<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies
Doorgeschoten differentiatie
in het onderwijsstelsel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Doorgeschoten differentiatie
in het onderwijsstelsel
Stand van educatief Nederland 2019
   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Colofon
De Onderwijsraad is het wettelijk adviesorgaan van de regering en het parlement op het terrein
van het onderwijs. De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van beleid en
wetgeving. Hij adviseert over het brede terrein van het onderwijs, van voorschoolse educatie
tot postuniversitair onderwijs en een leven lang leren. Gemeenten kunnen in speciale gevallen
van lokaal onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
De raad is samengesteld uit personen die zijn benoemd op grond van hun gezaghebbende
positie in relevante wetenschappelijke disciplines, in sectoren van het onderwijs, in openbaar
bestuur of in maatschappelijke organisaties. De raad gebruikt in zijn advisering verschillende
disciplinaire aspecten (zoals onderwijskundige, economische en juridische) en verbindt deze
met ontwikkelingen in de praktijk van het onderwijs.
De producten van de raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen, studies en verken-
ningen. Daarnaast organiseert de raad discussies over onderwerpen die van belang zijn voor
het onderwijsbeleid.
Advies Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel. Stand van educatief Nederland 2019,
uitgebracht aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Basis-
en Voortgezet Onderwijs en Media.
Registratienummer: 20190019/1107, februari 2019
Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2019.
ISBN: 987-946121-067-8
Bestellingen van publicaties:
Onderwijsraad
Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
email: secretariaat@onderwijsraad.nl
telefoon: (070) 310 00 00 of via de website:
www.onderwijsraad.nl
Ontwerp en opmaak:
www.balyon.com
Drukwerk:
Drukkerij Excelsior, Den Haag
© Onderwijsraad, Den Haag.
Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.
2                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en                                Prins Willem Alexanderhof 20
de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media                               2595 BE Den Haag
Mevrouw mr. drs. I.K. van Engelshoven
De heer drs. A. Slob                                                                   Telefoon: 070 310 00 00
Postbus 16375                                                                          Fax: 070 356 14 74
2500 BJ Den Haag                                                                       secretariaat@onderwijsraad.nl
                                                                                       www.onderwijsraad.nl
Ons kenmerk                      Contactpersoon                Plaats/datum
20190019/1107                                                  Den Haag, 22 februari 2019
Uw kenmerk                       Doorkiesnummer                Onderwerp
                                                               Advies Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel
Mevrouw de Minister, Mijnheer de Minister,
Voor u ligt de Stand van educatief Nederland. In dit rapport worden de bevindingen uit de in december 2018 aan u
aangeboden hoofdlijnennotitie Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel uitgebreid toegelicht en
onderbouwd. Het is een integrale analyse waarin de verschillende onderwijssectoren – van voorschoolse voor-
zieningen tot en met de voorzieningen van permanente educatie – in samenhang worden bekeken. In deze vierde
editie van de Stand van educatief Nederland staat het onderwijsstelsel centraal en geeft de raad antwoord op de
vraag: Kan het onderwijs met het huidige stelsel zijn maatschappelijke opdracht nu en in de toekomst waarmaken?
De Onderwijsraad komt tot de conclusie dat het huidige onderwijsstelsel op onderdelen herziening behoeft. In het
licht van maatschappelijke ontwikkelingen wordt de manier waarop het onderwijs is georganiseerd proble-
matisch: (1) jongeren uit verschillende sociale groepen komen elkaar niet meer vanzelfsprekend tegen in een sterk
gedifferentieerd onderwijsstelsel; (2) overgangsbeslissingen vroeg in de schoolloopbaan worden steeds bepalender
door afnemende mobiliteit in het stelsel; en (3) permanente educatie is geen formeel onderdeel van het stelsel. Het
huidige onderwijsbeleid is vooral gericht op afzonderlijke sectoren. Het gevaar bestaat dat opeen-
gestapelde kleine maatregelen het stelsel wel veranderen, maar niet altijd in de gewenste richting en zonder dat
onderliggende knelpunten voldoende worden aangepakt. Ook bestaat het risico dat onderdelen van het stelsel zich
los van elkaar ontwikkelen. Daarmee wordt het steeds moeilijker voor de overheid om haar stelselverant-
woordelijkheid waar te maken. De raad formuleert in dit rapport vijf vertrekpunten waarmee hij beoogt richting te
geven aan de gedachtevorming en discussie in het onderwijsveld en bij regering en parlement over aanpas-
singen van het stelsel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Ons kenmerk                   Pagina
20190019/1107                 2/2
  Deze Stand van educatief Nederland markeert tevens het moment van de overgang naar een nieuw samen-
  gestelde raad onder een nieuwe voorzitter. De Stand van educatief Nederland is tot stand gekomen onder de hoede
  van de Onderwijsraad voor de periode 2015-2018 en de huidige raad verheugt zich erop om voort te bou-
  wen op de gepresenteerde analyse en denkrichtingen. Hij zal daarover graag met u in dialoog treden in de komende
  periode.
  Met beleefde groet,
  Prof. dr. E.H. Hooge               Prof. dr. H. Maassen van den Brink                 Drs. C. van ’t Veen
  Voorzitter                         Voorzitter Onderwijsraad 2015-2018                 Secretaris ad interim
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Inhoud
Hoofdlijnen van Stand van educatief Nederland 2019                                           7
Deel A Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel
1 Onderwijs heeft zich te verhouden tot maatschappelijke opgaven                           19
1.1	Veranderingen vragen veel van het onderwijs en raken aan het fundament van het
     onderwijs20
1.2 Beleidsvorming vooral gericht op afzonderlijke onderwijssectoren                       24
1.3	Adviesvraag: hoe kan het onderwijsstelsel nu en in de toekomst zijn maatschappelijke
     opdracht waarmaken?                                                                   25
     Katern: historische ontwikkeling Nederlands onderwijsstelsel                          27
2	Doorgeschoten differentiatie en het ontbreken van permanente educatie in het
     onderwijsstelsel vragen om herziening                                                39
2.1 Differentiatie in het onderwijs is doorgaans nuttig en nodig                           40
2.2	Knelpunt 1: jongeren uit verschillende groepen komen elkaar niet meer vanzelfsprekend
     tegen in het gedifferentieerde stelsel                                               42
2.3	Knelpunt 2: overgangsbeslissingen vroeg in de schoolloopbaan
     worden steeds belangrijker                                                           44
2.4 Knelpunt 3: permanente educatie is geen onderdeel van het stelsel                      49
3	Op weg naar oplossingen: vijf vertrekpunten voor herziening van het
     onderwijsstelsel51
3.1	Maatschappelijke opdracht vraagt om samenhangende keuzes vanuit publieke
     belangen52
3.2 Vertrekpunt 1: verminder differentiatie waar nuttig en mogelijk                        53
3.3 Vertrekpunt 2: verbind ook op andere manieren schoolsoorten en opleidingen             57
3.4 Vertrekpunt 3: stimuleer beroepsgericht onderwijs op het havo en vwo                   58
3.5 Vertrekpunt 4: verminder en verbeter de selectie                                       59
3.6 Vertrekpunt 5: geef permanente educatie een structurele plek in het onderwijsstelsel   59
Deel B Ontwikkelingen in het Nederlandse beleid en onderwijs
1    Inleiding                                                                             65
2 Prominente onderwerpen in beleid en onderwijspraktijk                                    67
2.1 Hoe kan het curriculum evenwichtig en bij de tijd blijven?                             67
2.2 Toenemende roep om maatwerk en centraal stellen leerling                               69
2.3 Meer aandacht voor het belang van brede vorming en burgerschap in het onderwijs         71
2.4 Aandacht voor kansengelijkheid en onderwijsachterstanden                               74
2.5 Passend onderwijs: zoeken naar oplossingen voor alle leerlingen                        75
2.6 Maatschappelijke herwaardering van vakmanschap                                         77
2.7 Kwaliteit in het hoger onderwijs                                                       79
2.8 Leven lang ontwikkelen wordt belangrijk gevonden                                       80
2.9 Inzet op voldoende goede onderwijsprofessionals wordt doorgezet                        81
2.10 Veel aandacht voor werkdruk en te weinig (professionele) ruimte in het onderwijs      82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>3   Sturing en financiering                                                          85
3.1 Naar gedifferentieerd toezicht en instellingsaccreditatie                        85
3.2 Meer taken en zeggenschap in de regio                                           86
3.3 Meer sturing via netwerken                                                       87
3.4 Inzet bestuursakkoorden en afspraken neemt toe, maar ook besef van beperkingen   88
3.5 Meer doelgebonden bekostiging                                                   90
3.6 Private investeringen nemen toe                                                  91
Bijlage 1 Werkwijze beleidsanalyse                                                  93
Deel C Het Nederlandse onderwijs in cijfers
1   Inleiding                                                                       99
2   Kwaliteit                                                                      101
2.1 Met onderwijs samenhangende maatschappelijke uitkomsten                        101
2.2 Opleidingsniveau, schooluitval en permanente educatie                          105
2.3 Leerprestaties en motivatie                                                    108
2.4 Beoordeling kwaliteit van onderwijs                                             112
3   Toegankelijkheid                                                               117
3.1 Leerroutes en overgangen                                                       118
3.2 Sociaaleconomische achtergrond, migratieachtergrond en sekse                    121
3.3 Kosten en toegankelijkheid van onderwijs                                       125
4   Doelmatigheid                                                                  127
4.1 Uitgaven                                                                       128
4.2 Studiesucces                                                                   130
4.3 Onderwijspersoneel                                                             132
5   Pluriformiteit en keuzevrijheid                                                137
5.1 Onderwijsaanbod naar denominatie in het funderend onderwijs                     137
5.2 Bereikbaarheid van scholen in het funderend onderwijs                          138
5.3 Aanbod van opleidingen in het vervolgonderwijs                                 139
6   Sociale cohesie: sociale samenhang, inclusie en democratie                     143
6.1 De school als (veilige) sociale omgeving                                       144
6.2 School als oefenplaats: werken aan waarden als tolerantie en inclusie          145
6.3 Integratie naar sociaaleconomische en migratie-achtergrond                     146
6.4 Integratie naar prestatieniveau                                                147
    Afkortingen                                                                    151
    Figurenlijst                                                                   153
    Literatuur                                                                     154
    Geraadpleegde deskundigen                                                      163
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Hoofdlijnen van de
Stand van educatief Nederland 2019
Steeds grotere uitdagingen voor het onderwijs
Het onderwijs staat voor grotere uitdagingen dan lange tijd het geval is geweest. Maatschap-
pelijke veranderingen die spelen op de middellange termijn, vragen veel van het onderwijs en
hebben gevolgen voor het onderwijsstelsel.
Allereerst wordt de samenleving steeds heterogener. Met name in de grote steden is de bevol-
king zeer divers: in talig, etnisch en cultureel opzicht. Ook verandert de manier waarop mensen
zich met elkaar verbinden en gemeenschappen vormen. Waar vroeger de verzuiling de samen-
leving verticaal ordende, is nu horizontale ordening prominenter. Mensen organiseren zich in
vluchtige gemeenschappen die veranderlijk zijn en per definitie tijdelijk. Er is sprake van sociale
segmentering van de samenleving naar opleiding, inkomen en sociaalculturele achtergrond.
De sociaal-culturele dimensie onderscheidt mensen die verschillende antwoorden geven op
de vraag wie ze zijn en wat hen verbindt. Daar komt bij dat elke doelgroep zijn eigen voorzie-
ningen heeft. Er zijn kortom minder gelegenheden waar mensen met verschillende sociale en
culturele achtergronden elkaar tegenkomen. De vraag is hoe het onderwijs zich zou kunnen
organiseren om de sociale samenhang te versterken.
Technologisering heeft een grote impact op het onderwijs. Robotisering en andere technolo-
gische ontwikkelingen kunnen bepaalde taken van mensen overnemen, beroepen laten ver-
dwijnen of veranderen en nieuwe creëren. Deze nieuwe ontwikkelingen vragen behalve kennis
ook vaardigheden, zoals vakoverstijgend denken, samenwerken en digitale geletterdheid. De
dynamiek op de arbeidsmarkt neemt toe, mensen zullen vaker van baan of functie verande-
ren. De werkzaamheden laten zich steeds lastiger in vaste categorieën indelen. Nu al combine-
ren veel mensen verschillende werkzaamheden: ze zijn bijvoorbeeld deeltijd-zzp’er en hebben
een betaalde baan of een pensioen naast hun zzp-werk. Als gevolg van deze ontwikkelingen
neemt de behoefte aan scholing en vorming toe. Dat heeft ook gevolgen voor de organisatie
van onderwijs.
Om adequaat te kunnen reageren op maatschappelijke ontwikkelingen is een integrale kijk
op het onderwijsstelsel nodig. Het huidige onderwijsbeleid is echter nog vooral gericht op
afzonderlijke sectoren. Maatregelen worden onvoldoende in het brede perspectief van het
onderwijsstelsel geplaatst. Het gevaar bestaat dat het opeenstapelen van kleine beleids- of
wetsmaatregelen het stelsel verandert, maar niet altijd in de gewenste richting en zonder dat
onderliggende knelpunten voldoende worden aangepakt. De raad heeft zichzelf daarom de
vraag gesteld: kan het onderwijs zijn maatschappelijke opdracht nu en in de toekomst waarmaken
binnen de huidige organisatie van het onderwijsstelsel?
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    De maatschappelijke opdracht van het onderwijs
    Als publieke voorziening heeft het onderwijs een maatschappelijke opdracht met drie belangrijke
    aspecten:
    1. Het onderwijs draagt zorg voor een adequate scholing van de beroepsbevolking (voor een
       sterke economie en hoge welvaart zijn goed opgeleide mensen nodig).
    2. Het onderwijs levert een bijdrage aan de kwaliteit van de samenleving. Voor welzijn, cohesie en
       maatschappelijke stabiliteit is het belangrijk dat de samenleving sterke sociale verbanden kent
       en dat mensen de waarden kunnen respecteren en voorleven die ten grondslag liggen aan de
       democratische rechtsstaat.
    3. Het onderwijs biedt gelijke kansen voor individuen om onderwijs te genieten en om zich te
       vormen, te ontwikkelen en te scholen gedurende de levensloop.
Doorgeschoten differentiatie en het ontbreken van permanente educatie in het onderwijsstelsel
­vragen om aanpassingen
 De raad vindt dat er een fundamentele bezinning nodig is op de organisatie van het onderwijs-
 stelsel met als doel het op onderdelen aan te passen. De raad ziet drie knelpunten ontstaan.
 Twee van die knelpunten hangen samen met de differentiatie in het onderwijsstelsel (zie figuur
 en kader). De differentiatie (1) versterkt de tendens van sociale segmentering en verkleint de
 mogelijkheden van het onderwijs om bij te dragen aan sociale samenhang in de maatschappij,
 en (2) zet de toegankelijkheid van en doorstroom binnen het onderwijs onder druk, waardoor
 sommige groepen leerlingen en studenten minder kansen krijgen in het onderwijs.
 Het derde knelpunt hangt samen met een grotere behoefte aan scholing en vorming geduren-
 de de gehele levensloop. Deze scholing en vorming is niet alleen een verantwoordelijkheid van
 individuen, maar ook van bedrijven en de overheid. Echter, (3) permanente educatie is geen
 onderdeel van de huidige onderwijsvoorzieningen binnen het stelsel.
    Kenmerken inrichting van het Nederlandse onderwijsstelsel
    1. Differentiatie naar onderwijssectoren (bijvoorbeeld basisonderwijs en middelbaar
       beroepsonderwijs en hoger onderwijs), en daarbinnen naar schoolsoorten (bijvoorbeeld havo
       en vwo), niveaus (bijvoorbeeld mbo 2, 3, 4), leerwegen (bijvoorbeeld vmbo-kb en mbo-bol) en
       opleidingen (bachelors of masters).
    2. Scherp onderscheid tussen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs, en tussen
       regulier onderwijs en speciaal onderwijs.
    3. Vroege selectie: op 11- of 12-jarige leeftijd krijgen leerlingen advies over plaatsing in het
       voortgezet onderwijs.
    4. Hoge mate van autonomie voor onderwijsinstellingen door de vrijheid van onderwijs en de
       daaraan verbonden lumpsumbekostiging.
 8                                                                                Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Het gedifferentieerde Nederlandse onderwijsstelsel
    doctoraat
                                                                                              volwassen­
       wo          hbo                                                                         educatie
     master       master
                                                     mbo 4             mbo 3          mbo 2
       wo          hbo          associate                                                               entree­
    bachelor    bachelor         degree                                                               opleiding
                                                   bol      bbl      bol     bbl    bol    bbl
                                                                       vmbo
                                                                                                       praktijk­ voortgezet
           vwo                havo                                                                                speciaal
                                                                                                      onderwijs  onderwijs
                                                 theo­retisch   gemengd       kader     basis
                                                                                                       speciaal   speciaal
                                       basisonderwijs                                                    basis-
                                                                                                      onderwijs  onderwijs
                                                       voorschoolse educatie
Het onderwijsstelsel kent een grote verscheidenheid aan onderwijssoorten die zijn ingedeeld
in verschillende onderwijssectoren. Deze differentiatie is binnen grenzen functioneel. Het
ordent het onderwijsaanbod en het biedt de mogelijkheden voor leerlingen en studenten om
zich op verschillende manieren door het onderwijs te bewegen. Ook jongeren waarvan op een
bepaald moment nog niet duidelijk is welke capaciteiten en interesses ze hebben, krijgen de
kans om zich te ontwikkelen en te kwalificeren op een passend niveau of binnen een geschikte
opleiding.
In het verleden gaven problemen die voortkwamen uit een te grote verscheidenheid aan
onderwijsniveaus, onderwijssoorten en opleidingen meermaals aanleiding tot fundamen-
tele onderwijshervormingen. De overheid heeft verscheidene ingrepen gedaan om tot meer
samenhang tussen de verschillende delen van het onderwijssysteem te komen en het systeem
overzichtelijker en minder uitgebreid te maken. Zo was de Mammoetwet van 1968 een poging
om het voortgezet onderwijs in te richten als een samenhangend geheel met verschillende
begaafdheidsniveaus en een structuur met horizontale en verticale doorstroommogelijkhe-
den. Echter, in de afgelopen tien jaar is de differentiatie opnieuw gaan knellen. Hieronder wor-
den de drie genoemde knelpunten nader toegelicht.
Knelpunt 1: jongeren uit verschillende sociale groepen komen elkaar niet meer vanzelfsprekend
tegen in gedifferentieerd stelsel
Als gezegd, mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds
meer in gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. Ook in het onder-
wijs zien we deze sociale segmentering. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze
voorzieningen zijn gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en
verschillende doelgroepen, waardoor kinderen met een risico op achterstanden vaak geschei-
den blijven van andere kinderen. In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jon-
geren uit diverse sociale groepen vaak naar verschillende scholen. Dit komt deels doordat kin-
deren en jongeren met eenzelfde sociale achtergrond in dezelfde wijk wonen en ook in die
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>wijk naar school gaan. Daar komt bij dat scholen soms expliciet inspelen op de keuzevrijheid
en wensen van (groepen) ouders. Zo profileren scholen zich als cultuurschool, technasium, bie-
den Cambridge English of nieuwe vakken, categoraal onderwijs of onderwijs op religieuze of
pedagogische didactische grondslag. Dit gevarieerde aanbod leidt soms tot segmentering met
ongewenste gevolgen.
Ook de scheiding tussen sectoren, schoolsoorten, leerwegen en opleidingen in het onderwijs-
stelsel heeft tot gevolg dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer vanzelfsprekend
treffen. Cijfers van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle
leerlingen in het voortgezet onderwijs is ingeschreven aan een brede scholengemeenschap
waar alle schoolsoorten zijn vertegenwoordigd. Maar ze laten ook zien dat het overgrote deel
van die scholengemeenschappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties.
Slechts 18 procent van de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met
alle schoolsoorten bij elkaar.
Brede scholengemeenschappen bieden onderwijssoorten vaak op
afzonderlijke locaties aan
                          2%
                      4%                                                                1%
                  5%
                                                                                  15%        18%
          14%
        4%                                                                   21%
                                                                                                  23%
                                                                                       23%
                         71%
          Verdeling van leerlingen in het                                Verdeling van leerlingen op brede
     voortgezet onderwijs, naar aanbod van                           scholengemeenschappen, naar aanbod
         onderwijssoorten op hun school                                van onderwijssoorten op hun locatie
             breed: vbo+mavo+havo+vwo                                       mavo+havo óf havo+vwo
             vbo+mavo óf vbo+mavo+havo                                      categoraal
             mavo+havo+vwo                                                  praktijkonderwijs
Eigen berekeningen op basis van de BBO-rom bestanden met peildatum 1 oktober 2017. Het betreft de leerlingaantallen
in leerjaar vier van VO scholen (met een eigen brinnummer) en locaties (brinnummer + vestigingsnummer).
Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten,
komen ze minder in aanraking met leerlingen of studenten die andere inzichten en waarden
hebben. Terwijl de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het
omgaan met conflicten, het voeren van een dialoog, afwijkende meningen en gedragingen
tolereren, respect opbrengen voor andersdenkenden en tot consensus komen. Scholen zijn bij
uitstek de plaats waar jongeren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe min-
der gelegenheid is, kan het onderwijs jongeren maar beperkt voorbereiden op een pluriforme
en democratische samenleving en maar beperkt bijdragen aan sociale samenhang in de
samenleving.
10                                                                                           Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Knelpunt 2: overgangsbeslissingen vroeg in de schoolloopbaan worden steeds belangrijker
In een sterk gedifferentieerd stelsel zijn er relatief veel selectiemomenten en overgangen van
de ene sector, leerweg of opleiding naar de andere. Matching en selectie moeten ervoor zor-
gen dat leerlingen en studenten op de juiste plek in het stelsel terechtkomen.
In het Nederlandse onderwijsstelsel worden leerlingen relatief vroeg geselecteerd op de over-
gang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Meestal is dat rond de leeftijd van 11-12
jaar. Sommige leerlingen hebben daar baat bij, maar voor leerlingen uit een lager sociaal­
economisch milieu en voor laatbloeiers pakt vroege selectie vaak minder goed uit. Er is een
grotere kans dat zij niet terechtkomen in het type onderwijs dat bij hun capaciteiten en talen-
ten past.
De vroege selectie is minder een probleem wanneer er op een later moment nog kansen zijn om
door te stromen, al naar gelang de capaciteiten van een leerling. Juist deze mogelijkheden voor
mobiliteit nemen echter af. De verschillende schoolsoorten worden aangeboden op geschei-
den locaties en er zijn minder brede brugklassen. Volgens cijfers van het CBS is het aandeel
leerlingen dat in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs direct in één van de verschillende
schoolsoorten geplaatst wordt, de afgelopen jaren sterk gestegen. Steeds minder leerlingen
zitten in het eerste jaar in een dakpanklas of in een brede brugklas (zie onderstaande figuur).
Steeds minder brede brugklassen in het voortgezet onderwijs
 70%
 60%
                       dakpan of ­brede brugklas
 50%
                       categorale klas
 40%
 30%
       '07         '08         '09          '10       '11       '12        '13         '14        '15        '16        '17
         Verdeling van leerlingen in leerjaar 1 van het voortgezet onderwijs, naar brugklastype
  CBS geeft gedetailleerd het aantal leerlingen per onderwijssoort aan. Onder categorale klassen vallen: vmbo-b, vmbo-k,
  vmbo-g/t, havo, atheneum, lyceum/vwo, gymnasium. Onder brede brugklassen vallen: vmbo-b/k, vmbo ongedeeld,
  vmbo-havo(-vwo), vmbo-g/t-havo, vmbo-g/t-havo-vwo, havo-vwo.
Verder zijn er minder mogelijkheden voor mobiliteit door de scheiding tussen beroepsgericht
onderwijs en algemeen vormend onderwijs. Er was de laatste jaren veel aandacht voor verbe-
tering van de doorstroom in de beroepskolom (vooral vmbo-mbo) en veel minder voor de ver-
binding tussen het beroepsonderwijs en het algemeen vormend onderwijs.
De afnemende mobiliteit in het stelsel heeft tot gevolg dat de plaatsing van leerlingen in het
voortgezet onderwijs steeds meer het verdere verloop van de schoolloopbaan gaat bepalen.
Er ontstaat een grotere ‘padafhankelijkheid’: leerlingen kunnen moeilijker afwijken van de
schoolsoort waarin ze geplaatst zijn. Er zijn minder mogelijkheden om de eerste plaatsing in
het voortgezet onderwijs te corrigeren, waardoor sommige groepen leerlingen minder of te
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>laat kansen krijgen in het onderwijs. Bovendien komt er een grotere druk te liggen op de over-
gang van het primair naar het voortgezet onderwijs.
  Gelijke kansen
  De raad benadrukt dat het bij kansengelijkheid niet gaat om gelijke uitkomsten, maar dat het gaat om
  het creëren van gelijke kansen voor iedereen op het best mogelijk onderwijs. Dat betekent ook het
  creëren van gelijke kansen om de mogelijkheden die het onderwijs biedt zo goed mogelijk te kunnen
  benutten.
Ook doorstroommogelijkheden na het voortgezet onderwijs lijken af te nemen doordat er
steeds meer matching en selectieprocessen zijn in het mbo en in het hoger onderwijs. In het
mbo ligt de nadruk meer op matching en minder op selectie. In het hoger onderwijs heeft
de afgelopen jaren decentrale selectie vorm gekregen in de vorm van motivatiebrieven, inter-
views, deficiëntieonderzoeken, aanvullende (reken)toetsen, bindende studieadviezen en aan-
gescherpte overgangsnormen. Ook stellen steeds meer masteropleidingen aan universiteiten
en hogescholen aanvullende eisen, dat wil zeggen naast het reeds behaalde diploma dat al
rechtstreeks toegang geeft.
Knelpunt 3: permanente educatie is geen onderdeel van het stelsel
De dynamische samenleving en arbeidsmarkt stellen andere eisen aan burgers en werkne-
mers. Leren gaat niet meer vooraf aan betaald werken, maar er is een combinatie van werken
en leren nodig gedurende de leer- en arbeidsloopbaan. Activiteiten op het gebied van bij- en
nascholing zijn van belang voor participatie op de arbeidsmarkt en in de samenleving, en voor
de persoonlijke vorming en ontwikkeling van individuen. Deze doelen zijn daarmee verbon-
den aan de maatschappelijke opdracht van het onderwijs. Het huidige stelsel – dat primair is
ontworpen voor kinderen en jongeren, en in veel mindere mate voor (werkende) volwassenen
– is onvoldoende ingericht om scholing permanent te maken gedurende de levensloopbaan.
Permanente educatie maakt nog geen vanzelfsprekend deel uit van het onderwijsstelsel.
Belemmeringen op het gebied van regelgeving en financiering en schotten tussen samen-
werkingspartners binnen en buiten het onderwijs zorgen voor een versnipperd, weinig vraag­
gericht scholingsaanbod en voor een beperkte toegankelijkheid. Dit maakt vooral de positie
van lager en middelbaar opgeleiden kwetsbaar. Mensen zijn immers sterker dan voorheen ver-
antwoordelijk voor de vormgeving van hun eigen leer- en arbeidsloopbaan. De scholingsdeel-
name blijft onder deze groepen dan ook achter. En ook de mogelijkheden voor ontwikkeling
en vorming buiten de arbeidsmarkt zijn zeer beperkt.
Op weg naar oplossingen: vijf vertrekpunten voor aanpassingen aan het onderwijsstelsel
De hierboven beschreven knelpunten vragen om een aantal aanpassingen in het onderwijs-
stelsel. Een goede inrichting van het stelsel is complex. Maatregelen om het op bepaalde pun-
ten te verbeteren kunnen het op andere punten kwetsbaar maken. Om richting te geven aan
de gedachtevorming en discussie over noodzakelijke herzieningen, heeft de raad vijf ‘vertrek-
punten’ geformuleerd. Deze vertrekpunten brengen een aantal adviezen en aanbevelingen
van de raad bij elkaar.
Vertrekpunt 1: verminder differentiatie waar nuttig en mogelijk
Om de scheidingen tussen onderwijssoorten minder hard te maken, adviseert de raad te bekij-
ken waar in het stelsel de differentiatie verminderd kan worden. De raad ziet mogelijkheden
als het gaat om de voorzieningen voor het jonge kind, in het voortgezet onderwijs en het mbo.
12                                                                            Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Integreer voorzieningen voor jonge kinderen
De raad pleit ervoor opvang en onderwijs voor kinderen van 0 tot 4 jaar te combineren door
voor- en vroegschoolse educatie, kinderopvang en peuterspeelzaalwerk samen te voegen.
Zo ontstaat een brede en toegankelijke voorziening voor jonge kinderen, bijvoorbeeld onder
regie van de basisschool. De basisscholen bieden daarmee een aanbod voor kinderen van 0-12
met een vloeiende overgang tussen baby-, peuter-, kleuter- en basisschoolperiode.
In de voorschoolse periode kunnen kinderen spelend leren onder begeleiding van goed opge-
leid personeel uit de voorschoolse sector en het primair onderwijs. Dit aanbod zou op vrijwil-
lige basis beschikbaar moeten zijn voor alle kinderen tussen de tweeënhalf en vier jaar, vijf
dagdelen per week. Dus niet alleen voor kinderen met achterstanden (sociaal-emotioneel,
cognitief of op het gebied van taal). Zo worden alle kinderen bereikt en worden kinderen met
een risico op achterstanden niet gescheiden van andere kinderen. Met het oog op gelijke kan-
sen vindt de raad het van belang dat er zo vroeg mogelijk – en blijvend – wordt geïnvesteerd in
het voorkomen en verkleinen van achterstanden.
Cluster de leerwegen in het vmbo
De raad pleitte al eerder voor een vereenvoudiging van de structuur van het vmbo door de
leerwegen logisch te clusteren. Daarbij adviseerde hij dat de geclusterde opleidingen zich pro-
fileren met een eigen identiteit die past bij de functie in het stelsel. Voor de clustering en pro-
filering van de gemengde en theoretische leerweg in het vmbo worden al belangrijke stappen
gezet. De clustering van de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg is niet van
de grond gekomen. Vanuit de praktijk kwamen geluiden dat de studenten uit deze leerwe-
gen te veel van elkaar verschillen. De raad adviseert om opnieuw te kijken naar een mogelijke
clustering, waarbij het er niet alleen om gaat opleidingen samen te voegen, maar juist ook om
maatwerk binnen de geclusterde opleiding te creëren.
Integreer beroepsgerichte leerwegen vmbo en mbo
Verder kan het aantal overgangen verminderd worden door de beroepsgerichte leerwegen
van vmbo en mbo te integreren, waardoor leerlingen zonder overgang kunnen toewerken naar
een startkwalificatie. Vooral voor kwetsbare leerlingen is deze overgang een struikelblok met
een groot risico op uitval. Daarom is vanaf 2008 geëxperimenteerd met alternatieve routes naar
het mbo waarbij vmbo en mbo geïntegreerd werden tot vm2-trajecten. De vm2-trajecten lei-
den tot overwegend positieve resultaten. Wel is het belangrijk om deze trajecten te verbeteren
op basis van de resultaten van de uitgevoerde monitors.
Zorg voor meer flexibiliteit in de onderbouw in het voortgezet onderwijs
Ook is het belangrijk om te zoeken naar manieren om de scheiding tussen schoolsoorten in de
eerste jaren van het voortgezet onderwijs te verminderen. De raad pleit ervoor meer gebruik
te maken van brugklassen en het 10-14 onderwijs. Bij het concept van 10-14 onderwijs wordt
de definitieve selectie uitgesteld en is er meer ruimte voor differentiatie in niveaugroepen. Dit
maakt het onderwijs in de onderbouw van het voortgezet onderwijs flexibeler, waardoor leer-
lingen gemakkelijker kunnen overstappen naar een andere schoolsoort als dat wenselijk en
mogelijk is. Dit kan helpen om padafhankelijkheid te doorbreken.
Bekijk of vereenvoudiging van het mbo mogelijk is
Tot slot is het belangrijk om te verkennen wat mogelijk is om de niveaudifferentiatie in het mid-
delbaar beroepsonderwijs te verminderen. De toenemende dynamiek op de arbeidsmarkt en
de snel veranderende vraag maken een kritische blik op het huidige aanbod van mbo-opleidin-
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                             13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>gen wenselijk. De raad vraagt zich af of het onderscheid tussen niveau 3 en 4 op termijn nog wel
functioneel is. Een vereenvoudigd opleidingsaanbod kan herkenbaarder zijn voor werkgevers
en kan ook eenvoudiger worden aangepast aan een veranderende vraag.
Vertrekpunt 2: verbind ook op andere manieren schoolsoorten en opleidingen
Verschillende schoolsoorten op één locatie of ga samenwerking aan
Om de scheidingen in het Nederlandse voortgezet onderwijs te verminderen, moet de verbin-
ding tussen verschillende schoolsoorten versterkt worden. Dat kan door meerdere schoolsoor-
ten te organiseren op één locatie of door te stimuleren dat scholen samenwerking zoeken met
andere scholen. Dit maakt de overstap van de ene naar de andere schoolsoort makkelijker en
het biedt mogelijkheden om de school beter te benutten als sociale oefenplaats.
Zorg voor betere aansluiting tussen onderwijssoorten
Verder komt een sterke verbinding tot stand door regelmatig stelselbreed te bekijken of de ver-
schillende onderwijssoorten voldoende op elkaar aansluiten. Dit is namelijk een voorwaarde
voor mobiliteit in het gehele stelsel. Het gaat daarbij om de inhoudelijke aansluiting, de aan-
sluiting in termen van het niveau van het leerprogramma en om de afstemming in de pedago-
gisch-didactische aanpak tussen onderwijssoorten. De raad pleit vooral voor een verbetering
van de aansluiting tussen vmbo en havo. Deze overgang vormt een cruciale schakel binnen het
Nederlandse onderwijsstelsel. Vmbo-leerlingen kunnen via de havo het hoger beroepsonder-
wijs bereiken. Juist deze stapelmogelijkheid blijkt een belangrijke emancipatieroute.
Schakelklassen als structureel onderdeel van het mbo en het hoger onderwijs
Waar de aansluiting niet gemakkelijk binnen programma’s op te lossen is, kunnen schakelklas-
sen de mogelijkheid voor leerlingen vergroten om over te stappen of door te stromen. De raad
adviseerde eerder om een domeinbrede schakelklas te starten in mbo 2. Jongeren die vmbo
basis of kader verlaten, moeten al op relatief jonge leeftijd een goed beeld hebben van wat de
verschillende mbo 2-opleidingen te bieden hebben, en ook goed weten wat hun interesses en
toekomstverwachtingen zijn. Daar hebben ze lang niet altijd een goed beeld van. Mede daar-
door is de uitval in mbo 2-opleidingen relatief hoog. Wanneer jongeren daar uitvallen, bestaat
er eigenlijk geen andere mogelijkheid dan het op een andere opleiding opnieuw proberen.
Ook de aansluiting tussen hbo-bacheloropleidingen en universitaire masterprogramma’s is
soms problematisch. Verschillende universiteiten bieden schakelprogramma’s aan om deze
overgang beter mogelijk te maken. Studenten met een verwante vooropleiding hebben met
het schakelprogramma de mogelijkheid om op een efficiënte manier voldoende kennis en
vaardigheden op te doen om in te kunnen stromen in het masterprogramma. De raad advi-
seert te bekijken welke mogelijkheden er zijn om deze schakelprogramma’s een structurele
plaats te geven in het hoger onderwijs.
14                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Vertrekpunt 3: Stimuleer beroepsgericht onderwijs op het havo en vwo
Een andere manier om meer verbindingen te creëren, is het aanbieden van beroepsgericht
onderwijs in alle schoolsoorten van het voortgezet onderwijs. De wet maakt gecombineer-
de leerwegen tussen algemeen vormend en middelbaar beroepsonderwijs weliswaar moge-
lijk, maar initiatieven daartoe bestaan nog nauwelijks in Nederland. De raad adviseert om het
combineren van onderwijs uit beide kolommen te stimuleren. Zeker wanneer het onderwijs
in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs meer flexibel wordt ingericht (zie vertrekpunt
1), komen er ook meer mogelijkheden om beroepsgerichte vakken relatief laagdrempelig een
plek te geven binnen het havo en vwo. Hierdoor kunnen leerlingen op het havo of vwo zich
breed ontwikkelen en zich beroepsmatig oriënteren en bekwamen, waardoor de doorstroom
naar het beroepsonderwijs soepeler gaat (ook bijvoorbeeld vanuit havo 3 naar het mbo) of de
keuze voor het wetenschappelijk onderwijs beter gemotiveerd is. Bovendien versterkt dit de
waardering van het beroepsonderwijs en vakmanschap. De raad benadrukt tegelijkertijd dat
de route via havo en vwo naar het academisch onderwijs geborgd moet blijven.
Vertrekpunt 4: verminder en verbeter de selectie
De raad adviseert uit te gaan van minder extra selectie op sommige overgangen in het stelsel
en daar waar geselecteerd wordt, de selectie kwalitatief te verbeteren. Op basis van selectie
worden beslissingen genomen over de toewijzing aan een niveau en toelating tot een oplei-
ding. De raad pleit ervoor uit te gaan van eindtoetsing en centrale examens als ijkpunten en zo
min mogelijk gebruik te maken van aanvullende eisen en extra toetsing. Het behalen van een
bepaald diploma geeft een doorstroomrecht naar specifieke vormen van vervolgonderwijs.
Hierdoor kunnen leerlingen en studenten op verschillende manieren door het stelsel bewegen
zonder onnodige struikelblokken. Een goede inhoudelijke aansluiting tussen opleidingen (zie
vertrekpunt 2) is daarvoor een voorwaarde.
De kwaliteit van selectie is belangrijk en moet aandacht krijgen. Selectie moet voorspelbaar en
objectief zijn en worden uitgevoerd met deugdelijke instrumenten. Dat is niet alleen belangrijk
voor het scheppen van gelijke kansen in het onderwijs, maar ook om de juiste leerling of stu-
dent op de juiste plek te krijgen. De raad vraagt aandacht voor de kwaliteit van de decentrale
selectie in het hoger onderwijs. Veelvoorkomende onderdelen van decentrale selectieproce-
dures zijn cognitieve vaardigheids- en kennistoetsen, motivatie- en persoonlijkheidsvragen-
lijsten en interviews. Deze instrumenten kunnen een risico vormen voor de toegankelijkheid
van het hoger onderwijs of niet geschikt zijn voor het doel waarvoor het ingezet wordt. Ook de
doelmatigheid van de gebruikte instrumenten kan worden betwijfeld.
Vertrekpunt 5: geef permanente educatie een structurele plek in het onderwijsstelsel
Permanente scholing, vorming en ontwikkeling is niet alleen een verantwoordelijkheid van
individuen, maar ook van bedrijven en de overheid. Zeker voor groepen in een kwetsbare posi-
tie kent de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid als het gaat om een toegankelijk
aanbod. Om gedurende de levensloop werken en leren beter te combineren, moeten voorzie-
ningen geen tijdelijk maar een permanent onderdeel zijn van de inrichting van het onderwijs-
stelsel. Een betere infrastructuur van het postinitieel onderwijs draagt bij aan een toegankelij-
ker en betaalbaar scholings- en vormingsaanbod. Ook helpt het om versnippering in opzet en
inhoud van het aanbod tegen te gaan en een betere aansluiting tussen onderwijssectoren te
realiseren.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Daartoe is het nodig om de mogelijkheden van een flexibel aanbod in het stelsel nader te ver-
kennen. Dat gebeurt momenteel bijvoorbeeld al in het mbo met de pilot mbo-certificaten. Ook
in het hoger onderwijs wordt geëxperimenteerd met een flexibel aanbod in de vorm van duale
en deeltijdopleidingen en de associate degree. Hierdoor ontstaat meer ruimte voor maatwerk
en voor beter en tijdig inspelen op de behoeften en kansen voor iedereen die zich verder wil
scholen of ontwikkelen. De inhoudelijke en infrastructurele samenwerking tussen het publieke
en private onderwijs is daarbij waardevol en moet vastgehouden te worden. Het delen van
elkaars kennis en expertise, locaties en leermiddelen kan daarbij helpen.
Tot slot
De verantwoordelijkheid voor het stelsel ligt bij de overheid. Een van de kerntaken is het bewa-
ken van samenhang in het onderwijsstelsel bij de beleidsvoering. Daar hoort bij dat ze gere-
geld stil staat bij vragen zoals: Welke maatschappelijke ontwikkelingen doen een appel op het
onderwijs? Wat hebben jongeren en burgers in het algemeen aan bagage nodig voor de toe-
komst? Met de hierboven beschreven vertrekpunten en de formulering van de maatschappe-
lijke opdracht van het onderwijs levert de raad een bijdrage aan een stelseldiscussie die de
afgelopen jaren, naar zijn oordeel, te weinig is gevoerd.
16                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Deel A
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>18 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>  Maatschappelijke ontwikkelingen doen een groot beroep op
  het onderwijs. Overheid en onderwijspraktijk proberen daar met
  beleidsmaatregelen en initiatieven effectief op in te spelen. Toch is het
  de vraag of dat voldoende is om de maatschappelijke opdracht van
  het onderwijs te realiseren.
1 Onderwijs heeft zich te verhouden tot
  maatschappelijke opgaven
  In deze Stand van educatief Nederland houdt de Onderwijsraad het Nederlandse onderwijs voor
  de vierde keer tegen het licht en bekijkt hij hoe het onderwijs ervoor staat ten opzichte van
  vijf jaar geleden. Net als in de voorgaande edities wordt niet alleen naar de korte termijn, maar
  ook naar de lange termijn gekeken: naar de richting waarin het Nederlandse onderwijs zich
  beweegt en zou moeten bewegen. Daar is een periodieke en integrale analyse van het Neder-
  landse onderwijs voor nodig. In de Stand van educatief Nederland worden daarom alle onder­
  wijssectoren – van voorschoolse voorzieningen tot en met de voorzieningen voor permanente
  educatie – in samenhang bekeken.
  De raad richt zich in dit advies op het onderwijsstelsel. De raad stelt zich onder andere de vol-
  gende vragen. Welke veranderende eisen worden door de maatschappelijke ontwikkelingen
  op middellange termijn (2025-2030) aan het onderwijs gesteld? Waar zitten knelpunten of
  zwakke plekken in het stelsel? Waar blijven kansen onbenut? Welke uitgangspunten, principes,
  waarden, ijkpunten, condities en randvoorwaarden passen bij het waartoe achter het onder-
  wijs van de toekomst? Wat is er nodig om in de toekomst de doelen van het onderwijs te verwe-
  zenlijken? En: is het huidige stelsel in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen houdbaar
  voor de toekomst?
  Ter voorbereiding op de huidige Stand van educatief Nederland heeft de raad de afgelopen jaren
  gewerkt aan de uitwerking en verdieping van zijn visie op het onderwijs(stelsel). Dat kreeg zijn
  beslag in vijf programmalijnen (zie de Meerjarenagenda1). Nu zet de raad de stap naar de vraag
  hoe het onderwijsstelsel ook in de toekomst de maatschappelijke opdracht kan realiseren.
  1    Onderwijsraad, 2015e.
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>      De maatschappelijke opdracht van het onderwijs
      Als publieke voorziening heeft het onderwijs een maatschappelijke opdracht met drie belangrijke
      aspecten.
      1. Het onderwijs draagt zorg voor een adequate scholing van de beroepsbevolking. Voor een
          sterke economie en hoge welvaart zijn goed opgeleide mensen nodig.
      2. Het onderwijs levert een bijdrage aan de kwaliteit van de samenleving. Voor welzijn, cohesie en
          maatschappelijke stabiliteit is het belangrijk dat de samenleving sterke sociale verbanden kent
          en dat mensen de waarden kunnen respecteren en voorleven die ten grondslag liggen aan de
          democratische rechtsstaat.
      3. Het onderwijs biedt gelijke kansen voor individuen om onderwijs te genieten en om zich te
          vormen, te ontwikkelen en te scholen gedurende de levensloop.
      Om te beoordelen of het onderwijs deze maatschappelijke opdracht waarmaakt, gebruikt de raad een
      aantal criteria. Biedt het onderwijs voor deze drie opdrachten voldoende kwaliteit? Is het onderwijs
      toegankelijk voor iedereen, zodat iedereen baat kan hebben bij wat het onderwijs biedt? Gebruikt het
      onderwijs publieke middelen doelmatig en werkt het doelmatig aan zijn opdracht? Is er voldoende
      aanbod en keuzevrijheid voor wat mensen willen, zowel op het gebied van scholing als op het gebied
      van vorming, en komen de maatschappelijke groepen voldoende tot hun recht? Draagt het onderwijs
      voldoende bij aan sociale cohesie en democratie?
1.1 Veranderingen vragen veel van het onderwijs en raken aan het fundament
    van het onderwijs
    Het onderwijs interacteert continu met een veranderende samenleving. In de huidige tijd
    klinkt de opvatting dat het onderwijs nu voor grotere uitdagingen staat dan lange tijd het
    geval is geweest. De samenleving is complexer geworden en daardoor nemen de eisen aan en
    verwachtingen van het onderwijs toe. Sommige maatschappelijke veranderingen vragen veel
    en raken het fundament van het onderwijs. Steeds vaker wordt de vraag gesteld of het huidige
    onderwijsstelsel nog wel houdbaar is in de eenentwintigste eeuw.
    Op de middellange termijn (2025-2030) spelen diverse ontwikkelingen met een grote impact op
    het onderwijs. Zo verandert werk ingrijpend als gevolg van technologisering en tekenen zich
    scherpe scheidslijnen af in de maatschappij. De behoefte aan permanente educatie neemt toe,
    evenals de vraag naar meer gepersonaliseerd onderwijs.2 Deze ontwikkelingen vormen een
    uitdaging voor de organisatie en inhoud van het hele onderwijs.
    Toenemende diversiteit en sociale segmentatie
    De samenleving wordt steeds heterogener. In de jaren tachtig kwamen de meeste migranten
    uit vier herkomstgebieden: Turkije, Marokko, Suriname en de voormalig Nederlandse Antillen.
    Vanaf de tweede helft van de jaren tachtig nam de diversiteit naar herkomst toe; migranten
    uit alle delen van de wereld vonden hun weg richting Nederland. De bevolkingsprognose van
    het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voorspelt dat de komende decennia het aandeel
    van personen met een migratieachtergrond verder zal toenemen, evenals de diversiteit binnen
    deze groep.3 Vooral in de grote steden kent de bevolking een grote etnische, linguïstische en
    culturele diversiteit. Er is daarnaast een grote verscheidenheid aan gezinsvormen. Minder kin-
    deren groeien op in een traditioneel gezinsverband. Er zijn meer eenoudergezinnen en meer
    kinderen wonen op twee locaties of hebben te maken met samengestelde gezinnen.
    2    ZIe Jester, 2018 en Van der Duin & Stavleu, 2018.
    3    Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2018.
    20                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Ook de manier waarop mensen zich met elkaar verbinden en gemeenschappen vormen, is
veranderd. Mensen willen hun leven inrichten naar eigen inzicht en laten zich minder leiden
door de regels of normen van kerk of familie. Elchardus noemt die verandering niet zozeer
een proces van individualisering, als wel een proces van detraditionalisering. De behoefte
ergens bij te horen is niet verdwenen, wel de manier waarop sociale controle wordt uitgeoe-
fend. Dat gebeurt niet via de traditionele moraal en vaste verbanden, maar eerder via subtiele
vormen van sturing binnen veranderlijke verbanden.4 Grote instituties zoals vakbonden, kerk
en politieke partijen hebben hun aantrekkingskracht verloren. Mensen organiseren zich in lich-
te gemeenschappen: korte en dynamische verbanden met beperkte formele regels en struc-
turen.5 Deze lichte gemeenschappen zijn veranderlijk en per definitie tijdelijk. In het onder-
zoek naar de jeugdcultuur wordt ook wel gesproken over ‘tribes’, dynamische groepen waarin
jongeren (sociaal)mediagebruik, muziekvoorkeuren en kledingstijlen delen die daarmee een
kader voor identiteit bieden.6
Op het niveau van de samenleving ontstaan nieuwe, andere scheidingen. Naast sociaal-eco-
nomische verschillen worden sociaal-culturele verschillen belangrijk. De sociaal-culturele
dimensie onderscheidt mensen die heel verschillende antwoorden geven op de vraag wie ze
zijn en wat hen bindt. Aan de ene kant staan mensen met een positief-kosmopolitische hou-
ding en een kritisch-positieve houding tegenover democratie en Europa. Aan de andere kant
staan mensen die sterk hechten aan tradities en nationale en regionale identiteit. Opleiding-
sniveau blijkt de belangrijkste voorspeller voor de positie in deze sociaal-culturele dimensie.
Opleiding is dan ook wel genoemd als nieuwe sociale scheidslijn.7 Maar het beeld van een
sociale scheidslijn die dwars door de samenleving loopt, doet geen recht aan de maatschap-
pelijke variëteit. Er is ook geen empirisch onderzoek dat duidelijk aantoont dat de kloof tus-
sen lager- en hoger­opgeleiden de afgelopen jaren is toegenomen.8 Wel zijn er signalen van
een toenemende polarisatie. Zo is de arbeidsmarktsituatie van middelbaaropgeleiden steeds
kwetsbaarder geworden. Middelbaaropgeleiden zijn in de loop van de tijd op de sociaal-cultu-
rele dimensie verschoven naar de positie van de lageropgeleiden.9 De gelegenheid tot sociale
mijding neemt toe: de verschillende groepen hebben ieder eigen voorzieningen. Krachten die
menging bevorderen nemen af. Sociale segmentering van de samenleving lijkt daardoor toe
te nemen.
Nieuwe banen, andere vaardigheden en meer behoefte aan permanente educatie
Betaald werk is steeds bepalender geworden voor de identiteit van mensen. Individuele ont-
plooiing is een belangrijk doel geworden in het werk. Mensen willen meer vrijheid en autono-
mie in hun werk, eigenaarschap over hun taken en over de plaats waar ze die moeten uitvoe-
ren. Nederland heeft een flexibele arbeidsmarkt, waarin het aandeel van het werk dat wordt
uitgevoerd door mensen met een tijdelijk contract, uitzendkrachten en zzp’ers fors is toegeno-
men.10 Weliswaar is het vaste contract nog dominant (een kleine 70 procent van de werkenden),
maar de flexibilisering neemt toe. Verder laten de werkzaamheden van mensen zich steeds
lastiger in vaste categorieën indelen. Veel mensen combineren diverse werkzaamheden, zijn
deeltijd-zzp’er, of hebben een betaalde baan of een pensioen naast hun zzp-werk.11
4   Elchardus, 2012.
5   Duyvendak & Hurenkamp, 2004.
6   Bennett, 1999.
7   Bovens, Dekker & Tielmeijer, 2014.
8   De Lange, Tolsma & Wolbers, 2016.
9   Engbersen, Snel & Kremer, 2017.
10  Euwals, De Graaf-Zijl & Van Vuuren, 2016.
11  Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2017.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre> Werknemers veranderen, al dan niet uit vrije wil, vaker van baan of functie door verdwijnende
 en opkomende vormen van werkgelegenheid. Er wordt van mensen daarom meer flexibiliteit
 en lerend vermogen verwacht. Voorheen konden we het leven in drie fases indelen: onder-
 wijs, arbeid en pensioen. Deze fases gaan in de toekomst meer door elkaar lopen. Er is gro-
 tere behoefte aan permanente educatie, waarbij de combinatie van werken en leren normaal
 wordt. Er worden specifieke eisen gesteld aan dergelijke opleidingen zoals praktische relevan-
 tie, goede begeleiding, flexibiliteit en maatwerk.12
 De afgelopen jaren is op tal van terreinen technologische vooruitgang geboekt. Veel deskun-
 digen verwachten de komende jaren een versnelling van de adoptie van technologische inno-
 vaties door de combinatie van technieken (machineleren, ‘big data’, ‘cloud computing’, roboti-
 sering, nieuwe materialen en nanotechnologie). Door robotisering en andere technologische
 ontwikkelingen kunnen bepaalde taken van mensen overgenomen worden door de techniek
 en verdwijnen er beroepen, terwijl er nieuwe opkomen. Een vaak aangehaalde theorie om de
 impact van technologie op de banenstructuur te duiden is die van ‘Skill Biased Technological
 Change’. Het idee is dat mensen die taken uitvoeren waarvoor hoge cognitieve vaardigheden
 vereist zijn, geholpen worden door technologie en zo hun productiviteit kunnen vergroten.
 Routinetaken (bijvoorbeeld administratieve taken) kunnen worden overgenomen door tech-
 nologie. Daardoor groeit de behoefte aan hogeropgeleide mensen, terwijl de behoefte aan
 middelbaar- en lagergeschoolden afneemt. Het verdwijnen van banen in het middensegment,
 een ontwikkeling die zich in alle westerse landen voordoet, heet ook wel baanpolarisatie. Ook
 in Nederland zien we deze ontwikkeling, al is de omvang van de trend hier relatief bescheiden.13
 De veranderde taken vergen andere vaardigheden, zoals zelfsturing, probleemoplossend ver-
 mogen, vakoverstijgend denken, kritisch denken en samenwerken. Kennis blijft hoe dan ook de
 basis. Expertkennis heeft ook een belangrijke signaalfunctie op de arbeidsmarkt. Werkgevers
 selecteren in de eerste plaats op kennis en ervaring binnen een specifiek beroepsdomein.14 Er
is minder behoefte aan vaardigheden die goed te automatiseren zijn. In de komende perio-
de zullen ook eenvoudige taken die te maken hebben met beeld- en taalverwerking binnen
het bereik van de technologie komen. De behoefte aan digitale vaardigheden en probleem­
analytische vaardigheden, nodig om productief met technologie om te gaan, zal juist toe-
nemen. Daarnaast zijn er taken die niet geraakt worden door technologie, omdat menselij-
ke interactie erin centraal staat (onderwijs, zorg, persoonlijke dienstverlening). Hiervoor zijn
­sociaal-emotionele vaardigheden belangrijk.15 In welke omgeving mensen in de toekomst ook
 werken, er zullen hogere eisen worden gesteld aan hun aanpassingsvermogen. De arbeids­
 relatie beweegt zich naar meer dynamiek en onzekerheid. Er wordt meer autonomie en zelf-
 standig oordeelsvermogen van werkenden verwacht.
 Digitalisering en gepersonaliseerd leren
 Digitalisering heeft niet alleen gevolgen voor de toekomst van werk, maar ook grote impact op
 het onderwijs. Digitalisering maakt het mogelijk leerlingen en studenten directe en specifieke
 feedback te geven, efficiënter en effectiever te differentiëren, en het onderwijsaanbod meer te
 personaliseren en te internationaliseren. Kennisoverdracht hoeft niet langer uitsluitend plaats
 12   Zie onder andere Van Casteren, Van den Broek, Warps, Jacobs & Braam, 2012.
 13   Van den Berge & Ter Weel, 2015.
 14   Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2017a.
 15   Zie bijvoorbeeld MacCrory, Westermann, Alhammadi & Brynjolfsson, 2014; Bughin, Hazan, Lund, Dahlström, Wiesinger & Subrama-
      niam, 2018.
 22                                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre> te vinden in de klas of de collegezaal. Daarmee ontstaan veel mogelijkheden om het onderwijs
 anders te organiseren.
 Er komen steeds meer data beschikbaar over leerlingen en hoe zij leren. Gecombineerd met
 digitale lesvormen en -materialen is het mogelijk onderwijs steeds verder te personaliseren,
 hoewel samen leren een fundamenteel onderdeel van het onderwijs zal blijven.16 Ook krijgt het
onderwijs meer te maken met (beter opgeleide) ouders die zich bewust zijn van het belang van
onderwijs en die veel willen investeren in de onderwijsloopbaan van hun kind. Zij stellen hoge
eisen aan de mate waarin het onderwijs tegemoetkomt aan individuele wensen en de behoef-
ten van hun kind. De toename van het gebruik van het zogenoemde schaduwonderwijs, zoals
huiswerkklassen, illustreert dit.
De rol van de leraar verandert, maar wordt niet minder belangrijk. In een wereld met een over-
vloed aan informatie neemt het belang van het oordeelsvermogen van leerlingen en studen-
ten toe. Zij moeten de waarde van informatie kritisch kunnen inschatten. Informatie is immers
niet hetzelfde als kennis. Om informatie op waarde te kunnen schatten, is kennis onmisbaar.
Leerlingen en studenten hebben een leraar of docent nodig die over de kennis beschikt om
informatie te beoordelen en die dat oordeelvermogen in het onderwijs kan overbrengen.17
Hoe maakt het onderwijs zijn maatschappelijke opdracht waar?
De hier geschetste trends hebben gevolgen voor de wijze waarop het onderwijs zijn maat-
schappelijke opdracht kan waarmaken. Onderwijs dient adequaat voor te bereiden op de
arbeidsmarkt, maar wat vraagt de arbeidsmarkt van het toekomstige onderwijs? Waarvoor
­leiden onderwijsinstellingen de leerlingen en studenten op en is het onderwijs voldoende
 flexibel ingericht om de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te kunnen bijbenen? In hoeverre
 past het strikte onderscheid tussen initieel en postinitieel onderwijs bij de arbeidsmarkt van
 de toekomst? Wat betekent de behoefte aan permanente educatie voor de organisatie van het
 onderwijs en hoe kan permanente educatie beter gefaciliteerd worden in het onderwijsstelsel?
 Het onderwijs moet ook een bijdrage leveren aan het creëren van sterke sociale verbanden
 en het oefenen van democratisch gedrag en een democratische houding. Die opdracht krijgt
 meer gewicht doordat de socialiserende kracht van traditionele instituties is weggevallen.
 Zeker in een samenleving die neigt naar sociale segmentatie, ligt er een belangrijke opdracht
 voor het onderwijs. Tegelijkertijd is het de vraag wat van het onderwijs redelijkerwijs verwacht
 kan worden op dit vlak en of het huidige onderwijsstelsel voldoende faciliteert.
 Het derde aspect van de maatschappelijke opdracht van het onderwijs is dat het alle indivi­
 duen kansen moet bieden om zich te vormen, te ontwikkelen en te scholen gedurende de
 levensloop. Zijn die kansen voor alle (groepen) kinderen en jongeren gelijk? Hebben alle groe-
 pen voldoende toegang tot (postinitieel) onderwijs? In welke mate moet het onderwijs toege-
 sneden worden op individuele behoeften en wensen?
 16  Adams Becker, Cummins, Davis, Freeman, Hall Giesinger & Ananthanarayanan, 2017; Sociaal en Cultureel Planbureau, 2016.
 17  Zie Onderwijsraad, 2017c.
 Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>1.2 Beleidsvorming vooral gericht op afzonderlijke onderwijssectoren
    Onderwijsbeleid en onderwijspraktijk besteden aandacht aan belangrijke uitdagingen
    In de afgelopen periode kwamen fundamentele en sectoroverstijgende onderwerpen aan de
    orde in het beleid en de onderwijspraktijk. Een uitgebreid overzicht van de beleidsthema’s is te
    vinden in deel B van deze Stand van educatief Nederland.
    De afgelopen jaren was, en is nog steeds, volop aandacht voor de vraag in hoeverre het curri-
    culum bij de tijd is en staat het ‘leven lang ontwikkelen’ hoog op de beleidsagenda. Deze the-
    ma’s raken aan de maatschappelijke ontwikkelingen die in de nabije toekomst impact hebben
    op het onderwijs. Ook werd in het beleid aandacht besteed aan diverse kwetsbare punten in
    het huidige stelsel. Denk aan de selectie en overgangen in het stelsel en ongelijke kansen. Een
    ander in het oog springend thema is de positie van het beroepsonderwijs in het stelsel en de
    beeldvorming daarover. In het beroepsonderwijs (voorbereidend middelbaar, middelbaar en
    hoger beroepsonderwijs) volgen meer jongeren een opleiding dan in het algemeen vormend
    onderwijs (havo, vwo en wetenschappelijk onderwijs). Toch genieten het havo en vwo bij leer-
    lingen en ouders de voorkeur.
    Stelseldiscussie wordt uit de weg gegaan
    Hoewel er aandacht was en is voor fundamentele en sectoroverstijgende vraagstukken in het
    onderwijsbeleid, worden inhoudelijke discussies over het stelsel nauwelijks gevoerd. Sinds het
    rapport van de commissie-Dijsselbloem zijn overheid, bewindspersonen en andere p            ­ olitici
    daar terughoudend in en is men geneigd stelselwijzigingen te vermijden of niet als zoda-
    nig te benoemen. Denk hier aan de invoering van passend onderwijs en de maatregelen uit
    het actieplan Focus op vakmanschap die diep ingrijpen in de organisatie van het middelbaar
    beroepsonderwijs. Dit komt waarschijnlijk voort uit slechte ervaringen om het onderwijsveld
    van bovenaf grootschalige vernieuwingen op te leggen.18
    Sectoralisering van onderwijsbeleid is toegenomen
    Met de opkomst van de sectororganisaties (PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, Vereniging Hoge-
    scholen en VSNU) is het onderwijsbeleid in de afgelopen jaren steeds meer gericht op de
    afzonderlijke sectoren. Het uit de weg gaan van de stelseldiscussie heeft deze sectoralisering
    nog versterkt. De opgerichte sectorraden maken elk namens de schoolbesturen uit hun ach-
    terban afspraken met de overheid en sluiten per sector cao’s af met de vakbonden. De toe-
    komstvisies en strategische plannen worden steeds meer per sector ontwikkeld.19 Ook de
    departementale indeling van OCW volgt de onderwijssectoren en dit vertaalt zich in een sec-
    torale indeling bij de toezichthouder.20 Uiteindelijk is de beleidsvorming steeds meer gericht
    op afzonderlijke sectoren en wordt het beleid steeds minder in het bredere perspectief van het
    stelsel geplaatst. Er wordt te weinig stilgestaan bij de consequenties die beleidsmaatregelen
    hebben voor het stelsel als geheel.
    Wat verder opvalt, is dat er de afgelopen jaren veel ruimte was voor (lokale) experimenten
    en initiatieven om knelpunten aan te pakken – denk aan Kindcentra 2020, 10-14 onderwijs en
    schakel­trajecten in het hoger onderwijs. Maar de opbrengsten worden onvoldoende bekeken
    in het bredere verband van het stelsel. De vragen ‘wat kunnen we leren van de experimenten
    18  Onderwijsraad, 2014c; Slaman, Bardoel, Beer & Ten Dam, 2018.
    19  Bronneman-Helmers, 2011.
    20  Onderwijsraad, 2014a.
    24                                                                      Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    en initiatieven’ en ‘welke consequenties kunnen we eraan verbinden voor het stelsel als geheel’
    zijn niet gesteld.
    Stelselverantwoordelijkheid van overheid wordt onvoldoende waargemaakt
    De overheid heeft een belangrijke stelselverantwoordelijkheid. Zij heeft als kerntaak het bewa-
    ken van samenhang in het onderwijsstelsel bij de beleidsvoering en behoort geregeld stil te
    staan bij vragen zoals ‘welke maatschappelijke ontwikkelingen doen een appel op het onder-
    wijs’ en ‘welke bagage hebben jongeren nodig voor hun toekomst’.21
    Doordat de discussie over het stelsel uit de weg wordt gegaan en het beleid zich vooral richt
    op afzonderlijke sectoren, wordt het steeds moeilijker de stelselverantwoordelijkheid waar te
    maken. Het gevaar bestaat dat opeengestapelde kleine maatregelen het stelsel wel verande-
    ren, maar niet altijd in de gewenste richting en zonder dat onderliggende knelpunten voldoen-
    de worden aangepakt. Verder is er een groter risico op inconsistenties in het beleid en bestaat
    het risico dat onderdelen van het stelsel zich los van elkaar ontwikkelen.22 Neem de inzet op
    het verbeteren van de doorlopende leerlijnen tussen vmbo en mbo, dat ten koste lijkt te gaan
    van de doorlopende leerlijn tussen vmbo en havo. Een ander voorbeeld is de herziening van
    het vmbo-eindexamenprogramma en de herziening van de kwalificatiestructuur in het mbo,
    die tegelijkertijd plaatsvonden, maar los van elkaar, waardoor doorlopende leerlijnen onvol-
    doende gegarandeerd werden.
1.3 Adviesvraag: hoe kan het onderwijsstelsel nu en in de toekomst zijn maat-
    schappelijke opdracht waarmaken?
    Om adequaat te kunnen anticiperen op (toekomstige) maatschappelijke ontwikkelingen en
    bestaande kwetsbare punten in het stelsel, is een integrale kijk op het stelsel nodig. De raad
    stelt zichzelf daarom de volgende vraag:
    Kan het onderwijs met het huidige stelsel zijn maatschappelijke opdracht nu en in de toekomst
    waarmaken?
    Totstandkoming van deel A, B en C van de Stand van educatief Nederland
    Om zicht te krijgen op de belangrijkste uitdagingen in het onderwijs en specifiek het onder-
    wijsstelsel zijn er kwantitatieve gegevens verzameld (deel C). Net als in eerdere edities van de
    Stand van educatief Nederland gebruikt de raad voor zijn analyse in deel C de opbrengsten van
    rapporten uit binnen- en buitenland. Het gaat bijvoorbeeld om Education at a Glance, waarin
    de internationale onderwijsindicatoren zijn opgenomen van de Organisatie voor Economische
    Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Andere voorbeelden zijn de Kerncijfers 2009-2013 van
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en het jaarlijkse Onderwijsverslag. De Staat van het Onder-
    wijs van de Inspectie van het Onderwijs. Aan de hand van deze kwantitatieve informatie bekijkt
    de raad hoe het onderwijs in Nederland ervoor staat. De raad beschouwt ontwikkelingen in
    cijfers over een termijn van vijf jaar en maakt daarbij een internationale vergelijking. Hij belicht
    de cijfers aan de hand van de criteria waarmee hij het onderwijs beoordeelt, te weten kwali-
    teit, toegankelijkheid, doelmatigheid, pluriformiteit en keuzevrijheid, sociale c­ ohesie en demo-
    cratie. De conclusies en analyse op basis van deze criteria liggen mede ten grondslag aan het
    advies in deel A.
    21   Onderwijsraad, 2014c, p.33.
    22   Onderwijsraad, 2014a; 2014c.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Deel B is thematisch en verdiepend en beschrijft de opvallendste verschuivingen in onderwijs-
beleid en onderwijspraktijk van de afgelopen vijf jaar. Op basis van een beleidsanalyse zijn de
thema’s die in het beleid van de afgelopen jaren aan de orde zijn gekomen, in kaart gebracht.
Er is een eerste verkenning gedaan mede gebaseerd op de adviezen van de Onderwijsraad
van de afgelopen jaren. Om na te gaan of de verkenning van beleidsthema’s compleet is, werd
een exploratieve inhoudsanalyse uitgevoerd op beleidsdocumenten die tussen 1 januari 2014
en 1 april 2018 zijn verschenen. In totaal zijn 84 verslagen van algemene overleggen tussen de
bewindslieden en de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en 665
beleidsbrieven van de minister en staatssecretaris aan de Tweede Kamer geanalyseerd. De uit-
komsten van de beleidsanalyse zijn getoetst bij mensen uit de praktijk. Er zijn twee focusgroe-
pen georganiseerd. De namen van deelnemers aan de focusgroepen zijn opgenomen in de lijst
achterin dit advies.
In deel A reflecteert de Onderwijsraad op het huidige onderwijsstelsel. Hiervoor zijn de rele-
vante cijfers en ontwikkelingen uit delen B en C gebruikt. Naast deze bronnen heeft de raad
een historische schets gemaakt van de ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijsstelsel
en de maatschappelijke en politieke factoren die hierop invloed hebben gehad. Het over-
zicht is geen uitputtende historische schets van het Nederlandse onderwijs, maar biedt zicht
op de belangrijkste kenmerken van het Nederlandse onderwijsstelsel. Deze zijn gebruikt bij
het formuleren van vertrekpunten voor aanpassingen aan het stelsel. Om zicht te krijgen op
de belangrijkste uitdagingen van de toekomst in het onderwijs, heeft de raad trends in beeld
laten brengen door Jester. De Stichting Toekomstbeeld der Techniek is gevraagd een aantal
toekomstscenario’s te schetsen.
Het gedifferentieerde Nederlandse onderwijsstelsel
    doctoraat
                                                                                          volwassen­
       wo         hbo                                                                      educatie
     master      master
                                                 mbo 4             mbo 3          mbo 2
       wo         hbo       associate                                                               entree­
    bachelor    bachelor     degree                                                               opleiding
                                               bol      bbl      bol     bbl    bol    bbl
                                                                   vmbo
                                                                                                                voortgezet
                                                                                                   praktijk­
           vwo            havo                                                                                    speciaal
                                                                                                  onderwijs      onderwijs
                                             theo­retisch   gemengd       kader     basis
                                                                                                   speciaal
                                                                                                                  speciaal
                                   basisonderwijs                                                    basis-      onderwijs
                                                                                                  onderwijs
                                                   voorschoolse educatie
26                                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Katern: de historische ontwikkeling
van het Nederlandse onderwijsstelsel
Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft diepe wortels in het verleden. Specifieke kenmerken
zoals de vroege selectie, de grote variëteit aan schoolsoorten en de scheiding tussen algemeen
vormend en beroepsonderwijs komen voort uit de geschiedenis. Daarbij speelden economi-
sche, sociale en culturele factoren mee, naast de inrichting van het staatsbestel, de overheids-
financiën en opvattingen over de staatstaak. Dit katern gaat in op de historische ontwikkeling
van het onderwijsstelsel. Welke schoolsoorten waren er en wat was de samenhang daartussen?
Waarom kwamen nieuwe schoolsoorten op? In welke behoefte(n) voorzag een schoolsoort?23
In hoeverre hingen die schoolsoorten samen met sociale posities en sociale mobiliteit in de
samenleving? De Swaan beschrijft de opkomst van het onderwijs als het onbedoelde resultaat
van maatschappelijke groepen die hun belangen probeerden veilig te stellen.24 Via het onder-
wijs kregen steeds meer groepen toegang tot welvaart en de gevestigde orde; maar wel op
hun eigen manier. Zo evolueerde het onderwijs tot een steeds gedifferentieerder stelsel. Perio­
diek vroeg dat om herordening van het stelsel. De geschiedenis van het onderwijsstelsel is te
lezen als een afwisseling van periodes van differentiatie om tegemoet te komen aan nieuwe
maatschappelijke eisen, en periodieke pogingen tot herordening en structurering.
Voor de periodisering wordt 1795, het jaar van de Bataafse Omwenteling, als markeerpunt
genomen. Met de omvorming van de confederale Republiek der Zeven Verenigde Nederlan-
den (1588-1795) tot een eenheidsstaat kwam er voor het eerst nationaal onderwijsbeleid. Voor-
heen was onderwijs een zaak van de gewesten, stads- en dorpsbesturen of van het particulier
initiatief.25
Telkens wordt aangehaakt bij onderwijswetten met belangrijke ingrepen in het stelsel.
Deelname aan schoolonderwijs
Aan de vraag naar de relatie tussen schoolsoorten en sociale posities gaat de vraag vooraf naar
deelname aan het schoolonderwijs überhaupt. Zolang er geen leerplicht geldt, is het aan de
ouders om kinderen wel of niet naar school te sturen. Wie vindt dan dat onderwijs nuttig is
voor zijn of haar kinderen? In hoeverre is het antwoord op die vraag sociaal gedetermineerd?
Voor elk beroep is er in de loop van enkele eeuwen een moment dat basaal en later voortge-
zet onderwijs belangrijk wordt.26 Sociale en culturele opvattingen over of onderwijs en zo ja,
welk type onderwijs passend wordt geacht voor mensen uit onderscheiden milieus, ­spelen
daarbij lange tijd een belangrijke rol; net als opvattingen over of onderwijs tot verbetering
van iemands maatschappelijke positie kan leiden. Daarbij komt natuurlijk de vraag wie het
zich financieel kan veroorloven om kinderen onderwijs te laten volgen. Niet alleen vanwege
de k­ osten van schoolgang, maar ook vanwege de inkomstenderving op korte termijn, door
het onttrekken van kinderen aan de arbeid. Naast schoolonderwijs zijn ook andere vormen en
plaatsen van leren, opleiden en opvoeden mogelijk. Denk aan huisonderwijs en praktijkleren.
23   Boekholt & De Booy, 1987, p.2.
24   De Swaan, 1988.
25   Peschar & Wesselingh, 1995.
26   Boekholt & De Booy, 1987, p.11.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>In de middeleeuwen ging bijna niemand naar school. Geletterdheid stond aan de basis van de
bestuursapparaten van overheid en kerk, en dat vroeg om enkele geschoolde lieden. Voor de
overgrote meerderheid van de burgers werd het echter niet nodig gevonden dat ze konden
lezen en schrijven. Vakkennis werd in de praktijk opgedaan, bijvoorbeeld binnen het meester-
gezelsysteem van de oude ambachtsgilden.
Geleidelijk vergden steeds meer beroepen kennis en vaardigheden die door schoolonderwijs
te verkrijgen waren. Tegelijkertijd nam vanaf de twaalfde eeuw het aantal scholen toe, waar-
door schoolonderwijs voor meer mensen nabijkwam. Vanaf de late middeleeuwen groeide het
aantal schoolgaande kinderen gestaag. Daarbij liepen de steden voor op het platteland. Ook
de middenlaag van de bevolking nam het voortouw; de bovenste en lagere sociale milieus
volgden pas later. De bovenlaag liet haar kinderen thuis onderwijzen. Aan de onderkant waren
kinderen onmisbaar bij het werk.
Het vooruitgangsgeloof van de verlichting betekende dat men tegen het eind van de acht-
tiende eeuw ervan overtuigd raakte dat de mens en zijn maatschappelijke positie verbeterd
kunnen worden. Armoede en werkloosheid werden voortaan gezien als oplosbare problemen,
en onderwijs als een belangrijk deel van de oplossing.27 De Maatschappij tot Nut van ’t Alge-
meen ging zich inzetten voor verbetering van het volksonderwijs. Gedurende de negentiende
eeuw nam de overheid maatregelen om het schoolbezoek te bevorderen. Vooral het verbod op
fabrieksarbeid voor kinderen (1874) betekende een forse toename van deelname aan school-
onderwijs. De invoering van de leerplicht in 1901, waardoor ouders hun kinderen tussen de 7 en
13 jaar op school of thuis onderwijs moesten laten volgen, was de laatste stap naar een situatie
waarin bijna iedereen onderwijs ontving.28
De deelname aan het voortgezet onderwijs bleef langere tijd beperkt. In deze sector vond de
groei de afgelopen eeuw plaats. Mede door de uitbreidingen van de leerplicht vanaf 1969 en
eisen vanuit de beroepspraktijk begonnen ook ouders uit lagere sociale milieus hun kinderen
middelbaar onderwijs te laten volgen. De overheid bevorderde dit om zo sociale ongelijkheid
te verminderen. Het hielp dat het onderwijs gratis werd, maar er waren ook culturele drempels
te overwinnen. Ouders uit de lagere sociale milieus moesten eraan wennen dat het voortge-
zet onderwijs ook voor ‘ons soort mensen’ is.29 Daarbij fungeerden nieuwe schoolsoorten zoals
het mulo en de ambachtsschool als springplank voor grote groepen in de samenleving om
door te leren. In 2007 kwam er een kwalificatieplicht voor jongeren tussen 16 en 18 jaar zonder
startkwalificatie.30
Het hoger onderwijs begon vanaf eind jaren zestig flink te groeien. Begin twintigste eeuw had
Nederland zich ten doel gesteld tot de sterkste kenniseconomieën van de wereld te gaan beho-
ren. Daartoe zou de helft van de Nederlandse beroepsbevolking hoger opgeleid moeten zijn.
Schoolsoorten voor 1795
Van een onderwijsstelsel was vóór 1795 geen sprake. Wel kwamen er diverse schoolsoorten
naast elkaar voor. Door het veelvuldig gebruik van schrift bij bestuur en handel was sinds de
late middeleeuwen de behoefte aan geletterden gegroeid, terwijl de Kerk scholen ook zag als
27   Los, 2012.
28   Boekholt & De Booy, 1987, p.160, 169.
29   Boekholt & De Booy, 1987, p.257 e.v.
30   Als startkwalificatie gelden: havo-diploma, vwo-diploma, mbo 2-diploma, mbo 3-diploma en mbo 4-diploma. De plicht houdt in dat
     zij volledig dagonderwijs volgen of een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg.
28                                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre> instrumenten om kinderen op te voeden in de godsdienst en christelijke deugden. Daartegen-
 over stonden de behoeften van ouders.
 In de praktijk bleek elke schoolsoort min of meer te corresponderen met een of enkele lagen
 uit de bevolking.31 Het ‘ancien regime’ kenmerkte zich door een samenleving met een sterk
standsbewustzijn. Iedereen werd geacht een eigen, vaste plaats in de samenleving te hebben.
Dat bewustzijn werkte door in schoolvoorkeuren en opvattingen over nut en noodzaak van
onderwijs voor de eigen kinderen, afhankelijk van wat mensen passend vonden bij het eigen
milieu. Zo kreeg elke bevolkingsgroep in de stad een eigen type onderwijs, met een eigen
programma en eindperspectief. Op het platteland, waar te weinig leerlingen voor meerdere
scholen waren, kwamen de middenlaag en de onderlaag in de school samen, maar werd bin-
nen de school onderscheid gemaakt. Ouders die het zich konden veroorloven, betaalden bij
voor extra onderwijs.
In de veertiende eeuw namen veel stadsbesturen het lager onderwijs over, omdat zij zich
­verantwoordelijk voelden voor de lokale gemeenschap en het economisch verkeer.32 De con-
 centratie van mensen betekende dat er voldoende leerlingen waren voor een goede school,
 terwijl de concentratie van handel en nijverheid betekende dat er behoefte was aan mensen
 die enigszins konden lezen en schrijven. Leerlingen van alle leeftijden zaten bij elkaar. In het
 algemeen waren er meer jonge leerlingen dan oudere. Veel ouders vonden dat hun kinderen
 na een paar jaar genoeg geleerd hadden en thuis niet langer gemist konden worden of dat de
 tijd gekomen was om in de leer te gaan. Hoe beter de maatschappelijke positie van de ouders,
 des te langer de kinderen naar school gingen. School was er namelijk niet voor de beroeps-
 vorming. Vakkennis leerden kinderen thuis of ze gingen in de leer bij een meester binnen de
 ambachtsgilden.
 Stadsbesturen voorzagen in onderwijs voor kinderen uit de lagere milieus. Stadsarmenscholen
 waren gratis toegankelijk, terwijl normaliter schoolgeld verschuldigd was. Weeshuizen hadden
 interne schooltjes en zorgden dat kinderen een vak leerden.
 In die tijd was het onderwijs in veel steden gesplitst in een school waar alleen godsdienst en
 basale schrijf- en leesvaardigheid onderwezen werden, en een school waar ook meer gevor-
 derde vakken gegeven werden en die daarmee tot het hoger onderwijs werd gerekend. De
 eerste is de ‘Nederduitse school’ gaan heten en de tweede de ‘Latijnse school’. In de geest van
 het humanisme van de renaissance werd de Latijnse school het instituut voor opvoeding in het
 cultureel beschavingsideaal van de klassieke traditie.33 De Latijnse school was alleen wegge-
 legd voor wie het zich kon veroorloven; een elitaire vorm van onderwijs voor academici en de
 regentenklasse (voor zover men niet koos voor huisonderwijs), als opmaat naar de universiteit
 en daarna de wetenschap of hogere functies in rechtspraak en bestuur. Aan het begin van de
 Republiek was er voor wie het zich kon veroorloven nog wel mogelijkheid tot sociale mobiliteit.
 In de achttiende eeuw werd de regentenklasse meer gesloten. Daarmee sloot ook de Latijnse
 school zich in sociale zin af.
  Vanuit particulier initiatief kwamen ook andere typen scholen op, met een afwijkend program-
 ma en beroepsperspectief. Er was behoefte aan een brede vorming en aan opleiding in meer
 praktijkrelevante vakken zoals rekenen, boekhouden en eigentijdse talen. De reguliere stads-
 31   Boekholt & De Booy, 1987; Idenburg, 1964; Matthijssen,1979.
 32   Wagenaar, Kerkhoff & Rutgers, 2011, p.73.
 33   Lesaffer, 2004, p.305-315.
 Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>school bood te weinig vorming en de Latijnse school juist te veel en was bovendien te theo-
retisch. Ook de opkomende natuurwetenschappen vroegen een plek in het onderwijs. Onder
de naam Franse school ontstond een scala aan scholen met een moderner vakkenpakket. Het
waren particuliere scholen voor kinderen van de gegoede burgerij. In leerlingaantallen over-
trof de Franse school de Latijnse al snel. Daarnaast kwamen er gespecialiseerde, particuliere
bijscholen die bijvoorbeeld alleen onderwijs in boekhouden verzorgden. Voor jonge kinde-
ren waren er bewaarscholen, in wezen een vorm van kinderopvang waar ze soms ook al enig
onderwijs kregen.
Van scholen voor beroepsonderwijs was niet of nauwelijks sprake. Een beroep werd in de prak-
tijk geleerd. In de achttiende eeuw ontstonden wel tekenscholen voor onderricht in (bouw-
kundig) tekenen. Er kwamen ook fabrieksscholen, bijvoorbeeld voor spinners en wevers, en
enkele ‘konstscholen’ ter voorbereiding op specifieke, veelal technische beroepen, zoals archi-
tect, landmeter en stuurman.
Universitair onderwijs was er lange tijd niet in de Nederlanden. Studenten moesten naar Duits-
land, Frankrijk of verder. In 1425 werd de Leuvense universiteit opgericht. Na het begin van
de Nederlandse Opstand aan het eind van de zestiende eeuw, stichtte vrijwel elk gewest een
eigen universiteit. Het onderwijs werd er in het Latijn verzorgd, zodat de Latijnse school (of
privé­onderwijs) een noodzakelijke vooropleiding was. Met het oog daarop gingen de gewes-
telijke overheden de Latijnse school reguleren en uniformeren.
Schoolsoorten 1795-1863
De Bataafse Omwenteling van 1795 betekende dat het grootste deel van het huidige Neder-
land voor het eerst een centraal bestuurde eenheidsstaat ging vormen. De centrale overheid
trok de verantwoordelijkheid voor het lager onderwijs naar zich toe en trad regelend op. De
Schoolwet van 1806 stond voor een overgang naar klassikaal onderwijs en voor de openbare
school met een algemeen-christelijk karakter. Met de Schoolwet van 1857 voerde de wetgever
het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo) in.34 Hoewel men deze vorm van vervolgonderwijs
nog tot het lager onderwijs rekende, werd het op het platteland dé mogelijkheid voor voort-
gezet onderwijs.
Voorlopig liet de centrale overheid het middelbare onderwijs ongemoeid en bleef de diversi-
teit aan schoolvormen bestaan. Algemene vorming stond voorop. Voorlopig hield men vast
aan de gedachte dat een beroep in de praktijk geleerd wordt. Met de afschaffing van de gil-
den verdween de geregelde leertijd. Wel kwamen er gespecialiseerde instituten zoals een
opleiding voor civiele ingenieurs in Delft. Ook kwamen scholen voor handelsonderwijs op en
kweekscholen voor onderwijzers.
In het hoger onderwijs veranderde weinig. Dat bleef een kwestie van een beperkt, zelfs ­kleiner
wordend aantal hogescholen en athenea. De hogescholen kwamen in 1815 wel onder het
gezag van de staat.35 De Latijnse school bleef bestaan, hoewel deze steeds minder leerlingen
trok.36 De intellectuele elite hield vast aan de humanistische onderwijstraditie waarin zij zelf
was grootgebracht. Bovendien bleef de Latijnse school de enige georganiseerde voorberei-
ding op het wetenschappelijke onderwijs. Meerdere Latijnse scholen voerden overigens twee-
de afdelingen in met een moderner vakkenpakket.
34   Met de Schoolwet van 1878 verdween de term mulo formeel, maar deze onderwijsvorm bleef in de praktijk voortbestaan.
35   Zoontjens, 1999, p.191.
36   Boekholt & De Booy, 1987, p.120.
30                                                                                                Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Schoolsoorten 1863-1920
Terwijl het lager onderwijs in de voorgaande periode geregeld was, stonden de volgende
decennia in het teken van ingrijpende wijzigingen in het middelbaar en het beroepsonderwijs.
De Wet op het middelbaar onderwijs van 1863 bracht enig systeem in de veelheid aan school-
vormen. Burgerscholen, hogereburgerscholen (hbs) en middelbare scholen voor meisjes
(mms) kwamen ervoor in de plaats. De burgerschool bood een tweejarig programma gericht
op algemene vorming voor ambachtslieden en boeren. Aan vakopleiding werd niet gedaan;
daaraan bleek de doelgroep geen behoefte te hebben. Die gaf de voorkeur aan het mulo of
de ambachtsschool. De burgerschool werd dan ook geen succes. Voor de hbs lag dat anders.
Met name de vijfjarige variant werd dé school voor de gegoede burgerij.37 Ook hier ging het
om algemeen vormend onderwijs. Toch was de school bedoeld als opleiding voor mensen die
in de handel, nijverheid en bij de overheid aan de slag zouden gaan.38 In de praktijk bleken de
meeste leerlingen echter verder te studeren. Via toelatingsexamens konden zij naar de univer-
siteit, totdat de wetgever aan het hbs-diploma een eigenstandig recht op toelating verbond.
De mms bood een lesprogramma afgestemd op meisjes. Al na enkele jaren werden zij echter
ook aan de hbs en het gymnasium toegelaten.
Schoolsoorten 1863
                                                                        863
 h       r onderwijs
                            hogeschool
                            gymnasium
     d          onderwijs                                                                                               nijverheidsonderwijs
                                                                                  polytechnische
                                                                                                                         ambachtsschool   industrieschool
                                                                                      school
            middelbare               burgerschool                 hbs                  hbs                kweekschool                                       tekenschool
           meisjesschool                                                              5
          nderwijs
                                meer uitgebreid lager onderwijs                        herhalingsschool
                                                                  lagere school
                                                                  bewaarschool
Tegelijkertijd werd de Latijnse school omgevormd tot het gymnasium. Dat bleef een wat afge-
zonderde school voorbereidend op een leven in de wetenschap en geestelijk leiderschap in
de samenleving; een leven dat maar voor weinigen was weggelegd. Het vroeg-negentiende-
eeuwse Bildung-ideaal voorzag het gymnasium daarbij van een nieuwe basis: de gedachte van
een brede ontplooiing van de persoon van de leerling.39 In de laatste twee jaren kwam er een
splitsing tussen een alfa- en een bètatraject. Ondertussen nam de behoefte aan academisch
37       Matthijssen, 1979.
38       Boekholt & De Booy, 1987, p.266.
39       Boekholt & De Booy, 1987, p.180-181.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>onderwijs toe en verloor het Latijn zijn status als officiële taal van de wetenschap. Daarmee
kreeg het gymnasium concurrentie van andere onderwijsvormen als toegangsweg naar de
universiteit.
De wetgever bleef in de negentiende eeuw vasthouden aan het standpunt dat de overheid er
was voor algemeen vormend onderwijs en dat een beroep in de praktijk geleerd moest wor-
den. Het beroepsonderwijs ontwikkelde zich daarom van onderop. Op initiatief van gemeen-
ten en particulieren kwamen er steeds meer gespecialiseerde vakopleidingen. De industria-
lisatie en de opkomst van de dienstensector vroegen namelijk om een anders vormgegeven
beroepsvoorbereiding. In de industrie kwamen bedrijfsscholen en het leerlingwezen op.40 De
belangrijkste nieuwkomers waren de huishoudschool en de ambachtsschool.41 De ambachts-
school combineerde theoretisch en praktisch onderwijs voor algemeen technische vorming
binnen een school. De overheid begon dat vakonderwijs pas rond 1900 te bekostigen.
De universiteiten behielden hun positie. In 1905 erkende de wetgever ook de polytechnische
school in Delft en de hogere handelsschool als vormen van hoger onderwijs.
Schoolsoorten 1920-1968
Begin negentiende eeuw ontwikkelde de bewaarschool zich steeds meer in de richting van
voorbereidend onderwijs. Het kleuteronderwijs maakte getalsmatig een groei door, al bleef
het particulier. Een wettelijke regeling kwam er pas in 1955: de Kleuteronderwijswet.
Het in 1917 bereikte compromis over de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder
onderwijs vroeg om nieuwe wetgeving voor het lager onderwijs. Die kwam er in 1920. De
Lager­onderwijswet onderscheidde gewoon lager onderwijs, uitgebreid lager onderwijs en
buitengewoon lager onderwijs. Daarmee was er geen verschil meer in programma en eind-
perspectief naar type lagere school, afhankelijk van de bevolkingsgroep waartoe leerlingen
behoorden. Het ulo betrof in wezen vervolgonderwijs in de vorm van kopklassen boven op de
lagere school. Geleidelijk zou het zich tot een zelfstandig schooltype ontwikkelen: het mulo.
Met het buitengewoon (later: speciaal) onderwijs kwamen er scholen specifiek voor kinderen
met lichamelijke of geestelijke beperkingen. De invoering van de leerplicht maakte dat nodig.42
Voorheen gingen die kinderen doorgaans niet naar school. Binnen het buitengewoon onder-
wijs ontstonden allerlei specialisaties.43
In deze periode maakte het middelbaar onderwijs een forse groei door. Onderwijs (‘doorleren’)
werd de motor voor sociale mobiliteit. De dominant geworden middenklasse wilde voortgezet
onderwijs. Ook het bedrijfsleven en de overheid hadden behoefte aan hogeropgeleid perso-
neel. Dat werd versterkt door de economische groei van de naoorlogse decennia. Algemeen
vormend onderwijs bleef daarbij voorop staan. De hbs kreeg in 1916 een gereguleerd program-
ma met twee afdelingen (hbs-a en hbs-b). Begin twintigste eeuw kwam er een nieuwe school-
soort bij. Het lyceum bood na een gemeenschappelijke onderbouw zowel hbs als gymnasium
aan.
40   Het leerlingwezen is een onderwijsvorm waarin leerlingen een deel van de week werkzaam zijn in een bedrijf. Het is de latere
     beroepsopleidende leerweg in het middelbaar beroepsonderwijs.
41   Matthijssen, 1979.
42   De leerplicht maakte ook scholen nodig voor kinderen van de trekkende bevolking, zoals schippers en kermisexploitanten.
43   Bolkestein & Menkveld, 1978; Bronneman-Helmers, 2011.
32                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Schoolsoorten 1968
                                                                1968
        onderwijs
                 onderwijs
                                          hbo                  mbo
                  vwo
     gymnasium
                                                                                                      individueel lbo
                             atheneum
                                                                          lavo             lbo
                                          havo                 mavo
                    lyceum
                                        brugklas                       brugklas lavo   brugklas lbo
 Met de Nijverheidsonderwijswet kwam er in 1921 een regeling voor het beroepsonderwijs.
 Binnen de takken van het nijverheidsonderwijs werd onderscheid gemaakt tussen laag en mid-
 delbaar onderwijs. Zo kwam in het technisch onderwijs naast de ambachtsschool (sinds 1949
 de lagere technische school, lts) de middelbare technische school (mts) op. De wetgever liet
 veel open, om het onderwijs de kans te geven zich aan de veranderende beroepspraktijk aan
 te passen. Dat leidde tot steeds weer nieuwe specialisaties en schooltypen.44 De ambachts-
school maakte een enorme groei door. Samen met het mulo werd deze de school waarlangs ‘de
­massa’ het voortgezet onderwijs zou bereiken. Hoewel de Nijverheidsonderwijswet het leer-
 lingwezen formaliseerde, betekende zij toch de stap naar een hybride systeem van beroeps­
 onderwijs waarin opleiden en werk van elkaar gescheiden zijn.45
In het onderwijs kwam meer voorop te staan dat iedereen de kans moet krijgen om zijn poten-
tiële ‘deskundigheden’, in het bijzonder intellectuele capaciteiten, maximaal te ontplooien.
Tegelijk was er behoefte aan meer samenhang en een betere aansluiting tussen de school­
soorten. Men begon over het onderwijs na te denken als een samenhangend geheel – een ‘sys-
teem’ – met diverse begaafdheidsniveaus en een structuur met horizontale en verticale door-
stroommogelijkheden. Er werden pogingen gedaan het onderwijs in een nieuwe regeling te
vatten, maar steeds liepen die stuk op verzet vanuit wisselende groepen. De hogere stand wil-
de het gymnasium behouden als exclusieve route naar de universiteit, terwijl de katholieken en
protestanten zich keerden tegen iedere vorm van overheidsregulering en afgedwongen een-
vormigheid van het middelbaar onderwijs. Pas na de Tweede Wereldoorlog kregen pogingen
tot herordening een reële kans. De wederopbouw vereiste een grotere deelname van jongeren
aan het voortgezet onderwijs. In 1947 was slechts 39 procent van de 15-jarigen nog op school. 46
Een belangrijke poging van herordening was de onderwijsnota die minister Rutten in 1951 naar
44    Matthijssen, 1979; De Bruijn, Billett & Onstenk, 2017.
45    De Bruijn, Billett & Onstenk, 2017.
46    Slaman. Bardoel, Beer & Ten Dam, 2018.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>de Kamer verstuurde. In onderwijskringen juichte men het initiatief van Rutten toe om een
integraal voorstel voor de inrichting van het onderwijsstelsel op te stellen, maar op onderdelen
liep de waardering uiteen. Er volgde nog vijftien jaar maatschappelijke en politieke discussie
voordat overeenstemming werd bereikt over een herziening van het onderwijsstelsel.
De stelselherziening kreeg zijn beslag in de Mammoetwet van 1968 (Wet op het voortgezet
onderwijs). In de Mammoetwet kreeg ook beroepsonderwijs een plek. Het beroepsonderwijs
werd altijd voorafgegaan door algemeen vormend onderwijs. Het moment waarop het voort-
gezet onderwijs zich op de beroepsvorming ging richten, hing samen met de aanleg van het
kind. Dit tijdstip viel later naarmate de intellectuele begaafdheid van de leerling groter was.47
Bij beide takken werden drie niveaus onderscheiden: laag, middelbaar en hoog. Daarmee heeft
Nederland anders dan de meeste andere landen een knip in de beroepskolom.48 Het mulo ging
over in het mavo, en de mms ging op in het havo. Naast de algemeen vormende schoolsoorten
die als opmaat naar het beroepsonderwijs fungeerden, stond het voorbereidend wetenschap-
pelijk onderwijs. Het vwo kende drie typen scholen: het gymnasium, het atheneum (de nieuwe
benaming voor de hbs) en het lyceum, dat een combinatie van de twee andere typen bleef.
De wet voorzag in brugklassen. Na de brugklas werd de leerling definitief in een bepaalde
schoolsoort geplaatst. Nieuw was ook de invoering van gedifferentieerde eindexamens, waar-
door leerlingen niet meer in alle vakken eindexamen hoefden te doen. De centraal georgani-
seerde, uniforme eindexamens zijn een voorbeeld van hoe de overheid door regelgeving en
toezicht een uniformerend effect had op de inhoud van het onderwijs.
Schoolsoorten 1968-heden
De Wet op het basisonderwijs (1981) voegde de kleuterschool en de lagere school samen tot
een basisschool. Daarnaast is de relatie tussen het reguliere onderwijs en het speciaal onder-
wijs aan verandering onderhevig geweest. De Wet op het primair onderwijs van 1998 doorbrak
de strikte scheiding tussen beide door het ‘weer samen naar school’-beleid. Het speciaal basis-
onderwijs – de lom-scholen, mlk-scholen en scholen voor in ontwikkeling bedreigde kleuters
(iobk) – werd voortaan tot het primair onderwijs gerekend.
Bij het speciaal voortgezet onderwijs gebeurde iets vergelijkbaars. Delen van het voortgezet
speciaal onderwijs (vso-lom en vso-mlk) werden in de wet voor het reguliere onderwijs opge-
nomen in de vorm van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs. De andere scholen voor
speciaal onderwijs vallen sinds 2003 onder de Wet op de expertisecentra.49
Vervolgens is in 2014 passend onderwijs ingevoerd. Onderdeel daarvan is het bevorderen van
de samenwerking tussen scholen voor regulier en speciaal (voortgezet) onderwijs. Daartoe zijn
nieuwe regionale samenwerkingsverbanden in het leven geroepen.
Het voortgezet onderwijs was onder de Mammoetwet nog steeds sterk gedifferentieerd. Het
stelsel bleef uitgaan van het onderscheid tussen ‘handwerk’ en ‘hoofdwerk’, tussen beroeps-
en algemeen vormend onderwijs. In het door de jaren zestig gevoede gelijkheidsdenken keek
men kritisch naar de geringe toegankelijkheid van de universiteit voor de lage inkomensgroe-
pen en de mindere kansen voor meisjes om door te studeren.50 Dat leidde in de jaren zeventig
47   Idenburg, 1964.
48   Westerhuis, 2015.
49   Bronneman-Helmers, 2011.
50   Slaman, Bardoel, Beer & Ten Dam, 2018.
34                                                                        Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>tot maatschappelijke discussie over het onderwijsstelsel.51 De Contourennota van 1975 bevatte
het voorstel voor een middenschool voor alle 12- tot 15- of 16-jarigen. Dit voorstel leidde tot
heftige politieke discussies en een langdurige impasse rond de inrichting van de eerste fase
van het voortgezet onderwijs.52 De middenschool zou op elke school verplicht moeten worden
ingevoerd om te voorkomen dat de meest kansrijke leerlingen zich terugtrokken op aparte
categorale scholen. De middenschool kreeg het imago van eenvormigheid en dwang en kwam
er uiteindelijk niet.53 Begin jaren negentig werden wel gemeenschappelijke kerndoelen opge-
steld voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, ongeacht de schoolsoort.
Schoolsoorten 2002
                                       Schoolsoorten 2002
    doctoraat
                                                                                               volwassen-
        wo              hbo                                                                     educatie
      master          master
                                                        mbo 4            mbo 3         mbo 2
        wo              hbo         associate                                                           entree-
     bachelor        bachelor        degree                                                           opleiding
                                                      bol     bbl      bol    bbl    bol    bbl
                                                                         vmbo
                                                                                                       praktijk- voortgezet
           vwo                    havo                                                                onderwijs   speciaal
                                                                                                                 onderwijs
                                                    theoretisch   gemengd      kader     basis
                                                                                                       speciaal
                                           basisonderwijs                                                basis-   speciaal
                                                                                                                 onderwijs
                                                                                                      onderwijs
                                                         voorschoolse educatie
In 1997 kwamen er met de ‘tweede fase’ profielen voor de bovenbouw van havo en vwo.
Twee jaar later werd het lbo samengevoegd met het mavo tot het voorbereidend middelbaar
beroepsonderwijs (vmbo) met vier leerwegen: de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerich-
te, gemengde en theoretische leerweg.
In 1996 werden de opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs uit de Wet op het voort-
gezet onderwijs gelicht.54 Ze kregen een eigen wettelijk kader, de Wet educatie en beroeps-
onderwijs. De wetgever wilde meer samenhang creëren in het brede aanbod van beroeps-
opleidingen, en meer verbindingen leggen tussen middelbaar beroepsonderwijs en allerlei
korte opleidingen en cursussen voor volwassenen. Veel opleidingen zoals de mts en het meao
gingen op in de nieuwgevormde regionale opleidingencentra. De opleidingen werden geor-
dend in vier niveaus: (1) de assistent-opleiding (inmiddels vervangen door de entree­opleiding),
(2) de basisberoepsopleiding, (3) de vakopleiding en (4) de middenkaderopleiding en de
specialistenopleiding.
51   Contouren van een toekomstig onderwijsbestel van minister Van Kemenade (PvdA).
52   Bronneman-Helmers, 2011.
53   Slaman, Bardoel, Beer & Ten Dam, 2018.
54   Zoontjens, 1999, p.175.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Het hoger onderwijs maakte de afgelopen decennia enkele ingrijpende wijzigingen door. In
1981 werd voor het wetenschappelijk onderwijs een tweefasenstructuur ingevoerd. De kandi-
daatsfase kwam te vervallen. De eerste fase bestond uit het doctoraal, beginnend met de pro-
pedeuse en eindigend met een afstudeerrichting. Bij de meeste studies ging de studieduur van
zes naar vier jaar. De tweede fase, het promotieonderzoek, leidde vervolgens tot het doctoraat.
In 1986 lichtte de wetgever het hoger beroepsonderwijs uit het voortgezet onderwijs. Met de
Wet op het hoger beroepsonderwijs kregen hogescholen een eigen plek binnen het hoger
onderwijs.55 Daarmee kreeg Nederland een binair stelsel voor hoger onderwijs, met hoger
beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs naast elkaar. In 1993 kwamen beide vormen
van onderwijs onder één wet te vallen, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek.
In 2002 kreeg het hoger onderwijs een structuur met drie fasen naar aanleiding van Europese
afspraken omwille van de internationale vergelijkbaarheid van graden: de bachelorfase (drie of
vier jaar), de masterfase (een of twee jaar) en het doctoraat. Tegelijkertijd werd een accredita-
tiesysteem ingevoerd.
In 2017 werd de associate degree toegevoegd aan het hoger onderwijs. Dat is een tweejari-
ge studie in het hbo, vooral bedoeld voor mbo 4-studenten en mensen met een aantal jaren
werkervaring.
Variatie in onderwijsconcept
Naast het onderscheid in schoolsoorten zijn er nog andere insteken die leiden tot variatie in het
onderwijsbestel. Vanaf het begin van de twintigste eeuw kwamen naast het ‘reguliere’ onder-
wijs andere onderwijsconcepten op, zoals het montessorionderwijs, het daltononderwijs, het
jenaplanonderwijs en tweetalig onderwijs. Het Nederlandse onderwijsbestel is bovendien
duaal ingericht. Naast scholen die door of vanwege een overheid in stand gehouden worden
(openbaar), staan scholen die voortkomen uit particulier initiatief en in stand gehouden wor-
den door private personen of organisaties (bijzonder).56 Van oudsher komen beide vormen in
Nederland naast elkaar voor.
In de Republiek vielen de reguliere scholen doorgaans onder het stads- of dorpsbestuur met
een nauwe band met de gereformeerde kerk, maar waren er ook particuliere scholen. Die laat-
ste werden niet door een overheid bekostigd en slechts beperkt gereguleerd. Aan de band
tussen school, overheid en officiële kerk kwam in de Bataafs-Franse tijd een einde. Onder de
Schoolwet van 1806 moest de openbare school een algemeen-christelijk karakter hebben.57
Leerstellig onderwijs werd uitgesloten. De Grondwet van 1814 droeg de zorg voor het publiek
bekostigde onderwijs op aan de overheid.
Sommige groepen in de samenleving – katholieken, joden en orthodox-protestanten – kon-
den zich niet vinden in het karakter van de openbare school.58 Zij streefden naar leerstellig
onderwijs vanuit de eigen godsdienst of levensbeschouwing. Voor de stichting van bijzondere
55  De in het hoger onderwijs al bestaande ‘hogescholen’ noemden zich voortaan universiteit.
56  De overheid verstrekt alleen bekostiging als de bijzondere school in stand gehouden wordt door een rechtspersoon die geen
    winstoogmerk heeft (artikel 55 WPO; artikel 57 WEC; artikel 49 WVO). In het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs
    heeft een bijzondere instelling altijd rechtspersoonlijkheid (artikel 1.1.1, onder d, WEB; artikel 1.1, onder g jo. i of onder aa, WHW).
57  Braster, 2006.
58  Rietveld-Van Wingerden, Sturm & Miederna, 2003.
36                                                                                                            Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>lagere scholen was echter toestemming van het departementale of gemeentebestuur nodig.
De Grondwet van 1848 en de Schoolwet van 1857 brachten daar verandering in door de vrijheid
van onderwijs vast te leggen en uit te werken. Voortaan was iedereen vrij een school te stich-
ten en onderwijs te geven onder de voorwaarde van overheidstoezicht. Van subsidie voor de
bijzondere school was echter nog geen sprake.
Daarnaast bevatte de wet maatregelen om het onderwijs te verbeteren. Zo werd het aantal leer-
lingen per onderwijzer gemaximeerd. Dat maakte het onderwijs duurder, wat het niet-bekos-
tigde bijzonder onderwijs nog verder op achterstand zette. Nu de eerste slag in de school-
strijd gewonnen was, gingen voorstanders van bijzonder onderwijs zich daarom inzetten voor
overheidsbekostiging van hun scholen. De principiële stap daarnaartoe werd gezet met de
wet-Mackay van 1889. Bijzondere scholen kregen een gedeeltelijke subsidie van de rijksover-
heid. Met de Pacificatie van 1917 volgde de financiële gelijkstelling van beide vormen, met als
tegenhanger de bevoegdheid van de overheid om ook aan het bijzonder onderwijs deugde-
lijkheidseisen en bekostigingsvoorwaarden te stellen. De grondwettelijke overheidszorg werd
verbreed tot het hele onderwijs. Ook erkende de grondwetgever dat bijzondere scholen eigen
godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen in het onderwijs tot uitdrukking mogen
brengen (de vrijheid van richting) en een zekere vrijheid genieten ten aanzien van hun interne
organisatie en hoe zij hun onderwijs vormgeven (de vrijheid van inrichting).59
In de tweede helft van de negentiende eeuw was al een behoorlijk aantal bijzondere lagere
scholen ontstaan, nu groeide het bijzonder onderwijs fors verder. In de loop van de twintigste
eeuw volgde het voortgezet onderwijs. In 1909 kreeg een bijzondere hbs voor het eerst sub-
sidie van het Rijk. Op financiële gelijkstelling moest hier tot 1956 gewacht worden. Ook in het
hoger onderwijs kwamen er bijzondere instellingen.
Zo ontstond een verzuild bestel,60 waarin de meerderheid van de scholen privaat is, maar
publiek bekostigd wordt. Naast de traditionele richtingen – rooms-katholiek, joods en protes-
tants-christelijk (met diverse substromingen) – kwamen er in de afgelopen eeuw richtingen
bij, omdat andere stromingen met voldoende maatschappelijke inbedding ook eigen s­ cholen
wilden, zoals de vrije scholen (antroposofie), islamitische, hindoeïstische en humanistische
scholen. Het openbaar onderwijs is vanaf de jaren negentig door bestuurlijke verzelfstandi-
ging verder van de overheid komen te staan. Sinds 2006 laat de Grondwet voor uitzonderings­
gevallen ook toe dat in één school zowel openbaar als bijzonder onderwijs verzorgd wordt: de
samenwerkingsschool.
59   Mentink, Vermeulen & Zoontjens, 2018.
60   De Rooy, 2005.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>38 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>  De raad ziet drie knelpunten ontstaan in het onderwijsstelsel. Twee
  daarvan hangen samen met de differentiatie in het onderwijsstelsel en
  een met een grotere behoefte aan scholing en vorming gedurende de
  hele levensloop.
2 Doorgeschoten differentiatie en het
  ontbreken van permanente educatie
  in het onderwijsstelsel vragen om
  herziening
  Het gaat over het algemeen goed met de kwaliteit van het onderwijs in Nederland. Als het
  echter gaat om de toegankelijkheid en de bijdrage van het onderwijs aan sociale samenhang,
  is het onderwijsstelsel onder druk komen te staan. Hierdoor kan het onderwijs zijn maatschap-
  pelijke opdracht onvoldoende vervullen.
  Reflecterend op de ontwikkelingen beschreven in deel C, deel B en de toekomstscenario’s, ziet
  de raad drie knelpunten ontstaan in het onderwijsstelsel. Twee daarvan hangen samen met
  de differentiatie in het onderwijsstelsel. De differentiatie (1) versterkt de tendens van sociale
  segmentering en verkleint de mogelijkheden van het onderwijs om bij te dragen aan sociale
  samenhang in de maatschappij, en (2) draagt eraan bij dat overgangsbeslissingen die vroeg
  in de schoolloopbaan worden genomen, steeds belangrijker worden. Daardoor krijgen som-
  mige groepen leerlingen en studenten minder kansen in het onderwijs. Het derde knelpunt
  hangt samen met een grotere behoefte aan scholing en vorming gedurende de hele levens-
  loop. Deze scholing en vorming zijn niet alleen een verantwoordelijkheid van individuen, maar
  ook van bedrijven en de overheid. Echter, (3) permanente educatie is geen onderdeel van de
  huidige onderwijsvoorzieningen binnen het stelsel. Deze knelpunten worden uitgewerkt in
  paragrafen 2.2 tot en met 2.4.
  Het huidige onderwijsbeleid is vooral gericht op afzonderlijke sectoren. Maatregelen worden
  onvoldoende in het brede perspectief van het onderwijsstelsel geplaatst. Het gevaar bestaat
  dat het opeenstapelen van kleine beleids- of wetsmaatregelen het stelsel verandert, maar niet
  altijd in de gewenste richting en zonder dat onderliggende knelpunten voldoende worden
  aangepakt. De raad vindt dat er een fundamentele bezinning nodig is op de inrichting van het
  onderwijsstelsel om deze op onderdelen aan te passen. Een goede inrichting van een onder-
  wijsstelsel is complex. De raad geeft geen blauwdruk of ontwerp van een nieuw stelsel. Wel
  biedt de raad een kader aan om de gedachtevorming en discussie over aanpassingen aan het
  stelsel richting te geven. Hiertoe heeft de raad vijf vertrekpunten geformuleerd die hij presen-
  teert in hoofdstuk 3.
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>2.1 Differentiatie in het onderwijs is doorgaans nuttig en nodig
     Differentiatie is over het algemeen functioneel
     Differentiatie wordt beschouwd als de manier om in het onderwijs om te gaan met verschillen.
     Het begrip differentiatie kent meerdere definities, maar de meest gangbare is die van De Koning
     (1973, p.3): “Het doen ontstaan van verschillen tussen delen (bijvoorbeeld scholen, afdelingen,
     klassen, groepen of individuele leerlingen) van een onderwijssysteem (bijvoorbeeld onderwijs-
     stelsel, scholengemeenschap, afdeling of klas) ten aanzien van één of meerdere aspecten (bij-
     voorbeeld doelstellingen, niveau of instructiemethoden)”. 61 Op het niveau van het onderwijs-
    stelsel wordt in Nederland gedifferentieerd naar onderwijssectoren, zoals het basisonderwijs
    en het middelbaar beroepsonderwijs. Binnen de sectoren bestaan er schoolsoorten (zoals het
    vmbo en het vwo), niveaus (zoals mbo 2, 3 en 4), leerwegen (zoals vmbo kaderberoepsgerichte
    leerweg en de beroepsopleidende leerweg in het mbo) en opleidingen (bachelors en masters).
    Hiermee wordt dus niet de differentiatie in de klas bedoeld, waarbij het onderwijs wordt afge-
    stemd op verschillende (groepjes) leerlingen of studenten.
    De differentiatie in het stelsel is binnen grenzen functioneel. Hij ordent het onderwijs in een
    structuur die richting en ruimte geeft aan de verdere invulling en organisatie daarvan. Ook
    biedt hij mogelijkheden voor leerlingen en studenten om zich op diverse manieren door het
    onderwijs te bewegen. Ook jongeren van wie op een bepaald moment nog niet duidelijk is
    welke capaciteiten en interesses zij hebben, krijgen de kans zich te ontwikkelen en zich te
    ­k walificeren op een passend niveau of binnen een geschikte opleiding.62
    Veel differentiatie naar onderwijsniveau en grote variëteit naar onderwijsconcept
    Veel kenmerken van het huidige onderwijsstelsel vinden hun oorsprong in de afgelopen twee
    eeuwen. Lange tijd bestonden schoolsoorten min of meer naast elkaar, gericht op een eigen
    doelgroep en doelstellingen en met eigen verantwoordelijke partijen. In de loop van de twin-
    tigste eeuw werden al deze soorten samengenomen en gecentraliseerd tot een omvattend en
    zeer uitgebreid onderwijsstelsel (zie katern). Van oudsher wordt in het Nederlandse onderwijs
    omgegaan met verschillen tussen leerlingen en jongeren door indeling in schoolsoort, leer-
    weg of opleiding.63 Voorheen gebeurde deze differentiatie voor een belangrijk deel op basis
     van standen, tegenwoordig gebeurt dat vooral op basis van (cognitief) niveau.
     Zeker in vergelijking met andere landen zoals Finland, Vlaanderen en Duitsland is het Neder-
     landse onderwijssysteem sterk gedifferentieerd. Dit is vooral te zien in de structuur van het
     voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs, leerwegen vmbo, havo, vwo), het beroepsonderwijs
     (entreeopleiding, mbo 2-bol/bbl, mbo 3-bol/bbl, mbo 4-bol/bbl, associate degree en hbo) en
     het (voortgezet) speciaal onderwijs (vier clusters met daarbinnen acht schooltypen). De school-
     soorten zijn geordend in een sectoraal gelaagd stelsel met scherpe scheidingen. Opvallend
     is vooral de scheiding tussen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs, en tussen
     regulier onderwijs en speciaal onderwijs.
     Ook kent het Nederlandse onderwijsstelsel internationaal gezien relatief veel variatie tussen
     scholen en onderwijsinstellingen naar levensbeschouwelijke overtuiging en naar onderwijs­
     concept met bijbehorend aanbod. Scholen werken vanuit verschillende levensbeschouwelijke,
     pedagogische en didactische principes of profileren zich bijvoorbeeld als cultuurprofielschool
     61  De Koning, 1973; Denessen, 2017; Bosker, 2005.
     62  Onderwijsraad, 2014d.
     63  Bosker, 2005.
     40                                                                        Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>of technasium. Deze mate van variatie is mogelijk door de voor Nederland zo kenmerkende
vrijheid van onderwijs (vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet) en de daaraan verbonden
lumpsumbekostiging. De variëteit in het onderwijs komt tegemoet aan de pluriformiteit in de
samenleving: naar gelang de wensen en opvattingen over onderwijs en opvoeding valt er voor
veel mensen wat te kiezen. De variatie in onderwijsconcept en aanbod maakt dat onderwijs en
stelsel geleidelijk en zonder grote risico’s kunnen inspelen op relevante ontwikkelingen.64 Meer
variëteit in het onderwijsaanbod maakt het mogelijk om in de praktijk ervaring op te doen met
verschillende oplossingen voor knelpunten en zo kennis op te bouwen van wat goed werkt,
voor welke leerlingen en onder welke omstandigheden. Succesvolle varianten kunnen dan ver-
spreid worden.
   Kenmerken van de inrichting van het Nederlandse onderwijsstelsel
   1. Sterk gedifferentieerd naar onderwijsniveaus, onderwijssoorten, opleidingen en een grote
       variatie in levensbeschouwelijke uitgangspunten en onderwijsconcepten.
   2. Scherp onderscheid tussen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs, en tussen
       regulier onderwijs en speciaal onderwijs.
   3. Vroege selectie: op 11- of 12-jarige leeftijd krijgen leerlingen advies over plaatsing in het
       voortgezet onderwijs.
   4. Hoge mate van autonomie voor onderwijsinstellingen door de vrijheid van onderwijs en de
       daaraan verbonden lumpsumbekostiging.
De differentiatie in het stelsel is niet alleen het gevolg van het voortbouwen op bestaande
structuren. Ook culturele en pedagogische opvattingen zijn daarop van invloed.65 De differen-
tiatie in het Nederlandse onderwijs is bijvoorbeeld voornamelijk gericht op het bij elkaar plaat-
sen van leerlingen met vergelijkbare prestatieniveaus, ervan uitgaand dat het potentieel van
elke leerling zich het best kan ontwikkelen in een relatief homogene niveaugroep. De eerste
neiging is dus om voor verschillende groepen leerlingen of studenten aparte schoolsoorten
en opleidingen te organiseren, in plaats van dit binnen schoolsoorten of opleidingen te rege-
len. Lesgeven aan homogene groepen leerlingen zou gunstig uitpakken voor de kwaliteit en
doelmatigheid van het onderwijs.66 Overigens is de literatuur op dit punt niet eenduidig. Er zijn
geen aanwijzingen dat de gemiddelde leerprestaties in vroeg-selecterende landen hoger zijn
dan in laat-selecterende landen.67 Bovendien speelt door het Nederlandse onderwijs de opvat-
ting dat aanleg in hoge mate bepalend is voor de mate waarin leerlingen intellectueel gevormd
kunnen worden.68 Het op vroege leeftijd ‘sorteren’ van leerlingen naar een voorbestemd eind-
niveau past bij deze opvattingen.
Sterk gedifferentieerd stelsel begint doel voorbij te schieten
In het verleden heeft de overheid verscheidene pogingen gedaan om meer samenhang te
bereiken tussen de verschillende delen van het onderwijssysteem, en het systeem overzichte-
lijker en minder uitgebreid te maken.69 In 1951 zond de toenmalige minister van Onderwijs, Kun-
sten en Wetenschappen Rutten bijvoorbeeld een nota naar de Tweede Kamer waarin hij een
voorstel deed voor een (re)organisatie van het onderwijsstelsel. Doel was het beter op elkaar
laten aansluiten van onderwijssoorten, een doelmatiger opzet en een betere a­ fstemming
64    Onderwijsraad, 2014a.
65    Standaert, 2003.
66    Mills, Monk, Keddie, Renshaw, Christie, Geelan & Gowlet, 2014.
67    Hanushek & Wössmann, 2006; Micklewright & Schnepf, 2007; Schütz, Ursprung & Wössmann, 2008.
68    Blom, 1995.
69    Zie de historische schets in het katern.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>    op de ontwikkeling van leerlingen.70 Ook de Mammoetwet (1968) was een poging om meer
    samenhang te brengen in het sterk gedifferentieerde stelsel. Dit moest leiden tot een grotere
    doorstroom, en moest bijdragen aan sociale mobiliteit.71 De Mammoetwet beoogde ook het
    algemeen vormend onderwijs en het beroepsonderwijs als gelijkwaardige alternatieven naast
    elkaar te zetten. In de praktijk leidde dit echter tot een vergrote doorstroom van leerlingen
    richting algemeen vormend onderwijs en een inhoudelijke ‘veralgemenisering’ van het lager
    beroepsonderwijs.72 In 1996 kregen de opleidingen voor middelbaar beroepsonderwijs een
    eigen wettelijk kader: de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Ook deze had tot doel meer
    samenhang te creëren in het brede aanbod van beroepsopleidingen, en een betere aansluiting
    op de arbeidsmarkt te realiseren.
    De verregaande differentiatie is vooral het laatste decennium gaan knellen. Dit manifesteert
    zich het meest op de overgang van primair naar voortgezet onderwijs en in de onderbouw
    van het voortgezet onderwijs. Wat ooit met de Mammoetwet werd beoogd, wordt niet (meer)
    bereikt of maar ten dele. Het opleidingsniveau van ouders is steeds bepalender geworden
    voor de schoolloopbaan van hun kinderen. De plaatsing in het voortgezet onderwijs bepaalt
    steeds meer het eindniveau van leerlingen, en het voortgezet onderwijs is nu sterk verdeeld
    in gescheiden stromen, waarbij de voorkeur voor het algemeen vormend onderwijs is toe­
    genomen. In de volgende paragrafen worden de knelpunten toegelicht.
2.2 Knelpunt 1: jongeren uit verschillende groepen komen elkaar niet meer
    vanzelfsprekend tegen in het gedifferentieerde stelsel
    Ook brede scholengemeenschappen bieden categoraal onderwijs aan
    Mensen uit verschillende sociale lagen in de samenleving bewegen zich steeds meer in
    gescheiden groepen en treffen elkaar niet meer vanzelfsprekend. De scheidslijnen in de maat-
    schappij worden scherper en iedere groep heeft eigen voorzieningen. Ook in het onderwijs
    zien we deze sociale segmentering. Leerlingen worden steeds meer gesorteerd op basis van
    hun sociaal-culturele achtergrond. Dit begint al bij de voorschoolse voorzieningen. Deze zijn
    gefragmenteerd en georganiseerd rond verschillende doelstellingen en doelgroepen, waar-
    door kinderen met een risico op achterstanden vaak gescheiden blijven van kinderen zonder
    achterstanden.73 In het basis- en voortgezet onderwijs gaan kinderen en jongeren uit diverse
    sociale groepen vaak naar verschillende scholen. In het basisonderwijs gebeurt dit vooral door-
    dat kinderen met eenzelfde sociale en culturele achtergrond in dezelfde wijk wonen en in die
    wijk naar school gaan.74 Een relatief klein deel van de sociale segmentatie is te verklaren door
    de schoolkeuze van ouders en leerlingen.75
    Een andere situatie is er in het voortgezet onderwijs. Daar is de sociale segmentatie minder
    te verklaren door de woonsegregatie, en speelt de schoolkeuze van ouders en leerlingen een
    grotere rol.76 De afgelopen decennia is het belang van onderwijs toegenomen: het is een bepa-
    lende factor in de levensloop van mensen. Daarom zijn ouders en leerlingen zich meer gaan
    opstellen als kritische consument. Scholen spelen daar soms expliciet op in en richten zich op
    70  Nota van 19 juli 1951 aan de Tweede Kamer betreffende onderwijsvoorzieningen. Handelingen der Staten-Generaal 1950-1951, 2233 1-2.
    71  Karsten, 2002.
    72  Karsten, 2002.
    73  Onderwijsraad, 2015a.
    74  Inspectie van het Onderwijs, 2018e.
    75  Inspectie van het Onderwijs, 2018e.
    76  Oosterbeek, Sóvágo & Van der Klaauw, 2018.
    42                                                                                                 Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>wensen van (groepen) ouders en leerlingen. Zo profileren ze zich als cultuurschool of tech­
nasium, bieden Cambridge English of nieuwe vakken aan, kiezen voor categoraal onderwijs of
onderwijs op religieuze of pedagogisch-didactische grondslag. Dit doelgroepgerichte aanbod
kan onbedoeld sociale segmentering versterken.77 In het voortgezet onderwijs speelt boven-
dien de differentiatie naar niveau een belangrijke rol in de segmentering. Leerlingen van gelijk
niveau zitten bij elkaar in de klas (soms verschilt per vak met wie ze in de klas zitten). Dit wordt
ook wel ‘tracking’ genoemd: het scheiden van leerlingen naar niveau die samen een specifieke
route door het onderwijs volgen.
De verschillende tracks of routes kunnen worden aangeboden binnen één school, of leerlin-
gen gaan naar aparte scholen afhankelijk van de route die ze volgen. Cijfers van de Dienst Uit-
voering Onderwijs (DUO) laten zien dat bijna driekwart van alle leerlingen in het voortgezet
onderwijs is ingeschreven bij een brede scholengemeenschap waar alle schoolsoorten zijn ver-
tegenwoordigd. Maar de cijfers laten ook zien dat het overgrote deel van die scholengemeen-
schappen de verschillende schoolsoorten aanbiedt op aparte locaties. Slechts 18 procent van
de leerlingen op brede scholengemeenschappen zit op een locatie met alle schoolsoorten bij
elkaar (zie onderstaande figuur en paragraaf 6.4 van deel C).
Brede scholengemeenschappen bieden onderwijssoorten vaak op
afzonderlijke locaties aan
                          2%
                      4%                                                                           1%
                  5%
                                                                                           15%         18%
          14%
        4%                                                                           21%
                                                                                                               23%
                                                                                                23%
                         71%
          Verdeling van leerlingen in het                                       Verdeling van leerlingen op brede
     voortgezet onderwijs, naar aanbod van                                   scholengemeenschappen, naar aanbod
         onderwijssoorten op hun school                                        van onderwijssoorten op hun locatie
             breed: vbo+mavo+havo+vwo                                               mavo+havo óf havo+vwo
             vbo+mavo óf vbo+mavo+havo                                              categoraal
             mavo+havo+vwo                                                          praktijkonderwijs
Eigen berekeningen op basis van de BBO-rom bestanden met peildatum 1 oktober 2017. Het betreft de leerlingaantallen
in leerjaar vier van VO scholen (met een eigen brinnummer) en locaties (brinnummer + vestigingsnummer).
77    Sieben & Van Ginderen, 2014; Driessen, Krikhaar, De Graaff, Unsworth, Leest, Coppens & Wieringa, 2016; Denessen, 2017.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                         43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    De sociaaleconomische achtergrond van leerlingen op het vmbo verschilt van die op het vwo.78
    Wanneer leerlingen van deze niveaus op aparte scholen zitten, is er sprake van sociale segmen-
    tering. Om sociale segmentatie in kaart te brengen, werd voorheen vooral gekeken naar ont-
    wikkelingen in het aantal leerlingen op brede scholengemeenschappen. Dit blijkt echter een
    enigszins vertekend beeld te geven. Kijken we naar het aantal leerlingen op een locatie met
    alle schoolsoorten bij elkaar, dan blijkt ook een aanzienlijk deel van de brede scholengemeen-
    schappen het onderwijs categoraal aan te bieden. De scheiding tussen schoolsoorten, leerwe-
    gen en opleidingen draagt er dan aan bij dat verschillende groepen leerlingen elkaar niet meer
    vanzelfsprekend treffen.
    Differentiatie bemoeilijkt de socialisatiefunctie van het onderwijs
    Als jongeren met verschillende sociale achtergronden elkaar op school niet meer ontmoeten,
    komen ze minder in aanraking met degenen die andere inzichten en waarden hebben. Terwijl
    de school een plek zou moeten zijn waar jongeren kunnen oefenen in het omgaan met conflic-
    ten, een dialoog voeren, afwijkende meningen en gedragingen tolereren, respect opbrengen
    voor andersdenkenden en tot consensus komen.79 Scholen zijn bij uitstek de plaats waar jon-
    geren moeten leren omgaan met verschillen. Wanneer daartoe minder gelegenheid is, kan het
    onderwijs jongeren minder goed voorbereiden op een pluriforme en democratische samen­
    leving en daardoor onvoldoende bijdragen aan sociale samenhang in de maatschappij.80
    Het wordt dus moeilijker een bijdrage te leveren aan de socialisatie van jongeren in het onder-
    wijs. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen in de maatschappij die daar juist om vragen. Een
    moreel kompas wordt minder aangereikt door instituties zoals de kerk. Autonome oordeels-
    vorming wordt daarmee des te belangrijker en moet actief worden ontwikkeld. Zo kan het
    onderwijs jongeren voorzien van de bagage en vorming die ze nodig hebben om zich beter
    staande te houden in de dynamische samenleving.
2.3 Knelpunt 2: overgangsbeslissingen vroeg in de schoolloopbaan worden
    steeds belangrijker
    In een gedifferentieerd stelsel zijn gelijke kansen lastiger te realiseren
    Selectiemechanismen en overgangen zijn inherent aan een gedifferentieerd stelsel. Selectie
    moet ervoor zorgen dat leerlingen en studenten op de juiste plek in het onderwijs terecht­
    komen. Tegelijktijdig kunnen selectiemechanismen een struikelblok vormen voor leerlingen
    die zich op het overgangsmoment (nog) niet overtuigend kwalificeren voor het gewenste
    onderwijsniveau (of -segment), maar wel de benodigde capaciteiten hebben. Om gelijke kan-
    sen te realiseren, moet het stelsel herstelmogelijkheden bieden.
    In het Nederlandse onderwijs worden leerlingen relatief vroeg geselecteerd op de overgang
    van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Meestal is dat rond de leeftijd van 11-12 jaar. Over
    het algemeen gaat vroege selectie samen met meer ongelijkheid in het onderwijs. Ondanks de
    vroege selectie en het gedifferentieerde stelsel scoort het Nederlandse onderwijs relatief goed
    op kansengelijkheid.81 In de meest recente OESO-studie over kansengelijkheid in het onderwijs
    78   Zie paragraaf 6.3 van deel C.
    79   Onderwijsraad, 2017b.
    80   Elffers, Van de Werfhorst & Fischer, 2015.
    81   Organisation for Economic Co-operation and Development, 2012, 2016 en 2018.
    44                                                                              Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>scoort Nederland op of boven het OESO-gemiddelde.82 Wel zijn er grote verschillen in presta-
ties tussen leerlingen binnen dezelfde track in het voortgezet onderwijs en is er veel overlap in
prestaties tussen leerlingen in verschillende tracks.83 Deze mate van overlap in prestaties is een
indicatie dat de selectie niet optimaal is en lang niet iedere leerling maximaal wordt uitgedaagd.
  Gelijke kansen
  De raad benadrukt dat het bij kansengelijkheid niet gaat om gelijke uitkomsten, maar dat het gaat om
  het creëren van gelijke kansen voor iedereen op het best mogelijk onderwijs. Dat betekent ook het
  creëren van gelijke kansen om de mogelijkheden die het onderwijs biedt zo goed mogelijk te kunnen
  benutten.
Vooral voor vroege leerlingen, leerlingen uit een lager sociaaleconomisch milieu en voor laat-
bloeiers pakt vroege selectie vaak minder goed uit.84 Er is een grotere kans dat zij niet meteen
terechtkomen in het type onderwijs dat bij hun capaciteiten en talenten past. Ook zijn er in
een gedifferentieerd stelsel relatief veel overgangen en keuzemomenten. Overgangen in het
stelsel zijn een potentieel risico voor uitval. Sommige ouders en leerlingen kunnen beter hun
weg vinden in het onderwijs(stelsel) en ondersteunen hun kinderen bij het maken van keuzes,
waardoor die voordeel hebben.85 Deze aspecten leiden tot ongelijke kansen in het onderwijs.
Kansenongelijkheid is een hardnekkig probleem. In het afgelopen decennium zijn gelijke kan-
sen nog eens extra onder druk komen te staan. De invloed van de sociaaleconomische achter-
grond van leerlingen en studenten is toegenomen bij de toegang tot en doorstroom binnen
het voortgezet onderwijs. Er is sprake van een opwaartse druk in het onderwijs en de ‘pad­
afhankelijkheid’ neemt toe. Deze ontwikkelingen worden hieronder uitgewerkt.
Invloed SES bij toegang tot en doorstroom binnen voortgezet onderwijs is toegenomen
In 2016 rapporteerde de Inspectie van het Onderwijs over toenemende ongelijkheid in het
onderwijs. Onderzoek laat namelijk zien dat kinderen met dezelfde veronderstelde cognitie-
ve capaciteiten, maar verschillende sociale achtergronden, niet op hetzelfde onderwijsniveau
terechtkomen. Leerlingen uit een lager sociaaleconomisch milieu krijgen schooladviezen voor
een lager niveau, worden lager geplaatst in voortgezet onderwijs en stromen vaker af naar een
lager niveau dan evengoed presterende medeleerlingen met een hogere sociaaleconomische
achtergrond.86 In het selectieproces is het opleidingsniveau van ouders een grotere rol gaan
spelen, en is belangrijker geworden dan etnische achtergrond en inkomen.87
Opwaartse druk en padafhankelijkheid in het stelsel nemen toe
De plaatsing in het voortgezet onderwijs is sterk bepalend geworden voor het eindniveau dat
leerlingen behalen. Er ontstaat een grotere padafhankelijkheid: leerlingen kunnen moeilijker
afwijken van de schoolsoort waarin ze geplaatst zijn.88 Mogelijkheden om een eerste plaat-
82   Organisation for Economic Co-operation and Development, 2018b. De OESO kijkt in dit onderzoek naar de prestaties en het
     welbevinden van leerlingen uit de laagste SES-groep. Nederland scoort ongeveer gelijk aan het OESO-gemiddelde voor cognitieve
     prestaties (11,3% tegenover 11,5% voor Nederland) en voor ‘nationally resilience’ (percentage lage SES-groep die top presteert voor
     het domein natuurwetenschappen) en scoort bovengemiddeld (OESO-gemiddelde van 25,2% tegenover 32,8% voor Nederland) voor
     ‘core-skills resilience’ (niveau 3 of hoger voor de kerndomeinen wiskunde, lezen en natuurwetenschappen).
83   Organisation for Economic Co-operation and Development, 2016b.
84   Onderwijsraad, 2010a; Korpershoek, Beijer, Spithoff, Naaijer, Timmermans, Van Rooijen, Vugteveen & Opdenakker, 2016.
85   Korpershoek, Beijer, Spithoff, Naaijer, Timmermans, Van Rooijen, Vugteveen & Opdenakker, 2016.
86   Inspectie van het Onderwijs, 2016c.
87   Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
88   Van de Werfhorst, Elffers & Karsten, 2015; zie ook Westerhuis & Van Wijk, 2011.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>sing in het voortgezet onderwijs later te corrigeren, nemen daardoor af. Hiermee komt er een
aanzienlijke druk te liggen op de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onder-
wijs. Deze druk wordt nog eens versterkt, doordat onderwijs belangrijker is geworden voor
het bereiken van een goede maatschappelijke positie. Ouders zijn zich daarvan bewust. Dit
resulteert in een opwaartse druk om op een zo hoog mogelijk onderwijsniveau uit te komen.89
Overigens is deze opwaartse druk niet uniek voor Nederland; overal ter wereld volgen jongeren
langer onderwijs en halen hogere diploma’s.90 Ook de sterke groei van het schaduwonderwijs
illustreert dat ouders er veel belang aan hechten hun kinderen te ondersteunen om een zo
hoog mogelijk onderwijsniveau te bereiken. Het schaduwonderwijs groeit, steeds meer leer-
lingen maken er gebruik van.91 Schaduwonderwijs kan een positieve uitwerking hebben op de
prestaties van leerlingen, maar heeft ook een keerzijde, namelijk kansenongelijkheid als vooral
bepaalde leerlingen ervan kunnen profiteren en andere groepen leerlingen niet.
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan een grotere padafhankelijkheid. In vergelijking met
tien jaar geleden is het aandeel enkelvoudige adviezen gestegen, zijn er minder brede brugklas-
sen en is het stapelen van diploma’s afgenomen. Daarnaast worden de verschillende onderwijs-
soorten vaak aangeboden op gescheiden locaties.92 Volgens cijfers van het CBS is bijvoorbeeld
het aandeel leerlingen dat in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs direct in een van de
schoolsoorten geplaatst wordt, de afgelopen jaren sterk gestegen. Steeds minder leerlingen
zitten in het eerste jaar in een dakpanklas of in een brede brugklas (zie onderstaande figuur en
paragraaf 6.4 van deel C). De laatste jaren lijkt er sprake van stabilisering: het aandeel meervou-
dige adviezen neemt licht toe, evenals het aandeel leerlingen in brede brugklassen en leerlin-
gen die diploma’s stapelen.93 Het verschil met tien jaar geleden blijft desalniettemin aanzienlijk.
Een andere factor rond de toegenomen padafhankelijkheid in het Nederlandse onderwijs is
de sterke scheiding tussen beroepsgericht onderwijs (beroepsgerichte leerwegen van vmbo,
mbo, hbo) en algemeen vormend onderwijs (theoretische leerweg van vmbo, havo, vwo, uni-
versiteit). Er is veel aandacht gegaan naar de ontwikkeling binnen de beroepskolom (door-
stroom en efficiëntere routes van vmbo naar mbo en hbo) en veel minder naar de verbinding
tussen beide kolommen. De doorstroom vanuit het vmbo (tl) naar het havo is de laatste jaren
weer aan het stijgen, maar nog steeds op een lager niveau dan tien jaar geleden. Juist deze
overgang vormt een cruciale schakel tussen het beroepsonderwijs en het algemeen vormend
onderwijs en biedt vmbo-leerlingen de kans om via havo het hoger beroepsonderwijs te berei-
ken. Ook de doorstroom vanuit mbo 4 naar het hbo is de afgelopen jaren verminderd. Afgelo-
pen jaar (2016-2017) stroomde ruim 35 procent van de mbo 4-gediplomeerden direct door naar
hbo. Vijf jaar geleden – evenals tien jaar geleden – was dit nog 39 procent.94
89   Van Eck, Voncken, Glaude & Roeleveld, 2013.
90   Barro & Lee, 2013.
91   De Geus & Bisschop, 2017; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016. In totaal had 11,9 procent van de leerlingen in 2016-2017 bijles die
     door de ouders bekostigd is. Voor huiswerkbegeleiding was dit 8,2 procent en voor examentraining 4,4 procent. Hoe hoger de ouders
     opgeleid zijn, des te vaker kinderen deelnemen aan betaalde vormen van ondersteuning. Betaalde bijles wordt vooral gevolgd door
     havisten en vwo’ers, en vaker in de bovenbouw dan in de onderbouw. Ook examentraining komt vaker voor bij havisten en vwo’ers.
92   Voor de ontwikkeling van het aandeel enkelvoudige adviezen zie Inspectie van het Onderwijs, 2014 en Inspectie van het Onderwijs, 2018b. Stapelen
     binnen het voortgezet onderwijs van de theoretische leerweg van het vmbo naar havo is afgenomen ten opzichte van tien jaar geleden. Ook is de
     directe doorstroom van mbo (niveau 4) naar hbo de laatste jaren afgenomen. Zie ook hoofdstuk 3 en paragraaf 6.4 van deel C.
93   Zie Inspectie van het Onderwijs, 2018b en paragraaf 3.1 en paragraaf 6.4 van deel C.
94   Zie paragraaf 3.1 van deel C.
46                                                                                                              Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Steeds minder brede brugklassen in het voortgezet onderwijs
 70%
 60%
                         dakpan of ­brede brugklas
 50%
                         categorale klas
 40%
 30%
         '07         '08       '09           '10         '11         '12         '13         '14  '15        '16        '17
           Verdeling van leerlingen in leerjaar 1 van het voortgezet onderwijs, naar brugklastype
  CBS geeft gedetailleerd het aantal leerlingen per onderwijssoort aan. Onder categorale klassen vallen: vmbo-b, vmbo-k,
  vmbo-g/t, havo, atheneum, lyceum/vwo, gymnasium. Onder brede brugklassen vallen: vmbo-b/k, vmbo ongedeeld,
  vmbo-havo(-vwo), vmbo-g/t-havo, vmbo-g/t-havo-vwo, havo-vwo.
Voor leerlingen die starten in het vmbo, is het moeilijker het hoger onderwijs te bereiken. En
dat terwijl het algemeen vormend onderwijs direct voorsorteert op het hoger onderwijs.95
Hierdoor is de druk op de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs
toegenomen.
Meer selectie na het voortgezet onderwijs, en kwaliteit niet altijd geborgd
Ook na het voortgezet onderwijs nemen directe doorstroommogelijkheden af. Er zijn steeds
meer matching- en selectieprocessen in het mbo en het hoger onderwijs.96 Dat komt mede
door de sterke nadruk in beleid op het verhogen van rendementen97, maar ook door de onder-
wijsexpansie. Zo is de deelname aan het hoger onderwijs de afgelopen twintig jaar aanzienlijk
gegroeid: ten opzichte van 1995 een stijging van circa 70 procent in het hoger beroepsonder-
wijs en circa 40 procent in het wetenschappelijk onderwijs.98 Het onderwijsaanbod is dan ook
flink gegroeid en er is meer matching en selectie noodzakelijk geworden. Tegelijkertijd kunnen
jongeren zich minder onderscheiden met enkel een afgeronde bachelor- of masteropleiding,
waardoor selecterende opleidingen zoals University Colleges en Honours-trajecten populair
zijn geworden.
In het middelbaar beroepsonderwijs ligt de nadruk vooral op matching en minder op selectie.99
Anders dan het hoger onderwijs hebben mbo-instellingen de plicht te zorgen voor toeganke-
lijk beroepsonderwijs, rekening houdend met het recht op onderwijs én de leer- en kwalifica-
tieplicht. Bij een weigering hoort een inspanning van de instelling om een andere opleiding
binnen of buiten de instelling te vinden (zie kader). Over de kwaliteit van matching in het mid-
delbaar beroepsonderwijs is echter nog weinig bekend.
95   Elffers, 2018.
96   Driessen, 2013.
97   Bronneman-Helmers, 2011; Leest, Fettelaar, Van Eck, Verbeek, Van der Vegt & Jongeneel, 2013.
98   Zie https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/onderwijs-algemeen/
     leerlingen-en-studenten/aantallen-ontwikkeling-van-het-aantal-deelnemers.
99   Driessen, 2013.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>  Toelatingsrecht in het middelbaar beroepsonderwijs
  Met ingang van het studiejaar 2018-2019 is de Wet vroegtijdige aanmelddatum voor en toelatingsrecht
  tot het middelbaar beroepsonderwijs van kracht. Met de nieuwe wetgeving is het mbo-instellingen,
  op enkele uitzonderingen na, niet meer toegestaan om jongeren die aan de vooropleidingseisen vol-
  doen en zich vóór 1 april hebben aangemeld, de toegang tot een mbo-opleiding op niveau 2, 3, en 4
  te weigeren. Daarnaast voorziet de wet in het recht op een studiekeuzeadvies en studievoortgangs-
  gesprek tijdens de overstap, en een bindend studieadvies voor alle studenten in het eerste jaar van de
  opleiding.
  Tijdens de intake wordt een inschatting gemaakt of de student een realistische kans heeft op het
  ­behalen van een diploma met voldoende arbeidsmarkt- of doorstroomperspectief. Het komt voor
   dat studenten een dwingend negatief advies krijgen bij aanmelding voor een bepaalde opleiding of
   ­tijdens hun opleiding. In dit geval is sprake van selectie op het niveau van de opleiding. Vaak wordt
    een passend alternatief gevonden waar de student vervolgens instroomt. De opleiding zal de student
    begeleiden bij heroriëntatie en het zoeken van een andere passende opleiding binnen of buiten de
    instelling.
    Bron: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/middelbaar-beroepsonderwijs/aanmelden-en-toelaten-mbo
In het hoger onderwijs worden de afgelopen jaren steeds meer matching- én selectieproces-
sen ingezet, zoals deficiëntieonderzoeken, aanvullende (reken)toetsen, bindende studiead-
viezen en aangescherpte overgangsnormen. Daarnaast is de afgelopen jaren de decentrale
selectie (zie kader) geïntroduceerd voor fixusopleidingen. Veelvoorkomende onderdelen van
decentrale selectieprocedures zijn cognitieve vaardigheden- en kennistests, motivatie- en per-
soonlijkheidsvragenlijsten en interviews.
    Decentrale selectie in het hoger onderwijs
    Sinds de afschaffing van de gewogen loting, zoals vastgelegd in de Wet kwaliteit in verscheidenheid
    hoger onderwijs (Wet KIV), kunnen opleidingen hun studenten selecteren via een zelf in te richten
    ­selectieprocedure. Vanaf het studiejaar 2016-2017 is de gewogen loting afgeschaft bij opleidingen met
     een fixus en worden alle studenten decentraal geselecteerd door de opleidingen zelf.
     Uitgangspunt is dat er een betere inhoudelijke match moet zijn tussen student en opleiding, dat de
     selectie goed moet zijn voor het studiesucces en dat het een begrijpelijke, uitvoerbare en betaalbare
     situatie moet opleveren zowel voor de aspirant-student als voor de instelling. De selectie hoort te be-
     staan uit minstens twee kwalitatieve criteria (niet alleen eindexamencijfers).
     Bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0033693/2013-09-01
Uit onderzoek blijkt dat deze selectie-instrumenten studiesucces slechts in beperkte mate
voorspellen en een risico kunnen vormen voor de toegankelijkheid. Opleidingen hebben
moeite te komen tot een selectieprocedure die past bij een bepaalde opleiding. Veelal is de
selectie nauwelijks gebaseerd op de leerdoelen van de opleiding en wordt onvoldoende reke-
ning gehouden met de groeimogelijkheden van studenten.100 Ook ‘zachte’ en normatieve cri-
teria, zoals motivatie, studiehouding en persoonlijkheid, spelen bij selectieprocedures een
grote rol.101 Studenten die een opleiding met succes hadden kunnen doorlopen, worden op
die manier ten onrechte uitgeselecteerd. Ook is het de vraag of decentrale selectie een betere
inhoudelijke match tussen student en opleiding mogelijk maakt.102
100 Steenman, 2018; Van den Broek, De Korte, Mulder & Bendig-Jacobs, 2018.
101     Rouwhorst, 2018.
102     Steenman, 2018; Rouwhorst, 2018.
48                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>    Studenten met een niet-westerse migratieachtergrond, studenten met een lager gemiddeld
    cijfer in het voortgezet onderwijs en mannen lijken in selecterende universitaire opleidingen
    ondervertegenwoordigd te zijn. Dit geldt ook voor studenten met lageropgeleide ouders en
    studenten uit de lagere inkomensgroepen.103 Ook in het hoger beroepsonderwijs is dit effect
    van decentrale selectie te zien. Studenten met een vwo-diploma worden vaker toegelaten, stu-
    denten met een migratieachtergrond of met een functiebeperking minder vaak.104 Zelfselectie
    speelt ook een rol.
    Selectie doet zich verder voor bij de toegang tot de master. Iedere masteropleiding in het
    wetenschappelijk onderwijs kan in beginsel eisen stellen aan studenten die de opleiding wil-
    len volgen. De Inspectie van het Onderwijs stelt dat op dit moment 10 tot 40 procent van de
    master-opleidingen selecteert. Hier doet zich ook zelfselectie voor. Studenten kiezen niet voor
    een master als zij verwachten dat de selectieprocedure te intensief of te competitief zal zijn.105
    De selectieprocedures werken daarmee niet alleen kansenongelijkheid in de hand, maar bren-
    gen ook het risico van homogenisering binnen opleidingen met zich mee.106
2.4 Knelpunt 3: permanente educatie is geen onderdeel van het stelsel
    De dynamische samenleving en arbeidsmarkt stellen andere eisen aan burgers en werknemers.
    Leren gaat niet meer vooraf aan betaald werken; er is een combinatie van werken en leren
    nodig gedurende de leer- en arbeidsloopbaan. Bij- en nascholing zijn van belang voor partici-
    patie op de arbeidsmarkt en in de samenleving, en voor de persoonlijke vorming en ontwikke-
    ling van individuen.107 Deze doelen zijn daarmee verbonden aan de maatschappelijke opdracht
    van het onderwijs. Het huidige stelsel is primair ontworpen voor kinderen en jongeren, en in
    veel mindere mate voor (werkende) volwassenen. Daarmee is het onvoldoende ingericht om
    scholing permanent te maken gedurende de levensloopbaan.
    Permanente educatie maakt nog geen vanzelfsprekend deel uit van het onderwijsstelsel.
    Belemmeringen op het gebied van regelgeving, financiering en schotten tussen samenwer-
    kingspartners binnen en buiten het onderwijs leiden tot een versnipperd, weinig vraaggericht
    scholingsaanbod en een beperkte toegankelijkheid. Dit maakt vooral de positie van lager- en
    middelbaaropgeleiden kwetsbaar. Mensen zijn immers sterker dan voorheen verantwoorde-
    lijk geworden voor de vormgeving van hun eigen leer- en arbeidsloopbaan. De scholingsdeel-
    name blijft onder deze groepen dan ook achter. Ook de mogelijkheden voor ontwikkeling en
    vorming buiten de arbeidsmarkt zijn zeer beperkt.
    103  Inspectie van het Onderwijs, 2017a; Van den Broek, De Korte, Mulder & Bendig-Jacobs, 2018; Elffers, 2018.
    104 Elffers, 2018b.
    105  Inspectie van het Onderwijs, 2018a.
    106 Van den Broek, De Korte, Mulder & Bendig-Jacobs, 2018; Elffers, 2018.
    107  Theisens, 2014; Onderwijsraad, 2016d.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                           49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>50 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  Het sterk gedifferentieerde onderwijsstelsel begint te knellen.
  Herbezinning op en herziening van het stelsel zijn nodig. De raad
  formuleert hiertoe vijf vertrekpunten.
3  Op weg naar oplossingen: vijf
   vertrekpunten voor herziening van
   het onderwijsstelsel
  Een adequaat antwoord van het onderwijs op in- en externe ontwikkelingen vergt een inte­
  grale bezinning op het stelsel en het bewaken van samenhang in het onderwijssysteem. De
  afgelopen jaren zijn vooral binnen onderwijssectoren diverse kleine en grote beleidsmaatre-
  gelen genomen. Het gevaar bestaat dat opeengestapelde aanpassingen op onderdelen het
  stelsel wel veranderen, maar niet altijd in de gewenste richting en zonder dat de onderliggende
  knelpunten voldoende worden aangepakt. Bovendien nopen maatschappelijke ontwikkelin-
  gen tot een integrale heroverweging. Belangrijke ontwikkelingen zoals toenemende sociale
  segmentatie en technologische ontwikkelingen raken het hele onderwijs.
  De historische ontwikkeling van het stelsel laat zien dat problemen die samenhingen met
  de grote verscheidenheid aan onderwijssoorten meermaals aanleiding gaven tot fundamen-
  tele onderwijshervormingen. De periode na de Tweede Wereldoorlog in aanloop naar de
  ­Mammoetwet is een sprekend voorbeeld van een breed gevoelde noodzaak tot herordening
   van het stelsel. De lappendeken van onderwijssoorten met daarmee verbonden aansluitings-
   problemen vroeg om een fundamentele herziening. De raad is van mening dat opnieuw de
   tijd is aangebroken voor een herbezinning op de inrichting van het stelsel als geheel, zodat het
   onderwijs zijn maatschappelijke opdracht nu en in de toekomst kan blijven waarmaken.
   Een goede inrichting van een onderwijsstelsel is een complexe opgave. Maatregelen om het
   stelsel op bepaalde punten te verbeteren, kunnen het op andere punten kwetsbaar maken. Dit
   vraagt om een goede, integrale afweging waarbij het publiek belang van onderwijs leidend
   moet zijn. De overheid heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid en een initiërende
   rol (paragraaf 3.1). Om richting te geven aan de gedachtevorming en discussie over noodza-
   kelijke herzieningen, heeft de raad vijf vertrekpunten geformuleerd: verminder differentiatie
   (paragraaf 3.2), verbind schoolsoorten en opleidingen (paragraaf 3.3), stimuleer beroepsgericht
   onderwijs op het havo en vwo (paragraaf 3.4), verminder en verbeter selectie (paragraaf 3.5) en
   geef permanente educatie een vaste plek in het stelsel (paragraaf 3.6). De vertrekpunten bren-
   gen een aantal adviezen en aanbevelingen van de raad bij elkaar (zie kader).
   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>       Eerdere adviezen van de Onderwijsraad die raakpunten hebben met de inrichting van het
       onderwijsstelsel
       Meer kansen voor kwetsbare jongeren (2013)
       Overgangen in het onderwijs (2014)
       Een onderwijsstelsel met veerkracht (2014)
       Maatwerk binnen wettelijke kaders: eindtoetsing als ijkpunt voor het funderend onderwijs (2015)
       Een goede start voor het jonge kind (2015)
       Herkenbaar vmbo met sterk vakmanschap (2015)
       Vakmanschap voortdurend in beweging (2016)
       Internationaliseren met ambitie (2016)
       De leerling centraal? (2017)
       Gelijke kans op doorstroom vmbo-havo (2018)
       Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden (2018)
       Ruim baan voor leraren (2018)
       Toets wijzer (2018)
       Curriculumvernieuwing (2018)
       Voor overzichten van raadsadviezen gerelateerd aan deze thema’s, zie ook:
       Het bevorderen van gelijke kansen en sociale samenhang (2017)
       Het regeerakkoord – Vertrouwen in de toekomst en adviezen van de Onderwijsraad (2017)
3.1  Maatschappelijke opdracht vraagt om samenhangende keuzes vanuit
    ­publieke belangen
     Integrale kijk op het stelsel nodig om goede afwegingen te maken
     Het onderwijs dient zowel individuele belangen als publieke belangen. In de uitwerking van
     de vertrekpunten is het belangrijk de balans daartussen te bewaren. Vaak gaan de individuele
     belangen van ouders en leerlingen samen met het belang van onderwijs voor de samenleving
     als geheel, maar soms ontstaan er spanningen. Bijvoorbeeld bij het inperken van keuzevrijheid
     ten behoeve van een betere toegankelijkheid. Waar het maatschappelijke belang en het indivi-
     duele belang botsen, dient volgens de Onderwijsraad het maatschappelijke belang van onder-
     wijs zwaarder te wegen.108 Alleen als het publieke belang voorop staat in de afwegingen, kan
     het onderwijs adequaat voldoen aan zijn maatschappelijke opdracht.
     Onderwijsbeleid vereist een doordenking van de bredere context waarin het onderwijs plaats-
     vindt, en vraagt om een afweging tussen verschillende criteria (zie kader aan het begin van
     hoofdstuk 1). Het streven moet zijn alle aspecten in het oog te houden en geen van de criteria
     te verwaarlozen.109 De raad constateert dat het huidige stelsel onvoldoende bijdraagt aan de
     toegankelijkheid van het onderwijs, en aan sociale samenhang en democratische waarden. De
     vraag is hoe deze aspecten versterkt kunnen worden zonder concessies te doen aan de andere
     criteria. Waar en hoe kan bijvoorbeeld de differentiatie naar niveau worden verminderd, zodat
     kwaliteitsverbetering ontstaat of in ieder geval geen kwaliteitsverlies optreedt? Wat betekent
     het voor het criterium keuzevrijheid als schoolsoorten met elkaar worden verbonden om meer
     gelijke kansen te realiseren en een tegenwicht aan sociale segmentatie te bieden? Hoeveel
     inperking van de keuzevrijheid betekent dit? De raad benadrukt dat er bij de uitwerking van de
     vertrekpunten oog moet zijn voor de gevolgen van de afruil tussen bijvoorbeeld keuzevrijheid
     en sociale samenhang.
     108 Onderwijsraad, 2017b.
     109 Onderwijsraad, 2014c.
     52                                                                                Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>    Overheid heeft stelselverantwoordelijkheid en heeft rol in versterken lerend vermogen
    De verantwoordelijkheid voor het stelsel ligt bij de overheid. Eén van haar kerntaken is het
    bewaken van samenhang in het onderwijsstelsel bij de beleidsvoering. Daar hoort bij dat ze
    geregeld stilstaat bij vragen als: welke maatschappelijke ontwikkelingen doen een appel op
    het onderwijs, wat hebben jongeren en burgers in het algemeen aan bagage nodig voor de
    toekomst en voorziet het stelsel als geheel daar nog in. De laatste decennia is er echter te wei-
    nig aandacht voor de impact van beleidsmaatregelen op het stelsel als geheel, en wordt zelden
    gediscussieerd over de inrichting van het stelsel. Dat komt mede doordat het overheidsbeleid
    op dit moment vooral geënt is op de gedifferentieerde inrichting van het stelsel, en beleids-
    vorming daardoor vooral binnen de afzonderlijke onderwijssectoren plaatsvindt. Aanpassin-
    gen aan het onderwijsstelsel hebben daardoor meer het karakter van ‘pleisters plakken’. Ook
    worden initiatieven om knelpunten in het stelsel op te lossen (zoals het 10-14 onderwijs) vooral
    gezien als aanvulling op de bestaande variëteit, in plaats van een opmaat voor een structurele
    aanpassing in het stelsel. Het lerend vermogen van het stelsel wordt daardoor onvoldoende
    benut. Dit vermogen is echter een voorwaarde voor het maken van goede afwegingen (wat
    werkt en wat niet, hoe past dit in het brede perspectief van het stelsel) en voor de veerkracht
    van het stelsel als geheel. Een veerkrachtig stelsel kan beter inspelen op toekomstige maat-
    schappelijke ontwikkelingen.110
    Geen blauwdruk, wel principes voor een integrale afweging
    De historische schets illustreert dat stelselwijzingen in het verleden niet als blauwdruk tot stand
    zijn gekomen. Een breed gedeelde noodzaak van herordening en discussies over de inrichting
    van het stelsel gingen daaraan vooraf. Om de discussie over het stelsel richting te geven, biedt
    de raad geen eindmodel voor een integrale stelselwijziging, maar een aantal richtinggevende
    principes in de vorm van vijf vertrekpunten. Met deze vertrekpunten en de formulering van
    de maatschappelijke opdracht van het onderwijs levert de raad een bijdrage aan een stelsel­
    discussie die de afgelopen jaren, naar zijn oordeel, te weinig is gevoerd.
3.2 Vertrekpunt 1: verminder differentiatie waar nuttig en mogelijk
    Het Nederlandse stelsel is gedifferentieerd en er bestaan scherpe scheidingen in het stelsel.
    Om de scheidingen tussen opleidingen minder hard te maken, adviseert de raad te bekijken op
    welke punten de differentiatie in het stelsel verminderd kan worden en op welke punten meer
    gebruik gemaakt kan worden van differentiatie binnen schoolsoorten, opleidingen of in de klas.
    De ontwikkeling van digitalisering in het onderwijs biedt hiervoor ook meer mogelijkheden.
    Integreer voorzieningen voor jonge kinderen
    Een goede basis is essentieel om verschillen in vaardigheden tussen jonge kinderen met ver-
    schillende kenmerken en achtergronden te beperken, en onderwijskansen te vergroten. Uit
    onderzoek komt naar voren dat jonge kinderen in een stimulerende omgeving met taal, lezen
    en muziek een voorsprong hebben op kinderen die daar niet of minder mee in aanraking
    komen.111 De Onderwijsraad heeft zich in het verleden veelvuldig gebogen over voorzieningen
    voor jonge kinderen. De rode draad in de advisering sinds 2002 is het streven naar kwaliteits-
    verbetering door professionalisering van pedagogisch medewerkers én een betere inhoudelij-
    ke en organisatorische aansluiting van deze voorzieningen. Hoewel de afgelopen jaren – vooral
    op lokaal niveau – verscheidene maatregelen zijn genomen om de kwaliteit van voorzienin-
    110  Onderwijsraad, 2014a.
    111  Hart & Risley, 1995; Snow, Barnes, Chandler, Goodman & Hemphill, 1991.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                              53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>gen voor jonge kinderen en de toegang daartoe te verbeteren112, is de gewenste inhoudelijke
en organisatorische integratie nog onvoldoende tot stand gekomen. Met het oog op gelijke
kansen vindt de raad het van belang dat er zo vroeg mogelijk en blijvend wordt geïnvesteerd
in het voorkomen en verkleinen van achterstanden.113 In lijn met zijn eerdere adviezen pleit de
raad dan ook voor het combineren van opvang en onderwijs voor kinderen van 0 tot 4 jaar door
voor- en vroegschoolse educatie, kinderopvang en peuterspeelzaalwerk samen te voegen. Zo
ontstaat een brede en toegankelijke voorziening voor jonge kinderen.
In de voorschoolse periode kunnen kinderen spelend leren onder begeleiding van goed opge-
leid personeel uit de voorschoolse sector en primair onderwijs. Dit aanbod zou op vrijwilli-
ge basis beschikbaar moeten zijn voor alle kinderen tussen de 2,5 en 4 jaar, vijf dagdelen per
week. Dus niet alleen voor kinderen met achterstanden (sociaal-emotioneel, cognitief of op
het gebied van taal). Op die manier worden alle kinderen bereikt en worden kinderen met een
risico op achterstanden niet gescheiden van andere kinderen. Een overgang van de ene naar
de andere voorziening is altijd een kwetsbaar moment, omdat het de doorgaande ontwikke-
lingslijn van kinderen kan verstoren. Door de regie bij de basisschool te beleggen, kan een aan-
bod voor kinderen van 0-12 jaar met een vloeiende overgang tussen baby-, peuter-, kleuter- en
basisschoolperiode worden geboden.114
   Geïntegreerde voorzieningen voor kinderen van 0-12 jaar
   Op veel plekken in Nederland ontstaan kindcentra: intensieve vormen van samenwerking tussen
   ­primair onderwijs, kinderopvang, zorg en welzijn met doorgaande ontwikkellijnen voor kinderen van
    0 tot en met 12 jaar. De samenwerking heeft tot doel álle kinderen gelijke kansen te bieden en hun
    ­talenten in de volle breedte te ontwikkelen. Daarbij wordt vooral gewerkt vanuit individuele moge-
     lijkheden van kinderen waar bestaande organisatiestructuren zo veel mogelijk op aangepast worden.
     Een voorbeeld hiervan zijn de Kindcentra 2020. Daarin werken basisonderwijs, kinderopvang, zorg en
     welzijn samen volgens één pedagogische en educatieve visie in één nieuwe organisatie ( ‘community’).
     Bron: Onderwijsraad, 2015a.
Cluster de leerwegen in het vmbo
De raad pleitte al eerder voor vereenvoudiging van het vmbo en logisch clusteren van de
bestaande leerwegen. De clustering van leerwegen draagt bij aan een overzichtelijker struc-
tuur. Door de vereenvoudiging en meer logische ordening is beter te begrijpen hoe het onder-
wijsaanbod in elkaar zit. Daarnaast adviseerde de raad de positie van geclusterde opleidingen
te verbeteren door ze een eigen identiteit te laten ontwikkelen die past bij de functie van de
opleiding in het stelsel. Het versterken van vakmanschap staat hierbij centraal. Vakmanschap
is van oudsher iets waaraan vakmensen trots ontlenen. Vakmensen leveren werk af van hoge
kwaliteit en onderscheiden zich daarmee op een positieve manier. Door vakmanschap in de
opleiding centraal te stellen, kan de opleiding een eigen, positieve identiteit ontwikkelen. Een
herwaardering van vakmanschap die past in het huidige tijdsgewricht. Door de clustering en
het versterken van vakmanschap in het vmbo kunnen leerlingen zich beter identificeren met
de opleiding, waardoor die wint aan aantrekkelijkheid.115 Dat komt de positie van het vmbo in
het stelsel ten goede.
112      Zie bijvoorbeeld Eén voorziening voor Amsterdamse peuters: beleidsplan 2018-2022, Gemeente Amsterdam; Tilburg brengt je verder!
         Gemeente Tilburg.
113      Onderwijsraad, 2017d.
114      Onderwijsraad, 2015a.
115      Onderwijsraad, 2015b.
54                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>De raad adviseerde de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen te clusteren
tot één opleiding vakmanschap waarbinnen differentiatie naar niveau bestaat. En de raad advi-
seerde de gemengde en theoretische leerwegen te clusteren tot de opleiding mavo die een
gedegen voorbereiding geeft op zowel het mbo als het havo. De aansluiting tussen de alge-
meen vormende vooropleiding en het beroepsonderwijs is niet optimaal. Om leerlingen beter
voor te bereiden op het beroepsgerichte vervolgonderwijs ontstaan in de praktijk allerlei aan-
vullende programma’s. De raad pleitte voor een structurele oplossing door het curriculum aan
te passen. Beroepsgerichte vakken moeten een standaard onderdeel zijn van het programma,
met daaraan gekoppeld veel aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
In de clustering en profilering van de gemengde en theoretische leerweg in het vmbo zijn
belangrijke stappen gezet. Wat betreft clustering van de basisberoepsgerichte en kader­
beroepsgerichte leerweg is na een veldraadpleging besloten om de opleidingen niet samen
te voegen. Dit zou onvoldoende recht doen aan de kaderleerling.116 De raad benadrukt dat het
niet simpel gaat om het samenvoegen van de twee leerwegen, maar dat het zaak is binnen de
opleiding vakmanschap te differentiëren naar niveau. Zo kan beter recht gedaan worden aan
álle leerlingen, inclusief de kaderleerling.
De raad onderstreept het belang van een vakopleiding op hoog niveau. Het realiseren van
een beroepsgerichte opleiding gericht op doorstroom naar niveau 3 en 4 van het middelbaar
beroepsonderwijs is niet de standaard en zou het wel moeten zijn. Alle scholen die een oplei-
ding vakmanschap aanbieden, zouden de ambitie moeten hebben een route te creëren die
gericht is op doorstroom naar niveau 3 en 4. Hiermee krijgt de cognitief sterke en beroepsge-
ïnteresseerde leerling de optie om op een hoog niveau in het middelbaar beroepsonderwijs
door te stromen.117
Integreer vmbo en mbo 2
Door de sterke differentiatie in het onderwijsstelsel zijn er relatief veel overgangen. Voor kwets-
bare leerlingen zijn overgangen vaker een struikelblok dan voor andere leerlingen.118 Zij vallen
op dat punt vaker uit. Dit is te zien bij de overgang van het vmbo (basisberoepsgerichte en in
mindere mate kaderberoepsgerichte leerweg) naar mbo 2.119 Veel leerlingen hebben moeite
met deze overgang. Om deze reden is er vanaf 2008 geëxperimenteerd met alternatieve routes
naar het middelbaar beroepsonderwijs waarbij vmbo- en mbo-trajecten geïntegreerd werden
tot vm2-trajecten. Deze gaan uit van het principe ‘één dak, één team en één concept’. Binnen
deze trajecten wordt de overgang versoepeld door de vertrouwde omgeving van de vmbo-
leerling te handhaven tot aan het behalen van de startkwalificatie op mbo-niveau 2.
De vm2-trajecten hebben over het algemeen geleid tot positieve resultaten. Daarom adviseert
de raad om binnen de opleiding vakmanschap (clustering van vmbo basisberoepsgerichte en
kaderberoepsgerichte opleiding) een geïntegreerd traject met mbo niveau 2 te ontwikkelen.
Zo kunnen leerlingen van het niveau basisberoepsgerichte leerweg en de kwetsbare kader-
leerlingen zonder overgang toewerken naar een startkwalificatie. De kans op voortijdig school-
verlaten bij deze kwetsbare groep leerlingen wordt daarmee verkleind. Wel is het belangrijk
dat deze vm2-trajecten geoptimaliseerd worden op basis van de conclusies van de monitors
die in de loop der jaren zijn uitgevoerd.120
116  Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, 2017c.
117  Onderwijsraad, 2015b.
118  Korpershoek, Beijer, Spithoff, Naaijer, Timmermans, Van Rooijen, Vugteveen & Opdenakker, 2016; Eiffers, 2011.
119  Bouwmans & Schoonhoven, 2012.
120  Zie ook Onderwijsraad, 2013a.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                               55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Zorg voor meer flexibiliteit in de onderbouw van het voortgezet onderwijs
Het is belangrijk te zoeken naar manieren om de scheiding tussen schoolsoorten in de eer-
ste jaren van het voortgezet onderwijs te verminderen. De raad pleit ervoor meer gebruik te
maken van (brede) brugklassen en 10-14 onderwijs.
  10-14 onderwijs
  Bij het concept van 10-14 onderwijs wordt de definitieve selectie uitgesteld en is er meer ruimte voor
  differentiatie in niveaugroepen. In eerste instantie is het 10-14 onderwijs gericht op het verzachten van
  de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs. Leerlingen worden door een team van po-
  en vo-docenten in een doorlopende leerlijn begeleid naar het voortgezet onderwijs. Hierbij volgen ze
  een persoonlijke leerroute met veel aandacht voor talent- en persoonsontwikkeling.
  Bron: Exalto, Damstra, Klein, Van der Vegt & Weijers, 2018.
Het 10-14 onderwijs wordt ingezet met als doel uitstel van de schoolkeuze van leerlingen in het
basisonderwijs en een succesvolle doorstroom naar vervolgonderwijs die past bij de leerling.121
Binnen het concept van het 10-14 onderwijs is er veel ruimte voor interne differentiatie op basis
van niveaugroepen. Dit maakt het onderwijs in de onderbouw van het voortgezet onderwijs
flexibeler: leerlingen kunnen makkelijker overstappen naar een ander niveau als dat wenselijk
is. Ook zijn er meer mogelijkheden om bij bijvoorbeeld niet-doorstroomvakken zoals gymnas-
tiek en levensbeschouwing het onderwijs juist in heterogene groepen te organiseren. Hiermee
kan het 10-14 onderwijs een interessante oplossing zijn voor de huidige knelpunten in het stel-
sel. Er worden steeds meer 10-14 scholen gestart; per 1 augustus 2018 is een tweede lichting
scholen ingestroomd in de pilot om deel te nemen aan het onderzoek.122 De raad adviseert
het 10-14 onderwijs te evalueren in het licht van een mogelijke oplossing voor de padafhan-
kelijkheid en sociale segmentatie in het onderwijs. De evaluatie zou onder andere antwoord
moeten geven op de vraag of het gewenst is 10-14 onderwijs de standaard te maken in het
onderwijsstelsel.
Bekijk of vereenvoudiging van het mbo mogelijk is
De toenemende dynamiek op de arbeidsmarkt en de snel veranderende vraag leiden ertoe dat
het huidige aanbod van mbo-opleidingen kritisch moet worden bezien. De raad vraagt zich af
of het onderscheid tussen niveau 3 en 4 op termijn nog functioneel is en of er toegewerkt moet
worden naar een vereenvoudigd opleidingenaanbod dat herkenbaar is voor werkgevers en
ook eenvoudiger is aan te passen aan een veranderende vraag.
De positie van middelbaaropgeleiden is voor sommige sectoren bovendien zorgelijk.123 Er is
sprake van polarisatie. De werkgelegenheid en lonen groeien vooral aan de bovenkant van de
arbeidsmarkt, maar ook aan de onderkant ontwik­kelt de werkgelegenheid zich gunstig.124 Dit
gaat ten koste van het middensegment. Er is sprake van een afnemende aansluiting met de
arbeidsmarkt: mbo-opgeleiden waaieren sterker uit over verschillende beroepsgroepen. Dat is
niet te zien bij bijvoorbeeld hbo-opgeleiden.125 Er zijn wel grote verschillen tussen sectoren. De
121  Exalto, Damstra, Klein, Van der Vegt & Weijers, 2018.
122  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018d.
123  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016; Kans, Christoffels,
     Schipperheyn, Groeneveld, Cuppen & Hofland, 2016.
124  Centraal Planbureau & Sociaal en Cultureel Planbureau, 2015; Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016; zie ook Smits &
     De Vries, 2015; Van den Berge & Ter Weel, 2015.
125  Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2017,b.
56                                                                                                    Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>    economische sector heeft veel meer last van een minder goede aansluiting op de arbeidsmarkt
    dan de technische sector. Mbo-opgeleiden in de sector economie moeten vaker een beroep
    buiten hun kerndomein accepteren. Dit roept de vraag op of het huidige opleidingenaanbod
    en de relatief sterke externe differentiatie naar niveau 3 en 4 in de toekomst houdbaar zijn. Een
    vereenvoudigd opleidingsaanbod kan makkelijker meebewegen met de veranderende vraag
    op de arbeidsmarkt. Bovendien vormt samenvoeging een prikkel om zo veel mogelijk studen-
    ten te diplomeren op het hoogste niveau, het huidige niveau 4.
3.3 Vertrekpunt 2: verbind ook op andere manieren schoolsoorten en
    opleidingen
    Om de scheidingen in het Nederlandse onderwijsstelsel te verminderen, is niet alleen minder
    differentiatie in het stelsel nodig, maar moet ook de verbinding tussen de schoolsoorten en
    opleidingen worden versterkt.
    Verschillende schoolsoorten op één locatie of samenwerking aangaan
    Brede scholengemeenschappen bieden onderwijssoorten vaak op afzonderlijke locaties aan.
    Deze fysieke scheiding betekent een extra hindernis om van de ene naar de andere schoolsoort
    over te stappen. Bovendien komen leerlingen met verschillende sociale achtergronden elkaar
    daardoor minder vanzelfsprekend tegen in het onderwijs (zie paragraaf 2.2 over de sociale seg-
    mentering in het onderwijs). Om de scheidingen in het Nederlandse voortgezet onderwijs te
    verminderen, moet de verbinding tussen schoolsoorten versterkt worden. Dat kan door meer-
    dere schoolsoorten te organiseren op één locatie of door te stimuleren dat scholen samenwer-
    king zoeken met andere scholen.126 Dit is een minimale en noodzakelijke maatregel. Scholen
    zouden gestimuleerd moeten worden om nog een stap verder te gaan door het onderwijs in
    de onderbouw van het voortgezet onderwijs meer flexibel aan te bieden zoals beschreven in
    paragraaf 3.1. Deze maatregelen maken de overstap van de ene naar de andere schoolsoort
    makkelijker en bieden mogelijkheden om de school beter te benutten als sociale oefenplaats.
    Zorg voor betere aansluiting tussen onderwijssoorten
    Een sterke verbinding komt mede tot stand door regelmatig stelselbreed te bekijken of onder-
    wijssoorten voldoende op elkaar aansluiten. Het gaat daarbij om de inhoudelijke aansluiting,
    de aansluiting in niveau van lesstof en de aansluiting in de pedagogisch-didactische aanpak
    van onderwijssoorten en opleidingen. De raad pleit vooral voor een verbeterde aansluiting
    tussen vmbo en havo.127 Deze overgang vormt een cruciale schakel binnen het Nederlandse
    onderwijsstelsel. Vmbo-leerlingen kunnen via het havo het hoger beroepsonderwijs bereiken.
    Juist deze stapelmogelijkheid is een belangrijke emancipatieroute.
    Schakelklassen als structureel onderdeel van het mbo en het hoger onderwijs
    Waar de aansluiting niet gemakkelijk binnen programma’s op te lossen is, kunnen schakel­
    klassen de mogelijkheid voor leerlingen vergroten om over te stappen of door te stromen. De
    raad adviseerde eerder om een domeinbrede schakelklas te starten in mbo 2. Jongeren die
    vmbo basis of kader verlaten, moeten al op relatief jonge leeftijd een goed beeld hebben van
    wat de verschillende mbo 2-opleidingen te bieden hebben, en goed weten wat hun interes-
    ses en toekomstverwachtingen zijn. Daar hebben ze lang niet altijd een goed beeld van. Mede
    126 Onderwijsraad, 2010a.
    127 Onderwijsraad, 2015b; 2018d.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>    daardoor is de uitval in mbo 2-opleidingen relatief hoog.128 Wanneer jongeren daar uitvallen,
    bestaat er eigenlijk geen andere mogelijkheid dan het op een volgende opleiding opnieuw te
    proberen.
    De domeinbrede schakelklas is in eerste instantie bedoeld als vangnet voor uitvallers, maar is
    ook preventief inzetbaar. In de schakelklas zou veel aandacht moeten zijn voor beroepsoriënta-
    tie in diverse richtingen en voor basisvaardigheden en studievaardigheden. Leerlingen weten
    zo beter wat een specifieke mbo-opleiding inhoudt en hebben meer bagage om een reguliere
    opleiding met succes af te ronden.
    Ook de aansluiting tussen hbo-bacheloropleidingen en universitaire masterprogramma’s ver-
    loopt niet soepel. Studenten beschikken vanuit een verwante vooropleiding niet altijd over
    voldoende kennis en vaardigheden om een master succesvol te kunnen volgen. Alle universi-
    teiten en bijna twee derde van de hogescholen bieden één of meerdere schakelprogramma’s
    aan om deze overgang beter mogelijk te maken door op een efficiënte manier voldoende ken-
    nis en vaardigheden op te doen129 Een risico van de nieuwe wettelijke richtlijn130 voor de tarie-
    ven van schakelprogramma’s is echter dat deze niet kostendekkend zijn. Universiteiten kunnen
    hun schakelprogramma’s dan gaan versoberen of zich genoodzaakt zien er helemaal mee te
    stoppen. Daarmee is de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het geding.131 De raad
    adviseert te bekijken welke mogelijkheden er zijn om schakelprogramma’s een structurele
    plaats te geven in het hoger onderwijs.
3.4 Vertrekpunt 3: stimuleer beroepsgericht onderwijs op het havo en vwo
    Een andere manier om meer verbindingen te creëren, is het aanbieden van beroepsgericht
    onderwijs in alle schoolsoorten van het voortgezet onderwijs. De wet maakt gecombineer-
    de leerwegen tussen algemeen vormend en middelbaar beroepsonderwijs weliswaar moge-
    lijk, maar initiatieven daartoe bestaan nog nauwelijks in Nederland. De raad adviseert om het
    combineren van onderwijs uit beide kolommen te stimuleren.132 Zeker wanneer het onderwijs
    in de eerste jaren van het voorgezet onderwijs meer flexibel wordt ingericht (zie vertrekpunt
    1), komen er ook meer mogelijkheden om beroepsgerichte vakken relatief laagdrempelig een
    plek te geven binnen het havo en vwo. Hierdoor kunnen leerlingen op het havo en vwo zich
    breed ontwikkelen en zich beroepsmatig oriënteren en bekwamen, waardoor de doorstroom
    naar het beroepsonderwijs soepeler gaat (bijvoorbeeld ook vanuit havo 3 naar het mbo) of de
    keuze voor het wetenschappelijk onderwijs beter gemotiveerd is. Bovendien versterkt dit de
    waardering van het beroepsonderwijs en vakmanschap. De raad benadrukt tegelijkertijd dat
    de route via vwo naar het academisch onderwijs geborgd moet blijven.
    De raad realiseert zich dat de introductie van extra vakken kan knellen met de bestaande ruim-
    te binnen een vijfjarig havoprogramma. Daar komt bij dat het studiesucces binnen de havo-
    hbo-route momenteel erg laag is: ongeveer de helft van de havisten rondt het havo onver-
    traagd af, terwijl de uitval of switch in het eerste jaar van het hbo relatief groot is (circa een
    derde).133 De raad stelt voor te verkennen in hoeverre het verlengen van de havo-opleiding met
    128   Onderwijsraad, 2013a.
    129   Inspectie van het Onderwijs, 2015.
    130   Ingegeven vanuit de wetswijziging Kwaliteit in verscheidenheid.
    131   Inspectie van het Onderwijs, 2015.
    132   Onderwijsraad, 2014a.
    133   Zie Ministerie van Financiën, 2015; Van den Broek, De Korte, Cuppen, Wartenbergh, Bendig-Jacobs, Mulder & Hellegers, 2018.
    58                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>    een jaar een betere voorbereiding op het hbo kan realiseren. Bovendien voorzien dan het havo
    en vwo in een even lange voorbereiding op het hoger onderwijs (zes jaar).
3.5 Vertrekpunt 4: verminder en verbeter de selectie
    Om de toegankelijkheid van het onderwijs te verbeteren, adviseert de raad uit te gaan van
    ­minder extra selectie op sommige overgangen in het stelsel, en waar geselecteerd wordt, de
     procedure kwalitatief te verbeteren. Bij selectie worden beslissingen genomen over de toewij-
     zing aan een niveau en toelating tot een opleiding. De raad pleit ervoor uit te gaan van eind-
     toetsing en centrale examens als ijkpunten en zo min mogelijk gebruik te maken van aanvul-
     lende eisen en extra toetsing. Objectieve eindtoetsing helpt ongelijke kansen tegen te gaan134
     en is belangrijk voor het civiel effect van diploma’s.135 Internationaal vergelijkend onderzoek
    toont overtuigend aan dat eindtoetsing en centrale examens belangrijk zijn voor de kwaliteit
    en toegankelijkheid van het stelsel. In andere landen leidt een flexibeler opzet van eindtoet-
    sing vaak tot aanvullende eisen en extra toetsing in het vervolgonderwijs.136
    Het diploma geeft een doorstroomrecht naar specifieke vormen van vervolgonderwijs. Hier-
    door kunnen leerlingen en studenten op verschillende manieren door het stelsel bewegen
    zonder onnodige struikelblokken. Een goede inhoudelijke aansluiting tussen opleidingen (zie
    vertrekpunt 2) is daarvoor een voorwaarde.
    De kwaliteit van selectie is belangrijk en moet aandacht krijgen. Selectie moet voorspelbaar
    en objectief zijn en worden uitgevoerd met deugdelijke instrumenten. Dat is belangrijk om
    gelijke kansen in het onderwijs te scheppen én de juiste leerling of student op de juiste plek
    te krijgen. De raad vraagt aandacht voor de kwaliteit van de decentrale selectie in het hoger
    onderwijs. Veelvoorkomende onderdelen van decentrale selectieprocedures zijn cognitieve
    vaardigheids- en kennistoetsen, motivatie- en persoonlijkheidsvragenlijsten en interviews.
    Deze instrumenten kunnen een risico vormen voor de toegankelijkheid van het hoger onder-
    wijs of niet altijd geschikt zijn voor het doel waarvoor ze worden ingezet. Onderzoek laat zien
    dat opleidingen in de praktijk een smalle definitie van geschiktheid hanteren en nauwelijks een
    beeld hebben van de student die bij hun opleiding past.137
3.6 Vertrekpunt 5: geef permanente educatie een structurele plek in het
    onderwijsstelsel
    Het wordt steeds belangrijker dat mensen zich gedurende hun levensloop blijven ontwikke-
    len en nieuwe kennis en vaardigheden blijven opdoen. Voltooiing van een initiële opleiding is
    niet langer afdoende. Bijscholing is niet meer enkel voor degenen die ‘hogerop’ willen, maar
    ook nodig om bij te blijven in de baan die iemand al heeft of om een overstap te maken naar
    ander soort werk in een andere sector.138 Met het toenemende belang van permanente educa-
     tie wordt het onderwijs aangesproken op zijn maatschappelijke opdracht. Tegelijkertijd con-
     stateert de raad dat het huidige stelsel primair is ontworpen voor kinderen en jongeren, en in
    134  Van de Werfhorst, Elffers & Karsten, 2015.
    135  Onderwijsraad, 2015d.
     136 Bol, Witschge, Van de Werfhorst & Dronkers, 2013.
    137  Rouwhorst, 2018.
    138  Onderwijsraad, 2016d.
     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>veel mindere mate voor werkende volwassenen. Het is daarmee onvoldoende toegerust om
deze verantwoordelijkheid op zich te nemen.
Permanente scholing, vorming en ontwikkeling zijn niet alleen een verantwoordelijkheid van
individuen, maar ook van bedrijven en de overheid. Zeker voor groepen in een kwetsbare posi-
tie kent de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid als het gaat om een toegankelijk
aanbod. Om gedurende de levensloop werken en leren beter te combineren, moeten voorzie-
ningen geen tijdelijk maar een permanent onderdeel zijn van het onderwijsstelsel. Een betere
infrastructuur van het postinitieel onderwijs draagt bij aan een toegankelijker en betaalbaar
scholings- en vormingsaanbod. Ook helpt die de versnippering in opzet en inhoud van het aan-
bod tegen te gaan en een betere aansluiting tussen onderwijssectoren te realiseren.
Daartoe is het nodig de mogelijkheden van een flexibel aanbod in het stelsel nader te verken-
nen. De raad onderschrijft het belang van mogelijkheden die de bbl-trajecten bieden voor per-
manente educatie. De beroepsbegeleidende leerweg (bbl), die leren en werken combineert,
biedt goede mogelijkheden voor bij-, op- en omscholing van volwassenen met en zonder
baan. Uitbouw van deze onderwijsvorm en extra inzet op het werven en matchen van werk-
zoekenden op bbl-leerbanen zijn mooie voorbeelden van hoe permanente educatie te veran-
keren is in het stelsel. Verder ontwikkelen sommige roc’s zogenoemde derdeleerwegopleidin-
gen, waarbinnen arbeidsmarktrelevante delen van de mbo-opleidingen worden aangeboden
die deel­nemers kunnen afsluiten met een certificaat (zie kader). Ze zijn vergelijkbaar met bbl-
opleidingen, maar er is geen wettelijk vastgestelde urennorm of studieduur. Ook dit ziet de
raad als een kansrijk initiatief om permanente educatie in te bedden in het stelsel.
  Start pilots mbo-certificaten voor beroepsgerichte onderdelen
  Vanaf juni 2018 doen vijftien samenwerkingsverbanden van mbo-instellingen, bedrijven en branche-
  organisaties in pilots eerste ervaringen op met scholingstrajecten op basis van mbo-certificaten. De
  pilots worden uitgevoerd in de tekortsectoren zorg, horeca, bouw en techniek en betreffen mbo-
  opleidingen van niveau 2, 3 en 4. Onder regie van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
  ­Bedrijfsleven (SBB) wordt onderzocht welke beroepsgerichte onderdelen van welke mbo-opleidingen
   een oplossing kunnen zijn voor door het werkveld ervaren scholingsvraagstukken voor werkenden en
   werkzoekenden.
   Zo onderzoeken samenwerkingsverbanden in de pilots voor niveau 2 hoe scholing met een mbo-­
   certificaat kan zorgen dat zij-instromers/werkzoekenden van buiten de sector snel en kwalitatief in-
   zetbaar zijn, als eerste stap in de loopbaanontwikkeling. De samenwerkingsverbanden in de zorg gaan
   ook na of medewerkers met een behaald mbo-­certificaat een deel van de taken van medewerkers van
   een hoger niveau kunnen overnemen, om zo de werkdruk te verminderen. Een aantal samenwerkings-
   verbanden in de techniek onderzoekt hoe mbo-certificaten kunnen bijdragen aan de benodigde bij-
   scholing van zittende medewerkers vanwege de energietransitie en de duurzaamheidsagenda.
   Bron: https://www.s-bb.nl/pilots-mbo-certificaten.
60                                                                             Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Ook in het hoger onderwijs wordt geëxperimenteerd met een flexibel aanbod in de vorm van
duale en deeltijdopleidingen en de associate degree (zie kader). Hierdoor ontstaat meer ruimte
voor maatwerk en voor beter en tijdig inspelen op de behoeften en kansen voor iedereen die
zich verder wil scholen of ontwikkelen. De inhoudelijke en infrastructurele samenwerking tus-
sen het publieke en private onderwijs is daarbij waardevol en moet vastgehouden worden. Het
delen van elkaars kennis en expertise, locaties en leermiddelen kan daarbij helpen.
  Experimenten om deeltijdonderwijs flexibeler te maken
  In het hoger onderwijs zijn er experimenten om de opleiding beter te laten aansluiten bij de behoefte
  van de deeltijdstudent: de pilot flexibilisering en het experiment vraagfinanciering. Een student die
  meedoet aan het experiment vraagfinanciering hoeft zich niet voor een hele opleiding in te schrijven.
  In plaats daarvan volgt hij een of meer modules. De student kan de modules stapelen tot een diploma.
  Bij de pilot flexibilisering mogen hogescholen de vaste onderwijsprogramma’s loslaten. In plaats daar-
  van maakt de school afspraken met de student over de leeruitkomsten. Die worden uitgewerkt in een
  onderwijsovereenkomst, waarin wordt vastgelegd hoe de student die leeruitkomsten gaat realiseren.
  Het gaat er dus om wat een student moet kennen en kunnen op het moment dat hij het diploma haalt.
  Met deze experimenten wil de overheid het deeltijdonderwijs aantrekkelijker maken – voor studenten
  én werkgevers.
  Bron:https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hoger-onderwijs/experimenten-om-deeltijdonderwijs-flexibeler-te-maken
Stimuleer permanente educatie in de vorm van het stapelen van diploma’s
Permanente educatie hoeft niet altijd plaats te vinden via een duaal traject of arbeidsrelevante
delen van een mbo- of hbo-opleiding. Ook het stapelen van diploma’s in het initiële onderwijs
is een manier. Mbo-opgeleiden kunnen hier veel baat bij hebben. Mensen met een afgeron-
de mbo-opleiding (niveau 2, 3, 4) lopen er tegenaan dat de werkgelegenheid en lonen vooral
groeien aan de bovenkant van de arbeidsmarkt. De Onderwijsraad pleit ervoor het stapelen
van diploma’s (al dan niet na een tijdje werken) voor deze groep te stimuleren, zodat ze kunnen
opklimmen tot het niveau van associate degree en het hbo, om zo hun arbeidsmarktperspec-
tieven te verbeteren.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                  61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>62 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Deel B
Ontwikkelingen in het Nederlandse beleid en onderwijs
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel  63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>64 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>  Samenleving en onderwijs zijn altijd in beweging. Het onderwijs
  heeft zich ook te verhouden tot maatschappelijke opgaven. In deel
  B geeft de raad een overzicht van ontwikkelingen in het beleid en de
  onderwijspraktijk van de afgelopen jaren.
1 Inleiding
  Verkenning van beleidsthema’s en beleidsinstrumenten als basis voor de beschrijvingen
  Voor de bespreking van het Nederlandse onderwijsbeleid heeft de raad thema’s in kaart
  gebracht die in het beleid van de afgelopen jaren het vaakst aan de orde zijn gekomen. Daar-
  toe is een eerste verkenning gedaan die mede gebaseerd is op de adviezen van de Onderwijs-
  raad van de afgelopen jaren. In aanvulling daarop is een exploratieve inhoudsanalyse uitge-
  voerd op beleidsdocumenten die tussen 1 januari 2014 en 1 april 2018 zijn verschenen. In totaal
  zijn 84 verslagen van algemene overleggen tussen de bewindslieden en de vaste Kamercom-
  missie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en 665 beleidsbrieven van de minister(s) en/of
  de staatssecretaris aan de Tweede Kamer geanalyseerd. De werkwijze is in Bijlage 1 beschreven.
  Vervolgens zijn de beleidsthema’s getoetst op herkenbaarheid bij mensen uit praktijk en
  wetenschap. Er zijn twee focusgroepen georganiseerd waarin beleidsthema’s met een belang-
  rijke impact op de onderwijspraktijk werden besproken. In zijn algemeenheid ontstond uit
  de gesprekken het beeld dat het beleid vaker gericht is op het primair en voortgezet onder-
  wijs dan op het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijke onderwijs.
  Er werd ook minder consistentie ervaren in het beleid gericht op het primair en voortgezet
  onderwijs.
  Zorg over samenhang bij beleidsvorming
  De raad waardeert de inhoudelijke onderwerpen op de beleidsagenda. Het gaat om thema’s
  die belangrijk zijn voor het realiseren van de maatschappelijke opdracht van het onderwijs. Hij
  vraagt evenwel aandacht voor het waarborgen van de samenhang in de beleidsvoering. De
  overheid moet zorgen voor kwalitatief goed onderwijs door het stelsel goed te laten functio-
  neren. Lerarenbeleid, soepele overgangen en samenhang in het onderwijs als geheel behoren
  tot haar kerntaken.139 Voor deze samenhang is onvoldoende aandacht geweest in de afgelopen
  jaren. De raad constateert dat beleidsvorming vooral plaatsvindt op specifieke thema’s en bin-
  nen sectoren. Hierdoor dreigen onderdelen van het stelsel zich los van elkaar te ontwikkelen, is
  er een grotere kans dat onderliggende knelpunten in het stelsel onvoldoende worden aange-
  pakt (zie deel A) en liggen inconsistenties in het beleid op de loer.
  Leeswijzer
  Hoofdstuk twee beschrijft de beleidsthema’s beschreven die de afgelopen jaren de mees-
  te nadruk hebben gekregen. Hoofdstuk drie geeft een indruk van de manier waarop onder-
  wijssturing plaatsvond en gaat in op prominente ontwikkelingen op het gebied van
  onderwijsfinanciering.
  139  Onderwijsraad, 2014c, p.33.
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>66 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>    In het beleid en de onderwijspraktijk was er veel aandacht voor onder
    meer curriculumvernieuwing, passend onderwijs, leraren en gelijke
    onderwijskansen. Evenzeer werd het debat gevoerd over vakmanschap,
    brede vorming en de kwaliteit van het hoger onderwijs. Pilots en
    experimenten werden veelvuldig ingezet om beleid te implementeren.
2   Prominente onderwerpen in beleid en
    onderwijspraktijk
    In de afgelopen periode kwamen belangrijke en fundamentele onderwerpen aan de orde in
    het beleid en de onderwijspraktijk. Dit hoofdstuk bespreekt in willekeurige volgorde tien pro-
    minente onderwerpen. Deze onderwerpen zijn gebaseerd op de thema’s die uit de verkenning,
    de beleidsanalyse en gesprekken in de focusgroepen naar voren zijn gekomen.
    Thema’s uit beleidsanalyse en focusgroepen
    De door de raad uitgevoerde analyses laten zien dat het beleid de meeste aandacht besteedt
    aan: kwaliteit van het onderwijs; examens; toezicht; taal en rekenen; leraren en de opleiding
    van leraren; passend onderwijs; het curriculum; en excellentie. In de algemene overleggen
    tussen bewindslieden en de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
    ging de discussie over dezelfde thema’s, maar werd de meeste aandacht besteed aan passend
    onderwijs; taal en rekenen; examens; en leraren en de opleiding van leraren. De beleidsinstru-
    menten wetgeving en financiering kregen logischerwijs veel aandacht vanuit het ministerie en
    de politiek, maar de meeste aandacht ging uit naar pilots en experimenten – met name in 2015
    en 2016. Qua beleidsontwikkelingen was het verkiezingsjaar (2017) een rustig jaar.
    De deelnemers aan de focusgroepen herkenden over het algemeen de beleidsthema’s uit
    de beleidsanalyse. Zij gaven aan dat voor de sectoren primair en voortgezet onderwijs maat-
    werk evenzeer een belangrijk thema is geweest waar scholen de afgelopen jaren mee bezig
    zijn geweest, evenals onderwijsachterstanden; naast de thema’s passend onderwijs, leraren en
    de opleiding van leraren, toezicht, kwaliteit, en selectie (en gelijke kansen). Voor de sectoren
    middelbaar en hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijke onderwijs werd aangeven dat
    er ook veel aandacht was voor de studiefinanciering (leenstelsel), regionalisering, internatio-
    nalisering en digitalisering; naast de thema’s toezicht (en governance), kwaliteit en selectie (en
    gelijke kansen).
2.1 Hoe kan het curriculum evenwichtig en bij de tijd blijven?
    Curriculumvernieuwing
    De afgelopen jaren – en nu nog steeds – is er veel aandacht voor de vraag of het Nederlandse
    onderwijs bij de tijd is en voor het tegengaan van overladenheid van en ontbrekende samen-
    hang in het curriculum.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                            67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Zo bracht, na een voorbereidingsfase van ruim twee jaar, het Platform Onderwijs2032 in janu-
ari 2016 zijn visie uit over het onderwijs van de toekomst.140 Het Platform stelde voor om meer
evenwicht te brengen tussen de drie hoofddoelen van het onderwijs: kennisontwikkeling, per-
soonsvorming en maatschappelijke toerusting. Het Platform vond het daarvoor belangrijk het
bestaande curriculum tegen het licht te houden en opnieuw te bepalen wat leerlingen mini-
maal moeten kennen en kunnen en dat vast te leggen in een kerncurriculum. Vervolgens is
deze visie getoetst in de onderwijspraktijk en werd het draagvlak onder leraren onderzocht.
Op basis van de opbrengsten heeft de coördinatiegroep een plan gemaakt om te komen tot
een herzien curriculum in het primair en voortgezet onderwijs.141 In dit plan krijgen leraren
een centrale rol in zogenoemde ontwikkelteams en is besloten door te gaan met curriculum­
ontwikkeling onder de naam curriculum.nu. Leraren, schoolleiders en scholen gaan zich bui-
gen over de vraag wat leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs moeten kennen en
kunnen. Op onderdelen is afstand genomen van het advies van het Platform Onderwijs2032.
Niet langer wordt uitgegaan van kennisdomeinen – de eigenheid en positie van de vakken in
het voortgezet onderwijs blijven behouden – en er worden geen ontwikkelteams opgezet voor
persoonsvorming en vakoverstijgende vaardigheden.142
Maar ook breder dan het primair en voortgezet onderwijs is er gekeken naar wat mensen
zouden moeten kennen en kunnen om Nederland tot een lerende, responsieve en inclusie-
ve samenleving te maken. De keuzedelen in het middelbaar beroepsonderwijs bieden ruimte
voor snellere curriculumontwikkeling in relatie tot behoeften van de regionale arbeidsmarkt. In
samenwerking met de SER (Sociaal-Economische Raad) en de ministeries van OCW (Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap), EZ (Economische Zaken), SZW (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en
Financiën heeft de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) in
2017 in opdracht van het kabinet een Skills Strategy Diagnostic Report voor Nederland gepu-
bliceerd.143 Het rapport benoemt de belangrijkste uitdagingen en geeft aanbevelingen om de
bekwaamheden en vaardigheden van de beroepsbevolking verder te ontwikkelen, effectiever
te benutten en te activeren. Volgens de OESO doet Nederland het ten opzichte van andere lan-
den goed, maar is er zeker ruimte voor verbetering. Dat is ook nodig vanwege de snelle techno­
logische ontwikkelingen en de grotere dynamiek op de arbeidsmarkt. De OESO noemt drie
topprioriteiten voor Nederland:
1) Stimuleer de ontwikkeling en betere benutting van vaardigheden en talenten van ieder-
    een. Vooral kwetsbare groepen met een lage beheersing van essentiële vaardigheden ver-
    gen aandacht. Onder hen bevinden zich bijvoorbeeld circa 2 miljoen mensen die niet de
    basisvaardigheden hebben om te lezen, te rekenen en gebruik te maken van computers en
    ­sociale media.
2) Stimuleer het ontwikkelen en beter benutten van vaardigheden en talenten op de werk-
     plek, onder andere door werkplekken zo in te richten dat werkenden zich verder kunnen
     ontwikkelen. Dit kan bijvoorbeeld door taken te laten rouleren en teams meer verantwoor-
     delijkheden te geven.
3) Bevorder een sterke leercultuur in Nederland. Blijven leren en ontwikkelen is cruciaal om te
     slagen in de loopbaan. Dat besef is nog niet overal stevig genoeg doorgedrongen, en dat
     geldt voor zowel individuen als arbeidsorganisaties en opleidingsinstellingen.
140 Platform Onderwijs2032, 2016.
141   De Coördinatiegroep bestaat uit vertegenwoordigende organisaties uit het onderwijsveld: de PO-Raad, de VO-raad, de
      Onderwijscoöperatie, Ouders & Onderwijs, het LAKS en de AVS.
142   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017b. De raad bracht eind 2018 een advies uit over curriculumvernieuwing:
      Onderwijsraad, 2018b.
143   Organisation for Economic Co-operation and Development, 2017.
68                                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>     Doorlopende leerlijnen
    Bij plannen voor curriculumvernieuwing zijn doorlopende leerlijnen van groot belang. Voor
    de samenhang in onderwijsprogramma’s en voor het volgen van verschillende leerroutes (bij-
    voorbeeld van de theoretische leerweg van het vmbo naar havo) is het belangrijk dat curricula
    op elkaar aansluiten. De raad heeft dit aan de orde gesteld in zijn advies Maatwerk binnen wet-
    telijke kaders (2015). Daarbij speelt ook het voorkomen van onnodige herhaling, zoals bijvoor-
    beeld aan de orde is bij Engels op de overgang van primair naar voortgezet onderwijs.
2.2 Toenemende roep om maatwerk en centraal stellen van de leerling
    De toenemende roep om maatwerk en om het centraal stellen van de leerling geeft een zekere
    ontevredenheid aan met een sterk gestandaardiseerd onderwijsaanbod. Deze roep komt bij-
    voorbeeld tot uiting in specifiek beleid voor toptalenten.144 De roep komt ook uit het onder-
    wijs zelf, in de vorm van pleidooien om een maatwerkdiploma te introduceren dat leerlingen
    de mogelijkheid biedt om vakken op verschillende niveaus af te sluiten of voor het toevoegen
    van een plusdocument aan vo-diploma’s, zodat de leerling kan laten zien waar hij buiten het
    voorgeschreven curriculum aan heeft gewerkt.145 Tegelijkertijd duidt deze roep op de toege-
    nomen individualisering van de maatschappij en daarmee van het onderwijs. Dat men op ver-
    schillende manieren naar deze ontwikkelingen kan kijken, is uitgewerkt in de verkenning van
    de Onderwijsraad ‘De leerling centraal?’ (2017). In deze verkenning benadrukt de raad dat het
    onderwijs zowel individuele als publieke belangen dient. Individuele leerlingen en hun ouders
    hebben er belang bij dat onderwijs zo goed mogelijk aansluit bij hun behoeften. Onderwijs
    heeft echter ook een maatschappelijke opdracht die tot uitdrukking komt in maatschappelijke
    en publieke belangen van onderwijs. Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale samenhang, alge-
    meen welzijn en economische groei en welvaart. Dit belang stelt volgens de raad grenzen aan
    een exclusieve gerichtheid op wat leerlingen en hun ouders van het onderwijs kunnen verlan-
    gen. De raad vindt dat waar het maatschappelijke belang en het individuele belang botsen, het
    maatschappelijke belang van onderwijs het zwaarst moet wegen.
    Maatwerk en examinering
    Voor maatwerk is het belangrijk dat leraren het onderwijs aan kunnen passen aan de specifie-
    ke behoefte van leerlingen (differentiëren). Leraren zijn over het algemeen goed in algemene
    didactische vaardigheden, zoals het geven van duidelijke uitleg. Het lukt hen echter minder
    goed om te differentiëren tussen leerlingen. Differentiatie in de lessen neemt nauwelijks toe. In
    het basisonderwijs en de beroepsgerichte vakken in het middelbaar beroeps­onderwijs wordt
    wel meer gedifferentieerd dan in het voortgezet onderwijs, waar in meer dan de helft van
    de lessen niet wordt gediffe­rentieerd. Een uitzondering zijn de examenklassen in het voort­
    gezet onderwijs. Hier wordt veel doelgerichter gewerkt, waarbij differentiëren vanzelfspre-
    kend lijkt. Als Nederlandse leraren worden vergeleken met collega’s in andere landen, blijken
    ze ­aanzienlijk minder goed te zijn in het differentiëren tussen leerlingen dan leraren in ande-
    re hoog presterende landen. Zij dagen met name de beste leerlingen onvoldoende uit, waar-
    door die waarschijnlijk niet hun hoogst haalbare niveau bereiken. Minder dan in andere landen
    wordt bij kinderen op vijftienjarige leeftijd ‘outside the box’-denken aangeleerd, waarbij ze
    gestimuleerd worden ‘hogere orde denken’ te ontwikkelen.146
    144 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014a; Rijksoverheid, 2019.
    145  Klaar voor de toekomst! Sectorakkoord vo 2014-2017 (2014); VO-raad, 2014.
    146 Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>De afgelopen jaren was er veel aandacht voor maatwerk in het onderwijs. Maatwerk kan leer-
lingen motiveren en ondersteunen omdat het inspeelt op hun persoonlijke interesses en ver-
mogens. De meningen zijn echter verdeeld zodra het erover gaat hoe maatwerk moet worden
gerealiseerd en waar de grenzen liggen. In 2015 ontstond een brede discussie, die zich toe-
spitste op de eindtoetsing in het voortgezet onderwijs. De vraag was of de ruimte om vakken
op een verschillend niveau af te ronden moet worden vergroot. Uiteindelijk zijn de wettelijke
kaders niet verruimd. Dat is in lijn met wat de raad erover adviseerde.147 Hij noemde daarbij de
 volgende overwegingen. In de eerste plaats zijn er al mogelijkheden om de eindtoetsing te
 flexibiliseren. Een school kan bijvoorbeeld leerlingen voor enkele vakken eerder examen laten
 doen of deze vakken laten afronden op een hoger niveau. Dit is organisatorisch echter niet
 eenvoudig. Wanneer scholen meer ruimte zouden krijgen met de eindtoetsing, worden deze
 belemmeringen niet weggenomen, terwijl er wel risico’s aan kleven. De eindtoetsen zijn, ten
 tweede, belangrijke ijkpunten in het systeem.148 De raad vindt het binnen het huidige stelsel
onwenselijk om vakken op verschillende niveaus af te ronden, omdat daarmee de waarde van
het vo-diploma wordt aangetast. Het wordt voor het vervolgonderwijs en werkgevers moeilij-
ker om, op basis van een diploma, te bepalen welke leerlingen geschikt zijn voor een opleiding
of een baan. Ten slotte krijgen leerlingen de mogelijkheid om de weg van de minste weerstand
te kiezen. Voor vakken die ze moeilijk vinden, kunnen ze hun toevlucht nemen tot een lager
niveau.
Vo-scholen maken steeds meer gebruik van het plusdocument. Het plusdocument is een
­supplement bij het vo-diploma en een verzamelstaat van wat de leerling heeft ondernomen
 op het gebied van brede vorming, of het nu gaat om keuzevakken, deelname aan commissies,
 stages of bijvoorbeeld de schoolkrant. In juni 2017 gaf 43 procent van de scholen de geslaagde
 eindexamenkandidaten een plusdocument mee.149
Stimuleren excellentie
In het Plan van Aanpak Toptalenten 2014-2018 staan maatregelen beschreven voor het funde-
rend onderwijs om te stimuleren dat getalenteerde leerlingen uitgedaagd worden. De maat­
regelen zijn opgesteld langs drie actielijnen: 1) naar onderwijs dat meer uitdaagt, 2) waarin
prestaties beloond worden en 3) met beter toegeruste leraren.150 Op steeds meer scholen wordt
onderwijs op maat aangeboden voor leerlingen die meer aankunnen.
Door de Wet modernisering onderwijstijd, die in 2015 is ingevoerd, kunnen leerlingen nu eer-
der eindexamen doen in een vak, zodat er ruimte ontstaat voor het volgen van een verrijkings-
programma of voor een tweede profiel. Vanaf 2016 is het mogelijk dat leerlingen het judicium
cum laude op hun diploma krijgen wanneer zij slagen met gemiddeld een 8 of hoger. In dat jaar
slaagden ruim 3.300 scholieren cum laude.151 Ook het plusdocument is een middel om te laten
zien welke bijzondere prestaties leerlingen geleverd hebben en welke extra curriculaire activi-
teiten zij hebben ondernomen.152 Daarnaast wordt er meer deelgenomen aan (vak)wedstrijden
om bijzondere prestaties zichtbaar te maken.153 Er wordt veel geïnvesteerd in de ontwikkeling
van leraren zodat zij beter toegerust zijn om onderwijs op maat aan te bieden.154 Om de aan-
147  Onderwijsraad, 2015d.
148 Organisation for Economic Coordination and Development, 2016a.
149 VO-raad, 2014.
150  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014a.
151  https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/talent-op-school/toptalenten-op-alle-niveaus.
152  Klaar voor de toekomst! Sectorakkoord vo 2014-2017, 2014.
 153 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016c.
 154 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2013; 2016c.
70                                                                                         Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>    sluiting tussen primair en voortgezet onderwijs te verbeteren en om een platform te bieden
    voor kennisuitwisseling wordt samengewerkt in regionale talentnetwerken waarbij leraren­
    opleidingen en scholen zijn aangesloten.155
    In het middelbaar beroepsonderwijs zijn excellentieprogramma’s onderdeel van het beleid
    om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen.156 Excellentieprogramma’s bestaan veelal uit
    internationale stages, masterclasses en deelname aan vakwedstrijden. In het bestuursakkoord
    van 2018 is geen geld meer geoormerkt voor excellentieprogramma’s.157 De programma’s zijn
    ­echter zo succesvol dat bestuurders het excellentieonderwijs in het middelbaar beroepsonder-
     wijs verder willen blijven ontwikkelen.158
    Ook in het hoger onderwijs wordt aanzienlijk geïnvesteerd in excellentieprogramma’s. De
    meeste hogescholen en universiteiten hebben ‘honourstrajecten’ ingevoerd. Het zijn program-
    ma’s met bijvoorbeeld extra vakken op een hoger niveau of met een multidisciplinair k­ arakter.
    Andere trajecten gaan uit van ‘outreaching’, waarbij studenten internationale en/of maat-
    schappelijke ervaring opdoen en vanuit hun wetenschappelijke kennis aan de slag gaan met
    maatschappelijke problemen. Enkele instellingen werken met honourscolleges. In het hoger
    beroepsonderwijs is het percentage studenten dat deelneemt aan een excellentie­programma
    stabiel rond de vier à vijf procent. In het wetenschappelijk onderwijs ligt dat percentage stabiel
    rond de elf procent.159 Daarnaast neemt in het wetenschappelijk onderwijs het aantal masters
    met selectieve toelating toe.160
2.3  Meer aandacht voor het belang van brede vorming en burgerschap in het
     onderwijs
    Groeiend besef en erkenning dat onderwijs meer is dan taal en rekenen
    Scholen ervaren bij de beoordeling van hun onderwijskwaliteit door de Inspectie dat cogni-
    tieve leerprestaties de graadmeters voor succes zijn. De nadruk op meetbare opbrengsten
    heeft geleid tot een versmalling van de opvatting van onderwijskwaliteit, waarbij aspecten die
    niet gemakkelijk gekwantificeerd kunnen worden, minder aandacht krijgen. Hoewel opbreng-
    sten op taal en rekenen belangrijk blijven, is de laatste jaren een verschuiving te zien. Er is een
    brede maatschappelijke en politieke discussie ontstaan over onderwijskwaliteit, waarin wordt
    gezocht naar een betere balans tussen een focus op basisvaardigheden en andere doelen van
    het onderwijs.161
    De toegenomen aandacht voor brede vorming uit zich in een verbreding van onderwijsinhoud,
    bijvoorbeeld in de vorm van techniekonderwijs in het primair onderwijs, cultuureducatie en
    aandacht voor burgerschap, maar ook in het advies van het Platform Onderwijs2032 over een
    toekomstgericht curriculum. De aanscherping van de burgerschapsopdracht in het middelbaar
    beroepsonderwijs bestond onder andere uit de toevoeging van ‘kritische denkvaardigheden’
    155  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016c.
    156  https://mbo-today.nl/scholen-aan-de-slag-met-excellentie/.
    157  Bestuursakkoord OCW - MBO-Raad 2018-2022: Trots, vertrouwen en lef, 2018.
    158  https://mbo-today.nl/scholen-willen-doorgaan-met-excellentieprogrammas/.
    159  Van den Broek, Wartenborgh, Bendig-Jacobs, Tholen, Duysak & Nooij, 2017.
    160 Inspectie van het Onderwijs, 2018c.
    161  Onderwijsraad, 2016a.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                              71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>aan het onderdeel loopbaan en burgerschap. In het hoger onderwijs is er meer aandacht voor
‘Bildung’162 en zijn liberal-artsopleidingen binnen ‘university colleges’ in opkomst.163
Ook is een ontwikkeling zichtbaar om de waarde van (vak)kennis, vakvaardigheden en onder-
wijzen centraal te stellen. Onderwijs mag weer onderwijzen zijn. De positie van de leraar, de
onderwijzer, speelt in deze ontwikkeling een belangrijke rol, in de zin dat leraren voor leerlin-
gen vensters op de wereld openen en hen oriënteren op kennis en vaardigheden die ze uit
zichzelf niet zouden (aan)leren.
Integrale visie op de brede opdracht van het onderwijs ontbreekt echter nog
Hoewel de initiatieven blijk geven van een toenemende waardering voor onderwijskwaliteit in
brede zin, laten ze tegelijkertijd zien dat een integrale visie op de brede opdracht van onderwijs
nog ontbreekt. Daardoor is de samenhang tussen de doeldomeinen kwalificatie, socialisatie en
persoonsvorming lastig te realiseren.164
In het overheidsbeleid wordt brede vorming bijvoorbeeld versmald. Ook in de bestuursakkoor-
den tussen de overheid en de sectorraden draait het vooral om enkele elementen van bre-
de vorming, zoals cultuureducatie, techniekonderwijs en burgerschap. De onderwijspraktijk
besteedt bovendien vaak alleen expliciet aandacht aan onderdelen van de brede opdracht.
Een samenhangende visie op wat scholen willen bijdragen aan brede vorming is er meestal
niet. In zeer algemene termen beschrijven scholen wat zij op dat gebied willen bewerkstelligen
bij leerlingen – meestal in termen van kennis en vaardigheden. Vragen als: “Hoe blijf je de kwa-
liteit van taal en rekenen borgen en verhoog je tegelijkertijd de aandacht voor andere onder-
delen van het curriculum?” zijn daardoor moeilijk te beantwoorden.
Het ontbreken van een integrale visie zorgt ook voor te veel ruimte voor initiatieven en ‘goede
bedoelingen’ in het onderwijs. Een disbalans tussen de doeldomeinen komt bijvoorbeeld tot
uiting in de opkomst van psychologisering en therapeutisch denken. Daarbij gaat het om een
grotere inbedding van psychologische ‘vocabulaire’ en doelen in het onderwijs (zoals de theo-
rie van de psychologische basisbehoeften en leerdoelen als dat het onderwijs leerlingen veer-
krachtiger zou moeten maken165). In het Verenigd Koninkrijk wordt deze ontwikkeling: ‘character
education’ genoemd. De leerling zelf wordt dan het curriculum en het object van leren.
Zoektocht naar mogelijkheden om brede kwaliteit zichtbaar te maken
Tegelijk met de aandacht voor de brede opdracht en kwaliteit van het onderwijs is ook een
zoektocht gaande naar bijpassende manieren om opbrengsten van onderwijs inzichtelijk te
maken en te verantwoorden. Naast de ontwikkeling van kwantitatieve meetinstrumenten, is de
uitbreiding van Vensters voor Verantwoording daar een voorbeeld van.
Ook verantwoording over de brede opdracht van het onderwijs kan rekenen op de nodige
aandacht. Er wordt onder andere gezocht naar alternatieve manieren om het onderwijstoe-
zicht vorm te geven, waarbij het ‘brede, eigen verhaal’ van de school een grotere rol krijgt toe­
bedeeld in de beoordeling van de onderwijskwaliteit. Het zichtbaar maken van de bijdrage
van het onderwijs aan brede kwaliteit is daar een essentieel onderdeel van.166 Voor scholen is
162  Zie bijvoorbeeld Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015c.
163  Zie bijvoorbeeld Kirschner, 2015.
164 Onderwijsraad, 2016a.
165  In dit verband wordt ook wel gesproken van ‘grid resilience education’.
166 Onderwijsraad, 2016a.
72                                                                           Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>en blijft dit een lastige klus; planmatig werken aan en het zich verantwoorden over onderwijs­
doelen die nu minder zwaar meewegen in het toezicht, komen nog onvoldoende op gang.
Ontwikkeling burgerschapsonderwijs stagneert
De Inspectie concludeerde eind 2016 dat scholen en instellingen strikt genomen aan de wet-
telijke vereisten voldoen en burgerschap een belangrijk thema vinden, maar dat scholen
­burgerschapsonderwijs weinig doelgericht vormgeven en dat op de resultaten ervan nauwe-
 lijks zicht is. Ook ontbreekt het aan een doorlopende lijn tussen vakken over leerjaren en tus-
 sen speciaal op burgerschap gerichte activiteiten, zoals projecten, en een verbinding met het
 schoolklimaat. Scholen hebben wel aandacht voor overdracht van de basiswaarden van de
 democratische rechtsstaat, en met name voor uitingen die met die basiswaarden in strijd zijn.
 De Inspectie concludeert dat alle scholen daaraan aandacht schenken als de school daarvoor
 aanleiding ziet of, op een deel van de scholen, meer stelselmatig. Hoe burgerschapsonderwijs
 vorm krijgt hangt vaak van de leraar af en het is vaak incidenteel. Volgens de inspectie blijven
 daardoor kansen onbenut en weten we niet goed hoe effectief scholen zijn in het bevorderen
 van burgerschapscompetenties van leerlingen. Gelet op haar bevindingen en maatschappe-
 lijke ontwikkelingen roept de Inspectie de vraag op hoe het burgerschapsonderwijs versterkt
 kan worden. De Inspectie vindt deze vraag extra belangrijk, omdat de ontwikkeling van dit
 onderwijs stagneert. Haar rapport uit 2016 bevestigt het beeld uit eerdere jaren.167
 Uit onderzoek naar burgerschapscompetenties in het tweede leerjaar van het voortgezet
 onderwijs in Nederland blijkt dat Nederlandse leerlingen achterblijven in vergelijking met leef-
 tijdsgenoten in andere landen (Vlaanderen, Denemarken, Zweden, Noorwegen en Finland).168
 Ook de groep leerlingen die hoog scoort, is in Nederland kleiner dan in deze landen. Bovendien
 zijn er substantiële verschillen tussen leerwegen en zijn die verschillen groter geworden. Het
 onderzoek ging over kennis over burgerschap (zoals over de democratische samenleving en de
 onderliggende principes), houdingen (zoals maatschappelijk vertrouwen en steun voor demo-
 cratische beginselen), vaardigheden (zoals je standpunt kunnen beargumenteren) en gedrag
 (zoals deelname aan vrijwilligerswerk of de verwachting later te gaan stemmen).169
 Het ministerie van OCW stelt dat het, gezien de huidige ontwikkelingen in de samenleving,
 onaanvaardbaar is dat het burgerschapsonderwijs zich onvoldoende ontwikkelt. Ook de
 Onderwijsraad heeft geadviseerd de burgerschapsopdracht aan te scherpen.170 De raad noemt
 onder andere een verduidelijking van de deugdelijkheidseisen voor burgerschap en een plek
 voor burgerschap in het herijkte curriculum. Inmiddels is er een wetsvoorstel dat beoogt
 het onderwijs ten aanzien van burgerschap te verduidelijken en het burgerschapsonderwijs
 zo beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen.171 Achterliggend doel is
 om via een heldere burgerschapsopdracht verbinding met en participatie in de samenleving
 te bevorderen. Volgens de toelichting is de wettelijke burgerschapsopdracht nu weinig rich-
 tinggevend en is niet duidelijk wat tot de gemeenschappelijke kern behoort. Kerndoelen die
 invulling geven aan de algemene opdracht, zouden geen grondslag vinden in de wettelijke
 bepaling. De burgerschapsopdracht zou te weinig verplichtend zijn en een objectieve kwali-
 167  Inspectie van het Onderwijs, 2016a.
 168 Munniksma, Dijkstra, Van der Veen, Ledoux, Van de Werfhorst & Ten Dam, 2017, p.160.
 169 Ibid, p.159-160.
 170  Onderwijsraad, 2012a; 2018a.
 171  Onderwijsraad, 2018a.
 Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>     teitsnorm voor toezicht zou ontbreken. Ook zou de huidige burgerschapsopdracht niet aan-
     sluiten bij maatschappelijke verwachtingen.172
     Ook is er ingezet op de Alliantie Burgerschap. De alliantie is een landelijk samenwerkings­
     verband van scholen (basisonderwijs, vmbo, havo/vwo), kennisinstellingen (universiteiten,
     hogescholen), organisaties uit de onderwijsinfrastructuur (onder andere pedagogische centra
     en het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO) en de Inspectie van het Onder-
     wijs. De alliantie richt zich op bevordering van sociale en maatschappelijke competenties van
     leerlingen in het algemeen en burgerschapscompetenties in het bijzonder en wordt gesub-
     sidieerd door het ministerie van OCW.173 De Alliantie Burgerschap heeft de afgelopen jaren
     onderzoek verricht en ontwikkelwerk uitgevoerd op tientallen scholen.174 Voor het middelbaar
     beroepsonderwijs ontwikkelt Codenaam Future lesmethoden rondom burgerschap.
     De koers van het overheidsbeleid ten aanzien van het burgerschapsonderwijs is niet een­duidig.
     Een voorbeeld is de maatschappelijke stage: de stage werd verplicht in 2011, maar verplichting
     en financiering werden weer afgeschaft in 2015. Het huidige kabinet is een proef gestart met de
     maatschappelijke dienstplicht.
2.4  Aandacht voor kansengelijkheid en onderwijsachterstanden
     Gelijke onderwijskansen staan onder druk
     Een thema dat de afgelopen tijd volop in de belangstelling staat, is de kansengelijkheid bin-
     nen het Nederlandse onderwijs.175 Er zijn verschillende rapporten verschenen waaruit blijkt
     dat het Nederlandse onderwijs niet alle leerlingen gelijke kansen biedt.176 Een voorbeeld is de
     overgang van primair naar voortgezet onderwijs. Volgens onderzoek van de Inspectie speelt
     het opleidingsniveau van ouders een rol bij de schooladviezen die leraren aan het eind van
     de basisschool geven. Hierdoor komt het voor dat kinderen van laagopgeleide ouders met
     dezelfde toetsscores als kinderen van hoger opgeleide ouders, toch op een lager onderwijs-
     niveau terecht komen.177 Gelijke kansen zijn ook onder druk komen te staan door de afname
     van hetero­gene brugklassen, de toename van categorale scholen en een jarenlange daling
     van het aantal meervoudige schooladviezen in groep 8. Daarnaast lijkt ook de toename van
     schaduw­onderwijs, zoals huiswerkbijgeleiding aan leerlingen met meer financieel draagkrach-
    tige ouders, bij te dragen aan grotere verschillen in onderwijskansen.
    Dat de aandacht voor gelijke kansen in het onderwijsbeleid terug is van weggeweest, blijkt
    ­bijvoorbeeld uit het lanceren van een Gelijke kansen alliantie in oktober 2016. Dit samenwer-
     kingsverband tussen het ministerie van OCW, leraren, ouders, scholen, werkgevers en maat-
     schappelijke organisaties richt zich op het realiseren van soepelere overgangen tussen school-
     172 Zie memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs;
         Onderwijsraad, 2018a.
     173 SLO, 2019.
     174 Zie voor de resultaten van de eerste fase Peschar, Hoofhoff, Dijkstra & Ten Dam, 2017.
     175 De raad hecht eraan te benadrukken dat het creëren van gelijke kansen in het onderwijs een andere ambitie is dan het creëren van
         gelijke uitkomsten. Het gaat volgens de raad om het genereren van gelijke kansen voor iedereen op het best mogelijke onderwijs. Dat
         betekent ook het creëren van gelijke kansen om de mogelijkheden die het onderwijs biedt, te kunnen benutten. Zie Onderwijsraad,
         2017b.
     176 Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016; De Beer & Van Pinxteren, 2016; Inspectie van het Onderwijs, 2016c, 2017b; Organisation for
         Economic Co-operation and Development, 2016; Van de Werfhorst, Elffers, & Karsten, 2015; Van Spijker, Van der Houwen, & Van Gaalen,
         2017.
     177 Inspectie van het Onderwijs, 2016.
     74                                                                                                    Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>    soorten, leren van elkaars ervaringen, bewustwording en ruimte om te experimenteren. Dit alles
    met als doel om kinderen gelijke kansen te geven. Bovendien was er een investering van 87 mil-
    joen euro voor drie jaar aan verbonden. Vanaf 2020 is structureel 26 miljoen euro beschikbaar.
    Onderwijsachterstanden
    Sinds lange tijd is in het funderend onderwijs een zogenoemde gewichtenregeling van kracht.
    Leerlingen met een risico op achterstanden gezien hun achtergrondkenmerken, krijgen een
    hoger ‘gewicht’ toegekend. Dat betekent dat de school voor deze leerlingen meer geld ont-
    vangt. De indicatoren op basis waarvan wordt besloten of een leerling extra gewicht krijgt, zijn
    in de loop der jaren een aantal keren veranderd. Er is een nieuwe verdeelsystematiek ontwik-
    keld voor de gewichtenregeling voor basisscholen die minder gevoelig is voor ‘fouten’ in de
    administratie van scholen en die poogt de middelen daar terecht te laten komen waar ze het
    hardst nodig zijn. Naast het opleidingsniveau van ouders tellen daarin nu ook andere indica-
    toren mee, zoals het herkomstland van de ouders, de verblijfsduur in Nederland en of ouders
    gebruikmaken van schuldsanering. De nieuwe indicatoren en de nieuwe verdeelsystematiek
    betekenen een flinke verschuiving van middelen.
    Verder is de afgelopen jaren ingezet op het bestrijden van achterstanden door te investeren
    in de kwaliteit en toegankelijkheid van de voorschoolse educatie. Er zijn vooral maatregelen
    genomen gericht op de verhoging van de educatieve kwaliteit (onder andere verhoging van
    het taalniveau van de pedagogisch medewerkers, aanscherping van opleidings- en bijscho-
    lingseisen en verkenning van de inzet van hbo’ers). Elke gemeente heeft nu als taak om mini-
    maal tien uur voorschoolse educatie aan te bieden aan peuters met een risico op een onderwijs-
    achterstand (de zogenoemde doelgroepkinderen). In 2020 moet dit – educatief rijke – aanbod
    minimaal zestien uur omvatten voor iedere doelgroeppeuter tussen de tweeënhalf en vier jaar.
    Tot slot is geïnvesteerd in extra begeleiding voor kinderen met laagopgeleide ouders. Dit heeft
    vooral vorm gekregen in twintig scholen in de grote steden. Zij kregen ruimte om te experi-
    menteren met het vrijmaken in het rooster van leraren voor begeleiding van achterstandsleer-
    lingen en het coachen van collega’s. Het lerarentekort heeft dit beleid echter onder druk gezet.
2.5 Passend onderwijs: zoeken naar oplossingen voor alle leerlingen
    Passend onderwijs is in 2014 ingevoerd en krijgt sinds zijn introductie onverminderde aan-
    dacht vanuit de onderwijspraktijk, het beleid en de politiek. Een belangrijk doel van passend
    onderwijs is het leveren van meer maatwerk in de specialistische begeleiding van leerlingen
    met extra ondersteuningsbehoeften. Daartoe werken schoolbesturen voor regulier primair
    en voortgezet onderwijs en voor speciaal onderwijs samen in samenwerkingsverbanden. De
    besturen zijn daarbij verantwoordelijk voor het bieden van passende ondersteuning voor elke
    leerling. Het middelbaar beroepsonderwijs kent geen samenwerkingsverbanden. Instellingen
    zijn er afzonderlijk verantwoordelijk voor passend onderwijs.
    Sterke inzet op terugdringen aantal thuiszitters
    In het politieke en maatschappelijke debat gaat veel aandacht uit naar de problematiek rondom
    thuiszitters. De ondersteuningsprofielen van scholen in de samenwerkingsverbanden zouden
    bij elkaar voor een dekkend aanbod binnen de regio moeten zorgen. Niet zelden komen leer-
    lingen met een extra ondersteuningsbehoefte echter thuis te zitten of wordt een vrijstelling
    aangevraagd. De overheid heeft zich als doel gesteld dat in 2020 geen enkel kind langer dan
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>drie maanden thuiszit zonder een passend onderwijs- of zorgaanbod.178 Om deze doelstelling
te halen wordt op verschillende manieren gewerkt aan vermindering van het aantal thuiszit-
ters. Verantwoordelijke bewindslieden hebben met een aantal instanties het Thuiszitterspact
afgesloten. De landelijke brancheorganisatie voor leerplicht en rmc (regionaal meld- en coör-
dinatiepunt) Ingrado en Gedragswerk spannen zich in om regionale verschillen te reduceren.
En daarnaast worden meer onderwijsconsulenten ingezet en wordt het digitale platform VSv
Kompas (Verzuim en Schoolverlaterskompas) opgezet.179 Inmiddels worden ook lokaal steeds
meer initiatieven ontwikkeld waarbij gemeenten en samenwerkingsverbanden zich inspannen
om zo snel mogelijk een passende plek voor thuiszitters te vinden. Dat het terugdringen van
thuiszitters een ingewikkelde opgave is, blijkt uit het gegeven dat het aantal situaties waarin
kinderen langer dan drie maanden thuiszitten nog niet is verminderd.180
Aanvullende beleidsmaatregelen om meer ruimte te creëren voor maatwerk
Met passend onderwijs hebben scholen en schoolbesturen meer ruimte gekregen om te
­bieden wat in het oude stelsel moeilijk te realiseren was, zoals het creëren van flexibele onder-
 wijsarrangementen, het leveren van individueel maatwerk en het bundelen van diverse geld-
 stromen. Landelijk zijn goede voorbeelden te vinden van scholen die initiatieven ontwikkelen
 om meer leerlingen met een ondersteuningsbehoefte een passend aanbod te bieden. Over het
 geheel gezien echter worden aanpassingen in de organisatie om andere vormen van onder-
 wijs mogelijk te maken, zoals tussenvormen tussen regulier en speciaal onderwijs of nieuwe
 ­specialistische voorzieningen, beperkt ontwikkeld.181 Ook zijn scholen voorzichtig om zich op
  een bepaald type ondersteuningsaanbod te profileren.182
  Om scholen te stimuleren om meer maatwerkoplossingen voor leerlingen te organiseren,
  heeft de overheid een aantal maatregelen genomen om daarvoor meer ruimte te bieden. Zo is
  er het experiment samenwerking regulier en speciaal onderwijs, waarbij scholen groepen leer-
  lingen volledig kunnen mengen. Ook zijn vanaf 2019 structureel extra middelen beschikbaar
  voor initiatieven voor (hoog)begaafde leerlingen. Met de Variawet heeft het regulier onderwijs
  de mogelijkheid gekregen om af te wijken van het verplichte minimumaantal uren onderwijs-
  tijd, waardoor ook iets georganiseerd kan worden voor leerlingen die maar een gedeelte van
  de dag naar school kunnen.183
  Bestuurlijke organisatie van passend onderwijs blijft de boventoon voeren
  Ondanks een sterkere focus op het ontwikkelen van passend onderwijs in de onderwijsprak-
  tijk, gaat in het primair en voortgezet onderwijs een groot deel van de aandacht nog steeds
  naar de bestuurlijke organisatie.184 Voor de invoering van passend onderwijs werd geconsta-
teerd dat er veel ‘bestuurlijke drukte’ was, met name over de inrichting van regionale netwer-
ken. Leraren, leerlingen en ouders stonden veelal aan de zijlijn.185 Voor een deel is dat begrij-
  pelijk, omdat sommige regio’s helemaal nieuw gevormd waren en men nog geen gebruik kon
  maken van structuren binnen bestaande netwerken. Maar ook in de jaren na de invoering
  kreeg vooral de organisatie en proceskant van passend onderwijs de nadruk, zoals het voeren
  van overleggen, de operationalisering van werkwijzen en procedures en de verdeling van mid-
  178  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016a.
  179  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016a.
  180 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018a.
  181  Eimers, Ledoux & Smeets, 2016; De Boer & Van der Worp, 2016.
  182  Geschillencommissie Passend Onderwijs, 2015.
  183  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018b.
  184 Onderwijsraad, 2016c; Heim, Ledoux, Elshof & Karssen, 2016; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018b.
  185  Ledoux, 2012.
  76                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>      delen.186 Momenteel zijn belangrijke aanhoudende discussiepunten in het onderwijsveld en in
      het overheids­beleid het onafhankelijk toezicht op de samenwerkingsverbanden, het regelen
      van doorzettingsmacht en de verantwoording van ondersteuningsmiddelen.187 De beperkte
      betrokkenheid van leraren, leerlingen en ouders blijft een groot aandachtspunt.
2.6   Maatschappelijke herwaardering van vakmanschap
      Positie en beeldvorming van het beroepsonderwijs blijft knelpunt …
      In het beroepsonderwijs (vmbo, mbo en hbo) volgen meer jongeren een opleiding dan in het
      algemeen vormend onderwijs (havo, vwo). De keuze voor een beroepsopleiding komt echter
      vaak voort uit prestatiescores die niet toereikend zijn voor havo of vwo. Nog altijd geniet het
      onderwijs op deze niveaus bij leerlingen en ouders de voorkeur, omdat dat onderwijs meer
      garantie lijkt te bieden voor maatschappelijk succes of omdat aan het werken met de handen
      het beeld kleeft van zwaar of vies werk.188 Ook binnen het vmbo is de theoretische leerweg
     ­bijvoorbeeld populairder dan de beroepsgerichte leerwegen. Daarnaast doen de complexe
      structuur en het negatieve imago van het vmbo en de lagere niveaus van het mbo, de aantrek-
      kelijkheid van het beroepsonderwijs geen goed.189
      De laatste jaren daalt het aantal leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo.
      Meer leerlingen komen terecht in hogere leerwegen. Bij afnemende leerlingenaantallen is het
      lastig om de kwaliteit van het onderwijs te behouden en duurdere opleidingen, zoals het tech-
      niekonderwijs, aan te blijven bieden. Veel scholen bieden als gevolg daarvan geen gespeciali-
      seerde richtingen meer aan, maar brede intersectorale programma’s.190
      … maar vakopleidingen winnen aan belang
      Hoewel de aantrekkelijkheid van het beroepsonderwijs een blijvend punt van zorg is, lijkt er
      maatschappelijk gezien een herwaardering van vakmanschap en vakopleidingen gaande. De
      markt voor ambachtelijke kwaliteitsproducten groeit. Ook in het onderwijs is een herwaarde-
      ring van vakmanschap zichtbaar in de vorm van meer kleinschalige vakopleidingen op mbo-
      niveau191 en de groei van zogenoemde vakcolleges in het vmbo en mbo. In 2009 waren het er
      28 en in 2015 waren er 55 vakcolleges techniek en 43 vakcolleges mens en dienstverlening.192
      In het middelbaar beroepsonderwijs wordt vakmanschap actief gestimuleerd vanuit het
    ­actieplan Focus op vakmanschap. In verhouding tot het middelbaar beroepsonderwijs is de
      ­profilering van vakmanschap in het vmbo nog onvoldoende zichtbaar; die beperkt zich tot
       vakken in de bovenbouw van het vmbo.
       Betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt krijgt prioriteit
       Er is een goede reden om de focus op vakmanschap te richten. Op de arbeidsmarkt is sprake
       van tekorten aan goed geschoolde vakmensen. Daarnaast is er een grote behoefte sneller en
       beter in te kunnen spelen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en op regionale ontwikkelin-
       gen door middel van flexibeler en innovatief onderwijs.
      186 Heim, Ledoux, Elshof & Karssen, 2016.
      187   Streefkerk, Verbeek & Mars, 2018; Vertrouwen in de toekomst, 2017; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018b.
      188 Turkenburg, 2014.
      189 Onderwijsraad, 2015b.
      190 Onderwijsraad, 2014e.
      191   Turkenburg, 2014. Onderwijsraad, 2015b; 2016d.
      192   Vakcollegegroep, 2015.
      Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                             77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>In anticipatie daarop zijn de beroepsgerichte programma’s in het vmbo geactualiseerd en ver-
eenvoudigd. Naast een vast programma (profielvak) kunnen leerlingen een deel van hun pro-
gramma zelf samenstellen (keuzevakken). In 2015 schreven de mbo-instellingen, verenigd in
de MBO Raad, een manifest voor een meer toekomstbestendig middelbaar beroepsonderwijs.
Volgens het manifest belemmert de starre organisatie van het middelbaar beroepsonderwijs
de sector om responsief in te spelen op trends op de arbeidsmarkt. Als voorbeelden van deze
trends noemen de instellingen onder meer de flexibilisering van arbeid, het sneller veroude-
ren van kennis en vaardigheden en het vervagen van verschillen tussen branches, bedrijfs-
takken en sectoren. Het manifest stelt oplossingen voor gericht op meer en betere afstem-
ming en doorstroom in de beroepskolom en mogelijkheden om beroepsopleidingen sneller
te ontwikkelen. Voor het middelbaar beroepsonderwijs is een nieuwe kwalificatiestructuur
ontworpen. Er zijn minder kwalificaties met meer onderlinge samenhang. Ook zijn kennis en
vaardig­heden in de nieuwe structuur goed te herkennen. Daarnaast zijn de keuzedelen nieuw.
Onderwijsinstellingen dragen samen met bedrijven en hbo-instellingen voorstellen aan voor
deze keuzedelen.193
Specifieke aandacht voor de positie van leerlingen met mbo 2, 3 en 4 in relatie tot de polarisa-
tie van de arbeidsmarkt is ook van belang. Mensen met een opleiding op deze niveaus dreigen
tussen wal en schip te vallen. Vragen over het beter kwalificeren van deze leerlingen en het
­realiseren van meer mogelijkheden voor een leven lang ontwikkelen spelen daarin een rol.
 Loopbaanoriëntatie- en begeleiding wordt steeds serieuzer genomen
 Leerlingen en studenten dienen binnen het onderwijs goed voorbereid te worden op het ver-
 volgonderwijs en de arbeidsmarkt. Met loopbaanoriëntatie en -begeleiding krijgen jongeren
 inzicht in hun talenten en motivatie, worden zij ondersteund bij hun oriëntatie op een toekom-
 stig beroep en werkveld, en worden zij geholpen de stappen te zetten die nodig zijn voor een
 passende studie- en beroepskeuze.
 In het vmbo en mbo is er steeds meer aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Met
 de invoering van de beroepsprofielen in het vmbo zit loopbaanbegeleiding inmiddels verwe-
 ven in het curriculum.194 Met het Stimuleringsproject LOB in het middelbaar beroepsonderwijs
(looptijd 2010 tot en met 2015) bracht het ministerie van OCW de loopbaanbegeleiding voor
studenten extra onder de aandacht. Sinds januari 2016 is het Stimuleringsproject overgegaan
in het Servicepunt LOB mbo. Ook is op 1 juli 2017 het Expertisepunt LOB VO-MBO gestart. Dit
expertisepunt opereert sectoroverstijgend en ondersteunt vo- en mbo-scholen bij het verbe-
teren van de loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
Maar ook: middelbaar beroepsonderwijs wordt meer algemeen vormend
Tegelijk is er in het middelbaar beroepsonderwijs een trend naar meer algemene vorming,
onder andere door meer nadruk op taal en rekenen.195 Taal- en rekenvaardigheden worden
 essentieel geacht om op passend niveau een opleiding te kunnen volgen en goed te kunnen
 functioneren in de samenleving. Het mbo-diploma omvat onder andere Nederlands en reke-
 nen, met als criterium de zogenoemde referentieniveaus. Voor studenten in mbo 4 gelden
 bovendien eisen voor Engels. Daarnaast kent het middelbaar beroepsonderwijs een inspan-
 ningsverplichting voor loopbaan en burgerschap. Naast deze ‘formele algemene vaardig­
 heden’ wordt er ook aandacht besteed aan vaardigheden zoals zelfreflectie, kritisch denkver-
 193 MBO Raad, 2015.
 194 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2016b.
 195 Baker, 2014.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>    mogen, doorzettingsvermogen, leren leren, communicatieve vaardigheden, vaardigheden
    om samen te werken en ondernemerschap. Beroepsonderwijs wordt geacht meer te zijn dan
    alleen opleiden voor vakmanschap. Het is ook gericht op de ontwikkeling als mens en als bur-
    ger in de samenleving.196
    In de theoretische leerweg van het vmbo (schoolsoort mavo) en het havo wordt geen aandacht
    besteed aan beroepsvaardigheden, terwijl deze schooltypen wel voorbereiden op beroeps-
    opleidingen197 De raad heeft dit punt in eerdere adviezen aan de orde gesteld (bijvoorbeeld
    Een smalle kijk op onderwijskwaliteit, 2013; Herkenbaar vmbo met sterk vakmanschap, 2015). Om
    aansluiting tussen mavo en middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren adviseert de raad
    beroepsgerichte vakken op te nemen in het curriculum van de mavo.
    Meer aandacht voor techniekonderwijs
    Verder is er de afgelopen jaren veel aandacht geweest voor techniekonderwijs; niet alleen in
    het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs,198 maar ook in het primair en voort-
    gezet onderwijs. Zo is er het actieplan Kiezen voor Technologie dat zich richt op de stimulering
    van wetenschap en technologie in het primair en voortgezet onderwijs. Leidraad voor dit plan
    zijn de ambities uit het Techniekpact 2020.199 De belangrijkste ambitie voor het primair onder-
    wijs is dat in 2020 alle basisscholen wetenschap en technologie structureel in hun onderwijs-
    programma hebben opgenomen. Voor het voortgezet onderwijs is het streven naar meer leer-
    lingen met een natuurprofiel op havo en vwo en met een vakkenpakket met scheikunde en
    natuurkunde in de theoretische leerweg van het vmbo.200
2.7 Kwaliteit in het hoger onderwijs
    Eén van de belangrijkste wijzigingen in het hoger onderwijs in de afgelopen vijf jaar is de invoe-
    ring van het studievoorschot vanaf 1 september 2015 ter vervanging van de prestatiebeurs. Dit
    houdt in dat studenten die een hbo- of wo-opleiding volgen geen basisbeurs meer ontvangen,
    maar geld van de overheid lenen. Daarnaast kunnen studenten een aanvullende beurs aanvra-
    gen, waarvan de hoogte afhankelijk is van het inkomen van de ouders. Deze aanvullende beurs
    wordt een gift als de student binnen 10 jaar een diploma haalt. Na de studie hebben studenten
    35 jaar de tijd om het studievoorschot terug te betalen.201
    In de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek 2015-2025 – De waarde(n) van weten202
    – heeft de regering uiteengezet waartoe de middelen voortkomend uit het studievoorschot
    zullen worden aangewend. De agenda zet in op een combinatie van hogere kwaliteit en “de
    juiste student op de juiste plek”. Deze combinatie moet leiden tot een verbetering van de pres-
    taties van het Nederlandse hoger onderwijs, afgestemd op de eenentwintigste eeuw.203
    196 MBO Raad, 2015.
    197  MBO Raad, 2015.
    198 Er geldt nu zelfs een numerus fixus voor een aantal studies aan technische universiteiten zoals industrieel ontwerp, biomedische
         technologie, technische bedrijfskunde en bouwkunde.
    199 Nationaal Techniekpact 2020 (2013).
    200 Platform Bètatechniek, 2014.
    201 Dienst Uitvoering Onderwijs, 2019.
    202   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015a.
    203 De raad adviseerde over de strategische agenda hoger onderwijs in 2015; zie Onderwijsraad, 2015f.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                              79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>    De eerste ambitie is om kwaliteit voorop te stellen door kleinschalig en intensief onderwijs,
    door het creëren van rijke leeromgevingen en leergemeenschappen, door te werken aan de
    kwaliteit van docenten en onderwijsleiders en door ruimte voor onderwijsvernieuwing. De
    tweede ambitie is om elk talent de kans te geven zich te ontwikkelen. Daartoe wordt inge-
    zet op een goed toegankelijk hoger onderwijs, op flexibilisering, differentiatie en maatwerk,
    op talentprogramma’s, op het vergroten van studiesucces, op samenwerking in de onderwijs­
    keten ten behoeve van aansluiting en doorstroming, op extra aandacht voor de doorstroom
    van mbo’ers naar het hoger beroepsonderwijs, op doorstroom binnen het hoger onderwijs, en
    op een flexibel aanbod van permanente educatie. De leerloopbaan van de individuele student
    wordt meer centraal gezet, terwijl de student ook altijd onderdeel van een (leer)gemeenschap
    hoort te zijn. De derde en laatste ambitie is om te komen tot responsieve instellingen die in het
    hart van de samenleving staan. Daarom wordt gestreefd naar duurzame regionale samenwer-
    king, naar een sterkere verbinding van het hoger onderwijs met de arbeidsmarkt, naar meer
    aandacht voor maatschappelijke vragen, naar meer kennisbenutting (zowel economisch als
    maatschappelijk) en naar verdere profilering van instellingen, ook op onderwijskundige con-
    cepten. Vooral in het hoger beroepsonderwijs is de afgelopen jaren steeds meer gezocht naar
    de verbinding tussen onderwijs en de beroepspraktijk.204
    Anno 2018 zijn er echter nog volop discussies over de kwaliteit en toegankelijkheid van het
    hoger onderwijs. Bij de beantwoording van de vraag op welke manier de kwaliteit van het
    hoger onderwijs op verantwoorde wijze verbeterd en gewaarborgd kan worden, heeft de
    Onderwijsraad de uitwerking van het concept kwaliteitscultuur centraal gesteld.205 Recentelijk
    is er veel discussie over de internationalisering in het hoger onderwijs.206 Zo zijn er zorgen dat
    de ‘verengelsing’ van de universiteit ten koste gaat van de onderwijskwaliteit, terwijl anderen
    juist beweren dat internationalisering tot kwaliteitsverbetering leidt.207
2.8 Leven lang ontwikkelen wordt belangrijk gevonden
    Een leven lang ontwikkelen blijft van groot belang. Arbeidsmarkt en samenleving stellen
    andere eisen en alleen het afronden van een initiële opleiding is onvoldoende. Vakmanschap
    moet blijvend op peil worden gehouden.208 Hoewel het belang van een leven lang ontwikkelen
    erkenning krijgt, lijkt het echter maar moeilijk om hier een structureel vervolg aan te geven.
    Om de leercultuur in Nederland te versterken heeft het kabinet – na een periode van stilstand
    op dit thema – drie verschillende actielijnen met bijbehorende maatregelen gepresenteerd.
    Allereerst wordt ingezet op meer ruimte voor onderwijsinstellingen in zowel het hoger onder-
    wijs als het middelbaar beroepsonderwijs om maatwerk te leveren, onder meer via de experi-
    menten met vraagfinanciering, de pilots flexibilisering en de introductie van certificaten in het
    middelbaar beroepsonderwijs. Ten tweede wordt ingezet op het vergroten van de mogelijk­
    heden om kennis en vaardigheden die elders zijn opgedaan te verzilveren. Ten derde wordt
    met maatregelen, zoals de introductie van het levenlanglerenkrediet en de sectorplannen,
    204 Onderwijsraad, 2014b.
    205 Onderwijsraad, 2015c.
    206 In hoeverre mogelijke schaduwzijden van internationalisering zich binnen de Nederlandse situatie manifesteren, valt zonder nader
         onderzoek niet goed vast te stellen; Onderwijsraad, 2018e, p.2.
    207 Onderwijsraad, 2018e.
    208 De raad adviseerde over dit onderwerp in 2016; Onderwijsraad, 2016d.
    80                                                                                                 Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>    scholing en aandacht voor duurzame inzetbaarheid tijdens de loopbaan gestimuleerd, waarbij
    in het bijzonder aandacht is voor leren op de werkvloer.209
2.9 Inzet op voldoende goede onderwijsprofessionals wordt doorgezet
    Aandacht voor het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort
    De afgelopen jaren zijn lerarentekorten in de schijnwerpers komen te staan. Inmiddels is in het
    basisonderwijs en bij diverse vakken in het voortgezet onderwijs sprake van nijpende tekorten,
    die veel, zo niet te veel van het oplossend vermogen van schoolleiders en besturen vragen.210
    Om kwantitatieve tekorten aan te pakken zijn allerlei maatregelen genomen om meer leraren
    te werven. Zo is gepoogd om het voor de ‘stille reserve’ aantrekkelijker te maken om opnieuw
    in het onderwijs (voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs) te gaan werken en
    er werden nieuwe wegen tot het leraarschap ontwikkeld (zij-instroom, educatieve minors,
    nieuwe kopopleidingen, en dergelijke). Door de urgentie voor de praktijk krijgen kwantitatieve
    tekorten recentelijk weer volop aandacht. Daarbij wordt vanuit het veld de relatie gelegd met
    de hoogte van salarissen en werkdruk.
    Sinds een aantal jaren is er ook meer oog voor het kwalitatieve lerarentekort. Uit rapporten
    van de Inspectie bleek dat veel docenten basisvaardigheden en complexe vaardigheden
    ­missen die zij wel zouden moeten beheersen. Bovendien wordt een aanzienlijk deel van de
     lessen gegeven door onbevoegde of onderbevoegde leraren. Aanvankelijk werd ingezet op
     een g­ rote kwaliteitsslag bij de lerarenopleidingen. Er werd een landelijke kennisbasis gefor-
     muleerd en er kwamen landelijke examens. Verder kwamen er strenge instroomeisen voor de
     leraren­opleidingen. Daarnaast zijn de academische pabo’s, waarvan de eerste startte in 2008,
     verder ontwikkeld. De afgelopen vijf jaar was het beleid meer gericht op het versterken van
     de kwaliteit van zittende leraren. Het onderhouden en uitbreiden van de bekwaamheid van
     leraren heeft de afgelopen jaren veel aandacht gekregen in het onderwijsbeleid. In 2013 zijn
     de bekwaamheidseisen herzien door de beroepsgroep zelf. Er is een start gemaakt met de
     invoering van het lerarenregister211, maar deze invoering is inmiddels uitgesteld. In 2018 werd
    de Onderwijscoöperatie opgeheven. Deze coöperatie speelde een belangrijke rol bij de imple-
    mentatie van de Wet beroep leraar, waar het lerarenregister een onderdeel van is.
    De maatregelen richten zich op het versterken van de professionaliteit van de individue-
    le leraar. Daarnaast is er meer aandacht gekomen voor het belang van het team als het gaat
    om het functio­neren en professionaliseren van de leraar. 212 Het team is aanzet en wordt benut
    als context voor professionalisering. In het basisonderwijs is het schoolteam altijd al belang-
    rijk geweest. In het middelbaar beroepsonderwijs is het team inmiddels de organisatorische
    eenheid.213
     In 2018 agendeerde de Onderwijsraad een integrale herziening van de opleidings- en arbeids-
     structuur. Hij bepleit ruimere onderwijsbevoegdheden in combinatie met een ontwikkel-
     model. Door het loopbaan- en ontwikkelperspectief van leraren te verruimen, nemen de
     209 Onderwijsraad, 2015b.
     210 Zie ook Onderwijsraad, 2018g.
     211 De raad adviseerde over het Besluit lerarenregister in 2017; Onderwijsraad, 2017a.
     212 Zie Onderwijsraad, 2016b.
     213 Professioneel statuut mbo, 2009.
     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>     mogelijk­heden tot mobiliteit (binnen en tussen onderwijssectoren), de inzetbaarheid en de
     loopbaanmogelijkheden van leraren toe. Dit zorgt voor een aantrekkelijker vak en biedt daar-
     naast mogelijkheden om de lerarentekorten beter aan te pakken.214
     Aandacht voor de kwaliteit van docenten in het hoger onderwijs
     Het hoger onderwijs kent een eigen ontwikkeling op het gebied van de kwaliteit van d                                        ­ ocenten.
     De universiteiten hebben werk gemaakt van de basis- en seniorkwalificatie onderwijs van hun
     docenten. De afgelopen jaren is het aantal docenten met een basiskwalificatie onderwijs flink
     toegenomen: van 18 procent in 2010 tot 58 procent in 2016.215 Op hogescholen is het opleiding-
     sniveau van docenten gestegen: het aandeel docenten met een master-diploma of een doc-
     toraat is ­gestegen van gemiddeld 61 naar ruim 70 procent.216 Ook in de strategische agenda
     2015-2025 worden kwalitatief goede docenten als een belangrijke factor voor goed onderwijs
     genoemd. De middelen die beschikbaar komen door het studievoorschot, moeten instellingen
     in staat s­ tellen het onderwijs kleinschaliger en intensiever te maken. De extra middelen maken
     het mogelijk extra docenten aan te stellen ten behoeve van kleinschaliger onderwijs.217
     Aandacht voor de kwaliteit van schoolleiders is toegenomen
     Schoolleiders nemen in het Nederlandse onderwijssysteem een cruciale positie in. Ze zijn
     belangrijk wanneer het gaat om de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Hoewel
     schoolleiders in het overheidsbeleid lange tijd nauwelijks een rol van betekenis speelden,218
     is de aandacht voor hun professionalisering de afgelopen vijf jaar merkbaar toegenomen.219
     Ook schoolleiders zelf hechten steeds meer belang aan hun professionele ontwikkeling. Er
     wordt werk gemaakt van het aanbod aan (school)leiderschapsopleidingen en scholings­
     mogelijkheden en er worden initiatieven ondernomen om schoolleiders als beroepsgroep
     beter op de kaart te zetten. Zo zijn in het primair en voortgezet onderwijs schoolleiders­
     registers ingericht en leiden de sectorakkoorden220 tussen onderwijsbesturen en overheid tot
     diverse andere maatregelen ter bevordering van de kwaliteit van schoolleiders. Structurele
     aandacht voor de professionalisering van startende en zittende schoolleiders is daarentegen
     nog geen vanzelfsprekendheid.221
2.10 Veel aandacht voor werkdruk en te weinig (professionele) ruimte in het
     onderwijs
     Te veel verticale sturing kan leiden tot een doorgeslagen verantwoordingscultuur, onvoldoen-
     de zeggenschap en eigenaarschap bij leraren en een hoge werk- en regeldruk. Om de werk-
     druk van leraren was veel te doen de afgelopen jaren. In 2012 en 2015 is onderzoek gedaan naar
     de werkdruk in het onderwijs. De resultaten voor 2015 wezen uit dat 84 procent van de leraren
     een hoge werkdruk ervaart; voor de gehele beroepsbevol­king geldt een percentage van 15
     procent. Voor 56 procent van de leraren geldt zelfs dat de werkdruk onacceptabel hoog is.222
     214  Onderwijsraad, 2018g.
     215  http://www.vsnu.nl/hoge-kwaliteit-onderwijs.html; geraadpleegd op 21 december 2017.
     216  Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek, 2016.
     217  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015c.
     218  Studiegroep Duurzame Groei, 2016; Organisation for Economic Co-operation & Development, 2016a.
     219  Zie bijvoorbeeld: Algemene Vereniging Schoolleiders & VO-raad, 2017; VO-raad, 2017.
     220 Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs, 2014; Klaar voor de toekomst! Sectorakkoord vo2014-2017, 2014; Bestuursakkoord OCW-
          MBO-Raad 2018-2022, 2014.
     221  De raad adviseerde hierover in Onderwijsraad, 2018c.
     222 Van Grinsven, Elphick & Van der Woud, 2012; Adriaens, Van Grinsven, Van der Woud & Westerik, 2016.
     82                                                                                                      Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Er werd in beide onderzoeken ook gevraagd naar de belangrijkste oorzaken voor de ervaren
werkdruk. Anders dan in 2012 staat in 2015 op nummer 1 het aantal leerlingen in een klas dat
extra aandacht vraagt. Daarna volgen, net als in de vorige meting, de administratieve werk­
zaamheden die niet met prestaties van leerlingen zelf te maken hebben. Ook noemen leraren
de hoeveelheid verantwoording die zij moeten afleggen, als belangrijke oorzaak voor de erva­
ren werkdruk.
Leraren geven aan dat ze het werkdrukprobleem veelal oplossen door in eigen tijd taken uit te
voeren. Gemiddeld werken ze naar eigen zeggen 33 procent meer dan hun aanstel­lingsnorm.
Andere rapporten over de oorzaken van de ervaren werkdruk in het onderwijs laten verge­
lijkbare bevindingen zien: de ervaring van werkdruk wordt vooral veroorzaakt door het brede
takenpakket met veel niet-lesgebonden taken en de registratie en administratie rondom zorg-
leerlingen. Dit geldt voor het volledige funderend onderwijs.223
De resultaten van de onderzoeken naar de werkdruk in het onderwijs waren de aanleiding
voor verschillende debatten in de Tweede Kamer en stakingen in het primair onderwijs. De
stakingen waren tevens gericht op verkrijgen van een beter salaris. In het middelbaar beroeps-
onderwijs is de situatie anders. Daar wordt al jaren gewerkt met een professioneel statuut,
onder andere verankerd in de cao voor het middelbaar beroepsonderwijs. De Onderwijsraad
besteedde aandacht aan de professionele ruimte van de leraar in het advies Een ander perspec-
tief op professionele ruimte in het onderwijs.224
223 Klaster, 2012; Houtman & Stege, 2015.
224 Onderwijsraad, 2016b.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                        83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>84 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>    De afgelopen jaren hebben belangrijke verschuivingen plaatsgevonden
    als het gaat om sturing en financiering in het onderwijs. In het toezicht
    en de externe kwaliteitszorg komt er meer ruimte voor het eigen verhaal
    van de school of instelling. De regio is in opkomst en sturingsnetwerken
    nemen toe in omvang. De inzet van bestuursakkoorden en afspraken
    neemt toe. Ook doelgebonden bekostiging en private investeringen
    winnen terrein.
3   Sturing en financiering
3.1 Naar gedifferentieerd toezicht en instellingsaccreditatie
    Vernieuwd toezicht
    In de afgelopen jaren is het toezicht op scholen door de Inspectie vernieuwd. Vanaf 2007 zette
    de Inspectie de stap naar risicogericht toezicht. De Inspectie ging zich vooral richten op scho-
    len met het meeste risico op onvoldoende kwaliteit. De focus kwam zo te liggen op (zeer)
    zwakke scholen. Per augustus 2017 heeft de Inspectie haar werkwijze vernieuwd.225 In het ver-
    nieuwde toezicht is het bestuur het aanspreekpunt en gaat de Inspectie zo veel mogelijk uit
    van de eigen ambities van het bestuur en de school. Het toezicht blijft risicogericht. Wel wil de
    Inspectie scholen waar de kwaliteit in de basis op orde is, meer stimuleren om verdere kwali-
    teitsverbetering te realiseren. Binnen het gedifferentieerde toezicht is er daarom een moge-
    lijkheid voor scholen om een waardering ‘goed’ te krijgen bovenop het oordeel ‘voldoende’.
    Scherper onderscheid beoordelen en stimuleren
    Parallel aan de vernieuwing van het toezicht betekende de initiatiefwet-Bisschop c.s. dat in het
    inspectietoezicht een scherper onderscheid gemaakt dient te worden tussen beoordeling of
    aan de wettelijke deugdelijkheidseisen voldaan wordt en stimulering van verdere kwaliteits-
    verbetering. In de nieuwe toezichtkaders maakt de Inspectie inmiddels een strikt onderscheid
    tussen basiskwaliteit (waarborgen) en eigen aspecten van kwaliteit (stimuleren).
    Meer toezicht en verantwoording in middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs
    In toenemende mate is er aandacht voor toezicht en verantwoording in het middelbaar en
    hoger beroepsonderwijs. Zo is in 2010 de WHW (Wet op het hoger onderwijs en wetenschap-
    pelijk onderzoek) door middel van de Wet versterking besturing op diverse punten gewijzigd,
    waarbij de positie en taken van de raden van toezicht en de examencommissies zijn aangezet.
    Hogescholen hebben verder zelf stappen ondernomen met betrekking tot externe validering
    van het examineren naar aanleiding van de rapporten Vreemde ogen dwingen en Beoordelen is
    mensenwerk.226 Inmiddels hebben veel hbo-docenten zich geschoold in de examenpraktijk, zijn
    afstudeerprogramma’s (her)ontworpen en is inschakeling van extern gecommitteerden breed
    225 Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014b; Inspectie van het Onderwijs, 2016b.
    226 HBO-raad, 2012; Vereniging Hogescholen, 2014.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>    verspreid.227 Naar aanleiding van de in 2017 in werking getreden Wet versterking bestuurskracht
    onderwijsinstellingen is ook de medezeggenschap van opleidingscommissies versterkt.
    Het middelbaar beroepsonderwijs heeft daarnaast vooral te maken met verscherpt extern
    overheidstoezicht. Een aantal mbo-instellingen die opleidingen van onvoldoende kwaliteit
    aanbieden, zich niet aan de wettelijke regels hebben gehouden of financiële problemen heb-
    ben, staan onder verscherpt toezicht van de Inspectie.
    Tot slot is er, net als in de andere onderwijssectoren, in het middelbaar en hoger beroeps­
    onderwijs meer aandacht gekomen voor horizontale verantwoording aan belanghebben-
    den, zoals ouders, docenten, leerlingen en gemeenten. De kwa­liteitsafspraken en de Bench-
    mark MBO zijn voorbeelden van initiatieven om de transparantie en de informatievoorziening
    richting belanghebbenden te verbeteren. Voor wat betreft het hoger beroepsonderwijs gaat
    de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie) toezicht houden op de naleving van
    de kwaliteitsafspraken. Verder zijn er nieuwe afspraken gemaakt over transparantie en brede
    publieke verantwoording, onder andere in de codes goed bestuur.228 Bij de hogescholen wordt
    ‘good governance’ voortaan continu bewaakt door een eigen commissie van de Vereniging
    ­Hogescholen: de permanente Commissie Goed Bestuur.
     Meer aandacht voor kwaliteitszorg
     Ten slotte is er een trend te zien waarbij in het toezicht de organisatie en de kwaliteitszorg meer
     aandacht krijgen. Met de invoering van de instellingstoets kwaliteitszorg liep de accreditatie in
     het hoger onderwijs hier voorop. Het toezicht op de andere sectoren volgt. In het hoger onder-
     wijs is het accreditatiestelsel de afgelopen jaren verder ontwikkeld in het kader van het project
     Accreditatie op maat. Accreditatie komt meer in het kader te staan van het stimuleren van een
    sterke kwaliteitscultuur. Verder is het de bedoeling dat opleidingen en instellingen meer eige-
    naarschap over de kwaliteitszorg ervaren en dat baten en lasten beter in evenwicht zijn. Het
    wetsvoorstel is inmiddels aangenomen en het accreditatiekader aangepast. De evaluatie van
    de kwaliteit van het accreditatiestelsel door de Inspectie was aanleiding voor nog enkele kleine
    aanpassingen.229 Daarnaast loopt momenteel een experiment waarbij de nadruk valt op instel-
    lingsaccreditatie en minder gekeken wordt naar het opleidingsniveau.
3.2 Meer taken en zeggenschap in de regio
    Decentralisatie naar gemeenten
    Er is de afgelopen vijf jaar een trend van decentralisatie naar gemeentelijk en regionaal
    niveau.230 De praktijk van het gemeentelijk onderwijsbeleid is daardoor veranderd. Daarbij is
    een beweging te zien van een nadruk op wettelijke taken naar werken vanuit maatschappelijke
    opgaven die zich in de lokale of regionale praktijk aandienen. De decentralisaties in het sociaal
    domein bieden daarnaast mogelijkheden om hulp en ondersteuning rondom jongeren meer
    in samenhang te organiseren en voorzieningen beter op elkaar af te stemmen. De transitie van
    taken en verantwoordelijkheden heeft inmiddels plaatsgevonden, maar de beoogde transfor-
    matie in de manier van werken is nog in volle gang. De neiging om het onderwijs daar meer in
    mee te nemen, zal de komende jaren waarschijnlijk groeien.
    227 Commissie Evaluatie externe validering toetsing en examinering in het hbo, 2017.
    228 MBO Raad, 2014; Vereniging Hogescholen, 2013.
    229 Inspectie van het Onderwijs, 2018d.
    230 Zie voor dit onderwerp: Onderwijsraad, 2017e.
    86                                                                                  Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>    Via hun betrokkenheid bij de zorg voor jongeren en bij arbeidsmarktkansen van jongeren
    krijgen gemeenten ook meer oog voor het onderwijs. Hoewel de formele onderwijsrol van
    gemeenten beperkt is, hebben decentralisaties in het aanpalende sociale domein gevolgen
    voor de verhouding tussen gemeenten en onderwijsinstellingen. In het sociale domein is de
    gemeente nu de ‘eerste overheid’. De WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning, 2007) kende
    gemeenten bijvoorbeeld al belangrijke nieuwe taken toe rondom hulp en zorg. Met de decen-
    tralisaties in de jeugdhulp, het arbeidsmarktbeleid en de langdurige zorg in 2015 is de positie
    van gemeenten in het sociale domein verder versterkt. Van daaruit komt ook het onderwijsdo-
    mein voor gemeenten meer in beeld. De focus op onderwijs wordt nog eens versterkt doordat
    gemeenten en schoolbesturen met elkaar overleg moeten voeren over het jeugdplan in het
    kader van jeugdhulpverlening en het ondersteuningsplan in het kader van passend onderwijs.
    Bovendien is zorg rondom leerlingen met de invoering van passend onderwijs een belang-
    rijker thema geworden voor reguliere scholen. Daarmee zijn nieuwe, horizontale bestuurlij-
    ke verhoudingen tussen gemeenten en schoolbesturen ontstaan en delen zij verantwoorde-
    lijkheid voor het opgroeien en de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Hoe de uitwerking
    van passend onderwijs verloopt, is op dit moment lastig te zeggen, omdat data hierover geen
    betrouwbaar beeld geven. Dit is een keerzijde van de regionalisering: landelijke criteria om in
    aanmerking te komen voor extra onderwijsondersteuning zijn losgelaten en dat bemoeilijkt
    het volgen van leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.
    De regio is in opkomst
    Met de decentralisaties zet ook de trend van regionalisering door, omdat veel gemeenten
    elkaar opzoeken bij de uitvoering van nieuwe taken. Voor delen van het sociale domein zijn
    bovendien functionele regio’s ingericht, zoals de jeugdzorgregio’s en de arbeidsmarktregio’s.
    En sommige onderdelen van lokaal onderwijsbeleid verschuiven naar regionale niveaus, zoals
    de aanpak van voortijdig schoolverlaten binnen de rmc-regio’s.
    In veel regio’s werken gemeentebesturen ook samen met het bedrijfsleven en kennisinstel-
    lingen – bijvoorbeeld in ‘economic boards’ –, waarbij de rijksoverheid aansluit met de Agen-
    da Stad en ‘CityDeals’.231 Ook wordt in de regio steeds meer de samenwerking gezocht tussen
    onderwijs en bedrijfsleven. Voorbeelden hiervan zijn de opgerichte centra voor innovatief vak-
    manschap (mbo) en centres of expertise (hbo) die een verbinding vormen tussen topsectoren
    en het onderwijs in de regio. Andere voorbeelden zijn het Techniekpact, bestrijding van de
    jeugdwerkloosheid, en de opvang en begeleiding van kwetsbare jongeren naar arbeidsmarkt.
3.3 Meer sturing via netwerken
    Klassieke vormen van sturing waarbij de overheid direct in een hiërarchische relatie staat
    tot schoolbesturen en scholen maakt steeds meer plaats voor zogenoemde netwerksturing.
    ­Tussen overheid en school is een middenniveau ontstaan waar het ministerie samen met tal
     van andere organisaties beleid vormt en uitvoert, vaak op een wijze die gekenmerkt wordt
     door onderhandeling.232 Voor zulke sturingsnetwerken worden overlegplatforms of zelfs nieu-
    we organisaties ingericht. De kernvraag bij sturing lijkt niet meer te zijn of iets een zaak is voor
    de overheid (centraal) of voor de onderwijsorganisatie (decentraal), maar hoe zij en tal van
    anderen op een tussenniveau samen tot beleid komen.
     231 Zie agendastad.nl.
     232 Bekkers, 2017, p.84 en p.121-122.
     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                             87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>     Op stelselniveau hebben dergelijke sturingsnetwerken inmiddels een aanzienlijke omvang
     bereikt.233 Ze zijn de laatste jaren gegroeid. Voor verschillende beleidsthema’s kunnen per sec-
    tor tien tot vijftien (samengestelde) partijen worden geïdentificeerd die een rol vervullen in de
    sturing. De betrokken organisaties zijn op diverse manieren met elkaar verbonden: de één is
    oprichter van, houdt toezicht op, heeft afspraken met, is opdrachtgever van, werkt samen met
    of is adviseur van de ander. De vele onderlinge relaties zijn indicaties van hechte netwerken.
    In deze netwerken participeren zeer diverse organisaties. Zij verschillen in macht, informatie-
    positie, capaciteit, rol, aard en rechtsvorm. Zij verschillen ook in de belangen die ze behartigen,
    en in hoe die belangen zich verhouden tot maatschappelijke belangen bij onderwijs. Denk aan
    brancheorganisaties die zich steeds meer inzetten voor directe arbeidsmarkttoeleiding. Verder
    is er een onderscheid te maken tussen actoren die in veel verschillende netwerken voorko-
    men (de gevestigde actoren) zoals de VO-raad, de MBO Raad, de Inspectie van het Onderwijs
    en Leraar24, en beleidsspecifieke actoren die alleen een rol spelen bij een specifiek beleids-
    thema. Voorbeelden van beleidsspecifieke actoren zijn het CvTE (College voor Toetsen en
    ­Examens) en het Cito voor kwaliteitsbeleid en Alliantie Burgerschap en Codename Future voor
     burgerschapsvorming. Wat opvalt is dat vooral de beleidsspecifieke actoren soms s­ peciaal zijn
     opgericht en/of gefinancierd door het ministerie van OCW met het oog op sturing en imple-
     mentatie. Vergeleken met andere landen zijn de Nederlandse netwerken flexibeler en minder
     gestructureerd. Ook wordt in Nederland meer gewerkt met gelegenheidsnetwerken rondom
     bepaalde beleidsonderwerpen.234 Daarnaast valt op dat verschillende beleids­thema’s per sec-
     tor een eigen sturingsnetwerk hebben met een unieke samenstelling en een eigen dynamiek.
     Dat roept de vraag op wie borgt dat geen sprake is van tegenstrijdigheden en dat de optelsom
     van al die netwerken niet tot overladenheid leidt. Ten slotte valt op dat, ondanks de omvang
     van de sturingsnetwerken, leraren en hun directe leidinggevenden – schoolleiders, team­
     leiders en opleidingsmanagers – er zelden direct in participeren.
3.4 Inzet bestuursakkoorden en afspraken neemt toe, maar ook besef van
    beperkingen
     De afgelopen jaren zijn bestuursakkoorden met prestatie- of kwaliteitsafspraken een belangrij-
     ke rol gaan vervullen in de overheidssturing van onderwijs. Er lijkt een voorkeur te bestaan voor
     meer horizontale en wederkerige sturingsinstrumenten ten koste van de verticale en eenzij-
     dige klassieke combinatie van regelgeving, bekostiging en toezicht; minder eenzijdige regels,
     meer op basis van afspraken met het onderwijsveld. Tegelijk lijkt dit aan te sluiten bij een wens
     om naast of in aanvulling op de lumpsumbekostiging met geoormerkte of doelgebonden
     financiering te werken, zodat directer via de bekostiging gestuurd kan worden.
     In de praktijk is er een behoorlijke variatie aan instrumenten. Zo zijn er afspraken op sector­
     niveau of op instellingsniveau en bevatten akkoorden soms harde afspraken, soms zachte
     ambities. In alle sectoren is gewerkt met akkoorden en afspraken. Naast inhoudelijke afspra-
     ken en doelen worden ook afspraken gemaakt over budgettaire consequenties waarmee doel­
     financiering of prestatiegerelateerde bekostiging aan de afspraken wordt verbonden.
     233 Hooge, 2017. Het onderzoek spitst zich toe op de sectoren voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.
     234 Burns, Koster & Fuster, 2016.
     88                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>Het Nationaal Onderwijsakkoord, dat op 19 september 2013 ondertekend werd door de
bewindslieden van OCW en het bestuur van de Stichting van het Onderwijs, vormde de basis
voor een nieuwe ronde bestuursakkoorden en prestatieafspraken. Daarin werden inhoudelijke
afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over de inhoud en kwaliteit van het onderwijs, de zeggen-
schap en professionalisering van onderwijsgevenden en de verhouding tussen overheid en het
onderwijsveld. De kaderafspraken in dit akkoord zijn uitgewerkt in sectorakkoorden en cao’s.
De voortgang van de afspraken wordt gemonitord.235
Voor het primair onderwijs sloten de staatssecretaris en de PO-Raad in juli 2014 een sectoraal
bestuursakkoord.236 Centraal in dit akkoord staat ‘de school van 2020’. Voor het voort­gezet
onderwijs kwamen de staatssecretaris en de VO-raad in april 2014 tot het Sectorakkoord VO
2014-2017, waarin zij de ambitie uitspreken om samen te werken aan onderwijskwaliteit en
toekomstbestendig onderwijs.237 In het regeerakkoord van 2017 is er opnieuw aandacht voor
afspraken met de sectoren primair en voortgezet onderwijs. De akkoorden voor deze sectoren
zijn in 2018 geactualiseerd.
Voor het middelbaar beroepsonderwijs sloten de minister en de MBO Raad het Bestuurs­
akkoord MBO 2014. Volgens het akkoord stelt elke instelling een integraal kwaliteitsplan op.
Dat plan gaat over professionalisering, taal en rekenen, kwaliteit van de beroepspraktijkvor-
ming, excellentie, voortijdig schoolverlaten en studiesucces. Voor de kwaliteitsafspraken in dit
akkoord verstrekt de overheid de mbo-instellingen via de aanvullende bekostiging een inves-
teringsbudget. Om voor dat budget in aanmerking te komen heeft iedere instelling een over-
eenkomst kwaliteitsafspraken mbo gesloten. Een deel van de beschikbare middelen is uitge-
keerd op basis van gerealiseerde resultaten. Met het middelbaar beroepsonderwijs zijn in 2018
nieuwe kwaliteitsafspraken gesloten.238
Voor het hoger onderwijs werden al in 2011 hoofdlijnenakkoorden gesloten tussen de staats-
secretaris en de VSNU (organisatie van Nederlandse universiteiten) en de HBO-raad (inmiddels
Vereniging Hogescholen).239 Er werden afspraken gemaakt over onder andere vermindering
van studie-uitval, docentkwaliteit, onderwijsintensiteit en profilering van het onderwijsaan-
bod. Afgesproken werd om de middelen voor kwaliteit en studiesucces toe te kennen als voor-
waardelijke financiering. Deze middelen omvatten 7 procent van het totale onderwijsbudget.
Vervolgens zijn prestatieafspraken met de individuele instellingen gesloten. Over de realisatie
daarvan verantwoordden de instellingen zich in hun jaarverslagen. Voor het beoordelen van
de ambities van de instellingen en de monitoring van de voortgang is de tijdelijke Review­
commissie Hoger Onderwijs en Onderzoek ingesteld. Deze ronde prestatieafspraken is afge-
rond in 2016. De eindbeoordeling was aanleiding om zes hogescholen in 2017 een beperkte
korting op het budget voor prestatiebekostiging te geven. Met het hoger beroepsonderwijs
en het wetenschappelijk onderwijs zijn in 2018 nieuwe kwaliteitsafspraken gesloten. In deze
afspraken is er meer ruimte voor de eigen visie van een instelling. Daarbij zijn ook kwali-
teitsafspraken gemaakt over de inzet van de middelen die vrijkomen door invoering van het
studievoorschot.240
235  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017a.
236 Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs, 2014.
237  Sectorakkoord VO 2014-2017, 2014.
238 Bestuursakkoord OCW – MBO-Raad 2018-2022: Trots, vertrouwen en lef, 2018.
239 VSNU, 2016; Hoofdlijnenakkoord Hogescholen, 2011.
240 Investeren in onderwijskwaliteit. Kwaliteitsafspraken 2019-2024, 2018.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                         89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>    Maar ook beweging naar kwalitatieve beleidsinstrumenten en zichtbaar maken brede kwaliteit
    De laatste jaren is een voorzichtige verkenning van andere, kwalitatieve instrumenten te
    zien.241 Zo wordt gekeken naar het stimuleren en faciliteren van een sterke kwaliteitscultuur en
    naar mogelijkheden van horizontale verantwoording binnen teams van professionals. In het
    inspectietoezicht en bij accreditaties vertaalt dat zich in meer ruimte voor de eigen ambities
    en visie van de school of opleiding. In zijn advies Kwaliteit in het hoger onderwijs uit 2015 analy-
    seerde de Onderwijs de voor- en nadelen van kwantitatieve en kwalitatieve instrumenten van
    kwaliteitszorg.242
3.5 Meer doelgebonden bekostiging
    De afgelopen jaren was er veel aandacht voor de bekostigingssystematiek en de prikkels die
    daarvan uitgaan.243 Er zijn voornemens om de systematiek voor het primair en het voortgezet
    onderwijs te vereenvoudigen. Het aantal parameters wordt teruggebracht, zodat er minder
    sturende prikkels van uitgaan en de bekostiging inzichtelijker wordt.
    In de bekostigingssystematiek valt verder een aantal ontwikkelingen op.244 De uitgaven aan
    onderwijs laten diverse verschuivingen zien. De reële overheidsuitgaven per student in het
    middelbaar beroepsonderwijs zijn sterk gestegen. In de andere sectoren is dat niet het geval.
    Het aandeel van prestatiebekostiging is sinds de invoering van deze vorm in 2012 in alle ­sectoren
    sterk toegenomen. In het primair onderwijs gaat het aandeel van de Prestatiebox van 1,6 pro-
    cent in 2016 naar 2,8 procent in 2022. In het voortgezet onderwijs gaat dat aandeel in dezelf-
    de periode van 2,6 naar 3,9 procent. In het middelbaar beroepsonderwijs en de volwassenen­
    educatie gingen de kwaliteitsafspraken van 2016 over 8,2 procent van de bekostiging. In 2022
    zal dat 9,6 procent zijn. Het resultaatafhankelijke budget zal er tussen 2016 en 2022 bijna ver-
    dubbelen van 118 miljoen naar 206 miljoen euro. In het hoger onderwijs is de relatieve stijging
    nog groter. Onder de prestatieafspraken ging het in 2016 in het hoger beroepsonderwijs om 7,6
    procent en in het wetenschappelijk onderwijs om 8,4 procent van de onderwijsbekostiging. In
    2022 zal dat onder de nieuwe kwaliteitsafspraken respectievelijk 12,7 en 10,7 procent zijn. Vanaf
    2018 valt een deel van de middelen van de prestatieafspraken in het hoger onderwijs weer
    onder de lumpsum (onderwijsdeel van de bekostiging).
    Ook de invoering van passend onderwijs in 2014 liet de bekostiging niet ongemoeid. De onder-
    steuningsmiddelen voor primair en voortgezet (speciaal) onderwijs worden voortaan verdeeld
    via de samenwerkingsverbanden. Er is een directe geldstroom van de overheid naar de samen-
    werkingsverbanden ontstaan. Hoe deze middelen vervolgens ingezet worden, verschilt tussen
    de samenwerkingsverbanden. Sommige samenwerkingsverbanden leiden de gelden op basis
    van een verdeelsleutel door naar de schoolbesturen, die het vervolgens weer naar de scholen
    leiden. Andere samenwerkingsverbanden houden zelf meer regie over de inkoop van onder-
    steuning. De verdeling van de middelen wordt verevend op basis van leerlingenaantallen.
    241 Instrumenten waarbij de nadruk ligt op informele, ongeschreven regels, persoonlijke drijfveren van mensen of culturele (omgevings)
        factoren. Bij kwalitatieve instrumenten worden mensen veel meer als dragers van collectieve houdingen en gewoonten gezien en als
        potentiële bron van verandering. Voortdurende, meer gelijkwaardige horizontale communicatie speelt hierbij een hoofdrol.
    242 Onderwijsraad, 2015c.
    243 Zie ook Onderwijsraad, 2018f.
    244 Onderwijsraad, 2018f.
    90                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>    De volwasseneneducatie maakte in 2015 een belangrijke wijziging door. De middelen voor
    ­educatie worden sindsdien uitgekeerd door middel van een specifieke uitkering aan con-
     tactgemeenten van de arbeidsmarktregio’s. Gemeenten hoeven deze middelen niet meer bij
     ­regionale opleidingscentra in te zetten. Zij kunnen ook kiezen voor andere aanbieders.245
      Ten slotte heeft het huidige kabinet het voornemen om een leven lang leren krediet in te voe-
      ren. Voor elke Nederlander met een startkwalificatie komt er een individuele leerrekening in de
      plaats van de belastingaftrek voor scholing.246
3.6   Private investeringen nemen toe
      Het aandeel van private investeringen in het onderwijs neemt toe. Daarnaast ontstaan meng-
      vormen van publieke en private geldstromen. Ten slotte groeit de educatieve infrastructuur
      rondom scholen.
      Private investeringen nemen toe
      Cijfers van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en het ministerie van OCW over uit­gaven
      aan onderwijs laten een toename van private investeringen in het onderwijs zien. Uitgaven
      door het bedrijfsleven voor het beroepsonderwijs stijgen. Het aandeel van het bedrijfsleven in
      de totale uitgaven is het grootst in het middelbaar beroepsonderwijs (circa 20 procent). In het
      primair onderwijs groeien de uitgaven van huishoudens fors. Tussen 2000 en 2016 was sprake
      van een verdubbeling van 0,2 naar 0,4 miljard euro. Die uitgaven betreffen het schoolgeld voor
      particuliere en internationale scholen, vrijwillige ouderbijdragen, en kosten voor Cito-trainin-
      gen en voor de educatieve dagbesteding van driejarige kinderen in de kinder­opvang.247 Alle
      andere onderwijssectoren laten hier overigens een daling zien.
      Ook in andere sectoren is te zien dat kosten voor onderwijs meer bij private partijen komen
      te liggen. Zo werd in 2013 inburgering een verantwoordelijkheid van de inburgeraar zelf. Door
      privatisering van dit deel van de volwasseneneducatie kopen inburgeraars zelf een cursus in
      ter voorbereiding op het examen. Inburgeraars kunnen een lening aanvragen om de kosten
      te dekken.248 De regering heeft inmiddels wel het voornemen kenbaar gemaakt om het inbur-
    geringsbeleid te herzien. Gemeenten gaan per inburgeraar een persoonlijk inburgeringsplan
    opstellen en zullen op basis daarvan lessen inkopen. Het leenstelsel voor inburgeringscursus-
    sen verdwijnt daarmee weer.249
    De omzetting van de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs in een studievoor-
    schot levert ook een andere verhouding tussen publieke en private financiering van onder-
    wijs op. Zodra studenten hun studievoorschot terug gaan betalen, wordt het budget voor de
    basisbeurs – een inkomensvoorziening voor studenten – geleidelijk toegevoegd aan het geld
    voor onderwijs. Strikt genomen neemt de publieke financiering van het hoger onderwijs daar-
    mee toe. Nu tegenover het collegegeld en andere studiekosten geen prestatiebeurs, maar een
    lening staat, betalen studenten deze kosten echter zelf.
      245 De Weerd, Vonk, Krooneman & Klaver, 2017.
      246 Vertrouwen in de toekomst, 2017.
      247 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019.
      248 Algemene Rekenkamer, 2017.
      249 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2018.
      Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                            91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>Verder is de opmars van schaduwonderwijs hier relevant. Daarbij gaat het om commerciële
huiswerk- of studiebegeleiding en examen- of tentamentraining, maar ook om allerlei cursus-
sen voor volwassenen. Met name in het voortgezet onderwijs groeiden de private uitgaven aan
dergelijke onderwijsvormen fors en gaat het om steeds meer leerlingen.250 Het aantal bedrijven
dat zich toelegt op studiebegeleiding groeide tussen begin 2009 en begin 2016 van 2.420 naar
12.820.251 Naast zzp’ers en kleine collectieven gaat het inmiddels ook om grote, commerciële
aanbieders.252
Naast de toename van private investeringen ziet de raad mengvormen van publieke en pri-
vate geldstromen ontstaan. Dit wordt ingegeven door het beleid rond de centra voor inno-
vatief vakmanschap (mbo), centers of expertise (hbo) en (Europees gefinancierde) regionale
investeringsfondsen.
250 De Geus & Bisschop, 2017.
251 Deze klasse omvat: zelfstandige leraren in voortgezet en tertiair onderwijs; studie- en huiswerkbegeleiding, geven van bijlessen
    e.d.; geven van cursussen, trainingen aan volwassenen gericht op de persoonlijke ontplooiing en vorming; geven van cursussen,
    trainingen op het gebied van politieke vorming, vakbondsvormingswerk e.d.; geven van inburgeringscursussen; geven van cursussen,
    trainingen voor het omgaan met stress; trainingen op het gebied van sociale vaardigheden en communicatie; het geven van lezingen;
    schoolcatechese en zondagsscholen; onderwijs niet in te delen naar niveau; samenstellen van cursussen en ander lesmateriaal.
252 Financieel Dagblad, 2016.
92                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Werkwijze beleidsanalyse
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>94 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>Selectie documenten
Via de website officiëlebekendmakingen.nl zijn relevante beleidsdocumenten geselecteerd
die openbaar zijn geworden tussen 1 januari 2014 tot 1 april 2018.
Ten eerste zijn beleidsbrieven geselecteerd die de minister en/of staatssecretaris van OCW
naar de Tweede Kamer hebben gestuurd. Omdat de inzet was om inhoudelijke thema’s te ana-
lyseren, zijn aanbiedingsbrieven zonder verdere inhoud buiten de selectie gelaten. Als aan-
biedingsbrieven van adviezen en rapporten een inhoudelijke reactie bevatten, zijn ze in de
selectie opgenomen. Besluiten en ontwerpbesluiten zijn in de selectie opgenomen; bijlagen
bij beleidsbrieven zijn buiten beschouwing gelaten. Op basis van deze criteria zijn 665 beleids-
brieven in de analyse betrokken.
Ten tweede zijn de verslagen geselecteerd van overleggen tussen de bewindslieden voor de
bewindslieden en de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de
Tweede Kamer. In totaal zijn 84 verslagen geanalyseerd.
Buiten de beleidsanalyse zijn gelaten: handelingen van kamerdebatten; moties en stemmingen;
(antwoorden op) kamervragen; afschriften van brieven aan burgers; verslagen van gesprekken
en documenten over de werkwijze van de Tweede Kamer zelf, zoals agenda’s, planningen van
debatten, rapportages met de stand van zaken rond de uitvoering van moties, enzovoorts.
Coderingen
Met behulp van software voor kwalitatieve analyse (MaxQDA) is op basis van alle geselecteer-
de documenten een woordenlijst gegenereerd, met zowel enkelvoudige woorden als woord-
combinaties (tot drie woorden). Deze woordenlijst is benut voor het identificeren van voor-
komende thema’s in de beleidsdocumenten. Voor elk thema is een synoniemenlijst gemaakt,
zodat bijvoorbeeld de woorden ‘gelijke kansen’, ‘kansengelijkheid’ en ‘kansenongelijkheid’ tot
hetzelfde thema worden gerekend (zoekwoorden). De lijst met thema’s is gerubriceerd tot een
hiërarchisch geordend woordenboek (dictionary). Onder het beleidsthema examens vallen bij-
voorbeeld de eindtoets basisonderwijs, de diagnostische tussentijdse toets, de waarde van het
diploma en civiel effect.
Eenzelfde exercitie is uitgevoerd voor beleidsinstrumenten, zoals wetgeving, financiering,
actieplannen en kwaliteitsafspraken.
Vanwege het aantal documenten en het doel van de exploratieve analyse, namelijk een check
op volledigheid, zijn de documenten automatisch gecodeerd. De coderingen zijn globaal
gecheckt op onvoorziene fouten, die vervolgens zijn gecorrigeerd. Op de 749 documenten zijn
in totaal 104.450 coderingen uitgevoerd.
Analyses
Met behulp van de aangebrachte coderingen zijn frequentie-overzichten gemaakt voor
beleidsthema’s en beleidsinstrumenten, uitgesplitst per categorie documenten (beleids­
brieven en verslagen van algemene overleggen) en per kalenderjaar.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>Voor de periode tussen 1 januari 2014 en 1 april 2018 zijn de tien meest voorkomende beleids-
thema’s in beleidsbrieven (in aflopende volgorde):
• kwaliteit (inclusief kwaliteitscultuur, kwaliteitszorg, onderwijskwaliteit);
• examens (inclusief eindtoets basisonderwijs, diagnostische tussentijdse toets, waarde van
    diploma);
• toezicht (inclusief Inspectie van het Onderwijs, accreditatie, toezichtkader);
• taal en rekenen (inclusief de rekentoets);
• leraren/opleiding van leraren (inclusief lerarentekort, beloning, professionalisering);
• passend onderwijs (inclusief thuiszitters, doorzettingsmacht, basisondersteuning);
• curriculum (inclusief Onderwijs2032, curriculum.nu, kerndoelen);
• excellentie (inclusief toptalent);
• governance (inclusief medezeggenschap, governance codes); en
• regionalisering.
Voor de genoemde periode zijn de tien meest voorkomende beleidsthema’s in algemene
overleggen tussen de bewindslieden en de vaste Kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (in aflopende volgorde):
• passend onderwijs (inclusief thuiszitters, doorzettingsmacht, basisondersteuning);
• taal en rekenen (inclusief de rekentoets);
• examens (inclusief eindtoets basisonderwijs, diagnostische tussentijdse toets, waarde van
    diploma);
• leraren/opleiding van leraren (inclusief lerarentekort, beloning, professionalisering);
• curriculum (inclusief onderwijs2032, curriculum.nu, kerndoelen);
• toezicht (inclusief inspectie van het onderwijs, accreditatie, toezichtkader);
• incidenten (ROC Leiden, InHolland, Aloysius; ROC Amsterdam);
• governance (inclusief medezeggenschap, governance codes);
• kwaliteit (inclusief kwaliteitscultuur, kwaliteitszorg, onderwijskwaliteit);
• voor- en vroegschoolse educatie (inclusief vroegschool, voorschool, peuterspeelzaal).
96                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Deel C
Het Nederlandse onderwijs in cijfers
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel 97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>98 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>  In deel C van dit rapport wordt aan de hand van kwantitatieve
  informatie bekeken hoe het Nederlandse onderwijs ervoor staat. Het
  advies in deel A is in belangrijke mate gebaseerd op bevindingen en
  conclusies uit dit deel.
1  Inleiding
  Dit deel van het rapport bekijkt aan de hand van kwantitatieve informatie hoe het onderwijs in
  Nederland ervoor staat. De raad hanteert een termijn van vijf jaar en maakt waar mogelijk een
  internationale vergelijking. De raad belicht de cijfers tegen de achtergrond van de criteria waar-
  mee hij het onderwijs beoordeelt: kwaliteit; toegankelijkheid; doelmatigheid; pluriformiteit en
  keuzevrijheid; en sociale cohesie en democratie. De bevindingen en conclusies op deze criteria
  vormen een belangrijke basis voor het advies in deel A.
  Hoewel er veel kwantitatieve informatie beschikbaar is, betekent dat niet dat de raad beschikt
  over alle wenselijke informatie. Daarom heeft de raad keuzes gemaakt en aan elk criterium een
  aantal thema’s gekoppeld. Voor elk thema zijn indicatoren en bronnen gekozen die over de
  tijd heen met elkaar kunnen worden vergeleken. De indeling van de indicatoren is enigszins
  ­arbitrair; in sommige gevallen zouden indicatoren ook onder een ander criterium of thema kun-
   nen vallen. Vooraf heeft de raad bij de selectie van indicatoren en bronnen rekening gehouden
   met de verschillende aspecten van het Nederlandse onderwijs. De diverse onderwijssectoren
   – primair, voortgezet en hoger onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs – komen aan bod,
   als ook permanente educatie en zowel publiek als privaat onderwijs.
   Om de Stand van educatief Nederland in een internationaal perspectief te plaatsen, gebruikt de
   raad een aantal referentielanden: België, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Zweden en Fin-
   land. Buurlanden Frankrijk, België, Duitsland en Groot-Brittannië zijn nabijgelegen ‘concurren-
   ten’ met vergelijkbare sociale en maatschappelijke ontwikkelingen, waar ook economisch veel
   uitwisseling mee plaatsvindt. Finland wordt vaak als rolmodel gezien, gegeven de jarenlange
   topscores op onderwijsterrein, en Zweden kent een vergelijkbare ontwikkeling van de verzor-
   gingsstaat als Nederland.
   Voor dit deel heeft de raad zelf geen data verzameld. Er is gebruikgemaakt van actuele c­ ijfers
   die in de tijd en waar mogelijk ook internationaal vergelijkbaar zijn. De meest gebruikte inter-
   nationale bronnen zijn afkomstig van Eurostat, de OESO (Organisatie voor Economische
   Samenwerking en Ontwikkeling) en de Wereldbank. Daarnaast wordt bij verschillende thema’s
   de ontwikkelingen inzichtelijk gemaakt aan de hand van Nederlandse cijfers, onder meer van
   het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), DUO (Dienst Uitvoering Onder-
   wijs) en CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Er wordt gebruikgemaakt van verschillende
   bronnen om zo eenzijdigheid te voorkomen.
   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                          99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Leeswijzer
Aan het begin van elk hoofdstuk presenteert de raad een samenvatting van de opvallendste
ontwikkelingen van de afgelopen vijf jaar en een conclusie. Hierbij benadrukt de raad dat wan-
neer op een bepaald criterium hoger wordt gescoord dan een aantal jaren geleden of hoger
dan in andere landen, dat niet zonder meer als een positieve ontwikkeling is te waarderen.
Daarvoor is een integrale afweging nodig vanuit het perspectief van de opgaven van het
onderwijs. Dat komt aan de orde in deel A.
100                                                                    Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>  De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs wordt positief
  beoordeeld door toezichthouders, leerlingen en het bedrijfsleven.
  Schooluitval is laag en daalt nog steeds. Leerlingen presteren goed in
  vergelijking met andere landen op het gebied van rekenen, lezen en
  natuurwetenschappen. Wel dalen de prestaties licht en scoren zij lager
  dan gemiddeld op motivatie en op kennis van politiek en maatschappij.
2 Kwaliteit
  Bij het criterium kwaliteit kijkt de raad naar de opbrengsten van onderwijs. Hierbij gaat het om
  opbrengsten in brede zin, dus niet alleen om opleidingsniveau (aantal en soort diploma’s) en
  cognitieve leerprestaties (zoals voor taal en rekenen), maar ook om maatschappelijke opbreng-
  sten en leeropbrengsten op het gebied van vorming en burgerschap. Er zijn nog weinig gege-
  vens beschikbaar over kwaliteit over de volle breedte. De brede blik uit zich nu vooral in het
  in kaart brengen van maatschappelijke opbrengsten van het onderwijs en de prestaties van
  Nederlandse leerlingen op het gebied van burgerschap.
  Het beeld op het criterium kwaliteit is over het algemeen positief. Over de gehele linie zijn er
  minder zwakke scholen en minder opleidingen met onvoldoendes bij accreditaties. Ook zijn
  studenten steeds positiever over hun opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs en het
  hoger onderwijs. Wat betreft prestaties in het funderend onderwijs heeft Nederland vergele-
  ken met andere landen relatief veel leerlingen die het basisniveau halen. Het opleidingsniveau
  van de bevolking stijgt en schooluitval neemt al jaren af. Ook wordt meer dan in de referentie-
  landen deelgenomen aan permanente educatie. Daarnaast is er een betere aansluiting t­ ussen
  onderwijs en arbeidsmarkt. Voor afgestudeerden neemt de kans op een baan (op niveau) de
  laatste jaren weer toe. Ten slotte scoort Nederland hoog op maatschappelijke opbrengsten
  zoals werk, inkomen, geluk en gezondheid. In Nederland zijn de verschillen tussen lager en
  hoger opgeleiden op deze uitkomsten kleiner dan in de referentielanden.
  Daar staat tegenover dat er de laatste jaren een daling te zien is in de gemiddelde prestaties
  van leerlingen in het funderend onderwijs, met name op rekenen/wiskunde en natuurweten-
  schappen. Daarnaast valt op dat Nederlandse leerlingen minder gemotiveerd zijn om te leren
  dan leerlingen in andere landen. Deelname aan permanente educatie blijft achter bij de doel-
  stellingen en het zijn met name hoogopgeleiden die aan permanente educatie deelnemen.
  Ook wat betreft de baankansen voor afgestudeerden is het beeld gevarieerd. De verbetering
  geldt niet in gelijke mate voor alle groepen gediplomeerden.
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>2.1 Met onderwijs samenhangende maatschappelijke uitkomsten
    In het algemeen geldt dat naarmate mensen hoger zijn opgeleid, ze gemakkelijker een baan
    vinden en behouden, meer salaris ontvangen, langer en gezonder leven, minder snel in crimi-
    naliteit verzeild raken en een hogere kwaliteit van leven ervaren. Hoe sterk deze effecten optre-
    den, kan per land en door de tijd heen verschillen.
    Onderstaande indicatoren geven een indicatie van de maatschappelijke opbrengsten van het
    onderwijs. De raad kiest ervoor om de scores van hoog- en laagopgeleiden met elkaar te ver-
    gelijken. Als de ratio hoger is dan 1, wil dat zeggen dat de uitkomst voor hoogopgeleiden hoger
    is dan voor laagopgeleiden. Deze ratio’s laten niet alleen het verband zien tussen opleidings-
    niveau en de uitkomsten, maar geven ook een indicatie van (de ontwikkeling van) de ongelijk-
    heid tussen hoog- en laagopgeleiden.
       Opleidingsniveaus: laag, midden, hoog
       Internationaal worden onderwijsniveaus op éénzelfde schaal gezet aan de hand van de ISCED 2011
       (International Standard Classification of Education). Deze indeling (op een schaal van 0 tot 8) wordt in
       internationale databases onderverdeeld in drie niveaus: laag (ISCED 0-2), midden (ISCED 3-4) en hoog
       (ISCED 5-8).
       Inpassing van het Nederlandse onderwijs in dit systeem betekent het volgende:
       • laag: voorschoolse educatie, primair onderwijs, praktijkonderwijs, vmbo, onderbouw havo/vwo,
           entreeopleiding;
       • midden: bovenbouw havo/vwo, mbo niveaus 2 t/m 4; en
       • hoog: hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs (associate degree, bachelor en
           ­master), doctoraat. 253
    Werkloosheid en inkomen
    In 2017 is de werkloosheid onder hoogopgeleiden (2,8 procent) in Nederland zo’n 60 procent
    lager dan onder laagopgeleiden (6,6 procent). In de referentielanden is deze ratio (2,8/6,6 =
    0,4) kleiner (zie figuur 1). Dat wil zeggen dat het verschil in werkloosheid naar opleidingsniveau
    in Nederland kleiner is dan in de referentielanden. Nederland scoort gemiddeld op mediaan
    uurloon, zowel voor hoogopgeleiden als laagopgeleiden. Het uurloon van laagopgeleiden ten
    opzichte van dat van hoogopgeleiden is in Nederland tussen 2010 en 2014 verbeterd, terwijl
    deze ratio in dezelfde periode in de referentielanden constant is gebleven.
    De aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt
    In vergelijking met andere Europese landen vinden recent afgestudeerden vrij gemakke-
    lijk een baan. Binnen Nederland zijn er wel grote verschillen tussen opleidingsniveaus en
    arbeidssectoren.
    Het percentage recent afgestudeerde mbo-studenten dat een baan heeft is met 86 procent
    voor 2017 ruim 10 procentpunt hoger dan het EU-gemiddelde van 74 procent. Deze baankans
    is gestegen over de laatste jaren. Ook voor recent afgestuurde studenten uit het hoger onder-
    wijs is deze baankans 10 procentpunt hoger dan het EU-gemiddelde (94 versus 85 procent in
    2017).254
    253   Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019.
    254 Europese Commissie, 2018a.
    102                                                                              Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>         labour-force status, Unemployment rate (25-64 years)
         (rechts) Eurostat: Median hourly earnings by educational attainment
         level [earn_ses_pub2i] (10 employees or more)"
Figuur 1             Werkloosheid en uurloon: hoogopgeleiden in verhouding tot laagopgeleiden
         Werkloosheid                                                                     Uurloon
         (% onder hoogopgeleiden/% onder laagopgeleiden)                                  (uurloon hoogopgeleiden/uurloon laagopgeleiden)
   0,6                                                                              2,6
   0,5
                                                                                    2,2
                                                                              0,4
   0,4
                                                                                    1,8
   0,3
                                                                                                                                                              1,6
                                                                                    1,4
   0,2
   0,1                                                                              1,0
         ‘08   ‘09    ‘10     ‘11    ‘12   ‘13    ‘14   ‘15       ‘16   ‘17               ‘06   ! ‘07   ! ‘08   ! ‘09   ! ‘10   ! ‘11   ! ‘12   ! ‘13   ‘14
               Nederland                           België                             Duitsland                         Frankrijk
               Groot - Brittannië                  Zweden                             Finland
        (links) OESO:
(links) OESO:         Education
                Education   at aat a Glance,
                                 Glance,     Educational attainment
                                          Educational    attainment and  labour-force
                                                                       and labour-forcestatus, Unemployment
                                                                                           status,          rate (25-64
                                                                                                   Unemployment     rateyears
                                                                                                                         (25-64 years)
        (rechts) Eurostat: Median hourly earnings by educational attainment level [earn_ses_pub2i] (10 employees or more)
(rechts) Eurostat: Median hourly earnings by educational attainment level [earn_ses_pub2i] (10 employees or more)
                     Specifiek voor de Nederlandse situatie is dat de intredewerkloosheid van bbl-studenten
                     (beroepsbegeleidende leerweg) korter is dan die van bol-studenten (beroepsopleidende leer-
                     weg). Ook hebben studenten van de hogere mbo-niveaus minder vaak en korter te maken met
                     werkloosheid direct na afronding van de opleiding. Hetzelfde geldt voor het vinden van een
                     passende baan (qua niveau en richting). Er zijn grote verschillen tussen sectoren. Met name
                     in de sector gezondheidszorg zijn schoolverlaters met een niveau 2-diploma vaker werkloos.
                     Voor de bol-niveaus 3 en 4 zijn gediplomeerden uit de sector economie juist vaker werkloos.255
                     Voor afgestudeerde studenten uit het hoger onderwijs is de kans op werk de afgelopen
                     jaren verbeterd. In 2017 was slechts respectievelijk 5 (hbo) en 7 procent (wo) van de gediplo-
                     meerden anderhalf jaar na afstuderen werkloos. Ook in het hoger onderwijs zijn er verschil-
                     len tussen afstudeerrichtingen. Daarnaast trekken hbo-opleidingen met een baankans direct
                     na afstuderen een andere populatie. In deze kansrijke opleidingen zijn mannen, studenten
                     uit de laagste inkomensgroepen en studenten met een niet-westerse migratieachtergrond
                     ondervertegenwoordigd.
                     Gediplomeerden zijn regelmatig in een andere sector werkzaam dan hun afstudeerrichting
                     (bijna 1 op de 3 recent afgestudeerden). Deze horizontale mismatches zijn de afgelopen jaren
                     toegenomen.256 In sommige sectoren is deze disbalans tussen vraag en aanbod sterker dan bij
                     andere. Zo neemt het tekort aan personeel in de zorg, het onderwijs en de techniek nog steeds
                     toe, terwijl er een overschot is aan afgestudeerden in economie en landbouw.257
                     255    Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     256 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     257    Organisatie for Economic Co-operation and Development, 2018a. Het aandeel afgestudeerden in 2016 met een STEM-studie (Science,
                            Technology, Engineering en Mathematics) is het laagst in Nederland, namelijk 16% (gemiddeld 24% over alle Europese landen met
                            beschikbare informatie).
                     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                           103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>                       Gezondheid en geluk
                       In 2017 gaf 76 procent van de Nederlanders aan in goede of zeer goede gezondheid te zijn. Dit
                       percentage is al jaren stabiel. Nederland scoort daarmee het hoogst van alle referentielanden.
                       Dit percentage is onder hoogopgeleiden hoger dan onder laagopgeleiden (voor Nederland
                       respectievelijk 85 en 67 procent). Dit verschil – met een ratio van 1,3 in 2017 – is in de referentie-
                       landen groter (zie figuur 2).
                Ook geven Nederlanders aan gelukkig te zijn met hun leven. Wat levensgeluk betreft staat
                Nederland in vergelijking met de referentielanden aan de top met Zweden en Finland. Begin
                2018 geeft 96,4 procent van de Nederlandse respondenten op de Eurobarometer aan redelijk
                of erg tevreden te zijn met het leven dat ze nu leiden, net boven de Zweden (95,8 procent) en
                de Finnen (95,7 procent).258 Het World Happiness Rapport uit 2018 laat een vergelijkbaar beeld
          Figuurzien.
                  2 Nederland   staat met een
                            Gezondheid       engemiddelde   van 7,5 hoogopgeleiden
                                                 levensgeluk:       (op een schaal van 1 totin
                                                                                             10) net onder Finland
                met 7,8.259
          verhouding tot laagopgeleiden
                     In Nederland is het percentage mensen dat ontevreden met hun leven is (0-5 op een schaal van
          "          0-10) lager dan in de referentielanden. Dit is zowel het geval onder hoogopgeleiden (1,8 pro-
                     cent inQuality
          (rechts) European  2016)ofals
                                     Lifeonder
                                          Survey:laagopgeleiden        (8,9
                                                  (Q5) How satisfied are youprocent
                                                                             with your in
                                                                                       life2016). Wel(%
                                                                                           these days? is 0-5
                                                                                                          - mede    door
                                                                                                              op schaal    deze lage per-
                                                                                                                        1-10)
                     centages - het relatieve verschil tussen hoog- en laagopgeleiden in Nederland iets groter dan
                     in de referentielanden (zie figuur 2).
Figuur 2               Gezondheid en levensgeluk: hoogopgeleiden in verhouding tot laagopgeleiden
           In goede gezondheid                                                                     Ontevreden met leven
           (% onder hoogopgeleiden/% onder laagopgeleiden)                                         (% onder hoogopgeleiden/% onder laagopgeleiden)
    1,7                                                                                      0,7
                                                                                             0,6
    1,6
                                                                                             0,5
    1,5
                                                                                             0,4
    1,4
                                                                                             0,3
    1,3                                                                                                                                                          0,2
                                                                                       1,3   0,2
    1,2                                                                                      0,1
          ‘08   !‘09     ! ‘10   ! ‘11   ! ‘12   ! ‘13   ! ‘14   ! ‘15   ! ‘16   ‘17               ‘07   ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12     ‘13   ‘14   ‘15   ‘16
                 Nederland                                 België                              Duitsland                     Frankrijk
                 Groot - Brittannië                        Zweden                              Finland
(links) Eurostat: Self-perceived health by sex, age and educational attainment level [hlth_silc_02](% (very) good)
         (links) Eurostat:
(rechts) European          Self-perceived
                      Quality             health by(Q5)
                                 of Life Survey:    sex, How
                                                         age and educational
                                                              satisfied      attainment
                                                                        are you         level
                                                                                 with your    [hlth_silc_02](%
                                                                                           life these days? (% (very)
                                                                                                                 0-5 good)
                                                                                                                      op schaal 1-10)
          (rechts) European Quality of Life Survey: (Q5) How satisfied are you with your life these days? (% 0-5 op schaal 1-10)
                       258 Europese Commissie, 2018b.
                       259 Helliwell, Layard & Sachs, 2018.
                       104                                                                                                        Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>2.2                   Opleidingsniveau, schooluitval en permanente educatie
                      Opleidingsniveau
                      Het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking is de afgelopen jaren gestegen. Het aan-
                      deel hoogopgeleiden binnen de totale bevolking is toegenomen (zie figuur 3). Dit is vergelijk-
                      baar met de referentielanden, maar Nederland blijft hierin iets achter. Voor Nederland was dat
                      aandeel in 2017 37 procent, terwijl België, Zweden, Finland en Groot-Brittannië op of boven de
                      40 procent zitten en de afgelopen jaren een sterkere stijging hebben laten zien.
              De afgelopen decennia behaalden Nederlandse leerlingen en studenten op een steeds hoger
              opleidingsniveau een diploma.260 Zo is het percentage academici in twintig jaar bijna verdub-
              beld en halen studenten in het middelbaar beroepsonderwijs vaker een diploma op niveau 3
       Figuur of
              3 4.      Opleidingsniveau van de beroepsbevolking
                 Binnen
       OESO: Education        het Educational
                       at a Glance, voortgezet     onderwijs
                                              attainment        is de verhouding
                                                         and labour-force                   tussen byhavo/vwo-
                                                                          status, Share of population                en vmbo-diploma’s
                                                                                                      educational attainment (25-64
       years)
                      gestegen van één op de twee leerlingen in 1990 tot bijna één op één in 2012. Die stijging is na
                      2012 gestopt. De laatste vier jaar is het percentage havo/vwo-diploma’s constant 44 procent.
                      Binnen het vmbo is het aandeel gediplomeerden in de beroepsgerichte leerwegen gedaald
                      ten opzichte van het aantal in de gemengde en theoretische leerweg. In 2008 was 52 procent
                      van de vmbo-diploma’s een vmbo-basis- of vmbo-kaderdiploma. Na een gestage daling is dit
                      aandeel de laatste vier jaar constant, met 47 procent in 2017.261
Figuur 3              Opleidingsniveau van de beroepsbevolking
        % Hoogopgeleiden                                                                 % Laagopgeleiden
       (% 25-64 jarigen met ISCED 5-8)                                                   (% 25-64 jarigen met ISCED 0-2)
  45                                                                               30
  40                                                                               25
                                                                            37                                                                           22
  35                                                                               20
  30                                                                               15
  25                                                                               10
        ‘08     ‘09    ‘10     ‘11   ‘12    ‘13   ‘14    ‘15    ‘16   ‘17                ‘08    ‘09   ‘10    ‘11   ‘12    ‘13   ‘14    ‘15   ‘16   ‘17
                Nederland                          België                           Duitsland                       Frankrijk
                Groot - Brittannië                 Zweden                           Finland
OESO: Education at a Glance, Educational attainment and labour-force status, Share of population by educational
attainment (25-64 years) 									
       OESO: Education at a Glance, Educational attainment and labour-force status, Share of population by educational attainment (25-64 years)
                      260 Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
                      261    Eigen berekeningen op basis van CBS-StatLinetabel VO; examenkandidaten en gediplomeerden, onderwijssoort in detail.
                      Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                    105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                           Ook binnen het middelbaar beroepsonderwijs is de laatste vijf jaar een stijging in diploma­
                           niveau te zien. Meer studenten halen een diploma op niveau 3 of 4, en minder op niveau 1
                           of 2. In 2012 was 60 procent van de mbo-diploma’s op niveau 3 of 4. In 2017 was dit 71 procent.262
                           Schooluitval
                           Het aantal jongeren dat niet aan het onderwijs deelneemt (en niet werkzaam is), zegt iets over
                           de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Er zijn voor deze indicator voor schooluitval twee
                           sets cijfers verzameld. Ten eerste gaat het om het percentage 18-24-jarigen die geen onderwijs
                           of training volgen en maximaal vmbo of onderbouw havo/vwo (ISCED 2) behaald hebben. Deze
                           getallen zijn zowel voor Nederland als de referentielanden beschikbaar. Voor Nederland speci-
                           fiek zijn er gegevens over het aantal thuiszittende kinderen en jongeren.
               Schooluitval gaat in Nederland – net als in de referentielanden – al jaren omlaag (zie figuur 4).
               Met name bij meisjes is de daling sterk. Bij jongens is het percentage uitvallers twee keer zo
               hoog. Het percentage 18-24-jarigen die geen onderwijs of training volgen en maximaal ISCED 2
     Figuur 4 hebben,Schooluitval
                       bedraagt in 2017 ruim 9 procent voor jongens en bijna 5 procent voor meisjes. Neder-
               land scoort op schooluitval bij meisjes het laagst van alle referentielanden. Bij jongens valt
     Eurostat: Nederland
               Early leavers    from education and training by sex [t2020_40]
                          in de middenmoot.
                           In Nederland spreken we van verzuim als leerplichtige kinderen en jongeren zonder geldige
                           reden niet aanwezig zijn op school. Van absoluut verzuim is sprake als een kind niet is inge-
                           schreven op een school en van relatief verzuim als een leerling wel is ingeschreven, maar niet
                           aanwezig is bij de lessen. Het totale aantal verzuimers – zowel absoluut als relatief – is in de
                           laatste jaren sterk gedaald (zie tabel 1). Er is echter wel een stijging van het aantal langdurige
                           verzuimers.263
Figuur 4                   Schooluitval
       ...onder jongens                                                                                        ...onder meisjes
       (% 18-24 jarigen niet in onderwijs en max. ISCED2)                                                      (% 18-24 jarigen niet in onderwijs en max. ISCED2)
18                                                                                                        18
16                                                                                                        16
14                                                                                                        14
12                                                                                                        12
10                                                                                                        10
                                                                                                    9,4
 8                                                                                                         8
 6                                                                                                         6
                                                                                                                                                                         4,6
 4                                                                                                         4
       ! ‘08
         "# $   ! ‘09
                  "% $   ! &"
                           ‘10 $   ! &&
                                     ‘11 $   ! &'
                                               ‘12 $   ! &(
                                                         ‘13 $   ! &)
                                                                   ‘14 $   ! &*
                                                                             ‘15 $
                                                                                     ! &+
                                                                                       ‘16 $
                                                                                               ! &,
                                                                                                 ‘17 $          ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14    ‘15   ‘16   ‘17
                Nederland                                           België                                 Duitsland                      Frankrijk
                Groot - Brittannië                                  Zweden                                 Finland
    Eurostat:
Eurostat:     Early
          Early     leavers
                leavers     fromeducation
                         from    education and
                                           andtraining
                                               trainingbyby
                                                         sexsex
                                                             [t2020_40]
                                                                [t2020_40]
                           262 Eigen berekeningen op basis van CBS-StatLinetabel MBO; gediplomeerden, niveau, leerweg, migratieachtergrond.
                           263 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018a. Zie ook https://www.nji.nl/Cijfers-schoolverzuim en https://www.rijksover-
                                   heid.nl/onderwerpen/vsv.
                           106                                                                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>Tabel 1            Schoolverzuim
  Aantal                                           ‘09/’10       ‘10/’11     ‘11/’12      ‘12/’13 ‘13/’14 ‘14/’15 ‘15/’16 ‘16/’17
  Absoluut verzuim                                  6878          8098        6430         6762     6714   5956    5101    4565
  Absoluut verzuim (>3 maanden)                                                                     1411   1660    1602    1700
  Relatief verzuim                                  74129        79658       84750        88655    79776   72732  68262   66725
  Relatief verzuim (>4 weken)                                                                      3966     4016   4287    4116
  Relatief verzuim (>3 maanden)                                                                    1843    2232    2592    2514
 NJI (2018) Cijfers schoolverzuim, geraadpleegd via https://www.nji.nl/Cijfers-schoolverzuim en Ministerie van OCW
 (2018). Kamerbrief over cijfers schoolverzuim en vrijstellingen funderend onderwijs (brief van Arie Slob aan de Tweede Ka-
 mer van 19 februari 2018).
                   De cijfers over verzuim en vrijstellingen in Nederland zijn complex en niet eenduidig. De
                   beschikbare informatie is daardoor niet altijd voldoende betrouwbaar. Gegevens van het NJi
                   (Nationaal Jeugdinstituut) laten zien dat het totaal aantal verzuimers – zowel absoluut als rela-
                   tief – de laatste jaren is gedaald (zie Tabel 1). Sinds de invoering van passend onderwijs hebben
                   samenwerkingsverbanden de plicht alle leerlingen een passende onderwijsplek te bieden. Dit
                   kan een plek in het regulier onderwijs zijn of in het speciaal onderwijs. Uit de cijfers blijkt ech-
                   ter dat het aantal situaties waarin kinderen langer dan drie maanden thuiszitten (langdurig
                   verzuim) nog niet is verminderd. Samenwerkingsverbanden tekenen daarbij aan dat zij over
                   onvoldoende betrouwbare informatie over het aantal thuiszitters in hun regio beschikken om
                   een dekkend aanbod van passende ondersteuning te realiseren.
                   Permanente educatie
                   Het is moeilijk om een eenduidig beeld te geven van de deelname aan permanente educatie.
                   Cijfers, waaronder die over bedrijfsgerichte scholing, lopen namelijk sterk uiteen. In diverse
                   onderzoeken worden verschillende definities en indicatoren gehanteerd, wat zorgt voor ver-
                   schillende uitkomsten.
                   Volgens de OESO is deelname aan training onder hoogopgeleiden veel hoger dan onder
                   laagopgeleiden. In Nederland zien we sinds 2012 een lichte stijging in de deelname aan training
                   onder hoogopgeleiden (zie figuur 5). Daarentegen is deelname aan training onder laagopgelei-
                   den de laatste jaren vrij constant gebleven. In Zweden en Finland stijgt deelname aan training
                   de laatste jaren, zowel onder hoogopgeleiden als onder laagopgeleiden. In Groot-Brittannië is
                   de laatste jaren juist sprake van een daling.
                   Volgens het CBS is deelname aan permanente educatie in Nederland tussen 2008 en 2017 toe-
                   genomen van 17 naar 19 procent.264 De deelname aan permanente educatie is niet gelijk voor
                   alle groepen: hoger opgeleiden (26 procent) nemen vaker deel aan scholingsactiviteiten dan
                   middelbaar (18 procent) en lager opgeleiden (9 procent). Ook blijft deelname achter bij de
                   streefwaarde van 20 procent.265
                   264 Centraal Bureau voor de Statistiek, 2018.
                   265 Zie bijvoorbeeld Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017d.
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                         107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>          Figuur 5                   Deelname aan training (afgelopen 4 weken)
          Eurostat: Participation rate in education and training (last 4 weeks) by type, sex, age and educational attainment level
                    In vergelijking
          [trng_lfs_10](formal            met referentielanden
                                and non-formal                          met een
                                                education and training)(from   25 tohogere
                                                                                     64 years) deelname aan permanente educatie,
                      investeert Nederland minder in activerend arbeidsmarktbeleid (bijvoorbeeld door loonkosten-
                      subsidies en scholing). In 2013 gaf Denemarken 1,8 procent van het bnp (bruto nationaal pro-
                      duct) uit aan activerend arbeidsmarktbeleid. In Finland en Zweden was dit respectievelijk 1,1 en
                      1,4 procent. Voor Nederland was dit in 2013 slechts 0,9 procent.266
Figuur 5              Deelname aan training (afgelopen 4 weken)
          ...onder hoogopgeleiden                                                  ...onder laagopgeleiden
          (ISCED 5-8)(% 25-64 jarigen)                                             (ISCED 0-2)(% 25-64 jarigen)
   40                                                                         40
   35                                                                         35
   30                                                                         30
                                                                        26
   25                                                                         25
   20                                                                         20
   15                                                                         15
   10                                                                         10                                                              10
      5                                                                        5
      0                                                                        0
          ‘08   ‘09    ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15   ‘16    ‘17               ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13     ‘14   ‘15   ‘16   ‘17
                 Nederland                       België                         Duitsland                     Frankrijk
                 Groot - Brittannië              Zweden                         Finland
Eurostat: Participation
       Eurostat:         rate in
                 Participation   education
                               rate         andand
                                    in education training  (last
                                                     training    4 weeks)
                                                              (last       bybytype,
                                                                    4 weeks)    type,sex,
                                                                                      sex,age
                                                                                           ageand
                                                                                               andeducational  attainmentlevel
                                                                                                  educational attainment   level
       [trng_lfs_10](formal and non-formal education and training)(from 25 to 64 years)
[trng_lfs_10](formal and non-formal education and training)(from 25 to 64 years)				
2.3                   Leerprestaties en motivatie
                      Hoe staat het met de prestaties van leerlingen in het funderend onderwijs in vergelijking met
                      andere landen? De raad staat stil bij taal en rekenen, maar ook bij natuurwetenschappen en
                      kennis over politiek en maatschappij. Gerelateerd daaraan kijkt de raad ook naar de motivatie
                      van leerlingen.
                      Prestaties van Nederlandse basisschoolleerlingen
                      Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs zijn de afgelopen jaren minder goed gaan preste-
                      ren in vergelijking met leeftijdsgenoten in andere landen. Op een aantal terreinen is ook sprake
                      van een absolute achteruitgang.
                      Op het terrein van leesvaardigheid presteren Nederlandse negen- en tienjarige leerlingen
                      bovengemiddeld. De resultaten van het vergelijkend PIRLS-onderzoek (Progress in Internatio-
                      nal Reading Literary Study) laten zien dat de leesprestaties van Nederlandse leerlingen de afge-
                      266 Organisation for Economic Co-operation and Development, 2015.
                      108                                                                                              Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre> lopen tien jaar stabiel zijn gebleven.267 Wel is Nederland de laatste jaren gezakt op de inter-
 nationale ranglijst. Deze daling komt enerzijds doordat er steeds meer landen deelnemen,
 waaronder twee hoogpresterende landen (Finland en Noord-Ierland). Anderzijds zijn Neder-
 landse leerlingen de afgelopen jaren voorbijgestreefd door leeftijdgenoten uit zowel Aziatische
 (Singapore, Hong Kong en Taiwan) als Europese landen (Rusland, Ierland, Polen, Noorwegen,
 Engeland, ­Letland en Hongarije). Van de referentielanden scoren Finland, Engeland en Zweden
 significant hoger op leesvaardigheid, en Duitsland, Vlaanderen en Frankrijk significant lager dan
 Nederland (zie figuur 6).
 Nederland heeft van alle landen de kleinste spreiding tussen zwakke en sterke lezers. Net als bij
 voorgaande metingen behalen vrijwel alle leerlingen het basisniveau leesvaardigheid. Minder
 dan de helft van de leerlingen behaalt echter een hoog leesvaardigheidsniveau (48 procent) en
 slechts een kleine groep leerlingen (8 procent) een geavanceerd leesniveau. Dit percentage ligt
 in 27 landen hoger dan in Nederland. De gemiddelde leesscore verschilt bovendien sterk tussen
 scholen. Dit komt deels door verschillen in leerlingenpopulatie.
 Nederlandse leerlingen ervaren steeds minder plezier bij het lezen. In Nederland vindt 31 pro-
 cent van de leerlingen lezen niet leuk. Dit is vergelijkbaar met Vlaanderen en Zweden, terwijl
 leeftijdsgenoten in andere landen meer leesplezier ervaren. Hoewel ook het leesplezier van
 ouders wereldwijd de afgelopen jaren is afgenomen, is het leesplezier van Nederlandse ouders
 internationaal gezien vrij hoog.
 Ook op het terrein van rekenvaardigheid en natuurwetenschappen presteren Nederlandse
 basisschoolleerlingen bovengemiddeld. Wel zijn sinds de eerste meting in 1995 de prestaties
 van Nederlandse leerlingen op rekenen en wetenschappen in het TIMSS-onderzoek (Trends in
 International Mathematics and Science Study) licht afgenomen.268 Met een score van 530 op
rekenvaardigheid in 2015 presteert Nederland bovengemiddeld, maar wel lager dan referentie-
landen Engeland, Finland en Vlaanderen (zie figuur 6). Met een score van 517 in 2015 presteert
Nederland ook op natuurwetenschappen bovengemiddeld. Van de referentielanden scoren
­Finland, Zweden, Engeland en Duitsland hoger dan Nederland.
 Prestaties van Nederlandse leerlingen in het voortgezet onderwijs
 Het PISA-onderzoek (Programme for International Student Assessment) toetst de algemene
 kennis en vaardigheden van vijftienjarigen op drie domeinen: wiskunde, lezen en natuurweten-
 schappen. Daaruit blijkt dat Nederlandse leerlingen met name goed scoren als het gaat om wis-
 kunde. Binnen de 27 EU-landen neemt Nederland de tweede positie in.269 Bij lezen staat Neder-
 land op de zevende plek, en bij natuurwetenschappen op de zesde plek.
 Vergeleken met andere landen heeft Nederland relatief veel leerlingen die het basisniveau lezen
 halen. Hierin onderscheidt Nederland zich in positieve zin van andere landen. De gemiddelde
 scores van Nederlandse leerlingen en die van de referentielanden zijn in figuur 6 weergegeven.
 Wel vertonen de gemiddelde scores op zowel lezen, wiskunde als natuurwetenschappen een
 267 Gubbels, Netten & Verhoeven, 2017. PIRLS toetst de kennis van negen- en tienjarigen op het gebied van leesvaardigheid in meer dan 50
     landen.
 268 TIMSS toetst de kennis van negen- en tienjarigen op het gebied van wiskunde en natuurwetenschappen in meer dan 50 landen.
     Een overzicht van de resultaten van PIRLS en TIMSS is ook op Onderwijsincijfers.nl te vinden: https://www.onderwijsincijfers.nl/
     kengetallen/internationaal/leerlingen-en-studenten/prestaties-internationale-prestaties-po-timss-pirls.
 269 Voor wiskunde stond Nederland in 2006 evenals in 2015 op de tweede positie binnen de 27 EU-landen. Voor leesvaardigheid en natuur-
     wetenschappen is Nederland tussen 2006 en 2015 gedaald in die ranking: van de tweede naar de zesde plek voor natuurwetenschap-
     pen en van de vierde naar de zevende plek voor leesvaardigheid.
 Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>daling tussen 2006 en 2015.270 De Nederlandse prestaties zijn vooral achteruitgegaan doordat er
minder hoogpresterende leerlingen zijn (van 21 in 2006 naar 16 procent in 2015 voor wiskunde).
Daarnaast is het percentage leerlingen met lage vaardigheden de afgelopen tien jaar toegeno-
men (van 12 in 2006 naar 17 procent in 2015 voor wiskunde).271 Referentielanden laten in deze
categorie een vergelijkbare ontwikkeling zien.272
De spreiding in scores tussen de laagst- en hoogstpresterende leerlingen is in Nederland groter
dan het gemiddelde van de 71 aan PISA 2015 deelnemende landen. Dit geldt echter ook voor de
andere referentielanden. Alleen voor Finland geldt dat deze spreiding lager is.273
Kennis over politiek en maatschappij
Kennis over politiek en maatschappelijke onderwerpen van leerlingen in de onderbouw van
het voortgezet onderwijs wordt internationaal getoetst in het ICCS-onderzoek (International
Civic and Citizenship Study). De score van Nederlandse leerlingen (523) is internationaal gezien
gemiddeld.274 Vergeleken met België, Finland en Zweden blijft de kennis van Nederlandse leer-
lingen gemiddeld achter. Met uitzondering van het vmbo heeft Nederland wel een kleine ver-
betering laten zien tussen 2009 en 2016. Dit geldt ook voor de referentielanden.
De spreiding van scores is in Nederland groter dan in andere landen. Eén op de drie Nederland-
se leerlingen heeft veel kennis, dit is in vergelijking met andere landen veel. Ook scoort één
op de drie leerlingen op een van de twee laagste niveaus. Ook dat is veel in vergelijking met
andere landen. Het kennisniveau verschilt sterk tussen leerlingen met laag- en hoogopgeleide
ouders. Er zijn ook verschillen in burgerschapskennis naar migratieachtergrond; deze verschil-
len zijn in Nederland kleiner dan in andere landen.
Motivatie
In het basisonderwijs zijn Nederlandse leerlingen minder gemotiveerd dan leerlingen in ande-
re landen. Een derde deel van de Nederlandse kinderen in groep 6 geeft aan dat zij zeer veel
plezier hebben in rekenen. Het internationale gemiddelde ligt op 46 procent. Bij natuuronder-
wijs gaat het om 46 (Nederland) versus 56 procent (het internationale gemiddelde). Daarnaast
lijken de leerlingen in Nederland minder prestatiegericht dan in andere landen.275
Recent PISA-onderzoek laat zien dat ook in het voortgezet onderwijs Nederlandse leerlingen
minder gemotiveerd zijn om te leren dan leerlingen in andere landen. Het percentage leer­
lingen dat wiskunde en natuurwetenschappen interessant vindt, is zeer laag. Een eerder PISA-
onderzoek toonde aan dat 50 procent van de Nederlandse leerlingen niet voor z’n plezier leest
en dat slechts 20 procent van de leerlingen iedere dag leest. Vergeleken met andere landen zijn
Nederlandse leerlingen minder bereid hard te werken en zich in te spannen om de moeilijkste
opdrachten op te lossen. Ze ontwijken vaker complexe problemen en blijven minder lang geïn-
teresseerd in de stof die ze zouden moeten leren. Daarbij valt op dat de motivatie in Nederland
nauwelijks verschilt tussen leerlingen met laag- en hoogopgeleide ouders.
270 De daling in leesvaardigheid is niet significant. De daling voor wiskunde en natuurwetenschappen wel.
271  Bij een niveauscore onder 2 (op een schaal van 1 tot 6) wordt gesproken over lage vaardigheden. Ook voor natuurwetenschappen en
     leesvaardigheid is het percentage laagpresterende leerlingen gestegen tussen 2006 en 2015: van 13 naar 19 procent voor natuurweten-
     schappen en van 15 naar 18 procent voor leesvaardigheid.
272 Met uitzondering van Duitsland.
273  Gemeten aan de hand van het verschil tussen de 95 e en 5 e percentielscore; Feskens, Kuhlemeier & Limpens, 2016.
274 Munniksma, Dijkstra, Van der Veen, Ledoux, van de Werfhorst & Ten Dam, 2017.
275  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2015.
110                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>Figuur 6             Kennis en vaardigheden in het funderend onderwijs
         Lezen 9/10-jarigen                                                              Lezen 15-jarigen
         (gemiddelde PIRLS score)                                                        (gemiddelde PISA score)
  580                                                                              570
  560                                                                              550
                                                                             545
  540                                                                              530
  520                                                                              510
                                                                                                                                                     503
  500                                                                              490
  480                                                                              470
         ‘06   ‘07   ‘08    ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16               ‘06   ‘07   ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16
         Rekenen 9/10-jarigen                                                            Wiskunde 15-jarigen
         (gemiddelde TIMSS score)                                                        (gemiddelde PISA score)
  580                                                                              570
  560                                                                              550
  540                                                                              530
                                                                      530
  520                                                                              510                                                               512
  500                                                                              490
  480                                                                              470
         ‘06   ‘07   ‘08    ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16               ‘06   ‘07   ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16
         Natuurwetenschappen 9/10-jarigen                                                Natuurwetenschappen 15-jarigen
         (gemiddelde TIMSS score)                                                        (gemiddelde PISA score)
  580                                                                              570
  560                                                                              550
  540                                                                              530
  520                                                                              510                                                               509
                                                                      517
  500                                                                              490
  480                                                                              470
         ‘06   ‘07    ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16               ‘06   ‘07   ‘08   ‘09   ‘10   ‘11   ‘12   ‘13   ‘14   ‘15    ‘16
                Nederland                           België                           Duitsland                         Frankrijk
                Groot - Brittannië                  Zweden                           Finland
         (links) IEA: PIRLS (2006, 2011, 2016) & TIMSS (2007, 2011, 2015)(België = Vlaanderen; Groot-Brittannië = Engeland)
(links) IEA:  PIRLS
         (rechts)     (2006,
                   OESO:  PISA2011, 2016)
                               (2006, 2009,&2012,
                                             TIMSS  (2007, 2011, 2015)(België = Vlaanderen; Groot-Brittannië = Engeland)
                                                  2015)
(rechts) OESO: PISA (2006, 2009, 2012, 2015)
                     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                   111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>                   De lagere motivatie van Nederlandse leerlingen betekent niet dat leerlingen niet gelukkig zijn
                   of niet graag naar school gaan. Sterker: op deze uitkomsten scoort Nederland het hoogst van
                   alle referentielanden. In 2014 gaf 91 procent van de deelnemende Nederlandse leerlingen aan
                   het HBSC-onderzoek (Health Behaviour in School-aged Children) aan een hoog levensgeluk te
                   hebben (zie ook figuur 22).
2.4                Beoordeling kwaliteit van onderwijs
                   Deze paragraaf brengt in beeld hoe belanghebbenden de kwaliteit van het Nederlandse onder-
                   wijs beoordelen. Daarbij is gekeken naar het toezicht door de Inspectie van het Onderwijs en
                   de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie), internationale ranglijsten van univer-
                   siteiten en het oordeel van studenten en het bedrijfsleven over het Nederlandse onderwijs.
                   Onderwijstoezicht
                   De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt jaarlijks of scholen voldoen aan de wettelijke voor-
Figuur 7                 Percentage
                   schriften             scholen
                             en of voldoende         als zwak
                                              leerresultaten    of zeer
                                                             worden        zwak
                                                                    behaald.      beoordeeld
                                                                              Het oordeel van de Inspectie wordt
                   uitgedrukt in voldoende, onvoldoende en zeer zwak. Voorheen kende de Inspectie ook het
                   oordeel zwak. Bij aanwijzingen van onvoldoende kwaliteit wordt het toezicht geïntensiveerd.
                   Het grootste deel van de basisscholen (98 procent) en afdelingen voor voortgezet onderwijs
                   (97 procent) krijgen een voldoende van de Inspectie.276 Het aandeel scholen dat als zwak of zeer
                   zwak beoordeeld wordt is zowel in het primair als het voortgezet onderwijs de laatste jaren
                   afgenomen (zie figuur 7).
Figuur 7           Percentage scholen als zwak of zeer zwak beoordeeld				
 24
                                                                                                      basisonderwijs
 20
                                                                                                      speciaal basisonderwijs
 16
                                                                                                      voortgezet onderwijs
 12
                                                                                                      (voortgezet) speciaal
   8                                                                                                  onderwijs
                                                                                 3,5
   4                                                                             2,7
                                                                                 1,9
   0                                                                             0,0
         ‘10      ‘11        ‘12       ‘13        ‘14        ‘15   ‘16     ‘17
       Inspectie van het Onderwijs (2018) Staat van het Onderwijs 2018 (2016/2017) en onderwijsinspectie.nl/actueel/nieuws/
Inspectie  vanminder
      (Steeds  het Onderwijs
                     zwakke en(2018) Staat van
                               zeer zwakke     het Onderwijs
                                           scholen (09-11-'16) 2018 (2016/2017)
                                                               en Aantal          en onderwijsinspectie.nl/actueel/nieuws/
                                                                         (zeer) zwakke scholen verder gedaald (20-03-'14))
(Steeds minder zwakke en zeer zwakke scholen (09-11-’16) en Aantal (zeer) zwakke scholen verder gedaald (20-03-’14))
                   276 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                   112                                                                                    Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>Ook in het middelbaar beroepsonderwijs ziet de Inspectie erop toe dat aan de wettelijke ver-
eisten wordt voldaan. Voor 2017 is het eindoordeel van de Inspectie voor bijna 70 procent van
de opleidingen voldoende.277 Vanwege het nieuwe onderzoekskader kunnen deze cijfers niet
zondermeer vergeleken worden met die uit eerdere jaren.
In het hoger onderwijs beoordeelt de NVAO de kwaliteit van de opleidingen. De Inspectie van
het Onderwijs constateert dat sinds de invoering van het huidige accreditatiestelsel voor het
hoger onderwijs in 2011 het aandeel opleidingen met een herstelopdracht aanvankelijk toe-
nam, maar de laatste twee jaar in zowel het hoger beroepsonderwijs als het wetenschappelijk
onderwijs zeer beperkt is.278 In 2017 is bij 3,4 procent van de beoordeelde opleidingen de aan-
vraag ingetrokken of is de opleiding onvoldoende bevonden en is een hersteltraject opgelegd.
Internationale ranglijsten universiteiten
Nederland is een van de weinige landen waar vrijwel alle universiteiten in de internationale
ranglijsten voorkomen. De vier wereldwijd meest gebruikte lijsten zijn: de ARWU (Academic
Ranking of World Universities), de THE (Times Higher Education) World Ranking en Reputation
Ranking, de QS World University Rankings en de Leiden Ranking.
Van de dertien deelnemende Nederlandse universiteiten staan er twaalf in de top 200 van
de THE World University Rankings 2019 (van 1.250 universiteiten wereldwijd). Hoewel er geen
­enkele Nederlandse universiteit in de top 50 staat, staan er zeven wel in de top 100. Het aantal
 Nederlandse universiteiten in de top 100 en top 200 is al jaren stabiel.
 Nederlandse universiteiten behoren tot de beste twee procent van de wereld.279 Deze positi-
onering is uitzonderlijk omdat de inrichting van het Nederlandse hoger onderwijs een aan-
tal aspecten kent dat een hoge notering (top 50) belet. Hoog genoteerde universiteiten laten
slechts de beste studenten in beperkte aantallen toe en verzorgen veelal alleen onderwijs in de
masterfase. Ook beschikken zij over omvangrijke financiële middelen. Ter illustratie: het eigen
vermogen van Harvard University is ruim acht keer groter dan het budget van alle Nederlandse
universiteiten samen.
Oordeel van studenten in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs
Zowel mbo-studenten als hbo- en wo-studenten zijn over het algemeen tevreden over hun
opleiding. Het oordeel van studenten is verbeterd over de jaren.
Aan de hand van de JOB-monitor (Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs) wordt elke twee
jaar aan mbo-studenten gevraagd hoe tevreden ze zijn over hun opleiding. Hbo- en wo-­
studenten geven in de Nationale Studentenenquête jaarlijks hun mening over hun studie en
onderwijsinstelling.
Mbo-studenten zijn over het algemeen tevreden over hun onderwijs. Dat geldt in het bijzonder
voor tevredenheid over docenten.280 Docenten worden als goed ervaren (62 procent is positief,
slechts 10 procent negatief) en ook het contact met de docent wordt als goed ervaren (66 pro-
cent is positief, slechts 8 procent is negatief). Die tevredenheid is de laatste tien jaar gestaag
277  Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
278 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
279 Volgens het rapport Global University Rankings and their Impact (2013) van de European Association of Universities zijn er ruim 17.000
     universiteiten wereldwijd (Erkkilä, 2013). Om bij de beste 2 procent te horen moet een universiteit bij de top 340 horen. Alle Neder-
     landse universiteiten, met uitzondering van de Open Universiteit, voldoen hieraan.
280 Sociaal en Cultureel Planbureau, 2018.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                   113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre> verbeterd. De helft van de mbo-studenten is positief over de kwaliteit van het lesmateriaal.
 Wel geeft een groot deel van de studenten aan dat de aangeschafte materialen onvoldoende
 gebruikt worden (van 38 in 2010 naar 43 procent in 2018).
 Wo-studenten zijn relatief meer tevreden over hun opleiding (81 procent in 2018) dan hbo-­
 studenten (69 procent in 2018). Het aandeel ho-studenten dat ontevreden is met hun opleiding
 is afgenomen, van ruim 8 in 2010 naar minder dan 5 procent in 2018.281 Ook worden de studie­
 begeleiding en de studiefaciliteiten steeds positiever beoordeeld.282 Twee derde is positief over
docenten en dit beeld is zowel in hoger beroepsonderwijs als wetenschappelijk onderwijs
­weinig veranderd over de jaren.
 Oordeel van het bedrijfsleven over de kwaliteit van het onderwijs
 De Executive Opinion Survey is onderdeel van het onderzoek van het World Economic Forum
 naar het internationaal concurrentievermogen van landen. Bestuurders uit het bedrijfsleven
 wordt gevraagd hun land op een aantal pijlers te beoordelen, waarvan een aantal betrekking
 heeft op de kwaliteit van het onderwijs. Aan de hand van de gegevens is een internationale
 rangorde op deze pijlers mogelijk van de bijna 140 deelnemende landen. Nederland is de laat-
 ste tien jaar van plek 8 naar plek 4 gestegen op de algehele Global Competitive Index.
 Figuur 8 geeft de internationale rangorde voor Nederland en de referentielanden op een aantal
 terreinen: de kwaliteit van het primair onderwijs; of het onderwijssysteem aansluit bij de eisen
 van een concurrerende economie; de samenwerking tussen universiteiten en bedrijfs­leven in
 r&d (research and development), en de kwaliteit van onderzoeksinstituten. Ook op deze aan
 onderwijs gerelateerde indicatoren scoort Nederland bij de wereldtop en is Nederland de afge-
 lopen jaren gestegen in de internationale ranking, ook in relatie tot de referentielanden.
 281  Sociaal en Cultureel Planbureau, 2018.
 282 In 2010 was 48 procent positief over studiebegeleiding. In 2018 was dat 55 procent. Over studiefaciliteiten was in 2010 59 procent posi-
      tief, in 2018 66 procent.
 114                                                                                                      Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>Figuur 8                      Internationale rangorde volgens het bedrijfsleven					
         Kwaliteit van het primair onderwijs                                                                                    Kwaliteit van het gehele onderwijssysteem
         (Quality of primary education, country rank)                                                                           (Quality of the education system, country rank)
     1                                                                                                                      1
                                                                                                                       4
     6                                                                                                                      6                                                                                                        6
    11                                                                                                                     11
    16                                                                                                                     16
    21                                                                                                                     21
    26                                                                                                                     26
    31                                                                                                                     31
    36                                                                                                                     36
    41                                                                                                                     41
         ! ‘08$     ! ‘09$    ! ‘10 $    ! ‘11 $    ! ‘12 $    ! ‘13 $    ! ‘14 $     ! ‘15 $    ! ‘16 $    ! ‘17 $              ! ‘08$    ! ‘09$    ! ‘10 $   ! ‘11 $   ! ‘12 $   ! ‘13 $   ! ‘14 $   ! ‘15 $   ! ‘16 $   ! ‘17 $
         Kwaliteit van onderzoeksinstituten                                                                                     Samenwerking universiteiten - bedrijfsleven
         (Quality of scientific research institutions, country rank)                                                            (University industry
                                                                                                                                            -        collaboration in R&D, country rank)
     1                                                                                                                      1
                                                                                                                       4                                                                                                             5
     6                                                                                                                      6
    11                                                                                                                     11
    16                                                                                                                     16
    21                                                                                                                     21
    26                                                                                                                     26
    31                                                                                                                     31
    36                                                                                                                     36
    41                                                                                                                     41
          ! ‘08 $   ! ‘09 $    ! ‘10 $    ! ‘11 $    ! ‘12 $    ! ‘13 $    ! ‘14 $     ! ‘15 $    ! ‘16 $    ! ‘17 $             ! ‘08 $   ! ‘09 $   ! ‘10 $   ! ‘11 $   ! ‘12 $   ! ‘13 $   ! ‘14 $   ! ‘15 $   ! ‘16 $   ! ‘17 $
                          Nederland                                                  België                                     Duitsland                                          Frankrijk
                          Groot - Brittannië                                         Zweden                                     Finland
World Economic
       World EconomicForum:  Executive
                          Forum:         Opinion
                                  Executive OpinionSurvey
                                                     Survey(GCI
                                                            (GCI dataset).    Internationale
                                                                   dataset). Internationale       rangorde
                                                                                              rangorde       op basis
                                                                                                        op basis         van vragenlijsten
                                                                                                                  van vragenlijsten   onder onder
executives. Onderliggende
       executives.               vragen:
                     Onderliggende        In In
                                     vragen:  your
                                                yourcountry...   “...howdodoyou
                                                      country... "...how        you assess
                                                                                  assess the the   quality
                                                                                              quality       of primary
                                                                                                      of primary          education”,
                                                                                                                  education",             “...how
                                                                                                                                "...how well        well
                                                                                                                                              does the
       education
does the education  system meet meet
                        system   the needs
                                        the of a competitive
                                            needs             economy?",economy?”,
                                                     of a competitive        "...how do you    assessdo
                                                                                           “...how   theyou
                                                                                                          quality of scientific
                                                                                                             assess             research
                                                                                                                       the quality       instituti-
                                                                                                                                      of scientific
       ons?", "...to what extent do business and universities collaborate on research and development (R&D)?"
research institutions?”, “...to what extent do business and universities collaborate on research and development (R&D)?
                              Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                                                                                       115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>116 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>  De sociaaleconomische positie van ouders heeft nog steeds veel
  invloed op de onderwijskansen van hun kinderen. Andere signalen
  voor druk op de toegankelijkheid van het onderwijs zijn stijgende
  uitgaven aan schaduwonderwijs, selectie in het vervolgonderwijs en
  het stijgende aantal studieleningen.
3 Toegankelijkheid
  Bij de vraag naar de toegankelijkheid van het onderwijs kijkt de raad in paragraaf 3.1 ten eerste
  naar welke leerroutes leerlingen en studenten volgen en welke knelpunten zich daar eventu-
  eel bij voordoen. Speciale aandacht is er voor de overgangen in het stelsel. Een tweede aspect
  van toegankelijkheid dat de raad in beeld brengt, is of kinderen en jongeren met gelijke capa-
  citeiten gelijke kansen krijgen. Factoren als de sociaaleconomische status van ouders, migratie­
  achtergrond en sekse mogen daarvoor geen belemmering vormen. De raad brengt dit thema
  in beeld in paragraaf 3.2. Een derde thema in het kader van de toegankelijkheid is of de kosten
  van onderwijs een belemmering vormen voor het volgen van onderwijs. Dit komt aan de orde
  in paragraaf 3.3.
  Bovenstaande thema’s zijn specifiek voor het Nederlandse onderwijsstelsel. Daarom presen-
  teert de raad in dit hoofdstuk ontwikkelingen aan de hand van Nederlandse cijfers. Internatio-
  naal doet Nederland het niet slecht qua intergenerationele mobiliteit, maar hoort ook niet tot
  de top. Verder lijken gelijke onderwijskansen af te nemen in vergelijking met een aantal jaar
  geleden. Leerlingen met hoogopgeleide ouders volgen vaak andere routes dan leerlingen met
  een vergelijkbare intelligentie en laagopgeleide ouders. De eersten krijgen vaker een advies
  voor hogere schoolsoorten in het voortgezet onderwijs. In het voortgezet onderwijs stromen
  zij hoger in, stromen zij minder vaak af naar een lagere schoolsoort en stromen zij vaker op naar
  een hogere schoolsoort.
  Veel leerlingen en studenten gaan direct na hun diplomering een aansluitende vervolgoplei-
  ding volgen. Over het algemeen is deze directe doorstroom de laatste jaren stabiel. Bovendien
  is er binnen het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs de laatste paar jaar
  een lichte stijging in de stapeling van diploma’s waar te nemen. Op dit punt is de toegankelijk-
  heid verbeterd. Daar staat tegenover dat de directe doorstroom vanuit havo en mbo naar hbo
  en de doorstroom vanuit hbo-bachelors naar het wetenschappelijk onderwijs lijkt af te nemen.
  Selectie aan de poort in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs is toegeno-
  men. Op dit punt is de toegankelijkheid verminderd.
  In het voortgezet onderwijs lijkt de positie van leerlingen met een niet-westerse migratie-­
  achtergrond te verbeteren. Het percentage van alle leerlingen met een niet-westerse migratie-
  achtergrond dat in leerjaar 3 op havo of vwo zit, is sterker gestegen dan het vergelijkbare per-
  centage van leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Dit neemt niet weg dat leerlingen
  met een migratieachtergrond nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in het havo en vwo. Het
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>    hoger onderwijs laat geen verbetering zien van de positie van studenten met een niet-wester-
    se migratieachtergrond. Deze groep is met name in het wetenschappelijk onderwijs onderver-
    tegenwoordigd en daar is de afgelopen tien jaar geen inhaalslag in gemaakt ten opzichte van
    studenten met een Nederlandse achtergrond.
    Tot slot is in het voortgezet onderwijs een sterke stijging te zien van uitgaven aan schaduw-
    onderwijs en particulier onderwijs. Er is een toename van onderwijsactiviteiten die buiten de
    school worden georganiseerd (zoals huiswerklessen en toetstrainingen). In het vervolgonder-
    wijs is – mede door invoering van het studievoorschot – een stijging te zien in het gebruik
    van studieleningen. Beide ontwikkelingen bergen een risico in zich voor toegankelijkheid. De
    daadwerkelijke effecten zijn nog onvoldoende bekend.
3.1 Leerroutes en overgangen
    Een sterk gedifferentieerd stelsel zoals het Nederlandse maakt veel verschillende leerroutes
    mogelijk op basis van verschillende overgangen. Deze overgangen kunnen de toegankelijk-
    heid van het onderwijs bevorderen of juist in de weg staan. Voor de toegankelijkheid van het
    onderwijs was de afgelopen jaren veel aandacht.
    Hieronder worden cijfers gepresenteerd over de doorstroom van leerlingen en studenten in
    het onderwijsstelsel. Er wordt gekeken naar verschuivingen in leerroutes over de tijd. Hierbij is
    ook aandacht voor ontwikkelingen op het gebied van stapelen. Stapelen neemt zowel in het
    voortgezet onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs iets toe. Daarnaast wordt gekeken
    naar ontwikkelingen in selectie in het hoger onderwijs.
    Ontwikkelingen in doorstroom en stapelen
    Na het funderend onderwijs maakt het Nederlandse onderwijsstelsel diverse routes mogelijk.
    In deze paragraaf brengt de raad de omvang van de verschillende routes in beeld. 283 Vmbo’ers
    stromen veelal door naar mbo, havisten naar hbo, en vwo’ers naar wo. De ontwikkeling van
    deze verschillende routes over de laatste jaren verschilt. Het vaakst komt stapelen voor bij leer-
    lingen in de gemengde of theoretische leerwegen van het vmbo.284
    Doorstroom vanuit vmbo
    De doorstroom vanuit vmbo naar mbo is de laatste vijf jaar stabiel. Van de vmbo-leerlingen
    die in 2016-2017 hun diploma behaalden, stroomde 89 procent direct het jaar daarop door naar
    het mbo. Dit is een lichte stijging ten opzichte van tien jaar geleden (86 procent in 2007-2008)
    (zie figuur 9).
    De directe doorstroom vanuit de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte en de
    gemengde leerwegen van het vmbo naar het mbo is de laatste tien jaar redelijk stabiel: in 2016-
    2017 93 procent voor de basisberoepsgerichte, 97 procent voor de kaderberoepsgerichte en 92
    procent voor de gemengde leerweg. De directe doorstroom voor leerlingen uit de theoreti-
    sche leerweg is 79 procent. Dit aandeel is ten opzichte van vijf jaar geleden gedaald (82 procent
    in 2012-2013), maar wel hoger dan tien jaar geleden (75 procent in 2007-2008).
    283 Aan de hand van StatLinetabellen (CBS) VO; doorstroom en uitstroom, migratieachtergrond, generatie, regio en MBO; doorstroom en uit-
         stroom, migratieachtergrond,generatie, regiokenmerken. Meer informatie is vinden in Inspectie van het Onderwijs, 2018 en op de web-
         site Onderwijsincijfers.nl via https://www.onderwijsincijfers.nl/themas/transities-in-het-onderwijs/
    284 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
    118                                                                                                      Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>Figuur 9    Doorstroom in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs		
				
     Voortgezet onderwijs                           Middelbaar beroepsonderwijs
       (positie in volgend schooljaar na behalen diploma)                             (positie in volgend schooljaar na behalen diploma)
100                                                                             70
                                                                         97
                                                                                                                                                       66
                                                                         94
                                                                         92
 90                                                                             60
                                                                                                                                                       54
 80                                                                      79     50
                                                                         75
                                                                         75
 70                                                                             40
                                                                                                                                                       36
                                                                                                                                                       34
 60                                                                             30
      ‘07   ‘08    ‘09   ‘10    ‘11    ‘12   ‘13    ‘14    ‘15     ‘16                  ‘07   ‘08    ‘09    ‘10    ‘11    ‘12    ‘13    ‘14   ‘15    ‘16
                  vmbo-b -> mbo                 vmbo-k -> mbo                                   entree -> mbo                          mbo-2 -> mbo
                  vmbo-g -> mbo                 vmbo-t -> mbo                                   mbo-3 -> mbo                           mbo-4 -> hbo$
                  havo -> hbo                   vwo -> wo
        (links) CBS Statline tabel VO; doorstroom en uitstroom, migratieachtergrond, generatie, regio
(links) CBS  Statline
         (rechts) CBS tabel  VO;
                      Statline   doorstroom
                               tabel          en uitstroom,
                                     MBO; doorstroom          migratieachtergrond,
                                                     en uitstroom,                   generatie,
                                                                   migratieachtergrond, generatie,regio
                                                                                                  regiokenmerken
(rechts) CBS Statline tabel MBO; doorstroom en uitstroom, migratieachtergrond,generatie, regiokenmerken
                    Leerlingen uit de gemengde en de theoretische leerwegen kunnen na het behalen van hun
                    diploma ook binnen het voortgezet onderwijs doorstromen naar havo. In 2016-2017 deed 16
                    procent van hen dat.285 Dit is een stijging ten opzichte van vijf jaar geleden (13 procent), maar
                    een daling ten opzichte van tien jaar geleden (19 procent).286
                    Doorstroom vanuit havo
                    De directe doorstroom vanuit havo naar hbo is de laatste jaren gedaald. In 2016-2017 stroomde
                    75 procent van de gediplomeerden direct door naar het hbo. Vijf jaar geleden (2012-2013) was
                    dit 82 procent (zie figuur 9). Havisten kunnen ook na het behalen van hun diploma naar vwo
                    doorstromen. In 2016-2017 deed ruim 5 procent dat. In 2012-2013 was dit nog ruim 3 procent (en
                    ruim 4 procent in 2007-2008).287
                    Doorstroom vanuit vwo
                    Van de vwo’ers die in 2016-2017 hun diploma behaalden ging 75 procent direct naar het weten-
                    schappelijk onderwijs (zie figuur 9). Dit is een lichte daling ten opzichte van vijf jaar geleden (76
                    procent), maar boven het percentage van tien jaar geleden (71 procent). Het percentage gedi-
                    plomeerde vwo’ers dat direct naar hbo doorstroomt is de laatste vijf jaar gedaald, van ruim 12
                    procent in 2012-2013 naar ruim 8 procent afgelopen jaar (2016-2017).288
                    285 In vergelijking met leerlingen die direct instromen in havo 4 vanuit havo 3, halen stapelaars minder vaak hun havo-diploma. Van de di-
                         recte instromers haalt ruim 80 procent een havo-diploma. Voor de stapelaars uit vmbo t is dit 65 procent. Daarentegen blijken er geen
                         verschillen in later studiesucces in het hoger onderwijs te zijn tussen stapelaars en niet-stapelaars. Zie https://www.onderwijsincijfers.
                         nl/themas/transities-in-het-onderwijs/.
                    286 Voor vmbo g betreft het 6 procent directe doorstroom naar havo in 2016-2017, in vergelijking met 5 en 8 procent vijf en tien jaar gele-
                         den, respectievelijk. Voor vmbo t zijn de percentages 18 (2016-2017), 15 (2012-2013) en 21 procent (2007-2008).
                    287 Vwo-leerlingen die eerst een havo-diploma haalden (stapelaars) gaan even vaak naar het wetenschappelijk onderwijs als reguliere
                         leerlingen (https://www.onderwijsincijfers.nl/themas/transities-in-het-onderwijs/).
                    288 Tien jaar geleden (2007-2008) stroomde bijna 13 procent van de gediplomeerde vwo’ers direct door naar hoger beroepsonderwijs.
                    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                       119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Doorstroom vanuit mbo
De doorstroom van studenten van mbo 4 naar het hbo is gedaald ten opzichte van vijf en tien
jaar geleden. Afgelopen jaar (2016-2017) stroomde ruim 35 procent van de mbo 4-gediplomeer-
den direct door naar hbo. Vijf jaar geleden – evenals tien jaar geleden – was dit 39 procent (zie
figuur 9).289
Binnen het middelbaar beroepsonderwijs studeren studenten vaker door op een hoger niveau
of verbreden zij zich door nog een andere opleiding op hetzelfde niveau te volgen. Zo behalen
zij meerdere mbo-diploma’s. De doorstroom binnen het mbo – vanuit entreeopleidingen en
mbo 2-opleidingen – is de laatste jaren gestegen. Twee derde van de studenten die hun entree-
opleiding afronden stroomt direct door binnen het mbo (2016-2017). Vijf jaar geleden deed 43
procent dit. De directe doorstroom na het behalen van een mbo 2-diploma is gestegen van 46
in 2012-2013290 naar 54 procent in 2016-2017.
Doorstroom in het hoger onderwijs
De directe doorstroom vanuit een wo-bachelor naar een wo-master is de laatste jaren
gedaald.291 In 2015-2016 stroomde 70 procent direct door naar een aansluitende master. Vijf jaar
eerder was dit ongeveer 76 procent. De doorstroom na een tussenjaar stijgt de laatste jaren.
Als deze trend doorzet, zal de totale doorstroom een stabieler beeld laten zien dan de directe
doorstroom. Het percentage doorstromers van hbo-bachelor naar wo-master is de laatste vier
jaar licht gestegen, van ruim 6 in 2012-2013 naar ruim 7 procent in 2015-2016. Tien jaar geleden
was deze doorstroom hoger: ruim 10 procent in 2005-2006.
Bergbeklimmers in het onderwijs292
Een klein deel van de Nederlandse leerlingen stapelt meer dan twee opleidingen. Minder
dan 10 procent van de leerlingen behoort tot deze groep ‘bergbeklimmers.’ Wel lijkt dit berg­
beklimmen steeds minder te gebeuren. Er zijn vier mogelijke routes: van basisberoepsgerichte
leerweg naar mbo 4; van kaderberoepsgerichte leerweg naar hbo, van gemengde of theoreti-
sche leerweg naar wo-bachelor; en van havo naar wo-master.
De eerste route komt het meest voor: ongeveer 16 procent van de leerlingen met een vmbo-
diploma basisberoepsgerichte leerweg weet mbo 4 als eindniveau te bereiken. Ongeveer 10
procent van de leerlingen met een vmbo-diploma kaderberoepsgerichte leerweg weet uitein-
delijk een hbo-bachelordiploma te behalen. Een 2 tot 3 procent van de gediplomeerden uit
de gemengd-theoretische leerwegen eindigt op wo-bachelorniveau. De route naar wo-master
wordt door ongeveer 13 procent van de gediplomeerde havisten beklommen. Wel lijken al deze
routes minder vaak beklommen te worden door recentere cohorten.
Ontwikkelingen in selectie
Zowel in het middelbaar beroepsonderwijs als in het hoger onderwijs wordt bij meer oplei-
dingen aan de poort geselecteerd. Met name in het hoger onderwijs is sprake van een toe-
name.293 Masteropleidingen laten recentelijk een scherpe toename zien.294 In 2016-2017 selec-
teerde in het wetenschappelijk onderwijs 20 procent van de masteropleidingen. In 2017-2018
289 Van de mbo’ers die doorstromen naar het hbo, behaalt een steeds lager percentage een hbo-diploma: van 63 procent in 2009 naar 50
     procent in 2016. Zie https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/studenten-mbo/stromen-doorstroom-mbo.
290 51 procent in 2007-2008.
291  Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
292 https://www.onderwijsincijfers.nl/themas/transities-in-het-onderwijs/bergbeklimmers-in-het-onderwijs-extreem-stapelen.
293 Inspectie van het Onderwijs, 2016c.
294 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
120                                                                                               Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    was dat gestegen naar bijna een derde. Masteropleidingen met selectie werken in de meeste
    gevallen met een selectietoets. Daarnaast wordt vaak gekeken naar cijfers en gevolgde vakken.
    Tegenover de toename van selectie staat een daling van het aantal opleidingen met een nume-
    rus fixus.295 Met name in het hoger beroepsonderwijs daalde het percentage van opleidingen
    met een numerus fixus ten opzichte van het gehele opleidingsaanbod sterk. Als geselecteerd
    wordt, bestaat de studentenpopulatie van een opleiding uit iets meer vrouwen, iets meer stu-
    denten met een westerse achtergrond en iets meer studenten met hoogopgeleide ouders of
    uit hogere inkomensgroepen.
3.2 Sociaaleconomische achtergrond, migratieachtergrond en sekse
    Een belangrijke indicator voor de toegankelijkheid van het onderwijs is de mate waarin kinde-
    ren en jongeren met gelijke capaciteiten, gelijke kansen krijgen om onderwijs te volgen dat bij
    die capaciteiten past. Hieronder worden feiten en cijfers gepresenteerd die laten zien in hoe-
    verre de sociaaleconomische achtergrond, migratieachtergrond en sekse van leerlingen en
    ­studenten invloed hebben op het soort onderwijs dat ze volgen.
     Sociaaleconomische achtergrond
     Nederland doet het niet slecht qua intergenerationele mobiliteit – zeker niet voor een sterk
     gedifferentieerd stelsel – maar behoort niet tot de top. Van de volwassenen Nederlanders heeft
     41 procent een hoger opleidingsniveau dan hun ouders bereikt.296 Deze opwaartse mobiliteit
    ligt rond het PIAAC-gemiddelde (Programme for the International Assessment of Adult Compe-
    tences) van 40 procent.297 De neerwaartse mobiliteit – het aandeel volwassenen dat een lager
    opleidingsniveau bereikt dan hun ouders – ligt met 12 procent ook rond het PIAAC-gemiddelde
    (11 procent). Ook in relatie tot de referentielanden scoort Nederland gemiddeld. Volwassenen in
    Finland, België en Frankrijk zijn in vergelijking met Nederland vaker hoger opgeleid en minder
    vaak lager opgeleid dan hun ouders. Volwassenen in Zweden, Engeland en Duitsland zijn in ver-
    gelijking met Nederland minder vaak hoger en vaker lager opgeleid dan hun ouders.
    De Inspectie constateert echter dat de ongelijkheid in onderwijskansen in het Nederlandse
    onderwijs oploopt. Leerlingen met gelijke leerprestaties stromen naar verschillende opleiding-
    sniveaus door en de verschillen nemen toe. Het opleidingsniveau van ouders bepaalt sterk op
    welk niveau een leerling in het voortgezet onderwijs terechtkomt.298 Ook de OESO concludeert
     dat in Nederland het opleidingsniveau van ouders sterk bepalend is voor de onderwijskansen
     van leerlingen en studenten.299
     Leerlingen met hoogopgeleide ouders halen gemiddeld een hogere score op de eindtoets basis-
     onderwijs, krijgen gemiddeld een hoger schooladvies en zitten in het voortgezet onderwijs na
     drie jaar gemiddeld op een hoger niveau. Ook bij een gelijke score op de eindtoets krijgen leer-
     lingen met hoogopgeleide ouders – in vergelijking met leerlingen met laagopgeleide ouders –
     vaker een hoger schooladvies en minder vaak een lager schooladvies dan uit de eindtoets naar
     voren komt. 300 Deze verschillen tussen leerlingen blijven bestaan in het vervolgonderwijs.
     295 Inspectie van het Onderwijs, 2018a.
     296 Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, 2018b, figuur 2.12.
     297 Finland met 55, België met 47, Frankrijk met 45, Zweden met 41, Engeland met 39 en Duitsland met 24 procent.
     298 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
     299 Organisation for Economic Co-operation and Development, 2018.
     300 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
     Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                             121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>Leerlingen met laagopgeleide ouders zijn oververtegenwoordigd in vmbo en mbo en onder­
vertegenwoordigd in havo, vwo en hoger onderwijs. Hun kans op afstroom of vertraging is
bovendien groter. Studenten met ouders met een laag inkomen vallen in het middelbaar
beroepsonderwijs relatief vaak uit. Onder mbo-studenten die doorstromen naar het hoger
onderwijs bevinden zich relatief veel studenten met ouders uit de laagste inkomensgroepen.
In het hoger onderwijs vallen eerstegeneratiestudenten en studenten met ouders in de lagere
inkomensgroepen vaker uit en switchen zij vaker.301
Migratieachtergrond
Alle onderwijssectoren laten verschillen naar migratieachtergrond van leerlingen en studenten
zien.
Aan het eind van het basisonderwijs krijgen leerlingen met een niet-westerse migratieachter-
grond vaker een advies voor de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo of voor praktijk-
onderwijs en minder vaak een advies voor havo of vwo. Dit verschil wordt veroorzaakt door het
gemiddeld lagere opleidingsniveau van hun ouders. Leerlingen met een niet-westerse migratie­
achtergrond uit de eerste generatie hebben een iets grotere kans op onderadvisering, terwijl
leerlingen zonder migratieachtergrond een iets grotere kans op overadvisering hebben. Bij een
toetsscore die hoger uitvalt dan het initiële schooladvies kan het advies naar boven bijgesteld
worden. Dat gebeurt vaker bij leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond (33 pro-
cent) dan bij leerlingen met een westerse migratieachtergrond (27 procent) en zonder migratie-
achtergrond (20 procent).302
In het voortgezet onderwijs is sprake van oververtegenwoordiging van leerlingen met een niet-
westerse migratieachtergrond in de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen
van het vmbo. Zij zijn ondervertegenwoordigd in havo en vwo. Het aandeel leerlingen met een
migratieachtergrond in het derde jaar van havo en vwo stijgt wel de laatste jaren (zie figuur 10).
Leerlingen zonder migratieachtergrond hebben een kleinere kans op vertraging en een gro-
tere kans op een diploma boven schooladvies. In alle schoolsoorten is de uitval van leerlingen
met een niet-westerse migratieachtergrond groter. Daar staat tegenover dat leerlingen met een
migratieachtergrond vaker binnen het voortgezet onderwijs opstromen na het behalen van een
vmbo t- of havo-diploma.303
In het middelbaar beroepsonderwijs worden studenten met een niet-westerse migratieach-
tergrond uit de tweede generatie minder vaak onder hun niveau geplaatst dan enkele jaren
geleden. Bij de eerste generatie komt dat nog wel vaak voor.304 Leerlingen met een migratie-
achtergrond stromen vanuit de basisberoepsgerichte leerweg vaker ongediplomeerd door
naar het middelbaar beroepsonderwijs (circa 6 procent), terwijl leerlingen zonder een migratie­-
301  Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
302 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
303 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
304 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
122                                                                     Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>Figuur 10    Leerlingen in het voortgezet onderwijs met een niet-westerse migratieachtergrond		
					Verdeling naar schoolsoort                       Aandeel per schoolsoort
       (leerlingen op schoolsoort / totaal aantal leerlingen)                 (niet westerse achtergrond / alle achtergronden)
100                                                                     25
                                                                                                                                          23
       12     12   13    12     12    12    12    13    13    14
 80
                                                                        20
       14     15   16    15     16    16    16    17    17    18
 60                                                                                                                                       16
       25     26   26    27     27    27    27                          15
                                                  27    27    27                                                                          14
 40
                                                                                                                                          11
                                                                        10
 20    40     39   38    37     38    37    36    36    35    33
   0                                                                      5
       ‘08   ’09   ‘10   ’11    ’12   ‘13   ’14   ‘15   ’16   ‘17             ‘08   ’09   ‘10   ’11   ’12   ‘13   ’14   ‘15   ’16   ‘17
             vmbo b/k          vmbo g/t       havo       vwo        (combinatie van schoolsoorten)           praktijkonderwijs
       CBS Statline tabel VO; leerlingen, onderwijssoort in detail, leerjaar.. (links) Verdeling van alle leerlingen met een niet-westerse
CBS Statline tabel VO; leerlingen, onderwijssoort in detail, leerjaar. (links) Verdeling van alle leerlingen met een niet-
       migratieachtergrond over schoolsoorten. (rechts) Per schoolsoort, het aantal leerlingen met een niet-westerse migratieachter-
westerse  migratieachtergrond
       grond als percentage van alle over  schoolsoorten.
                                       leerlingen             (rechts) Per schoolsoort, het aantal leerlingen met een niet-westerse
                                                  in die schoolsoort.
migratieachtergrond als percentage van alle leerlingen in die schoolsoort.
                   achtergrond iets vaker naar een mbo-opleiding op niveau 3 of 4 gaan. Studenten met een niet-
                   westerse migratieachtergrond vallen vaker uit in het middelbaar beroepsonderwijs. Daar staat
                   tegenover dat zij in het middelbaar beroepsonderwijs ook meer stapelen – ze halen vaker
                   meerdere mbo-diploma’s – en relatief veel doorstromen naar het hoger onderwijs.
                   Vwo’ers met een migratieachtergrond gaan minder vaak een vervolgopleiding in hoger onder-
                   wijs volgen dan vwo’ers zonder migratieachtergrond. 305 Van de startende studenten van vol-
                   tijdse hbo-bacheloropleidingen heeft 15 procent een niet-westerse migratieachtergrond en
                   12 procent een westerse migratieachtergrond. In associate-degreeopleidingen is het aan-
                   deel ­studenten met een niet-westerse migratieachtergrond hoger (20 procent). In het hoger
                   beroepsonderwijs is het percentage studenten met een migratieachtergrond de afgelopen
                   tien jaar vrijwel gelijk gebleven (zie figuur 11). In het wetenschappelijk onderwijs is het aandeel
                   studenten met een migratieachtergrond onder bachelorstudenten de afgelopen tien jaar fors
                   gestegen: van 26 procent in 2008-2009 naar 37 procent in 2017-2018. Dat komt echter vooral
                   door de hogere instroom uit het buitenland. Het aandeel studenten met een achtergrond in
                   Marokko, Turkije, Suriname of de delen van het Koninkrijk in het Caribische gebied laat een
                   lichte daling zien. De uitval in het hoger onderwijs is onder studenten met een niet-westerse
                   migratieachtergrond hoger dan onder andere studenten. Het hoger beroepsonderwijs laat op
                   dit punt een lichte verbetering zien.306
                   305 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                   306 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>Figuur 11     Migratieachtergrond van studenten in het hoger onderwijs				
		
         Hbo bachelor opleidingen                        Universtaire bachelor opleidingen
          (% eerstejaars bachelor studenten)                                        (% eerstejaars bachelor studenten)
   100                                                                        100
           6     6          6    6     6      6     6     7       7     7            6    6     6     6     6     7       7     8     8     9
          10    10          9    10    9      9     9     9       9                  6    6     6     6     6     6       6     6     6     6
                                                                        9
     80   11               10    10                                            80   14    15    13    14    17    17
                11                     13    12    12     12      12    12                                               18     20    22    22
     60                                                                        60
     40                                                                        40
          74    74         75    74    72    73    73     72      72    72          74    73    75    73    71    71     69     67    65    63
     20                                                                        20
      0                                                                         0
          ‘08   ’09        ‘10   ’11   ’12   ‘13    ’14   ‘15     ’16   ‘17         ‘08   ’09   ‘10   ’11   ’12   ‘13     ’14   ‘15   ’16   ‘17
                  Nederlandse achtergrond                                           Westerse migratieachtergrond
                  Marokko/Turkije/Suriname/Antillen                                 Overig niet - westerse migratieachtergrond
        CBS Statline tabel Hoger onderwijs; eerstejaarsstudenten, onderwijssoort en opleidingsfase
CBS Statline tabel Hoger onderwijs; eerstejaarsstudenten, onderwijssoort en opleidingsfase.
                     Sekse
                     Ook tussen vrouwen en mannen bestaan er verschillen in schoolloopbanen. Aan het eind van
                     het basisonderwijs is er geen verschil in schooladviezen, maar in het voortgezet onderwijs ont-
                     staan verschillen.307 Jongens blijven vaker zitten dan meisjes en meisjes stromen vaker op. In
                     het derde leerjaar zit een kwart van de meisjes op een hoger niveau dan het schooladvies. Jon-
                     gens komen daarentegen vaker op een lager niveau uit.308
                     In het middelbaar beroepsonderwijs worden vrouwelijke studenten vaker dan mannelijke
                     ­studenten geplaatst op een hoger niveau dan verwacht op basis van hun vooropleiding.309
                      Meisjes gaan vanuit de gemengde leerweg van het vmbo vaker zonder vertraging naar hogere
                      niveaus in het mbo, terwijl jongens vaker naar niveau 1 of niveau 2 gaan. Ook stromen meisjes
                      vaker binnen het mbo door naar een hoger niveau.
                     Steeds meer vrouwen behalen een diploma in het hoger onderwijs en het aandeel vrouwen
                     onder hoogopgeleiden stijgt.310In het hoger onderwijs stromen meer vrouwen dan mannen
                     in.311 Onder vwo-gediplomeerden kiezen vrouwen wel vaker dan mannen voor het hoger
                     beroepsonderwijs312 of voor een tussenjaar.313 Vrouwen doen het beter dan mannen in het
                     hoger onderwijs. Zij vallen minder vaak uit, wisselen minder van studie en behalen vaker een
                     diploma.314
                     307 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     308 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     309 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     310    CBS StatLine.
                     311    Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     312    Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     313    Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     314    Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
                     124                                                                                              Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>3.3                Kosten en toegankelijkheid van onderwijs
                   Schaduwonderwijs en particulier onderwijs
                   In hoeverre wordt er gebruikgemaakt van onderwijsactiviteiten die buiten de school plaatsvin-
                   den? Denk aan huiswerkklassen, extra begeleiding en bijles, toets- en examentraining en parti-
                   culier onderwijs. Een toename van het particuliere en schaduwonderwijs kan aanleiding geven
                   tot ongelijke kansen als rijkere ouders aanvullend onderwijs inkopen voor hun kinderen, terwijl
                   minder welgestelden zich dit niet kunnen veroorloven.
    Figuur 12AfgezetUitgaven   van huishoudens
                     tegen de overheidsuitgaven     aan huiswerkbegeleiding
                                                aan onderwijs zijn de private uitgaven aan schaduw­
              onderwijs en particulier onderwijs marginaal. In het voortgezet onderwijs gaat het om 1 tot
    CBS (2018).   Uitgaven
              3 procent          vantotale
                           van het    huishoudens
                                           budget. Eenaan      huiswerkbegeleiding,
                                                         aanzienlijk                           bijles,
                                                                        deel van bijles, huiswerkbegeleiding    en
              examen­  t raining wordt gratis aangeboden.  315
                                                               Cijfers van
    eindtoets- en examentraining voor schoolgaande kinderen in het basis-, het CBS laten  zien dat de uitgaven van
              huishoudens aan schaduwonderwijs in het voortgezet onderwijs de afgelopen jaren niettemin
    voortgezet    en middelbaar beroepsonderwijs. "N.B. De hier aangegeven
              sterk zijn gestegen: van 93 miljoen in 2010 tot 171 miljoen in 2016 (zie figuur 12). Met name hoog­
    uitgaven opgeleide
               zijn het ouders
                           resultaat   van een grove raming die nog onder bewer-
                                  kopen extra onderwijs en ondersteuning voor hun kinderen in. Betaalde bij-
    king is. CBS  werkt
              les en        aan de verbetering
                     examentraining                   van havo-
                                       worden vooral door   de ramingsmethode               en het
                                                                    en vwo-leerlingen gevolgd.    Vmbo-leerlingen
    binnen halen     van structureel
              en leerlingen                beschikbare
                              met laagopgeleide  ouders makenbrondata."
                                                                   meer gebruik van gratis ondersteuning binnen
              de school.316 In het primair onderwijs zijn deze uitgaven de laatste jaren licht gestegen. In het
              middelbaar beroepsonderwijs zijn deze uitgaven echter juist meer dan gehalveerd over dezelf-
              de periode (van 36 naar 14 miljoen).
Figuur 12          Uitgaven van huishoudens aan huiswerkbegeleiding					
   200                                                                                      200
   180                                                                                                                 basisonderwijs
                                                                                            171
   160
   140                                                                                                                 voortgezet onderwijs
   120
                                                                                                                       middelbaar beroeps-
   100
                                                                                                                       onderwijs
      80
                                                                                                                       totaal
      60
      40
      20                                                                                    15
                                                                                            14
       0
           ‘10           ’11         ’12         ‘13         ’14          ‘15         ’16
  CBS (2018). Uitgaven van huishoudens aan huiswerkbegeleiding, bijles, eindtoets- en examentraining voor schoolgaande kinderen
CBS  (2018).
  in het      Uitgaven
         basis-,         van
                 voortgezet en huishoudens    aan huiswerkbegeleiding,
                               middelbaar beroepsonderwijs.                bijles, eindtoets-
                                                            "N.B. De hier aangegeven          enzijn
                                                                                       uitgaven  examentraining      voor
                                                                                                     het resultaat van eenschoolgaande
                                                                                                                           grove
kinderen   in het
  raming die   nogbasis-,
                    onder voortgezet
                           bewerking is.enCBS
                                           middelbaar   beroepsonderwijs.
                                              werkt aan de verbetering van de“N.B.   De hier aangegeven
                                                                               ramingsmethode                uitgaven
                                                                                                 en het binnen          zijn het resultaat
                                                                                                                halen van
  structureel
van  een grove beschikbare
                   raming diebrondata."
                                nog onder bewerking is. CBS werkt aan de verbetering van de ramingsmethode en het binnen
halen van structureel beschikbare brondata.
													
                   315     De Geus & Bisschop, 2018; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018c.
                   316     Inspectie van het Onderwijs, 2018; De Geus & Bisschop, 2018; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018b.
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                           125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>Studiefinanciering en invoering studievoorschot
In een toegankelijk onderwijsstelsel zou de beslissing om wel of geen vervolgonderwijs te
volgen onafhankelijk van het ouderlijk inkomen genomen moeten kunnen worden. Met de
invoering van het leenstelsel in 2015 is een aantal dingen veranderd. Er wordt bijvoorbeeld een
hogere bijdrage gevraagd van studenten aan het onderwijs (in de vorm van een lening die
later terugbetaald moet worden). Dit kan leiden tot een daling van de instroom (van bepaalde
groepen studenten).
Het is lastig om vast te stellen in hoeverre een mogelijke daling in de instroom wordt veroor-
zaakt door het leenstelsel of door andere factoren, zoals demografische ontwikkelingen of
selectie aan de poort. Onderzoek naar causale relaties is nog niet voorhanden. Ontwikkelingen
in de instroom en mogelijke oorzaken daarvan moeten nauwlettend gevolgd en onderzocht
worden. Wel kunnen de ontwikkelingen in het aantal studenten dat gebruikmaakt van studie-
financiering en leningen in beeld gebracht worden.
Het aantal studenten met een lening is in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het
wetenschappelijk onderwijs gestegen, met name sinds de invoering van het studievoorschot
in 2015; en ook hun aandeel in het totaal aantal studenten is gestegen.317 In het hoger beroeps-
onderwijs had in 2016-2017 43 procent van de studenten een lening, dit percentage bedroeg in
2011-2012 nog 28 procent. Voor het wetenschappelijk onderwijs is dit aandeel gestegen van 32
naar 47 procent. Ook is een stijging te zien in het gemiddeld bedrag dat studenten lenen, zowel
in het middelbaar beroepsonderwijs als het hoger onderwijs.
Studenten hebben recht op een aanvullende beurs indien het ouderlijk inkomen onvoldoende
is om de student gedeeltelijk te kunnen voorzien in de kosten. Het percentage mbo-studen-
ten met een aanvullende beurs laat een lichte stijging zien over de laatste vijf jaar (van 46 in
2012 naar 49 procent in 2017). In het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onder-
wijs is een lichte daling te zien in het aandeel studenten met een aanvullende beurs. In het
hoger beroepsonderwijs had in 2011-2012 36 procent van de studenten een aanvullende beurs;
in 2016-2017 was dit 34 procent. Voor het wetenschappelijk onderwijs is dit aandeel over die-
zelfde periode licht gedaald van 24 naar 22 procent.
317  https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/onderwijs-algemeen/studiefinanciering/gebruikers-studiefinanciering.
126                                                                                                Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>  Eenduidige conclusies over de doelmatigheid van het Nederlandse
  onderwijs zijn moeilijk te trekken. Er zijn grote verschillen in
  studiesucces tussen en binnen onderwijssectoren. In vergelijking met
  referentielanden zijn de Nederlandse uitgaven per leerling lager voor
  primair onderwijs en hoger voor voortgezet en hoger onderwijs.
4  Doelmatigheid
  Doelmatigheid gaat over de relatie tussen bestedingen en de daarmee bereikte resultaten. Het
  gaat daarbij niet alleen om het bereiken van de gestelde doelen (doeltreffendheid), maar ook
  of het bereiken van deze doelen toegeschreven kan worden aan de bestedingen die met het
  oog daarop gedaan zijn (causaliteit). Hadden dezelfde doelen met minder middelen behaald
  kunnen worden of had met dezelfde middelen meer bereikt kunnen worden? Doelmatigheid
  gaat in die zin over kostenefficiëntie, over zorgvuldig en doelbewust omgaan met publieke
  middelen.
  Cijfers over de relatie tussen uitgaven en opbrengsten zijn niet of nauwelijks beschikbaar en
  zijn niet internationaal vergelijkbaar. In dit hoofdstuk komt daarom slechts een beperkt aan-
  tal aspecten van doelmatigheid aan bod. Het betreft vooral een vergelijking van de ingezette
  middelen. Hoeveel geld besteedt de Nederlandse overheid aan onderwijs en hoe verhoudt
  zich dat tot andere landen (paragraaf 4.1)? Wat wordt met deze uitgaven bereikt (paragraaf 4.2)?
  ­Studiesucces en behaalde diploma’s zijn belangrijke indicatoren voor rendement. En, tot slot,
   hoe staat het met de inzet en de salariëring van onderwijspersoneel (paragraaf 4.3)?
   Uit de cijfers blijkt dat de omvang van de Nederlandse overheidsuitgaven aan primair onder-
   wijs relatief klein is in vergelijking met de referentielanden. In het voortgezet onderwijs wordt
   per leerling wel meer uitgegeven dan in de referentielanden. Qua prestaties doet Nederland
   zowel in het primair als het voortgezet onderwijs niet onder voor deze landen (zie paragraaf
   2.3). In het hoger onderwijs zijn de overheidsuitgaven per student in Nederland hoger dan in de
   referentielanden. Wel is een daling in deze uitgaven te zien tot 2012. Voor recente jaren zijn voor
   Nederland geen vergelijkbare gegevens beschikbaar.
   Het beeld van studiesucces dat uit de cijfers naar voren komt, wisselt. Zittenblijven, tussen-
   tijdse uitval uit het onderwijs en switchen tussen opleidingen zijn mogelijke indicatoren voor
   een ondoelmatig ingricht onderwijsstelsel. De afgelopen jaren is het aandeel leerlingen dat het
   basisonderwijs vertraagd verlaat afgenomen. Ook komt versnelling nu meer voor dan vroeger.
   In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs is het percentage leerlingen dat vertraging
   oploopt de laatste jaren stabiel. Het diplomarendement in het hoger beroepsonderwijs is de
   afgelopen tien jaar gedaald, terwijl deze in het wetenschappelijk onderwijs is gestegen. Uit-
   val en switchen komen veel vaker voor in het hoger beroepsonderwijs dan in het middelbaar
   beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs. Ook is de uitval uit hbo en het switch­
   gedrag in hbo al jaren hoog. In het middelbaar beroepsonderwijs en het wetenschappelijk
   onderwijs wordt minder geswitcht dan enkele jaren geleden.
   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                             127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>    Het aantal leerlingen per leerkracht in het primair onderwijs is in Nederland relatief laag. In
    het voortgezet onderwijs is dit aantal juist relatief hoog. De jaarsalarissen van leraren in het
    primair en voortgezet onderwijs zijn in vergelijking met de referentielanden redelijk hoog. In
    Nederland zijn de salarisverschillen tussen het onderwijs en andere sectoren echter wel relatief
    groot. Ook verdienen leerkrachten in het primair onderwijs minder dan leraren in het voort-
    gezet onderwijs. Dit verschil is bovendien groter dan in de referentielanden. Nederland telt de
    meeste verplichte jaarlijkse onderwijsuren van de referentielanden, zowel in het primair als het
    voortgezet onderwijs.
4.1 Uitgaven
    De Wereldbank heeft voor veel landen de overheidsuitgaven per leerling of student op verge-
    lijkbare wijze in kaart gebracht. De cijfers zijn daarbij gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen
    tussen landen en voor inflatie.
    Uit de cijfers van de Wereldbank blijkt dat in alle referentielanden de overheid per leerling meer
    uitgeeft aan voortgezet onderwijs dan aan primair onderwijs (zie figuur 13). Deze verschillen
    zijn het grootst voor Frankrijk. Het verschil tussen overheidsuitgaven per student in het hoger
    onderwijs en per leerling in het voortgezet onderwijs is steeds kleiner geworden in Nederland
    en is inmiddels vergelijkbaar met de referentielanden.
    De Nederlandse overheidsuitgaven per leerling in het primair onderwijs zijn vergelijkbaar met
    die van Duitsland, maar lager dan die van de overige referentielanden. Alleen Frankrijk geeft
    per leerling minder uit. Net als in de referentielanden zijn de uitgaven per leerling sinds 2006
    (licht) toegenomen. Wel is in de referentielanden een sterkere stijging te zien dan in Neder-
    land.318 In het voortgezet onderwijs kent Nederland van alle referentielanden de hoogste over-
    heidsuitgaven per leerling. Voor Nederland zijn die uitgaven relatief constant gebleven de
    laatste jaren, terwijl deze in de referentielanden veel meer varieerden. In het hoger onderwijs
    dalen de overheidsuitgaven per student; sterker dan in de referentielanden, waar deze uitga-
    ven meestal stijgen.319
    Afgezet tegen het bnp zijn in de referentielanden de uitgaven aan primair onderwijs over de
    jaren licht gestegen, terwijl ze in Nederland licht daalden. Alleen in Frankrijk zijn de uitgaven
    aan primair onderwijs uitgedrukt als percentage van het bnp kleiner. Met 2,2 procent van het
    bnp scoort Nederland in het voortgezet onderwijs in de middenmoot. Dit aandeel is de laatste
    jaren relatief constant gebleven. Ook in het hoger onderwijs scoort Nederland in de midden-
    moot (1,7 procent). Alleen Zweden (1,9 procent) en Finland (2,0 procent) geven significant meer
    uit. Wel laat Nederland een lichte stijging zien over de laatste jaren.
    318  Met uitzondering van Zweden.
    319  Voor Nederland wordt uitgegaan van de daling in uitgaven per student tot 2012. Voor Nederland ontbreken in de World Bank dataset
         gegevens voor 2013 en 2014.
    128                                                                                                 Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>World Bank: Education Statistics - All indicators. (links) Initial government funding per
student, constant PPP$ (rechts) Government expenditure in education institutions
education as % of GDP (%)
Figuur 13           Overheidsuitgaven aan onderwijs						
           Primair onderwijs                                                          Primair onderwijs
           (per leerling)(constante PPP$)                                             (aan onderwijsinstellingen)(in % van het BNP)
                                                                               3,0
 13000
 12000                                                                         2,5
 11000
                                                                               2,0
 10000
  9000                                                                         1,5
                                                                       8422                                                                   1,2
  8000
                                                                               1,0
  7000
  6000                                                                         0,5
            ‘06    ’07   ‘08    ’09   ‘10    ‘11   ’12     ‘13   ’14                    ‘06   ’07   ‘08   ’09   ‘10   ‘11   ’12   ‘13   ’14
           Secundair onderwijs                                                        Secundair onderwijs
           (per leerling)(constante PPP$)                                             (aan onderwijsinstellingen)(in % van het BNP)
                                                                               3,0
 15000
 14000                                                                         2,5
                                                                                                                                              2,2
 13000
                                                                               2,0
 12000
                                                                       11732
 11000                                                                         1,5
 10000
                                                                               1,0
  9000
  8000                                                                         0,5
            ‘06    ’07   ‘08    ’09   ‘10    ‘11   ’12     ‘13   ’14                    ‘06   ’07   ‘08   ’09   ‘10   ‘11   ’12   ‘13   ’14
           Tertiair onderwijs                                                         Tertiair onderwijs
           (per student)(constante PPP$)                                              (aan onderwijsinstellingen)(in % van het BNP)
 21000                                                                         3,0
 19000
                                                                               2,5
 17000
                                                         16268
                                                                               2,0
 15000
                                                                                                                                              1,7
 13000
                                                                               1,5
 11000
                                                                               1,0
  9000
  7000                                                                         0,5
            ‘06    ’07   ‘08    ’09   ‘10    ‘11   ’12     ‘13   ’14                    ‘06   ’07   ‘08   ’09   ‘10   ‘11   ’12   ‘13   ’14
                   Nederland                       België                            Duitsland                  Frankrijk
                   Groot -Brittannië               Zweden                            Finland
         World Bank: Education Statistics - All indicators. (links) Initial government funding per student, constant PPP$
        (rechts)
World Bank:      Government
             Education      expenditure
                        Statistics - Allinindicators. (links) Initial
                                           education institutions education as % of GDP
                                                                      government        (%) per student, constant PPP$
                                                                                     funding
(rechts) Government expenditure in education institutions education as % of GDP (%)
                    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                        129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>4.2 Studiesucces
    Hoe lang doen leerlingen over het doorlopen van hun onderwijsloopbaan? Hoe vaak blijven
    leerlingen zitten, of vallen zij uit zonder diploma, of wisselen zij van opleiding ? Dit zijn indica-
    toren die iets kunnen zeggen over de doelmatigheid van het onderwijsstelsel.
    Vertraging in het funderend onderwijs
    Het percentage leerlingen dat langer dan acht jaar doet over het primair onderwijs, is de laat-
    ste jaren gedaald. In 2017 voltooide ruim 13 procent van de leerlingen het basisonderwijs met
    vertraging. In 2012 was dat nog ruim 17 procent.320 Jaarlijks blijft 1,4 procent van de leerlingen
     zitten. Ook dit percentage is licht gedaald de afgelopen jaren.321 Het aandeel leerlingen dat ver-
    sneld het basisonderwijs doorloopt, stijgt (van ruim 6 in 2012 naar bijna 12 procent in 2017).322
    Het percentage leerlingen dat in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs vertraging
    oploopt is de laatste jaren stabiel.323 Voor het vmbo gold dat in 2017 voor ongeveer 9 procent
    van de leerlingen; voor havo 11 procent en voor vwo 6 procent. De meeste vertraging wordt
    opgelopen in het jaar voor het eindexamen.324
    Diplomarendement in het vervolgonderwijs
    In het middelbaar beroepsonderwijs is het percentage studenten dat binnen de nominale
    opleidingsduur een diploma behaalt, licht gestegen ten opzichte van vijf jaar geleden.325 In 2011
    was dit 88 en in 2016 91 procent. Entreeopleidingen kennen het laagste percentage studen-
    ten dat binnen de nominale opleidingsduur een diploma behaalt (78 procent in 2016). Niveau
    4-opleidingen kennen het hoogste percentage studenten dat binnen de nominale opleidings-
    duur afstudeert (99 procent in 2016). Ook is het percentage mbo-studenten dat het middelbaar
    beroepsonderwijs met een diploma verlaat, gestegen ten opzichte van vijf jaar geleden. In 2016
    verliet 83 procent van de studenten het middelbaar beroepsonderwijs met een diploma, ten
    opzichte van 74 procent in 2011. Het diplomarendement is hoger bij niveau 3- en niveau 4-oplei-
    dingen dan bij niveau 2- en entree-opleidingen (zie figuur 14).
    Het diplomarendement in het hoger beroepsonderwijs is de afgelopen tien jaar gedaald,
    ­terwijl deze in het wetenschappelijk onderwijs is gestegen (zie figuur 14). Van de studenten die
     in 2011 aan een voltijd hbo-bacheloropleiding begonnen, rondde 59 procent die binnen vijf jaar
     af (nominaal + één jaar). Van de in 2003 startende studenten rondde 67 procent de opleiding
     binnen vijf jaar af. Van de voltijds wo-bachelorstudenten die in 2012 startten, behaalde 72 pro-
     cent binnen vier jaar (nominaal + één jaar) een diploma. Voor het cohort dat in 2003 startte was
     dit voor 48 procent van de studenten het geval.
    320 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
    321  https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/po/leerlingen-po/prestaties-verblijfsduur.
    322 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
     323 CBS-Statlinetabel Voortgezet onderwijs; vertraging uitgesplitst naar op- en afstroom. Bovenbouw heeft betrekking op vmbo-leerjaren 3
         en 4, havo-leerjaren 3-5 en vwo-leerjaren 3-6.
     324 Leerjaar 3 voor vmbo, leerjaar 4 voor havo en leerjaar 5 voor vwo.
     325 https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/mbo/studenten-mbo/prestaties-studiesucces-mbo.
    130                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>       ment herinschrijvers bachelor na nominaal +1 (Tabel 3.2.1 uit het Technisch
       rapport hoger onderwijs). Het percentage herinschrijvers (na het eerste jaar)
       dat na 4 jaar (voor wo) of 5 jaar (voor hbo) een bachelor diploma behaald
       heeft.
Figuur 14          Studiesucces in het vervolgonderwijs						
        Gediplomeerde uitstroom mbo                                                    Diplomarendement hoger onderwijs
        (% dat mbo met diploma verlaat)(examenjaar)                                    (% herinschrijvers)(na nominaal+1 jaar)(inschrijfjaar)
                                                                      87
                                                                      87
  85                                                                             85
  80                                                                             80
  75                                                                             75
                                                                    74
                                                                                                                                                         72
  70                                                                             70
  65                                                                             65
  60                                                                             60                                                               59
                                                                      57
  55                                                                             55
  50                                                                             50
  45                                                                             45
          ‘11      ’12         ‘13        ’14        ‘15        ’16                    ‘03    ’04       ‘05   ’06   ‘07   ’08   ‘09   ‘10   ’11    ‘12
                entreeopleiding                  niveau 2
                                                                                                    hbo-bachelor                      wo-bachelor
                niveau 3                         niveau 4
Inspectie  vanvan
    Inspectie   het   Onderwijs
                    het Onderwijs (2018).  Staatvan
                                   (2018).Staat   vanhethet Onderwijs
                                                         Onderwijs 20182018          (links) (links)
                                                                             (2016/2017).
                                                                        (2016/2017).                 Gediplomeerde
                                                                                             Gediplomeerde            uitstroom
                                                                                                            uitstroom naar         naar
                                                                                                                           inschrijfniveau
    (Tabel 3.5.1.b(Tabel
inschrijfniveau     uit het3.5.1.b
                            Technisch
                                   uit rapport sectorhoofdstuk
                                       het Technisch    rapportmbo).  Het percentagembo).
                                                                 sectorhoofdstuk        studenten  dat het mbo met
                                                                                              Het percentage        een diploma
                                                                                                                 studenten   dat verlaat.
                                                                                                                                   het mbo
met(rechts)  Diplomarendement herinschrijvers bachelor na nominaal +1 (Tabel 3.2.1 uit het Technisch rapport hoger onderwijs). Het
     een diploma      verlaat. (rechts) Diplomarendement herinschrijvers bachelor na nominaal +1 (Tabel 3.2.1 uit het Technisch
    percentage herinschrijvers (na het eerste jaar) dat na 4 jaar (voor wo) of 5 jaar (voor hbo) een bachelor diploma behaald heeft.
rapport hoger onderwijs). Het percentage herinschrijvers (na het eerste jaar) dat na 4 jaar (voor wo) of 5 jaar (voor hbo)
een bachelor diploma behaald heeft.
										
                   Ontwikkelingen in uitval en switchgedrag
                   Studenten die uitvallen verlaten het onderwijs zonder diploma en studenten die switchen
                   halen minder vaak een diploma dan niet-switchende studenten. Uitval komt het meest voor
                   in entreeopleidingen, mbo 2-opleidingen en associate-degreeprogramma’s. Switchgedrag
                   komt vaker voor in het hoger beroepsonderwijs dan in het middelbaar beroepsonderwijs en
                   het wetenschappelijk onderwijs. Het switchgedrag in het hoger beroepsonderwijs is redelijk
                   stabiel over de jaren. In het middelbaar beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs
                   komt het iets minder voor.
                   In het middelbaar beroepsonderwijs is de uitval in 2015 licht gedaald ten opzichte van vijf jaar
                   geleden. Deze uitval is lager bij de hogere niveaus. Voor 2015 is het uitvalpercentage 43 pro-
                   cent bij entreeopleidingen, 26 procent bij niveau 2-opleidingen en 13 procent bij niveau 3- en
                   4-opleidingen. Het percentage studenten dat het hoger onderwijs binnen één jaar verlaat is
                   hoger in het hoger beroepsonderwijs dan in het wetenschappelijk onderwijs. In het hoger
                   beroepsonderwijs zien we dat de uitval (15 procent voor bacheloropleidingen en 10 procent
                   voor masteropleidingen) is afgenomen ten opzichte van een jaar eerder. De voorgaande jaren
                   laten een redelijk stabiel beeld zien. Het is dus de vraag of de daling van afgelopen jaar in de
                   komende jaren doorzet. In het wetenschappelijk onderwijs is de uitval de laatste jaren stabiel
                   gebleven, zowel in de bachelor (6 procent) als in de master (5 procent).326 De hoogste uitval is te
                   zien in de associate-degreeprogramma’s. Dat was in 2015 ruim 20 procent.327
                   326 Ten opzichte van tien jaar geleden is de uitval uit wo-masteropleidingen wel lager: van bijna 8 in 2006 naar bijna 5 procent in 2015.
                   327   Een daling ten opzichte van eerdere jaren: 27 in 2013 en 26 procent in 2014.
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                       131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>    Naast de uitvallers zijn er studenten die in het eerste jaar van studie veranderen. In het mid-
    delbaar beroepsonderwijs daalde dit aandeel switchers tot 2012-2013 licht en lijkt het zich te
    stabiliseren op ongeveer 9 procent. Bij hbo-bacheloropleidingen is het percentage studenten
    dat in 2015 is geswitcht 20 procent, vergelijkbaar met tien jaar geleden.328 In het wetenschap-
    pelijk onderwijs is de opleidingsswitch lager dan tien jaar geleden, zowel in de bachelorfase (19
    procent in 2015, 23 procent in 2006) als in de masterfase (3 procent in 2015, 5 procent in 2006).329
4.3  Onderwijspersoneel
    Verhouding tot aantal leerlingen/studenten
    Over de ratio tussen leerlingen of studenten en onderwijspersoneel in internationale vergelij-
    king kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van cijfers van de Wereldbank (zie figuur
    15). Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat deze cijfers gebaseerd zijn op tellingen van
    aantallen leerlingen en leraren zonder rekening te houden met deeltijdwerkers of combinatie-
    klassen, noch met andere zaken die van invloed zijn op de grootte van klassen. Het gaat hier
    dus niet om klassengroottes, maar om verhoudingen tussen het aantal leerlingen/studenten
    en leraren/docenten.
    Uit de cijfers van de Wereldbank blijkt dat Nederland in het primair onderwijs met nog geen 12
    een vrij laag aantal leerlingen per leerkracht kent, vergelijkbaar met België, Zweden en Duits-
    land. Finland scoort met 13 iets hoger, daarna volgt Groot-Brittannië met 15 en Frankrijk scoort
    met gemiddeld 18 leerlingen ver boven de rest. Voor Nederland is deze ratio de afgelopen jaren
    redelijk constant gebleven. In het voortgezet onderwijs scoort Nederland met gemiddeld 14,4
    leerlingen per docent ruim boven de meeste referentielanden. Alleen Groot-Brittannië scoort
    met ruim 19 leerlingen veel hoger. De overige landen zitten tussen 12 en 13 leerlingen gemid-
    deld per docent. Het gemiddelde van Nederland in het hoger onderwijs is redelijk constant
    rond 13 studenten per docent. Dat gemiddelde is veel lager dan in de referentielanden Groot-
    Brittannië (15,8), België (16,7), Finland (19,9) en Frankrijk (21,3).
    Cijfers van het ministerie van OCW laten voor Nederland een iets anders beeld zien. Daarbij
    is gekeken naar het aantal leerlingen/studenten per fulltime leraar/docent. De gemiddeldes
    voor het primair en het voortgezet onderwijs komen iets hoger uit. In 2017 betrof het in het
    ­primair onderwijs 16,5 leerlingen per fulltime leerkracht. Tussen 2000 en 2009 is dit gemiddelde
     behoorlijk gedaald (van 18,6 naar 15,7), waarna het tot 2012 licht steeg. De laatste jaren is dit
     gemiddelde vrij constant rond 16,7. Ook in het voortgezet onderwijs is het gemiddelde de laat-
     ste jaren stabiel, met 15,6 leerlingen per fulltime leraar. Het aantal studenten per fulltime leer-
     kracht is het hoogst in het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het
     wetenschappelijk onderwijs. In het middelbaar beroepsonderwijs steeg het aantal studenten
     per docent tussen 2000 en 2013 fors: van 19 naar 23. Daarna daalde het weer naar 20,2 in 2017.
     In het hoger beroepsonderwijs daalde de ratio tussen 2005 en 2017 behoorlijk: van 25,7 naar
     19,9. In het wetenschappelijk onderwijs ligt het aantal studenten per fulltime wetenschappelijk
     docent de laatste vijf jaar constant rond de 19,3.330
     328 Uitval in de hbo-master is minder dan 1 procent.
     329 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
     330 https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/onderwijs-algemeen/personeel/leerling-leraar-ratio.
     132                                                                                                Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>         Unesco Institute for Statistics: Pupil-teacher ratio in education (head-
         count basis). Aantal leerlingen gedeeld door het aantal leerkrachten.
Figuur 15              Aantal leerlingen per leerkracht						
           Primair onderwijs                                                              Voortgezet onderwijs
           (alle leerlingen / alle leerkrachten)                                          (alle leerlingen / alle leerkrachten)
   20                                                                              20
   18                                                                              18
   16                                                                              16
                                                                                                                                                       14,4
   14                                                                              14
   12                                                                       11,7   12
   10                                                                              10
     8                                                                              8
          ‘07    ’08     ‘09   ‘10   ’11   ‘12   ’13    ‘14     ’15   ‘16                 ‘07   ’08   ‘09   ‘10   ’11    ‘12   ’13   ‘14   ’15   ‘16
                       Nederland                       België                            Duitsland                      Frankrijk
         FiguurGroot-Brittannië
                16          Aantal lesuren
                                     Zweden in het funderend
                                                       Finland onderwijs
         Unesco Institute for Statistics: Pupil-teacher ratio in education (headcount basis). Aantal leerlingen gedeeld door het aantal
Unesco Institute for Statistics: Pupil-teacher ratio in education (headcount basis). Aantal leerlingen gedeeld door het aantal
       OESO: Education at a Glance, Teachers' teaching and working time,
       leerkrachten.
leerkrachten.
         Statutory net teaching time per school year, in hours
Figuur 16              Aantal lesuren in het funderend onderwijs					
           Primair onderwijs                                                              Voortgezet onderwijs (bovenbouw)
           (Primary education)(ISCED 1)                                                   (Upper secondary general education)(ISCED 3)
   950                                                                             950
                                                                            930
   850                                                                             850
   750                                                                             750                                                                 750
   650                                                                             650
   550                                                                             550
   450                                                                             450
           ’08   ‘09     ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14     ’15    ‘16   ’17                 ’08   ‘09   ‘10   ’11   ‘12    ’13   ‘14   ’15   ‘16   ’17
                       Nederland                       België                            Duitsland                      Frankrijk
                       Groot-Brittannië                Zweden                            Finland
OESO: Education  at a Glance,
       OESO: Education         Teachers’
                       at a Glance,       teaching
                                    Teachers' teachingand
                                                       andworking
                                                          working time,   Statutory
                                                                   time,Statutory netnet teaching
                                                                                     teaching      time
                                                                                              time per   per school
                                                                                                       school          year, in hours.
                                                                                                              year, in hours
                       Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                               133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>Aantal lesuren
Nederland kent in het primair onderwijs de meeste lesuren van alle referentielanden (zie figuur
16). In 2017 was dit 930 uur. Het aantal lesuren is voor de meeste landen al jaren stabiel. Alleen in
Engeland steeg het aantal lesuren de afgelopen jaren flink. In 2015 kwam Engeland zelfs boven
Nederland uit met 942 uur. Ook in het voortgezet onderwijs is het aantal van 750 lesuren per
jaar hoog in vergelijking met andere landen.331
Salaris van leraren
De Wereldbank heeft de jaarsalarissen van leraren in het primair en het voortgezet onderwijs
in een groot aantal landen in kaart gebracht. Het betreft contractuele salarissen voor voltijd-
werkers, gecorrigeerd voor verschillen in koopkracht. Gekeken is naar het startsalaris en het
salaris na vijftien jaar. Vergeleken met de referentielanden332 zijn de salarissen in het primair en
voortgezet onderwijs in Nederland hoog (zie figuur 17). Alleen in Duitsland zijn de contractuele
salarissen hoger. De startsalarissen zijn in Nederland de laatste jaren nauwelijks veranderd, ter-
wijl die in de referentielanden gestegen zijn. Het salaris bij vijftien jaar ervaring is in Nederland
wel gestegen. Het verschil in startsalaris tussen het primair en het voortgezet onderwijs is met
7 procent in Nederland lager dan in de referentielanden. Daar staat tegenover dat het verschil
in salaris na vijftien jaar tussen het primair en het voortgezet onderwijs in Nederland met 26
procent juist hoger is dan in de referentielanden.
Voor de aantrekkelijkheid van het beroep van leraar zijn ook de salarissen van hoger opgelei-
den in andere beroepen relevant. OESO-cijfers laten zien dat onderwijsgevenden wat inko-
men betreft in Nederland in vergelijking met hoogopgeleiden minder verdienen dan in ande-
re landen. Leraren in het primair onderwijs verdienden in 2014 gemiddeld 73 procent van het
gemiddeld salaris van een voltijdwerker met een ho-diploma. Voor leraren in het voortgezet
onderwijs was dit 92 procent. Beide percentages zijn lager dan in de referentielanden. Ook is
het verschil tussen het primair en het voortgezet onderwijs op dit vlak in Nederland veel groter
dan in de referentielanden.333
331  Het verschil met Duitsland (7.149) komt doordat we kijken naar de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (ISCED 3, upper secondary
     education). Voor Duitsland is het aantal lesuren voor de ISCED 2-opleidingen gelijk aan die van Nederland: 747 uur. Ook voor Vlaan-
     deren en Finland geldt dat het verschil met Nederland kleiner is als we kijken naar ISCED 2: 533 uur voor Vlaanderen en 589 uur voor
     Finland.
332  Voor België en Groot-Brittannië zijn geen vergelijkbare cijfers voorhanden.
333  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2016a, tabel D3.2a Actual salaries of teachers and school heads relative to
     earnings of tertiary-educated workers (2016). Voor voortgezet onderwijs wordt gekeken naar Lower secondary, general programmes.
134                                                                                                      Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>                                                                                  Figuur 17                   Jaarsalaris van leerkrachten
Figuur 17           Jaarsalaris van leerkrachten						
            PRIMAIR ONDERWIJS: Startsalaris                                           Salaris bij 15 jaar ervaring
            (Primary)(PPP$)                                                           (Primary)(PPP$)
  80000                                                                       80000
  70000                                                                       70000
  60000                                                                       60000
  50000                                                                       50000                                                          55141
  40000                                                               36642   40000
  30000                                                                       30000
  20000                                                                       20000
            ‘06   ‘07     ’08   ‘09   ‘10    ’11   ‘12    ’13   ‘14    ’15            ‘06   ‘07   ’08   ‘09    ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14    ’15
            ONDERBOUW VO: Startsalaris                                                Salaris bij 15 jaar ervaring
            (Lower secondary)(PPP$)                                                   (Lower secondary)(PPP$)
  80000                                                                       80000
  70000                                                                       70000
                                                                                                                                             69268
  60000                                                                       60000
  50000                                                                       50000
                                                                      39205
  40000                                                                       40000
  30000                                                                       30000
  20000                                                                       20000
            ‘06   ‘07     ’08   ‘09   ‘10    ’11   ‘12    ’13   ‘14    ’15            ‘06   ‘07   ’08   ‘09    ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14    ’15
            BOVENBOUW VO: Startsalaris                                                Salaris bij 15 jaar ervaring
            (Upper secondary)(PPP$)                                                   (Upper secondary)(PPP$)
  80000                                                                       80000
  70000                                                                       70000
                                                                                                                                             69268
  60000                                                                       60000
  50000                                                                       50000
                                                                      39205
  40000                                                                       40000
  30000                                                                       30000
  20000                                                                       20000
            ‘06   ‘07     ’08   ‘09   ‘10    ’11   ‘12    ’13   ‘14    ’15            ‘06   ‘07   ’08   ‘09    ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14    ’15
                        Nederland                        België                       Duitsland                      Frankrijk
                        Groot - Brittannië               Zweden                       Finland
        World
World Bank:     Bank: Education
             Education            Statistics
                           Statistics        - All indicators.
                                       - All indicators.       Annualstatutory
                                                           Annual      statutory teacher
                                                                                 teacher salaries
                                                                                          salariesin in
                                                                                                     public institutions
                                                                                                        public           in USD.
                                                                                                                institutions  in USD. Jaarsalarissen
        Jaarsalarissen volgens officële loonschalen, gecorrigeerd voor prijsverschillen tussen landen (PPP$):
volgens officële loonschalen, gecorrigeerd voor prijsverschillen tussen landen (PPP$): (links) startsalaris (rechts) salaris
        (links) startsalaris (rechts) salaris voor iemand met 15 jaar ervaring.
voor iemand met 15 jaar ervaring.
                    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                             135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>136 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>    Er valt veel te kiezen in het Nederlandse onderwijs. Het aantal
    onderwijsinstellingen is in alle sectoren de laatste jaren stabiel. Wel
    bestaan in het primair en voortgezet onderwijs grote regionale
    verschillen in het aanbod. In het vervolgonderwijs daalt het aantal
    opleidingen dat instellingen aanbieden.
5   Pluriformiteit en keuzevrijheid
    Pluriformiteit in het onderwijsaanbod zorgt ervoor dat ouders en leerlingen iets te kiezen heb-
    ben. Het stelt hen in staat onderwijs te kiezen dat het best past bij hun eigen overtuigingen
    en opvattingen. In hoeverre hebben ouders en leerlingen daadwerkelijk de mogelijkheid om
    te kiezen tussen scholen en om een school of opleiding te kiezen die hen aanspreekt? De raad
    kijkt hierbij naar de ontwikkeling van de denominatie van scholen (paragraaf 5.1), de dichtheid
    en de bereikbaarheid van scholen (paragraaf 5.2) en naar het aanbod van opleidingen in het
    vervolgonderwijs (paragraaf 5.3). Pluriformiteit en keuzevrijheid zijn bij uitstek een kenmerk
    van het Nederlandse onderwijs; daarom worden Nederlandse cijfers gepresenteerd.
    Het aantal scholen in het funderend onderwijs is de afgelopen jaren landelijk gezien stabiel.
    Regionaal zijn er grote verschillen in de nabijheid van scholen en in de verhouding tussen scho-
    len van verschillende denominatie. In het vervolgonderwijs (middelbaar beroepsonderwijs en
    hoger onderwijs) is het aantal onderwijsinstellingen stabiel. Het aantal opleidingen dat zij aan-
    bieden is de laatste jaren gedaald.
5.1  Onderwijsaanbod naar denominatie in het funderend onderwijs
    Het aantal scholen voor voortgezet onderwijs is de laatste jaren redelijk stabiel. In het primair
    onderwijs is het aantal scholen de laatste jaren gedaald. Over het algemeen geldt dat de verde-
    ling van scholen naar denominatie de laatste jaren stabiel is gebleven. De relatief kleine rich-
    tingen in het bijzonder onderwijs (‘overig bijzonder’) zijn in het voortgezet onderwijs een iets
    groter deel van het scholenbestand gaan uitmaken (zie figuur 18). Dit betreft met name een toe-
    nemende samenwerking tussen protestants-christelijke scholen en rooms-katholieke scholen.
    Wel zijn er grote regionale verschillen in de verhouding tussen scholen met verschillende deno-
    minaties.334 In Limburg (77 procent) en Noord-Brabant (64 procent) is meer dan de helft van de
    basisscholen rooms-katholiek en is minder dan één op de vijf basisscholen openbaar (respec-
    tievelijk 14 en 18 procent, ten opzichte van een landelijk aandeel van 32 procent). In Gronin-
    gen en Drenthe is de helft van de basisscholen openbaar en een derde protestants-christelijk.
    ­Vergelijkbare verhoudingen zien we ook bij het voortgezet onderwijs.
    334 Eigen berekeningen op basis van bbo-rom bestanden van DUO met peildatum 1 oktober 2017. Het betreft de adressen van alle vesti-
        gingen voor voortgezet onderwijs zoals opgenomen in het bestand VNAWA17.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                          137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Figuur 18           Aandeel (en aantal) scholen naar denominatie
            Primair onderwijs                                                              Voortgezet onderwijs
            (verdeling van scholen)(aantallen als labels)                                  (verdeling van scholen)(aantallen als labels)
      100% 656     666     662    662    658     666           650           651
                                                                                    100%
                                                        675           651    651
                                                                                            179   177    179   181    182   181   185    184   184    188
      80%                                                                           80%
            2251   2248    2235   2221   2206    2173   2147   2100   2079   2054
      60%                                                                           60%     154   154    154   154    154   155   153    151   146    145
            2214   2203    2184   2172   2143    2113   2073   2031   2003   1978
      40%                                                                           40%     140   139    140   139    136   135          132   132    133
                                                                                                                                  133
      20%                                                                           20%
            2425   2416    2403   2380   2354    2310   2262   2205   2161   2124           187   187    186   185    186   187   184    184   186    186
       0%                                                                            0%
            ’08    ‘09     ‘10    ’11    ‘12     ’13    ‘14    ’15    ‘16    ’17            ’08   ‘09    ‘10   ’11    ‘12   ’13   ‘14    ’15   ‘16    ’17
             Openbare scholen                  Protestants-christelijke scholen       Rooms-katholieke scholen              Overig bijzondere scholen
CBS Statline tabel Onderwijsinstellingen; grootte, soort, levensbeschouwelijke grondslag.
5.2                 Bereikbaarheid van scholen in het funderend onderwijs
                    Een andere indicator voor keuzevrijheid is het aantal scholen waaruit ouders of leerlingen kunnen
                    kiezen. Over heel Nederland is het aantal scholen voor primair onderwijs binnen een straal van
                    vijf kilometer de afgelopen jaren iets gedaald, terwijl dit aantal voor het voortgezet onderwijs iets
                    is gestegen. Voor het primair onderwijs is de reisafstand dan ook iets toegenomen (zie figuur 19).
                    Deze getallen zeggen echter weinig zonder gegevens over regionale spreiding. Bij nadere
                    beschouwing van deze gegevens op gemeenteniveau blijkt dat de keuzemogelijkheden in
                    het voortgezet onderwijs in Zeeland en het noordoosten van het land (Groningen, Friesland,
                    ­Drenthe) aanzienlijk kleiner zijn dan in de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht.
                     Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor het basisonderwijs (zie figuur 20).
                    Ook het aanbod op scholen voor voortgezet onderwijs verschilt sterk tussen gemeenten. Heeft
                    een school een breed aanbod aan onderwijssoorten? Wordt in het eerste jaar de mogelijkheid
                    geboden om een combinatie van onderwijssoorten te volgen in een brugklas? Figuur 21 laat zien
                    dat gemeenten sterk verschillen in het percentage scholen waarvoor dit geldt. Dat betekent dat
                    de keuzemogelijkheden voor leerlingen en hun ouders samenhangen met waar ze wonen.
                    Landelijk gezien wordt op 6 procent van de locaties voor voortgezet onderwijs in alle onder-
                    wijssoorten onderwijs geboden aan leerlingen in leerjaar 4 (vmbo b, vmbo k, vmbo g/t, havo én
                    vwo; zie figuur 25). Er zijn grote verschillen tussen gemeenten in dit aandeel brede locaties. Er
                    zijn veel gemeenten waar geen enkele locatie voor voortgezet onderwijs breed is. Wat betreft
                    brugklassen in het eerste leerjaar laat figuur 26 zien dat landelijk 55 procent van de leerlingen
                    in leerjaar 1 in een klas zit met een combinatie van onderwijssoorten. In de meeste gemeenten
                    is die mogelijkheid er. In een klein aantal gemeenten, veelal met maar één locatie voor voort-
                    gezet onderwijs, is die mogelijkheid er niet.335
                    335    Voor de meeste gemeenten met waarden van 0 of 100 procent geldt dat er maar één of twee locaties voor voortgezet onderwijs in de
                           gemeente liggen. Daarnaast laat de figuur ook zien dat er veel gemeenten zijn waar geen enkele locatie voor voortgezet onderwijs is.
                    138                                                                                                     Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>Figuur 19          Nabijheid van scholen						
        Dichtsbijzijnde school (in km)                                               Aantal scholen binnen 5km
        (gemiddelde afstand, gemeten over de weg)                                    (gemeten over de weg)
                                                                                                                                               24,3
                                                                    3,2       24
   3
                                                                              20
                                                                    2,6
                                                                    2,5
                                                                              16
   2
                                                                              12
   1                                                                            8
                                                                                                                                               7,2
                                                                    0,7                                                                        4,9
                                                                                4
                                                                                                                                               3,9
   0                                                                            0
                                                                                     ‘07   ’08   ‘09   ‘10   ’11   ‘12     ’13   ‘14   ’15   ‘16
                    basisonderwijs                    voortgezet onderwijs                   vo - vmbo                   vo - havo/vwo
       CBS Statline tabel Nabijheid voorzieningen; afstand locatie, regionale cijfers. Het betreft gemiddelde afstanden (berekend over
       de weg) voor de inwoners van Nederland van hun woonadres naar de dichtstbijzijnde voorzieningen.
CBS Statline tabel Nabijheid voorzieningen; afstand locatie, regionale cijfers. Het betreft gemiddelde afstanden (berekend
over de weg) voor de inwoners van Nederland van hun woonadres naar de dichtstbijzijnde voorzieningen.
5.3                Aanbod van opleidingen in het vervolgonderwijs
                   Leerlingen hebben na het voortgezet onderwijs een ruime keus aan instellingen en opleidin-
                   gen in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Wel is het aantal opleidingen
                   zowel in het middelbaar beroepsonderwijs als in het hoger onderwijs de laatste jaren gedaald.
                   Het aantal instellingen voor middelbaar en voor hoger beroepsonderwijs is al jaren stabiel (66
                   voor middelbaar en 37 voor hoger beroepsonderwijs). In het wetenschappelijk onderwijs zien
                   we een lichte stijging van 13 in 2010 naar 21 in 2017, deels omdat vanaf 2014 ook de aangewezen
                   instellingen (onder andere theologische universiteiten) in de tabel van CBS worden meegeteld.
                   Het aantal mbo-besturen is de laatste jaren stabiel (65 in 2016).336 Het totaal aantal opleidin-
                   gen dat deze instellingen aanbieden (4.135 in 2016) schommelt per jaar en lijkt de afgelopen
                   jaren iets afgenomen. Ook is het gemiddeld aantal opleidingen per instelling de laatste jaren
                   gedaald, van bijna 100 opleidingen per instelling in 2010 naar gemiddeld 91 opleidingen in 2016.
                   Het aantal instellingen voor hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs is de laat-
                   ste jaren stabiel. Wel is over de laatste tien jaar een afname te zien in het aantal bekostigde
                   hbo-bacheloropleidingen van 2.000 naar 1.550. Ook in het wetenschappelijk onderwijs is een
                   afname te zien, zowel bij bachelor- als masteropleidingen. Het aantal bekostigde hbo-master-
                   opleidingen is de afgelopen jaren gestegen naar ongeveer 200 in 2017-2018.337
                   336 Inspectie van het Onderwijs, 2018e: technisch rapport mbo.
                   337   Inspectie van het Onderwijs, 2018e: technisch rapport ho.
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                               139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>Figuur 20         Dichtsbijzijnde school, per gemeente (in km, gemeten over de weg)			
                  Aantal basisscholen binnen 3km
      1-2 scholen
      2-5 scholen
      5-10 scholen
      10-36 scholen
                                                                                      Aantal vo-scholen binnen 10km
                                                                         0-2 scholen
                                                                         2-5 scholen
                                                                         5-10 scholen
                                                                         10-61 scholen
CBS Statline tabel Nabijheid voorzieningen; afstand locatie, regionale cijfers. Cijfers voor 2016, als ook de gemeentelijke
indeling van 2016. Het betreft gemiddelde afstanden (berekend over de weg) voor de inwoners van een specifieke
gemeente van hun woonadres naar de dichtstbijzijnde school.
                  140                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>Figuur 21         Scholen met een breed aanbod van onderwijssoorten en (brede) brugklassen, per gemeente
                  Percentage vo-locaties met
                  breed onderwijsaanbod
       0%
       1-49%
       50%
       51-99%
       100%
       gemeente
       zonder
       vo-locatie
                                                                                   Percentage vo-locaties met
                                                                                   (brede) brugklassen
                                                                                0%
                                                                                1-49%
                                                                                50%
                                                                                51-99%
                                                                                100%
                                                                                gemeente
                                                                                zonder
                                                                                vo-locatie
Eigen berekeningen op basis van bbo-rom bestanden van DUO met peildatum 1 oktober 2017. Het betreft de adressen
van alle vestigingen voor voortgezet onderwijs (VO) zoals opgenomen in het bestand VNAWA17 en de aangeboden
onderwijssoorten op die vestigingen zoals opgenomen in VOATV17. Locaties voor praktijkonderwijs zijn buiten
beschouwing gelaten. (links) Het percentage vo-locaties (per gemeente) waar (in leerjaar 4) alle onderwijssoorten worden
aangeboden (vmbo-b, vmbo-k, vmbo-g/t, havo én vwo). (rechts) Het percentage vo-locaties (per gemeente) waar het
eerste leerjaar (geheel of gedeeltelijk) georganiseerd is in brugklassen met een combinatie van onderwijssoorten
(vmbo-b/k, vmbo ongedeeld, vmbo-havo(-vwo), vmbo-g/t-havo(-vwo), havo-vwo).
                  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>142 Onderwijsraad, februari 2019</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>  Leerlingen en leerkrachten zijn positief over de sfeer op school.
  In Nederland wordt weinig aandacht besteed aan burgerschap.
  Ook zitten Nederlandse leerlingen veelal in homogene klassen. De
  onderwijssoorten in het voortgezet onderwijs zijn vaak gescheiden en
  dat resulteert in segmentering naar sociaaleconomische achtergrond.
6 Sociale cohesie: sociale samenhang,
  inclusie en democratie
  Sociale cohesie wordt afgemeten aan de mate waarin groepen jongeren met elkaar (kunnen)
  samenleven en zich maatschappelijk betrokken voelen. Het onderwijs bereidt jongeren voor
  op functioneren in de samenleving. Ze leren – vanuit eigen idealen, waarden en normen – deel
  uit te maken van en bij te dragen aan een pluriforme, democratische samenleving.
  De raad kijkt hier naar hoe veilig leerlingen zich voelen op school (paragraaf 6.1), in hoeverre de
  school wordt gebruikt als oefenplaats voor het functioneren in een pluriforme en democrati-
  sche samenleving (paragraaf 6.2) en in hoeverre leerlingen samen naar school gaan (integratie
  naar onderwijsprestaties, sociaaleconomische status en etnische achtergrond) (paragraaf 6.3
  en paragraaf 6.4). Het is niet mogelijk om directe verbanden te leggen tussen wat er in de klas
  wordt gedaan (bijvoorbeeld lessen in burgerschap) en het gedrag van leerlingen buiten de
  school of na de schoolperiode (bijvoorbeeld stemmen of vrijwilligerswerk).
  Uit de verzamelde cijfers blijkt dat het grootste deel van zowel leerlingen als personeelsleden
  in het primair en voortgezet onderwijs zich op school veilig voelt. Vergeleken met 2014 geven
  leerlingen in 2018 minder vaak aan dat ze gepest worden. Ook internationaal scoort Nederland
  hoog op welbevinden en laag op pesten. Nog niet alle scholen voeren actief beleid omtrent
  veiligheid.
  Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs besteden minder aandacht aan burgerschap
  dan die in andere landen. Ook geven Nederlandse leerlingen minder dan leerlingen uit andere
  landen aan deel te nemen aan burgerschapsactiviteiten in hun lokale gemeenschap.
  Het opleidingsniveau van ouders en het huishoudinkomen zijn belangrijke scheidslijnen voor
  de verdeling van leerlingen over basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. Deze
  sociale segmentering lijkt toe te nemen. Vergeleken met andere landen zitten leerlingen in
  het Nederlandse voortgezet onderwijs in relatief homogene scholen als het gaat om prestatie­
  niveau. Deels komt dit doordat scholen niet dezelfde onderwijssoorten aanbieden. Het aan-
  deel van brede scholengemeenschappen is de laatste jaren redelijk constant. De helft van
  de scholen voor voortgezet onderwijs biedt zowel beroepsonderwijs als algemeen vormend
  onderwijs aan. Op vestigingsniveau is het aandeel echter lager. Verder is het aantal brede brug-
  klassen gedaald, zowel in het eerste als het tweede leerjaar.
  Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                             143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>6.1                   De school als (veilige) sociale omgeving
                      Het grootste deel van zowel leerlingen als personeelsleden in het primair onderwijs (inclusief
                      speciaal onderwijs) voelt zich veilig op school. Dit is een stabiel beeld voor beide groepen. Bij
                      leerlingen ligt dit percentage over de periode 2010-2016 tussen de 94 en 97 procent; bij perso-
                      neelsleden tussen de 94 en 96 procent. Leerlingen geven in 2016 minder vaak aan gepest te
                      worden dan in 2014 (11 versus 14 procent). Deze trend is gestabiliseerd in 2018, waar nog 10 pro-
                      cent van de basisschoolleerlingen aangeeft gepest te worden.338 Ten opzichte van 2014 geven
                      in 2016 meer leidinggevenden aan dat er op hun school actief beleid wordt gemaakt op maat-
                      regelen op het gebied van veiligheid (60 versus 65 procent).339
                     Ook in het voortgezet (speciaal) onderwijs voelt het grootste deel van zowel de leerlingen als
                     de personeelsleden zich veilig op school. Het percentage leerlingen dat zich veilig voelt op
                     school is door de jaren heen (2006-2016) stabiel tussen de 93 en 95 procent. Bij personeelsleden
                     is, na een daling ten opzichte van eerdere jaren in 2014, sprake van een stabilisering van de situ-
                     atie in 2014 en 2016. Leerlingen geven in 2016 minder vaak aan gepest te worden dan in 2014 (8
            Figuur 22
                     versus 11Schoolwaardering
                                procent). Tweeinderde  (67 procent) van de leidinggevenden geeft in 2016 aan dat de
                                                 primair en voortgezet onderwijs
                     locatie actief beleid voert ten aanzien van veiligheid. Over de jaren nemen scholen steeds vaker
                     maatregelen op het gebied van veiligheid, van 61 in 2006 naar 69 procent in 2014.340
Figuur 22             Schoolwaardering in het funderend onderwijs			
              Ik vind school heel leuk                                                  Mijn klasgenoten zijn vriendelijk
              (like school a lot)                                                       (most students are kind and helpful)
      45                                                                          90
      40                                                                          85                                                                 86
                                                                          37
      35                                                                          80
      30                                                                          75
      25                                                                          70
      20                                                                          65
      15                                                                          60
      10                                                                          55
        5                                                                         50
        0                                                                         45
              ‘06    ‘07     ’08    ‘09   ‘10   ’11    ‘12    ’13   ‘14                   ‘06   ‘07    ’08    ‘09    ‘10     ’11   ‘12   ’13   ‘14
                     Nederland                        België                           Duitsland                      Frankrijk
                     Groot - Brittannië               Zweden                           Finland
World Health Organization: Health Behaviour in School-aged Children (HSBC). Data is afkomstig uit de 2005/2006, 2009/2010
en 2013/2014 rondes en betreffen gemiddeldes van 11-, 13, en 15-jarigen. Gemiddelde van Vlaanderen en Wallonië voor
België, en gemiddelde van Engeland, Wales en Schotland voor Groot-Brittannië.
														
 Ik vind school heel leuk Mijn klasgenoten zijn vriendelijk
            (like school a lot)                                                        (most students are kind and helpful)
   45                                                                            90
   40                                                                          85
                      338 https://www.onderwijsincijfers.nl/themas/pesten-op-school.                                                                 86
                      339 Scholte, Nelen, De Wit & Kroes, 2016.        37
   35                                                                            80
                      340 Scholte, Nelen, De Wit & Kroes, 2016; https://www.onderwijsincijfers.nl/themas/pesten-op-school.
   30                                                                            75
   25                                                                            70
                      144                                                                                                   Onderwijsraad, februari 2019
   20                                                                            65
   15                                                                            60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    Internationaal gezien rapporteren Nederlandse leerlingen in het funderende onderwijs in 2016
    minder verbaal en fysiek geweld dan leerlingen in andere landen.341 Pesten wordt hier gedefi-
    nieerd als herhaaldelijk agressief gedrag dat bedoeld is iemand lichamelijk, emotioneel, ver-
    baal of via internet pijn te doen. Leerlingen hebben aangegeven hoe vaak ze in de afgelopen
    drie maanden één van de volgende vormen van geweld hebben meegemaakt: aangesproken
    met beledigende bijnaam; belachelijk gemaakt; met geweld bedreigd; lichamelijk aangevallen;
    kapotmaken van eigendom; beledigd op internet (beeld of tekst).342 Ook wat betreft cyber­
    pesten rapporteren Nederlandse leerlingen in 2016 minder vaak dan in andere landen gepest
    te worden via social media, e-mail en sms- en whatsapp-berichten.343
    Figuur 22 laat zien dat de schoolwaardering van Nederlandse scholieren in het voortgezet
    onderwijs hoog is. In 2014 gaf 37 procent van de leerlingen aan het (heel) leuk op school te
    vinden. Dit percentage is iets lager dan in eerdere jaren. Nederland scoort hoger dan alle refe-
    rentielanden. De sfeer in de klas is sinds 2010 verbeterd en is nu ook het best van alle referen-
    tielanden. In 2014 gaf 86 procent van de leerlingen aan dat de meeste klasgenoten vriendelijk
    en behulpzaam zijn.344
6.2 School als oefenplaats: werken aan waarden als tolerantie en inclusie
    In opdracht van het Europees Parlement is een onderzoek uitgevoerd om zicht te krijgen op
    het beleid en de implementatie daarvan in middelbare scholen ten aanzien van democratie en
    tolerantie (TCV, Teaching Common Values).345 Nederland scoort in vergelijking met de andere
    lidstaten net iets boven het gemiddelde op respectvolle interpersoonlijke relaties, onderge-
    middeld op tolerantie tegenover andere culturele groepen en laag op het opbouwen van een
    inclusieve samenleving. Hierbij gaat het over het verminderen van uitsluiting, ongelijkheid,
    ­discriminatie en sociale onrechtvaardigheid.
     Naast de thema’s democratie en tolerantie is onderzocht hoe het onderwijsbeleid rekening
     houdt met de nationale en internationale dimensies van TCV. De nationale dimensie verwijst
     naar aandacht in het onderwijs (inclusief kennis en attitudes) voor het eigen land en de eigen
     cultuur, taal (talen) en geschiedenis. De internationale dimensie betreft het onderwijs over
     andere landen en internationale instellingen – zoals de Europese Unie – en de relatie tussen
     de internationale dimensie en het eigen land. Nederland scoort gemiddeld op de nationale
     ­oriëntatie en laag op de internationale oriëntatie.
      In Nederland houdt de Inspectie toezicht op de burgerschapsopdracht van scholen in het
      ­primair onderwijs. Kinderen moeten in hun onderwijsloopbaan ook sociale vaardigheden aan-
       leren. Het aandeel basisscholen dat aan de inspectienorm voor sociale competenties voldoet
       is de laatste jaren gestaag gestegen. In het schooljaar 2014-2015 betreft het 70 procent van alle
       basisscholen, in 2011-2012 was dit nog 30 procent.346
    341    World Health Organization, 2016 (tabel 4.2.13. p.134). Het betreft 11-, 13- en 15-jarigen.
    342 Scholte, Nelen, De Wit & Kroes, 2016.
    343 World Health Organization, 2016.
       344 Ook wat betreft ervaren werkdruk op school scoort Nederland internationaal gezien goed. Hoewel het percentage leerlingen dat aan-
           geeft werkdruk te ervaren is gestegen tussen 2010 en 2014 (van 17 naar 22 procent), scoort Nederland hierop lager dan alle referentie-
           landen (2014: Frankrijk 24, Duitsland 28, Zweden 29, België 31, Groot-Brittannië 41, Finland 45 procent).
       345 Veugelers, De Groot & Stolk, 2017.
       346 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                     145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>                     Het ICCS-onderzoek van de IEA (International Association for the Evaluation of Educational
                     Achievement) meet naast de kennis van leerlingen over politiek en maatschappij (zie para-
                     graaf 2.3) ook het beeld dat vijftienjarige leerlingen hebben over het burgerschapsaanbod op
                     hun school.347 Het gaat daarbij om hoe verkiezingen werken, hoe wetten worden ingevoerd en
                     gewijzigd, hoe burgerrechten beschermd worden, en hoe bijgedragen kan worden aan het
                     oplossen van problemen in de lokale gemeenschap. Nederlandse leerlingen geven minder
                     dan leerlingen in andere landen aan over deze aspecten van burgerschap te leren. Ook scoort
                     Nederland lager dan gemiddeld als het gaat om deelname van leerlingen aan burgerschaps-
                     activiteiten in hun lokale gemeenschap. Het gaat hierbij om deelname aan milieuacties, acties
                     ten behoeve van kansarme personen of groepen, multi- en interculturele activiteiten en cam-
                     pagnes om het bewustzijn over sociale kwesties te vergroten.
6.3                  Integratie naar sociaaleconomische en migratieachtergrond
                     Binnen het Nederlandse onderwijs is de segmentering tussen scholen relatief hoog.348 Leerlin-
                     genpopulaties verschillen tussen scholen. Ouders, leerlingen en studenten hebben vaak een
                     voorkeur voor scholen waar de leerlingen of studenten een vergelijkbare achtergrond hebben.
                     In het funderend onderwijs onderwijs gaat het daarbij vooral om segmentering naar opleiding-
               Figuur 26          Segregatie in het voortgezet onderwijs naar opleidingsniveau van ouders
                     sniveau van ouders. Figuur 23 laat dat zien voor het voortgezet onderwijs. In het beroepsonder-
                     wijs (vmbo b en vmbo k) hebben de ouders van ongeveer de helft van de leerlingen maximaal
                     een mbo 2-diploma. In het vwo is dit voor minder dan één op de tien leerlingen het geval en
                     geldt voor bijna driekwart van de leerlingen dat hun ouders een hbo- of wo-diploma hebben.
                                                                                                                       - of wo diploma)
Figuur 23            Segmentering in het voortgezet onderwijs naar opleidingsniveau van ouders
         % leerlingen met laagopgeleide ouders                                      % leerlingen met hoogopgeleide ouders
         (leerjaar 3)(ouders met max.mbo 2 diploma)                                 (leerjaar 3)(ouders met hbo- of wo-diploma)
   80                                                                         80
                                                                                                                                                    74
                                                                        63
   60                                                                         60
                                                                                                                                                    56
                                                                        53
   40                                                                   38    40
                                                                                                                                                    37
                                                                        25
                                                                                                                                                    22
   20                                                                         20
                                                                        14                                                                          12
                                                                                                                                                    9
                                                                        7
    0                                                                          0
         ‘07   ’08    ‘09   ‘10    ’11   ‘12    ’13   ‘14   ’15   ‘16                ‘07   ’08   ‘09     ‘10   ’11   ‘12    ’13   ‘14   ’15   ‘16
                     pro              vmbo-b                vmbo-k              vmbo-gt                 havo               vwo
Inspectie van het
      Inspectie vanOnderwijs    (2018).
                    het Onderwijs (2018).Staat
                                            Staatvan
                                                  vanhet
                                                     het Onderwijs    2018(2016/2017)
                                                         Onderwijs 2018    (2016/2017)   (Figuur
                                                                                      (Figuur  9.b 9.b  uitTechnisch
                                                                                                   uit het   het Technisch   rapportage
                                                                                                                      rapportage
      onderwijskansen
onderwijskansen         en segregatie).
                   en segregatie).   PerPerschoolsoort
                                             schoolsoort betreft
                                                          betrefthethet
                                                                    percentages van hetvan
                                                                        percentages     totaal
                                                                                            hetaantal
                                                                                                 totaalleerlingen
                                                                                                          aantal in leerjaar 3 van
                                                                                                                  leerlingen       wie het 3 van
                                                                                                                               in leerjaar
      opleidingsniveau van ouders bekend is.
wie het opleidingsniveau van ouders bekend is.
                     347 Munniksma, Dijkstra, Van der Veen, Ledoux, Van de Werfhorst & Ten Dam, 2017.
                     348 Ladd, Fiske & Ruijs, 2011.
                     146                                                                                                  Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>    Ook naar inkomen en etnische achtergrond vindt segmentering plaats. Zowel in het primair
    als het voortgezet onderwijs neemt de segmentering naar opleidingsniveau en inkomen in
    grote delen van het land toe. Er zijn echter wel grote verschillen tussen gemeenten en scho-
    len. Etnische segmentering neemt af, hoewel leerlingen met een niet-westerse migratieach-
    tergrond nog altijd vaak naar een school met andere leerlingen met een migratieachtergrond
    gaan. Verschillen in de samenstelling van de leerlingenpopulatie vertalen zich ook in verschil-
    len in schoolprestaties, zoals eindexamencijfers.349
    Ook in het vervolgonderwijs – middelbaar onderwijs en hoger onderwijs – is sprake van een
    onevenwichtige verdeling van studenten naar opleidingsniveau van ouders en migratie­
    achtergrond. In opledingen op mbo 1- en mbo 2-niveau studeren relatief veel studenten met
    laag­opgeleide ouders of een niet-westerse migratieachtergrond. In het hoger onderwijs is hun
    aandeel relatief klein, al is wel sprake van een stijgende lijn.350 In het hoger onderwijs neemt de
    diversiteit aan nationaliteiten wel toe als gevolg van de instroom van internationale studenten.
    Daarbij gaat het vooral om studenten uit andere Europese landen.
6.4 Integratie naar prestatieniveau
    In het Nederlandse onderwijsstelsel is na het basisonderwijs sprake van een vroege en fijn­
    mazige uitsplitsing van leerlingen naar niveau. Prestaties verschillen tussen scholen. Daarnaast
    komen leerlingen van diverse schoolsoorten elkaar in het voortgezet onderwijs minder vaak
    tegen.
    In Nederland lopen de prestaties van scholen in het voortgezet onderwijs meer uiteen dan in
    andere landen. Voor een groot deel liggen de PISA-scores zo ver uiteen doordat vo-scholen elk
    een ander niveau aanbieden. Maar ook vergeleken met landen met een vergelijkbaar systeem
    (Zwitserland, Duitsland of België) blijken de verschillen in prestaties in Nederland groot. Verder
    worden de prestatieverschillen tussen scholen in Nederland veel meer dan in andere landen
    verklaard door eigenschappen van scholen zoals leerklimaat, kwaliteit van de leraren en de
    aangeboden leerstof.351
    Verschillen tussen scholen in prestaties van leerlingen zijn dus relatief groot, maar de presta-
    tieverschillen binnen scholen zijn juist relatief klein (zie figuur 24). Dit is bijvoorbeeld te zien bij
    burgerschapskennis van middelbare scholieren. Meer dan de helft (55 procent) van de totale
    verschillen in scores van Nederlandse leerlingen komt door verschillen in scores tussen scholen.
    Het gemiddelde van alle ICCS-landen is slechts 23 procent. Kennis over wetenschap onder vijf-
    tienjarigen toont een vergelijkbaar beeld. Een groot deel van deze verschillen tussen scholen
    kan verklaard worden door individuele en sociale achtergrondkenmerken.352 Die kenmerken
    vormen echter geen verklaring voor verschillen binnen scholen. Verder spelen verschillen tus-
    sen schoolsoorten en de ruimte van scholen om hun onderwijs in te vullen mee.353
    349 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
    350 Inspectie van het Onderwijs, 2018b.
    351 Organisation for Economic Co-operation and Development, 2013, 2016a.
    352 Hieronder vallen sociaaleconomische status, de taal die thuis wordt gesproken en een verwachte opleiding op hbo- of universitair
        niveau. Deze factoren hangen samen met de schoolkeuze, en verklaren zo voor een groot deel de verschillen tussen scholen.
    353 Munniksma, Dijkstra, Van der Veen, Ledoux, Van de Werfhorst & Ten Dam, 2017.
    Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                           147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>           Figuur 23                  Variatie in prestaties tussen scholen en binnen scholen
Figuur 24              Variatie in prestaties tussen scholen en binnen scholen				
            Wetenschapskennis (PISA 2015)                                                     Burgerschapskennis (ICCS 2016)
            (als % van totale variantie in OESO-landen)                                       (als % van totale variantie in eigen land)
    100                                                                              100
                 48
     80                    61         61                                              80          45
                                                          86         96                                     60
     60                                                                               60
                                                                               93                                                                 89        94
     40                                                                               40
                 65
                           49         48                                                          55
     20                                                                               20                    40
                                                          24
                                                                     18
                                                                               8                                                                  11        6
       0                                                                                0
            nd        lgië         nd      kr
                                                k
                                                      nn
                                                          ië        en     an
                                                                               d             nd        lgië        nd    kr
                                                                                                                             k
                                                                                                                                    nn
                                                                                                                                        ië        en    an
                                                                                                                                                            d
           rla        Be         la           ij                ed        nl                rla        Be         la        ij                ed       nl
      de                        its        an        ta        Zw         Fi            de                       its    an         ta        Zw        Fi
                             Du         Fr          rit                                                      Du         Fr        rit
    Ne                                          t-B                                   Ne                                     t-B
                                             oo                                                                              oo
                                           Gr                                                                            Gr
                                                                  variantie
                                                                variatie      binnen
                                                                         binnen        scholen
                                                                                 scholen
                                                                variatie tussen
                                                                  variantie     scholen
                                                                              tussen  scholen
    (links) OESO (2016) PISA 2015 Results (Volume I): Excellence and Equity in Education (Figure I.6.13)(geen gegevens voor Frankrijk).
     (rechts)
(links) OESOMukkisma     et al.
               (2016) PISA      (2017)
                             2015      Burgerschap
                                   Results (VolumeinI):hetExcellence
                                                           voortgezetand
                                                                     onderwijs,
                                                                         EquityNederland in vergelijkend
                                                                                in Education             perspectief (Tabel
                                                                                              (Figure I.6.13)(geen          4.3.2.)(geen
                                                                                                                      gegevens      voor gegevens
     voor Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië).
Frankrijk). (rechts) Mukkisma et al. (2017) Burgerschap in het voortgezet onderwijs, Nederland in vergelijkend perspectief
(Tabel 4.3.2.)(geen gegevens voor Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië).
                       Voor een deel zijn deze verschillen te verklaren doordat niet alle scholen dezelfde school­
                       soorten aanbieden. Het aandeel categorale scholen354 in het voortgezet onderwijs is de laatste
                       jaren redelijk constant (zie figuur 25). Het gaat in schooljaar 2017-2018 om bijna 11 procent van
                       alle scholen voor voortgezet onderwijs, die onderwijs geven aan 4 procent van alle leerlingen
                       in het vierde leerjaar. Bij de helft van de scholen voor voortgezet onderwijs355 – en 76 procent
                       van de leerlingen – gaat het om een brede scholengemeenschap met zowel voorbereidend
                       beroepsonderwijs als algemeen vormend onderwijs (mavo, havo en/of vwo).356 Binnen deze
                       scholengemeenschappen is echter vaak sprake van een spreiding van de verschillende school-
                       soorten over meerdere locaties. Als we kijken naar locaties in plaats van scholen357 heeft slechts
                       26 procent van de locaties voor voortgezet onderwijs een breed aanbod met zowel voorberei-
                       dend beroepsonderwijs als algemeen vormend onderwijs, goed voor 33 procent van alle leer-
                       lingen in leerjaar 4. Waar al jaren drie kwart van de leerlingen op een school zit waar alle school-
                       soorten worden aangeboden, zien we dat het aandeel leerlingen dat les krijgt op locaties waar
                       alle schoolsoorten worden aangeboden veel lager is en daarbij ook de laatste jaren licht daalt
                       (van ruim 8 in 2011-2012 naar ruim 6 procent in 2017-2018).
                       354 Scholen (of vestigingen) waar slechts één schoolsoort wordt aangeboden: vbo (vmbo b en/of vmbo k) óf mavo (vmbo g en/of vmbo t)
                                óf havo óf vwo.
                       355      Berekend op schoolniveau, zoals gedefinieerd aan de hand van het viercijferig brinnummer. Aoc’s en rec’s zijn niet meegenomen.
                       356 Onder voorbereidend beroepsonderwijs vallen de schoolsoorten vmbo b en vmbo k. Onder algemeen vormend onderwijs vallen de
                                schoolsoorten vmbo g, vmbo t, havo en vwo.
                       357      Een vestiging wordt gedefinieerd door middel van een koppeling van het viercijferige brin-nummer van een instelling met het twee-
                                cijferig vestigingsnummer. Een school voor voortgezet onderwijs kan meerdere vestigingen hebben, waarvan de hoofdvestiging met
                                vestigingnummer “00” wordt aangeduid. Aoc’s en rec’s zijn niet meegenomen.
                       148                                                                                                             Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>                   Bovendien is minder vaak sprake van brede brugklassen in de eerste leerjaren van het voort-
                   gezet onderwijs (zie figuur 26). Met name leerlingen zonder migratieachtergrond zitten minder
                   vaak in een brede brugklas. Het aandeel leerlingen dat in het eerste leerjaar een combinatie
                   van schoolsoorten volgt (in brede brugklassen) daalt de laatste jaren. In 2008-2009 zat nog 68
                   procent van de leerlingen het eerste jaar in een brede brugklas.358 In 2017-2018 is dit aandeel
                   gedaald naar 55 procent. Voor het tweede leerjaar daalde dat percentage van 45 naar 31 pro-
                   cent. Deze daling is in het hele land te zien. In Noord- en Oost-Nederland is de daling echter
         Figuur 24         Aangeboden schoolsoorten in het voortgezet onderwijs
                   sterker dan in West- en Zuid-Nederland.
Figuur 25          Aangeboden schoolsoorten in het voortgezet onderwijs				
          % van alle scholen                                                               % van alle leerlingen op die scholen
          (viercijferig BRIN)(leerjaar 4)                                                  (leerjaar 4)
   100                                                                            100
                                                                                              4           4     4        4        4        4         4
            18      18         18       18        18       18        18                       5           5     5        5        5        5         5
                                                                                              14          14   14       14       14        14       14
    80                                                                              80
            11      10         11       11        11       11        10
                                                                                              4           4     4        4        4        4         4
             7       7          7        7         7        7         7
    60                                                                              60
            15      14         14       14        14       14        14
            7        7          7        7        7         7         7
    40                                                                              40
                                                                                             72        72      72       72       71        71       71
    20      43      43         43       43        43       43        43             20
     0                                                                               0
           ‘11      ‘12        ’13      ‘14      ’15       ‘16       ’17                    ‘11       ‘12      ’13     ‘14       ’15      ‘16       ’17
          % van alle locaties                                                              % van alle leerlingen op die locaties
          (BRIN + vestigingsnummer)(leerjaar 4)                                            (leerjaar 4)
   100                                                                            100          2        2       2        2        2        2         2
            12       12        12        12       12       12        12
                                                                                             14        14      16       16       16        16       16
    80                                                                              80
            26       26        27        28       29       29        28                      18        19      20       20       20        20       20
    60                                                                              60
            14       15        16        15                          15
                                                  16       16                                30        29      29       29       28        28       29
    40      19       18                                                             40
                               17        18       17       18        18
                                                                                             19        20      20       20       20        20       20
    20      21       21                                                             20
                               21        21       20       20        20
                                                                                             17        16      14       13       14        13       13
            8        8          7        6        7         6         6
     0                                                                               0
           ‘11      ‘12        ’13      ‘14      ’15       ‘16       ’17                    ‘11       ‘12      ’13     ‘14       ’15      ‘16       ’17
            breed: vbo+mavo+havo+vwo                            vbo+mavo óf vbo+mavo+havo                       mavo+havo+vwo
            mavo+havo óf havo+vwo                               categoraal                                      praktijkonderwijs
Eigen berekeningen op basis van bbo-rom bestanden van DUO. Het betreft leerlingaantallen in leerjaar vier van VO
scholen (met een eigen brinnummer) en locaties (brinnummer + vestigingsnummer).
                   358 Uit analyses van DUO van de BBO-romdata blijkt dat er scholen zijn waarvan de leerlingen in de administratie in brede brugklassen in-
                          gedeeld zijn, waar dit in de praktijk niet het geval is. Dit kan betekenen dat het aanbod van brede brugklassen uit BRON geen accuraat
                          beeld geeft. (DUO, Aanbod brede brugklassen, 19 januari 2017).
                   Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                                                    149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>                Figuur 25            Categorale en (brede) brugklassen in het voortgezet onderwijs
					
Figuur 26           Categorale en (brede) brugklassen in het voortgezet onderwijs				
          Categorale klassen en brugklassen                                       Uitsplitsing van brugklassen
          (% leerlingen in leerjaar 1)                                            (% leerlingen in leerjaar 1)
    70
                                                                             20                                                                19
    60
                                                                             16
                                                                        55
    50                                                                       12
                                                                                                                                               9,8
                                                                        45                                                                     9,1
                                                                              8
                                                                                                                                               6,2
    40                                                                                                                                         5,9
                                                                                                                                               4,6
                                                                              4
    30                                                                        0
          ’08     ‘09   ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14   ’15   ‘16   ’17             ’08    ‘09   ‘10   ’11   ‘12   ’13   ‘14   ’15   ‘16   ’17
                                                                                        havo-vwo                        mavo-havo
                  categorale klas           dakpan of brede brugklas                    vmbo-b/k                        mavo-havo-vwo
                                                                                        vmbo                            vmbo-havo(-vwo)
CBS Statline tabel VO; leerlingen, onderwijssoort in detail, leerjaar. Onder categorale klassen vallen: vmbo-b, vmbo-k,
vmbo-g/t, havo, atheneum, lyceum/vwo, gymnasium. Onder brugklassen vallen: vmbo-b/k, vmbo ongedeeld,
vmbo-havo(-vwo), vmbo-g/t-havo(-vwo), havo-vwo.
                    150                                                                                           Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>Afkortingen
ARWU		 `                    Academic Ranking of World Universities
bbl			                      beroepsbegeleidende leerweg
bnp			                      bruto nationaal product
bol			                      beroepsopleidende leerweg
CBS			                      Centraal Bureau voor de Statistiek
CvTE			                     College voor Toetsen en Examens
DUO			                      Dienst Uitvoering Onderwijs
EU			                       Europese Unie
EZ			                       Economische Zaken
hbo			                      hoger beroepsonderwijs
hbs			                      hogere burgerschool
HBSC			                     Health Behaviour in School-aged Children
ho			                       hoger onderwijs
ICCS			                     International Civic and Citizenship Study
IEA			                      International Association for the Evaluation of Educational Achievement
ISCED			                    International Standard Classification of Education
JOB			                      Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs
lbo			                      lager beroepsonderwijs
lob 			                     loopbaanoriëntatie en –begeleiding
mbo			                      middelbaar beroepsonderwijs
mms			                      middelbare meisjesschool
NJi			                      Nationaal Jeugdinstituut
NVAO			                     Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
OCW			                      Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OESO			                     Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PIAAC			                    Programme for the International Assessment of Adult Competences
PIRLS			                    Progress in International Reading Literary Study
PISA			                     Programme for International Student Assessment
po			                       primair onderwijs
r&d			                      research & development
rmc			                      regionaal meld- en coördinatiepunt
roc			                      regionaal opleidingencentrum
SBB			                      Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven
SER			                      Sociaal-Economische Raad
SES			                      sociaal-economische status
SLO			                      (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling)
STEM			                     Science, Technology, Engineering & Mathematics
SZW			                      Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TCV			                      Teaching Common Values
THE			                      Times Higher Education
TIMSS			                    Trends in International Mathematics and Science Study
tl			                       theoretische leerweg
vmbo			                     voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
vmbo b			                   basisberoepsgerichte leerweg vmbo
vmbo g			                   gemengde leerweg vmbo
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                             151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>vmbo k			    kaderberoepsgerichte leerweg vmbo
vmbo t			    theoretische leerweg vmbo
vo			        voortgezet onderwijs
VSNU			      (organisatie van Nederlandse universiteiten)
VSv kompas		 Verzuim- en Schoolverlaterskompas
WEB			       Wet educatie en beroepsonderwijs
Wet KIV			   Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs
WHW			       Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
WMO			       Wet maatschappelijke ondersteuning
wo			        wetenschappelijk onderwijs
152                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>Figurenlijst
Figuur 1 Werkloosheid en uurloon: hoogopgeleiden in verhouding tot laagopgeleiden 103
Figuur 2 Gezondheid en levensgeluk: hoogopgeleiden in verhouding tot laagopgeleiden 104
Figuur 3 Opleidingsniveau van de beroepsbevolking                                      105
Figuur 4 Schooluitval                                                                  106
Figuur 5 Deelname aan training (afgelopen 4 weken)                                     108
Figuur 6 Kennis en vaardigheden in het funderend onderwijs                              111
Figuur 7 Percentage scholen als zwak of zeer zwak beoordeeld                            112
Figuur 8 Internationale rangorde volgens het bedrijfsleven	                             115
Figuur 9 Doorstroom in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs	 119
Figuur 10	Leerlingen in het voortgezet onderwijs met een niet-westerse migratieachter-
            grond	                                                                      123
Figuur 11 Migratieachtergrond van studenten in het hoger onderwijs	                    124
Figuur 12 Uitgaven van huishoudens aan huiswerkbegeleiding                              125
Figuur 13 Overheidsuitgaven aan onderwijs                                              129
Figuur 14 Studiesucces in het vervolgonderwijs                                          131
Figuur 15 Aantal leerlingen per leerkracht                                              133
Figuur 16 Aantal lesuren in het funderend onderwijs                                     133
Figuur 17 Jaarsalaris van leerkrachten                                                  135
Figuur 18 Aandeel (en aantal) scholen naar denominatie                                 138
Figuur 19 Nabijheid van scholen                                                        139
Figuur 20 Dichtsbijzijnde school, per gemeente (in km, gemeten over de weg)            140
Figuur 21	Scholen met een breed aanbod van onderwijssoorten en (brede) brugklassen,
            per gemeente                                                                141
Figuur 22 Schoolwaardering in het funderend onderwijs                                  144
Figuur 23 Segmentering in het voortgezet onderwijs naar opleidingsniveau van ouders 146
Figuur 24 Variatie in prestaties tussen scholen en binnen scholen                      148
Figuur 25 Aangeboden schoolsoorten in het voortgezet onderwijs                         149
Figuur 26 Categorale en (brede) brugklassen in het voortgezet onderwijs                150
		
Tabel 1     Schoolverzuim                                                              107
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                     153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>Literatuur
Adams Becker, S., Cummins, M., Davis, A., Freeman, A., Hall Giesinger, C. & Ananthanarayanan,
     V. (2017). NMC Horizon Report: 2017 Higher Education Edition. Austin, Texas: The New Media
     Consortium.
Adriaens, S., Van Grinsven, V., Van der Woud, L. & Westerik, H. (2016). Rapportage werkdruk leer-
     krachten in het basisonderwijs. Utrecht: DUO Onderwijsonderzoek.
Algemene Rekenkamer (2017). Inburgering. Eerste resultaten van de Wet inburgering 2013. Amster-
     dam: Algemene Rekenkamer.
Algemene Vereniging Schoolleiders & VO-raad (2017). De Staat van de Schoolleider 2017. Utrecht:
     AVS & VO-raad;
Baker, D.P. (2014). The schooled society. The educational transformation of global culture. Stanford:
     Stanford University Press.
Barro, R.J. & Lee, J.W. (2013). A new data set of educational attainment in the world, 1950–2010.
     Journal of Development Economics, 104, 184-198.
Bekkers, V. (2017). Beleid in beweging. Den Haag: Boom.
Bennett, A. (1999). Subculture or neo-tribes? Sociology, 33(3), 599-617.
Bestuursakkoord OCW - MBO-Raad 2018-2022: Trots, vertrouwen en lef (2018). Geraadpleegd op
     6 februari 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/02/07/
     bestuursakkoord-mbo-2018-2022-trots-vertrouwen-en-lef.
Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs (2014). Geraadpleegd op 8 febru-
     ari      2019      via      https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2014/07/10/
     bestuursakkoord-voor-de-sector-primair-onderwijs.
Blom, S.V. (1995). Intellectuele vorming in Nederland en Frankrijk: een vergelijkend onderzoek naar
     deelname aan intellectuele vorming in het Franse en Nederlandse voortgezet onderwijs. Gro-
     ningen: Wolters Noordhoff Uitgevers.
Boekholt, P.Th.F.M. & De Booy, E.P. (1987). Geschiedenis van de school in Nederland. Assen/Maas-
     tricht: Van Gorcum.
Bol, T., Witschge, J., Van de Werfhorst, H.G. & Dronkers, J. (2013). Curricular Tracking and Central
     Examinations: Counterbalancing the Impact of Social Background on Student achievement
     in 36 Countries. Social Forces, 92(4), 1545-1572.
Bolkestein, G. & Menkveld, H. (1978). Ontwikkelingslijnen naar speciaal onderwijs. Nijkerk:
     Callenbach.
Bosker, R. (2005). De grenzen van gedifferentieerd onderwijs. Groningen: RUG.
Bovens, M., Dekker P. & Tielmeijer, W. (2014). Gescheiden werelden? Den Haag: Sociaal en Cultu-
     reel Planbureau.
Braster, J.F.A. (2006). De schoolwet van 1806: blauwdruk voor een onderwijsbestel. In J. Halle-
     beek & A.J.B. Sirks, Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland
     (1806-1810), 147-164. Hilversum: Verloren.
Bronneman-Helmers, R. (2011). Overheid en onderwijsbestel. Den Haag: Sociaal Cultureel
     Planbureau.
Brunello, G. & Checchi, D. (2007). Does School Tracking Affect Equality of Opportunity? New
     International Evidence. Economic Policy, 22(52), 781-861.
Bughin, J. Hazan, E., Lund, S., Dahlström, P., Wiesinger, A., Subramaniam, A. (2018). Skill
     Shift, automation and the future of workforce. Discussion Paper. Geraadpleegd op
     11 februari 2019 via https://www.mckinsey.com/featured-insights/future-of-work/
     skill-shift-automation-and-the-future-of-the-workforce.
154                                                                         Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>Burns, T., Koster, F. & Fuster, M. (2016). Education Governance in action. Lessons from case studies.
     Parijs: OECD Publishing.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2016). Uitgaven van huishoudens aan huiswerkbegelei-
     ding. Geraadpleegd op 8 februari 2019 via https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2016/45/
     uitgaven-van-huishoudens-aan-huiswerkbegeleiding.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2018). Een leven lang leren in Nederland: stand van zaken. https://
     www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2018/23/een-leven-lang-leren-in-nederland-stand-van-zaken.
Centraal Bureau voor de Statistiek (2019). Niveau ISCED 2011. Geraadpleegd op 5 februari 2019 via
     https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/classificaties/onderwijs-en-beroepen
     isced/niveau-isced-2011.
Commissie Evaluatie externe validering toetsing en examinering in het hbo (2017). Zienderogen
     vooruit. Den Haag: Vereniging Hogescholen.
De Boer, A. & Van der Worp, L. (2016). De impact van passend onderwijs op het SO/SBO en het VSO.
     Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
De Bruijn, E., BIllett, S. & Onstenk, J. (2017). Enhancing teaching and learning in the Dutch vocation-
     al education system. Springer International Publishing.
De Geus, W. & Bisschop, P. (2017). Licht op schaduwonderwijs. Onderzoek naar deelname aan en
     uitgaven voor schaduwonderwijs. Amsterdam: SEO; Utrecht: Oberon.
De Koning, P. (1973). Interne differentiatie. Purmerend: Muusses.
De Lange, M., Tolsma, J. & Wolbers, M.H.J (2016). Opleiding als sociale scheidslijn. Beleid en
     Maatschappij, 43(1), 61-68.
De Rooy, P. (2005). Republiek van rivaliteiten, Nederland sinds 1813. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
De Swaan, A. (1988). Zorg en de Staat. Amsterdam: Bert Bakker.
De Weerd, M., Vonk, H., Krooneman, P. & Klaver, J. (2017). Evaluatie wijziging WEB. Amsterdam:
    Regioplan.
Denessen, E. (2017). Verantwoord omgaan met verschillen: sociale-culturele achtergronden en dif-
    ferentiatie in het onderwijs. Universiteit Leiden: oratie.
Dienst Uitvoering Onderwijs (2019). Sociaal leenstelsel. Webpagina. Geraadpleegd op 8 novem-
    ber 2018 via https://www.uitbetalingstudiefinanciering.nl/sociaal-leenstelsel/.
Driessen, G. (2013). De bestrijding van onderwijsachterstanden. Studie in opdracht van de Onder-
    wijsraad. Nijmegen: ITS.
Driessen, G., Krikhaar, E., De Graaff, R., Unsworth, S., Leest, B., Coppens, K. & Wieringa, J. (2016).
    Evaluatie pilot tweetalig onderwijs primair onderwijs. Nijmegen: ITS;
Duyvendak, J.W. & Hurenkamp, M. (2004). Lichte gemeenschappen, moderne sociale cohesie in de
    praktijk. Amsterdam: Uitgeverij Van Gennep.
Eimers, T., Ledoux, G. & Smeets, E. (2016). Passend onderwijs in de praktijk. Nijmegen: KBA
    Nijmegen.
Elchardus, M. (2012). De symbolische samenleving. Amsterdam: Lannoo.
Elffers, L. (2011). The Transition to PostSecondary Vocational Education: Students’ Entrance, Experi-
    ences, and Attainment. Proefschrift. Enschede: Ipskampo Drukkers B.V.
Elffers, L. (2018a). De bijlesgeneratie. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Elffers, L. (2018b). Toegankelijkheid van het hbo: van complex vraagstuk naar handreiking voor de
    praktijk. Amsterdam: Hogeschool van Amsterdam.
Elffers, L., Van de Werfhorst, H.G. & Fischer, M.M. (2015). De invloed van het verkorten van de
    heterogene brugperiode op leerprestaties, burgerschap en motivatie: en quasi-experimen-
    tele case study. Pedagogische studiën, 92(6), 413-433.
Engbersen, G., Snel, E. & Kremer, M. (2017). De val van de middenklasse? Het stabiele en kwetsbare
    midden. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.
Erkkilä, T. (2013). Global University Rankings and their Impact. Palgrave Macmillan Ltd.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                 155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>Europese Commissie (2018a). Education and Training Monitor: Country Report. Geraadpleegd
     op 5 februari 2019 via https://ec.europa.eu/education/policy/strategic-framework/
     et-monitor_nl.
Europese Commissie (2018b). Eurobarometer eerste kwartaal 2018.
Euwals, R., De Graaf-Zijl, M. & Van Vuuren, D. (2016). Flexibiliteit op de arbeidsmarkt. CPB Policy
     Brief 2016/14. Den Haag: Centraal Planbureau.
Exalto, R., Damstra, G., Klein, T., Van der Vegt, A.L. & Weijers, S. (2018). Monitor 10-14 onderwijs.
     Eerste tussenrapportage. Utrecht: Oberon advies.
Feskens, R., Kuhlemeier, H. & Limpens, G. (2016). Resultaten Pisa 2015. Praktische kennis en vaardig-
     heden van 15-jarigen. Arnhem: Cito.
Financieel Dagblad (2016). De snelle opmars van het particulier onderwijs. Geraadpleegd op 7
     februari 2019 via https://fd.nl/economie-politiek/1166168/de-snelle-opmars-van-het-parti-
     culier-onderwijs. 6 september 2016.
Geschillencommissie Passend Onderwijs (2015). Jaarverslag schooljaar 2014/2015. Utrecht:
     Onderwijsgeschillen.
Gubbels, J., Netten, A. & Verhoeven, L. (2017). Vijftien jaar leesprestaties in Nederland. Nijmegen:
     Expertisecentrum Nederlands/Radboud Universiteit.
Hanushek, E.A., & Woessmann, L. (2011). The economics of International differences in educatio-
     nal achievement. In E.A. Hanushek, S. Machin, & L. Woessmann (Red.) (Vol. Eds.), Handbook
     in the economics of education: Vol. 3 (89-200). Elsevier.
Hanushek, E.A., & Wössmann, L. (2006). Does educational tracking affect performance and ine-
     quality? Differences-in-differences evidence across countries. The Economic Journal, 116,
     C63-C76.
Hart, B. & Risley, T.R. (1995). Meaningful Differences in the Everyday Experiences of Young American
     Children. Baltimore: Brookes Publishing.
HBO-raad (2012). Vreemde ogen dwingen. Eindrapport commissie externe validering examen-
     kwaliteit hoger beroepsonderwijs. Geraadpleegd op 6 februari 2019 via http://www.vereni-
     ginghogescholen.nl/
Heim, M., Ledoux, G., Elshof, D. & Karssen, M. (2016). Ingeslagen paden. De samenwerkingsverban-
     den Passend Onderwijs en hun nieuwe procedures voor de toewijzing van onderwijsondersteu-
     ning. Eenmeting 2016. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
Helliwell, J.F., Layard, R. & Sachs, J.D. (2018). World Happiness Report 2018. New York: Sustainable
     Development Solutions Network.
Hoofdlijnenakkoord Hogescholen (2011). Geraadpleegd op 7 februari 2019 via https://www.eer-
     stekamer.nl/overig/20111212/hoofdlijnenakkoord_hbo_raad_ocw/document
Hooge E.H. (2017). Sturingsdynamiek in het onderwijs op stelselniveau: lenige netwerksturing door
     de overheid. Tilburg: TIAS School for business and Society, Tilburg University.
Houtman, I. & Stege, J. (2015). Rapportage werkdruk onderzoek in het vo. Delft: TNO.
Idenburg P.H.J. (1964). Schets van het Nederlandse schoolwezen. Groningen: Noordhoff Uitgevers
     b.v.
Investeren in onderwijskwaliteit. Kwaliteitsafspraken 2019-2024 (2018). Geraadpleegd op 7
     februari 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/04/09/
     investeren-in-onderwijskwaliteit-kwaliteitsafspraken-2019-2024.
Inspectie van het Onderwijs (2015). Schakelen van hbo-bachelor naar universitaire master. Utrecht:
     Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2016a). Burgerschap op school. Een beschrijving van burgerschaps-
     onderwijs en de maatschappelijke stage. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2016b). Naar vernieuwd toezicht. Utrecht: Inspectie van het
     Onderwijs.
156                                                                           Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>Inspectie van het Onderwijs (2016c). De Staat van het Onderwijs 2016. Onderwijsverslag over
    2014/2015. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het onderwijs (2017a). Selectie: meer dan cijfers alleen. Utrecht: Inspectie van het
    Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2017b). De Staat van het onderwijs 2017. Onderwijsverslag over
    2015/2016. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het onderwijs (2018a). De master van jouw keuze? Utrecht: Inspectie van het
    Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2018b). De Staat van het Onderwijs 2018. Onderwijsverslag over
    2016/2017 Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2018c). Selectie in de wo-master. Eerste resultaten van het lopend
    onderzoek studiejaar 2017-2018. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2018d). De kwaliteit van het Nederlandse accreditatiestelsel hoger
    onderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Inspectie van het Onderwijs (2018e). Technische rapportage onderwijskansen en segregatie. De
    Staat van het Onderwijs 2016/2017. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
Jester (2018). Trendcomplex voor het onderwijsstelstel. Studie in opdracht van de Onderwijs-
    raad. Geraadpleegd op 12 februari 2019 via https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/2018/
    trendcomplex-voor-het-onderwijsstelsel/item7720.
Kans, K., Christoffels, I., Schipperheyn, R., Groeneveld, M.J., Cuppen, J. & Hofland, A. (2016).
    Leven lang leren: een perspectief vanuit het beroep. Leren voor een sterkere arbeidsmarktposi-
    tie. ‘s-Hertogenbosch: ecbo.
Karsten, S. (2002). Onderwijs waarop we kunnen bouwen: de publieke waarde van het beroepson-
    derwijs. Oratie. Amsterdam University Press.
Kirschner, P. (2015) 21st Century Skills are so 20th Century! Geraadpleegd op 8 februari 2019 via
    https://onderzoekonderwijs.net/2015/10/22/21st-century-skills-are-so-20th-century/.
Klaar voor de toekomst! Sectorakkoord vo 2014-2017 (2014). Geraadpleegd op 6 febru-
    ari      2019     via        https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2014/04/17/
    sectorakkoord-vo-2014-2017.
Klaster, E. (2012). Beleefde bureaucratie en professionaliteit onder leraren: literatuurstudie en veld-
    onderzoek onder leraren in het PO, VO, BVE, HBO en WO. Den Haag: B&A B.V.
Korpershoek, H., Beijer, C., Spithoff, M., Naaijer, H.M., Timmermans, A.C., Van Rooijen, M., Vugte-
    veen, J. & Opdenakker, M.C. (2016). Overgangen en aansluitingen in het onderwijs. Deelrappor-
    tage 1: reviewstudie naar de po-vo en de vmbo-mbo overgang. Groningen: GION Onderwijs/
    Onderzoek.
Korpershoek, H., Naayer, H.M. & Bosker, R.J. (2016). Inrichting van de onderbouw. Onderzoek naar
    de motieven en de beweegredenen van vo-scholen naar soort brugklas. Groningen: GION
    Onderwijs/Onderzoek.
Korthals, R. (2015). Tracking Students in Secondary Education. Consequences for Student Perfor-
    mance and Inequality. Proefschrift. Maastricht: ROA.
Ledoux, G. (2012). Bijlage IV. Ex Ante evaluatie Passend onderwijs. Den Haag: ECPO
Leest, B., Fettelaar, D., Van Eck, E., Verbeek, F., Van der Vegt, A.L. & Jongeneel, M. (2013). Selec-
    tiemechanismen in het onderwijs. Studie in opdracht van de Onderwijsraad. Nijmegen: ITS,
    Radboud Universiteit Nijmegen.
Lesaffer, R. (2004). Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis. Universitaire Pers Leuven.
Los, E. (2012). De canon van het onderwijs. Amsterdam: Boom.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>MacCrory, F., Westermann, G., Alhammadi, Y. & Brynjolfsson, E. (2014). Racing with and against the
     machine: changes in occupational skill composition in an era of rapid technological advance.
     Geraadpleegd op 11 februari 2019 via https://www.semanticscholar.org/paper/Racing-
     With-and-Against-the-Machine%3A-Changes-in-in-MacCrory-Westerman/164e93f0d99852
     a2b8474c9c0c902eb00807a379.
Matthijssen M.A.J.M. (1979). Klasse-onderwijs. Deventer: Van Loghum Slaterus.
MBO Raad (2014). Branchecode goed bestuur in het mbo. Geraadpleegd op 23 augustus 2018 via
     https://www.mboraad.nl/sites/default/files/documents/branchecode_goed_bestuur_in_
     het_mbo_2014.doc.pdf;
MBO Raad (2015). Het mbo in 2025: het manifest voor de toekomst van het mbo. Woerden: MBO
     Raad.
Mentink, D., Vermeulen, B.P. & Zoontjens, P.J.J. (2018). Commentaar op artikel 23 van de Grond-
     wet. In E.M.H. Hirsch Ballin & G. Leenknegt (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet.
     Geraadpleeegd op 13 februari 2019 via https://www.nederlandrechtsstaat.nl/grondwet/
     artikel.html?artikel=23&categorie=&auteur=&trefwoord=&1=1##artikel23.
Micklewright, J. & Schnepf, S. V. (2007). Inequality of learning in industrialized countries. In S.P.
     Jenkins & J. Micklewright (Eds.), Inequality and poverty re-examined (129-145). Oxford, United
     Kingdom: Oxford University Press.
Mills, M., Monk, S., Keddie, A., Renshaw, P., Christie, P., Geelan, D. & Gowlet, C. (2014). Differentia-
     ted learning: From policy to classroom. Oxford Review of Education, 40(3), 331-348.
Ministerie van Financiën (2015). IBO Effectieve leerroutes in het funderend onderwijs. Geraadpleegd
     op 11 februari 2019 via https://www.parlementairemonitor.nl/9353000/1/j9vvij5epmj1ey0/
     vk01p1zw36zd.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2013). Lerarenagenda 2013-2020: de leraar
     maakt het verschil. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014a). Plan van aanpak toptalenten 2014-
     2018. Geraadpleegd op 6 februari 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/
     kamerstukken/2014/03/10/plan-van-aanpak-toptalenten-2014-2018.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014b). Toezicht in transitie. Brief van Minis-
     ter van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter Tweede Kamer, 28 maart 2014.
     Kamerstukken II 2013-2014, 33 905 nr. 1;
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015a). De waarde(n) van weten. Strategische
     Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025. Den Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015b). Voortgangsrapportage Leven Lang
     Leren 2015. Brief van Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter Tweede
     Kamer, 26 oktober 2015. Kamerstukken II 2015-2016, 30012, 55.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2015c). Strategische Agenda Hoger Onderwijs
     en Onderzoek 2015-2015. Den Haag: Ministerie van OCW.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap (2016a). Cijfers leerplicht en aanpak thuiszitters.
     Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter Tweede
     Kamer, 3 februari 2016. Kamerstukken II, 2015-2016, 26695, 108.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016b). Loopbaanoriëntatie en –begeleiding.
     Brief van Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter
     Tweede Kamer, 28 september 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 31524, 301.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2016c). Vervolg Flexibilisering in het voortgezet
     onderwijs. Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter
     Tweede Kamer, 13 juni 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 31289, 320.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017a). Tussenevaluatie sectorakkoorden fun-
     derend onderwijs. Brief van Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan
     Voorzitter Tweede Kamer, 22 december 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 31293, 383.
158                                                                          Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017b). Vervolgproces curriculumherziening
    primair en voortgezet onderwijs. Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Weten-
    schap aan Voorzitter Tweede Kamer, 7 juli 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 31293, 376.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap (2017c). Sterk beroepsonderwijs. Brief van
    Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter Tweede
    Kamer, 20 februari 2019. Kamerstukken II 2017-2018, 31524, 311.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018a). Cijfers schoolverzuim en vrijstellingen
    funderend onderwijs. Brief van Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan
    Voorzitter Tweede Kamer, 19 februari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 26 695, 121.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap (2018b). Passend onderwijs. Brief van Minister
    voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan Voorzitter Tweede Kamer, 25 juni 2018.
    Kamerstukken II 2017–2018, 31497, 262.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018c). Rapport ‘Licht op schaduwonderwijs’.
    Brief van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aan Voorzitter Tweede
    Kamer, 24 januari 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 31289, 358.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018d). Huidige situatie in het 10-14 onderwijs.
    Brief van Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs aan Voorzitter van Tweede Kamer, 1
    mei 2018. Kamerstukken II, 2017-2018, 31293, 391.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). Totale uitgaven aan (pre)primair onder-
    wijs. Geraadpleegd op 12 februari 2019 via https://www.onderwijsincijfers.nl/kengetallen/
    po/uitgaven/uitgaven-totale-uitgaven-po.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Onderwijs (2017d). Rijksjaarverslag 2017. VIII Onderwijs, Cul-
    tuur en Wetenschap. Den Haag: Ministerie van Financiën.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2018). Inburgering op de schop: nieuwkomers
    zo snel mogelijk aan het werk, leenstelsel afgeschaft. Geraadpleegd op 7 februari 2019 via htt-
    ps://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/07/02/inburgering-op-de-schop-nieuwko-
    mers-zo-snel-mogelijk-aan-het-werk-leenstelsel-afgeschaft.
Munniksma, A., Dijkstra, A.B., Van der Veen, I., Ledoux, G., Van de Werfhorst, H. & Ten Dam, G.
    (2017). Burgerschap in het voortgezet onderwijs. Nederland in vergelijkend perspectief. Amster-
    dam University Press.
Nationaal Techniekpact 2020 (2013). Geraadpleegd op 6 februari 2019 via https://www.rijksover-
    heid.nl/documenten/convenanten/2013/05/13/nationaal-techniekpact-2020.
Oberon & SEO (2017). Licht op schaduwonderwijs, onderzoek naar deelname aan en uitgaven van
    schaduwonderwijs.
Onderwijsraad (2010a). Vroeg of laat. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2012a). Verder met burgerschap in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2013a). Meer kansen voor kwetsbare jongeren. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2013b). Een smalle kijk op onderwijskwaliteit. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014a). Een onderwijsstelsel met veerkracht. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014b). Meer innovatieve professionals. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014c). Onderwijspolitiek na de commissie-Dijsselbloem. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014d). Overgangen in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2014e). Profielen in het vmbo. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015a). Een goede start voor het jonge kind. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015b). Herkenbaar vmbo met sterk vakmanschap. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015c). Kwaliteit in het hoger onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015d). Maatwerk binnen wettelijke kaders: eindtoetsing als ijkpunt voor het funde-
    rend onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2015e). Meerjarenagenda 2015-2020, werkprogramma 2016. Den Haag:
    Onderwijsraad.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                            159
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>Onderwijsraad (2015f). Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016a). De volle breedte van onderwijskwaliteit. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016b). Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016c). Passend onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2016d). Vakmanschap voortdurend in beweging. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2017a). Besluit lerarenregister. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2017b). De leerling centraal? Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2017c). Doordacht digitaal. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2017d). Het bevorderen van gelijke kansen en sociale samenhang. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2017e). Decentraal onderwijsbeleid bij de tijd. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018a). Briefadvies wetsvoorstel burgerschapsopdracht. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018b). Curriculumvernieuwing. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018c). Een krachtige rol voor schoolleiders. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018d). Gelijke kans op doorstroom vmbo-havo. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018e). Internationalisering in het hoger onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018f). Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden. Den Haag:
     Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018g). Lerarentekorten. Den Haag: Onderwijsraad.
Onderwijsraad (2018h). Ruim baan voor leraren. Den Haag: Onderwijsraad.
Oosterbeek, H. Sóvágo, S. & Van der Klaauw, B. (2018). Why are schools segregated? Evidence from
     the secondary-school match in Amsterdam. Ongepubliceerd paper.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2016a). Education at a Glance, 2016.
     Parijs: OECD Publishing.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2016b). Netherlands 2016. Founda-
     tions for the Future. National Policies for Education. Parijs: OECD Publishing.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2017). OECD Skills Strategy Diagnos-
     tic Report: Netherlands 2017. Parijs: OECD Publishing.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2018a). Education at a Glance.
     ­Parijs: OECD Publishing.
Organisation for Economic Co-operation and Development (2018b). Equity in education:
      ­Breaking Down Barriers to Social Mobility. Parijs: OECD Publishing.
Organization for Economic Co-operation and Development (2013). Education at a Glance 2013.
       Parijs: OECD Publishing.
Organization for Economic Co-operation and Development (2015). Education at a Glance 2015.
       Parijs: OECD Publishing.
Peschar, J., Hoofhoff, H., Dijkstra, A.B. & Ten Dam, G.T.M. (2017). Scholen voor burgerschap. Naar
       een kennisbasis voor burgerschapsonderwijs. Garant Uitgevers.
Peschar, J. & Wesselingh, A. (1995). Onderwijssociologie. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Platform Bétatechniek (2014). Kiezen voor Technologie. Actieplan Wetenschap en Technologie voor
      het primair en voortgezet onderwijs. Geraadpleegd op 6 februari 2019 via https://www.kie-
       zenvoortechnologie.nl/kiezen-voor-technologie/over.
Platform Onderwijs2032 (2016). Ons onderwijs2032. Eindadvies. Den Haag: Platform
       Onderwijs2032.
Professioneel statuut mbo (2009). Geraadpleegd op 6 februari 2019 via https://www.mboraad.nl/
       publicaties/professioneel-statuut-2009.
Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2017a). De arbeidsmarkt naar opleiding en
       beroep tot 2022. Maastricht: ROA.
160                                                                         Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2017b). Schoolverlaters tussen onderwijs en
    arbeidsmarkt. Maastricht: ROA.
Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (2016). Stelselrapportage 2016. Vierde jaarlijk-
    se monitorrapport over de voortgang van het proces van profilering en kwaliteitsverbete-
    ring in het hoger onderwijs en onderzoek. Den Haag: Reviewcommissie.
Rietveld-van Wingerden, M., Sturm, J.C. & Miedema, S. (2003). Vrijheid van onderwijs en sociale
    cohesie in historisch perspectief. Pedagogiek, 23(2), 97-108.
Rijksoverheid (2019). Toptalenten in het hoger onderwijs. Geraadpleegd op 12 febru-
    ari       2019           via        https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/talent-op-school/
    toptalenten-in-het-hoger-onderwijs.
Rouwhorst, Y. (2018). Meritocratische idealen in selectie: tussen plan en praktijk. Universiteit
    Utrecht, masterscriptie.
Rutten, Th. (1951). Nota van 19 juli 1951 aan de Tweede Kamer betreffende onderwijsvoorzieningen.
    Handelingen der Staten-Generaal, 1950-1951, 2233, 1-2.
Scholte, R., Nelen, W., De Wit, W. & Kroes, G. (2016). Sociale veiligheid in en rond scholen. Nijme-
    gen: Praktikon.
Schütz, G., Ursprung, H. & Wössmann, L. (2008). Education policy and equality of opportunity.
    Kyklos, 61 (2), 279-308.
Sectorakkoord hoger beroepsonderwijs (2018). Geraadpleegd op 6 februari 2019 via https://
    www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/04/09/sectorakkoord-hoger
    beroepsonderwijs-2018.
Sieben, I. & Van Ginderen, N. (2014). De keuze voor tweetalig onderwijs: de rol van sociale ach-
    tergrond. Mens en Maatschappij, 89(3), 233-256
Slaman, P., Bardoel, J., Beer, E. & Ten Dam, G. (2018). In de regel vrij. HaEs producties.
SLO (2019). Alliantie burgerschap. Geraadpleegd op 30 augustus 2018 via http://burgerschapin-
    deschool.nl/alliantie-burgerschap.
Snow, C.E., Barnes, W.S., Chandler, J., Goodman, I.F. & Hemphill, L. (1991). Unfulfilled expectations:
    Home and school influences on literacy. Cambridge: Harvard University Press.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2014). Kansen voor vakmanschap in het mbo. Den Haag: SCP.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2016). De toekomst tegemoet – Leren, werken, zorgen, samenle-
    ven en consumeren in het Nederland van later. Den Haag: SCP.
Sociaal en Cultureel Planbureau (2018). Sociale staat van Nederland. Den Haag: SCP.
Standaert, R. (2003). Vergelijken van onderwijssystemen. Leuven/Leusden: ACCO.
Steenman, S.(2018). Alignment of Admission. Proefschrift. Universiteit Utrecht.
Streefkerk, J., Verbeek, J.M.J. & Mars, A.H. (2018). Een voor allen, of allen voor een – wie is er nu
    eigenlijk voor wie? School en Wet, 98(5), 42-48.
Studiegroep Duurzame groei (2016). Kiezen voor duurzame groei. Geraadpleegd op 8
    februari 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/07/06/
    advies-studiegroep-duurzame-groei.
Theisens, H. (2014). De toekomstbestendigheid van het Nederlandse onderwijssysteem. Startdossier
    in opdracht van de Onderwijsraad. Geraadpleegd op 3 oktober 2016 via https://www.onder­
    wijsraad.nl/upload/documents/publicaties/ volledig/De-toekomstbestendigheid-van-het-
    Nederlandse-Onderwijssysteem.pdf.
Turkenburg, M. (2014). Kansen voor vakmanschap in het mbo. Den Haag: SCP.
Vakcollegegroep (2015). De vakroute. Geraadpleegd op 17 juni 2015 via https://www.vakcollege-
    groep.nl/images/documenten/facts_figures/factsheet_vakroute.pdf.
Van Casteren, W., Van den Broek, A., Warps, J., Jacobs, J. & Braam, C. (2012). Kenmerken, wensen
    en behoeften aan deeltijd hoger onderwijs. Nijmegen: Researchned.
Van de Werfhorst, H., Elffers, L. & Karsten, S. (2015). Onderwijsstelsels vergeleken: leren, werken en
    burgerschap. Didactief onderzoek.
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                                161
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>Van de Werfhorst, H. & Mijs, J.B. (2010). Achievement Inequality and the Institutional Structure
     of Educational Systems: A Comparative Perspective. Annual Review of Sociology, 36, 407-428.
Van den Berge, W. & Ter Weel, B. (2015). Baanpolarisatie in Nederland. CPB Policy Brief 2015/13.
     Den Haag: Centraal Planbureau.
Van den Broek, A., De Korte, K., Cuppen, J., Wartenbergh, F., Bendig-Jacobs, J., Mulder, J. & Hel-
     legers, A. (2018). Monitor beleidsmaatregelen 2017-2018. Nijmegen: ResearchNed.
Van den Broek, A., De Korte, K., Mulder, J. & Bendig-Jacobs, J. (2018). Numerus fixus, selectie en
     kansengelijkheid in het wetenschappelijk onderwijs. Nijmegen: ResearchNed.
Van den Broek, A., Wartenborgh, F., Bendig-Jacobs, J., Tholen, R., Duysak, S. & Nooij, J. (2017).
     Monitor Beleidsmaatregelen 2016-2017. Studiekeuze, studiegedrag en leengedrag in relatie tot
     beleidsmaatregelen in het hoger onderwijs, 2006-2016. Nijmegen: ResearchNed.
Van der Duin, P. & Stavleu, H. (2018). Naar nieuwe comfortzones. Studie in opdracht van de
     Onderwijsraad. Geraadpleegd op 12 februari 2019 via https://www.onderwijsraad.nl/
     publicaties/2018/naar-nieuwe-comfortzones/item7718.
Van Eck, E., Voncken, E., Glaudé, M. & Roeleveld, J. (2013). Opwaarts! mars. Een verklarende analy-
     se van (verwachte) ontwikkelingen in de deelname aan het vmbo en het vo. Amsterdam: Kohn-
     stamm Instituut.
Van Grinsven, V., Elphick, E. & Van der Woud, L. (2012). Rapportage werkdruk in het primair onder-
     wijs. Utrecht: DUO Onderwijsonderzoek.
Van Schoonhoven, R. (2016). Recht doen aan beroepsonderwijs. Oratie Vrije Universiteit Amster-
     dam. Vrije Universiteit Amsterdam.
Van Spijker, F., Van der Houwen, K. & Van Gaalen, R. (2017). Invloed ouderlijk opleidingsniveau
     reikt tot ver in het voortgezet onderwijs. Economische en Statistische Berichten, 102(4749),
     234-237.
Vereniging Hogescholen (2013). Branchecode goed bestuur hogescholen. Geraadpleegd op
     23 augustus 2018 via https://www.vereniginghogescholen.nl/system/knowledge_base/
     attachments/files/000/000/106/original/Branchecode_goed_bestuur_hogescholen_-Ver-
     eniging_Hogescholen_-_2611203_b.pdf?1438763920.
Vereniging Hogescholen (2014). Beoordelen is mensenwerk. Geraadpleegd op 13 februari 2019 via
     https://www.vereniginghogescholen.nl/kennisbank/thema-s-en-subthema-s/artikelen/
     project-protocol-afstuderen.
Vertrouwen in de toekomst (2017). Regeerakkoord 2017-2021 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie.
     Geraadpleegd op 13 februari 2019 via https://www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/
     publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.
VO-raad (2015). Plusdocument. Geraadpleegd op 12 februari 2019 via https://www.vo-raad.nl/
     themas/maatwerk/onderwerpen/plusdocument.
VO-raad (2017). Schoolleidersagenda een vak apart. Utrecht: VO-raad.
VSNU (2016). Prestaties in perspectief. Den Haag: VSNU
Wagenaar, P., Kerkhoff, T. & Rutgers, M. (red.) (2011). Duizend jaar openbaar bestuur in Nederland.
     Van patrimoniaal bestuur naar waarborgstaat. Bussum: Uitgeverij Coutinho.
Westerhuis, A. & Van Wijk, B. (2011). Het Nederlandse onderwijs geketend. ’s-Hertogenbosch/
     Utrecht: Expertisecentrum beroepsonderwijs.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2017). Voor de zekerheid, de toekomst van
     flexibel werken en de moderne organisatie van arbeid. Den Haag, WRR.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2018). De nieuwe verscheidenheid, toene-
     mende diversiteit naar herkomst in Nederland. Den Haag: WRR.
World Health Organization (2016). Growing up unequal: gender and socioeconomic differences in
     young people’s health and wellbeing.
Zoontjens, P. (1999). Inleiding tot de onderwijswetgeving. Reed Business.
162                                                                       Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>Geraadpleegde deskundigen
De heer E. Bernard                        Voorzitter raad van bestuur OMO
Mevrouw E. de Bruijn	Hoogleraar pedagogisch-didactische vormgeving van be-
                                          roepsonderwijs, volwasseneneducatie en levenslang leren
                                          en lector beroepsonderwijs
Mevrouw A. Cnossen                        Directeur kinderopvang Doomijn
Mevrouw G. Croiset                        Prodecaan onderwijs en opleidingen UMCG
De heer D. Ensberg-Kleijkers	Voorzitter college van bestuur Stichting Biezonderwijs
De heer L. Geluk                          Voorzitter college van bestuur Haagse Hogeschool
De heer A. Groot	Voorzitter college van bestuur Blosse opvang en onderwijs
                                          0-12 jaar
De heer A. Jansen                         Bestuurder Stichting Vrijescholen
De heer J. Overweel                       Schoolleider vernieuwingsschool De Windroos
De heer K. Post                           Programmamanager Hogeschool van Amsterdam
Mevrouw I. Schaveling                     Rector Trinitas college
De heer J. Vermeer	Directeur samenwerkingsverband VO Zuid Kennemerland
De heer W. Veugelers                      Hoogleraar educatie, Universiteit voor Humanistiek
De heer H. de Vink                        Onderwijsbestuurder SPCO Groene Hart
Mevrouw S. Vlaar                          Directeur kinderopvangorganisatie Les Petits
Mevrouw M. Wessels                        Adviseur Stichting Praktijkleren
De heer D. Westerheijden	Quality management Research Center for Higher Education
                                          Policy Studies
Doorgeschoten differentiatie in het onderwijsstelsel                                           163
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
Deze Stand van educatief Nederland bevat een uitge-
breide toelichting en onderbouwing van de in decem-
ber 2018 verschenen hoofdlijnennotitie Doorgeschoten
differentiatie in het onderwijsstelsel. Het rapport geeft
een integrale analyse waarin de verschillende onder-
wijssectoren – van voorschoolse voorzieningen tot en
met de voorzieningen van permanente educatie – in sa-
menhang worden bekeken. In deze vierde editie van de
Stand van educatief Nederland staat het onderwijsstelsel
centraal en geeft de raad antwoord op de vraag: kan het
onderwijs met het huidige stelsel zijn maatschappelijke
opdracht nu en in de toekomst waarmaken?
                    164                                  Onderwijsraad, februari 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>