<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Steeds
inclusiever

aad
WIJS
onder
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Steeds
inclusiever
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>       Woord vooraf                                                                                 7
       Samenvatting                                                                                 8
  1	Aanleiding
       Onderwijs heeft de opdracht inclusiever te worden                                           13
  1.1	Mensen met een beperking hebben ondersteuning en toerusting nodig om te kunnen
       meedoen aan de samenleving                                                                  14
  1.2  Inclusie onderdeel van juridische kaders en internationaal recht                            15
  1.3  Samenleving kan inclusiever worden – ook het onderwijs                                      18
  1.4  Adviesvraag: hoe kan het onderwijs inclusiever worden?                                      21
  2	Advies
       Zorg dat álle scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking                          25
  2.1  Wat is inclusiever onderwijs?                                                               26
  2.2	Inclusiever onderwijs vergt dat de school klaarstaat met ondersteuning en toerusting        28
  2.3	Schoolleiders, bestuurders en overheid dragen zorg dat álle scholen steeds beter klaarstaan 33
  3    Aanbeveling 1
       Waarborg ondersteuning en toerusting op álle scholen                                        37
  3.1  Baken de doelgroep af                                                                       38
  3.2  Verbreed de zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs                               40
  3.3  Pas het takenpakket van samenwerkingsverbanden aan                                          43
  3.4	Ontwikkel een wettelijke norm voor lichte ondersteuning en toerusting in het primair en
       voortgezet onderwijs                                                                        47
  3.5  Voer ook zorgplicht in het middelbaar beroepsonderwijs in                                   52
  3.6  Verhelder verantwoordelijkheden voor het organiseren van ondersteuning en toerusting        53
  4	Aanbeveling 2
       Breng onderwijssoorten dichter bij elkaar                                                   59
  4.1  Bied maatwerk voor leerlingen met een beperking                                             60
  4.2  Neem inclusiever onderwijs als uitgangspunt voor het onderwijshuisvestingsbeleid            64
  4.3  Maak expertise en faciliteiten voor inclusiever onderwijs beschikbaar voor álle scholen     65
  4.4  Vergroot expertise van scholen voor inclusiever onderwijs ook door formele scholing         68
  5	Aanbeveling 3
  	Breng bekostiging, toezicht en regelgeving in lijn met het streven naar
       inclusiever onderwijs                                                                       71
  5.1	Bekostig schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs rechtstreeks
       voor alle lichte onderwijsondersteuning en -toerusting                                      72
  5.2	Blijf samenwerkingsverbanden bekostigen voor zwaardere en complexe
       vormen van ondersteuning                                                                    73
  5.3  Zorg voor toereikende budgetten, ook voor innovaties                                        75
  5.4  Werk toe naar integratie van budgetten voor onderwijs en zorg                               76
  5.5  Lijn het inspectiekader uit met verbrede zorgplicht                                         77
  5.6  Harmoniseer wet- en regelgeving voor onderwijs en ondersteuning en zorg                     78
       Bijlage 1
       Korte geschiedenis van beleidsprogramma’s voor leerlingen met een beperking                 80
       Bijlage 2
       Een vergelijking van inclusiever onderwijs met de eerdere beleidsprogramma’s                85
       Geraadpleegde deskundigen                                                                   90
       Literatuur                                                                                  92
5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Woord vooraf
     “El arte más poderoso de la vida, es hacer del dolor un talismán que cura.
     ¡Una mariposa renace florecida en fiesta de colores!”
     [De meest krachtige kunst in het leven is om van pijn een talisman te maken die geneest.
     Als een vlinder die herboren wordt en opbloeit in een festival van kleur!]
     Uitspraak van Frida Kahlo, Mexicaans surrealistisch kunstschilder (1907-1954).
     Frida Kahlo had ernstige lichamelijke beperkingen als gevolg van
     kinderverlamming en een zwaar verkeersongeluk in haar jeugd.
     Voor u ligt het advies Steeds inclusiever. In dit advies gaat de Onderwijsraad na hoe het
     onderwijs inclusiever kan worden voor leerlingen en studenten met een beperking. De raad
     hanteert een perspectief voor de lange termijn, met inclusiever onderwijs als stip aan de
     horizon. Hij adviseert om inclusiever onderwijs stapsgewijs te realiseren.
     De Onderwijsraad heeft dit advies ontwikkeld op verzoek van de minister, met het oog op
     het einde van de vijfjarige beleidsperiode Passend onderwijs. Maar terwijl we dit advies aan
     het voorbereiden waren, brak de covid-19-pandemie uit. Deze crisis trekt een enorme wissel
     op het onderwijs. Scholen en universiteiten moesten half maart abrupt overschakelen naar
     afstandsonderwijs. Sinds een maand wordt langzaamaan en gefaseerd per onderwijssector
     overgegaan naar (deels) fysiek onderwijs in combinatie met onderwijs op afstand. Hoe en
     hoe lang deze situatie voortduurt, is onzeker. Dit alles heeft zeer ingrijpende consequenties
     voor leerlingen en studenten, voor hun ouders en familieleden, voor leraren, docenten
     en andere onderwijsprofessionals en voor schoolleiders, opleidingsdirecteuren en
     schoolbestuurders. Het is een ingewikkelde opgave om onder deze omstandigheden alle
     leerlingen en studenten in beeld te houden en zo goed mogelijk onderwijs te verzorgen.
     Daarbovenop vormen alle maatregelen voor ieders gezondheid, het roosteren, het indelen
     van de fysieke ruimte, en het (openbaar) vervoer van leerlingen, studenten en personeel
     een enorme uitdaging. Oftewel, iedereen in de onderwijspraktijk wordt nu volop in beslag
     genomen door de coronacrisis en de gevolgen ervan. Deze urgente situatie maakt dat het
     voor iedereen betrokken bij onderwijs nu niet het goede moment is om na te denken en te
     spreken over de inhoud van dit advies.
     Echter, gelet op het belang van een goed perspectief voor leerlingen en studenten
     met een beperking stuurt de raad zijn advies toch nu aan de minister voor Basis- en
     Voort­gezet Onderwijs en Media. Zo kan de minister er kennis van nemen en het benutten
     bij de aanstaande voorbereiding van de toekomstagenda van Passend onderwijs en
     de parlementaire behandeling daarvan. Als de situatie in het onderwijs enigszins is
     gestabiliseerd, ontstaat er meer ruimte en aandacht voor langere-termijn-onderwijs­
     vraagstukken, zoals inclusiever onderwijs. Dan kunnen betrokkenen bij het onderwijs in volle
     breedte met elkaar in gesprek over dit advies Steeds inclusiever. We zullen het advies tegen
     die tijd nadrukkelijker onder de aandacht brengen. We hopen dat de tijdens deze crisis
     opgedane ervaringen zoals de waardevolle uitwisseling van inzichten en tutorials binnen de
     beroepsgroep leraren dan kunnen bijdragen aan het realiseren van inclusiever onderwijs.
     Wij wensen iedereen in en om het onderwijs veel sterkte en succes in deze ongekende tijden.
     Prof. dr. E. H. Hooge                        Drs. M. van Leeuwen
     voorzitter                                   secretaris-directeur
7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  Samenvatting
     In dit advies gaat de Onderwijsraad na hoe het onderwijs inclusiever kan worden. Hij
     adviseert dat steeds meer scholen en mbo-instellingen voor steeds meer leerlingen
     en studenten met een beperking klaarstaan.
     Waarom inclusiever onderwijs?
     De samenleving heeft de opdracht mensen met een beperking ondersteuning te
     bieden en toe te rusten, zodat ze kunnen meedoen. Daarom heeft inclusie van
     mensen met een beperking een plaats gekregen in wetgeving en internationaal recht.
     In de praktijk vallen mensen met een beperking in Nederland echter nog vaak buiten
     de boot. Ook het onderwijs, dat deel uitmaakt van de samenleving, en jongeren en
     kinderen erop voorbereidt, kan en moet inclusiever.
     Wat is inclusiever onderwijs?
     Inclusiever onderwijs betekent allereerst dat leerlingen met een beperking de
     benodigde ondersteuning en toerusting krijgen om naar school te kunnen. En in de
     tweede en derde plaats dat hun school dicht bij huis is en dat ze samen met leerlingen
     zonder een beperking onderwijs volgen. De combinatie van deze drie – ondersteuning
     en toerusting, thuisnabij onderwijs en gezamenlijk onderwijs – vormt de stip aan de
     horizon waar iedereen naartoe werkt. Naast directe ondersteuning en toerusting van
     de leerling met een beperking is ook indirecte ondersteuning en toerusting nodig, aan
     medeleerlingen, het lerarenteam en de ouders. Beide dragen eraan bij dat leerlingen
     met een beperking zich welkom voelen en er zeker van kunnen zijn dat de school de
     hele leerperiode voor hen klaarstaat.
     Welke rol hebben de overheid, schoolbestuurders en schoolleiders bij
     inclusiever onderwijs?
     Inclusiever onderwijs wordt gerealiseerd door leraren en ondersteunende
     professionals op de scholen. De overheid, schoolbestuurders, schoolleiders en
     opleidingsdirecteuren hebben echter ook een belangrijke rol. In het primair en
     voortgezet onderwijs organiseren schoolleiders en -bestuurders randvoorwaarden
     die álle scholen in staat stellen in elk geval lichte en waar mogelijk ook zwaardere
     ondersteuning te bieden. De randvoorwaarden betreffen mensen, middelen, tijd,
     ruimte en expertise. Samenwerkingsverbanden helpen scholen de zwaardere
     ondersteuning te organiseren en mengvormen van speciaal en regulier onderwijs
     te creëren. De overheid zorgt ervoor dat professionals uit de praktijk en
     wetenschappelijke experts een landelijke norm voor de lichte ondersteuning en
     toerusting ontwikkelen en de overheid legt die norm dan wettelijk vast. De overheid
     zorgt er ook voor dat de norm periodiek wordt geëvalueerd en stimuleert dat, als
     dat mogelijk is, de norm wordt verhoogd. Voorwaarde hierbij is dat leraren en
     ondersteunende professionals in staat zijn en worden gesteld een volgende stap
     richting inclusiever onderwijs te zetten. In het middelbaar beroepsonderwijs zorgen
     opleidingsdirecteuren en betrokken bestuurders ervoor dat lichte en zwaardere
     ondersteuning geboden kunnen worden.
     Om dit alles in de praktijk te brengen, wordt gericht en samenhangend beleid
     gevoerd voor een afgebakende doelgroep. De overheid zorgt dat regelgeving,
     bekostiging en toezicht in lijn zijn met de doelen van inclusiever onderwijs. Dat
     betekent onder andere dat scholen in het primair en voortgezet onderwijs op
     termijn rechtstreeks worden bekostigd voor alle lichte ondersteuning en toerusting.
     Samenwerkingsverbanden blijven geld ontvangen om – in samenwerking met
     scholen – de zwaardere ondersteuning te organiseren.
     Wat betekent inclusiever onderwijs voor scholen?
     Inclusiever onderwijs is een opdracht voor álle scholen. Een school in het primair
     of voortgezet onderwijs heeft nu al de taak lichte ondersteuning en toerusting te
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  bieden aan leerlingen met een beperking. Denk aan hulplessen voor leerlingen
  met dyscalculie, training in sociale vaardigheden voor leerlingen met een
  gedragsbeperking, en herkansingstoetsen voor leerlingen die vanwege chronische
  ziekte vaker afwezig zijn. Inclusiever onderwijs betekent dat zij in elk geval deze taak
  goed uitvoeren én ernaar toewerken om op termijn ook zwaardere ondersteuning en
  toerusting in te passen voor leerlingen die dat nodig hebben. Denk aan een assistent
  voor een leerling met een verstandelijke beperking en aan een persoonlijk lesrooster
  voor wie weinig prikkels verdraagt. Lukt dat nu niet, dan helpt de school de leerling
  een andere school te vinden die de zwaardere ondersteuning en toerusting wel kan
  bieden. Bij inclusiever onderwijs is die andere school echter thuisnabij en biedt die
  onderwijs samen met leerlingen zonder een beperking. Ook mengvormen van regulier
  en speciaal onderwijs komen nadrukkelijk in aanmerking. Mbo-instellingen hebben op
  dit moment al de plicht álle studenten met een beperking ondersteuning en toerusting
  te bieden. Inclusiever onderwijs betekent dat zij deze taak steeds beter weten te
  combineren met gezamenlijk onderwijs van studenten met en zonder een beperking.
9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>1
2
3
  Doelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                    1
   aan
                leiding
    Onderwijs heeft de opdracht inclusiever te worden
    Naarmate het onderwijs inclusiever is, stelt zij
    leerlingen met een beperking beter in staat mee
    te doen in de samenleving. Wat is nodig om het
    onderwijs inclusiever te maken?
13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>             De samenleving – en daarmee ook het onderwijs – heeft de opdracht mensen met een
             beperking gelijkwaardig te laten meedoen. Dit betekent dat zij hen waar nodig onder­
             steuning en toerusting moet bieden. Inclusie van mensen met een beperking heeft een
             plaats gekregen in (internationale en nationale) beleidsafspraken en wetgeving. In de
             praktijk worden mensen met een beperking in Nederland echter nog vaak buitengesloten.
             Ook het onderwijs kan inclusiever worden. De raad gaat in dit advies na welke maatregelen
             nodig zijn om het onderwijs op de lange termijn inclusiever te maken.
   1.1	Mensen met een beperking hebben ondersteuning
             en toerusting nodig om te kunnen meedoen aan de
             samenleving
             Deelname aan de samenleving is voor mensen met een beperking niet vanzelfsprekend.
             Zij hebben bijvoorbeeld meer moeite betaald werk te vinden en behouden dan mensen
             zonder een beperking. Om te kunnen meedoen, hebben ze ondersteuning en toerusting
             nodig. Dit geldt ook in het onderwijs. Onderwijs speelt bovendien een cruciale rol bij hun
             deelname aan de samenleving.
             Wat is een beperking?
             In Nederland hebben ongeveer twee miljoen mensen een beperking, onder wie circa
             300.000 jongeren.1 Een beperking is een kenmerk of aandoening van een persoon die
             zodanig is dat deze hem kan belemmeren deel te nemen aan sociale activiteiten, relaties
             te ontwikkelen en/of de regie te voeren over het eigen leven.2 De beperkingen lopen sterk
             uiteen.3 Ze kunnen structureel of tijdelijk zijn. Het kan gaan om lichamelijke beperkingen,
             waaronder motorische, visuele en auditieve. Of om mentale beperkingen, met een
             onderscheid tussen verstandelijke, psychische en psychiatrische aandoeningen. En er kan
             sprake zijn van een combinatie van (mentale en/of fysieke) beperkingen.
      Voorbeelden van beperkingen
      -	Esila (3 jaar) speelt graag met haar speelgoed en verkeert vaak in haar eigen wereld.
         Contact maken vindt ze moeilijk: ze heeft autisme en een ontwikkelingsachterstand.4
      -	Sonja is 82 jaar en is haar hele leven actief geweest als balletdanseres. Drie jaar
         geleden is Sonja getroffen door een herseninfarct, waardoor ze nu loopproblemen heeft
         en dreigende incontinentie. Ze gebruikt binnen- en buitenshuis een rolstoel.5
      -	Jordy (18) loopt stage en heeft onlangs zijn autorijbewijs gehaald. Hij lijkt een gewone
         man, maar heeft een zware jeugd achter de rug vanwege zijn licht verstandelijke
         beperking, PDD-NOS en gedragsproblemen. Jordy’s moeder verwaarloosde hem en
         overleed toen hij 1,5 jaar was. Jordy ging bij zijn vader wonen, maar vanwege Jordy’s
         gedragsproblemen werkte dat niet. Op zijn 13e deed hij een poging tot zelfdoding.6
      -	Carolien, een vrouw van 19 jaar, heeft een verborgen, onzichtbare beperking. Zij heeft
         diabetes type 1. Ze had daar lange tijd veel last van, omdat haar bloedsuikerwaarden alle
         kanten opvlogen. Haar beperking is voor haar eigen gevoel op dit moment niet zo groot
         meer; ze heeft een insulinepomp die gekoppeld is aan een continue bloedsuikermeting.7
             1	Deze aantallen zijn een conservatieve schatting gebaseerd op een CBS-onderzoek van Verschuren,
                 Driessen en Meijer (2016) dat is gebaseerd op (a) AWBZ-indicaties afkomstig uit registraties van het
                 Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en de Bureaus Jeugdzorg (BJZ), (b) registraties van Vektis over
                 de behandeling van mensen met een chronische ziekte of aandoening in 2012. De groep personen met
                 een beperking en/of chronische aandoening bedraagt in totaal 2.104.120. Voor de leeftijden 0-15 jaar is
                 dat 203.910 en voor 15-25 jaar 164.030. De raad schat het huidige aantal mensen met een beperking
                 op 2 miljoen en het aantal (kwalificatieplichtige) jongeren tot en met 18 jaar met een beperking (of
                 chronische ziekte) op 300.000. De schattingen zijn conservatief omdat het CBS-onderzoek geen
                 rekening houdt met mensen met een beperking die geen (medische) zorgindicatie hebben maar
                 vanwege hun beperking wel belemmeringen ervaren in het (sociaal) functioneren. Voor deze groep zijn
                 geen betrouwbare data beschikbaar vanuit de zorg of het onderwijs. Voor het onderwijs bestaan geen
                 landelijke normen om vast te stellen of leerlingen basisondersteuning dan wel extra ondersteuning
                 nodig hebben, zie Ledoux, Waslander en Eimers (2020). De Inspectie van het Onderwijs (2020) geeft
                 aan dat 8,2% van de leerlingen in het basisonderwijs extra ondersteuning ontvangt, wat neerkomt
                 op een aantal van ruim 121.000. Bijna twee derde van de leerlingen met extra ondersteuning heeft
                 een leer- of ontwikkelingsachterstand en de helft heeft een hulpvraag voor gedragsproblematiek
                 of sociaal-emotionele problemen. Volgens leerkrachten heeft gemiddeld 21,9% in hun groep extra
                 ondersteuningsbehoeften (Smeets, Ledoux & Van Loon-Dikkers, 2019).
             2   Felder, 2018; Simplican, Leader, Kosciulek & Leahy, 2015.
             3	 Vergelijk: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018; Verschuren, Driessen & Meijer,
14               2016; Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2020, p. 168.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>            Onderwijs is cruciaal voor deelname in de samenleving
            Het onderwijs bereidt leerlingen voor op deelname in de samenleving. Op school verwerven
            zij kennis en vaardigheden, en behalen een diploma. Daarnaast maken leerlingen zich
            normen en waarden eigen en gaan ze zich als individu verhouden tot deze normen
            en waarden. De school is dus een oefenplaats waarin leerlingen gericht werken aan
            kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Tegelijkertijd is het een minisamenleving,
            een gemeenschap waarin leerlingen kunnen deelnemen aan sociale activiteiten en relaties
            kunnen ontwikkelen.
            Dit alles geldt voor leerlingen met en zonder beperking, met het verschil dat de eersten
            meer ondersteuning en toerusting nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen en de
            school te kunnen ervaren als oefenplaats en minisamenleving.8 Het onderwijs heeft de
            opdracht deze voorwaarden te creëren. Het tegemoet komen aan leerlingen met een
            beperking is niet alleen instrumenteel, het heeft ook een normatieve dimensie. Een
            school kan ermee ‘voorleven’ dat mensen met en zonder een beperking samen kunnen
            leren omgaan met diversiteit, en recht hebben op een gelijkwaardige deelname aan de
            samenleving.9
     Voorbeeld van ondersteuning en toerusting in het onderwijs
     -	Bart is een jongen met spina bifida. Hij zit in een rolstoel en is ook verstandelijk
        beperkt. Taal gaat beter dan rekenen. Bart gaat naar De Wartburg in Woudenberg,
        een basisschool die hem ondersteuning en toerusting biedt om zo veel mogelijk een
        regulier onderwijsprogramma te volgen. Daarnaast wordt hij begeleid bij de omgang
        met andere kinderen en het accepteren van zijn beperkingen. ’s Middags is hij in zijn
        eigen groep. Een aantal ochtenden in de week gaat hij naar de Bikkelklas. Hij heeft een
        eigen remedial teacher. De conciërge heeft op de eerste dag van Barts schoolbezoek
        een haakje voor zijn jas opgehangen waar hij zelf bij kan. Bart heeft ook een eigen
        laptop, aangepast meubilair en een voorziening in het toilet, zodat hij op school
        gekatheteriseerd kan worden. Dat doen zijn ouders.10
     -	Voor jongeren die vanwege een mentale beperking (nog) niet in staat zijn naar
        een mbo-opleiding te gaan, organiseert praktijkschool Fryslân een beroepsgericht
        onderwijsprogramma in sectoren als ict, transport, zorg en techniek. De jongeren leren
        bij de eigen dagbesteding of op de werkplek onder begeleiding van gecertificeerde
        begeleiders, die hen helpen met de beperking om te gaan en beroepsvaardigheden
        te verwerven. Deelnemers kunnen ook proberen een vmbo-(deel)certificaat of een
        mbo-praktijkverklaring te halen.11
   1.2	Inclusie onderdeel van juridische kaders en
            internationaal recht
            Inclusie is een belangrijke waarde in democratische samenlevingen en is vastgelegd in
            nationale en internationale beleidsafspraken en recht. Inclusie heeft ook een plaats in
            specifieke onderwijswet- en regelgeving.
            Wat is inclusie?
            Inclusie verwijst in dit advies naar het creëren van voorwaarden om mensen met en zonder
            een beperking gelijkwaardig te laten deelnemen aan de samenleving.12 Gelijkwaardige
            deelname betekent dat mensen met een beperking net zo goed als degenen zonder een
            beperking kunnen deelnemen aan sociale activiteiten zoals werk, onderwijs, cultuur en
            sport, relaties kunnen ontwikkelen en de regie kunnen voeren over hun eigen leven.13
            4	  Voorbeeld uit Transitiebureau Jeugd, 2014.
            5	  Voorbeeld uit Peters, 2016.
            6	  Voorbeeld uit Transitiebureau Jeugd, 2014.
            7	  Voorbeeld uit Peters, 2016.
            8    Terzi, 2014.
            9    Schuman, 2014.
            10 Voorbeeld uit Visser, Van der Vliet & De Ronde-Davidse, 2017.
            11	 Praktijkschool Fryslân is een samenwerkingsconcept van Steunpunt Zorg & Onderwijs Fryslân,
                 diverse (beschutte) leer-werkbedrijven, dagbestedingslocaties en onderwijsinstellingen in Friesland;
                 zie Praktijkschoolfryslan.frl
            12	 In brede zin betekent inclusie het creëren van voorwaarden om mensen op gelijkwaardige wijze
                 deel te laten nemen aan de samenleving, ongeacht (achtergrond)kenmerken als sekse, leeftijd,
                 sociaaleconomische status en beperkingen. In de literatuur wordt inclusie ook in een smallere
                 betekenis gebruikt als de inclusie van mensen met een beperking (Ainscow et al., 2006; Norwich,
                 2013, 2014). De Onderwijsraad hanteert in dit advies inclusie in deze smallere betekenis.
15          13 Zie Simplican, Leader, Kosciulek & Leahy, 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   Het belang van inclusie
   Inclusie van mensen met een beperking draagt bij aan hun functioneren, waardigheid
   en levensgeluk.14 Een inclusievere samenleving is niet alleen gunstig voor mensen met
   een beperking. Ook anderen zullen ervaren dat beter rekening wordt gehouden met
   verschillende behoeften. Alle mensen hebben tot op zekere hoogte ondersteuning en
   toerusting nodig. En de meesten zullen te maken krijgen met een beperking van anderen
   of zichzelf. Een inclusievere samenleving anticipeert op de kwetsbaarheid van mensen en
   helpt hen daarmee beter en milder om te gaan.15
   Een inclusievere samenleving heeft ook economische voordelen.16 Inclusie stelt mensen
   met een beperking immers beter in staat zelfstandig te leven en productief te zijn. Een
   samenleving kan profiteren van talenten die in een minder inclusieve samenleving
   verborgen zouden blijven. Inclusie kan veelal voorkómen dat mensen met een beperking
   afhankelijk worden van intensieve en dure voorzieningen. Ten slotte kan inclusie
   voorkomen dat een specifieke groep mensen met een gedragsbeperking een verstorende
   invloed heeft op de samenleving waarvoor vervolgens weer voorzieningen nodig zijn.
   Inclusie levert mensen met een beperking en de samenleving als geheel dus heel wat
   op. Bovenal is het echter een principiële opdracht, die nauw verwant is met de identiteit
   van democratische samenlevingen.17 Deze hanteren het uitgangspunt dat alle mensen –
   ongeacht hun sekse, leeftijd, uiterlijke kenmerken, beperkingen, afkomst, achtergrond en
   geloofsopvattingen – op een gelijkwaardige manier kunnen meedoen.18
   Inclusie maakt dan ook deel uit van internationale en nationale beleidsafspraken en recht.19
   Algemene kaders voor inclusie
   Inclusie is vastgelegd in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische
   ziekte (hierna: Wet gelijke behandeling HCZ). Deze wet verbiedt onderscheid te maken
   tussen mensen met en zonder handicap of chronische ziekte bij de toegang tot diensten en
   goederen, waaronder het onderwijs (artikel 5b). Wordt dat onderscheid wel gemaakt, dan
   is sprake van discriminatie. Onderwijsinstellingen mogen mensen vanwege een handicap
   of chronische ziekte niet anders behandelen dan anderen in een vergelijkbare situatie.20
   Scholen zijn ook verplicht doeltreffende aanpassingen door te voeren naar de behoefte van
   degene met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat voor de school een onevenredige
   belasting vormt.
   De Wet gelijke behandeling HCZ heeft een vertaling gekregen in de Wet passend
   onderwijs, die voor scholen een zorgplicht introduceerde ten aanzien van leerlingen met
   een beperking. Voor een bespreking van de zorgplicht, zie paragraaf 3.2.
   Inclusie heeft ook een plaats in het internationaal recht. Nederland heeft in 2016 het
   verdrag van de Verenigde Naties inzake rechten van personen met een handicap
   geratificeerd. Het VN-verdrag handicap, dat 160 landen inmiddels hebben ondertekend,
   heeft als doel de rechten van mensen met een beperking te bevorderen, beschermen
   en waarborgen. Grondbeginselen in het verdrag zijn (a) de toegankelijkheid van sociale
   activiteiten en bijbehorende voorzieningen, (b) de persoonlijke autonomie om keuzes
   te maken uit dit aanbod en (c) de mogelijkheid te participeren in activiteiten.21 Het VN-
   verdrag handicap is niet het enige, maar wel het meest omvattende en richtinggevende
   internationale kader voor de rechten van mensen met een beperking. Deelgebieden van
   het verdrag variëren van werk en onderwijs tot zorg, huisvesting, cultureel leven, recreatie
   en sport.
   De Nederlandse overheid heeft in samenwerking met het veld het VN-verdrag handicap
   vertaald in het beleidsprogramma Onbeperkt meedoen!22 Het programma bestrijkt de
   leefgebieden die het VN-verdrag noemt. Voor elk gebied zijn actielijnen geformuleerd met
   maatregelen die het bijvoorbeeld voor werkgevers aantrekkelijker maken mensen met
   een beperking in dienst te nemen, en richtlijnen die de toegankelijkheid van gebouwen,
   verkeer en tekstuele informatie verbeteren. Op een aantal punten zijn er voorstellen om de
   wetgeving aan te scherpen.
   14  Felder, 2018.
   15  Ibid.
   16  Simplican, Leader, Kosciulek & Leahy, 2015.
   17  Felder, 2018.
   18  Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2014.
   19  De Beco, 2018.
   20  Artikel 3 van de wet somt enkele uitzonderingen op dit verbod op.
   21  United Nations, 2016, zie artikel 3, Algemene principes. Zie ook Felder, 2018.
16 22  Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>           Kaders voor inclusie in het onderwijs
           In artikel 24 van het VN-verdrag handicap is het recht op onderwijs voor mensen met
           een beperking uitgewerkt.23 Dit artikel bepaalt dat de aangesloten staten het recht van
           personen met een beperking op kwalitatief goed onderwijs zonder discriminatie en op
           basis van gelijke kansen erkennen en daartoe een inclusief onderwijssysteem op alle
           niveaus nastreven. Weigering van redelijke aanpassingen die nodig zijn voor leerlingen
           met een beperking, geldt als discriminatie. Een ‘inclusief systeem’ biedt de voorzieningen
           die leerlingen met een beperking nodig hebben om samen met leerlingen zonder een
           beperking onderwijs te volgen. Het verdrag schrijft voor dat leerlingen met een beperking
           zo min mogelijk gescheiden worden van overige leeftijdgenoten.
           Inclusie heeft met de Wet passend onderwijs een plaats gekregen in de onderwijswetten
           (zie tekstkader). Het gaat hier om de zorgplicht passend onderwijs van scholen en de
           opdracht voor het samenwerkingsverband van scholen om in de regio een samenhangend
           geheel van begeleidings- en ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen te
           bieden. De Onderwijsraad heeft er eerder op gewezen dat de Wet gelijke behandeling HCZ
           en het VN-verdrag handicap strikter zijn als het gaat om inclusie (zie ook paragraaf 3.2).24
           In het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) bestaat geen specifieke zorgplicht van
           scholen voor studenten met een beperking, maar geldt wel een toelatingsrecht.25 Dit
           betekent dat een student wordt toegelaten tot de instelling en opleiding van keuze, onder
           een aantal voorwaarden. Zo moet de student zich vóór 1 april aanmelden en aan de
           vooropleidingseisen voldoen. Ook wanneer de student is toegelaten, zijn er voorwaarden.
           Zo is in 2017 tegelijk met het toelatingsrecht het bindend studieadvies ingevoerd.26
   Wet passend onderwijs
   Het onderwijsbeleid voor leerlingen met een beperking is vormgeven volgens de in 2014
   ingevoerde Wet passend onderwijs. Passend onderwijs beoogt op doelmatige wijze een
   geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen scholen te realiseren, zodat
   alle leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen en leerlingen met
   een ondersteuningsbehoefte een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs kunnen
   krijgen.27 Scholen in het primair en voortgezet onderwijs hebben de zorgplicht een
   passende plaats voor kinderen te organiseren op de eigen school of ouders te helpen
   bij het vinden van een andere school – binnen het eigen schoolbestuur dan wel in het
   regionale samenwerkingsverband van schoolbesturen waartoe het eigen bestuur behoort.
   Die hulp is geboden wanneer de school van aanmelding niet zelf de extra ondersteuning
   kan bieden die het kind nodig heeft. Is de school daartoe wel in staat, dan dient het
   schoolbestuur na overleg met de ouders een ontwikkelingsperspectief vast te stellen. In dit
   document staat beschreven welke ondersteuning het kind op de school krijgt.
   De bekostiging voor de extra ondersteuning loopt via de overheid, het
   samenwerkingsverband en het schoolbestuur. De samenwerkingsverbanden bepalen
   hoe zij het budget verdelen en wie in aanmerking komt voor zwaardere ondersteuning. Zij
   hebben ook een taak bij het eventueel doorverwijzen van leerlingen naar scholen die zijn
   gespecialiseerd in het bieden van extra ondersteuning. Samenwerkingsverbanden leggen
   in een ondersteuningsplan vast wat het basisniveau van ondersteuning op scholen is en
   welke extra ondersteuning beschikbaar is op scholen in de regio. Die scholen leggen de
   extra ondersteuning weer vast in hun ondersteuningsprofiel.
   In het mbo dragen instellingen zorg voor een passend aanbod voor onderwijs en
   ondersteuning, daartoe aangezet door het toelatingsrecht van studenten, dat in 2017 is
   ingevoerd. Het budget voor ondersteuning maakt deel uit van de lumpsum die instellingen
   ontvangen.28 In bijlage 1 staat een uitvoeriger beschrijving van het beleidsprogramma
   Passend onderwijs en de voorafgaande programma’s. Ook bevat deze bijlage een korte
   samenvatting van de bevindingen van de Evaluatie Passend Onderwijs. Bijlage 2 zet de
   uitgangspunten van dit en de twee voorgaande beleidsprogramma’s naast elkaar.
           23	Een belangrijke basis voor artikel 24 is gelegd in de Salamanca-verklaring uit 1994. Het Europees Sociaal
               Handvest is ook relevant voor het recht op inclusief onderwijs. Daarin wordt bepaald dat personen met
               een handicap recht hebben op onafhankelijkheid, sociale integratie en participatie in het leven van de
               gemeenschap. Het betreft ook een waarborg voor het recht op onderwijs voor personen met een handicap.
               Voldoende toegang tot een inclusief onderwijssysteem wordt gezien als een onderdeel daarvan.
           24 Onderwijsraad, 2016.
           25	Ook is de Wet gelijke behandeling HCZ van toepassing voor het middelbaar beroepsonderwijs en geeft
               de Wet educatie en beroepsonderwijs aan dat het bevoegd gezag verplicht is in het onderwijsprogramma het
               ondersteuningsaanbod “voor gehandicapte deelnemers” te expliciteren in het algemene onderwijs­programma
               (zie artikel 7.4.8 WEB) en de individuele onderwijsovereenkomst (zie artikel 8.1.3. lid 3 sub g WEB).
           26 Artikel 8.1.7a WEB.
           27	Kamerstukken II, 2011-2012, 33 106, nr. 3, Memorie van toelichting; zie ook Ledoux, Waslander & Eimers,
               2020; Teeuwen & Dekkers, 2019.
17         28 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>   1.3       Samenleving kan inclusiever worden – ook het onderwijs
             Hoewel inclusie van mensen met een beperking een plaats heeft gekregen in beleid en
             wetgeving, constateert de raad dat de samenleving in de praktijk op veel punten nog een
             slag kan maken. Ook in het onderwijs. De raad erkent de inspanningen die nu al geleverd
             worden om vele leerlingen met een beperking gelijkwaardig onderwijs te bieden, en heeft
             daar veel waardering voor. Hij constateert echter dat er ruimte is voor verbetering en dat het
             onderwijs de opdracht heeft meer inclusie na te streven. Niet alleen om schrijnende situaties
             te voorkomen, maar ook omdat het onderwijs de taak heeft de waarde van inclusie uit te
             dragen. De noodzaak van inclusiever onderwijs wordt in toenemende mate onderschreven.
             Er bestaat echter onduidelijkheid over de definitie van inclusiever onderwijs en de manier
             waarop dit te realiseren is.
             Samenleving als geheel kan inclusiever worden
             Uit diverse evaluatierapporten, waaronder rapporten van de Wetenschappelijke Raad
             voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en een
             schaduwrapportage van de Alliantie VN-verdrag Handicap (zie tekstkaders), blijkt dat
             mensen met een beperking aanzienlijk minder kans hebben deel te nemen aan het
             arbeidsproces en de samenleving als geheel dan mensen zonder een beperking.29
             Volwassenen met een beperking zitten meer dan twee keer zo vaak zonder werk als
             anderen. Vooral mensen met een psychische beperking hebben moeite aan het werk te
             komen. Daarbij hebben ze een lager inkomen, een lagere levensverwachting en nemen
             ze minder vaak deel aan culturele, sportieve en politieke activiteiten. Velen ervaren dat
             ze worden buitengesloten of weinig zeggenschap hebben over hun leven. Een deel leidt
             een sociaal geïsoleerd bestaan en is voor zowel de ondersteuning als sociale contacten
             grotendeels afhankelijk van familieleden en zorgprofessionals.
     Arbeidsmarkt kan inclusiever
     Uit een onderzoek van het SCP blijkt dat 31% van de werkgevers zich verantwoordelijk
     voelt om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Voor 38% geldt dit
     enigszins. Het overige deel ziet dit niet als hun verantwoordelijkheid. Dat werkgevers zich
     verantwoordelijk voelen, wil nog niet zeggen dat ze ook plekken creëren voor mensen met
     een arbeidsbeperking. 17% van de werkgevers heeft werknemers met een arbeidsbeperking
     in dienst. De anderen geven aan dat er geen geschikte functies zijn of dat ze te weinig
     capaciteit hebben voor begeleiding en ondersteuning. Veel werkgevers zijn ook niet bekend
     met subsidieregelingen voor het in dienst nemen van mensen met een beperking.30
     Schaduwrapportage van de Alliantie VN-verdrag Handicap
     In een schaduwrapportage beschrijft de Alliantie VN-verdrag Handicap de dagelijkse praktijk
     en ervaringen van mensen met een beperking, ondersteund door cijfers over participatie
     en uitsluiting. De Alliantie presenteert deze rapportage in 2020 aan het VN-comité voor
     de rechten van personen met een beperking. Dit internationale comité beoordeelt hoe het
     gesteld is met de implementatie van het VN-verdrag handicap in Nederland aan de hand van
     deze rapportage, een eerder verschenen rapport van het College voor de Rechten van de
     Mens (december 2018) en de nulmeting van de Nederlandse overheid (juli 2018).
             Ook het onderwijs kan inclusiever worden
             De groep mensen met een beperking die belemmerd worden mee te doen aan de
             samenleving, omvat ook jongeren. Een kleine, maar substantiële minderheid volgt geen
             onderwijs. Dit laatste betreft jongeren met een vrijstelling van leerplicht, thuiszitters en
             voortijdig schoolverlaters (zie tekstkader).
             De meerderheid van de jongeren met een beperking volgt wel onderwijs. Het
             onderzoeksprogramma Evaluatie Passend Onderwijs geeft aan dat scholen er doorgaans
             in slagen hen ondersteuning en toerusting te bieden.31 Het onderzoek kan niet precies
             aangeven in hoeverre leerlingen met een beperking onderwijs volgen dat gelijkwaardig
             is aan dat van leerlingen zonder een beperking. Maar het levert wel indicaties op dat er
             29	Alliantie VN-verdrag Handicap, 2019; Sociaal en Cultureel Planbureau, 2019; Wetenschappelijke Raad
                 voor het Regeringsbeleid, 2020. De beperkte inclusie van mensen met een beperking is niet uniek voor
                 Nederland. Deze geldt ook voor andere landen. Zie Simplican, Leader, Kosciulek & Leahy, 2015.
             30 Sociaal en Cultureel Planbureau, 2019.
18           31 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>            leerlingen met een beperking zijn die onderwijs volgen onder suboptimale omstandigheden.
            Bijvoorbeeld leerlingen die vanwege een beperking langdurig worden gepest,
            onderpresteren, op een lager niveau onderwijs volgen dan ze eigenlijk zouden kunnen,
            gedwongen zijn een school te kiezen die op grote afstand van hun huis ligt of niet bij hen
            past, of onderwijs volgen dat hen er niet op voorbereidt een baan te vinden en zich staande
            te houden in de samenleving.32 Voor al deze kinderen geldt dat het onderwijs ver afstaat van
            de waarde van inclusie.
            Passend onderwijs kent geen expliciete doelstellingen over de verdeling van leerlingen met
            een beperking over het regulier en speciaal onderwijs.33 Het aantal leerlingen dat wordt
            verwezen naar het speciaal onderwijs geldt wel vaak als een indicator van inclusiever
            onderwijs.34 Hoewel een directe vergelijking tussen landen of tussen regulier en speciaal
            onderwijs problematisch is (zie tekstkader), valt op dat veel landen de afgelopen jaren
            het percentage leerlingen in het speciaal onderwijs omlaag hebben gebracht, terwijl dat
            Nederland niet gelukt is.35 Het aandeel leerlingen in het speciaal onderwijs neemt in
            Nederland de laatste jaren zelfs toe.36 Dit is een indicatie dat het onderwijs eerder minder
            dan meer inclusief wordt.
   Leerlingen met een vrijstelling, thuiszitters en voortijdig schoolverlaters
   Volgens artikel 5, onder a van de Leerplichtwet is een jongere vrijgesteld van de plicht
   tot inschrijving wanneer hij op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot
   een school te worden toegelaten. De ouders of verzorgers moeten het gemeentebestuur
   laten weten dat ze een beroep doen op deze vrijstellingsgrond, en een recente verklaring
   van een arts, pedagoog of psycholoog overleggen. In 2017-2018 ging het in het primair en
   voortgezet onderwijs om in totaal 5576 jongeren.37 Volgens artikel 11 van de Leerplichtwet is
   een leerling vrijgesteld van de plicht tot geregeld schoolbezoek als ziekte hem verhindert de
   school te bezoeken.
   Thuiszitters worden in het primair en voortgezet onderwijs gedefinieerd als jongeren die
   langer dan drie maanden geen onderwijs volgen terwijl ze wel leerplichtig zijn. In 2018-
   2019 ging het om 4790 jongeren.38 In het middelbaar beroepsonderwijs worden thuiszitters
   gedefinieerd als kwalificatieplichtige jongeren (tot 18 jaar) die zonder geldige reden meer dan
   vier weken ongeoorloofd verzuimen. Op basis van een enquête onder opleidingsmanagers
   ligt het aantal thuiszitters in het mbo naar schatting tussen de 2000 en 2600.39 Hoeveel
   thuiszitters een beperking hebben, is niet in kaart gebracht.
   Langdurig verzuim is vaak een voorbode van voortijdig schoolverlaten. Het gaat om
   kwalificatieplichtige jongeren die de opleiding vóór hun 18e verlaten hebben en niet meer
   ingeschreven staan bij een school.40 In 2018-2019 ging het om 4539 jongeren in het
   voortgezet onderwijs en 21.571 in het middelbaar beroepsonderwijs. In totaal nam hun aantal
   licht toe.41 Ook bij deze groep is onbekend hoeveel jongeren een beperking hebben.
   Percentages speciaal onderwijs
   In 2018-2019 volgde 1,91% van de leerlingen in de basisschoolleeftijd speciaal onderwijs.42
   In dezelfde periode volgde van de oudere leerlingen in het funderend onderwijs 3,41%
   voortgezet speciaal onderwijs. Het aandeel leerlingen in het speciaal onderwijs is voor beide
   sectoren de afgelopen jaren licht toegenomen.43 Speciaal onderwijs kent in Nederland een
   definitie die gerelateerd is aan het huidige systeem van onderwijssectoren, bekostiging
   en wetgeving: het betreft onderwijs verzorgd onder de Wet op expertisecentra. Er zijn ook
   onderwijssoorten die formeel tot het regulier onderwijs behoren, maar overeenkomsten
            32	De Inspectie van het Onderwijs (2020) signaleert tegenvallende onderwijsresultaten bij leerlingen
                met een ondersteuningsbehoefte en schrijft die toe aan het aanbod van voorzieningen. Andere
                indicaties zijn de klachten die bijvoorbeeld onderwijsconsulenten en de Kinderombudsman
                regelmatig ontvangen over een beperkt aanbod van voorzieningen op scholen om leerlingen met een
                beperking onderwijs te laten volgen.
            33 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020. Zie ook Inspectie van het Onderwijs, 2020.
            34 European Agency for Development in Special Needs Education, 2016.
            35 European Agency for Development in Special Needs Education, 2016; Pijl & Frissen, 2009; Pijl, 2016.
            36 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019c.
            37 Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, 2019a.
            38 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2020a.
            39 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019b.
            40 Eimers & Kennis, 2019.
            41 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2020b.
            42	Voor een toelichting van de schoolsoorten, zie het historisch overzicht van beleidsprogramma’s in
                bijlage 1 van dit advies.
            43	Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2020c, zie Bijlage: Ontwikkelingen
19              leerlingaantallen 2011-2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>   vertonen met het speciaal onderwijs: speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs.
   Deze onderwijssoorten bieden leerlingen extra ondersteuning en toerusting in de vorm
   van een kleinere klas en extra (specialistische) begeleiding. Leerlingen hebben hiervoor
   een indicatie nodig op grond van een (cognitieve) beperking. In dit verband kan ook het
   leerwegondersteunend onderwijs worden genoemd, een traject binnen het vmbo waarvoor
   op veel scholen ook een indicatie nodig is. In het primair onderwijs volgde in 2018-2019
   2,49% van de leerlingen speciaal basisonderwijs. De afgelopen jaren is het percentage licht
   gestegen. In het voortgezet onderwijs volgde in dezelfde periode 3,05% van de leerlingen
   praktijkonderwijs en 5,24% leerwegondersteunend onderwijs. Waar het aandeel leerlingen
   dat praktijkonderwijs volgt de afgelopen jaren ongeveer gelijk bleef, is het aandeel dat
   leerwegondersteunend onderwijs volgt aanzienlijk gedaald.44 Deze daling hangt samen met
   de grotere beleidsruimte die samenwerkingsverbanden hebben gekregen om ondersteuning
   te bieden aan deze groep leerlingen.45
   Het middelbaar beroepsonderwijs kent geen opleidingen die gespecialiseerd zijn in het
   bieden van ondersteuning aan studenten met een beperking. Mbo-studenten met een
   beperking kunnen wel terecht op verschillende niveaus van opleidingen.
   Speciaal of regulier zegt niet alles over inclusie
   Het percentage leerlingen met een beperking in het speciaal onderwijs geldt internationaal
   als een belangrijke indicator voor inclusie in het onderwijs. Dit is in lijn met het VN-verdrag
   handicap, dat stelt dat leerlingen met een beperking zo min mogelijk gescheiden mogen
   worden van andere leerlingen (zie paragraaf 1.2).
   Nederland heeft in vergelijking met andere landen een hoog percentage leerlingen die
   naar het speciaal onderwijs gaan.46 Een directe vergelijking tussen landen is echter
   problematisch, omdat definities van regulier en speciaal onderwijs verschillen. Daarnaast is
   onbekend of leerlingen met een beperking in andere landen evenveel ondersteuning krijgen
   als in Nederland en of ze even goed in staat worden gesteld deel te nemen aan gezamenlijke
   activiteiten op school.47 Om de inclusie in het onderwijs tussen landen te vergelijken, is
   onderzoek nodig naar het niveau van ondersteuning en de deelname van leerlingen met een
   beperking over langere tijd. Zulk onderzoek is op dit moment niet voorhanden.
   Voor een vergelijking tussen regulier en speciaal onderwijs in Nederland biedt onderzoek
   evenmin uitsluitsel. Er zijn aanwijzingen dat zowel leerlingen met, als leerlingen zonder
   een beperking er in hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling op vooruit gaan als
   zij samen onderwijs krijgen.48 Er zijn ook aanwijzingen dat leerlingen met een beperking
   op sociaal-emotioneel gebied iets beter af zijn in het speciaal onderwijs dan in het regulier
   onderwijs.49 Leerlingen die regulier onderwijs volgen, hebben in principe meer kans op een
   baan, maar dat verschil wordt voor leerlingen in het speciaal onderwijs gecompenseerd door
   meer aandacht voor beroepsoriëntatie en toeleiding naar de arbeidsmarkt.50 Nederlandse
   en diverse buitenlandse studies laten zien dat het voor de cognitieve prestaties niet
   uitmaakt of er meer of minder leerlingen met een beperking in de klas zitten.51 Er zijn echter
   ook buitenlandse onderzoeken die erop wijzen dat de aanwezigheid van leerlingen met
   gedragsproblemen in een klas wél nadelige effecten kan hebben.52
   In het algemeen geldt dat gemiddeld de verschillen tussen de settings klein zijn en
   onderzoeken elkaar soms tegenspreken. Het gaat om leerlingen met uiteenlopende
   beperkingen, en de condities in het regulier en speciaal onderwijs zijn geen vast gegeven.
   Veel hangt immers af van de geboden ondersteuning en toerusting. Bovendien zijn er steeds
   meer mengvormen van regulier en speciaal onderwijs.53
           44	Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zie Bijlage: Ontwikkelingen leerlingaantallen 2011-2019.
           45	Samenwerkingsverbanden kunnen sinds 2016 voor een ‘opting out’-mogelijkheid kiezen, waarbij ze
               eigen in plaats van landelijke criteria hanteren voor de toewijzing van hun ondersteuningsbudget aan
               leerwegondersteunend onderwijs (lwoo). Deze opting out-mogelijkheid loopt vooruit op het voornemen
               van het ministerie van OCW om samenwerkingsverbanden op termijn zélf te laten bepalen volgens welke
               criteria en voor hoe lang zij lwoo toewijzen en/of welke scholen een lwoo-licentie krijgen.
           46 European Agency for Development in Special Needs Education, 2016; Pijl & Frissen, 2009; Pijl, 2016.
           47	De Beco, 2018; Bossaert, De Boer, Frostad, Pijl & Petry, 2015.
           48 Van der Bij, 2017.
           49	Ledoux et al., 2015.
           50 Jepma & Visser, 2010.
           51	Ruijs, Van der Veen & Peetsma, 2010; zie ook Graaf & Hove, 2015; Hehir et al., 2016; Jepma, 2003;
               Oh-Young & Filler, 2015; Ruijs, 2017; Szumski, Smogorzewska & Karwowski, 2017.
           52	Carrell, Hoekstra & Kuka, 2018; Kristoffersen, Krægpøth, Nielsen & Simonsen, 2015; Neidell &
               Waldfogel, 2010;
20         53	Haug, 2017; Hornby, 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>       Noodzaak inclusiever onderwijs steeds meer erkend, maar er is nog onduidelijkheid
       over definitie en aanpak
       De noodzaak van inclusiever onderwijs wordt wereldwijd en ook in Nederland in toenemende
       mate onderschreven.54 Het streven naar inclusiever onderwijs vormt onderdeel van
       de internationale en nationale beleidsafspraken en recht. Het is echter onduidelijk wat
       inclusiever onderwijs precies inhoudt en hoe dit in de Nederlandse context te realiseren is.
       De definitie van inclusiever onderwijs in het VN-verdrag handicap benadrukt de gezamenlijke
       deelname van leerlingen met en zonder handicap.55 Zij dienen volgens het verdrag “zo min
       mogelijk gescheiden te worden”.56 In de literatuur komen afwijkende definities van inclusiever
       onderwijs voor, die andere aspecten van inclusie benadrukken zoals een ononderbroken
       ontwikkeling, adequate ondersteuning en toerusting, afstemming van het onderwijs op
       de eigen ontwikkelingsbehoeften, thuisnabij onderwijs, vrije schoolkeuze en respectvolle
       omgang.57 Definities die naast gezamenlijk onderwijs ook ondersteuning en toerusting van de
       leerling benadrukken, laten meer ruimte voor speciaal onderwijs dan het VN-verdrag doet.58
       Het VN-verdrag, dat de Nederlandse overheid heeft geratificeerd, is richtinggevend voor
       het landelijke onderwijsbeleid; de afzonderlijke onderwijsinstellingen zijn gehouden aan
       juridische kaders, in het bijzonder de Wet gelijke behandeling HCZ. Het is vooralsnog
       onduidelijk hoe de Wet gelijke behandeling HCZ zich verhoudt tot inclusiever onderwijs. Om
       dit na te gaan, is allereerst een verheldering van de definitie van inclusiever onderwijs nodig
       (zie paragraaf 2.1).
   1.4 Adviesvraag: hoe kan het onderwijs inclusiever worden?
       Voor een tweede keer sinds de invoering van het beleidsprogramma Passend onderwijs
       brengt de Onderwijsraad hierover een advies uit aan de minister.59 De eerste keer lag de
       focus op de implementatie en evaluatie van het beleid. Met dit tweede advies, aan het
       einde van de vijfjarige beleidsperiode, richt de raad zich vooral op ontwikkeling van het
       beleid op de lange termijn. Daarbij neemt hij het streven naar inclusiever onderwijs als
       uitgangspunt, omdat dit een principiële opdracht van het onderwijs is. Die opdracht is
       bovendien nauw verweven met twee normatieve uitgangspunten die de raad hanteert voor
       onderwijs: toegankelijkheid en kwaliteit. Toegankelijkheid betekent dat kinderen en jongeren
       in Nederland op gelijkwaardige wijze bij publiek bekostigde scholen onderwijs kunnen volgen
       dat aansluit bij hun capaciteiten. Kwaliteit verwijst naar de mate waarin het onderwijs de
       drie kerntaken van kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming van leerlingen realiseert.60
       Het gaat dan om de voorbereiding op een beroep/loopbaan én het functioneren in de
       samenleving in brede zin en in al zijn diversiteit.61 Scholen zijn volgens de raad bij uitstek de
       plek waar jongeren kunnen leren omgaan met verschillen.62 Verschillen in behoeften tussen
       leerlingen met en zonder een beperking horen volgens de raad een plek te krijgen in het
       onderwijs. De adviesvraag luidt daarom als volgt.
       Hoe kan het onderwijs inclusiever worden voor kinderen en jongeren met een beperking?
       De raad onderscheidt de volgende deelvragen:
       • Wat is inclusiever onderwijs?
       • Hoe verhouden definities van inclusiever onderwijs zich tot het VN-verdrag handicap?
       •	Hoe verhouden definities van inclusiever onderwijs zich tot de Wet gelijke behandeling op
           grond van handicap of chronische ziekte (Wet gelijke behandeling HCZ)?
       • Hoe verhoudt inclusiever onderwijs zich tot het beleidskader van passend onderwijs?
       • Welke maatregelen zijn nodig om het onderwijs inclusiever te maken?
       •	Hoe verhouden deze maatregelen zich tot het beleidskader van passend onderwijs en
           daaraan voorafgaand beleid?
       54	Zie bijvoorbeeld Startconferentie ‘Naar inclusiever onderwijs’ van het landelijk praktijkplatform voor
           het onderwijs en gemeenten, 12 februari 2020.
       55	De Beco, 2018.
       56	De nadruk op gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder beperking blijkt bijvoorbeeld
           uit de vier gradaties van inclusief onderwijs in de toelichting op artikel 24 van het verdrag:
           exclusie, segregatie, integratie en inclusie. Inclusie wordt hierbij beschouwd als het ideaal dat alle
           onderwijssystemen dienen na te streven. Zie United Nations Committee on the Rights of Persons with
           Disabilities, 2016.
       57 Zie Norwich 2013, 2014.
       58	Norwich, 2013, 2014; De Beco, 2018.
       59	Onderwijsraad, 2016.
       60 Biesta, 2015.
       61	Onderwijsraad, 2015.
21     62 Onderwijsraad, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>   De raad richt zich op het onderwijs aan jongeren met een beperking en een
   kwalificatieplichtige leeftijd. Het gaat dus om leerlingen in het primair onderwijs, voortgezet
   onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en het speciaal onderwijs.
   Voor dit advies zijn ten eerste bronnen gebruikt uit het eerste advies van de raad over
   passend onderwijs.63 Aanvullend literatuuronderzoek is onder andere gebaseerd op de
   resultaten van de Evaluatie Passend Onderwijs.64 Dit is aangevuld met werkbezoeken,
   conferentiebezoeken en gesprekken met allerlei betrokkenen, onder wie leraren,
   leerlingen, ouders, intern begeleiders, zorgcoördinatoren, bestuurders, onderzoekers
   en vertegenwoordigers van diverse belangenverenigingen. Ten slotte heeft de raad
   gebruikgemaakt van de schriftelijke reacties naar aanleiding van de oproep ‘Denkt u mee?’
   op de eigen website.
   Met dit advies wil de raad eerst en vooral voeding geven aan het beleid van de minister.
   Daarnaast richt hij zijn adviezen aan andere betrokkenen die het onderwijs aan leerlingen
   mede vormgeven, in het bijzonder schoolleiders, schoolbestuurders, bestuurders van
   samenwerkingsverbanden en vertegenwoordigers van de overheid.
   Het advies bestrijkt een aantal sectoren en beleidsterreinen. Omwille van de leesbaarheid
   hanteert de raad eenduidige begrippen, waaraan hij een ruimere betekenis toekent. Dit
   betekent dat:
   • hij ook verwijst naar zij;
   • jongere ook naar kind;
   • leerling ook naar deelnemer/student mbo;
   • leraar ook naar docent; en
   •	schoolleider ook naar schoolleiding, schooldirecteur, rector of opleidingsdirecteur.
   Verder verwijst:
   •	school in dit advies in de eerste plaats naar vestigingen van een school of opleiding;
       soms ook naar een onderwijsinstelling (mbo) of schoolbestuur; of naar de schoolleiding
       of het team; en
   •	ketenpartners naar lokale/regionale instanties die een bijdrage (kunnen) leveren
       aan een sluitende keten van onderwijs en zorg, waaronder diverse sectoren van
       het onderwijs, jeugdzorg, leerplicht, verslavingszorg, buitenschoolse opvang en
       zorgaanbieders.
   63 Onderwijsraad, 2016.
   64	Voor een compleet overzicht van de rapporten zie www.evaluatiepassendonderwijs.nl. Voor het
22     eindrapport zie Ledoux, Waslander & Eimers, 2020; voor een beknopte samenvatting zie bijlage 1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>23</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                                2
   advies
   Zorg dat álle scholen klaarstaan voor
   leerlingen met een beperking
   Om inclusiever onderwijs te realiseren adviseert
   de Onderwijsraad dat álle scholen stapsgewijs
   steeds beter klaarstaan voor leerlingen met
   een beperking. De raad richt dit advies aan de
   overheid, schoolbestuurders en schoolleiders. Zij
   hebben een belangrijke rol in het organiseren van
   ondersteuning en toerusting op de school die het
   mogelijk maken dat leerlingen met een beperking
   onderwijs volgen.
25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>       Klaarstaan van álle scholen voor leerlingen met een beperking is in de ogen van de raad
       de belangrijkste strategie om inclusiever onderwijs tot stand te brengen. Deze strategie
       heeft betrekking op alle vestigingen van scholen in het primair, voortgezet, middelbaar
       beroeps- en speciaal onderwijs. De strategie bouwt voort op het huidige beleid voor
       leerlingen met een beperking, maar vereist in een aantal opzichten veranderingen in de
       cultuur en organisatiestructuur van het onderwijs. Cultuur en organisatiestructuur zijn
       hier nauw verweven. Scholen zullen bijvoorbeeld welwillender zijn leerlingen met een
       beperking onderwijs te bieden wanneer leraren daarvoor zijn toegerust met specifieke
       kennis en vaardigheden en kunnen samenwerken met ondersteunende professionals zoals
       onderwijsassistenten en gedragsdeskundigen (organisatiestructuur). Een school zal ook
       beter klaarstaan wanneer deze het belang van inclusiever onderwijs onderschrijft (cultuur).
       De overheid, schoolbestuurders en schoolleiders hebben een belangrijke rol in de cultuur-
       en organisatieverandering die nodig is om het onderwijs inclusiever te maken. Zij kunnen
       leraren en ondersteunende professionals helpen bij het organiseren van randvoorwaarden
       zoals toereikende middelen, geschikte ruimten, tijd, structuren voor samenwerking met
       diverse professionals, en mogelijkheden voor professionalisering, scholing en innovatie.
       Zodra een school de randvoorwaarden op orde heeft, is een volgende stap richting
       inclusiever onderwijs mogelijk. Gaandeweg staan zo steeds meer scholen voor steeds
       meer leerlingen met een beperking klaar.
       In dit hoofdstuk licht de raad toe (1) wat hij onder inclusiever onderwijs verstaat, (2)
       wat klaarstaan voor leerlingen met een beperking betekent en (3) dat de overheid,
       schoolbestuurders en schoolleiders er gezamenlijk zorg voor dragen dat deze strategie op
       álle scholen steeds beter in praktijk wordt gebracht.
   2.1 Wat is inclusiever onderwijs?
       Inclusiever onderwijs verwijst in dit advies naar de doelstelling leerlingen met een
       beperking toegang te geven tot onderwijs dat zo veel mogelijk gelijkwaardig is aan het
       onderwijs van leerlingen zonder een beperking. De raad bakent bet begrip ‘inclusiever
       onderwijs’ af aan de hand van drie elementen: ondersteuning en toerusting, thuisnabij
       onderwijs en gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking. De raad
       kent aan deze elementen een prioriteitsvolgorde toe.65 Inclusiever onderwijs betekent in
       de eerste plaats dat leerlingen met een beperking de ondersteuning en toerusting krijgen
       die voor hen onmisbaar zijn om onderwijs op een school te kunnen volgen. In de tweede
       en derde plaats betekent het dat zij onderwijs volgen dat thuisnabij is en gezamenlijk met
       leerlingen zonder een beperking.66 Inclusiever onderwijs betekent ten slotte dat wordt
       geprobeerd om op de lange termijn deze drie elementen – ondersteuning en toerusting,
       thuisnabij onderwijs en gezamenlijk onderwijs – in combinatie te realiseren. Dit is een
       stip aan de horizon om naartoe te werken: stapsgewijs staan steeds meer scholen voor
       steeds meer leerlingen met een beperking klaar. Paragraaf 2.2 schetst wat de strategie van
       klaarstaan betekent. Hieronder licht de raad eerst de elementen van inclusiever onderwijs toe.
       Ondersteuning en toerusting
       Om onderwijs te kunnen volgen hebben leerlingen met een beperking extra hulp nodig.
       Deze extra hulp, in dit advies ondersteuning genoemd, dient afgestemd te zijn op de
       specifieke beperking en het vermogen van de leerling om met de beperking om te gaan.
       Leerlingen kunnen daarin gaandeweg vaardigheden verwerven en hierbij gebruik maken
       van instrumenten zoals een rolstoel en strategieën die bijvoorbeeld helpen teksten te lezen
       of helpen emoties te controleren. De begeleiding van een leerling bij het gericht verwerven
       van de vaardigheden heet in dit advies toerusting.
       Het ondersteunen en toerusten van leerlingen met een beperking kan betekenen dat ze
       tijdelijk of meer structureel in hun eigen tempo werken, op een andere (schoolse) locatie
       onderwijs volgen of worden begeleid door een andere onderwijsprofessional dan de eigen
       leraar (zie hoofdstuk 4). Deze aanpassingen in tijd, plaats en personeel kunnen spanningen
       opleveren tussen (a) de noodzaak aanpassingen aan te brengen, (b) het streven de
       aanpassingen beperkt te houden, zodat leerlingen met een beperking onderwijs kunnen
       65	Dit ligt in de lijn van de Wet gelijke behandeling HCZ. Zie paragraaf 3.2.
       66	De raad hanteert geen prioriteitsvolgorde tussen de doelstelling van thuisnabij onderwijs en
26         gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>           volgen dat thuisnabij en gezamenlijk is, en (c) de noodzaak aanpassingen organiseerbaar
           en betaalbaar te houden.67 Inclusiever onderwijs is geen keuze tussen regulier of speciaal
           onderwijs. Het betekent juist ook dat mengvormen van regulier en speciaal onderwijs in
           aanmerking komen (zie voorbeeld tekstkader).
           Thuisnabij onderwijs
           De school maakt een belangrijk deel uit van de leefwereld van jongeren, maar is niet de
           enige context waarin zij functioneren. Ook de thuisomgeving en de buurt zijn van groot
           belang. De kans dat jongeren zich optimaal ontwikkelen in deze omgevingen is groter
           wanneer de reistijd ertussen beperkt is. Wanneer zij naar een school gaan die dicht bij huis
           ligt, is de kans bijvoorbeeld groter dat zij vriendschappen hebben met leeftijdgenoten uit de
           buurt of actief zijn in een lokale (sport)vereniging.68
           Wat thuisnabij is, verschilt tussen onderwijssectoren en regio’s in het land. Voor een
           leerling in het primair onderwijs betekent het de buurt of de wijk, voor leerlingen in het
           middelbaar beroepsonderwijs de eigen regio. Daarnaast maakt het uit of de regio dicht- of
           dunner bevolkt is. In het laatste geval is thuisnabij doorgaans verder weg. Het streven blijft
           dan overeind dat leerlingen met een beperking onderwijs volgen op een locatie die niet
           verder ligt van de eigen woning dan die van leeftijdgenoten uit de buurt die voor eenzelfde
           schoolsoort opteren.
           Gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking
           De school kan fungeren als een oefenplaats en een minisamenleving. Dit veronderstelt
           dat leerlingen met een beperking onderwijs volgen samen met andere leerlingen. De raad
           vindt het daarnaast belangrijk dat de school een afspiegeling vormt van de samenleving.
           Voor leerlingen met een beperking betekent dit dat zij ook omgaan met leerlingen zonder
           een beperking en zich verhouden tot normen van samenleven die mensen met en zonder
           een beperking bepalen en uitdragen. Omgang met leerlingen zonder een beperking kan
           bijdragen aan de socialisatie en persoonsvorming van leerlingen met een beperking, en
           hen inspireren zich te kwalificeren en een diploma te behalen. Gezamenlijke omgang is
           ook belangrijk voor leerlingen zonder een beperking. Zij kunnen bijvoorbeeld geïnspireerd
           raken door het vermogen van medeleerlingen met een beperking om belemmeringen
           te overwinnen. Voor alle leerlingen geldt dat gezamenlijk onderwijs hen in staat stelt te
           leren omgaan met diversiteit. Behalve aan individuele vorming draagt dit ook bij aan een
           positieve schoolcultuur. Die is voor iedereen belangrijk, maar kan vooral voor de leerlingen
           met een beperking de doorslag geven of zij zich welkom voelen op een school.
   De Monnikskap: een mengvorm van regulier en speciaal onderwijs
   De Monnikskap in Nijmegen biedt onderwijs aan leerlingen met een lichamelijke beperking,
   waaronder chronische ziekte. De Monnikskap zit in een vleugel van het Dominicus College,
   een reguliere vo-school met havo en vwo. Zo kunnen leerlingen met een beperking door
   maatwerk naar een havo- of vwo-diploma toewerken. Onderwijs vindt plaats in wisselende
   kleine leergroepen omdat leerlingen in eigen tempo werken. Bij langdurig verzuim of
   ziekenhuisopname biedt de school onderwijs op afstand (via e-mail of beeldtelefoon). Waar
   mogelijk sluiten de leerlingen van de Monnikskap aan bij lessen, excursies en activiteiten
   van de leerlingen van de andere afdelingen. Steeds wordt bekeken of verdere stappen naar
   de reguliere setting mogelijk zijn.
   De Monnikskap beschikt over speciaal geschoold personeel. Zo zijn er leraren met
   kennis van medische problematiek en de gevolgen voor het functioneren van de
   leerling. Ook wordt multidisciplinair gewerkt. Er zijn contacten met revalidatieartsen,
   paramedici, ziekenhuismedewerkers, epilepsiedeskundigen, psychiaters en andere
   externe specialisten. De Monnikskap beschikt onder meer over twee rustruimtes met
   hoog-laagbedden, aangepast meubilair, speciale toiletten, verzorgingsruimten en tilliften.
   Leerlingen met een beperking die dat willen en hiervoor een indicatie hebben, kunnen
   daarnaast ook terecht in een van de (achter de school gelegen) 24 zorgappartementen
   voor een combinatie van wonen, zorg en passend onderwijs. Iedere leerling heeft een
   aangepast rooster en een individuele leerlijn.
           67	 Norwich, 2013, 2014; De Beco, 2018.
27         68	 Abbott & McConkey, 2006.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>     Toen de school vijftien jaar geleden werd gebouwd, is al rekening gehouden met speciale
     faciliteiten en mogelijke integratie van de leerlingengroepen. Tussen de afdelingen zijn
     klapdeuren. Die waren vroeger dicht, maar staan nu permanent open, omdat er steeds
     meer uitwisseling is tussen de afdelingen.
     Om het gezamenlijk groepsgevoel te vergroten, zijn leerlingen van het projectteam
     Onderwijsvernieuwing momenteel bezig met het gelijktrekken van pauzetijden, aanpassing
     van de duur van de lessen, invoering van gezamenlijk vakoverstijgend projectonderwijs
     en het organiseren van gezamenlijke symposia. Met Duits en Nederlands is er al een
     gezamenlijk project. Leerlingen van het Dominicus College schuiven hier aan bij die van de
     Monnikskap.69
   2.2	Inclusiever onderwijs vergt dat de school klaarstaat met
              ondersteuning en toerusting
              Bij inclusiever onderwijs bieden scholen niet alleen directe ondersteuning en toerusting
              aan leerlingen met een beperking, maar ook indirecte ondersteuning en toerusting aan het
              lerarenteam, de medeleerlingen en de ouders. Wanneer een bredere groep van mensen
              rondom de leerling met een beperking klaarstaat, zijn effectiever en eerder ondersteuning
              en toerusting mogelijk en zijn die de hele schoolperiode geborgd. Ook kan er dan een
              schoolcultuur ontstaan waarin leerlingen met een beperking zich welkom voelen.
              Klaarstaan betekent dat ondersteuning en toerusting voor een deel voorhanden zijn
              op de school voordat de leerling met een beperking zich aanmeldt, bijvoorbeeld
              door de aanwezigheid van een intern begeleider, rolstoelvriendelijke lokalen en
              professionaliseringstrajecten waarbij leraren vaardigheden ontwikkelen om gedifferentieerd
              les te geven. Omdat beperkingen sterk uiteen kunnen lopen, is het niet reëel te verwachten
              dat alle mogelijke expertise en faciliteiten voor begeleiding en ondersteuning te allen tijde
              op de school aanwezig zijn (zie ook paragraaf 4.3). Klaarstaan betekent ook dat de school
              in staat is op korte termijn voorzieningen beschikbaar te krijgen. Dat kan bijvoorbeeld door
              samenwerking met andere instellingen.
              Klaarstaan voor leerlingen met een beperking en voor degenen die betrokken zijn bij hun
              onderwijs is een eerste voorwaarde voor inclusiever onderwijs. Daarnaast is het zaak
              dat betrokkenen daadwerkelijk gebruikmaken van deze ondersteuning en toerusting.
              Dat vergt een inclusieve houding en een inclusieve cultuur. Paragraaf 2.3 geeft aan hoe
              schoolleiders, (en meer indirect) schoolbestuurders en de overheid kunnen bijdragen om
              een inclusieve cultuur op school te creëren. Hieronder licht de raad toe hoe leerlingen
              met een beperking en degenen die direct met hen te maken hebben, kunnen worden
              ondersteund en toegerust.
              Ondersteuning en toerusting van leerlingen met een beperking
              De ondersteuning en toerusting van leerlingen met een beperking kunnen didactisch,
              pedagogisch, pedagogisch-maatschappelijk, psychologisch en medisch van aard kan
              zijn. Ze kunnen ook betrekking hebben op de onderwijs- en arbeidsloopbaan van de
              leerling (zie tekstkader). Bij didactische en pedagogische ondersteuning gaat het om
              onderwijsondersteuning en -toerusting. De school kan deze in principe geheel zelf
              bieden. Bij de overige vormen is er sprake van complexe ondersteuning en toerusting.
              De ondersteuning en toerusting op een school hebben niet alleen betrekking op
              onderwijs, maar ook op zorg en/of andere leefwerelden van de leerlingen, waaronder
              vervolgopleidingen en de werkwereld na school. Deze ondersteuning en toerusting
              heten complex omdat ze op basis van andere wetten en vanuit andere budgetten worden
              toegekend en onderwijsprofessionals van de school deze moeten zien in te passen in het
              onderwijs. Dit vergt nauwe samenwerking met ketenpartners, waaronder zorgpartijen,
              vervolgopleidingen en werkgevers.
28            69	 De beschrijving van dit voorbeeld is gebaseerd op een werkbezoek van de raad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   Onderwijsondersteuning en -toerusting
   Onderwijsondersteuning en -toerusting voor een leerling met een beperking op school
   kunnen didactisch of pedagogisch van aard zijn.
   - 	Didactische ondersteuning zijn aanpassingen die de school aanbrengt in het
       onderwijsprogramma, de onderwijswerkvorm en de onderwijssetting om de leerling
       tegemoet te komen. Didactische toerusting is de instructie die de leerling krijgt om
       te leren zelf de leerstrategie af te stemmen op de beperking. Denk aan een planning
       maken om achterstanden in te halen bij veelvuldige ziekte, en een rustige ruimte
       opzoeken om je beter te concentreren. Toerusting betreft ook begeleiding bij het leren
       gebruiken van didactische hulpmiddelen zoals dyslexiesoftware.
   - 	Pedagogische ondersteuning zijn aanpassingen in de manier waarop leraren en klas
       de leerling met een beperking benaderen. Bijvoorbeeld door sociaal-emotionele steun
       te bieden of duidelijke gedragsregels te formuleren. Pedagogische toerusting is de
       leerling helpen zelf beter om te gaan met de beperking, waaronder acceptatie van de
       beperking en bereidheid om ervaringen te delen, zodat anderen kunnen meedenken
       over oplossingen.
   Complexe ondersteuning en -toerusting
   Complexe ondersteuning en toerusting voor een leerling met een beperking op school
   kunnen pedagogisch-maatschappelijk, psychologisch en medisch van aard zijn. Ze kunnen
   ook betrekking hebben op de onderwijs- en arbeidsloopbaan van de leerling.
   - 	Pedagogisch-maatschappelijk: hulp bij het sociaal functioneren van leerlingen in
       verschillende leefwerelden, waaronder de thuissituatie, leeftijdgenoten uit de buurt, en
       de overgangen daartussen. Het gaat ook over omgaan met problemen die voortkomen
       uit de leefwereld van de leerling buiten school en een belemmering vormen voor het
       functioneren op school, zoals een traumatische gezinssituatie, crimineel gedrag, een
       verslaving.
   - 	Psychologisch: therapeutische hulp bij (omgaan met) psychische belemmeringen, zoals
       depressieve gevoelens, angsten en agressieve impulsen.
   - 	Medisch: hulp om fysieke belemmeringen weg te nemen, zoals het rolstoel toegankelijk
       maken van lokalen en toediening van medicatie. Denk bij toerusting aan het instrueren
       van leerlingen om fysieke ingrepen/aanpassingen zelf uit te voeren, zoals zelfmedicatie
       en het meubilair verstellen.
   - 	Loopbaan: extra begeleiding bij overgangen in de loopbaan, waaronder die van de
       ene schoolsoort naar de andere (bijvoorbeeld van primair naar voortgezet onderwijs),
       van school naar werk (waaronder stage) en van school naar een zorgvoorziening.
       Bij zulke overgangen zijn jongeren met een beperking kwetsbaar, omdat de
       voorzieningen waarvan ze afhankelijk zijn voor een goede overstap (nog) niet
       vanzelfsprekend aanwezig zijn in de nieuwe setting. De school kan helpen locaties
       te vinden waar die voorzieningen voorhanden zijn, dan wel erop aandringen dat deze
       georganiseerd worden. Ook kan de school de leerling helpen zich te oriënteren en
       sociaal weerbaar te maken voor de nieuwe setting. Onder extra loopbaanbegeleiding
       valt ook de eventuele teruggeleiding van de leerling vanuit de nieuwe context naar
       de school waar hij voorheen onderwijs volgde. Zo kan een leerling die vastloopt in
       een eerste baan, geholpen worden bij de terugkeer naar school, waar hij aanvullende
       beroepsvaardigheden leert.
           Er is ook een verschil tussen lichte en zwaardere ondersteuning. In het eerste geval
           volstaan kleine aanpassingen op school. Leraren geven de leerling bijvoorbeeld extra
           positieve aandacht of laten hem vaker in eigen tempo of buiten de klas werken. Ook een
           verpleegkundige of assistent die dagelijks even langs komt op school voor medicatie, valt
           daaronder. Bij zwaardere ondersteuning gaat het om ingrijpende aanpassingen. Denk
           aan een professional die de hele schooldag specialistische hulp geeft of de les voor zijn
           rekening neemt.
29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>   Tabel 1. Voorbeelden van ondersteuning en toerusting voor leerlingen op school
                                   Licht                                              Zwaarder
    onderwijsondersteuning         extra toetstijd voor leerlingen met dyslexie;      assistent voor zware verstandelijke
    en -toerusting                 hulplessen voor leerlingen met dyscalculie;        handicap; persoonlijk lesrooster voor
                                   aanvullende instructie voor leerlingen met         leerlingen die weinig prikkels kunnen
                                   een verstandelijke beperking; structuur-           verdragen of snel overbelast zijn;
                                   aanpassingen voor leerlingen met adhd;             aanzienlijke verkleining van de klasgrootte
                                   herkansingstoetsen voor leerlingen die             om leerlingen met een beperking extra
                                   vanwege chronische ziekte vaker afwezig            aandacht te geven; extra veiligheidseisen
                                   zijn; toetsangst-trainingen; training in soci-     aan praktijkruimtes voor leerlingen met een
                                   ale vaardigheden voor leerlingen met een           (psycho)motorische beperking
                                   gedragsbeperking
    complexe ondersteuning         medicatie op school voor leerlingen met            aangepast lesprogramma voor zwaardere
    en toerusting                  chronische ziekte; met psycholoog afge-            vormen van autistisme; re-integratie­
                                   stemde begeleiding van leerlingen met              trajecten na langere absentie door school-
                                   milde depressieve klachten; met sociaal-­          angst; persoonlijke onderwijsbegeleiding
                                   maatschappelijk begeleider afgestemde              van ernstig meervoudig gehandicapte
                                   pedagogische aanpak om te compenseren              leerlingen; aangepast schoolgebouw voor
                                   voor opvoedproblemen thuis; afspraken met          blinde leerlingen; ruime beschikbaarheid
                                   leerlingen die milde verslaving hebben over        van verpleegkundig assistent voor leerling
                                   aanwezigheid en drugsgebruik; begeleiding          met motorische beperking
                                   bij stage; mentorbegeleiding bij overstap
                                   van een vo-school naar een mbo-opleiding;
                                   mentorbegeleiding bij eerste baan na school
               		 			
               De raad hanteert in dit advies een langetermijnperspectief. Hoewel inclusiever onderwijs
               in veel opzichten voortbouwt op het huidige beleid (zie paragraaf 2.3 en bijlage 2), wil
               de raad het onderscheid tussen lichte en zwaardere ondersteuning en toerusting zo
               veel mogelijk los zien van de bestaande schoolsectoren, schoolsoorten, beleidskaders
               en bekostigingssystemen.70 Hij definieert lichte ondersteuning en toerusting als de
               ondersteuning en toerusting waarvan verwacht kan worden dat álle scholen in het primair
               en voortgezet onderwijs deze kunnen bieden. Het bieden van zwaardere ondersteuning en
               toerusting is daarentegen niet van álle scholen te verwachten. Het onderscheid is dynamisch,
               omdat de verwachting die de samenleving heeft van wat álle scholen moeten kunnen bieden,
               kan veranderen. Bijvoorbeeld wanneer de samenleving streeft naar steeds inclusiever
               onderwijs. Met de voorbeelden in tabel 1 geeft de raad een aanzet om te expliciteren wat
               scholen zouden kunnen bieden aan ondersteuning en toerusting voor leerlingen met een
               beperking (zie ook paragraaf 3.4).
               In het verlengde van de definities van lichte en zwaardere ondersteuning en toerusting
               definieert de raad speciaal onderwijs als onderwijs door scholen in het funderend onderwijs
               die zich hebben gespecialiseerd in zwaardere vormen van ondersteuning en toerusting en die
               zich richten op leerlingen die vanwege een beperking deze voorziening nodig hebben.71 Als
               deze scholen zich ook richten op leerlingen met een beperking voor wie lichte ondersteuning
               volstaat of op leerlingen die geen beperking hebben, is er sprake van een mengvorm van
               speciaal en regulier onderwijs. Paragraaf 2.1 beschrijft een voorbeeld van zo’n mengvorm. Een
               van de voorbeelden in onderstaand tekstkader betreft een reguliere school die bij wijze van
               uitzondering aan een leerling zwaardere ondersteuning en toerusting biedt.
               In het middelbaar beroepsonderwijs is het onderscheid tussen lichte en zwaardere
               ondersteuning en toerusting minder relevant, omdat instellingen in deze sector beide moeten
               kunnen bieden. In het middelbaar beroepsonderwijs is er dan ook geen speciaal onderwijs.
               70	In het huidige bekostigingssysteem verwijst ‘lichte ondersteuning’ bijvoorbeeld naar een
                   budgetcategorie voor het speciaal basisonderwijs of (in het voortgezet onderwijs) voor
                   leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Dergelijke indelingen wijken af van de indeling
                   die de raad hanteert. De raad volgt ook niet-bestaande indelingen zoals het onderscheid tussen
                   ‘basisondersteuning, extra ondersteuning en ondersteuning vanuit speciaal onderwijs’.
               71	Hieronder vallen dus ook scholen voor speciaal basisonderwijs, praktijkonderwijs en
30                 leerwegondersteunend onderwijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   Voorbeelden van lichte en zwaardere ondersteuning in een reguliere school
   De Vlaamse documentaire Inclusief volgt vier jongeren met een beperking.72 Hoewel ze
   alle vier naar een reguliere school gaan, verschillen zij in de aard van hun beperking en
   de ondersteuning en toerusting die zij krijgen. Irakli ontvangt overwegend zwaardere
   ondersteuning. Rosie, Sami en Nathan krijgen voornamelijk lichte ondersteuning. In
   Vlaanderen worden (net als in Nederland) zwaardere ondersteuning en toerusting
   doorgaans geboden in scholen voor speciaal onderwijs. Het voorbeeld van Irakli laat zien
   dat dit ook op reguliere scholen mogelijk is.
   Irakli is 12 jaar en zit in het laatste jaar van groep 8. Hij is drie maanden te vroeg geboren
   en heeft daardoor spastische spieren. Om die soepel te houden doet hij dagelijks vóór
   school anderhalf uur oefeningen met een fysiotherapeut of zijn vader. Op school zit hij in
   zijn rolstoel achter in de klas. Naast hem zit vaak een assistent, die onderdelen van de
   tekst op zijn scherm met een liniaal aanwijst, de instructies aanpast of hem op andere
   manieren helpt. Net als zijn klasgenoten krijgt Irakli soms een beurt. Zijn antwoorden zijn
   vaak goed. Het dictee in de klas gaat te snel voor hem, maar de assistent herhaalt de zin,
   zodat Irakli deze toch kan intypen. Zijn ouders hebben de plek in de reguliere klas en de
   extra voorzieningen weten te regelen via de intern begeleider op school. Nu Irakli naar de
   middelbare school gaat, schakelen ze die medewerker opnieuw in, maar het is niet zeker of
   het weer lukt Irakli onderwijs te laten volgen op een reguliere school.
   Rosie is een meisje van 4 dat traag van begrip is en vaak emotioneel reageert. Gewone
   handelingen zoals ontbijten en een jas aandoen zijn bij haar een grote uitdaging, omdat
   ze snel opstandig wordt. Haar ouders en leraar hebben veel geduld en blijven Rosie
   vriendelijk uitnodigen te doen wat zij van haar verwachten. Uiteindelijk laat het meisje haar
   verzet varen en komt ze weer een tijdje in een rustiger vaarwater waarin ze ontspannen
   met haar klasgenootjes kan omgaan.
   Sami is 10 jaar en zit in het vierde leerjaar. Voor de camera vertelt hij dat hij adhd heeft
   en snel boos kan worden. Je ziet dat die handicaps hem bij alles wat hij doet parten
   spelen. Tegelijkertijd is Sami ook dapper, humorvol, sociaal en leergierig. Hij leert ook
   steeds beter met zijn beperkingen om te gaan en bijvoorbeeld een rustige ruimte op
   te zoeken wanneer hij boosheid voelt opkomen. Tijdens de les krijgt Sami regelmatig
   individuele instructie van de meester. Op dat moment zijn de andere leerlingen
   zelfstandig aan het werken. Er zijn duidelijke regels. Zelfstandig werken betekent dat
   leerlingen alleen op fluistertoon mogen spreken. Wanneer die regel wordt overtreden,
   grijpt de meester vriendelijk in. Sami voert ook gesprekken met een psycholoog. Die
   moedigt hem aan mee te doen met het schoolkamp. Sami aarzelt, maar gaat uiteindelijk
   mee. Het zijn zichtbaar fijne dagen voor hem.
   Nathan is een tiener met lichte symptomen van Down. Hij volgt de kunsthumaniora, een
   reguliere middelbare school die extra aandacht besteedt aan kunstvakken. In zijn klas,
   waarvan hij volledig deel uitmaakt, wordt veel aan muziek gedaan. Een leerling die piano
   speelt, laat Nathan naast zich plaats nemen en de hoge noten spelen. Nathans toevoeging
   is niet erg vakkundig, maar de andere leerling accepteert deze als volwaardige bijdrage.
   Bij Duits doet Nathan mee met een spel waarbij leerlingen beurtelings uit het hoofd steeds
   meer spullen noemen om mee te nemen naar het strand. Nathan krijgt ook de beurt en
   verwoordt evenals zijn klasgenoten de spullen in de vreemde taal. Dat hij wat meer tijd en
   meer hints nodig heeft, vindt iedereen vanzelfsprekend.
   De documentaire beperkt zich tot beelden van de jongeren thuis en tijdens de les, maar
   in een interview voor een Vlaamse krant geeft de leerkracht van Sami, Thijs (24), een
   toelichting.73 Sami was voor hem de eerste leerling met een beperking. Een collega had er
   ervaring mee en heeft Thijs op weg geholpen. Verder wordt de meester soms bijgestaan door
   een stagiair, maar hij geeft de extra ondersteuning die Sami nodig heeft meestal zelf. Thijs
   heeft een leerproces doorgemaakt en zijn les aangepast. Hij kondigt nu steeds vroegtijdig
   en nadrukkelijk de activiteiten aan en laat de leerlingen vaker zelfstandig werken. De nieuwe
   werkwijze bevalt goed. Ook de andere leerlingen profiteren ervan. Thijs concludeert dat hij
   door Sami een betere leerkracht is geworden. Hij vindt leerlingen niet snel meer ‘vervelend’.
            72	De Vlaamse documentairemaker Ellen Vermeulen verbleef twee jaar op een
                aantal scholen en maakte in twaalf dagen filmopnamen. De documentaire
                Inclusief, die geschoten is in zwart-wit, verscheen in 2019. De camera
                registreert zonder commentaar. Het is aan de kijker conclusies te trekken.
                Behalve de klas wordt ook de thuissituatie getoond. Het wordt duidelijk dat
                deze kinderen de hele dag extra aandacht en ondersteuning en toerusting
                nodig hebben.
31          73	Beel, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>          Ondersteuning en toerusting van medeleerlingen
          Inclusiever onderwijs staat of valt bij de cultuur in de klas en op de school.74 Een school die
          respectvol en welwillend is naar de leerlingen met een beperking, kan hen een grote steun
          in de rug geven. Andersom kan een school die leerlingen met een beperking buitensluit of
          negatief bejegent, hen ontmoedigen en uiteindelijk maken dat zij hun toevlucht zoeken tot een
          andere school of zelfs uitvallen uit het onderwijs.
          Een school kan actief werken aan een inclusieve cultuur.75 De leraren en de schoolleiding
          kunnen regelmatig activiteiten organiseren waarin alle leerlingen betrokken zijn en de deel-
          name van leerlingen met een beperking duidelijk wordt gewaardeerd. Door gerichte instructie
          en feedback kunnen leraren hun leerlingen helpen zich vaardigheden (en een houding) eigen
          te maken waardoor ze mensen met een beperking in het algemeen inclusiever bejegenen.76
          Ook kunnen leraren leerlingen stimuleren te reflecteren op verschillende behoeften die men-
          sen kunnen hebben. Deze vormende activiteiten dragen bij aan socialisatie- en persoonsvor-
          mingsdoelen, die ook deel uitmaken van een inclusieve schoolcultuur.77 Naast de leraren en
          de schoolleiding kunnen ook bestuurders en de overheid een rol spelen bij het creëren van
          een inclusieve schoolcultuur78 (zie paragraaf 2.3).
          Ondersteuning en toerusting van leraren
          Leraren vervullen een centrale rol bij het ondersteunen en toerusten van leerlingen met
          een beperking.79 Ze kunnen bijvoorbeeld op een gedifferentieerde manier lesgeven waarbij
          leerlingen in de klas zelfstandig, in hun eigen tempo werken, terwijl de leerling met een
          beperking extra uitleg over de stof krijgt.80 Daarnaast kunnen zij de leerling instructie geven
          in vaardigheden waarmee hij beter kan omgaan met zijn beperking. De leraar kan ook
          medeleerlingen en ouders ondersteunen en toerusten.
          Ondersteuning en toerusting bieden kan een uitdagende taak zijn. Daarvoor hebben leraren
          in veel gevallen zelf ondersteuning en toerusting nodig.81 Ondersteuning en toerusting is in
          principe mogelijk in de vorm van (a) klassen die niet te groot zijn, (b) een maximumaantal
          leerlingen met een beperking in een klas, rekening houdend met de aard en ernst van
          de beperking, (c) tijd voor leraren om lessen voor te bereiden of individuele aandacht
          aan leerlingen te besteden, (d) mogelijkheden tot scholing en professionalisering en (e)
          mogelijkheden voor samenwerken met collega’s en ondersteunende professionals, onder wie
          onderwijsassistenten, zorgcoördinatoren, intern begeleiders, verplegers en psychologen.
          De raad beschouwt mogelijkheden voor samenwerking als de belangrijkste vorm van ondersteu-
          ning en toerusting van leraren. Samenwerking zorgt voor bundeling van expertise en faciliteiten,
          betere ondersteuning van de leerling, ontlasting van de leraar en professionalisering van de
          leraar en het schoolteam (zie hoofdstuk 4). Schoolleiders, bestuurders en overheid kunnen een
          belangrijke rol vervullen in het creëren van structuren voor samenwerking (zie paragraaf 2.3).
          Ondersteuning en toerusting van ouders
          Het is belangrijk ouders te betrekken in keuzes voor ondersteuning en de inpassing in het onder-
          wijs.82 Allereerst kennen zij hun kind als geen ander. Daarnaast kunnen zij een rol spelen in de
          continuïteit in de ondersteuning tussen de school en de thuissituatie. Ze zijn echter niet vanzelf-
          sprekend betrokken bij het onderwijs. Veel ouders kunnen pas een bijdrage leveren wanneer een
          leraar of een ondersteunende professional zoals een orthopedagoog of hulpverlener hen mee-
          neemt in keuzes en zo nodig stimuleert en toerust om mee te denken. Dit vergt een flinke tijdsin-
          vestering. Maar die betaalt zich terug, omdat leerlingen beter functioneren en ouders zich niet
          overvallen voelen door ondersteuningskeuzes, waardoor de relatie tussen ouders en de school op
          scherp zou komen te staan. Ouders moeten eerst en vooral een beeld hebben van het onderwijs
          en weten welke ondersteuning en toerusting ze minimaal kunnen verwachten van een school.
   Voorbeelden van ondersteuning en toerusting van ouders
   Ouders verschillen sterk in wat zij nodig hebben om actief betrokken te zijn bij
   ondersteuningsvragen van hun kind. Sommige ouders zijn zelf kwetsbaar in dit proces,
   bijvoorbeeld omdat ze in vergelijking met de leraar of hulpverlener minder hoog opgeleid zijn,
   de Nederlandse taal beperkt beheersen, weinig kennis hebben van het onderwijssysteem,
          74	Terzi, 2014; Hamm, Dawes, Barko-Alva & Cross, 2019
          75	Theoharis & Causton, 2014.
          76	Bond & Castagnera, 2006; Farmer, Hamm, Dawes, Barko-Alva & Cross, 2019.
          77	Onderwijsraad, 2016.
          78	Juvonen, Lessard, Rastogi, Schacter & Smith, 2019.
          79	Jordan, Schwartz & McGhie-Richmond, 2009.
          80 Deunk, 2018.
          81	Pijl, 2010.
32        82	Grove & Fisher, 1999.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>     schaamte ervaren rondom hun kennisachterstand of kampen met emoties bij het verwerken
     van de andere ontwikkeling van hun kind. Er zijn diverse strategieën om deze ouders toch
     mee te nemen.
     - 	Huisbezoeken afleggen om zicht te krijgen op het functioneren van kind en ouder, en
         een relatie te ontwikkelen.
     - 	Intermediairs inzetten die geen functie hebben op school of in de hulpverlening. Zij
         kunnen de drempel verlagen bij het voeren van moeilijke gesprekken.
     - 	Gebruik van pictogrammen, foto’s of video’s om het onderwijs, het functioneren van het
         kind en de ondersteuning concreet te maken. Deze zeggen vaak meer dan schriftelijke
         tekst, cijfermatige informatie of grafieken. Ze kunnen bijvoorbeeld duidelijk maken dat
         een kind anders functioneert in de klas dan thuis.83
   2.3	Schoolleiders, bestuurders en overheid dragen zorg dat
             álle scholen steeds beter klaarstaan
             Alle scholen hebben te maken met leerlingen met een beperking. Voor veel van deze
             leerlingen geldt dat lichte onderwijsondersteuning en -toerusting volstaan om onderwijs
             te volgen op een school naar eigen keuze die thuisnabij is en hen in staat stelt om
             te gaan met andere leerlingen met en zonder een beperking. Inclusiever onderwijs
             betekent dat scholen in elk geval deze lichte ondersteuning en toerusting kunnen bieden,
             en nagaan hoe ze ook zwaardere ondersteuning en toerusting kunnen bieden voor
             leerlingen die dat nodig hebben. In het primair en voortgezet onderwijs kan een school
             aangeven dat dit (nog) niet lukt. In dat geval helpen scholen deze leerlingen bij het
             vinden van een andere school. De overheid, bestuurders en schoolleiders hebben een
             belangrijke rol. Ze kunnen namelijk gezamenlijk de randvoorwaarden organiseren die
             leraren en ondersteunende professionals in staat stellen stapsgewijs steeds inclusiever
             onderwijs te bieden. Het beleid dat hiervoor nodig is, verschilt in een aantal opzichten
             wezenlijk van het huidige beleid van passend onderwijs.
             Álle scholen hebben te maken met leerlingen met een beperking
             Leerlingen met een beperking vormen een minderheid in het onderwijs, maar hun
             aantal, circa 300.000, is aanzienlijk (zie paragraaf 1.1). Álle scholen krijgen te maken met
             leerlingen met een beperking – bij hun aanmelding of wanneer leerlingen zijn toegelaten en
             de school vaststelt dat zij vanwege een beperking tijdelijk of structureel ondersteuning en
             toerusting nodig hebben. Afhankelijk van de aard en ernst van de beperking kan het gaan
             om lichte of zwaardere ondersteuning en toerusting.
             Scholen hebben in elk geval de taak lichte ondersteuning en toerusting te bieden
             Inclusiever onderwijs betekent dat steeds meer scholen voor steeds meer leerlingen met een
             beperking klaarstaan. Sommige scholen in het primair en voortgezet onderwijs zullen (nog)
             niet in staat zijn zwaardere ondersteuning en toerusting te organiseren en in te passen in het
             onderwijs. Lichte ondersteuning en toerusting bieden aan leerlingen die dat nodig hebben,
             maakt echter per definitie deel uit van hun onderwijsopdracht. In termen van de Wet gelijke
             behandeling HCZ is deze taak nooit onevenredig belastend (zie ook paragraaf 3.2).
             Over wat lichte en zwaardere ondersteuning en toerusting inhouden, zijn landelijke
             afspraken te maken, die uiteindelijk wettelijk kunnen worden verankerd (zie paragraaf 3.4). In
             het middelbaar beroepsonderwijs is dat in principe niet nodig, omdat scholen op grond van
             het toelatingsrecht zowel lichte als zwaardere ondersteuning moeten kunnen bieden. Toch
             kan het zinvol zijn ook voor deze sector de zorgplicht voor studenten met een beperking te
             expliciteren (zie paragraaf 3.5).
             De overheid heeft een belangrijke rol
             Bij inclusiever onderwijs zorgt de overheid door toereikende bekostiging dat schoolbesturen
             en samenwerkingsverbanden in staat zijn investeringen te doen voor de ondersteuning
             en toerusting van leerlingen met een beperking.84 De overheid zorgt, op basis van
             diverse zorgwetten, ook voor financiering op individuele basis van leerlingen met een
             83	 Deze strategieën zijn gebaseerd op aanwijzingen van deskundigen die de raad raadpleegde. Voor
                  andere voorbeelden zie Steunpunt Passend Onderwijs, 2017.
33           84	 Pijl & Frissen, 2009.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>         beperking. Verder kan zij investeren in scholings- en professionaliseringstrajecten voor
         leraren en andere professionals die betrokken zijn bij inclusiever onderwijs (zie paragraaf
         4.4) en in huisvestiging die geschikt is voor mengvormen van regulier en speciaal
         onderwijs (zie paragraaf 4.2). Tot slot kan de overheid ervoor zorgen dat professionals
         en wetenschappers een landelijke norm ontwikkelen voor het voorzieningenniveau voor
         leerlingen met beperkingen op scholen. De overheid kan deze norm vervolgens wettelijk
         verankeren en handhaven (zie paragraaf 3.4). Dit alles is niet vrijblijvend. De rijksoverheid
         heeft een stelselverantwoordelijkheid waar het gaat om goed onderwijs voor alle jongeren,
         waaronder onderwijs aan jongeren met een beperking. Bovendien heeft zij zich met de
         ratificering van het VN-verdrag handicap gecommitteerd om het onderwijs voor leerlingen
         met een beperking steeds inclusiever te maken en te zorgen dat steeds meer scholen voor
         steeds meer leerlingen met een beperking klaarstaan.
         Bestuurders hebben een belangrijke rol
         Bij inclusiever onderwijs borgen de schoolbestuurders dat scholen hun zorgplicht nakomen
         voor leerlingen met een beperking (zie ook paragraaf 3.2). Zij kunnen de voorzieningen of
         het beschikbare budget zo verdelen dat al hun scholen in staat zijn de vereiste ondersteu-
         ning en toerusting te geven. In het middelbaar beroepsonderwijs kunnen schoolbestuur-
         ders hierbij zelf het beleid bepalen. In het primair en voortgezet onderwijs dienen ze samen
         te werken met andere schoolbesturen in de regio via het samenwerkingsverband.85
         Bestuurders van een samenwerkingsverband86 hebben in de ogen van de Onderwijsraad
         de taak scholen in de regio te helpen bij de organisatie van zwaardere ondersteuning en
         toerusting. Daaronder vallen zowel de reguliere scholen als die voor speciaal onderwijs
         en mengvormen daarvan. Daarnaast hebben zij de taak scholen te helpen bij complexe
         (lichte of zwaardere) ondersteuning op het snijvlak van onderwijs en zorg, en onderwijs en
         loopbaanbegeleiding (zie paragraaf 3.3).
         Bestuurders van zowel scholen als samenwerkingsverbanden kunnen beleid voeren
         dat is gebaseerd op een visie die aangeeft hoe scholen, vervolgopleidingen en ‘eerste
         werkgevers’ klaar kunnen staan voor jongeren met een beperking. Onderdeel van deze
         visie kan zijn dat scholen ondersteuning bieden voor leerlingen met uiteenlopende
         beperkingen, en het niveau van voorzieningen stapsgewijs verhogen. De visie kan ruimte
         bieden aan speciaal onderwijs, maar tegelijkertijd aangeven dat speciaal en regulier
         onderwijs bij voorkeur op één locatie worden aangeboden (zie paragraaf 4.2).
         Schoolleiders hebben een belangrijke rol
         Een visie voor inclusiever onderwijs op het niveau van het samenwerkingsverband of een
         schoolbestuur kan alleen gestalte krijgen wanneer de betrokkenen op de scholen zelf
         deze visie dragen. Het is in belangrijke mate aan de schoolleiding de inclusieve cultuur tot
         stand te brengen.87 Dat kan allereerst door de zorgplicht van de school consciëntieus in
         te vullen. En door vraagstukken rond ondersteuning en toerusting voor leerlingen met een
         beperking niet te beschouwen als een probleem maar als een mogelijkheid inclusie voor
         te leven binnen de school. Daarbij hoort het creëren van een veilige fysieke en sociale
         omgeving voor leerlingen met een beperking. In de tweede plaats kan de schoolleiding
         personeelsbeleid voeren waarbij ondersteuning en toerusting van leerlingen met een
         beperking deel uitmaken van het takenpakket van leraren. De schoolleiding kan de
         condities creëren om deze taken te kunnen uitvoeren.88 Denk aan mogelijkheden voor
         leraren om samen te werken en hulp te krijgen van ondersteunende professionals, onder
         wie gedragsdeskundigen en assistenten. Schoolleiders spelen tot slot een sleutelrol
         bij professionalisering en vergroting van expertise, door op het gebied van inclusiever
         onderwijs een onderzoekende en lerende cultuur te bevorderen en leraren(teams) en
         andere professionals hierin te stimuleren en faciliteren.
   Greijdanus: een school met visie op inclusiever onderwijs
   Het Greijdanus, een school voor voortgezet onderwijs in Enschede, telt 192 leerlingen,
   onder wie 80 leerlingen met een beperking. Voor de 20 leerlingen die zwaardere
   ondersteuning nodig hebben is een ontwikkelingsperspectiefplan opgesteld. Om een
         85	 Pijl & Frissen, 2009.
         86	 Dit zijn schoolbestuurders die lid zijn van de vereniging van het samenwerkingsverband, of
              schoolbestuurders die deel uitmaken van het stichtingsbestuur van het samenwerkingsverband,
              afhankelijk van de gekozen rechtsvorm.
         87	 Juvonen, Lessard, Rastogi, Schacter & Smith, 2019.
34       88 Ainscow & Sandill, 2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   brede ondersteuning te kunnen bieden is een expertisecentrum in de school ingericht met
   ondersteunende professionals onder wie een maatschappelijk werker, orthopedagoog
   en zorgcoördinator. Het expertisecentrum geeft leerlingen met een beperking individuele
   begeleiding en ondersteunt ook leraren en ouders. Tot slot helpt het expertisecentrum bij het
   opstellen van een ontwikkelingsperspectiefplan en de contacten met externen (waaronder
   schoolmaatschappelijk werk, GGD, JGZ en GGZ). De school wil met de brede ondersteuning
   vroegtijdig belemmeringen wegnemen bij leerlingen met een ondersteuningsbehoefte.
   Deze visie is verankerd in het schoolplan en wordt binnen de school breed gedragen.
   Het Greijdanus wil nadrukkelijk een voorbeeld zijn voor andere scholen. Vanwege het
   aanzuigende effect dat de school heeft op leerlingen met een ondersteuningsbehoefte
   en vanwege regelgeving die ongunstig uitpakt (zie hoofdstuk 5) aarzelen echter nog veel
   scholen om het voorbeeld van het Greijdanus te volgen.89
          Klaarstaan voor leerlingen met een beperking vergt een beleidsverandering
          De doelstelling van inclusiever onderwijs en de strategie van klaarstaan van álle scholen
          zijn in combinatie te beschouwen als een nieuwe beleidsbenadering. De benadering bouwt
          voort op het huidige beleid van passend onderwijs, maar is in een aantal opzichten wezenlijk
          verschillend. Bijlage 2 vergelijkt de beleidsbenadering van inclusiever onderwijs met die van
          passend onderwijs en met de eerdere beleidsprogramma’s Weer samen naar school (WSNS)
          en Leerlinggebonden financiering (LGF).90 Hieronder volgt een korte opsomming van de
          belangrijkste verschillen tussen inclusiever onderwijs en passend onderwijs.
          Het belangrijkste uitgangspunt van inclusiever onderwijs is dat álle scholen klaarstaan om
          leerlingen met een beperking ondersteuning en toerusting te bieden die zij nodig hebben
          om onderwijs te volgen op een school. Niet alleen de leerlingen met een beperking worden
          ondersteund en toegerust maar ook de medeleerlingen, ouders en leraren. De combinatie
          van directe en indirecte ondersteuning en toerusting maakt een proactieve en anticiperende
          houding mogelijk waarbij belemmeringen voor leerlingen met een beperking vroegtijdig worden
          gesignaleerd en waar mogelijk worden weggenomen.91 Leerlingen die lichte ondersteuning en
          toerusting nodig hebben, komen altijd in aanmerking voor thuisnabij en gezamenlijk onderwijs.
          Leerlingen die zwaardere ondersteuning nodig hebben, krijgen die waar mogelijk ook. Voor hen
          zijn ook nadrukkelijk mengvormen van regulier en speciaal onderwijs aan de orde.
          Bij passend onderwijs varieert de mate waarin scholen klaarstaan voor leerlingen met
          een beperking. Dit komt doordat besturen (in het middelbaar beroepsonderwijs) en
          samenwerkingsverbanden (in het primair en voortgezet onderwijs) ieder zelf het niveau van
          de ondersteuning kunnen bepalen. Daarbij werkt de profilering van scholen (in alle drie de
          sectoren) in de hand dat scholen eerder een specifiek dan een breed aanbod aan extra
          ondersteuning hebben.92 Daardoor moeten leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben,
          dikwijls uitwijken naar een andere school dan die waar zij zich in eerste instantie aanmeldden of
          wilden aanmelden. Thuisnabij en gezamenlijk onderwijs (wat bij passend onderwijs overigens
          geen expliciete doelen zijn) raken daarbij uit beeld. Bovendien werkt de wijze van bekostiging
          bij passend onderwijs in de hand dat leerlingen die zwaardere ondersteuning en toerusting
          nodig hebben, worden verwezen naar scholen voor speciaal onderwijs. Doordat mengvormen
          van regulier en speciaal onderwijs financieel nadelig zijn of meer administratieve last betekenen
          (zie hoofdstuk 5), komen ze nog relatief weinig voor.
          Een belangrijk verschil is verder dat het beleid van inclusiever onderwijs betrekking heeft op
          leerlingen met een beperking, terwijl bij passend onderwijs ook andere leerlingen met een
          ondersteuningsbehoefte in aanmerking komen. De raad beschouwt nadere afbakening van de
          doelgroep als een voorwaarde om gericht beleid te kunnen voeren (zie paragraaf 3.1).
          Een ander belangrijk verschil is dat inclusiever onderwijs een langetermijndoel voor ogen heeft,
          terwijl dat niet het geval is bij passend onderwijs. Het langetermijndoel van inclusiever onderwijs
          is dat steeds meer scholen voor steeds meer leerlingen met een beperking klaarstaan om on-
          dersteuning en toerusting te combineren met thuisnabij onderwijs en gezamenlijk onderwijs van
          leerlingen met en zonder een beperking. Deze stip op de horizon wordt stapsgewijs nagestreefd.
          Pas als scholen eraan toe zijn, kunnen ze een nieuwe stap zetten richting inclusiever onderwijs.
          89	 Dit voorbeeld is beschreven op basis van een werkbezoek van de raad.
          90 Voor een historische beschrijving van deze beleidsprogramma’s, zie bijlage 1 van dit advies.
          91 Van Binsbergen, Pronk, Van Schooten, Heurter & Verbeek, 2019.
          92	De profilering van scholen blijkt in de praktijk niet scherp (Ledoux, Waslander & Eimers, 2020), maar
               draagt wel de boodschap uit dat scholen leerlingen met een beperking voor wie lichte ondersteuning
35             volstaat, kunnen doorwijzen naar scholen met een passender profiel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                    3
    aan
   beveling 1
    Waarborg ondersteuning en toerusting
    op álle scholen
    Leraren en ondersteunende professionals
    realiseren inclusiever onderwijs in de onderwijs­
    praktijk. De rijksoverheid, schoolbesturen en
    samen­werkingsverbanden hebben ook een be-
    langrijke rol. Zij borgen dat álle scholen klaarstaan
    voor leerlingen met een beperking en hen steeds
    beter ondersteuning en toerusting kunnen bieden.
37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>       Om te borgen dat álle scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking, adviseert
       de raad gericht beleid voor een afgebakende doelgroep te voeren. Voor het primair en
       voortgezet onderwijs beveelt hij het volgende aan. De rijksoverheid zorgt ervoor dat
       professionals uit de praktijk en wetenschappelijke experts een landelijke norm voor de
       lichte ondersteuning en toerusting ontwikkelen en legt die norm uiteindelijk wettelijk vast.
       De overheid zorgt er ook voor dat de norm periodiek wordt geëvalueerd en de overheid
       stimuleert dat de norm, als het mogelijk is, wordt verhoogd. Voorwaarde hierbij is dat
       leraren en ondersteunende professionals op scholen in staat zijn en worden gesteld om
       een volgende stap richting inclusiever onderwijs te zetten. Samenwerkingsverbanden
       helpen scholen bij het organiseren van zwaardere onderwijsondersteuning en -toerusting
       en (lichte en zwaardere) complexe ondersteuning en toerusting (die niet alleen betrekking
       hebben op onderwijs maar ook op zorg en/of andere leefwerelden van de leerlingen,
       waaronder vervolgopleidingen en werkwerelden, zie ook paragraaf 2.2). Voor het
       middelbaar beroepsonderwijs adviseert de raad ook invoering van een zorgplicht. Ten
       slotte geeft de raad de rijksoverheid en besturen en samenwerkingsverbanden het advies
       verantwoordelijkheden binnen de onderwijs- en zorgketen te verhelderen.
   3.1 Baken de doelgroep af
       Om te borgen dat leerlingen met een beperking ondersteuning en toerusting krijgen en
       deze waar mogelijk gecombineerd worden met thuisnabij en gezamenlijk onderwijs, is
       gericht beleid nodig. Dat betekent een afbakening van de doelgroep tot jongeren die
       daadwerkelijk een beperking hebben. De raad adviseert om binnen deze groep geen
       uitzonderingen te maken en ook voor cluster 1- en 2-leerlingen inclusiever onderwijsbeleid
       te voeren. Waar nodig kan het algemene beleid worden gespecificeerd voor de
       verschillende voorzieningen die leerlingen nodig hebben.
       Focus op leerlingen die daadwerkelijk een beperking hebben
       Leerlingen met een beperking vormen een diverse en dynamische groep. Niettemin is er een
       belangrijke constante, namelijk dat zij een zodanige beperking hebben dat zij specifieke onder­
       steuning en toerusting behoeven om onderwijs te kunnen volgen, mee te doen aan activiteiten,
       relaties te ontwikkelen en de regie te voeren over hun eigen leven (zie paragraaf 1.1).
       In de onderwijspraktijk is extra begeleiding niet voorbehouden aan leerlingen met
       een beperking. Er zijn uiteenlopende redenen waarom leerlingen extra begeleiding
       kunnen ontvangen. Bijvoorbeeld omdat ze als gevolg van educatief ongunstige
       thuisomstandigheden een leerachterstand hebben opgelopen. Omdat ze psychosociale
       problemen hebben. Omdat ze moeite hebben met een bepaald vak. Of omdat ze juist een
       leervoorsprong hebben doordat ze makkelijk leren of hoogbegaafd zijn. De wet verbindt
       de omschrijving ‘extra ondersteuning’ met ‘stoornissen of handicaps’. Ook geeft de wet
       aan dat middelen voor extra ondersteuning niet kunnen worden ingezet voor leerlingen
       met onderwijsachterstanden in het algemeen.93 In de praktijk nodigt de omschrijving ‘extra
       ondersteuning’ in combinatie met het decentrale beleid van passend onderwijs echter uit
       tot een ruimere definitie, waarbij bijvoorbeeld leerlingen met onderwijsachterstanden of
       psychosociale problemen die geen beperking hebben, ook tot de doelgroep behoren.94
       De Onderwijsraad vindt het belangrijk dat er voor de andere groepen, zoals leerlingen
       met een leerachterstand en leerlingen met een leervoorsprong, gericht beleid komt om
       te voorkomen dat zij onderpresteren, hun motivatie verliezen en onnodig een beperking
       ontwikkelen. Hij adviseert echter het beleid voor deze groepen niet te laten samenvallen
       met inclusiever onderwijsbeleid voor leerlingen met een beperking. Tenzij het gaat om
       leerlingen die in beide categorieën vallen. Denk aan een hoogbegaafde leerling met
       autisme en een leerling met laagopgeleide ouders die een gedragsbeperking heeft.
       Afbakening van de doelgroep van leerlingen met een beperking stelt scholen in staat
       gericht beleid te voeren om beter voor hen klaar te staan. Afbakening maakt het ook
       mogelijk algemene normen voor het voorzieningenniveau te ontwikkelen, beleidsevaluaties
       uit te voeren en systematisch beleidsverbeteringen aan te brengen.
       93	Zie bijvoorbeeld artikel 40, lid 3 Wet op het primair onderwijs; zie ook Tweede Kamer, 2011-2012,
            33 106, nr. 3, Memorie van toelichting.
38     94 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   Afbakening betekent dat op zekere hoogte ook categorisering van beperkingen en
   diagnoses nodig zijn. Dit om vast te stellen of leerlingen vanwege een beperking
   extra ondersteuning en toerusting nodig hebben en in welke vorm. Om labeling
   (en stigmatisering) te voorkomen, kunnen diagnoses worden gericht op het sociaal
   functioneren van de leerling (wordt de leerling belemmerd om deel te nemen aan
   activiteiten?) en op de benodigde voorzieningen (wat is nodig om deel te nemen?) in plaats
   van op een medische classificatie (om welke afwijking gaat het?).95 Ook in de dagelijkse
   omgang met de leerling is het heel belangrijk diens functioneren en de benodigde
   ondersteuning te benadrukken en niet de beperking.96
   Als bestuurders, schoolleiders en leraren labeling uit de weg willen gaan, kunnen ze dat
   volgens de raad het best op deze manier doen en niet door afbakening van de doelgroep
   uit de weg te gaan. Het huidige beleid van passend onderwijs, dat uitnodigt tot een
   ruime definitie van ‘leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte’, is wat dit betreft te
   omzichtig. De definitie wordt vaak opzettelijk niet afgebakend omdat dit labeling in de hand
   zou werken. Die strategie heeft echter niet geleid tot minder labeling.97
   Voer ook voor cluster 1- en 2-leerlingen inclusiever onderwijsbeleid
   Terwijl de raad adviseert de huidige doelgroep van leerlingen met een extra
   ondersteuningsbehoeften duidelijker af te bakenen, stelt hij voor deze in een bepaald opzicht
   ook uit te breiden. Het gaat dan om leerlingen met een visuele of auditieve beperking,
   waaronder een spraak- en taalbeperking. In het primair en voortgezet onderwijs wordt nu
   voor deze doelgroep (cluster 1 en 2) afzonderlijk beleid binnen passend onderwijs gemaakt
   (zie tekstkader). Het idee erachter is dat het gaat om een relatief kleine en stabiele groep die
   zulke specialistische voorzieningen nodig heeft dat die in de regio moeilijk te organiseren zijn.
   De raad erkent dit, maar vindt dat ook voor deze leerlingen thuisnabijheid en gezamenlijkheid
   nagestreefd moeten worden op voorwaarde dat zij voldoende ondersteuning en toerusting
   krijgen.98 Met de voortschrijdende technologie (zoals implantaten voor slechthorenden) nemen
   bovendien de mogelijkheden toe om voor steeds meer leerlingen met een visuele of auditieve
   beperking alle drie de uitgangspunten van inclusiever onderwijs te realiseren. Om deze
   redenen adviseert de raad het beleid voor deze leerlingen te scharen onder het algemene
   beleid om het onderwijs voor leerlingen met een beperking inclusiever te maken. Dit sluit aan
   bij stappen die cluster 1- en 2-scholen momenteel zelf al maken richting inclusiever onderwijs.
   De raad beveelt aan dat de instellingen die gespecialiseerd zijn in onderwijs aan leerlingen
   met een visuele of auditieve beperking, zich op termijn nog meer gaan toeleggen op
   voorzieningen als expertisecentra en ambulante begeleiding voor reguliere scholen. Dit
   betekent dat ze nog vaker dan nu reguliere scholen ondersteunen met specialistische
   kennis en faciliteiten, waardoor een steeds groter deel van de leerlingen met een visuele
   of auditieve beperking in het regulier onderwijs terecht kan. Leerlingen voor wie dat een
   brug te ver is, kunnen nog steeds onderwijs krijgen van de gespecialiseerde instellingen.
   Dit bij voorkeur in een mengvorm, waarbij leerlingen met een visuele of auditieve beperking
   regelmatig in contact komen met leerlingen zonder een beperking, bijvoorbeeld doordat de
   speciale school is gehuisvest op dezelfde locatie als de reguliere school (zie paragraaf 4.2).
   Ook de samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs kunnen een rol
   spelen bij het inpassen van ondersteuning en toerusting voor leerlingen met een visuele
   of auditieve beperking op reguliere scholen. Zij kunnen daarin samen optrekken met de
   ambulante begeleiders van cluster 1- en 2-instellingen. Samenwerkingsverbanden spelen
   met name een rol bij overgangen en stages. Zij kunnen dan expertise over de beperking en
   specifieke onderwijsmethoden, kennis van de leerling, en contacten inbrengen.
   Ook mbo-instellingen kunnen gebruik maken van de expertise en ambulante begeleiding
   van de instellingen die gespecialiseerd zijn in onderwijs aan leerlingen met een visuele of
   auditieve beperking. Momenteel werken samenwerkingsverbanden en mbo-instellingen
   al vaak samen met de ambulante begeleiders van de cluster 1- en 2-instellingen. Deze
   samenwerking kan nog verder worden versterkt.
   95	Norwich, 2013; Simeonsson, 2009.
   96	Lee, 2011; Wienen, 2019.
   97	Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
39 98	Dit ligt ook in lijn met de Wet gelijke behandeling HCZ en het VN-Verdrag handicap. Zie paragraaf 3.2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>     Wie zijn cluster 1- en 2-leerlingen?
     De aanduiding cluster 1 en 2 verwijst naar het huidige beleid om leerlingen met een visuele
     beperking en leerlingen met een auditieve beperking (waaronder spraak- en taalbeperking)
     onderwijs te bieden op speciale scholen die hierop zijn ingericht. Dit beleid is flankerend
     in de zin dat het een specifieke regeling betreft binnen passend onderwijs en geen deel
     uitmaakt van het algemene beleid.
     Op cluster 1-scholen kunnen leerlingen terecht die blind of slechtziend zijn. In Nederland
     volgden in 2019/2020 584 leerlingen cluster 1-onderwijs op scholen van twee instellingen
     (Bartiméus en Koninklijke Visio).99 Cluster 2-scholen bieden een plek aan leerlingen die
     doof of slechthorend zijn. Daarnaast kunnen op deze scholen leerlingen terecht die veel
     moeite hebben met communiceren. In 2019/2020 volgden 8273 leerlingen onderwijs op
     cluster 2-scholen van 4 instellingen (Kentalis, Auris, VierTaal en Vitus Zuid).
     Het onderwijs wordt in kleine groepen gegeven en is gericht op de algemene kerndoelen.
     Er is extra begeleiding en er zijn allerlei extra faciliteiten voor de leerlingen. Zo zijn er
     logopedisten en orthopedagogen aanwezig. Op cluster 1-scholen is er ondersteunend
     materiaal zoals vergrotingen, digitale werkboeken, spraakcomputers, verstelbare tafels
     en extra licht. Naast deze ondersteuning worden leerlingen toegerust met sociale en
     praktische vaardigheden zoals braille lezen, zichzelf verzorgen, zelfstandig met de bus
     reizen en lopen met een witte stok. Cluster 2-scholen besteden extra aandacht aan
     communicatie waaronder liplezen, spraaktraining en gebarentaal. Er zijn voor cluster 1- en
     2-leerlingen kerndoelen opgesteld die omschrijven wat ze moeten kennen en kunnen. Deze
     verschillen niet van de kerndoelen voor de rest van het (voortgezet) speciaal onderwijs.
     De instellingen krijgen rechtstreeks bekostiging van de landelijke overheid. De Commissie
     van Onderzoek (CvO) van de instelling bepaalt of de cluster 1- en 2-leerling toegang
     heeft tot het speciaal onderwijs van de instelling of naar een reguliere school kan. Hierbij
     wordt overleg gevoerd met samenwerkingsverbanden en scholen. Ook bieden de cluster
     1- en 2-instellingen, binnen de grenzen van hun capaciteit, ambulante begeleiding
     aan samenwerkingsverbanden en scholen. De koepelorganisaties van cluster 1- en
     2-instellingen hebben als beleidsdoelstelling waar mogelijk leerlingen onderwijs op
     reguliere scholen te laten volgen en deze scholen te ondersteunen met expertise. De
     expertise wordt door hun landelijke netwerken en expertisecentra ontwikkeld en gedeeld.100
   3.2	Verbreed de zorgplicht in het primair en voortgezet
             onderwijs
             De raad constateert dat de huidige zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs niet
             volstaat om ondersteuning en toerusting op álle scholen te borgen. Bovendien staat
             de plicht op gespannen voet met de Wet gelijke behandeling HCZ en het VN-verdrag
             handicap. De raad stelt daarom voor de zorgplicht in vier opzichten te verbreden: (1)
             scholen bieden lichte onderwijsondersteuning en toerusting, (2) scholen spannen zich in
             om lichte zorg te organiseren in het onderwijs, (3) scholen spannen zich in om leerlingen
             met een beperking loopbaanondersteuning en -toerusting te bieden en (4) scholen
             spannen zich in om naast ondersteuning en toerusting thuisnabij en gezamenlijk onderwijs
             te realiseren voor leerlingen met een beperking.
             De raad benadrukt dat alleen stapsgewijs kan worden toegewerkt naar een verbrede
             zorgplicht. Dit betekent dat allereerst een landelijke norm wordt ontwikkeld voor lichte
             ondersteuning en toerusting (zie paragraaf 3.4), die nauw verweven is met de verbrede
             zorgplicht (paragraaf 3.2), en dat ook het takenpakket van de samenwerkingsverbanden (zie
             paragraaf 3.3) en de bekostiging en het toezicht op scholen en samenwerkingsverbanden
             (hoofdstuk 5) worden aangepast. Scholen die nog niet kunnen voldoen aan de verbrede
             zorgplicht, krijgen de gelegenheid randvoorwaarden op orde te brengen (mensen, middelen,
             tijd, ruimte en expertise) en een schoolspecifieke aanpak te ontwikkelen.
             99	Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020.
             100	https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs;
                  zie ook https://oudersenonderwijs.nl/kennisbank/passend-onderwijs/naar-speciaal-
40                basisonderwijs/cluster-1-en-2-scholen/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Hieronder licht de raad toe waarom hij een verbreding van zorgplicht voorstelt en
   wat die inhoudt.
   De huidige zorgplicht volstaat niet
   Scholen in het primair en voortgezet onderwijs hebben nu de plicht te onderzoeken of een
   aangemelde leerling een extra ondersteuningsbehoefte heeft. Is de school zelf niet in staat
   die ondersteuning te bieden, dan moet ze in overleg met de ouders een andere school voor
   de leerling vinden.101 Bij die beslissing kijkt de school naar de schoolondersteuningsprofielen
   van andere scholen. Die profielen zijn vastgesteld door het schoolbestuur en vormen de
   onderlegger van het onderwijskundig beleid in het schoolplan. Valt de keus op een school
   voor (voortgezet) speciaal onderwijs, dan is een toelaatbaarheidsverklaring nodig. De
   specifieke ondersteuning voor een toegelaten leerling wordt na overleg met de ouders
   vastgelegd in een document, het ontwikkelingsperspectief.102
   Deze plichten van de school worden in het kader van passend onderwijs nu aangeduid
   als ‘zorgplicht’.103 De huidige zorgplicht borgt de doorgeleiding van een leerling met een
   beperking wanneer een school aangeeft zelf de ondersteuning niet te kunnen bieden. Dat is
   belangrijk omdat ouders daardoor niet zelf op zoek hoeven te gaan naar een school die wel
   de nodige ondersteuning en toerusting biedt. Met het ontwikkelingsperspectief is ook geborgd
   dat scholen de afgesproken ondersteuning en toerusting bieden. Deze ondersteuning en
   toerusting moeten volstaan om de leerlingen met een beperking effectief onderwijs te laten
   volgen op de school.
   De huidige zorgplicht volstaat echter niet voor inclusiever onderwijs. Hij borgt niet dat álle
   scholen lichte ondersteuning en toerusting (kunnen) bieden. Hij borgt evenmin dat scholen
   thuisnabij en gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking nastreven.
   Het ondersteuningsprofiel (school) en het ontwikkelingsperspectief (leerling) geven in dit
   opzicht weinig houvast voor de leerling en zijn ouders.104 Verder is de zorgplicht weinig
   expliciet over het inpassen van zorg in het onderwijs en biedt slechts beperkt houvast voor
   diverse overgangen in de schoolloopbaan, waaronder die naar het arbeidsproces.105
   De ‘zorgplicht passend onderwijs’ is een beleidsterm die verwijst naar diverse (aanpassingen
   in de) sectorwetten, maar daarin niet letterlijk zo wordt aangeduid. In enge zin verwijst
   de zorgplicht naar wetgeving over de toelating en doorgeleiding van leerlingen ‘met een
   extra ondersteuningsbehoefte’ in het primair en voortgezet onderwijs. In bredere zin omvat
   de term ook alle andere zorgplichten van het schoolbestuur naar deze groep leerlingen.
   Deze bredere zorgplichten zijn voor een deel al opgenomen in de sectorwetten, zoals de
   inspanningsverplichting van scholen om lichte zorg te organiseren in het onderwijs.106 In de
   sectorwetten staan deze verplichtingen verspreid en zijn ze niet (in samenhang) uitgewerkt.
   De door de raad voorgestelde verbrede zorgplicht betekent een operationalisering in een
   overzicht van specifieke zorgtaken die de school heeft ten aanzien van leerlingen met een
   beperking, en een concretisering aan de hand van een te ontwikkelen landelijke norm voor
   lichte ondersteuning en toerusting (paragraaf 3.4). De voorgestelde verbreding van de
   zorgplicht betekent ook een uitbreiding van de wetgeving, zoals de inspanningsverplichting
   om leerlingen met een beperking ondersteuning en toerusting te bieden bij overgangen in
   het onderwijs en bij overgangen naar werk (waaronder stage) of een zorgvoorziening. Een
   concreet overzicht van de resultaat- en inspanningsverplichtingen verschaft alle betrokkenen
   duidelijkheid over wat van een school verwacht kan worden rondom toelating, ondersteuning
   en toerusting en doorgeleiding van leerlingen met een beperking.
   De huidige zorgplicht staat op gespannen voet met de Wet gelijke behandeling HCZ en
   het VN-verdrag handicap
   De Wet gelijke behandeling HCZ biedt een afwegingskader, dat met de zorgplicht een
   concretere invulling krijgt. Zoals de Onderwijsraad eerder heeft aangegeven, staat de huidige
   zorgplicht zoals vastgelegd in de Wet passend onderwijs, echter op gespannen voet met de
   Wet gelijke behandeling HCZ. De Wet gelijke behandeling HCZ vergt namelijk van de school
   dat deze doeltreffende aanpassingen doorvoert voor een leerling met een beperking. De
   school kan niet zonder meer verwijzen naar het eigen ondersteuningsprofiel.107
   101  Artikel 40 lid 4 WPO, artikel 40 lid 5 WEC en artikel 27 lid 2c WVO.
   102  Zie bijvoorbeeld artikel 40a lid 4 WPO.
   103  Tweede Kamer, 2011-2012, 33 106, nr. 3, Memorie van toelichting.
   104  Heim & Weijers, 2018; Koopman & Ledoux, 2018; Smeets, De Boer, Van Loon-Dikkers, Rissen & Ledoux, 2017.
   105   Vooral leerlingen uit het speciaal onderwijs krijgen nu nog te weinig ondersteuning om werk te vinden (Inspectie
          van het Onderwijs, 2020).
   106 Artikel 18a lid 9 WPO, artikel 11 WEC en artikel 8 lid 4 WPO.
41 107 Onderwijsraad, 2016; zie ook Van der Ende & Luiken, 2014.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   De huidige zorgplicht staat ook op gespannen voet met het VN-verdrag handicap.108
   Dit schrijft immers voor dat leerlingen met en zonder een beperking zo min mogelijk
   gescheiden worden en thuisnabij onderwijs kunnen volgen. Hoewel het VN-verdrag
   handicap in eerste instantie een verplichting is aan de overheid om op collectief niveau toe
   te werken naar een inclusiever onderwijssysteem,109 ligt het voor de hand ook de zorgplicht
   voor de individuele leerling bij dit verdrag te laten aansluiten.110
   De Wet gelijke behandeling HCZ erkent dat er organisatorische en financiële grenzen
   zijn en stelt dat scholen voor leerlingen met een beperking geen inspanningen hoeven
   te verrichten die een onevenredig grote belasting voor de school betekenen. Om te
   concretiseren welk niveau van ondersteuning en toerusting te allen tijde van scholen mag
   worden verwacht (en dus nooit als onevenredige belasting kan gelden), adviseert de raad
   een landelijke norm voor lichte ondersteuning en toerusting te ontwikkelen (zie paragraaf
   3.4) en deze norm een plaats te geven in de verbrede zorgplicht.
   Verbreding 1: Scholen bieden lichte onderwijsondersteuning en toerusting
   De raad stelt voor dat scholen de zorgplicht krijgen om in elk geval lichte didactische of
   pedagogische ondersteuning en toerusting te bieden aan leerlingen met een beperking
   die deze nodig hebben om onderwijs op de school te volgen. Wanneer een leerling
   vanwege een beperking lichte onderwijsondersteuning en toerusting nodig heeft, kan
   de school hem om deze reden niet meer weigeren. Dit borgt dat deze leerling voldoende
   onderwijsondersteuning en toerusting krijgt en daarnaast onderwijs kan volgen dat
   thuisnabij is én gezamenlijk met leerlingen zonder een beperking.
   De raad benadrukt hierbij dat niet alle mogelijke voorzieningen voor lichte ondersteuning
   en toerusting altijd direct aanwezig hoeven te zijn op een school, maar dat de school deze
   voorzieningen wel op korte termijn beschikbaar kan maken wanneer die nodig zijn voor
   een leerling met een beperking, eventueel met hulp en steun van het schoolbestuur of
   samenwerkingsverband.
   De verbreding van de zorgplicht kan helpen voorkomen dat leerlingen worden
   ‘weggeadviseerd’, oftewel dat ze vanwege hun beperking naar een andere school worden
   verwezen voordat ze zich hebben aangemeld. Er zijn aanwijzingen dat wegadviseren nu bij
   sommige scholen voorkomt.111 Wetgeving kan dit nooit uitsluiten, omdat het ook aankomt
   op de interactie tussen de ouder en de school. Maar de verbreding van de zorgplicht draagt
   wel uit dat het vanzelf spreekt dat scholen bereidwillig zijn om leerlingen met een beperking
   ondersteuning en toerusting te geven.112 Ten slotte schept deze verbreding van de zorgplicht
   meer duidelijkheid over wat van scholen kan worden verwacht. Die duidelijkheid ontbreekt
   nu vaak bij betrokkenen, ook al maken scholen hun ondersteuningsprofiel kenbaar.113 Als op
   termijn de zorgplicht wordt geconcretiseerd met landelijke normen voor lichte ondersteuning
   en toerusting (zie paragraaf 3.4), kan dit bijdragen aan duidelijke verwachtingen.
   Verbreding 2: Scholen spannen zich in om lichte zorg te bieden
   De raad stelt voor dat scholen de inspanningsplicht krijgen lichte pedagogisch-
   maatschappelijke, psychologische en medische ondersteuning en toerusting te bieden voor
   leerlingen die deze ‘zorg’ nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. Denk aan medicatie
   op school voor leerlingen met chronische ziekte, of een met een sociaal-maatschappelijk
   begeleider afgestemde pedagogische aanpak om te compenseren voor opvoedproblemen
   thuis (voor meer voorbeelden zie paragraaf 2.2). Van leerlingen of hun ouders kan niet worden
   verwacht dat zij de zorg zelf organiseren en inpassen in het onderwijs. Van scholen kan niet
   worden verwacht dat zij lichte zorg garanderen, omdat ze voor de financiering en organisatie
   ook van andere partijen afhankelijk zijn. Maar wel dat ze zich hiervoor inspannen, zeker
   wanneer via het samenwerkingsverband faciliteiten, specialisten en assistenten beschikbaar
   zijn (zie paragraaf 3.3). Deze verplichting is al vastgelegd in de wet.114 Dat kan echter worden
   geconcretiseerd aan de hand van landelijke normen voor lichte ondersteuning en toerusting. Het
   expliciet opnemen van zorgondersteuning in de zorgplicht borgt dat de school de eigen zorgtaak
   erkent en leerlingen vanwege een lichte zorgbehoefte niet naar een andere school verwijst.
   108 O nderwijsraad, 2016; zie ook Van der Ende & Luiken, 2014.
   109 Van den Broeck, 2016; Kruseman & Forder, 2016.
   110 Een aanknopingspunt biedt de Geschillencommissie passend onderwijs, die zich baseert op de
        verschillende kaders en duidelijk maakt dat de school bij afwegingen over toelating en doorverwijzing
        niet alleen rekening heeft te houden met ondersteuning en toerusting, maar ook met de thuisnabijheid
        van het onderwijs; zie bijvoorbeeld uitspraak GPO 12 september 2016, 107332. Zie ook Memorie van
        toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 17.
   111	Van Eck, Rietdijk & Van der Linden, 2017.
   112	In het middelbaar beroepsonderwijs heeft het toelatingsrecht in combinatie met de Wet passend
        onderwijs eraan bijgedragen dat het voor mbo-instellingen meer vanzelf spreekt dat ze klaarstaan
        voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften. Zie Ledoux, Waslander & Eimers, 2020
   113	Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
42 114 Artikel 8 lid 4 WPO.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>            Verbreding 3: Scholen spannen zich in om loopbaanondersteuning en -toerusting
            te bieden
            De derde verbreding van de zorgplicht betreft diverse overgangen in de loopbaan van
            leerlingen met een beperking. Ten eerste de reguliere overgang van schoolsoorten,
            zoals van het primair naar het voortgezet onderwijs en van het voortgezet onderwijs naar
            het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger onderwijs. De tweede overgang betreft
            stages, de eerste baan en de overstap van school naar een zinvolle dagbesteding.
            De derde overgang is de teruggeleiding van leerlingen vanuit het speciaal onderwijs
            naar mengvormen van speciaal en regulier onderwijs of (van hieruit) naar het regulier
            onderwijs. Een zorgplicht voor scholen om leerlingen (en ouders) tegemoet te komen
            bij teruggeleiding voorkomt dat leerlingen met een tijdelijke beperking noodgedwongen
            permanent gebruik maken van speciale voorzieningen, en kansen mislopen om thuisnabij
            en gezamenlijk onderwijs te volgen. De vierde overgang betreft gevallen van teruggeleiding
            van de eerste baan naar school. Dit kan nodig zijn wanneer leerlingen ervaren dat zij nog
            meer vaardigheden moeten ontwikkelen voor ze een overstap kunnen maken naar het
            arbeidsproces. De inspanningsverplichtingen bij de vier overgangen maken duidelijk dat de
            zorgtaak niet direct stopt wanneer de leerling van school gaat.
     Extra middelen bij overgang naar voortgezet onderwijs
     Scholen die zijn aangesloten bij het Samenwerkingsverband VO-VSO Nijmegen kunnen
     extra middelen aanvragen voor leerlingen die vanuit het (voortgezet) speciaal onderwijs
     instromen in het regulier voortgezet onderwijs. Het ‘schakelpakket’ kan besteed worden
     aan uiteenlopende vormen van voorbereiding en begeleiding van leerlingen, bijvoorbeeld
     het vergroten van de zelfstandigheid van de leerlingen en onderzoek naar continuïteit in
     voorzieningen bij de overstap.115
            Verbreding 4: Scholen spannen zich in ook thuisnabij en gezamenlijk onderwijs voor
            leerlingen met een beperking te realiseren
            Wanneer leerlingen met een beperking alleen lichte ondersteuning en toerusting nodig
            hebben – hetzij didactisch/pedagogisch, hetzij op het gebied van zorg of de loopbaan –
            geven de eerste, tweede en derde verbreding van de zorgplicht aan dat de school van
            aanmelding hiervoor zelf moet zorgen. Thuisnabij onderwijs is in dit geval vanzelfsprekend.
            Voor gezamenlijk onderwijs geldt dit niet; leerlingen met een beperking volgen op een
            schoollocatie niet per definitie onderwijs samen met leerlingen zonder een beperking. De
            lichte ondersteuning kan immers inhouden dat de leerling (tijdelijk) in zijn eentje of alleen
            met andere leerlingen met een beperking onderwijs volgt, bijvoorbeeld om tijdelijk in een
            prikkelarme setting binnen de school te werken of specifieke instructie te ontvangen.116
            De vierde verbreding van de zorgplicht beperkt zulke aanpassingen tot het uiterst
            noodzakelijke, omdat de school zich inspant leerlingen met een beperking zo veel mogelijk
            gezamenlijk onderwijs te laten volgen met leerlingen zonder een beperking. Dit sluit ook aan
            bij de Wet gelijke behandeling HCZ en het VN-verdrag handicap. Als een leerling zwaardere
            ondersteuning en toerusting nodig heeft, en de school die niet kan bieden, helpt de school
            ouders bij het vinden van een nieuwe school. De eerste prioriteit is dát er een school wordt
            gevonden die (wel) de zwaardere ondersteuning en toerusting kan bieden. De huidige
            zorgplicht voorziet daarin. Met de verbrede zorgplicht komt daar als tweede prioriteit bij dat
            het onderwijs thuisnabij en gezamenlijk is met leerlingen zonder een beperking. Hiervoor
            komen ook mengvormen van speciaal en regulier onderwijs in aanmerking (zie hoofdstuk 4).
   3.3      Pas het takenpakket van samenwerkingsverbanden aan
            De verbreding van de zorgplicht voor scholen heeft consequenties voor het takenpakket
            van de samenwerkingsverbanden. Zij krijgen in sommige opzichten minder taken en in
            andere opzichten juist meer.
            De Wet passend onderwijs onderscheidt nu vier kerntaken van
            samenwerkingsverbanden117:
            115	Samenwerkingsverband VO-VSO Nijmegen e.o. Ondersteuningsplan 2018-2022.
            116	In het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs gebeurt dit relatief vaak. Zie Ledoux,
                 Waslander & Eimers, 2020.
43          117	Zie artikel 18a WPO en artikel 17a WVO.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   •	vaststelling van een ondersteuningsplan, dat binnen de regio een samenhangend geheel van
        ondersteuningsvoorzieningen biedt en dat minimaal eens in de vier jaar wordt geactualiseerd
        na overleg met de burgemeester en wethouders van de gemeente;
   • verdeling en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en -voorzieningen van de scholen;
   •	beoordeling of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan een speciale school op
        verzoek van het bevoegd gezag van een school;
   •	advisering over de ondersteuningsbehoefte van een leerling op verzoek van een school.
   Wanneer, zoals de raad adviseert, de school op termijn verantwoordelijk wordt voor lichte onder-
   steuning, vervalt die verantwoordelijkheid voor het samenwerkingsverband. Het samenwerkings-
   verband behoudt in het voorstel van de raad echter de volgende kerntaken.
   •	Vaststelling van een ondersteuningsplan dat binnen de regio een samenhangend geheel
        van voorzieningen biedt op het terrein van zwaardere onderwijsondersteuning en -toerusting
        en (lichte en zwaardere) complexe ondersteuning en toerusting (die ook betrekking hebben
        op zorg en/of andere leefwerelden van de leerlingen, waaronder vervolgopleidingen en de
        werkwereld na school, zie paragraaf 2.2). De raad noemt dit hierna kortweg: zwaardere en
        complexe ondersteuning en toerusting. Het ondersteuningsplan wordt eens in de vier jaar
        geactualiseerd in nauw overleg met gemeentebesturen. Dit om doelmatig zorg-onderwijs-
        combinaties mogelijk te maken en bijvoorbeeld te voorzien in huisvesting die mengvormen
        van regulier en speciaal onderwijs mogelijk maakt. Het plan voorziet ook in de extra begelei-
        ding van leerlingen met een beperking tijdens de overgang van de ene schoolsoort naar de
        andere, van school naar de eerste baan, en van school naar een zorgvoorziening, waarbij
        de school waar de jongere voorheen onderwijs volgde, een mentorfunctie blijft vervullen. De
        opeenvolging van ondersteuningsplannen kenmerkt zich door de langetermijndoelstelling om
        gaandeweg het onderwijs inclusiever te maken voor leerlingen met een beperking, alsmede
        een visie hoe deze doelstelling te realiseren is.
   •	Verdeling en toewijzing van middelen en voorzieningen voor zwaardere en complexe onder-
        steuning en toerusting. Hieronder vallen ook de middelen en voorzieningen voor het speciaal
        onderwijs in de regio. Op termijn verloopt de bekostiging van alle zwaardere ondersteuning­
        via het samenwerkingsverband, zonder verplichte afdracht op basis van een landelijk
        systeem van toelaatbaarheidsverklaringen. De samenwerkingsverbanden krijgen zo meer
        beleidsruimte voor de inzet van dit budget (zie hoofdstuk 5).
   •	Hulp aan scholen bij het inpassen van zwaardere en complexe ondersteuning en toerusting
        in het onderwijs.
   •	Hulp aan scholen bij de toeleiding van leerlingen die zwaardere en complexe ondersteuning
        en toerusting behoeven naar een andere school. Dit gebeurt pas nadat eerst is nagegaan
        of zwaardere en complexe ondersteuning op de school van eerste aanmelding (met hulp
        van het samenwerkingsverband) kan worden ingepast, en geconcludeerd is dat deze school
        daartoe niet in staat is. Deze taak omvat dan ook het zoeken naar een school die voldoende
        ondersteuning en toerusting kan bieden en daarnaast zo veel mogelijk thuisnabij is en de
        leerling in staat stelt onderwijs te volgen samen met leerlingen zonder een beperking. Waar
        die opties niet bestaan, omvat de taak ten slotte de hulp bij het toeleiden naar een schoolse
        voorziening die (een mengvorm van regulier en) speciaal onderwijs biedt.
   •	Hulp aan scholen bij het toeleiden van leerlingen naar een vervolgopleiding, het arbeids-
        proces118 of een zorgvoorziening, en eventueel het teruggeleiden van leerlingen vanuit deze
        nieuwe contexten naar de school.
   •	Middelen en voorzieningen voor zorg waar nodig en mogelijk via de gemeenten beschikbaar
        maken voor onderwijs.
   •	Stimuleren dat aangesloten schoolbesturen deskundigheid en faciliteiten op het terrein van
        onderwijs aan leerlingen met een beperking delen. Het samenwerkingsverband vervult hierbij
        een rol als expertisenetwerk of expertisecentrum.
   •	Stimuleren van gezamenlijke professionaliserings- en evaluatie/onderzoeksactiviteiten bij
        aangesloten schoolbesturen.
   De zorgplicht van de school en het takenpakket van het samenwerkingsverband zijn complemen-
   tair. Tabel 2 beschrijft zes manieren waarop ondersteuning en toerusting van een leerling met een
   beperking georganiseerd kunnen worden. Bij vijf manieren werken school en samenwerkings-
   verband in elk geval samen. Scholen kunnen ook nog op andere manieren optrekken met het
   samenwerkingsverband of met andere scholen binnen of buiten het schoolbestuur, bijvoorbeeld
   bij professionaliseringstrajecten van lerarenteams.
44 118	Voor leerlingen die na het v(s)o geen vervolgopleiding volgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Tabel 2. Zes situaties voor het organiseren van ondersteuning en toerusting van een leerling met een beperking in het
   primair en voortgezet onderwijs119
    Situatie   Ondersteuning                       Procedure
               en toerusting
               Zwaarte          Aard
    1          licht            onderwijs          - de school van aanmelding voorziet in benodigde ondersteuning
                                                      (eventueel samen met andere scholen van het schoolbestuur of het
                                                      samenwerkingsverband)
    2          licht            loopbaan           - de school van aanmelding wendt zich tot het samenwerkingsverband
                                ‘buiten            - de extra loopbaanbegeleiding tijdens stage of (in een later stadium) tijdens
                                school’               een vervolgopleiding, de eerste baan, of een zorg-dagvoorziening kan
                                                      geregeld worden
                                                   - de school van aanmelding (bij stage) of waar de leerling voorheen onderwijs
                                                      volgde (bij de overige gevallen), voorziet met hulp (aanvullende middelen
                                                      en/of faciliteiten) van het samenwerkingsverband in de extra begeleiding
    3          licht            onderwijs          - de school van aanmelding wendt zich tot het samenwerkingsverband
                                en zorg            - de lichte zorg kan met hulp van het samenwerkingsverband binnen de
                                                      school van aanmelding geregeld worden
                                                   - de school van aanmelding voorziet met hulp (aanvullende middelen en/of
                                                      faciliteiten) die via het samenwerkingsverband beschikbaar is gemaakt, in
                                                      benodigde ondersteuning en toerusting
    4          zwaarder         onderwijs          - de school van aanmelding wendt zich tot het samenwerkingsverband
                                en/of zorg         - de zwaardere ondersteuning kan met hulp van het samenwerkingsverband
                                                      binnen de school van aanmelding geregeld worden
                                                   - de school voorziet met hulp (aanvullende middelen en/of faciliteiten) die
                                                      via het samenwerkingsverband beschikbaar is gemaakt in de benodigde
                                                      ondersteuning, eventueel met mengvormen van regulier en speciaal
                                                      onderwijs
    5          zwaarder         onderwijs          - de school van aanmelding wendt zich tot het samenwerkingsverband
                                en/of zorg         - voor de school van aanmelding is de zwaardere ondersteuning te belastend
                                                   - de school en het samenwerkingsverband zoeken naar een reguliere
                                                      school, bij voorkeur in de buurt, waar de voorzieningen voor de benodigde
                                                      ondersteuning al aanwezig zijn of geregeld kunnen worden
                                                   - een andere reguliere school in de regio voorziet met hulp (aanvullende
                                                      middelen en/of faciliteiten) die via het samenwerkingsverband beschikbaar
                                                      is gemaakt, in de benodigde ondersteuning, eventueel met mengvormen
                                                      van regulier en speciaal onderwijs
    6          zwaarder         onderwijs          - de school van aanmelding wendt zich tot het samenwerkingsverband
                                en/of zorg         - het gaat om zulke zware ondersteuning dat geen van de reguliere scholen in
                                                      de regio zich in staat acht erin te voorzien
                                                   - de school van aanmelding verwijst de leerling door naar een school voor
                                                      speciaal onderwijs120 (bij voorkeur in de regio) die het kind toelaat en met
                                                      hulp (aanvullende middelen en/of faciliteiten boven op de basisbekostiging
                                                      voor de school121) van het samenwerkingsverband in de benodigde
                                                      ondersteuning en toerusting voorziet.
                119	Het gaat om een leerling die zich heeft aangemeld of al is toegelaten. In het laatste geval blijkt tijdens de
                     schoolperiode dat de leerling vanwege een beperking ondersteuning nodig heeft. Bij lichte ondersteuning kan
                     de school nooit toegang tot onderwijs weigeren op grond van een beperking (zie paragraaf 3.2).
                120	De raad hanteert hier de definitie van speciaal onderwijs als onderwijs door scholen in het funderend onderwijs die
                     zich hebben gespecialiseerd in zwaardere vormen van ondersteuning en toerusting en zich richten op leerlingen die
                     deze vanwege een beperking nodig hebben (zie paragraaf 2.2.).
45              121 Ibid. Voor een toelichting op de wijze van bekostiging zie paragraaf 5.2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>           Het takenpakket is een aanpassing ten aanzien van de huidige wetgeving en zal in
           praktijk ook een aanpassing voor veel samenwerkingsverbanden betekenen. Een deel
           van de samenwerkingsverbanden heeft al eerder gekozen voor een invulling van hun
           takenpakket die aansluit bij de aanbevelingen van de raad in dit advies. De huidige wet
           laat immers veel ruimte aan samenwerkingsverbanden voor een eigen invulling van taken.
           De meeste kiezen voor het zogeheten schoolmodel, waarbij ze het grootste deel van de
           middelen waarover ze daadwerkelijk kunnen beschikken voor ondersteuning op reguliere
           scholen, direct over school(besturen) verdelen.122 De meeste samenwerkingsverbanden
           in het voortgezet onderwijs deden dat van meet af aan. Scholen in het primair onderwijs
           zijn dat in toenemende mate gaan doen.123 Het takenpakket dat de raad voorstelt, sluit
           hierbij aan in de zin dat scholen verantwoordelijk worden voor lichte ondersteuning en
           toerusting en daarvoor direct de middelen ontvangen (zie paragraaf 5.1). Voor zwaardere
           en complexe ondersteuning komen ook het arrangementenmodel en een expertisemodel
           in aanmerking. Dit sluit aan bij het feit dat veel samenwerkingsverbanden nu een mix van
           modellen kennen (zie tekstkader).124 Niettemin zijn voor de kleinere of grotere aanpassingen
           van samenwerkingsverbanden nog verdere planvorming en ontwikkeling nodig. De
           raad benadrukt dat daarvoor moet worden geïnvesteerd in tijd en middelen – los van de
           herverdeling van de middelen tussen schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Pas
           dan kan deze in zijn ogen noodzakelijke stap voor inclusiever onderwijs worden gezet.
   Huidige modellen van samenwerkingsverbanden
   Samenwerkingsverbanden kunnen zelf bepalen hoe zij middelen en voorzieningen
   toewijzen en organiseren. In het schoolmodel worden alle middelen voor ondersteuning op
   reguliere scholen direct verdeeld over schoolbesturen. Het voordeel is dat scholen meer
   geld krijgen en eigen keuzes kunnen maken. Het nadeel is dat verantwoording via het
   samenwerkingsverband moeilijker is en scholen kunnen verschillen in de ondersteuning die
   ze feitelijk bieden als er geen algemene norm bestaat. Bij een arrangementenmodel vragen
   scholen extra geld aan het samenwerkingsverband voor een specifiek doel. Dit maakt de
   inzet van middelen beter traceerbaar voor het samenwerkingsverband, maar dit model is
   gevoelig voor bureaucratie en strategisch gedrag van scholen. Bij het expertisemodel heeft
   het samenwerkingsverband zelf specialisten in dienst. Zo kan specifieke expertise worden
   opgebouwd en ingezet. Nadeel is dat scholen minder beleidsruimte hebben.125
   Voorbeeld van een samenwerkingsverband in het primair onderwijs
   Samenwerkingsverband Passend Primair Onderwijs (PPO) omvat de stad Rotterdam en
   telt 21 schoolbesturen. PPO realiseert extra ondersteuning in de stad door de inzet van
   eigen mensen en door financiële middelen beschikbaar te stellen aan de scholen. Daarmee
   kunnen de scholen de komende planperiode zelf ook invulling geven aan de ondersteuning
   en gaat PPO werken volgens een combinatie van het expertise- en schoolmodel. PPO heeft
   100 fte aan personeel in dienst, onder wie veel gedragswetenschappers, die zijn verbonden
   aan scholen. Elke school in Rotterdam heeft een medewerker van PPO. Het geld dat scholen
   direct krijgen, besteden zij aan maatwerk en samenwerking in de wijk. Directeuren en intern
   begeleiders van scholen in een wijk komen vier à vijf keer per jaar bij elkaar om samen
   een plek te geven aan leerlingen die lastiger plaatsbaar zijn, bijvoorbeeld omdat ze een
   forse gedragsproblematiek hebben of omdat ze vanwege een beperking een didactische
   achterstand hebben opgelopen. De wijkaanpak kan voorkomen dat één school een
   aanzuigende werking heeft. Scholen in een wijk hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid
   een dekkend netwerk te vormen en zo veel mogelijk kinderen thuisnabij onderwijs te bieden.
   De gemeente legt geen geld in, maar komt met aanbod van de zorgpartijen.
   De Hildegardisschool valt onder het samenwerkingsverband PPO Rotterdam. Tussen de
   school en PPO lopen korte lijnen via een betrokken en deskundig schoolcontactpersoon.
   Hierdoor kan er snel en preventief ambulante ondersteuning geboden worden op de
   school. De Hildegardisschool wil leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op
   sociaal-emotioneel en didactisch gebied, zo veel mogelijk in het regulier onderwijs houden
   en daarvoor het aanbod vergroten. Om meer ondersteuning en expertise binnen de school
   mogelijk te maken neemt de Hildegardisschool deel aan het project ONderwijs en Zorg
   Expertise (ONZE). Het ONZE-project versterkt vier jaar de zorgstructuur op zeven ‘sterke
           122	Het gaat om het budget dat overblijft na de financiële afdracht van samenwerkingsverbanden aan de
                scholen waarvoor leerlingen een toelatingsverklaring nodig hebben. Dit betreft scholen voor speciaal
                onderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal voortgezet onderwijs, praktijkonderwijs en (voor een
                deel ook) leerwegondersteunend onderwijs.
           123	Heim, & Weijers, 2018.
           124	Ibid.
46         125	Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>     scholen’ om na te gaan of meer leerlingen voor het reguliere onderwijs kunnen worden
     behouden. Het is de bedoeling dat de proeftuinen een uitstraling hebben naar andere
     scholen binnen het samenwerkingsverband. De versterkte zorgstructuur omvat extra zorg-
     onderwijsassistenten en een gedragswetenschapper, professionalisering van leraren die
     de zorgroute moeten leren kennen, feedback van zorgcoördinatoren en intern begeleider,
     en overleg en terugkoppeling. De leerkracht houdt de regie: al werkt een onderwijsassistent
     een hele week met leerlingen, de leerkracht is portefeuillehouder. Aan de intern begeleider
     worden het plan van aanpak, de afstemming en de begroting toevertrouwd, waarbij er
     afspraken zijn over verantwoordelijkheden binnen de kerngroep van maatschappelijk
     werker, IB’er, zorg-onderwijsassistenten en de directie.126
     Voorbeeld van een samenwerkingsverband in het voortgezet onderwijs
     Bij de start van passend onderwijs werd uitgegaan van het expertisemodel. Inmiddels
     verdeelt Sterk VO een deel van het toegekende budget direct aan de scholen op basis van
     leerlingenaantallen. Een ander deel van de middelen besteedt het samenwerkingsverband
     aan bovenschoolse voorzieningen, waaronder een professionaliseringstraject voor
     schoolteams en een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC fungeert
     tevens als een expertisecentrum, omdat de medewerkers inzetbaar zijn voor vragen
     en taken van andere scholen. Het samenwerkingsverband is toegegroeid naar de
     huidige combinatie van een expertise- en een schoolmodel. Op grond van casussen, de
     opgestelde ontwikkelingsperspectieven en de toegekende ondersteuningsarrangementen
     hebben de betrokken schoolbesturen een gezamenlijke visie ontwikkeld. Vanuit die visie
     voeren ze beleid dat op alle scholen een hoog niveau van ondersteuning borgt in plaats
     van specialisatie van de ondersteuning op basis van schoolprofielen. Op elke school
     zijn regelmatig partners uit de zorg en een medewerker van het samenwerkingsverband
     aanwezig. Het nauwe contact met de zorgpartners maakt het mogelijk zorg in te passen
     in het onderwijs en sommige leerlingen deeltijdonderwijs te bieden. Onderdeel van de
     visie is ook de nadrukkelijke verbinding met de thuissituatie. Er wordt samen met de
     ouder gezocht naar oplossingen om ondersteuning en toerusting in te passen in het
     onderwijs. Het samenwerkingsverband speelt ook een belangrijke rol bij de toeleiding
     naar het vervolgonderwijs. Een van de bovenschoolse voorzieningen is een netwerk van
     loopbaanbegeleiders en coördinatoren van het voortgezet onderwijs die aansluiten bij
     gesprekskringen met mbo-scholen.127
   3.4	Ontwikkel een wettelijke norm voor lichte ondersteuning
             en toerusting in het primair en voortgezet onderwijs
             Om te borgen dat leerlingen met een beperking op álle scholen lichte ondersteuning
             en toerusting kunnen krijgen, acht de raad het noodzakelijk dat hiervoor op termijn een
             wettelijke norm wordt gehanteerd. De raad adviseert dat de rijksoverheid ervoor zorgt
             dat professionals uit de praktijk en wetenschappelijke experts een landelijke norm
             ontwikkelen. In paragraaf 2.2 geeft de raad daarvoor een aanzet met het onderscheid
             tussen diverse vormen van directe en indirecte ondersteuning en toerusting. Ook
             noemt hij voorbeelden van wat zou kunnen gelden als lichte onderwijsondersteuning en
             lichte complexe ondersteuning, die volgens de raad beide tot de norm zouden moeten
             behoren. Bij de ontwikkeling van de norm kunnen de professionals en wetenschappelijke
             experts verder gebruik maken van drie aanzetten die al voorhanden zijn: (1) de Wet
             gelijke behandeling HCZ; (2) het landelijk Referentiekader Passend onderwijs; en (3) de
             ondersteuningsplannen en schoolondersteuningsprofielen. Het gezamenlijk ontwikkelen
             van een norm is een proces dat tijd vergt. Het wettelijk verankeren van een landelijke norm
             is te beschouwen als een sluitstuk van dat proces. Het is echter geen eenmalige exercitie.
             De raad beveelt aan de norm periodiek te verhogen wanneer het veld eraan toe is een
             volgende stap richting inclusiever onderwijs te zetten. De overheid organiseert hiertoe een
             periodieke evaluatie van de norm.
             126	Deze beschrijving is gebaseerd op een werkbezoek van de raad.
47           127	Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>   Wettelijke norm nodig om lichte ondersteuning en toerusting te borgen
   De raad adviseert een wettelijk norm, omdat hij het voorzieningenniveau voor
   leerlingen met een beperking nu te veel vindt variëren tussen scholen, schoolbesturen en
   samenwerkingsverbanden. Een landelijke norm zorgt dat leerlingen met een beperking voor
   wie lichte ondersteuning en toerusting volstaan, altijd in aanmerking komen voor thuisnabij en
   gezamenlijk onderwijs. Met het wettelijk verankeren van een norm voor lichte ondersteuning
   en toerusting draagt de overheid uit dat inclusie deel uit maakt van de algemene
   onderwijskwaliteit. In combinatie met de verbrede zorgplicht die de raad voorstaat, maakt
   een landelijke norm voor alle betrokkenen duidelijk welke ondersteuning en toerusting voor
   leerlingen met een beperking minimaal van een school kunnen worden verwacht en welke
   eventueel als een onevenredig grote belasting kunnen gelden (zie paragraaf 3.2).
   Het hanteren van een wettelijke norm voor lichte ondersteuning en toerusting vergt tijd.
   In de eerste plaats zijn er scholen die op dit moment nog niet aan zo’n norm kunnen
   voldoen. Zij moeten de gelegenheid krijgen randvoorwaarden op orde te krijgen. Ten
   tweede is een landelijke norm voor inclusiever onderwijs nog niet voorhanden. Het is van
   belang dat professionals en wetenschappelijke experts de tijd krijgen een adequate en
   breed geaccepteerde norm te ontwikkelen. De raad adviseert de overheid hiertoe een
   structuur op te zetten waarbij (beroepsorganisaties van) leraren, teamleiders, schoolleiders
   en ondersteunende professionals die betrokken zijn bij inclusiever onderwijs, samen
   met wetenschappelijke experts naar een norm kunnen toewerken. De overheid kan die
   uiteindelijk wettelijk vastleggen. Ervaringen in het buitenland laten zien dat een wettelijke
   verankering van de norm niet kan fungeren als breekijzer, maar eerder te beschouwen is
   als het sluitstuk van een gezamenlijk proces (zie hierna).
   Een wettelijk basisniveau van voorzieningen perkt de beleidsruimte van onderwijsbesturen
   en samenwerkingsverbanden in. Dat is nodig om te garanderen dat jongeren voor wie lichte
   ondersteuning en toerusting volstaan, overal in Nederland toegang hebben tot de school
   waar zij zich aanmelden. Uiteraard op voorwaarde dat ze ook aan overige toelatingscriteria
   voldoen, zoals het vereiste niveau van de schoolsoort.
   Met een wettelijke norm voor lichte ondersteuning en toerusting blijft er nog voldoende
   ruimte voor besturen en samenwerkingsverbanden om eigen beleid te maken dat is
   afgestemd op de lokale situatie en de behoeften van ouders en leerlingen. Een wettelijke
   norm zorgt juist voor een betere balans in de governance, omdat voor ouders en leerlingen
   duidelijker is welke ondersteuning en toerusting ze kunnen verwachten van een school. Het
   gesprek met de betrokkenen kan zich dan meer richten op de vraag hoe de ondersteuning
   en toerusting worden ingepast in het onderwijs. Een wettelijke grondslag geeft bovendien
   aan dat alle scholen inclusie hebben voor te leven. Wanneer leerlingen met een beperking
   deelnemen aan het onderwijs, ervaren zij en andere leerlingen dat de extra inspanningen
   de moeite waard zijn. Een wettelijke norm voorkomt ten slotte dat scholen die leerlingen
   met een beperking opnemen, een uitzondering vormen en overbelast raken.
   Het vaststellen van een wettelijk basisniveau betekent niet dat scholen zich tot dat
   niveau hoeven te beperken. In het kader van inclusiever onderwijs kunnen ze juist meer
   voorzieningen bieden. De Wet gelijke behandeling HCZ bevordert dit door scholen te laten
   nagaan of ze in voorkomende gevallen ook zwaardere ondersteuning en toerusting kunnen
   inpassen. Een tweede stimulans kan zijn dat het samenwerkingsverband de taak krijgt
   de school te helpen bij het organiseren en inpassen van de zwaardere ondersteuning en
   toerusting op de school (zie paragraaf 3.3).
   Evalueer de norm voor lichte ondersteuning periodiek
   Het ontwikkelen van een norm voor lichte ondersteuning is geen eenmalige exercitie. De
   overheid heeft de taak de norm te evalueren en te stimuleren dat de norm waar mogelijk
   verder wordt ontwikkeld en verhoogd. Dit is conform de ambitie van stapsgewijs inclusiever
   onderwijs. Verhoging is pas mogelijk wanneer scholen eraan toe zijn een volgende stap
   richting inclusiever onderwijs te zetten.
   Andere landen zijn Nederland voorgegaan in pogingen het onderwijs inclusiever te maken.128
48 128	Meijer, 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>           De buitenlandse praktijk leert dat de veranderingsstrategie geleidelijk moet zijn en dat scholen
           tijd nodig hebben voor professionalisering en andere condities om lichte en zwaardere
           ondersteuning te kunnen bieden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de vergelijking van de situatie in
           Vlaanderen, waar inclusiever onderwijs nog van de grond moet komen, met die in Schotland,
           waar inclusiever onderwijs al langere tijd met succes wordt nagestreefd (zie tekstkaders).
           Bijstelling van de normen kan regelmatig maar ook weer niet te vaak gebeuren. Normen zijn
           immers bedoeld om helderheid te verschaffen. Dat is niet mogelijk wanneer zij steeds worden
           herzien. De raad adviseert uit te gaan van een periodieke herijking op een termijn van vijf
           jaar. In vijftien jaar zou dan een behoorlijke stap richting inclusiever onderwijs mogelijk zijn.
   Inclusiever onderwijs in Vlaanderen
   Op 21 maart 2014 is in Vlaanderen het M-decreet ingevoerd, dat inclusief onderwijs als
   eerste optie voorschrijft: een leerling met een beperking heeft het recht zich in te schrijven
   bij een reguliere school. Doel van het decreet is meer leerlingen in reguliere scholen
   onderwijs te laten volgen en dus minder leerlingen naar speciale scholen te verwijzen.
   De school is verplicht een zorgcontinuüm te creëren en samen met de leraar of leraren,
   de ouders en het Centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) na te gaan welke redelijke
   aanpassingen en maatregelen een leerling met specifieke onderwijsbehoeften nodig heeft
   om de lessen te kunnen volgen. Het M-decreet wordt afgeschaft per 1 september 2021.
   Er was veel weerstand tegen, onder meer vanwege de overhaaste implementatie. In de
   media kwam het beeld naar voren dat het decreet de afschaffing van speciaal onderwijs
   betekende, terwijl het decreet bedoeld was om (de expertise van) het speciaal onderwijs en
   het reguliere onderwijs dichter bij elkaar te brengen. Een ander punt van kritiek luidde dat
   het werkveld onvoldoende betrokken was en scholing te weinig aandacht had gekregen.
   Er is inmiddels een nieuwe regeling in de maak: het Begeleidingsdecreet. Het principe van
   inclusie blijft overeind, maar het nastreven ervan krijgt een pragmatischer invulling. Hierbij
   behoudt het speciaal onderwijs nadrukkelijker een plaats in het onderwijsstelsel en is er
   meer aandacht voor het creëren van maatschappelijk draagvlak en pedagogisch houvast.129
   Inclusiever onderwijs in Schotland
   In het Schotse onderwijssysteem volgt een relatief hoog percentage jongeren met een
   beperking regulier onderwijs. Sinds 1998 is er gericht beleid om dit aandeel verder te
   verhogen, de voorzieningen te verbeteren en de algehele integratie van deze leerlingen
   in de samenleving te bevorderen. Onderwijs aan jongeren met een beperking neemt een
   belangrijke plaats in bij scholing van leraren. Leerlingen met een beperking (en leerlingen
   met een achterstand) krijgen extra onderwijstijd en begeleiding. De school krijgt geld om
   hiervoor assistenten aan te nemen. Als de toegewezen uren niet volstaan, kan de school
   direct extra hulp vragen aan de gemeente. Gemeenten voeren de regie op toewijzing
   en organisatie van specialistische ondersteuning waarvan scholen gebruik maken.
   Deelgemeenten c.q. wijken beschikken over een eigen team met specialisten. Inclusie is
   bovendien sinds 2012 integraal opgenomen in het curriculum.130
           Aanzet 1: Wet gelijke behandeling HCZ
           De Wet gelijke behandeling HCZ vormt in de ogen van de raad de belangrijkste aanzet tot
           een norm voor lichte ondersteuning. Deze wet geeft aan dat een school die een leerling
           met een beperking toelaat of onderwijs laat volgen, aanpassingen heeft aan te brengen als
           daaraan behoefte is. Verder stelt de wet dat aanpassingen doeltreffend moeten zijn. De
           verplichting tot doeltreffende aanpassingen geldt niet als deze een onevenredige belasting
           voor de school zouden betekenen.131
           Hoewel de Wet gelijke behandeling HCZ een belangrijke aanzet geeft, dient verder te
           worden geconcretiseerd welke doeltreffende maatregelen de samenleving van een school
           mag verwachten. Dan is duidelijk welke vormen van ondersteuning en toerusting als licht
           aan te merken zijn en nooit gelden als onevenredig belastend voor de school.
           De norm voor lichte ondersteuning en toerusting kan in eerste instantie algemeen worden
           beschreven en vervolgens uitgewerkt voor specifieke vormen van ondersteuning en
           129	Tegenbos, 2019; zie ook Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, 2019; Vlaamse
                Onderwijsraad, 2020.
           130 Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs, 2017; Van Gaalen, 2019.
49         131	Memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 106, nr. 3, p.7.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>   toerusting. De uitwerking kan rekening houden met verschillen tussen sectoren (primair en
   voortgezet onderwijs) en soorten beperkingen. In het voortgezet onderwijs kan bijvoorbeeld de
   nadruk meer dan in het primair onderwijs liggen op toerusting van vaardigheden die leerlingen
   met een beperking in staat stellen grotendeels zelfstandig te functioneren. Categorisering van
   beperkingen gaat niet verder dan het niveau nodig om adequate voorzieningen toe te wijzen.
   Een nadruk op voorzieningen kan ongewenste labeling tegengaan (zie ook paragraaf 3.1).
   Aanzet 2: Referentiekader Passend onderwijs
   Het landelijke Referentiekader Passend onderwijs is in 2013 opgesteld door de
   sectororganisaties PO-Raad, VO-raad, AOC Raad en MBO Raad.132 Het kader geeft een
   algemene omschrijving van de basisondersteuning.
    “We omschrijven de basisondersteuning als het door het samenwerkingsverband
   afgesproken geheel van preventieve en lichte curatieve interventies die binnen de
   onderwijsondersteuningsstructuur van de school planmatig en op een overeengekomen
   kwaliteitsniveau, eventueel in samenwerking met ketenpartners, worden uitgevoerd.”
   (Referentiekader, p.11)
   Het kader noemt ook een aantal thema’s waarover nadere afspraken nodig zijn in de
   basisondersteuning die samenwerkingsverbanden moeten vastleggen:
   “•	een aanbod voor leerlingen met dyslexie of dyscalculie (conform de protocollen);
   •	onderwijsprogramma’s en leerlijnen die zijn afgestemd op leerlingen met een meer of
       minder dan gemiddelde intelligentie. De begrenzing van ondersteuning voor leerlingen
       op basis van IQ alleen wordt vermeden;
   •	fysieke toegankelijkheid van schoolgebouwen, aangepaste werk- en instructieruimtes en
       de beschikbaarheid van hulpmiddelen voor leerlingen die dit nodig hebben;
   •	(ortho)pedagogische en/of orthodidactische programma’s en methodieken die gericht
       zijn op sociale veiligheid en het voorkomen en aanpakken van gedragsproblemen;
   •	een protocol voor medische handelingen; en
   •	de curatieve zorg en ondersteuning die de school samen met ketenpartners kan
       bieden.” (p.11)
   Op de indirecte ondersteuning rondom de leerling gaat het referentiekader zijdelings in.
   “Het tweede aspect van basisondersteuning is de inrichting van de ondersteunings-
   structuur. In het ondersteuningsprofiel van de school wordt in ieder geval aangegeven
   wat de expertise is van het (ondersteunings)team voor wat betreft preventieve en (licht)
   curatieve interventies en hoe die zichtbaar worden in de onderwijsorganisatie van de
   school. Ook wordt aangegeven hoe de specifieke expertise van samenwerkende scholen
   wordt benut, met welke ketenpartners wordt samengewerkt en welke afspraken zijn
   gemaakt met de gemeente over de uitvoering van jeugdgerelateerde zorgtaken.” (p. 12)
   Voor de kwaliteit verwijst het referentiekader naar de standaarden van de
   Onderwijsinspectie.
   “Criterium hiervoor is het landelijk vastgestelde toezichtkader van de Onderwijsinspectie
   waarin een minimumnorm voor basiskwaliteit wordt genoemd: de leerprestaties (po) en
   opbrengsten (vo) van de school zijn ten minste voldoende en daarnaast voldoen het
   onderwijsleerproces of de zorg en begeleiding aan de gestelde norm.” (p. 12).
   Ten slotte geeft het kader aan dat de basisondersteuning kan worden aangevuld met extra
   ondersteuning door scholen die dat hebben opgenomen in hun ondersteuningsprofiel.
   “Een hoog niveau van basisondersteuning laat onverlet dat een deel van de kinderen en
   jongeren extra ondersteuning en/of jeugdzorg nodig heeft. Zij kunnen gebruik maken van
   onderwijs- en zorgarrangementen. Voor alle vormen van onderwijsondersteuning die de
   basisondersteuning overstijgen hanteren wij het begrip ‘extra onderwijsondersteuning’.” (p. 12)
50 132	PO-Raad, VO-raad, MBO Raad & AOC Raad, 2013.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   De Onderwijsraad ziet in het referentiekader belangrijke aanzetten voor een norm voor lichte
   ondersteuning. Maar hij concludeert ook dat verdere uitwerking, verduidelijking en precisering
   nodig zijn. De afspraken waarnaar het referentiekader verwijst, hebben betrekking op het
   ondersteuningsplan van de samenwerkingsverbanden, waar ze verdere invulling moeten
   krijgen. Soms worden de afspraken (verder) geconcretiseerd in het schoolondersteunings­
   profiel. Dit alles onderstreept dat de normen nu vooral op lokaal niveau gestalte krijgen.
   Om als landelijke norm te kunnen fungeren, is een gedetailleerder omschrijving dan
   in het referentiekader nodig met een duidelijke indeling. In paragraaf 2.2 geeft de raad
   daarvoor een aanzet met het onderscheid tussen diverse vormen van directe en indirecte
   ondersteuning en toerusting. Ook noemt hij voorbeelden van wat zou kunnen gelden als
   lichte ondersteuning. De ontwikkeling van een landelijke norm vergt ook een herbezinning
   op de huidige indeling van onderwijssoorten als speciaal basisonderwijs, praktijkonderwijs
   en leerwegondersteunend onderwijs. Volgens de definitie die de raad hanteert, bieden
   scholen die zijn gespecialiseerd in deze onderwijssoorten een niveau van ondersteuning
   en toerusting dat niet van álle scholen kan worden verwacht. In dit opzicht zijn deze
   scholen te beschouwen als een vorm van speciaal onderwijs (zie ook tekstkader in
   paragraaf 1.3 en de definitie die de raad toekent aan speciaal onderwijs, paragraaf 2.2).
   Afhankelijk van de norm voor lichte ondersteuning en toerusting die wordt ontwikkeld, zou
   het type leerlingen dat momenteel deze schoolsoorten volgt, (gedeeltelijk) in aanmerking
   kunnen komen voor reguliere scholen.
   Anders dan de indelingen van de raad in paragraaf 2.2 kent het referentiekader geen plek
   toe aan extra loopbaanbegeleiding voor leerlingen met een beperking tijdens de stage of
   bij de overgang naar werk of een vervolgopleiding. Ook is het kader voornamelijk gericht op
   directe ondersteuning van de leerling. De toerusting van de leerling en de ondersteuning
   van de omgeving rondom de leerling krijgen weinig aandacht. De ondersteuning en
   toerusting van medeleerlingen ontbreken. Volgens de raad is deze voorziening cruciaal.
   Deze kan ervoor zorgen dat leerlingen met een beperking zich welkom voelen én biedt de
   kans inclusie te oefenen en te ervaren in de minisamenleving van de school. De verwijzing
   naar de Onderwijsinspectie geeft aan dat de focus van het referentiekader eenzijdig ligt bij
   kwalificatie. De raad stelt voor ook socialisatie en persoonsvormingsdoelen in beschouwing
   te nemen en de omgang van leerlingen met en zonder een beperking een plaats te geven.
   Tot slot is een belangrijk verschil dat de raad spreekt van een beperking, terwijl het
   referentiekader spreekt van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Waar het gaat om
   basisondersteuning geeft het referentiekader geen richtlijnen voor het signaleren van deze
   behoefte. De raad vindt het belangrijk dat de doelgroep wordt afgebakend (zie ook paragraaf
   3.1). Signaleren of een leerling vanwege een beperking extra ondersteuning en toerusting
   nodig heeft, dient deel uit te maken van de norm voor lichte ondersteuning en toerusting,
   naast andere kernprocessen zoals het toewijzen, organiseren en voeren van kwaliteitsbeleid.
   Aan al deze processen wordt overigens wel gerefereerd in het referentiekader, maar meer in
   relatie tot leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, geformuleerd als ‘meer dan de
   basisondersteuning’. Volgens het referentiekader hoeft niet elke school die te bieden.
   Aanzet 3: Ondersteuningsplannen en schoolondersteuningsprofielen
   Ook de ondersteuningsplannen van samenwerkingsverbanden en de schoolonder­steunings­
   profielen vormen een aanzet voor het formuleren van een landelijke norm voor basisonder-
   steuning. Het nadeel dat zij uiteenlopen, is tegelijk een voordeel. Dit biedt de mogelijkheid de
   meest adequate en aansprekende beschrijvingen te kiezen voor de landelijke norm.
   De huidige ondersteuningsplannen dienen volgens de Wet passend onderwijs onderscheid
   te maken tussen basisondersteuning en extra ondersteuning. Deze grens wordt in veel
   ondersteuningsplannen niet aangegeven; volgens betrokkenen gaat het om een grijs
   gebied. Omdat een grens ontbreekt, is niet duidelijk wat boven de basisondersteuning
   uitstijgt en wanneer een ontwikkelingsperspectief nodig is. Waar enkele
   samenwerkingsverbanden in hun ondersteuningsplan beschrijven dat alle scholen basis-
   en extra ondersteuning bieden, laten andere de grens tussen beide ondersteuningsvormen
   over aan de school. Die kan aangeven de extra ondersteuning niet te kunnen bieden.133
51 133	Heim & Weijers, 2018, p. 7.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>       De verschillende manieren waarop samenwerkingsverbanden de basisondersteuning
       en extra ondersteuning definiëren, onderstrepen volgens de raad de noodzaak van een
       landelijke norm. Bij de bepaling van deze norm is het zinvol naar de huidige beschrijvingen
       van zowel de basisondersteuning als de extra ondersteuning te kijken.
       Ook is het zinvol naar de (terug)plaatsing van leerlingen in het speciaal onderwijs te
       kijken. Samenwerkingsverbanden hanteren hiervoor procedures, criteria en verschillende
       categorieën toelaatbaarheidsverklaringen, die leerlingen toegang geven tot verschillende
       vormen van speciaal onderwijs.134 De procedures en criteria beschrijven wanneer
       en waarom reguliere scholen aangeven zelf de ondersteuning en toerusting niet te
       kunnen organiseren. Ook deze procedures en criteria variëren in de huidige praktijk135,
       maar dat is op zich interessant vanwege hun argumentatie. Ook uitspraken van de
       Geschillencommissie passend onderwijs zijn interessant, omdat die aangeven welke
       argumenten juridisch doorslaggevend zijn.
       Bij het ontwikkelen van een basisnorm is er een spanningsveld tussen het huidige beleid
       voor leerlingen met een beperking, en inclusiever onderwijsbeleid. Het huidige beleid is
       in belangrijke mate ingericht op het doorverwijzen van leerlingen met een beperking die
       zwaardere ondersteuning nodig hebben naar scholen die zijn gespecialiseerd in het bieden
       van deze ondersteuning (zie paragraaf 5.2). Conform het langeretermijndoel om het onderwijs
       stapsgewijs inclusiever te maken, zouden er steeds minder toelaatbaarheidsverklaringen
       kunnen worden afgegeven voor met name het speciaal basisonderwijs, het praktijkonderwijs
       en het leerwegondersteunend onderwijs. Scholen die zijn gespecialiseerd in zwaardere
       ondersteuning zullen nodig blijven, maar kunnen dichter bij andere scholen worden gebracht,
       bijvoorbeeld in mengvormen van regulier en speciaal onderwijs (zie hoofdstuk 4).
       De schoolondersteuningsprofielen lijken in het algemeen minder bruikbaar om
       een landelijke norm te formuleren dan ondersteuningsplannen. “De meeste
       schoolondersteuningsprofielen zijn niet erg actueel en lijken vooral een papieren
       werkelijkheid te representeren. Ze spelen nauwelijks een rol in de communicatie met
       ouders over het ondersteuningsaanbod van de school. Uit de vragenlijst voor directeuren/
       coördinatoren blijkt dat er in veel samenwerkingsverbanden ruimte is voor een deels
       verschillende invulling van de basisondersteuning op scholen”, aldus een rapport in de
       reeks Evaluatie Passend Onderwijs.136 Niettemin kunnen positieve uitzonderingen nuttig
       zijn om de norm te concretiseren.
   3.5	
       Voer ook zorgplicht in het middelbaar beroepsonderwijs in
       In het middelbaar beroepsonderwijs zijn scholen (instellingen) op grond van het
       toelatingsrecht verplicht jongeren met een beperking toe te laten. De wijze van ondersteuning
       is vastgelegd in de onderwijsovereenkomst met de student. Op grond van hun regionale
       functie zijn mbo-instellingen zelf volledig verantwoordelijk voor een dekkend aanbod.137
       Zij zijn verplicht hun ondersteuningsprofiel te expliciteren. De raad beschouwt het
       toelatingsrecht, de onderwijsovereenkomst en het ondersteuningsprofiel als belangrijke
       instrumenten om onderwijs aan studenten met een beperking zeker te stellen. Maar de
       raad vindt ze niet afdoende om inclusiever onderwijs te borgen. Hij stelt voor om, parallel
       aan de verbrede zorgplicht in het primair en voortgezet onderwijs, ook in het middelbaar
       beroepsonderwijs een zorgplicht in te voeren. ‘Invoering’ betekent vooral het concreet en
       in samenhang beschrijven van de zorgplichten van de mbo-instelling ten aanzien van de
       studenten met een beperking. Op een aantal punten betekent het ook een uitbreiding in de
       wetgeving ten aanzien van de verplichtingen van de mbo-instelling.
       Binnen mbo-instellingen bestaat nu vaak onduidelijkheid over wie in aanmerking komt voor
       ondersteuning en toerusting en in welke vorm die redelijkerwijs verwacht kunnen worden
       van instellingen, uitgaand van de financiële en organisatorische grenzen en ook gegeven
       prestatienormen als het bindend studieadvies.138 De huidige regelingen bieden ook weinig
       houvast omtrent de plichten rondom het inpassen van complexe ondersteuning, de
       toeleiding naar de arbeidsmarkt en de teruggeleiding naar de school.139
       134	PO-Raad, VO-raad, MBO Raad & AOC Raad, 2014.
       135 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
       136	Heim & Weijers, 2018, p. 3.
       137	Bierkens & Zoontjens, 2018.
       138	Ibid; Eimers & Kennis, 2019.
52     139	Eimers & Kennis, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>            De voorgestelde zorgplicht is zowel een explicitering en concretisering van, als een
            aanvulling op de bestaande regelingen. De raad adviseert hier strikter bij de Wet
            gelijke behandeling HCZ aan te sluiten dan nu het geval is met passend onderwijs. Het
            ondersteuningsprofiel wordt eerder een plan waarin staat hoe de school in principe álle
            studenten met een beperking ondersteuning biedt, dan een onderscheidend profiel dat
            aangeeft in welke voorzieningen de school zich specialiseert. Hiermee garandeert de
            mbo-instelling dat álle studenten uit de regio die in aanmerking komen en zich aanmelden,
            onderwijs bij de instelling kunnen volgen.140
            De zorgplicht voor het middelbaar beroepsonderwijs legt allereerst vast dat mbo-instellingen
            ondersteuning en toerusting kunnen bieden om beroepsonderwijs te volgen. De zorgplicht
            expliciteert welke vormen van ondersteuning en toerusting de opleiding aanbiedt aan
            studenten met een beperking, en welke aan medestudenten, leraren en ouders. De indeling
            in lichte en zwaardere ondersteuning is in het middelbaar beroepsonderwijs niet aan de orde.
            De zorgplicht legt ten tweede vast dat mbo-instellingen zich inspannen zorg in het
            middelbaar beroepsonderwijs (waaronder medische, pedagogisch-maatschappelijke
            en psychologische zorg) te organiseren in samenwerking met de ketenpartners. Deze
            inspanningsverplichting geldt ook wanneer kwalificatie niet het hoofddoel vormt, maar het
            wel wenselijk is dat studenten met een beperking gericht werken aan vaardigheden om
            zelfstandig te leven of eventueel eenvoudige beroepstaken uit te voeren.
            De zorgplicht legt ten derde vast dat mbo-instellingen zich extra inspannen studenten
            met een beperking loopbaanondersteuning en -toerusting te bieden. Dit betreft niet alleen
            de toeleiding naar een vervolgopleiding of de arbeidsmarkt, maar ook de eventuele
            teruggeleiding naar de opleiding vanuit speciale zorg-onderwijsvoorzieningen. Of vanuit
            tijdelijke arbeidssituaties wanneer terugkeer naar de opleiding wenselijk blijkt. De raad
            benadrukt hierbij dat het heel belangrijk is dat zorg-onderwijsvoorzieningen ook doorlopen
            nadat jongeren 18 jaar zijn geworden.141
            De zorgplicht legt ten vierde vast dat mbo-instellingen zich inspannen om gezamenlijk
            onderwijs van studenten met en zonder een beperking te realiseren. Het toelatingsrecht
            betekent dat studenten in elk geval terecht kunnen op een locatie die niet verder ligt van
            de eigen woning dan het geval is voor leeftijdgenoten uit de buurt die voor eenzelfde
            opleiding in aanmerking komen en geen beperking hebben. De zorgplicht geeft aan dat
            het onderwijs naast thuisnabij ook zo veel mogelijk gezamenlijk met studenten zonder een
            beperking plaatsvindt. Dit betekent dat de aanpassingen voor ondersteuning en toerusting
            doeltreffend zijn en dat studenten met een beperking volop mogelijkheden houden voor
            gezamenlijke omgang. Deze verbreding betekent dat mbo-instellingen zich meer inspannen
            de ondersteuning binnen de klas in te passen. Dat is nu nog niet vanzelfsprekend.142
     Voorbeeld van (jeugd)zorg op een mbo-instelling
     Het Deltion Jongeren Team is een samenwerkingsverband tussen het Deltion College in
     Zwolle en partners op het gebied van (jeugd)hulp. Het team richt zich op brede toerusting
     van jongeren om met maatschappelijke problemen te kunnen omgaan en voor een deel
     ook met beperkingen. Denk aan psychosociale gezondheid, huiselijke relaties, werk en
     gebruik van genotsmiddelen. Het team is binnen de school aanwezig.143
   3.6	Verhelder verantwoordelijkheden voor het organiseren
            van ondersteuning en toerusting
            Bij onderwijs aan leerlingen (en studenten) met een beperking zijn diverse partijen betrokken:
            de leerlingen zelf, ouders, leraren, zorgspecialisten, schoolleiders en schoolbestuurders en
            bestuurders van het samenwerkingsverband, andere ketenpartners, waaronder zorgpartijen
            en gemeenten, en ook de rijksoverheid. De betrokkenen hebben verschillende perspectieven
            140 V oor een klein aantal opleidingen/vakcolleges geldt een uitzondering op het toelatingsrecht. Zij
                 mogen aanvullende eisen stellen bovenop de algemene niveau-eisen. De aanvullende eisen kunnen
                 betekenen dat leerlingen vanwege een beperking niet worden toegelaten. Op grond van de Wet
                 gelijke behandeling HCZ heeft de opleiding wel de plicht aan te tonen dat de beperking kwalificatie in
                 de weg staat. Zie Regeling aanvullende eisen toelating middelbaar beroepsonderwijs.
            141 Onderwijsraad, 2014.
            142 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020
53          143	Nederlands Jeugdinstituut, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   op de benodigde ondersteuning en de inpassing in het onderwijs. Tegelijkertijd moeten ze
   met elkaar samenwerken. De raad adviseert de verantwoordelijkheden bij de samenwerking
   te verhelderen om zo betere ondersteuning en toerusting te kunnen realiseren. Voor
   de verheldering van de verantwoordelijkheden beveelt de raad aan (a) de Wet gelijke
   behandeling HCZ als vertrekpunt te nemen, (b) aan te sluiten bij de ondersteuningsvragen
   van de directbetrokkenen en (c) regie te voeren op de samenwerking.
   Neem de Wet gelijke behandeling HCZ als vertrekpunt
   Bij het toewijzen en organiseren van ondersteuning en toerusting voor leerlingen met een
   beperking zijn diverse perspectieven te onderscheiden. Om te bepalen welk perspectief
   doorslaggevend is en hoe de andere perspectieven meewegen, stelt de raad voor om de
   Wet gelijke behandeling HCZ als vertrekpunt te nemen.
   De raad onderscheidt vijf perspectieven op het toewijzen en organiseren van
   ondersteuning en toerusting in het onderwijs aan leerlingen met een beperking.
   •	Het perspectief van de leerling met een beperking: wat helpt mij om effectief onderwijs
       te kunnen volgen, deel te nemen aan de gemeenschap van de school, een diploma te
       halen, een vak te leren en mee te doen in de samenleving?
   •	Het perspectief van de ouders: wat heeft mijn kind nodig voor het ontwikkelen van zijn
       mogelijkheden en deelname aan de samenleving; hoe kan ik mijn kind helpen bij het
       volgen van onderwijs?
   •	Het perspectief van de professional: wat heeft een leerling, gelet op zijn beperking,
       nodig om op gelijkwaardige wijze onderwijs te volgen en deel te nemen aan de
       samenleving; ben ik samen met collega’s in staat de ondersteuning en toerusting te
       bieden, aan zowel de leerling met een beperking als zijn medeleerlingen en ouders?
   •	Het perspectief van de bestuurder: hoe zijn de benodigde ondersteuning en zorg zo
       doeltreffend en doelmatig mogelijk te organiseren en te verenigen met het streven van
       thuisnabij en gezamenlijk onderwijs; hoe is het niveau van ondersteuning en toerusting
       op de lange termijn te borgen en te verhogen, uitgaand van het beschikbare budget?
   •	Het perspectief van de minister: welk budget heeft het publiek bekostigde onderwijs
       nodig om adequate ondersteuning en toerusting te bieden aan leerlingen met een
       beperking; hoe kan het stelsel worden ingericht om te borgen dat het budget doelmatig
       besteed wordt aan directe ondersteuning en toerusting, en aan indirecte toerusting van
       medeleerlingen, ouders, leraren en andere professionals?
   De Wet gelijke behandeling HCZ geeft aan dat ouders (en hun kind) te maken hebben
   met (het bestuur van) de onderwijsinstelling. Daarmee is de verantwoordelijkheid van het
   samenwerkingsverband subsidiair aan die van de schoolbesturen. Het samenwerkingsverband
   komt in beeld bij zwaardere ondersteuning en wordt ingeschakeld door het schoolbestuur.
   Uit de Wet gelijke behandeling HCZ volgt ook dat het perspectief van de bestuurder als
   bevoegd gezag doorslaggevend is bij beslissingen over ondersteuning en toelating van
   een leerling met een beperking. Het bestuur is daarbij verplicht de behoeften van de
   leerling en de ouders te onderzoeken en mee te wegen. Andersom hebben de leerling en
   zijn ouders de plicht inzage te geven in de behoefte aan begeleiding en ondersteuning
   door mee te werken aan dit onderzoek. In paragraaf 3.2 stelt de raad voor dat wanneer
   alleen lichte ondersteuning nodig is, het schoolbestuur nooit leerlingen op grond van
   een beperking kan weigeren onderwijs te volgen op de school. Dit veronderstelt wel dat
   wordt vastgesteld of er lichte of zwaardere ondersteuning en toerusting nodig zijn. Het
   schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid dit – in samenspraak met de schoolleiding, de
   leraren en ondersteunende professionals – vast te stellen, maar is in het voorstel van de
   Onderwijsraad gehouden aan de wettelijke norm voor lichte ondersteuning (zie paragraaf
   3.4). Komt het schoolbestuur tot de conclusie dat zwaardere ondersteuning nodig is, dan
   beslist het bestuur (wederom na overleg met de professionals) of de school in staat is deze
   ondersteuning te bieden. Factoren die het bestuur kan meenemen zijn:144
   •	de noodzakelijke investeringen en kosten voor het bieden van de voorziening, c.q.
       doorvoeren van de aanpassing;
   •	de beschikbare financiële tegemoetkomingen en voorzieningen die andere partijen
       bieden (in het bijzonder het samenwerkingsverband, dat in het voorstel van de raad
54 144	Vergelijk Van der Ende & Luiken, 2014.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>       de taak heeft schoolbesturen te helpen zwaardere aanvullende ondersteuning te
       organiseren en hiervoor ook bekostiging krijgt, zie paragraaf 3.3 en 5.2);
   •	de draagkracht van de instelling om uit eigen middelen aanpassingen duurzaam te
       financieren;
   •	de grootte van de organisatie of instelling;
   •	de operationele en technische haalbaarheid van de aanpassing;
   •	de belangen van andere leerlingen;
   • de aanwezigheid of beschikbaarheid in de regio van vergelijkbaar onderwijs.
   Wanneer het schoolbestuur concludeert dat de school de ondersteuning en toerusting kan
   bieden, worden die vastgelegd in een ontwikkelingsperspectiefplan na instemming van
   de ouders. Wanneer het schoolbestuur concludeert dat de school de ondersteuning en
   toerusting niet kan bieden, heeft het de verantwoordelijkheid om samen met de ouders en
   met hulp van het samenwerkingsverband een andere school te vinden.
   Het perspectief van de professionals wordt niet expliciet genoemd in de Wet gelijke
   behandeling HCZ. Bij inclusiever onderwijs spelen de professionals echter een belangrijke
   rol die volgens de raad niet genoeg benadrukt kan worden. Het gaat om het lerarenteam,
   de schoolleiding en eventuele ondersteunende professionals zoals intern begeleiders,
   onderwijsassistenten en gedragsdeskundigen. De verschillende professionals hebben
   in principe het beste zicht op wat de leerling, gelet op zijn beperking, nodig heeft om
   op gelijkwaardige wijze onderwijs te volgen en deel te nemen aan de samenleving.
   De professionals moeten, net als de ouders en leerlingen, altijd worden betrokken bij
   beslissingen over toelating, ondersteuning en toerusting en eventuele doorverwijzing van
   leerlingen met een beperking. De Wet gelijke behandeling HCZ geeft niettemin aan dat het
   schoolbestuur eindverantwoordelijk is. Wanneer het bestuur verantwoordelijkheden aan
   onderwijsprofessionals delegeert – wat in praktijk doorgaans gebeurt – moet het bestuur
   de onderwijsprofessionals ook in staat stellen beslissingen te nemen. Dit impliceert dat het
   schoolbestuur een ondersteuningsstructuur voor leraren en de schoolleiding organiseert
   in de vorm van hulp van externe professionals, scholing, structuren voor samenwerking,
   teamprofessionaliseringsactiviteiten, enzovoorts.
   Ook het perspectief van de minister ontbreekt in de Wet gelijke behandeling HCZ, maar
   zijn rol kan worden afgeleid. Waar het bevoegd gezag eindverantwoordelijk is voor de
   ondersteuning en toerusting van een leerling met een beperking die zich aanmeldt
   op een van de eigen scholen, draagt de rijksoverheid in de persoon van de minister
   eindverantwoordelijkheid voor de ondersteuning en toerusting van die leerling op álle publiek
   bekostigde scholen in Nederland. Een belangrijk instrument daarbij is het beschikbaar
   stellen van een toereikend budget om de gestelde ambities te realiseren (zie paragraaf
   5.2). Een ander instrument is bijvoorbeeld het hanteren van een landelijke norm voor lichte
   ondersteuning en toerusting, die professionals uit de praktijk en wetenschappelijke experts
   gezamenlijk hebben ontwikkeld en de overheid wettelijk heeft verankerd (zie paragraaf 3.4).
   Sluit aan bij de ondersteuningsvragen van de directbetrokkenen
   Uit de Wet gelijke behandeling HCZ volgt dat beslissingen en beleid rondom de toelating
   van een leerling met een beperking uiteindelijk op het bordje liggen van het bevoegd gezag,
   maar dat dit gezag de ouder en de leerling dient te raadplegen. De raad bepleit nadrukkelijk
   ook bij andere beslissingen over ondersteuning en toerusting nauw aan te sluiten bij de
   vragen van de directbetrokkenen en hen mee te nemen in het beslissingsproces. Naast
   de ouders en de leerling met een beperking zijn dat het lerarenteam dat het onderwijs aan
   deze leerling verzorgt, de medeleerlingen en eventuele interne of externe professionals
   die zijn ingeschakeld om ondersteuning te bieden. Bestuurders en schoolleiders hebben
   samen de taak bij deze vragen een ondersteuningsaanbod te organiseren. Dit kan
   bijvoorbeeld betekenen dat een specialistische professional zowel de leerling als de leraar
   ondersteuning biedt. Ondersteuningsvragen kunnen sterk uiteenlopen (zie paragraaf 2.2)
   en zijn niet altijd meteen duidelijk. Bestuurders en schoolleiders kunnen ondersteunende
   professionals inzetten om die vragen te articuleren. Het is cruciaal te vertrekken vanuit
   de ondersteuningsvragen van de directbetrokkenen. Het gaat immers om hun specifieke
   behoeften, waaronder de behoefte eigenaar te blijven van het eigen onderwijs.
55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   Voer regie op de samenwerking
   Een derde uitgangspunt voor het verhelderen van de verantwoordelijkheden is dat er op
   verschillende niveaus van het onderwijssysteem regie wordt gevoerd op de samenwerking
   rondom de ondersteuning.145 Voor zover de leraren, leerlingen en ouders het alleen
   afkunnen, ligt die regie bij de leraar of het lerarenteam. Is ondersteuning of toerusting
   door anderen nodig, zoals een gedragsdeskundige, dan ligt de regie voor het toewijzen
   en organiseren van deze ondersteuning niet meer bij de leraren, maar bijvoorbeeld bij
   een schoolleider of coördinator. Deze persoon beslist bijvoorbeeld hoeveel uren de
   gedragskundige wordt ingezet. Wanneer strategische beslissingen nodig zijn waarbij het
   belang van de leerling moet worden afgewogen tegen de draagkracht en het professioneel
   vermogen van de school, komen ook schoolbestuurders of coördinatoren op het niveau
   van het schoolbestuur dan wel het samenwerkingsverband in aanmerking. Strategische
   beslissingen zijn uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
   Personen die regie- of coördinatiefuncties vervullen bij het vormgeven van inclusiever
   onderwijs, beschikken over een brede deskundigheid. Die is nodig om uiteenlopende
   ondersteunings- en toerustingsvragen te kunnen herkennen en deze in samenspraak
   met betrokkenen scherp te krijgen. Deskundigheid omvat ook financiële kennis om
   doelmatigheidsafwegingen te kunnen maken bij het inzetten van het ondersteuningsbudget.
   Verantwoordelijkheden en bevoegdheden kunnen worden gedelegeerd om de toewijzing
   en organisatie van ondersteuning vlotter te laten verlopen.146 Om dezelfde reden kan
   verantwoording achteraf in plaats van vooraf plaatsvinden.
   Voor het vervullen van een regiefunctie is het ook van belang dat coördinatoren
   toegankelijk zijn. Dit betekent niet alleen dat die persoon beschikbaar is, maar ook dat voor
   anderen duidelijk is dat zij zich tot de coördinator kunnen wenden voor vragen en advies.
   Dat lukt beter wanneer coördinatoren hun functie langere tijd vervullen en wanneer hun
   aantal beperkt is. Dat laatste is ook van belang vanuit het oogpunt van doelmatigheid.
   De precieze bestuurlijke inrichting van inclusiever onderwijs is aan schoolbesturen en
   de besturen van samenwerkingsverbanden. In alle gevallen is het echter belangrijk
   dat betrokkenen weten waar ze terecht kunnen met vragen over ondersteuning en
   toerusting, hoe verantwoordelijkheden zijn belegd en wie ze kunnen aanspreken wanneer
   ondersteuning en toerusting niet adequaat worden toegewezen of georganiseerd.
   Het instellen van regisseurs in de keten helpt bij het wegwijs maken van betrokkenen.
   Om stapsgewijs inclusiever onderwijs te realiseren, is een expliciete verdeling
   nodig van verantwoordelijkheden in termen van taken, bevoegdheden, personen en
   verantwoordingseisen, en heldere communicatie daarover. In het verlengde van deze
   governance kunnen inspraak- en klachtenregelingen kenbaar worden gemaakt.
   Ook als het gaat om beleidstaken moet duidelijk zijn wie waarvoor verantwoordelijkheid
   draagt. De route naar inclusiever onderwijs betekent dat schoolleiders en bestuurders
   het ondersteuningsniveau gaandeweg verhogen, zodat de scholen steeds beter kunnen
   klaarstaan voor leerlingen met een beperking. Ook bij deze beleidsontwikkelende taak is
   het belangrijk diverse betrokkenen en perspectieven mee te nemen.147
   145	Zie ook Peeters, Zunderdorp, Lamers & Rats, 2018.
   146	Peeters, Zunderdorp, Lamers & Rats, 2018.
56 147	Pijl & Frissen, 2009.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>57</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                    4
    aan
   beveling 2
    Breng onderwijssoorten dichter bij elkaar
    De raad adviseert schoolbesturen, samenwerkings­
    verbanden en de overheid om onderwijssoorten
    dichter bij elkaar te brengen. Dit betekent dat meer
    mengvormen van speciaal en regulier onderwijs
    gaan ontstaan en schoolsoorten waar mogelijk
    ook op één locatie komen.
59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>       Bij inclusiever onderwijs worden waar nodig aanpassingen in tijd, plaats en personele
       bezetting van het onderwijs aangebracht. Tegelijk blijven deze aanpassingen beperkt, zodat
       leerlingen zo thuisnabij en gezamenlijk mogelijk onderwijs kunnen volgen. Een manier om dit
       ook bij zwaardere ondersteuning en toerusting mogelijk te maken is de onderwijssoorten van
       regulier en speciaal onderwijs meer met elkaar te verbinden. Het dichter bij elkaar brengen
       van onderwijssoorten betekent dat het maatwerk dat nu gangbaar is in het speciaal onderwijs
       ook vaker wordt geleverd aan leerlingen met een beperking in het regulier onderwijs. Het
       onderscheid tussen regulier en speciaal onderwijs kan op den duur vervagen doordat er
       meer mengvormen ontstaan. Het dichter bij elkaar brengen van schoolsoorten kan ook
       letterlijk gebeuren door regulier en speciaal onderwijs en/of mengvormen van beide samen in
       eenzelfde gebouw of in nabije gebouwen onder te brengen. Hierdoor wordt het beter mogelijk
       gezamenlijk onderwijs te organiseren en de expertise van professionals en specialistische
       faciliteiten te delen. Beide kunnen scholen helpen beter klaar te staan voor leerlingen met
       een beperking. Maatwerk en het fysiek dichter bij elkaar brengen zijn belangrijke strategieën
       maar volstaan niet. Om de expertise op scholen te vergroten zijn ook formele scholing en
       andere professionaliseringactiviteiten nodig.
   4.1 Bied maatwerk voor leerlingen met een beperking
       Naarmate het onderwijs (stapsgewijs) inclusiever wordt, komen de ondersteuning en
       toerusting van leerlingen met een beperking, thuisnabij onderwijs en gezamenlijk onderwijs
       steeds beter met elkaar in balans. Dit vergt flexibiliteit en maatwerk bij aanpassingen in
       tijd, plaats en personele bezetting van het onderwijs. De huidige (wettelijke) kaders bieden
       volop mogelijkheden om het onderwijs voor leerlingen met een beperking flexibel vorm te
       geven. Deze kunnen volgens de raad nog beter worden benut.
       Breng waar nodig aanpassingen aan in tijd, plaats en personele bezetting van het
       onderwijs
       Het bieden van ondersteuning en toerusting vergt aanpassingen in tijd, plaats en personele
       bezetting van het onderwijs. De aanpassing van tijd betekent dat de leerling incidenteel of
       meer structureel in zijn eigen tempo werkt. Dat is bijvoorbeeld nodig omdat hij, vanwege
       medische behandelingen of beperkte belastbaarheid, regelmatig lessen mist. Of omdat een
       leerling vanwege een beperking trager werkt dan medeleerlingen.
       De aanpassing van plaats betekent dat de leerling incidenteel of langere tijd onderwijs
       volgt op een andere locatie. Het kan gaan om een andere ruimte binnen de school of een
       voorziening buiten de school. Er zijn uiteenlopende redenen waarom dit nodig kan zijn. Een
       eerste is bijvoorbeeld dat de leerling behoefte heeft aan een prikkelarme omgeving. Een
       tweede is dat er in de andere setting meer mogelijkheden zijn voor individuele begeleiding.
       Een derde is dat op een andere locatie meer specialistische faciliteiten of deskundigheid
       voorhanden zijn. Sommige beperkingen vergen zo veel specialistische faciliteiten en
       deskundige begeleiding dat die alleen op een klein aantal locaties in het land kunnen worden
       geboden. Een vierde reden is dat de leerling gewelddadig is of storend voor anderen.
       De personele aanpassing betekent dat degene die de leerling ondersteuning en toerusting
       biedt, niet de eigen leraar is, maar bijvoorbeeld een andere leraar die bijspringt, een
       onderwijsassistent of een ondersteunende professional zoals een gedragswetenschapper
       of een verpleger. Het kan uiteindelijk ook betekenen dat de leraar het onderwijs deels aan
       een andere onderwijsprofessional overlaat.
       Aanpassingen in tijd, plaats en personeel kunnen zorgen voor betere ondersteuning en
       toerusting van leerlingen. Deze aanpassingen kunnen echter dilemma’s opleveren tussen
       enerzijds de noodzaak aanpassingen door te voeren om leerlingen volwaardig onderwijs
       te laten volgen en anderzijds het streven de aanpassingen tot een minimum te beperken,
       zodat leerlingen met een beperking onderwijs kunnen volgen dat gezamenlijk en thuisnabij
       is.148 Inclusiever onderwijs is echter niet een keuze tussen het ene of andere uitgangspunt,
       maar eerder evenwicht zoeken door maatwerkoplossingen. Flexibiliteit betekent
       bijvoorbeeld dat leerlingen met een beperking tijdelijk of afwisselend onderwijs volgen in
60     148	Norwich, 2013, 2014.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>           eigen tempo of in een speciale setting. In het laatste geval is er sprake van een schoolse
           mengvorm van regulier en speciaal onderwijs. Zie de tekstkaders met voorbeelden.
   De Monnikskap: een vwo-diploma halen in eigen tempo
   De Monnikskap in Nijmegen biedt leerlingen met een lichamelijke beperking de
   gelegenheid havo- of vwo-onderwijs in hun eigen tempo te volgen (zie ook tekstkader
   paragraaf 2.1). De leerlingen van De Monnikskap hebben uiteenlopende beperkingen,
   zoals spastische spieren, epileptische aanvallen, chronische vermoeidheid, een
   overgevoeligheid voor prikkels, diabetes. De meesten hebben op andere scholen in het
   voortgezet onderwijs moeten ervaren dat hun niveau te laag werd ingeschat of dat ze daar
   vanwege hun beperking geen onderwijs konden volgen. Bij de Monnikskap lukt het wel
   omdat er allerlei extra voorzieningen voor hen zijn en ze een persoonlijk lesrooster volgen.
   Sommigen doen gespreid examen en verblijven langer op school. Enkele leerlingen lopen
   juist vooruit en doen versneld examen of kiezen extra vakken. Waar mogelijk schuiven ze
   aan bij leerlingen van het reguliere havo en vwo van het Dominicus-college, dat in hetzelfde
   gebouw is gehuisvest.149
   Samen naar School klas: leerlingen met een beperking opnemen in de
   schoolgemeenschap
   In een Samen naar School klas krijgen jongeren met een ernstige handicap les binnen
   de muren van een reguliere school. Waar mogelijk doen ze gewoon mee met de andere
   leerlingen tijdens het kringgesprek, de muziekles, gym en het speelkwartier. En waar nodig
   krijgen ze onderwijs op maat in hun eigen klas, met de ondersteuning en zorg die ze nodig
   hebben. De Samen naar School klassen bestaan sinds 2015. Inmiddels telt Nederland
   er 35, waarvan 34 in het primair en 1 in het voortgezet onderwijs. De klassen zitten in 25
   scholen in 22 gemeenten. In deze klassen zitten 210 jongeren met een beperking. Van
   deze jongeren heeft 13% het downsyndroom, 28% autisme en 49% een meervoudige
   beperking. In bijna de helft van de Samen naar School klassen zitten jongeren met het
   downsyndroom en jongeren met autisme. In bijna alle klassen (94%) zitten jongeren met
   meervoudige beperkingen.150
   De Behandelklas: leerlingen leren om in een schoolse setting te functioneren
   De Behandelklas is een mengvorm van onderwijs, ondersteuning en zorg voor acht
   leerlingen gedurende één schooljaar. De Behandelklas richt zich op kinderen van 4 tot
   7 jaar, met ernstig oppositioneel en beweeglijk/impulsief gedrag. De Behandelklas is
   ontwikkeld door een cluster 4-school en een organisatie voor jeugdzorg. Doel is de kinderen
   vaardigheden bij te brengen die hen in staat stellen in een schoolse setting te functioneren.
   Daarna stromen de kinderen uit, hetzij naar regulier, hetzij naar speciaal (basis)onderwijs.151
   De Korenaar: een volledig geïntegreerd speciaal onderwijsaanbod
   De Korenaar is een school voor primair onderwijs met ongeveer 400 leerlingen. De school
   heeft in 2002 ruimte geboden aan een ouderinitiatief om een integratieklas voor kinderen
   met het downsyndroom onderdeel te laten zijn van de school. In de loop der jaren is deze
   integratieklas doorontwikkeld tot de ZON-groep. Dit is een volledig geïntegreerd speciaal
   onderwijsaanbod van de school voor leerlingen met uiteenlopende beperkingen: leerlingen
   met het downsyndroom, slechthorende kinderen en kinderen met spraak-taalproblemen,
   kinderen met een ernstige vorm van dyslexie. Binnen de school zijn speciale ZON-
   leerkrachten aanwezig, die specialistische ondersteuning en toerusting kunnen bieden.
   Vaak is deze voorziening beperkt tot een periode van ongeveer zes weken, waarna die
   leerlingen in hun eigen groep weer verder kunnen met het groepsprogramma.152
   De Boslust: wisselen van regulier en speciaal onderwijs
   De Boslust in Ommen is een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs voor ‘zeer
   moeilijk lerende jongeren’ (cluster 3) in de leeftijd van 4 t/m 19 jaar. De school heeft een
   integratieklas die bestaat uit leerlingen met een verstandelijke beperking die regulier
   onderwijs gedeeltelijk aankunnen. Deze leerlingen volgen drie dagen per week onderwijs
   op het Vechtdal College en twee dagen per week op de Boslust. De sociale integratie werkt
   twee kanten op: leerlingen met en zonder een beperking leren van elkaar.153
           149	De beschrijving van dit voorbeeld is gebaseerd op een werkbezoek van de raad.
           150 Zie https://www.nsgk.nl/wat-wij-doen/projecten/samen-naar-school/
           151	Zie https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Werkblad/Uitgebreide-beschrijving-
               Onderwijszorgarrangement-Optimist.pdf
           152	Zie www.skpo-korenaar.nl; zie ook In1School, 2016; Inspectie van het Onderwijs, 2017.
61         153	Zie https://www.boslustonline.nl.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>   De Kleine Prins: therapie op school
   Cluster 3-leerlingen in de omgeving van Amersfoort die een lichamelijke beperking hebben
   of langdurig ziek zijn (cluster 3) kunnen hun schoolloopbaan in vmbo, havo of vwo volledig
   afronden in het regulier onderwijs. Hiertoe hebben het Vathorst College (vmbo-t, havo
   en vwo), het Wellantcollege (vmbo) en twee reguliere scholen voor voortgezet onderwijs
   voorzieningen georganiseerd via het expertisecentrum De Kleine Prins. De Kleine Prins
   is verbonden aan Merem behandelcentra in Hilversum en De Hoogstraat Revalidatie in
   Utrecht. De leerlingen ontvangen binnen de school hun therapieën. Het expertisecentrum zet
   eigen therapeuten in om screening en onderzoek te doen bij leerlingen binnen het regulier
   onderwijs. Indien een leerling onder behandeling is in een van de centra, wordt er afgestemd
   voorafgaand aan en na een schoolbezoek.154
   Penta College: voorkomen dat leerlingen met een gedragsbeperking uitvallen
   Het Penta College Hoogvliet, een vmbo/mavo in Rotterdam heeft een resetklas voor
   leerlingen met leer- en/of gedagsproblemen die dreigen uit te vallen. Maandelijks nemen
   zes tot acht leerlingen deel aan de resetklas. Daar werken ze aan gedragsverandering. In
   het verleden moesten onhandelbare jongeren van school en verdwenen ze van de radar.
   Door de resetklas zijn er geen vroegtijdige schoolverlaters meer. In een maand halen ze al
   het achterstallige werk – toetsen, verslagen, huiswerk – in. Hierbij wordt discipline verwacht.
   Vaak gaat de leerling in week 5 al voor 2,5 dag terug naar de eigen klas; in week 6 geheel.
   De start van de resetklas is gefinancierd met een eenmalige gemeentesubsidie. De directie
   heeft een fte vrijgemaakt zodat een leraar fulltime op die klas kan staan.
           Benut mogelijkheden om het onderwijs te flexibiliseren voor leerlingen met een
           beperking
           Binnen de wet bestaan volop mogelijkheden om aanpassingen aan te brengen in het tempo
           waarin leerlingen onderwijs volgen, de locatie van het onderwijs en de persoon die de
           leerlingen begeleidt.155 De raad beveelt scholen aan meer gebruik te maken van deze flexibele
           mogelijkheden met het oog op inclusiever onderwijs voor leerlingen met een beperking. In de
           praktijk zijn er al scholen die dat doen. Zij laten zien dat het voor alle onderwijssoorten mogelijk
           is leerlingen binnen en buiten de klas gedifferentieerd les te geven, zodat degenen die dat nodig
           hebben, extra aandacht krijgen. Denk aan parallelklassen, waarbij een deel van de leerlingen
           met een beperking extra ondersteuning krijgt en een ander deel een verrijkingsaanbod.
           Of band-uren, waarin leerlingen extra tijd besteden aan een vak naar keuze. Traditionele
           vernieuwingsscholen (Jenaplan, Montessori en Dalton) benutten van oudsher al de ruimte om
           leerlingen anders te groeperen en zo een ononderbroken ontwikkelingsproces te realiseren.156
           Er zijn ook mogelijkheden om te differentiëren in de locatie van het onderwijs. Zolang het
           onderwijs binnen de vestiging plaatsvindt, kunnen leerlingen bijvoorbeeld onderwijs volgen
           in een kleine groep of zich terugtrekken om geconcentreerd te kunnen werken of te rusten.157
           Op de andere locatie binnen de school kunnen ook speciale faciliteiten aanwezig zijn, zoals
           een bed en aangepast meubilair.
           Ten slotte zijn er op scholen volop mogelijkheden om andere personen in te zetten dan de
           eigen leraar. Leskrijgen van één vaste leraar voor de klas is geen gegeven. Scholen kunnen
           ook grotere klassen vormen waar twee of meer leraren tegelijk lesgeven.158 Dit maakt het beter
           mogelijk leerlingen individueel te begeleiden. Naast leraren kunnen hierbij ondersteunende
           professionals, onder wie onderwijsassistenten en gedragsdeskundigen, inspringen.159
           De huidige kaders bieden ruimte voor maatwerk. Zo is de keuze voor het leerstofjaar­
           klassensysteem geen wettelijke noodzaak. De ruimte binnen de kaders om van dit systeem af te
           wijken wordt echter door veel scholen nog weinig benut.160 In de eerste plaats omdat ze moeite
           hebben flexibilisering georganiseerd te krijgen. De raad vindt het belangrijk scholen te stimuleren
           in elk geval naar leerlingen met een beperking toe een flexibelere organisatie in te richten.
           In de tweede plaats ervaren onderwijsteams druk om vast te houden aan gangbare
           temponormen. Dit wordt onder andere ingegeven door de toezichtkaders die eisen stellen
           aan het tempo waarbinnen leerlingen een onderwijssoort afronden en een diploma halen.161
           154	Samenwerkingsverband V(S)O Eemland. Ondersteuningsplan 2019-2023, april 2019.
                Zie ook https://www.dekleineprins.nl
           155	Onderwijsraad. 2015.
           156 Van der Vegt et al., 2015.
           157	Deunk, 2018.
           158	Fluijt, 2018.
           159	Van der Vegt et al., 2015.
           160 Onderwijsraad, 2015.
62         161	Inspectie van het Onderwijs, 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   Deze resultaten worden breed gedeeld en scholen doen er alles aan om goed te scoren
   in vergelijking met concurrerende scholen. De druk die scholen voelen maakt het
   onaantrekkelijk leerlingen aan te nemen die vanwege een beperking naar verwachting
   langer over hun schoolloopbaan doen. De raad beveelt daarom aan dat de Inspectie van het
   Onderwijs bij het beoordelen van de kwaliteit van scholen rekening houdt met een langere
   schoolloopbaan voor leerlingen met een beperking (zie paragraaf 5.5).
   De druk om tempo te maken ligt niet alleen bij de school maar ook bij de leerlingen. Zo krijgen
   studenten in het middelbaar beroepsonderwijs te maken met een bindend studieadvies (BSA).
   Wanneer een student binnen een gestelde tijd te weinig studieresultaten behaalt, kan de
   school een negatief BSA afgeven. De student mag zijn studie dan niet voortzetten. Scholen
   hebben overigens wel de mogelijkheid hier flexibel mee om te gaan. Zij kunnen bijvoorbeeld
   een student die vanwege een beperking langer over de studie doet, een positief BSA geven
   wanneer het onderwijsteam er vertrouwen in heeft dat de student de opleiding kan afronden.162
   Dit vereist echter dat de opleiding zicht heeft op de behoeften van de student en bereid is de
   roostering en begeleiding aan te passen.163 Vanuit de doelstelling het onderwijs stapsgewijs
   inclusiever te maken, kunnen onderwijsteams zulk maatwerk verder ontwikkelen.
   Belangrijk is dat flexibilisering van onderwijs voor leerlingen met een beperking wordt onder-
   steund vanuit de school en het bestuur. Schoolleiders en bestuurders kunnen bijvoorbeeld
   faciliteren dat leraren zich verder scholen in het differentiëren. Ze kunnen extra personeel
   inschakelen of de inzet van digitale leermiddelen stimuleren waarmee gepersonaliseerd
   leren mogelijk is of waarmee je bijvoorbeeld flexibele roosters kunt maken. Naarmate zulke
   voorwaarden beter op orde zijn, kunnen lerarenteams sneller en steeds vaker overgaan tot
   maatwerk voor leerlingen met een beperking.
   162	Kennispunt Onderwijs en Examinering, 2018.
63 163	Eimers et al, 2919; Kerkman, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>   4.2	Neem inclusiever onderwijs als uitgangspunt voor het
            onderwijshuisvestingsbeleid
            Wanneer regulier en speciaal onderwijs op één locatie zitten, is het beter mogelijk maatwerk
            te bieden voor leerlingen met een beperking, en hen samen met leerlingen zonder een
            beperking onderwijs te laten volgen. Ook zijn expertise en faciliteiten beter te delen. De raad
            beveelt gemeenten en onderwijsbesturen aan inclusiever onderwijs zo veel mogelijk als
            uitgangspunt te nemen voor het onderwijshuisvestingsbeleid en hiertoe samen te werken met
            andere onderwijsbesturen en gemeenten. De rijksoverheid krijgt het advies de regelgeving
            rond onderwijshuisvesting in lijn te brengen met de doelen van inclusiever onderwijs.
            Het middelbaar beroepsonderwijs ontvangt eigen middelen voor schoolgebouwen.
            Mbo-instellingen zijn daarbij niet afhankelijk van gemeenten en kunnen schoolgebouwen
            zelf zo inrichten dat er volop faciliteiten en maatwerkmogelijkheden zijn voor studenten
            met een beperking, terwijl zij toch regelmatig samen met studenten zonder een beperking
            onderwijs volgen.
            In het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs ligt dat anders. Daar zijn gemeenten
            verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding van bestaande huisvesting op basis van
            verzoeken door onderwijsbesturen. Gemeenten krijgen jaarlijks een algemene uitkering uit
            het Gemeentefonds. Met die middelen kunnen ze onder andere hun huisvestingstaak op
            onderwijsterrein financieren.164 De gemeente kan verantwoordelijkheden delegeren aan
            schoolbesturen en de middelen doorspelen.165 Schoolbesturen kunnen bij een dergelijke
            ‘doorcentralisering’ het beleid ten aanzien van nieuwbouw en uitbreiding bepalen.166 Voor
            de vaststelling van het budget wordt wel rekening gehouden met het Uitvoeringsbesluit
            voorzieningen in de huisvesting PO/VO. Daarin is vastgelegd hoeveel vierkante meter
            vloeroppervlakte minimaal beschikbaar gesteld moet worden en wat de vaste voet (het vaste
            deel) is. Deze gegevens verschillen per onderwijssoort en per belemmering of handicap van
            de leerlingen. Voor dove leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs geldt bijvoorbeeld een
            norm van 13,5 m2 per leerling. Ter vergelijking: voor vwo-leerlingen in leerjaar 3 t/m 6 op een
            scholengemeenschap geldt een norm van 5,7 m2 per leerling.167
            Wanneer de gemeente deze regelgeving strikt hanteert om zo de huisvestigingskosten te
            drukken, maken aanvragen vanuit schoolbesturen om het speciaal onderwijs samen met
            regulier onderwijs op een locatie te huisvesten weinig kans. Schoolbesturen hebben zelf
            doorgaans geen financiële ruimte om een klaslokaal voor speciaal onderwijs te reserveren.
            Dat zou immers betekenen dat ze een klas minder aan reguliere leerlingen kunnen aannemen
            en minder bekostiging krijgen. Het tekstkader beschrijft hoe een strikt huisvestingsbeleid
            initiatieven om regulier en speciaal onderwijs dichter bij elkaar te brengen in de weg kan staan.
     De integratieklas: een initiatief dat mede strandde vanwege huisvestingsnormen
     Enkele jaren geleden hebben binnen een regio een paar ouders zich verenigd om een
     integratieklas tot stand te brengen die het voor leerlingen uit cluster 3 mogelijk zou moeten
     maken om voortgezet onderwijs te volgen op een reguliere locatie. De leerlingen van
     de integratieklas zouden in de ochtend in hun eigen groep les hebben en in de middag
     vakken als muziek, handvaardigheid, gymnastiek en misschien ook wel Nederlands of
     Engels gezamenlijk volgen met de leerlingen uit andere klassen. Enkele leerlingen van de
     reguliere klas zouden daarbij de rol van mentor krijgen voor leerlingen uit de integratieklas.
     De groep ouders heeft het samenwerkingsverband een aantal varianten voorgelegd om
     een integratieklas te realiseren. Bij één variant zouden de jongeren ingeschreven zijn op
     een cluster 3-school en zou het onderwijs plaatsvinden op de locatie van de reguliere
     school. Deze variant kon op de instemming rekenen van enkele schoolleiders van reguliere
     scholen. Toch is de integratieklas om verschillende redenen niet van de grond gekomen.
     Eén struikelblok vormden de normen voor het huisvestingsbeleid, die financieel nadelig
     uitpakten voor deze variant. Andere redenen waren het beperkte draagvlak onder leraren,
     die aangaven al te zeer belast te zijn door andere innovatietrajecten, en organisatorische
     factoren als personele krapte en roostervraagstukken.168
            164	Zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/financiering-onderwijs/vraag-en-antwoord/wie-is-
                 verantwoordelijk-voor-de-huisvesting-van-scholen-en-aan-welke-eisen-moet-een-schoolgebouw-
                 voldoen
            165	Onderwijsraad, 2017.
            166 Dit kunnen ze sowieso als het gaat om aanpassingen aan bestaande gebouwen.
            167 Het oppervlakte voor leerlingen wordt ook nog bepaald door een vaste voet. Die bedraagt
                 in het eerste geval 150 m2 en in het tweede geval 890 m2; zie ook https://wetten.overheid.nl/
                 BWBR0008562/2014-01-01#Paragraaf3
            168	Om de privacy van betrokkenen te waarborgen, zijn bij dit voorbeeld geen namen, scholen, besturen,
64               regio’s of samenwerkingsverbanden genoemd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>              De gemeente heeft in principe ruimte om af te wijken van onderwijshuisvestigingsnormen,
              zeker wanneer zij ruimere voorzieningen voor scholen wil financieren. Een voorbeeld van
              benutting van deze ruimte zijn de integrale kindcentra die de laatste jaren in veel gemeenten
              tot stand zijn gekomen. De raad roept gemeenten op dergelijke initiatieven ook vaker te
              ontplooien ten behoeve van inclusiever onderwijs. Het tekstkader hieronder beschrijft hoe
              flexibel huisvestingsbeleid regulier en speciaal onderwijs dichter bij elkaar kan brengen.
              Gemeenten kunnen hierbij samen optrekken met schoolbesturen en
              samenwerkingsverbanden in het kader van een Lokale Educatieve Agenda.169 Voor deze
              agenda beveelt de raad aan om bij nieuwbouw van scholen voor speciaal onderwijs als
              uitgangspunt te nemen dat er op dezelfde locatie ook een reguliere school komt, zodat
              mengvormen mogelijk zijn. De raad beveelt daarnaast aan om bij nieuwbouw van een
              reguliere school na te gaan of het mogelijk is daarin ook een nabijgelegen school voor
              speciaal onderwijs te huisvesten. De raad adviseert ten slotte te kijken naar mogelijkheden
              voor inclusiever onderwijs die ontstaan bij krimp en verbouwingen vanwege nieuwe
              duurzaamheidsnormen. Het combineren van regulier en speciaal onderwijs op een locatie
              kan ook leiden tot het organiseren van gezamenlijk leerlingenvervoer170 in het kader van de
              Lokale Educatieve Agenda en met inclusiever onderwijs als doelstelling.171
     Een geslaagd voorbeeld van gezamenlijke huisvesting als springplank naar
     inclusiever onderwijs
     De gevel van de Talentencampus in Venlo is lang, omdat alle typen onderwijs voor kinderen
     van 0 tot en met 13 jaar in het gebouw zijn ondergebracht: kinderopvang, kinderopvang
     speciaal, basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs (de vroegere clusters
     3 en 4), buitenschoolse opvang en naschoolse opvang. Algemeen directeur Frans Vullings
     legt uit hoe deze unieke ‘samenscholing’ tot stand is gekomen: “Eigenlijk was de aanleiding
     vrij plat: zo rond 2006 was het bekend dat een aantal schoolgebouwen in Venlo op korte
     termijn vervangen moest worden door nieuwbouw of drastisch moest worden verbouwd.
     Toen hebben de betrokken schoolbesturen tegen elkaar gezegd: ‘Kunnen we niet tot iets
     beters komen als we al die middelen bundelen?’ En zo is het idee van de Talentencampus
     geboren.” “Aanvankelijk was het nog een bedrijfsverzamelgebouw, maar dan voor opvang en
     onderwijs. De scholen hadden afzonderlijke teams, met afzonderlijke rechtsposities, eigen
     leermiddelen, eigen culturen en cultuurtjes, verschillende schooltijden en noem maar op. Al
     gauw werd deze compartimentering als ongewenst ervaren. Er werd een team gevormd dat
     ervoor moest zorgen dat de verschillende onderdelen van de organisatie een geïntegreerd
     geheel zouden worden. Dat is inmiddels veel meer het geval. Waar we prat op gaan, is dat
     leerlingen hier weliswaar een eigen basisgroep hebben, maar dat we voor ieder kind een
     passend arrangement kunnen maken. Ze kunnen een uitstapje maken van het so naar het
     bao, en kinderen van het basisonderwijs die even wat moeite hebben met rekenen kunnen
     op hun beurt een uitstapje maken naar het sbo of het so. Ze kunnen alle kanten op.”172
   4.3	Maak expertise en faciliteiten voor inclusiever onderwijs
              beschikbaar voor álle scholen
              Inclusiever onderwijs betekent dat expertise en faciliteiten beschikbaar zijn voor álle scholen
              om in ieder geval lichte ondersteuning en toerusting te bieden. Het wil niet zeggen dat alle
              expertise en faciliteiten op elke school altijd daadwerkelijk aanwezig moeten zijn, maar
              scholen moeten er wel toegang toe hebben. Wanneer verschillende onderwijssoorten dichter
              bij elkaar zitten, is dat gemakkelijker te realiseren. Om expertise en faciliteiten te kunnen
              delen is het in alle gevallen nodig professionele netwerken te versterken. In deze paragraaf
              geeft de raad enkele aandachtspunten mee voor interprofessionele en interdisciplinaire
              samenwerking en kennisdeling gericht op stapsgewijs inclusiever onderwijs.
              169	Zie https://vng.nl/nieuws/lokale-inclusie-agenda-gebruik-de-vng-handreiking
              170 Scholten, Van der Vegt & Jepma, 2018.
              171	Zie ook Kinderombudsman, 2019.
65            172	Vullings, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>           Expertise en faciliteiten voor leerlingen met een beperking zijn nu vooral
           geconcentreerd op speciale scholen
           Leerlingen met een beperking vormen een aanzienlijke minderheid in het onderwijs. Hun
           aantal varieert per soort beperking, maar ze wonen gespreid in land en regio. Toch zijn
           er scholen met veel en scholen met weinig leerlingen met een beperking. Deze ongelijke
           verdeling heeft drie nadelen. Ten eerste dat leerlingen met een zwaardere beperking al
           gauw moeten reizen omdat er in de nabije omgeving geen scholen zijn die hen adequate
           ondersteuning en toerusting kunnen bieden. Ten tweede dat leerlingen op de school waar
           ze wel adequate ondersteuning krijgen vaak voornamelijk of uitsluitend kunnen omgaan
           met andere kinderen met een beperkingen en zelden leerlingen zonder een beperking
           tegenkomen. En ten derde dat expertise en faciliteiten voor leerlingen met een beperking
           vooral zijn geconcentreerd op speciale scholen. Dit houdt het bestaan van speciale scholen
           in stand – leerlingen met een zwaardere beperking kunnen immers alleen hier terecht.
           Het delen van expertise en faciliteiten draagt eraan bij dat álle scholen klaarstaan
           voor leerlingen met een beperking
           Verschillende onderwijssoorten dichter bij elkaar brengen heeft als voordeel dat expertise,
           faciliteiten, materialen, methoden en middelen voor ondersteuning en toerusting beter
           beschikbaar worden voor leerlingen met een beperking, voor hun ouders en voor schoolteams.
           Bij expertise gaat het bijvoorbeeld om hulpverleners, logopedisten, verpleegkundigen,
           orthopedagogen, (school)psychologen en (spel-, ergo- en fysio)therapeuten. Denk bij
           faciliteiten aan rustruimtes voor leerlingen die snel overprikkeld zijn en hulpmateriaal voor
           leerlingen met een visuele of auditieve beperking. Het uitgangspunt is dat ondersteuning zo
           veel mogelijk ‘om de leerling met een beperking heen wordt gewikkeld’.173 Voor een leerling met
           een beperking betekent dit dat de persoon die de leerling ondersteuning en toerusting biedt,
           niet altijd de eigen leraar is, maar bijvoorbeeld ook een gedragswetenschapper kan zijn of een
           verpleegkundige. Voor veel leerlingen met een beperking is dit nodig om op de eigen school
           onderwijs te volgen dat gelijkwaardig is aan dat van leerlingen zonder een beperking.
   Voorbeeld: ondersteuning en toerusting van leraren in het primair onderwijs
   De 11-jarige Esther zit in groep 6 van de Rehobothschool in Geldermalsen, een reguliere
   basisschool. Het leren van taal verloopt bij Esther moeizaam, mogelijk als gevolg van een
   hersenbeschadiging. Esther heeft daarnaast de ziekte van Hirschsprung, een aangeboren
   afwijking van de dikke darm, waardoor zij een stoma heeft. Het lerarenteam heeft zich
   gecommitteerd aan de opdracht Esther ondersteuning en toerusting te bieden, zodat zij
   zo veel mogelijk samen met de andere leerlingen onderwijs kan volgen. Bij Esther en bij
   andere leerlingen met een beperking op school voelen de leraren zich ondersteund door de
   intern begeleider en ambulant begeleider, die taken van hen overnemen en hen beter leren
   omgaan met leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Ook worden ervaringen die
   leraren opdoen bij externe cursussen gedeeld binnen het team. Ten slotte werkt de school
   samen met een vast team van een orthopedagoog, een schoolmaatschappelijk werker en
   een jeugdzorgcoördinator. Vanuit deze disciplines worden ook ouderbezoeken afgelegd en
   gesprekken met jongeren gevoerd.174
           Delen van expertise en faciliteiten is makkelijker op dezelfde locatie, maar kan ook
           tussen scholen die verder van elkaar liggen of met ketenpartners
           Wanneer regulier en speciaal onderwijs zich op één locatie bevinden, kunnen leraren en
           ondersteuners van de verschillende onderwijssoorten makkelijker professionele relaties
           opbouwen. De nabijheid maakt het eenvoudig overleg te voeren en handelingsadviezen te
           delen.175 Leraren uit het speciaal onderwijs met professionele kennis en ervaring in het werken
           met leerlingen met een beperking kunnen hun kennis, vaardigheden en gedrag overbrengen
           op hun collega’s in het regulier onderwijs, die leerlingen met een beperking in hun les hebben.
           Zij kunnen bijvoorbeeld laten zien hoe orthodidactisch en -pedagogisch handelen er in de
           praktijk uitziet, of informeel van gedachten wisselen. Dit vergroot het handelingsrepertoire
           van reguliere leraren. Met de gecombineerde deskundigheid en expertise uit de verschillende
           onderwijssoorten kunnen ze vervolgens alle leerlingen verder helpen in hun ontwikkeling.
           173	Dit wordt in de literatuur aangeduid als de ‘wraparound care’-methodiek. Zie daarvoor Bruns et al., 2004.
           174 Voorbeeld uit Visser, Van der Vliet, & De Ronde-Davidse, 2017.
66         175 Zie ook https://samenopschool.org/producten/artikel/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>           Ook wanneer regulier en speciaal onderwijs op afzonderlijke locaties worden gegeven,
           kunnen professionele netwerken faciliteren dat mensen vanuit verschillende expertises
           elkaar regelmatig opzoeken of online contact houden.176 Het wordt dan vanzelfsprekend om
           een beroep op elkaars expertise te doen en kennis uit te wisselen over het ondersteunen van
           leerlingen met een beperking.
           Samenwerking hoeft niet beperkt te blijven tot scholen. Scholen kunnen bijvoorbeeld ook
           samenwerken met ketenpartners. In Amsterdam werken scholen in het (voortgezet) speciaal
           onderwijs bijvoorbeeld samen met jeugdhulp (zie tekstkader).
           Samenwerking tussen verschillende professionals in netwerken is nog niet
           vanzelfsprekend.177 Voor leraren begint het met zich bewust zijn dat zij niet alles hoeven te
           weten of alles moeten kunnen waar het gaat om ondersteuning en toerusting aan leerlingen
           met een beperking. Zij moeten vooral toegang hebben tot ondersteuning, en de weg weten
           te vinden naar andere professionals, zodat ze in samenwerking met hen ondersteuning
           en toerusting kunnen inbedden in het onderwijs.178 Andere professionals kunnen leraren
           ondersteuning en toerusting bieden (zie tekstkader). Andersom kunnen leraren ook
           ondersteuning en toerusting bieden aan andere professionals. Teamprofessionalisering
           op het gebied van ondersteuning en toerusting van leerlingen is op dit moment nog niet
           vanzelfsprekend. Dit geldt voor zowel het primair en voortgezet onderwijs als het middelbaar
           beroepsonderwijs.179
           Om de samenwerking en de afstemming tussen vraag en aanbod van ondersteuning
           optimaal te laten verlopen, moeten er binnen scholen professionals zijn die de partijen bij
           elkaar brengen (‘mensen die verbinden’).180 Dit kunnen mensen zijn die de rol van coördinator
           toegewezen hebben gekregen. Deze verbindende professionals kennen de context van
           de school en weten de weg te vinden naar adequate ondersteuning. Ook voor hen is het
           belangrijk hun praktijkkennis van het ondersteunen van leerlingen met een beperking te
           delen – in netwerken binnen en buiten de muren van de eigen school.
           Online communicatie tussen professionals kan een belangrijke rol vervullen bij kennisdelen.
           Naast informele e-mails kunnen online platforms worden ingericht. Het is hierbij zaak
           dat de platforms overzichtelijk zijn en kwaliteit garanderen.181 De MBO Raad faciliteert al
           kennisdeling over ondersteuning en toerusting tussen instellingen door de zogenoemde
           kennispunten. Deze richten zich op een afgebakend vraagstuk en bieden online
           informatie, zoals een overzicht van goede voorbeelden in Nederland en het buitenland,
           en handreikingen. Ook organiseren ze informatieve bijeenkomsten. Goede voorbeelden
           en spraakmakende resultaten zijn ook te vinden via steunpunten Passend Onderwijs voor
           primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.
           Kennisdelen kan ook een onderzoeksmatig karakter hebben. De Academische Werkplaats
           Transformatie Jeugd (AWTJ) Samen op school doet onderzoek naar samenwerking tussen
           gezin, school en jeugdhulp in de regio Flevoland en IJsselland (zie tekstkader).
           Tot slot constateert de raad dat er niet veel onderzoek voorhanden is naar inclusiever
           onderwijs van Nederlandse bodem. Hij beveelt de overheid daarom aan een meerjarig
           praktijkgericht onderzoeksprogramma op te zetten ter ondersteuning van de stapsgewijze
           ontwikkeling van inclusiever onderwijs. Dat programma kan aandacht besteden aan diverse
           specialisaties gericht op specifieke beperkingen en vormen van (directe een indirecte)
           ondersteuning en toerusting. Het onderzoek dient verbonden te worden met de regionale en
           landelijk kennisnetwerken om zo de expertise te verduurzamen en fragmentatie te voorkomen.
   Voorbeeld van samenwerking met jeugdhulp
   In het speciaal onderwijs in Amsterdam (SJSO) is specialistische hulp voor leerlingen met
   een beperking toegankelijker gemaakt. In plaats van beschikkingen af te geven, bekostigt
   de gemeente aanstellingen (fte’s), waarmee de speciale scholen vaste hulpverleners
   kunnen inschakelen, die deel uitmaken van het (integraal) zorgteam van de school. Er
   zijn enkele vaste specialistische zorgverleners in de school, die direct inzetbaar zijn.
           176	Onderwijsraad, 2019; PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, Vereniging Hogescholen &
                Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, 2019.
           177	Bodvin, Struyf, Van Mieghem & Verschueren, 2019; Zagona, Kurth & MacFarland, 2017;
                Mitchell, 2015; Waitoller & Artiles, 2013; Ainscow, 2013; Van Mieghem, Verschueren,
                Petry & Struyf, 2018.
           178	Zie Onderwijsraad, 2019; Hunt, Soto, Maier & Doering, 2003; Biggs, Gilson & Carter,
                2016; Mortier, 2018; Fluijt, 2018.
           179	Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
           180 Onderwijsraad, 2019.
67         181	Zie ook Onderwijsraad, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>     Tijdrovende, bureaucratische beschikkingsaanvragen voor specialistische hulp zijn daarmee
     van de baan en ouders en jongeren hoeven hun verhaal niet meermaals te vertellen.
     SJSO zet specialistische jeugdhulp nabij en direct in, zodat problemen vroegtijdig worden
     aangepakt en de hulp preventief werkt. Daarnaast beoogt SJSO een goede samenwerking
     tussen onderwijs en zorg en een optimale, ononderbroken schoolloopbaan van de meest
     kwetsbare jongeren. SJSO richt zich op de schooltypen waar de meeste specialistische
     zorg nodig is: (voortgezet) speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs, praktijkonderwijs en
     tussenvoorzieningen.182
     Voorbeeld van samenwerking tussen school, ouders en jeugdhulp
     In de Academische Werkplaats Transformatie Jeugd (AWTJ) Samen op School staat de
     samenwerking tussen gezin, school en jeugdhulp in de regio Flevoland en IJsselland
     centraal. Het onderzoek van de werkplaats richt zich op een ononderbroken schoolloopbaan,
     voorkómen van (zwaardere) vormen van ondersteuning en bieden van effectievere
     hulpverlening waar deze toch nodig is. Aan de AWTJ zijn diverse scholen verbonden. In zes
     scholen is een Community of Practice (CoP) ingericht. In iedere community wordt een team
     gevormd met ouders en leerlingen van de school, leerkrachten/mentoren, professionals
     verbonden aan de zorgstructuur, een schooldirecteur, een vertegenwoordiger van de
     gemeente en een facilitator (onderzoeker/leraar-in-opleiding). Samen onderzoeken én
     verbeteren ze inhoudelijke werkwijzen en de bestuurlijke en organisatorische voorwaarden.183
     Flankerend aan dit praktijkgericht onderzoek vinden twee promotieonderzoeken plaats.
   4.4	Vergroot expertise van scholen voor inclusiever onderwijs
             ook door formele scholing
             Interprofessionele en interdisciplinaire samenwerking en kennisdeling kunnen belangrijk
             bijdragen aan de professionalisering van leraren en onderwijsteams. Daarnaast blijft formele
             scholing nodig. De raad adviseert om inclusiever onderwijs nadrukkelijk een plaats te geven
             in het curriculum van initiële lerarenopleidingen en op te nemen in nascholingsprogramma’s.
             Momenteel besteden lerarenopleidingen niet standaard aandacht aan onderwijs voor
             leerlingen met een beperking.184 Onderwijs geven aan leerlingen met een beperking is
             vaak een specialisatie, keuzevak of minor voor leraren-in-opleiding die daarvoor kiezen.
             Initiële lerarenopleidingen zouden alle deelnemers van meet af aan vertrouwd moeten
             maken met een praktijk waarin leerlingen met en zonder beperking gezamenlijk onderwijs
             volgen. De raad adviseert daarom dat leraren-in-opleiding gericht werken aan kennis van en
             vaardigheden en een beroepshouding voor inclusiever onderwijs, en een professionele visie
             ontwikkelen op het omgaan met verschillen in de klas. Dit draagt bij aan het flexibeler en
             adaptiever lesgeven.185 De raad beveelt aan om deelnemers aan initiële lerarenopleidingen
             volop stage te laten lopen in settings die inclusiever onderwijs nastreven. Zo kunnen
             leraren in opleiding de geleerde theorie verbinden met de praktijk. Het aanbod van
             opleidingsscholen met inclusievere praktijken kan hiertoe worden uitgebreid. Een voorbeeld
             laat zien wat de plaats van inclusiever onderwijs is op initiële lerarenopleidingen in Schotland
             (zie tekstkader).
     Voorbeeld: inclusiever onderwijs op lerarenopleidingen in Schotland
     Op initiële lerarenopleidingen voor primair en voortgezet onderwijs in Schotland worden
     leraren-in-opleiding voorbereid op een onderwijspraktijk waarin inclusiever onderwijs het
     uitgangspunt is. Centraal staan het ontwikkelen van positieve relaties, een optimistische kijk
     op leerlingen en het uitgangspunt dat niet alleen specialisten, maar álle leraren leerlingen met
     een beperking tegemoet kunnen komen. Leraren-in-opleiding leren de eigen aannames over
     diversiteit ter discussie te stellen en verwerven strategieën om leerlingen te ondersteunen bij
     belemmeringen. Deze strategieën beproeven ze op stageplekken waar inclusiever onderwijs
     de norm is.186
             182	Steunpunt Passend Onderwijs, 2019.
             183	Academische Werkplaats Transformatie Jeugd ‘Samen op school’, zie https://
                  www.windesheim.nl/onderzoek/onderzoeksthemas/gezondheid-en-welzijn/jeugd/
                  onderzoeksprojecten/academische-werkplaats-transformatie-jeugd-samen-op-school
             184 Ledoux, Smeets & Van Eck, 2020; Van Veen, Huizinga & Van der Steenhoven, 2016.
             185 Hunt, Soto, Maier & Doering, 2003; Biggs, Gilson & Carter, 2016; Mortier, 2018.
68           186 Rouse & Florian, 2012; Florian & Rouse, 2009.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   Om steeds inclusiever onderwijs tot stand te brengen is het van groot belang dat leraren
   zich ook na afronding van de initiële lerarenopleiding blijven professionaliseren. Uit de
   Evaluatie Passend Onderwijs blijkt dat (vooral in het voortgezet onderwijs) didactische
   vaardigheden van leraren een aandachtspunt zijn voor het ondersteunen en toerusten van
   leerlingen. Leraren geven zelf aan dat ze de meeste moeite hebben met het ondersteunen
   en toerusten van leerlingen met een problematische werkhouding. Nascholing kan hen
   helpen met de verdere ontwikkeling van vaardigheden die zij nodig hebben om deze groep te
   begeleiden187 en om onderwijs in het algemeen steeds inclusiever te maken. Door nascholing
   blijven leraren ook op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen op dit vlak. Schoolleiders en
   bestuurders hebben eveneens baat bij nascholing op het gebied van inclusiever onderwijs.
   Zij hebben bovendien een belangrijke rol in het organiseren van nascholing en (condities
   voor) informele professionalisering van onderwijsteams.
   Op dit moment geven leraren aan dat zij zich gemiddeld bekwaam genoeg voelen om
   leerlingen die dat nodig hebben extra te ondersteunen.188 Tegelijkertijd laten leraren
   weten dat zij vaker zouden deelnemen aan professionaliseringsactiviteiten wanneer
   het aanbod beter zou passen bij hun behoeften op dit terrein.189 Wanneer de route
   naar inclusiever onderwijs wordt ingezet, betekent dit dat leraren en ondersteunende
   professionals nagaan welke vormen van (in)formele scholing zij nodig achten om hun kennis,
   expertise en handelingsrepertoire te versterken. Bestuurders en schoolleiders kunnen
   de professionalisering stimuleren en faciliteren met (financiële) middelen en tijd. De raad
   benadrukt dat de kwaliteit van de (in)formele scholing en professionalisering sterk afhangt
   van de vraag of leraren en ondersteunende professionals zelf aan zet en betrokken zijn bij de
   vormgeving en uitvoering van de trajecten, oftewel deze in co-creatie tot stand brengen. Co-
   creatie vergroot ook de kans dat de opgedane kennis en vaardigheden duurzaam toegepast
   worden in de dagelijkse praktijk.190
   187  Bijstra et al., 2019.
   188  Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
   189  Organisation for Economic Co-operation and Development, 2019.
69 190  Onderwijsraad, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                   5
    aan
   beveling 3
    Breng bekostiging, toezicht en regelgeving in
    lijn met het streven naar inclusiever onderwijs
    De raad adviseert de rijksoverheid scholen
    te faciliteren om stapsgewijs beter klaar te
    staan voor leerlingen met een beperking door
    bekostiging en regelgeving in lijn te brengen met
    dit beleid, en inclusiever onderwijs te waarderen in
    kwaliteitstoezicht.
71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>        De raad constateert dat huidige bekostiging, toezicht en wet- en regelgeving er niet op zijn
        afgestemd dat scholen klaarstaan voor leerlingen met een beperking. Het huidige systeem
        bevat hindernissen en negatieve prikkels die een stapsgewijze ontwikkeling in de weg
        staan naar onderwijs met een inclusiever toelatingsbeleid van scholen, samenwerking
        tussen regulier en speciaal onderwijs en mengvormen daarvan. De raad adviseert deze
        hindernissen en negatieve prikkels weg te nemen en bekostiging, toezicht en regelgeving in
        lijn te brengen met het streven naar inclusiever onderwijs.
        Concreet beveelt de raad de rijksoverheid ten eerste aan schoolbesturen rechtstreeks
        te bekostigen voor lichte ondersteuning en toerusting, en samenwerkingsverbanden op
        termijn bekostiging te geven voor alle vormen van zwaardere onderwijsondersteuning en
        -toerusting en (voor het organiseren van) lichte en zwaardere complexe ondersteuning en
        toerusting. Ten tweede adviseert de raad de rijksoverheid te zorgen voor budgetten die
        toereikend zijn en betrokkenen in staat stellen te investeren in ontwikkelingen en innovaties
        die nodig zijn voor inclusiever onderwijs. Een derde aanbeveling is het inspectiekader
        in overeenstemming te brengen met de voorgestelde verbrede zorgplicht, en scholen te
        waarderen voor hun inzet voor inclusiever onderwijs. Ten slotte beveelt de raad aan waar
        mogelijk wet- en regelgeving voor onderwijs, ondersteuning en zorg te harmoniseren.
        Hij erkent dat dit complex is en ook bereidheid op lokaal niveau vergt. Hij adviseert
        ketenpartners om in het belang van leerlingen met een beperking toe te werken naar
        integrale budgetten voor deze doelgroep.
   5.1	Bekostig schoolbesturen in het primair en
        voortgezet onderwijs rechtstreeks voor alle lichte
        onderwijsondersteuning en -toerusting
        Het organiseren van ondersteuning voor leerlingen met een beperking is een samenspel
        tussen verschillende actoren. Het risico is dat partijen op elkaar wachten in plaats van
        proactief handelen om vroegtijdig belemmeringen bij de leerlingen weg te nemen (zie
        paragraaf 2.3). Een ander mogelijk probleem is dat de behoeften van de directbetrokkenen
        uit het zicht raken of de geboden ondersteuning en toerusting niet in te passen zijn in
        het onderwijs (zie paragraaf 3.6). Het is daarom zinvol beslissingsbevoegdheden over
        ondersteuning en de financiering ervan te beleggen op het niveau dat dicht bij de leerling
        met een beperking, de professionals en andere directbetrokkenen ligt (zie paragraaf
        3.6). Bij beslissingen over (financiering van) zwaardere en complexe ondersteuning
        en toerusting is dat niet mogelijk. Dan zijn vaak expertise en faciliteiten nodig die in
        de regio beperkt voorhanden zijn, en overstijgen de afwegingen het niveau van het
        schoolbestuur. Bij lichte onderwijsondersteuning en -toerusting kan de school zelf
        beslissingen nemen, eventueel in samenspraak met het schoolbestuur, dat op grond
        van de zorgplicht eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van de ondersteuning en
        toerusting op de school. Uitgaande van de doelstelling van inclusiever onderwijs beveelt
        de raad de rijksoverheid aan om de schoolbesturen rechtstreeks te bekostigen voor lichte
        onderwijsondersteuning en -toerusting. Dit is deels al staande praktijk. Scholen hebben
        met hun lumpsumbekosting middelen om de ‘basisondersteuning voor leerlingen met
        een ondersteuningsbehoefte’ te financieren. Voor ‘extra ondersteuning’ zijn ze echter
        afhankelijk van het samenwerkingsverband. Wanneer het samenwerkingsverband
        kiest voor het schoolmodel, kan het schoolbestuur vrijelijk beschikken over het extra
        ondersteuningsbudget naar rato van het aantal leerlingen op de school. Maar bij het
        arrangementen- of expertisemodel is het schoolbestuur afhankelijk van het beleid en
        de voorzieningen van het samenwerkingsverband. Onderdeel van dit beleid is ook hoe
        vaak het samenwerkingsverband doorverwijst naar het (duurdere) speciaal onderwijs.
        Gebeurt dat vaak, dan kan dit ten koste gaan van het extra ondersteuningsbudget voor en
        uiteindelijk zelfs van de lumpsum van de aangesloten schoolbesturen.
        Deze afhankelijke situaties kunnen scholen belemmeren in het realiseren van de norm voor
        lichte onderwijsondersteuning en -toerusting (zie paragraaf 3.4) en het vervullen van de
        verbrede zorgplicht op de eigen school (paragraaf 3.2). Om die reden stelt de raad voor om
72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>        de scholen rechtstreeks te bekostigen voor lichte vormen van onderwijsondersteuning en
        -toerusting.
        De extra middelen die scholen dan rechtstreeks krijgen voor onderwijsondersteuning
        en -toerusting aan leerlingen met een beperking, kunnen worden toegevoegd
        aan de lumpsum. Bij deze aanvullende bekostiging hoort ook een aanvullende
        verantwoordingsverplichting. Schoolbesturen leggen dan actief verantwoording af aan
        zowel hun medezeggenschapsorganen als de overheid over de inzet van deze middelen,
        de gerealiseerde praktijken en de behaalde resultaten.
   5.2	Blijf samenwerkingsverbanden bekostigen voor
        zwaardere en complexe vormen van ondersteuning
        De rechtstreekse bekostiging van schoolbesturen voor het organiseren van lichte
        onderwijsondersteuning en -toerusting voor leerlingen met een beperking ontheft
        samenwerkingsverbanden van een belangrijke taak. Waar zij voorheen budgetten en/
        of voorzieningen voor ‘extra ondersteuning’ verdeelden, is dat in de nieuwe opzet niet
        meer het geval. Bij inclusiever onderwijs ziet de raad belangrijke taken weggelegd voor
        samenwerkingsverbanden bij het organiseren van zwaardere en complexe ondersteuning
        (zie paragraaf 3.3). De raad beveelt de rijksoverheid aan om samenwerkingsverbanden
        hiervoor te blijven bekostigen, met uitzondering van de cluster 1- en 2-instellingen, waarvan
        landelijke bekostiging wenselijk blijft. Voor de langere termijn, wanneer het onderwijs
        aanzienlijk inclusiever is geworden, adviseert de raad om samenwerkingsverbanden
        meer beleidsruimte te geven bij de financiering van de zwaardere ondersteuning.
        Dit kan door het landelijke systeem van vaste tarieven verbonden aan verschillende
        toelaatbaarheidsverklaringen los te laten.
        Samenwerkingsverbanden kunnen scholen op allerlei manieren helpen bij de zwaardere en
        complexe ondersteuning en toerusting van leerlingen. Bijvoorbeeld door financiering van
        een arrangement op een school voor een leerling met een beperking die meer nodig heeft
        dan lichte ondersteuning en toerusting om onderwijs te volgen. Of door expertise te bieden
        aan diverse scholen. En ook: door een professionaliseringstraject te organiseren voor
        scholen om zwaardere ondersteuning en toerusting in te passen in het onderwijs. Wanneer
        het om lichte én zwaardere ondersteuning en toerusting gaat, kunnen schoolbesturen en
        het samenwerkingsverband allebei geld inleggen voor een project of arrangement. Omdat
        samenwerkingsverbanden taken en een budget behouden, blijven zij een vanzelfsprekende
        partner voor samenwerkingsinitiatieven binnen de regio.
        Bij (lichte en zwaardere) complexe ondersteuning heeft het samenwerkingsverband de taak
        te proberen faciliteiten en middelen uit andere sectoren (zorg, werkgelegenheid en andere
        onderwijssectoren) beschikbaar te maken en scholen te helpen bij het inpassen van
        voorzieningen. Hoewel de samenwerkingsverbanden hier de zorg en voorzieningen niet
        zelf betalen, hebben zij wel toereikende bekostiging nodig om op dit terrein inspanningen te
        leveren.
        In het huidige systeem worden (met uitzondering van cluster 1- en
        2-onderwijs) de zwaardere ondersteuning en toerusting waarvoor leerlingen
        met een toelaatbaarheidsverklaring in aanmerking komen, bekostigd via de
        samenwerkingsverbanden.191 Die zijn gebonden aan een verplichte afdracht van
        hun ondersteuningsbudget voor elke leerling die ze verwijzen naar scholen die
        gespecialiseerd zijn in deze ondersteuning.192 Hoewel samenwerkingsverbanden zelf
        de toelaatbaarheidsverklaringen afgeven, hebben ze te maken met categorieën van
        191 D e raad definieert zwaardere ondersteuning en toerusting als ondersteuning en toerusting die niet van álle
             reguliere scholen kan worden verwacht. Zie paragraaf 2.2.
        192	Deze verplichte afdracht verloopt als volgt: (a) het samenwerkingsverband laat een bepaald aantal
             leerlingen onderwijs volgen op scholen die gespecialiseerd zijn in zwaardere ondersteuning en toerusting
             (speciaal onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs, praktijkonderwijs en de
             ‘opting in’-variant van leerwegondersteunend onderwijs); (b) de overheid keert het ondersteuningsbudget
             voor die leerlingen rechtstreeks uit aan die gespecialiseerde scholen en (c) houdt dit bedrag in bij
             de samenwerkingsverbanden. Uitzondering vormt (d) het speciaal basisonderwijs, dat sowieso
             rechtstreeks ondersteuningsbekostiging vanuit de overheid ontvangt voor 2% van de leerlingen binnen
             een samenwerkingsverband (ongeacht het aantal leeringen dat op het sbo zit). Wanneer een school
             voor speciaal basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband boven de 2%-norm uitkomt, moet het
             samenwerkingsverband uit het eigen ondersteuningsbudget geld afdragen per leerling volgens een vast
             tarief. In alle gevallen geldt: hoe meer leerlingen het samenwerkingsverband onderwijs laat volgen op
             gespecialiseerde scholen, des te kleiner het ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband voor
73           (lichte en zware) ondersteuning en toerusting op reguliere scholen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>            toelaatbaarheidsverklaringen die zijn verbonden met landelijke tarieven en schoolsoorten.193
            Daarnaast geldt dat scholen een licentie moeten hebben om een bepaalde gespecialiseerde
            onderwijssoort aan te bieden.
            Het systeem van toelaatbaarheidsverklaringen, vaste tarieven, verplichte afdracht en
            licenties voor speciale onderwijssoorten borgt de ondersteuning die leerlingen op de
            gespecialiseerde scholen krijgen. Maar het houdt ook de scheiding van regulier en speciaal
            onderwijs in stand.194 Het systeem kan ertoe leiden dat samenwerkingsverbanden uit
            financiële overwegingen leerlingen wel of niet in bepaalde verwijzingscategorieën laten
            vallen terwijl dat niet in het belang van die leerlingen is. Voor scholen kunnen tussenvormen
            van regulier en speciaal onderwijs financieel ongunstig uitpakken. Om die reden komen
            ze nog weinig voor. Experimenten in de afgelopen jaren om speciaal en regulier onderwijs
            dichter bij elkaar te brengen, waren daardoor niet aantrekkelijk (zie tekstkader).
   Experimenten voor samenwerking speciaal en regulier onderwijs nog niet
   aantrekkelijk
   De Beleidsregel experimenten samenwerking regulier en speciaal onderwijs wil stimuleren
   dat scholen voor regulier en (voortgezet) speciaal onderwijs in vier jaar tijd volledig in
   elkaar opgaan en functioneren als een reguliere school met een specifiek profiel. Deze
   vorm van inclusiever onderwijs is echter nog niet aantrekkelijk voor schoolbesturen
   en samenwerkingsverbanden. Na vier jaar valt de bekostiging van de school voor het
   (voortgezet) speciaal onderwijs namelijk in het geheel weg en resteert enkel de bekostiging
   van de school voor het regulier onderwijs. Daarbij is het bekostigingsniveau van leerlingen
   met een beperking in het (voortgezet) speciaal onderwijs twee tot drie keer zo hoog als
   bij leerlingen in het regulier onderwijs. Dat heeft een reden: leerlingen met een beperking
   hebben immers extra ondersteuning en toerusting nodig. Maar dit geldt evenzeer voor
   ondersteuning en toerusting ingepast in het regulier onderwijs. Scholen die voor inpassing
   kiezen, krijgen dus minder voor deze voorzieningen en worden financieel gestraft. Inmiddels
   heeft de overheid dat ook opgemerkt en wordt de regeling aangepast.195
            De raad is van mening dat in eerste instantie de professionele inschatting van de
            benodigde ondersteuning en toerusting de doorslag moet geven en dat de leerling
            met een beperking gebaat is bij een flexibele organisatie van deze ondersteuning en
            toerusting. Daarom beveelt de raad aan om het landelijke systeem met vaste tarieven
            die gerelateerd zijn aan verschillende toelaatbaarheidsverklaringen, op termijn los te
            laten. De samenwerkingsverbanden krijgen dan een (begrensd) budget voor zwaardere
            onderwijsondersteuning en -toerusting dat ze naar eigen inzicht kunnen besteden om de
            leerlingen met een beperking die hiervoor in aanmerking komen effectief onderwijs te laten
            volgen op een reguliere school, een speciale school of een mengvorm van beide.
            De raad beseft dat de op termijn voorgestelde herziening van de bekostiging ingrijpend is.
            De zwaardere ondersteuning en toerusting voor de meest kwetsbare leerlingen zullen op een
            andere manier moeten worden geborgd. Landelijke richtlijnen voor voorzieningen kunnen daarbij
            nog steeds een rol spelen, maar de samenwerkingsverbanden kunnen hier dan met reden van
            afwijken. Op termijn is deze fundamentele wijziging in de bekostiging noodzakelijk om in de
            toekomst verdere voortgang te kunnen boeken in de richting van steeds inclusiever onderwijs.
            De raad staat uitdrukkelijk een stapsgewijze overgang voor ogen. Hij beveelt aan deze
            maatregel geleidelijk in te voeren en eerst pilots te organiseren, deze te evalueren en op
            grond van de ervaringen de herziening van de bekostiging nader vorm te geven. Deze pilots
            zijn bijvoorbeeld te vinden bij samenwerkingsverbanden die al stappen hebben gezet in de
            richting van mengvormen van speciaal en regulier onderwijs en zich hebben bewezen met
            organisatorische slagkracht, doelmatige besteding van middelen en goede inspraak van de
            directbetrokkenen.
            193	Speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs kennen elk een eigen toelatingsverklaring en tarief. In het
                 speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs gelden er telkens drie tarieven die corresponderen
                 met drie soorten toelaatbaarheidsverklaringen (laag, midden en hoog). In (de ‘opting in’-variant van)
                 leerwegondersteunend onderwijs is er geen toelaatbaarheidsverklaring maar een ‘aanwijzing’.
            194	De raad hanteert hier de eigen, ruime definitie van speciaal onderwijs. Speciaal onderwijs omvat in
                 zijn definitie: scholen voor speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal voortgezet onderwijs,
                 praktijkonderwijs en (voor een deel van de scholen die niet voor ‘opting out’ hebben gekozen)
                 leerwegondersteunend onderwijs. De raad rekent deze scholen tot speciaal onderwijs omdat ze alle zijn
                 gespecialiseerd in het bieden van zwaardere ondersteuning.
            195	Beleidsregel experimenten samenwerking regulier en speciaal onderwijs, 30 maart 2018. De experimenten
                 hebben een looptijd van vier jaar (van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2022 of van 1 augustus 2019 tot
                 1 augustus 2023, met mogelijkheid tot verlenging met twee jaar). Naast de samenwerking tussen regulier
                 en speciaal (voortgezet) onderwijs betreft het ook de samenwerking tussen speciaal basisonderwijs en
74               speciaal onderwijs.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>       De raad adviseert ten slotte om als uitzondering de cluster 1- en 2-instellingen landelijk
       te blijven financieren. Dit omdat het een relatief kleine groep leerlingen betreft die
       specialistische faciliteiten en expertise behoeft die niet op regionaal niveau voorhanden zijn.
       De faciliteiten en expertise kunnen weliswaar beschikbaar worden gemaakt voor de regio
       (in de vorm van expertise en ambulante begeleiding aan reguliere scholen), maar dit kan het
       best op landelijk niveau worden georganiseerd en geborgd (zie paragraaf 3.1). De raad wijst
       erop dat bij de bekostiging van cluster 1- en 2-instellingen rekening moet worden gehouden
       met een toename van het budget voor kennisdeling en ambulante begeleiding op termijn,
       wanneer conform de ambitie van steeds inclusiever onderwijs meer leerlingen met een
       visuele of auditieve beperking naar het regulier onderwijs gaan. Deze laatste aanbeveling
       loopt vooruit op de volgende paragraaf over toereikende budgetten.
   5.3 Zorg voor toereikende budgetten, ook voor innovaties
       Ondersteuning bieden aan leerlingen met een beperking en hun omgeving vergt
       behalve een extra inspanning ook extra geld. Het huidige systeem voorziet hierin
       door overheidsbekostiging aan samenwerkingsverbanden en scholen voor speciaal
       onderwijs. Indirect zijn ook middelen en voorzieningen beschikbaar vanuit individuele
       budgetten op basis van zorgwetten. Het systeem is gebaseerd op budgetfinanciering.
       Samenwerkingsverbanden moeten dus rekening houden met financiële grenzen en
       hebben de opdracht de ondersteuning en toerusting doelmatig te organiseren. De raad
       onderschrijft het principe van budgetfinanciering, maar stelt als voorwaarde dat de
       financiering voldoende is voor de gestelde ambities. Hij beveelt de overheid daarom aan te
       zorgen voor toereikende budgetten voor inclusiever onderwijs.
       Bij de bekostiging van de zwaarste ondersteuning hanteert de rijksoverheid op dit
       moment vastgestelde maximumaantallen voor het speciaal onderwijs, gebaseerd op het
       aantal leerlingen in een regio. Vóór de invoering van passend onderwijs verschilde het
       percentage leerlingen in het speciaal onderwijs per regio. Bij de invoering van passend
       onderwijs vond een verevening plaats door één maximumnorm te stellen voor alle regio’s.
       Samenwerkingsverbanden met een negatieve verevening verwezen daarop minder leerlingen
       naar het speciaal onderwijs, omdat anders de ondersteuning van andere groepen leerlingen
       die ondersteuning nodig hadden, in het gedrang zou komen. De raad wijst erop dat de
       overheid de maximumnorm heeft gebaseerd op deelnemersaantallen aan het speciaal
       onderwijs, en de omvang van leerlinggebonden financiering op een gefixeerd moment, en
       niet op een toereikendheidsanalyse. Bovendien heeft de overheid bij de begrenzing van de
       budgetten geen rekening gehouden met investeringen die samenwerkingsverbanden en
       schoolbesturen hebben moeten doen in de overgang naar budgetfinanciering.
       De raad benadrukt dat adequate en toereikende financiering van diverse vormen van
       lichte, zwaardere en complexe ondersteuning en toerusting een absolute voorwaarde
       is voor een stapsgewijze ontwikkeling naar inclusiever onderwijs. De overheid dient
       periodiek te onderzoeken of de middelen voor inclusiever onderwijs toereikend zijn en
       deze zo nodig bij te stellen.
       Dit periodieke onderzoek naar de toereikendheid van budgetten en eventuele bijstelling kan
       samenvallen met het overhevelen naar schoolbesturen van een deel van de middelen voor
       ondersteuning (zie paragraaf 5.2). Deze overheveling volgt het tempo waarin stapsgewijs
       inclusiever onderwijs wordt gerealiseerd in de onderwijspraktijk.
       Beleid gericht op inclusiever onderwijs brengt ook innovaties met zich mee. Scholen
       ontwikkelen hun onderwijspraktijk en professioneel vermogen zodanig dat zij steeds
       beter klaarstaan voor leerlingen met een beperking. Sommige innovaties zullen op
       landelijk niveau plaatsvinden, zoals de aanbevolen transitie naar financiering van
       de zwaarste ondersteuning via de samenwerkingsverbanden. Daarnaast kunnen
       samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en scholen afzonderlijk en gezamenlijk
       innovaties initiëren op het gebied van inclusiever onderwijs. Toereikend budget is
       doorslaggevend voor het slagen van zulke innovaties.
75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>     De Monnikskap: een mengvorm van regulier en speciaal onderwijs die mogelijk is bij
     gratie van een toereikend budget
     De Monnikskap is de enige reguliere school voor voortgezet onderwijs in Nederland waar
     leerlingen met een zwaardere lichamelijke beperking in hun eigen tempo een havo- of
     vwo-diploma kunnen halen (zie ook paragraaf 2.1). Heel uitzonderlijk krijgt de school
     rechtstreeks van de centrale overheid een ondersteuningsbudget voor leerlingen met een
     beperking volgens de zwaarste bekostigingscategorie. Het budget is ook toereikend om de
     benodigde eerstegraads vakleraren te kunnen aanstellen. Deze uitzondering is gemaakt
     omdat er geen structurele regeling is voor speciaal onderwijs aan leerlingen die havo en
     vwo volgen. De jongeren, nu circa zestig in aantal, komen vanuit het hele land.196
   5.4	Werk toe naar integratie van budgetten voor onderwijs
             en zorg
             Leerlingen met een beperking hebben ondersteuning en toerusting nodig om onderwijs te
             volgen of een overstap te maken naar een vervolgopleiding of werkplek. Uit welk budget
             die ondersteuning wordt betaald, is voor hen niet van belang. Maar voor de organisatie van
             die ondersteuning en toerusting maakt het wel veel uit. De budgetten voor ondersteuning
             en toerusting vanuit de zorgwetten worden toegewezen op individuele basis, terwijl het
             onderwijs werkt met collectieve voorzieningen en bekostiging. Bovendien zijn er binnen het
             onderwijs afzonderlijke budgetten voor sectoren en onderwijssoorten. De raad pleit ervoor
             de budgetten voor leerlingen met een beperking te integreren waar dat zinvol is.
             Veel onderwijsvraagstukken spelen zich af op het snijvlak van leefwerelden van de
             leerlingen en sectoren, met name voor leerlingen met een beperking. Om inclusiever
             onderwijs mogelijk te maken en daartoe een samenhangend geheel van ondersteuning
             en toerusting te bieden, is samenwerking nodig tussen de ketenpartners. Deze noodzaak
             meer samen te werken was in de jaren negentig aanleiding samenwerkingsverbanden in te
             voeren en in 2014 om ze verder door te ontwikkelen (zie bijlage 1).
             De invoering van de huidige samenwerkingsverbanden passend onderwijs is nog recent
             en onderwijs en zorg zijn beide nog in ontwikkeling om zich de nieuwe structuren eigen
             te maken en deze structuren te optimaliseren. Voor het overleg met de gemeente is
             er al een structuur in de vorm van op overeenstemming gericht overleg. Of daar ook
             ondersteuningsvraagstukken aan bod komen varieert per samenwerkingsverband
             en gemeente. Maar wanneer partijen in de eigen organisatie gaandeweg steeds
             inclusiever onderwijs tot stand brengen, zal dit ook effect hebben op de kwaliteit van het
             regionale overleg.197 Het is zaak ook het middelbaar beroepsonderwijs in dit overleg te
             betrekken.198 Dat geldt evenzeer voor ketenpartners zoals de kinderopvang en kortdurende
             peuteropvang. De laatste kunnen net als gemeenten een belangrijke rol spelen bij de
             vroegsignalering van beperkingen, en de vaststelling van ondersteuningsbehoeften.
             De raad meent dat de rijksoverheid en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een
             belangrijke rol spelen bij de integratie van budgetten. Tegelijkertijd erkent hij de complexiteit
             van die financiële operatie. Hij roept de lokale ketenpartners op wijzigingen in de landelijke
             wetgeving niet af te wachten en het regionaal overleg aan te grijpen om bij leerlingen met
             een beperking flexibel om te gaan met financieringsstromen. Alle partijen kunnen een deel
             van hun budgetten voor onderwijs, zorg en huisvesting gezamenlijk beschikbaar stellen om
             verbrede teams te financieren en individuele ondersteuning en toerusting van een leerling
             mogelijk te maken op het moment dat dit nodig is.199 Tijdige ondersteuning en toerusting
             zijn niet alleen in het belang van de leerlingen met een beperking maar ook in het belang
             van de samenleving als geheel, omdat een preventieve aanpak doelmatiger is. Een ander
             voordeel van de integratie van budgetten is een betere afstemming van zorgvoorzieningen
             op de ondersteuningsvragen van de leerling in verschillende leefwerelden (onderwijs,
             thuisomgeving, buurt).
             196 De beschrijving van dit voorbeeld is gebaseerd op een werkbezoek van de raad.
             197 Smeets & Van Veen, 2018.
             198 Dit is ook een wettelijke verplichting. Zie artikel 17a lid 9 WVO.
76           199 Onderwijsraad, 2014; Peeters, Zunderdorp, Lamers & Rats, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>             Gemeenten kunnen als regisseur optreden bij het bundelen van middelen en
             voorzieningen.200 Zij kunnen bijvoorbeeld generieke vormen van jeugdhulpverlening
             in de scholen helpen organiseren en initiatieven nemen om budgetten van
             samenwerkingsverbanden, schoolbesturen en ketenpartners te bundelen. Op die manieren
             zijn complexe combinaties van zorg en ondersteuning eenvoudiger te realiseren.
     Voorbeeld: bundeling van budgetten voor zorg-onderwijsarrangementen
     Praktijkschool Fryslân is bedoeld voor jongeren en (jong)volwassenen die vanwege een
     beperking (nog) niet in staat zijn naar school te gaan. Denk aan jongeren met autisme,
     gedragsproblemen, sociale problematiek, een beperking, hoge prikkelgevoeligheid.
     Zij volgen bijvoorbeeld een programma van dagbesteding of zijn (beschut) aan het
     werk. De praktijkschool zorgt ervoor dat zij in deze settings toch gericht kunnen
     leren. De programma’s van Praktijkschool Fryslân worden vormgegeven door diverse
     (beschutte) leer-werkbedrijven, dagbestedings- en stageplekken, ondersteund door
     onderwijsinstellingen en Steunpunt Zorg & Onderwijs Fryslân. De financiering van
     een traject is afhankelijk van de situatie van de jongere of (jong)volwassene. Soms is
     onderwijsbekostiging mogelijk. Daarvoor is een actuele toelaatbaarheidsverklaring
     nodig. In andere gevallen worden de trajecten bekostigd vanuit de Wet maatschappelijke
     ondersteuning, Jeugdwet, Participatiewet of anders (bijvoorbeeld het persoonsgebonden
     budget).201
     Voorbeeld: bundeling van middelen van gemeenten voor ondersteuning in het mbo
     School als Wijk (SAW) houdt in dat op alle locaties van de vier mbo-instellingen in de
     provincie Groningen hulpverleners aanwezig zijn die studenten adviseren, ondersteunen
     of doorverwijzen. Nabij, laagdrempelig en preventief. Doordat er vaste hulpverleners in de
     school aanwezig zijn, is de drempel voor jongeren om advies of hulp te vragen lager. Ook
     worden ze sneller geholpen of doorverwezen, wat eraan bijdraagt problemen als langdurig
     schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Deze voorziening is het resultaat
     van een brede samenwerking van alle gemeenten en mbo-instellingen in de provincie. Elke
     Groningse gemeente levert een financiële bijdrage naar rato van het aantal in de gemeente
     wonende mbo-studenten. De gemeenten bepalen zelf uit welke pot ze dat bekostigen. De
     gemeente Groningen fungeert als kassier en stelt middelen beschikbaar aan gemeenten
     met een of meer mbo-locaties. Deze gemeenten sluizen de middelen door naar de
     organisaties die School als Wijk uitvoeren. De hulpverleners in het mbo zijn dus in dienst
     van deze organisaties.202
   5.5       Lijn het inspectiekader uit met verbrede zorgplicht
             De raad stelt voor dat de Onderwijsinspectie erop toeziet dat schoolbesturen en
             samenwerkingsverbanden voldoen aan de in hoofdstuk 3 beschreven verbrede zorgplicht.
             Het is hierbij belangrijk inspanningen richting inclusiever onderwijs te waarderen. De raad
             adviseert het inspectiekader hierop aan te passen.
             Elke school van een schoolbestuur moet klaarstaan om minimaal lichte ondersteuning te
             bieden zoals die wettelijk wordt vastgelegd. Is meer ondersteuning nodig, dan heeft het
             samenwerkingsverband een aanvullende opgave om zware ondersteuning te bieden.
             Met de bekostiging voor lichte ondersteuning rechtstreeks aan schoolbesturen
             (paragraaf 5.1) en een landelijke norm voor lichte ondersteuning (paragraaf 3.4) ontstaat
             een aanvullende verantwoordingsplicht voor schoolbesturen. Het is de taak van de
             Onderwijsinspectie erop toe te zien dat schoolbesturen aan deze verantwoordingsplicht
             voldoen en hun zorgplicht nakomen. De raad adviseert de monitoring zo in te richten dat
             de stappen die verantwoordelijken – leraren, ondersteunende professionals, schoolleiders,
             schoolbesturen en samenwerkingsverbanden – zetten, worden gevolgd en gestimuleerd
             met expliciete waardering door de Onderwijsinspectie.
             200 Onderwijsraad, 2017; Peeters, Zunderdorp, Lamers & Rats, 2018.
             201 https://www.praktijkschoolfryslan.frl/Over/
77           202 Steunpunt Passend Onderwijs, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>        Als leerlingen met een beperking door ziekte of terugval (tijdelijk) niet naar school kunnen
        en daardoor langer doen over het behalen van hun diploma, moet dat niet ten koste gaan
        van de beoordeling van de opbrengsten (en bekostiging) van de school. Mbo-instellingen
        die op slimme wijze belemmeringen wegnemen voor studenten met een beperking en
        hen met een goede combinatie van onderwijs, ondersteuning en zorg aan een stage,
        diploma of baan helpen, moeten hiervoor eveneens erkenning krijgen in het toezicht. Dat
        het door omstandigheden niet altijd lukt een leerling met een beperking een adequate
        score op de eindtoets basisonderwijs te laten bemachtigen, of een volledig diploma of een
        betaalde baan, moet de scholen niet worden aangerekend in het inspectietoezicht. Dat zou
        schoolbesturen en scholen er immers van weerhouden leerlingen met een beperking aan
        te nemen en onderwijs te geven. Ook lokt het strategisch gedrag uit dat haaks staat op de
        beleidsintentie om op grotere schaal stapsgewijs inclusiever onderwijs te realiseren.
        In het onderwijs wordt soms een spanningsveld ervaren tussen inclusie van leerlingen
        met een beperking enerzijds en de kwaliteit en het rendement van onderwijs anderzijds.
        De inclusie van enkele leerlingen met een beperking zou ten koste gaan van de algehele
        onderwijskwaliteit en de leerprestaties van de overige leerlingen. Onderzoek uit
        binnen- en buitenland laat zien dat dit niet het geval hoeft te zijn.203 De raad beschouwt
        onderwijskenmerken als het waarderen van verschillen, omgaan met diversiteit, passende
        maatregelen treffen voor leerlingen met een beperking, en leraren actief ondersteunen bij
        het lesgeven aan een klas van leerlingen met en zonder een beperking, juist als wezenlijke
        aspecten van onderwijskwaliteit. De raad bepleit dan ook dat de Onderwijsinspectie in haar
        kwaliteitstoezicht indicatoren opneemt die deze aspecten van brede kwaliteit en inclusiever
        onderwijs positief beoordelen.204
   5.6	Harmoniseer wet- en regelgeving voor onderwijs en
        ondersteuning en zorg
        Tot slot roept de raad de minister op wet- en regelgeving voor onderwijs en ondersteuning
        en zorg in zijn totaliteit te beschouwen en af te stemmen op en in lijn te brengen met
        de doelstelling van stapsgewijs inclusiever onderwijs. Het primair onderwijs (regulier
        en speciaal basisonderwijs), het regulier voortgezet onderwijs en het (voortgezet)
        speciaal onderwijs worden vanuit drie wetten geregeld.205 Dit verhindert dat diverse
        onderwijssoorten in elkaar opgaan. Zo is het vanuit bekostigingsregels niet mogelijk
        leerlingen met een beperking uit het (voortgezet) speciaal onderwijs voltijds onderwijs
        te geven op een reguliere school. Deze bekostigingsbarrières en ook andere verschillen
        zoals uiteenlopende bevoegdheidseisen voor leraren en verschillen in cao’s bemoeilijken
        inclusie en belemmeren de schoolloopbaan van leerlingen met een beperking. Behalve
        afstemming van wet- en regelgeving binnen het onderwijs is er ook afstemming nodig met
        de zorgwetten, waar het gaat om zorg waarvan leerlingen op school en daarbuiten gebruik
        maken. Een harmonisatie van wet- en regelgeving is uiterst complex en vergt ook tijd. Maar
        deze is volgens de raad op den duur wel noodzakelijk om verdere stappen te zetten in de
        richting van inclusiever onderwijs.
        203	Ruijs, Van der Veen & Peetsma, 2010; zie ook De Graaf & Van Hove, 2015; Hehir et al., 2016; Jepma,
             2003; Oh-Young & Filler, 2015; Ruijs, 2017; Szumski, Smogorzewska & Karwowski, 2017.
        204 Zie ook Onderwijsraad, 2016.
        205	Wet op het primair onderwijs (WPO), Wet op het voortgezet onderwijs (WOV) en Wet op de
78           expertisecentra (WEC).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>79</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   	Bijlage 1: Korte geschiedenis van
        beleidsprogramma’s voor leerlingen met
        een beperking
        Rond de eeuwwisseling van de achttiende naar de negentiende eeuw zijn in Nederland
        voor het eerst leerlingen met diverse fysieke beperkingen in aparte scholen opgevangen.
        De Leerplichtwet uit 1901 is de eerste wettelijke maatregel die de uitbreiding van het
        buitengewoon (lager) onderwijs bevordert.206 In de tweede helft van de twintigste eeuw
        ontstaat een sterk gedifferentieerd stelsel van speciaal onderwijs binnen het Nederlandse
        onderwijsstelsel en groeit de deelname aan het speciaal onderwijs.207 Vanaf 1990 wordt
        voor het eerst serieus werk gemaakt van het beteugelen van de groei van het speciaal
        onderwijs. Weer samen naar school (WSNS, vanaf 1990) en Leerlinggebonden financiering
        (LGF, beter bekend als ‘het rugzakje’, vanaf 2003) zijn hierbij de twee belangrijkste
        beleidsbenaderingen.208 Vanaf 2014 wordt het programma Passend onderwijs ingevoerd.209
        Deze bijlage zoomt kort in op de drie beleidsprogramma’s. Hij bevat ook een samenvatting
        van de belangrijkste resultaten van het onderzoeksprogramma Evaluatie Passend Onderwijs.
        1990-2014: Weer samen naar school (WSNS)
        Met de komst van WSNS vervalt het onderscheid tussen de groep 1-scholen, de scholen
        voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) en scholen voor moeilijk
        lerende kinderen (mlk) en daaraan verbonden in ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk).
        Deze schooltypen worden in 1998 bij wet als speciaal basisonderwijs ondergebracht bij het
        primair onderwijs. In het voortgezet onderwijs wordt in 2002 het vso-lom (en het individueel
        beroepsonderwijs, ivbo) omgezet in leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), en het vso-mlk in
        praktijkonderwijs, sindsdien formeel behorend bij voortgezet onderwijs. Lom-scholen worden
        veelal omgezet in een (bovenschools) orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc), als
        onderdeel van de zorgstructuur. Leerlingen met een lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke
        beperking en leerlingen met ernstige gedragsbeperkingen (groep 2- en 3-scholen) vallen
        buiten de WSNS-beleidsoperatie. Deze groep valt onder de Wet op de expertisecentra (WEC)
        en de LGF-regeling en is georganiseerd in regionale expertisecentra (rec’s).
        Samenwerking en kennisuitwisseling tussen regulier en speciaal basisonderwijs worden
        gestimuleerd via een landelijk dekkend netwerk van WSNS-samenwerkingsverbanden
        primair onderwijs, omdat speciale voorzieningen en deskundigheid te zeer voorbehouden
        zijn aan het speciaal onderwijs.210 Er wordt gekozen voor bovenschoolse netwerken:
        individuele scholen en schoolbesturen worden te klein geacht om speciale voorzieningen,
        expertise en middelen effectief te kunnen inzetten. De samenwerkingsverbanden worden ertoe
        aangezet de systeemscheiding tussen regulier en speciaal basisonderwijs te doorbreken,
        deskundigheid en ambulante begeleiding in het regulier onderwijs te bevorderen,
        het verwijzings- en toelatingsbeleid van leerlingen met ondersteuningsbehoeften te
        stroomlijnen en het aantal verwijzingen van leerlingen naar het speciaal basisonderwijs
        terug te brengen.
        De toelating van leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften tot speciaal (basis)
        onderwijs wordt weggehaald bij de Commissie van Onderzoek, die was verbonden aan een
        of enkele scholen. Een op grotere afstand staande Permanente Commissie Leerlingenzorg
        (PCL), Commissie van Indicatiestelling (CvI) en/of Regionale Verwijzingscommissie (RVC)
        regelen voortaan de toegang tot het (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs. In het voorgezet
        onderwijs ontstaan rond 2004-2005 (tijdelijke) tussenvoorzieningen als Rebound, Herstart en
        Op de Rails met een time-out-functie om leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften
        terug te plaatsen naar de school van herkomst of een andere school.
        De samenwerkingsverbanden krijgen een gesloten bekostigingssysteem opgelegd op
        grond van een vereveningsprincipe, om zo de toestroom naar het speciaal basisonderwijs
        206 Doornbos & Stevens, 1987.
        207 Ibid.
        208	Wallage,1990; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 1996; Veneman, 2004.
        209 Teeuwen & Dekkers, 2019.
80      210 Meijer, 1995.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   te beperken. Het speciaal basisonderwijs wordt niet meer geheel direct bekostigd,
   maar deels via de samenwerkingsverbanden, die voor de onderwijssoort een begrensd
   zorgbudget krijgen.211 Een deel wordt uitgekeerd aan het regulier basisonderwijs binnen
   de samenwerkingsverbanden. Zoals de beleidstitel suggereert, worden pogingen gedaan
   leerlingen met een beperking waar dat kan te integreren in het regulier basisonderwijs. Er
   blijft ruimte voor speciaal basisonderwijs, omdat wordt erkend dat sommige leerlingen niet
   goed passen in het regulier basisonderwijs.212
   In de WSNS-periode zijn er pogingen het ‘continuüm van zorg’ en de ‘integrale
   leerlingenzorg’ in samenwerkingsverbanden en de ‘interne begeleiding’ en ‘adaptief
   onderwijs’ in het regulier basisonderwijs te versterken (WSNS Plus 2002-2006).213 De intern
   begeleider doet zijn intrede in het regulier basisonderwijs, de functie van zorgcoördinator
   ontstaat in het regulier voortgezet onderwijs. De nieuwe functionarissen krijgen een
   belangrijke rol bij de organisatie en uitvoering van de speciale onderwijszorg in de school,
   en het samenwerken en afstemmen met externe organisaties als jeugdzorg, GGZ en
   maatschappelijk werk.
   2003-2014: Leerlinggebonden financiering (LGF)
   De financiering van de speciale onderwijszorg is in het algemeen zo strak geregeld
   dat reguliere scholen die een leerling met zintuigelijke, lichamelijke, verstandelijke
   beperkingen en/of gedragsproblemen willen handhaven, daarvoor betrekkelijk veel moeite
   moeten doen en daarvoor niet worden beloond. De introductie van de LGF vergroot de
   mogelijkheden van integratie van leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften.
   Ouders krijgen de mogelijkheid te kiezen voor regulier onderwijs. De LGF op basis van
   landelijke indicatiestellingscriteria maakt handhaving van leerlingen met beperkingen in het
   regulier onderwijs mogelijk, maar in feite wordt een nieuwe groep leerlingen in het regulier
   onderwijs aangeboord voor wie extra financiering beschikbaar is.214
   De omvang van het speciaal basisonderwijs stabiliseert weliswaar (tussen 1992 en 2002
   daalt de deelname van 3,7 naar 3,2%), maar het (voortgezet) speciaal onderwijs groeit
   gestaag door (van 1,4% naar 2,0% tussen 1992 en 2002), met name de scholen voor
   leerlingen met een gevarieerde gedragsproblematiek. Het totale aandeel leerlingen met
   speciale ondersteuningsbehoeften in (voortgezet) speciaal (basis)onderwijs is daarmee
   ongewijzigd 5,2%.215 Er lijkt sprake van een waterbed- of weglekeffect, mede omdat
   de financiering van het speciaal basisonderwijs (gesloten) en de financiering van het
   (voortgezet) speciaal onderwijs (open-einde) los van elkaar zijn geregeld. Dit wordt later
   gezien als een weeffout in het stelsel van speciale onderwijszorg.216
   Er zijn regio’s in Nederland die een veel grotere deelname van leerlingen met speciale
   ondersteuningsbehoeften aan (voortgezet) speciaal onderwijs hebben dan andere. De grote
   regionale verschillen zijn niet goed te verklaren. Bovendien wordt er via het aanpalende
   onderwijsachterstandenbeleid al gecorrigeerd voor regionale verschillen in sociale
   milieufactoren.217 Scholen met betrekkelijk veel doelgroep-leerlingen krijgen meer budget.
   In de aanloop naar de invoering van een nieuw stelsel wordt het onderwijsveld bij herhaling
   duidelijk gemaakt dat de houdbaarheidsdatum van het vigerende stelsel van speciale
   onderwijszorg is verstreken.218 Er wordt een ingrijpende stelselherziening aangekondigd,
   inclusief een bezuiniging van 300 miljoen euro vanwege de gestegen kosten van speciale
   onderwijszorg (vooral de rugzak-middelen). De aangekondigde bezuiniging wordt echter
   teruggedraaid.
   Vanaf 2014: Passend onderwijs
   De Wet passend onderwijs wordt in 2014 gefaseerd ingevoerd. Het nieuwe
   beleidsprogramma is meer omvattend van opzet dan WSNS.
   De nieuwe wetgeving beslaat het primair onderwijs (regulier en speciaal basisonderwijs),
   voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs voor cluster 3 en 4 en middelbaar
   beroepsonderwijs. Het speciaal onderwijs gaat uit van de vier clusters die in 2003 zijn
   gevormd. Cluster 1 is voor leerlingen met een visuele beperking (blind of slechtziend),
   211  Zie Kamerstuk 25409, nr. 3, Memorie van toelichting WSNS, p. 5.
   212  Wilmink, 1997.
   213  Meijer, 1995; Doornbos & Stevens, 1987.
   214  Minne, Webbink & Van der Wiel, 2009.
   215  Meijer, 2004.
   216  Teeuwen & Dekkers, 2019.
   217  Meijer, 1996.
81 218  Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenshap, 2006, 2011.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>   cluster 2 voor leerlingen die een auditieve beperking (doof of slechthorend) of ernstige
   spraak-taalmoeilijkheden hebben. Beide clusters vallen onder een landelijk systeem. De
   belangrijkste redenen om de cluster 1- en 2-leerlingen buiten het programma Passend
   onderwijs te houden, is dat ze een duidelijk afgebakende groep vormen, die groep al
   jaren een stabiele omvang heeft en specifieke expertise vraagt die – gegeven de relatief
   kleine groep leerlingen – moeilijker gebundeld kan worden op het regionale niveau van
   samenwerkingsverbanden. Cluster 3 is het onderwijs voor leerlingen met een verstandelijke
   beperking, een lichamelijke beperking of een chronische ziekte; cluster 4 is het onderwijs
   voor leerlingen met gedrags- of ontwikkelingsstoornissen of psychiatrische problemen.
   Cluster 3 en 4 vallen met de komst van passend onderwijs onder de verantwoordelijkheid
   van de nieuwe samenwerkingsverbanden.
   Voor primair en voortgezet onderwijs zijn er afzonderlijke samenwerkingsverbanden.
   Deze worden bekostigd op basis van deelnemersaantallen aan verschillende vormen
   van speciaal onderwijs, uitgaande van een telling van 1 oktober 2011.219 Het middelbaar
   beroepsonderwijs kent geen samenwerkingsverbanden, omdat de instellingen daar al
   op regionaal niveau werken. Middelen voor speciale ondersteuning (inclusief de rugzak-
   middelen) zijn onderdeel van het (lumpsum) instellingsbudget.
   Mbo-instellingen geven passend onderwijs grotendeels zelf vorm, maar zijn gebonden
   aan twee verplichtingen. Ten eerste maken zij schriftelijke afspraken over de extra
   ondersteuning die een leerling krijgt, als bijlage (addendum) bij de onderwijsovereenkomst.
   Ten tweede informeren de mbo-instellingen (toekomstige) studenten, ouders en
   aanleverende scholen over het ondersteuningsaanbod van de instelling. Voor het mbo
   geldt dus evenzeer als voor het primair en voortgezet onderwijs dat de instelling zich
   specialiseert met een ondersteuningsprofiel.
   De Wet passend onderwijs beoogt leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften een
   passend onderwijsaanbod te geven en een aantal problemen in het stelsel van speciale
   voorzieningen in het onderwijs en de bekostiging op te lossen. Denk aan de druk op de
   dure speciale voorzieningen, de beperkte keuzevrijheid van ouders en jongeren met
   speciale ondersteuningsbehoeften, de wachtlijsten en thuiszitters. De wet heeft zes
   doelstellingen: (1) kostenbeheersing (‘budgettaire beheersbaarheid en transparantie’),
   (2) vergrote keuzevrijheid van ouders, (3) professionalisering op de werkvloer, (4)
   afstemming met het bredere jeugddomein, denk aan jeugdbeleid, aansluiting onderwijs
   en arbeidsmarkt, leerplicht, leerlingenvervoer, (5) vermindering van bureaucratie en (6)
   tegengaan van labeling van leerlingen.220
   Passend onderwijs kent geen expliciete ambities om meer leerlingen met speciale
   ondersteuningsbehoeften een plaats te geven in het regulier onderwijs. Een impliciete
   verwachting is wel dat met de nieuwe financiële prikkels (gefaseerde verevening en
   normatieve budgettering) de omvang van het (voortgezet) speciaal onderwijs beperkt blijft.
   De beleidsbenadering van passend onderwijs kenmerkt zich door decentralisatie.221
   Schoolbesturen moeten verplicht samenwerken in nieuwgevormde regionale
   samenwerkingsverbanden. De Inspectie van het Onderwijs voert het toezicht op de
   samenwerkingsverbanden uit. Er is een zorgplicht ingevoerd voor schoolbesturen.
   Die plicht houdt in dat het bestuur van de school waar ouders hun kind aanmelden,
   onderzoekt of het kind ondersteuning nodig heeft en zo ja, of de school van aanmelding
   die ondersteuning kan bieden.222 Zo ja, dan laat het bestuur de leerling tot die school toe.
   Vervolgens is het bestuur verplicht na overleg met de ouders een ontwikkelingsperspectief
   vast te stellen. Als het bestuur vaststelt dat de school de benodigde ondersteuning niet kan
   bieden, mag het bestuur toelating pas weigeren als het een andere reguliere of speciale
   school binnen het samenwerkingsverband heeft gevonden waar de leerling wel onderwijs
   kan volgen. Zo is gegarandeerd dat het kind een plek op een school krijgt zonder dat de
   ouders zelf naar een andere school moeten zoeken.
   In het mbo is in 2017 het toelatingsrecht ingevoerd. Het geeft studenten met speciale
   ondersteuningsbehoeften, ongeacht vooropleiding of niveau, het recht op automatische
   toelating tot de opleiding van hun eerste keuze.223
   219 Ook is uitgegaan van de omvang van de leerlinggebonden financiering op die peildatum.
   220 Teeuwen & Dekkers, 2019.
   221 Algemene Rekenkamer, 2013; Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
   222	Deze plicht geldt niet als de school van aanmelding vol is of als de ouders weigeren de grondslag van
        die school te onderschrijven of te respecteren.
82 223 Wet vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht tot het mbo, 1 augustus 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   Met de invoering van passend onderwijs zijn rec’s en de LGF afgeschaft. De regels
   rondom de landelijke indicatiestelling (met open-eindefinanciering) van leerlingen zijn
   opgeheven mede omdat betrokkenen geen financieel belang hebben bij het beperken
   van de instroom in het (voortgezet) speciaal onderwijs of het beperken van het aantal
   rugzak-leerlingen. Met de stopzetting van de LGF is ook de keuzemogelijkheid van ouders
   vervallen om hun kind met speciale ondersteuningsbehoeften onder te brengen in het
   reguliere onderwijs. Samenwerkingsverbanden van schoolbesturen bepalen voortaan
   (aard, omvang en onderscheidingscriteria van) de doelgroep die in aanmerking komt voor
   ondersteuning, de vormen van de ondersteuning en de inpassing in het onderwijs. Het
   vaststellen van deficiënties bij leerlingen op basis van (psycho)medische criteria wordt
   nadrukkelijk verruild voor het in kaart brengen van de speciale ondersteuningsbehoeften
   van leerlingen. Indiceren maakt plaats voor (integraal) arrangeren. Leerlingen met speciale
   ondersteuningsbehoeften kunnen voortaan in aanmerking komen voor (gecombineerde)
   onderwijs(zorg)arrangementen binnen in het regulier onderwijs, speciaal onderwijs dan wel
   tussenvormen hiervan.
   De verantwoordelijkheden voor het aanbod, de toewijzing en de uitvoering van de basis- en
   extra ondersteuning leggen samenwerkingsverbanden vast in een ondersteuningsplan.
   Hierbij heeft elke school een schoolondersteuningsprofiel, waarin zichtbaar is
   welke typen ondersteuning de school kan bieden. Voor het ontwikkelen van een
   ondersteuningsplan (per leerling) heeft het veld een globaal referentiekader opgesteld.224
   Het is aan de samenwerkingsverbanden dat invulling te geven en met de verschillende
   ondersteuningsprofielen een samenhangend ondersteuningsaanbod in de regio te
   verzorgen. De samenwerkingsverbanden bepalen zelf de bestuursvorm en de verdeling
   van de middelen over de schoolbesturen. Van samenwerkingsverbanden wordt verwacht
   dat ze overleggen met ketenpartners, waaronder de gemeenten, zorgpartijen, cluster 1- en
   2-instellingen, onderwijsinstellingen van andere sectoren (over de overgang van po-po, po-
   vo, vo-vo en vo-mbo) en andere samenwerkingsverbanden.225
   Tijdens de beleidsperiode van passend onderwijs (na 2014) worden de regionale verschillen
   in de deelname aan vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs gefaseerd gelijkgetrokken.
   Daarbij is het verband tussen verevening en deelname aan speciaal onderwijs in het voortgezet
   onderwijs wat sterker dan in het primair onderwijs. Dit komt deels door het verleggen van
   de financiële prikkels.226 De open-eindefinanciering voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
   (cluster 3 en 4) maakt plaats voor de principes van verevening, en budgettering van
   samenwerkingsverbanden op basis van het aantal leerlingen van deelnemende scholen in het
   samenwerkingsverband. Daarmee hebben samenwerkingsverbanden begrensde financiële
   middelen (een gefixeerd budget) om leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften in
   (voortgezet) speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs onder te brengen.
   Voorjaar 2020: Stand van zaken Passend onderwijs
   Passend onderwijs is vanaf de invoering onderzocht door een consortium van
   onafhankelijke onderzoeksinstituten en universiteiten.227 Voor een uitvoerige bespreking
   van de resultaten verwijst de raad naar de publicatie Evaluatie passend onderwijs.
   Eindrapport Mei 2020, die op 27 mei jl. is verschenen.228 De raad vat enkele resultaten van
   de evaluatie hieronder beknopt samen.
   Een van de doelen van passend onderwijs is het aantal thuiszitters terugdringen. Hun
   aantal is de afgelopen jaren licht gestegen. Uit het evaluatieonderzoek blijkt dat thuiszitters
   veelal kampen met een complexe problematiek rond hen zelf, de thuissituatie, de school en
   professionele hulpverlening. Psychische en psychiatrische problemen spelen bij thuiszitters
   vaak een belangrijke rol. Naast thuiszitters zijn er ook leerlingen die vanwege een
   beperking een ontheffing hebben van de leerplicht, en leerlingen die de school voortijdig
   verlaten. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs, waar instellingen de plicht hebben alle
   studenten met een beperking passend onderwijs te bieden, is het ondersteuningsaanbod
   nog niet volledig dekkend. Voor studenten met zware, meervoudige problematiek is er
   niet altijd een passend aanbod. Voor studenten met extra ondersteuningsbehoeften die
   de beroepsbegeleidende leerweg volgen, zijn ook niet altijd stageplekken met passende
   ondersteuning beschikbaar.
   224 PO-Raad, VO-raad, MBO Raad & AOC Raad, 2013.
   225 Jepma et al., 2015.
   226	En deels doordat van oudsher het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs dat voortgezet
        speciaal onderwijs volgde, hoger was dan het aandeel leerlingen in het primair onderwijs dat speciaal
        onderwijs volgde.
   227 Zie www.evaluatiepassendonderwijs.nl
83 228 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020; zie ook Ledoux & Waslander, 2019 en Eimers & Kennis, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>   De overgrote meerderheid van de jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte volgt
   onderwijs. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs vinden dat zij in vergelijking
   met de vorige beleidsprogramma’s meer flexibiliteit hebben om de ondersteuning in te
   bedden in hun onderwijs, en dat zij maatwerk leveren. In het voortgezet en middelbaar
   beroepsonderwijs wordt ondersteuning nog wel vaak buiten de klas aangeboden door
   iemand anders dan de eigen leraar of mentor. Dit betekent dat leerlingen (en studenten)
   met een extra ondersteuningsbehoefte op dat moment onderwijs gescheiden van
   leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoefte volgen.
   Het merendeel van de schoolleiders vindt de ontvangen middelen voor extra ondersteuning
   niet toereikend. In het middelbaar beroepsonderwijs heerst juist tevredenheid over de
   toegenomen financiële ruimte om een ondersteuningsstructuur te organiseren. In alle
   sectoren zorgt de grotere flexibiliteit dat meer leerlingen van ondersteuning profiteren. Alle
   betrokkenen zijn hier tevreden over.
   Passend onderwijs biedt meer mogelijkheden om zorg en onderwijs beter te verbinden en
   regulier en speciaal onderwijs meer bij elkaar te brengen. De verbindingen zijn nog wel
   complex en vergen veel tijd en inzet. Wat betreft de verwijzing van leerlingen naar speciaal
   onderwijs kent passend onderwijs geen expliciete doelstellingen behalve beheersing van
   de kosten van extra ondersteuning, waaronder die voor het speciaal onderwijs. Het aantal
   verwijzingen naar het speciaal onderwijs daalde aanvankelijk, maar stijgt de laatste jaren
   weer. Dit gaat ten koste van de middelen die samenwerkingsverbanden hebben voor
   (overige) extra ondersteuning.
   De meeste scholen vinden dat ze er goed in slagen de basisondersteuning te bieden
   die is afgesproken. De afspraken over de basisondersteuning verschillen echter per
   samenwerkingsverband. Voor betrokkenen is het niet altijd duidelijk wat ze van de school
   en het samenwerkingsverband mogen verwachten en wie in aanmerking komt voor lichte
   en zwaardere vormen van ondersteuning. Een deel van de ouders van leerlingen met een
   extra ondersteuningsbehoefte loopt aan tegen de bureaucratie en ondervindt vertraging in
   ondersteuning. De doelen van passend onderwijs zijn op dit punt niet behaald.
   Leraren in het primair en voortgezet onderwijs ervaren het lesgeven aan leerlingen
   met extra ondersteuningsbehoeften als meer belastend dan voorheen. De reden
   is niet helemaal duidelijk. Er zijn geen indicaties dat het aantal leerlingen met
   ondersteuningsbehoeften toeneemt en de inzet van extra handen in en rondom de klas
   voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte is juist toegenomen, vooral in het primair
   onderwijs. Mogelijk spelen de ondervonden bureaucratie rond passend onderwijs, de
   algehele werkdruk en hogere verwachtingen ten aanzien van de geboden ondersteuning
   hen parten.
   Er is een aanzienlijke variatie in de organisatie van de ondersteuning, doelgroepen
   die ervoor in aanmerking komen en de ondersteuning die zij uiteindelijk ontvangen.
   Onderzoekers wijzen er in de evaluatie op dat dit voortvloeit uit de decentrale
   beleidsbenadering. Die laat schoolbesturen en samenwerkingsverbanden de ruimte om zelf
   beleid te voeren en normen te stellen.
84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>   	Bijlage 2: Een vergelijking van
     inclusiever onderwijs met de eerdere
     beleidsprogramma’s
     De doelstelling van inclusiever onderwijs en de strategie van klaarstaan van álle scholen
     zijn in combinatie te beschouwen als een nieuwe beleidsbenadering. In deze bijlage
     vergelijkt de raad beknopt de nieuwe beleidsbenadering met het huidige beleidsprogramma
     Passend onderwijs en eerdere beleidsprogramma’s voor onderwijs aan leerlingen met
     een beperking, Weer samen naar school (WSNS) en Leerlinggebonden financiering
     (LGF).229 De verschillen en overeenkomsten zijn samengevat in tabel 3. De raad maakt de
     vergelijking aan de hand van de drie elementen op basis waarvan hij het begrip inclusiever
     onderwijs definieert: ondersteuning en toerusting, thuisnabij onderwijs en gezamenlijk
     onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking. Daarnaast onderscheidt de raad
     de afbakening van de doelgroep en de lange-termijnfocus. Deze twee dimensies zijn nauw
     verweven met de gehanteerde definitie van inclusiever onderwijs. De raad benadrukt dat
     de hieronder beschreven aanpassingen in het onderwijssysteem om steeds inclusiever
     onderwijs mogelijk te maken tijd vergen. Het is van belang dat scholen in staat worden
     gesteld om alle voorwaarden (mensen, middelen, tijd, ruimte en expertise) op orde te
     brengen
     Ondersteuning en toerusting
     Het belangrijkste uitgangspunt van inclusiever onderwijs is dat álle scholen steeds beter
     klaarstaan om leerlingen met een beperking ondersteuning en toerusting te bieden die
     zij nodig hebben om onderwijs te volgen op een school. Een school in het primair of
     secundair onderwijs heeft de taak lichte ondersteuning en toerusting te bieden – zoals
     ook bij passend onderwijs het geval is – én werkt ernaar toe om op termijn ook zwaardere
     ondersteuning en toerusting in te passen. Wanneer de school die zwaardere ondersteuning
     na zorgvuldige afweging nog niet kan bieden, helpt het samenwerkingsverband deze
     school bij de toeleiding van de leerling naar een andere school in de regio. Voor lichte
     ondersteuning en toerusting is zo’n afweging niet aan de orde. De zorgplicht en een nog
     te ontwikkelen en in de wet te verankeren landelijke norm geven aan dat de school lichte
     ondersteuning en toerusting moet kunnen bieden aan deze leerlingen, zodat zij onderwijs
     kunnen volgen op de school waar zij zich in eerste instantie hebben aangemeld. Het
     schoolbestuur krijgt rechtstreeks bekostiging om eenvoudige lichte ondersteuning en
     toerusting op de eigen school te organiseren (zie paragraaf 5.1). De school kan via het
     samenwerkingsverband extra middelen of voorzieningen aanvragen om zelf zwaardere en
     complexe ondersteuning en toerusting te organiseren. In het middelbaar beroepsonderwijs
     wordt de school rechtstreeks bekostigd om lichte, zwaardere en complexe ondersteuning
     te organiseren. Voor alle sectoren geldt dat niet alleen de leerlingen met een beperking
     worden ondersteund en toegerust maar ook de medeleerlingen, ouders en leraren. De
     combinatie van directe en indirecte ondersteuning en toerusting maakt een proactieve en
     anticiperende houding mogelijk waarbij belemmeringen voor leerlingen met een beperking
     vroegtijdig worden gesignaleerd en waar mogelijk worden weggenomen. Op die manier lukt
     het steeds beter te voorkomen dat de leerling vastloopt in het onderwijs.
     Bij passend onderwijs varieert de mate waarin scholen klaarstaan voor leerlingen
     met een beperking. Dit komt omdat besturen (in het middelbaar beroepsonderwijs) en
     samenwerkingsverbanden (in het primair en voortgezet onderwijs) ieder zelf het niveau van
     de ondersteuning kunnen bepalen. Daarbij werkt de profilering van scholen (in alle drie de
     sectoren) in de hand dat scholen eerder een specifiek dan een breed aanbod aan extra
     ondersteuning hebben.230 Voor het primair en voortgezet onderwijs geldt dat de school
     en het schoolbestuur voor de financiering en het beleid van ondersteuning en toerusting
     deels afhankelijk zijn van het samenwerkingsverband.231 Deze getrapte structuur kan een
     reactieve houding in de hand werken. Scholen vragen dan pas middelen en voorzieningen
     229 Voor een historische beschrijving van deze beleidsprogramma’s, zie bijlage 6.1 van dit advies.
     230	De bedoelde profilering blijkt in praktijk niet scherp (Ledoux, Waslander & Eimers, 2020), maar
          draagt wel de boodschap uit dat leerlingen met een beperking voor wie lichte ondersteuning volstaat,
          doorverwezen kunnen worden naar andere scholen.
     231	Schoolbesturen worden geacht een deel van de ondersteuning te financieringen vanuit de
          lumpsumbekostiging. Het gaat om de middelen voor de zogenoemde basisondersteuning. Deze is
85        niet noodzakelijk toereikend voor alle lichte vormen van ondersteuning en toerusting.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>   voor ondersteuning en toerusting aan wanneer de leerling met een beperking zich aanmeldt
   of vastloopt. De ondersteuning wordt pas gemobiliseerd wanneer de noodzaak ervan is
   onderbouwd en aan de formele budgettaire voorwaarden is voldaan. De houding is reactief
   omdat de ondersteuning en toerusting erop gericht zijn de leerling weer onderwijs te kunnen
   laten volgen (remediëring) in plaats van te voorkómen dat leerlingen vastlopen (preventie).
   Een proactieve houding vergt ook indirecte ondersteuning en toerusting rondom de leerling.
   Wanneer de focus ligt bij remediëring is zulke brede ondersteuning niet vanzelfsprekend.
   Volgens de raad is dit een van de redenen waarom ondersteuning van leraren (bijvoorbeeld
   door professionaliseringstrajecten op het gebied van passend onderwijs, en ondersteunende
   professionals in de klas) slechts beperkt van de grond komt.233
   Ook bij de programma’s Weer samen naar school (WSNS) en Leerlinggebonden
   financiering (LGF) liet het beleid veel ruimte voor variatie in de mate waarin scholen
   klaarstonden voor leerlingen. Het beleidsdoel van WSNS gaf aan dat ondersteuning
   en toerusting op alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs voorhanden
   moesten zijn. Het beleid gaf scholen echter veel vrijheid leerlingen met een lichte
   ondersteuningsbehoefte (de focus van het beleid) te verwijzen naar andere scholen
   in het samenwerkingsverband, hetzij reguliere hetzij speciale scholen. Voor de laatste
   categorie was een indicatiestelling nodig door een regionale of landelijke commissie. Als
   scholen leerlingen met een beperking wel onderwijs lieten volgen, moesten ze procedures
   doorlopen voor het aanvragen van middelen voor ondersteuning. Deze procedures liepen
   via het schoolbestuur en het samenwerkingsverband. Dit alles nodigde uit tot een reactieve
   in plaats van een anticiperende houding en een smalle focus op directe ondersteuning van
   de leerling met een beperking – zonder indirecte ondersteuning via zijn omgeving.
   Voor leerlingen met een zware ondersteuning konden ouders het persoonsgebonden budget
   (rugzakje) inzetten op de school naar keuze en konden zij zich hierbij direct wenden tot het
   schoolbestuur. Dit gold voor zowel het primair en voortgezet onderwijs als het middelbaar
   beroepsonderwijs. In praktijk was de keuze echter beperkt doordat er geen beleid was
   dat borgde dat reguliere scholen klaarstonden voor leerlingen met een beperking, en dat
   scholen de leerlingebonden middelen konden inpassen in het onderwijs. Voor het middelbaar
   beroepsonderwijs gold dat er naast de LGF geen andere regeling was voor ondersteuning en
   toerusting. Dat betekende dat wel de zware maar niet de lichte ondersteuning was geborgd.
   Thuisnabij onderwijs
   Inclusiever onderwijs stelt thuisnabij onderwijs als een expliciet doel. Hierbij geldt de
   randvoorwaarde dat de school zo veel ondersteuning en toerusting kan bieden dat
   leerlingen effectief onderwijs kunnen volgen. Voor een leerling die lichte ondersteuning en
   toerusting behoeft, is dat bij inclusiever onderwijs evident, omdat de school waar hij zich
   aanmeldt hiervoor moet zorgen. In het middelbaar beroepsonderwijs geldt dit ook voor
   een student met een zwaardere ondersteuningsbehoefte; ook hij kan in de regio terecht.234
   In het primair en voortgezet onderwijs is dat niet per se het geval, omdat scholen de
   mogelijkheid hebben de student te laten uitwijken naar een andere school. Het streven blijft
   echter dat deze school zo veel mogelijk thuisnabij is.
   Bij passend onderwijs is thuisnabij onderwijs een impliciet doel. Bovendien werkt de
   profilering van scholen in de hand dat leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben,
   moeten uitwijken naar een andere school dan die waar zij zich in eerste instantie
   aanmeldden of wilden aanmelden. De zorgplicht borgt op zich dat verreweg de meeste
   leerlingen met een beperking binnen de eigen regio naar school kunnen.235 Maar een plek
   binnen de regio is voor veel leerlingen niet thuisnabij. Vergeleken met hun leeftijdgenoten
   moeten zij vaak verder reizen naar school en nemen daarmee de kansen op contacten in
   de eigen buurt af.
   Bij WSNS was thuisnabij onderwijs wel een expliciet doel, maar dit kwam al snel onder druk te
   staan door de vrijheid die scholen hadden om leerlingen door te verwijzen naar andere scholen
   in de regio, hetzij reguliere hetzij speciale scholen. De ruime mogelijkheid van doorverwijzing
   stimuleerde de scholen niet om klaar te staan voor leerlingen met een beperking.
   233 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
   234 In het mbo kan dit als thuisnabij worden beschouwd. Zie paragraaf 2.1.
   235	Uitzonderingen zijn leerlingen die specialistische ondersteuning behoeven die slechts in enkele
        regio’s voorhanden is, en leerlingen die vanwege een beperking ontheven zijn van de leerplicht of
86      ‘thuiszitten’ (zie hoofdstuk 1).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>   Bij de LGF was thuisnabij onderwijs ook een expliciet doel en hadden de ouders in principe
   de mogelijkheid het budget in te zetten op een thuisnabije school. Maar omdat er geen
   beleid was om alle scholen te stimuleren klaar te staan voor leerlingen met een beperking,
   was de keuze voor ouders beperkt. Doorgaans kozen ze ervoor hun kind onderwijs te laten
   volgen in het speciaal onderwijs omdat daar tenminste ondersteuning en toerusting waren
   geborgd. Dit betekende in veel gevallen dat het onderwijs niet thuisnabij was.
   Gezamenlijk onderwijs met leerlingen zonder een beperking
   Inclusiever onderwijs stelt gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking
   als een expliciet doel. Met de kanttekening dat de school voldoende ondersteuning en
   toerusting moet kunnen bieden, zodat leerlingen effectief onderwijs kunnen volgen. Voor
   leerlingen die lichte ondersteuning en toerusting nodig hebben, is dat evident, omdat
   inclusiever onderwijs de zorgplicht verbindt aan landelijke normstelling. Voor leerlingen
   die zwaardere ondersteuning en toerusting nodig hebben, is er ook het streven hen
   onderwijs te laten volgen met leerlingen zonder een beperking. Hierbij komen nadrukkelijk
   mengvormen van regulier en speciaal onderwijs in aanmerking. Conform de doelstellingen
   van inclusiever onderwijs worden deze mengvormen gestimuleerd door het aanpassen van
   de bekostigingssystematiek en overige regelgeving (zie hoofdstuk 5).
   Bij passend onderwijs is gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking
   een impliciet doel. Het beleid stimuleert dat leerlingen die zwaardere ondersteuning en
   toerusting nodig hebben, worden verwezen naar scholen die hierin gespecialiseerd zijn.
   Er is namelijk een landelijk systeem van toelaatbaarheidsverklaringen, vaste tarieven en
   verplichte afdracht van middelen, dat schoolbesturen en samenwerkingsverbanden uitnodigt
   tot doorverwijzing. Weliswaar hebben zij vrijheidsgraden om doorverwijzing te beperken en
   inclusiever onderwijs na te streven, maar bekostigingsregels en andere regelgeving zoals
   bevoegdheidseisen van verschillende schoolsoorten kunnen dit aanzienlijk belemmeren.
   Doordat mengvormen van regulier en speciaal onderwijs financieel nadelig zijn of meer
   administratieve last betekenen, komen ze nog relatief weinig voor.
   Bij WSNS was gezamenlijk onderwijs van leerlingen met en zonder een beperking wel een expli-
   ciet doel, maar dit kwam onder druk te staan door de vrijheid die scholen hadden om leerlingen
   met een ondersteuningsbehoefte door te verwijzen, vooral naar scholen voor het speciaal basis-
   onderwijs, het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs. Omdat deze leerlingen
   onderwijs volgden binnen de kaders van het regulier onderwijs, werd dit als regulier onderwijs
   beschouwd. Deze scholen voldoen echter niet aan het uitgangspunt van gezamenlijk onderwijs
   aan leerlingen met en zonder een beperking. Ze zijn daarom in feite speciaal onderwijs.
   Een expliciet beleidsdoel van de LGF was leerlingen met een zwaardere beperking onderwijs
   te laten volgen met leerlingen zonder beperking, of althans ouders de mogelijkheid hiertoe
   te bieden. De keuzevrijheid van ouders om het LGF-budget in te zetten op een reguliere
   school was echter beperkt, omdat scholen niet gestimuleerd werden daarvoor klaar te staan.
   De LGF-regeling leidde zelfs tot een verhoogd aantal doorverwijzingen naar het speciaal
   onderwijs. Om ondersteuning en toerusting voor hun kind veilig te stellen, drongen ouders
   namelijk aan op een medische indicatie die hun kind toegang gaf tot het speciaal onderwijs.
   Omdat de LGF een open-einde-financiering kende, liepen de kosten voor het speciaal
   onderwijs steeds hoger op. Mede om die reden is de regeling afgeschaft en vervangen door
   een systeem van budgetfinanciering. Andere redenen waren medicalisering, stigmatisering
   (labeling) en onnodige scheiding van leerlingen met en zonder een beperking.
   Afbakening van de doelgroep
   Bij inclusiever onderwijs wordt de doelgroep – leerlingen met een beperking – afgebakend
   om gericht beleid te voeren. Afbakening maakt het mogelijk algemene normen voor het
   voorzieningenniveau te ontwikkelen, beleidsevaluaties uit te voeren en systematisch
   beleidsverbeteringen aan te brengen. De afbakening betekent dat leerlingen die om andere
   redenen dan een beperking ondersteuning en toerusting nodig hebben, bijvoorbeeld
   doordat ze een leerachterstand of -voorsprong hebben, niet tot de doelgroep behoren tenzij
   ze ook een beperking hebben. Binnen de groep leerlingen met een beperking worden geen
87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>   uitzonderingen gemaakt. Het beleid bevat bijvoorbeeld ook leerlingen met een auditieve of
   visuele beperking en leerlingen die naast onderwijsondersteuning ook zorgondersteuning
   behoeven. In het laatste geval hebben samenwerkingsverbanden (in het primair en voortgezet
   onderwijs) en schoolbesturen (in het middelbaar beroepsonderwijs) de inspanningsverplichting
   de zorgondersteuning voor scholen beschikbaar te maken en hiervoor samen te werken met
   gemeenten en ketenpartners uit de zorg. Ze hebben ook een inspanningsverplichting om
   leerlingen met een beperking soepele overgangen te laten maken van de leefwereld van school
   naar andere leefwerelden, waaronder de thuisomgeving, de buurt, een vervolgopleiding, de
   beroepswereld of in uitzonderlijke gevallen een dagvoorziening.
   Bij passend onderwijs is de doelgroep niet duidelijk afgebakend. Hoewel de wet de term
   ‘extra ondersteuning’ verbindt met ‘stoornissen of handicaps’, nodigt de term in combinatie
   met het decentrale beleid van passend onderwijs in de praktijk uit tot een ruimere definitie,
   waarbij bijvoorbeeld leerlingen met onderwijsachterstanden of psychosociale problemen die
   geen beperking hebben, al snel ook tot de doelgroep worden gerekend (zie paragraaf 3.1).
   Schoolbesturen (in het middelbaar beroepsonderwijs) en samenwerkingsverbanden (in het
   primair en voortgezet onderwijs) kunnen zelf bepalen of zij een smalle of bredere definitie
   van leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte hanteren en welke criteria ze gebruiken
   om ondersteuning en toerusting toe te wijzen aan leerlingen. Deze beleidsvrijheid is mede
   ingegeven om medische classificaties en de mogelijk stigmatiserende werking daarvan terug
   te dringen. Dit maakt het echter moeilijk voor de overheid op landelijk niveau gericht beleid te
   voeren en te borgen dat leerlingen met een beperking effectief onderwijs kunnen volgen en de
   middelen hiervoor doelmatig worden ingezet.236 Bovendien is de stigmatiserende werking niet
   geheel te voorkomen. Ook wanneer op lokaal niveau wordt vastgesteld wie in aanmerking komt
   voor extra begeleiding, kunnen labels een rol blijven spelen.237
   Voor leerlingen die complexe ondersteuning behoeven, kunnen de samenwerkingsverbanden
   in het primair en voortgezet onderwijs systeemscheidingen tussen zorg en onderwijs en tussen
   school en andere leefwerelden opheffen, maar hun taken op dit terrein zijn nogal vrijblijvend.
   Dat geldt ook voor schoolbesturen in het middelbaar beroepsonderwijs.238
   WSNS en de LGF waren afzonderlijke beleidsprogramma’s voor leerlingen met respectievelijk
   een lichte en zwaardere ondersteuningsbehoefte. WSNS betrof het primair onderwijs
   (exclusief speciaal onderwijs), terwijl de LGF ook het voortgezet onderwijs en middelbaar
   beroepsonderwijs omvatte. Voor het mbo was er geen landelijk beleid voor studenten met een
   lichte ondersteuningsbehoefte. De doelgroepen waren afgebakend door indicatiestelling aan
   de hand van landelijke normen. Deze was meer gericht op medisch diagnosticeren van de
   beperking dan op vaststellen van de benodigde ondersteuning.
   Langetermijnbeleid
   Inclusiever onderwijs biedt een stip aan de horizon. Stapsgewijs zullen steeds meer scholen
   voor steeds meer leerlingen met een beperking klaarstaan om ondersteuning en toerusting
   voor leerlingen te combineren met thuisnabij onderwijs en gezamenlijk onderwijs van leerlingen
   met en zonder een beperking. Wat klaarstaan betekent voor de betrokkenen, wordt uitgewerkt
   in een landelijke norm. Deze lat komt gaandeweg hoger te liggen conform de doelstelling het
   onderwijs steeds inclusiever te maken.
   Passend onderwijs kent geen duidelijk langetermijndoel anders dan dat het onderwijs passend
   wordt gemaakt voor alle leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Wat passend
   onderwijs inhoudt, is echter open voor interpretatie.
   De doelstelling van WSNS gaf een richting aan waarbij steeds meer leerlingen met een
   beperking thuisnabij en gezamenlijk onderwijs zouden volgen met leerlingen zonder een
   beperking. Onduidelijk bleef echter hoe dit te verenigen was met het borgen van ondersteuning
   en toerusting voor alle leerlingen met een beperking. De doelstelling van de LGF gaf evenmin
   richting aan het beleid op de lange termijn. Het leerlinggebonden budget verruimde de
   keuzemogelijkheden van ouders om hun kind met een beperking op een reguliere of een
   speciale school onder te brengen. Onduidelijk bleef echter hoe de keuzemogelijkheden op
   termijn verder zouden worden vergroot.
   236 Inspectie van het Onderwijs, 2020
   237 Ledoux, Waslander & Eimers, 2020.
   238	De wet verplicht scholen om met de gemeente en ketenpartners overeenstemmingsgericht overleg
        te voeren. Dit biedt echter onvoldoende garantie dat partijen voor elke leerling met een beperking die
88      dat nodig heeft, complexe vormen van ondersteuning organiseren (zie ook paragraaf 3.2).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   Tabel 3. Staan scholen klaar voor leerlingen met een beperking? Een vergelijking tussen de uitgangspunten van Inclusiever
   onderwijs en de beleidsprogramma’s Passend onderwijs, Weer samen naar school en Leerlinggebonden financiering
                         Inclusiever onderwijs             Passend onderwijs                WSNS/LGF
    ondersteuning        alle scholen staan steeds beter   variatie tussen scholen in       variatie tussen scholen in
    en toerusting        klaar; scholen bieden lichte      klaarstaan; beleid nodigt        klaarstaan; beleid nodigt
                         en bij voorkeur ook zwaardere     scholen uit tot specialisatie    scholen uit tot doorverwijzen,
                         ondersteuning en toerusting;      in specifieke doelgroepen;       een reactieve houding en
                         ondersteuning en toerusting       doorverwijzing; een reactieve    focus op directe ondersteuning
                         zijn direct en indirect via       houding en focus op directe      en toerusting
                         medeleerlingen, ouders en         ondersteuning en toerusting
                         leraren; proactieve houding
                         (vroegtijdig wegnemen van
                         belemmeringen)
    thuisnabij           thuisnabij onderwijs is expliciet thuisnabij onderwijs is          thuisnabij onderwijs is expliciet
    onderwijs            doel; ondergeschikt aan           impliciet doel; past benodigde   doel, maar staat onder druk
                         ondersteuning en toerusting;      extra ondersteuning niet bij     vanwege ruime mogelijkheden
                         thuisnabij onderwijs voor         (profilering) school, dan vindt  voor doorverwijzing naar
                         alle leerlingen met lichte        onderwijs al snel verder van     speciaal onderwijs; LGF-
                         ondersteuningsbehoefte            huis plaats (nog wel in de       budget inzetbaar op reguliere
                         en waar mogelijk ook voor         regio)                           school, maar in speciaal
                         leerlingen die zwaardere                                           onderwijs (verder van huis) is
                         ondersteuning behoeven                                             ondersteuning beter geborgd
    gezamenlijk          gezamenlijk onderwijs is          gezamenlijk onderwijs is         gezamenlijk onderwijs
    onderwijs van        expliciet doel mits voldoende     impliciet doel; bij zwaardere    is expliciet doel, maar
    leerlingen met       ondersteuning en toerusting       ondersteuning wordt al snel      staat onder druk vanwege
    en zonder een        beschikbaar zijn; ook leerlin-    doorverwezen naar speciaal       ruime mogelijkheden voor
    beperking            gen die zwaardere ondersteu-      onderwijs                        doorverwijzing naar speciaal
                         ning behoeven, komen waar                                          onderwijs; LGF-budget
                         mogelijk in aanmerking voor                                        inzetbaar op reguliere school,
                         gezamenlijk onderwijs, bij-                                        maar in speciaal onderwijs is
                         voorbeeld in mengvormen van                                        ondersteuning beter geborgd
                         inclusief en regulier onderwijs
    afbakening van       beleid gericht op leerlingen      geen duidelijke afbakening,      afzonderlijk beleid voor
    de doelgroep         met een beperking                 alle leerlingen met een          leerlingen met een lichte on-
                                                           ondersteuningsbehoefte kunnen    dersteuningsbehoefte (WSNS)
                                                           in aanmerking komen; beleid      en zware ondersteunings­
                                                           voor leerlingen die vanwege      behoefte (LGF); geen beleid
                                                           een beperking zorg nodig         voor leerlingen die vanwege
                                                           hebben of ondersteuning bij      een beperking zorg nodig
                                                           overgangen van leefwerelden,     hebben of ondersteuning bij
                                                           is nogal vrijblijvend            overgangen van leefwerelden;
                                                                                            WSNS niet voor leerlingen in
                                                                                            het middelbaar beroeps- en
                                                                                            voortgezet onderwijs
    langetermijn­        doel om onderwijs stapsgewijs     geen doelen die richting geven   doel van WSNS geeft richting,
    beleid               inclusiever te maken: op          aan beleid op lange termijn;     maar het is onduidelijk
                         steeds meer scholen en            passend onderwijs wordt          hoe dit te verenigen is met
                         voor steeds meer leerlingen       uiteenlopend geïnterpreteerd.    ondersteuning en toerusting
                         met een beperking                                                  voor álle leerlingen met een
                         worden ondersteuning en                                            beperking
                         toerusting (eerste prioriteit)
                         gecombineerd met thuisnabij
                         en gezamenlijk onderwijs
                					
89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>   Geraadpleegde deskundigen
       Voor dit advies heeft de raad diverse deskundigen geraadpleegd. Daarnaast heeft hij
       werkbezoeken gebracht en bijeenkomsten bezocht (zie ook paragraaf 1.4). De hier
       genoemde deskundigen gaven toestemming voor vermelding van hun naam. Onder deze
       en overige geraadpleegde deskundigen zijn leraren, leerlingen, ouders, intern begeleiders,
       zorgcoördinatoren, bestuurders, onderzoekers en vertegenwoordigers van diverse
       belangenverenigingen. Voor de deskundigen die de raad raadpleegde voor zijn eerste
       advies over passend onderwijs verwijst hij naar het advies Passend onderwijs.239
       Gesprekken
       De heer D. van den Berg,             Taskforce Ontwikkelingsgericht Onderwijs
       De heer J. Bransen,                  Taskforce Ontwikkelingsgericht Onderwijs
       Mevrouw D. de Bruijn,                MBO Raad
       Mevrouw M. Dekkers, 	Samenwerkingsverband Koers VO, Sectorraad
                                            samenwerkingsverbanden vo
       De heer S. Drummmen,                 Taskforce Ontwikkelingsgericht Onderwijs
       Mevrouw G. Egberts,                  Koninklijke Auris Groep
       Mevrouw A. Greven,                   Vereniging Inclusie Nederland
       Mevrouw H. Hendrikx,                 Koninklijke Auris Groep
       Mevrouw M. Huizinga,                 Vrije Universiteit Amsterdam
       Mevrouw M. Kleijntjens,              Stichting PUSH
       Mevrouw S. de Kroon,                 Steunpunt Zorg & Onderwijs Fryslân
       De heer W. Ludeke,                   Landelijk Expertise Centrum Speciaal Onderwijs
       Mevrouw M. Peters,                   Steunpunt Passend Onderwijs PO
       Mevrouw A. Mol Lous, 	Hogeschool Leiden, Thomas More Hogeschool
                                            Rotterdam
       Mevrouw J. Nooren,                   Bartiméus
       De heer R. Poortstra, 	Samenwerkingsverband V(S)O Eemland, Sectorraad
                                            samenwerkingsverbanden vo
       De heer T. Roovers,                  Leonardo da Vincischool, het Lerarencollectief
       De heer H. Schuman,                  Hogeschool Utrecht, Heliomare Kind en Jeugd
       De heer D. van Veen, 	Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg,
                                            Hogeschool Windesheim, University of Nottingham
       Mevrouw N.J. de Ronde-Davidse, Driestar Educatief
       Mevrouw J. Schoonheim,               Vereniging Inclusie Nederland
       Mevrouw J. Smits,                    Vereniging Inclusie Nederland
       Mevrouw A. Stolk,                    College voor de Rechten van de Mens
       De heer J. Swuste,                   Landelijk Expertise Centrum Speciaal Onderwijs
       Mevrouw J. Tissink,                  Steunpunt Passend Onderwijs VO
       Mevrouw E. Veenis,                   College voor de Rechten van de Mens
       De heer J. Vermeer,                  Samenwerkingsverband VO Zuid-Kennemerland
       De heer M. Weghorst,                 Nederlands Centrum Jeugdgezondheid
       De heer B. Wienen,                   Hogeschool Windesheim
       Mevrouw M. Wiersma,                  De Kinderombudsman
       De heer F. Wijnands,                 Inspectie van het Onderwijs
       Werkbezoeken
       Werkbezoek Dominicus College, afdeling De Monnikskap
       Mevrouw D. Pepping
       De heer T. Groenenberg
       Mevrouw M. Welten
       Mevrouw E. Bruggeman
       Mevrouw N. van Helvoirt
       Mevrouw P. Althuizen
       Mevrouw E. Deijkers
       De heer S. Willemsen
90     239 Onderwijsraad, 2016.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   De Ambelt (speciaal onderwijs), Deltion Sprint Lyceum (voortgezet algemeen
   volwassenenonderwijs), samenwerkingsverband VO Zwolle
   De heer J. Drentje
   De heer A. Hoogendijk
   De heer H. Keesenberg
   De heer B. Reuvecamp
   Mevrouw A. Wessels
   Mevrouw C. de Vries
   De heer R. van de Burgt
   De heer E. Plasman
   Samenwerkingsverband VO Sterk (Utrecht)
   Mevrouw A. Jeurissen
   Mevrouw A. Lotte
   De heer L. de Wit
   Mevrouw H. Smit
   Mevrouw H. Heemskerk
   Greijdanus (vo-school Enschede)
   De heer M. Brouwer
   Samenwerkingsverband Passend Primair Onderwijs (PPO) Rotterdam en
   de Hildegardisschool
   Mevrouw S. Groeneboom
   De heer T. Groot Zwaaftink
   Mevrouw L. van den Berg
   De heer M. Minderhoud
   Mevrouw M. Jacobs
   Deelname aan bijeenkomsten
   Workshop Inclusief Onderwijs, georganiseerd door het College voor de Rechten van de
   Mens (5 oktober 2018)
   Diverse sessies over passend onderwijs tijdens Onderwijs Research Dagen (26 juni 2019)
   Debat De Balie x Reporter Radio Passend Onderwijs (2 oktober 2019)
   Roadtrip Passend Onderwijs georganiseerd door SchoolAdviesDienst met onder andere
   bezoek aan Samenwerkingsverband Amstelronde (11 oktober 2019)
   Conferentie Inclusief onderwijs: Een nieuw begeleidingsdecreet. Welke redelijke
   aanpassingen aan het M-decreet?, georganiseerd door Interuniversitair Centrum voor
   Onderwijsrecht (ICOR) in Leuven (14 november 2019)
   Conferentie Verrassend Passend, Utrecht 19 november 2019)
   Masterclass R. Peeters, georganiseerd voor de Onderwijsraad (6 december 12 2019)
   Bijeenkomst Ouders & Onderwijs over passend onderwijs (zie) (16 januari 2020)
   Startconferentie ‘Naar inclusiever onderwijs’240 (12 februari 2020)
   Online eindsymposium Evaluatie Passend Onderwijs (27 mei 2020)
91 240 https://www.naarinclusieveronderwijs.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>   Literatuur
        Abbott, S. & McConkey, R. (2006). The           Binsbergen, M.H. van, Pronk, S., Schooten,
        barriers to social inclusion as perceived by    E. van, Heurter, A. & Verbeek, F. (2019).
        people with intellectual disabilities. Journal  Niet thuisgeven. Schooluitval vanuit het
        of Intellectual Disabilities, 10(3), 275-287.   perspectief van leerlingen: onderzoek naar
                                                        thuiszitters. Rapport 1030. Amsterdam:
        Ainscow, M. (2013). From special education      Kohnstamm Instituut.
        to effective schools for all: Widening the
        agenda. In L. Florian, The SAGE Handbook        Bodvin, K., Struyf, E., Mieghem, A. van &
        of Special Education (171-186). London:         Verschueren, K., (2019). Zorg op school. In
        Sage Publications.                              Vlaamse Onderwijsraad (red.), Spots op
                                                        onderwijs. Wetenschappers voor het
        Ainscow, M. & Sandill, A. (2010). Develop-      voetlicht (11-28). Lannoo: Campus.
        ing inclusive education systems: The role of
        organisational cultures and leadership.         Bond, R. & Castagnera, E. (2006). Peer
        International Journal of Inclusive Education    supports and inclusive education: An
        14(4), 401- 416.                                underutilized resource. Theory into Prac-
                                                        tice, 45(3), 224-229.
        Ainscow, M., Booth, T., Dyson, A., Farrell, P.,
        Frankham, J., Gallannaugh, F., Howes, A. &      Bossaert, G., Boer, A. de, Frostad, P., Pijl,
        Smith, R. (2006). Improving Schools,            S.J. & Petry, K. (2015). Social participation
        Developing Inclusion. London: Routledge.        of students with special educational needs
                                                        in different educational systems. Irish
        Alliantie VN-verdrag Handicap (2019).           Educational Studies, (34)1, 43-54.
        Schaduwrapportage Verdrag inzake de
        rechten van personen met een handicap in        Broeck, W. van den (2016). Analyse en
        Nederland. Utrecht: Alliantie VN-verdrag        aanbevelingen n.a.v. de eerste ervaringen
        Handicap.                                       met het M-decreet. Brussel: Vakgroep
                                                        Klinische en Levenslooppsychologie Vrije
        Algemene Rekenkamer (2013). Kunnen              Universiteit Brussel.
        basisscholen passend onderwijs aan? Den
        Haag: Algemene Rekenkamer.                      Bruns, E., Walker, J., Adams, J., Miles, P.,
        Beel, V. (2018). ‘Denk niet: wat een am-        Osher, T., Rast, J., et al. (2004). Ten
        betant kind is dat’. Documentaire ‘Inclusief’   Principles of the Wraparound Process.
        toont: leerkrachten maken het verschil. De      Portland: Portland State University.
        Standaard, 28 november 2018.
                                                        Carrell, S.E., Hoekstra, M. & Kuka, E.
        Bierkens, I.C. & Zoontjens, P.J.J. (2018). De   (2018). The long-run effects of disruptive
        zorgplicht in passend onderwijs en de           peers. American Economic Review, 108(11),
        juridische handhaving daarvan. Nummer 35        3377-3415.
        in de reeks Evaluatie Passend Onderwijs.
        Amsterdam: Kohnstamm Instituut.                 Centraal Bureau voor de Statistiek (2020).
                                                        Speciale scholen leerlingen per cluster. Den
        Biesta, G.J.J. (2015). Het prachtige risico     Haag: CBS Statline.
        van onderwijs. Edinburgh: Phronese.
                                                        College voor de Rechten van de Mens
        Biggs, E.E., Gilson, C.B. & Carter, E.W.        (2018). Toegankelijkheid van goederen en
        (2016). Accomplishing more together.            diensten. Jaarlijkse rapportage over de
        Influences to the quality of professional       naleving van het VN-verdrag handicap in
        relationships between special educators and     Nederland. Utrecht: College voor de
        paraprofessionals. Research and Practice        Rechten van de Mens.
        for Persons with Severe Disabilities, 41(4),
        256-272.                                        De Beco, G. (2018). The right to inclusive
                                                        education: Why is there so much opposition
        Bij, T. van der (2017). Inclusive Education in  to its implementation? International Journal
        the Netherlands. Characteristics and            of Law in Context, 14(3), 396-415.
        Effects. Amsterdam: Universiteit van
        Amsterdam.                                      Deunk, M.I. (2018): Effective differentiation
                                                        practices: A systematic review and meta-
        Bijstra, J., Boer, A. de, Emans, B., Hoeven,    analysis of studies on the cognitive effects
        J. van der, Tenback, C. & Wally, T.(2019).      of differentiation practices in primary
        Lastige leerlingen. Kind & Adolescent           education. Educational Research Review,
        Praktijk, 2, 21-24.                             24, 31-54.
92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   Doornbos, L. & Stevens, L.M. (1987). De       schools: A follow-up study of students with
   groei van het speciaal onderwijs. Deel A:     Down Syndrome. Life Span and Disability,
   Analyse van historie en onderzoek. Den        18(1), 7-39.
   Haag: SDU.
                                                 Grove, K.A. & Fisher, D. (1999). Entrepre-
   Eck, P. van, Rietdijk, S., Linden, C. van der neurs of meaning: Parents and the process
   (2017). Keuzevrijheid van ouders van          of inclusive education. Remedial and
   kinderen met een extra ondersteunings­        Special Education, 20(4), 208-215.
   behoefte binnen passend onderwijs.
   Utrecht/Rotterdam: Oberon/CED-groep.          Hamm, J.V., Dawes, M., Barko-Alva, K. &
                                                 Cross, J.R. (2019). Promoting inclusive
   Eimers, T. & Kennis, R. (2019). Passend       communities in diverse classrooms: Teacher
   onderwijs in het mbo. Derde meting monitor.   attunement and social dynamics manage-
   Nummer 57 in de reeks Evaluatie Passend       ment. Educational Psychologist, 54(4),
   Onderwijs. Nijmegen: KBA Nijmegen.            286-305.
   Eimers, T., Leest, B., Aalbers, P., Hermanus- Haug, P. (2017). Understanding inclusive
   sen, J., Ferket, R. & Schoonhoven, R. van     education: Ideals and reality. Scandinavian
   (2019). Evaluatie en monitoring wet           Journal of Disability Research, 19(3),
   vroegtijdige aanmelddatum en toelatings-      206-217.
   recht mbo. Tussenrapportage 2019 deel 1.
   Nijmegen/Den Bosch/Amsterdam: KBA             Hehir, T., Grendel, T., Freeman, B., Lam-
   Nijmegen/ECBO/Vrije Universiteit.             oreau, R., Borquaye, Y. & Burke, S. (2016).
                                                 A Summary of the Research Evidence on
   Ende, E. van der & Luiken, O. (2014).         Inclusive Education. São Paulo/Cambridge
   Passend Onderwijs en gelijke behandeling,     Alano/Abt Associates.
   NTOR, 4, 2000-2019.
                                                 Heim, M. & Weijers, S. (2018). Basisonder­
   European Agency for Special Needs and         steuning in passend onderwijs. Verschillen
   Inclusive Education (2016). European          tussen scholen en samenwerkings­
   Agency Statistics on Inclusive Education:     verbanden en de (on)wenselijkheid van een
   2016 Dataset Cross-Country Report.            landelijke norm voor basisondersteuning.
   Odense: European Agency for Development       Nummer 41 in de reeks Evaluatie Passend
   in Special Needs Education.                   Onderwijs. Amsterdam/Utrecht: Kohnstamm
                                                 Instituut/Oberon.
   European Agency for Special Needs and
   Inclusive Education (2018). Bewijs van het    Hornby, G. (2015). Inclusive special
   verband tussen inclusief onderwijs en         education: Development of a new theory for
   sociale inclusie: Samenvattend eindverslag.   the education of children with special
   Odense: European Agency for Development       educational needs and disabilities. British
   in Special Needs Education.                   Journal of Special Education, 42(3),
                                                 234-256.
   Farmer, T.W., Hamm, J.V., Dawes, M.,
   Barko-Alva, K. & Cross, J.R. (2019).          Hunt, P., Soto, G., Maier, J. & Doering, K.
   Promoting inclusive communities in diverse    (2003). Collaborative teaming to support
   classrooms: Teacher attunement and social     students at risk and students with severe
   dynamics management. Educational              disabilities in general education class-
   Psychologist, 54(4), 286-305.                 rooms. Exceptional Children, 69(3), 315-
                                                 332.
   Felder, F. (2018). The value of inclu-
   sion. Journal of Philosophy of Educa-         In1School (2016). ‘Zo kan het ook’ scholen.
   tion, 52(1), 54-70.                           Vier scholen maken werk van inclusief
                                                 onderwijs. Laat je inspireren! Leiden:
   Florian, L. & Rouse, M. (2009). The inclu-    In1School.
   sive practice project in Scotland: Teacher
   education for inclusive education. Teaching   Inspectie van het Onderwijs (2017).
   and Teacher Education, 25(4), 594-601.        Juryrapport Excellente Scholen 2017.
                                                 Basisschool De Korenaar. Utrecht: Inspectie
   Fluijt, E.M.J. (2018). Passend onderwijzen    van het Onderwijs.
   met co-teaching. Studie naar de betekenis-
   verlening van co-teaching teams. Utrecht:     Inspectie van het Onderwijs (2020). De
   Global Academic Press.                        Staat van het Onderwijs 2020. Utrecht:
                                                 Inspectie van het Onderwijs.
   Gaalen, E. van (2019). Waarom in Schotland
   zorgkinderen amper naar speciale scholen      Jepma, IJ. (2003). De schoolloopbaan van
   gaan. Algemeen Dagblad, 12 mei 2019.          risicoleerlingen in het primair onderwijs.
                                                 Academisch proefschrift. Amsterdam: Thela
   Graaf, G. de & Hove, G. van (2015).           Thesis.
93 Learning to read in regular and special
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>   Jepma, IJ. & Beekhoven, S., Fukkink, H.,     aanpak van ‘thuiszitters’ in het Utrechtse
   Miedema, I. & Vries, C. de (2015). Richting  voortgezet onderwijs. Utrecht: Hogeschool
   en inrichting van Passend onderwijs in       Utrecht.
   samenwerkingsverbanden. Deelonderzoek
   A: Stand van zaken samenwerkingsverban-      Ledoux, G., Langen, A. van, Regtvoort, A.,
   den Passend onderwijs primair onderwijs en   Smeets, E., Roeleveld, J. & Paas, T. (2015).
   voortgezet onderwijs. Utrecht: Sardes.       Onderwijsloopbanen, cognitieve en so-
                                                ciaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen
   Jepma, IJ. & Visser, S. de (2010). De beste  in het speciaal basisonderwijs en speciaal
   start? Kansen op de arbeidsmarkt voor        onderwijs. COOL Speciaal, tweede meting.
   jongeren met een beperking. Utrecht/         Amsterdam/Nijmegen: Kohnstamm Instituut/
   Leiden: Sardes/Research voor Beleid.         ITS.
   Jordan, A., Schwartz, E. & McGhie-Richmond­, Ledoux, G., Smeets, E. & Eck, P. van
   D. (2009). Preparing teachers for inclusive  (2020). Centrale thema’s in de Evaluatie
   classrooms. Teaching and Teacher Educa-      Passend onderwijs. Deel II. Onderzoek naar
   tion, 25(4), 535-542.                        toewijzing van ondersteuning en hulp op
                                                maat, dekkend aanbod en het schoolonder-
   Juvonen, J., Lessard, L.M., Rastogi, R.,     steuningsprofiel, en competenties en
   Schacter, H.L. & Smith, D.S. (2019).         ondersteuning van leraren. Amsterdam/
   Promoting social inclusion in educational    Nijmegen/Utrecht: Kohnstamm Instituut/KBA
   settings: Challenges and opportunities.      Nijmegen/Oberon.
   Educational Psychologist, 54(4), 250-270.
                                                Ledoux, G. & Waslander, S. (2019). Stand
   Kennispunt Onderwijs en Examinering          van zaken Evaluatie Passend Onderwijs.
   (2018). Handreiking: Bindend studieadvies    Deel 5: Tussenstand. Nummer 58 in de
   (BSA). Zie https://onderwijsenexaminering.   reeks Evaluatie Passend Onderwijs.
   nl/publicaties/handreiking-bindend-studie­   Amsterdam/Tilburg: Kohnstamm Instituut/
   advies/                                      TIAS School for Business and Society.
   Kerkman, I. (2019). Goed beslagen ten ijs    Ledoux, G. & Waslander, S. & Eimers, T.
   naar het vervolgonderwijs. In Verrassend     (2020). Evaluatie passend onderwijs.
   passend. Passend Onderwijs in de praktijk.   Eindrapport Mei 2020. Amsterdam/Tilburg/
   Deel 2. Samenwerking regulier en speciaal    Nijmegen: Kohnstamm Instituut/TIAS
   onderwijs (142-145). Steunpunt Passend       School for Business and Society/KBA
   Onderwijs VO.                                Nijmegen.
   Kinderombudsman (2019). Als de weg naar      Lee, A.M. (2011). Using the ICF-CY to
   passend onderwijs niet passend is. Den       organise characteristics of children’s
   Haag: Kinderombudsman.                       functioning. Disability and Rehabilita-
                                                tion, 33(7), 605-616.
   Koopman, P. & Ledoux, G. (2018).
   Kenmerken van leerlingen in het speciaal     Meijer, C.J.W. (1995). Halverwege: van
   basisonderwijs. Periode: 2008-2018.          startwet naar streefbeeld. De Lier: ABC.
   Nummer 45 in de reeks Evaluatie Passend
   Onderwijs. Amsterdam: Kohnstamm              Meijer, C.J.W. (1996). De financiering van
   Instituut.                                   speciale zorg in het kader van WSNS. In
                                                Groot, R. de, Ruijssenaers, W. & Kapinga,
   Kristoffersen, J.H.G., Krægpøth, M.V.,       H. (red.), Inclusief onderwijs (137-148).
   Nielsen, H.S. & Simonsen, M. (2015).         Groningen: Wolters-Noordhoff.
   Disruptive school peers and student
   outcomes. Economics of Education Re-         Meijer, C.J.W. (red.) (2004). WSNS wel­
   view, 45, 1-13.                              beschouwd. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
   Kruseman, J.H. & Forder, C.J. (2016). Mijn,  Meijer, C.J.W. (2010). Special needs
   jouw of onze school, het recht op inclusief  education in Europe: Inclusive policies and
   onderwijs in Nederland getoetst aan het      practices. Zeitschrift für Inklusion, 4(2).
   Verdrag inzake de Rechten van Personen met
   een Handicap. Een juridische analyse.        Mieghem, A. van, Verschueren, K., Petry, K.
   Amsterdam: In1School, Nederlandse Stichting  & Struyf, E. (2018). An analysis of research
   voor het Gehandicapte Kind (NSGK).           on inclusive education: A systematic search
                                                and meta review. International Journal of
   Landelijk Expertise Centrum Speciaal         Inclusive Education, 1-15.
   Onderwijs (2017). Inclusie in Schotland.
   Geraadpleegd via: https://www.lecso.nl/      Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
   nieuws/330814-inclusie-in-schotland          Wetenschap (1996). De rugzak. Beleidsplan
                                                voor het onderwijs aan kinderen met een
   Lectoraat Participatie en Maatschappelijke   handicap. Den Haag: SDU.
94 ontwikkeling (2016). Achtergronden en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           VN-verdrag inzake de rechten van mensen
Wetenschap (2011). Naar passend onderwi-       met een handicap. Den Haag: VWS.
js. Brief van de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter        Mitchell, D. (2015). Inclusive education is a
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,       multi-faceted concept. Center for Education-
31 januari 2011.                               al Policy Studies Journal, 5(1), 9-30.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           Minne, B., Webbink, D. & Wiel, H. van der
Wetenschap (2006). Vernieuwing van de          (2009). Zorg om zorgleerlingen, Een blik op
zorgstructuren in het funderend onderwijs.     beleid, aantal en kosten van jonge zorgleer-
Uitwerkingsnotitie voor de Tweede Kamer,       lingen. CPB Document No 192. Den Haag:
14 september, 2006.                            Centraal Planbureau.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           Mortier, K. (2018). Communities of practice:
Wetenschap (2011). Passend onderwijs.          A conceptual framework for inclusion of
Brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur   students with significant disabilities.
en Wetenschap aan de Voorzitter van de         International Journal of Inclusive Education
Tweede Kamer, 31 januari 2011. Kamer-          24(3), 1-12.
stukken II, 2010-2011, 31 497, nr. 31.
                                               Nederlands Jeugdinstituut (2018). Betere
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           hulp aan mbo-studenten met psychische
Wetenschap (2019a). Kamerbrief stand van       problemen. Best practices verzameld.
zaken thuiszitters. Brief van de Minister voor Utrecht: NJi.
Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn       Neidell, M. & Waldfogel, J. (2010). Cognitive
en Sport en de Minister van Rechts-            and noncognitive peer effects in early
bescherming aan de Voorzitter van de           education. The Review of Economics and
Tweede Kamer, 15 februari 2019.                Statistics, 92(3), 562-576.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           Nepi, L.D., Fioravanti, J., Nannini, P. &
Wetenschap (2019b). Kamerbrief Passend         Peru, A. (2015). Social acceptance and the
onderwijs in het mbo en studeren met een       choosing of favourite classmates: A compar-
ondersteuningsbehoefte in mbo en hoger         ison between students with special educa-
onderwijs. Brief van de minister van           tional needs and typically developing
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de        students in a context of full inclusion. British
voorzitter van de Tweede Kamer, 30             Journal of Special Education, 42(3),
augustus 2019.                                 319-337.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           Norwich, B. (2013). Addressing Tensions
Wetenschap (2019c).Verzamelbrief moties        and Dilemmas in Inclusive Education: Living
en toezeggingen primair en voortgezet          with uncertainty. New York: Routledge.
onderwijs. Brief van de minister voor Basis-
en Voortgezet Onderwijs en Media aan de        Norwich, B. (2014). Recognising value
voorzitter van de Tweede Kamer, 20             tensions that underlie problems in inclusive
december 2019.                                 education. Cambridge Journal of Educa-
                                               tion, 44(4), 495-510.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (2020a). Thuiszitters in het        Oh-Young, C. & Filler, J. (2015). A me-
funderend onderwijs. Brief van de minister     ta-analysis of the effect of placement on
voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en         academic and social skill outcome mea-
Media, de minister van Volksgezondheid,        sures of students with disabilities. Research
Welzijn en Sport en de minister voor           in Developmental Disabilities, 47, 80-92.
Rechtsbescherming aan de voorzitter van
de Tweede Kamer, 30 januari 2020.              Onderwijsraad (2014). Samen voor een
                                               ononderbroken schoolloopbaan. Den Haag:
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en           Onderwijsraad.
Wetenschap (2020b). Aanpak voortijdig
schoolverlaten. Brief van de minister van      Onderwijsraad (2015). Meerjarenprogram-
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de        ma 2015-2020. Den Haag: Onderwijsraad.
voorzitter van de Tweede Kamer, 4 maart
2020.                                          Onderwijsaad (2016). Passend onderwijs.
                                               Den Haag: Onderwijsraad.
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-
genheid (2014). Kernwaarden van de             Onderwijsraad (2017). Decentraal
Nederlandse samenleving. Den Haag: SZW.        onderwijsbeleid bij de tijd. Den Haag:
                                               Onderwijsraad.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (2018). Programma VN-verdrag             Onderwijsraad (2019). Samen ten dienste
Onbeperkt meedoen! Implementatie               van de school. Den Haag: Onderwijsraad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>   Organisation for Economic Co-operation        universal tool for documentation of disabili-
   and Development (2019). TALIS 2018            ty. Journal of Policy and Practice in Intellec-
   Results (Volume I): Teachers and School       tual Disabilities, 6(2), 70-72.
   Leaders as Lifelong Learners. Paris: TALIS,
   OECD.                                         Simplican, S.C., Leader, G., Kosciulek, J. &
                                                 Leahy, M. (2015). Defining social inclusion
   Peeters, R., Zunderdorp, M., Lamers, M. &     of people with intellectual and developmen-
   Rats, E. (2018). Mét andere ogen. Advies      tal disabilities: An ecological model of social
   voor versnelling en bestendiging van de       networks and community participation.
   samenwerking onderwijs-zorg-jeugd. Den        Research in Developmental Disabilities, 38,
   Haag: Van Zunderdorp Beleidsadvies &          18-29.
   Management.
                                                 Sociaal en Cultureel Planbureau (2019).
   Peters, W. (2016). Casusboekje VN-verdrag     Arbeidsmarkt in kaart. Werkgevers – editie
   rechten van personen met een handicap.        2. Verkregen via https://digitaal.scp.nl/
   Utrecht: Stimulansz.                          arbeidsmarkt-in-kaart-werkgevers-editie-2/
   Pijl, S.J. (2010). Preparing teachers for     Smeets, E., Boer, A. de, Loon-Dikkers, L.
   inclusive education: Some reflections from    van, Rissen, L. & Ledoux, G. (2017).
   the Netherlands. Journal of Research in       Passend onderwijs op school en in de klas.
   Special Educational Needs, 10, 197-201.       Eerste meting in het basisonderwijs en
                                                 voortgezet onderwijs. Nummer 21 in de
   Pijl, S.J. (2016). Fighting segregation in    reeks Evaluatie Passend Onderwijs.
   special needs education in the Netherlands:   Nijmegen: KBA Nijmegen.
   The effects of different funding models. Dis-
   course: Studies in the Cultural Politics of   Smeets, E., Ledoux, G., & Loon-Dikkers, L.
   Education, 37(4), 553-562.                    van (2019). Passend onderwijs op school en
                                                 in de klas. Tweede meting in het basison-
   Pijl, S.J. & Frissen, P.H.A. (2009). What     derwijs en voortgezet onderwijs. Nijmegen:
   policymakers can do to make education         KBA Nijmegen /Amsterdam: Kohnstamm
   inclusive. Educational Management             Instituut.
   Administration & Leadership, 37(3) 366-377.
                                                 Smeets, E. & Veen, D. van (2018) Samenw-
   Platform Praktijkonderwijs (2016). Samenw-    erking tussen onderwijs, gemeenten en
   erking pro-mbo: entree naar de toekomst.      jeugdhulp. Onderzoek naar succesfactoren
   Hoorn: Platform Praktijkonderwijs.            in praktijkvoorbeelden. Nijmegen: KBA
                                                 Nijmegen / Zwolle: Hogeschool Windesheim
   PO-Raad, VO-raad, MBO Raad & AOC              / NCOJ.
   Raad (2013). Referentiekader Passend
   onderwijs.                                    Sontag, L., Kroesbergen, E., Leseman, P. &
                                                 Steensel, R. van (2007). De werking van de
   PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, Vereniging        Leerlinggebonden Financiering in het
   Hogescholen & Vereniging van Samenw-          basisonderwijs en voortgezet onderwijs.
   erkende Nederlandse Universiteiten (2019).    Tilburg: IVA.
   Slimme Verbindingen naar een sterke
   kennisinfrastructuur voor het onderwijs.      Steunpunt Passend Onderwijs (2017).
                                                 Handreiking ouderbetrokkenheid. Passend
   Rouse, M. & Florian, L. (2012). Inclusive     onderwijs vo. Versie december 2017.
   Practice Project: Final Report. Aberdeen:
   University of Aberdeen.                       Steunpunt Passend Onderwijs (2019).
                                                 Verrassend passend. Special samenwerking
   Ruijs, N.M., Veen, I. van der & Peetsma,      onderwijs-jeugd. Passend onderwijs in de
   T.T.D. (2010) Inclusive education and         praktijk.
   students without special educational needs.
   Educational Research, 52(4), 351-390.         Szumski, G., Smogorzewska, J. & Karwows-
                                                 ki, M. (2017). Academic achievement of
   Ruijs, N. (2017). The impact of special       students without special educational needs in
   needs students on classmate performance.      inclusive classrooms: A meta-analysis.
   Economics of Education Review, 58, 15-31.     Educational Research Review, 21, 33-54.
   Scholten, F., Vegt, A.L. van der & Jepma, IJ. Teeuwen, N. & Dekkers, M. (2019). Kloof
   (2018). Leerlingenvervoer in Nederland.       tussen mens en systeem? Vijf jaar passend
   Rapportage eindmeting 2017. Utrecht:          onderwijs en nu verder. Amsterdam: B&T
   Oberon/Sardes.                                Verantwoord veranderen.
   Schuman, H. (2014). Bildung, Burgerschap      Tegenbos, G. (2019). De bomen en het bos:
   en Diversiteit. Marktplaats, 20, 23-24.       Vierde keer goede keer voor het inclusief
                                                 onderwijs? De Standaard, 27 november
96 Simeonsson, R.J. (2009). ICF‐CY: a            2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   Terzi, L. (2014). Reframing inclusive         Vullings, F. (2019). Alles onder één dak in
   education: Educational equality as capability Venlo. In Steunpunt Passend Onderwijs VO,
   equality. Cambridge Journal of Educa-         Verrassend passend. Passend Onderwijs in
   tion, 44(4), 479-493.                         de praktijk. Deel 2. Samenwerking regulier
                                                 en speciaal onderwijs (121-123). Steunpunt
   Theoharis, G. & Causton, J. (2014). Leading   Passend Onderwijs VO.
   inclusive reform for students with disabili-
   ties: A school- and systemwide ap-            Wallage, J. (1990). Weer samen naar
   proach. Theory Into Practice, 53(2), 82-97.   school: perspectief om leerlingen ook in
                                                 reguliere scholen onderwijs op maat te
   Transitiebureau Jeugd (2014). Stelselwijzig-  bieden. Zoetermeer: OCW.
   ing Jeugd. Kinderen en jongeren met een
   beperking – van AWBZ naar Jeugdwet. Den       Waitoller, F.R. & Artiles, A.J. (2013). A
   Haag: Ministerie van Veiligheid en Justitie/  decade of professional development
   Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en    research for inclusive education: A critical
   Sport/Vereniging van Nederlandse Ge-          review and notes for a research pro-
   meenten.                                      gram. Review of Educational Re-
                                                 search, 83(3), 319-356.
   United Nations (2016). Convention on the
   Rights of Persons with Disabilities.          Wetenschappelijke Raad voor het Re-
                                                 geringsbeleid (2020). Het betere werk. De
   United Nations Committee on the Rights of     nieuwe maatschappelijke opdracht. Den
   Persons with Disabilities (2016). General     Haag: WRR.
   comment No. 4 (2016), Article 24: Right to
   inclusive education, 2 September              Wienen, A.W. (2019). Inclusive Education:
   2016, CRPD/C/GC/4. Verkregen via: https://    From Individual to Context. Groningen:
   www.refworld.org/docid/57c977e34.html         RUG.
   Veen, D. van, Huizinga, P. & Steenhoven, P.   Wilmink, A.J. (1997). Te speciaal. Grenzen
   van der (2016). Passend onderwijs en de       aan weer samen naar school. Groningen:
   lerarenopleidingen. Zwolle: Hogeschool        Noordhoff-Wolters.
   Windesheim/NCOJ.
                                                 Zagona, A.L., Kurth, J.A. & MacFarland,
   Vegt, A.L. van der, Appelhof, P., Hulsen, M., S.Z. (2017). Teachers’ views of their
   Eck, E. van, Heemskerk, I. & Pater, C.        preparation for inclusive education and
   (2015). Tijd voor flexibiliteit. Beknopte     collaboration. Teacher Education and
   overall-rapportage. Onderzoek in opdracht     Special Education, 40(3), 163-178.
   van de Onderwijsraad. Utrecht/ Amsterdam:
   Oberon/Kohnstamm Instituut.
   Veneman, H. (2004). Het gewicht van de
   rugzak. Evaluatie van het beleid voor
   leerlinggebonden financiering. Academisch
   proefschrift. Groningen: GION.
   Verschuren, L, Driessen, M. & Meijer, R.
   (2016). Personen met een beperking of
   chronische aandoening. Den Haag: Cen-
   trum voor Beleidsstatistiek.
   Visser, A., Vliet, M.V. van der, & Ronde-Da-
   vidse, N.J. de (2017). Brochure good
   practices van passend onderwijs. Gouda:
   Driestar hogeschool.
   Vlaams Ministerie van Onderwijs en
   Vorming (2019). Naar een begeleidingsde-
   creet voor leerlingen met specifieke
   onderwijsbehoeften. Verkregen via: https://
   onderwijs.vlaanderen.be/nl/naar-een-bege-
   leidingsdecreet-voor-leerlingen-met-speci-
   fieke-onderwijsbehoeften.
   Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) (2020).
   Een pleidooi voor strategische beleidsplan-
   ning om inclusief onderwijs te kunnen
   realiseren. Advies op eigen initiatief.
   Algemene raad 23 januari.
97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>98</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Colofon
    De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919.
    De raad adviseert, gevraagd en ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en
    de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Hij adviseert de ministers van
    Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De Eerste en Tweede Kamer der Staten-
    Generaal kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen in speciale
    gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.
    De raad gebruikt in zijn advisering verschillende disciplinaire aspecten
    (bijvoorbeeld onderwijskundige, economische en juridische) en verbindt deze
    met ontwikkelingen in de praktijk van het onderwijs. Ook de internationale
    dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de aandacht.
    De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van
    voorschoolse educatie tot aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidin-
    gen. De producten van de raad worden gepubliceerd in de vorm van adviezen,
    studies en verkenningen.
    Nr. 20200136/1141, juni 2020
    Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2020
    ISBN 978-94-6121-071-5
    Bestellingen van publicaties
    Onderwijsraad
    Prins Willem Alexanderhof 20
    2595 BE Den Haag
    secretariaat@onderwijsraad.nl
    (070) 310 00 00
    Ontwerp
    thonik
    Fotografie
    Istock (foto’s p. 23, 36 en 58), Edwin Walvisch
    Visualisatie
    Things To Make And Do
    © Onderwijsraad, Den Haag.
    Alle rechten voorbehouden. All rights reserved
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
www.onderwijsraad.nl
secretariaat@onderwijsraad.nl
tel: +31 70 310 00 00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>