<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>     een
 klemmend
beroep
1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    een
klemmend
beroep
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>  Woord vooraf                                                                          5
  In het kort                                                                           6
  1       Aanleiding
          Opleiden in de beroepspraktijk zit in een klem                               11
  1.1		   Schaarste op arbeidsmarkt geeft ook schaarste in opleidingsplekken           12
  1.2		   Behoefte aan opleidingsplekken en samenwerking groeit                        13
  1.3		   Kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk in gevaar                       14
  1.4		   Adviesvraag: wat is nodig om studenten goed te kunnen blijven opleiden
  		      in de beroepspraktijk?                                                       14
  2       Advies
          Zet opleiden in de beroepspraktijk doelbewust en spaarzaam in                17
  2.1		   Opleiden in de beroepspraktijk is essentieel onderdeel van beroepsonderwijs  18
  2.2		   Opleiden in de beroepspraktijk sluit aan bij brede opdracht beroepsonderwijs 20
  2.3		   Beroepsopleidingen hebben weinig zicht op opleiden in de beroepspraktijk     22
  3       Aanbeveling een
          Ontwikkel ook andere vormen van opleiden in de beroepspraktijk		             25
  3.1		   Weeg af wanneer opleiden in de beroepspraktijk moet                          26
  3.2		   Gebruik alternatieven waar het kan                                           26
  4       Aanbeveling twee
          Waarborg samen kwaliteit                                                     31
  4.1		   Stel kwaliteitscriteria vast                                                 32
  4.2		   Zorg dat voorwaarden op orde zijn                                            34
  4.3		   Houd samen zicht op kwaliteit                                                36
  Geraadpleegd                                                                         38
  Literatuur                                                                           39
4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>  Woord vooraf
       Het Nederlandse beroepsonderwijs is internationaal vermaard, omdat het voor een
       belangrijk deel opleidt in de beroepspraktijk. Tijdens hun beroepsopleiding in het
       praktijkonderwijs, middelbaar en hoger beroepsonderwijs, dan wel beroepsgericht
       onderwijs aan de universiteit komen studenten volop in aanraking met alle facetten
       van hun toekomstige beroep. Van samenwerken met collega’s tot omgaan met de
       nieuwste apparatuur en technieken. En van specifieke vakkennis opdoen tot een
       beroepsidentiteit ontwikkelen.
       In Nederland zijn opleiding en beroepspraktijk van oudsher sterk met elkaar verbonden.
       De afgelopen jaren groeit het opleiden in de praktijk. Steeds meer onderwijsactiviteiten
       vinden plaats in de beroepspraktijk. In een structureel krappe arbeidsmarkt leidt dit
       tot een klem. Met aan de ene kant de toenemende vraag naar in de praktijk opgeleide
       vakmensen en professionals en aan de andere kant de schaarste aan opleidingsplekken
       in de beroepspraktijk.
       Met dit advies onderstreept de Onderwijsraad dat opleiden in de beroepspraktijk een
       essentieel onderdeel is van beroepsonderwijs. Door aanhoudende arbeidsmarkt­
       tekorten kunnen bedrijven en organisaties niet genoeg opleidingsplaatsen bieden en
       missen ze de capaciteit voor de praktijkbegeleiding van studenten. De raad beveelt
       beroepsopleidingen daarom aan om hun onderwijsactiviteiten in de beroepspraktijk
       te doseren en met het werkveld op zoek te gaan naar alternatieven die minder of
       geen beslag leggen op de schaarse opleidingsplaatsen en praktijkbegeleiding. Dit
       om opleiden in de beroepspraktijk te kunnen blijven inzetten waar dat noodzakelijk is.
       Want vandaag worden professionals van morgen opgeleid en daarvoor is het deel in
       de beroepspraktijk onontbeerlijk.
       Edith Hooge      		                Mirjam van Leeuwen
       voorzitter 			secretaris-directeur
5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>  In het kort
         Opleiden in de beroepspraktijk is een essentieel onderdeel van beroepsonderwijs.
         Het huidige arbeidsmarkttekort leidt echter tot een gebrek aan opleidingsplekken in
         de beroeps­praktijk en brengt de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk in gevaar.
         De Onderwijsraad adviseert beroepsopleidingen en beroepspraktijk daarom opleiden
         in de beroepspraktijk doelbewust en spaarzaam in te zetten. Bepaal samen welke
         onderwijsactiviteiten per se in de beroepspraktijk thuishoren en waar ook alternatieve
         vormen goed kunnen werken. Het is daarnaast zaak de kwaliteit van opleiden in de
         beroepspraktijk te waarborgen met landelijke principes.
         Aanleiding: opleiden in beroepspraktijk zit in een klem
         Ruim drie kwart van de studenten in Nederland volgt beroepsonderwijs: praktijkonderwijs,
         een voltijds, deeltijd- of duale opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger
         beroepsonderwijs, dan wel beroepsgericht onderwijs aan de universiteit. Essentieel bij al
         deze vormen van beroepsonderwijs is dat studenten zowel binnen de onderwijsinstelling
         als in de beroepspraktijk worden opgeleid.
         Er zijn grote tekorten op de arbeidsmarkt en de vraag naar goed opgeleide
         vakmensen en professionals neemt toe. Dat leidt in sommige sectoren tot een gebrek
         aan opleidingsplekken in de beroepspraktijk en zet de kwaliteit ervan onder druk.
         Bedrijven en organisaties hebben onvoldoende capaciteit om studenten te begeleiden.
         Stagemisbruik ligt op de loer. Bijvoorbeeld als studenten zonder enige vorm van
         begeleiding werkzaamheden moeten uitvoeren. Of als ze worden ingezet als volledige,
         vaak onbetaalde, werknemers, waardoor hun vorming in de praktijk niet centraal staat. Dit
         alles belemmert hen in hun voorbereiding op de beroepspraktijk en later in de uitoefening
         van hun vak of beroep. Daarnaast is er een risico op studievertraging, studie-uitval en
         vroegtijdig schoolverlaten. En daardoor op een nog groter tekort aan goed opgeleide
         vakmensen en professionals.
         De minister van Onderwijs heeft de Onderwijsraad gevraagd een advies uit te brengen
         over wat nodig is om goed beroepsonderwijs te kunnen bieden in tijden van schaarste
         op de arbeidsmarkt.
         Advies: zet opleiden in beroepspraktijk doelbewust en spaarzaam in
         De Onderwijsraad ziet opleiden in de beroepspraktijk als essentieel onderdeel van
         beroepsonderwijs. De raad adviseert om opleiden in de beroepspraktijk doelbewust en
         spaarzaam in te zetten.
         Essentieel in het beroepsonderwijs is dat een deel ervan plaatsvindt in de beroepspraktijk
         onder verantwoordelijkheid van de opleiding. Dat kan in allerlei vormen, zoals stages,
         beroepspraktijkvorming, werkplekleren en praktijkleren. Opleiden in de onderwijsinstelling
         en opleiden in de beroepspraktijk zijn beide onmisbare elementen van beroepsonderwijs
         en hangen nauw samen. Zowel opleiden in de onderwijsinstelling en opleiden in de
         beroepspraktijk als de samenhang daartussen moeten van hoge kwaliteit zijn en blijven.
         Ook in tijden van schaarste aan opleidingsplaatsen en praktijkbegeleiding als gevolg van
         arbeidsmarkttekorten.
         Aanbeveling een: ontwikkel ook andere vormen van opleiden in de beroepspraktijk
         De Onderwijsraad beveelt beroepsopleidingen aan kritisch te bezien welke onderwijs­
         activiteiten beslist in de beroepspraktijk moeten plaatsvinden en bij welke dat niet
         per se hoeft. Het is aan beroepsopleidingen en beroepspraktijk om waar dat mogelijk
         is alternatieven te vinden die minder of geen beslag leggen op de schaarse capaciteit
         aan opleidingsplaatsen en praktijkbegeleiding.
         Een alternatief kan zijn meer gebruik te maken van praktijksimulaties. Daarmee kunnen
         studenten handelingen leren uitvoeren en vaardigheden verwerven zoals zij dat in de echte
         beroepspraktijk zouden doen. Een andere mogelijkheid is het schoolgebouw te gebruiken
         als praktijkruimte of studenten daar te laten werken aan praktijkopdrachten die een
         bedrijf aandraagt. Opleidingen, onderwijsinstellingen en bedrijven en organisaties in het
         beroepenveld kunnen hierbij van elkaar leren. De raad adviseert ook voort te bouwen op
         alternatieven die bedacht zijn tijdens de coronapandemie. Bijvoorbeeld een opleidingsplek
         in de beroepspraktijk laten invullen door meerdere studenten tegelijk. Of stages beter
         spreiden over het studiejaar.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Aanbeveling twee: waarborg samen kwaliteit
De Onderwijsraad beveelt aan dat beroepsopleidingen, beroepenveld en overheid
gezamenlijk de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk waarborgen. Het gaat er dan
om dat beroepsonderwijs en beroepspraktijk op landelijk niveau principes van kwaliteit
afspreken. Bijvoorbeeld dat de werkzaamheden van de student in het praktijkdeel van de
opleiding passen bij de fase van de beroepsopleiding en de leerdoelen van de student. En
dat de begeleiding vanuit de beroepsopleiding en die vanuit de beroepspraktijk van goede
kwaliteit zijn en op elkaar worden afgestemd. De landelijke principes moeten gebaseerd
zijn op wat er nu in de praktijk al goed gaat. Deze principes worden dan op lokaal niveau
verder ingevuld en in praktijk gebracht.
Naast kwaliteitsprincipes moet ook een aantal voorwaarden voor opleiden in de
beroepspraktijk op orde zijn. Het gaat specifiek om de toegankelijkheid van opleiden in de
beroepspraktijk, goede begeleiding van studenten en tegengaan van stagediscriminatie.
Ook pleit de raad voor een minimum-stagevergoeding voor de studenten.
Beroepsopleidingen, beroepspraktijk en overheid zijn samen aan zet om zicht te houden op
de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk. De opleidingen zijn verantwoordelijk voor
de kwaliteit het onderwijs – ook voor het deel dat plaatsvindt in de beroepspraktijk. Het
beroepenveld heeft een verantwoordelijkheid voldoende opleidingsplekken aan te bieden
die van goede kwaliteit zijn. De overheid hoort ervoor te zorgen dat beroepsopleidingen
en beroepspraktijk deze verantwoordelijkheden nemen. De Onderwijsraad beveelt aan om
opleiden in de beroepspraktijk als onderdeel van het hoger onderwijs expliciet op te nemen
in het externe toezicht door visitatiecommissies en de NVAO.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Een klemmend beroep
Opleiden in de beroepspraktijk zit in een klem.
Het huidige arbeidsmarkttekort leidt tot een tekort
aan opleidingsplekken in de beroepspraktijk en
zet de kwaliteit ervan onder druk.
       Advies: zet opleiden in de beroepspraktijk
       doelbewust en spaarzaam in. Het is een
       essentieel onderdeel van het beroepsonderwijs.
                                                       beroepsonderwijs
                    onderwijsinstelling                                            beroepspraktijk
       Aanbevelingen
       Ontwikkel ook andere vormen van                          Waarborg gezamenlijk de kwaliteit
       opleiden in de beroepspraktijk                           Onderwijsinstellingen, beroepspraktijk en overheid
       Maak verstandig gebruik van de schaarse capaciteit       moeten dit samen doen. Spreek op landelijk niveau
       en bepaal zorgvuldig welke onderwijsactiviteiten wel     principes van kwaliteit af en zorg dat voorwaarden voor
       en welke niet in of met de beroepspraktijk moeten        sociale veiligheid en toegankelijkheid op orde zijn.
       plaatsvinden. En kom tot alternatieven.
    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>prs a oop BAT TOEN

» LAUGH MORE >
WORRY LESS

EVERY DAY MAY NOT BE 6000

Jä e Lama LIVE ©
FOLLOW YOUR DREAMS

a ad
ma > AWESOME!

</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                  1
   aan
              leiding
    Opleiden in de beroepspraktijk zit in een klem
    De arbeidsmarkttekorten zetten opleiden in de
    beroepspraktijk onder druk, terwijl de behoefte
    eraan toeneemt. Hiermee zit opleiden in de
    beroepspraktijk in een klem.
11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>        Ruim drie kwart van de studenten in Nederland volgt beroepsonderwijs.1 Dit doen ze
        in het praktijkonderwijs of aan een voltijds, deeltijd- of duale opleiding in het hoger
        beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs, of beroepsgericht onderwijs aan
        de universiteit. Essentieel onderdeel van al deze vormen van beroepsonderwijs is dat
        studenten binnen de onderwijsinstelling én in de beroepspraktijk worden opgeleid. Kortom:
        het Nederlands beroepsonderwijs is onlosmakelijk verbonden met de arbeidsmarkt.
        Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt hebben directe invloed op beroepsonderwijs,
        vooral op het deel van de opleiding dat plaatsvindt in de beroepspraktijk. Het huidige
        arbeidsmarkttekort leidt tot een gebrek aan opleidingsplekken in de beroepspraktijk en
        brengt de kwaliteit ervan in gevaar. Dat leidt tot studievertraging, studie-uitval en vroegtijdig
        schoolverlaten. Met als gevolg een tekort aan goed opgeleide vakmensen en professionals.
        Tegelijkertijd neemt de behoefte aan vakmensen en professionals toe en daarmee
        ook de vraag naar opleidingsplekken in de beroepspraktijk. Hiermee zit opleiden in de
        beroepspraktijk in een klem.
   1.1	Schaarste op arbeidsmarkt geeft ook schaarste in
        opleidingsplekken
        De komende jaren zijn veel vakmensen en professionals nodig om maatschappelijke
        uitdagingen het hoofd te bieden. Hierdoor wordt een klemmend beroep gedaan op
        het beroepsonderwijs. Maar de schaarste op de arbeidsmarkt leidt tot schaarste aan
        opleidingsplekken in de beroepspraktijk en zet de kwaliteit van begeleiding onder druk.
        Schaarste op arbeidsmarkt
        De schaarste op de arbeidsmarkt heeft diverse oorzaken: maatschappelijke opgaven
        (zoals de energietransitie, een groeiende behoefte aan zorg, een tekort aan woningen),
        demografische ontwikkelingen (zoals vergrijzing en dalende studenteninstroom)
        en complexer wordende beroepen (door bijvoorbeeld toenemende digitalisering en
        ontwikkelingen in intelligente technologie). De krapte op de arbeidsmarkt is voor een
        groot aantal beroepen naar verwachting structureel.2
        Er zijn vooral tekorten in cruciale sectoren zoals de gezondheids- en welzijnszorg, het
        onderwijs, veiligheid en justitie en de bouw. Maar ook op andere terreinen is er een
        grote vraag naar personeel. Die vraag is veelzijdig – van specialisten, generalisten en
        uitvoerders tot analisten en onderzoekers. Dit gaat dus het hele beroepsonderwijs aan,
        van praktijkonderwijs tot en met hoger onderwijs.3
        Demografische ontwikkelingen versterken de personeelstekorten. Door toenemende
        vergrijzing en dalende geboorteaantallen neemt het aandeel van de bevolking in de
        werkzame leeftijd af. Er moet meer werk worden gedaan door minder mensen.4 Dalende
        studentenaantallen in het beroepsonderwijs zijn een indicatie dat de schaarste op de
        arbeidsmarkt voorlopig zal aanhouden.5 Er worden minder mensen opgeleid om het werk
        te gaan doen en de beroepen uit te oefenen waarom de samenleving vraagt.
        Tekorten leiden tot tekorten
        De tekorten op de arbeidsmarkt leiden tot tekorten aan opleidingsplekken in de
        beroepspraktijk. Dit speelt in sommige sectoren, zoals de zorg, nu al sterk.6 Zo hebben
        geneeskundestudenten te maken met lange wachttijden voordat ze kunnen beginnen aan
        hun coschappen.7 Ziekenhuizen en zorginstellingen geven aan dat zij door structurele
        drukte en personeelstekorten onvoldoende capaciteit hebben voor de begeleiding van
        stagiairs. Terwijl die op termijn als nieuwe medewerkers juist verlichting bieden.8 Over alle
        sectoren heen is de meest genoemde oorzaak voor tekorten aan opleidingsplekken in de
        beroepspraktijk het gebrek aan praktijkbegeleiders.9
        1	 https://www.ocwincijfers.nl/sectoren/onderwijs-algemeen. In 2022 waren ruim 959 duizend
            studenten ingeschreven in het mbo en hbo en 300 duizend in het wo. Een deel van het wo
            betreft ook beroepsgerichte opleidingen. Daarnaast volgen ongeveer 29 duizend leerlingen
            praktijkonderwijs.
        2	Bijvoorbeeld voor beroepen in de zorg, het onderwijs, de techniek, ict en de klimaat- en digitale
            transitie. Zie: Bakens, Bijlsma, Dijksman, Fouarge & Goedhart, 2021.
        3   CBS, 2023.
        4   UWV, 2023.
        5   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023b.
        6   Zie bijvoorbeeld SBB, 2023b.
        7   Ficheroux, 2021; Meijer, Bootsma & Magdalena, 2023.
        8   SBB, 2022.
12      9   Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   1.2 Behoefte aan opleidingsplekken en samenwerking groeit
       Vanwege de veranderingen op de arbeidsmarkt is er zowel vanuit opleidingen als vanuit
       het werkveld een toenemende behoefte meer op te leiden in en met de beroepspraktijk.10
       De laatste jaren zijn dan ook steeds meer onderwijsactiviteiten van opleidingen naar de
       beroepspraktijk verschoven.11 Niet alleen beroepsopleidingen maar ook theoretische
       opleidingen organiseren steeds vaker een deel van het onderwijs in en met de
       beroepspraktijk.12
       Opleiden in de beroepspraktijk om arbeidsmarkttekort tegen te gaan
       Om de tekorten op de arbeidsmarkt tegen te gaan, stimuleren de overheid en het werkveld
       de samenwerking tussen opleiding en beroepspraktijk.13 Mede hierdoor is het aantal duale
       opleidingen en zij-instroomtrajecten toegenomen.14 Denk aan de mkb-route in het hoger
       beroepsonderwijs. Daarbij werken hbo-studenten drie à vier dagen per week in het midden-
       en kleinbedrijf en volgen ze een à twee dagen per week de opleiding op de hogeschool.15
       Dit is vergelijkbaar met de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) in het middelbaar beroeps­
       onderwijs. Daarbij werken studenten als onderdeel van hun opleiding vier dagen per week
       in een bedrijf of organisatie en volgen ze een dag per week lessen in een mbo-school.
       Neem de bbl-opleiding tot medewerker hovenier, waarbij de student vier dagen in de week
       werkt bij een hoveniersbedrijf of afdeling groenvoorziening van een gemeente en een dag in
       de week naar school gaat. Een ander voorbeeld waarbij samenwerking wordt gestimuleerd
       om de arbeidsmarkttekorten tegen te gaan, zijn de gespecialiseerde universitaire master­
       opleidingen, zoals de Togamaster. Studenten doen dan ervaring op in de praktijk van de
       Nederlandse rechtspraak. Dit om meer toekomstige rechters, advocaten en officieren van
       justitie op te leiden.16
       Daarnaast groeit voor werknemers de noodzaak zich bij- en om te scholen door
       veranderingen op de arbeidsmarkt.17 Een deel van die bij- en omscholing vindt ook
       plaats in de beroepspraktijk.18 En voor meer specialistisch werk waarvoor geen aparte
       beroepsopleiding bestaat, worden ook mensen in de beroepspraktijk opgeleid. Een
       voorbeeld is plaatwerk als onderdeel van de metaaltechniek, waarbij met computer­­­­-
       gestuurde lasers onderdelen worden gesneden uit vlakke metalen of aluminium platen.
       Technologische ontwikkelingen veranderen beroepen
       Technologische ontwikkelingen gaan razendsnel en maken integratie van opleidingen
       en beroepspraktijk steeds urgenter. Nieuwe technologie maakt het werk vaak complexer,
       waardoor er hogere eisen worden gesteld aan studenten die een beroepsopleiding volgen.
       Dat is bijvoorbeeld het geval in de sectoren logistiek, transport, maritiem en administratie.19
       Door technologische ontwikkelingen zullen er nieuwe beroepen komen en bestaande
       functies veranderen of verdwijnen.20 Dit vraagt om vakmensen en professionals die in staat
       zijn interdisciplinair samen te werken en die goed zijn opgeleid. Het is niet altijd mogelijk de
       nieuwste software, apparatuur, machines, kennis van technieken en dergelijke binnen de
       beroepsopleiding aan te bieden. Vanuit studenten, werkveld en beroepsopleidingen groeit
       dan ook de behoefte om werk en opleiding meer te combineren en een (groter) deel van het
       beroepsonderwijs in de beroepspraktijk te laten plaatsvinden.
       10 Van Erp, 2016; Onderwijsraad, 2020.
       11	Bronneman-Helmers, 2006; Rens & Lans, 2022; Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie,
           2022.
       12 Denk hierbij aan maatschappelijke stages in het voortgezet onderwijs of de praktijkgerichte havo.
       13	Zie bijvoorbeeld het bestuursakkoord hoger onderwijs uit 2022. Daarin is afgesproken het duaal
           hbo-aanbod te verstevigen om de tekorten op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Zie Ministerie van
           Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2022. Zie ook de inzet op sectorale loopbaanpaden met
           leerlijnen praktijkleren in het mbo als onderdeel van de aanpak van het personeelstekort in de
           kinderopvang zoals beschreven in Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023c;
           Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023d.
       14	Vereniging Hogescholen, 2023. De instroom van duale studenten in het hbo nam met 3,2% toe,
           terwijl de totale instroom in het hbo met 5,4% afnam.
       15 https://mkbrouteinhbo.wijzijnkatapult.nl/
       16 https://www.rug.nl/masters/togamaster-dual/
       17 Sociaal-Economische Raad, 2023b.
       18 Sociaal-Economische Raad, 2022 en 2023a.
       19 SBB, 2022.
13     20 Rijksoverheid, 2023.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   1.3  Kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk in gevaar
        In sommige sectoren hebben bedrijven en organisaties grote moeite voldoende personeel
        te vinden om het werk te doen. Er is dan vaak ook geen ruimte om studenten goed te
        begeleiden, terwijl dit een onmisbaar onderdeel is van opleiden in de beroepspraktijk.
        Daarmee is de kwaliteit van de opleiding in het geding. Er ontstaat een schaarste aan
        kwalitatief goede opleidingsplekken in de beroepspraktijk.21
        Tekort aan personeel leidt tot minder en minder goede opleidingsplekken
        Personeelstekorten kunnen ertoe leiden dat er in de beroepspraktijk te weinig tijd is om
        studenten goed te begeleiden. Als zij daar onvoldoende begeleiding krijgen, ziet de raad
        dat als een vorm van stagemisbruik.22 Ook kan het gebeuren dat studenten vanwege
        personeelsgebrek taken van werknemers moeten overnemen. Wanneer studenten taken
        en verantwoordelijkheden krijgen die niet overeenkomen met het opleidingsniveau of de
        opleidingsdoelen, is dat ook een vorm van stagemisbruik.23 Uit een enquête blijkt dat één
        op de vijf studenten in het hoger onderwijs te maken heeft met stagemisbruik.24 Neem een
        student aan een opleiding tot docent wiskunde die tijdens de stage op een middelbare
        school het werk doet van een bevoegd leraar vanwege de lerarentekorten. Hier gaan de
        werkzaamheden van de middelbare school voor op de opleiding van de student en houdt
        de student te weinig tijd over om aan eigen opleidingsdoelen te werken. Dat kan leiden tot
        studievertraging of zelfs -uitval.
        Onderwijs en begeleiding raken ondergeschikt bij opleiden in de beroepspraktijk
        Personeelstekorten en stagemisbruik kunnen maken dat onderwijs en begeleiding tijdens
        opleiden in de beroepspraktijk ondergesneeuwd raken.25 De inhoud en didactiek van
        opleiden in de beroepspraktijk en de begeleiding en beoordeling van studenten zijn dan
        ondergeschikt aan de uitvoering van het werk en de uitoefening van het beroep door
        studenten. Hierdoor kan de pedagogisch-didactische aanpak in de beroepspraktijk niet
        goed worden afgestemd op wat er gebeurt bij het opleiden in de school- of collegebanken
        en vice versa. Ook hebben praktijkbegeleiders door hoge werkdruk niet altijd de
        gelegenheid zich te professionaliseren of bij te scholen op pedagogisch-didactisch vlak,
        terwijl dat heel belangrijk is om opleiden in de beroepspraktijk goed vorm te kunnen geven.
   1.4	Adviesvraag: wat is nodig om studenten goed te kunnen
        blijven opleiden in de beroepspraktijk?
        De minister van Onderwijs heeft de Onderwijsraad gevraagd een advies uit te brengen over
        wat er nodig is om goed beroepsonderwijs te kunnen bieden in tijden van schaarste op de
        arbeidsmarkt. In dit advies staat daarom de volgende vraag centraal.
        Wat is nodig om studenten goed te kunnen blijven opleiden in de beroepspraktijk?
        Afbakening
        Het advies richt zich op het deel van het initieel beroepsonderwijs dat plaatsvindt in de
        beroepspraktijk. Hierbij gaat het om alle vormen van opleiden in de beroepspraktijk, waarbij
        de student wordt opgeleid tot een beroep, als vakmens of professional in het kader van
        beroepsonderwijs. Dit deel van de beroepsopleiding kent allerlei vormen en namen, zoals
        stage, beroepspraktijkvorming, werkplekleren en praktijkleren. Overkoepelend spreekt de
        raad over ‘opleiden in de beroepspraktijk’. Het beroepsonderwijs omvat in dit advies het
        middelbaar (mbo) en het hoger beroepsonderwijs (hbo), het praktijkonderwijs (pro) en de
        beroepskwalificerende opleidingen van het wetenschappelijk onderwijs (wo). In dit advies
        wordt in algemene zin over studenten gesproken – ook leerlingen uit het praktijkonderwijs
        zijn hier inbegrepen.
        Totstandkoming
        Voor dit advies heeft de Onderwijsraad veel bronnen benut. In opdracht van de raad
        heeft prof. dr. Regina Mulder een wetenschappelijke literatuurstudie uitgevoerd.26 Deze
        is te vinden op de site van de Onderwijsraad. Naast andere wetenschappelijke literatuur,
        beleidsdocumenten en onderzoeksrapporten heeft de raad betrokkenen en deskundigen
        21 Brink, Lodewick & Rutten, 2022; De Visser, Lommertzen, Luyten & Hendrix, 2023.
        22	https://cnvjongeren.nl/stagemisbruik/; https://www.fnv.nl/nieuwsbericht/sectornieuws/zorg-
             welzijn/2020/02/toekomst-zorg-in-gevaar-door-uitval-stagiairs
        23 https://cnvjongeren.nl/stagemisbruik/
        24 Brink et al., 2022.
        25 SBB, 2022; SBB, 2023a.
14      26 Mulder, 2023.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   geraadpleegd. Er is onder meer gesproken met studenten, docenten, stagecoördinatoren,
   praktijkbegeleiders, bedrijven/organisaties, schoolbestuurders, onderzoekers en
   vertegenwoordigers van sectorraden en werkgevers- en werknemersorganisaties. Een
   overzicht van de literatuur en betrokkenen staat achter in dit advies. Ten slotte heeft de
   raad dankbaar gebruik gemaakt van de schriftelijke bijdragen die zijn ontvangen naar
   aanleiding van de oproep ‘Denkt u mee’ op de website van de Onderwijsraad.
15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                  2
   advies
   Zet opleiden in de beroepspraktijk
   doelbewust en spaarzaam in
   De Onderwijsraad adviseert opleiden in de
   beroepspraktijk doelbewust en spaarzaam in te
   zetten. Beroepsopleidingen en beroepspraktijk
   vullen het praktijkdeel daarbij samen zo in
   dat het bijdraagt aan de beroepsvorming van
   studenten. Ook als de beroepspraktijk kampt
   met personeelstekorten. Opleidingen houden
   daartoe zicht op de kwaliteit van opleiden in de
   beroepspraktijk.
17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>             De Onderwijsraad ziet opleiden in de beroepspraktijk als essentieel onderdeel van
             beroepsonderwijs. De raad adviseert het doelbewust en spaarzaam in te zetten, zodat het
             bijdraagt aan de beroepsvorming van studenten – ook in tijden van personeelstekorten.
             Goede beroepsvorming is meer dan het aanleren van de vaardigheden om het werk te
             kunnen doen. Het gaat erom dat studenten kennis, inzicht, vaardigheden, handelen,
             attitudes en begrip ontwikkelen om als beroepsbeoefenaar, als lid van een beroepsgroep
             en als mens in de samenleving vooruit te kunnen. Dit stelt beroepsopleidingen en
             beroepspraktijk samen voor een onderwijsvraagstuk. Momenteel is er onvoldoende zicht
             op de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk. Beroepsopleidingen, beroepspraktijk en
             overheid moeten zorgen dat daar wél zicht op is.
   2.1	Opleiden in de beroepspraktijk is essentieel onderdeel
             van beroepsonderwijs
             Beroepsonderwijs is gericht op directe toetreding tot een bepaalde groep beroepen en
             op verbetering en uitbreiding van beroepsmatige kennis, vaardigheden en attitudes.27
             Het beroepsonderwijs werkt altijd nauw samen met de beroepspraktijk. De laatste is
             hiermee een onmisbare partner in het opleiden van toekomstige beroepsbeoefenaars.
             Een essentieel onderdeel is opleiden in de beroepspraktijk en dat moet doelbewust worden
             ingezet. Dit betekent dat opleidingen en beroepspraktijk het onderwijs samen zo invullen
             dat het bijdraagt aan de beroepsvorming van studenten.
             Samenwerking met beroepspraktijk maakt beroepsonderwijs uniek en veelzijdig
             De samenwerking met de beroepspraktijk maakt het beroepsonderwijs uniek en veelzijdig.
             Alle beroepsopleidingen samen bereiden studenten voor op een scala aan beroepen.
             Elke beroepsopleiding wordt vormgegeven in samenwerking met de beroepspraktijk. De
             beroepspraktijk geeft richting aan beroepsonderwijs. In de gevallen waarin duidelijk is wat
             het denken en handelen van een bepaald beroep precies inhoudt, is het relatief eenvoudig
             de doelen van de opleiding voor het beroep te formuleren. Dat is minder makkelijk bij
             beroepen die niet zo scherp omlijnd zijn of waar het lastig is om in detail en uitputtend te
             beschrijven wat het beroep inhoudt. Dat geldt ook voor beroepen die in ontwikkeling zijn.
             Bovendien zullen veel bestaande beroepen op termijn veranderen of verdwijnen en komen
             er nieuwe beroepen bij (zie kader hieronder).
             Wanneer helder is naar wat voor soort denken en handelen de opleiding moet toewerken,
             kan de beroepsopleiding vorm krijgen. Opleiding en beroepspraktijk hebben hier elk een
             eigen rol. In de beroepspraktijk werken mensen die expert zijn op het gebied van wat
             het beroep inhoudt. Zij zijn over het algemeen leidend bij het bepalen wat een goede
             beroepsbeoefenaar is en wat deze nodig heeft aan kennis, vaardigheden en attitudes. De
             beroepsopleiding bepaalt wat er aan onderwijs nodig is om die goede beroepsbeoefenaar
             te worden.
     Ontwikkelingen in samenleving en wetenschap beïnvloeden beroepspraktijk
     Klanten vragen steeds vaker om veganistische gebakjes en bonbons; banketbakkers
     spelen daarop in. Technologische ontwikkelingen veranderen het werk van bouwvakkers;
     met een exoskelet (uitwendig skelet dat het lichaam ondersteunt) kunnen zij bijvoorbeeld
     makkelijker zware objecten tillen en dragen.28 Over het algemeen ontstaan nieuwe
     ontwikkelingen in de beroepspraktijk, waarna opleidingen het curriculum aanpassen.
     Soms ontstaan er ook heel nieuwe opleidingen, zoals Vegan patisserie29 en Adviseur
     duurzaamheid.30
     Sommige ontwikkelingen ontstaan niet vanuit de samenleving of de beroepspraktijk, maar
     vanuit kennis uit wetenschappelijk onderzoek. Bijvoorbeeld in de zorg. Nieuwe kennis uit
     de wetenschap komt eerder de opleidingen binnen dan dat deze in het werkveld bekend
     is. Via studenten en pas afgestudeerden bereikt nieuwe kennis of een nieuwe aanpak dan
     de beroepspraktijk.31 Dat kan spanningen geven, bijvoorbeeld omdat beroepsopleiding en
     beroepspraktijk het niet eens zijn over wat een goede beroepsuitoefening is.
             27 Vgl. https://www.cbs.nl/nl-nl/onze-diensten/methoden/begrippen/beroepsonderwijs
             28 https://locuspeople.nl/technologie-trends-in-de-civiele-techniek/
             29 https://www.rocva.nl/Actueel/2024/Eerste-vegan-patisserie-opleiding-van-Nederland
             30	 https://www.novacollege.nl/opleidingen/alle-opleidingen/adviseur-duurzaamheid-
                  junior-consultant/
             31 https://www.hva.nl/urban-vitality/gedeelde-content/nieuws/2019/2023/09/werken-op-basis-van-
18                wetenschappelijk-bewijs-in-de-zorg.html
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>            Mate van opleiden in de beroepspraktijk verschilt
            De mate waarin studenten een deel van hun opleiding in de beroepspraktijk uitvoeren,
            verschilt (zie onderstaand kader). Beroepsonderwijs kent grofweg twee routes: de school-
            georiënteerde en de werk-georiënteerde route. In de school-georiënteerde route zijn
            studenten het grootste deel van de beroepsopleiding in de onderwijsinstelling en een
            relatief kleiner deel in de beroepspraktijk. Deze route is bekend als beroepsopleidende
            leerweg (bol) in het middelbaar beroepsonderwijs en als voltijds of deeltijdopleidingen in
            het hoger onderwijs. Bij de werk-georiënteerde route vindt de opleiding grotendeels plaats
            in de beroepspraktijk en voor een kleiner deel in de onderwijsinstelling. Deze route heet in
            het middelbaar beroepsonderwijs de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en in het hoger
            onderwijs duale opleiding.32 Praktijkonderwijs valt formeel onder het voortgezet onderwijs
            en kent geen indeling in school-georiënteerde en werk-georiënteerde routes. Wel zijn er
            binnen het praktijkonderwijs diverse vormen van samenwerking tussen de opleiding en
            beroepspraktijk (zie onderstaand kader).
   Diverse vormen van samenwerken tussen opleiding en beroepspraktijk
   De samenwerking tussen onderwijsinstellingen en de beroepspraktijk kent diverse vormen
   en gradaties.
   Soms staan opleiding en beroepspraktijk vrijwel los van elkaar. Studenten volgen dan een
   stage in de beroepspraktijk, waarbij er weinig afstemming en samenwerking is tussen
   beide werelden. Vaak gaat het daarbij om een korte stage of snuffelstage om kennis te
   maken met de beroepspraktijk. Studenten lopen mee met een beroepsbeoefenaar, zonder
   dat zij zelfstandig werkzaamheden uitvoeren.
   Er kan ook enige afstemming zijn tussen onderwijs en beroepspraktijk. Wanneer de
   opleiding de beroepspraktijk in huis haalt, voeren studenten bijvoorbeeld een echte
   opdracht uit voor een bedrijf. De begeleiding ligt dan grotendeels bij de opleiding.
   Bij opleiden in de beroepspraktijk is de begeleiding van de student in handen van
   professionals in die beroepspraktijk.33
   Lange tijd lag het accent van opleiden in de beroepspraktijk in de eindfase van de studie,
   waar de overstap naar werk dichterbij komt. Nu vindt het beroepspraktijkdeel bij veel
   opleidingen eerder en vaker plaats. Zo maken leerlingen die praktijkonderwijs volgen vanaf
   het eerste leerjaar kennis met de beroepspraktijk en beslaat het praktijkgedeelte ongeveer
   de helft van de onderwijstijd. In klas 3, 4 en 5 lopen praktijkonderwijsleerlingen meerdere
   beroepsvoorbereidende stages, waarbij ze leren wat er allemaal nodig is om een beroep
   uit te oefenen. De laatste stage gaat over in een plaatsingsstage. De leerlingen worden dan
   voorbereid op de overstap naar het toekomstige werkende leven. Ongeveer 40% van de
   praktijkonderwijsleerlingen stapt na deze stage over naar de arbeidsmarkt. Iets meer dan
   de helft studeert verder in het middelbaar beroepsonderwijs.34
   In het mbo vindt een aanzienlijk deel van het onderwijs verplicht in de beroepspraktijk
   plaats. Dit heet de beroepspraktijkvorming (bpv). In de beroepsopleidende leerweg (bol)
   maakt de bpv zo’n 30-50% uit van de opleiding. In de beroepsbegeleidende leerweg
   (bbl) zijn de studenten tegelijkertijd werknemers en beslaat het praktijkdeel 60-80% van
   de opleiding. Ook in het hoger beroepsonderwijs (hbo) is het gebruikelijk dat studenten
   een deel van hun opleiding in de beroepspraktijk volgen. Dit krijgt de vorm van een
   of meer stages bij een voltijds- of deeltijdopleiding. Bij een duale hbo-opleiding zijn
   studenten de grootste tijd van het onderwijs in dienst bij een opleidingsbedrijf en volgen
   ze een of twee dagen de opleiding op de hogeschool. Voor een associate degree (de
   tweejarige praktijkgerichte hbo-opleiding) komen studenten voor twee derde van hun
   opleiding in aanraking met de beroepspraktijk via diverse praktijkopdrachten en stages.
   Aan de universiteit komt opleiden in de beroepspraktijk relatief het minst voor. Enkele
   universitaire opleidingen kennen verplichte praktijkstages, zoals medische, juridische en
   onderwijsopleidingen. Verder bieden vrijwel alle universitaire (beroeps)opleidingen de
   mogelijkheid een deel van de studie in de beroepspraktijk te volgen.
            32	Soms worden deeltijdopleidingen ook als werk-georiënteerde route toegepast. Dat kan wanneer
                het werk, dat formeel apart wordt geregeld, direct aansluit op de opleiding.
            33 Rens & Lans, 2022; Zitter, 2021.
19          34 https://www.praktijkonderwijs.nl/praktijkonderwijs/
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   2.2	Opleiden in de beroepspraktijk sluit aan bij brede
        opdracht beroepsonderwijs
        Beroepsonderwijs heeft een brede opdracht. Naast de beroepskwalificatie bereidt het
        studenten voor op hun rol in de samenleving.35 Opleiden in de beroepspraktijk sluit aan bij
        die opdracht.36 Het biedt studenten brede vorming en zorgt voor een goede aansluiting op
        de arbeidsmarkt. Het maakt ook dat studenten vaardigheden onder de knie krijgen, een
        goed oordeelsvermogen ontwikkelen en een beroepsidentiteit vormen.37
        Goede aansluiting op arbeidsmarkt
        Het Nederlandse beroepsonderwijs staat bekend om de goede aansluiting op de
        arbeidsmarkt. Dit komt door de sterke component van opleiden in de beroepspraktijk.38
        Vooral het middelbaar beroepsonderwijs en het beroepenveld zijn van oudsher nauw
        verbonden. De samenwerking bij het opstellen van kwalificatie-eisen voor mbo-opleidingen
        is in de wet verankerd.39 Coördinatie, aansturing en uitvoering van het Nederlandse
        middelbaar beroepsonderwijs gebeuren in een samenwerking tussen onderwijsinstellingen,
        bedrijfs- en beroepenveld en overheid. Dit alles is gericht op een arbeidsmarktrelevante
        (start)kwalificatie en tegelijkertijd bredere maatschappelijke participatie en vervolg­
        scholing.40 Ook het aanbod van school-georiënteerde en werk-georiënteerde routes
        maakt dat beroepsonderwijs goed kan inspelen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
        In tijden van personeelstekorten kiezen meer studenten voor werk-georiënteerde
        opleidingen. Zo kunnen zij als werknemer aan de slag en tegelijkertijd toewerken naar
        een diploma. Neemt de krapte op de arbeidsmarkt af, dan kiezen studenten relatief
        vaker voor een school-georiënteerde opleiding.41
        Beroepsmatige vaardigheden eigen maken
        Goed beroepsonderwijs vormt toekomstige professionals en vakmensen die met inzicht en
        kennis van zaken kunnen handelen. Om goede keuzes te maken, volstaan niet altijd regels
        of protocollen, maar is het nodig dat professionals zich bewust zijn van de complexiteit
        van de situatie en beschikken over praktische wijsheid.42 Beroepsonderwijs moet dus het
        inzicht, begrip en oordeelsvermogen van toekomstige professionals helpen vormen – of
        het nu gaat om een logistiek medewerker, een accountant of een rechercheur. Alleen in
        de beroepspraktijk kunnen studenten het beroepsmatig handelen in de volle complexiteit
        ontwikkelen en eigen maken. Mede daarom draagt opleiden in de beroepspraktijk bij aan
        de kwaliteit van de beroepsopleiding.
        Studenten passen wat zij in de onderwijsinstelling hebben geleerd toe in de complexe
        beroepspraktijk. Ook leren zij beroepsmatige handelingen die ze misschien nog niet
        geleerd hebben. Een onderwijsinstelling kan namelijk niet alle kennis, vaardigheden en
        attitudes ‘in huis’ aanbieden. Neem de opleiding paardensport en -houderij. Voor een
        onderwijsstelling is het vaak niet mogelijk of doelmatig een eigen manege te hebben. Het
        kan dan van meerwaarde zijn een deel van het onderwijs bij een bestaande manage vorm
        te geven. Studenten kunnen zich zo vaardigheden eigen maken in de setting van een echt
        bedrijf.43 Ook studenten van de opleiding tandheelkunde in Amsterdam leren een deel
        van de beroepsmatige vaardigheden in een kliniek die verbonden is aan de opleiding.
        Enkele jaren geleden ontstond de behoefte aan opleidingsplekken in een tandartspraktijk,
        waar studenten de opgedane kennis en vaardigheden en de ontwikkelde attitude in een
        levensechte beroepsomgeving konden toepassen. Met ingang van het collegejaar 2024-
        2025 is dat een vast onderdeel van de opleiding.44
        35   Dewey, 1916.
        36   In de literatuur wordt ook de term beroepsbildung gehanteerd. Zie bijvoorbeeld Canters, 2015.
        37   Brooks, 2014; Derkse, 2011; Dupont, 2015.
        38   OECD, 2023.
        39   Onstenk, Van den Berg & Westerhuis, 2022.
        40   OECD, 2023.
        41   Rijksoverheid, 2023.
        42   Zie ook Van den Ende, 2011.
        43   https://www.aeresmbo.nl/almere/paardensport-en-houderij
20      44   https://acta.nl/nl/onderwijs/meer-over/externe-stages
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>           Normatieve professionaliteit ontwikkelen
           Normatieve professionaliteit houdt in dat beroepsbeoefenaars handelen op grond van het
           eigen oordeel; vanuit een weten wat het goede is om te doen. Daarin zit ook een normatief
           aspect.45 Er spelen namelijk overwegingen over wat wenselijk of goed is.46 Professionals
           hebben regelmatig te maken met tegenstrijdige normen en waarden en uiteenlopende
           belangen. Zij oordelen steeds opnieuw hoe te handelen (zie ook tekstkader hierna).
           Juist in de combinatie van opleiden in een onderwijsinstelling én in de beroepspraktijk komen
           normatieve aspecten aan bod. Het vraagt immers om levensechte ervaringen, in combinatie
           met begeleiding en reflectie. In de beroepspraktijk wordt het oordeelsvermogen van de
           student op de proef gesteld en gevormd. In hoeverre dit aan de orde is, verschilt per beroep
           en speelt vooral in sectoren waar met mensen wordt gewerkt.47
   Uitvoerend professionals in publiek sociaal domein
   Inkomensconsulenten, schuldhulpverleners, werkcoaches en jeugdzorgprofessionals zijn
   verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen én het uitvoeren van wetten. Deze
   uitvoerend professionals in het publiek sociaal domein werken bij gemeenten, maar ook
   bij uitvoeringsorganisaties als het UWV en bij re-integratiebedrijven. Hun werk bestaat er
   voor een groot deel uit een balans te vinden tussen helpen en handhaven. Zij beoordelen
   of een burger recht heeft op een bepaalde voorziening, sturen diens gedrag, stellen
   grenzen en leggen sancties op wanneer de burger bepaalde plichten niet nakomt. De
   wensen van burgers kunnen op gespannen voet staan met wet- en- regelgeving en met de
   handelingsruimte die de professionals hebben. De laatsten moeten bij dit soort dilemma’s
   voortdurend afwegingen maken en hun besluiten motiveren.48
           Beroepsidentiteit vormen
           Beroepsvorming houdt ook in dat studenten een beroepsidentiteit ontwikkelen. Dat
           gebeurt vooral in de beroepspraktijk. Pas daar leren studenten zichzelf kennen als
           beroepsbeoefenaar en als lid van een beroepsgroep.49 Zij vormen zich een beeld van de
           beroepspraktijk en leren zich daartoe te verhouden.50 Ze leren beroepsmatig samenwerken
           met mensen, omgaan met patiënten, klanten of opdrachtgevers – ook als de mensen met
           wie of voor wie ze werken, minder tevreden zijn. Naast aanpassing aan staande praktijken
           is ook een zekere kritische distantie belangrijk. Als beroepsbeoefenaar moeten studenten
           namelijk ook de beroepspraktijk kritisch kunnen bevragen en waar nodig aanpassen en
           doorontwikkelen. De literatuur heeft het over de ontwikkeling van agency (in staat zijn
           invloed uit te oefenen op het werk).51 Dit wordt gezien als een belangrijk aspect van het
           functioneren in de beroepspraktijk en kan bijdragen aan bijvoorbeeld innovatief vermogen
           in het produceren van goederen en verlenen van diensten. Dit proces van identiteitsvorming
           vraag om goede begeleiding vanuit de beroepspraktijk. Ook de begeleider vanuit de
           onderwijsinstelling speelt een belangrijke rol: deze kent de student in een andere context en
           kan de student ondersteunen bij de beroepsvorming, bijvoorbeeld in het omgaan met twijfel
           of handelingsverlegenheid. Samenwerking tussen de begeleiders vanuit de beroepspraktijk
           en onderwijsinstelling is cruciaal.
           Voorbereiding op rol in samenleving
           Het beroepsonderwijs vormt studenten als toekomstige beroepsbeoefenaars én als mens
           in de samenleving.52 Deze brede opdracht is wettelijk vastgelegd. Zo richt praktijkonderwijs
           zich op functies uitoefenen binnen de regionale arbeidsmarkt én op persoonlijkheidsvorming
           en het aanleren van sociale vaardigheden.53 Het middelbaar beroepsonderwijs draagt bij
           aan de algemene vorming, de persoonlijke ontplooiing en het maatschappelijk functioneren
           van studenten én moet hen voorbereiden op vervolgonderwijs.54 Instellingen voor hoger
           onderwijs hebben de opdracht aandacht te schenken aan de persoonlijke ontplooiing van
           hun studenten en de bevordering van hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef.55
           45 Kunneman, 2019 en 2021.
           46	In het onderwijs draait het er bijvoorbeeld nooit alleen om of bepaalde handelingen effectief zijn
               om een bepaald doel te bereiken, maar ook of die handelingen ‘door de beugel’ kunnen. Zo kan
               straffen wel effectief zijn, maar wordt dit in het onderwijs alleen in extreme gevallen als een optie
               gezien.
           47	Zie bijvoorbeeld Kunneman, 2005. Soms vertaald als praktische kennis en praktische wijsheid.
               Zie bijvoorbeeld Van der Zee, 2021.
           48 Van Nunen, Van der Meulen, & Jansen, 2021.
           49 Colley, James, Diment & Tedder, 2003.
           50 Brooks, 2014.
           51 Eteläpelto, 2017; Eteläpelto, Vähäsantanen, Hökkä & Paloniemi, 2013.
           52 De Bruijn & Westerhuis, 2016.
           53 Artikel 10f Wet op het voorgezet onderwijs.
           54 Artikel 1.2.1 Wet educatie en beroepsonderwijs.
21         55 Artikel 1.3 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>        Opleiden in de beroepspraktijk is onderwijsvraagstuk
        Opleidingen en beroepspraktijk bepalen samen hoe zij voorzien in een doelbewust en
        gestructureerd aanbod, welke didactiek wanneer van toepassing is, hoe de begeleiding
        en reflectie vorm krijgen, wat studenten moeten ervaren en zich eigen maken en wanneer
        en hoe dat in samenhang aangeboden moet worden. Het gaat ook over hoe en wanneer
        opleiden in de beroepspraktijk wordt getoetst of geëvalueerd.56 Verder spreken ze af wat
        de rollen zijn van de begeleiders vanuit de praktijk en vanuit de onderwijsinstelling.57
        Idealiter formuleren onderwijsinstelling en beroepspraktijk samen de doelen van het
        onderwijs. Die vormen dan de basis van waaruit zij de inhoud en de processen van
        een opleiding ontwerpen. Zij bepalen welk onderwijsaanbod ze op welke manier, waar
        en wanneer verzorgen. Daarmee geven ze ook vorm aan het deel dat plaatsvindt
        in de beroepspraktijk. Daarbij komt de ontwikkeling van technische en normatieve
        professionaliteit aan bod. Maar ook onderwijsuitkomsten die minder sterk samenhangen
        met het beroepsbeeld, kunnen een plek krijgen in het deel van het onderwijs dat in de
        beroepspraktijk plaatsvindt.
   2.3	Beroepsopleidingen hebben weinig zicht op opleiden in
        de beroepspraktijk
        Onderwijsprocessen zijn niet altijd te beheersen of te controleren. Juist in de beroeps­
        praktijk zijn de leeromstandigheden onzeker. Vooraf staat niet precies vast welke
        ervaringen de studenten zullen opdoen, wat ze gaan leren en hoe deze periode hen
        zal vormen. Deze complexiteit is ook de kracht van beroepsonderwijs. Tegelijkertijd
        is het een uitdaging voor beroepsopleidingen. De uitdaging is om het opleiden in de
        beroepspraktijk goed vorm te geven, doelbewust in te zetten en de kwaliteit ervan te
        monitoren. Beroepsopleidingen zijn daar verantwoordelijk voor, maar hebben er in veel
        gevallen weinig zicht op. Het is ook niet altijd helder of het opleiden in de beroepspraktijk
        goed in het hele opleidingstraject is ingebed. Interne kwaliteitszorg is belangrijk, temeer
        daar ook instanties belast met het externe toezicht (zie het kader hierna) weinig zicht
        hebben op het deel van de opleiding dat in de beroepspraktijk plaatsvindt.
        Kwaliteitszorg is cruciaal om te waarborgen dat opleiden in de beroepspraktijk – en
        daarmee het beroepsonderwijs – van goede kwaliteit is. Maar het is lastig zicht te
        houden op de kwaliteit van het onderwijs dat buiten de muren van de onderwijsinstelling
        plaatsvindt. De onderwijsinstelling is daar immers beperkt zelf bij aanwezig. Deze geeft
        in zekere zin een deel van het onderwijs uit handen, maar blijft wel verantwoordelijk
        voor de kwaliteit ervan. Voor de beoordeling van de kwaliteit van het opleidingsdeel in
        de beroepspraktijk zijn onderwijsinstellingen grotendeels afhankelijk van signalen van
        studenten. Wanneer er weinig zicht is op de gang van zaken en de kwaliteit van de
        begeleiding in de beroepspraktijk, is niet duidelijk in hoeverre dat opleidingsdeel goed
        ingebed is in het hele opleidingstraject.
        Recente afspraken in het middelbaar beroepsonderwijs moeten er mede toe leiden dat
        onderwijsinstellingen meer zicht krijgen op de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk.
        Zo zijn in het Stagepact mbo 2023-2027 afspraken gemaakt over intensiever contact
        tussen onderwijsinstellingen en stagebedrijven.58 Dit heeft niet alleen als voordeel dat
        de student intensiever begeleid wordt, maar ook dat de onderwijsinstelling zicht krijgt
        op de leeromgeving van de student bij het stagebedrijf. Voor andere sectoren van
        beroepsonderwijs bestaan zulke afspraken niet. Evenmin zijn er kwaliteitseisen voor
        de begeleiding.59
        Het belang van interne kwaliteitszorg is groot, temeer omdat ook de externe toezicht­
        houders geen volledig beeld hebben van de kwaliteit van de opleiding buiten de
        onderwijs­instelling. De betrokken toezichthouders in het praktijkonderwijs en middelbaar
        beroepsonderwijs zijn SBB en de Inspectie van het Onderwijs. In het hoger onderwijs is
        dat de NVAO (zie het kader hierna).
        56 Van Vlokhoven & Hoeve, 2021; De Vos, Baartman, Van der Vleuten & De Bruijn, 2023.
        57 Ceelen, Khaled & De Bruijn, 2021.
        58 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023a.
        59	Het modelprofiel praktijkopleider van SBB schetst waar de praktijkbegeleider idealiter aan
22          voldoet, maar is geen harde norm.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   Extern toezicht
   De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) bevordert
   de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming (bpv), stelt kwaliteitscriteria vast voor
   beroepspraktijkvormingsplaatsen, zorgt voor voldoende bpv-plekken en beoordeelt
   bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen.60 Meer concreet: eens
   in de vier jaar beoordeelt SBB een bedrijf of instelling en erkent deze onder voorwaarden
   als opleidingsbedrijf. SBB kan de erkenning intrekken indien een organisatie niet meer aan
   de criteria voldoet, maar dat blijkt in de praktijk lastig.61
   De Inspectie van het Onderwijs ziet erop toe dat het bestuur van de onderwijsinstelling62
   zorgdraagt voor de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming in het mbo. De inspectie houdt
   echter alleen direct toezicht op de opleiding bij signalen van misstanden of als de opleiding
   het oordeel ‘goed’ aanvraagt. De inspectie kan daarbij ook beroepspraktijkvorming
   onderzoeken, maar alleen om te controleren of het bestuur van de mbo-instelling de
   kwaliteitszorg op orde heeft.63 In het praktijkonderwijs ziet de inspectie erop toe dat de
   school zorgdraagt voor de kwaliteit van de stage.64
   In het hoger onderwijs wisselt de mate waarin opleiden in de beroepspraktijk valt
   onder het externe toezicht. In het beoordelingskader van de Nederlands-Vlaamse
   Accreditatieorganisatie (NVAO) staat opleiden in de beroepspraktijk niet expliciet vermeld.
   Visitatiecommissies in het hoger onderwijs weten niet altijd hoe ze de kwaliteit van opleiden
   in de beroepspraktijk kunnen beoordelen. Ze besteden in wisselende mate aandacht aan
   stages, werkplekleren en andere vormen van opleiden in de beroepspraktijk.65
           60  Artikel 1.5.1 Wet educatie en beroepsonderwijs.
           61  Vgl. Bijman, Bremer, Dekker, Rens, Van Uden & Wesseling, 2023.
           62  Het bevoegd gezag is (het bestuur van) de stichting die de mbo-instelling in stand houdt.
           63  Inspectie van het Onderwijs, 2023b.
           64  Inspectie van het Onderwijs, 2022.
23         65  Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2022.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                  3
           een
   Ontwikkel ook andere vormen van opleiden
   in de beroepspraktijk
   De Onderwijsraad beveelt beroepsopleidingen
   aan steeds af te wegen of opleiden in de
   beroepspraktijk noodzakelijk is en waar mogelijk
   ook alternatieven zoals simulaties te ontwikkelen.
   Dit om de kwantiteit en kwaliteit van opleiden in de
   beroepspraktijk blijvend te garanderen.
25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>       Op dit moment vinden allerlei onderwijsactiviteiten in de beroepspraktijk plaats en niet altijd
       is duidelijk met welk doel. De Onderwijsraad beveelt beroepsopleidingen aan kritisch te
       bezien welke onderdelen wel en niet per se in de beroepspraktijk thuishoren.
       Daarnaast is het aan beroepsopleidingen om met de beroepspraktijk goede alternatieven
       voor het praktijkdeel te vinden die minder of geen beslag leggen op de schaarse capaciteit
       aan opleidingsplaatsen en praktijkbegeleiding. Dit om ondanks de tekorten op de
       arbeidsmarkt goed opleiden in de beroepspraktijk te kunnen blijven garanderen.
   3.1 Weeg af wanneer opleiden in de beroepspraktijk moet
       Vooropgesteld, opleiden in de beroepspraktijk is een onmisbaar onderdeel van
       beroepsonderwijs. De raad beveelt beroepsopleidingen echter aan zorgvuldig af te
       wegen welke onderwijsactiviteiten beslist in de beroepspraktijk moeten plaatsvinden en
       bij welke dat niet per se hoeft. Spaarzaam en doelbewust omgaan met opleiden in de
       beroepspraktijk is nodig om de kwaliteit ervan te behouden, ook bij aanhoudende krapte
       op de arbeidsmarkt. De veranderende samenleving en arbeidsmarkt maken het nodig
       beter aan te sluiten bij de beroepspraktijk; dit geldt voor zowel initiële opleidingen als
       om- en nascholing. Omgekeerd wil de beroepspraktijk graag samenwerken met
       opleidingen, om zo invloed te hebben op wat wordt aangeboden, op welk moment in
       de opleiding en waar. En om studenten als potentiële werknemers aan zich te binden.66
       Wat móet in de beroepspraktijk en wat kan op een andere manier?
       Om de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk te behouden, moeten opleidingen
       beter doordenken wanneer een onderwijsactiviteit in de beroepspraktijk noodzakelijk is en
       wanneer zij goede alternatieven kunnen inzetten. Het antwoord op die vraag verschilt per
       opleiding, arbeidsmarktsector en regio.
       Neem een hbo-opleiding journalistiek waarbij eerste- en tweedejaars studenten binnen
       de onderwijsinstelling een eigen televisieprogramma maken met medestudenten. De
       onderwijsinstelling beschikt over eigen montageruimtes en radio- en televisiestudio’s,
       zodat studenten journalistieke verhalen kunnen maken in woord, beeld en geluid.67 Maar
       in deze opzet ontbreekt een professionele mediaredactie met collega’s, harde deadlines,
       echte gasten, een presentator en torenhoge verwachtingen. De hectiek van de werkvloer
       is nodig om het vak van tv-journalist onder de knie te krijgen. Dit laat zien dat opleiden in
       de beroepspraktijk een onmisbaar onderdeel van beroepsonderwijs is en daarom nooit
       volledig te vervangen is door bijvoorbeeld simulaties. Studenten zullen de complexiteit van
       het echte werk over het algemeen ook in de beroepspraktijk moeten ervaren.
   3.2 Gebruik alternatieven waar het kan
       De beroepspraktijk doet veel om studenten voldoende en goede opleidingsplekken
       in de praktijk aan te bieden. Nu de kwaliteit daarvan onder druk staat vanwege de
       personeelstekorten, beveelt de raad aan dat beroepsopleiding en beroepspraktijk gebruik
       maken van alternatieven.
       Alternatieve vormen van opleiden in de beroepspraktijk worden idealiter ontwikkeld
       door beroepsopleidingen in nauwe samenwerking met de beroepspraktijk. De overheid
       heeft de taak hiervoor voldoende ruimte te bieden.
       Gebruik vaker simulaties
       Simulaties blijken een effectieve leerwerkvorm, voor zowel het ontwikkelen van specifieke
       technische handelingen, als het verwerven van vaardigheden waarvoor de echte praktijk
       geen leermogelijkheden biedt (bijvoorbeeld vanwege fysieke of economische risico’s).68
       Denk bij het laatste aan studenten in de scheepvaart die leren een schip te besturen onder
       allerlei omstandigheden.69
       Een simulatie om technische vaardigheden onder de knie te krijgen, is bijvoorbeeld de
       inzet van intelligente technologie zoals de vliegsimulator bij de pilotenopleiding. Een ander
       alternatief is het schoolgebouw zelf inzetten als praktijkruimte, wat in het praktijkonderwijs
       66 Rens & Lans, 2022.
       67 Zie ook de voltijds bacheloropleiding journalistiek aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle.
       68 Nieuwenhuis, Hoeve, Nijman & Van Vlokhoven, 2017.
       69	Zoals op het Scheepvaart- en transportcollege (STC) in Rotterdam.
26         https://www.portofrotterdam.com/nl/nieuws-en-persberichten/virtueel-de-hele-wereld-bevaren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   al gebruikelijk is. In het schoolgebouw leren studenten meehelpen in de kantine of
   interieurverzorging. Nog een alternatief zijn praktijkopdrachten verstrekt door een bedrijf,
   waaraan studenten in de onderwijsinstelling werken, zoals een technische bouwtekening
   maken. Of: met meerdere studenten tegelijk stage lopen in een ziekenhuis of bij een
   grote zorginstelling. In het hoger beroepsonderwijs wordt steeds vaker ook onderzoek
   gedaan; een van de stages kan dan bestaan uit deelname aan een onderzoeksproject
   binnen de onderwijsinstelling. Verder worden docenten en andere medewerkers van de
   onderwijsinstelling ingezet voor (een deel van) de begeleiding en coördinatie tijdens een
   stage, om praktijkbedrijven en -instellingen te ontlasten.70 Dat laatste kan alleen met mate
   vanwege de toch al hoge werkdruk voor het onderwijspersoneel.
   Belangrijk hierbij is dat simulaties goed worden geïntegreerd in het hele curriculum en
   het opleiden in de beroepspraktijk naast simulaties blijft bestaan.71 Simulaties kunnen het
   opleiden in de beroepspraktijk nooit volledig vervangen. Ze zijn immers per definitie niet
   écht. Het blijft nodig dat de student onder begeleiding wordt geïntroduceerd in de echte
   beroepspraktijk.
   Bouw voort op alternatieven uit coronapandemie
   De maatregelen tijdens de coronapandemie dwongen beroepsopleidingen diverse
   aspecten van hun onderwijs aan te passen of te vernieuwen.72 De raad moedigt
   opleidingen aan om de zo ontstane alternatieven voor de invulling van opleiden in de
   beroepspraktijk door te ontwikkelen. De focus moet daarbij liggen op varianten die minder
   vragen van de beroepspraktijk. Bijvoorbeeld door een opleidingsplek te laten invullen door
   twee studenten, door opleidingsdoelen te behalen in meerdere deelstages of door betere
   spreiding van stages over het schooljaar.73
   Pas waar nodig wetgeving aan
   Wet- en regelgeving kan andere vormen van opleiden in de beroepspraktijk in de weg
   zitten. Dit bleek tijdens de coronapandemie, toen er plotseling wél ruimte en vrijheid
   ontstond om (noodgedwongen) alternatieven te ontwikkelen. Door de urgentie (er moest
   wat gebeuren) werden regels en verplichte procedures tijdelijk opgeschort en ontstond er
   handelingsruimte om oplossingen te zoeken die passen bij de specifieke situatie.74
   Het is aan de overheid te doordenken waar wet- en regelgeving meer ruimte kan
   bieden. Een goede stap is bijvoorbeeld de voorgestelde Wet verbetering aansluiting
   beroepsonderwijs-arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel beoogt regelgeving op een aantal
   punten aan te passen, zodat mbo-instellingen onderwijsprogramma’s kunnen samenstellen
   die beter aansluiten op de arbeidsmarkt.75 Dat geldt ook voor de voorgestelde Wet
   leeruitkomsten hoger onderwijs, die vraaggericht deeltijds en duaal hoger onderwijs voor
   werkende en werkzoekende volwassenen in het hoger beroepsonderwijs mogelijk moet
   maken.76
   Maak doordacht gebruik van intelligente technologie
   De raad beveelt beroepsopleidingen aan om doordacht gebruik te maken van intelligente
   technologie. Niet alleen als alternatief voor opleiden in de beroepspraktijk, maar ook
   voor het aanleren van technische vaardigheden in voorbereiding op de veranderende
   samenleving. Onder intelligente technologie verstaat de Onderwijsraad artificiële
   intelligentie, door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)
   gedefinieerd als: “systemen die intelligent gedrag vertonen door hun omgeving te
   analyseren en – met enige graad van autonomie – actie te ondernemen om specifieke
   doelen te bereiken”.77
   In een eerdere publicatie wees de Onderwijsraad op de kansen, risico’s en voorwaarden
   bij de inzet van intelligente technologie in het onderwijs.78 Een kans is bijvoorbeeld dat
   studenten kunnen oefenen in een veilige setting die ze via intelligente technologie als
   levensecht ervaren. Zo kunnen studenten van een landbouwopleiding via simulatoren
   leren werken met maaidorsers, graafmachines, tractoren, voorladers en andere grote
   70 Khaled, 2016. Teurlings & Hermanussen, 2021.
   71 Hope, Garside & Prescott, 2011.
   72 Baartman, Brouwer, Zitter & De Bruijn, 2021.
   73 SBB, 2022.
   74	https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/corona-onderzoeken/gevolgen-van-16-
       maanden-corona-voor-het-onderwijs/gevolgen-mbo/knelpunten-beroepspraktijkvorming
   75 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023e.
   76	Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet leeruitkomsten hoger onderwijs.
       Kamerstukken II, 2021/22, 36136, nr. 3.
   77 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2021.
27 78 Zie ook Onderwijsraad, 2022.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   landbouwmachines, zonder gevaar van schade of ongelukken.79 Maar een risico van
   gebruik van intelligente technologie is dat veel toepassingen individueel en niet in een
   sociale, op samenwerking gerichte omgeving worden uitgevoerd. Dan komt de sociale
   cohesie onder druk te staan. Aan de inzet van intelligente technologie zijn ook voorwaarden
   verbonden, zoals extra investeringen van onderwijsinstellingen en aandacht van docenten,
   bijvoorbeeld bij het selecteren van geschikt onderwijsmateriaal, het afstemmen ervan op
   opleidingsdoelen en het creëren van onderwijsactiviteiten. Een andere voorwaarde is dat
   de opleiding samen met de beroepspraktijk intelligente technologie doordacht inzet.
   Leer van elkaar
   Om te zorgen dat niet steeds het wiel weer wordt uitgevonden, is kennisdeling nodig.
   De raad stelt voor dat beroepsopleidingen en beroepspraktijk kennis uitwisselen over
   goede alternatieven voor opleiden in de beroepspraktijk. En dat ze die gedeelde kennis
   daadwerkelijk benutten en duurzaam implementeren. Als het kan met inzet van mensen,
   netwerken en organisaties die verbinden. Een verandering vindt immers niet vanzelf
   plaats; deze vergt zorgvuldige procesbegeleiding.80 Dat wordt al deels gedaan via
   bijvoorbeeld de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) en via de Sectorraad Praktijkonderwijs.
   De Onderwijsraad bepleit één (online) platform voor het hele beroepsonderwijs, van
   praktijk- tot hoger onderwijs. Vergelijkbare beroepsopleidingen kunnen bij elkaar kijken
   of onderling overeenkomen wat goede en uitvoerbare alternatieven voor opleiden in de
   beroepspraktijk zijn.
   79 Zie ook Scalda Groen College in Goes.
28 80 Zie ook Onderwijsraad, 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>29</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                  4
twee
   Waarborg samen kwaliteit
   De raad beveelt beroepsopleidingen,
   beroepspraktijk en overheid aan samen de
   kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk te
   waarborgen. Stel kwaliteitscriteria op en monitor
   en handhaaf die, met oog voor ieders taken en
   verantwoordelijkheden.
31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>              Opleidingen, beroepspraktijk en overheid zijn gezamenlijk aan zet om zicht te houden
              op de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk. Dit houdt in dat beroepsonderwijs
              en beroepenveld in nauw overleg kwaliteitscriteria opstellen. Zij dragen immers een
              gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk.
              Werkgevers en studenten hebben baat bij goed beroepsonderwijs, want de studenten van
              vandaag zijn de professionals van morgen. De overheid heeft hierin een faciliterende rol.
              De raad beveelt aan verder te bouwen op eerder gemaakte afspraken. Zo is er voor
              het middelbaar beroepsonderwijs het Stagepact MBO 2023-2027 en voor het hoger
              onderwijs een manifest tegen stagediscriminatie. Deze overeenkomsten vormen een goed
              uitgangspunt om verder te ontwikkelen.
              Voorkom daarbij dat iedere beroepsopleiding of onderwijsinstelling eigen eisen en
              criteria opstelt. Vaak begeleidt een bedrijf of organisatie namelijk studenten van diverse
              beroepsopleidingen en onderwijsinstellingen. Andersom hebben beroepsopleidingen
              ook vaak te maken met meerdere bedrijven en organisaties. De Onderwijsraad adviseert
              daarom eerst op landelijk niveau principes van kwaliteit af te spreken en die op lokaal
              niveau verder in te vullen.
   4.1        Stel kwaliteitscriteria vast
              De kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
              van beroepsonderwijs, beroepspraktijk en overheid. Zij moeten samen aan de slag
              om de kwaliteit hoog te houden. De Onderwijsraad beveelt aan op landelijk niveau
              principes van kwaliteit vast te leggen, algemene principes die toepasbaar zijn op het hele
              beroepsonderwijs. Het is aan de overheid het initiatief te nemen en het gesprek hierover te
              faciliteren.
              De landelijk overeengekomen principes kunnen vervolgens op lokaal niveau specifieker
              worden uitgewerkt door beroepsopleidingen en beroepspraktijk, die beide een grote
              variatie kennen. Ook beveelt de raad aan de inbreng van studenten mee te nemen.
              Kom landelijk principes overeen en werk ze lokaal uit
              De Onderwijsraad pleit ervoor dat beroepsopleidingen en beroepspraktijk
              kwaliteitsprincipes overeenkomen. Het is aan de overheid dit te faciliteren door de
              relevante partijen aan tafel te krijgen en te praten over de kwaliteit van opleiden in de
              beroepspraktijk. Binnen SBB zijn mbo en beroepspraktijk al georganiseerd. In het hoger
              onderwijs ontbreekt zo’n vorm van coördinatie. Het is daarom zaak dat de Vereniging
              Hogescholen, Universiteiten van Nederland, beroepsorganisaties en brancheverenigingen
              hierin samen voorzien.
              De landelijk vastgelegde kwaliteitsprincipes worden op lokaal niveau geoperationaliseerd
              en nader ingevuld. Zo is het mogelijk in te spelen op uiteenlopende behoeften van
              studenten, beroepsopleidingen en beroepspraktijk, zonder dat een wildgroei aan eisen
              en criteria ontstaat.
              De landelijke kwaliteitsprincipes en lokale uitwerkingen kunnen voortbouwen op wat
              in de praktijk al is afgesproken. Het Stagepact MBO 2023-2027, het manifest tegen
              stagediscriminatie hoger onderwijs en de criteria die de Arbeidsinspectie hanteert
              (zie kaders hierna), zijn een goed startpunt.
      Stagepact MBO 2023-2027
      In 2023 heeft het middelbaar beroepsonderwijs het initiatief genomen de kwaliteit van
      stages te verbeteren. Vertegenwoordigers van studenten, mbo-instellingen, docenten,
      werknemers, werkgevers en overheden hebben dat jaar het Stagepact MBO 2023-2027
      ondertekend.81 Hierin staan afspraken die ervoor zorgen dat alle studenten een stage
      of leerbaan krijgen met de juiste begeleiding en goede voorwaarden.82 Het gaat dan
      over verbetering van begeleiding, tegengaan van discriminatie, creëren van voldoende
      stageplaatsen en een stagevergoeding.
              81 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023a.
32            82 Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>            Er moeten ten minste afspraken worden gemaakt over:
            •	de beroepsuitoefening en uitvoering van het werk in de beroepspraktijk door studenten
                in relatie tot de beroepsopleiding;
            •	de begeleiding van studenten vanuit de beroepsopleiding en vanuit de beroepspraktijk
                en de samenwerking daartussen; en
            •	 de manier waarop individuele opleidingen en beroepspraktijk de gezamenlijke
                verantwoordelijkheid concreet willen vormgeven.
            Beroepsbeoefening en werkzaamheden in beroepspraktijk moeten bijdragen aan
            opleiding student
            Beroepsopleidingen en beroepspraktijk moeten afspraken maken over het curriculum
            en zorgen dat de werkzaamheden die studenten in de praktijk uitvoeren bijdragen
            aan hun opleiding. Elke beroepsopleiding kent een bepaalde volgorde van vakken
            of onderwijseenheden, met wisselende onderwijsdoelen. Het is belangrijk dat de
            inhoud van het opleiden in de beroepspraktijk spoort met de opzet en fasering van de
            beroepsopleiding. Een student heeft niets aan een praktijkopdracht waaraan hij of zij nog
            niet toe is. Een praktijkopdracht heeft evenmin nut als de student de nagestreefde doelen al
            lang heeft bereikt. Als een student werkzaamheden voor het bedrijf of de instelling verricht
            en (delen van) het beroep uitoefent, moet de vorming van de student centraal staan. Is die
            van ondergeschikt belang, dan is sprake van misbruik. De Arbeidsinspectie heeft criteria
            om te controleren op stagemisbruik.
   Stagecriteria Arbeidsinspectie
   In 2016 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid criteria opgesteld
   waaraan een stage ten minste moet voldoen.83 De Arbeidsinspectie gebruikt deze om vast
   te stellen of de Wet op het minimumloon (WML) wordt nageleefd. Het betreft de volgende
   tien criteria.
   1 Er is sprake van een stage-overeenkomst.
   2 Er is een duidelijk leerplan waarin de beoogde leerdoelen concreet benoemd zijn.
   3 De stage is bij uitstek gericht op leren en niet op werken.
   4 Het gaat om werk waarbij het leren van de stagiair centraal staat.
   5	De stagiair onderscheidt zich van een gewone werknemer doordat de te verrichten
       werkzaamheden niet gericht zijn op productief werk waarmee vooral omzet of winst
       gegenereerd wordt.
   6	De begeleiding van de stagiair is gericht op het leeraspect en niet op het behalen van
       productie.
   7	De stagiair bezet een additionele plaats en neemt dus geen plaats in die normaliter door
       een werknemer wordt bezet.
   8	Bij voorkeur, maar niet noodzakelijk, zijn de gemaakte afspraken vastgelegd in een
       overeenkomst tussen een opleidingsinstituut en de werkgever.
   9 Er wordt tussentijds en aan het eind van de stage geëvalueerd.
   10	Er kan inzichtelijk worden gemaakt of en zo ja hoe de leerdoelen zijn bereikt door de
       stagiair.84
            De Onderwijsraad onderschrijft de stagecriteria die de Arbeidsinspectie hanteert.
            Criteria 1 t/m 4 versterken de doelbewuste inzet van opleiden in de beroepspraktijk in
            het beroepsonderwijs. De raad beveelt aan om deze criteria te gebruiken als basis.
            Maak daarbij goed onderscheid tussen school-georiënteerde en werk-georiënteerde
            beroepsopleidingen. Bij werk-georiënteerde beroepsopleidingen zijn studenten tegelijkertijd
            werknemer bij het bedrijf of de organisatie. De werkgever mag dan productieve arbeid van
            de student verlangen, maar moet ook zorgen dat de student voldoende tijd en gelegenheid
            overhoudt om zijn of haar beroepsopleiding te volgen of af te ronden.
            Begeleiding studenten moet goed zijn
            Er zijn ook afspraken nodig over de ondersteuning van studenten door de
            praktijkbegeleider en de samenwerking met de begeleiders van de beroepsopleiding.
            De praktijkbegeleider is geen docent, maar heeft wel een didactische en pedagogische
            taak. Het is dus zaak dat praktijkbegeleiders zich daarin scholen en blijven ontwikkelen.
            De praktijkbegeleider moet ook weten wat studenten van een specifieke opleiding precies
            nodig hebben. Daarbij is het belangrijk dat studenten hun inbreng hebben bij de doelen
            en de keuze uit werkzaamheden. En ook bij de begeleiding zelf. Studenten vinden het
            bijvoorbeeld prettig als de begeleider hen het gevoel geeft welkom te zijn en duidelijk
            83   Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2016.
33          84   Ibid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>       aangeeft welke werkzaamheden zij gaan uitvoeren.85 De praktijkbegeleiding moet
       aansluiten bij de leerdoelen, interesses, motivatie en leervermogens van studenten.86
       Juist het feit dat het begeleiden van studenten tijd en expertise vraagt, maakt het voor veel
       bedrijven lastig. Uit gesprekken blijkt dat vooral kleine bedrijven hier moeite mee hebben.
       De raad beveelt aan om de training van praktijkbegeleiders uit te breiden of eventueel
       verplicht te stellen. Praktijkbegeleiders zijn cruciaal in het opleidingstraject. Zij laten
       beroepsmatig handelen zien, vertrouwen handelingen toe aan studenten en stimuleren
       beroepsmatige participatie.87 Praktijkbegeleiders spelen bovendien een rol in de
       beoordeling van de student. Voor het praktijkonderwijs en mbo schrijft de wet voor dat de
       student tijdens de beroepspraktijkvorming vanuit het opleidingsbedrijf wordt begeleid.88
       Een nadere invulling ontbreekt echter in de wet. SBB biedt wel vrijblijvend trainingen aan
       voor praktijkbegeleiders in het praktijkonderwijs en het mbo. Voor het hoger onderwijs
       is in de wet (WHW) niets vastgelegd over praktijkbegeleiding en ondersteuning. De raad
       beveelt aan dat beroepsopleidingen de ondersteuning van praktijkbegeleiders structureel
       organiseren. De Vereniging Hogescholen en Universiteiten Nederland kunnen hierin
       aanjager zijn.
       Tot slot is goede samenwerking tussen de praktijkbegeleider en de begeleider vanuit de
       beroepsopleiding cruciaal. Het is belangrijk dat beide partijen structureel contact houden
       en daarover afspraken maken.
       Opleiding en beroepspraktijk moeten elkaar weten te vinden
       Goed opleiden in de beroepspraktijk vraagt continue samenwerking tussen opleiding,
       beroepspraktijk en student, gericht op doelverheldering, afstemming en taakverdeling.
       Het is vaak lastig voor de beroepspraktijk om een ‘opleidingsgerichte bril’ op te zetten.89
       Andersom is het voor docent-begeleiders vanuit de beroepsopleidingen noodzakelijk de
       beroepspraktijk goed te kennen. Beide moeten elkaar dus weten te vinden. Ook de partijen
       die betrokken zijn bij toezicht, moeten structureel met elkaar samenwerken.
       Opleiden in de beroepspraktijk is gebaat bij regelmatig overleg en korte lijntjes tussen
       allerlei betrokkenen, liefst met vaste aanspreekpartners.90 Frequent overleg helpt zicht te
       houden op elkaars wensen en behoeften. Het helpt ook scherp te krijgen welk deel van
       het onderwijs per se in de beroepspraktijk thuishoort. Voor het praktijkonderwijs en het
       hoger onderwijs is het verder zaak dat betrokken partijen landelijke afspraken maken over
       regelmatig contact.
   4.2 Zorg dat voorwaarden op orde zijn
       Er zijn ook afspraken nodig over bepaalde voorwaarden, namelijk toegankelijkheid,
       begeleiding van studenten met een extra ondersteuningsbehoefte, stagevergoeding en
       tegengaan van stagediscriminatie.
       Houd opleidingsplekken in de beroepspraktijk toegankelijk
       Om opleidingsplekken in de beroepspraktijk toegankelijk te houden, moeten ze er in de
       eerste plaats zijn. Dit is een verantwoordelijkheid van de beroepspraktijk. Studenten van
       nu zijn de werknemers van morgen. Het is in het eigen belang van werkgevers voldoende
       plekken aan te bieden waar studenten kunnen worden opgeleid.
       Bovendien moeten er plaatsen beschikbaar zijn voor studenten van alle niveaus van
       beroepsonderwijs. Het is voor werkgevers makkelijker verder gevorderde studenten
       of studenten met meer werkervaring als stagiair aan te nemen of een leerwerkplek
       aan te bieden. Deze studenten zijn namelijk over het algemeen sneller productief voor
       de organisatie of het bedrijf en vragen minder begeleiding. Maar dit verkleint de kans
       voor minder vergevorderde studenten of degenen met minder werkervaring op een
       opleidingsplek in de beroepspraktijk.
       85   Dupont, 2015.
       86   Mulder, 2023.
       87   Ceelen, Khaled, & De Bruijn, 2019.
       88   Uitvoeringsbesluit WVO 2020, respectievelijk WEB.
       89   Kolkhuis Tanke, 2021.
34     90   Mulder, 2023.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>           Studenten met een ondersteuningsbehoefte hebben aanvullende begeleiding
           nodig. De beroepspraktijk kan daar niet altijd in voorzien. De raad ziet het als de
           verantwoordelijkheid van de beroepsopleiding aanvullende begeleiding aan te bieden,
           zodat alle studenten goed kunnen worden opgeleid in de beroepspraktijk. In het
           praktijkonderwijs is hiermee veel ervaring.
           Tot slot vindt de Onderwijsraad dat werkgevers financiële ondersteuning verdienen bij
           hun inspanningen. Hier is de overheid aan zet. De komende jaren blijft het kabinet geld
           beschikbaar stellen voor bedrijven via de Subsidieregeling praktijkleren.91 In gesprekken
           met partijen uit de beroepspraktijk komt naar voren dat bedrijven zeer tevreden zijn dat
           de subsidieregeling bestaat. Minpunt vinden ze de onzekerheid over de hoogte van de
           subsidie. Ook is de regeling niet bij alle bedrijven en organisaties bekend. Deze punten
           kwamen ook prominent naar voren in de evaluatie van de subsidieregeling.92 De raad pleit
           ervoor dat deze subsidies structureel worden, zodat de continuïteit gegarandeerd is en alle
           partijen weten waar zij aan toe zijn.93
           Maak afspraken over minimum-stagevergoedingen
           De raad beveelt aan minimum-stagevergoedingen overeen te komen. Nu geldt er geen
           verplichting en verschilt het per sector, beroepsopleiding en beroepspraktijk of studenten
           wel of geen stagevergoeding ontvangen.94 De raad vindt deze ongelijke behandeling
           onwenselijk en wil daarom dat er minimum-stagevergoedingen komen voor alle
           studenten.95 Mochten afspraken hierover niet leiden tot voldoende verbetering, dan
           beveelt de raad aan er een wettelijke verplichting van te maken.
           Voorkom stagediscriminatie
           Studenten kunnen zowel bij het zoeken naar een opleidingsplaats als tijdens hun opleiding
           in de beroepspraktijk discriminatie ervaren. De huidige initiatieven om stagediscriminatie
           tegen te gaan, blijken niet voldoende. Uit gesprekken met beroepsopleidingen komt
           naar voren dat er nu veel tijd en energie gaat naar het beantwoorden van de vraag of
           er al dan niet sprake is van discriminatie. Met als gevolg dat studenten het vaak lastig
           vinden ervaringen te melden. Terwijl zij juist gehoord en geloofd willen worden en willen
           zien dat hun melding concrete gevolgen heeft voor het opleidingsbedrijf.96 Goed zicht op
           stagediscriminatie ontbreekt dan ook.97 Op een enkel geval na hanteren mbo-instellingen
           geen instellingsbrede definitie van stagediscriminatie, waardoor het lastig is deze misstand
           te herkennen.
           De raad beveelt aan om praktijktesten in te zetten bij het tegengaan van stagediscriminatie.
           Ze blijken een effectieve manier om discriminatie te bestrijden.98 Zie het kader hieronder.
   Praktijktest stagediscriminatie
   Een praktijktest maakt duidelijk of en in hoeverre mensen ongelijk worden behandeld.
   Dit gebeurt door kandidaten in te zetten die identiek zijn op zo veel mogelijk relevante
   kenmerken, behalve het te testen kenmerk. Zij hebben bijvoorbeeld dezelfde leeftijd,
   hetzelfde opleidingsniveau en dezelfde werkervaring, maar niet dezelfde huidskleur.
   De resultaten van deze tests worden teruggekoppeld naar de betrokken organisaties
   met de aankondiging van vervolgonderzoek. Uit een wetenschappelijke studie blijkt dat
   deze terugkoppeling en aankondiging van vervolgonderzoek effectief bijdragen aan de
   bestrijding van discriminatie.99
           De overheid heeft de afspraken over het tegengaan van stagediscriminatie breed onder
           de aandacht te brengen, zodat alle betrokkenen op de hoogte zijn. En de overheid
           hoort monitoring te faciliteren, om na te gaan of iedereen de afspraken nakomt en
           stagediscriminatie verdwijnt.
           91 https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/praktijkleren
           92 Bijman et al., 2023.
           93 Vgl. Heyma, Donker van Heel, Van der Ven & De Ruig, 2019.
           94	OECD, 2023; https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2023/10/10/oproep-minister-dijkgraaf-
               passende-stagevergoeding-voor-alle-studenten
           95	Praktijkonderwijs is onderdeel van het voortgezet onderwijs. Hier is een onkostenvergoeding
               geschikter.
           96 De Winter-Koçak, Yassine, Van de Gevel, Verstappen & Doe, 2023.
           97 Inspectie van het Onderwijs, 2024.
           98 Ross & Galster, 2005.
35         99 Verhaeghe & Van der Bracht, 2017; Verhaeghe & Ghekiere, 2020.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   4.3 Houd samen zicht op kwaliteit
       De Onderwijsraad beveelt aan dat overheid, beroepsopleidingen en beroepspraktijk niet
       alleen afspraken maken over kwaliteit en voorwaarden, maar die ook samen monitoren.
       Beroepsopleidingen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun onderwijs, ook als het
       plaatsvindt in de beroepspraktijk. De raad vindt dat beroepsopleidingen het praktijkdeel
       goed moeten monitoren en bewaken. Dat kan niet zonder de hulp van de beroepspraktijk.
       In het hoger onderwijs is ook de overheid aan zet.
       In het praktijkonderwijs en mbo is het extern toezicht in handen van twee organisaties. SBB
       bezoekt en erkent leerbedrijven, de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht bij signalen
       van misstanden of als opleidingen het oordeel ‘goed’ aanvragen. Ook interne kwaliteitszorg
       is belangrijk. Beroepsopleidingen en beroepspraktijk moeten samen zicht houden op de
       kwaliteit van opleiden in de beroepspraktijk. Het is onvermijdelijk dat de beroepsopleiding
       daarop minder goed zicht heeft dan het opleidingsbedrijf of de organisatie in kwestie. Het is
       daarom zaak dat beide daarover goed en regelmatig contact onderhouden.
       Ze hebben elkaar ook bij de les te houden. De afspraken over de inhoud, begeleiding en
       kwaliteit van het opleiden in de beroepspraktijk zijn voor beide partijen bindend. Als de een
       vindt dat de ander zich niet aan de afspraken houdt, moet die de ander daarop aanspreken
       en moeten ze verbeteringen afspreken. In het ergste geval kan een van beide partijen
       besluiten geen opleidingsplekken in de beroepspraktijk meer te faciliteren.
       In het hoger onderwijs geldt de aanbeveling van de raad om de kwaliteit van opleiden in de
       beroepspraktijk te monitoren en te bewaken nog sterker. In het hoger onderwijs is er geen
       SBB of vergelijkbare organisatie die toezicht houdt op de kwaliteit van opleidingsbedrijven.
       Opleiden in de beroepspraktijk maakt ook geen expliciet deel uit van het NVAO-
       accreditatiekader en is voor visitatiecommissies moeilijk te beoordelen.100 Dat maakt de
       interne kwaliteitszorg door de beroepsopleiding in het hoger onderwijs des te belangrijker.
       Beroepsopleidingen in het hoger onderwijs moeten zicht hebben op de kwaliteit van
       opleiden in de beroepspraktijk. Dat kan alleen door zich regelmatig te laten informeren of
       langs te komen. In het mbo is afgesproken dat elke beroepsopleiding, elk opleidingsbedrijf
       en elke stagiair elkaar ten minste drie keer spreken, waarvan minstens één keer bij het
       bedrijf.101 Hogescholen en universiteiten kunnen voortbouwen op die afspraak. Als de
       kwaliteit van het opleiden in de praktijk tekort schiet, is het de verantwoordelijkheid van
       de beroepsopleiding om samen met het betrokken bedrijf of de betrokken organisatie
       verbeteringen te realiseren.
       Ook het extern toezicht heeft hier een taak. De NVAO heeft een brochure samengesteld
       die visitatiecommissies kan helpen toezicht te houden op beroepsopleidingen met een
       groeiend aandeel opleiden in de beroepspraktijk.102 De Onderwijsraad geeft de NVAO
       in overweging opleiden in de beroepspraktijk op te nemen in standaard 2 van het
       beoordelingskader.103
       100 Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2022.
       101 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2023a.
       102 Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2022.
36     103 Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>37</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   Geraadpleegd
        Ter voorbereiding van dit advies heeft de Onderwijsraad gesprekken gevoerd met
        studenten en medewerkers van Gilde Opleidingen, Hogeschool van Arnhem en
        Nijmegen (HAN), Koning Willem 1 College en de SER Commissie Arbeidsmarkt-
        en Onderwijsvraagstukken. Daarnaast is gesproken met de volgende personen.
        De heer R. Baarda			                       Ruud Baarda Advies
        De heer P. Baay				                        Onderwijs124
        Mevrouw A. Beeckman-Weerheim               WoonZorgcentra Haaglanden
        De heer J. Beukelaar			                    Firda
        De heer M. van Blitterswijk		Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
                                                   Bedrijfsleven (SBB)
        Mevrouw B. Boom			                         Hogeschool Rotterdam
        De heer E. Bouwens			                      Sectorraad Praktijkonderwijs
        Mevrouw M. de Bruin			                     ROC Zadkine
        Mevrouw L. Ceelen			                       Hogeschool Utrecht
        De heer R. Damhuis			                      Hogeschool Windesheim
        Mevrouw G.F.W.C. van Erp e.a.		            Vereniging VNO-NCW MKB-Nederland
        De heer B. Giebels			                      Nova College
        De heer P. Hallink			                      Edunova
        Mevrouw K. Hanegraaf			                    F4SEC Security Group BV
        Mevrouw O. von Harras			                   ROC Zadkine
        Mevrouw A.M. Heij			                       Koninklijke Metaalunie
        Mevrouw C. van den Heuvel		                AOSL
        Mevrouw A. Hoeve			                        Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN)
        De heer J. Hopstaken			                    Summa College
        Mevrouw E.B. Klatter			                    Hogeschool Rotterdam
        De heer R. Knols			                        Albert Heijn
        Mevrouw Y. Kooij			                        Hogeschool Leiden
        Mevrouw K. Koppel			                       Hogeschool Leiden
        Mevrouw N. Lammertink			                   JOB MBO
        Mevrouw I. van Leeuwen			                  Woonzorgcentra Haaglanden
        De heer W. Looije			                       De Haagse Hogeschool
        Mevrouw E. Lotze e.a.			                   Aeres MBO Almere
        Mevrouw R. Louw			                         Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie
        De heer T. van der Mars			                 Faber Audiovisuals
        De heer M. van der Meer			                 Onafhankelijk onderzoeker en adviseur
        Mevrouw J. Nunnely			                      Eye For You Human Resource Consultancy
        Mevrouw M.L. Perier			                     Hippisch Centrum Perier
        Mevrouw G. Perdon			Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
                                                   Bedrijfsleven (SBB)
        Mevrouw A. Peters			                       Futura College
        De heer B. Princen			                      Hogeschool Utrecht
        Mevrouw S. Rikst van der Hulst		           Friesland College
        De heer J.W. Roodenberg e.a.		             Inspectie van het Onderwijs
        De heer D. Rusch			                        ActiZ
        De heer E. De Sadeleer			                  Vlaamse Onderwijsraad
        Mevrouw N. Teeuwen			                      Sectorraad Praktijkonderwijs
        De heer A. Tekin e.a.			                   MBO Raad
        De heer J. van Triest			                   Aloysius Stichting
        Mevrouw M. Verboom			                      Hogeschool Windesheim
        Mevrouw A. Vogelzang			Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
                                                   Bedrijfsleven (SBB)
        De heer M.A. Vollers			                    ROC Mondriaan
        Mevrouw M. Weijers			                      MboRijnland
        Mevrouw A.F. Westerhuis		                  Expertisecentrum Beroepsonderwijs
        Mevrouw I. Wolff-Kinneging		Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs
                                                   Bedrijfsleven (SBB)
        De heer E. Zegwaard			                     ROC Mondriaan
38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   Literatuur                                      role of vocational habitus. Journal of
                                                   Vocational Education & Training, 55(4),
          Baartman, L., Brouwer, P., Zitter, I.,   471-498.
          & De Bruijn, E. (2021). Opleiden tot
          een beroep. Kan dat wel online?          Derkse, W. (2011). Vorming en het
          Utrecht: Hogeschool Utrecht.             belang daarvan. In Onderwijsraad,
                                                   Essays over vorming in het onderwijs
          Bakens, J., Bijlsma, I., Dijksman,       (pp. 7-15). Den Haag: Onderwijsraad.
          S., Fouarge, D., & Goedhart, R.
          (2021). De arbeidsmarkt naar opleiding   Dewey, J. (1916). Democracy and
          en beroep tot 2026. Maastricht: ROA.     education. An introduction into the
                                                   philosophy of education. New York
          Bijman, D., Bremer, B., Dekker, B.,      (NY): Colombia University.
          Rens, M., Van Uden, D., & Wesseling,
          W. (2023). Evaluatie Subsidieregeling    Dupont, J. (2015). Mondzorg en
          praktijkleren. Den Bosch: ECBO.          beroepshouding. Adviezen aan
                                                   mondhygiënisten en tandartsen.
          Brink, M., Lodewick, J., & Rutten, N.    Houten: Bohn Stafley Van Loghum.
          (2022). Stages in het hoger onderwijs.
          Nijmegen: ResearchNed.                   Van den Ende, T. (2011). Waarden aan
                                                   het werk. Over kantelmomenten en
          Bronneman-Helmers, R. (2006). Duaal      normatieve complexiteit in het werk
          als ideaal? Leren en werken in           van professionals. Amsterdam: SWP.
          het beroeps- en hoger onderwijs.
          Den Haag: Sociaal en Cultureel           Van Erp, J. (2016). Bedrijven,
          Planbureau.                              scholen en arbeidsmarkt: een
                                                   grensoverschrijdende zoektocht
          Brooks, C.F. (2014). Performed           naar evenwicht. In Tussen opleiding
          identity and community among             en beroepspraktijk: Het potentieel
          college student interns preparing        van boundary crossing. Utrecht:
          for work. Journal of Education for       Hogeschool Utrecht.
          Business, 89(3), 165-170.
                                                   Eteläpelto, A., Vähäsantanen, K.,
          De Bruijn, E., & Westerhuis, A. (2016).  Hökkä, P., & Paloniemi, S. (2013).
          Leren voor een beroep: vraagstukken      What is agency? Conceptualizing
          van richten, inrichten en verrichten     professional agency at work.
          van publiek beroepsonderwijs             Educational Research Review, 10,
          in Nederland en Vlaanderen. In           45-65.
          B. Eidhof, M. van Houtte & M.
          Vermeulen, Sociologen over onderwijs     Eteläpelto, A. (2017). Emerging
          (pp. 153-175). Antwerpen-Apeldoorn:      conceptualisations on professional
          Garant.                                  agency and learning. In M. Goller &
                                                   S. Paloniemi (Eds.), Agency at
          Canters, G.W. (2015). Chemie: het        Work: An Agentic Perspective
          einde. Leiden: Universiteit Leiden.      on Professional Learning and
                                                   Development (pp. 183-201).
          CBS (2023). Drie kwart van de            Cham: Springer. Professional and
          ondernemers ervaart personeelstekort.    Practice-based Learning, 20.
          https://www.cbs.nl/nl-nl/                https://doi.org/10.1007/978-3-319-
          nieuws/2023/34/drie-kwart-               60943-0_10
          van-de-ondernemers-ervaart-
          personeelstekort                         Ficheroux, T. (2021). Anderhalf jaar
                                                   wachten op je coschappen. Erasmus
          Ceelen, L., Khaled, A., & De Bruijn,     Magazine, 29 september 2021.
          E. (2019). Begeleiden van studenten
          op de werkplek. Onderwijs en             Heyma, A., Donker van Heel, P., Van
          gezondheidszorg, 43(5).                  der Ven, K., & De Ruig, L. (2019). De
                                                   maatschappelijke kosten en baten
          Ceelen, L., Khaled, A., Nieuwenhuis,     van de beroepsbegeleidende leerweg.
          L., & De Bruijn, E. (2023). Pedagogic    Amsterdam: SEO.
          practices in the context of students’
          workplace learning: a literature review. Hope, A., Garside, J., & Prescott, S.
          Journal of Vocational Education &        (2011). Rethinking theory and practice:
          Training, 75(4), 810-842.                Pre-registration student nurses
                                                   experiences of simulation teaching
          Colley, H., James, D., Diment, K.,       and learning in the acquisition of
          & Tedder, M. (2003). Learning as         clinical skills in preparation for
          becoming in vocational education         practice. Nurse Education Today,
39        and training: class, gender and the      31(7), 711-715.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Inspectie van het Onderwijs (2022).          Cultuur en Wetenschap aan de
   Onderzoekskader 2021 voor het                voorzitter van de Tweede Kamer,
   toezicht op het voortgezet onderwijs.        14 juli 2023.
   Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
                                                Ministerie van Onderwijs,
   Inspectie van het Onderwijs                  Cultuur en Wetenschap (2023d).
   (2023b). Onderzoekskader 2021                Uitwerking onderwijsagenda LLO.
   voor het toezicht op het middelbaar          Brief van de minister van Onderwijs,
   beroepsonderwijs. Versie 2023.               Cultuur en Wetenschap aan de
   Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.        voorzitter van de Tweede Kamer,
                                                10 november 2023.
   Inspectie van het Onderwijs (2024).
   Beleid van mbo-instellingen rond             Ministerie van Onderwijs, Cultuur
   stagediscriminatie. Utrecht: Inspectie       en Wetenschap (2023e). Kansrijk
   van het Onderwijs.                           opleiden: het verbeteren van de
                                                aansluiting tussen het mbo en
   Khaled, A.E. (2016). Grenzen van             de arbeidsmarkt. Brief van de
   authenticiteit in praktijksimulaties.        minister van Onderwijs, Cultuur
   In S. Beauseart, A. Bakker, I. Zitter,       en Wetenschap aan de voorzitter
   & E. de Bruijn, Tussen opleiding             van de Tweede Kamer,
   en beroepspraktijk: het potentieel           13 december 2023.
   van boundary crossing. Utrecht:
   Hogeschool Utrecht.                          Ministerie van Sociale Zaken en
                                                Werkgelegenheid (2016). Brief van
   Kolkhuis Tanke, I. (2021).                   de minister van Sociale Zaken en
   Evaluatieonderzoek ‘werkplekleren in         Werkgelegenheid aan de voorzitter
   de techniek 2.0’. Van experimenteren         van Tweede Kamer, 12 april 2016.
   naar implementeren. Gouda.                   Kamerstukken II, 2015/16, 29544,
                                                nr. 712.
   Kunneman, H. (2005). Social
   work as laboratory for normative             Mulder, R.H. (2023). Kansen voor
   professionalisation. Social Work &           verbetering van het organiseren van
   Society, 3(2), 191-200.                      werkplekleren in het mbo en hbo.
                                                Literatuurstudie: analyse van theorieën
   Kunneman, H. (2019). Het belang              en empirische studies. Den Haag:
   van normatieve professionalisering:          Onderwijsraad.
   humanisme, humanistiek en
   politiek. Tijdschrift voor Filosofie, 81(2), Nederlands-Vlaamse
   281-313.                                     Accreditatieorganisatie (2018).
                                                Beoordelingskader accreditatiestelsel
   Kunneman, H. (2021). Waarom                  hoger onderwijs Nederland. Den
   normatieve professionalisering?              Haag: NVAO.
   Waardenwerk digitaal 84.
                                                Nederlands-Vlaamse
   Meijer, C., Bootsma, L., & Magdalena,        Accreditatieorganisatie (2022).
   S. (2023). Intramurale capaciteit.           Onderweg naar kwaliteitsvol
   Utrecht: De geneeskundestudent.              werkplekleren in het hoger onderwijs.
                                                Een systematiek voor de dialoog over
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur en         de kwaliteit van het werkplekleren
   Wetenschap (2022). Bestuursakkoord           in het hoger onderwijs. Den Haag:
   hoger onderwijs en wetenschap. Den           NVAO.
   Haag: Ministerie van OCW.
                                                Nieuwenhuis, L., Hoeve, A.,
   Ministerie van Onderwijs, Cultuur            Nijman, D.J., & Van Vlokhoven, H.
   en Wetenschap (2023a). Stagepact             (2017). Pedagogisch-didactische
   MBO 2023-2027. Den Haag:                     vormgeving van werkplekleren
   Ministerie van OCW.                          in het initieel beroepsonderwijs:
                                                een internationale reviewstudie.
   Ministerie van Onderwijs,                    Nijmegen: HAN.
   Cultuur en Wetenschap (2023b).
   Referentieraming 2023. Den Haag:             Van Nunen, G., Van der Meulen,
   Ministerie van OCW.                          C., & Jansen, Th. (2021). De SAM-
                                                professional als gezagsdrager.
   Ministerie van Onderwijs,                    Culemborg: Stichting Beroepseer.
   Cultuur en Wetenschap (2023c).
   Kabinetsreactie SER-advies                   OECD (2023). Education at a Glance.
   ‘Waardevol werk: publieke                    Spotlight on Vocational Education and
   dienstverlening onder druk’. Brief           Training. Parijs: OECD.
40 van de minister van Onderwijs,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Onderwijsraad (2019). Samen ten       verankering in de samenleving.
   dienste van de school. Den Haag:      Den Haag: SER.
   Onderwijsraad.
                                         Teurlings, C., & Hermanussen,
   Onderwijsraad (2020). Vooruitzien     J. (2021). Leren en werken in
   voor jonge generaties. Den Haag:      opleidingsteams. https://www.
   Onderwijsraad.                        onderwijskennis.nl/node/938
   Onderwijsraad (2022). Inzet van       Tynjälä, P., & Gijbels, D. (2012).
   intelligente technologie. Den Haag:   Changing world: Changing pedagogy.
   Onderwijsraad.                        In P. Tynjälä, M.-L. Stenström, & M.
                                         Saarnivaara (Eds), Transitions and
   Onderwijsraad (2023). Schaarste       Transformations in Learning and
   schuurt. Den Haag: Onderwijsraad.     Education (pp. 205-222). Dordrecht:
                                         Sprenger.
   Onstenk, J., Van den Berg, J., &
   Westerhuis, A. (2022). Van beroep     UWV (2023). Demografische
   naar onderwijs en terug: een verhaal  ontwikkelingen: meer doen met
   van twee werelden – 25 jaar Wet       minder mensen. https://www.werk.
   educatie en beroepsonderwijs.         nl/arbeidsmarktinformatie/prognose-
   Den Bosch: ECBO.                      trends/demografische-ontwikkelingen-
                                         meer-doen-met-minder-mensen
   Rens, M., & Lans, T. (2022).
   Leren en ontwikkelen op de            Vereniging Hogescholen (2023).
   grens van onderwijs en beroeps­       Factsheet Instroom, inschrijven en
   praktijk: een overzichtsstudie        diploma’s 2022/2023. https://www.
   naar specifieke verschijningsvormen,  vereniginghogescholen.nl/system/
   leeropbrengsten en condities.         knowledge_base/attachments/
   Den Bosch: ECBO.                      files/000/001/376/original/230313_
                                         Factsheet_studentenaantallen_2022_
   Rijksoverheid (2023). Samen           final.pdf?1678708214
   gericht opleiden voor wendbare
   vakmensen. IBO Toekomst­              Verhaeghe, P.-P., & Van der
   bestendigheid van het mbo.            Bracht, K. (2017). Praktijktesten:
   Den Haag: Rijksoverheid.              van onderzoeksmethode naar
                                         beleidsinstrument tegen discriminatie?
   Ross, S.L., & Galster, G.C. (2005).   Sociologos, 38(1), 182-200.
   Fair Housing Enforcement and
   Changes in Discrimination between     Verhaeghe, P.-P., & Ghekiere, A.
   1989 and 2000: An Exploratory Study.  (2020). Is de etnische discriminatie op
   Working papers 2005-16. Storrs (CT):  de Gentse woningmarkt structureel
   University of Connecticut.            gedaald? Brussel: Vrije Universiteit
                                         Brussel.
   SBB (2022). Tekorten aan stages
   en leerbanen: Een veelheid aan        De Visser, M., Lommertzen, J.,
   oorzaken. Zoetermeer: SBB.            Luyten, E., & Hendrix, M. (2023).
                                         Stagetekorten in het hbo –
   SBB (2023a). SBB Stagebarometer       Tussenrapportage 2. Nijmegen:
   voorjaar 2023. https://www.s-bb.      ResearchNed.
   nl/nieuws/sbb-stagebarometer-
   voorjaar-2023-van-stagetekort-naar-   Van Vlokhoven, H., & Hoeve, A.
   stageoverschot/                       (2021). Beoordelen van professionele
                                         ontwikkeling. In A. Hoeve, H. van
   SBB (2023b). SBB Stagebarometer       Vlokhoven, L. Nieuwenhuis & P. den
   najaar 2023. https://www.s-bb.        Boer, Handboek beroepsgerichte
   nl/nieuws/sbb-stagebarometer-         didactiek. Effectief opleiden in het
   najaar-2023-licht.e-stijging-in-het-  mbo en hbo (pp. 155-173). Huizen:
   stagetekort/                          PICA.
   Sociaal-Economische Raad (2022).      De Vos, M.E., Baartman, K.J., Van
   Werken aan skills in de praktijk. Den der Vleuten, C.P.M., & De Bruijn, E.
   Haag: SER.                            (2023). How do workplace educators
                                         assess student performance at the
   Sociaal-Economische Raad (2023a).     workplace? A qualitative systematic
   Bouwen aan een leercultuur op de      review. Vocations and Learning.
   werkvloer. Den Haag: SER.             https://doi.org/10.1007/s12186-023-
                                         09328-9
   Sociaal-Economische Raad (2023b).
41 Leven lang ontwikkelen. Structurele
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>   Wetenschappelijke Raad voor het
   Regeringsbeleid (2021). Opgave AI.
   De nieuwe systeemtechnologie.
   Den Haag: WRR.
   De Winter-Koçak, S., Yassine, D.,
   Van de Gevel, M., Verstappen, M., &
   Doe, S. (2023). Hoe mbo-studenten
   stagediscriminatie willen melden.
   Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
   Van der Zee, T. (2021). Weten wat
   te doen: Actualiteit en urgentie van
   praktische wijsheid. Handelingen:
   Tijdschrift voor Praktische Theologie
   en Religiewetenschap, 48(2), 3-6.
   Zitter, I. (2021). Leeromgevingen in
   het beroepsonderwijs als knooppunt
   in onze maatschappij. Openbare les.
   Utrecht: Hogeschool Utrecht.
42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   Colofon
         Goed onderwijs voor iedereen: daar draagt de Onderwijsraad aan bij. De raad geeft al
         meer dan honderd jaar advies over onderwijsbeleid en -wetgeving aan de regering en de
         Eerste en Tweede Kamer. Gevraagd én uit eigen beweging. Dit mondt uit in gefundeerde
         verkenningen en adviezen die focussen op oplossingen voor de langere termijn. Ze gaan
         over alle vormen van onderwijs: van voorschoolse voorzieningen tot aan postuniversitair
         onderwijs en een leven lang ontwikkelen.
         De raad is onafhankelijk en staat tegelijkertijd midden in de samenleving en het
         onderwijs. De adviezen zijn gebaseerd op wetenschappelijke kennis en inzichten. En
         ze worden gevoed door kennis en ervaring uit de onderwijspraktijk en de praktijk van
         onderwijswetgeving en -beleid. De JongerenOnderwijsraad, met leerlingen en studenten
         van diverse leeftijden en schooltypen, voedt de raad met ervaringen en ideeën over het
         Nederlandse onderwijs en denkt mee over onderwerpen.
         Samenstelling raad
         prof. dr. E.H. (Edith) Hooge (voorzitter)
         dr. O. (Orhan) Agirdag
         prof. dr. G.J.J. (Gert) Biesta
         prof. dr. P.W.A. (Pieter) Huisman
         dr. D.J.M. (Dominique) Majoor
         D. (Daisy) Mertens MEd
         dr. C.J. (Cor) van Montfort
         prof. dr. S.F. (Susan) te Pas
         prof. dr. T. (Trudie) Schils
         drs. L.Y.P. (Luc) Sluijsmans
         drs. M.P. (Mirjam) van Leeuwen (secretaris)
         Bestellingen van publicaties
         Onderwijsraad
         Prins Willem Alexanderhof 20
         2595 BE Den Haag
         secretariaat@onderwijsraad.nl
         (070) 310 00 00
         ISBN 978-94-6121-088-3
         Intern documentnr. AD.2400031
         Ontwerp
         thonik
         Fotografie
         Edwin Walvisch
         Visualisatie
         Things To Make And Do
         © Onderwijsraad, Den Haag
         Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, maart 2024
43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Prins Willem Alexanderhof 20
2595 BE Den Haag
www.onderwijsraad.nl
secretariaat@onderwijsraad.nl
tel: +31 70 310 00 00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>