<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>een verkenning van
sekse
  verschillen
 in
het
onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>een verkenning van
sekse
  verschillen
 in
het
onderwijs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>      Woord vooraf                                                                            7
      In het kort                                                                             8
      Deel 1: Conclusies en mogelijke oplossingen
  1   Aanleiding
      Zorgen over achterstanden van jongens in het onderwijs                                 15
  1.1 Zorg over verschillen tussen jongens en meiden sinds jaren zestig                      15
  1.2 Inspectie van het Onderwijs over verschillen tussen jongens en meiden                  17
  1.3 Ook zorgen over tekort aan mannen voor de klas en de gevolgen voor jongens en meiden   17
  1.4 Welke verschillen doen zich waar voor en hoe problematisch zijn ze?                    18
  2   Conclusies
      Er zijn verschillen in loopbanen, vooral veroorzaakt door omgevingsfactoren            21
  2.1 Op drie punten (grote) verschillen in school- en beroepsloopbanen                      21
  2.2 Verschillen in vaardigheden en hersenen verklaren verschil in schoolloopbaan niet      22
  2.3 Omgevingsfactoren verklaren belangrijk deel van de verschillen                         23
  2.4 Omgevingsfactoren kunnen ontwikkeling van capaciteiten belemmeren                      24
  3   Mogelijke oplossingen
      Onderwijs draagt bij aan verkleinen van verschillen in loopbanen                       29
  3.1 Vergroot de bewustwording van culturele normen ten aanzien van gender in het onderwijs 29
  3.2 Verklein verschillen door te kijken naar individuen en niet naar sekse                 31
  3.3 Aanvullende instrumenten nodig om verschillen op arbeidsmarkt te verkleinen            32
      Deel 2: Bevindingen
  4   Bevinding 1
      Slechts kleine tot middelgrote verschillen in vaardigheden en hersenen                 37
  4.1 Verschillen in prestaties zijn beperkt                                                 37
  4.2 Kleine tot middelgrote verschillen in cognitieve en non-cognitieve vaardigheden        39
  4.3 Hersenen van jongens en meiden vertonen meer overeenkomsten dan verschillen            41
  5   Bevinding 2
      Schoolloopbanen van jongens verlopen minder gunstig dan die van meiden                 45
  5.1 Slechts kleine verschillen in het basisonderwijs                                       45
  5.2 Verschillen ontstaan in het voortgezet onderwijs                                       47
  5.3 Verschillen werken door in de schoolloopbaan binnen het mbo                            51
  5.4 Verschillen in het hoger onderwijs zijn groot                                          53
  6   Bevinding 3
      Beroepsloopbanen van vrouwen verlopen minder gunstig dan die van mannen                57
  6.1 Vrouwen werken vaker in deeltijd                                                       57
  6.2 Jonge vrouwen verdienen meer, maar in de latere beroepsloopbaan minder                 59
  6.3 Vrouwen stromen minder door naar hoge functies                                         60
  7   Bevinding 4
      Grootste verschillen doen zich voor in de verdeling over sectoren en beroepen          63
  7.1 Grote verschillen in verdeling van jongens en meiden over sectoren en beroepen         63
  7.2 Verschillen relatief groot vergeleken met andere landen                                65
  8   Bevinding 5
      Vooral maatschappelijke en culturele factoren verklaren de verschillen                 69
  8.1 Verklaringen op maatschappijniveau                                                     69
  8.2 Verklaringen op gezinsniveau                                                           71
  8.3 Ook leeftijdgenoten spelen een rol                                                     72
  8.4 Verklaringen op schoolniveau                                                           73
  8.5 Verklaringen op het niveau van het onderwijsstelsel                                    75
      Geraadpleegde deskundigen                                                              76
      Literatuur                                                                             77
5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>  Woord vooraf
       “Je eigen daden vertellen de wereld wie je bent en wat voor soort samenleving je denkt
       dat er zou moeten zijn.”
       Uitspraak van Ai Weiwei, Chinese kunstenaar en activist die bekend staat om zijn
       strijd voor mensenrechten.
       Deze verkenning van de Onderwijsraad gaat over verschillen. Verschillen tussen
       de schoolloopbanen van jongens en meiden. En verschillen tussen hun latere
       beroepsloopbanen.
       Deze verschillen zijn fors. Zo volgen jongens vaker onderwijs op een lager niveau dan
       meiden, ze vallen vaker uit en ze blijven vaker zitten. Jongens worden drie keer zo vaak
       geschorst en vier keer zo vaak van school gestuurd dan meiden. Mannen onder de
       35 jaar zijn vandaag de dag lager opgeleid dan vrouwen. In 2009 had 33% van hen
       hoger onderwijs afgerond tegen 42% van de vrouwen.
       Maar de beroepsloopbaan van vrouwen verloopt juist minder gunstig dan die van
       mannen. Vrouwen werken vaker in deeltijd, verdienen minder en stromen minder vaak
       door naar management- en topposities. Zo bedraagt het loonverschil tussen mannen en
       vrouwen die bij de overheid werken 5% en bij het bedrijfsleven 7%. Ongeveer zes jaar na
       de start van hun carrière stagneert de groei van het aandeel managers onder werkende
       vrouwen – vaak op het moment dat zij hun eerste kind krijgen – terwijl het aandeel bij
       mannen verder groeit.
       Een ander opvallend verschil is de zogenoemde horizontale segregatie tussen seksen
       in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, die vergeleken met andere EU-landen in
       Nederland erg groot is. In ons land zijn er typische jongens- en meidenopleidingen die
       opleiden voor typische mannen- en vrouwenberoepen. In het vmbo bijvoorbeeld volgen
       nagenoeg alleen jongens opleidingen in de sector techniek, terwijl bijna alleen meiden
       opleidingen zorg en welzijn volgen. In de sectoren transport en logistiek, technisch en
       ict is het aandeel mannen ruim 85%, terwijl in de dienstverlenende, pedagogische en
       zorgsector 70% tot 80% vrouwen werkt.
       Verschillen mogen er zijn, vindt de Onderwijsraad. Maar niet als gevolg van beperkte
       keuzevrijheid en ongelijke kansen. Daarom vraagt de raad met deze verkenning
       aandacht voor de genderstereotypering in de maatschappij, bij de overheid en op de
       arbeidsmarkt. En voor de manier waarop dit doorwerkt in het onderwijs. Ook draagt de
       raad mogelijke oplossingen aan. Zodat jongens en meiden, en mannen en vrouwen,
       meer dan nu het geval is kunnen kiezen voor onderwijs en werk dat hen past.
       Prof. dr. E. H. Hooge				                             Drs. M. van Leeuwen
       voorzitter					secretaris-directeur
7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>  In het kort                                        Deze verkenning van de Onderwijsraad laat zien
                                                     dat verschillen tussen jongens en meiden niet
                                                     zozeer komen door verschillen in prestaties en
                                                     hersenen, en dat jongens niet slechter presteren
  Er zijn verschillen in school- en                  door een oververtegenwoordiging van vrouwen
  beroepsloopbanen van jongens en meiden.            in het basisonderwijs. Over het algemeen zijn de
  Het onderwijs heeft, naast anderen, een            verschillen in prestaties klein; soms presteren
  belangrijke taak om die verschillen te verkleinen. jongens iets beter, soms meiden. De verschillen
  Want iedere leerling en student moet de            in hersenomvang en -ontwikkeling zijn eveneens
  mogelijkheid krijgen om zijn of haar capaciteiten  klein. De verschillen binnen de groep jongens en
  te ontwikkelen en zich vrij voelen een school-     binnen de groep meiden blijken groter dan die
  en een beroepsloopbaan te kiezen die daarbij       tussen jongens en meiden.
  passen. Verschil mag er zijn, maar niet door
  beperking in keuzevrijheid of ongelijke kansen.    Hoe zijn de verschillen te verklaren?
                                                     Verschillen tussen jongens en meiden ontstaan
  Wat is de aanleiding voor de verkenning?           op een aantal niveaus.
  Zorgen om de verschillen in onderwijsprestaties,
  schoolloopbaan en onderwijskeuzes tussen           • Thuis
  jongens en meiden bestaan al heel lang. In         	Opvoeding speelt een belangrijke rol in de
  de jaren zestig ging het vooral om de positie          ontwikkeling van eigenschappen bij meiden en
  van meiden en vrouwen, de laatste jaren om             jongens en de manier waarop ze zich (gaan)
  die van jongens. De Tweede Kamer heeft de              gedragen. Daarnaast identificeren kinderen zich
  Onderwijsraad gevraagd te adviseren over de            met rolmodellen binnen het gezin.
  verschillen tussen jongens en meiden in het
  onderwijs. Directe aanleiding hiervoor waren       • Onder leeftijdgenoten
  de bevindingen uit het rapport De Staat van het    	Jongensculturen zijn over het algemeen minder
  Onderwijs 2019 van de Onderwijsinspectie en            gericht op leren en school dan meidenculturen.
  een initiatiefnota vanuit de Tweede Kamer over         Veel jongens vinden het ‘niet cool’ om je in te
  de disbalans tussen mannen en vrouwen voor de          zetten voor school en lopen niet graag het risico
  klas in het basisonderwijs.                            als ‘nerd’ gezien te worden. Dit kan de inzet van
                                                         jongeren op school en hun schoolprestaties
  Welke verschillen zijn er in loopbanen tussen          negatief beïnvloeden.
  jongens en meiden?
  De Onderwijsraad constateert op drie               •	Op school
  punten grote verschillen in de school- en          	Jongens krijgen de meeste aandacht van
  beroepsloopbanen van jongens en meiden.                leraren, zowel positieve als negatieve. Alle
                                                         leraren (man en vrouw) hebben genderspeci-
  1.	Jongens hebben minder gunstige                     fieke verwachtingen van jongens en meiden.
      schoolloopbanen dan meiden                         Mannelijke en vrouwelijke leraren hebben over
  	Dat begint in het voortgezet onderwijs en            het algemeen positievere verwachtingen van
      is ook zichtbaar in het vervolgonderwijs.          meiden dan van jongens.
      Jongens vallen vaker uit dan meiden, blijven   	  Stereotypen in het curriculum en in leermid-
      vaker zitten en stromen door naar lagere           delen kunnen leiden tot verschillen in motivatie
      niveaus.                                           en prestatie. Recent onderzoek laat zien dat
                                                         stereotypen nog steeds voorkomen: vrouwen
  2.	Vrouwen hebben minder gunstige                     zijn systematisch ondervertegenwoordigd (in
      beroepsloopbanen dan mannen                        teksten en op afbeeldingen) in boeken voor de
  	Ze werken vaker dan mannen in deeltijd,              vakken Nederlands en wiskunde (brugklas).
      verdienen minder en stromen minder vaak        	De suggestie dat de oververtegenwoordiging
      door naar management- en topfuncties.              van vrouwen in het basisonderwijs jongens op
      De verschillen zijn voor jonge mannen en           achterstand zet, klopt niet.
      vrouwen relatief klein, maar worden groter na  	Tot slot: jongens gedijen extra goed wanneer
      de geboorte van hun eerste kind.                   goed onderwijs wordt geboden: een combinatie
                                                         van structuur bieden, goede begeleiding en
  3.	Jongens en meiden zijn ongelijk verdeeld           voortdurend sturen en monitoren op gedrag en
      over onderwijssectoren en beroepen                 motivatie van leerlingen. Waarbij de individuele
  	In vergelijking met andere landen binnen             verschillen tussen leerlingen centraal staan en
      de Europese Unie kent Nederland een                niet de verschillen tussen jongens en meiden.
      sterke seksespecifieke opleidings- en
      beroepskeuze. Jongens en meiden kiezen         •	In de samenleving
      profielen, opleidingen en studierichtingen     	Beleid en sociaal-culturele en economische
      volgens traditionele patronen, wat leidt tot       factoren vormen ook een verklaring voor
      typische mannen- en vrouwenberoepen.               het ontstaan van verschillen. Denk aan de
      Vrouwen kiezen vaker voor zorg en                  afschaffing van de formele seksediscriminatie
      onderwijs, mannen voor exacte wetenschap           in de loop van de twintigste eeuw (beleid), de
      en techniek.                                       opkomst van de dienstensector (economie)
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>       en de invloed van sociaal geconstrueerde      Van onderbenutting is sprake wanneer kinderen
       denkbeelden (sociaal-cultureel domein).       en jongeren niet de kennis, vaardigheden
       Nederland kent een sterke seksespecifieke     en houdingen ontwikkelen waarvoor zij
       opleidings- en beroepskeuze.                  wel de potentie hebben. De Onderwijsraad
                                                     vindt het belangrijk dat jongens en meiden
  Verschillen in de school- en beroepsloopbanen      de mogelijkheid krijgen hun capaciteiten te
  hangen vooral samen met bewuste of onbewuste       ontwikkelen en zich vrij voelen een school- en
  denkbeelden over gender. Binnen de maat-           een beroepsloopbaan te kiezen die daarbij
  schappij wordt verschillend aangekeken tegen       passen. Verschil mag er zijn, maar niet door
  het onderscheid tussen mannen en vrouwen.          beperking in keuzevrijheid of ongelijke kansen.
  Sommigen geloven dat mannen en vrouwen
  aangeboren en fundamenteel verschillende inte-     Onderbenutting en belemmeringen in het maken
  resses en vaardigheden hebben (essentialisme).     van keuzes zijn nadelig voor de jongens en
  Mannen en vrouwen krijgen daarbij verschillen-     meiden zelf én voor de samenleving. Jongens en
  de­taken, rollen en mogelijkheden toegedicht.      meiden kunnen hierdoor minder bereiken in hun
  Anderen gaan uit van gelijkheid en bepleiten een   leven, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt
  gelijke verdeling van maatschappelijke posities    en daardoor minder bereiken in en voor de
  over mannen en vrouwen (egalitarisme). Weer        samenleving.
  anderen vinden het belangrijk taken en rollen
  te verdelen op basis van religieuze of levens-     Wat adviseert de Onderwijsraad?
  beschouwelijke overtuigingen en op basis van       De ene school lukt het beter gelijke kansen voor
  tradities binnen de eigen gemeenschap (commu-      jongens en meiden te creëren dan de andere.
  nitarisme). Zij stellen het belang van de gemeen-  Onderwijs kan dus helpen de verschillen in
  schap boven dat van het individu. Deze opvat-      school- en beroepsloopbanen te verkleinen.
  tingen werken door in het gedrag van mensen,       Maar het onderwijs kan dat niet alleen. Hier ligt
  de manier waarop ze met elkaar omgaan en de        ook een rol voor ouders en de samenleving.
  keuzes die ze maken.
                                                     De Onderwijsraad adviseert de ministers van
  Hoe werken stereotiepe denkbeelden door in         Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op drie
  het onderwijs?                                     manieren meer bewustwording te creëren over
  Leraren, leerlingen en studenten nemen ook         genderstereotypering in het onderwijs.
  stereotiepe denkbeelden mee het onderwijs in
  die tot uitdrukking komen in hun verwachtingen     •	Stimuleer bewustwording bij leraren van
  en gedrag en de manier waarop ze leerlingen            genderstereotypering. Want doordat leraren
  begeleiden en stimuleren. Dat kan ertoe leiden         (lage) verwachtingen hebben, zullen die ook
  dat jongens en meiden ongelijke kansen krijgen         uitkomen.
  in het ontwikkelen van bijvoorbeeld empathisch     •	Voorkom stereotypen in loopbaanoriëntatie
  vermogen, het sturen van het eigen gedrag,             en -begeleiding. Zet in op een brede,
  ondernemerschap en risico’s durven nemen.              genderneutrale oriëntatie en verleid jongens
  Daarnaast kunnen de opvattingen jongens en             en meiden minder stereotiepe keuzes te
  meiden beperken in hun keuzevrijheid. In extreme       maken.
  vorm streeft het egalitarisme een ‘fiftyfifty’-    •	Voorkom stereotypen in lesmateriaal. Gebruik
  samenleving na, wat de keuzevrijheid van               beschikbare middelen om het materiaal
  burgers mogelijk aantast. Het essentialisme en         daarop door te lichten.
  het communitarisme kunnen jongens en meiden
  aanzetten tot stereotiepe keuzes. Ze krijgen       Daarnaast adviseert de raad schoolleiders en
  expliciete of impliciete overtuigingen mee over    leraren aandacht te hebben voor individuele
  wat mannen en vrouwen goed kunnen en wat           verschillen en geen seksespecifieke aanpak in te
  bij hen past. Terwijl meiden bijvoorbeeld heel     zetten. Het benoemen van bepaalde behoeften
  goed kunnen zijn in wiskunde en het leuk zouden    of kenmerken als ‘typisch’ voor jongens of
  vinden om in de techniek te werken, kiezen ze      meiden, kan stereotyperend werken. En
  voor andere vakgebieden zoals onderwijs en zorg.   handelen naar zulke veronderstelde behoeften
  Omgekeerd kunnen jongens heel goed zijn in zorg,   en kenmerken kan leiden tot ongewenste
  en motivatie halen uit het volgen van zo’n profiel beperkingen.
  of studierichting, maar kiezen voor techniek. Dit
  ‘genderconformisme’ is een van de belangrijkste    Verder zijn er aanvullende instrumenten nodig
  redenen voor het ontstaan van typische             om verschillen op de arbeidsmarkt te verkleinen.
  mannen- en vrouwenberoepen (horizontale            Denk aan maatregelen die het makkelijker
  seksesegregatie) en werken in deeltijd.            maken om werken, zorgen en leren te
                                                     combineren en maatregelen die genderdiversiteit
  Waarom zijn verschillen in loopbanen een           binnen de arbeidsorganisatie in het algemeen en in
  probleem?                                          de top bevorderen.
  Verschillen in school- en beroepsloopbanen
  kunnen leiden tot onderbenutting van wat
  kinderen en jongeren in hun mars hebben en
  tot belemmeringen in het maken van keuzes.
9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>verkenning van
                                                                                                    wat verklaart de verschillen NIET?
   sekseverschillen
in het onderwijs                                                                   verschillen in vaardigheden           oververtegenwoordiging van vrouwen
                                                                                            en hersenen                           in het basisonderwijs
                school- en beroepsloopbanen van                                                     wat verklaart de verschillen WEL?
                 jongens en meiden verschillen
                                                                                           lesmateriaal                           opvoeding
                                                                                                                                 in het gezin
     jongens hebben minder
    gunstige schoolloopbanen
                                                                         verwachtingen en                                                        invloed van
                                                                         gedrag van leraren                                                    leeftijdgenoten
                                                er zijn typische mannen-
                                                  en vrouwenberoepen
     vrouwen hebben minder
                                                                                           loopbaanoriëntatie               culturele opvattingen
   gunstige beroepsloopbanen
                                                                                             en -begeleiding                      over gender
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>     deel 1
conclusies
en
mogelijke
        op
lossingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   Verschillen tussen jongens en meiden in het
   onderwijs bestaan al langer. De laatste jaren zijn
   er zorgen over de achterstand van jongens in het
   onderwijs. Welke verschillen doen zich waar voor
   en hoe problematisch zijn ze?
   1	Aanleiding
         Zorgen over achterstanden van
         jongens in het onderwijs
    1.1	Zorg over verschillen tussen jongens en meiden sinds
         jaren zestig
         Zorgen over de verschillen in schoolloopbaan, onderwijsprestaties en onderwijskeuzes
         tussen jongens en meiden bestaan al lang. Het perspectief varieert en wordt beïnvloed
         door de sociaal-politieke en economische context.1 In de jaren zestig ging het vooral om de
         positie van meiden en vrouwen, de laatste jaren om die van jongens.
         In het begin van de twintigste eeuw waren vrouwen aanmerkelijk lager opgeleid dan
         mannen. Bijna 70% van de vrouwen geboren tussen 1901 en 1910 had hooguit de lagere
         school afgerond. Bij hun mannelijke leeftijdgenoten was dat minder dan 50%.2 Begin
         twintigste eeuw telde de universiteit nauwelijks meer dan honderd vrouwelijke studenten.
         Dat had vooral te maken met het heersende vrouwbeeld. Het onderwijs werd vooral gezien
         als iets voor mannen. De opvoeding en scholing van vrouwen vonden plaats in het gezin
         en richtten zich vooral op de huishouding.3 Tot midden jaren zeventig bleef de aanwas
         van vrouwen op de universiteit achter bij die van mannen. Daarna volgde een enorme
         inhaalslag.4 In 1989/1990 studeerden voor het eerst meer vrouwen aan de universiteit dan
         mannen (zie figuren 1 en 2).
         Binnen de Nederlandse beroepsbevolking onder 35 jaar waren in 2009 de vrouwen
         hoger opgeleid dan de mannen.5 In deze groep had 42% van de vrouwen een hbo- of
         wetenschappelijke opleiding; bij mannen was dat 33%. Dertien jaar eerder lag de
         verhouding anders, met respectievelijk 27% en 29%. In het buitenland doen zich
         vergelijkbare ontwikkelingen voor.6 Ook daar is vanaf de jaren zeventig een inhaalslag van
         meiden en vrouwen te zien bij het behalen van een diploma in het hoger onderwijs.
         De zorg, die zich eerder richtte op de positie van meiden, is verschoven naar de positie van
         jongens. Ging het eerst nog over ‘the girls’ problem’, tegenwoordig voert ‘the boys’ problem’
         de boventoon. Duidt dit op de emancipatie van meiden? Of zijn jongens slechter gaan
         presteren? En als de jongens het nu slechter doen, hoe komt dat dan? Heeft het te maken
         met de inrichting van het onderwijs? Hebben jongens daar minder kansen? De afgelopen
         tien jaar beheersten deze vragen met tussenpozen de politieke en maatschappelijke
         discussie.
         1   Arnot & Miles, 2005; Francis, 2006; Driessen & Van Langen, 2007.
         2   Liefbroer & Dykstra, 2000.
         3   Bavinck, 1918.
         4   CBS, 2010.
         5   Hartgers & Portegijs, 2009.
15       6   DiPrete & Buchmann, 2013; OECD, 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                         Figuur 1: Jaren afgeronde educatie7, 8
                                  16
                                  14
     Jaren educatie
                                  12
                                  10
                                  0
                                       1921-   1926-      1931-      1936-      1941-      1946-     1951-      1956-      1961-      1966-     1971-      1976-   1981-   1986-
                                       1925    1930       1935       1940       1945       1950      1955       1960       1965       1970      1975       1980    1985    1990
                                                                                                     Geboortecohort
                                         Figuur 2: Percentage mannen en vrouwen die ISCED 5-8 hebben afgerond 9
                                  60
                                  50
     Percentage hoger onderwijs
                                  40
                                  30
                                  20
                                  10
                                  0
                                       1921-   1926-      1931-      1936-      1941-      1946-     1951-      1956-      1961-      1966-     1971-      1976-   1981-   1986-
                                       1925    1930       1935       1940       1945       1950      1955       1960       1965       1970      1975       1980    1985    1990
                                                                                                     Geboortecohort
                                         Man                    Vrouw
                                                       7	Gebaseerd op de internationale classificatie van onderwijsprogramma’s, ISCED. Daarbij is
                                                          ISCED 0-1 = 6 jaar; ISCED 2 = 9 jaar ; ISCED 3 = 12 jaar; ISCED 4 = 14 jaar ; ISCED 5-8 = 16 jaar.
                                                       8	Deze figuur is gemaakt door Lotte Scheeren in het kader van haar promotieonderzoek aan
                                                          de Universiteit van Amsterdam, op basis van de EU Labour Force Survey.
16                                                     9  Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   1.2	Inspectie van het Onderwijs over verschillen tussen
        jongens en meiden
        Meiden doen het beter
        Enkele jaren terug bracht de Inspectie van het Onderwijs de verschillen tussen jongens en
        meiden in de schoolloopbaan opnieuw naar voren. De inspectie signaleerde in De Staat
        van het Onderwijs 2018 – Onderwijsverslag over 2016/2017 dat meiden beter presteren dan
        jongens. Ook in de navolgende rapporten (Onderwijsverslag over 2017/2018 en 2018/2019)
        worden de verschillen geconstateerd. Meiden komen halverwege de middelbare school
        vaker dan jongens terecht op een hoger schoolniveau dan was geadviseerd aan het
        einde van de basisschool. Ook behalen ze vaker een diploma op een hoger niveau dan
        het basisschooladvies. Meiden blijven minder vaak zitten dan jongens en stromen vaker
        onvertraagd door naar hun examen.
        Meiden zijn inmiddels ook in de meerderheid op hogescholen en universiteiten; daar is
        55% van de studenten vrouw. Ze vallen minder vaak uit en lopen minder vaak vertraging
        op. De verschillen in het hoger onderwijs zijn groter dan in het middelbaar onderwijs.
        Verschillen in studiekeuzes vallen op
        De Onderwijsinspectie signaleerde daarnaast opvallende verschillen in profiel- en
        sectorkeuzes. In het vmbo bestaat de leerlingpopulatie in de sector techniek bijna volledig
        uit jongens en in de sector zorg en welzijn bijna volledig uit meiden. Op de havo en het
        vwo zijn het vooral jongens die het profiel Natuur & Techniek volgen (havo 78%, vwo 64%);
        bij het profiel Cultuur & Maatschappij zijn dat vooral meiden (havo 79%, vwo 80%). Wel is
        het aandeel meiden bij de profielen N&T en N&G op het havo en in het vwo de laatste tijd
        toegenomen. Het is niet zo dat jongens minder vaak voor N&T en N&G kiezen, maar dat
        meiden verhoudingsgewijs méér voor het N&T-profiel kiezen. Het totale aantal leerlingen
        dat voor een van beide profielen kiest, groeit fors. Het aandeel meiden in de sector
        techniek in het vmbo-b/k stijgt ook, al gaat het nog altijd om slechts 10%. In het vmbo-g ligt
        dat aandeel op 22% in 2016/2017. Jongens kiezen niet vaker voor de sector zorg en welzijn.
        Binnen het mbo 2 en 3 domineren de mannen in de sector techniek (90%) en de vrouwen
        in de sector zorg (80%). In het mbo 4 zijn deze verschillen iets kleiner. Bij de mbo-niveaus
        2 en 3 zijn de mannen met ongeveer 55 tot 65% in de meerderheid in de sectoren groen en
        economie.
        In het hbo zijn de verschillen in man-vrouwverhouding iets minder groot, maar nog altijd
        aanzienlijk. Mannen kiezen voor de technische opleidingen (het aandeel mannen is 75%),
        vrouwen voor opleidingen in de sectoren gedrag en maatschappij (hun aandeel is 77%),
        gezondheidszorg (81%) en onderwijs (65%).
        In het wetenschappelijk onderwijs zijn mannelijke studenten oververtegenwoordigd in de
        sectoren economie (68%) en techniek (74%). Sinds 2006 is het aandeel vrouwen in de
        techniek gestegen van 15% naar 26% in 2016, maar het ligt nog altijd beneden het EU-
        gemiddelde. Van de onderzochte OECD-landen heeft alleen Turkije minder vrouwen in
        technische opleidingen.
        Vrouwen domineren in het wetenschappelijk onderwijs juist in de sectoren gedrag en
        maatschappij (72%), gezondheidszorg (72%) en taal en cultuur (67%).
   1.3	Ook zorgen over tekort aan mannen voor de klas en de
        gevolgen voor jongens en meiden
        Het parlement vraagt aandacht voor de disbalans tussen mannen en vrouwen werkzaam in
        het basisonderwijs. Een initiatiefnota vanuit de Tweede Kamer pleit voor meer mannen voor
        de klas, omdat meer mannelijke rolmodellen goed zou zijn voor jongens én voor meiden. De
        diversiteit in het personeelsbestand zou bovendien bijdragen aan een gezonde organisatie.
17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>        Het ontbreken van mannelijke rolmodellen in het basisonderwijs zou nadelig uitpakken
        voor jongens. De raad is nagegaan wat er bekend is over dit onderwerp in relatie tot de
        verschillen tussen jongens en meiden (zie paragraaf 8.4). Uit onderzoek blijkt dat leskrijgen
        van vrouwen geen negatieve invloed heeft op de prestaties van jongens en meiden.10
        Vanuit het perspectief van voldoende rolmodellen voor zowel jongens als meiden is
        disbalans onwenselijk.
   1.4	Welke verschillen doen zich waar voor en hoe
        problematisch zijn ze?
        Naar aanleiding van het rapport De Staat van het Onderwijs 2018 en de initiatiefnota van
        een kamerlid heeft de Tweede Kamer de Onderwijsraad verzocht te adviseren over de
        verschillen tussen jongens en meiden in het onderwijs. De raad heeft daarop vier vragen
        geformuleerd:
        •   Om welke verschillen gaat het en waar doen die zich voor?
        •   Hoe zijn deze verschillen te verklaren?
        •   Zijn de verschillen problematisch?
        •   Wie heeft welke taak in het verkleinen van eventuele verschillen? Is er bijvoorbeeld
             een taak voor de overheid? En zo ja, welke beleidsmaatregelen komen daarvoor dan in
             aanmerking?
        In de maatschappelijke discussie en ook in de adviesvraag worden de groepen jongens
        en meiden onderscheiden. De raad maakt in deze verkenning onderscheid tussen de
        begrippen ‘sekse’ en ‘gender’. Sekse gaat over het fysieke geslacht waarmee iemand
        wordt geboren. De twee grote groepen die dan worden onderscheiden, zijn jongens en
        meiden (mannen en vrouwen). Ze worden met elkaar vergeleken qua schoolloopbaan,
        onderwijsprestaties en onderwijskeuzes. De Onderwijsraad realiseert zich dat er meer
        variëteit in sekse bestaat. Jongens en meiden zijn echter de twee relatief grote groepen
        en in onderzoek worden ze vaak met elkaar vergeleken. Daarom hanteert de raad in deze
        verkenning het binaire onderscheid tussen jongens en meiden (mannen en vrouwen).
        Bij gender refereert de raad aan sociaal-culturele aspecten van het man- en vrouw-
        zijn. Gender ziet de raad als een sociaal construct waarbij eigenschappen worden
        toegeschreven aan mannen en aan vrouwen. Mannen en vrouwen kunnen ook zichzelf
        eigenschappen toedichten en zich in meer of mindere mate ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’
        gedragen en voelen.
        Totstandkoming van de verkenning
        De Onderwijsraad heeft voor deze verkenning onderzoek laten uitvoeren. Het Brain en
        Development Research Centre (Universiteit Leiden) deed literatuuronderzoek naar de
        ontwikkeling van cognitieve en non-cognitieve vaardigheden van jongens en meiden (van
        6-18 jaar). Verder is gesproken met experts uit diverse vakgebieden (zie Geraadpleegde
        deskundigen achter in deze verkenning).
        Bij de beantwoording van de eerste vraag – om welke verschillen gaat het en waar doen
        die zich voor – kijkt de raad naar de leeftijd van 0 tot 40 jaar. Ook de verschillen op de
        arbeidsmarkt worden meegenomen. Het gaat dan om:
        • verschillen in prestaties, (cognitieve en non-cognitieve) vaardigheden en
             hersenontwikkeling; en
        • verschillen in schoolloopbaan en op de arbeidsmarkt.
        Daarbij gaat de raad telkens na of de verschillen voor bepaalde groepen jongens en
        meiden groter zijn; denk hier aan sociaaleconomische status en migratieachtergrond.
18      10   Driessen & Doesborgh, 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>19</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   De raad constateert dat school- en beroepsloop­
   banen van meiden en jongens verschillen. Dit is
   een probleem, omdat de verschillen ontstaan door
   belemmeringen vanuit de omgeving die steeds óf
   jongens óf meiden treffen. Zo ontstaan ongelijke
   kansen en worden keuzes beperkt.
   2    Conclusies
   	Er zijn verschillen in loopbanen, vooral
        veroorzaakt door omgevingsfactoren
        De raad constateert dat er verschillen zijn in de loopbanen van jongens en meiden –
        op school en op de arbeidsmarkt. Die hangen vooral samen met onderwijsfactoren en
        maatschappelijke en culturele factoren.
        De verschillen tussen jongens en meiden in prestaties en vaardigheden zijn te klein om de
        gevonden verschillen in schoolloopbanen te kunnen verklaren. De verschillen binnen de
        groep jongens en binnen de groep meiden zijn groter dan die tussen jongens en meiden.
        Ook de verschillen in hersenontwikkeling tussen jongens en meiden verklaren de gevonden
        loopbaanverschillen onvoldoende. De raad vindt dat het onderwijs een taak heeft in het
        verkleinen van verschillen in loopbanen. Maar het onderwijs kan dat niet alleen.
        Paragraaf 2.1 beschrijft drie gevonden verschillen in school- en beroepsloopbanen.
        Paragraaf 2.2 laat zien dat deze niet zozeer te verklaren zijn door verschillen in prestaties,
        vaardigheden en hersenen. Paragraaf 2.3 gaat in op belangrijke omgevingsfactoren en
        paragraaf 2.4 licht toe waarom de gevonden verschillen problematisch zijn. In hoofdstuk
        3 schetst de raad mogelijke oplossingen. De onderbouwing voor de conclusies volgt in de
        hoofdstukken 4 t/m 8: de bevindingen van deze verkenning.
   2.1	Op drie punten (grote) verschillen in school- en
        beroepsloopbanen
        De raad constateert dat verschillen zich vooral voordoen in loopbanen van jongens
        en meiden. Ten eerste volgen jongens vaker dan meiden onderwijs op een lager
        niveau. Er gaan naar verhouding meer jongens naar het vmbo en ook meer naar vmbo
        basisberoepsgerichte leerweg. Van daaruit stromen de jongens door naar het mbo. Meiden
        gaan vaker naar het havo en vwo en stromen van daaruit door naar het hoger onderwijs.
        Ook vallen jongens vaker uit, ze stromen vaker af en blijven vaker zitten. De verschillen
        in doorstroom en uitval tussen jongens en meiden zijn relatief klein in vergelijking met die
        tussen kinderen en jongeren met verschillende sociaaleconomische achtergrond en wel of
        geen migratieachtergrond. Daarbij versterkt hun achtergrond de verschillen tussen jongens
        en meiden. Anders gezegd: jongens uit een lager sociaaleconomisch milieu en met een niet-
        westerse migratieachtergrond hebben een minder positieve schoolloopbaan dan jongens uit
        een hoog sociaaleconomisch milieu en zonder migratieachtergrond (zie verder hoofdstuk 5).
21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>        Het tweede verschil betreft de loopbaan op de arbeidsmarkt. Na afronding van de
        schoolloopbaan gebeurt het omgekeerde. Op de arbeidsmarkt verzilveren meiden hun
        voorsprong (nog) niet. De verschillen tussen mannen en vrouwen nemen af, maar zijn
        nog altijd groot. Vrouwen verdienen minder, werken vaker in deeltijd (ook al direct na
        afstuderen) en stromen minder vaak door naar management- en topfuncties. De grootste
        verschillen ontstaan na de geboorte van hun eerste kind (zie verder hoofdstuk 6).
        Ten derde zijn er grote verschillen in de verdeling van jongens en meiden over sectoren en
        beroepen (horizontale onderwijs- en arbeidsmarktsegregatie). Deze verschillen ontstaan
        in het onderwijs en werken door op de arbeidsmarkt. De profielkeuze in het voortgezet
        onderwijs wordt bestendigd in de studiekeuze in het middelbaar beroepsonderwijs, hoger
        onderwijs en op de arbeidsmarkt. Nederland kent in vergelijking met andere landen een
        grote horizontale onderwijssegregatie tussen de seksen. In Nederland studeren bijvoorbeeld
        aanzienlijk minder vrouwen wiskunde, natuurkunde, techniek en ict dan in welk van de
        OECD-referentielanden ook. Mannen kiezen juist aanzienlijk minder voor zorg en onderwijs.
        Deze scheve verdeling van jongens en meiden over profielen, sectoren en opleidingen is
        groter in het vmbo en mbo dan in het hoger onderwijs (zie verder hoofdstuk 7).
   2.2	Verschillen in vaardigheden en hersenen verklaren
        verschil in schoolloopbaan niet
        Verschillen tussen jongens en meiden in het onderwijs ontstaan door een complex
        samenspel van biologische en omgevingsfactoren. Hoeveel precies te verklaren is
        door biologische verschillen valt moeilijk te zeggen. Wel is bekend dat sekseverschillen
        in prestaties en vaardigheden behoorlijk fluctueren in de tijd en tussen landen.11
        Omgevingsfactoren spelen dus zeker ook een belangrijke rol.
        Over de interactie tussen biologische en omgevingsfactoren is weinig bekend. Het zou
        kunnen zijn dat omgevingsfactoren bepalen of de biologische potentie tot uitdrukking komt
        en hoe sterk. Zo kunnen subtiele biologische verschillen in de loop der jaren uitvergroot
        en geaccentueerd worden.12 Jongens en meiden kunnen in potentie hetzelfde, maar als
        jongens en meiden anders behandeld worden, ontwikkelen ze zich daardoor anders.
        Verschillen in prestaties en vaardigheden zijn dan het gevolg van (jaren) selectief oefenen.
        Oefening en ervaring kunnen zo de invloed van biologische verschillen domineren.
        De verschillen tussen jongens en meiden in prestaties, vaardigheden en hersenen zijn
        beperkt. De variatie binnen de groep jongens en binnen de groep meiden is groter dan die
        tussen de groepen.13 Ze zijn in ieder geval te klein om de verschillen in schoolloopbanen te
        verklaren. De verschillen in prestaties tussen jongens en meiden in het primair onderwijs
        en de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs zijn vrij klein. Daarbij presteren de ene
        keer meiden (licht) beter (taal) en de andere keer jongens (wiskunde). Ook de verschillen
        in cognitieve en non-cognitieve vaardigheden zijn over het algemeen beperkt, behalve
        als het gaat om sociaal gedrag (waarbij meiden in het voordeel zijn) en mentale rotatie14
        (waarbij jongens in het voordeel zijn). Er is discussie of er verschillen bestaan in plannings-
        en controlefuncties (executieve functies) tussen jongens en meiden. Wierenga en Crone
        vonden in hun onderzoek op dit punt slechts kleine verschillen, terwijl Jolles wel verschillen
        aantrof in de executieve functies. Wetenschappers lijken het er wel over eens dat
        vaardigheden als het maken van gedragskeuzes, prioriteren, evalueren, rekeninghouden
        met de wensen en emoties van anderen, bij zowel jongens als meiden, vanaf hun 14e jaar
        sterk in ontwikkeling zijn (zie ook hoofdstuk 4).15
        Het onderzoek van Wierenga en Crone laat zien dat de hersenen van jongens en
        meiden meer overeenkomsten vertonen dan verschillen en dat jongens niet achterlopen
        in de hersenontwikkeling. Een van de eerste studies naar verschillen in hersengroei
        tussen jongens en meiden vond aanwijzingen dat jongens in de voorste delen van de
        hersenschors (prefrontale cortex) één jaar achterlopen in ontwikkeling ten opzichte van
        11 Driessen & Van Langen, 2011b.
        12 Jolles, 2017.
        13 Wierenga & Crone, 2019.
        14	Vermogen om een 3D-object, meermaals afgebeeld in 2D vanuit telkens een andere
            invalshoek, te herkennen als hetzelfde object.
22      15 Jolles, 2007 en 2017; Crone, 2008.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>        meiden.16 Deze resultaten zijn echter in vervolgstudies, deels gebaseerd op dezelfde
        Amerikaanse dataset, niet weer gevonden.17 Recentere studies met andere steekproeven
        kunnen de veronderstelde vertraagde hersengroei bij jongens niet bevestigen. Dit
        zou betekenen dat de verschillen in hormonen niet hetzelfde effect hebben op de
        hersenontwikkeling als op geslachtsverschillen in lichaamsgroei (een eerdere groeispurt
        in lichaamslengte bij meiden dan bij jongens). Ook is onlangs onderzocht of er een relatie
        is tussen hersengroei en verschillen in prestaties op een rekentaak (jongens presteerden
        beter) en een leestaak (meiden presteerden beter). Er werd geen verband gevonden.18
        Er is dus tot nu toe geen bewijs dat geslachtsverschillen in hersengroei de verschillen in
        schoolprestaties kunnen verklaren (zie ook hoofdstuk 4).
   2.3	Omgevingsfactoren verklaren belangrijk deel van de
        verschillen
        Als de verschillen in schoolloopbaan maar zeer beperkt voortkomen uit verschillen in
        prestaties, vaardigheden en hersenontwikkeling, waar ligt de oorzaak dan wél? De literatuur
        draagt verklaringen aan op het niveau van het gezin, de school en de samenleving.
        Gezin en sociale omgeving
        Op het niveau van het gezin en de sociale omgeving noemt de literatuur
        ‘seksespecifieke socialisatieprocessen’ als verklaring voor verschillen in school- en
        beroepsloopbanen. Opvoeding speelt een belangrijke rol in de eigenschappen die
        meiden en jongens ontwikkelen en de manier waarop ze zich (gaan) gedragen.19
        Kinderen worden beloond voor gedrag dat de ouders zien als passend bij hun sekse,
        en gecorrigeerd bij ‘niet-passend’ gedrag. Zo leren kinderen hoe ze zich horen te
        gedragen. Daarnaast identificeren kinderen zich met rolmodellen binnen het gezin.
        Die imiteren ze, waardoor ze zich ook zonder expliciete beloning sekserollen eigen
        maken. Door zulke socialisatieprocessen ontwikkelen jongens en meiden verschillende
        toekomstperspectieven en beelden van hun competenties.20 En dat leidt tot verschillen
        in loopbanen. De laatste jaren is er ook aandacht gekomen voor de invloed van
        leeftijdgenoten, die verschillen tussen jongens en meiden kan verklaren. Onderzoek
        laat zien dat jongensculturen over het algemeen minder op leren en school zijn gericht
        dan meisjesculturen. Je inzetten voor school beschouwen veel jongens als ‘niet cool’.
        Jongens lopen niet graag het risico als ‘nerd’ gezien te worden.21
        School en stelsel
        Binnen de school vinden socialisatieprocessen plaats die in het verlengde liggen van die
        binnen het gezin. Leraren hebben verschillende verwachtingen van jongens en meiden,
        en het lesmateriaal bevat stereotypen die de socialisatieprocessen van jongens en
        meiden beïnvloeden. Ook de leeromgeving speelt een rol. Als op school belangrijke zaken
        ontbreken zoals duidelijkheid, regels, structuur, een veilig pedagogisch-didactisch klimaat,
        goede begeleiding en een zorgstructuur, zijn jongens (extra) in het nadeel.22 Verder is
        er de laatste jaren veel aandacht voor de gedachte dat de oververtegenwoordiging van
        vrouwen in het basisonderwijs leidt tot minder positief gedrag en mindere prestaties van
        jongens. Voor dit veronderstelde verband is echter – anders dan voor de eerste twee –
        geen empirische ondersteuning. De prestaties van jongens worden niet beïnvloed door
        de sekse van de leraar.23 Het onderwijsstelsel (macroniveau) speelt een rol.24 Een meer
        gedifferentieerd stelsel is gunstig voor jongens en vroege selectie is gunstig voor meiden.
        Samenleving
        Tot slot bevat de literatuur verklaringen op het niveau van de samenleving. Kenmerken van
        de economie, arbeidsmarkt, algemeen maatschappelijke opvattingen over seksegelijkheid
        en emancipatie, en het overheidsbeleid spelen een rol.25 Onderzoek wijst bijvoorbeeld uit
        dat in landen waar de vrouwenemancipatie en het genderbewustzijn verder ontwikkeld zijn,
        16   Lenroot e.a., 2007.
        17   Aubert-Broche e.a., 2013.
        18   Wierenga, Bos, Van Rossenberg & Crone, 2019.
        19   Bijvoorbeeld Belotti, 1975.
        20   Eidhof, Van Houtte & Vermeulen, 2016.
        21   Ibid.
        22   Heemskerk, Van Eck, Kuiper & Volman, 2012.
        23   Driessen & Doesborgh, 2004; Martino, 2008.
        24   Van Langen & Dekkers, 2005; Scheeren, Van de Werfhorst & Bol, 2018.
23      25   Van Langen & Dekkers, 2005; Driessen & Van Langen, 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>             meer vrouwen kiezen voor bètastudies. In Nederland bestaan sterke opvattingen over de
             rolverdeling tussen mannen en vrouwen bij zorgtaken.26 Nederland kent een deeltijdtraditie
             met name voor vrouwen en dat leidt tot verschillen in loopbanen – vooral na de geboorte
             van het eerste kind, ook wel ‘motherhood penalty’ genoemd. Het arbeidssysteem is
             ingericht op het ‘anderhalfverdienersmodel’ 27 en daarop wordt ook beleid gemaakt.
             Bijvoorbeeld ten aanzien van voorzieningen voor kinderopvang en verlofregelingen.
             De verklaringen worden uitgebreider beschreven in hoofdstuk 8.
   2.4	Omgevingsfactoren kunnen ontwikkeling van
             capaciteiten belemmeren
             Onderbenutting van capaciteiten is problematisch voor individu en samenleving
             De raad vindt verschillen in schoolloopbanen problematisch als ze het gevolg zijn van
             omgevingsfactoren die leiden tot (1) onderbenutting van wat kinderen en jongeren in
             hun mars hebben en (2) belemmeringen in het maken van keuzes. Van onderbenutting
             is sprake wanneer kinderen en jongeren niet de kennis, vaardigheden en houdingen
             ontwikkelen waarvoor zij de potentiële bekwaamheden hebben.
     Wat is ‘in aanleg’?
     Met ‘wat kinderen en jongeren in hun mars hebben’ doelt de raad op waar ze in aanleg
     toe in staat zijn, hun potentiële bekwaamheden. Dit zijn de kennis, vaardigheden en
     houdingen die ze zich eigen kunnen maken om de volgende stappen in hun leven te
     zetten, zoals een beroep gaan uitoefenen en meedraaien in de samenleving en in de
     democratische rechtstaat. Daarbij gaat het om:
     • cognitieve kennis en vaardigheden zoals taal, rekenen en wiskunde;
     • vakspecifieke kennis en vaardigheden, bijvoorbeeld in de vakken geschiedenis en
         economie;
     • beroeps- en vakgerelateerde kennis, vaardigheden en houdingen die bijvoorbeeld aan
         bod komen in beroepsonderwijs; en
     • kennis, vaardigheden en houdingen die nodig zijn om een rol te kunnen spelen in de
         democratische rechtstaat.
             De raad vindt het belangrijk dat iedereen de mogelijkheid krijgt eigen capaciteiten te
             ontwikkelen en een loopbaan te kiezen die daarbij past. Hier ligt een rol voor ouders, de
             school en de samenleving. Dit uitgangspunt sluit aan bij een meritocratisch onderwijsideaal
             en het uitgangspunt van een democratische samenleving, waarin keuzevrijheid een
             groot goed is. Mensen mogen kiezen wat ze willen doen en worden en er horen geen
             belemmeringen te zijn om zo’n keuze te maken.28
             Onderbenutting van het menselijk potentieel is problematisch voor het individu én voor de
             samenleving. Individuen kunnen hierdoor minder bereiken in hun leven (terwijl ze dat wel
             zouden willen) en daardoor minder bereiken in en voor de samenleving. Ook de segregatie
             naar sectoren en beroepen kan problematisch zijn voor individu en samenleving. Deze
             horizontale segregatie beperkt de keuzes die mensen kunnen maken in hun leven, in het
             onderwijs en op de arbeidsmarkt.29 Bijvoorbeeld de keuze om deel te nemen aan betaalde
             arbeid, om al dan niet in deeltijd te werken en om werkzaam te zijn in een bepaalde sector
             of bepaald beroep. De segregatie bestendigt stereotypen. Dat maakt bepaalde beroepen
             slechts beperkt toegankelijk voor mannen en vrouwen.30 Ook bepaalt de horizontale
             segregatie onder andere status, prestige, werkcondities, werkomgeving, ervaringen en
             beloning van mannen en vrouwen.31 Dit houdt de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen
             in de samenleving in stand.32 Voor de samenleving als geheel is de horizontale segregatie
             problematisch omdat de beperkte diversiteit binnen sectoren en beroepen samengaat met
             26 Michel & Mahon, 2002; Kremer, 2007.
             27 Waarbij de man telt voor 1 fte en de vrouw voor 0,5 fte.
             28 Berlin, 2017.
             29 Xie & Shauman, 1997; EIGE, 2017.
             30 EIGE, 2017.
             31	Charles & Grusky, 2004; Kreimer, 2004; Reskin & Bielby, 2005; Steinmetz, 2012; Burchell,
                 Hardy, Rubery & Smith, 2014.
24           32 Kreimer, 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   minder creativiteit en innovatie.33 De segregatie is extra problematisch voor sectoren met
   tekorten zoals het onderwijs (zie de initiatiefnota vanuit de Tweede Kamer), de thuiszorg en
   de techniek. Door de segregatie zijn de tekorten nog groter.
   De raad vindt onderbenutting van potentiële bekwaamheden, en de belemmeringen om
   bepaalde keuzes te maken vooral problematisch als het steeds dezelfde groep mensen
   overkomt, dus steeds jongens of steeds meiden. Jongens en meiden zijn met min of meer
   dezelfde potentie geboren.34 Wanneer prestaties en loopbanen van jongens en meiden
   systematisch van elkaar afwijken, duidt dit op ongelijke kansen om bepaalde capaciteiten te
   ontwikkelen en/of op belemmeringen om bepaalde keuzes te maken. Verschillen mogen er
   zijn, maar geen ongelijke kansen en beperkte keuzevrijheid. Volgens de raad zouden jongens
   en meiden, en mannen en vrouwen meer dan nu het geval is dezelfde onderwijsloopbanen
   en beroepsloopbanen kunnen hebben. Tegelijkertijd is keuzevrijheid belangrijk in de
   democratische samenleving. Burgers moeten vrij keuzes kunnen maken, vrij kunnen bepalen
   welke normen en waarden bij hen passen en welke opvoeding ze hun kinderen willen geven.
   In het volgende hoofdstuk onderzoekt de raad mogelijkheden om de horizontale segregatie
   en de verschillen in deeltijdwerken te verkleinen met behoud van ruimte voor burgers om
   keuzes te maken.
   Vooral denkbeelden over gender werken belemmerend
   Binnen de maatschappij wordt op verschillende manieren aangekeken tegen het onderscheid
   tussen mannen en vrouwen. Dit maakt ook dat mensen uiteenlopende visies hebben op hoe
   de maatschappij eruit moet zien. Afhankelijk van hun visie kennen ze mannen en vrouwen
   dezelfde of juist andere eigenschappen, rechten, taken, rollen, mogelijkheden, sociale
   status enzovoort toe. Zulke visies en opvattingen werken door in het gedrag van mensen, de
   manier waarop ze elkaar tegemoet treden en de keuzes die ze maken. Leraren, leerlingen en
   studenten nemen deze ook mee het onderwijs in. De raad onderscheidt vier perspectieven
   en laat zien hoe ze het benutten van capaciteiten belemmeren.
   Gender-essentialisme is de – soms stilzwijgende – overtuiging dat mannen en vrouwen
   aangeboren en fundamenteel verschillende interesses en vaardigheden hebben.35
   Gender-essentialisme biedt niet alleen een verklaring voor maatschappelijke patronen,
   maar moedigt ook traditionele, conformistische keuzes aan. Mensen met deze
   opvattingen verwijzen naar biologische (‘natuurlijke’, ‘essentiële’) verschillen tussen
   de seksen om bredere verschillen te verklaren.36 Volgens het gender-essentialisme
   zijn maatschappelijke verschillen tussen mannen en vrouwen dus niet iets cultureel-
   historisch (verbonden aan een bepaalde plaats en tijd).37 Ook leraren kunnen expliciete of
   impliciete essentialistische overtuigingen hebben. Dit komt tot uitdrukking in hun gedrag
   naar jongens en meiden (jongens kunnen nu eenmaal niet plannen, meiden kunnen
   nu eenmaal geen wiskunde), waardoor deze minder kansen krijgen. En dat kan weer
   uitmonden in onderbenutting van capaciteiten.
   Daarnaast moedigt het essentialisme jongens en meiden aan stereotiepe keuzes te maken.38
   Er spelen expliciete of impliciete overtuigingen mee over wat mannen en vrouwen goed
   kunnen en wat bij hen past. Terwijl meiden bijvoorbeeld heel goed kunnen zijn in wiskunde
   en het leuk zouden vinden in de techniek te werken, kiezen ze voor andere vakgebieden
   zoals onderwijs en zorg. En omgekeerd kunnen jongens heel goed zijn in zorg, en motivatie
   halen uit het volgen van zo’n profiel of studierichting, maar kiezen voor techniek. Dit
   ‘genderconformisme’ is een van de belangrijkste verklaringen voor het ontstaan van typische
   mannen- en vrouwenberoepen (horizontale segregatie). Het verklaart ook waarom vrouwen
   vaker kiezen voor deeltijdwerk (zie hoofdstuk 8). Vergeleken met andere landen zijn de
   horizontale segregatie en de oververtegenwoordiging van vrouwen in deeltijdwerk in
   33 PricewaterhouseCoopers, 2008.
   34 Jolles, 2017.
   35 England, 2010.
   36	Pilcher & Whelehan, 2004. p.41. Sommige mensen vinden het bijvoorbeeld niet
       problematisch dat vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in de top van het bedrijfsleven,
       omdat zij dit zien als een logisch gevolg van het ‘natuurlijke overwicht’ van mannen.
       In Nederland is deze manier van denken (de vrouw als het ‘zwakke geslacht’) de
       afgelopen decennia in het openbaar steeds meer in diskrediet geraakt. Een ander, vaak
       gehoord voorbeeld van gender-essentialistisch denken is het verklaren van de relatieve
       oververtegenwoordiging van vrouwen in de zorg met de redenering dat vrouwen van nature
       zorgzamer zijn, omdat zij kinderen kunnen baren en mannen niet. Mannen zouden van
       nature juist technischer zijn en daarom zijn oververtegenwoordigd in de techniek.
   37 Ibid.
25 38 England, 2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   Nederland erg groot (zie hoofdstuk 6 en 7). De ongelijke verdeling van mannen en vrouwen
   over sectoren, beroepen en posities leidt op zichzelf weer tot minder gelijke kansen en
   meer genderconformisme. Het alom zichtbare maatschappelijke patroon – weinig vrouwen
   aan de top, getalsmatige ‘mannen-’ en ‘vrouwenberoepen’ en de ongelijke verdeling van
   onbetaald werk c.q. de onderwaardering van traditioneel ‘vrouwelijk’ werk – versterkt dat
   jongens/mannen en meiden/vrouwen minder kansen krijgen en daar zélf ook in meegaan
   door alleen genderconforme keuzes te overwegen.39
   Het egalitarisme is ‘gelijkheidsdenken’, gericht op gelijke kansen én op gelijke(re)
   uitkomsten. Aan de ene kant is er het meer individualistische kansengelijkheidsperspectief
   van het liberalisme. Aan de andere kant is er egalitaristische kritiek op de verschillen
   in uitkomsten tussen groepen, zoals mannen en vrouwen. Het egalitarisme streeft naar
   een zo gelijk mogelijke verdeling van maatschappelijke posities tussen mannen en
   vrouwen ‘op groepsniveau’. Daarbij kan men denken aan economische onafhankelijkheid,
   macht, onbetaald werk, politieke functies, zorgtaken en opvoeding. Dit is vaak ook de
   belangrijkste manier waarop emancipatie in de praktijk wordt gemeten. In extreme vorm
   streeft het egalitarisme een ‘fiftyfifty’-samenleving na, wat de keuzevrijheid van burgers
   mogelijk aantast.
   Het communitarisme legt de nadruk op de gemeenschap. Standpunten over wat wenselijk
   of onwenselijk is, komen voort uit religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen,
   praktijken en instituties die binnen een gemeenschap worden overgedragen.40 Aanhangers
   van dit perspectief zijn eerder geneigd voorrang te verlenen aan de belangen van de
   gemeenschap dan aan persoonlijke belangen. Mannen en vrouwen zullen zich daarom
   bijvoorbeeld eerder conformeren aan gegeven maatschappelijke en sociale rollen. Dorpen
   kunnen gemeenschappen vormen, en bijvoorbeeld kerkgemeenten. De natie is in zekere
   zin ook een gemeenschap.41 Ook vanuit het communitarisme worden keuzes gemaakt
   op basis van tradities en gebruiken. Een lid van de gemeenschap zal geneigd zijn zich te
   conformeren aan sociale rollen die vanuit die gemeenschap geformuleerd worden. Denk
   aan bepaalde kerkelijke gemeenschappen die specifieke rollen toewijzen aan vrouwen en
   aan mannen (vrouwen zorgen voor de kinderen en mannen zijn kostwinner). Ook dit kan
   leiden tot onderbenutting van capaciteiten.
   Het constructivisme of sociaal constructivisme stelt dat hoe we denken en ons gedragen
   continu wordt geconstrueerd door (groepen) mensen in sociale processen. In die zin
   staat het lijnrecht tegenover het essentialisme, dat uitgaat van essentiële, ‘natuurlijke’
   waarheden, die los staan van ons (groeps)denken.42 In genderstudies hebben sociaal-
   constructivistische auteurs vooral betoogd dat maatschappelijke verschillen en
   hiërarchische verhoudingen tussen mannen en vrouwen geen ‘natuurlijk’ gevolg zijn van
   essentiële sekse-eigenschappen, maar de uitkomst zijn van socialisatie in het gezin,
   in de gemeenschap, op school, op het sportveld enzovoort. Stereotiepe denkbeelden
   en praktijken worden bijvoorbeeld ook gereproduceerd en versterkt in de media, in de
   landelijke politiek, in reclame-uitingen en in bepaalde levensbeschouwingen.43 Het sociaal
   constructivisme biedt onder andere een verklaring voor het genderconformisme van zowel
   mannen als vrouwen.
   39 Xie & Shauman, 2005; Yazilitas, Svensson, De Vries & Saharso, 2013; England, 2010.
   40 Taylor, 1989; Etzioni, 1993.
   41 Anderson, 2006.
   42 Bryman, 2004. p. 538-539.
   43	Pilcher & Whelehan, 2004; Van Tricht, 2018. Zoals Van Tricht (p. 64) schrijft: “De grote vraag
       is: als de (evolutionair-)biologische verschillen tussen mannen en vrouwen zo groot zijn, hoe
       komt het dan dat die verschillen in uiteenlopend sociaalpsychologisch onderzoek zo klein
       zijn? Of anders gezegd: waarom is er meer verschil tussen mannen onderling en vrouwen
       onderling dan tussen de categorieën man en vrouw? (…) Op zulke vragen komt geen
       antwoord. Een logische conclusie vind ik dat genen, hormonen, hersenen én de evolutionair-
       biologische projecties op een fictief verleden uiteindelijk niet zo veel verschil tussen mannen
       en vrouwen weten te creëren als men ons wil laten geloven. Mannen en vrouwen blijken
26     vooral gewoon mensen te zijn, met alle mogelijke variaties van dien.”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>27</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   Onderwijs heeft een rol in het verkleinen van
   verschillen in loopbanen. Zet in op bewustwording
   van genderstereotypering in het onderwijs.
   Vermijd een seksespecifieke aanpak en focus op
   individuele verschillen tussen leerlingen. En zet
   aanvullende instrumenten in op de arbeidsmarkt.
   3     Mogelijke oplossingen
   	Onderwijs draagt bij aan verkleinen van
         verschillen in loopbanen
         Ongelijke kansen tussen jongens en meiden en verschillen in keuzepatronen hangen dus samen
         met omgevingsfactoren op drie niveaus: gezin en sociale omgeving, onderwijs en maatschappij.
         De raad vraagt hier aandacht voor de invloed van de factoren op het niveau van de
         maatschappij. En specifiek voor de invloed van denkbeelden over gender en hoe deze
         doorwerken in het onderwijs.
         De raad vraagt ook aandacht voor factoren op schoolniveau. De ene school lukt het beter gelijke
         kansen en keuzemogelijkheden te creëren voor jongens en meiden dan andere. Onderwijs
         kan dus een rol hebben in het verkleinen van verschillen in school- en beroepsloopbanen
         (bijvoorbeeld uitval, zittenblijven en beroepskeuze) en zou die rol ook moeten nemen.
         Vanuit de twee niveaus maatschappij en school heeft de Onderwijsraad nagedacht over
         mogelijke oplossingen: vergroot de bewustwording van culturele normen ten aanzien van gender
         (paragraaf 3.1); verklein verschillen door in te spelen op individuele leerlingen (paragraaf 3.2); en
         zet aanvullende instrumenten in om verschillen op de arbeidsmarkt te verkleinen (paragraaf 3.3).
   3.1	Vergroot de bewustwording van culturele normen ten
         aanzien van gender in het onderwijs
         Gender gaat over de beleving van sekse in een samenleving, over hoe we aankijken tegen
         sekseverschillen en daar betekenis aan toekennen. Onze overtuigingen en opvattingen over
         gender maken dat mannen en vrouwen dezelfde of juist verschillende eigenschappen, rechten,
         taken, rollen, mogelijkheden, sociale status enzovoort krijgen toegekend.
         De overtuigingen en opvattingen ten aanzien van gender blijken een relatief belangrijke
         verklaring te zijn voor verschillen in loopbanen tussen jongens en meiden, zo blijkt uit deze
         verkenning. Vooral als het gaat om de horizontale segregatie. In Nederland is het onderscheid
         tussen ‘typische mannen- en vrouwenberoepen’ (horizontale segregatie) relatief groot.
         De Onderwijsraad adviseert de minister meer bewustwording te creëren over
         genderstereotypering in het onderwijs. Genderstereotypering kan zich op drie manieren
         voordoen: door verwachtingen en gedrag van leraren, bij loopbaanoriëntatie en -begeleiding
         en in lesmateriaal.
29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>   De lerarenopleiding kan een belangrijke rol spelen in de bewustwording van de
   verschillende vormen van genderstereotypering en de minister kan er ook voor kiezen
   nascholingsaanbod te stimuleren op dit vlak.
   In deze verkenning spreekt de raad niet alleen beide ministers van Onderwijs, Cultuur en
   Wetenschap aan, maar ook werkgevers. Aanvullende instrumenten zijn nodig, omdat het
   onderwijs niet alles kan oplossen (zie paragraaf 3.3).
   Leraren worden zich (nog) meer bewust van stereotypen
   De Onderwijsraad vraagt specifiek aandacht voor de impact van het gedrag en de
   verwachtingen van leraren. Dit blijkt een belangrijke verklarende factor. Onderzoek van
   een groot aantal jaar geleden (1984) wees uit hoe lastig het is stereotypen in het denken te
   vermijden.44 Terwijl de meerderheid van de leraren vond dat onderwijs niet rolbevestigend moest
   zijn, bleken ze geijkte denkbeelden over jongens en meiden uit te dragen in de klas en beide
   groepen anders te benaderen. Destijds was dat in het nadeel van meiden. Een meerderheid
   van de leraren vond meiden ijveriger, kwetsbaarder, volgzamer en dommer dan jongens. Vooral
   kwetsbaarheid vonden ze kenmerkend voor meiden. Dat sprak voor de leraren vanzelf, ze
   stonden er niet bij stil dat dit rolbevestigende denkbeelden waren. Verder vond bijna een derde
   (29,5%) dat je als leraar meiden moest beschermen en niet te hard moest aanpakken. Bijna
   de helft (46,5%) vond ook dat je meiden geen abstracte en ingewikkelde taken moest geven.45
   Tegenwoordig lijken juist de verwachtingen ten aanzien van jongens lager.
   Recenter onderzoek (2015) laat zien dat leraren jongens en meiden anders benaderen.46
   Leraren hebben meer aandacht voor negatief gedrag in verhouding tot positief gedrag.
   En jongens krijgen het grootste deel van de aandacht van leraren – zowel positieve als
   negatieve aandacht. Jongens en meiden krijgen positieve aandacht voor verschillende
   karaktereigenschappen. Meiden worden vooral geloofd om hun goede schoolse
   karaktereigenschappen of gedrag, denk aan stil zijn, meewerken, en jongens voor zaken
   als gevoel voor humor en een extraverte persoonlijkheid.47
   Er is in de onderzoeksliteratuur geen bewijs gevonden voor de vaak gehoorde suggestie
   dat jongens slechter presteren wanneer ze leskrijgen van een vrouw. Toch wordt de
   oververtegenwoordiging van vrouwen in het basisonderwijs vaak als verklaring voor
   verschillen aangedragen. Door de oververtegenwoordiging zou de cultuur ‘te feminien’
   zijn, waardoor jongens in het nadeel zijn.48 Meiden zouden niet alleen een andere manier
   van leren hebben dan jongens, deze manier zou ook op de meeste scholen de norm zijn
   geworden. Dit zou nadelig uitpakken voor de jongens. Ook het ontbreken van mannelijke
   rolmodellen zou in het nadeel zijn van de jongens.
   Maar er is geen empirisch bewijs gevonden voor sekseverschillen in manieren van leren.49
   En ook niet voor de veronderstelling dat jongens slechter presteren wanneer ze les krijgen
   van een vrouw of beter wanneer er een man voor de klas staat.50 Er zijn wel aanwijzingen
   dat het gedrag van jongens in het onderwijs vaker dan dat van meiden wordt bestraft
   en gecorrigeerd door leraren (zowel mannen als vrouwen).51 Welk effect dat heeft, is
   niet bekend. Wel kan het ontbreken van mannelijke rolmodellen invloed hebben op de
   beroepskeuzes van jongens en meiden. Door de oververtegenwoordiging van vrouwen in
   het basisonderwijs (zie de initiatiefnota vanuit de Tweede Kamer in paragraaf 1.3) kunnen
   kinderen en jongeren onbewust de boodschap meekrijgen dat werken in het basisonderwijs
   vooral iets is voor vrouwen en niet voor mannen.
   Sekse-stereotyperen in het onderwijs is hardnekkig en gebeurt onbewust. Zonder dat je er erg
   in hebt kunnen stereotypen worden bevestigd in gedrag. Lage verwachtingen kunnen zichzelf
   waarmakende voorspellingen worden. Juist doordat je lage verwachtingen hebt, zullen die
   ook uitkomen. Het is belangrijk dat leraren aandacht hebben voor de mogelijkheid dat hun
   verwachtingen ten opzichte van jongens te laag zijn. En dat ze die vervolgens (onbewust)
   overbrengen, steeds weer.52 Confrontatie met video-opnames van het eigen lesgeven kan
   leraren helpen zich bewust te worden van hun stereotiepe denken en handelen, en onjuiste
   beelden over leerlingen te corrigeren.
   44   Jungbluth, 1984.
   45   Ibid; Van den Bergh, Denessen & Volman, 2020.
   46   Van Maele e.a. 2015.
   47   Ibid.
   48   Driessen, 2005 en 2009; Veendrick, Tavecchio & Doornenbal, 2004.
   49   Driessen & Van Langen, 2011b.
   50   Driessen & Doesborgh, 2004; Martino, 2008.
   51   Tavecchio, 2019; Van Maele e.a. 2015.
30 52   Van Maele e.a. 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>        Voorkom stereotypen in loopbaanoriëntatie en -begeleiding en stimuleer twee
        kanten op
        De raad vraagt aandacht voor een genderneutrale loopbaanoriëntatie en -begeleiding
        (LOB). Laat leerlingen en studenten in het onderwijs kennis maken met een breed palet
        aan profielen, sectoren, studierichtingen. Wanneer ze kennis maken met veel verschillende
        richtingen, vertaalt zich dat in minder stereotiepe keuzes. Als jongeren niet kunnen kiezen
        tussen profielen, sectoren of studierichtingen, kiezen ze vaak voor de meest gangbare
        optie. Dit is dikwijls ook een genderstereotiepe keuze. Eerder pleitte de raad voor een
        brede oriëntatie op het havo en vwo door ook beroepsgerichte vakken een plek te geven
        in het curriculum. Hierdoor kunnen havisten en vwo’ers zich breed ontwikkelen en zich
        beroepsmatig breed oriënteren en bekwamen.53 Ook dit kan genderstereotiepe keuzes
        helpen voorkomen. Voor de brede oriëntatie in het mbo is het belangrijk dat er voldoende
        stageplekken zijn in uiteenlopende sectoren. Hierin hebben werkgevers een taak.
        Naast de brede oriëntatie kan ingezet worden op het verleiden van jongeren om minder
        stereotiepe keuzes te maken. Dat vergt specifiek beleid voor meiden én voor jongens. Zo
        kunnen meiden gestimuleerd worden te kiezen voor techniek en jongens voor bijvoorbeeld
        onderwijs en zorg. Nu richt het beleid zich alleen op het stimuleren van meiden om te
        kiezen voor zogenoemde STEM-studies (Science, Technology, Engineering, Mathematics).
        Dit zijn studies waar het accent ligt op exacte en toegepaste wetenschappen, techniek en/
        of ict en wiskunde. Ze monden vaak uit in wetenschappelijke en/of technisch georiënteerde
        beroepen.
        In navolging van de Sociaal-Economische Raad (SER) vraagt de Onderwijsraad ook
        aandacht voor de voorlichting van jongeren over de studie- en beroepskeuze en de
        implicaties van die keuzes. Creëer al op de middelbare school bewustzijn bij leerlingen
        over de (financiële) implicaties van een keuze voor werken in bepaalde sectoren en
        voor deeltijdwerk, en wat die betekenen voor hun economische (on)afhankelijkheid en
        carrièremogelijkheden.54 Jongeren zijn daar vaak niet bewust mee bezig. Des te meer
        reden om er aandacht aan te besteden in de loopbaanoriëntatie en -begeleiding.
        Voorkom stereotypen in lesmateriaal
        Ook lesmateriaal is zelden genderneutraal. Uit onderzoek weten we dat vrouwen
        systematisch ondervertegenwoordigd zijn (in teksten en op afbeeldingen) in boeken
        voor de vakken Nederlands en wiskunde (brugklas). Personages met een beroep zijn
        hier vaker man dan vrouw en de mannelijke personages hebben een veel grotere
        diversiteit aan beroepen. Verder laat onderzoek zien dat blootstelling aan (subtiele)
        ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen en bijbehorende (negatieve) stereotypen
        kan leiden tot vermindere motivatie en lagere prestaties bij die groepen.55
        Het is dus zaak attent te zijn op dit soort stereotypen in lesmateriaal. Er zijn diverse
        middelen op de markt om het materiaal hierop te controleren en wetenschappers
        hebben een prijs gewonnen die hen in staat stelt een nieuw diagnostisch instrument te
        ontwikkelen.56 Stimuleer leraren dus dit soort middelen in te zetten.
   3.2	Verklein verschillen door te kijken naar individuen en
        niet naar sekse
        Heb aandacht voor individuele verschillen in plaats van een seksespecifieke aanpak
        Problematische verschillen in schoolloopbanen ontstaan niet alleen onder invloed van
        culturele normen, maar ook door factoren op schoolniveau. Daarvan lijken vooral de
        jongens de dupe. Uit onderzoek blijkt dat de ene school betere resultaten behaalt met
        jongens dan andere. Daar komt bij: op veel scholen waar jongens het goed doen – dat
        wil zeggen relatief weinig voortijdig schoolverlaten, weinig afstromen naar een lager
        onderwijstype en weinig zittenblijven – dit ook voor meiden geldt.57 De aanpak op deze
        scholen kenmerkt zich door aandacht voor individuele verschillen tussen leerlingen. Ze
        voeren dus niet zozeer een specifiek beleid gericht op jongens of op verschillen tussen
        53 Onderwijsraad, 2019.
        54 SER, 2019.
        55 Mesman, Van de Rozenberg, Van Veen, Zicha & Groeneveld, 2019.
        56	Zie https://www.magazine-on-the-spot.nl/nwo-synergy2020/synergy-award/ (geraadpleegd
            op 31 maart 2020).
31      57 Heemskerk e.a. 2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>        jongens en meiden als groep, maar kijken wat de individuele leerling nodig heeft. Een
        kenmerk van goed onderwijs. Belangrijk om op te merken is dat het onderwijs niet alleen
        moet aansluiten bij de behoeften en kenmerken van leerlingen, maar ook gericht moet zijn
        op ontwikkeling, grenzen verleggen en nieuwe dingen leren. Plannen, communiceren en
        samenwerken zijn nu eenmaal belangrijke vaardigheden in de samenleving.
        Onderwijs ingericht naar de veronderstelde behoeften van jongens (of meiden) kan juist
        negatief uitpakken. De verschillen binnen de groep jongens en binnen de groep meiden
        zijn groter dan die tussen de groepen.58 Bepaalde behoeften of kenmerken toedichten
        aan jongens of meiden kan stereotyperend werken. En handelen naar die veronderstelde
        behoeften en kenmerken kan juist leiden tot ongewenste beperkingen. Werk dus aan een
        brede ontwikkeling van jongens én meiden.
        Structuur, begeleiding en focus op het sturen van gedrag en motivatie
        De aanpak van scholen waar jongens het goed doen, behelst een combinatie van
        structuur bieden, goed begeleiden en voortdurend sturen en monitoren op gedrag en
        motivatie van leerlingen.
        Sommige scholen bieden structuur door het accent te leggen op aanbodgestuurd
        onderwijs, andere scholen leggen juist veel verantwoordelijkheid bij de leerlingen,
        begeleiden hen daarbij en leren hen bijvoorbeeld te structureren.
        Denk bij een goede begeleiding aan persoonlijke aandacht en een goede zorgstructuur
        gericht op vroege signalering van potentieel uitvallen, en ondersteuning van deze
        leerlingen. Deze scholen doen er ook veel aan om ouders bij het onderwijs van hun
        kinderen te betrekken. Dit om spijbelen, schooluitval en onderpresteren te voorkomen.
        De scholen sturen en monitoren het gedrag van leerlingen door aandacht te besteden aan
        plannen, het organiseren van schoolwerk, overzien van keuzes, zelfsturing, samenwerken
        en reflectie op eigen gedrag en vaardigheden. Door in te spelen op de interesses van
        leerlingen, en keuzemogelijkheid te bieden binnen de lesstof, proberen de scholen hun
        leerlingen ook (extra) te motiveren.
   3.3	Aanvullende instrumenten nodig om verschillen op
        arbeidsmarkt te verkleinen
        Op de arbeidsmarkt nemen de loopbaanverschillen een andere wending. Daar zijn het
        de vrouwen die een minder gunstige loopbaan hebben. Dit was al eerder onderwerp
        van onderzoek en beleid. Onlangs zijn er rapporten verschenen van de Sociaal-
        Economische Raad en het Sociaal en Cultureel Planbureau en is een interdepartementaal
        beleidsonderzoek (ibo) afgerond naar deeltijdwerken. Deze verkenning van de Onderwijsraad
        over loopbaanverschillen tussen jongens en meiden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt
        bevestigt het belang van de adviezen ten aanzien van het arbeidsmarktbeleid. Daarom
        brengt de raad ze nogmaals voor het voetlicht.
        De SER heeft diverse adviezen geformuleerd om belemmeringen voor genderdiversiteit
        op de arbeidsmarkt en binnen de arbeidsorganisatie weg te nemen. De SER heeft vooral
        bekeken waarom de doorstroom van vrouwen naar de (sub)top stagneert en welke
        maatregelen de belemmeringen kunnen wegnemen. De SER adviseerde maatregelen op vier
        terreinen,59 die inmiddels integraal zijn overgenomen door het kabinet.
        Ten eerste: maatregelen gericht op het verminderen van ongelijkheid op de arbeidsmarkt
        en het stimuleren van arbeidsparticipatie. De keuze voor deeltijdwerk – en dan vooral
        door vrouwen – is niet alleen te herleiden tot individuele preferenties of maatschappelijke
        voorkeuren. Deze keuze is deels ook een gevolg van financiële en praktische belemmeringen
        om meer uren te werken en bijvoorbeeld zorg en werk duurzaam te combineren.
        Ten tweede: maatregelen die het makkelijker maken om werken, zorgen en leren te
        combineren. Doel van deze maatregelen is talenten te ontwikkelen en mensen te
        ondersteunen bij hun arbeidsdeelname en het combineren van verschillende rollen en taken.
        De maatregelen zijn niet alleen gericht op vrouwen; ook mannen hebben er baat bij. Het gaat
        58 Wierenga & Crone, 2019.
32      59 SER, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>   om investeren in kinderopvang en sluitende dagarrangementen, optimalisering van verlof
   na de geboorte van het kind, en het stimuleren van een leven lang ontwikkelen tijdens de
   beroepsloopbaan. Gezinsverplichtingen vormen namelijk een belangrijke reden om af te
   zien van meer scholing voor degenen die kort daarvoor al een opleiding, cursus of training
   hebben gevolgd.
   Ten derde: maatregelen binnen arbeidsorganisaties. Bedrijven spelen een belangrijke
   rol in het bevorderen van diversiteit in de organisatie. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat
   de noodzaak en urgentie van diversiteitsbeleid door de top van de organisatie worden
   gevoeld, zichtbaar worden uitgedragen en dat de verantwoordelijkheid voor diversiteitsbeleid
   hoog in de organisatie belegd wordt. Ook is het belangrijk dat het diversiteitsbeleid in de
   organisatie verankerd wordt. Om duurzame resultaten te bereiken, zullen diversiteit en
   diversiteitsmaatregelen een plaats moeten krijgen in de reguliere strategische en HR-
   beleidslijnen (Human Resources, personeelsbeleid) en geïmplementeerd moeten worden
   in alle lagen van de organisatie. Dit om te voorkomen dat diversiteitsbeleid en -maatregelen
   afhankelijk zijn van enkele betrokken personen. En tot slot is het van belang kennis en
   inzicht te vergroten bij managers en leidinggevenden over kenmerken van de eigen
   organisatiecultuur en hoe medewerkers deze cultuur verschillend kunnen beleven.
   Ten vierde: maatregelen gericht op genderdiversiteit in de top. Deze zijn vooral bedoeld
   om de doorstroom van vrouwen te bevorderen en het tempo van de groei van het aandeel
   vrouwen in de top van het bedrijfsleven te versnellen.
   Het interdepartementaal beleidsonderzoek naar deeltijdwerken noemt een aantal
   aangrijpingspunten voor de overheid om de arbeidsduurbeslissingen te beïnvloeden. Diverse
   institutionele en maatschappelijke factoren dragen bij aan de deeltijdcultuur in Nederland. Denk
   aan sociale normen, het arbeidsmarktgedrag van werkgevers en (toekomstige) werknemers,
   het belasting- en toeslagenstelsel, verlofregelingen, de kinderopvang en schooltijden. Het
   fiscale stelsel is ingericht op het anderhalfverdienersmodel, waarbij de stap van niet werken
   naar betaald werken aantrekkelijk is, maar de keuze meer uren te gaan werken soms
   betrekkelijk weinig oplevert.
   Om veranderingen op gang te brengen zijn stevige keuzes nodig op een aantal
   beleidsterreinen, aldus het ibo-rapport. Dat is de consequentie van de sterke samenhang en
   verwevenheid van het bestaande systeem van kinderopvang, onderwijs, werknemers- en
   werkgeversgedrag, sociale normen en overheidsbeleid. De belangrijkste knoppen waaraan
   de overheid kan draaien om de arbeidsduurbeslissing te beïnvloeden zijn (1) het belasting- en
   toeslagenstelsel, (2) de kinderopvang en het onderwijs, en (3) de verlofregelingen. De geboorte
   van een kind is een moment waarop ouders belangrijke keuzes maken over de verdeling
   van het betaalde en onbetaalde werk, en biedt praktisch gezien ook veel aangrijpingspunten
   voor beleid. Op basis van deze bevindingen is een aantal beleidsvarianten ontwikkeld voor
   het realiseren van vier doelen: de economische zelfstandigheid vergroten, gelijkheid tussen
   vrouwen en mannen bevorderen, het arbeidsaanbod verruimen en verschillen in belastingdruk
   tussen een- en tweeverdieners verkleinen.60
   Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) onderzocht of en op welke manier vrouwen
   en mannen doorstromen naar leidinggevende functies en welke factoren daarbij een rol
   spelen. Het onderzoek laat zien dat arbeidsduur en overwerk het sterkst samenhangen
   met een lagere kans van vrouwen om door te stromen naar leidinggevende functies.
   De uitkomsten bevestigen de verwachting dat vrouwen minder vaak doorstromen naar
   leidinggevende en topfuncties doordat zij veel vaker dan mannen een deeltijdbaan hebben
   en minder vaak overwerken. In dat opzicht wordt het ibo-rapport over deeltijdwerken
   extra interessant. Het SCP pleit dan ook, net als het ibo-rapport, voor het stimuleren van
   voltijdwerk. Het SCP voegt daar nog aan toe dat maatregelen niet alleen gericht moeten
   zijn op werkende ouders, in het bijzonder moeders. Het is belangrijk de maatregelen ook te
   richten op andere groepen die relatief veel in deeltijd werken, zoals jonge en oude vrouwen
   zonder kinderen. Jonge vrouwen werken al vanaf het begin van hun loopbaan relatief
   vaak in deeltijd. Dat bepaalt direct hun latere kansen op doorstroom naar leidinggevende
   functies. Verder ligt er een rol voor bedrijven. Deze kunnen vaker het gesprek aangaan met
   vrouwen die in deeltijd werken en hen vragen of zij interesse hebben om meer uren te gaan
   werken. Ook kunnen bedrijven opnieuw bezien of leidinggevende functies werkelijk alleen
   in voltijd uit te oefenen zijn en of het takenpakket van topfunctionarissen zo aangepast kan
   worden dat het ook werkelijk een voltijdbaan van 40 uur is.61
   60 Ministerie van Financiën, 2020.
33 61 Menens & Idema, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>deel 2</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   De verschillen tussen jongens en meiden in
   prestaties en vaardigheden kunnen de verschillen
   in schoolloopbanen niet verklaren. Dat jongens in
   hun ontwikkeling een jaar zouden achterlopen op
   meiden, is niet bewezen.
   4	Bevinding 1
        Slechts kleine tot middelgrote verschillen
        in vaardigheden en hersenen
        Dit hoofdstuk gaat in op de verschillen in prestaties tussen jongens en meiden (paragraaf
        4.1), cognitieve en non-cognitieve vaardigheden (paragraaf 4.2) en hersenen (paragraaf
        4.3). Dit hoofdstuk is gebaseerd op een aantal overzichtsstudies. Voor de verschillen
        in cognitieve en non-cognitieve vaardigheden is geput uit het literatuuronderzoek van
        Wierenga en Crone. Zij belichten vooral experimentele studies die vaardigheden meten
        in een laboratoriumcontext, en in mindere mate studies gebaseerd op vragenlijsten die
        ervaringen meten van leerlingen zelf, leraren en ouders.
        Over het algemeen blijken de verschillen in prestaties tussen jongens en meiden klein.
        En soms presteren jongens beter en soms meiden. Ook de verschillen in vaardigheden
        zijn vaak klein, net als de verschillen in hersenontwikkeling. Recente studies kunnen niet
        aantonen dat jongens in hun ontwikkeling een jaar achterlopen op meiden.
   4.1  Verschillen in prestaties zijn beperkt
        Verschillen in prestaties in het onderwijs zijn beperkt en wisselen
        Qua schoolprestaties is er in Nederland geen sprake van een systematische achterstand
        van jongens ten opzichte van meiden – noch in het primair onderwijs, noch in de eerste
        vier jaar van het voortgezet onderwijs. De geconstateerde sekseverschillen in prestaties
        zijn namelijk vrij beperkt en bovendien afwisselend in het voordeel van de meiden of de
        jongens.
        Over het algemeen hebben de jongens een voorsprong bij de domeinen rekenen en
        wiskunde en de meiden bij de domeinen (Nederlandse) taal en lezen. De verschillen doen
        zich voor in het basis- en voortgezet onderwijs, maar op de basisschool zijn ze groter.62
        De internationale onderzoeken laten hetzelfde beeld zien. De figuren 3 en 4 tonen de
        ontwikkeling in de tijd van het verschil tussen jongens en meiden op de basisschool
        (4th grade) voor lezen en rekenen.63 De verschillen in Nederland zijn relatief constant.
        Op het gebied van lezen zijn de verschillen in Nederland kleiner en op het gebied van
        rekenen groter dan in de andere OECD-landen in het onderzoek.
        62 Driessen & Van Langen, 2013.
37      63 OECD, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                      Figuur 3: Trends in het sekseverschil in lezen in het basisonderwijs (4th grade) 64
                                                25
     Verschil in leesscore meiden en jongens
                                                20
                                                15
                                                10
                                                5
                                                                   2001                           2006                            2011                    2016
                                                      Figuur 4: Trends in het sekseverschil in rekenen in het basisonderwijs (4th grade) 65
                                                15
                                                12
                                                9
     Verschil in rekenscore meiden en jongens
                                                6
                                                3
                                                0
                                                -3
                                                -6
                                                -9
                                                -12
                                                -15
                                                                1995                     2003                     2007                       2011           2015
                                                      Zweden               Nederland            Finland              Denemarken             Duitsland   Noorwegen
                                                                   64 OECD, 2018.
38                                                                 65 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>        Ook het PISA-rapport uit 2018 66 laat zien dat meiden op 15-jarige leeftijd een betere
        leesvaardigheid hebben dan jongens van deze leeftijd. Meiden zijn beter in de processen
        die ten grondslag liggen aan het leesbegrip, zoals informatie opzoeken, begrijpen en
        evalueren. Meiden kiezen ook vaker moeilijkere boeken dan jongens en hebben meer
        plezier in lezen. De prestaties van zowel meiden als jongens in Nederland dalen ten
        opzichte van die van hun leeftijdgenoten in andere landen. Het verschil in leesvaardigheid
        tussen Nederlandse jongens en meiden is wel ongeveer even groot als in andere landen.67
        Jongens presteren in het algemeen wat beter op toetsen voor rekenen en wiskunde,
        maar de verschillen zijn veel kleiner en minder consistent dan bij taal.68 Meiden scoren
        aan het begin van de basisschool iets beter op wiskunde, terwijl jongens juist beter lijken
        te presteren aan het eind van de basisschool tot op de universiteit.69 De recente PISA-
        resultaten laten zien dat de prestatieverschillen tussen jongens en meiden van 15 tot 18 jaar
        bij wiskunde helemaal zijn verdwenen. De prestaties van jongens op natuurwetenschappen
        zijn in 2018 achteruit gegaan, terwijl die van meiden gelijk zijn gebleven. Hierdoor zijn
        meiden voor het eerst iets beter in natuurwetenschappen dan jongens.70
        Op 15-jarige leeftijd zijn de jongens oververtegenwoordigd in de groep (all-round)
        laagpresteerders. Dit geldt voor bijna alle landen.71
        In een andere test, onder 21-22-jarigen, zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen
        in leesvaardigheid en rekenvaardigheid kleiner.72 Mogelijk heeft dit te maken met de
        verschillende condities waaronder de tests onder 15-18- en 21-22-jarigen worden
        afgenomen, waardoor de resultaten moeilijk met elkaar te vergelijken zijn.73
   4.2	Kleine tot middelgrote verschillen in cognitieve en non-
        cognitieve vaardigheden
        Jongens zwakker in sociale vaardigheden en sterker in mentale rotatie
        Om zicht te krijgen op verschillen in cognitieve en non-cognitieve vaardigheden, hebben
        Wierenga en Crone (2019) in opdracht van de Onderwijsraad literatuuronderzoek gedaan.
        Het betreft onderzoek naar verschillen tussen jongens en meiden in vaardigheden die van
        belang zijn voor schoolsucces. Ze keken naar de cognitieve vaardigheden intelligentie,
        begrijpend lezen, mentale rotatie74, planning en strategieën en executieve functies (drie
        deelgebieden: impulsbeheersing, flexibiliteit en werkgeheugen).75 En naar de niet-cognitieve
        vaardigheden risicogedrag, emotieregulatie, zelfvertrouwen en sociale vaardigheden.76
        De vaardigheden zijn relatief gecontroleerd gemeten in een labsituatie. Verschillen zijn
        uitgedrukt in zogenoemde effectgrootte (zie tekstkader op volgende pagina).
        Er zijn kleine significante effecten gevonden tussen jongens en meiden bij de cognitieve
        vaardigheden impulsbeheersing, flexibiliteit en begrijpend lezen. Meiden scoorden
        hierop beter. Net als op de niet-cognitieve vaardigheden emotieregulatie en sociale
        vaardigheden (respectievelijk een kleine en medium effectgrootte). Jongens scoorden
        beter dan meiden op de cognitieve vaardigheid mentale rotatie (medium effectgrootte). Er
        is ook gekeken naar onderzoek op basis van vragenlijsten. Uit de onderzoeken kwam naar
        voren dat jongens aangaven meer risico’s te nemen dan meisjes. Dit geslachtsverschil in
        risicogedrag werd echter niet ondersteund door de experimentele studies.77
        66 PISA (Programme for International Student Assesment) is een vergelijkend internationaal
            onderzoek naar de prestaties van 15-jarige leerlingen in 79 landen bij lezen, wiskunde en
            natuurwetenschappen.
        67 Gubbels, Van Langen, Maassen & Meelissen, 2019.
        68	Driessen & Van Langen, 2013; Else-Quest, Linn, & Hyde, 2010; Lindberg, Hyde, Petersen &
            Linn, 2010.
        69 Driessen & van Langen, 2013; Lindberg e.a., 2010.
        70 Gubbels e.a. 2019.
        71 OECD, 2018.
        72 OECD, 2016.
        73 OECD, 2018.
        74	Vermogen om een 3D-object, meermaals afgebeeld in 2D vanuit telkens een andere
            invalshoek, te herkennen als hetzelfde object.
        75 Voor een beschrijving van deze vaardigheden zie Wieringa & Crone, 2019.
        76 Voor een beschrijving van deze non-cognitieve vaardigheden zie Wierenga & Crone, 2019.
39      77 Wierenga & Crone, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                     Wat is effectgrootte?
                     Een maat om de omvang van verschillen tussen twee groepen uit te drukken is de
                     effectgrootte. Deze vertelt of twee groepen compleet verschillen, helemaal overlappen
                     of ergens daartussenin. Effectgrootte is bijvoorbeeld te berekenen met Cohens ‘d’, die
                     meerdere factoren meeneemt: de gemiddelde verschillen tussen twee groepen, maar
                     ook de spreiding binnen de groepen en overlap tussen de groepen. De grootte van een
                     effect wordt dan uitgedrukt in verwaarloosbaar (<0.10), klein (0.11-0.35), medium (0.36-
                     0.65), groot (0.66-1.00) of heel groot (>1.00). Als we gedragsmaten vergelijken, is er altijd
                     een overlap tussen de jongens en meiden: zelfs bij een groot effect overlappen groepen
                     voor meer dan de helft. Het is dus niet zo dat álle meiden hoger dan álle jongens scoren
                     op bijvoorbeeld een leestaak. De kans ‘echte’ verschillen te vinden, neemt toe naarmate
                     de steekproef groter wordt. Anders gezegd, met heel grote steekproeven kun je heel
                     kleine verschillen (kleine effectgroottes) waarnemen. Het betekent overigens niet dat elk
                     significant verschil ook belangrijk is in de echte wereld (ecologische validiteit).78
        Figuur 5: Effectgrootte berekend met Cohens ‘d’
                                 Klein effect                       Medium effect                         Groot effect
     Aantal mensen
                                 Cohens d < .35                    Cohens d < .36 - .65                   Cohens d < .35
                                 Overlap > 86%                      Overlap 74 - 86%                     Overlap 61 - 74%
        Jongens                     Meiden
                            Er waren geen noemenswaardige verschillen tussen jongens en meiden in de cognitieve
                            vaardigheden intelligentie, werkgeheugen en planning. En evenmin in laboratorium-gemeten
                            niet-cognitieve vaardigheden (risicogedrag, emotieregulatie en sociale vaardigheden).
                            Jongens en meiden verschilden ook niet noemenswaardig in zelfvertrouwen. Er werd geen
                            duidelijk verschil gevonden in de spreiding van de scores binnen de groep jongens en binnen
                            de groep meiden. Soms schuift de verdeling wat de ene kant op, soms wat de andere kant
                            op, maar dat is niet consistent over studies. De verschillen zijn zeer klein en de overlap
                            tussen jongens en meisjes is voor alle bevindingen groter dan 85%. Toch kunnen de kleine
                            verschillen betekenisvol zijn bij de verklaring van algemene tendensen in onderwijsprestaties.
                            De verklaring is echter niet gemakkelijk in één specifieke richting te vinden.79
                            Executieve functies zijn bij jongens én meiden sterk in ontwikkeling
                            Wierenga en Crone vonden in het literatuuronderzoek geen grote verschillen in executieve
                            functies en planningsvaardigheden, maar andere wetenschappers veronderstellen dat er wel
                            grote verschillen bestaan op dit vlak. Zo stelt Jolles dat vanaf het einde van de basisschool
                            tot ongeveer het 25e levensjaar de executieve functies van jongens en meiden nog volop in
                            ontwikkeling zijn en dat jongens over het algemeen later zijn uitgerijpt dan meiden.80 Bovendien
                            bestaat er volgens Jolles een grote variëteit tussen individuele leerlingen in de ontwikkeling van
                            executieve functies.81
                            Executieve functies worden op verschillende manieren gedefinieerd, wat op zichzelf kan
                            resulteren in wisselende onderzoeksresultaten. Jolles definieert executieve functies als
                            plannings- en controlefuncties die een individu in staat stellen weloverwogen keuzes te
                            maken. Het executief functioneren is volgens Jolles tweedelig: het gaat om processen in
                            het werkgeheugen en aandachtsfuncties en om het controleren van emoties en motivaties.
                            Samengevat gaat het om: planning van het gedrag; probleemoplossend gedrag; zelf
                            78   Wierenga & Crone, 2019.
                            79   Ibid.
                            80   Van Tetering & Jolles, 2017.
40                          81   Jolles, 2007 en 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>        geïnitieerd zoeken; inhibitieprocessen (de mate waarin je gedrag kunt uitstellen, afremmen
        of stoppen); cognitieve flexibiliteit; zelfevaluatie; sociaal monitoren en keuzes maken op
        grond van sociale, emotionele en rationele criteria.82
        Volgens Jolles verloopt de ontwikkeling van deze functies niet autonoom; de omgeving is
        bepalend voor de efficiëntie van de ontwikkeling. Oftewel de hersenen ontwikkelen zich
        in reactie op de omgeving.83 Dit zou ook de grote variëteit verklaren tussen de individuele
        leerlingen/studenten. In het onderwijs is het dus belangrijk om scherp te krijgen welke
        executieve functies van leerlingen of studenten worden verwacht en na te gaan in hoeverre
        zij deze al hebben ontwikkeld. Begeleiding kan dan in sommige situaties een essentiële
        voorwaarde zijn om de taak te kunnen volbrengen (voor zowel jongens als meiden).
   4.3	Hersenen van jongens en meiden vertonen meer
        overeenkomsten dan verschillen
        Wierenga en Crone keken ook naar de neurobiologische verschillen tussen jongens en
        meiden. Uit hun literatuuronderzoek komt naar voren dat de hersenen van jongens en
        meiden meer overeenkomsten dan verschillen vertonen. Wat opvalt, is dat de hersenen
        van jongens onderling meer van elkaar verschillen dan van meiden onderling. Over het
        algemeen lijkt de spreiding in hersenstructuur tussen jongens groter dan die tussen
        meiden. Maar of dit samenhangt met cognitieve en niet-cognitieve vaardigheden of met
        schoolprestaties is onduidelijk. Dit is een interessante richting voor toekomstig onderzoek.
        Hersenomvang van jongens iets groter
        Het brein van jongens en dat van mannen is gemiddeld 10% groter dan dat van meiden
        en vrouwen. Zelfs in de puberteit, wanneer meiden hun groeispurt twee jaar eerder
        doormaken dan jongens, blijft dit verschil bestaan. Dat is geen verrassing, aangezien alle
        organen bij mannen net iets groter zijn dan bij vrouwen. Dit wil niet zeggen dat mannen
        10% intelligenter zijn. De verschillen in de hersenomvang van mannen en vrouwen zijn
        niet te linken aan verschillen in intelligentie of cognitieve vaardigheden.84 Het betekent
        overigens niet dat álle jongens een 10% groter brein hebben dan álle meiden: er is 50%
        overlap tussen de groepen.
        Er zijn veel studies gedaan naar de subgebieden van de hersenen, maar de bevindingen over
        man-vrouwverschillen zijn niet eenduidig.85 De resultaten hangen voornamelijk af van de manier
        waarop er ‘gecorrigeerd’ wordt voor het 10% verschil in hersenomvang. Een recent onderzoek
        laat bijvoorbeeld zien dat de verschillen in hersengrootte tussen mannen en vrouwen niet het
        gevolg zijn van biologische geslachtsverschillen, maar samenhangen met schaalverschillen.
        Als vrouwen met relatief grote hersenen worden vergeleken met vrouwen met relatief iets
        kleinere hersenen, ontstaan er namelijk vergelijkbare effectgroottes in hersenverschillen.86
        Jongens lopen niet achter in de hersenontwikkeling
        Een vaak genoemde oorzaak voor verschillen in schoolprestaties is dat jongens zouden
        achterlopen in de hersenontwikkeling; dat zou bijvoorbeeld blijken uit het feit dat zij later
        in de puberteit komen. Hierover zijn veel tegenstrijdige bevindingen in de literatuur. Om dit
        te onderzoeken moet er rekening gehouden worden met de variatie in hersenstructuren
        tussen individuen. Daarom is het belangrijk niet alleen leeftijdgroepen met elkaar te
        vergelijken, maar ook groeicurves van individuen te onderzoeken. Dit zijn zeer tijdrovende
        en intensieve studies waarvan er mondiaal maar een paar beschikbaar zijn. Een van
        de eerste studies naar verschillen in hersengroei tussen jongens en meiden vond dat
        jongens in de voorste delen van de hersenschors (prefrontale cortex) één jaar achterlopen
        in ontwikkeling ten opzichte van meiden.87 Deze uitkomsten zijn echter in vervolgstudies
        en recente studies niet bevestigd.88 Het verschil tussen jongens en meiden in groeispurt
        van hersenen wordt dus niet consistent gevonden. Ook is er tot nu toe geen bewijs dat
        geslachtsverschillen in hersengroei de verschillen in schoolprestaties kunnen verklaren.89
        82 Jolles, 2007 en 2020.
        83 Jolles, 2007.
        84 Goriounova & Mansvelder, 2019.
        85 Ruigrok e.a., 2014.
        86 Sanchis-Segura e.a., 2019.
        87 Lenroot e.a., 2007.
        88	Wierenga, Langen, Oranje & Durston, 2014; Wierenga e.a., 2019; Vijayakumar e.a., 2016;
             Mutlu e.a., 2013; Ducharme e.a., 2016.
41      89 Wierenga e.a., 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Wat betreft cognitieve vaardigheden en hersenen geldt dat jongens onderling meer
   verschillen dan meiden onderling. Dit wordt ook gerapporteerd voor mannen en vrouwen.
   Niet alleen in hersenstructuur, maar ook in hersenomvang en hersengroei zijn er meer
   jongens dan meiden met grotere uitschieters. Verder geldt dat binnen de groep jongens en
   meiden de verschillen groter zijn dan tussen de beide groepen.
   Effecten van hormonen op hersenen niet hetzelfde als op andere lichaamsdelen
   In de puberteit hebben jongens en meiden een verhoogde hormoonproductie. Bij jongens
   produceren de teelballen testosteron, bij meiden produceren de eierstokken oestrogenen
   en progesteron. De hormonen worden in elkaar omgezet; daarom hebben jongens ook
   oestrogenen en meiden ook testosteron, alleen in kleinere hoeveelheden. Dit zorgt voor
   een verdere ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken, zoals baardgroei bij
   jongens en borstontwikkeling bij meiden. Bij jongens gebeurt dit gemiddeld twee jaar
   later dan bij meiden, wat ook terug te zien is in de verschillen in lichaamsgroei. Er is
   echter geen consistent bewijs dat deze verhoogde hormoonproductie hetzelfde effect
   heeft op de hersengroei van jongens en meiden als op bijvoorbeeld de secundaire
   geslachtskenmerken.90
   Hormonen kunnen wellicht op een andere manier invloed hebben. Jolles wijst er
   bijvoorbeeld op dat testosteron maakt dat jongens beweeglijker, impulsiever en
   ondernemender zijn dan meiden. Volgens Jolles is dit een belangrijke reden waarom
   jongens in het onderwijs vaker als ‘druk’ worden gezien ten opzichte van meiden.91
   Waarschijnlijk kleine verschillen in hersenactiviteit
   Er wordt ook onderzoek gedaan naar de hersenactiviteit van mannen en vrouwen. Mogelijk
   gebruiken zij hun hersenen op verschillende manieren. Een grote overzichtsstudie naar
   hersenactiviteit bij volwassenen concludeert dat er een ‘publication bias’ bestaat: er zijn
   waarschijnlijk veel studies die geen geslachtsverschillen vinden, maar die uitkomst niet
   rapporteren.92 Bijna tweehonderd studies tussen 2007 en 2017 zijn op een rij gezet, waarbij
   opviel dat maar weinig grote studies (steekproeven boven de honderd deelnemers) zijn
   gepubliceerd. Ook vonden deze grotere studies tegen de verwachtingen in niet meer
   geslachtsverschillen dan de kleinere studies. Dit is een belangrijke conclusie, omdat de
   literatuur hier mogelijk een vertekend beeld geeft van de verschillen in de hersenactiviteit
   tussen mannen en vrouwen.
   90 Wierenga & Crone, 2019.
   91 Jolles, 2017.
42 92 David e.a., 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>43</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Verschillen in schoolloopbaan ontstaan in het
   voortgezet onderwijs en werken door in het
   vervolgonderwijs. Jongens vallen vaker uit, blijven
   vaker zitten en stromen door naar lagere niveaus.
   5	Bevinding 2
               Schoolloopbanen van jongens verlopen
               minder gunstig dan die van meiden
               In vrijwel alle opzichten doorlopen jongens een minder gunstige schoolloopbaan dan meiden.
               De verschillen ontstaan vooral in het voortgezet onderwijs, maar ook in het vervolgonderwijs
               zijn er verschillen. In dit hoofdstuk kijkt de raad naar verschillen in de mate waarin jongens
               en meiden vertraging oplopen, uitvallen of afstromen gedurende hun schoolloopbaan.
               Waar mogelijk kijkt de raad of dit ook samenhangt met sociaaleconomische status en
               migratieachtergrond. De schoolloopbaan begint in het basisonderwijs en eindigt op het
               moment dat mannen en vrouwen de arbeidsmarkt betreden. Tot slot vergelijkt de raad het
               behaalde onderwijseindniveau van jongens en meiden.
   5.1         Slechts kleine verschillen in het basisonderwijs
               De verschillen tussen de loopbanen van jongens en meiden in het basisonderwijs zijn niet
               groot. Jongens en meiden doorlopen ongeveer even vaak de basisschoolperiode in de tijd
               die daarvoor staat. De verschillen tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond
               zijn groter dan die tussen jongens en meiden als het gaat om vertraging in de
               basisschoolperiode. Jongens worden wel vaker verwezen naar het speciaal (basis-)
               onderwijs dan meiden.
               Meisje doorlopen iets vaker de basisschooltijd in de tijd die daarvoor staat
               Meiden doorlopen het basisonderwijs iets vaker dan jongens in de tijd die daarvoor staat
               of in een versneld tempo. Van het cohort dat in schooljaar 2012/2013 in groep 3 (leerjaar 3)
               begon, rondde 81,3% van de jongens en 83,8% van de meiden het basisonderwijs af in de
               tijd die daarvoor staat (2,5 procentpunt verschil). Het verschil is even groot als bij het cohort
               leerlingen van het jaar daarvoor, maar groter dan bij het cohort dat begon in 2010/2011
               (1,6 procentpunt verschil). Aan het einde van groep 8 zijn de percentages zittenblijvers bij
               jongens en meisjes nagenoeg gelijk. Het aandeel jongens dat blijft zitten in de onderbouw
               van het primair onderwijs, is groter dan het aandeel meiden. In de bovenbouw is het
               omgekeerd: daar is het aandeel meiden dat blijft zitten iets hoger. Per saldo heffen de
               verschillen tussen de onderbouw en bovenbouw elkaar op, zodat er nauwelijks een verschil
               overblijft aan het einde van de basisschoolperiode (zie figuur 6).
   Figuur 6: Aandeel zittenblijvers per leerjaar in het basisonderwijs onder jongens en meiden in cohort 2012 (%) 93
    Cohort 2012                               Jongens                                 Meiden
    Leerjaar 3                                0,0                                     0,0
    Leerjaar 4                                4,9                                     4,3
    Leerjaar 5                                8,9                                     8,6
    Leerjaar 6                                10,5                                    10,6
    Leerjaar 7                                11,2                                    11,4
    Leerjaar 8                                11,7                                    11,9
45             93 Inspectie van het Onderwijs, 2019a, p. 30.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                    Verschillen naar migratieachtergrond zijn groter dan verschillen naar sekse
                    De verschillen tussen wel en geen migratieachtergrond zijn groter zijn dan die tussen
                    jongens en meiden. Voor het cohort 2012 geldt dat zowel meiden (85,6%) als jongens
                    (82,9%) zonder migratieachtergrond hun basisschoolloopbaan vaker zonder vertraging
                    afrondden dan meiden en jongens met een migratieachtergrond. In dit cohort rondden
                    60,3% van de jongens en 65,6% van de meiden met een eerste generatie niet-westerse
                    migratieachtergrond de basisschool af in de tijd die daarvoor staat.94 De verschillen tussen
                    jongens en meiden met een migratieachtergrond waren groot (5,3 procentpunt verschil)
                    vergeleken met de verschillen tussen jongens en meiden zonder migratieachtergrond
                    (2,5 procentpunt verschil).
                    Verschillen in speciaal (basis)onderwijs zijn groot
                    Jongens in het basisonderwijs worden vaker verwezen naar het speciaal basisonderwijs
                    (sbo) dan meiden en zijn oververtegenwoordigd in het speciaal basisonderwijs. Aan het
                    einde van groep 8 (leerjaar 2018/2019) werd 3,3% van de jongens van het cohort 2012
                    verwezen naar het speciaal basisonderwijs. Bij meiden was dit 1,9% (1,4 procentpunt
                    verschil), zie figuur 7. De verschillen kunnen ook over de volgende cohorten worden
                    aangetoond. Dit geldt naar verwachting ook voor het cohort 2013.
      Figuur 7: Verwijzingen naar het speciaal onderwijs in schoolloopbanen cohort 2012 (%) 95
       Cohort 2012                                 Jongens                                     Meiden
       Leerjaar 3                                  0,0                                         0,0
       Leerjaar 4                                  0,8                                         0,4
       Leerjaar 5                                  1,7                                         1,0
       Leerjaar 6                                  2,4                                         1,3
       Leerjaar 7                                  3,0                                         1,7
       Leerjaar 8                                  3,3                                         1,9
                    Jongens zijn oververtegenwoordigd in het speciaal basisonderwijs. In het schooljaar
                    2018/2019 was 68% van de leerlingen in het speciaal basisonderwijs jongen,
                    tegenover 32,1% meisje. In het reguliere basisonderwijs was de verhouding jongens
                    en meiden ongeveer gelijk (50:50). De afgelopen jaren is de verhouding jongens en
                    meiden in het speciaal basisonderwijs constant gebleven (zie figuur 8). Ook binnen
                    het speciaal onderwijs zijn er verschillen. In het schooljaar 2018/2019 was bijna
                    driekwart van de leerlingen in het speciaal onderwijs jongen (zie figuur 8). Jongens zijn
                    oververtegenwoordigd in de clusters 3 en 4 (jongeren met leer- en gedragsproblemen).
                    Maar ook in de clusters 1 en 2 (jongeren met een audiovisuele respectievelijk auditieve
                    beperking) zijn er meer jongens dan meiden (zie figuur 8).
      Figuur 8: Aandeel jongens in (speciaal) basisonderwijs, (voorgezet) speciaal onderwijs, en cluster 1- en 2- onderwijs 96
   80
   70
   60
   50
   40
         2011/'12        2012/'13       2013/'14    2014/'15        2015/'16      2016/'17       2017/'18        2018/'19     2019/'20
                             Voortgezet speciaal Cluster 2-onderwijs    Speciaal             Cluster 1-onderwijs
      Speciaal onderwijs     onderwijs (vs)      ((v)so)                basisonderwijs (sbo) ((v)so)                Basisonderwijs (bso)
                    94 Inspectie van het Onderwijs, 2019a.
                    95 Ibid.
46                  96 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   5.2         Verschillen ontstaan in het voortgezet onderwijs
               De startpositie van jongens en meiden in het voortgezet onderwijs is ongeveer gelijk.
               Meiden doorlopen het voortgezet onderwijs beter dan jongens. Jongens lopen vaker
               vertraging op, vallen vaker uit en stromen vaker af. Meiden behalen aan het einde van hun
               schoolloopbaan in het voortgezet onderwijs vaker een havo- of vwo-diploma. Jongens
               vaker een vmbo-diploma in een van de beroepsgerichte leerwegen.
               Geen grote verschillen in schoolloopbanen bij de start van het voortgezet onderwijs
               Meiden en jongens krijgen ongeveer gelijke schooladviezen voor het voortgezet onderwijs
               (zie figuur 9). In schooljaar 2018/2019 kregen iets meer jongens dan meiden vwo als
               schooladvies. In daaropvolgende schooljaren is dat verschil nog aanwezig. Meer meiden
               dan jongens krijgen als eindadvies havo/vwo. Dit verschil is klein. Ook de verdeling
               van jongens en meiden over brugklastypen bij de start van het voortgezet onderwijs is
               grotendeels gelijk (zie figuur 10).
   Figuur 9: Definitief schooladvies jongens en meiden in het schooljaar 2018/2019 (%) 97
                                             Jongens                                Meiden
    Vwo                                      20,6                                   20,0
    Havo/vwo                                 10,6                                   10,9
    Havo                                     17,6                                   17,7
    Vmbo-gt/havo                             9,6                                    10,0
    Vmbo-gt                                  17,3                                   18,1
    Vmbo-k/gt                                4,4                                    4,5
    Vmbo-k                                   9,4                                    9,1
    Vmbo-b/k                                 3,7                                    3,6
    Vso/pro/vmbo-b                           6,9                                    6,2
   Figuur 10: Verdeling van jongens en meiden over brugklastypen bij de start van het voortgezet onderwijs in schooljaar
   2010/2011 (%)98
    Brugklastype                             Jongens                                Meiden
    Vwo                                      12,0                                   10,8
    Havo/vwo                                 22,6                                   23,0
    Havo                                     3,0                                    3,0
    Vmbo-(basis-kader)gt/havo/vwo            13                                     13,5
    Vmbo-(basis-kader)gt/havo                10,8                                   11,7
    Vmbo-alle leerwegen                      10,5                                   9,7
    Vmbo-gt                                  10,8                                   11,6
    Vmbo-basis-kader                         17,2                                   16,8
               Het eindadvies komt tot stand op grond van het schooladvies van de leerkracht en het
               advies dat voortvloeit uit de eindtoets. Sinds het schooljaar 2014/2015 is het advies van
               de leerkracht leidend bij de toelating tot het voortgezet onderwijs. Het advies kan worden
               bijgesteld als blijkt dat leerlingen hoger scoren op hun eindtoets dan is ingeschat in
               het schooladvies van de leerkracht. Van het cohort dat in 2014/2015 de eindtoets deed
               scoorden meiden vaker hoger op de eindtoets dan de leerkracht had ingeschat in zijn
               schooladvies. Desondanks werden de schooladviezen niet veel vaker bijgesteld dan bij
               jongens.99
               Verschillen ontstaan al na één jaar na de start in de brugklas en worden groter in de onderbouw.
               Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft cijfers gepresenteerd over het cohort
               leerlingen dat in schooljaar 2010/2011 begon in het voortgezet onderwijs. Daaruit blijkt dat
               97 CBS, 2018c.
               98 CBS, 2019a.
47             99 CBS, 2018c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                jongens in de eerste drie jaar van het voortgezet onderwijs meer vertraging opliepen dan
                meiden. De verschillen namen in die periode geleidelijk toe. Na één jaar had 2,67% van de
                jongens vertraging opgelopen tegenover 1,53% van de meiden (verschil 1,23 procentpunt).
                Na het derde jaar was de kans dat een jongen vertraging had opgelopen 14,80% tegenover
                9,35% bij de meiden (verschil 5,45 procentpunt).100
                Uit de cijfers van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat in de onderbouw jongens vaker
                doubleren dan meiden (zie figuur 11). In de eerste twee jaren van het voortgezet onderwijs
                doubleert 4,9% van de jongens tegenover 2,9% van de meiden. Na de onderbouw van het
                voortgezet onderwijs blijkt dat op alle niveaus jongens vaker doubleren dan meiden.
   Figuur 11: Doubleren, uitgesplitst naar schoolsoort en geslacht 2016/2017 (n = 750, 134)101
                       Onderbouw         Vmbo-b            Vmbo-k           Vmbo-gt        Havo  Vwo
                       %                 %                 %                %              %     %
    Jongens            4,9               6,7               4,1              8,9            13,3  8,3
    Meiden             2,9               6,1               3,0              6,3            9,7   6,4
                Uit de cijfers van het CBS voor cohort 2010 blijkt dat jongens in de eerste drie jaren vaker
                het voortgezet onderwijs zonder diploma verlieten dan meiden. Na één jaar was dat 1,22%
                van de jongens tegenover 0,76% van de meiden. Na het derde jaar waren de verschillen
                verder opgelopen: respectievelijk 4,31% van de jongens tegenover 2,98% van de meiden,
                een verschil van 1,23 procentpunt (zie figuur 12).
   Figuur 12: Situatie na start in de brugklas in schooljaar 2010/2011 (%)102
                                               Jongens                               Meisjes
    Vertraging
    Na 1 jaar                                  2,76                                  1,53
    Na 2 jaar                                  7,79                                  4,38
    Na 3 jaar                                  14,80                                 9,35
    Uit voortgezet onderwijs
    zonder diploma
    Na 1 jaar                                  1,22                                  0,76
    Na 2 jaar                                  2,59                                  1,70
    Na 3 jaar                                  4,31                                  2,98
                In het schooljaar 2017/2018 stroomden jongens vaker af dan meiden en stroomden jongens
                ook minder vaak op dan meiden (zie figuur 13). De kans dat een jongen in leerjaar 3 is
                afgestroomd ten opzichte van zijn eindadvies was 15%, voor meiden bedroeg die 8,9%.
                Overigens zijn zowel jongens als meiden in dit schooljaar minder vaak afgestroomd en
                vaker opgestroomd dan in 2016/2017.
                Dat jongens vaker afstroomden gold voor alle niveaus. De kans dat een jongen met een
                vwo-eindadvies in het derde leerjaar was afgestroomd bedroeg 15,5%, bij een meisje
                was de kans 9,5%. De kans dat een jongen met een havo-advies in leerjaar 3 was
                afgestroomd was bijna 10 procentpunt groter dan bij een meisje. Bij de opstroom was
                het andersom: de kans dat jongens opstroomden ten opzichte van het havo-advies was
                kleiner dan bij meiden.
                100 CBS, 2019a.
                101 Inspectie van het Onderwijs, 2019b.
48              102 CBS, 2019a.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   Figuur 13: Onderwijspositie leerjaar 3 ten opzichte van basisschooladvies, uitgesplitst naar vo-advies en geslacht,
   2017/2018 (n = 180.328)103
                                                                                                           Jongen  Meisje
                                                                                                           %       %
    Vmbo-b                           Plaatsing gelijk aan advies                                           73,1    63,6
                                     Opgestroomd ten opzichte van advies                                   26,9    36,4
    Vmbo-b/k                         Laagste onderwijssoort dubbel advies                                  43,3    31,8
                                     Hoogste onderwijssoort dubbel advies                                  46,7    50,8
                                     Opgestroomd                                                           10,1    17,4
    Vmbo-k                           Afgestroomd                                                           15,1    8,9
                                     Plaatsing gelijk aan advies                                           63,4    58,8
                                     Opgestroomd                                                           21,5    32,3
    Vmbo-k/gt                        Afgestroomd                                                           6,8     2,9
                                     Laagste onderwijssoort dubbel advies                                  45,9    32,7
                                     Hoogste onderwijssoort dubbel advies                                  45,0    59,8
                                     Opgestroomd                                                           2,4     4,6
    Vmbo-gt                          Afgestroomd                                                           16,3    9,2
                                     Plaatsing gelijk aan advies                                           72,0    71,4
                                     Opgestroomd                                                           11,7    19,4
    Vmbo-gt/havo                     Afgestroomd                                                           6,4     3,0
                                     Laagste onderwijssoort dubbel advies                                  57,1    45,7
                                     Hoogste onderwijssoort dubbel advies                                  34,1    47,1
                                     Opgestroomd                                                           2,3     4,2
    Havo                             Afgestroomd                                                           25,7    15,8
                                     Plaatsing gelijk aan advies                                           59,5    59,7
                                     Opgestroomd                                                           14,8    24,5
    Havo/vwo                         Afgestroomd                                                           10,7    6,2
                                     Laagste onderwijssoort dubbel advies                                  50,1    38,4
                                     Hoogste onderwijssoort dubbel advies                                  39,2    55,4
    Vwo                              Afgestroomd                                                           15,5    9,5
                                     Plaatsing gelijk aan advies                                           84,5    90,5
               Tijdens het voortgezet onderwijs vallen jongens vaker uit
               Zeven jaar na de start heeft 13% van de jongens het voortgezet onderwijs verlaten zonder
               een vo-diploma, tegenover 11,2% van de meiden.104 Vooral jongens verlaten het onderwijs
               zonder diploma of startkwalificatie. Dat blijkt al uit de cijfers die bekend zijn van het
               voortgezet onderwijs.
               Volgens de landelijke definitie is een voortijdig schoolverlater (vsv’er) een jongere van 12 tot
               23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaat. Een startkwalificatie is een havo- of
               vwo-diploma of minimaal een mbo 2-diploma. Volgens deze definitie was in het schooljaar
               2016/2017 2,22% van de jongens een vsv’er, tegenover 1,27% van de meiden (0,95
               procentpunt verschil). In het schooljaar 2018/2019 was het verschil in uitvalpercentage tussen
               jongens en meiden groter (1,13 procentpunt). In het voortgezet onderwijs zijn de percentages
               lager dan in het hele onderwijs; in het mbo zijn de uitvalpercentages hoog.105
               In het schooljaar 2016/2017 was 0,56% van de jongens in het voortgezet onderwijs een
               vsv’er, tegenover 0,35% van de meiden (zie figuur 14). In het schooljaar 2018/2019 was het
               verschil tussen jongens en meiden lager (respectievelijk 0,21 en 0,19 procentpunt verschil).
               103 Inspectie van het Onderwijs, 2019b.
               104	CBS, 2019a. Overigens is niet iedere uitstromer te classificeren als voortijdig schoolverlater
                    volgens de landelijke definitie; een deel stroomt door naar het mbo, het voortgezet
                    algemeen volwassenenonderwijs (vavo) of het particuliere onderwijs.
               105 Ook in het mbo geldt dat hoe lager het niveau, des te groter de uitval en des te groter de
                    verschillen in uitval tussen jongens en meiden. De uitvalpercentages bij niveau 1 en 2 zijn
49                  hoog, net als de verschillen tussen jongens en meiden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>               In de lagere niveaus van het voortgezet onderwijs lagen de uitvalpercentages in dezelfde
               periodes hoger dan in de hogere niveaus en ook de verschillen tussen jongens en meiden
               waren daar groter.106
   Figuur 14: Percentage voortijdig schoolverlaters naar geslacht in het voortgezet onderwijs en totaal107
    Vsv naar geslacht vo                       Jongens                                        Meiden
    2016/2017                                  0,56                                           0,35
    2017/2018                                  0,58                                           0,39
    2018/2019                                  0,59                                           0,38
    Vsv naar geslacht totaal                   Jongens                                        Meiden
    2016/2017                                  2,22                                           1,27
    2017/2018                                  2,42                                           1,35
    2018/2019                                  2,56                                           1,43
               Jongens worden vaker geschorst en van school verwijderd
               Het aantal schorsingen en verwijderingen is toegenomen. Binnen de kaderberoepsgerichte
               leerweg, de gemengd-theoretische leerweg en op het havo is het aantal gemelde
               schorsingen gestegen. Binnen de gemengd-theoretische leerweg en het havo is het aantal
               gemelde verwijderingen toegenomen. Jongens worden drie keer zo vaak geschorst en vier
               keer zo vaak verwijderd dan meiden. In het schooljaar 2018/2019 werden 4159 jongens
               geschorst tegenover 1069 meiden, en 139 jongens verwijderd tegenover 47 meiden.108
               106	Vsv-cijferportal. Geraadpleegd op 11 mei 2020 van https://cijfers.duo.nl/ibi_apps/bip/portal/vsv_portal
               107 Ibid.
50             108 Inspectie van het Onderwijs, 2020c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>               Jongens stromen vaker door naar een lager niveau dan meiden
               Jongens doorlopen hun middelbareschooltijd minder goed dan mag worden verwacht
               op basis van het schooladvies en hun plaatsing in een bepaald brugklastype. Meiden
               presteren juist beter dan verwacht en stromen vaker omhoog. Het CBS vergeleek de
               behaalde vo-diploma’s van jongens en meiden uit het cohort 2010 met het brugklastype
               waarin jongens en meiden waren gestart. Binnen elk van de onderscheiden brugklastypen
               bleken jongens na zeven jaar op een lager niveau uit te komen dan meiden.109
               Van de leerlingen die in 2010/2011 zijn gestart op het vwo had zeven jaar later ongeveer
               67% van de jongens een vwo-diploma behaald. Meiden deden het beter: ongeveer 73%
               behaalde een vwo-diploma. Een derde (33%) van de jongens die begonnen in een vwo-
               brugklas, haalde een diploma op een lager niveau of stroomde uit zonder een diploma (dit
               kunnen ook leerlingen zijn die doorstromen naar het mbo, vavo of particulier onderwijs). Bij
               meiden was dat beduidend minder: 26%.
               Van de leerlingen die in 2010/2011 zijn gestart in een havo-brugklas hadden zeven jaar
               later ongeveer 48% van de jongens en 55% van de meiden een havo-diploma behaald.
               De kans dat een jongen op een lager niveau uitstroomde bedroeg 26%, tegenover 17%
               bij meiden. Ook vanuit de brede brugklassen in het vmbo – waarin een of meer vmbo-
               leerwegen worden gecombineerd met havo en/of vwo – stroomden jongens vaker dan
               meiden door naar een lager niveau.
               Jongens behalen een lager vo-diploma dan meiden
               Jongens van het cohort leerlingen dat in 2010/2011 is gestart, haalden binnen zeven jaar
               verhoudingsgewijs minder vaak een vwo- of havo-diploma (respectievelijk 16,2% en 22,1%)
               dan meiden (18,7% en 24,5%). Op de lagere niveaus in het voortgezet onderwijs zijn de
               verhoudingen omgedraaid: relatief meer jongens dan meiden behaalden een diploma in
               een van de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo (vmbo-b en -k). Op niveau vmbo-gt
               ontlopen ze elkaar niet veel: verhoudingsgewijs behaalden ongeveer evenveel meiden als
               jongens een vmbo-gt-diploma (zie figuur 15).
   Figuur 15: Hoogst behaald vo-diploma zeven jaar na start brugklas 2011/2011 (%)110
    Onderwijssoort                        Jongens                                  Meiden
    Geen vo-diploma, uit vo               13                                       11,2
    Geen vo-diploma, in vo                0,3                                      0,2
    Vwo                                   16,2                                     18,7
    Havo                                  22,1                                     24,5
    Vmbo-gt                               23,8                                     23,6
    Vmbo-k                                13,5                                     12,9
    Vmbo-b                                11,2                                     8,9
   5.3	Verschillen werken door in de schoolloopbaan binnen
               het mbo
               Jongens stromen vanuit het vmbo door naar lagere niveaus in het mbo dan meiden. Meiden
               stapelen meer in het mbo en komen vaker terecht op een hoger mbo-niveau. Mannen zijn
               oververtegenwoordigd in het mbo; vrouwen vooral in de hogere niveaus van het mbo. Het
               aandeel mannen dat na het mbo doorstroomt naar het hbo is groter dan het aandeel vrouwen.
               Jongens komen vanuit het vmbo terecht in lagere niveaus van het mbo
               De verschillen tussen jongens en meiden binnen het vmbo werken door in het mbo. Meiden
               zijn oververtegenwoordigd op het hoogste niveau van het vmbo (gt) en stromen van
               daaruit direct door naar mbo 4. Jongens zijn oververtegenwoordigd in de beroepsgerichte
               leerwegen van het vmbo (k en b) en het praktijkonderwijs. Zij stromen vandaar door naar
               een entreeopleiding of een mbo 2- of 3-opleiding. De niveauverschillen in het mbo zijn
               109 CBS, 2019a.
51             110 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>               echter niet volledig te verklaren vanuit de verschillen ontstaan in het voortgezet onderwijs.
               De Onderwijsinspectie wijst erop dat in het mbo vrouwen vaker een passend diploma
               behalen dan mannen.111 Dat komt doordat mannen vaker doorstromen op een lager mbo-
               niveau dan op basis van hun vmbo-niveau mag worden verwacht. De kans dat een man
               in 2018/2019 lager wordt geplaatst is 13,7%; bij meiden is die kans 7,5% (6,2 procentpunt
               verschil). Het verschil is de laatste jaren stabiel.112
               Mannen met migratieachtergrond stromen vaker uit het mbo zonder diploma
               Mannen stromen vaker uit het mbo zonder diploma. In het studiejaar 2017/2018 ging het om
               23,8% van de mannen en 15,6% van de vrouwen. Dat verschil is de laatste jaren gegroeid
               (in 2016/2017 ging het om respectievelijk 19,4% en 13,1%). Uit analyses van de Inspectie
               van het Onderwijs blijkt dat mannen, studenten met een migratieachtergrond en studenten
               uit apc-gebieden (armoedeprobleemcumulatie-) vaker uitstromen.113
               Binnen de mbo-sector economie rapporteert de inspectie de verschillen in uitstroom tussen
               mannen en vrouwen in combinatie met de herkomst. Bij mannen zijn de verschillen tussen
               groepen met verschillende achtergronden groter dan bij vrouwen. Vrouwen stromen in elke
               categorie (geen migratie, westerse migratie, eerste en tweede generatie niet-westerse
               migratie) vaker gediplomeerd uit het mbo dan mannen.
               Binnen het mbo stromen meiden vaker door naar een hoger niveau
               Veel jongeren onder de 25 jaar in het mbo stapelen. Meiden doen dit vaker dan jongens.
               Binnen alle niveaus van het mbo stromen meiden meer door naar een hoger niveau. Na
               het afronden van een entreeopleiding stroomde in het schooljaar 2017/2018 82% van
               de meiden door naar een hoger mbo-niveau, tegenover 74% van de jongens.114 Na het
               behalen van een mbo 2-diploma stroomde 64% van de meiden door naar een hoger niveau
               in het mbo tegenover 52% van de jongens. Meiden met een mbo 3-opleiding stroomden
               vaker door naar mbo 4.115
               Relatief veel mannen op het mbo; vrouwen vooral op hogere niveaus in het mbo
               Het aandeel mannen op het mbo is hoger dan het aandeel vrouwen. Van de mbo-studenten
               jonger dan 25 jaar in schooljaar 2017/2018 was 52,7% man en 47,3% vrouw. Uitgesplitst
               naar niveau haalden vrouwen ook binnen het mbo een hoger niveau van onderwijs dan
               mannen (zie figuur 16). Vrouwen waren oververtegenwoordigd op mbo 4. De kans dat een
               man is ingeschreven op een van de lagere niveaus (mbo 1, 2, 3) was daarentegen groter.
   Figuur 16: Mbo’ers jonger dan 25 jaar, schooljaar 2017/2018 (%)116
    Soort opleiding                            Man                                             Vrouw
    Entreeopleiding                            3,17                                            2,06
    Mbo 2                                      20,33                                           13,70
    Mbo 3                                      25,05                                           23,74
    Mbo 4                                      51,45                                           60,49
    Totaal                                     100,00                                          100,00
               Mannen switchen meer
               Ieder jaar stappen studenten in het mbo over naar een andere opleiding. In het schooljaar
               2016/2017 ging het om ongeveer 9% van de studenten. In het schooljaar 2017/2018 was
               dit gestegen naar 9,5%. Mannen switchen vaker dan vrouwen: in 2017/2018 switchte 10,1%
               van de mannen tegenover 8,8% van de vrouwen. Bij zowel mannen als vrouwen is het
               aantal overstappers toegenomen.
               111	Een passend diploma is een diploma dat op basis van een vooropleiding mag worden
                    verwacht.
               112 Inspectie van het Onderwijs, 2020c.
               113 Ibid.
               114	Het is overigens de bedoeling dat studenten na een entreeopleiding doorstromen naar een
                    hoger niveau; een entreeopleiding geldt niet als een startkwalificatie. Indien geen sprake is
                    van doorstroom, gaat het om een vroegtijdig schoolverlater.
               115 CBS, 2019b.
52             116 Inspectie van het Onderwijs, 2019c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   5.4 Verschillen in het hoger onderwijs zijn groot
       Mannen stapelen vaker om uiteindelijk in het hoger onderwijs te komen
       Het aandeel mannen dat na afronding van een mbo 4-opleiding doorstroomt naar het hbo
       is groter dan het aandeel vrouwen.117 Datzelfde geldt voor het hbo: na het voltooien van
       een hbo-bachelor stromen er verhoudingsgewijs meer mannen dan vrouwen door naar een
       wo-master. Ook het aandeel mannen met een vwo-diploma dat start op de universiteit is
       groter dan het aandeel vrouwelijke gediplomeerden. Vrouwelijke vwo-gediplomeerden gaan
       relatief vaak naar een hbo-bacheloropleiding.118
       Mannen switchen meer en vallen vaker uit
       Ongeveer 61% van de vrouwen zonder een migratieachtergrond zit na vier jaar nog op
       de hbo-opleiding van eerste inschrijving. Mannen met een niet-westerse achtergrond
       presteren minder goed: 35% bevindt zich na vier jaar nog op de hbo-opleiding van eerste
       inschrijving. Mannen zonder migratieachtergrond en vrouwen met een niet-westerse
       achtergrond zitten daar tussenin (met respectievelijk ongeveer 49% en 43%).
       Net als in het hbo blijven vrouwen vaker in de wo-opleiding van eerste inschrijving
       dan mannen. Vrouwen met een niet niet-westerse migratieachtergrond van de tweede
       generatie blijven vaker in de opleiding van eerste inschrijving dan mannen zonder
       migratieachtergrond.
       Deze verschillen worden vooral veroorzaakt door het switchen van opleiding binnen het
       hoger onderwijs. Mannen blijken meer te switchen tussen opleidingen. Kijken we alleen
       of studenten na vier jaar nog steeds op het hbo zitten, dan lopen de cijfers uiteen van
       83% (vrouw, Nederlandse achtergrond, eerste inschrijving in het hbo) tot 77% (man,
       niet-westerse achtergrond, eerste inschrijving in het hbo). De percentages van mannen
       zonder migratieachtergrond en van vrouwen met een niet-westerse achtergrond liggen daar
       117 Inspectie van het Onderwijs, 2019c, p. 196.
53     118 Inspectie van het Onderwijs, 2019c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>   tussenin. Opvallend is dat vrouwen met een niet-westerse achtergrond minder uitvallen dan
   mannen zonder migratieachtergrond.
   Vrouwen behalen een hoger (eind)niveau; dit is een internationale trend
   Vrouwen behalen tegenwoordig structureel een hoger niveau van onderwijs dan mannen.
   Dat blijkt uit de deelname van vrouwen aan het hoger onderwijs, die toeneemt ten opzichte
   van mannen. Deze ontwikkeling is niet van recente datum. Sinds het cursusjaar 1997/1998
   zijn er meer vrouwen dan mannen ingeschreven in het hoger beroepsonderwijs. Binnen
   het wetenschappelijk onderwijs zijn vrouwelijke studenten sinds het cursusjaar 2006/2007
   in de meerderheid. In het cursusjaar 2018/2019 was 51,4% van de studentenpopulatie in
   het hoger onderwijs vrouw en 48,6% man.119 De achterstand van mannen in het hoger
   onderwijs beperkt zich niet tot Nederland. De cijfers uit andere landen tonen aan dat
   sprake is van een internationale trend. Gemiddeld zijn vrouwen in de OECD-landen iets
   oververtegenwoordigd in de instroom in het hoger onderwijs. Dat geldt voor de associate
   degree, de bachelor- en de masteropleidingen. De verschillen tussen landen zijn groot,
   maar wijzen wel in de richting van oververtegenwoordiging van vrouwen in het hoger
   onderwijs. In Nederland ligt het aandeel vrouwen in de instroom van het bacheloronderwijs
   op 53%. Dat cijfer ligt vlak bij het EU-23-gemiddelde van 54%. Zweden toont voor het
   bacheloronderwijs een uitschieter naar boven, met een vrouwelijk aandeel van 61%.120
   Vrouwen zijn hoger gediplomeerd dan mannen
   Dat vrouwen in Nederland tegenwoordig een structureel hoger niveau van onderwijs
   behalen, blijkt ook uit het aandeel hbo- en wo-gediplomeerden. Tot 2018 was het aandeel
   hbo- en wo-gediplomeerden onder vrouwen van 15-75 jaar lager dan dat van mannen in
   dezelfde leeftijdcategorie. In 2018 hadden ongeveer evenveel mannen als vrouwen van 15-
   75 jaar een hbo- of wo-diploma (zie figuur 17). In 2019 was het aandeel vrouwen groter.
   119 CBS, 2019c.
54 120 OCW, z.d.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>   Figuur 17: Bezit van een hbo- of wo-diploma, 15-75 jaar (%)121
                                            Mannen                                     Vrouwen
    2008                                    27,3                                       23,4
    2009                                    27,9                                       24,2
    2010                                    28,5                                       24,8
    2011                                    28,0                                       25,0
    2012                                    28,5                                       25,7
    2013                                    28,7                                       26,2
    2014                                    28,7                                       27,3
    2015                                    29,5                                       28,0
    2016                                    29,6                                       28,7
    2017                                    30,3                                       29,7
    2018                                    30,7                                       30,6
                De komende jaren zal het aandeel vrouwen met een hbo- of wo-diploma naar verwachting
                verder toenemen. Dat komt doordat jonge generaties vrouwen hoger zijn opgeleid dan
                jonge generaties mannen. Bijvoorbeeld binnen de generatie 25- tot 35-jarige vrouwen is
                het aandeel hbo- en wo-gediplomeerden ongeveer 52%, dat van mannen ligt ongeveer
                10 procentpunten lager (zie figuur 18).
   Figuur 18: Bezit van een hbo-of wo-diploma in 2018, uitgesplitst naar leeftijdklasse en geslacht (%)122
                                            Mannen                                     Vrouwen
    15 tot 25 jaar                          8,5                                        12,8
    25 tot 35 jaar                          42,3                                       51,8
    35 tot 45 jaar                          40,7                                       45,9
    45 tot 55 jaar                          34,5                                       32,5
    55 tot 65 jaar                          32,1                                       25
    65 tot 75 jaar                          26,1                                       15,6
                121 CBS, 2019c.
55              122 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>56</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>   Na het onderwijs zijn de rollen omgekeerd.
   Vrouwen hebben minder gunstige beroeps­
   loopbanen: ze werken vaker in deeltijd, verdienen
   minder en stromen minder vaak door naar
   management- en topfuncties.
   6	Bevinding 3
        Beroepsloopbanen van vrouwen verlopen
        minder gunstig dan die van mannen
        De verschillen in de loopbanen binnen het onderwijs werken niet op dezelfde manier
        door op de arbeidsmarkt, maar zijn wel aanzienlijk. Vrouwen hebben minder gunstige
        beroepsloopbanen. In dit hoofdstuk kijkt de raad naar arbeidsparticipatie, werken in
        deeltijd, salaris en doorstroom naar management- en topfuncties.
        Vrouwen blijken op de arbeidsmarkt vaker in deeltijd te werken, minder te verdienen en
        minder vaak door te stromen naar topposities. Nergens in Europa werken vrouwen zo
        vaak in deeltijd als in Nederland. Ook het loonverschil tussen vrouwen en mannen is hier
        relatief groot. Bovendien telt Nederland in verhouding weinig vrouwelijke managers. De
        arbeidsparticipatie van vrouwen in Nederland is wel hoog.
   6.1  Vrouwen werken vaker in deeltijd
        Arbeidsparticipatie is hoog, maar vrouwen werken vaker in deeltijd
        De arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen en mannen is hoog. In 2017 had 72,9%
        van de vrouwen tussen de 15-64 jaar betaald werk, tegen 84,8% van de mannen. Daarmee
        staat Nederland qua arbeidsparticipatie van vrouwen in de top-10 (zevende plek) van EU-
        landen, net boven Letland. Bovenaan de ranglijst prijkt Zweden, waar 79,8% van de vrouwen
        een betaalde baan heeft. Ook de arbeidsparticipatie van Nederlandse mannen is hoog
        vergeleken met andere EU-lidstaten. Nederland neemt hier de vijfde plaats in. Op nummer
        één staat Tsjechië met een arbeidsparticipatie van 86,3%. De verschillen in arbeidsdeelname
        tussen mannen en vrouwen zijn na de economische crisis (na 2013) afgenomen. Er zijn
        verhoudingsgewijs meer vrouwen gaan participeren dan mannen in het arbeidsproces.123
        Nederland is kampioen deeltijdwerk: voor vrouwen is het de norm. Nederland steekt
        op dit punt met kop en schouders uit boven andere EU-landen. Bijna driekwart (74,1%)
        van de Nederlandse vrouwen werkt in een deeltijdbaan. Het eerstvolgende EU-land op
        de ranglijst is Oostenrijk; daar werkt iets minder dan de helft (47,9%) van de vrouwen
        in een deeltijdbaan. Daartussen zit dus 26,2 procentpunt verschil. Ook bij de mannen
        is Nederland kampioen deeltijd, al gaat om een aanzienlijk kleiner percentage dan bij
        vrouwen. Ruim een vijfde (22,6%) van de Nederlandse mannen werkt in een deeltijdbaan.
        Vergeleken bij de overige EU-landen is dat een hoog aandeel. De eerstvolgende op de EU-
        ranglijst is Denemarken, waar 12,4% van de mannen in deeltijd werkt.
        De verschillen in deeltijdwerk zijn nog groot, maar worden kleiner
        Tot aan 2015 is het verschil in het gemiddelde aantal gewerkte uren tussen mannen en
        vrouwen stabiel gebleven. Sinds 2015 zijn de verschillen in Nederland kleiner geworden
        doordat voornamelijk vrouwen meer zijn gaan werken. Sinds 2015 is het gemiddelde
        aantal gewerkte uren per week met ongeveer één uur toegenomen tot 28 uur. Het aandeel
        vrouwen met een grote deeltijdbaan (tussen de 28 en 35 uur) is toegenomen. De gewenste
        arbeidstijd – de tijd die iemand zou willen werken – van vrouwen met een deeltijdbaan ligt
        gemiddeld één uur hoger dan de gewerkte tijd.
57      123 CBS & SCP, 2018; OECD, 2019a.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   De verschillen tussen mannen en vrouwen nemen af, maar zijn nog altijd groot. Jonge
   mannen werken meer uren dan jonge vrouwen en gaan niet minder werken. Ook de
   waardering van werk verschilt. Vrouwen geven aan betaald werk net zo belangrijk te vinden
   als mannen, maar zijn minder bereid dat ook voltijds te doen. Maar liefst 71% van de
   vrouwen geeft aan een voorkeur te hebben voor een deeltijdbaan om zo tijd over te hebben
   voor andere dingen. Bij de mannen gaat het om minder dan de helft (42%).124
   Direct na afstuderen blijken vrouwen meer in deeltijd te werken dan mannen
   Anderhalf jaar na het afstuderen lijken mannen en vrouwen even gemakkelijk de weg
   naar de arbeidsmarkt te hebben gevonden: een even groot aandeel heeft een baan. Wel
   werken jonge vrouwen na het verlaten van school vaker in deeltijd (een baan van minder
   dan 35 uur) dan mannen. Bijna driekwart van de vrouwen met een mbo-diploma heeft een
   deeltijdbaan, tegenover een derde van de jonge mannen met een mbo-diploma.125 Voor
   veel van deze vrouwen lijkt dat geen vrije keus; ongeveer de helft zou graag meer willen
   werken. Ook jonge vrouwen met een hbo- of wo-diploma werken vaker in deeltijd dan
   jonge mannen met hetzelfde diploma, al zijn de verschillen hier kleiner. Nemen we de hele
   populatie van 18 tot 25 jaar, dan blijkt ongeveer 62% van de vrouwen in deeltijd te werken,
   tegenover 28% van de mannen.126 Vrouwen kiezen ook vaker voor de sectoren waar
   deeltijdwerken de norm is, namelijk zorg en onderwijs.127
   Grootste verschillen in arbeidsdeelname en deeltijdwerken na geboorte eerst kind
   De grootste verschillen in arbeidsdeelname en deeltijdwerken ontstaan na het krijgen van
   het eerste kind. Vanaf dat moment stopt ongeveer 10% van de jonge moeders – al dan niet
   tijdelijk – met werken. Dit aandeel is de afgelopen jaren relatief stabiel gebleven. Vooral
   laagopgeleide jonge moeders stoppen met werken. Zo’n 30% van de jonge moeders gaat
   minder werken. Ongeveer 60% blijft na de geboorte van het eerste kind evenveel uren
   werken als daarvoor. Tien jaar geleden was dat zo’n 40%.128 Voor jonge vaders heeft de
   komst van het eerste kind minder gevolgen; een overgrote meerderheid blijft evenveel uren
   werken als vóór de komst van het eerste kind.
   Waarom kiezen vrouwen voor deeltijdwerk? In enquêtes noemen vrouwen als belangrijkste
   beweegredenen tijd voor het huishouden en tijd voor zichzelf,129 met de zorg voor kinderen
   of kleinkinderen op een derde plaats. Andere veel genoemde redenen zijn vrijwilligerswerk,
   het volgen van een opleiding of cursus, dan wel mantelzorgverlening. Vrouwen die besloten
   geen betaalde arbeid te verrichten, doen dat in de eerste plaats om gezondheidsredenen.
   Op de tweede plaats vanwege de zorg voor kinderen en het huishouden. Daarna vanwege
   het volgen van een opleiding, vrijwilligerswerk en mantelzorg. Ten opzichte van tien jaar
   geleden worden de zorgtaken in het gezin en huishouden minder vaak genoemd als reden
   om geen betaalde arbeid te verrichten.130
   Scheve verdeling van zorgtaken in het gezin
   De verdeling van zorgtaken in het gezin is scheef.131 Al willen vaders en moeders de
   zorgtaken het liefst gelijk verdelen, toch besteden vrouwen meer tijd aan de zorg en het
   huishouden dan mannen. Mannen besteden meer tijd aan (betaald) werk buitenshuis,
   hoewel een groot deel van de ouders vindt dat ook het werk buitenshuis gelijkelijk verdeeld
   hoort te zijn.
   Mannen nemen een op de drie uren zorg voor kinderen voor hun rekening en 40% van de
   uren huishoudelijk werk. De verschillen in de verdeling van zorgtaken worden wel kleiner.
   Naar eigen zeggen heeft een op de acht ouders met minderjarige kinderen werk en zorg
   gelijk verdeeld. Van de ouders die een gelijke verdeling voorstaan, heeft een op de vijf
   dat ook gerealiseerd. Veel vrouwen die in deeltijd werken, zijn moeders die het aantal
   betaalde uren hebben verminderd om te zorgen voor kinderen, ouderen (mantelzorg) en het
   huishouden. Ook nemen vrouwen vaker ouderschapsverlof op dan mannen. In vergelijking
   met andere (Noord-)Europese vrouwen besteden Nederlandse vrouwen meer tijd aan
   onbetaald werk (waaronder zorgtaken). Ook het verschil tussen vrouwen en mannen is in
   Nederland groter dan in andere (Noord-)Europese landen.132
   124 CBS & SCP, 2018.
   125 SCP, 2018, p. 7.
   126 CBS & SCP, 2018.
   127 CBS, 2019b; zie verder hoofdstuk 7.
   128 CBS & SCP, 2018, p. 26.
   129 CBS & SCP, 2018, p. 30.
   130 CBS & SCP, 2018.
   131 Ibid.
58 132 OECD, 2019a.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                     Opvattingen van mannen en vrouwen over de gewenste rolverdeling in het gezin lopen
                     uiteen. Op de vraag of een vrouw beter is toegerust om kleine kinderen op te voeden,
                     antwoorden ongeveer vier op de tien mannen bevestigend. Vrouwen vinden dat minder
                     vaak. Het gebruik van formele opvang voor kinderen is sinds 2015 toegenomen. Dat heeft
                     voor een belangrijk deel te maken met het verruimde recht op kinderopvangtoeslag. Al is
                     het gebruik van (formele) kinderopvang toegenomen, niet alle ouders zijn ervan overtuigd
                     dat kinderopvang goed is voor het kind. Vrouwen denken iets positiever over kinderopvang
                     van jonge kinderen (tot en met de peuterleeftijd) dan mannen. Vrouwen staan iets
                     negatiever tegenover opvang van schoolgaande kinderen.
       6.2	Jonge vrouwen verdienen meer, maar in de latere
                     beroepsloopbaan minder
                     Vrouwen verdienen minder dan mannen, ook als rekening wordt gehouden met
                     verschillende achtergrondkenmerken. Sinds 2008 berekent het CBS loonverschillen voor
                     werknemers bij de overheid en in het bedrijfsleven en houdt daarbij rekening met een groot
                     aantal kenmerken van de werknemer zoals leeftijd, herkomst, opleiding en werkervaring,
                     kenmerken van de werkgever (zoals sector, aantal werknemers) en kenmerken van de baan
                     (beroepsniveau, voltijd/deeltijd en dergelijke). Indien het loon is gecorrigeerd voor deze
                     kenmerken blijkt het loonverschil tussen mannen vrouwen bij de overheid 5% te bedragen
                     en 7% in het bedrijfsleven.133
                     Indien geen rekening wordt gehouden met deze achtergrondkenmerken zijn de verschillen
                     respectievelijk 8% (overheid) en 19% (bedrijfsleven). Deze ongecorrigeerde loonverschillen
                     hangen grotendeels samen met de leeftijdverschillen tussen mannen en vrouwen. Zowel
                     bij de overheid als in het bedrijfsleven ligt de gemiddelde leeftijd van mannen hoger dan
                     van vrouwen. Andere belangrijke verklaringen voor de ongecorrigeerde loonverschillen
                     zijn: deeltijdwerk, beroepsniveau en leidinggeven (zie figuur 19). Sinds 2008 zijn de
                     gecorrigeerde en ongecorrigeerde loonverschillen afgenomen.
       Figuur 19: Beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen (2008-2016)134
   25%
   20%
   15%
   10%
    5%
                   2008                       2010                        2012                        2014                 2016
       Bedrijfsleven          Overheid               Bedrijfsleven           Overheid
       ongecorrigeerd         ongecorrigeerd         gecorrigeerd            gecorrigeerd
                     133	Het SCP wijst erop dat een loonverschil niet per se hoeft te wijzen op beloningsdiscriminatie in
                         de zin van ‘ongelijk loon voor arbeid van gelijke waarde’.
59                   134 Muller e.a., 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>       Verschillen worden pas later in de beroepsloopbaan groter in het voordeel van mannen
       De verschillen in salaris tussen mannen en vrouwen veranderen gedurende hun
       beroepsloopbaan. Pas in een later stadium van de loopbaan gaan de mannen meer verdienen
       dan vrouwen. In 2017 verdienden jonge vrouwen meer dan jonge mannen. Bij de overheid
       verdienden vrouwelijke werknemers tot aan het 36e levensjaar meer dan hun mannelijke
       leeftijdgenoten. In het bedrijfsleven lag die grens bij 26 jaar. Tien jaar ervoor, in 2008, lagen
       die grenzen op respectievelijk 33 jaar en 24 jaar. Ze zijn dus flink opgeschoven in het voordeel
       van vrouwen. Een deel van de loonverschillen tussen jonge mannen en vrouwen hangt samen
       met het bereikte eindniveau van onderwijs: jonge vrouwen zijn tegenwoordig vaker dan
       mannen hoger opgeleid.
       Tot aan het 40e levensjaar zijn de verschillen relatief klein om daarna op te lopen in het
       voordeel van mannen. In de categorie ouder dan 55 jaar zijn de verschillen het grootst.
       Vrouwen in deze categorie verdienen bij de overheid 11% tot 20% minder per uur dan mannen
       en in het bedrijfsleven 26% tot 30% minder dan mannen. Dat ligt vooral aan het verschil in
       opleidingsniveau. Mannen zijn in deze categorie gemiddeld hoger opgeleid dan vrouwelijke
       leeftijdgenoten.
       Komst eerste kind is een van de oorzaken van inkomensverschillen
       In Nederland is de zogenoemde ‘child penalty’, het verlies van inkomen na de geboorte
       van het eerste kind, hoog en dan vooral voor vrouwen. Het Centraal Planbureau (CPB)
       berekende dat het verlies van inkomen van vrouwen acht jaar na de geboorte van het
       eerste kind gemiddeld 39% groter is dan het verlies bij mannen.135 Dat heeft vooral te
       maken met de daling van het gewerkte aantal uren, maar er spelen meer factoren. Door
       de onderbreking van de carrière gaan er ook vaardigheden en kennis verloren; bovendien
       kiezen vooral vrouwen een baan waarin werk en gezin beter te combineren zijn (minder of
       andere uren, flexibele werktijden, dichter bij huis). Dat zal vaak een baan zijn van mindere
       kwaliteit (tijdelijke aanstelling, minder loon). Het verlies van inkomen na de geboorte van
       het eerste kind lijkt vooral een gevolg te zijn van gevestige rolpatronen en de keuze van de
       vrouw om in deeltijd te gaan werken.
   6.3 Vrouwen stromen minder door naar hoge functies
       Vrouwen stromen minder door naar hoge functies. Het aandeel vrouwen aan de top blijft
       achter bij het wettelijke streefcijfer van 30%. Wel is het aandeel vrouwen in de raden van
       toezicht en bestuur van de grootste 5000 bedrijven de afgelopen jaren toegenomen. Nu is
       ongeveer een op de vijf topbestuurders van de grootste 500 bedrijven en een op de zes
       topbestuurders van de grootste 5000 bedrijven een vrouw. Vergeleken met het bedrijfsleven
       zijn in de top van de rijksoverheid (34%), onder hoogleraren en bij nonprofitorganisaties (40%)
       meer vrouwen werkzaam.136 In de subtop zijn vrouwen goed vertegenwoordigd. Daarmee
       lijkt er in principe voldoende potentieel om het percentage vrouwen in topfuncties verder te
       verhogen. In internationaal perspectief scoort Nederland bovengemiddeld tot gemiddeld
       als het gaat om topposities bij beursgenoteerd bedrijven. In de subtop scoort Nederland
       beneden het Europees gemiddelde.137 De nadruk op het streven naar diversiteit aan de top
       van beursgenoteerde bedrijven verhult soms de dynamiek in het midden- en kleinbedrijf. Er is
       echter weinig informatie voorhanden over het aandeel vrouwen aan de top in het mkb.
       Het aandeel vrouwen onder managers is lager dan het aandeel mannen. In 2017 was 6% van
       de werkzame bevolking manager (voor mannen en vrouwen samen). Bij vrouwen ging het om
       3%, bij mannen om 8%. De ondervertegenwoordiging van vrouwen in managementfuncties
       gold voor alle sectoren (behalve bouwnijverheid), maar was minder sterk in de sectoren
       informatie en communicatie, de zakelijke dienstverlening, bij de overheid en in de zorg. Van
       ondervertegenwoordiging is sprake als het aandeel vrouwelijke managers lager is dan je op
       grond van het totale aandeel vrouwen werkzaam in een sector mag verwachten. Het aandeel
       vrouwen dat in 2017 een managersfunctie vervulde, was de helft kleiner dan je op grond
       van de arbeidsdeelname per sector mocht verwachten. Bij de overheid en in de zorg waren
       er meer vrouwelijke dan mannelijke managers; maar minder dan je op grond van het totale
       aandeel vrouwen werkzaam in deze sectoren mocht verwachten.138
       135   CPB, 2019a, p. 5.
       136   CPB, 2019b; CBS & SCP, 2018.
       137   CPB, 2019b.
60     138   CBS & SCP, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   Er spelen diverse factoren bij het lage aandeel vrouwen aan de top.139 Het is moeilijk te bepalen
   hoe groot de rol van elke factor is.140 Het relatieve aandeel vrouwen in managementfuncties
   is al lager dan dat van mannen in het eerste jaar na het betreden van de arbeidsmarkt.141 Het
   verschil tussen de percentages mannen en vrouwen met een hoog opleidingsniveau in een
   managementfunctie bedraagt bij de start van de carrière ongeveer tussen 1 en 2 procentpunt.
   De eerste jaren na de start nemen de percentages managers onder mannen en vrouwen
   ongeveer even snel toe. Na ongeveer zes jaar na de start van de carrière stagneert de groei
   van het aandeel managers onder werkende vrouwen, terwijl dat van mannen verder groeit.
   De verschillen worden daarna groter. De gemiddelde leeftijd waarop die stagnatie optreedt,
   is 31 jaar. Niet geheel toevallig valt dat moment voor hoogopgeleide vrouwen samen met de
   leeftijd waarop het eerste kind wordt geboren (zie paragraaf 6.2).
   Welke factoren bepalen de instroom naar, doorstroom in en uitstroom van vrouwen uit hoge
   managementfuncties? Het SCP heeft dit onlangs onderzocht. Uit dat onderzoek blijkt dat
   arbeidsduur en overwerk het sterkst samenhangen met een lagere kans van vrouwen om door
   te stromen naar leidinggevende functies. Voltijdwerk geeft starters én ervaren werknemers
   een duidelijk grotere kans om door te stromen naar een leidinggevende functie dan altijd
   in een niet-leidinggevende functie te blijven. Voor topfuncties geldt dit nog sterker dan voor
   lagere leidinggevende functies. Toch blijkt dat deeltijdwerk niet álle routes naar leidinggevende
   functies afsluit. Voor doorstroom naar de top is het effect van overwerk nog sterker dan voor
   doorstroom naar andere leidinggevende functies, vooral bij relatief veel overwerk (meer
   dan tien uur per week). De uitkomsten van het onderzoek bevestigen de verwachting dat
   vrouwen minder vaak doorstromen naar leidinggevende en topfuncties doordat zij veel vaker
   dan mannen een deeltijdbaan hebben en minder vaak overwerken.142 De verwachting dat
   steun van de leidinggevende ertoe doet, wordt niet bevestigd in de analyses. Ook andere
   organisatiekenmerken zoals de sector lieten niet of nauwelijks samenhang zien met doorstroom.
   139	CPB 2019b; SER, 2019. De SER onderscheidt bijvoorbeeld ook verschillende niveaus
        waarop verklaringen een rol spelen.
   140	CPB, 2019b, p. 12. Het CPB noemt de volgende factoren: de deeltijdcultuur, risicoaversie en
        competitieaversie, het denken in stereotypen en de bestaande organisatiecultuur.
   141 SCP 2018, p. 77.
61 142	Menens & Idema, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>   Vergeleken met andere landen kent Nederland
   een grote horizontale seksesegregatie in het
   onderwijs en op de arbeidsmarkt. Er zijn ‘typische
   jongens- en meidenopleidingen’ en ‘typische
   mannen- en vrouwenberoepen’.
   7	Bevinding 4
                Grootste verschillen doen zich voor in de
                verdeling over sectoren en beroepen
                De studierichting bepaalt in belangrijke mate het beroep waarin mannen en vrouwen
                werkzaam zijn. De grootste verschillen tussen jongens en meiden in het onderwijs doen
                zich voor in hun profiel- en sectorkeuze. De traditionele verdeling naar sectoren en
                beroepen is aanwezig in het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs
                en het hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs. Nederland kent een grotere
                horizontale onderwijssegregatie tussen seksen dan andere landen van de Europese Unie.
                De segregatie tussen seksen in STEM-beroepen (exacte wetenschap, techniek) is in
                Nederland het grootst. Ook bij de zogenoemde EHW-beroepen (onderwijs, zorg) is er een
                sterke segregatie, maar minder extreem.
   7.1	Grote verschillen in verdeling van jongens en meiden
                over sectoren en beroepen
                De verschillen in studiekeuze zijn het grootst in het vmbo, mbo en hbo
                Een indicator om de verdeling van jongens en meiden over sectoren en profielen te
                vergelijken is de segregatie-index. Deze geeft aan welk aandeel van de totale populatie
                moet wisselen van profiel of sector om een gelijke verdeling van mannen en vrouwen over
                de profielen en sectoren te krijgen. Hoe hoger de index, des te groter de segregatie is (zie
                figuur 20).
   Figuur 20: Segregatie-index voor de keuze van onderwijsrichting143
                       Vmbo 3, 4          Havo 4, 5         Vwo 5, 6            Mbo                1e-jaars hbo 1e-jaars wo
    2005/2006          25,5               20,1              17                  22,7               18,5         9,5
    2006/2007          25,1               19,6              16,7                22,4               18,2         9,4
    2007/2008          24,7               17,5              16,3                22,4               17,7         8,8
    2008/2009          24,4               15,1              14,5                22,2               17,4         9,1
    2009/2010          23,7               14,3              12,1                21,7               16,7         8,5
    2010/2011          22,6               13,6              11,7                21,5               16,6         8,5
    2011/2012  144
                       22,1               13                11,2                21,5               16,1         8,8
    2012/2013          21,3               12,2              11,1                21,4               16,1         8,9
    2013/2014          20,8               12,1              10,9                21,1               15,9         9,3
    2014/2015          19,7               11,8              10,6                20,6               16,3         9,7
                143 OCW, z.d.
                144	Trendbreuk vmbo in 2011/2012: sinds de invoering van de intersectorale programma’s in
                     2007/2008 is tot 2011/2012 ten onrechte een aantal leerlingen ingedeeld in de sectoren
63                   techniek en economie, ten koste van de sector intersectorale programma’s.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                    Vmbo 3, 4           Havo 4, 5           Vwo 5, 6         Mbo                1e-jaars hbo  1e-jaars wo
   2015/2016145     18,9                11,3                10,2             20,1               17,2          12,6
   2016/2017        18,4                11,4                10,3             20                 17            12,3
   2017/2018        17,9                11,3                10,2             20,2               17,2          12,4
   2018/2019146     17,9                11,5                10,5             20,5               17,4          12,4
             Door de jaren heen is de segregatie tussen jongens en meiden naar sector het grootst in
             het vmbo, mbo en hbo. In het schooljaar 2017/2018 diende 20,2% van de studentpopulatie
             in het mbo van sector te wisselen om een volledig gelijke verdeling te krijgen. In het vmbo
             en het hbo was dat respectievelijk 17,9% en 17,2%. In het havo, vwo en het wo was de
             verdeling over richtingen meer gelijk met segregatie-indices van respectievelijk 11,3%,
             10,2% en 12,4%. Tot aan het schooljaar 2015/2016 is de segregatie in het onderwijs gelijk
             gebleven of afgenomen, alleen in het wetenschappelijk onderwijs is de segregatie tussen
             jongens en meiden toegenomen. De laatste jaren is de situatie overal stabiel. Alleen in het
             vmbo nam de segregatie af.
             Jongens kiezen voor techniek en meiden voor zorg
             Jongens kiezen vaker voor technische studies en meiden vaker voor de richting zorg en
             welzijn. Het CBS berekent al gedurende een aantal jaren het aandeel jongens en meiden in
             de studierichtingen zorg en bètatechniek.147
             In het voortgezet onderwijs (havo en vwo) kiezen leerlingen in het derde jaar uit een aantal
             profielen: Natuur & Techniek, Natuur & Gezondheid, Economie & Maatschappij en Cultuur
             & Maatschappij. Jongens hebben een voorkeur voor de profielen Natuur & Techniek en
             Economie & Maatschappij. Meiden kiezen vaker voor Natuur & Gezondheid en Cultuur
             & Maatschappij. Het aandeel meiden dat in het havo en vwo kiest voor een profiel met
             Natuur & Techniek (of Natuur & Techniek in combinatie met een ander profiel) was in het
             schooljaar 2017/2018 respectievelijk 30,2% en 42,3%.148
             In het vmbo was het aandeel meiden in de sector techniek het laagst. Ongeveer 9,6% van de
             meiden in de leerjaren 3 en 4 van het vmbo (exclusief niveau tl) koos voor een opleiding in de
             techniek. In het mbo was het aandeel vrouwen hoger (19,4%). In het hbo was het 18,7% en in
             het wetenschappelijk onderwijs 36,2% van het totaal aantal studenten. Het aandeel jongens
             en mannen in de zorgopleidingen toont een spiegelbeeld. In het vmbo, mbo, hbo en wo was
             het aandeel jongens/mannen dat koos voor een zorgopleiding laag, van 15,1% in het vmbo tot
             28,6% in het wo. Daartussen bevonden zich het mbo (21,2%) en het hbo (19,9%).
             De segregatie naar sekse in techniek en zorg neemt af
             Sinds het schooljaar 2006/2007 is het aandeel vrouwen in technische richtingen
             toegenomen. In het voortgezet onderwijs is na de invoering van de tweede fase in
             2007/2008 het percentage meiden met een Natuur & Techniek-profiel in twee jaar tijd
             aanzienlijk gestegen (17,8 procentpunt in het vwo en 9,8 procentpunt in het havo). Ook
             daarna is het aandeel meiden gestegen. Ook in het vmbo is het aandeel meiden in de
             sector techniek sinds 2006/2007 gegroeid, zij het niet zo hard als in het havo en het vwo.
             In het mbo neemt het aandeel vrouwen tot aan 2015/2016 gestaag toe, om daarna weer
             iets te slinken. Het hbo vertoont eenzelfde trend.149 In het wetenschappelijk onderwijs is het
             aandeel vrouwen in bètarichtingen tussen 2006/2007 en 2014/2015 licht gegroeid.150 Vanaf
             2015/2016 tot aan 2018/2019 is het aandeel vrouwen verder toegenomen.
             In het vmbo en mbo neemt het aandeel mannen in de sector zorg en welzijn sinds
             2006/2007 toe. In het hbo is het aandeel vanaf 2014/2015 ongeveer stabiel. In het
             wetenschappelijk onderwijs neemt de segregatie in zorgopleidingen juist toe. Dit omdat het
             aandeel jongens in zorgopleidingen verder terugloopt.151
             145	Trendbreuk hbo en wo in 2015/2016: tot en met 2014/2015 is gebruik gemaakt van de
                  indeling ISCED-F1997, daarna is uitgegaan van de indeling ISCED-F2013. De oude en
                  nieuwe indeling sluiten niet op elkaar aan en hebben een verschillend aantal categorieën in
                  de hoofdindeling (respectievelijk 10 en 8).
             146 De cijfers voor 2018/2019 zijn nog niet definitief.
             147 OCW, z.d.
             148 De cijfers voor 20918/2019 zijn nog niet definitief.
             149	Door een andere ISCED-indeling zijn de hbo- en wo-cijfers vanaf 2015/2016 niet te
                  vergelijken met de cijfers in de periode ervoor.
             150 Ibid.
64           151 CBS, 2018a.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>       Ook op de arbeidsmarkt is sprake van segregatie naar beroepsgroep en sector
       Ook op de arbeidsmarkt is er sprake van segregatie tussen mannen en vrouwen. Ze zijn
       van oudsher werkzaam in verschillende sectoren. Twee categorieën die – net als in het
       onderwijs – te maken hebben met een hoge segregatie zijn de zorgsector (80% vrouw) en
       de technische sector (13% vrouw). Ook in de sectoren dienstverlenend en pedagogisch
       werken van oudsher relatief veel vrouwen. Dit varieert van ongeveer 70% in de sector
       dienstverlenend tot ongeveer 72% in de sector zorg en welzijn. De drie sectoren waar van
       oudsher weinig vrouwen werken zijn de sectoren transport en logistiek, technisch en ict.
       Het aandeel vrouwen varieert van ongeveer 12% bij transport en logistiek tot ongeveer 14%
       bij ict.152
       De segregatie naar sector is sinds 2007 afgenomen. De verdeling van mannen en vrouwen
       over beroepsklassen kan worden uitgedrukt in een beroepssegregatie-index. Deze geeft
       aan welk aandeel van de totale populatie binnen een sector moet veranderen om een
       gelijke verdeling van mannen en vrouwen over verschillende beroepen te krijgen. Hoe
       hoger de index, des te groter de segregatie tussen mannen en vrouwen. In 2007 bedroeg
       de index 24%, in 2015 22% en sindsdien is hij gelijk gebleven. De daling van de segregatie-
       index sinds 2007 hangt samen met de afname van het aandeel vrouwen in traditionele
       vrouwenberoepen. In de sector zorg en welzijn en de sector dienstverlenend bijvoorbeeld
       is hun aandeel licht afgenomen. In de sectoren waar traditioneel weinig vrouwen
       werken zoals in transport en logistiek, de technische sector en de ict, is het aandeel
       vrouwen licht toegenomen. Overigens is het niet zo dat in álle sectoren met een sterke
       oververtegenwoordiging van vrouwen hun aandeel terugloopt. Zo is het percentage
       vrouwen in de sector pedagogisch toegenomen. Twee andere sectoren waar het aandeel
       vrouwen is gestegen, zijn de sector openbaar bestuur, veiligheid en juridisch en de sector
       creatief en taalkundig.
       Keuzes in het onderwijs werken door op de arbeidsmarkt en andersom
       Met de keuze voor een opleidingsrichting sorteren mannen en vrouwen voor op
       verschillende sectoren en beroepen op de arbeidsmarkt. De segregatie naar sector komt
       daarom grotendeels voort uit de keuzes die mannen en vrouwen in het onderwijs maken.
       Tegelijkertijd beinvloedt de ongelijke verdeling van mannen en vrouwen over sectoren ook
       weer de keuzes die jongens en meiden maken in het onderwijs. De zichtbare patronen op
       de arbeidsmarkt nodigen uit tot genderconformisme: jongens en meiden in het onderwijs
       zijn geneigd keuzes te maken overeenkomstig de bestaande patronen. Daarnaast speelt
       mee dat diverse beroepsgroepen sterk van elkaar zijn afgegrensd, waardoor de mobiliteit
       tussen beroepsgroepen gering is. Daardoor wordt ook op een later moment de segregatie
       naar beroep niet opgeheven. Ook blijken werknemers niet in staat of bereid om zich om te
       scholen tot een ander beroep dan waarin ze initieel zijn opgeleid.153
       Vrouwen die een opleiding volgen die traditioneel gedomineerd wordt door mannen,
       hebben een minder grote kans in een corresponderend beroep terecht te komen. Van de
       vrouwen met een opleiding in de richting techniek, industrie en bouwkunde was in 2017
       ongeveer een kwart werkzaam in een technisch beroep. Bij de mannen ging het om meer
       dan de helft.154 Datzelfde geldt voor vrouwen met een informatica-opleiding. Zij zijn minder
       vaak werkzaam in de ict dan mannen met dezelfde vooropleiding. De kans dat een vrouw
       met een zorgopleiding daadwerkelijk terechtkomt in de sector zorg, is ongeveer even groot
       als de kans dat een man daar belandt.155
   7.2 Verschillen relatief groot vergeleken met andere landen
       Horizontale onderwijsongelijkheid is relatief groot
       Vergeleken met andere EU-landen kent Nederland een grote horizontale segregatie tussen
       seksen. Er zijn grote verschillen naar studierichting binnen de EU. Dit geldt voor alle
       niveaus van onderwijs, maar wel het meest voor het beroepsonderwijs. Nederland vormt
       daarop geen uitzondering. Vooral in de bètarichtingen zijn vrouwelijke afgestudeerden
       ondervertegenwoorigd. Dit betekent niet dat meiden en vrouwen deze studies niet
       aankunnen, maar dat ze niet kiezen voor dit soort studierichtingen. Andersom kiezen
       weinig mannen voor het onderwijs en de zorg. In landen die sterk hechten aan gelijkheid
       152  CBS & SCP, 2018.
       153  Buchmann, DiPrete & McDaniel, 2010.
       154  CBS & SCP, 2018.
65     155  CBS, 2018a.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>   tussen mannen en vrouwen is het percentage mannen dat afstudeert in een van deze
   studierichtingen doorgaans hoger.156 Daarbij zijn mannen over het algemeen vaker te
   vinden in opleidingen die vooruitzicht bieden op een hoger loon zoals techniek en ict,
   en minder in opleidingen die samenhangen met lagere lonen zoals onderwijs, kunst en
   menswetenschappen.157
   Binnen de EU kent het Nederlands hoger onderwijs de laagste percentages gediplomeerde
   vrouwen in een bètarichting. In vrijwel ieder land van de Europese Unie is het aandeel
   vrouwen met een hogeronderwijsdiploma meer dan 50%. In het studiejaar 2016/2017
   was dat zelfs gemiddeld 58%. Deze oververtegenwoordiging van vrouwen ten opzichte
   van mannen geldt niet voor de onderscheiden bètarichtingen. Vooral in de studierichting
   informatica en de richting techniek, industrie en bouwkunde zijn vrouwen in de EU
   ondervertegenwoordigd. Hier is gemiddeld respectievelijk 20,5% en 29,9% van de
   afgestudeerden vrouw. In Nederland geldt dat nog sterker met respectievelijk 14,4% en
   23,1%. Bij de studierichting wiskunde en natuurwetenschappen is het EU-gemiddelde
   aandeel afgestudeerde vrouwen 54,6%. In Nederland is het 44,4% (studiejaar
   2016/2017).158 De Nederlandse deelnamecijfers behoren tot de laagste van de Europese
   Unie.
   Segregatie naar beroepsgroep is relatief groot
   Deze ongelijkheid tussen mannen en vrouwen naar richting in het onderwijs bestaat ook op
   de arbeidsmarkten van de EU-landen. Hoewel vrouwen tegenwoordig werken in beroepen
   en sectoren die voorheen voorbehouden waren aan mannen (informatica, en bouwkunde
   en techniek), is de segregatie in deze beroepsgroepen binnen de Europese Unie groot.
   Aan de andere kant worden bepaalde beroepsgroepen van oudsher gedomineerd door
   vrouwen, zoals de kinderopvang, basisonderwijs, de zorg en huishoudelijk werk. Ten
   opzichte van andere landen van de Europese Unie is de beroepssegregatie tussen mannen
   en vrouwen in Nederland hoog; in bepaalde beroepen is de segregatie naar geslacht zelfs
   het hoogst van alle lidstaten van de EU.
   Om de beroepssegregatie naar geslacht te illustreren kijken we naar de participatie
   van vrouwen en mannen in de zogenoemde STEM- en EHW-beroepen. STEM staat
   voor Science, Technology, Engineering, Mathematics en duidt op een verzameling van
   academische gebieden in de exacte en toegepaste wetenschap, technologie en ict en
   wiskunde. EHW (Education, Health en Welfare) omvat een verzameling academische
   disciplines op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en welzijn. In de Europese
   Unie werkt gemiddeld ongeveer een vijfde van alle werknemers in een STEM- of EHW-
   beroep.159 De segregatie in STEM- en EHW-beroepen is hoog en relatief stabiel over de
   afgelopen jaren. Onderzoek in opdracht van de Raad van de Europese Unie wijst uit dat
   het gemiddelde aandeel mannen in EHW-beroepen is afgenomen van 30% in 2004 tot 26%
   in 2014. Het gemiddelde aandeel vrouwen in STEM-beroepen is slechts beperkt gestegen
   van 13% in 2004 tot 14% in 2014.160
   Er zijn grote verschillen tussen de Europese lidstaten. De segregatie tussen seksen in
   STEM-beroepen is het grootst in Nederland; ongeveer 9% van de werknemers in deze
   sectoren is vrouw. In Oostenrijk en Luxemburg is dat aandeel 10%. In Bulgarije, Polen
   en Litouwen is de segregatie naar geslacht veel minder sterk. In 2013/2014 bedroeg het
   percentage vrouwen werkzaam in een STEM-beroep in Bulgarije 26%, het hoogst van
   alle lidstaten in de Europese Unie. In Polen en Litouwen was 21% van de werknemers
   in een STEM-beroep vrouw. Binnen de STEM-beroepen zijn er weer grote verschillen.
   In Nederland is bijvoorbeeld de ict-sector de grootste beroepsgroep binnen STEM; het
   is tegelijkertijd een sector met een sterke ondervertegenwoordiging van vrouwen.161 In
   Bulgarije worden de STEM-beroepen gedomineerd door de categorie bedieningspersoneel
   van installaties en machines. Dit is een categorie waarin in Bulgarije van oudsher veel
   vrouwen werkzaam zijn. Verklaringen op het niveau van een individueel land kunnen een
   rol spelen in de keuze van mannen en vrouwen voor een bepaalde sector.
   De verdeling tussen mannen en vrouwen in EHW-beroepen vormt het spiegelbeeld van
   156 EIGE, 2017, p. 59.
   157 OECD, 2019b, p. 88.
   158 OCW, z.d. 
   159	Tussen landen zijn grote verschillen: in Zweden werkt ongeveer een derde van de
        werknemers (32%) in een van beide beroepsklassen, in Griekenland gaat het om 14%.
   160 EIGE, 2017.
66 161 EIGI, 2017, p. 43.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>   die in STEM-beroepen. Vrouwen domineren de EHW-beroepen, hoewel niet zo sterk als
   mannen de STEM-beroepen domineren. In Griekenland was in 2013/2014 de segregatie in
   EHW-beroepen het laagst van de hele Europese Unie (37% van de werknemers was man),
   gevolgd door Luxemburg (34%) en Italië (32%). In de Baltische staten was de segregatie
   het hoogst met slechts 13% mannen werkzaam in EHW-beroepen. Nederland bevond zich
   in de middenmoot (28%), vlak achter Spanje, Italië en Frankrijk. De verdeling van mannen
   en vrouwen over de EHW-beroepen kan verschillen per lidstaat. In een aantal lidstaten is
   de man-vrouwverhouding in medische of aanverwante beroepen in balans en in vrijwel alle
   lidstaten zijn vrouwen oververtegenwoordigd in de onderwijssector. De grootste segregatie
   bestaat in de categorie verzorgend personeel en vergelijkbare werknemers (onder andere
   thuiszorg, kinderopvang en aanverwante beroepen).162 De (grote) omvang van deze laatste
   beroepsgroep verklaart voor een belangrijk deel waarom bijvoorbeeld Zweden (waar liefst
   7% van alle werknemers in deze sector werkzaam is) een relatief hoge segregatie in EHW-
   beroepen kent.
67 162 EIGE, 2017, p. 81.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   Verschillen in loopbanen zijn vooral te verklaren
   door denkbeelden over gender. Deze werken door
   in gedrag, verwachtingen en keuzes van leraren,
   leerlingen en studenten.
   8	Bevinding 5
         Vooral maatschappelijke en culturele
         factoren verklaren de verschillen
         Vanuit de literatuur wordt een aantal omgevingsfactoren aangedragen voor het ontstaan
         van verschillen tussen jongens en meiden, mannen en vrouwen. Deze spelen op
         verschillende niveaus: maatschappij, gezin en leeftijdgenoten, school en onderwijsstelsel.
         De raad bespreekt ze in dit hoofdstuk per niveau.
   8.1   Verklaringen op maatschappijniveau
         De verklaringen op maatschappelijk niveau zijn geclusterd in beleid, economie/werkplek
         en sociaal-culturele factoren. Denk aan de afschaffing van de formele seksediscriminatie
         in de loop van de twintigste eeuw (beleid), de opkomst van de dienstensector (economie)
         en de invloed van sociaal geconstrueerde denkbeelden zoals essentialisme (sociaal-
         culturele domein). Met dit globale overzicht plaatst de raad de belangrijkste bevindingen en
         oplossingsrichtingen in hoofdstuk 2 en 3 van deze verkenning in een breder perspectief.
         Sociaal-culturele factoren hebben invloed op het ontstaan van verschillen
         Verschillen tussen jongens en meiden zijn allereerst te verklaren door sociaal-culturele
         factoren. Deze verklaringen worden met name aangedragen vanuit de onderwijssociologie
         en genderstudies. In deze studies op macroniveau wordt gender (de culturele constructie
         van sekseverschillen) gezien als de “meest automatische, doordringende en vroegst
         geleerde”163 categorisering van sociale relaties en identiteiten in de huidige wereld. Het
         is vaak het primaire instrument om sociale relaties te ‘framen’.164 De meest invloedrijke
         denkbeelden over sekseverschillen zijn beschreven in paragraaf 2.4.
         Beleid heeft invloed op het ontstaan van verschillen
         Ook de wet- en regelgeving is van grote invloed op sekseverschillen in beroepsloopbanen.
         Een historische ontwikkeling was de afschaffing van de formele seksediscriminatie op tal
         van maatschappelijke terreinen. Sinds de Grondwetswijziging van 1922 geldt het algemeen
         kiesrecht voor mannen en vrouwen. Pas bij de inwerkingtreding van de Lex-Van Oven (lex
         = wet) op 1 januari 1957 werd een gehuwde vrouw handelingsbekwaam geacht en mocht
         ze zelfstandig overeenkomsten sluiten. Denk verder aan belangrijke veranderingen in het
         arbeidsrecht en het sociaal verzekeringsrecht, zeker vanaf de tweede helft van de jaren
         tachtig van de vorige eeuw. In 1980 werd de Wet gelijke behandeling voor mannen en
         vrouwen van kracht. Om dit recht effectief te kunnen maken, werd in 1994 de Commissie
         Gelijke Behandeling opgericht (nu College voor de Rechten van de Mens). Hier kunnen
         bijvoorbeeld vrouwen aankloppen als ze vinden dat de werkgever niet in overeenstemming
         met de wet handelt. Tot op de dag van vandaag zijn vragen met betrekking tot gelijke
         behandeling tussen mannen en vrouwen aan de orde.165
         Het afschaffen van de formele seksediscriminatie – mede als gevolg van veranderende
         maatschappelijk-culturele opvattingen over de positie van vrouwen, en het feminisme als
         163 Glick & Fiske, 1999, in Yazilitas e.a., 2013, p. 531.
         164 Diverse auteurs in Yazilitas e.a., 2013, p. 531.
         165	Zie op dit moment het initiatiefwetsvoorstel Gelijke beloning voor mannen en vrouwen,
              TK 2018/2019, 35 157, nr. 3, tot wijziging van de Wet gelijke behandeling voor mannen en
              vrouwen. In het wetsvoorstel is geregeld dat de werkgever dient aan te tonen dat hij gelijk
69            loon voor gelijk werk biedt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>   sociale beweging – maakte het mogelijk dat (jonge) vrouwen in de decennia daarna een
   enorme inhaalslag maakten in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.166 Het is lastig te
   bepalen hoever dat proces gevorderd is; de inhaalslag van meiden en jonge vrouwen is
   immers van relatief recente datum en de arbeidsmarktcarrière van velen onder hen is nog
   niet volledig tot bloei gekomen. De huidige achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt
   is voor een deel een tijdelijke erfenis uit het verleden. Dit ‘cohorteffect’ is echter lang
   niet groot genoeg om de actuele ongelijkheden te kunnen verklaren. Het is evenmin zo
   dat landen in Europa met gemiddeld een hoger opgeleide vrouwelijke bevolking en een
   sterkere cultuur van voltijdwerken gemiddeld meer vrouwen in de raden van bestuur
   hebben.167 Bovendien vindt seksediscriminatie nog steeds plaats, ook al is het nu verboden
   (zie verderop).
   Andere, recente vormen van beleid om sekseverschillen in beroepsloopbanen te
   verminderen zijn verlofregelingen voor jonge gezinnen. Zo is sinds 1 januari 2019 het
   betaald zorgverlof voor beide ouders ingevoerd en per 1 juli 2020 een verlenging van
   het vaderschapsverlof.168 Volgens de SER zijn de regelingen echter nog niet goed
   genoeg om de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen substantieel te verbeteren.169 Ook
   de kinderopvang is van invloed op loopbaanverschillen tussen mannen en vrouwen. De
   Onderwijsraad pleitte voor een uitbreiding en verbetering van voorschoolse voorzieningen
   voor jonge kinderen – vooral ook voor de onderwijskansen van die kinderen zelf.170
   Goede kinderopvang is echter ook een belangrijk arbeidsmarktinstrument.171 Sluitende
   dagarrangementen helpen vrouwen (én mannen) om buitenshuis te kunnen werken en
   verschillende rollen en taken te combineren. In Nederland is de opvang echter sterk
   versnipperd, van wisselende kwaliteit en in de ogen van ouders nog altijd te duur.172
   De inrichting van de kinderopvang hangt samen met de Nederlandse context van het
   ‘anderhalfverdienersmodel’: de sociaal-culturele norm dat de vrouw in deeltijd werkt en het
   merendeel van de zorgtaken voor haar rekening neemt terwijl de man voltijds werkt of een
   grote deeltijdbaan heeft en een halve of hele dag zorgt.173
   Economische factoren hebben invloed op het ontstaan van verschillen
   Als het gaat om macro-economische ontwikkelingen die van invloed zijn (geweest) op het
   ontstaan van sekseverschillen, worden vaak twee factoren genoemd. Ten eerste de groei
   van de dienstverlenende sector en ten tweede de krimp van de (traditionele) industriële
   sector. Vrouwen betraden de arbeidsmarkt in een periode van groei van de dienstensector,
   waardoor zij relatief vaak in de dienstverlening gingen werken.174 Omgekeerd nam het
   aantal banen in ambacht en industrie af,175 waardoor het moeilijker zou zijn geweest om
   vrouwen in dit werk te integreren, zelfs als zij dat hadden gewild.176
   De algemene sociaaleconomische omstandigheden in een land zijn ook van invloed. Het
   materiële welvaartsniveau en de fase van maatschappelijke ontwikkeling (premodern,
   modern of laatmodern) waarin een land verkeert, hebben effect op de socialisering van de
   inwoners. Met name de manier waarop de identiteit van het individu wordt gevormd en de
   rol van gender daarbij zijn belangrijk voor het ontstaan van verschillen tussen jongens en
   meiden.
   Sociaaleconomische omstandigheden verschillen in de mate waarin zij mensen in
   staat stellen hun genderidentiteit uit te drukken in de keuzes die zij maken in hun
   onderwijsloopbaan. Schreiner en Sjoberg verklaren op deze manier keuzepatronen
   in wiskunde, science en technologie in het hoger onderwijs.177 In laatmoderne
   samenlevingen zullen vrouwen, wanneer zij de keuze hebben uit verschillende opties in
   het hoger onderwijs, sneller kiezen voor traditionele vrouwelijke richtingen, omdat deze
   sterker verbonden zijn met hun kernidentiteit. De onderzoekers veronderstellen dat die
   kernidentiteit zeer sterk beïnvloed is door maatschappelijke opvattingen over de verschillen
   tussen mannen en vrouwen. Vrouwen in minder ontwikkelde samenlevingen zijn minder
   bezig met dit soort issues en kiezen daarom vaker voor richtingen die niet traditioneel als
   166 England, 2010.
   167	Tyrowicz, Terjesen & Mazurek, 2020. Dit onderzoek is gebaseerd op 20 miljoen publieke en
        private organisaties in 41 Europese landen gedurende 2 decennia.
   168 SER, 2019, p. 72-73.
   169 SER, 2019, p. 73.
   170 Onderwijsraad, 2015.
   171 SER, 2019, p. 70.
   172 Ibid.
   173 SER, 2019, p. 69.
   174 Charles & Grusky, 2004.
   175 Morris & Western, 1991, in England, 2010, p. 16.
   176 England, 2010, p.16.
70 177 Schreiner & Sjoberg, 2005, in Yazilitas e.a., 2013, p. 532.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>       vrouwelijk worden gezien. Hetzelfde mechanisme is van toepassing op mannen en hun
       keuzes. Toch zijn de verschillen tussen mannen in laatmoderne en in minder ontwikkelde
       samenlevingen veel kleiner, omdat de kernidentiteiten en genderrollen van mannen veel
       minder ter discussie staan in andere academische richtingen dan die van vrouwen in
       wiskunde, science en technologie.
       Een andere factor is seksediscriminatie op de arbeidsmarkt: bij sollicitaties en op de
       werkvloer.178 Dit is niet zozeer een economische variabele als wel een sociaal-culturele
       variabele die speelt in de economische setting. Soms liggen er ronduit seksistische
       motieven ten grondslag aan seksediscriminatie op de arbeidsmarkt, soms gebeurt het
       onbewust. Discriminatie kan ook op ‘statistische’ gronden plaatsvinden.179 Een werkgever
       neemt bijvoorbeeld geen vrouw aan op een veeleisende functie vanuit de gedachte dat
       Nederlandse vrouwen zich gemiddeld vaker dan mannen schuldig voelen als ze een werk-
       familieconflict ervaren.180 Dit is nog steeds een verboden onderscheid, omdat de sollicitant
       in kwestie niet wordt beoordeeld op persoonlijke merites, maar kenmerken krijgt toegedicht
       op basis van sekse.181 In de loop der jaren is het onderzoek naar seksediscriminatie
       op de werkvloer steeds verfijnder geworden. Onderzoek van Azmat en anderen laat
       bijvoorbeeld zien dat beginnende vrouwelijke juristen hun professionele aspiraties naar
       beneden bijstellen als gevolg van discriminatie op de werkvloer (intimidatie, denigrerende
       opmerkingen) en dat een groot deel van de latere verschillen in promotie te verklaren is
       door deze aspiratieverschillen.182 Een vergelijkbaar mechanisme is seksediscriminatie
       als een zichzelf vervullende voorspelling.183 Een ‘normaal’ gemotiveerde vrouw besluit
       dan bijvoorbeeld voortaan minder overuren te maken, omdat ze herhaaldelijk wordt
       ‘overgeslagen’ op basis van de – aanvankelijk onjuiste – aanname van haar mannelijke
       werkgever of collega’s dat ze als vrouw minder overuren zou willen maken. Recent
       onderzoek van het SCP naar ervaren discriminatie bevestigt dit beeld: in Nederland
       ervaren vrouwen meer discriminatie dan mannen en ervaren vrouwen vaker dan mannen
       dat ze worden gediscrimineerd vanwege hun geslacht. Vrouwen ervaren ook meer
       discriminatie dan mannen bij het zoeken naar werk en op de werkvloer.184
       Ook andere auteurs verbinden sociaal-culturele factoren met economische variabelen.
       Zo betoogt Paula England dat mannen en vrouwen nog steeds “gender oogkleppen”185 op
       hebben bij het maken van loopbaankeuzes. Zij zijn nog steeds geneigd genderconform
       gedrag te vertonen om zo hun “ware zelf”186 uit te drukken. Vrouwen zijn alleen geneigd
       gendergrenzen te overschrijden als er geen ander pad voor opwaartse mobiliteit is.187
       Mannen hebben die neiging nauwelijks. Immers, activiteiten (inclusief voltijdouderschap)
       en banen (zoals secretaresse en verpleegster) die traditioneel door vrouwen worden
       gedaan, krijgen nog altijd minder waardering (zowel cultureel als financieel) dan activiteiten
       en banen die traditioneel door mannen worden gedaan. In dit verband brengt Van Tricht
       de zogeheten wet van Sullerot in herinnering: naarmate er meer vrouwen in een bepaald
       beroep werken, zullen de status en de beloning ervan afnemen.188 “Het is niet zo dat meer
       vrouwen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in de besluitvorming als vanzelf tot een
       wereld leidt waarin ‘vrouwelijke’ eigenschappen hoger worden gewaardeerd.”189
   8.2 Verklaringen op gezinsniveau
       De seksespecifieke socialisatie begint in het gezin en in andere gemeenschappen
       zoals (sport)verenigingen en kerkgemeenschappen. Opvoeding speelt een belangrijke
       rol in de ontwikkeling van eigenschappen bij meiden en jongens en de manier waarop
       ze zich (gaan) gedragen.190 Kinderen worden beloond voor gedrag dat ouders zien als
       178	SER, 2019, p. 79. Volgens de SER vindt het grootste deel van de arbeidsmarktdiscriminatie
            tegenwoordig onbewust plaats.
       179 Akerlof & Kranton, 2010, p. 89.
       180 Derks e.a., 2018, in SER, 2019, p. 44.
       181 Enteman, 1996, in Pilcher & Whelehan, 2004, p. 167.
       182 Azmat e.a., 2020.
       183 Gagnon e.a., 2020, p. 28
       184 SCP, 2020, p. 112, 121.
       185 England, 2010, p. 150.
       186	England, 2010, p. 161. England schrijft deze twee woorden zelf ook tussen
            aanhalingstekens.
       187 England, 2010, p. 150.
       188	Sullerot, 1968, zoals geciteerd in Van Tricht, 2018, p. 42.
       189 Van Tricht, 2018, p. 41-42.
71     190 Belotti, 1975.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>       passend bij de sekse en gecorrigeerd bij ‘ongepast’ gedrag. Zo leren kinderen hoe ze zich horen
       te gedragen. Daarnaast identificeren kinderen zich met rolmodellen binnen het gezin. Ze imiteren
       die, waardoor ze zich ook zonder expliciete beloning sekserollen eigen maken. Door zulke
       socialisatieprocessen ontwikkelen jongens en meiden verschillende toekomstperspectieven en
       beelden van hun competenties.191
       Ouders kunnen genderstereotiepe verwachtingen zowel impliciet als expliciet overbrengen op hun
       kinderen. Die worden daardoor beïnvloed. Onderzoek toont aan dat moeders sterke impliciete
       gender-stereotiepe verwachtingen hebben en vaders sterke expliciete.192 Vaders met kinderen van
       hetzelfde geslacht hebben sterkere impliciete stereotiepe verwachtingen dan vaders met zonen én
       dochters. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat dochters sterke genderstereotiepe verwachtingen hebben
       wanneer hun moeders die ook hebben.193
       Voor een deel vinden deze socialisatieprocessen ook op school plaats, maar voor een groot deel
       buiten de school. Kinderen en leraren komen al met beelden en verwachtingen de school in.
   8.3 Ook leeftijdgenoten spelen een rol
       Een veelgenoemde verklaring voor prestatieverschillen tussen jongens en meiden is het
       sekseverschil in houding ten opzichte van school. Onderzoek laat zien dat jongensculturen over het
       algemeen minder op leren en school zijn gericht dan meidenculturen. Veel jongens vinden het ‘niet
       cool’ om je in te zetten voor school en lopen niet graag het risico als ‘nerd’ gezien te worden. In de
       literatuur zijn vormen van jongeren- en vooral jongenscultuur beschreven die de inzet van jongeren
       op school en hun schoolprestaties negatief beïnvloeden. Uit onderzoek blijkt dat de druk vanuit de
       omgeving om je naar traditionele gendernormen te gedragen, invloed kan hebben op het ‘academisch
       zelfvertrouwen’ van jongens en meiden en hun keuze voor een bepaald vakgebied.194
       Verschil in houding ten opzichte van school is klein, maar betekenisvol
       Uit een onderzoek in de tweede klas van de middelbare school blijkt dat jongens hard werken een
       beetje minder cool vinden dan meiden. Ook geven jongens aan dat hard werken minder samenvalt
       met populair zijn op school. Dit onderzoek bevestigt niet dat jongens vaker dan meiden school
       ‘uncool’ vinden. Ander onderzoek geeft aan dat sekseverschillen in prestaties in het voortgezet
       onderwijs deels te verklaren zijn door specifieke gender-studieculturen.195 Enkel een focus op sekse
       om de verschillen tussen jongens en meiden te begrijpen, is te beperkend. De verschillen op basis
       van achtergrondkenmerken zoals sociale status en migratieachtergrond zijn groter dan alleen de
       verschillen tussen jongens en meiden.196
       Druk tot genderconformiteit pakt verschillend uit voor academisch zelfvertrouwen
       Wanneer jongens een sterke druk ervaren om zich genderconform – dat wil zeggen ‘als
       een man’– te gedragen, lijdt hun academisch zelfvertrouwen daaronder, dat wil zeggen hun
       vertrouwen in de eigen prestaties en in hun rol binnen de onderwijsomgeving. Dat heeft een
       negatief effect op hun studieprestaties. Bij meiden is dit andersom: wanneer zij meer druk
       ervaren zich ‘als een vrouw’ (bescheiden, sociaal, risicomijdend enzovoorts) te gedragen op
       school, stijgt hun academisch zelfvertrouwen juist.197 Die druk ervaren ze vanuit hun omgeving
       en vanuit zichzelf. Deze resultaten weerspiegelen genderspecifieke studieculturen in het
       voortgezet onderwijs. Wanneer jongens zich proberen te houden aan de masculiene normen,
       lijdt hun schools functioneren hieronder. Voor meiden is dit anders: zij voelen zich minder op hun
       gemak, maar hebben een hoger zelfvertrouwen in hun functioneren op school.
       Genderconformiteit is ook van invloed op keuze voor vakgebied
       Gendernormen hebben ook invloed op de keuzes die jongens en meiden maken om in een bepaald
       vakgebied te werken. In een omgeving waar traditionele gendernormen heersen, kiezen meiden niet
       vaak voor STEM-studies (Science, Technology, Engineering, Mathematics).198 Wanneer zij vrienden
       hebben met meer traditionele gendernormen, kiezen ze nog veel minder vaak voor STEM. Bij jongens
       heeft dat minder effect op hun keuze voor STEM. De kans dat jongens kiezen voor STEM is wel groter
       wanneer zij alleen jongens en geen meiden als vrienden hebben.199
       191  Eidhof e.a., 2016.
       192  Endendijk e.a., 2013.
       193  Ibid.
       194  Vantieghem & Van Houtte, 2015; Van der Vleuten, Steinmetz & Van de Werfhorst, 2018.
       195  Van Houtte, 2004.
       196  Ibid.
       197  Vantieghem & Van Houtte, 2015.
       198  Van der Vleuten e.a., 2018.
72     199  Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>   8.4 Verklaringen op schoolniveau
       Leraren hebben lagere verwachtingen van jongens
       Een eerste verklaring voor het ontstaan van verschillen op school is de interactie met de
       leraar.200 Jongens krijgen sowieso de meeste aandacht – zowel positieve als negatieve. Verder
       blijkt uit onderzoek dat leraren verschillende verwachtingen hebben van jongens en meiden. Dit
       ‘gender-stereotyperen’ kan op lange termijn leiden tot sekseverschillen in de schoolloopbaan.201
       Dit gebeurt bijvoorbeeld als leraren herhaaldelijk beweren dat meiden slecht zijn in wiskunde.
       Onderzoek toont aan dat meiden dan inderdaad slechter presteren bij een wiskundetest. Wordt
       de stereotypering minder, dan blijken meiden betere resultaten te behalen in de bètavakken.202
       Tegenwoordig hebben zowel mannelijke als vrouwelijke leraren over het algemeen positievere
       verwachtingen van meiden dan van jongens.203 De lage verwachtingen van jongens kunnen
       zichzelf waarmakende voorspellingen worden, die jongens daadwerkelijk op achterstand zetten.
       Onderzoek laat ook zien dat verschillen vooral ontstaan door onbewust gedrag van leraren. Op
       het moment dat leraren zich bewust worden van hun gedrag, kunnen ze het bijsturen.204
       Jongens presteren niet slechter als ze les krijgen van vrouwen
       De laatste tijd wordt specifiek verwezen naar het gedrag van vrouwen en de oververtegen­
       woordiging van vrouwen in het basisonderwijs als verklaring voor verschillen in prestaties
       van jongens en meiden. Door de oververtegenwoordiging zou de cultuur ‘te feminien’ zijn,
       waardoor jongens in het nadeel zijn.205 Meiden zouden niet alleen een andere manier
       van leren hebben dan jongens, deze manier zou op de meeste scholen ook de norm zijn
       geworden. Dit zou nadelig uitpakken voor de jongens. Ook het ontbreken van mannelijke
       rolmodellen zou negatief uitpakken voor de jongens.
       Er is echter geen bewijs gevonden voor sekseverschillen in manieren van leren.206 En
       evenmin voor de aanname dat jongens slechter presteren als ze les krijgen van vrouwen of
       beter als ze leskrijgen van mannen.207 Er zijn wel aanwijzingen dat leraren (mannelijke en
       vrouwelijke) het gedrag van jongens in het onderwijs vaker bestraffen en corrigeren dan dat
       van meiden.208 Wat voor effect dit heeft, is niet bekend.
       Het ontbreken van mannelijke rolmodellen kan wel invloed hebben op de beroepskeuzes
       van jongens en meiden. In dat opzicht is de huidige segregatie binnen het lerarenberoep
       een punt van zorg. Onbewust krijgen kinderen en jongeren de boodschap mee dat werken
       in het (basis)onderwijs vooral iets is voor vrouwen en niet voor mannen. De bestaande
       genderstereotypen onder leerlingen en studenten worden hierdoor verder versterkt.209 We
       weten uit onderzoek dat een scheve verdeling van mannen en vrouwen over beroepen een
       belangrijke invloed heeft op de keuze van kinderen en jongeren om voor een bepaald vak
       te kiezen.210
       Zijn onderwijsmodellen in het voordeel van meiden?
       Een veel genoemde verklaring voor verschillen tussen jongens en meiden in het onderwijs
       is dat er op school steeds meer onderwijsmodellen gehanteerd worden waarin meiden
       en vrouwen beter gedijen.211 Het gaat dan met name om het postsecundair en hoger
       onderwijs. De onderwijsmodellen kenmerken zich door probleemgestuurd onderwijs,
       waarbij een sterk beroep wordt gedaan op zelfsturing.
       Daarnaast zou de toename van het aandeel meiden in vooral het vwo en havo te
       verklaren zijn door de invoering van onderwijsvernieuwingen zoals de tweede fase. In dat
       onderwijs is er meer aandacht voor vaardigheden zoals zelfstandig werken, communicatie,
       samenwerken, studieplanning en informatie verzamelen en verwerken. Meiden zouden
       deze beter beheersen dan jongens. Jongens zouden op twee manieren nadeel
       ondervinden van de vernieuwing. In de eerste plaats worden ze gevraagd onderwijs te
       volgen waarvoor zij minder geschikt zijn dan meiden. In de tweede plaats worden jongens
       200  Van Maele e.a., 2015.
       201  Jolles, 2017.
       202  Ibid.
       203  Van Maele e.a., 2015.
       204  Ibid.
       205  Tavecchio, 2019.
       206  Driessen & Van Langen, 2011b.
       207  Driessen & Doesborgh, 2004; Martino, 2008.
       208  Tavecchio, 2019; Van Houtte, 2019.
       209  OECD, 2012.
       210  Xie & Shauman, 2005; England, 2010; Yazilitas, Svensson, De Vries & Saharso, 2013.
73     211  Belfi, Levels & Van der Velden, 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>   beoordeeld op de vaardigheden die ze in mindere mate bezitten, terwijl de vaardigheden
   waarop jongens zichzelf sterk inschatten (rekenvaardigheden en analytische vaardigheden)
   minder belangrijk zijn geworden.212
   Hoewel er in het buitenland geen onderwijsvernieuwingen zoals de tweede fase zijn ingevoerd,
   zien we daar dezelfde trend.213 In bijna alle OECD-landen zijn meiden oververtegenwoordigd
   in de hogere niveaus; dat is niet uniek voor Nederland. Daarmee lijkt de verklaring van de
   onderwijsmodellen niet aannemelijk.
   Uit onderzoek blijkt dat sommige scholen betere resultaten behalen met jongens dan andere.
   Daar komt bij: op veel scholen waar jongens het goed doen – dat wil zeggen relatief weinig
   voortijdig schoolverlaten, weinig afstromen naar een lager onderwijstype en weinig zittenblijven
   – geldt dit ook voor meiden.214 Als een aantal zaken ontbreekt in de leeromgeving, zijn jongens
   (extra) in het nadeel.
   De aanpak van scholen waar jongens het goed doen, komt voor een groot deel neer op het
   realiseren van goed onderwijs, waarbij gekeken wordt naar de individuele verschillen tussen
   leerlingen en niet zozeer naar de verschillen tussen jongens en meiden. Daarnaast wordt
   de aanpak van die scholen gekenmerkt door een combinatie van structuur bieden, goede
   begeleiding en voortdurend sturen en monitoren op gedrag en motivatie van leerlingen.215
   Seksestereotypen in lesmateriaal zijn in het nadeel van meiden
   Stereotypen kunnen ook tot uitdrukking komen in het curriculum en leermiddelen. De aanpak
   en inhoud kunnen eenzijdig afgestemd zijn op een van beide seksen, waardoor verschillen in
   kansen ontstaan. Uit vrouwenstudies en emancipatieonderzoek uit de jaren zeventig en tachtig
   van de vorige eeuw weten we bijvoorbeeld dat het curriculum in die tijd op allerlei manieren
   was afgestemd op jongens en dat het verborgen curriculum sekse-stereotiepe boodschappen
   212 Coenen, Meng & Van der Velden, 2011.
   213 DiPrete & Buchmann, 2013.
   214 Heemskerk e.a., 2012.
74 215 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>       bevatte. In recent onderzoek van Mesman blijkt dat deze stereotypen nog steeds voorkomen in
       lesmateriaal. Vrouwen zijn systematisch ondervertegenwoordigd (in teksten en op afbeeldingen)
       in boeken voor de vakken Nederlands en wiskunde (brugklas). Personages met een beroep
       zijn vaker man dan vrouw en de mannelijke personages hebben een veel grotere diversiteit
       aan beroepen dan vrouwen. Onderzoek laat verder zien dat blootstelling aan (subtiele)
       ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen en bijbehorende (negatieve) stereotypen
       kunnen leiden tot verminderde motivatie en lagere prestaties bij die groepen.216
   8.5 Verklaringen op het niveau van het onderwijsstelsel
       Tot voor kort is relatief weinig aandacht besteed aan de institutionele factoren die de verschillen
       in onderwijsniveau tussen mannen en vrouwen kunnen verklaren. Scheeren en anderen
       noemen in dit verband het moment waarop het onderwijsstelsel leerlingen selecteert naar
       onderwijsniveau en onderwijstype.217 In hun onderzoek testen ze de hypothese dat een late
       ‘eerste’ selectie – denk aan een verlengde brugklas – gunstiger uitpakt voor meiden dan voor
       jongens als het gaat om het uiteindelijk bereikte onderwijsniveau. De cijfers uit 21 Europese
       landen ondersteunen deze aanname. Een late eerste selectie vergroot de al aanwezige
       voorsprong van meiden ten opzichte van jongens in het onderwijs. Dit onderzoek laat zien dat
       de vormgeving van het onderwijsstelsel van invloed is op de prestaties van jongens en meiden.
       Ook in een studie met PISA-data is deze invloed aangetoond.218
       Latere selectie is dus in het voordeel van meiden, maar welk mechanisme hieraan ten grondslag
       ligt moet nader onderzocht worden. Waarschijnlijk is het een interactie tussen het moment van
       selecteren en de dan aanwezige verschillen tussen jongens en meiden. Met andere woorden:
       het moment van selectie kan de dan aanwezige verschillen vergroten of juist verkleinen. In de
       adolescentie zijn bijvoorbeeld de non-cognitieve vaardigheden sterk in ontwikkeling. Verschillen
       hierin kunnen, mede onder invloed van de omgeving, worden vergroot of verkleind en dat heeft
       weer invloed op de prestaties en verdere loopbaan. In de adolescentie ontwikkelen jongens
       en meiden ook hun identiteit. Deze verschillen kunnen eveneens worden vergroot of verkleind
       door het moment van selectie. In paragraaf 8.3 kwam aan de orde dat jongensculturen over het
       algemeen minder gericht zijn op school en leren dan meidenculturen.
       Yazilitas en anderen noemen de kenmerken van (nationale) onderwijssystemen en
       het onderwijsbeleid als mogelijke verklaringen voor de ongelijke vertegenwoordiging
       van mannelijke en vrouwelijke studenten in wiskunde, science en technologie. 219 Deze
       verklaringen spelen een rol in de productie en reproductie van ongelijkheid in het onderwijs.220
       De belangrijkste institutionele verklaringen zijn de mate van differentiatie en de mate van
       keuzevrijheid. Gedifferentieerde onderwijssystemen veroorzaken meer ongelijke uitkomsten
       met betrekking tot klassen, etniciteit én gender. Minder keuzevrijheid leidt tot meer gelijke
       uitkomsten. Uit Nederlands onderzoek bleek dat de invoering van de tweede fase en de
       vernieuwde tweede fase (die de vrijheid van leerlingen om een eigen examenprogramma
       samen te stellen vermindert) ook invloed heeft gehad op de keuze van meiden voor exacte
       (bèta)examenprogramma’s in het voortgezet onderwijs. 221 Meiden in het vwo en havo
       kozen vaker voor een exacte (bèta)richting. Het CBS wijst erop dat met de invoering van de
       vernieuwde tweede fase in het schooljaar 2007/2008 het eenvoudiger werd om de profielen
       Natuur & Techniek en Natuur & Gezondheid te combineren. Uit cijfers van het CBS blijkt dat
       vooral meiden in het vwo na de invoering van de vernieuwde tweede fase kozen voor zo’n
       dubbelprofiel.222
       216  Mesman e.a., 2019.
       217  Scheeren e.a., 2018.
       218  Hek, Buchmann & Kraaykamp, 2019.
       219  Yazilitas e.a. 2013.
       220  Yazilitas e.a. 2013, p. 533.
       221  Yazilitias e.a. 2013.
75     222  CBS 2018c.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   Geraadpleegde deskundigen
        Gesprekken
        De heer L. Woltring		Auteurs De ontwikkeling van jongens in het onderwijs.
        De heer D. van der Wateren Context en praktijk van primair tot en met hoger onderwijs.
        Mevrouw I. Koopmans		      Sociaal-Economische Raad
        Mevrouw B. Pouwels		       Sociaal-Economische Raad
        Mevrouw M. Swanborn		      Inspectie van het Onderwijs
        Mevrouw R. van de Pol		    Inspectie van het Onderwijs
        De heer M. Balvers		       Inspectie van het Onderwijs
        Mevrouw A. Merens		        Sociaal en Cultureel Planbureau
        De heer F. Bucx			         Sociaal en Cultureel Planbureau
        De heer D. Visser		        Centraal Planbureau
        Mevrouw K. Hoogeveen 		    Sardes
        Deelnemers panelgesprek
        Mevrouw J. Endendijk 		    Universiteit Utrecht
        Mevrouw G. Geerdink		      Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
        Mevrouw I. Heemskerk		     Kohnstamm Instituut
        De heer J. Jolles		        Vrije Universiteit
        Mevrouw A. van Langen		    KBA Nijmegen
        Mevrouw J. Plantenga		     Universiteit Utrecht
76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   Literatuur                                              Centraal Bureau voor de Statistiek (2010).
                                                           Terugblikken, een eeuw in statistieken.
                                                           Geraadpleegd op 4 juni 2020, van
                                                           https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2010/51/
   Akerlof, G.A., & Kranton, R. (2010). Identity           terugblikken-een-eeuw-in-statistieken
   Economics. Princeton & Oxford: Princeton
   University Press.                                       Centraal Bureau voor de Statistiek (2016). Met
                                                           dezelfde citoscore een andere schoolloopbaan.
   Anderson, B. (2006). Imagined Communities:              Geraadpleegd op 23 maart 2020, van https://
   Reflections on the Origin and Spread of                 www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/36/ met-dezelfde-
   Nationalism. 2nd Edition. London: Verso books.          citoscore-een-andere-schoolloopbaan
   Arnot, M., & Miles, P. (2005). A reconstruction         Centraal Bureau voor de Statistiek (2018a). Een
   of the gender agenda: The contradictory gender          op de vijf leerlingen gezondheid of welzijn is man.
   dimensions in New Labour’s educational and              Geraadpleegd op 6 maart 2020, van https://
   economic policy. Oxford Review of Education,            www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/11/een-op-vijf-
   31, 173-189.                                            leerlingen-gezondheid-of-welzijn-is-man
   Aubert-Broche, B., Fonov, V.S., García-Lorenzo,         Centraal Bureau voor de Statistiek (2018b).
   D., Mouiha, A., Guizard, N., Coupé, P., … Collins,      Techniekonderwijs wordt populairder bij meisjes.
   D.L. (2013). A new method for structural volume         Geraadpleegd op 2 juni 2020, https://www.cbs.
   analysis of longitudinal brain MRI data and its         nl/nl-nl/nieuws/2018/15/techniekonderwijs-wordt-
   application in studying the growth trajectories         populairder-bij-meisjes
   of anatomical brain structures in childhood.
   NeuroImage, 82, 393-402.                                Centraal Bureau voor de Statistiek (2018c).
                                                           Meisjes stijgen meer boven schooladvies uit
   Azmat, G., Cuñat, V., & Henry, E. (2020).               dan jongens. Geraadpleegd op 2 juni 2020,
   Gender Promotion Gaps: Career Aspirations               van https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/50/
   and Workplace Discrimination. IZA Discussion            meisjes-stijgen-meer-boven-schooladvies-uit-
   Papers, 12902. Bonn: Institute of Labor                 dan-jongens
   Economics (IZA).
                                                           Centraal Bureau voor de Statistiek (2019a).
   Bavinck, H. (1918). De vrouw in de hedendaagsche        Jongens staan na een jaar al op achterstand op
   maatschappij. Kampen: J.H. Kok.                         het vo. Geraadpleegd op 2 juni 2020, van https://
                                                           www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/36/meisjes-binnen-
   Belfi, B.E., Levels, M., & Van der Velden, R.K.W.       7-jaar-vo-hoger-niveau-diploma-dan-jongens
   (2015). De jongens tegen de meisjes: een
   onderzoek naar verklaringen voor verschillen            Centraal Bureau voor de Statistiek (2019b).
   in studiesucces van jongens. ROA Reports No.            Meisjes vaker dan jongens op hoogste niveau
   005. Maastricht: Research Centre for Education          mbo. Geraadpleegd op 2 juni 2020, van https://
   and the Labour Market.                                  www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/40/meisjes-vaker-
                                                           dan-jongens-op-hoogste-niveau-mbo
   Belotti, E.G. (1975). Little girls: Social conditioning
   and its effects on the stereotyped role of women        Centraal Bureau voor de Statistiek (2019c).
   during infancy. London: Pluto Press.                    Evenveel vrouwen als mannen met hbo- of
                                                           wo-diploma. Geraadpleegd op 2 juni 2020,
   Van den Bergh, L., Denessen, E., & Volman,              van https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/10/
   M. (Red.) (2020). Werk maken van gelijke kansen:        evenveel-vrouwen-als-mannen-met-hbo-of-wo-
   Praktische inzichten uit onderzoek voor leraren         diploma
   basisonderwijs. Meppel: Ten Brink Uitgevers.
                                                           Centraal Bureau voor de Statistiek & Sociaal en
   Berlin, I. (2017). Two concepts of liberty.             Cultureel Planbureau (2018). Emancipatiemonitor
   In D. Miller (Ed.), Liberty Reader (pp. 33-57).         2018. Den Haag: SCP.
   London: Routledge.
                                                           Centraal Planbureau (2019a). Arbeidsparticipatie,
   Bryman, A. (2004). Social Research Methods.             gewerkte uren en economische zelfstandigheid
   2nd Edition. Oxford: Oxford University Press.           van vrouwen. Den Haag: CPB.
   Buchmann, C., DiPrete, T., & McDaniel, A.               Centraal Planbureau (2019b). Vrouwen aan de
   (2008). Gender inequalities in education. Annual        top: Het aandeel vrouwen aan de top van het
   Review of Sociology, 34, 319-337.                       bedrijfsleven blijft achter bij het streefcijfer.
                                                           Wat zijn de oorzaken, gevolgen en beleidsopties?
   Burchell, B., Hardy, V., Rubery, J., & Smith, M.        Den Haag: CPB.
   (2014), A New Method to Understand Occupational
   Gender Segregation in European Labour                   Charles, M., & Grusky, D. (2004). Occupational
   Markets. Te raadplegen van http://ec.europa.eu/         Ghettos: The Worldwide Segregation of Women
   justice/gender-equality/files/documents/150119_         and Men. Redwood City, California: Stanford
   segregation_report_web_en.pdf                           University Press.
77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   Claessen, J. (2013). Meisjessucces of               Eidhof, B., Van Houtte, M., & Vermeulen, M.
   jongensprobleem? De groeiende achterstand van       (Red.) (2016). Sociologen over onderwijs.
   jongens in het onderwijs ofwel de voorsprong        Antwerpen: Garant.
   van meisjes. Heerlen: Wetenschappelijk Centrum
   Leraren Onderzoek, Open Universiteit.               Else-Quest, N.M., Hyde, J., & Linn, M.C. (2010).
                                                       Cross-National Patterns of Gender Differences
   Coenen, J., Meng, C., & Van der Velden, R.          in Mathematics: A Meta-Analysis. Psychological
   (2011). Schoolsucces van jongens en meisjes         Bulletin, 136(1), 103-27.
   in het HAVO en VWO: waarom meisjes het
   beter doen. ROA Reports, Nr. 2. Maastricht:         Endendijk, J.J., Groeneveld, M.G., Van Berkel,
   Researchcentrum voor Onderwijs en                   S.R., Hallers-Haalboom, E.T., Mesman, J., &
   Arbeidsmarkt.                                       Bakermans-Kranenburg, M.J. (2013). Gender
                                                       stereotypes in the family context: Mothers,
   Crone, E. (2008). Het puberende brein.              fathers, and siblings. Sex Roles, 68(9-10),
   Amsterdam: Bert Bakker.                             577-590.
   David, S.P., Naudet, F., Laude, J., Radua, J.,      England, P. (2010). The gender revolution:
   Fusar-Poli, P., Chu, I., … Ionnidis, J.P.A. (2018). uneven and stalled. Gender & Society, 24(2),
   Potential Reporting Bias in Neuroimaging Studies    149-166.
   of Sex Differences. Scientific Reports, 8.
                                                       Etzioni, A. (1993). The Spirit of Community:
   DiPrete, T., & Buchmann, C. (2013). The Rise of     Rights, Responsibilities, and the Communitarian
   Women: The Growing Gender Gap in Education          Agenda. London: Crown.
   and What it Means for American Schools. New
   York, NY: Russell Sage Foundation.                  European Institute for Gender Equality (2017).
                                                       Gender segregation in education, training, and
   Driessen, G. (2005). Effecten van de feminisering   the labour market. Brussel: EIGE.
   van het basisonderwijs: Opinies of feiten?
   Pedagogiek, 25, 40-58.                              Europese Commissie (2018a). Education and
                                                       Training Monitor: Country Report. Geraadpleegd
   Driessen, G. (2009). Teacher’s sex and student’s    op 5 februari 2019, van https://ec.europa.eu/
   achievement, attitudes and behavior. Negative       education/policy/strategic-framework/ et-
   effects of the feminization of primary education?   monitor_nl
   In Z. Buchholz & S. Boyce (Eds.), Masculinity:
   Gender Roles, Characteristics and Coping (pp.       Francis, B. (2006). Heroes or zeroes? The
   1-26). Hauppauge, NY: Nova Science Publishers.      discursive positioning of ‘underachieving boys’ in
                                                       English neo-liberal education policy. Journal of
   Driessen, G., & Van Langen, A. (2007).              Education Policy, 21, 187-200.
   Sekseverschillen in het onderwijs. ‘The boys’
   problem’ in internationaal perspectief. Mens &      Gagnon, N., Bosmans, K., & Riedl, A. (2020).
   Maatschappij 82(2), 109-132.                        The Effect of Unfair Chances and Gender
                                                       Discrimination on Labor Supply. IZA Discussion
   Driessen, G. & Van Langen, A. (2011a). Staan        Papers, 12912. Bonn: Institute of Labor
   jongens in het primair en voortgezet onderwijs      Economics (IZA).
   op achterstand? Pedagogische Studiën, 88(5),
   322-338.                                            Goriounova, N.A., & Mansvelder, H.D. (2019).
                                                       Genes, Cells and Brain Areas of Intelligence.
   Driessen, G., & Van Langen, A. (2011b). Mogelijke   Frontiers in Human Neuroscience, 13, 471.
   verklaringen voor onderwijsachterstanden van
   jongens. Pedagogiek 31(2), 155-171.                 Gubbels, J., Van Langen, A., Maassen, N., &
                                                       Meelissen, M. (2019). Resultaten PISA-2018 in
   Driessen, G. & Van Langen, A. (2013). Gender        vogelvlucht. Enschede: Universiteit Twenthe.
   differences in primary and secondary education:
   Are girls really outperforming boys? International  Hartgers, M., & Portegijs, W. (2009).
   Review of Education, 59, 67-86.                     Onderwijs. In A. Merens & B. Hermans (Red.),
                                                       Emancipatiemonitor 2008 (pp. 46-77). Den Haag:
   Driessen, G., & Doesborgh, J. (2004). De            Sociaal en Cultureel Planbureau.
   feminisering van het basisonderwijs: Effecten
   van het geslacht van de leerkrachten op de          Heemskerk, I., Van Eck, E., Kuiper, E., & Volman,
   prestaties, de houding en het gedrag van de         M. (2012). Succesvolle onderwijsaanpakken voor
   leerlingen. Nijmegen: ITS.                          jongens in het VO. Amsterdam: Kohnstamm
                                                       Instituut.
   Ducharme, S., Albaugh, M.D., Nguyen, T.-V.,
   Hudziak, J.J., Mateos-Pérez, J.M., Labbe,           Hek, M., Buchmann C., & Kraaykamp G. (2019).
   A., … Karama, S. (2016). Trajectories of            Educational Systems and Gender Differences
   cortical thickness maturation in normal brain       in Reading: A Comparative Multilevel Analysis.
   development: The importance of quality control      European Sociological Review 35(2), 169-86.
   procedures. NeuroImage, 125, 267-279.
78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   Van Houtte, M. (2004). Why boys achieve less at      mathematics education.
   school than girls: The difference between boys’      Comparative Education, 41, 329-350.
   and girls’ academic culture. Educational Studies,
   30, 159-173.                                         Van Langen, A., & Driessen, G. (2006).
                                                        Sekseverschillen in onderwijsloopbanen:
   Hyde, J. (2005). The gender similarities hypothesis. Een internationaal comparatieve trendstudie.
   American Psychologist, 60(6), 581-592.               Nijmegen: ITS.
   Inspectie van het Onderwijs (2018). Technische       Lenroot, R.K., Gogtay, N., Greenstein, D.K.,
   rapportage onderwijskansen en segregatie. De         Wells, E.M., Wallace, G.L., Clasen, L.S., …
   Staat van het Onderwijs 2016/2017. Utrecht:          Giedd, J.N. (2007). Sexual dimorphism of brain
   Inspectie van het Onderwijs.                         developmental trajectories during childhood and
                                                        adolescence. NeuroImage, 36(4), 1065-1073.
   Inspectie van het Onderwijs (2019a). Technisch
   rapport hoofdstuk primair onderwijs. De Staat van    Liefbroer, A.C., & Dykstra, P.A. (2000).
   het Onderwijs 2019. Utrecht: Inspectie van het       Levenslopen in verandering: Een studie
   Onderwijs.                                           naar ontwikkelingen in de levenslopen van
                                                        Nederlanders geboren tussen 1900 en 1970.
   Inspectie van het Onderwijs (2019b). Technisch       Den Haag: Sdu Uitgevers.
   rapport hoofdstuk voortgezet onderwijs. De Staat
   van het Onderwijs 2019. Utrecht: Inspectie van       Lindberg, S.M., Hyde, J.S., Petersen, J.L., &
   het Onderwijs.                                       Linn, M.C. (2010). New trends in gender and
                                                        mathematics performance: A meta-analysis.
   Inspectie van het Onderwijs (2019c). De Staat        Psychological Bulletin, 136(6), 1123-1135.
   van het Onderwijs 2019. Utrecht: Inspectie van
   het Onderwijs.                                       Van Maele, D., Michalek, N., Engels, N., Laevers,
                                                        F., Lombaerts K., & Van Houtte, M. (2015).
   Inspectie van het Onderwijs (2020a). Technisch       Gender op school: Meer dan een jongens-
   rapport hoofdstuk speciaal onderwijs. De Staat       meisjeskwestie. Tielt: Lannoo.
   van het Onderwijs 2020. Utrecht: Inspectie van
   het Onderwijs.                                       Martino, W. (2008). Boys' Underachievement:
                                                        Which Boys Are We Talking About? What Works?
   Inspectie van het Onderwijs (2020b). Technisch       Research into Practice, Research Monograph
   rapport hoofdstuk voortgezet onderwijs. De Staat     # 12, Ontario.
   van het Onderwijs 2020. Utrecht: Inspectie van
   het Onderwijs.                                       Menens, A., & Idema, J. (2020). Verschillende
                                                        wegen naar leidinggeven: Doorstroom van
   Inspectie van het Onderwijs (2020c). Technisch       mannen en vrouwen naar leidinggevende functies.
   rapport mbo. De Staat van het Onderwijs 2020.        Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
   Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
                                                        Mesman, J., Van de Rozenberg, T., Van Veen, D.,
   Jolles, J. (2007). Neurocognitieve ontwikkeling      Zicha, L., & Groeneveld, M. (2019).
   en adolescentie: enkele implicaties voor het         Representatie en stereotypering van vrouwen
   onderwijs. Onderwijsinnovatie, maart 2007, 30-32.    en mannen in schoolboeken voor de brugklas.
                                                        Geraadpleegd op 31 maart 2020, van https://
   Jolles, J. (2017). Het tienerbrein. Over de          jimdo-storage.global.ssl.fastly.net/file/7f686795-
   adolescent tussen biologie en omgeving.              c1b3-466d-8159-3a9fc6d13176/mesman%20
   Amsterdam: Amsterdam University Press.               -%20final%20rapport%20schoolboeken%20
                                                        gender.pdf
   Jolles, J. (2020). Leer je kind kennen. Over
   ontplooiing, leren, denken en het brein.             Michel, S., & Mahon, R. (Eds.) (2002). Child
   Amsterdam: Pluim.                                    Care Policy at the Crossroads: Gender and
                                                        Welfare State Restructuring. New York/London:
   Jungbluth, P. (1984). Covert sex-role socialization  Routledge.
   in Dutch education: A survey among teachers.
   The Netherlands Journal of Sociology, 20, 43-57.     Ministerie van Financiën (2020). De(el)tijd zal het
                                                        leren. Van analyse naar beleid over deeltijd. Den
   Kreimer, M. (2004), Labour Market Segregation and    Haag: Interdepartementaal beleidsonderzoek.
   the Gender-Based Division of Labour. European
   Journal of Women’s Studies, 11(2), 223-246.          Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap
                                                        (z.d.). Onderwijs in cijfers. Geraadpleegd op
   Kremer, M. (2007). How Welfare States                2 juni 2020, van https://www.onderwijsincijfers.nl/
   Care: Culture, Gender and Parenting in               kengetallen/internationaal/leerlingen-en-studenten/
   Europe. Amsterdam: Amsterdam University Press.       stromen-instroom-in-het-hoger-onderwijs
   Van Langen, A., & Dekkers, H. (2005).                Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap
   Cross-national differences in participating in       (z.d.). Onderwijs in cijfers. Geraadpleegd op
   tertiary science, technology, engineering and        2 juni 2020, van https://www.ocwincijfers.
79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>   nl/emancipatie/vrouwen-en-onderwijs/                Sanchis-Segura, C., Ibañez-Gual, M.V., Adrián-
   onderwijsrichting-segregatie-index                  Ventura, J., Aguirre, N., Gómez-Cruz, Á.J.,
                                                       Avila, C., & Forn, C. (2019). Sex differences in gray
   Muller, L., Floris, J., Chkalova, K., Dankmeyer,    matter volume: how many and how large are they
   B. & Bloem, M. (2018). Monitor loonverschillen      really? Biology of Sex Differences, 10(1), 1-19.
   mannen en vrouwen, 2016. Utrecht: Centraal
   Bureau voor de Statistiek.                          Scheeren, L., Van de Werfhorst, H., & Bol, T.
                                                       (2018). The Gender Revolution in Context: How
   Mutlu, A.K., Schneider, M., Debbané, M.,            Later Tracking in Education Benefits Girls. Social
   Badoud, D., Eliez, S., & Schaer, M. (2013).         Forces 97(1), 193-220.
   Sex differences in thickness, and folding
   developments throughout the cortex.                 Sociaal-Economische Raad (2019). Diversiteit in
   NeuroImage, 82, 200-207.                            de top. Tijd voor versnelling. Den Haag: SER.
   Organisation for Economic Co-operation and          Sociaal en Cultureel Planbureau (2018). Werken
   Development (2012). Closing the Gender Gap.         aan de start. Jonge mannen en vrouwen op de
   Act Now. Paris: OECD Publishing.                    arbeidsmarkt. Den Haag: SCP.
   Organisation for Economic Co-operation and          Sociaal en Cultureel Planbureau (2020). Ervaren
   Development (2016). Skills Matter: Further          discriminatie in Nederland II. Den Haag: SCP.
   Results from the Survey of Adult Skills. Paris:
   OECD Publishing.                                    Steinmetz, S. (2012), The Contextual Challenges
                                                       of Occupational Sex Segregation: Deciphering
   Organisation for Economic Co-operation              Cross-National Differences in Europe.
   and Development (2018). The Gender                  Wiesbaden: VS Verlag für Sozialwissenschaften,
   Gap in Educational Outcomes in Norway.              Springer Fachmedien Wiesbaden.
   OECD Education Working Paper No. 183.
   Geraadpleegd op 21 februari 2020, van               Tavecchio, L. (2019). Jongens en hun relatie met
   http://www.oecd.org/officialdocuments/              professionele opvoeders en onderwijsgevenden.
   publicdisplaydocumentpdf/?cote=EDU/                 In L. Woltring & D. van der Wateren, De
   WKP(2018)19&docLanguage=En                          ontwikkeling van jongens in het onderwijs (pp.
                                                       63-76). Tielt: Lannoo.
   Organisation for Economic Co-operation and
   Development (2019a). Part-time and Partly Equal:    Taylor, C. (1989). Sources of the Self: The Making
   Gender and Work in the Netherlands. OECD            of the Modern Identity. Cambridge, MA: Harvard
   Publishing: Paris. Geraadpleegd op 2 juni 2020,     University Press.
   van https://doi.org/10.1787/204235cf-en
                                                       Van Tetering, M.A., & Jolles, J. (2017).
   Organisation for Economic Co-operation and          Teacher evaluations of executive functioning in
   Development (2019b). Education at a Glance.         schoolchildren aged 9-12 and the influence of
   Parijs: OECD Publishing. Geraadpleegd van           age, sex, level of parental education. Frontiers in
   https://www.oecd.org/education/education-at-a-      Psychology, 8, 481.
   glance/
                                                       Van Tricht, J. (2018). Waarom feminisme goed
   Onderwijsraad (2015). Een goede start voor het      is voor mannen. Amsterdam/Antwerpen: Atlas
   jonge kind. Den Haag: Onderwijsraad.                Contact.
   Onderwijsraad (2019). Doorgeschoten differentiatie  Tyrowicz, J., Terjesen, S., & Mazurek, J.
   in het onderwijsstelsel. Den Haag: Onderwijsraad.   (2020). All on board? New evidence on board
                                                       gender diversity from a large panel of firms. IZA
   Pilcher, J. & Whelehan, I. (2004). 50 Key           Discussion Papers, 12883. Bonn: Institute of
   Concepts in Gender Studies. London: Sage.           Labor Economics (IZA).
   PricewaterhouseCoopers (2008). The                  Vantieghem, W., & Van Houtte, M. (2015). Are girls
   leaking pipeline: Where are our female              more resilient to gender-conformity pressure? The
   leaders? 79 women share their stories.              association between gender-conformity pressure
   PricewaterhouseCoopers.                             and academic self-efficacy. Sex Roles, 73(1-2), 1-15.
   Reskin, B.F., & Bielby, D.D. (2005). A Sociological Veendrick, L., Tavecchio, L., & Doornenbal, J.
   Perspective on Gender and Career Outcomes.          (2004). Jongens als probleem. Inleiding bij het
   Journal of Economic Perspectives, 19(1), 71-86.     themadeel. Pedagogiek, 24, 12-22.
   Ruigrok, A.N.V., Salimi-Khorshidi, G., Lai,         Vijayakumar, N., Allen, N.B., Youssef, G.,
   M.-C., Baron-Cohen, S., Lombardo, M.V., Tait,       Dennison, M., Yücel, M., Simmons, J.G., &
   R.J., & Suckling, J. (2014). A meta-analysis        Whittle, S. (2016). Brain development during
   of sex differences in human brain structure.        adolescence: A mixed-longitudinal investigation
   Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 39,           of cortical thickness, surface area, and volume.
   34-50.                                              Human Brain Mapping, 37(6), 2027-2038.
80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>   Van der Vleuten, M., Steinmetz, S., & Van de
   Werfhorst, H. (2018). Gender norms and STEM:
   the importance of friends for stopping leakage
   from the STEM pipeline. Educational Research
   and Evaluation, 24(6-7), 417-436.
   Wierenga, L.M., Langen, M., Oranje, B., &
   Durston, S. (2014). Unique developmental
   trajectories of cortical thickness and surface
   area. NeuroImage, 87(C), 120-126.
   Wierenga, L.M., Bos, M.G.N., Van Rossenberg, F.,
   & Crone, E.A. (2019). Sex Effects on Development
   of Brain Structure and Executive Functions:
   Greater Variance than Mean Effects. Journal of
   Cognitive Neuroscience, 31(5), 730-753.
   Wierenga, L.M., & Crone, E.A. (2019).
   Ontwikkeling van cognitieve en niet-cognitieve
   vaardigheden van jongens en meisjes:
   Een literatuuronderzoek. Leiden: Brain and
   Development Research Center.
   Woltring, L., & Van der Wateren, D. (2019).
   De ontwikkeling van jongens in het onderwijs.
   Context en praktijk van primair tot en met hoger
   onderwijs. Tielt: Lannoo.
   Xie, Y., & Shauman, K.A. (1997). Modeling the
   sex-typing of occupational choice: Influences of
   occupational structure. Sociological Methods &
   Research, 26(2), 233-261.
   Xie, Y., & Shauman, K.A. (2005). Women in
   Science: Career Processes and Outcomes.
   Cambridge, MA: Harvard University Press.
   Yazilitas, D., Svensson, J., De Vries, G., &
   Saharso, S. (2013). Gendered study choice:
   A literature review. A review of theory and
   research into the unequal representation of male
   and female students in mathematics, science,
   and technology. Educational Research and
   Evaluation, 19(6), 525-545.
81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>82</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Colofon
    Goed onderwijs voor iedereen: daar draagt de Onderwijsraad aan bij. De raad
    geeft al meer dan honderd jaar advies over onderwijsbeleid en -wetgeving aan
    de regering en de Eerste en Tweede Kamer. Gevraagd én uit eigen beweging.
    Dit mondt uit in gefundeerde verkenningen en adviezen die focussen op
    oplossingen voor de langere termijn. Ze gaan over alle vormen van onderwijs:
    van voorschoolse voorzieningen tot aan postuniversitair onderwijs en een leven
    lang ontwikkelen.
    De raad is onafhankelijk en staat tegelijkertijd midden in de samenleving
    en het onderwijs. De adviezen worden gevoed door kennis en ervaring
    uit het onderwijsveld en de praktijk van onderwijswetgeving en -beleid.
    En ze zijn gebaseerd op wetenschappelijke kennis en inzichten. De
    JongerenOnderwijsraad, met leerlingen en studenten van diverse leeftijden en
    schooltypen, voedt de raad met ervaringen en ideeën over het Nederlandse
    onderwijs en denkt mee over onderwerpen.
    Nr. 20200161/1175, oktober 2020
    Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2020
    ISBN 978-94-6121-073-9
    Bestellingen van publicaties
    Onderwijsraad
    Prins Willem Alexanderhof 20
    2595 BE Den Haag
    secretariaat@onderwijsraad.nl
    (070) 310 00 00
    Ontwerp
    thonik
    Fotografie
    Edwin Walvisch
    Visualisatie
    Things To Make And Do
    © Onderwijsraad, Den Haag.
    Alle rechten voorbehouden. All rights reserved
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
www.onderwijsraad.nl
secretariaat@onderwijsraad.nl
tel: +31 70 310 00 00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>