vol lesrooster en onvoldoende geschikte accommodaties.
Het tekort aan vakleerkrachten wordt vaak genoemd. De raden bevelen aan om tus-
sen scholen of binnen gemeenten vakleerkrachten te ‘delen’ en – onder supervisie
van vakleerkrachten – vaker andere experts een rol te geven in het sport- en
beweegaanbod op school. De raden denken daarbij aan professionals met een
mbo-opleiding sport en bewegen, buurtsportcoaches, trainers van sportverenigingen
in de wijk en oud-topsporters. Belangrijk is dat het bewegingsonderwijs altijd onder
verantwoordelijkheid van een bevoegde vak- of groepsleerkracht wordt gegeven,
zodat daarmee de aansprakelijkheid van de school bij ongevallen is gedekt.
Ook voor de andere knelpunten bestaan creatieve oplossingen. Sporten en bewegen
kunnen behalve in het gymlokaal ook plaatsvinden op school- en speelpleinen, veldjes
en sportaccommodaties in de buurt. Sporten en bewegen kunnen worden geïnte-
greerd in het reguliere lesrooster. Digitale tools kunnen worden ingezet om leerlingen
en leerkrachten te stimuleren en te ondersteunen. Er zijn veel inspirerende praktijk-
voorbeelden, deels vindbaar op professionele internetplatforms. De raden adviseren
de overheid om deze lerende platforms een impuls te geven en breed beschikbaar te
stellen, zodat scholen worden ontzorgd en niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden.
                                                                       Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10
   3	Geef lokale samenwerking vorm en borg dit
            onder gemeentelijke regie
   De raden adviseren scholen om beweegteams op te richten. Daarbij is van belang
   dat een beweegteam een trekker of coördinator heeft: bij voorkeur een vakleerkracht
   of een buurtsportcoach. Om het sport- en beweegaanbod op school te versterken,
   adviseren de raden aan scholen om hun organisatorisch netwerk uit te breiden en
   structurele samenwerking te zoeken met sport- en beweegaanbieders, organisaties voor
   kinderopvang en buitenschoolse opvang, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
   Dit gaat niet vanzelf en vraagt tijd en inzet; de raden zien daarbij een duidelijke taak
   voor gemeenten. Gemeenten hebben een belangrijke rol als procesregisseur, bijvoorbeeld
   bij de inzet van buurtsportcoaches en bij het zoeken naar oplossingen voor geschikte
   accommodaties. In alle gevallen dienen de gezamenlijke inspanningen erop gericht te
   zijn om vraag en aanbod bij elkaar te brengen.
   Conclusie
   De raden concluderen dat dagelijkse aandacht voor sport en
   bewegen in het onderwijs veel meer vanzelfsprekend moet en
   kan worden. Het onderwijs kan dit waarmaken met steun van
   lokale netwerken, gemeenten en de rijksoverheid.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                      11
Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>01
   Foto: Sabine Joosten | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                           13
In juni 2018 constateerde het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek)
dat bijna de helft van de Nederlandse kinderen te weinig beweegt.
Ook uit andere bronnen komen zorgen naar voren over de bewegings­
vaardigheid en gezondheid van kinderen. Dit leidt onder meer tot meer
aandacht voor sporten en bewegen, ook in het onderwijs. Wat kan er
van onderwijs­instellingen worden verwacht met betrekking tot sporten
en bewegen en wat hebben zij nodig om die verwachtingen waar
te maken?
Wisselende aandacht
voor sporten en bewegen
op school
         Een deel van de scholen biedt naast gymnastieklessen ook andere sport- en beweeg-
         activiteiten aan, onder schooltijd of tijdens sportevents zoals sportdagen, Koningsspelen
         en Olympic Moves. Een ander deel van de scholen beperkt zich tot het verplichte vak
         bewegingsonderwijs (gym).1 Scholen mogen zelf invulling geven aan het bewegings-
         onderwijs. Het verplichte aantal uren gym per week is niet vastgelegd in de wet. Dit zorgt
         voor grote verschillen in het aantal gymlessen op scholen. In het middelbaar beroeps-
         onderwijs worden de laatste jaren verwoede pogingen gedaan sport- en bewegings-
         onderwijs te herintroduceren, nadat de verplichting hiertoe in de jaren negentig van de
         vorige eeuw was beëindigd. Ook voor het middelbaar beroepsonderwijs is er geen
         wettelijke opdracht om een bepaald aantal uren in de week te sporten of te bewegen.
         1
             Bewegingsonderwijs wordt ook wel lichamelijke opvoeding of gymnastiek (kort: gym) genoemd. Het is een vak dat
             standaard op het programma staat in het basisonderwijs. Op middelbare scholen staat het vak als ‘lichamelijke opvoe-
             ding’, ‘lichamelijke oefening’, ‘bewegingsonderwijs’, ‘bewegen en sport’, ‘LO’, ‘gym’ of ‘sport’ op het rooster. De officiële
             aanduiding in de onderbouw van het voortgezet onderwijs is bewegen en sport.
                                                                                                                  Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>14
       Wat is de wettelijke opdracht van scholen?
       Nederland kent geen nationaal curriculum. Wel legt de overheid kwaliteitsstandaarden
       neer in wettelijke deugdelijkheidseisen. Dergelijke eisen bestaan uit kaders (eisen aan
       leraren, organisatie, schooltijden en dergelijke) en inhoudelijke opdrachten waaraan elke
       instelling in een bepaalde onderwijssector moet voldoen, zoals kerndoelen voor het
       primair en voortgezet onderwijs. Voor het middelbaar beroepsonderwijs zijn globale
       leerdoelen geformuleerd in kwalificatie-eisen.
       Voor het primair en voortgezet onderwijs zijn kerndoelen voor het bewegingsonderwijs
       (gym) vastgelegd in de WPO (Wet op het primair onderwijs) en de WVO (Wet op het
       voortgezet onderwijs). Het speciaal onderwijs kent aparte kerndoelen, vastgelegd in de
       WEC (Wet op de expertisecentra), vanwege de specifieke kenmerken van de leerlingen in
       dit type onderwijs.2 In het middelbaar beroepsonderwijs vormt sporten en bewegen
       onderdeel van de generieke kwalificatie-eisen vitaal burgerschap (gezondheid; zorg voor
       eigen vitaliteit en fitheid).
       De kerndoelen voor het bewegingsonderwijs regelen niet hoeveel uren bewegingsonderwijs
       leerlingen moeten krijgen. Hetzelfde geldt voor het aantal lessen vitaal burgerschap in het
       middelbaar beroepsonderwijs. Dit is aan scholen zelf.
       Wel is in 2014 in het bestuurs­akkoord tussen de PO-Raad en het ministerie van OCW
       (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) de afspraak opgenomen dat alle scholen in het
       basisonderwijs eind 2017 minimaal twee lesuren bewegingsonderwijs door een
       bevoegde (vak)leerkracht verzorgen – en dat ze streven naar drie lesuren.3 Voor het
       voortgezet onderwijs is wettelijk bepaald dat er een “acceptabele hoeveelheid
       onderwijstijd” moet zijn voor lichamelijke opvoeding en dat scholen in elk leerjaar
       lichamelijke opvoeding geven en de lessen spreiden over de weken in het schooljaar.
       De situatie op 1 augustus 2005 is voor het wekelijkse aantal lesuren het uitgangspunt.4
       Gelet op het op die datum geldende inrichtingsbesluit komt dat volgens de inspectie neer
       op 2,5 lesuren voor vmbo, 2,2 lesuren voor havo en 2 lesuren voor vwo.5 Tot slot hebben
       mbo-scholen zich gecommitteerd aan de doelstelling van het Masterplan Bewegen & Sport
       om vijf procent van de onderwijstijd aan beweging te besteden.6 Dit komt neer op één
       klokuur per week, tenzij de student stage loopt.
       Ook de inhoud van het onderwijs is niet precies beschreven. De verantwoordelijkheid voor
       de inhoudelijke invulling ligt in principe bij de schoolbesturen. De kerndoelen zijn streef­
       doelen (aanbodsdoelen) waar scholen zich op dienen te richten bij de ontwikkeling van
       hun lesprogramma. De kwalificatie-eisen in het middelbaar beroepsonderwijs betreffen
       globaal geformuleerde leerdoelen. Zij laten de mbo-instellingen voldoende ruimte om
       binnen de formele kaders het onderwijsprogramma per opleiding af te stemmen op de
       doelgroep.7
   2
        Zie bijlagen 1 t/m 3 bij Besluit Kerndoelen WEC m.b.t. bewegingsonderwijs.
   3
         PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014.
   4
         Artikel 6d WVO.
   5
         Inspectie van het onderwijs, 2014.
   6
         Platform Bewegen en Sport mbo, 2014.
   7
         Zie voor de kerndoelen voor gym en de kwalificatie-eisen vitaal burgerschap, bijlage 1.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      15
   Voor het primair en voortgezet onderwijs geldt hiernaast de verplichting om aan kennis­
   overdracht over gezondheid te doen. Zo luidt kerndoel 34 van het leergebied Mens en
   Natuur voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs: “De leerling leert hoofdzaken te
   begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het
   bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijk­
   heid te nemen.”8 Onderwijs op dit gebied wordt in het voortgezet onderwijs meestal
   vormgegeven binnen biologie en/of verzorging.
De roep om jongeren via het onderwijs tot een actieve leefstijl te bewegen leidt tot
discussie over de gewenste omvang en invulling van het bewegings- en sportonderwijs
op scholen. Is het nodig om strikte regels in te voeren of druist dit in tegen de vrijheid
van onderwijs en de autonomie van scholen? Hebben scholen een maatschappelijke
opdracht als het gaat om sport en bewegen? En zo ja, hoe kunnen zij dan aan die
maatschappelijke opdracht voldoen en wat hebben zij daarvoor nodig?
1.1	Aanleiding: kinderen bewegen te weinig,
         ook op school
Er komen steeds meer geluiden uit de samenleving dat Nederlandse kinderen te weinig
bewegen. Dagbladen en nieuwszenders gebruiken grote koppen als Kinderen klunziger,
Schoolkinderen fietsen te weinig en Kinderen zijn in vijf jaar aanzienlijk minder buiten gaan
spelen.9 Bijna de helft van de vier- tot twaalfjarigen haalt het niet om elke dag minstens
een uur aan beweging te doen.10 Ook andere bronnen bevestigen dat kinderen steeds
minder zijn gaan bewegen: ze spelen bijvoorbeeld minder buiten.11 Deze geluiden,
gecombineerd met een toenemend aantal kinderen dat kampt met overgewicht,12 leiden
tot merkbaar meer aandacht voor het onderwerp bewegen, ook onder beleidsmakers.13
In het sport- en onderwijsbeleid is steeds meer aandacht voor preventief gezond-
heidsbeleid. Hieraan kan het bewegings- en sportonderwijs een bijdrage leveren.
8
    Bijlage behorend bij artikel 1 van het Besluit kerndoelen onderbouw VO, onderdeel D: mens en natuur, kerndoel 34.
9
    Galema & Tol, 2017; NOS, 2018a; 2018b.
10
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2015.
11
    Zie onder andere Karsten, 2005; Jantje Beton, 2018.
12
    Marcelis, 2017; Trouw, 2017.
13
    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012; Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2005.
                                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>16
   Veel aandacht in overheidsbeleid voor mogelijkheden sporten en bewegen
   Voor de overheid is het stimuleren van een actieve en gezonde leefstijl al jaren een
   hoofddoelstelling van het sportbeleid.14 Het kabinet-Rutte III spreekt ook de ambitie
   uit om meer in te zetten op preventie en gezondheidsbevordering.15 Scholen zijn dé
   plek waar alle kinderen samenkomen en krijgen daarom een belangrijke plaats in het
   beleid gericht op meer bewegen. Dit stimuleringsbeleid is vertaald in een groot aantal
   programma’s, projecten en subsidieregelingen, direct of indirect gericht op scholen.16
   Naast ondersteuning van scholen (zoals het programma Gezonde School en het inmiddels
   afgeronde project VMBO in beweging),17 probeert de overheid via gemeentelijke
   impulsfinanciering de sport- en beweeginfrastructuur rondom scholen en wijken te
   versterken. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de Brede impuls combinatiefuncties en de
   Stimuleringsregeling multifunctionele (sport)accommodaties.
   Maar de mate waarin en waarom er op scholen wordt bewogen verschilt sterk
   Hoewel er veel mooie initiatieven zijn, bestaan er tussen scholen verschillen in de
   hoeveelheid tijd die ze besteden aan gymlessen. Een derde van de basisscholen reali-
   seert bijvoorbeeld maar één les bewegingsonderwijs per week. De gymles wordt ook
   lang niet altijd door een vakleerkracht gegeven.18 Vanuit de Tweede Kamer zijn daarom
   stemmen opgegaan om basisscholen te verplichten om aan al hun leerlingen drie keer
   per week gymles door bevoegde vakleerkrachten aan te bieden.19 Kinderen brengen
   bovendien veel tijd op school zittend door.20 Er zijn nog niet veel scholen waar bijvoor-
   beeld met statafels wordt gewerkt. Wel wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar
   de voordelen van statafels, ook in scholen.21
   14
        Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2005; 2017.
   15
       Vertrouwen in de toekomst, 2017, p.13. Dat doet het in de vorm van een nationaal preventieakkoord met patiëntenor-
       ganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en -bonden, bedrijven en maatschappe-
       lijke organisaties. Ook wil het kabinet een sportakkoord sluiten, met in ieder geval sportbonden, sportverenigingen,
       sporters met een beperking en gemeenten. In maart 2018 heeft de NLsportraad een advies over het sportakkoord uit-
       gebracht. Zie Nlsportraad, 2018.
   16
       Zie voor een overzicht Tiessen-Raaphorst (red.), 2015.
   17
       Zie websites www.gezondeschool.nl en tools.nisb.nl/vmbo-in-beweging/vmbo-in-beweging.html.
   18
       Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   19
       Tweede Kamer, 2016; Memorie van toelichting, 2018.
   20
       Tiessen-Raaphorst (red.), 2015, p.192.
   21
       Leyden Academy on Vitality and Ageing onderzoekt wat er gebeurt als basisschoolleerlingen op de Lorentzschool in
       Leiden de keuze hebben om zitten af te wisselen met staan en welk effect dit heeft op hun leerpretstaties en fysieke
       fitheid gedurende drie jaar in het project Jong Geleerd’. Zie www.leydenacademy.nl/jong-geleerd-experi-
       ment-met-zit-sta-tafeltjes-op-leidse-basisschool. De Open Universiteit Heerlen onderzoekt binnen het project
       PHIT2LEARN de relatie tussen enerzijds beweging, met name het verminderen van zitgedrag, en anderzijds cognitieve
       prestaties en leerprestaties van mbo-studenten op het ROC Leeuwenborch en het Koning Willem I College.
       Zie http://phit2learn.nl/.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                                                                          17
Naast verschillen in de mate van bewegen streven scholen ook verschillende doelen met
sporten en bewegen na. Sommige scholen profileren zich als gezonde school. Zij vragen
bijvoorbeeld het themacertificaat bewegen & sport binnen het programma Gezonde
School aan.22 Andere scholen richten zich op verbetering van de motoriek van leerlingen
of ze gebruiken sport en bewegen als middel om de sociale binding tussen leerlingen
en met de school te bevorderen. Daarnaast experimenteren steeds meer scholen met
bewegen in de les als een middel om de leerprestaties voor rekenen en taal te bevor-
deren.23 Dit vanuit de gedachte dat bewegen tijdens de les van positieve invloed is op
de hersenactiviteit, en daarmee mogelijk ook op de leerprestaties. Deze mogelijke
positieve effecten van bewegen worden vaak genoemd in beleidsnota’s en onderzoeks­
verslagen.24 Naast initiatieven die voor alle leerlingen bedoeld zijn, zijn er ook program­ma’s
voor leerlingen die hun talenten op het gebied van sport al hebben bewezen.
Zo zijn er scholen met sportklassen en scholen die hun onderwijsprogramma hebben
afgestemd op topsportende leerlingen.25 Er is dus al een redelijk aantal scholen die op
verschillende manieren leerlingen stimuleren tot sport- en bewegingsactiviteiten. In het
algemeen gebeurt dit echter nog onvoldoende structureel en is de inzet vrijblijvend.
De rol van de inspectie is beperkt tot het bewegingsonderwijs en
vitaal burgerschap
De onderwijsinspectie richt zich in haar toezicht op sporten en bewegen vooral op de
kwaliteit van het bewegingsonderwijs. Dit blijkt uit het recente rapport Peil. Bewegings­
onderwijs, 2018, waarin de inspectie concludeert dat kinderen slechter bewegen dan
tien jaar geleden. 26 De rol van de inspectie beperkt zich in principe tot de beoordeling
of aan de wettelijke deugdelijkheidseisen (waaronder de kerndoelen) is voldaan.
De inspectie kan daarnaast vanuit haar stimulerende toezichtkader kijken naar wat de
scholen zelf aanbieden, onder de noemer eigen aspecten van kwaliteit. Hierbij gaat
het echter alleen om doelen en ambities van het schoolbestuur, bovenop de wettelijke
eisen.27 Deze eigen aspecten van kwaliteit hebben geen wettelijke basis en zijn daarom
in juridische zin vrijblijvend. Deze vrijblijvendheid draagt er ook aan bij dat de inspectie
slechts beperkt kan sturen op het stimuleren van sporten en bewegen op scholen waar
dat nog niet voldoende en te ad hoc gebeurt.
22
    In de periode 2013 tot en met 2016 zijn in totaal 3.948 aanvragen voor ondersteuning toegekend; zie Lucassen &
    Van den Toren, 2016. Het programma heeft daarop een vervolg gekregen voor de periode 2017-2020.
23
    Zoals bijvoorbeeld het Stanislas vmbo college in Rijkswijk. Zie De Volkskrant, 2017.
24
    Memorie van toelichting, 2018, p.4 en 8, en Collard, Boutkan, Grimberg, Lucassen & Breedveld, 2014.
25
    In het voortgezet onderwijs worden zogenoemde loot-scholen gefaciliteerd om sporttalenten met een officiële talent-
    status (loot-leerlingen) te ondersteunen bij de combinatie topsport en onderwijs. Zie Beleidsregel verstrekking Loot-
    licentie VO, 2009.
26
    Inspectie van het onderwijs, 2018a.
27
    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017.
                                                                                                   Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18
   1.2 Vraag: wat kan maatschappelijk van het
            onderwijs worden verwacht op het gebied van
            sporten en bewegen?
   Zoals paragraaf 1.1 laat zien, is er al aandacht voor het stimuleren van sporten en
   bewegen onder de Nederlandse jeugd én voor de rol van scholen hierin. Wel is onduidelijk
   hoeveel en wat scholen precies doen, kunnen doen en willen doen. Gelet op de huidige
   situatie hebben de Nederlandse Sportraad (NLsportraad), de Onderwijsraad en de
   Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) de volgende vraag geformuleerd:
   Wat kan van het onderwijs worden verwacht op het gebied van sporten
   en bewegen?
   Hoofdstuk 2 geeft antwoord op deze vraag. Daarnaast gaat dit advies ook in op de
   vraag wat ervoor nodig is om scholen in staat te stellen deze verwachting waar te
   maken. De hoofdstukken 3 t/m 5 gaan hierop in.
   Afbakening
   Dit voorstel kwam tot stand op initiatief van de drie adviesraden: de NLsportraad,
   de Onderwijsraad en de RVS.
   Het advies gaat zowel over vormen van sport als over bewegen en omvat daarmee
   een veelheid aan activiteiten (zie kader). In het onderwijs gaat het concreet om het
   bewegingsonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs, beweeg- en sportlessen
   in het middelbaar beroepsonderwijs (al dan niet in het kader van vitaal burgerschap),
   sport- en bewegingsactiviteiten (tijdens de lessen) en het gebruik van bepaalde
   (kunstzinnige) bewegingsvormen, zoals euritmie, dans, bewegen in de klas en bewegen
   gericht op het verbeteren van aandacht, concentratie en gedrag. Dit advies richt zich
   op al deze vormen.
       Wat is sporten en bewegen in dit advies?
       Onder de definitie van sporten en bewegen valt een grote hoeveelheid activiteiten.
       Bij bewegen gaat het om verschillende vormen van fysieke activiteit, ongeacht de wijze
       waarop dit plaatsvindt. Het omvat zowel activiteiten als springen, traplopen, wandelen en
       lopen als dans en bewegingstheater (kunstzinnig bewegen). Bij sport gaat het in veel
       gevallen om meer georganiseerde vormen van bewegen waarin vaak ook een prestatie
       wordt nagestreefd, in competitieverband of recreatief.28 Hoewel deze aspecten van sport
       inzicht bieden in de definities, leiden ze ook tot vragen.
   28
        Zie voor verschillende definities o.a. Hoyng, Roques & Van Bottenburg, 2003; Standeven & De Knop (red.), 1999;
        Australian Sports Commission, 2018; De Knop, Scheerder & Van Reusel, 2006.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      19
    Vallen denksporten ook hieronder?29 Is hardlopen – zonder een prestatie na te streven –
    ook sport? Sommige wetenschappers kiezen daarom bewust ervoor om de term sport
    niet te definiëren, maar geven een ordening van sportactiviteiten die onder de definitie
    van sport vallen, zoals tennis, voetbal en hockey.30
    Uit deze beschrijvingen blijkt dat sporten en bewegen elk op hun eigen manier van
    waarde zijn. Bij bewegen ligt de nadruk op de waarde van fysieke activiteit, bijvoorbeeld
    voor het aanleren van motorische vaardigheden, creativiteit en mentale alertheid.
    Bij sporten ligt de nadruk op de waarde van fysieke activiteiten, competitie, samenwerken
    en het sociale karakter van sporten. Ook binnen deze beschrijvingen is er onderscheid.
Sporten en bewegen vormt onderdeel van een gezonde leefstijl. Daarbij horen ook
gezonde voeding en een rookvrije schoolomgeving. Scholen die zich inzetten om een
gezonde leefstijl te stimuleren, bieden in de praktijk vaak een combinatie aan van
sport, voeding en bewegen. Het feit dat dit advies zich beperkt tot de domeinen sporten
en bewegen betekent niet dat de andere aspecten van een gezonde leefstijl volgens
de raden geen of minder aandacht nodig hebben. In 2009 vroeg de Onderwijsraad hier
al eens expliciet aandacht voor, samen met de Raad voor Volksgezondheid en Zorg en
de Raad voor het Openbaar Bestuur.31
Totstandkoming
Ter voorbereiding op dit advies is uitgebreid literatuuronderzoek gedaan. Daarnaast
hebben consultaties met groepen betrokkenen en individuele deskundigen plaats­
gevonden en zijn werkbezoeken afgelegd. Ook organiseerden de drie raden gezamenlijk
een dialoog op basisschool De Springbok in Den Haag. Deze werd bezocht door meer
dan tachtig deelnemers afkomstig uit verschillende onderwijssectoren, wetenschap,
gemeenten en private en maatschappelijke (sport)organisaties. Tot slot maakten de
raden gebruik van verschillende expertises van de raadsleden uit de drie raden (onder-
wijspraktijk, pedagogiek, neuropsychologie, onderwijsrecht, economie, sociologie en
bestuurskunde) en kennis en ervaring op het gebied van topsport en sportbegeleiding.
Ook zijn schriftelijke bijdragen gebruikt die zij ontvingen naar aanleiding van de werk-
bezoeken en de dialoog en individuele gesprekken. Een overzicht van geraadpleegde
literatuur en deskundigen is te vinden achterin dit advies.
29
     Volgens het Europese Hof is denksport (zoals bridge en schaken) geen sport, waardoor denksportorganisaties btw
     moeten gaan betalen. Zie Europese Hof van Justitie, 2017.
30
     Zie onder andere Steenbergen & Tamboer, 1998, p.69-93.
31
     Raad voor het Openbaar Bestuur, Onderwijsraad en Raad voor de Volksgezondheid & Zorg, 2009.
                                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>02
   Foto: Michel de Groot | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                                             21
Hoewel er al een aantal goede voorbeelden is, bieden veel scholen
sport en bewegen nog te beperkt aan. Het vanzelfsprekend maken
van bewegen op scholen – ook buiten de gymles – is daarom nodig.
Scholen, rijksoverheid, gemeenten en sportverenigingen kunnen het
samen mogelijk maken dat er meer aandacht komt voor sporten en
bewegen op school
Maak bewegen op
elke onderwijsinstelling
vanzelfsprekend
        Leerlingen doen noodzakelijke motorische vaardigheden op in de gymles en leren over
        de waarde van bewegen voor een gezonde leefstijl. Maar bewegen kan veel méér voor
        ze betekenen. Bewegen helpt kinderen in hun sociale en culturele socialisatie en vorming
        als persoon. En het draagt bij aan de preventie van latere ouderdomsziekten en de
        ontwikkeling van cognitieve functies. Maar daarnaast is bewegen vooral ook leuk om
        te doen. Als kinderen er plezier aan beleven, is er meer kans dat ze thuis en elders blijven
        bewegen, ook op latere leeftijd.
        De NLsportraad, de Onderwijsraad en de RVS vinden meer aandacht voor sport en
        beweging in het onderwijs uiterst belangrijk. Sporten en bewegen hoort vanzelfsprekend
        onderdeel te zijn van het onderwijs dat erop gericht is leerlingen te kwalificeren (voor-
        bereiden op werk of een vervolgopleiding), te socialiseren (leren omgaan met elkaar) en
        te vormen (persoonsvorming). Een kind dat tijdens sport- of spelactiviteiten bewegings­
        vaardigheden opdoet, leert tegelijkertijd over gedragsnormen en -waarden binnen een
        groep, krijgt meer zelfvertrouwen, leert leeftijdgenoten van uiteenlopende achtergronden
        kennen en ontwikkelt verantwoordelijkheid voor haar of zijn handelen. Uit de onder-
        zoeksliteratuur blijkt dat hoe vaker het zitten wordt onderbroken, hoe groter de kans
        is dat ouderdomssuiker op latere leeftijd voorkomen kan worden.32 Preventie voor allerlei
        narigheid op latere leeftijd ligt bij voorlichting en zo vroeg mogelijk starten met bewegen.
        32
            Zie onder andere Raichlen & Alexander, 2014 en De Jong, 2007.
                                                                                       Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22
   Hoewel het bevorderen van een gezonde leefstijl op zichzelf niet tot de opdracht van
   het onderwijs behoort, achten de raden preventie een belangrijke opbrengst van sporten
   en bewegen op scholen. Een matig intensief bewegingsaanbod op scholen kan zo bij-
   dragen aan een betere volksgezondheid.
   Het versterken van het bewegingsaanbod is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
   van scholen, rijksoverheid, gemeenten en sportverenigingen. De verschillen tussen
   scholen in de aandacht die zij geven aan sporten en bewegen zijn nu te groot. Gezien het
   belang van sporten en bewegen kan een mager aanbod op scholen leiden tot kansen­
   ongelijkheid. Op scholen waar dit aanbod onvoldoende is, kunnen leerlingen niet profi-
   teren van de voordelen van bewegen.
   Dit hoofdstuk beargumenteert waarom een intensiever bewegingsaanbod nodig is.
   In de volgende hoofdstukken (3 t/m 5) staan aanbevelingen om dit in praktijk te brengen
   en scholen beter in staat te stellen om doelen met betrekking tot sporten en bewegen
   te realiseren.
   2.1	Bewegen kan nog beter doorwerken in de brede
             opdracht van het onderwijs
   Sporten en bewegen in het onderwijs is méér dan gymnastiek alleen. Nu krijgt sporten
   en bewegen vooral vorm in het bewegingsonderwijs binnen de gymzaal. Sporten en
   bewegen vormt onderdeel van de bredere opdracht aan het onderwijs.
   Het onderwijs heeft al een brede opdracht
   Het onderwijs draagt zorg nu al zorg voor die brede ontwikkeling. Leerlingen moeten
   zich op cognitief, sociaal-emotioneel, cultureel en lichamelijk gebied optimaal kunnen
   ontplooien en voorbereiden op hun verdere leven. Dit uitgangspunt komt ook in algemene
   zin terug in de onderwijswetgeving.33
   In het advies Over de volle breedte van onderwijskwaliteit (2016) constateerde de
   Onderwijsraad dat er weliswaar meer aandacht is vanuit de overheid en de onderwijs­
   praktijk voor de brede opdracht van scholen, maar dat er nog te weinig richting aan
   wordt gegeven.34 Volgens de Onderwijsraad omvat de brede opdracht drie samen­
   33
       Bijvoorbeeld artikel 8 WPO, sub 2: “Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en verstandelijke ontwikke-
       ling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en
       lichamelijke vaardigheden.”
   34
       Onderwijsraad, 2016a.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                                                                      23
hangende doeldomeinen van onderwijs, te weten kwalificatie, socialisatie en persoons­
vorming (zie kader). Ook in dit advies benadrukken de drie raden dat de opdracht van
het onderwijs niet beperkt is tot het bijbrengen van kennis, vaardigheden en houdingen.
Scholen hebben ook als taak normen, waarden, tradities en gebruiken over te dragen
en leerlingen te helpen bij hun ontwikkeling tot zelfstandige, verantwoordelijke personen.
Deze visie op het ‹waartoe› van het onderwijs vormt een belangrijk uitgangspunt van
dit advies. De raden zijn van mening dat de doelen die zij formuleren ten aanzien van
het sport- en bewegingsonderwijs onderdeel zijn van deze brede opdracht van het
onderwijs en bijdragen aan een betere kwaliteit van het onderwijs.
   Visie op de brede opdracht van het onderwijs
   Het onderwijs draagt volgens de drie raden en zoals eerder verwoord door de Onderwijs­
   raad (2016a) bij aan drie doeldomeinen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming.
   • Bij kwalificatie gaat het om het verwerven van inhoudelijke kennis, vaardigheden (waar-
     onder praktische, technische, culturele en sociale vaardigheden) en houdingen waarmee
     mensen kunnen functioneren in het beroepsleven of in een vervolgopleiding.
     Belangrijke bestanddelen voor kwalificatie zijn generieke cognitieve componenten
     (zoals basisvaardigheden rekenen, wiskunde en taalbeheersing), vakspecifieke kennis
     en vaardigheden (zaakvakken) en, in latere fasen van de schoolloopbaan, generieke en
     specifieke beroepsvaardigheden en houdingen.
   • Het doeldomein socialisatie gaat om de overdracht van maatschappelijke normen en
     waarden. Aangezien kinderen een groot deel van hun jeugd doorbrengen op school,
     speelt de school ook een belangrijke rol in de overdracht van tradities, culturen en prak-
     tijken, met inbegrip van beroepsculturen en -praktijken. Het doel is om leerlingen zich
     betrokken te laten voelen bij zulke praktijken en ze er effectief en betekenisvol in te
     leren participeren.
   • Het derde doeldomein van het onderwijs bestaat uit persoonsvorming. Hierbij gaat het
     om de manier waarop onderwijs bijdraagt aan de ontwikkeling van zelfstandigheid, de
     wording van het individu. Een leerling wordt meer onafhankelijk in zijn of haar denken
     en doen, los van bestaande tradities en praktijken, en ontwikkelt het vermogen om zich
     als autonoom persoon op verantwoordelijke wijze tot de maatschappij te verhouden.
                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>24
   Sporten en bewegen maakt deel uit van deze opdracht
   Sporten en bewegen is belangrijk en ondersteunt de ontwikkeling van kinderen binnen
   de hierboven genoemde doeldomeinen. In de praktijk gaan de drie doeldomeinen hand
   in hand, mits er een goede balans is. De drie raden zijn van mening dat sporten en
   bewegen ook buiten de gymles leerlingen ondersteunt. Zij zien dit als volgt voor zich.
   • Kwalificatie
       Fijne en grove motorische vaardigheden (hand- en vingervaardigheden, evenwicht,
       coördinatie en oog-handcoördinatie) helpen kinderen om te functioneren in
       beroepssituaties en in de samenleving. Bewegingsvaardigheden die zijn aangeleerd
       in de gymles stellen leerlingen in staat schrijfmateriaal of ander gereedschap juist
       te hanteren en dus een correcte schrijf- en werkhouding aan te nemen. Meer impliciet
       geeft het onderwijs leerlingen kennis mee over de samenhang tussen lichamelijke
       inspanning en gezondheid. Kinderen leren wat er nodig is om een fysieke basisconditie
       op te bouwen en te onderhouden, en welke specifieke vaardigheden nodig zijn voor
       een bepaalde sport. Ook leren ze bewegen binnen veilige grenzen.
   • Socialisatie
       Sporten in schoolverband levert een bijdrage aan de persoonlijkheidsontwikkeling
       en bereidt leerlingen voor om actief lid te worden van onze samenleving. Via de sport
       worden kinderen ingeleid in normen en waarden omtrent sportiviteit, teamwork
       (samenwerken), acceptatie en respect. Ze ontdekken waar ze goed in zijn en leren te
       presteren binnen een team. Zo kunnen ze hun eigen plek (identiteit en individualiteit)
       vinden in bestaande culturen en praktijken en hun zelfvertrouwen vergroten – mits
       er sprake is van positieve ervaringen, plezier en betrokkenheid van alle deelnemers.35
       Sporten in schoolverband is ook een goede manier om op directe wijze leeftijdgenoten
       met uiteenlopende achtergronden te leren kennen en te respecteren. Kansrijke en
       kansarme kinderen spelen buiten schooltijd nog nauwelijks samen buiten.36 Via het
       onderwijs kunnen ze in gemengde groepen sporten en buitenspelen, hetgeen bijdraagt
       aan sociale integratie. Ook hier moet dan wel sprake zijn van positieve ervaringen,
       in dit geval tussen kinderen uit verschillende culturen.37
   35
        Bailey, 2006. Uit onderzoek blijkt dat volwassenen die tijdens hun jeugd minder positieve ervaringen hebben gehad
        met sporten, op latere leeftijd ook minder bewegen; Cardinal, Yan & Cardinal, 2013.
   36
        Karsten & Felder, 2016.
   37
        Boonstra & Hermens, 2011.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                                                           25
• Persoonsvorming
   Persoonsvorming gaat over het ontdekken van de eigen vrijheid en de verantwoor-
   delijkheid die ermee gepaard gaat.38 Het gaat bijvoorbeeld om de vraag hoe kinderen
   leren verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven. Binnen sport – bijvoor-
   beeld teamsport – kunnen ze oefenen met wat het betekent om zichzelf tot anderen
   te verhouden, te ervaren dat spelregels belangrijk zijn, en dat het in sport ook gaat
   om eerlijk spel, en om winnen en verliezen. Sporten en bewegen brengen leerlingen
   in contact met elkaar en met hun eigen krachten. Zo leren ze te oefenen met fysieke
   ‘afstand en nabijheid’ en te ervaren wat pijn doet en wat niet. Bewegen is belangrijk
   om de eigen krachten als het ware onder controle te krijgen, zodat ze niet ongericht
   en destructief zijn.39
Daarnaast heeft bewegen positieve invloed op cognitieve functies
Lichamelijke beweging lijkt bovendien het functioneren van de hersenen positief te
beïnvloeden. Er zijn aanwijzingen dat bewegen invloed heeft op cognitieve onderwijs­
prestaties (bijvoorbeeld op het terrein van taal en rekenen). Voor de positieve relatie
tussen bewegen en rekenprestaties is recent meer wetenschappelijk bewijs geleverd.40
Het in conditie houden van de hersenen verkleint mogelijk ook het risico op bepaalde
neurologische aandoeningen.41 Beweging brengt acute en structurele veranderingen tot
stand in de hersenstructuur die een positief effect hebben op de executieve cognitieve
functies van een kind (zoals planning, besluitvorming en bijsturing van gedrag).
Vermoedelijk komen de veranderingen ook de aandacht en concentratie ten goede.42
Uit onderzoek blijkt verder dat hoe beter iemand bepaalde bewegingsvaardigheden
beheerst, hoe groter de positieve effecten op deze functies zijn.43 Complex bewegen is
daarbij belangrijker dan bewegen op zich. De complexiteit van de beweging kan door
verschillende factoren toenemen. Allereerst als de uit te voeren beweging op zichzelf
ingewikkelder wordt qua samenspel van bijvoorbeeld kracht, lenigheid en timing.
Verder wordt bewegen complexer onder tijdsdruk. Tot slot neemt de complexiteit toe
als de omgeving voortdurend verandert en de keuze voor de uitvoering van een
bepaalde beweging mede afhangt van tegenstanders en teamgenoten. Daarnaast blij-
38
    Biesta, 2015.
39
    Biesta, 2018.
40
    Singh, Saliasi, Van den Berg, Uijtdewilligen, De Groot, Jolles, e.a., 2018.
41
    Scherder, 2017.
42
    Singh, Uijtdewilligen, Twisk, Van Mechelen, & Chinapaw, 2012; Van der Niet, Hartman, Smith & Visscher, 2014;
    Käll, Nilsson & Lindén, 2014; Hartman, De Greeff, Verburgh, Meijer, Van der Fels, Smith, e.a., 2015.
43
    Zie Collard, Boutkan, Grimberg, Lucassen & Breedveld, 2014, p.8-9.
                                                                                                     Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>26
   ken doelgericht bewegen (het stellen van doelen als het verwerken van feedback uit
   de omgeving) en een uitdagende leeromgeving essentieel.44 ‘Bewegend leren in de
   klas’, dus de integratie van bewegen met taal- of rekentaken, is dan ook steeds meer
   in opmars (zie kader).
       Voorbeelden bewegend leren
       Verschillende organisaties bieden scholen en leraren hulp bij bewegend leren in de vorm
       van uitgewerkte programma’s. Voorbeelden zijn:
       • De actieve rekenmethode Met sprongen vooruit van het Menne-Instituut.
       • De taal- en rekendans, waarbij peuters en kleuters bezig zijn met taal of rekenen en
          tegelijkertijd dansen en bewegen.45
       • De speelpleinmethode Beweegwijs voor het vormgeven van een rekenplein.
       • Het programma Jonglerend leren rekenen van Calo Windesheim.46
       • Het programma Fit & Vaardig. Dit programma is recent ontwikkeld op basis van weten-
          schappelijk onderzoek en integreert fysieke activiteit op school in de les.47 Vanuit het
          programma Sportinnovator van ZonMw is door Embedded Fitness een trampolinegame
          ontwikkeld waarbij kinderen al springend rekensommen kunnen doen.48
   44
        Visscher, Hartman & Elferink-Gemser, 2011.
   45
        De Wilde & Scherrewitz, 2013.
   46
        https://www.metsprongenvooruit.nl/; https://beweegwijs.nl/; http://www.calozwolle.nl/projecten/jonglerend-le-
        ren-rekenen/.
   47
        https://www.fitenvaardigopschool.nl/.
   48
        http://embeddedfitness.nl/referenties/digigym-maakt-fit-en-slim/.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                                                27
2.2		 Jong geleerd is (vanzelf) oud gedaan
Sporten en bewegen is niet alleen goed voor de ontwikkeling van kinderen, maar ook,
mits verantwoord uitgevoerd, voor hun gezondheid. Zoals gezegd in de inleiding van
dit hoofdstuk: de zorg voor de gezondheid van leerlingen behoort op zichzelf niet tot
de opdracht van het onderwijs. Wel kan het onderwijs hieraan een positieve bijdrage
leveren.49 Hoe jonger kinderen op school worden aangemoedigd meer en plezierig te
bewegen, hoe groter hun deelname aan sport- en bewegingsactiviteiten op latere
leeftijd.50 Vroege stimulering kan dus helpen de (toenemende) gezondheidsverschillen
tussen lager en hoger opgeleiden51 te verkleinen. Scholen bereiken immers álle kinderen.
Bovendien kan meer bewegen op school een positief effect hebben op de volks­
gezondheid in het algemeen. De directe kosten van de zorg door overgewicht worden
geschat op 1,2 miljard euro en de indirecte kosten op 2 miljard euro.52 In 2007 is bere-
kend dat 1,5 procent van de totale zorgkosten (907 miljoen euro) toegeschreven kan
worden aan onvoldoende bewegen.53 Omgekeerd zullen gezondere en fittere kinderen
beter in staat zijn om essentiële bewegingsvaardigheden aan te leren. Sporten en
bewegen op school kan zo dus de gezondheid verbeteren en vice versa. Daarnaast helpt
bewustwording van de effecten van bewegen leerlingen om voor zichzelf te zorgen en
(gezonde) keuzes te maken in het leven. Kennisoverdracht over gezondheid vormt
overigens wel onderdeel van de wettelijke opdracht van basis- en middelbare scholen
(zie de inleiding op hoofdstuk 1: de wettelijke opdracht van scholen).
Plezier is essentieel
Goed leren bewegen op een plezierige manier is voor kinderen op jonge leeftijd dus
essentieel. Op school kunnen leerlingen leren wat de betekenis is van bewegen en
kunnen ze idealiter kiezen uit een scala aan mogelijkheden voor sport en beweging –
die ook een basis kunnen vormen voor verdere uitbouw in de vrije tijd. De raden zijn
zich bewust van de mogelijke verschillen tussen scholen in verstedelijkte gebieden en
scholen op het platteland met een keur aan sportvelden en sportactiviteiten. Echter ook
daar geldt dat niet alle scholen alle mogelijkheden gebruiken of bezitten om te komen
tot een betere invulling dan nu van sporten en bewegen in het onderwijs. Veilig bewegen
is in alle gevallen belangrijk. Er is bijvoorbeeld een deskundige en bevoegde leraar nodig
49
     Zie hierover ook Onderwijsraad, 2008.
50
     Visscher, Hartman & Elferink-Gemser, 2011.
51
     Rijksoverheid, 2013.
52
     Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2007.
53
     Ministerie van Financiën, 2006.
                                                                          Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>28
   voor het gymonderwijs, evenals gebruiksvriendelijk ingerichte ruimtes met veilige
   toestellen.54 Een veilig pedagogisch klimaat hoort ook bij het bewegingsonderwijs. ​
   Leerlingen die zich gewaardeerd voelen en op hun eigen niveau kunnen bewegen,
   krijgen er vanzelf plezier in.55 Zo’n veilig klimaat is dus een voorwaarde om goed te
   kunnen leren.56
   Plezier in bewegen op jonge leeftijd is één van de belangrijkste succesfactoren voor een
   leven lang bewegen, en ook voor sporten.57 Ook hiervoor geldt: hoe eerder kinderen
   plezier ervaren, hoe leuker ze het vinden en hoe langer ze blijven bewegen. Bij sporten
   kan het competitie-element in de weg staan van het beleven van plezier; niet iedereen
   is er immers even goed in. Wetenschappers geven in dit verband aan dat positieve
   sportervaringen op school afhangen van de manier waarop sport wordt aangeboden.
   Dat kan ook zonder onderlinge competitie. Ergens ‘goed’ in zijn of de kans krijgen er
   beter in te worden, is essentieel.58 Daarbij is het dus belangrijk dat scholen inspelen op
   de verschillen tussen kinderen. Voor alle kinderen moet het leuk zijn om te bewegen
   op school. Dat kan bijvoorbeeld vragen om een gedifferentieerd of minder competitief
   aanbod. Daarnaast kan spel, als onderdeel van bewegingsonderwijs, een stimulerende
   werking hebben.59 Een omgeving waarin positieve ervaringen centraal staan en waarin
   de trainer of leraar positief coacht en beschikt over goede communicatievaardigheden,
   kan hieraan bijdragen.60 Dit betekent overigens niet dat de drie raden van mening zijn
   dat er geen aandacht moet zijn voor topsport en het stimuleren van talenten voor
   topsport. Differentiatie en oog voor verschillen tussen leerlingen is van groot belang.
   Scholen zijn niet alleen verantwoordelijk
   Het onderwijs krijgt er met de door de raden beoogde aandacht voor sporten en bewegen
   nadrukkelijk geen ‘extra’ taak bij. Sporten en bewegen maken volgens de raden onder-
   deel uit van de brede opdracht van het onderwijs. Het is tegelijkertijd geen exclusieve
   taak van scholen en schoolbesturen. Scholen en ouders zijn samenwerkingspartners
   in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen.61 Scholen die kinderen aanmoedigen
   om blijvend en langdurig (ook na hun schoolloopbaan) te bewegen, al dan niet in com-
   54
       Dit is ook van belang om aansprakelijkheidsrisico’s bij (gym)ongevallen te beperken. Zie hierover ook Paijmans, 2013.
   55
       Fry & Gano-Overway, 2010; Schippers-van Veldhoven, 2016.
   56
       Schippers-van Veldhoven, 2016.
   57
       Stuij & Wisse, 2011; Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
   58
       Super, 2016.
   59
       Maas, 2012.
   60
       Bailey, 2006; Diaz, 2005.
   61
       Onderwijsraad, 2010.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                                                                     29
binatie met een bepaalde sportbeoefening, zijn daarin alleen succesvol als ook ouders
en opvoeders een inspanning leveren. Daarnaast worden bijdragen verwacht van de
sportsector, gemeenten, provincies, bedrijven en maatschappelijke organisaties.62
2.3	Ongelijke kansen door verschillen in aanbod
         tussen scholen
Scholen krijgen veel vrijheid om sporten en bewegen in hun programma’s vorm te
geven. Dit past bij de vrijheid van onderwijs, maar het brengt ook verschillen tussen
scholen en soms vrijblijvendheid met zich mee. De drie raden vinden dat op elke
school een minimale basis aan sporten en bewegen zou moeten worden aangeboden.
Scholen kunnen vanuit hun eigen visie zelf keuzes maken over de inhoudelijke invulling.
Er zijn scholen die het goed doen, maar er zijn ook scholen die te weinig doen aan
bewegingsonderwijs (in aantal uren én in kwaliteit) of die een te gering aanbod sport-
en bewegingsactiviteiten hebben. Dit leidt mogelijk tot ongelijke kansen tussen leer-
lingen. Dit signaal is ook afgegeven door de inspectie. Basisscholen laten aanzienlijke
verschillen zien in de totaalscores en prestaties van leerlingen op bewegingsvaardig-
heid. Een groot deel van die verschillen is toe te schrijven aan leerlingkenmerken,
maar de school zelf en de geboden activiteiten spelen ook een rol. Zo is het type leer-
kracht voor groep 8 (wel/niet vakleerkracht en mate waarin deze leraar zich ambassa-
deur van het bewegingsonderwijs voelt) van invloed op de totaalscore voor bewe-
gingsvaardigheid.63 Bij gelijke onderwijskansen gaat het de raden niet om het generen
van gelijke uitkomsten (allemaal topsporters bijvoorbeeld), maar om het generen van
gelijke kansen voor iedereen op het best mogelijke bewegings- en sportonderwijs.64
Veel of weinig doen aan bewegen hangt samen met een visie op sporten
en bewegen
Een toenemend aantal scholen maakt bewegen inmiddels tot speerpunt van hun
onderwijs; zij doen er veel aan. Zo hebben in 2017 449 van de in totaal 954 ‘gezonde
basisscholen’ het themacertificaat bewegen & sport gekregen.65 In 2018 hebben tot
dusver 160 vo-scholen en 38 mbo-scholen dit certificaat behaald.66 Andere scholen
profileren zich met sporten en bewegen via sportklassen en actieve pauzeactiviteiten.
62
    Zie ook onder andere Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2009; Tiessen-Raaphorst (red.), 2015.
63
    Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.131.
64
    Onderwijsraad, 2017a.
65
    Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017, p.59.
66
    Zie Volksgezondheidenzorg.info, 2018.
                                                                                               Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>30
   Deze scholen hebben gemeen dat ze meestal werken vanuit een heldere visie op
   bewegen en zorgen samen met andere partijen voor een sport- en bewegingsaanbod
   op school (zie kader). Steeds meer scholen hanteren daarbij aangepaste schooltijden
   (bijvoorbeeld een verlengde schooldag) en gaan de samenwerking aan met kinderop-
   vang, sportverenigingen en andere organisaties.67
       Goede voorbeelden van gestructureerde programma’s met visie op sporten en bewegen
       OBS Bloemhof: brede opvatting van vakmanschap
       OBS Bloemhof is een basisschool in Rotterdam met twee locaties en ruim 300 leerlingen.
       Vanuit de filosofie ‘leren doe je met je lichaam’ maken verschillende vormen van bewegen
       onderdeel uit van het onderwijsprogramma. Het wordt vormgegeven met het programma
       fysieke integriteit van Stichting Vakmanstad (gebruikt op verschillende basisscholen, een
       vmbo en roc’s).68 Er is, vanuit een brede opvatting van vakmanschap, naast inhoudelijke
       vakken aandacht voor bijvoorbeeld koken, filosofie en sporten als judo. Telkens staat daarbij
       centraal de relatie tot vakmanschap en de brede mentale, sociale én fysieke ontwikkeling
       die kinderen daarbij helpt.
       Movare: gezonde basisschool van de toekomst
       Stichting Movare in Zuid-Limburg is verantwoordelijk voor 47 scholen in Zuid Limburg,
       waarvan 43 ‘reguliere‘ basisscholen, 3 scholen voor speciaal basisonderwijs en 1 school
       voor speciaal (voortgezet) onderwijs, met in totaal ruim elfduizend leerlingen. De stichting
       experimenteert met het integreren van bewegen en sporten in het onderwijs en met
       langere schooldagarrangementen in het kader van het project De Gezonde Basisschool van
       de Toekomst.69 Zo werken de basisscholen Langeberg in Brunssum en Harlekijn in Kerkrade
       met verschillende beweegactiviteiten gedurende de schooldag en de middagpauze.
       Ook bieden deze scholen in nauwe samenwerking met private en maatschappelijke
       partners in de wijk een arrangement van naschoolse activiteiten. Ze werken daarnaast
       met de gemeente aan het aanleggen van veilige schoolroutes, zodat kinderen
       gemakkelijker met de fiets of te voet naar school kunnen komen.
       ROC West-Brabant: MultiMove
       MultiMove is een onderwijsconcept van ROC West-Brabant. Het is een verplicht onderdeel
       van het lesprogramma op vier van de acht mbo-scholen in het eerste en soms ook
       tweede jaar. Er doen ongeveer 1.600 studenten mee, die 1,5 uur besteden aan sporten en
       bewegen op school.70 De studenten worden gemeten, gewogen en getest op fitheid en
       leefstijlgewoontes, met name in verband met het beroep waarvoor ze worden opgeleid.
       Ook krijgen ze workshops op het gebied van voeding, trainingsleer, een gezonde leefstijl
       en een goede werkhouding. Vervolgens kunnen de studenten zelf kiezen uit zo’n veertig
       verschillende activiteiten. De nadruk ligt op deelname en kennismaking. Activiteiten
       variëren van skiën op een indoorskibaan en golfen op een echte golfbaan tot dansles van
       een professionele danser. Ieder semester nemen de studenten deel aan een andere
       activiteitenreeks. Voor alle activiteiten krijgen studenten sportpunten waarmee ze het vak
       MultiMove afsluiten.
   67
        Ook wel brede scholen genoemd.
   68
        http://www.vakmanstad.nl/.
   69
        http://www.degezondebasisschoolvandetoekomst.nl/.
   70
        Platform Bewegen en Sport mbo, 2018.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                                                              31
Aan de andere kant van het spectrum zijn er nog te veel scholen waar een visie op
sporten en bewegen ontbreekt. Zij houden zich aan wat er wettelijk verplicht is voor
het bewegingsonderwijs (en dat is vrijblijvend), maar doen niet de nodige extra’s.
Zo biedt ruim een kwart van de basisscholen helemaal geen sportactiviteiten aan tijdens
de pauze en heeft slechts 15 procent van de basisscholen beweegmomenten tussen
of in de reguliere lessen ingebouwd.71 In het voortgezet onderwijs biedt 70 procent
geen sportieve pauzeactiviteiten aan en staan sportkennismakingslessen bij één of de
vijf scholen niet op het programma.72 Deze scholen organiseren meestal wel jaarlijks
sport(dag)activiteiten. De basisscholen doen ook mee aan de Koningsspelen.
Andere bepalende factoren: vakleerkracht, sportverenigingen, aard van de
school, geld
Behalve de aanwezigheid van een achterliggende visie op leren, sport, bewegen en
presteren, speelt vooral in het basisonderwijs ook de beschikking over een vakleerkracht
een rol. Een deel van de basisscholen geeft aan dat er te weinig aanbod is aan bevoegde
leerkrachten om gym te geven. Dit speelt met name bij grote scholen (met meer dan
300 leerlingen en 15 of meer fte), bij scholen van een andere signatuur dan openbaar,
rooms-katholiek of protestants-christelijk en bij scholen zonder combinatiefunctionaris
of zonder gezondheidsbeleid of vignet gezonde school.73 Scholen met een vakleerkracht
bieden meer sport- en bewegingsactiviteiten aan buiten de gymles dan scholen zonder
en kunnen leerlingen beter motiveren om met bewegen bezig te zijn.74 Een gewone
leerkracht heeft hiervoor vaak te weinig tijd, maar ook te weinig kennis en kunde.
Verder is het voor bepaalde activiteiten gericht op sport van belang dat er voldoende
sportverenigingen in de buurt zijn om mee samen te werken, en ook dat hiervoor een
centraal aanspreekpunt is.75 Verschillen in aanbod ontstaan ook door schoolspecifieke
factoren als (groeps)grootte, populatie en didactisch concept. Scholen hebben door de
wetgeving rondom passend onderwijs te maken met leerlingen die specifieke onder-
steuning nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. Het is denkbaar dat het daardoor
complexer is om een passende les op het gebied van bewegen (of sport) te verzorgen,
of een andere sport- of bewegingsactiviteit te organiseren.76
71
     Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017, p.42.
72
     Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014, p.39.
73
     Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017.
74
     Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
75
     Van der Werff, Wisse & Stuij, 2012.
76
     Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
                                                                        Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>32
   Tot slot spelen de verschillen in financiële middelen een rol. Zo hebben basis- en mid-
   delbare scholen met meer achterstandsmiddelen77 meer mogelijkheden om zich op
   het gebied van sport te profileren dan scholen met relatief weinig extra middelen.78
   Zij kunnen bijvoorbeeld eenvoudiger een vakleerkracht aanstellen. Tegelijkertijd kunnen
   deze middelen sportiviteit in de weg zitten als ze juist voor andere doeleinden worden
   ingezet. In het middelbaar beroepsonderwijs geeft een deel van de instellingen aan
   door bezuinigingen het lesaanbod op het gebied van bewegen te hebben geschrapt.79
   Dit terwijl de overheidsuitgaven per leerling in het middelbaar beroepsonderwijs de
   afgelopen jaren juist een lichte stijging laat zien.80 Zie over de (beperkte) invulling van
   sporten en bewegen in het middelbaar beroepsonderwijs ook paragraaf 2.4.
   De drie raden benadrukken dat op alle scholen, met behoud van hun eigen situatie en
   vrijheid om hun eigen onderwijsprogramma in te richten, sporten en bewegen onderdeel
   moet zijn van het reguliere curriculum. Er zijn genoeg mogelijkheden om tot oplossingen
   gekomen voor de ervaren belemmeringen om goed vorm te geven aan bewegings-en
   sportactiviteiten. In de hoofdstukken 4 en 5 doet de raad daartoe enkele concrete
   voorstellen.
   Alleen twee uur gymles per week is niet voldoende
   Voor wat betreft het primair en voortgezet onderwijs concluderen de raden dat het
   huidige aantal afgesproken uren (in de bestuursakkoorden) bewegingsonderwijs
   onvoldoende is om aan de brede opdracht op het gebied van sporten en bewegen te
   voldoen. De raden beargumenteren dit als volgt.
   Ten eerste: effectieve gymlestijd te beperkt
   Effectieve tijd in gymlessen is beperkter dan op papier lijkt. Nu al is de effectieve tijd
   voor gymlessen vaak te beperkt – en voor de hierboven beschreven brede opdracht
   helemaal. Aan- en uitkleden en douchen nemen tijd in beslag. Dit speelt nog meer in
   het speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs, waarbij vaak meer tijd op gaat aan
   reistijd en omkleden dan in het reguliere onderwijs.81 Daarnaast wordt de afstand tussen
   de school en de gymlocatie door zowel scholen in het primair als in het voortgezet
   77
        Scholen die geld krijgen van de rijksoverheid omdat ze veel leerlingen hebben met laagopgeleide ouders en daarom
        meer risico lopen op een achterstand in hun ontwikkeling.
   78
        Zie bijvoorbeeld Regioplan & Cebeon, 2016. Scholen die veel middelen ontvangen uit de gewichtenregeling en de
        impulsregeling in het primair onderwijs of de leerplusregeling in het voortgezet onderwijs zetten veel vaker naschool-
        se programma’s in dan scholen die minder of geen middelen ontvangen. Het gaat hierbij om activiteiten als verlengde
        schooldag (onderwijstijdverlenging) of bepaalde activiteiten gericht op sport of cultuur.
   79
        Roorda & Duijvestijn, 2016, p.29.
   80
        Onderwijsraad, 2018, p.46.
   81
        Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                                                             33
onderwijs genoemd als tijdrovende factor.82 Zo ligt bij drie kwart van de basisscholen
de dichtstbijzijnde gymaccommodatie niet op het terrein van de school zelf of in de
directe nabijheid daarvan (op minder dan 150 meter).83 Resultaat is dat op ongeveer
de helft van de basisscholen er (een stuk) minder84 dan drie kwartier per les wordt
bewogen in de gymzaal of in een andere sportaccommodatie, en vaak nog minder
omdat eigenlijk de instructietijd hier nog van moet worden afgetrokken. Het kleuter­
onderwijs vormt hierop een positieve uitzondering. Meestal gebruikt men hiervoor
een eigen, inpandige speelzaal en gymmen de kinderen vaak in hun ondergoed.
Ten tweede: bewegingsonderwijs heeft niet altijd prioriteit
Onvoldoende prioriteit voor bewegingsonderwijs zet het aantal uur gym verder onder
druk. De meeste schoolleiders vinden bewegingsonderwijs wel van belang. Toch geven
ze, vooral in het basisonderwijs, vaak prioriteit aan andere leergebieden.85 In het basis­
onderwijs halen lang niet alle scholen de afgesproken standaard in het bestuursakkoord
met betrekking tot het aantal lesuren per week (90 minuten/2 lesuren).86 In het voort-
gezet onderwijs zijn de geluiden iets positiever: bijna alle lessen worden door een
bevoegde vakleerkracht gegeven en gemiddeld genomen voldoen scholen aan de
afgesproken standaarden (2,5 lesuren voor het vmbo, 2,2 lesuren voor de havo en
2 lesuren voor het vwo).87 De klassieke vakkenstructuur in het voortgezet onderwijs
helpt hier een handje, met de bijbehorende bevoegde leerkrachten en inroostering in
blokken. Wel wijkt het daadwerkelijk gegeven aantal uren bewegingsonderwijs op
sommige onderwijsniveaus in het vmbo af van deze afspraken. In de theoretische en
gemengde leerweg ligt het gemiddeld aantal gegeven uren onder de standaard.88
Ten derde: onvoldoende gekwalificeerde leraren
De kwaliteit blijft achter door beperkte middelen en door onvoldoende gekwalificeerde
leraren. Scholen geven verschillende redenen voor het niet voldoen aan afspraken
rondom het bewegingsonderwijs. In het basisonderwijs is een van de argumenten dat
er geen (of niet altijd) bevoegde leerkrachten beschikbaar zijn. Dat komt door een
82
    Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
83
    Van der Poel, Wezenberg-Hoenderkamp & Hoekman (red), 2016.
84
    Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013. Onderzoek van de inspectie van het onderwijs toont aan dat er grote
    verschillen zijn. Er zijn scholen met 30 minuten effectieve lestijd en scholen met 95 minuten lestijd per les. Wel heeft
    ongeveer 50 procent van de scholen in het reguliere onderwijs en 40 procent van de scholen in het speciaal onderwijs
    ‘maar’ 30-45 minuten effectieve lestijd per les. Inspectie van het onderwijs, 2018b, p.7.
85
    Heijs & Reijgersberg, 2014.
86
    Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
87
    Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014; Fontein, Vloet, Den Uijl, Prüfer, Adriaens & De Vos (2017), p.17.
88
    Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
                                                                                                       Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>34
   gebrek aan middelen en een tekort aan gekwalificeerde (vak)leerkrachten, maar ook door­
   dat andere keuzes worden gemaakt op het gebied van scholing en professionalisering.89
   Scholen geven wel aan dat bewegingsonderwijs verzorgd door een vakleerkracht van
   betere kwaliteit is dan bewegingsonderwijs verzorgd door een groepsleerkracht.90
   Overigens maken ze daarbij geen onderscheid tussen groepsleerkrachten met een
   aparte bevoegdheid om gym te geven en groepsleerkrachten die nog gebruik kunnen
   maken van enkel hun pabo-diploma.91 Uit een evaluatierapport blijkt wel dat de leer-
   krachten met een aparte bevoegdheid positief kunnen bijdragen aan de kwaliteit van
   het bewegingsonderwijs. Ook beschikken ze over goede pedagogische vaardigheden
   en zou een aantal van deze leerkrachten (al dan niet samen met vakleerkrachten) een
   soort ‘beweegteam’ kunnen vormen, waardoor het bewegingsonderwijs gemakkelij-
   ker in het hele onderwijsprogramma kan worden geïntegreerd.92
   Ten vierde: onvoldoende ruimte of accommodatie
   Andere redenen om de afgesproken standaarden wat betreft lesuren voor bewegings-
   onderwijs niet te halen, zijn een te vol lesrooster, onvoldoende financiële middelen en
   onvoldoende accommodaties.93 Zo geeft bijna de helft van de scholen in het voortge-
   zet onderwijs aan onvoldoende ruimte of accommodatie voor gymlessen te hebben.94
   89
       Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017.
   90
       Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013; Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   91
       In het basisonderwijs mogen alleen de volgende categorieën leraren bewegingsonderwijs geven aan de groepen
       3 t/m 8: vakleerkrachten lo (met alo-opleiding), groepsleerkrachten die voor 1 september 2001 aan de pabo zijn
       begonnen en deze hebben afgemaakt voor 1 september 2005 (groepsleerkrachten met een oude brede bevoegdheid)
       en groepsleerkrachten die na 1 september 2001 met de pabo zijn gestart met een aanvullende lo-bevoegdheid
       (groepsleerkrachten met een nieuwe brede bevoegdheid). Regeling aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke
       oefening primair onderwijs, 2006.
   92
       Lucassen, Reijgersberg & van der Werff, 2012, p.34-35.
   93
       Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   94
       Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      35
2.4 Wetgeving en beleid geven nauwelijks richting
Dat het mogelijk is voor scholen (met name basisscholen) om sporten en bewegen in
hun onderwijs beperkt in te vullen, heeft voor een deel te maken met het karakter van
de wettelijk vastgelegde kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van
het voortgezet onderwijs.95 De kerndoelen schrijven voor wat leerlingen op het gebied
van bewegingsonderwijs moeten leren. Ze gaan alleen over gym. De kerndoelen zijn
daarnaast erg breed geformuleerd (en daardoor op verschillende manieren te inter-
preteren) én er is geen minimaal aantal uren aan gekoppeld. Hetzelfde geldt voor de
wettelijke kwalificatie-eisen voor sporten en bewegen in het middelbaar beroeps­
onderwijs binnen het onderdeel vitaal burgerschap.96
Scholen kunnen dus grotendeels zelf bepalen hoe ze het onderwerp aanpakken en
hoeveel tijd ze eraan besteden. Ondanks mooie voorbeelden zijn er nog steeds te veel
scholen die zich niet bewust bezighouden met sport en bewegen. De huidige invulling
van inspectietoezicht en landelijk en gemeentelijk beleid lost dat niet op. In tegendeel,
het toezicht versterkt nu een smalle aanpak door vooral toe te zien op bewegings­
vaardigheden in de gymles. En het overheidsbeleid stimuleert bovendien vooral
voorlopers. Een andere aanpak is daarom volgens de raden nodig. Daartoe doen de
raden in de volgende hoofdstukken aanbevelingen.
Kerndoelen primair en voortgezet onderwijs gaan alleen over gym
De discussie over hoeveel er op school bewogen moet worden, beperkt zich vaak tot het
(aantal uren) bewegingsonderwijs. Waar de andere kerndoelen voor de verschillende
leergebieden in de onderwijswetgeving ‘vakoverstijgend’ zijn geformuleerd, is voor
sporten en bewegen gekozen voor een vakgerichte aanpak. Dit stimuleert scholen niet
om beweging ook buiten gym een plek te geven. Deze beperkte reikwijdte is ook terug
de vinden in het visiedocument van het ontwikkelteam Bewegen & Sport binnen
Curriculum.nu, dat zich bezighoudt met het formuleren van bouwstenen voor een
nieuw curriculum. Het ontwikkelteam schrijft dat activiteiten buiten het bewegings­
onderwijs (en de keuzevakken in het voortgezet onderwijs) ‘extra’s’ zijn die buiten het
kernprogramma van scholen staan.97
95
    Lichamelijke opvoeding in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs wordt afgesloten met een schoolexamen in de
    vorm van een examendossier waarin staat op welke wijze en met welk resultaat de leerling heeft deelgenomen aan de
    diverse programmaonderdelen binnen het vak. Het vak wordt afgesloten met een beoordeling voldoende of goed. Zie
    artikel 35 Examenbesluit voortgezet onderwijs. Sommige scholen bieden hun leerlingen naast lichamelijke opvoeding
    binnen het curriculum meer mogelijkheden, zoals een keuze-examenprogramma voor lichamelijke opvoeding in de
    bovenbouw. Voor zowel het algemene vak lichamelijke opvoeding als de keuzevakken zijn eindtermen vastgesteld.
96
    Zie voor de kerndoelen en kwalificatie-eisen, bijlage 1.
97
    Curriculum.nu, 2018, p.4.
                                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>36
   Kerndoelen wel breed geformuleerd, maar in de praktijk smal
   geïnterpreteerd
   In de praktijk interpreteren scholen de kerndoelen smal: ze hebben vooral aandacht voor
   de kwalificerende functie van bewegen (aanleren van noodzakelijke motorische vaardig­
   heden). De kerndoelen zijn uitgewerkt in leer- en ontwikkellijnen binnen vier leergebieden:
   bewegen verbeteren, bewegen regelen, bewegen beleven en gezond bewegen.98
   De kerndoelen sluiten op papier grotendeels aan bij de doeldomeinen kwalificatie,
   socialisatie en persoonsvorming. Zo verwijzen ze naar “op praktische wijze (…) oriën-
   teren op veel verschillende bewegingsactiviteiten”, “op een respectvolle manier aan
   bewegingsactiviteiten deelnemen” en “sportief zijn, rekening houden met de mogelijk-
   heden en voorkeuren van anderen, en respect en zorg hebben voor elkaar”.99 In de
   praktijk is echter, zo blijkt uit onderzoek, vooral aandacht voor het eerste leergebied
   bewegen verbeteren, dus voor het aanleren van bewegingsvaardigheden en leren
   omgaan met anderen.100 Minder aandacht of concrete lestijd krijgen activiteiten waarmee
   kinderen leren hoe ze beweging moeten ‘regelen’, dus: “bewegingssituaties inrichten,
   op gang brengen en op gang houden”, “inschatten van eigen mogelijkheden” en “een
   trainingsprogramma maken dat past bij de eigen mogelijkheden”.101 Dit worden ook
   wel de reguleringsdoelen van het bewegingsonderwijs genoemd. Ook is er te weinig
   stimulans voor leerlingen om te bewegen of deel te nemen aan sport, zowel binnen de
   school als erbuiten (in de vrije tijd). Dit betekent dat leerlingen weinig kansen krijgen
   het aanbod goed te verkennen.102 Daarvoor is het bijvoorbeeld van belang dat leerlingen
   leren reflecteren op de eigen sportvraag en mogelijkheden.
   Het recente peilingsonderzoek van de inspectie laat zien dat leraren in het basison-
   derwijs wel steeds meer aandacht besteden aan de reguleringsdoelen, maar dat dit
   vooral geldt voor vakleerkrachten.103 Hierbij gaat het vooral om het handelen volgens
   afgesproken regels en het maken van afspraken over de team- en groepsindeling.
   In deze sector is verder minder aandacht voor leren over ‘fair play’, voor ontdekken
   welke sport leuk is en voor leren over het belang van bewegen voor de gezondheid.104
   98
       Brouwer, Houthoff, Massink, Mooiij, Van Mossel, Swinkels, e.a., 2012; Mooij, Van Berkel, Consten, Danes, Geleijnse,
       Graft, e.a., 2011. Met ‘gezond bewegen’ wordt bedoeld: veilig en verwantwoord bewegen en het leren over het belang
       van bewegen voor de gezondheid.
   99
       Kerndoel 58 primair onderwijs en kerndoelen 53 en 55 voortgezet onderwijs. Zie bijlage 1.
   100
       Bax, 2010; Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014; Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   101
       Bax, 2010, p.149; Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.54.
   102
       Brouwer, Ten Brinke, Houthoff, Massink, Mooij, Van Mossel, e.a., 2012.
   103
       Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.55-56.
   104
       Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      37
Op veel scholen bestaat slechts incidenteel aandacht voor het reflecteren op het eigen
handelen en hulpverlening bij bewegingsactiviteiten.105 In het voortgezet onderwijs wordt
er minder aandacht besteed aan het leren hoe je jezelf en anderen beter kunt maken
in de activiteiten en het leren de activiteiten zelf op gang te brengen en te houden.106
Leraren in het voortgezet onderwijs geven ook aan dat zij in het programma meer
ruimte zouden willen om leerlingen ervaring te laten opdoen met andere rollen dan die
van beweger, en meer aandacht voor het beleven van bewegen en het reflecteren
door en met leerlingen.107
Beoordeling en toezicht in primair en voortgezet onderwijs versterken
de beperkte aanpak
Het systeem van waarderen en beoordelen van leerlingprestaties in het bewegings-
onderwijs draagt bij aan de beperkte focus die scholen hanteren. Leerlingen worden
vooral beoordeeld op basis van meetbare of waarneembare zaken, vaak in combinatie
met inzet.108 Vaardigheden in de leerlijn leren bewegen (zoals balanceren, klimmen,
zwaaien, doelspelen en bewegen op muziek) zijn nu eenmaal gemakkelijker te meten
dan aspecten in de leerlijnen bewegen regelen, gezond bewegen en bewegen beleven.
Hetzelfde geldt voor meer expressieve vormen van bewegen, zoals euritmie (expres-
sieve danskunst).109
Ook de inspectie lijkt met haar laatste peilingsonderzoek vooral waarde te hechten
aan het leren van bewegingsvaardigheden. De onderzoekers hebben de leerlingen
alleen getoetst op technische vaardigheidsonderdelen. Dit terwijl de inspectie breder
hoort te kijken (zijn het aanbod en de gebruikte leermiddelen voldoende om aan de
kerndoelen te kunnen voldoen?). Er is meer aandacht voor de totale, brede ontwikkeling
van kinderen. Hiervoor is het belangrijk dat voldoende bewegen en de integratie van
bewegen en cognitie een goede plek krijgen in het onderwijs.
105
    Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.55.
106
    Brouwer, Houthoff & Van Mossel, 2012; Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
107
    Brouwer, Houthoff & Van Mossel, 2012, p.46.
108
    Borghouts, Van Dokkum & Slingerland, 2014; Krijgsman & Dijkhoff, 2015.
109
    Op vrije scholen is euritmie opgenomen in het algemene onderwijsprogramma. Zie Vereniging van vrijescholen, 2018.
                                                                                              Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>38
   Kwalificatie-eis voor het middelbaar beroepsonderwijs is vrijblijvend
   Anders dan in het primair en voortgezet onderwijs heeft sporten en bewegen in het
   middelbaar beroepsonderwijs geen specifieke plek in lessen bewegingsonderwijs.
   In de kwalificatie-eis vitaal burgerschap is “de zorg voor de eigen vitaliteit en fitheid”
   opgenomen. Deze wettelijke eis gaat zowel over sport- en bewegingsactiviteiten als
   over andere aspecten van het leergebied – waaronder bewust en verantwoordelijk
   omgaan met eigen lijf en gezondheid. De wet zegt echter niet dat leerlingen daadwer-
   kelijk tijdens de opleiding moeten bewegen, maar spreekt vooral over het opdoen van
   kennis en inzicht over bewegen als kenmerk van een gezonde leefwijze. De nationale
   norm gezond bewegen wordt hierbij wel als voorbeeld genoemd. Mbo-instellingen
   kunnen dus de opvatting hanteren dat leerlingen vooral het belang van bewegen
   moeten leren, zonder het op school te ervaren.
   Door de open formulering van de kwalificatie-eis gaan mbo-scholen er verschillend
   mee om. Een deel biedt actieve sport- en/of bewegingslessen aan, bijvoorbeeld in de vorm
   van een keuzeprogramma als Sport op Maat. Hoeveel studenten hieraan meedoen,
   hoeveel uren zij hieraan besteden en op welke wijze dit gebeurt, varieert per school.
   Het is dus ook mogelijk om helemaal geen sport- en/of bewegingslessen aan te bieden.
   Wel heeft een aantal mbo-scholen110 zich tot doel gesteld om vijf procent (circa één klok­
   uur per week) van de onderwijstijd aan beweging te besteden. In de praktijk wordt dit
   vooral vertaald naar sportlessen voor alleen eerstejaarsstudenten in de beroepsoplei-
   dende leerweg. Het monitoronderzoek naar bewegen en sport in het middelbaar beroeps­
   onderwijs laat zien dat het percentage scholen dat deze doelstelling haalt, afneemt.111
   Een groeiend aantal mbo-scholen besteedt aandacht aan gezond en veilig werken bin-
   nen vitaal burgerschap, bijvoorbeeld in lessen (loopbaan en) burgerschap en in lessen
   over arbo-regelgeving, over veiligheid en machinegebruik, en over ergonomie. Ook het
   keuzedeel verdieping blijvend fit, veilig en gezond werken112 is hiervan een voorbeeld.
   Aspecten van sporten en bewegen in het kader van de beroepsvoorbereiding zijn
   uiteraard van waarde, maar de raden vinden dat de mbo-scholen hiermee niet (volledig)
   voldoen aan de brede opdracht van het onderwijs. Bovendien is het de vraag of hiermee
   leerlingen worden aangemoedigd om te blijven bewegen. Een bredere opvatting van
   de kwalificatie-eis vitaal burgerschap is daarom wenselijk.
   110
       Van de 69 mbo’s hebben 37 scholen zich verbonden aan de doelstelling van het platform. Platform Bewegen en Sport
       mbo, 2014, p.4.
   111
       Roorda & Duijvestijn, 2016.
   112
       Dit keuzedeel leert leerlingen fit, veilig en gezond te werken, zodat zij zichzelf en anderen tijdens de toekomstige loop-
       baan minder kans lopen op een arbeidsongeval en/of fysieke of psychische gezondheidsschade. SLO heeft een stappen­
       plan voor de ontwikkeling van het programma hiervoor ontwikkeld. Zie Brouwer, 2017.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                                                            39
Nationaal stimuleringsbeleid is vooral gericht op voorlopers en
incidentele projecten
Bewegen is niet alleen een wettelijke taak voor scholen. De rijksoverheid – en dan met
name de ministeries van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en OCW – voert ook
actief stimuleringsbeleid (zie kader). Doel van het beleid is vooral om leerlingen meer te
laten bewegen om gezondheidsproblemen zoals overgewicht en een ongezonde leefstijl
op de langere termijn te voorkomen. Daarnaast is er beleid ontwikkeld om jeugdigen meer
mogelijkheden te bieden voor het ontdekken en ontwikkelen van hun sporttalent.113
Tot slot is er in het beleid aandacht voor samenwerking tussen sport en onderwijs.
Zo biedt het project Sport Lokaal Samen ondersteuning om de samenwerking tussen
sport en onderwijs binnen een gemeente structureel vorm te geven, te versterken en
te ondersteunen.114 De raden zien dit als mooie ondersteuning voor het sport- en
bewegingsonderwijs, maar constateren tegelijkertijd dat het vooral om voorlopers en
incidentele projecten gaat en geen stimulans vormt voor een structureel aanbod.
    Overheidsbeleid om sporten en bewegen op scholen te stimuleren
    De afgelopen jaren ondersteunde de rijksoverheid scholen om meer werk te maken van
    sporten en bewegen. In opdracht van de ministeries van VWS en OCW hebben PO-Raad,
    VO-raad en MBO Raad een Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde leefstijl115
    opgesteld voor 2012-2016. Doel hiervan was scholen te stimuleren een beleid voor sport,
    bewegen en ook een gezonde leefstijl te ontwikkelen. Het gezondeschoolprogramma
    vloeide voort uit deze onderwijsagenda, waarbij scholen een vignet gezonde school en
    eventueel een themacertificaat bewegen & sport kunnen behalen. Ook kunnen scholen
    aanspraak maken op bredere subsidies uit leefstijlprogramma’s voor de jeugd.116
    Daarnaast is ingezet op het wegnemen van ervaren belemmeringen, zoals ontoereikende
    sportaccommodaties of een gebrekkige samenwerking tussen partners in de wijk.117
    Voorbeelden zijn het stimuleren van de inzet van (voorheen) BOS-projectleiders (Buurt,
    Onderwijs en Sport), combinatiefunctionarissen en buurtsportcoaches en de (inmiddels
    vervallen) Stimuleringsregeling multifunctionele sportaccommodaties.118
Tot op heden hebben al deze initiatieven weliswaar geholpen om individuele projecten
van de grond te krijgen, maar is er slechts een beperkte stimulans voor scholen om
sporten en bewegen ook structureel in te zetten. Scholen blijven de aandacht voor
sport en bewegen zien als losse projecten die zij met ondersteuning opzetten. Het is
113
     De overheid stelt een budget beschikbaar voor het inrichten van een zogenoemde loot-school (landelijk overleg onder-
     wijs en topsport). Loot-scholen zijn vo-scholen specifiek voor leerlingen die aantoonbaar de potentie hebben om uit te
     groeien tot topsporter. Op een loot-school kunnen zij opleiding en training goed combineren.
114
     http://www.sportlokaalsamen.nl/.
115
     PO-Raad, VO-raad & MBO Raad, 2012.
116
     Zoals de aanpak Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG). Zie https://jongerenopgezondgewicht.nl/.
117
     Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013; Slinger, Stubbe & Van der Werff (red.), 2012.
118
     www.combinatiefuncties.nl.
                                                                                                    Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>40
   ‘iets extra’s’, geen onderwerp om structureel te verbinden met de eigen visie en inrichting
   van het onderwijs.119 Zo hebben negen op de tien scholen een buitenschools sport-
   aanbod, maar bij 63 procent daarvan gaat het om een aanbod van één of enkele keren
   per jaar.120 Ook is niet bekend of deze activiteiten ook echt de leerlingen bereiken voor
   wie ze bedoeld zijn.121 Uit de evaluatie van de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een
   Gezonde Leefstijl blijkt dat weinig aandacht is besteed aan de ‘outcome’ van het pro-
   gramma, dus aan een daadwerkelijke gedragsverandering bij leerlingen en leraren.122
   Gemeentelijk beleid werkt regionale verschillen tussen scholen verder in
   de hand
   Ook gemeenten hebben een belangrijke rol. Zij zorgen voor de huisvesting van scholen,
   dus ook voor hun gymlocaties en de financiering van de eerste inrichting.123 Daarnaast zijn
   gemeenten verantwoordelijk voor het beheer en de exploitatie van sportaccommodaties.
   Verder kunnen ze zelf bepalen hoe zij hun sport- en bewegingsbeleid vormgeven.
   Gemeenten zijn dus niet verplicht om invloed uit te oefenen op het beleid van scholen
   omtrent het bewegingsonderwijs, maar kunnen hierin keuzes maken. Ze kunnen ook
   kiezen of ze (subsidie)regelingen inzetten die buiten hun wettelijke taken vallen, zoals
   sportpasregelingen en subsidies voor schoolzwemmen. Voor wat betreft het school-
   zwemmen loopt de financiering door gemeenten al jaren terug.124 Binnen de Lokale
   Educatieve Agenda voeren veel gemeenten regulier overleg met scholen, sportvereni-
   gingen en andere betrokkenen (zoals kinderopvanginstellingen)125 over het sport- en
   bewegingsbeleid. In sommige gebieden vindt ook regionaal overleg plaats binnen de
   Regionale Educatieve Agenda.126
   De autonome positie van gemeenten geeft veel ruimte om in te spelen op verschillende
   lokale behoeften. Tegelijkertijd leidt dit tot verschillen tussen gemeenten, en daardoor
   tussen scholen in verschillende regio’s. Soms zet men sterk in op het bevorderen van
   sport onder de jeugd, eventueel met aanvullende financiering voor het bewegings­
   onderwijs (zie kader). Er zijn echter ook gemeenten die hier, soms door bezuinigingen,
   119
       Brouwer, Van Berkel, Van Mossel & Swinkels, 2015.
   120
       Lucassen, Wisse, Smits, Beth & Van der Werff, 2011.
   121
       Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
   122
       Lucassen & Van den Toren, 2016.
   123
       Artikelen 91 WPO, 76b WVO en 89 WEC.
   124
       Nederlandse gemeenten geven steeds minder subsidie aan schoolzwemmen. Uit onderzoek van het Mulier Instituut
       blijkt dat 30 procent van de gemeenten in 2016 schoolzwemmen financieel ondersteunt, in 2012 was dat nog bijna 43
       procent. Zie Floor, 2017.
   125
       Oberon & Vereniging Nederlandse Gemeenten, 2006.
   126
       Zie voor het voortgezet onderwijs Oberon, 2010.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                                                             41
minder aandacht voor hebben. In het algemeen geven grotere gemeenten per inwoner
meer uit aan sporten en bewegen dan kleinere. Dit verschil komt vooral door de
regiofunctie van grote gemeenten, met bijbehorende accommodaties: atletiekbanen,
(grotere) zwembaden, regionale trainingscentra, enzovoort.127 Ook hebben stedelijke
gebieden naar verhouding meer plaats ingeruimd voor sportgebied dan landelijke
gebieden. In krimpgebieden en plaatsen die minder stedelijk zijn, zijn ook minder facili­
teiten aanwezig om aan sporten en bewegen te doen.
    Voorbeelden gemeentelijke initiatieven gericht op het bewegingsonderwijs
    Meerdere gemeenten investeren in bewegingsonderwijs. Zo zijn er gemeentelijke subsidies
    om vakleerkrachten te financieren, met name in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag
    (plus randgemeenten).128 In Groningen zijn alle gemeenten aangesloten bij het Huis voor
    de Sport Groningen. Deze organisatie, opgericht op initiatief van de provincie, biedt
    praktische ondersteuning aan sportverenigingen en gemeenten om de breedtesport in de
    provincie Groningen te bevorderen en te ontwikkelen. Een voorbeeld daarvan is het project
    Sportieve Gezonde School dat basisscholen stimuleert om een vakleerkracht in te
    schakelen voor de gymlessen. Gedurende zestien weken krijgen leerlingen beweeglessen
    door een vakleerkracht en begeleiding van de groepsleerkrachten. Ook krijgen de
    leerlingen tijdens en na schooltijd extra beweegmomenten aangeboden, zoals pleinspelen,
    waarbij kinderen allerlei beweegactiviteiten op het schoolplein kunnen doen.129
127
     Hoekman & Van der Maat, 2017.
128
     Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
129
     http://www.huisvoordesportgroningen.nl/sport-en-bewegen/sportieve-gezonde-school.
                                                                                       Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>42
   Landelijke regelingen niet voor iedereen beschikbaar
   Tot slot beïnvloeden landelijke regelingen het lokale beleid. Dit gebeurt bijvoorbeeld
   via de Brede Impuls Combinatiefuncties, een gezamenlijke regeling van de ministeries
   van VWS en OCW waarmee gemeenten buurtsportcoaches (of combinatiefunctiona-
   rissen)130 kunnen aanstellen en (co)financieren.131 Buurtsportcoaches hebben de taak
   om in hun buurt meer mensen te laten sporten en bewegen. Zij kunnen naast en met
   (vak)leerkrachten het voor-, tussen- en naschoolse sport- en bewegingsaanbod ver-
   zorgen. Sommige buurtsportcoaches voeren zelf sport- en bewegingsactiviteiten uit
   en begeleiden groepen daarin. Anderen hebben vooral een coördinerende en verbin-
   dende rol. Hoewel de regeling voor de financiering van buurtsportcoaches een succes
   lijkt te zijn, wisselt de mate waarin een coach wordt ingezet sterk (zie kader).
   Ook blijken velen van hen, anders dan de bedoeling was,132 niet in dienst te zijn bij een
   school of sportvereniging. Ze hebben in veel gevallen een dienstbetrekking bij een
   gemeente of gemeentelijke stichting.133 Tot slot is de regeling niet beschikbaar voor
   het middelbaar beroepsonderwijs.
       Inzet van buurtsportcoaches
       Bekend is dat de cofinanciering van de rijksoverheid ertoe heeft bijgedragen dat bijna alle
       gemeenten inmiddels werken met buurtsportcoaches.134 Op bijna de helft van de basis-
       scholen is zo’n coach actief, al gaat het vaak nog om weinig frequente betrokkenheid.135 In
       het voortgezet onderwijs was (in 2014) op een derde van de scholen een buurtsportcoach
       actief, meestal voor enkele keren per jaar (slechts op tien procent wekelijks).136 Op scholen
       waar een buurtsportcoach actief is, nemen leerlingen vaker binnen én buiten schooltijd
       deel aan sportactiviteiten.137 Een recente landelijke evaluatie geeft aan dat het behalen
       van de maatschappelijke doelstellingen een lange adem vraagt.138
   130
        Veel buurtsportcoaches zijn combinatiefunctionaris. Maar niet elke combinatiefunctionaris is een buurtsportcoach.
        Er zijn bijvoorbeeld ook combinatiefunctionarissen speciaal voor culturele activiteiten. Combinatiefunctionarissen richten
        zich voornamelijk op de verbinding tussen onderwijs, sport en cultuur, terwijl buurtsportcoaches ook verbinding kunnen
        maken met alle andere sectoren, zoals de zorg.
   131
        Als de aanstelling kan plaatsvinden bij een andere organisatie dan de gemeente zelf, zoals de school, zal de gemeente
        het geld hiervoor beschikbaar stellen aan de organisatie(s) waar de buurtsportcoach in dienst komt.
   132
        Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2007.
   133
        Wajer, Van den Heuvel, Salomé & Kirchner, 2017.
   134
        Van Lindert, Scholten & Brandesma, 2017.
   135
        Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   136
        Pulles, Leijenhorst, Reijgersberg, Hilhorst & Van Lindert, 2014.
   137
        Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
   138
        Van Lindert, Scholten & Brandesma, 2017.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                      43
Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>03
   Foto: Werry Crone | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                                                     45
Sporten en bewegen is meer dan alleen gym (in het primair en
voort­gezet onderwijs) of lessen vitaal burgerschap (in het middelbaar
beroepsonderwijs). Dagelijks bewegen hoort onderdeel te zijn van
het hele onderwijsprogramma. Deze beweegnorm voor scholen dient
door de rijksoverheid opgenomen te worden in de wetgeving, met
daarbij behorend inspectietoezicht.
Aanbeveling 1 –
leg beweeg­norm vast en
versterk toezicht
        De drie raden beargumenteren in hoofdstuk 2 dat scholen meer aan beweging kunnen
        doen dan een paar uur bewegingsonderwijs aanbieden. Sporten en bewegen moet
        onderdeel zijn van het hele onderwijs. De raden zijn van mening dat verheldering van
        de wettelijke opdracht aan scholen – zonder dat een keurslijf ontstaat – stimulerend
        kan werken. De drie raden adviseren de overheid daarom de bewegingsdoelen in het
        primair en het voortgezet onderwijs nader te omschrijven en deze doelen voor het
        middelbaar beroepsonderwijs vorm te geven in de kwalificatie-eisen. Paragraaf 3.1
        werkt deze aanbeveling uit. Bij een heldere omschrijving van de opdracht voor scholen
        past een aangepast toezichtkader en een borgende rol van de inspectie. Dit komt aan
        bod in paragraaf 3.2.
        3.1 Verscherp de wettelijke opdracht aan scholen
        Zoals hoofdstuk 2 liet zien, zijn de huidige kerndoelen voor bewegingsonderwijs in
        het primair en voortgezet onderwijs te vrijblijvend en geven ze zo veel ruimte dat er
        verschillen ontstaan tussen scholen. In het middelbaar beroepsonderwijs is bewegings­
        onderwijs niet verplicht en is de wettelijke basis voor sporten en bewegen zo smal dat
        veel mbo-scholen om allerlei redenen in het geheel geen sport- en bewegingslessen
        aanbieden. De drie raden vinden dat er een bewegingsnorm van een uur (tweemaal een
        half uur) matig intensief bewegen per dag moet komen voor alle leerlingen in het primair
        en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Deze norm komt overeen
                                                                               Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>46
   met de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad. De raden bevelen de overheid aan
   om, vanuit haar verantwoordelijkheid voor het onderwijsstelsel en voor de onderwijs-
   kwaliteit, deze opdracht aan scholen scherper te formuleren. Daarbij moet wel vol-
   doende ruimte zijn voor scholen om het sport en bewegingsaanbod in de ruimste definitie
   (dus ook inclusief dans) naar eigen inzicht in te richten en aan te passen aan de leer-
   lingenpopulatie en het eigen didactisch en pedagogisch concept.
   Expliciteer de opdracht in de wet
   De raden adviseren om de opdracht aan scholen voor het primair, voortgezet en speciaal
   onderwijs te expliciteren door de huidige kerndoelen voor het leergebied uit te breiden
   met een aparte paragraaf. De meer algemene opdracht voor scholen (iedere dag
   bewegen op school) kan hierin worden vermeld. Als onderdeel daarvan volgen dan de
   huidige kerndoelen voor het bewegingsonderwijs. Ook kan deze algemene opdracht
   samen met het bewegingsonderwijs geïntegreerd worden opgenomen. Een voorbeeld
   daarvan is de kwalificatie-eis op dit gebied voor het middelbaar beroepsonderwijs.139
   Zo’n breed leergebied met als onderdeel een norm voor het bewegings- en sport­
   onderwijs geeft mogelijkheden om te benadrukken dat ook dit onderwijs hoort bij te
   dragen aan kwalificatie, socialisatie én persoonsvorming. De inspectie ziet in haar
   stimulerend toezichtskader hier vervolgens op toe (zie paragraaf 3.2).
   Het ontwikkelteam Bewegen & Sport van Curriculum.nu werkt momenteel aan bouw-
   stenen voor het leergebied. Zoals eerder vermeld (in paragraaf 2.4) gaan deze bouw-
   stenen alleen over het kernprogramma van het leergebied. Dit omvat volgens het ont-
   wikkelteam alleen reguliere lessen bewegingsonderwijs, de keuzevakken lichamelijke
   opvoeding 2 (lo2) in de bovenbouw van de gemengde en theoretische leerwegen van
   het vmbo, bsm (bewegen, sport en maatschappij) in de bovenbouw havo en vwo, en
   de beroepsgerichte keuzevakken in de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen van
   het vmbo. De door de raden voorgestane opdracht aan onderwijsinstellingen kan door
   de overheid als aanvulling op deze bouwstenen worden omgezet in een apart kerndoel
   of worden geïntegreerd in één breed leergebied.
   De kwalificatie-eisen in het middelbaar beroepsonderwijs (opgenomen in de WEB,
   Wet educatie en beroepsonderwijs) zijn al dusdanig geformuleerd dat sprake is van
   een algemene opdracht aan scholen op het gebied van sporten en bewegen. Sporten
   en bewegen valt binnen de doelen van vitaal burgerschap en omvat zowel sport- en
   bewegingslessen als activiteiten buiten de les. De kwalificatie-eisen zeggen echter
   niet dat mbo-instellingen sporten en bewegen onderdeel moeten maken van hun hele
   programma (en dat bewegen iedere dag zou moeten gebeuren), zoals de raden bepleiten.
   139
       Zie bijlage 1.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                                               47
Ook richten de eisen zich vooral op gezondheidsbevordering en het “opdoen van kennis”
hierover. De drie raden adviseren om in de kwalificatie-eisen meer nadruk te leggen op
het doel van sporten en bewegen in het onderwijs. Dat wil zeggen: vitaal burgerschap is
niet alleen kennis over gezondheid, maar omvat ook sporten en bewegen als essentieel
onderdeel. Dit stimuleert mbo-studenten om ook later, na afronding van hun opleiding
en buiten de onderwijsinstelling, te blijven bewegen.
Geef in de wettelijke opdracht ook een richtsnoer voor kwantitatieve
invulling conform norm Gezondheidsraad
De hoeveelheid uren bewegingsonderwijs heeft al enige tijd de aandacht van de overheid.
Zo gaf het kabinet-Rutte III in het regeerakkoord Bruggen Slaan aan, te willen streven
naar uitbreiding van het aantal uren in het primair onderwijs.140 Al langer werkt het
ministerie van OCW samen met de PO-Raad en andere partijen aan afspraken op dit
gebied. Om aan de in het bestuursakkoord afgesproken minimaal twee lesuren bewe-
gingsonderwijs (met een streven van drie lesuren) te komen, is een plan van aanpak
voor het bewegingsonderwijs opgesteld.141 Nog niet elke basisschool haalt echter deze
twee uur, en maar weinig scholen voldoen aan de streefnorm. Zie ook paragraaf 2.3.
De drie raden adviseren kwantitatieve aanwijzingen voor bewegen in de wetgeving
op te nemen. Hierbij kan worden aangesloten bij de beweegrichtlijnen van de
Gezondheids­raad. Volgens deze beweegrichtlijnen hebben kinderen elke dag minimaal
een uur matig intensieve beweging nodig om gezond te blijven.142
Een wettelijke kwantitatieve invulling stimuleert scholen om hun opdracht en de al
gemaakte afspraken concreter in te vullen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet alleen om
gymonderwijs en – in geval van het middelbaar beroepsonderwijs – om kennislessen
gericht op gezondheid. Het gaat om verschillende vormen van sport en bewegen in
het hele onderwijs: tijdens specifieke daartoe ingerichte lessen, maar ook bij andere
vakken dan gym, tijdens schooluitjes, enzovoort.
Als deze kwantitatieve norm voor onderwijsinstellingen wordt gekoppeld aan de
bewegingsrichtlijn voor kinderen van de Gezondheidsraad (bijvoorbeeld minimaal één
uur/ twee keer een half uur per dag), is er meteen aandacht voor de intensiteit van de
bewegingsactiviteit: licht, matig of zwaar. Onder licht intensieve activiteiten vallen bij-
voorbeeld aankleden, opruimen en een rustig wandelingetje. Bij matig intensieve
beweging gaat het om onder andere stevig doorwandelen, lichte krachttraining, dansen
140
    Bruggen slaan, 2012, p.24.
141
    PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015.
142
    Gezondheidsraad, 2017a.
                                                                         Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48
   en fietsen. Zwaar intensieve activiteiten zijn hardlopen, wielrennen, in een stevig
   tempo tegen een heuvel oplopen, en teamsporten zoals voetbal, volleybal en hockey.
   Door aan te geven dat de intensiteit van het bewegen ‘matig intensief’ moet zijn, wordt
   benadrukt dat niet alle bewegingsactiviteiten op school intensieve (sport)activiteiten
   hoeven te zijn.
   Daarnaast adviseert de Gezondheidsraad dat kinderen minimaal drie keer per week
   bot- en spierversterkende activiteiten doen. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen
   dat kinderen niet te veel zitten.143 Tijdens de lessen regelmatig even opstaan om te
   bewegen kan hierbij helpen.144
   Ook kunnen overheid en onderwijsinstellingen inspiratie opdoen bij geldende wettelijke
   normen in het buitenland, bijvoorbeeld in Schotland en Denemarken (zie kader).
   De kanttekening hierbij is dat deze landen de bewegingsnormen vooral inzetten om de
   gezondheid te bevorderen en/of (zoals in Denenmarken) de leerprestaties te verhogen.
   Uit beide voorbeelden blijkt dat sporten en bewegen beter en breder kan worden ingezet.
   De voorbeelden uit Schotland en Denemarken onderschrijven ook de opvatting van
   de raden dat matig intensief bewegen preventief werkt en effect kan hebben op leer-
   prestaties.
       Schotland en Denemarken: norm voor bewegen staat centraal
       In Schotland is ten minste twee uur bewegingsonderwijs per week in de ‘primary school’
       verplicht.145 Het Deense ministerie van Onderwijs onderkent dat bewegen bijdraagt aan
       betere leerprestaties. Er worden programma’s ontwikkeld voor scholen en sportclubs om
       kinderen meer aan het bewegen te krijgen. Scholen en sportclubs worden gestimuleerd
       om nauw samen te werken. Het nieuwe curriculum (ingevoerd in 2014) schrijft voor dat
       kinderen 45 minuten per dag bewegen op school; niet tijdens een gymles, maar tijdens de
       lessen Deens, Engels en rekenen.146
   143
        Gezondheidsraad, 2017a, p.29-30. Uit (Amerikaans) onderzoek blijkt dat bij leerlingen die hun de lessen op school
        gedurende 2 jaar zoveel mogelijk staand doorbrachten, de bmi met 5% was gedaald. 193 kinderen in de leeftijd van
        9 en 10 jaar oud deden mee aan dit experiment. Ook in Nederland wordt onderzoek naar de effecten van minder zitten
        gedaan; Wendel (2016). In het Phit2Learn-project wordt de relatie tussen enerzijds beweging, met name het vermin-
        deren van zitgedrag, en anderzijds cognitieve en leerprestaties in het middelbaar beroepsonderwijs onderzocht.
        Zie http://www.phit2learn.nl/.
   144
        Gezondheidsraad, 2017a, p.25-26. Onderzoek laat zien dat langdurig zitten gepaard gaat met grote gezondheidsrisi-
        co’s, ongeacht hoeveel de persoon in kwestie sport of beweegt. Zie Gezondheidsraad, 2017b; Biswas, Oh, Faulkner,
        Bajaj, Silver, Mitchell & Alter, 2015. Vooral Nederlandse jongeren van 12-20 jaar zitten veel. Zie Rijksinstituut voor
        Volksgezondheid en Milieu, 2015.
   145
        Scottish Government, 2018.
   146
        Smedegaard, 2016.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                                                                           49
Concreet stellen de raden voor om in de kerndoelen en kwalificatie-eisen enkele zinnen
op te nemen over het noodzakelijke aantal uren/minuten sporten en bewegen en de
hiermee te bereiken doelen.
Eigen visie op invulling van scholen is gewenst
De raden benadrukken dat scholen hun onderwijs moeten kunnen invullen op basis van
een eigen visie, aansluitend bij de leerlingenpopulatie en gebruikmakend van het sport-
en bewegingsaanbod uit de directe omgeving. Dit past bij de in Nederland wettelijk
geregelde vrijheid en autonomie van scholen. Hoe scholen ‘één uur matig intensief per
dag’ invullen, kunnen ze zelf bepalen.147
3.2	Borg in het toezicht de aandacht voor sporten en
         bewegen
De inspectie beoordeelt of het aanbod op school voldoet aan de wettelijke kaders
(deugdelijkheidseisen) en waarborgt daarmee de basiskwaliteit van het onderwijs.
Daarnaast heeft de inspectie een stimulerende taak: zij moedigt schoolbesturen aan niet
tevreden te zijn met alleen basiskwaliteit en eigen aspecten van kwaliteit na te streven.
Als in de wet komt te staan dat sporten en bewegen onderdeel is van het hele onder-
wijsaanbod, vraagt dit een sterkere waarborgende en stimulerende rol van de inspectie.
Versterk toezicht vanuit waarborgende en stimulerende rol
Het inspectietoezicht is sinds 2 augustus 2017 gebaseerd op twee pijlers: stimuleren
en waarborgen.148 De inspectie wil stimuleren dat besturen en scholen stelselmatig
werken aan de verbetering van het onderwijs. Daarnaast ziet de inspectie erop toe dat alle
leerlingen en studenten onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit. Deze waarborgende
rol van de inspectie richt zich onder meer op de vraag of het leerstofaanbod dekkend
is voor de kerndoelen.149 Bij het middelbaar beroepsonderwijs gaat het er daarbij om
of het aanbod is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatie-
dossier (met de kwalificatie-eisen).150 Een nadere omschrijving van de kerndoelen en
kwalificatie-eisen inclusief een kwantitatieve urennorm van 1 uur matig intensief
bewegen per dag, zoals voorgesteld in paragraaf 3.1., leidt er dus toe dat de inspectie
haar waarborgende rol anders zal invullen. Niet alleen het sport- en bewegingsonderwijs
147
    Zie ook het advies van de Raad van State naar aanleiding van een initiatiefwetsvoorstel van de SP over het aantal uren
    bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Raad van State, 2018.
148
    Inspectie van het onderwijs, 2017c, p.5.
149
    Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
150
    Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
                                                                                                   Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>50
   (en in het middelbaar beroepsonderwijs: vitaal-burgerschaponderwijs) doet ertoe: ook
   andere activiteiten van de school in het kader van sporten en bewegen zijn relevant voor
   het inspectieoordeel.
   De inspectie heeft volgens de raden daarbij ook de taak om in de praktijk te kijken of
   ook zichtbaar is wat door de school als invulling van de opdracht wordt genoemd.
   Uitgangspunt is wel dat er evenwicht is tussen de vrijheid van scholen enerzijds en de
   toezichthoudende rol van de inspectie anderzijds. De raden zien het school- of instel-
   lingsplan als een geschikte plek om de eigen visie op sporten en bewegen inzichtelijk
   te maken. Het schoolplan is een verantwoordingsdocument met een wettelijke basis
   waarin het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dient te worden
   opgenomen.151 Het schoolplan draagt bij aan de horizontale verantwoording van het
   schoolbeleid aan ouders, leerlingen en andere belanghebbenden in en rond de onder-
   wijsinstelling.152 De inspectie ziet erop toe dat een schoolplan aanwezig is en dat dit
   plan voldoet aan de voorwaarden die daaraan in de wet zijn gesteld. Voor het middelbaar
   beroepsonderwijs geldt geen verplicht schoolplan. Mbo-scholen beschikken doorgaans
   over diverse (strategische) beleidsplannen, die de inspectie bekijkt in het kader van het
   toezicht.153 De inspectie denkt verder vanuit haar stimulerende rol ook mee over de
   kwaliteitsvisie van de school op sporten en bewegen. Komt deze voldoende terug in de
   (onderwijs)praktijk, wat kan beter en hoe kan de school dit aanpakken?
   151
        Artikel 12, lid 1 en 2 van de WPO, artikel 21 van de WEC; artikel 23a WVO. In het middelbaar beroepsonderwijs is een
       schoolplan niet verplicht.
   152
        Zie ook Onderwijsraad, 2016a.
   153
        Inspectie van het Onderwijs, 2017d, p.36: “We analyseren het jaarverslag en relevante andere documenten zoals
       beleidsplan(nen), en documenten die de evaluatie en beoordeling van de kwaliteit betreffen”.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                      51
Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>04
   Foto: William Hoogteyling | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                                    53
Om leerlingen te stimuleren meer te sporten, te dansen en te
bewegen en de waarde daarvan mee te geven, zijn leraren nodig
die daarvoor zijn toegerust. Maar ook andere experts kunnen voor
het onderwijs worden ingezet. Er zijn genoeg mooie voorbeelden
uit de praktijk die inspiratie kunnen bieden, ook voor de inhoud van
het onderwijs.
Aanbeveling 2 –
zet vakleerkrachten,
leraarondersteuners
bewegingsonderwijs en
sport, buurtsportcoaches
en topsporters in
        De bestaande wettelijke regelgeving bepaalt dat gymuren moeten worden verzorgd
        door vakleerkrachten of, in het basisonderwijs, door leerkrachten met een speciale
        bevoegdheid om gym te mogen geven. De drie raden bevelen scholen aan om, onder
        supervisie van vakleerkrachten, vaker andere experts een rol te geven in het sport- en
        bewegingsonderwijs. Daarnaast kunnen inspirerende voorbeelden uit de praktijk als basis
        dienen voor de inhoud van lesprogramma’s en sport- en beweegactiviteiten op school.
        De drie raden gaan ervanuit dat een heldere basis in de wet scholen beter stimuleert
        hun bewegings- en sportaanbod te versterken. Niet overal worden vakleerkrachten
        ingezet, onder meer door financiële belemmeringen of te weinig aanbod en faciliteiten.
        Volgens de raden zijn er voldoende creatieve manieren om vakleerkrachten in te zetten
        en ook om de hulp van anderen buiten de onderwijsinstellingen beter te benutten
        (paragraaf 4.1). Ook zijn er inmiddels vele goede voorbeelden voor het ontwikkelen en
        uitwerken van een visie op sporten en bewegen (paragraaf 4.2).
                                                                              Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>54
   4.1	Zoek naar creatieve oplossingen voor de inzet
            van personeel
   De inzet van vakleerkrachten voor het bewegingsonderwijs werkt positief op de kwali­teit
   van de les. Ouders, leerlingen en bestuurders herkennen die waarde. Toch lukt het maar
   één op de vijf basisscholen om voor alle gymlessen vakleerkrachten in te zetten. Er zijn
   bovendien regionale verschillen.154 Dat komt bijvoorbeeld doordat scholen huiverig zijn
   voor de personele lasten of doordat het lastig is om een goede vakleerkracht te vin-
   den. Er zijn ook scholen die andere prioriteiten stellen dan het bewegings­onderwijs.155
   Toch is het mogelijk om binnen de huidige situatie creatieve oplossingen te bedenken
   in samenwerking met bestaande netwerken.
   Benut netwerkpartners en goede initiatieven
   Er is veel te winnen bij het benutten van netwerkpartners. Scholen kunnen gemakkelijker
   vakleerkrachten inzetten door met elkaar samen te werken of dit met de gemeente op
   te pakken. De gemeenten Den Haag en Noordwijk hebben bijvoorbeeld een pool van
   vakleerkrachten die de lessen bewegingsonderwijs op basisscholen verzorgen.
   In Noordwijk zijn zij tegelijkertijd buurtsportcoach, waardoor verbindingen met anderen
   buiten de school makkelijk worden gelegd. Ook in Rotterdam is in samenwerking met
   de gemeente gekozen voor een vakleerkracht nieuwe stijl, die naast het bewegings-
   onderwijs aandacht besteedt aan het buitenschoolse aanbod. Een andere mogelijkheid
   is om met verschillende scholen in dezelfde wijk of regio gezamenlijk een vakleerkracht
   aan te trekken.156 In Groningen speelt het Huis voor de Sport Groningen een rol in het
   vinden van (private en maatschappelijke) partners die kunnen helpen bij de financiering
   van vakleerkrachten in de regio.
   Geef ook buurtsportcoaches, leraarondersteuners en topsporters een rol
   De raden bevelen aan om, onder supervisie van vakleerkrachten, vaker anderen een
   rol te geven in het bewegingsonderwijs. Dat kan in de gymles, maar ook daarbuiten.
   Met de aandacht voor vakleerkrachten lijkt inzet van anderen wat buiten beeld te zijn
   geraakt. Enthousiaste (groeps)leraren in het primair en voortgezet onderwijs kunnen
   een bijdrage leveren, maar ook kan gedacht worden aan buurtsportcoaches (al dan
   154
       In zeer sterk stedelijke gebieden wordt op 48% van de basisscholen alleen een vakleerkracht ingezet voor bewegings-
       onderwijs in de groepen 3 t/m 8, tegenover 24% in sterk stedelijke gebieden, 12% in matig stedelijke gebieden, 14% in
       weinig stedelijke gebieden en 9% in niet-stedelijke gebieden. In niet-stedelijke gebieden verzorgen op driekwart
       van de scholen alleen groepsleerkrachten het bewegingsonderwijs aan de groepen 3 t/m 8. Zie Reijgersberg,
       Van der Werff & Lucassen, 2013, p.15.
   155
       Heijs & Reijgersberg, 2014; Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017; Reijgersberg, Lucassen, Beth &
       Van der Werff, 2014.
   156
       Van Berkel, Appelman, Mooij & Dam, 2008, p.24 e.v.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                                                             55
niet als vakleerkracht), coördinatoren gezonde school, gediplomeerden van een
mbo-opleiding sport en bewegen (leraarondersteuners bewegingsonderwijs en sport,
lobos’ers) en trainers van sportverenigingen in de wijk. Te denken valt ook aan de
meer incidentele inzet van bijvoorbeeld olympiërs of (lokale) topsporters, die daar in
het algemeen graag toe bereid zijn. Nog niet één op de vijf basisscholen maakt op dit
moment bijvoorbeeld gebruik van een leraarondersteuner bewegingsonderwijs en
sport, en nog niet de helft van een buurtsportcoach.157
Deze experts kunnen volgens de raden een waardevolle rol spelen, bijvoorbeeld als zij
als coach (al dan niet binnen zogenoemde beweegteams) de vakleerkracht ondersteunen.
Zeker vanuit een oogpunt van kostenbesparing en ook vanwege een beperkt aanbod
van vakleerkrachten kan deze aanpak winst opleveren. De vakleerkracht houdt meer
tijd over om zijn rol als aanjager van sporten en bewegen buiten het gymlokaal uit te
bouwen. Of om in samenwerking met buurtsportcoaches en anderen verbindingen in
en buiten de wijk te versterken en zo het aanbod op langere termijn te verbeteren.
    Mogelijke modellen voor de inzet van coaches en beweegteams
    Al in 2009 hebben Van Berkel & Hazelebach158 vijf fictieve manieren beschreven voor een
    flexibele inzet van menskracht in beweegteams op basisscholen. Naast de inzet van één
    vakleerkracht laten zij zien hoe bijvoorbeeld een tandem van vakleerkracht en sport­
    ondersteuner van waarde kan zijn. Ook beschrijven ze een breed beweegteam opgericht
    door en voor verschillende scholen. Daarbij besteden zij telkens aandacht aan de aansluiting
    van dit beweegteam (en de organisatie ervan) op de doelen die een school met het beweeg­
    aanbod beoogt.
Op dit moment is het al mogelijk om gebruik te maken van de kennis en kunde van
bovengenoemde experts. Er zijn geen wettelijke eisen voor de bevoegdheid van de
betrokkenen. Tijdens gymuren ligt dat anders. Die lessen moeten worden uitgevoerd
onder toezicht en verantwoordelijkheid van een bevoegde vakleerkracht of, in het
basisonderwijs, een groepsleerkracht met aparte bevoegdheid.159 Dit waarborgt de
kwaliteit en de veiligheid. Het inzetten van een bevoegde leraar tijdens gym betekent
dat de aansprakelijkheid van de school in geval van gymongevallen is gedekt.160
157
     Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013, p.15-16.
158
     Van Berkel & Hazelebach, 2009.
159
     Artikel 3, lid 1 sub b en lid 2 WPO en artikel 33 lid 1 sub b WVO.
160
     De bevoegdheid van de leerkracht bij gym is één van de factoren bij aansprakelijkheidskwesties: een onbevoegde
     leraar die gymles geeft zal sneller leiden tot aansprakelijkheid van de school. De (on)bevoegdheid van de leraar speelt
     dan ook mee. Zie o.a. Rechtbank Rotterdam, 2003. Supervisie kan, maar heeft hoger risico tot aansprakelijkheid tot
     gevolg als de bevoegde leraar niet aanwezig is in de les.
                                                                                                     Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>56
   Onderwijsinstellingen die niet-bevoegden inzetten tijdens gymlessen en daarbuiten,
   moeten goed nadenken over de aansprakelijkheidsrisico’s.
   4.2	Benut inspirerende praktijkvoorbeelden
   Welke waarde sporten en bewegen op een school heeft, is mede afhankelijk van de
   leerlingenpopulatie. Op scholen waar de meeste leerlingen van huis uit al veel sporten,
   ligt die meerwaarde anders dan op scholen waar leerlingen het belang ervan buiten de
   schooluren weinig ervaren. Ook de praktische situatie van de school speelt een rol.
   Soms is er een gymzaal om de hoek. Soms is meer creativiteit en inspanning nodig om
   beweging mogelijk te maken. Verder is de leeftijd van leerlingen relevant: activeren van
   basisschoolkinderen vraagt wat anders dan activeren van leerlingen op de middel­bare
   school of studenten in het middelbaar beroepsonderwijs.
   Er zijn in de praktijk al mooie voorbeelden. En ervaren hindernissen hoeven niet altijd
   daadwerkelijke belemmeringen te zijn. Bij gebrek aan capaciteit bij de plaatselijke
   sportvereniging bijvoorbeeld kan de school de samenwerking zoeken met ‘streetsports’-
   initiatieven in de wijk of met (plaatselijke) topsporters. Bij gebrek aan een goede gymzaal
   of sportaccommodatie kan er gebruik worden gemaakt van speelpleinen, Krajicek play-
   grounds en Cruyff courts. Ook digitale instrumenten kunnen helpen om bewegen
   dagelijks te integreren in het onderwijs.
   Maatwerk is nodig en afhankelijk van soort onderwijs en omvang
   onderwijsinstelling
   Sporten en bewegen in het speciaal onderwijs vraagt om een eigen aanpak. Vanwege de
   specifieke kenmerken van leerlingen is het speciaal onderwijs meer gericht op vak-
   overstijgende leerdoelen zoals sociale ontwikkeling, zelfstandigheid en meedoen.
   Op het vlak van motorische ontwikkeling bieden scholen voor speciaal onderwijs mrt
   (‘motorische remedial teaching’) aan.161 Overigens kan mrt ook van waarde zijn voor
   kinderen zonder specifieke zorgbehoefte die wel wat extra hulp kunnen gebruiken bij
   de ontwikkeling van hun motoriek. Een vakleerkracht (al dan niet met een speciale
   mrt-bevoegdheid), intern begeleiders en remedial teachers kunnen inspelen op de
   individuele situatie van het kind, zodat alle kinderen dezelfde kansen krijgen op het
   gebied van sporten en bewegen.
   161
        Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                                  57
De schaalgrootte van een onderwijsinstelling speelt ook een rol. Scholen die onderdeel
uitmaken van grotere schoolbesturen zullen eenvoudiger in staat zijn om (grote)
sport­dagen en evenementen te organiseren en (vak)leerkrachten uit te wisselen, dan
scholen onder een kleiner bestuur. Kleine besturen kunnen wel samenwerkingen aangaan
met grotere, bijvoorbeeld op het gebied van personeel en accommodaties.
Geef extra aandacht aan bepaalde groepen die weinig bewegen
Speciale aandacht is nodig voor leerlingen die niet van huis uit in aanraking komen
met sporten. Aan de ene kant zijn er gezinnen die op of onder de armoedegrens leven,
moeite hebben om in de eerste levensbehoefte te voorzien en geen geld overhouden
voor sportverenigingen of fitnessclubs. Aan de andere kant is er een groep gezinnen
met bestedingsruimte voor culturele en vrijetijdsactiviteiten, waaronder sport.
Wel zorgen onder anderen het Jeugdcultuurfonds en het Jeugdsportfonds ervoor dat
kinderen uit armere gezinnen toch naar voetbal of dansles kunnen. Daarnaast lijken
opleidingsniveau, etniciteit en geslacht van invloed te zijn op de mate waarin jongeren
sporten en bewegen.162 Leerlingen van het praktijkonderwijs en de beroepsgerichte
leerwegen van het vmbo nemen minder deel aan verenigingssport dan leerlingen op
havo en vwo.163 Onder mbo-studenten blijft de sportdeelname ook achter.164 Ook toont
onderzoek aan dat jongens in de basisschoolleeftijd meer bewegen dan meisjes.165
Over het algemeen zijn meisjes minder enthousiast over en gemotiveerd voor
bewegings­onderwijs dan jongens.166
Suggesties van de raden voor schoolspecifieke invulling
Voor de schoolspecifieke invulling van sporten en bewegen in het aanbod doen de drie
raden de volgende suggesties.
Voor het ontwikkelen van een visie op sport- en bewegen:
• Denk niet alleen in de strakke kaders van uren gym. Juist ook in en om andere lessen
    is bewegen van waarde en kan bewegen relatief gemakkelijk worden geïntegreerd.
• Denk aan de samenhang met andere aspecten van een gezonde leefstijl, zoals voe-
    ding en een gezonde schoolomgeving.
162
     Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011; Vogels, 2014.
163
     Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
164
     Tiessen-Raaphorst, Verbeek, De Haan & Breedveld (red.), 2010, p.120.
165
     Tiessen-Raaphorst, Van den Doel & Vogels, 2014, p.10.
166
     Flintoff & Scraton, 2001; Slingerland & Borghouts, 2014.
                                                                            Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>58
   • Denk aan leerlingen die niet van huis uit in aanraking komen met sport en bewegen
       en om minder fysiek vaardige leerlingen. Voor deze groepen is speciale aandacht
       nodig om ze het plezier in bewegen mee te geven. Denk ook na over hoe meisjes
       meer te motiveren tot sporten en bewegen.
   • Denk in meer algemene zin aan de verschillen tussen leerlingen. Het spreekt voor zich
       dat leerlingen in groep 1 en 2 anders worden gemotiveerd dan scholieren in het voort­
       gezet onderwijs en studenten in het middelbaar beroepsonderwijs. Speel daarop in.
       Bijvoorbeeld door op de middelbare school verbinding te leggen met nieuwe vormen
       van streetsports in de wijk, die aansluiten bij de leefwereld van deze jongeren.
   • Experimenteer. Kijk niet alleen naar bestaande leerlijnen, maar ook naar eigen
       mogelijkheden en probeer activiteiten uit. Deel die ervaringen vervolgens, zodat ze
       ook andere scholen kunnen inspireren.
   Voor de vormgeving van de les:
   • Betrek leerlingen en studenten bij het vormgeven en uitvoeren van het bewegings-
       aanbod. Dat kan door goed aan te sluiten bij hun leefwereld. Zo kunnen oudere leer-
       lingen een belangrijke rol hebben bij het begeleiden van sport- en spelactiviteiten
       van jongere leerlingen. De ouderen leren tegelijkertijd coachvaardigheden aan.
   • Gebruik digitale tools binnen en buiten de gymles en (voor het middelbaar beroeps-
       onderwijs) in de sport- en bewegingslessen en daarbuiten. Het kan bijvoorbeeld
       gaan om cameragebruik om inzicht te vergroten in motorische vaardigheden, video’s
       om thuis te oefenen en digitale tools die kinderen in staat stellen in de gymzaal
       te skiën.167
   • Bedenk creatieve oplossingen om capaciteitsproblemen met de huidige voorraad
       sportaccommodaties aan te pakken: gebruik buitenruimten, het schoolplein, extra
       gymlessen in de lente en zomer, enzovoort.
   Voor de vormgeving van het proces:
   • Stel heldere doelen, borg de implementatie (bijvoorbeeld door eigenaarschap en
       verantwoordelijkheid neer te leggen bij een beweegteam met enthousiaste leer-
       krachten, leraarondersteuners, topsporters, de buurtsportcoach en de vakleer-
       kracht), creëer draagvlak en breng de gezette stappen in beeld.
   167
         Steenaart & Lucassen, 2014.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                                       59
Zet digitalisering in waar mogelijk en nuttig, maar let ook op de risico’s
Ook ict (informatie- en communicatietechnologie) kan een stimulans bieden om te
bewegen in het onderwijs. In dit verband wordt vaak verwezen naar het spel Pokémon
Go, dat ertoe leidde dat duizenden mensen naar buiten gingen met hun mobiel in de
hand op zoek naar virtuele wezens. Ook voor het bewegingsonderwijs zijn veel mogelijk­
heden in navolging van Pokémon Go (zie kader).
    Inspirerend voorbeeld: gymwijzer in de les bewegingsonderwijs
    De Sparrenbosschool is een openbare school voor regulier basisonderwijs in Bennebroek,
    gemeente Bloemendaal. De school heeft ongeveer 160 leerlingen. Op De Sparrenbos­school
    wordt tijdens de lessen bewegingsonderwijs veel gewerkt met de iPad. De vakleerkracht
    heeft zelf apps ontwikkeld die hem en collega’s helpen bij de voorbereiding van de lessen
    en tijdens de lessen. De uitgewerkte lessen in de Gymwijzer bestaan uit vele filmpjes zodat
    kinderen op ieder gewenst moment een voorbeeld kunnen bekijken. Bovendien kunnen
    leerlingen met de video-delayfunctie zichzelf terugzien, wat helpt bij het leerproces.168
Bij ict-toepassingen in het algemeen dient wel rekening gehouden te worden met
mogelijke keerzijden van het gebruik ervan. Zoals eerder door de Onderwijsraad bepleit
blijft direct contact in een fysieke leeromgeving tussen leraar en leerling/student en
tussen leerlingen/studenten onderling essentieel.169 Ook zijn er mogelijk nadelige
gevolgen van het gebruik van ict-toepassingen voor de fysieke gezondheid. Denk aan
spierpijn en hoofdpijn door veel in dezelfde en verkeerde houding zitten achter een
beeldscherm.170 Ook bij kinderen worden inmiddels zogenoemde ‘tabletnekken’ gesig-
naleerd.171 Daarnaast kan ict-gebruik in de school en thuis bijdragen aan langdurig
stilzitten.172 Vaker ‘klep dicht’ tijd en meer bewegen voorkomen die negatieve effecten
van ict-gebruik.
Overheid zorg voor informatie en voorlichting door ‘lerende platforms’
De overheid kan scholen helpen bij het vormgeven en implementeren van hun visie.
Dat kan bijvoorbeeld door het gemakkelijker te maken voor scholen om zich te laten
inspireren door bestaande praktijkvoorbeelden. Op dit moment bestaan er al enkele
websites waarop deze voorbeelden worden gedeeld, zoals de lessendatabank Vitaal
mbo173 en de brochure Sportaanbod voor het onderwijs van NOC*NSF (Nederlands
168
     www.leraar24.nl/wijzer-de-les-bewegingsonderwijs.
169
     Onderwijsraad, 2017b.
170
     Onderwijsraad, 2017b, p.47.
171
     Van Gaalen, 2017.
172
     TNO, 2015.
173
     www.vitaalmbo.nl.
                                                                                 Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>60
   Olympisch Comité, Nederlandse Sport Federatie).174 De raden adviseren de overheid
   om samen met onderwijsinstellingen en andere partijen (onderzoeksinstellingen,
   bedrijven, mensen uit de sportwereld) verder in te zetten op het (door)ontwikkelen
   van zogenoemde lerende platforms over sport, bewegen en onderwijs. Hier kunnen
   schoolbestuurders, leraren, onderzoekers en professionals uit de sportwereld elkaar
   ontmoeten en gemakkelijk digitaal kennis, ervaringen en ideeën uitwisselen.
   Ook buurt­sportcoaches kunnen scholen vanuit hun verbindende positie helpen bij het
   vormgeven van een eigen beweegbeleid. Ten slotte vragen de raden aandacht voor de
   rol die de overheid kan spelen bij het verder faciliteren van een beweegvriendelijke
   fysieke omgeving in en om de school. Te denken valt daarbij aan het creëren van fiets-
   en loopvriendelijke routes van en naar scholen.
   174
       www.nocnsf.nl/sportenonderwijs.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                      61
Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>05
  Foto: Ronald van den Heerik | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                                                                                                      63
Naast duidelijke kaders en een eigen uitwerking in de praktijk is voor
scholen de samenwerking met gemeenten, sportverenigingen en
andere partijen (zoals kinderopvangorganisaties) van groot belang.
Gemeenten vervullen hierbij de rol van procesregisseur.
Aanbeveling 3 –
bundel kennis, ervaring,
middelen en faciliteiten op
lokaal niveau
       De afstemming tussen wat er op school gebeurt en wat gemeenten, sportverenigingen
       en anderen daarbuiten organiseren, blijft een uitdaging, ook wanneer het gaat om
       sporten en bewegen.175 Meer samenwerking is nodig en kan de kwaliteit van het
       onderwijs gericht op sporten en bewegen verhogen en mogelijke belemmeringen
       oplossen. De samenwerking kan op allerlei manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld door
       bundeling van kennis en ervaring, van middelen (subsidiegelden, materialen) en van
       faciliteiten (sportaccommodaties).
       Het organisatorisch netwerk in en rondom de school kan worden ingezet om de visie op
       sporten en bewegen beter te benutten. Scholen kunnen gemeenten, sportverenigingen
       en andere partijen in de wijk actiever inzetten (paragraaf 5.1). De gemeente heeft hierin
       een aparte, belangrijke regierol (paragraaf 5.2).
       175
           Bakker, Broeks, Van de Gevel, Varwijk, & Wismans, 2018.
                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>64
   5.1	Zet netwerken in om samenwerking vorm
            te geven
   De basisschoolleeftijd is de leeftijd waarop veel kinderen (voor het eerst) gaan sporten
   (hoewel steeds meer peuters ook aan activiteiten als peutergym en peuterdans doen).
   Voor een stevig fundament onder een levenslange sportloopbaan kan een brede
   sport­oriëntatie het beste al op deze leeftijd beginnen. Dat vraagt naast kwalitatief
   goed bewegingsonderwijs een goede verbinding met buitenschools (bij een vereniging)
   leren sporten en bewegen. Als kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan, verliezen
   ze meestal hun binding met (georganiseerde) sport.176 Het beweegpatroon van
   mbo-studenten lijkt nog ongunstiger. Mbo’ers bewegen minder dan leeftijdgenoten in
   het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. In vergelijking met leer-
   lingen in het vmbo, havo en vwo zijn ze minder vaak lid van een sportvereniging, sporten
   ze wekelijks minder en gaan ze minder vaak op de fiets naar school.177 Samenwerking
   tussen scholen (niet alleen in het basisonderwijs, maar in alle sectoren) en andere
   partijen op het gebied van sporten en bewegen gebeurt al incidenteel, maar kan vol-
   gens de raden een structureel karakter krijgen.
   Vorm een netwerk van samenwerkende partijen
   Onderwijsinstellingen zijn steeds meer onderdeel van verschillende netwerken.178
   Van scholen wordt verwacht dat zij over de eigen muren heen kijken en samenwerken
   met ouders, bestuur, de wijk, andere scholen en organisaties binnen en buiten het
   onderwijs, zoals kinderopvangorganisaties. Voor het middelbaar beroepsonderwijs
   geldt ook de beroepspraktijk als samenwerkingspartner.
   De drie raden adviseren de scholen actief de samenwerking op te zoeken voor sport
   en bewegen, te beginnen in hun bestaande netwerken. Het verdient aanbeveling
   gebruik te maken van reeds bestaande samenwerkingsverbanden en deze voor de
   gelegenheid uit te bouwen met de juiste partners. Een dergelijk netwerk van partners
   (onderwijs, sportorganisaties, lokale overheid, tussen- en naschoolse opvanglocaties),
   aangestuurd vanuit het onderwijs, kan vraag en aanbod bij elkaar brengen en kennis
   en ervaring optimaal inzetten en uitwisselen. Ook kan het een bijdrage leveren aan het
   stimuleren van sporten en bewegen buiten schooltijd, doordat leerlingen kennismaken
   met verschillende sporten en de mogelijkheden in de wijk.
   176
       Van den Dool, 2017.
   177
       Collard & Lucassen, 2010.
   178
       Frissen, Van der Steen, Noordegraaf, Hooge & De Jong, 2016.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      65
De samenwerking tussen scholen en sport- en dansverenigingen kan op verschillende
manieren worden vormgegeven. Voorbeelden zijn kennismakingslessen, een school-
sportproject, maatschappelijke stages (in het voortgezet onderwijs), de oprichting van
een schoolsportcommissie, een schoolsportdag, en een sportpas voor leerlingen (al dan
niet met financiering vanuit de gemeenten). Gemeenten kunnen scholen hierbij onder-
steunen door buurtsportcoaches aan te stellen en sportaccommodaties beschikbaar
te stellen. De samenwerking tussen scholen en gemeenten kan verder bestaan uit het
creëren van veilige fietsroutes, de aanleg van groene pleinen om op te bewegen, en
efficiënt gebruik van sportaccommodaties (samen met andere gebruikers).
Samenwerking met bijvoorbeeld tussen- en naschoolse opvanglocaties kan bestaan
uit het (mede) organiseren van sport- en spelactiviteiten en het over en weer gebruik-
maken van bepaalde voorzieningen (schoolpleinen, inpandige gymzalen). In samen-
werking met de kinderopvang kunnen scholen participeren in een doorgaande ontwik-
kellijn van kinderopvang naar basisschool.179
Zorg ervoor dat de samenwerking een duurzaam karakter heeft
Succesvol samenwerken vergt een langdurige aanpak met commitment van alle
betrokken partijen. Heldere afspraken over wat zij van elkaar kunnen verwachten en
wanneer, helpen hierbij. Bij samenwerken komen verschillende doelen, belangen en
visies bij elkaar. Een school heeft bijvoorbeeld een ander beeld bij wat zij met sporten
en bewegen wil bereiken en welke middelen zij daarvoor in wil zetten, dan een sport-
vereniging of gemeente. De school kan bijvoorbeeld genoegen nemen met sportactivi-
teiten waarbij de individuele sporten minder duidelijk tot hun recht komen dan een
sportvereniging – met het oog op het aantrekken van nieuwe leden – zou willen.
Wanneer een van deze twee partijen een gemeentelijke subsidie krijgt (en de ander
dus niet), kan dit samenwerking belemmeren. Dit terwijl het samen benutten van de
subsidiegelden wellicht veel meer effect op het bewegingsonderwijs kan hebben en
efficiënter is. Een intermediair, bijvoorbeeld een buurtsportcoach, kan helpen beide
partijen nader tot elkaar te brengen door de achterliggende motieven boven tafel te
krijgen.180 Vakleerkrachten kunnen deze rol ook vervullen (zie aanbeveling 2). Dit vergt
wel een bepaalde mate van professionele ruimte en een werkwijze gericht op
afstemming en dialoog tussen school en sportvereniging (of andere sportaanbieder).
De winst van samenwerken hangt in de praktijk voor een groot deel af van het
betrekken van alle belangrijke betrokkenen.181 Het benoemen van een coördinator of
179
    Bijna de helft van de basisscholen en kinderopvanginstellingen geeft aan samen te werken aan een dergelijke door-
    gaande ontwikkellijn; Kieft, Van der Grinten & De Geus, 2016.
180
    Van der Werff, Wisse & Stuij, 2012.
181
    Bakker, Broeks, Van de Gevel, Varwijk & Wismans, 2018, p.47.
                                                                                                Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66
   andere ‘trekker’ is dus belangrijk. Ook deze rol kan worden belegd bij een buurt­
   sportcoach of vakleerkracht. Punt van zorg hierbij is dat wanneer deze persoon wegvalt,
   bijvoorbeeld door bezuinigingen op de school of beëindiging van subsidieregelingen,
   de activiteiten vaak niet voldoende zijn ingebed om zelfstandig te blijven bestaan. Dit kan
   worden ondervangen door het monitoren en evalueren van de samenwerking: het
   neveneffect daarvan kan zijn dat de wijze van samenwerking en de afspraken die
   daarbij zijn gemaakt beter worden overgedragen (en worden nageleefd).
   5.2 Vervul als gemeente een regierol
   Gemeenten vervullen volgens de raden een belangrijke regierol om de samenwerking
   tussen partners op het gebied van sport en bewegen te faciliteren en scholen te
   stimu­leren tot een actief beweegbeleid. De gemeente is de aangewezen samenwerkings­
   partner voor scholen wanneer het gaat om het versterken van sporten en bewegen in
   het onderwijs. Elke school zou moeten streven naar goede en structurele contacten
   met de gemeente. Andersom zouden gemeenten meer moeten overleggen met
   schoolbesturen en schoolleiders en andere betrokkenen om zo vraag en aanbod beter
   op elkaar af te stemmen. Dit met het uiteindelijk doel om een leven lang bewegen
   onder kinderen en jongeren aan te moedigen.
   Actieve rol van de gemeenten is nodig
   Vanwege het belang van sporten en bewegen dienen gemeenten een actieve rol in te
   nemen in het samenbrengen van partijen. De gemeente is bij uitstek in staat om partijen
   aan elkaar te verbinden. Het is daarbij van belang dat gemeenten zich realiseren dat
   sporten en bewegen raakvlakken heeft met vrijwel al hun beleidsterreinen.
   De NLsportraad concludeerde eerder al dat vrijwel alle beleidsterreinen binnen de
   rijksoverheid raakvlakken hebben met sport.182 Eenzelfde argumentatie gaat op voor
   gemeenten. Een regierol op het gebied van sport, bewegen en onderwijs zal ook voor
   een gemeente als vliegwiel kunnen fungeren ten aanzien van andere dossiers.
   De drie raden roepen gemeenten daarom op om deze regierol te vervullen. Deze
   regierol is eerder ook door de Onderwijsraad bepleit in zijn advies over de rol van
   gemeenten in het onderwijs (zie kader).183
   182
       NLsportraad, 2018.
   183
       Raad voor het Openbaar Bestuur, 1999, p.13; Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006; Koulen, Scheidel &
       Wolthuis, 2006, p.11-12;; Van der Steen, Peeters & Van Twist, 2010, p.4 en 6-7; Van Oosterhout, 2011, p.1 en 11.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                                                                                    67
    Procesregie door de gemeente
    Decentraal onderwijsbeleid vraagt (…) om een lokale of regionale speler die verbindingen
    tussen maatschappelijke partijen bevordert en die overleg faciliteert, bijvoorbeeld door
    overlegfora te creëren en kennisuitwisseling aan te jagen.184 Juist bij samenwerking tussen
    partijen uit verschillende domeinen kunnen fricties ontstaan doordat systemen schuren.
    Goede regievoering is nodig om een gezamenlijke missie op te stellen, problemen te defi-
    niëren en taal en werkwijzen onderling af te stemmen. Goede procesregie komt de afhan-
    kelijkheid van personen en toevallige overeenstemming te boven door samenwerking te
    bestendigen en afspraken te verankeren.
    (…)
    Gemeentebesturen kunnen lokaal of regionaal samenwerking tussen uiteenlopende
    partijen stimuleren en op gang brengen.185 Zij kunnen scholen en andere partijen ertoe
    aanzetten om hun blik te verbreden en meer relaties met hun omgeving aan te gaan. Zij
    kunnen bovendien een waardevolle rol vervullen door als vertegenwoordiger van de regio
    of de lokale samenleving over en weer verwachtingen en vragen te kanaliseren.186
    Gemeentebesturen bevinden zich in een goede positie om het integrale karakter van
    voorzieningen voor jongeren te bewaken en te bevorderen. Ook verstrekken zij subsidies
    of opdrachten aan tal van organisaties.
    Bron: Onderwijsraad, 2017c.
Rol dient gericht te zijn op het bij elkaar brengen van vraag en aanbod
Bij regie gaat het om coördinatie en afstemming, maar ook om het scheppen van condities
voor afstemming en samenwerking, om het verbinden van verschillende spelers, om
ervoor te zorgen dat afspraken gemaakt en nagekomen worden en om interventies
als samenwerking tussen partners niet goed verloopt. Gemeenten kunnen vraag en
aanbod op het gebied van sporten en bewegen samenbrengen en op elkaar afstemmen.
Het is belangrijk dat niet elke gemeente opnieuw het wiel gaat uitvinden. Er zijn vele goede
voorbeelden en initiatieven die gebruikt kunnen worden op lokaal niveau (zie kader).
184
     Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006, p.23; Van Mourik, 2007, p.59 en 66-68; Van Oosterhout, 2011, p.19,
     32 en 45.
185
     Onderwijsraad, 2014, p.31; Onderwijsraad, 2016b, p.26-31.
186
     Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006, p.7-8.
                                                                                              Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>68
       Voorbeelden: eigen aanpak door lokale verbindingen
       In de gemeente Almere bestaat een mooi voorbeeld van een eigen invulling van het sport- en
       beweegaanbod, gedifferentieerd naar de vaardigheden en mogelijkheden van kinderen.
       Dan doen scholen in samenwerking met het gemeentelijke Almere Kenniscentrum Talent
       en op basis van het ‘Athletic Skills Model’. Uitgaande van de gedachte dat ieder zijn of haar
       talenten heeft, wordt een passend buitenschools sport- en beweegaanbod opgezet
       waarvan schoolkinderen gebruik kunnen maken, verspreid over de gemeente. Om dit voor
       elkaar te krijgen werkt het onderwijs actief samen met gemeente en sportorganisaties,
       en zijn buurtsportcoaches, vakleerkrachten, verenigingstrainers en anderen actief betrokken
       bij de organisatie.187
       Een ander voorbeeld is Springlab en het platform Springlab Bewegend Leren.188 Dit platform
       brengt vraag en aanbod op het gebied van bewegend leren bij elkaar en hoopt innovatie
       te stimuleren. Dit gebeurt door middel van een nauwe samenwerking met het onderwijs,
       kinderen, ouders en overheden. Bovendien nemen aan dit platform ook aanbieders van
       bewegend leren en wetenschappers deel.189 Het doel hiervan is om een open platform aan
       te bieden waar alle geïnteresseerde partijen op een laagdrempelige manier met elkaar in
       contact kunnen komen. Op deze manier worden zo veel als mogelijk de drempels voor het
       integreren van bewegend leren binnen het onderwijs weggenomen.
   Gemeenten zullen actief de samenwerking met andere partijen moeten opzoeken.
   Denk aan overleg met de kinderopvang en de peuterspeelzaal of overleg tussen
   schoolbesturen onderling omwille van doorlopende leerlijnen. Denk ook aan contacten
   tussen schoolbesturen met sportverenigingen en (zeker voor het middelbaar beroeps-
   onderwijs) het bedrijfsleven. Veelal zal de gemeente contacten onderhouden met het
   schoolbestuur, maar bij meer uitvoerende of operationele kwesties kan het ook gaan
   om verbindingen rechtstreeks met de schoolleiding, leraren of andere professionals
   binnen de school. Bij zulk instrumenteel overleg op schoolniveau, bijvoorbeeld via wijk-
   of gebiedsteams of via schoolcontactpersonen, is het wel belangrijk dat de gemeente
   niet aan het schoolbestuur voorbijgaat, maar het bestuur betrekt in strategische
   beslissingen over de vormgeving van die contacten.190
   187
        Hoyng & Verhaaf, 2017.
   188
        https://springlab.nl/.
   189
        Deelnemers zijn:
         • gemeenten Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Houten en Bunnik; deze gemeenten doen mee vanuit 3 porte-
         feuilles: onderwijs, sport en volksgezondheid;
         • kinderopvangcentra en vve-organisaties: Kinderopvang Humanitas, Kion, Partou, Spelenderwijs, IJsterk,
         Prokino, Kind&Co.
         • wetenschappers van Universiteit Utrecht, Radboud Universiteit en VUmc.
         • Uitgeverij Zwijsen.
   190
         Onderwijsraad, 2017c.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                                 69
Foto: Guus Schoonewille | Hollandse Hoogte Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70
   Afkortingen
   CBS | Centraal Bureau voor de Statistiek
   ict | informatie- en communicatietechnologie
   lobos | leraarondersteuner bewegingsonderwijs en sport
   mbo | middelbaar beroepsonderwijs
   mrt | motorische remedial teaching
   NOC*NSF | Nederlands Olympisch Comité, Nederlandse Sport Federatie
   OCW | Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
   po | primair onderwijs
   roc | regionaal opleidingen centrum
   RVS | Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
   vmbo | voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
   vo | voortgezet onderwijs
   VWS | Volksgezondheid, Welzijn en Sport
   WEB | Wet educatie en beroepsonderwijs
   WEC | Wet op de expertisecentra
   WPO | Wet op het primair onderwijs
   WVO | Wet op het voortgezet onderwijs
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                                                           71
Geraadpleegde
deskundigen
De heer P. Barendse | Kenniscentrum Sport
De heer E. Bauer | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw Y.M. Boersma | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De heer B. Brouwer | SLO, nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling
De heer G. Buijs | SHE consultancy
Mevrouw K. van Bijsterveld | Houtsmuller-Boitelle advocaten
Mevrouw D. Dijk | Kenniscentrum Sport
De heer J. Faber | MBO Raad
De heer B. de Haas | Actief Maas en Waal
Mevrouw M. de Haas | Inspectie van het onderwijs
De heer C. Klaassen | Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding
Mevrouw L.J.V. van Koperen-Cox | Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
De heer J. Kusters | ROC Leeuwenborgh
Mevrouw M. Leurs | Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
De heer J. Lucassen | Mulier Instituut
Mevrouw K. de Martelaer | Universiteit Utrecht
De heer R. Mombarg | Hanzehogeschool Groningen
Mevrouw H. Nelissen | Vrije School Kennemerland
Mevrouw N. Ponsioen | MBO Raad
De heer J.J.M. Postma | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw C. Rietberg | VSO Aventurijn Almere
Mevrouw A. Risselada | PO-Raad
De heer J. Rijpstra | Gemeente Noordwijk
Mevrouw Y. Sanders | VO-raad
De heer Y. Sazak | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw N. Schipper-van Veldhoven | Christelijke Hogeschool Windesheim
Mevrouw A.M. Singh | VU University Medical Center
De heer J. Sprinkhuizen | OBS De Springbok Den Haag
De heer J. Veenstra | Commenius college Hilversum
De heer C. Vervoorn | Hogeschool van Amsterdam
Mevrouw C. Visser | Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding
De heer F. Voncken | Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Mevrouw S.I. de Vries | Haagsche Hogeschool
De heer J. Wakkie | Stuurgroep Sport en Cultuur
                                                                     Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>72
   Literatuur
   Australian Sports Commission (2018). ASC Recognition. Geraadpleegd op 24 mei 2018 via
   http://www.ausport.gov.au/supporting/nso/asc_recognition.
   Bailey R. (2006). Physical education and sport in schools: a review of benefits and outcomes.
   Journal of School Health, 76(8), 397-401.
   Bakker, W., Broeks, L., Van de Gevel, F., Varwijk, J. & Wismans, J. (2018). Samenwerking gemeente
   en onderwijs. Lessen uit de lokale praktijk. Utrecht: Berenschot.
   Bax, H.H.T. (2010). De samenleving over de kwaliteit van bewegen & sport op school: Een spiegel
   voor de vakwereld. Zeist: Pre Press Media Groep.
   Beleidsregel verstrekking Loot-licentie VO (2009). Staatcourant Nr. 17310, 17 november 2009.
   Biesta, G.J.J. (2015). Het prachtige risico van onderwijs. Den Haag: Boom/Lemma.
   Biesta, G.J.J. (2018). Tijd voor pedagogiek. Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en
   vorming. Inaugurele rede. Utrecht: Universiteit voor Humanistiek.
   Biswas, A., Oh, P.I., Faulkner, G.E., Bajaj, R.R., Silver, M.A., Mitchell, M.S. & Alter D.A. (2015).
   Sedentary time and its associations with risk for disease incidence, mortality and
   hospitalization in adults. Annals of Internal Medicine, 162(2), 123-132.
   Boonstra, N. & Hermens, N. (2011). De maatschappelijke waarde van sport. Een literatuurreview
   naar de inverdieneffecten van sport. Amsterdam: Verwey Jonker Instituut.
   Brouwer. B. (2017). In tien stappen naar een leerplan voor het MBO-keuzedeel Verdieping Blijvend
   Fit, Veilig en Gezond Werken. Enschede: SLO.
   Brouwer, B., Ten Brinke, G., Houthoff, D., Massink, M., Mooij, C., Van Mossel, G., Swinkels,
   E., & Zonnenberg, A. (2012). Basisdocument Bewegingsonderwijs voor de onderbouw van het
   voortgezet onderwijs (2e gewijzigde druk). Enschede: SLO.
   Brouwer, B., Houthoff, D. & Van Mossel, G. (2012). LO in bovenbouw VO. Trendanalyse voor
   lichamelijke opvoeding in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Enschede: SLO.
   Brouwer, B., Houthoff, D., Massink, M., Mooij, C., Van Mossel, G., Swinkels, E. & Zonnenberg, A.
   (2012). Basisdocument Bewegingsonderwijs voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs.
   Zeist: Jan Luitingfonds.
   Brouwer, B., Van Berkel, M., Van Mossel, G. & Swinkels, E. (2015). Bewegingsonderwijs en sport.
   Vakspecifieke trendanalyse 2015. Enschede: SLO.
   Bruggen slaan (2012). Regeerakkoord VVD en PvDA. Geraadpleegd op 26 juli 2018 via
   https://www.parlement.com/9291000/d/regeerakkoord2012.pdf.
   Cardinal, B.J, Yan, Z. & Cardinal, M.K. (2013). Negative experiences in physical education and
   sport: how much do they affect physical activity participation later in life? Journal of Physical
   Education, Recreation & Dance, 84(3), 49-53.
   Collard, D., Boutkan, S., Grimberg, L., Lucassen, J. & Breedveld, K. (2014). Effecten van sport en
   bewegen op de basisschool. Voorstudie naar de relatie tussen sport en bewegen op school en
   schoolprestaties. Utrecht: Mulier instituut.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                                                                                            73
Collard, D. & Lucassen, J. (2010). Bewegen en sport in het mbo; pak de kansen! Lichamelijke
Opvoeding, 98, 18-20.
Curriculum.nu (2018). Conceptvisie op het leergebied Bewegen en Sport van het ontwikkelteam.
Geraadpleegd op 26 juli 2018 via https://curriculum.nu/wp-content/uploads/2018/03/
Conceptvisie-procesverslag-en-consultatievragen-Bewegen-Sport.pdf.
De Jong, F.J. (2007). Endocrine Factors, Retinal Vessels, and Risk of Dementia. Proefschrift.
Rotterdam: Erasmus University Rotterdam.
De Knop, P., Scheerder, J. & Van Reusel, B. (2006), Sportsociologie: het spel en de spelers.
Maarssen: Elsevier gezondheidszorg.
De Wilde, L. & Scherrewitz, L. (2013). Taal en rekenen leren door dans. In Danswetenschap in
Nederland, deel 7, 37-42. Amsterdam: Vereniging voor dansonderzoek.
Diaz, S.C. (2005). Can Sports Promote Competence? Coaches, parents and administrators need to
foster emotional growth for youth through sports. Raleigh, North Carolina: Parks, Recreation and
Tourism Management Department North Carolina State University.
Europese Hof van Justitie (2017). Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 26 oktober 2017,
EU:C:2017:814.
Flintoff, A. & Scraton, S. (2001). Stepping into active leisure? Young women’s perceptions of
active lifestyles and their experiences of school physical education. Sport, Education, and Society,
6(1), 5-21.
Floor, C. (2017). Schoolzwemmen 2016. Betrokkenheid van scholen en gemeenten en lokale
vormgeving. Utrecht: Mulier Instituut.
Fontein, P., Vloet, A., Den Uijl, M., Prüfer, P., Adriaens, H. & De Vos, K. (2017). IPTO: bevoegdheden
en vakken in het vo. Peildatum 1 oktober 2016. Eindrapport. Tilburg: CentERdata.
Frissen, P., Van der Steen, M., Noordegraaf, M., Hooge, E., & De Jong, I. (2016). Autonomie in
afhankelijkheid: verbeteren van onderwijskwaliteit via krachtige koppelingen. Den Haag: NRO PRoBo.
Fry, M.D. & Gano-Overway, L.A. (2010). Exploring the contribution of the caring climate to the
youth sport experience. Journal of applied sport psychology, 22(3), 294-304.
Galema, D. & Tol, N. (2017). Kinderen Klunziger. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via
https://www.telegraaf.nl/nieuws/1464281/kinderen-klunziger.
Gezondheidsraad (2017a). Beweegrichtlijnen 2017. Den Haag: Gezondheidsraad.
Gezondheidsraad (2017b). Sedentary behaviour and the risk of chronic diseases. Background
document to the Dutch physical activity guidelines 2017. Den Haag: Gezondheidsraad.
Hartman, E., De Greeff, J.W., Verburgh, L., Meijer, A., Van der Fels, I.M.J., Smith, J., Oosterlaan, J.,
Bosker, R.J. & Visscher, C. (2015). Effecten van fysieke activiteit op cognitie en de hersenen van
kinderen in het primair onderwijs. Groningen, Amsterdam: Universitair Medisch Centrum Groningen,
Rijksuniversiteit Groningen en Vrije Universiteit.
Heijs, L. & Reijgersberg, N.,(2014). Een vakleerkracht voor bewegingsonderwijs? De keuzes van
schoolleiders. Lichamelijke Opvoeding, 102 (9), 44-45.
                                                                                      Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>74
   Hoekman, R. & Van der Maat, K (2017). Monitor Lokaal Sportbeleid 2016: faciliteren, activeren en
   inspireren. Utrecht: Mulier Instituut.
   Hoyng, J. & Verhaaf, M. (2017). Beleidswijzer sport en bewegen voor vormgeven sport- en
   beweegbeleid. Ede: Kenniscentrum Sport
   Hoyng, J., Roques, C. & Van Bottenburg, M. (2003). Kerngegevens sportdeelname. Den Bosch:
   Mulier Fonds.
   Inspectie van het onderwijs (2014). Voorstel aantal uren lichamelijk opvoeding op vo. Geraadpleegd
   op 26 juli 2018 via https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/publicaties/ 2014/09/02/
   voorstel-aantal-lesuren-lichamelijk-opvoeding-op-vo.
   Inspectie van het Onderwijs (2017a). Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op voorschoolse
   educatie en het primair onderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
   Inspectie van het Onderwijs (2017b). Onderzoekskaders primair onderwijs en voorschoolse
   educatie, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs 2017. Utrecht: Inspectie van het
   Onderwijs.
   Inspectie van het Onderwijs (2017c). Vernieuwd toezicht: wat betekent dat voor het bestuur?
   Het toezicht op besturen en scholen per 1 augustus 2017. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
   Inspectie van het Onderwijs (2017d). Onderzoekkader 2017 voor het toezicht op het middelbaar
   beroepsonderwijs. Utrecht: Inspectie van het onderwijs.
   Inspectie van het onderwijs (2018a). Peil. Bewegingsonderwijs 2015-2016. Utrecht: Inspectie van
   het onderwijs.
   Inspectie van het onderwijs (2018b). Peil. Bewegingsonderwijs. Technisch rapport. Utrecht: Inspectie
   van het onderwijs.
   Jantje Beton (2018). Onderzoek buiten spelen 2018. Utrecht: Jantje Beton.
   Käll, L.B., Nilsson, M. & Lindén, T. (2014). The Impact of a Physical Activity Intervention Program
   on Academic Achievement in a Swedish Elementary School Setting. Journal of School Health,
   84(8), 473–480.
   Karsten, L. (2005). It All Used to be Better? Different Generations on Continuity and Change in
   Urban Children’s Daily Use of Space, Children’s Geographies, 3(3), 275-290.
   Karsten, L. & Felder, N. (2016). De nieuwe generatie stadskinderen. NAiBoekverkopers.
   Kieft, M., Van der Grinten, M. & De Geus, W. (2016), Samenwerking in beeld. Utrecht: Oberon.
   Koulen, I., Scheidel, C. & Wolthuis, J.A. (2006). De gemeente als regisseur. Lokale daadkracht
   mobiliseren. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
   Lucassen, J., Cevaal, A., Scholten, V. & Van der Werff, H. (2016). Bewegingsonderwijs in het
   speciaal onderwijs en praktijkonderwijs Nulmeting 2015. Utrecht: Mulier Instituut.
   Lucassen, J., Reijgersberg, N. & Van der Werff, H. (2012). Evaluatie Leergang Vakbekwaamheid
   Bewegingsonderwijs via Pabo. Onderzoek onder pabo-opleidingen, scholen voor primair onderwijs en
   pabo-alumni. Utrecht: Mulier Instituut.
   Lucassen, J. & Van den Toren, S. (2016). Monitor Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde
   Leefstijl 2012-2016 – Eindrapport. Utrecht: Mulier Instituut
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                                                                              75
Lucassen, J., Wisse, E., Smits, F., Beth, J., & Van der Werff, H. (2011). Sport, bewegen en onderwijs:
kansen voor de toekomst: brede analyse 2010. ‘s-Hertogenbosch: Mulier Instituut.
Maas, H. (2012). Intrinsieke motivatie van kinderen in sport en spelsituaties. Tilburg: Universiteit
van Tilburg.
Marcelis. H. (2017). Aantal jongeren met overgewicht opnieuw toegenomen. Geraadpleegd op
1 augustus 2018 via www.ad.nl/gezond/aantal-jongeren-met-overgewicht-opnieuw-
toegenomen~a93f8b57/.
Marcelis. H. (2017). Aantal jongeren met overgewicht opnieuw toegenomen.
Algemeen Dagblad, 12 juni 2017
Memorie van toelichting (2018). Voorstel van wet van het lid Van Nispen tot wijziging van de Wet
op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra ter invoering van regels over de
kwalificatie van docenten en het vaststellen van een minimum aantal uren voor wat betreft het
bewegingsonderwijs. Kamerstukken II 2017–2018, 34420, 6.
Ministerie van Financiën (2016). IBO Gezonde leefstijl (2006). Eindrapportage van het
interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) ‘Gezonde leefstijl’. Geraadpleegd op 10 juli 2019 via
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/04/01/ibo-gezonde-leefstijl.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2012). Sport, bewegen en een gezonde leefstijl
in en rond het onderwijs. Brief van Minister van OCW, mede namens Minister van VWS, aan
Voorzitter van de Tweede Kamer, 13 april 2012. Kamerstukken II 2011-2012, 30234, 65.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017). Beleidsreactie bij de
voortgangsrapportage vernieuwd toezicht. Brief van Minister en Staatssecretaris van OCW aan
Voorzitter van de Tweede Kamer, 8 juni 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 30234, 65.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (2007). Bestuurlijke afspraken Impuls brede scholen, sport en cultuur. Den Haag: Ministerie
van OCW en Ministerie van VWS.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2005). Tijd voor Sport. Bewegen, Meedoen,
Presteren. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via https://www.kenniscentrumsport.nl/
publicatie/?tijd-voor-sport&kb_id=2909.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2007). Gezond zijn, gezond blijven Een visie op
gezondheid en preventie. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2009). Toekomstig sportbeleid. Brief van de
Staatssecretaris van VWS aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 3 juli 2009. Kamerstukken II,
2008-2009, 30234, 25.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2017). Sport en bewegen. Brief van de
Minister voor Medische Zorg aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 13 november 2017.
Kamerstukken II 2017-2018, 30234, 168.
Mooij, C., Van Berkel, M., Consten, A., Danes, H., Geleijnse, J., Van der Graft, M. & Tjalsma, W.
(2011). Basisdocument bewegingsonderwijs voor het basisonderwijs. Zeist: Jan Luiting Fonds.
NLsportraad (2018). Akkoord met ambitie. Startadvies Sportakkoord. Den Haag: NLsportraad.
                                                                                        Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>76
   NOS (2018a). Schoolkinderen fietsen te weinig. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via https://nos.
   nl/artikel/2225877-schoolkinderen-fietsen-te-weinig.html.
   NOS (2018b). Kinderen zijn in vijf jaar aanzienlijk minder buiten gaan spelen. Geraadpleegd op
   1 augustus 2018 via https://nos.nl/artikel/2227689-kinderen-zijn-in-vijf-jaar-aanzienlijk-
   minder-buiten-gaan-spelen.html.
   Oberon (2010). Regionale verkenningen. Handreiking voor gemeenten en voortgezet onderwijs.
   Utrecht: Oberon.
   Oberon & Vereniging Nederlandse Gemeenten (2006). De Lokale Educatieve Agenda. Een
   handreiking lokaal onderwijsbeleid voor gemeenten. Den Haag: VNG.
   Onderwijsraad (2008). Onderwijs en maatschappelijke verwachtingen. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2010). Ouders als partners. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2012). Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief. Den Haag:
   Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2014). Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2016a). Over de volle breedte van onderwijskwaliteit. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2016b). Vakmanschap voortdurend in beweging. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2017a). De leerling centraal? Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2017b). Doordacht digitaal. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2017c). Decentraal onderwijsbeleid bij de tijd. Den Haag: Onderwijsraad.
   Onderwijsraad (2018). Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden. Den Haag: Onderwijsraad.
   Paijmans, B. (2013). De zorgplicht van scholen. De grondslag en reikwijdte van de civielrechtelijke
   zorgvuldigheidsnorm van scholen jegens leerlingen. Proefschrift. Utrecht: Universiteit Utrecht.
   Platform Bewegen en Sport mbo (2014). Strategisch plan 2014–2017. Zwolle: Platform Bewegen
   en Sport.
   Platform Bewegen en Sport mbo (2018). ROC West-Brabant. Geraadpleegd op 3 augustus 2018
   via http://www.platformbewegenensport.nl/Evenementen/School/41/ROC-West-Brabant.
   PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014). Bestuursakkoord voor de
   sector primair onderwijs. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via https://www.poraad.nl/files/
   legacy_files/bestuursakkoord_po.pdf.
   PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015). Plan van aanpak
   bewegingsonderwijs. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via https://www.rijksoverheid.nl/
   documenten/rapporten/2015/01/27/plan-van-aanpak-bewegingsonderwijs.
   PO-Raad, VO-raad & MBO Raad (2012). Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde Leefstijl
   in en rondom de school. Geraadpleegd op 1 augustus 2018 via https://www.poraad.nl/files/
   onderwijsagenda_sport_bewegen_en_een_gezonde_leefstijl.pdf.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                                                           77
Pulles, I., Leijenhorst, M., Reijgersberg, N., Hilhorst, J., & Van Lindert, C. (2014).
Verdiepingsonderzoek buurtsportcoaches 2014: verbreding en structurele samenwerking:
verdiepingsonderzoek naar processen en ervaren opbrengsten van de inzet van buurtsportcoaches op
lokaal niveau. Utrecht: Mulier Instituut.
Raad van State (2018). Uitspraak 201800878/1/A2.
Geraadpleegd via https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-
uitspraak.html?id=95543&summary_only=&q.
Raad voor het Openbaar Bestuur (1999). Op het toneel en achter de coulissen. De regiefunctie
van gemeenten. Den Haag: Raad voor het Openbaar Bestuur.
Raad voor het Openbaar Bestuur, Onderwijsraad & Raad voor de Volksgezondheid & Zorg
(2009). Buiten de gebaande paden. Advies over intersectoraal gezondheidsbeleid. Zoetermeer:
Raad voor het Openbaar Bestuur; Onderwijsraad; Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.
Raichlen, D.A. & Alexander, G.E. (2014). Exercise, APOE genotype, and the evolution of the
human lifespan. Trends in Neurosciences, 37(5), 247-255.
Rechtbank Rotterdam (2003). Uitspraak in de zaak Bernardina/Sint Martinus Stichting voor
RK buitengewoon onderwijs en Kalkman van 29 januari 2003, ECLI:NL:RBROT:2003:AR6499,
VR 2004/148.
Regeling aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke oefening primair onderwijs (2006).
Staatscourant. Jaargang 2006. Nr. 155.
Regioplan & Cebeon (2016). Besteding middelen terugdringen Onderwijsachterstanden in het
primair en voortgezet onderwijs. Amsterdam: Regioplan/Cebeon.
Reijgersberg, N., Lucassen, J., Beth, J. & Van der Werff, H. (2014). Nulmeting lichamelijke opvoeding
in het voortgezet onderwijs. Utrecht: Mulier Instituut.
Reijgersberg, N., Van der Werff, H. & Lucassen, J. (2013). Nulmeting Bewegingsonderwijs.
Onderzoek naar de organisatie van het bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Utrecht: Mulier
Instituut.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2015). LSM-A Bewegen en Ongevallen/
Leefstijlmonitor 2015.
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2018). Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor 2017.
Rijksoverheid (2013). Alles is gezondheid … Het Nationaal Programma Preventie 2014-2016.
Den Haag: Rijksoverheid.
Roorda, W. & Duijvestijn P. (2016) Een gezonde leefstijl in het mbo – stand van zaken 2016.
Amsterdam: DSP-groep.
Scottish Government (2018). Health and wellbeing in schools. Geraadpleegd op https://beta.gov.
scot/policies/schools/wellbeing-in-schools/.
Scherder, E. (2017). Laat je hersenen niet zitten. Hoe lichaamsbeweging de hersenen jong houdt.
Amsterdam: Athenaeum.
Schippers-van Veldhoven (2016). Sport en lichamelijke opvoeding in pedagogisch perspectief,
een gouden kans. Windesheimreeks kennis en onderzoek, 60, 1-93.
                                                                                     Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>78
   Singh, A.M., Uijtdewilligen L., Twisk J.W., Van Mechelen, W. & Chinapaw, M.J. (2012). Physical
   Activity and Performance at School. A Systematic Review of the Literature Including a
   Methodological Quality Assessment. The Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 166(1),
   49-55.
   Singh, A.S., Saliasi, E., Van den Berg, V., Uijtdewilligen, L., De Groot, R.H.M., Jolles, J., Andersen,
   L.B., Bailey, R., Chang, Y.K., Diamond, A., Ericsson, I., Etnier, J.L., Fedewa, A.L., Hillman, C.H.,
   McMorris, T., Pesce, C., Pühse, U., Tomporowski, P.D. & Chinapaw, M.J.M. (2018). Effects of
   physical activity interventions on cognitive and academic performance in children and
   adolescents: a novel combination of a systematic review and recommendations from an expert
   panel. British Journal of Sports Medicine, verwacht: september 2018.
   Slinger, J.D., Stubbe, J.H. & Van der Werff, J. (red.) (2012) Monitor en Evaluatie Beleidskader Sport,
   Bewegen en onderwijs: Eindrapportage. Leiden: TNO.
   Slingerland, M. & Borghouts, L.B. (2014). Is autonomous motivation for physical education
   related to higher levels of physical activity energy expenditure in Dutch adolescents? In M.
   Slingerland, Physical Education’s Contribution to Levels of Physical Activity in Children and
   Adolescents. Maastricht: Universiteit Maastricht.
   Slot-Heijs, J., Lucassen, J. & Reijgersberg, N. (2017). Bewegingsonderwijs en sport in het primair
   onderwijs 2017: 1-meting. Utrecht: Mulier Instituut.
   Smedegaard, S (2016). Move for well-being in schools. Implementing physical activity in Danish
   public schools. The ACHPER magazine for Physical Educators, Health Educators, Fitness Leaders +
   the Generalist Teacher, 23(4), 30-35.
   Standeven, J. & De Knop, P. (red.) (1999). Sport tourism. Champaign: Human Kinetics.
   Steenaart, J. & Lucassen, J. (2014). Gymleraar let op: de ‘digitale’ gymles komt eraan! Lichamelijke
   Opvoeding, 102(2) 44-45.
   Steenbergen, J. & Tamboer, J. (1998). Het dubbelkarakter van sport: een conceptuele dynamiek.
   Waarden en normen in de sport. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.
   Stegeman, H. (2000). Belang van bewegingsonderwijs. Over legitimatie en algemene doelstellingen
   van het schoolvak lichamelijke opvoeding. Zeist: Jan Luiting Fonds.
   Stuij, M. & Wisse, E. (2011). Plezier in bewegen, beste garantie voor actieve leefstijl. Lichamelijke
   Opvoeding, 99(2), 31-33.
   Stuij, M., Wisse, E., Van Mossel, G., Lucassen, J. & Van der Doel, R. (2011). School, Bewegen en
   Sport: onderzoek naar relaties tussen de school(omgeving) en het beweeg- en sportgedrag van
   leerlingen.‘s-Hertogenbosch: Mulier Instituut.
   Super, S. (2016). Nieuwsbrief onderzoek, Jeugd, Zorg en Sport. Wageningen: WUR.
   Tiessen-Raaphorst, A. (red.) (2015). Rapportage sport 2014. Den Haag: SCP.
   Tiessen-Raaphorst, A., Van den Doel, R. & Vogels R. (2014). Uitstappers en doorzetters.
   De persoonlijke en sociale context van sportdeelname en tijdsbesteding aan sport. Den Haag: Sociaal
   en Cultureel Planbureau.
   Tiessen-Raaphorst, A., Verbeek, D., De Haan, J. & Breedveld, K. (red.) (2010). Sport: een leven lang.
   Rapportage sport 2010. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                                                                        79
TNO (2015). Lang zitten: Een nieuwe bedreiging voor onze gezondheid. Geraadpleegd op 25 juni
2018 via https://www.tno.nl/media/1992/lang_zitten_tno_gl_l_ 13_07_1573n.pdf.
Trouw (2017). Kinderen hebben zeven keer vaker overgewicht dan in jaren zeventig.
Trouw, 11 oktober 2017.
Tweede Kamer (2016). Initiatiefnota van het lid Rudmer Heerema: Lichamelijke opvoeding is een vak,
juist in het onderwijs: Een pleidooi voor beter bewegingsonderwijs op de basisschoool gegeven door
vakleerkrachten. Kamerstukken II 2015-2016, 34398, 2.
Van Bergen, K., Straatmeijer, J., Breedveld, K. & Lammertink, N. (2017). Bewegingsonderwijs en
vakleerkrachten: eindrapport. Amsterdam: Regioplan.
Van Berkel, M. & Hazelebach, C. (2009). Beweegteams in het Basisonderwijs. SLO: Enschede.
Van Berkel, M. (2016). Bewegingsonderwijs in het basisonderwijs. Domeinbeschrijving ten behoeve
van peilingsonderzoek. Enschede: SLO.
Van Berkel, M., Appelman, M., Mooij, C. & Dam, E. (2008). Brochure Bewegingsonderwijs in het
primair onderwijs, Zeist: Jan Luiting Fonds.
Van den Dool, R. (2017). Ontwikkeling sportdeelname naar leeftijd: factsheet 2017/15.
Utrecht: Mulier Instituut.
Van der Niet, A.G., Hartman E., Smith, J. & Visscher, C. (2014). Modeling relationships between
physical fitness, executive functioning, and academic achievement in primary school children.
Psychology of Sport and Exercise, 15(4), 319-325.
Van der Poel, H., Wezenberg-Hoenderkamp, K. & Hoekman, R. (red) (2016). Sportaccommodaties
in Nederland. Kaarten en kengetallen. Brancherapport Sport 05. Utrecht: Mulier Instituut.
Van der Steen, M., Peeters, R. & Van Twist, M. (2010). De boom en het rizoom. Overheidssturing in
een netwerksamenleving. Den Haag: NSOB.
Van der Werff, H., Wisse, E. & Stuij, M. (2012). Sport en onderwijs verbonden: kwalitatief verdiepend
onderzoek naar succesfactoren in de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen.
Utrecht: Mulier Instituut.
Van Gaalen, E. (2017). Dag muisarm, hier is de tabletnek. Algemeen Dagblad, 16 maart 2016.
Van Lindert, C., Scholten, V. & Brandesma, A. (2017). Voortgangsrapportage Monitor Sport en
Bewegen in de Buurt 2017. Utrecht: Mulier Instituut.
Van Mourik, P. (2007). De regisserende gemeente. Brouwershaven: ALERT.
Van Oosterhout, D. (2011). Procesregie. Creatief sturen op gedragen besluitvorming.
Culemborg: Van Duuren Management.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2006). De lokale educatieve agenda. Een handreiking
lokaal onderwijsbeleid voor gemeenten. Den Haag: VNG.
Vereniging van vrijescholen (2018). Het vak euritmie. Geraadpleegd op 3 augustus 2018 via
http://www.vrijescholen.nl/vrijeschoolonderwijs/euritmie/#.W2Qci7gyVaS.
Vermeulen, M. (2017). Ongekend experiment op vmbo in Rijswijk: bewegen voor én tijdens de les.
De Volkskrant, 7 mei 2017.
                                                                                  Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>80
   Vertrouwen in de toekomst (2017). Regeerakkoord 2017-2021. Geraadpleegd op 26 juli 2018
   via https://www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/
   regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.
   Visscher, C., Hartman, E. & Elferink-Gemser, M.T. (2011). Fit, vaardig en verstandig!: een decennium
   “Groninger” onderzoek naar de relatie tussen bewegen en cognitie, sport- en schoolprestaties bij de
   jeugd. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
   Vogels, R. (2014). Sportdeelname van niet-westerse migranten. In A. Tiessen-Raaphorst (red.),
   Uitstappers en doorzetters. De persoonlijke en sociale context van sportdeelname en tijdsbesteding
   aan sport. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
   Volksgezondheidenzorg.info (2018). Vignet Gezonde School VO en MBO 2018. Geraadpleegd op
   3 augustus 2018 via https://www.volksgezondheidenzorg.info/node/5990/tabel.
   Wajer, S., Van den Heuvel, A., Salomé, L. & Kirchner, L. (2017). Samenvatting Monitor Brede Impuls
   Combinatiefuncties 2017 (over 2017). Den Haag/Amersfoort: BMC Onderzoek.
   Wendel, M.L. (2016). Stand-Biased Versus Seated Classrooms and Childhood Obesity:
   A Randomized Experiment in Texas. The American Journal of Public Health, 106(10), 1849-54.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>Foto: Annemiek Mommers | Hollandse Hoogte</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>82
   Bijlage – Kerndoelen
   bewegingsonderwijs po en
   vo en kwalificatie-eisen
   vitaal burgerschap mbo
       Kerndoelen bewegingsonderwijs primair onderwijs191
       57 De leerlingen leren op een verantwoorde manier deelnemen aan de omringende
             bewegingscultuur en leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en
             spelvormen ervaren en uitvoeren.
       58 De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegings­
             activiteiten deelnemen, afspraken maken over het reguleren daarvan, de eigen
             bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening houden.
       Kerndoelen bewegen & sport voortgezet onderwijs (onderbouw) 192
       59 De leerling leert zich, mede met het oog op buitenschoolse beoefening, op praktische
             wijze te oriënteren op veel verschillende bewegingsactiviteiten uit gevarieerde
             gebieden als spel, turnen, atletiek, bewegen op muziek, zelfverdediging en actuele
             ontwikkelingen in de bewegingscultuur, en daarin de eigen mogelijkheden te
             verkennen.
       60 De leerling leert door middel van uitdagende bewegingssituaties zijn bewegings­
             repertoire uit te breiden. De leerling leert de hoofdbeginselen van de bewegings­
             activiteiten op eigen niveau toe te passen.
       61 De leerling leert tijdens bewegingsactiviteiten sportief te zijn, rekening te houden
             met de mogelijkheden en voorkeuren van anderen, en respect en zorg te hebben voor
             elkaar.
       62 De leerling leert eenvoudige regelende taken te vervullen die het mogelijk maken
             zelfstandig en samen met andere leerlingen bewegingsactiviteiten te beoefenen.
       63 De leerling leert door deel te nemen aan praktische bewegingsactiviteiten de waarde
             van het bewegen voor de gezondheid en het welzijn kennen en ervaren.
   191
        Bijlage bij Besluit vernieuwde kerndoelen WPO, Bewegingsonderwijs: kerndoelen 57 en 58.
   192
        Bijlage behorend bij artikel 1 van het Besluit kerndoelen onderbouw VO, onderdeel G, kerndoelen 53 t/m 58.
   // Nederlandse Sportraad, Onderwijsraad en Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                                                                                         83
    Kwalificatie-eisen vitaal burgerschap mbo193
    De dimensie vitaal burgerschap
    De dimensie vitaal burgerschap heeft betrekking op de bereidheid en het vermogen om
    te reflecteren op de eigen leefstijl en zorg te dragen voor de eigen vitaliteit als burger en
    werknemer.
    Hierbij gaat het om de zorg voor de eigen vitaliteit en fitheid. Daarbij is een belangrijke taak
    om de juiste afstemming te vinden tussen werken, zorgen (voor jezelf en voor anderen),
    leren en ontspannen.
    De deelnemer heeft kennis over en inzicht in de volgende onderwerpen die bij de dimensie
    vitaal burgerschap aan bod komen: de kenmerken van een gezonde leefwijze waaronder
    de nationale norm gezond bewegen en de aard, plaats en organisatie van gezondheids­
    bevorderende activiteiten in de samenleving en het arbeidsproces.
    Om zorg te kunnen dragen voor de eigen gezondheid is het nodig dat de deelnemer zich
    bewust is van zijn eigen leefstijl, gezondheidsrisico’s van leefstijl en werk in kan schatten,
    op basis daarvan verantwoorde keuzes kan maken en activiteiten onderneemt die bijdragen
    aan een gezonde leefstijl. Het gaat naast bewegen en sport ook om aspecten als voeding,
    roken, alcohol, drugs en seksualiteit.
193
     Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB, bijlage 1 behorend bij artikel 17a, derde lid, 2.4.
                                                                                                   Plezier in bewegen //
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Dit is een gezamenlijke uitgave van de Nederlandse Sportraad,
de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
www.nederlandse-sportraad.nl
www.onderwijsraad.nl
www.raadrvs.nl
September 2018 | publicatienummer 2018-9
Vormgeving: Things To Make And Do
Foto omslag: William Hoogteyling | Hollandse Hoogte
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>