<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                     611-2A
VOEDINGSRAAD
                         ADVIES RICHTLIJNEN GOEDE VOEDING
Advies o p g e s t e l d door de Commissie Richtlijnen Goede Voeding
a p r ü 1986
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>INHOUD
    SAMENVATTING
1 . Inleiding                                                                                                     7
2. De huidige voeding in Nederland                                                                                9
    2.1.        Inleiding                                                                                         9
    2.2.        O n t w i k k e l i n g e n in h e t v e r b r u i k v a n v o e d i n g s m i d d e l e n       10
    2.3.        O v e r z i c h t v a n de h u i d i g e v o o r z i e n i n g met e n e r g i e en
                (essentiële) voedingsstoffen                                                                     11
3. R a p p o r t e n / a d v i e z e n , die de basis van dit advies vormen                                      13
    3.1.        Inleiding                                                                                        13
    3.2.        De veiligheid v a n h e t v o e d s e l                                                          13
    3.3.        De v o o r z i e n i n g in de b e h o e f t e aan e n e r g i e , ( e s s e n t i ë l e )
                voedingsstoffen en vocht                                                                         15
    3.3.1.      E n e r g i e en ( e s s e n t i ë l e ) v o e d i n g s s t o f f e n                           15
    3.3.2.      De v o o r z i e n i n g met v o c h t                                                           18
    3.4.        Voeding in r e l a t i e t o t z i e k t e n / a a n d o e n i n g e n                           19
    3.4.1.      Voeding en t a n d c a r i ë s                                                                   19
    3.4.2.      Voeding in r e l a t i e tot c o r o n a i r e h a r t z i e k t e n                             20
    3.4.3.      F a c t o r e n in d e v o e d i n g en h e t o n t s t a a n v a n k a n k e r                  21
    3.4.4.      De b e t e k e n i s v a n de v o e d i n g v o o r h e t o n t s t a a n v a n
                d i a b e t e s mellitus                                                                         22
    3.4.5.      Hypertensie                                                                                      23
    3.4.6.      Adipositas                                                                                       23
4. De g e w e n s t e voeding in Nederland                                                                       25
    4.1.        Inleiding                                                                                        25
    4.2.        Gewenste wijzigingen v a n d e v o e d i n g in t e r m e n v a n
                voedingsstoffen                                                                                  26
    4 . 2 . 1 . De e n e r g e t i s c h e w a a r d e v a n de v o e d i n g                                    26
    4 . 2 . 2 . Eiwit                                                                                            26
    4 . 2 . 3 . V e t t e n en v e t z u r e n                                                                   26
    4 . 2 . 4 . Cholesterol                                                                                      27
    4 . 2 . 5 . Koolhydraten                                                                                     27
    4 . 2 . 6 . Alcohol                                                                                          28
    4 . 2 . 7 . Microvoedingsstoffen en v o c h t                                                                28
    4.3.        Gewenste wijzigingen v a n d e v o e d i n g in t e r m e n v a n
                voedingsmiddelen                                                                                 29
5. Aanbevelingen gericht op het beleid van de overheid                                                           35
    5.1.        Maatregelen g e r i c h t op de v o e d s e l v o o r z i e n i n g                              35
    5 . 1 . 1 . De veiligheid v a n het v o e d s e l                                                            35
    5 . 1 . 2 . De v o e d i n g s s t o f f e n s a m e n s t e l l i n g v a n v o e d i n g s m i d d e l e n 35
    5.2.        Maatregelen g e r i c h t op de b e ï n v l o e d i n g v a n d e v o e d s e l -
                keuze                                                                                            36
6. Nabeschouwing                                                                                                 38
7. Literatuur                                                                                                    40
Bijlagen: 1. A d v i e s a a n v r a g e M a a t r e g e l e n tot b e v o r d e r i n g v a n goede v o e d i n g s -
                      gewoonten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>2. Gerefereerde onderzoekingen.
3. Aanbevolen hoeveelheden energie en voedingsstoffen.
4. Overzicht van de procentuele bijdrage van groepen voedingsmid-
   delen aan de consumptie van enkele macrovoedingsstoffen en
   energie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>   VOEDINGSRAAD
   Adviescollege van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
   Cultuur en de Minister van Landbouw en Visserij
   inzake voeding en voedselvoorziening
   Ingesteld bij Wet van 23 juni 1952 (Stb.'3S0)
                                                         Aan de Staatssecretaris van Welzijn,
                                                         Volksgezondheid en Cultuur
                                                         Aan de Staatssecretaris van Landbouw
                                                         en Visserij
   Uw brief                                           Ons nummer                   Datum
                                                       860407/01                   7 april 1986
   Onderwerp
   "Richtlijnen goede voeding'
          Namens de Raad doe ik u hierbij het advies Richtlijnen goede voeding
toekomen. In dit advies wordt met name ingegaan op de vraag hoe de voeding
in Nederland vanuit het oogpunt van volksgezondheid bij voorkeur zou moeten
 zijn samengesteld. Dit naar aanleiding van de adviesaanvraag: Maatregelen
tot bevordering van goede voedingsgewoonten, die in 1978 door de toenmalige
Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne aan de Raad werd gezonden.
Het advies is gericht op de "gemiddelde Nederlander" en is gekarakteriseerd
door het streven extremen in het gebruik van bepaalde voedingsstoffen te
vermijden. Als belangrijkste voedingsstof in dit verband moet (verzadigd)
vet worden genoemd.
          In het advies is voorts globaal aangegeven op welke wijze de gewenste
verbeteringen in de voeding zouden kunnen worden gerealiseerd respectievelijk
zouden kunnen worden bevorderd. Wat dit laatste aspect betreft is in de
Nota Voedingsbeleid door u een aantal belangrijke beleidsvoornemens kenbaar
gemaakt. De Raad stelt zich voor om als vervolg op het onderhavige advies
de verschillende maatregelen, die zouden kunnen leiden tot een verbetering
van de huidige voedingsgewoonten meer in detail in studie te nemen en u
over het resultaat hiervan te rapporteren. Daarnaast zal de Raad de uitgangs-
punten van het advies blijven toetsen aan de stand van de wetenschap.
          Het opstellen van dit advies werd met name bemoeilijkt door het ontbreken
van een voldoende gedifferentieerd inzicht in de voedselconsumptie van de
bevolking. Hiertoe is een periodiek onderzoek naar de voedselconsumptie, dat
een beeld geeft van de spreiding in het gebruik van de verschillende voedings-
middelen, van groot belang. Op korte termijn kunt u een voorstel van de Raad
met betrekking tot een dergelijk onderzoek tegemoet zien. Met behulp van dit
onderzoek zou voorts het effect van de richtlijnen en van de maatregelen die
worden getroffen ter implementatie ervan, moeten worden geëvalueerd.
         Tenslotte wijs ik u erop dat met betrekking tot het beleid van de
overheid in het advies in het algemeen wordt aangedrongen op een zodanig
beleid, dat de consument gestimuleerd wordt zijn consumptiepatroon in de
gewenste richting te wijzigen. Dit impliceert een beleid waarin geen steun
wordt gegeven aan maatregelen die strijdig zijn met de richtlijnen die in het
advies worden gegeven. De Raad meent in dit verband dat bijvoorbeeld de maat-
regelen die in EG verband zijn getroffen respectievelijk die zijn voorgesteld
  Bijlagen
  Postadres. Postbus 95945                           Bezoekadres:                 Verzoeke bij beantwoording.
 2509 CX s-Gravenhage                                Prinses Margrietplantsoen 20 Catum. nummer en onderwerp
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>ter bevordering van de-afzet van zuiveloverschotten in het belang van de
volksgezondheid nader zouden moeten worden bezien.
                                     Hoogachtend,
                                     de voorzitter.
                                         \\k^K
                                     P r o f . D r . F. t e n Hoor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>SAMENVATTING
        De V o e d i n g s r a a d en d e G e z o n d h e i d s r a a d b r a c h t e n de l a a t s t e tien jaar
d i v e r s e r a p p o r t e n en a d v i e z e n uit o v e r d e relatie v o e d i n g en g e z o n d h e i d in
N e d e r l a n d . Op b a s i s v a n deze en een a a n t a l a n d e r e in N e d e r l a n d v e r s c h e -
n e n r a p p o r t e n en a d v i e z e n , zijn door d e V o e d i n g s r a a d richtlijnen voor een
g o e d e v o e d i n g o p g e s t e l d . Deze r i c h t l i j n e n g e v e n aan hoe de v o e d i n g v a n de
N e d e r l a n d s e bevolking gemiddeld zou moeten zijn s a m e n g e s t e l d om een zo
g r o o t mogelijke b i j d r a g e te k u n n e n l e v e r e n aan de g e z o n d h e i d v a n de b e v o l -
king.
        Gezien de h u i d i g e v o e d i n g s g e w o o n t e n v a n de N e d e r l a n d s e b e v o l k i n g b e -
t e k e n e n deze richtlijnen d a t een a a n t a l v e r a n d e r i n g e n wenselijk i s .
        Gezondheid is v a n vele f a c t o r e n afhankelijk, zoals erfelijke en omge-
v i n g s f a c t o r e n , leefwijze en ook v a n v o e d i n g . Een goede v o e d i n g op zich kan
daarom g e e n g a r a n t i e i n h o u d e n v o o r g e z o n d h e i d . V e r a n t w o o r d e v o e d i n g s g e -
woonten k u n n e n e c h t e r wel degelijk e e n goede b a s i s vormen om g e z o n d te
blijven en zelfs om de g e z o n d h e i d t e v e r b e t e r e n .
        De r i c h t l i j n e n , die in h e t a d v i e s w o r d e n g e g e v e n komen in h e t k o r t op
het volgende neer:
                              RICHTLIJNEN VOOR EEN GOEDE VOEDING
                                1 . Zorg v o o r e e n g e v a r i e e r d e v o e d i n g .
                                2. Wees matig met v e t , met name met v e r -
                                       zadigd v e t en zorg v o o r een v o l d o e n d e
                                       v o o r z i e n i n g met m e e r v o u d i g o n v e r z a d i g d
                                       vet.
                                3 . Wees matig met c h o l e s t e r o l .
                                4- Zorg v o o r een ruime consumptie v a n
                                       complexe k o o l h y d r a t e n (zetmeel) e n v o e -
                                       d i n g s v e z e l , en voorkom een te f r e q u e n t
                                       en te hoog g e b r u i k v a n s u i k e r s (mono-
                                       en d i s a c h a r i d e n ) .
                                5. Wees matig met a l c o h o l .
                                6. Wees matig met k e u k e n z o u t .
        U i t e r a a r d is n a a s t deze r i c h t l i j n e n h e t h a n d h a v e n r e s p e c t i e v e l i j k b e r e i -
k e n v a n een v e r a n t w o o r d lichaamsgewicht altijd v a n b e l a n g .
        Deze richtlijnen zijn b e s t e m d voor d e totale b e v o l k i n g . Voor p e r s o n e n ,
d i e een dieet moeten volgen zullen specifieke a a n p a s s i n g e n nodig zijn.
        O p b a s i s van de h u i d i g e s a m e n s t e l l i n g v a n de v o e d i n g worden door de
Raad voor de gemiddelde b e v o l k i n g d e v o l g e n d e v e r a n d e r i n g e n in de v o e -
d i n g s s t o f f e n s a m e n s t e l l i n g v a n de v o e d i n g a a n b e v o l e n :
* De hoeveelheid eiy-tt in de voeding k a n ongewijzigd blijven. Wel zal als
    gevolg van de g e w e n s t e wijzigingen in d e consumptie van v e t t e n en kool-
    h y d r a t e n een v e r s c h u i v i n g o p t r e d e n v a n het g e b r u i k van dierlijk n a a r
                                                                      -1-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>     p l a n t a a r d i g eiwit.
 *   Een daling v a n de vetconsumptie                          v a n gemiddeld o n g e v e e r 40 en% n a a r e e n
     P e b r u i k t u s s e n 30-35 en%. Deze daling moet met name w o r d e n g e r e a l i s e e r d
    d o o r een b e p e r k i n g v a n de hoeveelheid v e r z a d i g d v e t . V o o r t s moet d e
    c o n s u m p t i e v a n meervoudig onverzadigd                     vet     enigszins toenemen waardoor
    d e v e r h o u d i n g t u s s e n meervoudig o n v e r z a d i g d e v e t z u r e n e n v e r z a d i g d e
    v e t z u r e n in de voeding 1:2 à 1:1 w o r d t .
*    Een zodanig individueel g e b r u i k v a n cholesterol                            d a t dit niet h o g e r is d a n
    h e t h u i d i g e gemiddelde consumptieniveau v a n 33 m g / M J .
*    Een toeneming v a n het g e b r u i k v a n koolhydraten                             van gemiddeld o n g e v e e r
    45 en% n a a r 55 en%. Deze toeneming zou g e r e a l i s e e r d moeten w o r d e n d o o r
    e e n g r o t e r g e b r u i k v a n complexe                   koolhydraten.
*    Een b e p e r k i n g v a n met name de f r e q u e n t i e in h e t g e b r u i k v a n mono- en
    disachariden.             Een a a n v a a r d b a a r g e b r u i k s n i v e a u ligt t u s s e n 15-25 en%.
*    Een toeneming in het g e b r u i k v a n voedingsvezel                               v2-n o n g e v e e r 2 , 4 g/MJ
    n a a r o n g e v e e r 3 g/MJ.
*    Het t e g e n g a a n van overmatig                       alcoholgebruik.
*    Een zodanig individueel g e b r u i k v a n keukenzout,                            d a t dit niet h o g e r is d a n
    h e t h u i d i g e gemiddelde c o n s u m p t i e n i v e a u van 9 g / d a g .
Zorg v o o r een v e r a n t w o o r d l i c h a a m s g e w i c h t .
         Een te hoog lichaamsgewicht is v a a k een gevolg v a n een v e r s c h i l in
o v e r e e n s t e m m i n g t u s s e n e n e r g i e - o p n e m i n g en e n e r g i e b e s t e d i n g . O v e r g e w i c h t
h o u d t weliswaar geen direct v e r b a n d met het v o o r k o m e n v a n z i e k t e of
s t e r f t e , maar g a a t wel dikwijls samen met hoge b l o e d d r u k , o u d e r d o m s d i a b e -
t e s (de meest voorkomende vorm v a n d i a b e t e s ) e n v e r h o o g d e l i p i d e n g e h a l t e n
v a n h e t b l o e d . G e w i c h t s v e r m i n d e r i n g zal in deze o m s t a n d i g h e d e n z e e r w a a r -
schijnlijk leiden tot v e r m i n d e r i n g v a n risico voor z i e k t e en s t e r f t e . Daarom
i s zorg voor een v e r a n t w o o r d lichaamsgewicht ( Q u e t e l e t - I n d e x ^ ) : 20<QI<25)
g e w e n s t . Deze zorg moet g e r i c h t zijn op het afstemmen v a n d e mate v a n
lichamelijke activiteit en de e n e r g i e - o p n e m i n g via de v o e d i n g o p h e t g e w e n -
s t e l i c h a a m s g e w i c h t . Naast het v e r g r o t e n van d e lichamelijke a c t i v i t e i t zal
e e n v e r m i n d e r i n g v a n de dagelijkse e n e r g i e - o p n e m i n g via de v o e d i n g bij
v o o r k e u r moeten worden g e r e a l i s e e r d door een b e p e r k i n g v a n :
* De consumptie v a n vetten en p r o d u k t e n met een relatief hoog v e t g e h a l t e
    met de n a d r u k op een v e r m i n d e r i n g v a n v e r z a d i g d v e t .
* De c o n s u m p t i e v a n suiker en s u i k e r r i j k e p r o d u k t e n , zoals s n o e p , k o e k ,
    gebak, frisdrank.
* Het g e b r u i k v a n alcoholische d r a n k e n .
Zorg v o o r een g e v a r i e e r d e v o e d i n g .
         Voedingsmiddelen kennen zowel n e g a t i e v e als p o s i t i e v e k w a l i t e i t s k e n m e r -
k e n . T o t de n e g a t i e v e k w a l i t e i t s k e n m e r k e n w o r d t d e a a n w e z i g h e i d v a n b i j -
v o o r b e e l d v e r o n t r e i n i g i n g e n g e r e k e n d . Een positief k e n m e r k is h e t g e h a l t e
a a n e s s e n t i ë l e voedingsstoffen ( v i t a m i n e s , m i n e r a l e n , s p o o r e l e m e n t e n , e s s e n -
tiële a m i n o z u r e n , essentiële v e t z u r e n ) .
         Variatie in het g e b r u i k v a n v o e d i n g s m i d d e l e n heeft een g u n s t i g e i n v l o e d
o p zowel de n e g a t i e v e als positieve kwaliteit v a n d e totale v o e d i n g . Zo is
 1) Q u e t e l e t - I n d e x : gewicht(kg ) / l e n g t e 2 ( m ) .
                                                                  -2-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>e e n g e v a r i e e r d e keuze v a n voedingsmiddelen bijvoorbeeld noodzakelijk om
e e n voldoende voorziening met alle e s s e n t i ë l e v o e d i n g s s t o f f e n en vocht te
v e r z e k e r e n . Een goede voeding is nooit te r e a l i s e r e n door eenzijdig g e b r u i k
v a n s l e c h t s enkele v o e d i n g s m i d d e l e n . De kwaliteit v a n d e v o e d i n g w o r d t b e -
p a a l d door het totaal aan voedingsmiddelen d a t w o r d t g e c o n s u m e e r d .
         Met het in N e d e r l a n d b e s c h i k b a r e v o e d i n g s m i d d e l e n p a k k e t k a n in p r i n -
cipe in de behoefte aan e n e r g i e , de meeste ( e s s e n t i ë l e ) v o e d i n g s s t o f f e n en
v o c h t worden v o o r z i e n . Een u i t z o n d e r i n g h i e r o p v o r m e n vitamine D , jodide
en f l u o r i d e . Niet alle c a t e g o r i e ë n v a n de b e v o l k i n g k u n n e n zich via de v o e -
d i n g met voldoende vitamine D , jodide en fluoride v o o r z i e n . Een t o e v o e g i n g
v a n deze voedingsstoffen is daarom voor deze c a t e g o r i e ë n noodzakelijk.
Voor een aantal v o e d i n g s s t o f f e n zoals vitamine B - 6 , m a g n e s i u m , k o p e r , zink
e n seleen is de b e s c h i k b a r e informatie o v e r het n i v e a u v a n de v o o r z i e n i n g
e n d e r e l a t i e met ziekte o n t o e r e i k e n d om een oordeel te k u n n e n g e v e n .
         Een vitamine D p r o f y l a x e is t e r p r e v e n t i e v a n r a c h i t i s met name v a n b e -
l a n g v o o r het jonge k i n d . Als s t r u m a p r o f y l a x e w o r d t h e t g e b r u i k v a n g e -
j o d e e r d zout a a n b e v o l e n . Een e x t r a voorziening v a n fluoride t e r p r e v e n t i e
v a n t a n d c a r i ë s is vanaf de g e b o o r t e noodzakelijk. Voor deze e x t r a v o o r z i e -
n i n g komen, afhankelijk v a n de leeftijd,                             fluoridetabletten,               fluoridehoudende
tandpasta's,                  fluoride-applicatie       of spoelen met fluoride in a a n m e r k i n g ; dit
in o v e r l e g met de ( t a n d ) a r t s . Voor v o l w a s s e n e n w o r d t h e t g e b r u i k v a n flu-
oridehoudende tandpasta's aanbevolen.
V e t t e n , vetzuren en cholesterol.
         De a a r d en de hoeveelheid van de v e t t e n in de v o e d i n g en h e t c h o l e s -
t e r o l g e h a l t e worden in v e r b a n d g e b r a c h t met h e t o n t s t a a n v a n h a r t - en
v a a t z i e k t e n . De hoeveelheid v e t in d e v o e d i n g w o r d t ook in v e r b a n d g e -
b r a c h t met het o n t s t a a n v a n k a n k e r , met name b o r s t - en d i k k e d a r m k a n k e r .
Het wordt daarom v a n b e l a n g geacht d a t een hoge v e t c o n s u m p t i e , met name
d e consumptie v a n v e r z a d i g d v e t , wordt t e g e n g e g a a n . V e r d e r is een goede
v o o r z i e n i n g met m e e r v o u d i g o n v e r z a d i g d v e t v a n b e l a n g . De g e m i d d e l d e
h u i d i g e v e t c o n s u m p t i e ( c a . 40 en%) is te hoog en zou moeten w o r d e n t e r u g -
g e b r a c h t tot een g e b r u i k d a t ligt t u s s e n 30-35% v a n de dagelijkse e n e r g i e -
o p n e m i n g . Dit moet bij v o o r k e u r worden b e r e i k t d o o r de consumptie v a n
v e r z a d i g d v e t te b e p e r k e n e n die v a n meervoudig o n v e r z a d i g d v e t e n i g s z i n s
t e v e r g r o t e n , waardoor de v e r h o u d i n g t u s s e n m e e r v o u d i g o n v e r z a d i g d e en
v e r z a d i g d e v e t z u r e n in de v o e d i n g 1:2 à 1:1 w o r d t .
         Ook wordt op matigheid v a n de consumptie v a n c h o l e s t e r o l a a n g e d r o n -
g e n om te b e r e i k e n d a t het individuele g e b r u i k niet h o g e r is d a n het h u i d i -
ge gemiddelde c o n s u m p t i e n i v e a u van 33 m g / M J .
         De b e l a n g r i j k s t e b i j d r a g e aan de consumptie v a n v e t is afkomstig v a n
v o e d i n g s m i d d e l e n uit de v o l g e n d e p r o d u k t g r o e p e n :
* M a r g a r i n e , h a l v a r i n e , b o t e r , b a k - e n b r a a d p r o d u k t e n , f r i t u u r v e t en olie.
* Vlees en v l e e s w a r e n .
* K a a s , melk en m e l k p r o d u k t e n .
         B e p e r k i n g van de v e t c o n s u m p t i e kan worden g e r e a l i s e e r d door de k e u z e
v a n de relatief vetarme v a r i ë t e i t e n van een b e p a a l d p r o d u k t . Via een b e p e r -
k i n g in het g e b r u i k van voedingsmiddelen die rijk zijn aan ( v e r z a d i g d ) v e t
k a n ook een b e p e r k i n g v a n de dagelijkse e n e r g i e - o p n e m i n g via de voeding
worden bereikt.
         Door een b e p e r k i n g v a n met name de c o n s u m p t i e v a n dierlijke p r o d u k -
t e n met een hoog v e t g e h a l t e zal t e v e n s het c h o l e s t e r o l g e b r u i k v e r m i n d e r e n .
                                                              -3-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>In dit verband is ook een matiging gewenst in het gebruik van specifiek
cholesterolrijke voedingsmiddelen zoals eieren, schaal- en schelpdieren en
orgaanvlees.
       Een verbetering van de verhouding tussen meervoudig onverzadigde
vetzuren en verzadigde vetzuren in de voeding kan worden bereikt door
het gebruik van voedingsmiddelen die rijk zijn aan verzadigde vetzuren
(met name vette produkten van dierlijke oorsprong) te beperken, maar ook
bijvoorbeeld door vlees vaker te vervangen door magere vis. Met betrek-
king tot de zichtbare vetten zoals margarine, boter, oliën e . d . zou naast
een matiging van het gebruik moeten worden gekozen voor produkten die
relatief rijk zijn aan meervoudig onverzadigde vetzuren.
Koolhydraten.
        Koolhydraten vormen samen met vet gemiddeld de belangrijkste bron
van energie in de voeding. Als gevolg van de gewenste beperking van de
hoeveelheid vet in de voeding zal om aan de energiebehoefte van het li-
chaam te kunnen voldoen de totale hoeveelheid koolhydraten in de voeding
verhoudingsgewijs moeten toenemen. Gestreefd moet worden naar een hoe-
veelheid die overeenkomt met ca. 55% van de dagelijkse energie-opneming
via de voeding. Complexe koolhydraten als zetmeel hebben hierbij de voor-
keur boven eenvoudige koolhydraten als s u i k e r s . Suiker en suikerrijke voe-
dingsmiddelen leveren meestal alleen energie en weinig of geen essentiële
voedingsstoffen. Aan een grote consumptie van eenvoudige koolhydraten is
met name het ontstaan van tandcariës verbonden. Ter voorkoming van tand-
cariës zijn mondhygiëne en de voorziening met voldoende fluoride eveneens
belangrijke factoren. Het risico voor tandcariës is niet zozeer een kwestie
van de hoeveelheid van deze koolhydraten die wordt geconsumeerd maar
hangt nauw samen met de frequentie in het gebruik van suiker en suiker-
rijke voedingsmiddelen, als snoep, frisdranken, koek en gebak tussen de
maaltijden. Frequent gebruik van dergelijke koolhydraten in deze vorm
wordt daarom ontraden. Deze aanbeveling geldt niet voor fruit, melk en
melkprodukten die ook relatief veel eenvoudige koolhydraten bevatten. Dit
gezien de bijdrage van deze voedingsmiddelen aan de voorziening met
bepaalde essentiële voedingsstoffen als calcium en vitamines en het feit dat
melksuiker onder normale omstandigheden geen tandbederf veroorzaakt.
       Tenslotte kan via een beperking in het (frequent) gebruik van suiker
en suikerrijke voedingsmiddelen ook beperking van de energetische waarde
van de voeding worden gerealiseerd. Dit kan in dit verband ook worden b e -
reikt door produkten met een relatief laag suikergehalte te kiezen of pro-
dukten waarin suiker is vervangen door niet-cariogene zoetstoffen met een
lager energiegehalte.
        In tegenstelling tot suiker en suikerrijke voedingsmiddelen bevatten
voedingsmiddelen die rijk zijn aan complexe koolhydraten zoals granen,
graanprodukten, peulvruchten e . d . naast energie meestal essentiële voe-
dingsstoffen. Een vergroting van de consumptie van bepaalde voedings-
middelen rijk aan complexe koolhydraten kan ook de opneming van voedings-
vezel verhogen. De gemiddelde voeding in Nederland zou meer voedingsve-
zel moeten bevatten. Van een grotere consumptie van voedingsmiddelen rijk
aan voedingsvezel kan een positief effect worden verwacht op een aantal
darmfuncties. Ook zijn er aanwijzingen dat voedingsvezel een positieve in-
vloed heeft op risico-indicatoren voor sommige chronische ziekten zoals
h a r t - en vaatziekten en diabetes. De hoeveelheid voedingsvezel, die een
goede voeding zou moeten bevatten wordt geschat op ongeveer 3 g/MJ.
                                       -4-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Eiwit.
     Een wijziging van de hoeveelheid eiwit in de voeding wordt op dit mo-
ment niet noodzakelijk gevonden. Wel zal als gevolg van het opvolgen van
de richtlijnen voor een goede voeding (zie blz. 1) de verhouding dierlijk/
plantaardig in vergelijking met die van de huidige voeding verschuiven in
de richting van meer plantaardig. Een dergelijke verschuiving kan een b e -
langrijke bijdrage leveren aan de realisatie van de aanbeveling met b e t r e k -
king tot vetten en koolhydraten. In dierlijke produkten is vaak verzadigd
vet aanwezig terwijl zetmeel en voedingsvezel alleen voorkomen in produkten
van plantaardige oorsprong.
Keukenzout.
     Het niveau van de keukenzoutconsumptie wordt vaak in verband ge-
bracht met de hoogte van de bloeddruk. Een vermindering van het keuken-
zoutgebruik kan wellicht een gunstige invloed hebben op het peü van de
bloeddruk van de gehele bevolking. Voorts zou een vermindering van het
keukenzoutgebruik een vertragende invloed kunnen hebben op de botont-
kalking die op oudere leeftijd optreedt.
     Aanbevolen wordt om de consumptie van keukenzout te beperken, waar-
bij het huidige gemiddelde consumptieniveau voorlopig als aanvaardbaar max-
imum voor de individuele consumptie wordt gezien. Mogelijkheden voor een
beperking van het keukenzoutgebruik zijn onder andere beperking van het
huishoudelijk keukenzoutgebruik en het kiezen van voedingsmiddelen met
een laag dan wel relatief laag keukenzoutgehalte.
Alcohol.
     De alcoholconsumptie is op dit moment in vele gevallen te hoog. Tegen
de achtergrond van de risico's voor de gezondheid moet met name overmatig
gebruik van alcoholische drank worden ontraden. Hiermee kan tevens een
bijdrage worden geleverd aan de voor velen gewenste beperking van de da-
gelijkse energie-opneming via de voeding.
Veiligheid.
     Indien wordt gesproken over de veiligheid van het voedsel, dan heeft
dit in het algemeen betrekking op de mogelijke aanwezigheid van microbio-
logische en chemische verontreinigingen en van additieven. Ten aanzien van
de veiligheid vormen voedselinfecties op dit moment het belangrijkste pro-
bleem. Ter preventie van voedselinfecties is hygiënische bereiding en hygi-
ënische bewaring van voedsel van groot belang. Dit geldt met name voor
plaatsen waar het voedsel direct voor consumptie wordt klaargemaakt, zoals
in de huishouding, in instellingen en in de horeca. Bovendien is een goede
begeleiding van de hygiëne van de gehele produktieketen van voedings-
middelen noodzakelijk.
     Met betrekking tot mogelijke risico's voor de volksgezondheid vraagt
voorts de aanwezigheid van een aantal (milieu)verontreinigende stoffen in
de voeding extra aandacht.
     Het terughoudende beleid van de overheid met betrekking tot de toe-
passing van additieven moet worden gecontinueerd. Aan de huidige praktijk
                                     -5-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>van het toepassen van additieven zijn op basis van de beschikbare kennis
geen onaanvaardbare risico's voor de volksgezondheid verbonden.
Beleid van de overheid.
    Maatregelen van de overheid ter ondersteuning van de gewenste wijzi-
gingen in de voeding kunnen zijn gericht op een beïnvloeding van de voed-
selvoorziening en op een beïnvloeding van de voedselkeuze. De zorg voor
de veiligheid van het voedsel is één van de taken van de overheid in het
kader van de zorg voor een goede voedselvoorziening. Met de in Nederland
beschikbare voedingsmiddelen is een verantwoorde en veilige voeding samen
te stellen.
    Naast de zorg voor de veiligheid van het voedsel zou in het beleid van
de overheid meer aandacht moeten worden gegeven aan de voedingsstoffen-
samenstelling van voedingsmiddelen. Deze zou meer afgestemd moeten zijn
op de als gewenst omschreven voeding. Een meer verantwoorde voedselkeu-
ze kan worden bevorderd via het stimuleren van voedingsvoorlichting en
voedingseducatie in het onderwijs en een verantwoord beleid met b e t r e k k i n g
tot produktinformatie. Een verplichte vermelding op de verpakking van voe-
dingsmiddelen van de ingrediënten en het gehalte aan voedingsstoffen, die
voor een goede voeding van belang zijn, vormt hiervan een belangrijk on-
derdeel.
                                     -6-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.            Inleiding.
       Dit advies is opgesteld naar aanleiding van een in 1978 ontvangen ad-
viesaanvrage van de toenmalige Minister van Volksgezondheid en Milieuhy-
giëne met betrekking tot maatregelen tot bevordering van goede voedingsge-
woonten (zie bijlage 1). Een onderdeel van deze adviesaanvrage betreft het
verzoek aan de Raad een voeding te beschrijven, die in Nederland vanuit
het oogpunt van volksgezondheid de voorkeur zou verdienen.
       Bij de behandeling van dit aspect van de adviesaanvrage werd door de
plenaire Raad destijds besloten allereerst de adviezen en r a p p o r t e n , die de
Raad in het verleden heeft uitgebracht en in het kader van deze adviesaan-
vrage van belang zijn te toetsen aan de stand van de wetenschap. Het be-
trof de volgende adviezen/rapporten:
* Het rapport Algemene richtlijnen voor toevoegingen, dat in 1973 werd
    uitgebracht (Voedingsraad 1974).
* De nota's waarop het in 1973 uitgebrachte advies inzake de hoeveelheid
   en aard van de vetten in de voeding berust (Voedingsraad 1973).
* De rapporten/adviezen met betrekking tot de relatie voeding en tandcariës
    (Voedingsraad 1965, 1975).
* De "Aanbevolen hoeveelheden energie en (essentiële) voedingsstoffen"
    (Voedingsraad 1983,1).
       Ten behoeve van deze toetsing werden respectievelijk in 1978 de Com-
missie Algemene Richtlijnen voor Toevoegingen e . d . , in 1979 de Commissie
Voeding en Hart- en Vaatziekten en in 1980 de Commissie Voeding en Tand-
cariës ingesteld. De adviezen/rapporten van deze commissies werden in de
periode 1981-1984 uitgebracht. Voorts kreeg de Commissie Voedingsnormen
het verzoek zich naar aanleiding van de adviesaanvrage te beraden over de
basis die ten grondslag zou moeten liggen aan de aanbevolen hoeveelheden
energie en (essentiële) voedingsstoffen. Dit beraad leidde tot een aantal
uitgangspunten dat zou moeten worden gehanteerd bij het opstellen van
aanbevolen hoeveelheden. Nadat deze uitgangspunten door de Raad waren
aanvaard, begon de commissie in 1980 met een herziening van de huidige
aanbevolen hoeveelheden. Deze herziening zal binnenkort kunnen worden
afgesloten.
       Naast deze activiteiten werd door de Raad in 1982 de Commissie Voeding
en Kanker ingesteld met als opdracht: "Het kritisch beoordelen van de
literatuur met betrekking tot de relatie voeding en kanker bij mens en dier.
Voorts het aangeven van het belang van deze relatie ten aanzien van het
voorkomen van kanker in Nederland. Tenslotte het opstellen van aanbeve-
lingen met betrekking tot de vanuit het oogpunt van volksgezondheid
gewenste voeding tegen deze achtergrond" . Dit rapport werd op 26 maart
1986 aan beide Ministers aangeboden.
       Tevens verzocht de Raad de internisten Prof. d r . H. Doorenbos en
P r o f . d r . J . Terpstra een rapport op te stellen met betrekking tot de bete-
kenis van de voeding voor het ontstaan van diabetes mellitus. Dit rapport
werd in 1983 aan de Raad uitgebracht (Voedingsraad 1985,1).
          In het najaar van 1982 werd door de Raad de Commissie Richtlijnen
Goede Voeding ingesteld. Deze commissie kreeg de taak overeenkomstig de
eerder genoemde adviesaanvrage een advies voor te bereiden, waarin een
voeding wordt aangegeven, die in Nederland vanuit het oogpunt van volks-
gezondheid als de meest wenselijke moet worden beschouwd. Een dergelijke
voeding zou optimale eigenschappen moeten bezitten met betrekking tot de
voorziening met energie en (essentiële) voedingsstoffen, de preventie van
onder andere tandcariës, hypertensie, adipositas, coronaire hartziekten.
                                           -7-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>diabetes mellitus en kanker. Voorts zou de hygiënische kwaliteit van deze
voeding en ook de toepassing van additieven en het voorkomen van v e r o n t -
reinigingen in deze voeding geen onaanvaardbaar risico mogen opleveren
voor de gebruiker. De commissie zou bij haar werkzaamheden moeten uit-
gaan van rapporten/adviezen van de Voedingsraad en de Gezondheidsraad
die in dit verband reeds waren uitgebracht. De commissie werd als volgt
samengesteld:
Voorzitter:              Prof. d r . F . ten Hoor, voorzitter Voedingsraad, Den
                         Haag.
Secretaris/ rapporteur : I r . B.C. Breedveld, secretariaat Voedingsraad, Den
                         Haag.
De Raadsleden:           P r o f . d r . J . G . A . J . Hautvast, hoogleraar Voeding en
                         Voedselbereiding, Vakgroep Humane Voeding, Land-
                         bouwhogeschool Wageningen.
                         P r o f . d r . i r . R . J . J . Hermus, directeur Instituut CIVO
                         Toxicologie en Voeding TNO, Zeist.
                         P r o f . i r . B. Krol, hoofddirecteur Hoofdgroep Voeding
                         en Voedingsmiddelen TNO, Zeist.
                         Dr. W.A. van Staveren, M.Sc. , wetenschappelijk
                         medewerker Vakgroep Humane Voeding, Landbouwho-
                         geschool, Wageningen.
                         P r o f . d r . H.K.A. Visser, hoogleraar Kindergeneeskun-
                         d e , Erasmus Universiteit, Rotterdam.
De deskundige:           D r . i r . G . J . P . M . de Bekker, voedingskundige, d e s -
                         tijds Voorlichtingsbureau voor de Voeding, Den
                         Haag.
                                                 -8-
                              I
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>2.      De huidige voeding in Nederland.
2.1.     Inleiding.
     Het is met behulp van de gegevens die in Nederland beschikbaar zijn
slechts mogelijk een zeer fragmentarisch beeld te verkrijgen van de voeding
die door (de verschillende categorieën van) de bevolking wordt gebruikt.
Door de Raad is hierop in het verleden in verschillende van zijn adviezen
gewezen.
     Informatie in kwantitatieve zin over de voedselconsumptie in Nederland
is op een aantal n i v e a u ' s beschikbaar. In de eerste plaats staan op natio-
naal niveau de brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen ter beschik-
king. Dit zijn de hoeveelheden voedingsmiddelen/grondstoffen die jaarlijks
gemiddeld per hoofd van de bevolking voor consumptie beschikbaar komen.
De brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen worden volgens de zoge-
naamde balansmethode vastgesteld door het Landbouw Economisch Instituut
en jaarlijks gepubliceerd. Voorts is er informatie over de aankoop van voe-
dingsmiddelen op het niveau van de huishouding. Deze gegevens worden
periodiek verzameld door het Centraal Bureau voor de Statistiek in het ka-
der van het zogenaamde budgetonderzoek. Het derde niveau betreft de in-
dividuele voedselconsumptie. Voor het schatten van de voedselconsumptie
van (groepen van) individuen wordt in het algemeen gebruik gemaakt van
voedingsanamnestisch onderzoek. Dit onderzoek wordt incidenteel en meestal
op kleine schaal uitgevoerd door verschillende onderzoeksinstituten.
     Ten aanzien van de brutoverbruiksgegevens en de aankoopgegevens van
voedingsmiddelen moet worden opgemerkt dat met behulp van deze gegevens
geen goed inzicht is te verkrijgen in de werkelijke consumptie van voe-
dingsmiddelen. Hierbij speelt o.a. het ontbreken van informatie over de
verliezen die optreden door onder andere t r a n s p o r t , opslag, b r e u k , bederf,
restanten en (huis)diervoeder een belangrijke rol. Voorts geven deze gege-
vens geen inzicht in de verdeling van de voor consumptie beschikbaar geko-
men hoeveelheden voedingsmiddelen of aangekochte hoeveelheden over de
individuele leden van de samenleving respectievelijk de huishouding.
     De beperkte bruikbaarheid van deze statistieken voor het verkrijgen
van een inzicht in de gebruikelijke voeding van (groepen van) de bevolking
komt voort uit het feit, dat deze statistieken niet primair voor dit doel zijn
ontwikkeld. De brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen vormen eigen-
lijk meer een produktiestatistiek, terwijl het budgetonderzoek van het CBS
is ontwikkeld voor het regelmatig kunnen vaststellen van het prijsindexcij-
fer. Hoewel uit de resultaten van dit laatstgenoemde onderzoek wel een glo-
baal beeld kan worden verkregen van de hoeveelheden voedingsmiddelen die
per huishouding worden aangekocht, staat in dit onderzoek niet de aange-
kochte hoeveelheid voedingsmiddelen centraal doch de daaraan verbonden
kosten.
     Met betrekking tot de bruikbaarheid van de resultaten van voedings-
anamnestisch onderzoek moet worden opgemerkt dat dergelijke onderzoe-
kingen slechts op beperkte schaal worden uitgevoerd bij meestal niet a-se-
lect samengestelde steekproeven.
     Door de Oriënteringscommissie van de Raad is een advies voorbereid
met betrekking tot de ontwikkeling van een voedingspeüingssysteem waar-
mee een beter inzicht zou kunnen worden verkregen in de voedselconsump-
tie van de (verschillende categorieën van) de bevolking. In dit verband is
onder meer ook nagegaan op welke wijze de registratie van de b r u t o v e r -
bruiksgegevens en aankoopgegevens van voedingsmiddelen zou moeten wor-
den aangepast om de bruikbaarheid van deze gegevens te vergroten.
     Gezien de beperkingen die aan de brutoverbruiksgegevens en de aan-
koopgegevens van voedingsmiddelen zijn verbonden, is voor het vaststellen
                                          -9-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>van de voedselconsumptie in dit advies zoveel mogelijk uitgegaan van de r e -
sultaten van voedingsanamnestische onderzoekingen. Dit in verband met het
feit dat deze gegevens, ondanks de beperkingen, de werkelijke consumptie
van voedingsmiddelen het meest benaderen.
2.2.       Ontwikkelingen in het verbruik van voedingsmiddelen.
     Op basis van de brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen (Gode-
schalk 1985), kan een globaal inzicht worden v e r k r e g e n in de veranderin-
gen die zich in de loop der jaren in het voedselverbruik in Nederland heb-
ben voorgedaan. Figuur 1 geeft hiervan een overzicht.
 kg of  I
      200
      150
                                                                    > groenten/fruit
                                                                  ^B inelk(-produkten)
      100   -
                                                                     aardappelen
                                                                  ''M vlees (inct. pluimvee)
                                                                     bloem/meel
       BO   -                                                      • suiker/glucose
                                        .-'•
                                .-''
                                                                     eetbire oliën en
                                                                     vetten (inct. boter)
                                                             • I I • eieren
                                                                     alcohol (100%)
                                                             I >I r
         Figuur 1: De per Jaar per hoofd van de bevolking voor consumptie beschik-
         baar gekomen hoeveelheden van een aantal voedingsmldde1engroepen (kg of
         1) gedurende de periode 1950-1983 In Nederland. Bron: Godeschalk (1985).
                                             -10-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre> 2.3.         Overzicht van de huidige voorziening met energie en                           (essentiële)
              voedingsstoffen.
        Met behulp van de gegevens die in de periode 1970-1984 uit voedings-
 anamnestisch onderzoek in Nederland beschikbaar zijn gekomen, is inzicht
 v e r k r e g e n in de voorziening van de bevolking met energie en voedings-
 stoffen. De literatuurreferenties van de onderzoekingen die hierbij zijn b e -
 trokken zijn in bijlage 2 opgenomen.
        Tabel 1 geeft een overzicht
                                               Tabel 1: Procentuele bijdrage van de macrovoedingsstof-
van de procentuele bijdrage van                fen aan de energetische waarde van de voeding van alle
 de macrovoedingsstoffen aan de leeftijdsgroepen van de bevolking ouder dan drie jaar,
 energetische waarde van de voe-               in Nederland*.
 ding voor alle leeftijdscatego-
                                                                        gemiddelde         spreiding
 rieën van de bevolking, ouder
 dan drie jaar. Alcohol is in deze             eiwitten (en%)               13              (11-16)
tabel niet opgenomen, omdat het                vetten (en%)                 40               (33-44)
                                               koolhydraten (en%)           47              (41-52)
alcoholgebruik niet in alle gere-
 fereerde onderzoekingen is na-
 gegaan. In de onderzoekingen                                                      Bronnen: zie bijlage Z
waarin het alcoholgebruik wel is *) De bijdrage van alcohol is niet meegerekend.
nagegaan bedroeg dit voor man-
nen 30 g per dag en voor vrouwen ca. 10 g. Hierdoor heeft de bijdrage
van de verschillende macrovoedingsstoffen aan de energetische waarde van
de voeding zoals deze in tabel 1 is weergegeven voor volwassen mannen g e -
middeld betrekking op 93% van de hoeveelheid energie die met de voeding
wordt opgenomen en voor volwassen vrouwen op 97%. Voor kinderen, die
doorgaans geen alcoholische drank gebruiken is dit 100%. Opgemerkt moet
worden dat uit onderzoek is gebleken, dat het niveau van het alcoholge-
b r u i k , dat tijdens onderzoekingen wordt opgegeven vaak sterk wordt onder-
gerapporteerd (Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur 1985).
Op basis van de brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen wordt het
gemiddelde alcoholgebruik per Nederlander van 15 jaar en ouder op ruim 30
g per dag geschat (ca. 3 glazen alcoholische d r a n k ) . Het percentage p e r s o -
nen van 15 jaar en ouder met excessief gebruik van alcohol (gedefinieerd
als een dagelijkse alcoholconsumptie van 80 g en meer) wordt op ca. 7%
geschat (De Zwart 1981).
        Wanneer de        bijdrage Tabel 2: De variatie in de gemiddelde in onderzoek waargenomen
van alcohol aan de energe- macrovoedingstofiensamenstelling van de voeding.
tische waarde van de voe-
                                                                kinderen       volwassenen        ouderen
ding buiten beschouwing                                          8 jaar       man       vrouw        >65
wordt gelaten, blijkt de
procentuele bijdrage van de
macrovoedingsstoffen aan de energie             (MJ/dag)         7.5-9,0   9.5-14,5    8.0-11.5 6 , 0 - 1 0 , 5
                                    vet ( g / d a g )             80-100          80-135           60-110
energetische waarde van de koolhydraten ( g / d a g ) 215-260                    210-320          165-310
                               alle eiwit  (g/dag)                55-70           70-90            55-85.
voeding           voor bijna        voedingsvezel ( g / d a g )   16-20           20-35            16-20
leeftijdscategorieën        globaal
hetzelfde te zijn. In tabel 2                                                      Bronnen: zie bijlage 2
is voor drie leeftijdscate-
gorieën een overzicht gegeven van de variaties die in de gemiddelde in on-
derzoek waargenomen macrovoedingsstoffensamenstelling van de voeding wor-
den aangetroffen. Ter toelichting op tabel 2 het volgende:
* De gemiddelde energetische waarde van de voeding van achtjarige kinde-
    ren voor alle onderzoekingen samen bedroeg 8,3 Mj/dag; van volwassen
    mannen 11,5 MJ/dag; van volwassen vrouwen 9,0 MJ/dag.
* De hoeveelheid vet bestaat voor 40-46% uit verzadigd v e t . Verzadigd vet
                                                 -11-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>   levert ongeveer 17 en%, terwijl 5-6% van de energetische waarde van de
   voeding afkomstig is van linolzuur.
* De hoeveelheid koolhydraten wordt voor 45-55% gebruikt in de vorm van
   mono- en disachariden. De totale hoeveelheid mono- en disachariden
   draagt voor ongeveer 25% bij aan de energetische waarde van de voeding.
   Van de totale hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding is onge-
   veer de helft van n a t u r e aanwezig met name in fruit, melk en melkproduk-
   ten.
* Het eiwit in de voeding is voor ongeveer 35% van plantaardige oorsprong.
* De gemiddelde consumptie van voedingsvezel door volwassenen voor alle
   onderzoekingen samen bedroeg 25 g/dag (2,4 g / M J ) . De individuele waar-
   den van de consumptie van voedingsvezel blijken zeer s t e r k te v a r i ë r e n ,
   voor volwassenen van zeer weinig tot 40 g per d a g .
     De voorziening met microvoedings-           2
stoffen, voor zover daar een inzicht in
bestaat op basis van de resultaten van          200 h
voedingsanamnestisch         onderzoek,      is
weergegeven in figuur 2. In deze figuur
is de voorziening vergeleken met de a a n -
bevolen hoeveelheden zoals deze door de
Commissie Voedingsnormen zijn opge-
steld.
     Uit deze vergelijking kan worden ge-
concludeerd dat wat deze voedingsstoffen
betreft de gemiddelde voorziening in het
                                                100
algemeen ruim voldoende i s . Een uitzon-
dering moet wellicht worden gemaakt
voor de voorziening met vitamine B-6 en
met name voor vrouwen voor de voorzie-
ning met ijzer. Deze conclusie is in
overeenstemming met de conclusies van
de voormalige Commissie Vitaminering
van Levensmiddelen (zie § 3 . 3 . 1 . ) .
     Met betrekking tot de hoeveelheid
natrium in de voeding wordt er op gewe-                                        O
zen, dat deze niet goed met behulp van                  M-  •—   3"  •-.
                                                                     CT
                                                                           f-.
                                                                               a   N
                                                                 O
voedingsanamnestisch onderzoek is te b e -                  O
                                                                 3
                                                                 •*
                                                                     O
                                                                       ^
                                                                                   O
palen. Door de Commissie Vermindering                            3
                                                                 O
                                                                     O)    t
                                                                          0^
Gebruik Keukenzout van de Raad is de                                 <
                                                                     3
                                                                     O
consumptie van natrium (keukenzout) g e -
schat op basis van de natrium uit schei-          Figuur 2: De In voedingsanamnestische
                                                  onderzoekingen (periode 1970-1985)
ding in 24 u u r s urine. Uit de beschikba-      waargenomen gemiddelde consumptie van
r e informatie is door deze commissie af-        microvoedingsstoffen weergegeven In
                                                  percentages van de aanbevolen hoeveel-
geleid dat de huidige voeding van vol-            heden (gemiddelde * S.D.}.
wassenen ongeveer 3,5 ± 1,0 g natrium/
dag (gem. ± SD) bevat (Voedingsraad 1982,4, 1986,3). Dit komt neer op
9,0 * 2,5 g keukenzout/dag.
                                          -12-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>3.            Rapporten/adviezen, die de basis van dit advies vormen.
3.1.          Inleiding.
        In dit hoofdstuk wordt een samenvatting gegeven van de conclusies van
de rapporten/adviezen van de Voedingsraad en de Gezondheidsraad die in
het kader van het formuleren van richtlijnen voor een goede voeding van
belang zijn. Het betreft de volgende adviezen/rapporten:
* Voedseladditieven en -verontreinigingen; technologische en toxicologische
   richtlijnen (Voedingsraad 1984,1).
* Aanbevolen hoeveelheden energie en voedingsstoffen                    (Voedingsraad
    1986,2).
* Advies inzake bestrijding tandbederf (Gezondheidsraad 1984,1).
* Advies inzake de jodiumvoorziening (Gezondheidsraad 1981).
* Voeding en tandcariës (Voedingsraad 1982,1).
* Voeding in relatie tot coronaire hartziekten (Voedingsraad 1982,2).
* Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker (Voedingsraad
    1986,1).
* De betekenis van de voeding voor het ontstaan van diabetes mellitus
    (Voedingsraad 1985,1).
* Advies inzake hypertensie (Gezondheidsraad 1983).
* Advies inzake adipositas (Gezondheidsraad 1984,2).
3.2.          De veiligheid van het voedsel.
        Door de Commisie Algemene Richtlijnen voor Toevoegingen e . d . van de
Raad zijn technologische en toxicologische richtlijnen geformuleerd met
betrekking tot het gebruik van voedseladditieven en het voorkomen van
verontreinigingen in de voeding. Hierbij werd uitgegaan van het principe
dat de hygiënische kwaliteit van de voeding, de toepassing van additieven
en het vóórkomen van verontreinigingen in voedingsmiddelen zodanig zou
moeten zijn dat de voeding in dit opzicht geen onaanvaardbaar risico op-
levert voor de gezondheid van de gebruiker. Deze richtlijnen, die zijn op-
genomen in het advies Voedseladditieven en -verontreinigingen; technologi-
sche en toxicologische richtlijnen, geven aan dat de voortbrenging, de
b e - / v e r w e r k i n g en de verpakking van voedingsmiddelen zodanig zou moeten
zijn dat:
* Een voedingsmiddel onder de te verwachten gebruiksomstandigheden en
   gezien de plaats ervan in het voedingsmiddelenpakket geen onaanvaard-
   baar risico oplevert voor de gezondheid van de gebruiker.
* De goede eigenschappen van het uitgangsprodukt, vooral met betrekking
   tot de voedingsstoffensamenstelling, niet in ongunstige zin worden beïn-
   vloed.
* De hygiënische kwaliteit en de houdbaarheid van voedingsmiddelen worden
   gehandhaafd of v e r b e t e r d .
   Voorafgaand aan de toepassing van hulpstoffen en het gebruik van stof-
fen, die aanleiding kunnen geven tot verontreinigingen in voedingsmiddelen
zou, volgens het advies, door de overheid een beoordeling moeten plaats-
vinden die de volgende aspecten omvat:
- de rechtvaardiging voor het gebruik van de (hulp)stoffen,
- het gezondheidskundig risico dat met dit gebruik samengaat,
- de criteria voor zuiverheid, identiteit en de mogelijkheid voor herkenning
   en bepaling van de (hulp)stoffen,
- de wettelijke regeling van het gebruik.
                                               -13-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>        In het advies wordt voorts gesteld dat de motieven die worden a a n g e -
dragen voor de rechtvaardiging van het gebruik van een hulpstof des te
scherper op hun waarde moeten worden beoordeeld naarmate het voedings-
middel waarop de toepassing betrekking heeft, van grotere betekenis is
voor de dagelijkse voeding van de bevolking of groepen van de bevolking.
        In Nederland is sinds het van kracht worden van de Wet Bestrijding
infectieziekten en opsporing ziekte-oorzaken op 1 januari 1976 de aangifte
van voedselinfecties/vergif tingen verplicht. Met ingang van 1 januari 1985
beperkt deze aangifteplicht zich tot personen die werken in de voedingsmid-
delenindustrie en op plaatsen waar voedsel wordt bereid, personen in de
verzorgende beroepen en tot explosies van voedselinfecties. Uit deze v e r -
plichte registratie blijkt dat jaarlijks ongeveer 9000 gevallen van voedselin-
fecties worden gemeld. Aangenomen wordt dat veel voedselinfecties niet wor-
den gemeld omdat deze niet als zodanig worden onderkend of vanwege nala-
tigheid. Er is waarschijnlijk sprake van een belangrijke o n d e r r a p p o r t a g e .
        Van de geregistreerde gevallen van voedselinfectie kan slechts in 25%
van die gevallen de ziekteverwekker worden aangewezen. Voorts blijkt het
vaak moeüijk om de besmettingsbron te achterhalen. Als redenen hiervoor
kunnen worden genoemd: het te laat of onvolledig aangifte doen, het ont-
breken van geschikte laboratoriummethoden, de onbekendheid met de ziek-
teverwekker.
        Uit deze beperkte registratie kan worden geconcludeerd dat het groot-
ste deel van de door voedsel overgebrachte infecties/vergiftigingen micro-
biologisch van aard is en wordt veroorzaakt door Salmonellae en Campylobac-
t e r (Gezondheidsraad 1978, Beckers 1983,1984).
        Bij het tot stand komen van een voedselinfectie/vergiftiging zijn het
soort voedsel en de wijze waarop het voedsel wordt bereid/behandeld van
groot belang. Vooral voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong zijn een g e -
voelig medium. De besmetting vindt vaak plaats daar waar het voedsel voor
"directe" consumptie wordt bereid, zoals in de huishouding, in de v e r z o r -
gende instellingen en in de horeca, en moet gedeeltelijk worden toege-
schreven aan een gebrek aan kennis. Belangrijke aspecten hierbij zijn on-
voldoende hygiëne; kruis-/nabesmetting; onvoldoende v e r h i t t e n , slechte
temperatuurregeling, enz. waardoor optimale omstandigheden voor de groei
van micro-organismen kunnen ontstaan.
        Bij vergiftigingen van chemische aard moet onderscheid worden gemaakt
tussen acute en chronische intoxicaties. Bij acute vergiftiging moet worden
gedacht aan ongelukken in de industrie en de p r i v é - s f e e r , verkeerd g e -
b r u i k van medicijnen en dergelijke. Dit advies beperkt zich tot belastingen
via de voeding, die meestal van chronische aard zijn. De beschikbare gege-
vens wijzen erop dat het aantal voedselvergiftigingen van chemische aard
gering i s . Dit wordt ondersteund door de resultaten van surveillance p r o -
gramma's naar het voorkomen van verontreinigingen van chemische aard en
additieven in de voeding. Deze programma's betreffen: het bewakingspro-
gramma Mens en Voeding van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, de
rapportage van de Coördinatie Commissie voor de metingen van Radio-acti-
viteit en Xenobiotische stoffen (CCRX), de verslagen van de Landbouwad-
viescommissie Milieukritische stoffen (LAC) en een onderzoek als het Market
basket onderzoek van de CIVO-Instituten TNO.
        Uit de gegevens van deze surveillance programma's blijkt dat de toe-
passing van additieven in de voeding niet tot een onaanvaardbaar risico
leidt. Voor nitriet en nitraat blijkt het gebruik van n i t r i e t - en n i t r a a t b e -
vattende verbindingen bij de b e - en verwerking en/of de voortbrenging van
voedsel tot een relatief hoge belasting te leiden. Dit geldt ook voor een
aantal müieuverontreinigende stoffen zoals polychloorbifenylen en sommige
                                        -14-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>zware metalen, met name cadmium.
        Voorts vragen bepaalde bestrijdingsmiddelen, diergeneesmiddelen/veevoe-
deradditieven, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en mycotoxinen
gezien de toxische werking ervan om voortdurende aandacht.
        Tot slot moet worden gewezen op de overgevoeligheidsreacties, die
kunnen bestaan voor bepaalde additieven. Dergelijke reacties die ook door
van nature voorkomende bestanddelen in het voedsel kunnen worden veroor-
zaakt zijn in het algemeen sterk individueel bepaald. In het advies Voedsel-
additieven en -verontreinigingen; technologische en toxicologische r i c h t -
lijnen wordt in dit verband voor additieven een gedetailleerde informatieve
etikettering aanbevolen.
3.3.        De voorziening in de behoefte aan energie, (essentiële) voedingsstof-
            fen en vocht.
3 . 3 . 1 . Energie en (essentiële) voedingsstoffen.
        Een goede voeding moet onder andere optimale eigenschappen bezitten
met betrekking tot de voorziening met energie en (essentiële) voedingsstof-
fen. In dit kader worden door de Commissie Voedingsnormen van de Raad
de aanbevolen hoeveelheden voor energie en (essentiële) voedingsstoffen in
de voeding opgesteld. Deze aanbevolen hoeveelheden moeten worden b e -
schouwd als richtlijnen en kunnen worden gebruikt om gegevens te beoorde-
len die beschikbaar komen uit voedselconsumptie-onderzoek (Voedingsraad
1983,1). Door de Commissie Voedingsnormen zijn thans aanbevelingen her-
zien/opgesteld voor energie (zie ook § 3 . 4 . 6 . ) , eiwit, vet, koolhydraten, vi-
tamine A, D, E, C, thiamine, riboflavine, vitamine B-6, vitamine B-12, fo-
lacine, calcium, fosfor, ijzer, koper, magnesium, seleen en zink. In 1986
zal eindrapportage van deze herziening aan de Raad plaatsvinden. Voor
voedingsstoffen waarvoor door de commissie op dit moment geen aanbevolen
hoeveelheden zijn opgesteld zoals biotine moet bij voorkeur gebruik worden
gemaakt van de "Recommended Dietary Allowances" van de Food and Nutri-
tion Board USA (National Academy of Sciences 1980). Voor zover op dit mo-
ment kan worden overzien zullen de herziene aanbevolen hoeveelheden niet
zodanig van de "oude" aanbevelingen afwijken, dat de conclusies verbonden
aan de evaluatie van de voedingstoestand zoals deze in het verleden plaats
vond niet meer zouden gelden.
        Met betrekking tot het gebruik van de aanbevolen hoeveelheden moet
worden opgemerkt, dat deze met name zijn gericht op de beoordeling van de
voeding van groepen van individuen; voor een beoordeling van de voeding
van een individu zijn de aanbevolen hoeveelheden minder geschikt. In
hoeverre een voeding voorziet in de behoefte aan energie en essentiële
voedingsstoffen van een individu moet worden nagegaan met behulp van pa-
rameters van de voedingstoestand. Hiertoe is een groot aantal klinische en
biochemische parameters beschikbaar. In het algemeen worden bij de beoor-
deling van de voedingstoestand biochemische parameters meer specifiek ge-
acht dan klinische. Toch blijkt ook de betekenis van de biochemische para-
meters vaak moeilijk te i n t e r p r e t e r e n .
        Op een drietal uitzonderingen na bevat het voedingsmiddelenpakket, zo-
als dit in Nederland beschikbaar is, voldoende (essentiële) voedingsstoffen
om in de behoefte van alle categorieën van de bevolking te kunnen voor-
zien. De uitzonderingen betreffen vitamine D, fluoride en jodide.
                                                 -15-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>* Vitamine D .
  Vitamine D kan op twee manieren door de mens worden v e r k r e g e n : door
  blootstelling van de huid aan zonlicht (ultraviolette straling) en door op-
  neming met het voedsel. In gebieden, zoals Nederland, waar gedurende
  bepaalde jaargetijden de duur en de intensiteit van het zonlicht beperkt
  is en in gebieden met aanzienlijke luchtverontreiniging kan de mate van
  ultraviolette straling onvoldoende zijn voor voldoende vorming van
  vitamine D in de huid. Vast staat dat in deze gebieden met name tijdens
  de groeifase van het skelet de synthese van vitamine D in de huid niet
  voldoende i s . Verspreid over de wereld wordt bij kinderen in deze fase
  regelmatig rachitis als gevolg van een vitamine D tekort waargenomen.
  Door de Commissie Voedingsnormen van de Raad is de hoeveelheid exo-
  geen vitamine D die moet worden opgenomen, voor kinderen tot en met 6
  jaar op 10-15 mcg/dag gesteld (Voedingsraad 1982,3). Door deze commis-
  sie is erop gewezen dat het jonge kind niet via de voeding (ook niet via
  borstvoeding) in de behoefte aan vitamine D kan voorzien. Toediening
  van extra vitamine D is daarom noodzakelijk. Dit geldt niet in die geval-
  len waarin gebruik wordt gemaakt van volledige zuigelingenvoeding,
  waaraan al voldoende vitamine D is toegevoegd. De recente t e r u g k e e r van
  rachitis in Nederland als gevolg van het niet in voldoende mate toepassen
  van een vitamine D profylaxe onderstreept nogmaals het belang hiervan
  voor het jonge kind. Het lijkt volgens de commissie voorts van belang e x -
  t r a aandacht te geven aan de vitamine D voorziening van s t e r k gepigmen-
  teerde personen en/of personen die niet of nauwelijks van het zonlicht
  profiteren. Ook de voorziening van bejaarden vraagt extra aandacht in
  verband met het proces van botontkalking.
  Voor volwassenen wordt ervan uitgegaan dat onder normale omstandighe-
  den via de blootstelling aan zonlicht in de vitamine D behoefte wordt
  voorzien. Voor die situaties waarin in onvoldoende mate van de invloed
  van het zonlicht kan worden geprofiteerd wordt een onderhoudsdosis van
  2,5 mcg vitamine D/dag in de voeding aanbevolen. In deze hoeveelheid
  kan met behulp van het beschikbare voedingsmiddelenpakket worden voor-
  zien, waarbij margarine, halvarine en bak- en b r a a d p r o d u k t e n waaraan
  vitamine D wettelijk verplicht is toegevoegd gemiddeld gezien vaak een
  belangrijke bijdrage leveren.
* Fluoride.
  Door de Gezondheidsraad is geconcludeerd, dat in het kader van de p r e -
  ventie van tandcariës de fluoridevoorziening van de bevolking door middel
  van de voeding onvoldoende is (zie §3.4.1.) (Gezondheidsraad 1984,1).
  De zogenaamde "estimated safe and adequate daily dietary intake" van
  fluoride, zoals door de Food and Nutrition Board USA (National Academy
  of Sciences 1980) mede op basis van de cariësremmende eigenschappen is
  vastgesteld, is afhankelijk van de leeftijd en bijvoorbeeld voor 1-3 jarigen
  0,5-1,5 mg/dag, voor adolescenten 1,5-2,5 mg/dag en voor volwassenen
  2,5-4 mg/dag. Een dergelijke voorziening is met het in Nederland b e -
  schikbare voedingsmiddelenpakket niet te bereiken. Extra voorziening is
  daarom noodzakelijk. Door de Gezondheidsraad is hierbij aangegeven dat
  de dosering voor het individu of een groep, vooral voor zuigelingen, peu-
  t e r s en kleuters, om een professionele indicatiestelling v r a a g t . Ten behoe-
  ve van een optimaal effect op het melk- en blijvend gebit is gesteld dat
  fluoridetoediening vanaf de geboorte gewenst is. Voor volwassenen worden
  fluoridehoudende t a n d p a s t a ' s als voornaamste fluoridebron aangegeven.
                                              -16-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   Voor individuele toepassingen komen onder andere               fluoridetabletten, fluo-
   ridehoudende t a n d p a s t a ' s , fluoride-applicatie of spoelen met fluoride in
  aanmerking. Hierbij wordt voor een veilige dosering verwezen naar het
   Geneesmiddelenbulletin 16, nr. 14, 1982. De Voedingsraad onderschrijft
   dit advies van de Gezondheidsraad.
* Jodide.
   Door de FAO/WHO (1974) wordt gesteld dat de dagelijkse jodidevoorzie-
   ning van volwassenen in elk geval meer dan 100 mcg en bij voorkeur min-
   der dan 1000 mcg zou moeten b e d r a g e n . De optimale voorziening van
   volwassenen zou tussen 150-300 mcg jodide per dag liggen. De aanbevolen
   dagelijkse hoeveelheid bedraagt volgens de Food and Nutrition Board USA
   (National Academy of Sciences 1980) 150 mcg. Hierbij wordt gesteld dat
   om struma te voorkomen, de jodidevoorziening van volwassenen tenminste
  ongeveer 1 mcg per kg lichaamsgewicht moet bedragen. In deze hoeveel-
   heid kan met behulp van het in Nederland beschikbare voedingsmiddelen-
   pakket (incl. drinkwater) in het algemeen niet worden voorzien.
   Door de Gezondheidsraad is erop gewezen dat een groot deel van de
   schüdklieraandoeningen in Nederland het gevolg is van een jodidetekort
   (Gezondheidsraad 1963, 1984). In de meeste gebieden in Nederland met
   een laag jodidegehalte van het drinkwater is de jodidevoorziening via de
  voeding niet voldoende. De jodidevoorziening zou hier zonder strumaprofy-
  laxebeleid ca. 30-40 mcg per persoon per dag bedragen. In verband hier-
   mee is in 1968 in de Warenwet vastgelegd dat bij de bereiding van brood
   uitsluitend gejodeerd zout mag worden gebruikt. Het verplichtende karak-
   ter van deze maatregel is echter in 1984 naar aanleiding van een
   gerechtelijke uitspraak komen te vervallen. De Raad ervaart deze situatie
  als ongewenst. Door de Gezondheidsraad is in 1981 geadviseerd het jodi-
   degehalte van broodzout te verhogen en het keukenzout eveneens v e r -
   plicht te joderen en wel zodanig dat 1 g keukenzout 20 mcg jodide bevat
   (Gezondheidsraad 1981). Deze aanpassing van de aanbevelingen uit het
   eerste advies van de Gezondheidsraad in 1963, waarop het in 1968 bij wet
  vastgestelde gehalte was gebaseerd, was noodzakelijk, omdat het broodge-
   bruik en daarmee de jodidevoorziening zodanig was afgenomen dat de
   strumaprofylaxe niet meer voldeed.
      Hoewel het in Nederland beschikbare voedingsmiddelenpakket in het al-
gemeen voldoende (essentiële) voedingsstoffen bevat om in de behoefte te
kunnen voorzien, is het mogelijk dat als gevolg van een verkeerde keuze
uit dit beschikbare voedingsmiddelenpakket een voeding wordt gebruikt die
onvoldoende (essentiële) voedingsstoffen bevat. Door de Commissie Vitami-
nering van Levensmiddelen van de Raad is over de periode 1968-1979 voor
een aantal essentiële voedingsstoffen de behoeftevoorziening zoals deze
blijkt uit onderzoek naar de voedingstoestand en voedselconsumptie van
groepen van de Nederlandse bevolking geëvalueerd (Voedingsraad 1980,
1983,2, 1984,2). Het betreft de essentiële voedingsstoffen retinol, thiamine,
riboflavine, vitamine B-6, niacine, vitamine C, ijzer en calcium. Deze evalu-
atie werd bemoeüijkt door de beperkte hoeveelheid beschikbare gegevens en
door beperkingen van de bij de verschillende onderzoekingen gehanteerde
methoden van onderzoek. Hoewel uit deze evaluatie geen motieven naar vo-
ren kwamen, die in het algemeen pleiten om vitaminering van voedingsmidde-
len in de huidige voeding voor te staan, werd toch voor de voorziening in
de behoefte aan vitamine B-6 en ijzer nadere aandacht gevraagd, terwijl ook
werd gewezen op de eisen die mogelijk zouden moeten worden gesteld aan
                                               -17-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>de voorziening onder speciale omstandigheden zoals tijdens het beoefenen
van topsport.
        In het advies inzake multi-vitaminepreparaten van de Commissie Vitami-
nering van Levensmiddelen (Voedingsraad 1980) wordt gesteld, dat de g e -
middelde voorziening met vitamine B-6 in vergelijking met de aanbevolen
hoeveelheden niet ruim genoemd kan worden. Hoewel het huidige gemiddelde
niveau van de voorziening voor zover bekend geen aanleiding geeft tot af-
wijkingen in de voedingstoestand, is waakzaamheid in dit verband geboden.
Opgemerkt moet worden dat de kwaliteit van de vitamine B-6 voorziening
moeüijk is te beoordelen. Problemen hierbij zijn met name de onderbouwing
van het niveau van de aanbevolen hoeveelheden, de analyse van vitamine
B-6 in voedingsmiddelen en de betekenis van de (biochemische) parameters
voor de bepaling van de voedingstoestand (Voedingsraad 1983,2).
        Eveneens op basis van de door deze commissie beoordeelde resultaten
van voedingsanamnestisch onderzoek lijkt de ijzervoorziening van groepen
onderzochte vrouwelijke adolescenten en vrouwelijke bejaarden in vergelij-
king met de aanbevolen hoeveelheden voor deze groepen onbevredigend te
zijn. Voorts wijzen de resultaten van biochemisch onderzoek bij adolescenten
en jonge volwassenen soms op een marginale ijzervoorziening. Van een dui-
delijk ijzergebreksanemie was echter in de gerapporteerde onderzoekingen
niet of nauwelijks s p r a k e . Ook hier is nadere aandacht gewenst. Voor de
ijzervoorziening i s , naast het ijzergehalte van de voeding, ook de totale
samenstelling van de voeding van belang. Dit in verband met de invloed
van verschillende bestanddelen van de voeding op de benutbaarheid van
ijzer uit de voeding.
        Met betrekking tot de voorziening met essentiële voedingsstoffen moet
tenslotte nog een tweetal opmerkingen worden gemaakt. Allereerst is het in
dit verband van belang nogmaals te benadrukken dat het inzicht in de
voorziening met essentiële voedingsstoffen van (de verschillende categorieën
van) de bevolking gering i s . Ook de evaluatie die werd uitgevoerd door de
Commissie Vitaminering van Levensmiddelen kon zich als gevolg van de b e -
perkt beschikbare gegevens niet verder uitstrekken dan tot acht essentiële
voedingsstoffen. Dit betekent dat nauwelijks informatie beschikbaar is over
bijvoorbeeld de voorziening met magnesium, koper, zink en seleen, elemen-
ten die in verband met mogelijke relaties met ziekten in de belangstelling
staan.
        Voorts moet worden opgemerkt dat uit de resultaten van voedings-
anamnestisch onderzoek blijkt dat de voorziening met vitamine A, uitgedrukt
in retinólequivalenten ruim voldoende i s . Vitamine A wordt op grond van
een wettelijke regeling aan margarine, halvarine en de meeste bak- en
braadprodukten toegevoegd. Nader zal moeten worden bezien of deze t o e -
voeging in het kader van de vitamine A voorziening nodig i s . Dit geldt ook
voor de aanwezigheid van vitamine A in vitamine A/D p r e p a r a t e n voor zui-
gelingen.
3 . 3 . 2 . De voorziening met vocht.
        In het rapport De waterhuishouding van de mens is door de Raad in
het verleden de behoefte aan vocht voor verschillende leeftijdsgroepen aan-
gegeven (Voedingsraad 1968). In het algemeen blijkt de spontane vochtopne-
ming voldoende om in de behoefte aan vocht te voorzien. De vochtbalans bij
oudere mensen vraagt echter in individuele situaties wel extra aandacht
omdat deze als gevolg van een onvoldoende spontane vochtopneming negatief
kan worden. Hierdoor ontstaat gevaar voor uitdroging en een ongewenste
                                         -18-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>belasting van de nierfunctie. Een andere groep waarvoor de voorziening met
vocht extra aandacht vraagt zijn de zuigelingen. Stoornissen in de water-
huishouding, bijvoorbeeld door braken en diarree, leiden bij deze groep
eerder tot afwijkingen dan bij oudere kinderen en bij volwassenen. De
kwetsbaarheid van het kind in dit verband is het grootst kort na de
geboorte.
        In het kader van de vochtvoorziening wordt tenslotte gewezen op de
gevaren die voor de gezondheid kunnen ontstaan door het gebruik van wa-
t e r o n t h a r d e r s door particulieren (Gezondheidsraad 1975, Ministerie van
Volksgezondheid en Milieuhygiëne 1982).
3.4.          Voeding in relatie tot ziekten/aandoeningen.
        Bij het aangeven van de gewenste voeding zal ook rekening moeten wor-
den gehouden met factoren in de voeding die in verband worden gebracht
met het ontstaan en voorkomen van ziekten en aandoeningen. In de volgen-
de paragrafen zal een samenvatting worden gegeven van de conclusies van
de adviezen, die in dit verband door de Voedingsraad en de Gezondheids-
raad zijn uitgebracht (zie § 3 . 1 . ) .
3 . 4 . 1 . Voeding en tandcariës.
        Caries is één van de meest voorkomende aandoeningen in Nederland.
Voor een uitvoerig overzicht van het vóórkomen van caries in Nederland
wordt verwezen naar het advies inzake bestrijding tandbederf (Gezondheids-
raad 1984,1). In dit advies wordt een voldoende voorziening met fluoride
als de meest effectieve cariësremmende maatregel aangegeven. De weerstand
tegen caries wordt zowel in de p r e - als post-eruptieve fase door fluoride
positief beïnvloed. De hoeveelheid fluoride in het in Nederland beschikbare
voedingsmiddelenpakket is in dit verband onvoldoende, zodat extra fluori-
devoorziening voor alle leeftijdsgroepen wordt aanbevolen.
        Voor een goede ontwikkeling van zowel het melkgebit als het blijvend
gebit, is een gevarieerde voeding met voldoende vitamines, mineralen en
spoorelementen van belang. De latere vatbaarheid voor caries lijkt tijdens
de pre-eruptieve fase alleen te worden beïnvloed door de mate van voorzie-
ning met fluoride. De invloed van factoren in de voeding tijdens de p r e -
eruptieve fase is gering in vergelijking met de invloed die deze factoren (in
gunstige of ongunstige zin) gedurende de gehele post-eruptieve fase uit-
oefenen.
        In het advies Voeding en tandcariës (Voedingsraad 1982,1) wordt ge-
steld dat een groot aantal eet- en drinkmomenten per dag vrijwel zeker de
belangrijkste bijdrage levert aan het ontstaan van caries. Dit geldt in het
bijzonder voor voedingsmiddelen die veel gemakkelijk vergistbare suikers
(glucose, fructose, Sacharose) bevatten. Voorts is hierbij de verblijfsduur
in de mond van belang die afhankelijk is van de consistentie en de wijze
van gebruik van de voedingsmiddelen. De gemakkelijk vergistbare mono- en
disachariden uit de voeding vormen de belangrijkste energiebron voor de
bacteriën in de tandplaque. Uit deze suikers worden door deze bacteriën
zuren gevormd die de demineralisatie van het gebit bevorderen. In het ad-
vies wordt geconcludeerd dat vooral het verminderen van de frequentie van
het gebruik van voedingsmiddelen die gemakkelijk vergistbare suikers
bevatten naast een voldoende voorziening met fluoride belangrijke factoren
zijn bij de preventie van tandcariës.
                                              -19-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>3 . 4 . 2 . Voeding in relatie tot coronaire hartziekten.
        De belangrijkste doodsoorzaak in Nederland (45% van de totale sterfte
(CBS 1984,1)) zijn de ziekten van de organen van de bloedsomloop. De
ischemische hartziekten waartoe de coronaire hartziekten worden gerekend
vormen de belangrijkste categorie ziekten van de bloedsomloop. Van de t o -
tale sterfte bij mannen kwam in 1982 ongeveer 24% voor rekening van ische-
mische hartziekten. Voor vrouwen bedroeg dit percentage 19%.
        In het rapport Voeding in relatie tot coronaire hartziekten (Voedings-
raad 1982,2) zijn de h a r t - en vaatziekten beperkt tot de coronaire hartziek-
ten en wel met name die waaraan athérosclérose van de coronair arteriën
ten grondslag ligt. Centraal in het rapport staat de betekenis van de voe-
ding als één van de omgevingsfactoren, die het atherosclerotische proces
kan beïnvloeden. Met name is aandacht besteed aan drie risico-indicatoren
voor het ontstaan van coronaire hartziekten en wel hyperlipidemie (vooral
hypercholesterolemie), hypertensie en permanente hyperglykemie. Met b e -
trekking tot overgewicht als gevolg van een te hoog percentage lichaamsvet
wordt in het rapport gesteld, dat het niet duidelijk is of een dergelijk
overgewicht een afhankelijke dan wel een onafhankelijke risico-indicator is
voor het ontstaan van coronaire hartziekten. Er zijn wel aanwijzingen die
erop duiden dat de mate van overgewicht invloed heeft op een aantal
risico-indicatoren voor het ontstaan van coronaire hartziekten zoals het
bloedlipidenniveau, de hoogte van de bloeddruk en het bloedsuikergehalte.
        In onderzoek is een relatie vastgesteld tussen de hoeveelheid en de
aard van de vetten in de voeding enerzijds en het serumcholesterolgehalte,
het atherosclerotische proces, de arteriële tromboseneiging anderzijds en
hierdoor de kans op het ontstaan van coronaire hartziekten. Op basis hier-
van wordt een wijziging in de vetconsumptie van de bevolking gewenst g e -
acht. Geconcludeerd wordt dat een voeding waarin 30-35% van de energie
wordt geleverd door vet en waarin een verhouding tussen meervoudig on-
verzadigde vetzuren (met name linolzuur) en verzadigde vetzuren (met name
die met 12-16 koolstof atomen) in de orde van 1:2 à 1:1 b e s t a a t , tot een
gunstiger situatie ten aanzien van de vetstofwisseling in relatie tot het r i -
sico voor het ontstaan van coronaire hartziekten zal leiden dan thans het
geval i s .
        Met betrekking tot de koolhydraten in de voeding wordt een beperking
van de hoeveelheid glucose en Sacharose gewenst geacht in verband met de
hyperlipidemische, hyperglykemische en insulinemische effecten van deze
s u i k e r s . Substitutie van glucose en Sacharose in de voeding door fructose
is in verband met de kans op hyperlipidemische effecten evenzeer onge-
wenst. De grootte van het effect van deze suikers op genoemde parameters
hangt af van de snelheid waarmee deze suikers in het bloed worden opgeno-
men en daarmee van de wijze waarop deze in het voedsel voorkomen.
        Ten aanzien van de hoeveelheid cholesterol in de voeding wordt in het
rapport geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn die een zekere
voorzichtigheid rechtvaardigen. Het huidige gemiddelde niveau van choles-
terol in de voeding in Nederland van 33 mg/MJ, zou als aanvaardbare b o -
vengrens voor de individuele consumptie gehandhaafd kunnen blijven.
        Met betrekking tot de voorziening in de behoefte aan eiwit, vitamines
en mineralen wordt in het rapport gesteld dat de huidige kennis met
betrekking tot de relatie voeding en het ontstaan van coronaire hartziekten
geen aanleiding geeft de huidige aanbevolen hoeveelheden te wijzigen. Voor
voedingsvezel zijn de beschikbare gegevens niet voldoende om in het kader
van de preventie van coronaire hartziekten een optimale hoeveelheid in de
voeding af te leiden. Wel wordt in het rapport opgemerkt dat met b e t r e k -
                                          -20-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>king tot bijvoorbeeld de darmfuncties in het algemeen van een hogere inne-
ming dan thans het geval is een nuttig effect verwacht kan worden. Voorts
wordt vastgesteld dat voedingsvezel een belangrijke modificerende factor
kan zijn van enkele risico-indicatoren voor het ontstaan van coronaire
hartziekten zoals de glykemische en insulinemische reactie op het gebruik
van mono- en disachariden.
       Met betrekking tot de alcoholconsumptie wordt in het rapport tenslotte
gesteld dat uit epidemiologisch onderzoek aanwijzingen naar voren zijn geko-
men die erop duiden, dat matig alcoholgebruik (1-3 glazen alcoholische
d r a n k per dag) beschermend zou werken ten aanzien van het ontstaan van
coronaire hartziekten. Voor deze aanwijzingen is echter nog geen bevesti-
ging te vinden door het ontbreken van daarop gericht experimenteel onder-
zoek. Het wordt daarom niet verantwoord geacht in het kader van de p r e -
ventie van coronaire hartziekten een conclusie aan genoemde aanwijzingen te
verbinden. De problematiek rond alcoholgebruik met betrekking tot de pa-
thologie, betreft volgens het rapport met name overmatig alcoholgebruik in
relatie tot aandoeningen van de lever, cardiomyopathie, neuropathieën e . d .
3.4.3.. Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker.
       De sterfte als gevolg van kanker in Nederland bedroeg in 1983 ca.
32.000 personen. Dit betrof 27% van de totale sterfte (CBS 1984,1).
       In het rapport Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker
(Voedingsraad 1986,1) wordt ingegaan op de betekenis van de voeding als
één van de omgevingsfactoren die het ontstaan van kanker kan beïnvloeden.
Het rapport beperkt zich hierbij tot die vormen van kanker waarvan een
relatie met factoren in de voeding wordt vermoed en die in Nederland
belangrijk zijn als doodsoorzaak.
       In het rapport wordt geconcludeerd dat het op dit moment nauwelijks
mogelijk is om op basis van de beschikbare resultaten van onderzoek naar
de relatie tussen factoren in de voeding en het ontstaan van kanker met
een verantwoorde zekerheid conclusies te formuleren. Het wordt slechts
verantwoord geacht conclusies te formuleren die niet verder gaan dan het
aangeven van mogelijke bestaande verbanden tussen factoren in de voeding
en het ontstaan van kanker in kwalitatieve zin. Wel lijkt het, uitgaande van
de bekende twee-fasen theorie, vrij zeker dat de rol van de voeding met
name een promoverende i s , en veel minder een initiërende.
       Uit de resiütaten van het onderzoek naar de relatie tussen de hoeveel-
heid vet in de voeding en het ontstaan van kanker komt een positief v e r -
band naar voren tussen de hoeveelheid vet in de voeding en het ontstaan
van b o r s t - en colonkanker en mogelijk ook met het ontstaan van prostaat-
en pancreaskanker. Ten aanzien van de betekenis van de aard van het vet
in de voeding zijn de gegevens onvoldoende om een conclusie op te kunnen
b a s e r e n . Op basis van de huidige kennis wordt een aanzienlijke beperking
van de huidige vetconsumptie gewenst geacht. Hoewel er op basis van r e -
sultaten van onderzoek geen optimaal niveau van de vetconsumptie kan wor-
den aangegeven, stelt de commissie een beperking van deze consumptie voor
tot 30% van de energetische waarde van de voeding.
       Voorts is (overmatig) alcoholgebruik een belangrijke determinant geble-
ken van mond-, keel- en slokdarmkanker. Een beperking van de alcohol-
consumptie wordt daarom aanbevolen.
       Ten aanzien van een laag energetisch niveau van de voeding en een
hoog gehalte aan voedingsvezel in de voeding zijn wel aanwijzingen gevon-
den die aangeven dat hiervan een beschermend effect met betrekking tot
                                         -21-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>het ontstaan van kanker uitgaat, maar de aanwijzingen zijn niet zodanig dat
een conclusie over de relatie tussen deze factoren en het ontstaan van kan-
ker kan worden getrokken.
        Ten aanzien van een mogelijke relatie tussen de hoeveelheid keukenzout
in de voeding en het ontstaan van maagkanker, worden de beschikbare r e -
sultaten van onderzoek onvoldoende geacht om op basis hiervan een aanbe-
veling ten aanzien van het keukenzoutgebruik te geven.
        Uit de resultaten van onderzoek naar de relatie t u s s e n de hoeveelheid
microvoedingsstoffen in de voeding en het ontstaan van kanker blijkt dat
ten aanzien van vitamine A, b i t a - c a r o t e e n , vitamine C, vitamine E en seleen
er meer of minder sterke aanwijzingen zijn dat deze voedingsstoffen een b e -
schermend effect hebben met betrekking tot de ontwikkeling van bepaalde
vormen van kanker.
        Voorts wordt in het rapport ingegaan op een aantal van nature in voe-
dingsmiddelen voorkomende carcinogene en anti-carcinogene verbindingen
die in onderzoek zijn aangetoond. Van onder andere indolen, die voorkomen
in groenten zoals kool, is vastgesteld dat zij mogelijk de ontwikkeling van
tumoren remmen.
        In het rapport wordt op grond van het voorgaande gesteld, dat het
aanbeveling verdient om binnen een gevarieerde keuze van voedingsmiddelen
een ruime plaats te geven aan groenten, fruit en g r a a n p r o d u k t e n .
        Verder wordt in het rapport geconcludeerd, dat een hoge opneming van
nitraat en nitriet een bijdrage zou kunnen leveren aan het ontstaan van
maagkanker. Ook wordt erop gewezen dat recent een aantal sterk mutagene
verbindingen is aangetoond in pyrolyseprodukten van voedingsmiddelen.
Van een aantal van deze stoffen is vastgesteld, dat zij kankerverwekkend
zijn, zij het in relatief hoge doseringen. In het rapport wordt aanbevolen
de consumptie van aangebrande delen van voedingsmiddelen te vermijden.
        Van de mogelijke bijdrage van additieven en verontreinigingen aan het
ontstaan van kanker wordt tenslotte in het rapport geconcludeerd, dat deze
op dit moment niet groot lijkt te zijn. Zo er enig risico bestaat betreft dit
met name de groep verontreinigingen (zie ook § 3 . 2 . ) . Wat het beleid ten
aanzien van de toelating van additieven betreft wordt thans uitgegaan van
een positieve lijst, dat wil zeggen verbindingen die niet op deze lijst voor-
komen mogen niet aan voedingsmiddelen worden toegevoegd. Mogelijk carci-
nogene verbindingen mogen niet als additief worden toegepast.
3 . 4 . 4 . De betekenis van de voeding voor het ontstaan van diabetes melli-
            tus.
        Uit de resultaten van een enquête van het Centraal Bureau voor de
Statistiek in de periode 1981-1983 blijkt dat van de bevolking van 16 jaar
en ouder in Nederland 2,3% van de ondervraagden voor diabetes onder b e -
handeling van een specialist was. Voorts bleek dat de incidentie van diabe-
tes toeneemt van 0,4% in de leeftijdsgroep jonger dan 19 jaar tot ruim 5% in
de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder (CBS 1984,2).
        In het rapport De betekenis van de voeding voor het ontstaan van dia-
betes mellitus (Voedingsraad 1985,1) wordt aangegeven dat met betrekking
tot diabetes mellitus onderscheid moet worden gemaakt tussen twee t y p e n ,
namelijk de insuline-afhankelijke diabetes (type I) en de insuline-onafhanke-
lijke diabetes (type I I ) . Type I omvat in de Westerse wereld ca. 20% van de
diabetespatiënten, type II ca. 80%. Type I diabetes wordt voornamelijk b e -
paald door endogene factoren terwijl bij het ontstaan van type II diabetes
met name exogene factoren een rol lijken te spelen. Een strikte scheiding
tussen beide typen is echter niet altijd mogelijk.
                                            -22-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>        In het rapport wordt voorts gesteld dat volgens de huidige inzichten
het in overmaat of in onvoldoende mate aanwezig zijn van bepaalde b e -
standdelen in de voeding geen aanleiding geeft tot het ontstaan van diabe-
tes mellitus.
        Overgewicht bevordert op oudere leeftijd het manifest worden van dia-
betes bij daarvoor genetisch gepredisponeerde individuen. Dit betekent dat
in het kader van de preventie van diabetes het voorkomen van overgewicht
dan wel het bereiken van een gewenst lichaamsgewicht van groot belang i s .
        Voor het belang van de voeding in het kader van permanente hyper-
glykemie (een kenmerk van diabetes mellitus) als risico-indicator voor het
ontstaan van coronaire hartziekten, wordt verwezen naar §3.4.2.
3 . 4 . 5 . Hypertensie.
        Hypertensie is een risico-indicator voor cerebrovasculaire accidenten,
decompensatio cordis, nierinsufficiëntie en coronaire hartziekten.
        De in onderzoek waargenomen prevalentie van hoge bloeddruk (diasto-
lische bloeddruk >95 en/of systolische >160 mm Hg) bij volwassenen in Ne-
derland varieerde in de periode 1973-1979 van ca. 15-25% (Boot 1979).
        In het advies van de Gezondheidsraad inzake hypertensie worden o.a.
het keukenzout (natrium)-gehalte van de voeding en de mate van overge-
wicht als risico-indicatoren voor het ontstaan van hoge bloeddruk genoemd
(Gezondheidsraad 1983).
        De conclusie van de Commissie Hypertensie van de Gezondheidsraad ten
aanzien van de preventie van hypertensie komt op het volgende neer. In de
eerste plaats wordt het handhaven of bereiken van een "gewenst" lichaams-
gewicht nodig geacht. Voorts moet het voorkomen van overmatig alco-
holgebruik naar alle waarschijnlijkheid als gewenst worden gezien. Ten aan-
zien van keukenzout(natrium)gehalte van de voeding wordt geconcludeerd
dat een vermindering van de consumptie ervan mogelijk een gunstige in-
vloed zal kunnen hebben op het gemiddelde bloeddrukniveau van de bevol-
king. Hierbij wordt erop gewezen dat niet met zekerheid is aan te geven of
een vermindering van het gebruik van keukenzout (natrium) in Nederland
inderdaad een vermindering van ziekte en sterfte als gevolg van hyperten-
sie tot gevolg zal hebben.
3.4.6. Adipositas.
        Overgewicht komt in Nederland frequent voor. In het advies van de
Gezondheidsraad inzake adipositas wordt gesteld dat de prevalentie van
adipositas (dit is een lichaamsgewicht behorend bij een Quetelet-Index (QI)
> 30 (Ql = gewicht (kg )/lengte2(m) ) , in Nederland onder mannen jonger dan
30 jaar 0-8% en onder mannen van 30-50 jaar 2-9% b e d r a a g t . Voor vrouwen
zijn deze percentages respectievelijk 2 à 3 en 4-8% (Gezondheidsraad
1984,2). Adipositas bestaat wanneer er sprake is van een bepaalde mate van
overgewicht als gevolg van een teveel aan lichaamsvet. Naast leeftijd en ge-
slacht zijn onder andere erfelijke factoren, voedselconsumptie, lichamelijke
activiteit, hormonale en neurale factoren van invloed op de lichaamssamen-
stelling.
        Overgewicht is het resultaat van een positieve energiebalans. Uit de
brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen blijkt, dat de energetische
waarde van het voedsel die gemiddeld per persoon per dag voor consumptie
beschikbaar is de laatste decennia in Nederland een stijging vertoonde.
Daarnaast is de gemiddelde lichamelijke activiteit naar alle waarschijnlijkheid
                                        -23-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>afgenomen. De laatste jaren lijkt de energetische waarde van de voeding
zich echter te stabiliseren.
      De behoefte aan energie is scherp te omschrijven en wel als de hoeveel-
heid nodig voor het handhaven van het (verantwoord) lichaamsgewicht en
 (tijdens de groeifase) voor de normale groei. Ieder individu heeft in dit
opzicht een eigen specifieke behoefte afhankelijk van constitutie, leeftijd,
geslacht en mate van lichamelijke activiteit. Voor de bepaling van de b e -
hoefte wordt verwezen naar de aanbevelingen van de Commissie Voedingsnor-
men van de Raad (Voedingsraad, 1983,1). De energiebehoefte van een indi-
vidu wordt hierbij benaderd door de gemiddelde gebruikelijke energiebehoef-
te voor de ruststofwisseling te vermeerderen met de gemiddelde e n e r g i e b e -
hoefte voor lichamelijke activiteit. De ruststofwisseling is onder andere
afhankelijk van leeftijd en lichaamssamenstelling. Zo is bijvoorbeeld de r u s t -
stofwisseling van de man als gevolg van een gemiddeld lager percentage li-
chaamsvet hoger dan die van de vrouw.
      In het advies inzake adipositas (Gezondheidsraad 1984,2) wordt gecon-
cludeerd dat door het ontbreken van een direct verband tussen het vóór-
komen van overgewicht en het optreden van ziekte en sterfte, overgewicht
niet als een onafhankelijke risico-indicator kan worden beschouwd, met
uitzondering van de situatie waarin sprake is van extreem overgewicht (QI
> 30). Dit geldt ook voor extreem ondergewicht. Bij QI > 30 neemt het
sterfterisico toe met toenemend overgewicht. Dit geldt met name voor vol-
wassenen jonger dan ca. 50 jaar. Boven 50 à 60 jarige leeftijd heeft duide-
lijk overgewicht weinig invloed op het sterf terisico. In hoeverre er bij een
QI tussen 25 en 30 sprake is van een verhoogd sterfterisico is volgens het
advies onduidelijk.
      Wel wordt in dit advies en ook in het rapport Voeding in relatie tot
coronaire hartziekten van de Voedingsraad aangegeven dat de mate van
overgewicht invloed heeft op bepaalde risico-indicatoren van h a r t - en v a a t -
ziekten, zoals de hoogte van de bloeddruk, het niveau van de bloedlipiden
en de suikerstofwisseling (Voedingsraad 1982,2).
      Voorts neemt bij toenemend percentage lichaamsvet bijvoorbeeld het r i -
sico op het ontstaan van jicht, galstenen en menstruatiestoornissen in g e -
ringe mate toe. Gewichtsvermindering zal in deze situaties zeer waarschijn-
lijk tot vermindering van risico leiden.
      Uit het advies inzake adipositas van de Gezondheidsraad blijkt dat het
slechts in beperkte mate mogelijk is grenzen voor een normaal lichaams-
gewicht aan te geven. Een normaal lichaamsgewicht wordt in dit advies g e -
definieerd als het lichaamsgewicht waarbij de sterftekans als gevolg van een
afwijkend gewicht minimaal is. Bij mannen jonger dan 50 jaar zou globaal
van een normaal lichaamsgewicht gesproken kunnen worden bij een QI t u s -
sen ca. 23 en 27. Voor vrouwen is een dergelijk traject op basis van de b e -
schikbare informatie niet vast te stellen.
      De Voedingsraad adviseert in het algemeen voor mannen en vrouwen de
volgende grenzen te hanteren (zie ook bijlage 3):
    20 ^ QI < 25: als het normale gebied,
    25 ^ QI < 30: overgewicht dat, indien het samengaat met andere risico-
                  indicatoren, medische controle behoeft.
         QI > 30: overgewicht dat op zich een risico-indicator i s . Bij
                  QI > 40 kan dit zelfs als pathologisch worden aangemerkt
                  waarbij medische controle noodzakelijk i s .
                                       -24-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>4.          De gewenste voeding in Nederland.
4.1.        Inleiding.
       De Raad acht op basis van een toetsing van de huidige voeding aan de
in hoofdstuk 3 gerefereerde adviezen/rapporten, een wijziging van de ge-
middelde voeding in Nederland gewenst. In §4.2. en §4.3. zal hierop nader
worden ingegaan. Hierbij zal met name de gewenste voedingsstoffensamen-
stelling van de voeding van de Nederlandse bevolking centraal staan. Met
betrekking tot de toxicologische aspecten van de voeding merkt de Raad op
d a t , bij een beleid van de overheid op basis van het advies Voedseladditie-
v e n - en verontreinigingen; toxicologische en technologische richtlijnen de
toepassing van additieven en de aanwezigheid van verontreinigingen binnen
zodanige grenzen kunnen worden gehouden, dat het beschikbare voedsel
geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruiker. Ten aanzien van de
bewaking van het voedsel in dit opzicht wijst de Raad op de program-
ma's/onderzoekingen zoals die in §3.2. zijn vermeld.
       De Raad is van mening dat aan de huidige praktijk van het gebruik van
additieven geen onaanvaardbare risico's zijn verbonden. Wel blijft dit t e r -
rein om voortdurende aandacht vragen. De toxicologische risico's verbonden
aan het gebruik van additieven worden ingeschat op grond van de beschik-
b a r e wetenschappelijke kennis. Dit maakt een voortdurende toetsing van het
beleid aan de stand van de wetenschap noodzakelijk. Bijstelling van het b e -
leid op grond van hetgeen wetenschappelijk bekend wordt moet snel kunnen
worden gerealiseerd. Tegen deze achtergrond wordt in het advies Voedsel-
additieven en -verontreinigingen; toxicologische en technologische richt-
lijnen van de Raad geadviseerd het beperken c.q. terugdringen van het ge-
bruik van additieven en met name het voorkomen van verontreinigingen in
het voedsel uitgangspunt van het beleid te laten zijn. Aspecten die in dit
kader om extra aandacht vragen zijn:
* De toepassing van stoffen die onvoldoende zijn onderzocht en die gezien
   de chemische s t r u c t u u r en de fysiologische werking ervan verdacht kun-
   nen worden een effect op het organisme uit te oefenen (bijvoorbeeld dier-
   geneesmiddelen) .
* De aanwezigheid van nitraat. Gezien de relatief grote belasting is het
   gewenst, de hoeveelheid nitraat in voedingsmiddelen en drinkwater terug
   te dringen.
* Het vóórkomen van müieuverontreinigende stoffen zoals enkele zware me-
   talen (lood, cadmium), polychloorbifenylen en polycyclische aromatische
   koolwaterstoffen. Op grond van gegevens over de toxische werking en de
   belasting van het voedingsmiddelenpakket met deze stoffen, zal de over-
   heid prioriteit moeten geven aan het terugdringen van dit type verontrei-
   nigingen in het müieu.
* Het vóórkomen van toxische verbindingen in voedingsmiddelen als gevolg
   van besmetting van grondstoffen met schimmels (de zogenaamde mycotoxi-
   n e n ) . Hiervoor geldt hetzelfde als hetgeen werd gesteld voor de müieu-
   verontreinigende stoffen.
* Bestanddelen in de voeding die overgevoeligheidsreacties veroorzaken.
   Deze overgevoeligheid is vaak specifiek en s t e r k individueel bepaald.
   Voor de consument is daarom een goed herkenbare vermelding van b e -
    standdelen in voedingsmiddelen, waarvan bekend is dat daarvoor over-
    gevoeligheidsreacties bestaan van groot belang. Met betrekking tot ad-
   ditieven verwijst de Raad in dit verband naar het advies Voedseladditie-
   ven en -verontreinigingen; toxicologische en technologische richtlijnen
   waarin wordt aanbevolen om van elk additief in plaats van de groepsnaam,
   de specifieke naam of de vastgestelde EG-codering (E-nummer) op de
* verpakking van voedingsmiddelen te vermelden.
                                            -25-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>        Voorts blijft de verontreiniging van voedsel met ziekteverwekkende mi-
cro-organismen om voortdurende aandacht v r a g e n . Deze aandacht moet zich
met name richten op die plaatsen waar voedsel voor directe consumptie
wordt bereid, zoals in de huishouding, verzorgende instellingen en de h o r e -
ca. Hierbij is de hygiënische bereiding en juiste bewaring van voedingsmid-
delen van het grootste belang. Bij de produktie van voedingsmiddelen is in
het kader van de hygiëne van voedingsmiddelen in het algemeen een goede
begeleiding van de produktieketen essentieel en wel in het bijzonder
wanneer er sprake is van produkten van dierlijke oorsprong die zonder
v e r d e r e (hitte)behandeling worden geconsumeerd. Hiervoor is onder andere
kennis van de wijze waarop de besmetting met micro-organismen kan
plaatsvinden noodzakelijk.
4.2.         Gewenste wijzigingen van de voeding in termen van     voedingsstof-
             fen.
4 . 2 . 1 . De energetische waarde van de voeding.
        De prevalentie van adipositas in Nederland geeft aan dat het voor een
deel van de bevolking gewenst is de energetische waarde van de voeding
zoals die thans wordt gebruikt te verminderen en/of de lichamelijke acti-
viteit en daarmee het energieverbruik te verhogen. De verhouding t u s s e n
de hoeveelheid energie die met de voeding wordt opgenomen en de energie
die door het lichaam wordt verbruikt zou zodanig moeten zijn dat een li-
chaamsgewicht wordt bereikt/gehandhaafd dat behoort bij een Quetelet-In-
dex die ligt tussen 20 en 25 (zie bijlage 3 ) . Dit mede in verband met de
preventie van coronaire hartziekten, diabetes mellitus en hypertensie.
4 . 2 . 2 . Eiwit.
        De huidige hoeveelheid eiwit in de voeding levert tussen 10 en 15% van
de energetische waarde van de voeding en is ruim voldoende. De Raad is
van mening dat een wijziging van het huidige niveau van de eiwitconsumptie
niet noodzakelijk is omdat op grond van de beschikbare kennis geen schade-
lijke gevolgen zijn te verwachten van dit consumptieniveau. Ook de aard
van het eiwit (de verhouding plantaardig/dierlijk) behoeft bij het huidige
consumptieniveau terwüle van een adequate eiwitvoorziening niet te worden
gewijzigd. Indien echter de in de volgende paragrafen aangegeven gewenste
wijzigingen van de voeding worden gerealiseerd zal de verhouding dier-
lijk/plantaardig eiwit in vergelijking met de verhouding in de huidige voe-
ding verschuiven naar plantaardig.
4 . 2 . 3 . Vetten en v e t z u r e n .
        Op basis van de relatie tussen de hoeveelheid en de aard van de vetten
in de voeding en de kans op het ontstaan van coronaire hartziekten, wordt
het gewenst geacht dat de huidige gemiddelde vetconsumptie daalt tot
30-35% van de energetische waarde van de voeding. Voorts zou de v e r h o u -
ding tussen meervoudig onverzadigde vetzuren (met name linolzuur) en v e r -
zadigde vetzuren (met name die met 12-16 koolstof atomen) hierbij moeten
verschuiven naar 1:2 à 1:1. Er zijn tevens aanwijzingen dat van een a a n -
zienlijke daling van de totale vetconsumptie een preventieve werking zal
uitgaan op het ontstaan van bepaalde vormen van kanker en wel met name
van colon- en b o r s t k a n k e r .
                                         -26-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>        De gewenste wijziging in het niveau en de aard van de vetconsumptie
kan worden bereikt door de huidige gemiddelde consumptie van verzadigd
vet te verminderen van ca. 17% tot ca. 10% van de energetische waarde van
de voeding, terwijl het gebruik van linolzuur enigszins zou moeten toenemen
om een verhouding tussen meervoudig onverzadigde vetzuren en verzadigde
vetzuren van 1:2 à 1:1 te bereiken.
4 . 2 . 4 . Cholesterol.
        Op basis van de relatie tussen het cholesterolgehalte in de voeding en
het serumcholesterolgehalte als risico-indicator voor het ontstaan van coro-
naire hartziekten moet worden aangedrongen op een matiging van de choles-
terolconsumptie. De individuele consumptie zou het huidige gemiddelde con-
sumptieniveau van 33 mg/MJ niet te boven mogen gaan.
4 . 2 . 5 . Koolhydraten.
        De aanbeveling om de hoeveelheid vet in de voeding te beperken tot
gemiddeld 30-35% van de energetische waarde van de voeding en het feit,
dat de hoeveelheid eiwit op het huidige niveau gehandhaafd kan blijven,
hebben tot gevolg dat de gemiddelde koolhydraatconsumptie ca. 55% van de
energetische waarde van de voeding moet gaan bedragen. De koolhydraat-
consumptie bedraagt op dit moment gemiddeld slechts ongeveer 45% van de
energetische waarde van de voeding. Dit betekent dat de gemiddelde kool-
hydraatconsumptie met ongeveer 25% zal moeten toenemen. Deze toeneming
zal moeten worden gerealiseerd via een stijging van de hoeveelheid polysa-
chariden in de voeding. Een stijging van de gemiddelde hoeveelheid mono-
en disachariden in de voeding wordt niet wenselijk geacht. Eerder zou een
beperking daarvan moeten worden nagestreefd, met name gezien de relatie
met het ontstaan van caries. Deze beperking zou zich vooral moeten richten
op de frequentie in het gebruik van die voedingsmiddelen die veel, gemakke-
lijk v e r g i s t b a r e , mono- en disachariden bevatten en die met name tussen de
maaltijden door worden gebruikt (zoals suiker, snoep, frisdranken, koek en
gebak, e . d . ) . Een beperking in het gebruik van dergelijke voedingsmidde-
len, die in het algemeen ook een hoge energiedichtheid bezitten en arm zijn
aan essentiële voedingsstoffen, zal ook een bijdrage kunnen leveren aan de
voor een deel van de bevolking gewenste vermindering van de energetische
waarde van de voeding.
        Het is op basis van de huidige kennis niet mogelijk een optimaal niveau
van de hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding aan te geven. De
Raad acht een consumptieniveau van mono- en disachariden dat ligt tussen
15-25 en% het meest verantwoord. De bovengrens van 25 en% komt overeen
met het huidige gemiddelde consumptieniveau en de ondergrens van 15 en%
met de gemiddelde hoeveelheid mono- en disachariden, die van nature in de
voeding aanwezig i s .
        Van een gemiddeld hogere opneming van voedingsvezel dan thans het
geval is, wordt in het algemeen een gunstig effect verwacht op een aantal
darmfuncties, waardoor diverticulose, obstipatie e . d . worden tegengegaan/
voorkomen. Voorts lijkt de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid voe-
dingsvezel in de voeding onder andere op basis van de in §3.4.2. vermelde
positieve modificerende invloed van voedingsvezel op sommige risico-indica-
toren voor coronaire hartziekten en diabetes van belang. Het inzicht in de
dosis/effectrelatie tussen de hoeveelheid voedingsvezel en de in hoofdstuk 3
                                                -27-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>vermelde fysiologische processen waarbij voedingsvezel een rol speelt, is
b e p e r k t . Dit moet gedeeltelijk worden toegeschreven aan de van elkaar af-
wijkende eigenschappen van de verschillende componenten van voedingsvezel
zoals (hemi)cellulose, lignine en pectine, en het ontbreken van een goede
analysemethode. Door het ontbreken van voldoende inzicht in de dosis/ef-
fectrelatie is het niet mogelijk een optimale hoeveelheid voor voedingsvezel
en voor de afzonderlijke componenten in de voeding aan te geven. Wel
meent de Raad dat op basis van de beschikbare informatie gesteld kan wor-
den dat de huidige hoeveelheid voedingsvezel in de voeding gemiddeld te
laag is. De na te streven hoeveelheid voedingsvezel in de voeding ligt waar-
schijnlijk eerder bij een gemiddelde hoeveelheid van ongeveer 3 g/MJ dan
bij de huidige gemiddelde hoeveelheid van ongeveer 2,4 g/MJ. Bij deze
richtlijn is ervan uitgegaan dat een hoeveelheid voedingsvezel van 3 g/MJ
via het huidige beschikbare voedingsmiddelenpakket is te realiseren en naar
verwachting geen problemen oplevert ten aanzien van de acceptatie van een
dergelijke voeding. Gebruik van grote hoeveelheden voedingsvezel ineens,
in de vorm van preparaten, wordt in normale omstandigheden ontraden, om-
dat hiervan onder andere een negatief effect zou kunnen uitgaan op de
voorziening met mineralen/spoorelementen.
4 . 2 . 6 . Alcohol.
        Hoewel er uit epidemiologisch onderzoek aanwijzingen naar voren zijn
gekomen die erop wijzen dat een matig alcoholgebruik een beschermend ef-
fect zou hebben op het ontstaan van h a r t - en vaatziekten is de Raad van
mening, dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om het gebruik van
alcohol vanuit voedingskundig oogpunt te kunnen aanbevelen.
        Het gebruik van alcohol in een mate die de lever niet voldoende snel
kan metaboliseren moet, gezien het risico voor de gezondheid, zoals l e v e r - ,
h a r t s p i e r - en zenuwafwijkingen, worden voorkomen dan wel worden t e r u g g e -
d r o n g e n . Het tegengaan van overmatig alcoholgebruik moet tevens worden
aanbevolen in het kader van de preventie van mond-, keel- en slokdarmkan-
ker en hypertensie. De Raad is van mening, dat het niveau van de alco-
holconsumptie op dit moment in veel gevallen te hoog i s . Voorts moet erop
worden gewezen dat onder bijzondere fysiologische omstandigheden (medi-
cijnengebruik, zwangerschap) alcoholgebruik moet worden ontraden (Gezond-
heidsraad 1985).
4 . 2 . 7 . Microvoedingsstoffen en vocht.
        Met uitzondering van deficiëntie- en overdoseringsverschijnselen die o p -
treden bij een duidelijk tekort respectievelijk een duidelijke overmaat aan
microvoedingsstoffen, is er slechts een beperkt inzicht in mogelijke v e r b a n -
den tussen de voorziening met vitamines en mineralen en andere aspecten
van de gezondheid.
        Op basis van de beschikbare informatie verkregen uit voedingsanamnes-
tisch onderzoek lijkt de huidige voorziening met microvoedingsstoffen tegen
de achtergrond van de aanbevolen hoeveelheden in het algemeen voldoende.
De aspecten die in dit kader extra aandacht vragen zijn:
* De voorziening met essentiële voedingsstoffen bij een lage energie-opna-
    me. Bijvoorbeeld bij de ouder wordende mens en in situaties waarin men
    bewust wü vermageren kan het voedselgebruik zo gering worden, dat de
    voorziening met essentiële voedingsstoffen onvoldoende wordt.
* De voorziening met vitamine B-6 en ijzer. De voorziening met deze voe-
    dingsstoffen kan in vergelijking met de aanbevolen hoeveelheden niet ruim
                                            -28-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    worden genoemd. Het effect van de gewenste wijzigingen in de voeding op
    de voorziening met deze voedingsstoffen zal moeten worden gevolgd.
* Voorts kan, zoals reeds werd aangegeven, niet door alle categorieën van
    de bevolking via de voeding in de behoefte aan vitamine D, jodide en
    fluoride worden voorzien. Een vitamine D profylaxe is als preventie van
    rachitis met name van belang voor het jonge kind. Voorts vraagt de
    vitamine D voorziening van sterk gepigmenteerde personen en/of personen
    die niet of nauwelijks van het zonlicht profiteren extra aandacht. Dit
    geldt eveneens voor bejaarden in verband met de remmende invloed van
    vitamine D op de botontkalking. Als gevolg van de gewenste beperking
    van de vetconsumptie zal de voorziening met vitamine D via de voeding
    kunnen dalen. In de praktijk zal moeten worden nagegaan of dit
    consequenties heeft voor de hoeveelheid vitamine D die aan margarine,
    halvarine en bak- en braadprodukten wordt toegevoegd.
    De door de Gezondheidsraad aanbevolen jodering van zout is van belang
    als strumaprofylaxe met name in gebieden in Nederland met een laag jodi-
    degehalte van het drinkwater.
    Een extra voorziening met fluoride is in het kader van de preventie van
    tandcariës vanaf de geboorte gewenst en vooral van belang voor de
    jongere leeftijdsgroepen. Voor deze extra fluoridevoorziening komen onder
    andere fluoridetabletten, fluoridehoudende t a n d p a s t a ' s , fluoride-applicatie
    of spoelen met fluoride in aanmerking. Voor volwassenen vormen fluoride-
    houdende t a n d p a s t a ' s deze extra   fluoridebron.
* Bovendien acht de Raad het gewenst de consumptie van natrium (keuken-
    zout) te beperken. De Raad is er zich hierbij van bewust dat de relatie
    tussen de hoeveelheid natrium in de voeding, het niveau van de bloed-
    d r u k en het optreden van ziekte en sterfte als gevolg van hoge bloed-
    d r u k nog niet volledig duidelijk i s . Een verminderde keukenzoutconsump-
    tie zou voorts een vertragende invloed kunnen hebben op de botontkal-
    king die optreedt op oudere leeftijd. De mate waarin een beperking zou
    moeten plaatsvinden is op dit moment niet aan te geven. Voorlopig kan
    het geschatte huidige gemiddelde consumptieniveau van ca. "3,5 g natrium
    (ca. 9 g keukenzout/dag) als aanvaardbare individuele bovengrens wor-
    den gezien. Dit betekent dat het huidige niveau van keukenzoutgebruik
    van velen als te hoog moet worden beschouwd.
* Voor een aantal voedingsstoffen zoals magnesium, koper, zink, seleen is
    de beschikbare informatie onvoldoende om een oordeel over het niveau van
    de voorziening van de bevolking te geven. In het algemeen ontbreken van
    deze voedingsstoffen consumptiegegevens omdat er onvoldoende informatie
    is over het gehalte van deze voedingsstoffen in voedingsmiddelen. Boven-
    dien is de relatie tussen genoemde voedingsstoffen en ziekte vaak niet
    (voUedig) duidelijk.
        Wat de vochtvoorziening betreft kan worden opgemerkt dat onder norma-
le omstandigheden in Nederland een tekort aan vocht kan worden uitgeslo-
t e n . De met de voeding gebruikte vochtrijke voedingsmiddelen (groenten,
aardappelen, fruit) en dranken voorzien in normale omstandigheden ruim in
de behoefte.
4.3.        Gewenste wijzigingen van de voeding in termen van voedingsmidde-
           len.
        In §4.2. werd de gewenste wijziging van de huidige gemiddelde voeding
beschreven in termen van voedingsstoffen. Deze wijziging betreft:
* Een daling van de vetconsumptie van gemiddeld ongeveer 40 en% naar een
                                              -29-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   gebruik tussen 30-35 en%. Deze daling moet met name worden gerealiseerd
   door een beperking van de hoeveelheid verzadigd v e t . Voorts moet de
   consumptie van meervoudig onverzadigde vetzuren enigszins toenemen zo-
   dat een verhouding tussen meervoudig onverzadigde vetzuren en v e r z a -
   digde vetzuren in de voeding 1:2 à 1:1 wordt b e r e i k t .
*  Een zodanig individueel gebruik van cholesterol, dat dit niet hoger is dan
   het huidige gemiddelde niveau van 33 mg/MJ.
*  Een toeneming van het gebruik van koolhydraten van gemiddeld ongeveer
   45 en% naar 55 en%. Deze toeneming zou gerealiseerd moeten worden door
   een groter gebruik van polysachariden.
*  Een beperking van met name de frequentie in het gebruik van mono- en
   disachariden. Een aanvaardbaar gebruiksniveau ligt tussen 15-25 en%.
*  Een toeneming van het gebruik van voedingsvezel van ongeveer 2,4 g/MJ
   tot ongeveer 3 g/MJ.
*  Het tegengaan van overmatig alcoholgebruik.
*  Een zodanig individueel gebruik van keukenzout, dat dit niet hoger is
   dan het huidige gemiddelde niveau van 9 g/dag.
     Tevens  werd aangegeven         dat de huidige gemiddelde hoeveelheid eiwit in
de voeding    ongewijzigd kan         blijven. Wel zal als gevolg van de gewenste
wijzigingen  in de consumptie         van vetten en koolhydraten een verschuiving
optreden in   het gebruik van        dierlijk naar plantaardig eiwit.
     In deze paragraaf zal een aantal richtlijnen worden gegeven met b e t r e k -
king tot de wijze waarop door een verandering in de voedselkeuze de gewen-
ste voeding zou kunnen worden gerealiseerd. Hierbij moet echter worden
opgemerkt dat er voor de individuele consument vele mogelijkheden zijn om
met behulp van het beschikbare voedingsmiddelenpakket de als gewenst aan-
gegeven voeding te bereiken. De Raad is er zich hierbij van bewust dat de
consument zich bij de voedselkeuze niet uitsluitend baseert op voedingskun-
dige uitgangspunten. Bij deze keuze spelen in het algemeen met name de
smakelijkheid, het bereidingsgemak, de symboolfunctie en de prijs van voe-
dingsmiddelen een rol naast gewoonten, ethische motieven e . d .
     Met betrekking tot de gewenste veranderingen in de voedselkeuze kan
een onderscheid worden gemaakt tussen veranderingen in kwantitatieve en
kwalitatieve zin. Het betreft dan een onderscheid tussen respectievelijk een
verandering in de geconsumeerde hoeveelheid van een bepaald voedingsmid-
del dan wel een verschuiving in de consumptie van voedingsmiddelen naar
voedingsmiddelen met een andere samenstelling (bijvoorbeeld van vette naar
minder vette p r o d u k t e n ) . Voorts moet erop worden gewezen dat de r i c h t -
lijnen uitgaan van de huidige gemiddelde samenstelling van de voeding in
Nederland. Het zal duidelijk zijn dat de voeding van de individuele consu-
ment vaak in meer of minder sterke mate afwijkt van deze gemiddelde
voeding. Dit betekent onder andere dat de betekenis van afzonderlijke voe-
dingsmiddelen voor de samenstelling van de voeding van de individuele con-
sument een geheel andere kan zijn dan de betekenis van deze voedingsmid-
delen voor de samenstelling van de gemiddelde voeding van de totale bevol-
king.
     Op basis van de beschikbare resultaten van voedingsanamnestische on-
derzoekingen is in bijlage 4 een overzicht gegeven van de gemiddelde p r o -
centuele bijdrage van een aantal groepen van voedingsmiddelen aan de
opneming van energie, eiwit, vetten, koolhydraten en voedingsvezel.
* Eiwit.
In hoofdstuk 3 en §4.2. is aangegeven dat met betrekking tot het huidige
                                              -30-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>niveau van de eiwitconsumptie een verandering niet noodzakelijk i s . Het
streven naar een voeding met minder vet (met name verzadigd v e t ) , minder
mono- en disachariden en meer polysachariden en voedingsvezel zal echter
wel leiden tot een voeding waarin de verhouding dierlijke/plantaardige
produkten in vergelijking met die van de huidige voeding is verschoven
naar plantaardige produkten. Het gebruik van dierlijke produkten draagt
namelijk in belangrijke mate bij aan de consumptie van verzadigd vet, t e r -
wijl via een verhoging van het gebruik van produkten van plantaardige
oorsprong een grotere consumptie van polysachariden en voedingsvezel kan
worden gerealiseerd.
* Vetten.
Uit bijlage 4 blijkt dat in de huidige voeding de belangrijkste bijdrage aan
de vetconsumptie afkomstig is van voedingsmiddelen uit de volgende p r o -
duktgroepen:
- margarine, halvarine, boter, bak- en b r a a d p r o d u k t e n , frituurvet en olie,
- vlees en vleeswaren,
- kaas, melk en melkprodukten.
De aanbevolen beperking van de vetconsumptie kan worden bereikt via v e r -
anderingen in de voedselkeuze die kwantitatief en/of kwalitatief van aard
zijn. Zo kan worden gedacht aan een beperking van de consumptie van met
name de vetrijke voedingsmiddelen uit de produktgroepen die de belangrijk-
ste bijdrage aan de vetconsumptie leveren. Daarnaast kan de gewenste wij-
ziging in kwalitatief opzicht worden gerealiseerd via een verschuiving in de
keuze binnen deze produktgroepen van voedingsmiddelen die rijk zijn aan
vet naar de voedingsmiddelen met een lager vetgehalte. De nadruk zou
hierbij met name moeten liggen op een beperking in het gebruik van voe-
dingsmiddelen met een hoog gehalte aan verzadigde v e t z u r e n . Dit om een
bijdrage te leveren aan de aanbevolen verschuiving in de verhouding tussen
meervoudig onverzadigde vetzuren en verzadigde vetzuren in de voeding.
Deze gewenste verschuiving kan bovendien worden gerealiseerd door de
voedselkeuze meer te richten op voedingsmiddelen rijk aan meervoudig on-
verzadigde vetzuren zoals v i s , noten, spijsoliën, margarines en halvarines
met een relatief hoog gehalte aan deze v e t z u r e n .
Eerder werd erop gewezen dat op individueel niveau rekening moet worden
gehouden met een consumptie van bepaalde voedingsmiddelen, die qua om-
vang duidelijk afwijkt van het gemiddelde gebruik. Voedingsmiddelen uit de
produktgroep "hartige snacks" vormen een voorbeeld van dergelijke voe-
dingsmiddelen, waarvan de consumptie op individueel niveau van belang kan
zijn voor de vetconsumptie terwijl de gemiddelde bijdrage aan de vetcon-
sumptie minder relevant is.
Een beperking van het gebruik van produkten, die rijk zijn aan vet zal met
name eveneens een bijdrage leveren aan een vermindering van de energeti-
sche waarde van de voeding.
* Cholesterol.
Het streven naar een voeding met minder vet (met name verzadigd vet) en
meer koolhydraten zal leiden tot een voeding waarin de verhouding dierlijk/
plantaardige produkten in vergelijking met de huidige voeding is verscho-
ven naar plantaardige produkten. Deze verschuiving draagt bij aan de ge-
wenste matiging in het cholesterolgebruik. Het ligt voor de hand dat bij een
beperking van het cholesterolgebruik de aandacht meestal uitgaat naar de
specifieke cholesterolrijke voedingsmiddelen. Tegen een matig gebruik van
                                      -31-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>deze voedingsmiddelen bestaat echter geen bezwaar voor zover het gebruik
niet leidt tot een individuele cholesterolconsumptie die het niveau van 33
mg/MJ te boven gaat (zie § 4 . 2 . 4 . ) .
* Koolhydraten.
Ten aanzien van de koolhydraten blijkt uit bijlage 4 dat de belangrijkste
bijdrage aan de consumptie van polysachariden in de huidige voeding wordt
geleverd door de produktgroepen:
- brood/graanprodukten,
- aardappelen.
De gewenste verhoging van de koolhydraatconsumptie zoals in § 4 . 2 . 5 . is
aangegeven, moet worden gerealiseerd via een toeneming van de consumptie
van polysachariden. Deze kan worden bereikt door een groter gebruik van
voedingsmiddelen uit genoemde produktgroepen. Ook moeten in dit verband
peulvruchten worden genoemd, waarvan de consumptie op dit moment b e -
perkt is.
Bij een toeneming van het gebruik van brood met gejodeerd broodzout zal
tevens een positieve invloed uitgaan op de jodidevoorziening.
Voedingsmiddelen uit de produktgroepen b r o o d / g r a a n p r o d u k t e n , aardappelen
en peulvruchten leveren eveneens een belangrijke bijdrage aan de consump-
tie van voedingsvezel. Voedingsvezel is voorts voor een belangrijk deel af-
komstig van groenten en fruit. Aanbevolen wordt de gewenste verhoging
van de voorziening met voedingsvezel te realiseren door een gevarieerde
keuze van voedingsmiddelen uit de produktgroepen b r o o d / g r a a n p r o d u k t e n ,
aardappelen, peulvruchten, groenten en fruit.
Een belangrijke bijdrage aan de      consumptie van mono- en disachariden in de
voeding wordt geleverd door de        produktgroepen:
- suiker,
- koek, gebak, zoete snacks en        zoet beleg,
- frisdranken, vruchtendranken        en vruchtesappen,
- melk en melkprodukten,
- fruit.
In § 4 . 2 . 5 . is aangegeven dat ter preventie van tandcariës de frequentie in
het gebruik van voedingsmiddelen die rijk zijn aan gemakkelijk v e r g i s t b a r e
mono- en disachariden en die door hun consistentie of wijze van gebruik
relatief lang in de mondholte blijven, moet worden b e p e r k t . Dit betreft
vooral voedingsmiddelen uit de produktgroepen suiker, koek, gebak, snoep,
zoet beleg en frisdranken en met name het gebruik tussen de maaltijden
door. Dit geldt in het bijzonder voor de leeftijdsgroepen tot ca. 16 jaar,
waarvoor het cariësrisico het sterkst aanwezig i s . Voorts kan de gewenste
wijziging worden gerealiseerd door te kiezen voor produkten waarin cario-
gene suikers zijn vervangen door niet-cariogene zoetstoffen.
Voedingsmiddelen uit de produktgroepen melk en melkprodukten en fruit
leveren naast (van nature aanwezige) mono- en disachariden tevens een b e -
langrijke bijdrage aan de voorziening met andere (essentiële) voedingsstof-
fen. Een beperking van het gebruik van voedingsmiddelen uit deze p r o d u k t -
groepen wordt in dit kader daarom niet gewenst geacht. Zo levert fruit
naast genoemde suikers een belangrijke bijdrage aan de voorziening met
voedingsvezel en een aantal essentiële voedingsstoffen. Melk en melkproduk-
ten leveren een belangrijke bijdrage aan de voorziening met essentiële voe-
                                           -32-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>dingsstoffen zoals calcium en riboflavine terwijl de lactose in deze produk-
ten onder normale omstandigheden geen caries veroorzaakt. Met betrekking
tot melkprodukten zou wel gekozen moeten worden voor die produkten waar-
aan geen gemakkelijk vergistbare suikers zijn toegevoegd. Frequent gebruik
tussen de maaltijden door van melkprodukten waaraan wel gemakkelijk v e r -
gistbare suikers zijn toegevoegd, moet worden afgeraden.
* Alcohol.
In §4.2.6. is aangegeven dat overmatig gebruik van alcoholische dranken
moet worden voorkomen/tegengegaan.
* Energie.
Voor een niet onbelangrijk deel van de Nederlandse bevolking is het vanuit
het oogpunt van volksgezondheid zinvol de energetische waarde van de voe-
ding te beperken c . q . de lichamelijke activiteit te verhogen, zodanig dat
een aanvaardbaar lichaamsgewicht dat behoort bij een 20 < QI < 25 (zie bij-
lage 3) kan worden bereikt/gehandhaafd. Uit bijlage 4 blijkt dat de gemid-
delde bijdrage van de belangrijkste groepen voedingsmiddelen aan de ener-
gie-opneming vrij regelmatig is verdeeld. Dit betekent dat op basis van de-
ze informatie geen produktgroepen kunnen worden aangegeven waarop de e-
nergiebeperking zich met name zou moeten richten.
Indien een aantal van de in dit hoofdstuk aangegeven gewenste wijzigingen
in de voeding wordt gerealiseerd, zal als gevolg daarvan ook een daling in
de energie-opneming kunnen worden bereikt. Deze wijzigingen betreffen:
- een beperking van de hoeveelheid vet in de voeding,
- een beperking in het gebruik van suikerrijke tussendoortjes,
- een beperking van het alcoholgebruik.
* Microvoedingsstoffen.
In het algemeen kan bij de als gewenst omschreven voeding met het b e -
schikbare voedingsmiddelenpakket in de behoefte aan essentiële voedings-
stoffen worden voldaan. Variatie in de voedselkeuze is hierbij van belang.
Voor voedingsstoffen als vitamine D, jodide en fluoride, is in het voorgaan-
de vastgesteld dat bepaalde groepen van de bevolking via het beschikbare
voedingsmiddelenpakket niet in de behoefte hieraan kunnen voorzien. Te-
vens is aangegeven op welke wijze wel een adequate voorziening met deze
voedingsstoffen kan worden b e r e i k t .
Ook vraagt de invloed van de richtlijnen op de voorziening met vitamine
B-6 en ijzer, die op dit moment niet ruim kan worden genoemd, extra aan-
d a c h t . Voor ijzer houdt de aanbeveling om minder dierlijke en meer plant-
aardige produkten te gebruiken een verschuiving in naar produkten waarin
ijzer in een minder benutbare vorm voorkomt. Bij een gelijkblijvende inne-
ming van ijzer betekent dit dat bestanddelen in de voeding die de b e n u t -
baarheid van ijzer v e r g r o t e n , zoals vitamine C (bijvoorbeeld in de vorm van
groente en fruit), extra belangrijk worden. Voor vitamine B-6 zullen de
gewenste verschuivingen in de consumptie van dierlijke naar plantaardige
produkten en van vette naar minder vette produkten naar verwachting geen
negatieve invloed hebben op de voorziening met dit vitamine.
In §4.2.7. is aangegeven dat de Raad een beperking van het natriumge-
bruik (keukenzout) wenselijk acht. In het interimadvies en het eindadvies
Vermindering gebruik keukenzout van de Raad zijn verschülende mogelijk-
heden genoemd die kunnen leiden tot een vermindering van de gemiddelde
                                             -33-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>natriumconsumptie (Voedingsraad 1982,4, 1986,3). Met betrekking tot een
verandering in de voedselkeuze/bereiding zijn dit:
- een beperking van het huishoudelijk keukenzoutgebruik,
- bij vergelijkbare voedingsmiddelen een keuze van voedingsmiddelen met
  een laag dan wel relatief laag natrium(keukenzout)gehalte.
                                     -34-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>5.          Aanbevelingen gericht op het beleid van de overheid.
        In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de wijze waarop het beleid van
de overheid een positieve bijdrage zou kunnen leveren aan het tot stand
komen van de gewenste wijzigingen in de huidige voeding. De maatregelen
die de overheid in dit verband in principe zou kunnen nemen zijn tweeledig
en wel maatregelen gericht op een beïnvloeding van de voedselvoorziening
en op een beïnvloeding van de voedselkeuze. Op een aantal van deze maat-
regelen wordt in § 5 . 1 . en §5.2. nader ingegaan, terwijl in dit verband ook
naar de Nota Voedingsbeleid (Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en
Cvütuur, 1983) wordt verwezen.
5.1.        Maatregelen gericht op de voedselvoorziening.
5 . 1 . 1 . De veüigheid van het voedsel.
        Zorg voor de veüigheid van het voedsel is één van de taken van de o-
verheid in het kader van de zorg voor een goede voedselvoorziening. Deze
zorg betreft zowel de microbiologische als de toxicologische aanvaardbaar-
heid van voedingsmiddelen. In het advies Voedseladditieven en -verontrei-
nigingen; technologische en toxicologische richtlijnen van de Raad zijn in
dit verband aanbevelingen met betrekking tot de toxicologische beoordeling,
het onderzoek, de wetgeving, de controle en de declaratie opgenomen,
waarnaar wordt verwezen. Met betrekking tot additieven wordt in het alge-
meen een restrictief beleid aanbevolen. Situaties die in het kader van de
zorg voor de veüigheid van het voedsel extra aandacht vragen zijn al in
§ 4 . 1 . aangegeven.
        Het grootste probleem met betrekking tot de veüigheid van het voedsel
yormt op dit moment de microbiologische verontreiniging. De overheid zal
via controle, onderzoek en voorlichting de hygiënische produktie van in het
bijzonder voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zonder v e r d e r e (hit-
te)behandeling worden geconsumeerd moeten bevorderen. Hiernaast zal de
bereider van voedsel via voorlichting en onderwijs moeten worden geleerd
om hygiënisch met voedsel om te gaan.
5 . 1 . 2 . De voedingsstoffensamenstelling van voedingsmiddelen.
        Naast de zorg voor de veüigheid van het voedsel zou in het beleid van
de overheid volgens de Raad meer aandacht moeten worden gegeven aan de
voedingsstoffensamenstelling van voedingsmiddelen. De overheid zou via
wettelijke maatregelen, voorlichting en opleiding moeten bevorderen dat bij
de produktie van voedingsmiddelen de voedingsstoffensamenstelling hiervan
meer wordt afgestemd op de als gewenst omschreven voeding. Zonder de
voorziening met essentiële voedingsstoffen te veronachtzamen vragen hierbij
met name de aard en de hoeveelheid van de vetten en koolhydraten, het
zout- en voedingsvezelgehalte de aandacht.
        De overheid zou in de huidige wetgeving meer ruimte moeten bieden dan
thans aanwezig i s , om het in de handel brengen van voedingsmiddelen, die
qua samenstelling goed aansluiten bij de inzichten over de gewenste voeding
te stimuleren. Dit zou onder andere kunnen worden bereikt door in bepaal-
de gevallen huidige minimum eisen ten aanzien van bestanddelen in voe-
dingsmiddelen waarvan een opneming niet zou moeten worden gestimiüeerd
t e laten vervallen. Voorts zou in overweging moeten worden genomen ten
aanzien van bepaalde voedingsstoffen waarvan de opneming zou moeten wor-
den verminderd maximum gehalten in voedingsmiddelen in de wetgeving vast
                                          -35-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>t e leggen, dan wel bestaande maxima te verlagen, zonder dat bij dergelijke
regelingen de identiteit van het betreffende produkt wordt a a n g e t a s t . Door
de Commissie Suikervervangende Stoffen in Levensmiddelen (Voedingsraad
1978) en de Commissie Vermindering Gebruik Keukenzout (Voedingsraad
1982,4, 1986,3) is hiervoor reeds gepleit met betrekking tot r e s p . het s u i -
kergehalte van frisdranken en het keukenzoutgehalte van bedrijfsmatig b e -
reide voedingsmiddelen. Voor de producent zouden in de wetgeving voldoen-
de mogelijkheden moeten worden gecreëerd om in de aanprijzing van d e r g e -
lijke voedingsmiddelen te kunnen wijzen op de positieve eigenschappen e r -
v a n . Declaratie van de voedingsstoffensamenstelling is hierbij noodzakelijk.
5.2.       Maatregelen gericht op de beïnvloeding van de voedselkeuze.
        De overheid kan via het stimuleren van onderwijs (voedingseducatie) en
voedingsvoorlichting en een verantwoord beleid met betrekking tot p r o d u k t -
informatie en de prijs van voedingsmiddelen belangrijke voorwaarden s c h e p -
pen voor het bevorderen van een meer verantwoorde voedselkeuze.
* Onderwijs.
Voeding is een complexe materie, waarin door gericht onderwijs beter in-
zicht en begrip kan worden v e r k r e g e n , met als gevolg dat produktinforma-
tie beter op haar waarde kan worden beoordeeld en de voorlichting effec-
tiever kan zijn.
Door de Raad werd in 1982 aanbevolen om in het basisonderwijs bij voor-
keur binnen het vormingsgebied "Bevordering gezond gedrag" voedings-
educatie op te nemen (Voedingsraad 1983,3). In dit advies werd voorts g e -
wezen op de gewenste invoering van voedingseducatie in het voortgezet
(basis-)onderwijs. Hiernaast zijn door de Raad enkele wensen met b e t r e k -
king tot de voedingsopleidingen op HBO/WO-niveau in Nederland a a n g e g e -
ven (Voedingsraad 1985,2).
De Raad b e t r e u r t het dat in de huidige wetgeving voor het basisonderwijs
zoals deze per augustus 1985 van kracht is geworden ten aanzien van voe-
dingseducatie geen nadere uitwerking is gegeven aan het vormingsgebied
"Bevordering gezond g e d r a g " . Hierdoor wordt aan de leerkrachten teveel
vrijheid gelaten om al dan niet aan voeding aandacht te b e s t e d e n .
Voor voedingseducatie in het onderwijs is onder andere in het kader van
activiteiten in G .V . O . - v e r b a n d (Hegger 1979, Stichting Leerplan Ontwikke-
ling 1978, 1979) en door het Voorlichtingsbureau voor de Voeding les-en
achtergrondmateriaal ontwikkeld.
* Voorlichting.
Ten aanzien van voedingsvoorlichting kan een onderscheid worden gemaakt
tussen produktgerichte voorlichting en algemeen gerichte voedingsvoorlich-
t i n g . De produktgerichte voorlichting is met name een activiteit van p r o -
ducenten en producentenorganisaties. Deze groeperingen zouden moeten
worden gestimuleerd om deze voorlichting zodanig in te richten dat deze on-
dersteunend is aan de bevordering van goede voedingsgewoonten. In het
kader van de algemeen gerichte voedingsvoorlichting wordt door het Voor-
lichtingsbureau voor de Voeding een belangrijke taak v e r v u l d . Het beleid
van dit bureau is erop gericht de adviezen van de Raad zoveel mogelijk als
uitgangspunt voor de voorlichting te hanteren. De Raad merkt hierbij op
dat de uitgangspunten van de voorlichting via de Maaltijdschijf die door dit
bureau worden gehanteerd, zich richten op de realisatie van de in dit ad-
vies als gewenst omschreven voeding. Het Voorlichtingsbureau voor de Voe-
                                               -36-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>ding beschikt over de mogelijkheden de in dit advies gegeven richtlijnen te
vertalen in meer specifieke, op speciale doelgroepen gerichte adviezen. An-
dere organisaties die in aanvulling hierop een rol van betekenis vervullen
zijn o.a. de kruisverenigingen, de Stichting Huishoudelijke Voorlichting ten
Plattelande, consumentenorganisaties en categorale organisaties zoals de
Nederlandse Hartstichting, Diabetes Vereniging Nederland en andere.
Hiernaast zou de overheid onder andere via haar voorlichtingskanalen en de
massamedia de voedingsvoorlichting en het -onderwijs zoveel mogelijk moeten
ondersteunen.
De Raad wijst er nogmaals op dat de effectiviteit van voedingseducatie en
-voorlichting mede afhangt van de duidelijkheid en de uniformiteit van de
"boodschap" die door de verschülende instanties wordt uitgedragen. Een
goede coördinatie en nauw op elkaar afstemmen van de voorlichting/educatie
die door de verschülende instanties wordt gegeven, is noodzakelijk.
* Produktinformatie.
Informatie over de samensteUing van een voedingsmiddel door middel van
bijvoorbeeld informatieve etikettering schept voor de consument de moge-
lijkheid om de via voorlichting en onderwijs verkregen kennis toe te pas-
sen. Dit vraagt om een goede aansluiting tussen voedingsvoorlichting/-edu-
catie en produktinformatie. Met betrekking tot informatieve etikettering kan
onderscheid worden gemaakt tussen ingrediëntendeclaratie, voedingsstoffen-
declaratie en voedingswaardeclaims. Door het toestaan van voedingswaarde-
claims wordt het voor de industrie mogelijk produkten nader te profüeren.
De voorwaarde die hierbij moet worden gesteld is een zodanige declaratie
van de voedingsstoffensamenstelling dat hieruit door de consument een juist
beeld van de betekenis van het voedingsmiddel voor een goede voeding kan
worden afgeleid. De Raad meent dat met name de vermelding van de voe-
dingsstoffensamensteUing op de verpakking van een voedingsmiddel op een
voor de consument begrijpelijke wijze tot een meer verantwoorde keuze van
voedingsmiddelen zou kunnen leiden. De wetgeving met betrekking tot de
voedingsstoffendeclaratie zou moeten zorgen voor een verplichte uniforme
vermelding van die voedingsstoffen die voor een goede voeding van belang
zijn. Dit betreft dan de voedingsstoffen vet, eiwit, koolhydraten, verzadig-
de vetzuren, meervoudig onverzadigde vetzuren, mono- en disachariden,
cholesterol en natrium.
Daarnaast is de declaratie van ingrediënten van belang voor personen die
om gezondheidsredenen het gebruik van bepaalde voedselbestanddelen moe-
ten vermijden. In dit verband is voor additieven geadviseerd om in plaats
van de groepsnaam de specifieke naam of de vastgestelde EG-codering
(E-nummer) op de verpakking van voedingsmiddelen te vermelden. De con-
sument zal via voorlichting meer vertrouwd moeten worden gemaakt met de
betekenis van deze aanduiding.
   Prijs en verkrijgbaarheid
Tenslotte wijst de Raad erop dat de prijs en verkrijgbaarheid van voedings-
middelen eveneens fa?ctoren zijn, die de voedselkeuze beïnvloeden. De prijs
van voedingsmiddelen zou zodanig moeten zijn dat er een positieve werking
van uitgaat op de keuze van voedingsmiddelen die van belang zijn voor de
realisatie van de als gewenst omschreven voeding. De Raad pleit voor een
zodanig beleid, dat de dagelijks benodigde voeding in het algemeen en voe-
dingsmiddelen die door de samenstelling goed aansluiten bij de inzichten o-
ver een gewenste voeding in het bijzonder, voor alle groepen binnen de b e -
volking bereikbaar zijn.
                                     -37-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>6.       Nabeschouwing.
     In de adviesaanvrage Maatregelen tot bevordering van goede voedings-
gewoonten is door de toenmalige Minister van Volksgezondheid en Müieuhy-
giëne aan de Raad verzocht na te gaan hoe de voeding in Nederland vanuit
volksgezondheidsoogpunt bij voorkeur zou moeten zijn samengesteld. Dit ad-
vies vormt de reactie van de Raad op deze v r a a g .
     In het algemeen is het relatief eenvoudig om aan te geven in welke s i -
tuaties de voeding onvoldoende is en er tekorten zijn te verwachten. Dit
geldt eveneens voor situaties van duidelijke overmaat. Het is echter moei-
lijker om een vanuit volksgezondheidsoogpunt optimale voeding te b e s c h r i j -
ven. De oorzaken die hieraan ten grondslag liggen, zijn d i v e r s . Zo bestaat
voedsel uit een groot aantal bestanddelen die ieder op zich en/of in combi-
natie met elkaar van invloed kunnen zijn op de gezondheid. Voorts zijn in
het algemeen meerdere factoren van invloed op de gezondheid dan voeding
alleen. Een volgende complicerende factor vormt de onvolledige informatie
over de causaliteit van de relaties tussen bestanddelen in de voeding en het
ontstaan van ziekten. Het epidemiologisch onderzoek dat in dit verband tot
nu toe is uitgevoerd, is voornamelijk observationeel van aard. Dit betekent
dat alternatieve hypotheses als verklaring voor bepaalde gevonden v e r b a n -
den tussen voeding en ziekten niet kunnen worden uitgesloten. De v o e -
dingsinterventie-onderzoekingen die zijn uitgevoerd, hebben meestal b e t r e k -
king op een korte periode. Uit de resultaten van het geringe aantal uitge-
voerde langdurende interventie-onderzoekingen blijkt, dat de effecten op
korte termijn kunnen verschülen van de effecten op lange termijn. Het is
bekend dat het menselijk lichaam altijd zal trachten de homeostase te hand-
haven zodat een zeer lange tijd kan verlopen voordat de effecten van een
minder gunstige voeding merkbaar worden.
     Eén en ander heeft tot gevolg dat een beschrijving van de vanuit
volksgezondheidsoogpunt meest wenselijk geachte voeding altijd een globaal
en voorlopig karakter zal dragen, omdat deze is gebaseerd op de resultaten
van onderzoek die op dat moment beschikbaar zijn.
     Met de richtlijnen voor een goede voeding zoals deze in dit advies wor-
den vermeld, heeft de Raad de richting aangegeven waarin de gemiddelde
huidige voeding in Nederland zou moeten veranderen om een bijdrage te
kunnen leveren aan de bevordering en het instandhouden van de gezond-
heid van de bevolking. Voor een aantal voedingsstoffen zoals cholesterol,
alcohol en natrium wordt er met de huidige richtlijnen in de eerste plaats
naar gestreefd om extremen in het gebruik te elimineren.
     Omdat voor het aangeven van de gewenste wijzigingen in de voeding
moest worden uitgegaan van gemiddelde consumptiegegevens van groepen
van de bevolking, konden de richtlijnen hierdoor eveneens niet meer dan
een algemeen karakter dragen. Als gevolg van dit algemene k a r a k t e r zullen
de richtlijnen voor individuele en specifieke situaties moeten worden aange-
past aan bijvoorbeeld de speciale behoeften van bepaalde groepen van de
bevolking of individuen. Zo zullen aanpassingen nodig zijn voor personen
die een dieet moeten volgen.
     De aanbevolen wijzigingen in de voeding zijn zodanig dat om deze te b e -
reiken een verandering van het voedingsgedrag van de consument noodzake-
lijk is. Het voedingsgedrag en de voedselkeuze als onderdeel daarvan wordt
door een groot aantal factoren beïnvloed. Naast psychologische, sociale en
culturele factoren en de kennis van de consument over voeding beïnvloedt
het aanbod van voedingsmiddelen eveneens de voedselkeuze. Dit aanbod
wordt voor een belangrijk deel bepaald door handel en i n d u s t r i e . Daarnaast
                                      -38-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>kan de producent bij de produktie, de b e - en verwerking van voedingsmid-
delen invloed uitoefenen op de voedingsstoffensamenstelling hiervan.
        De maatregelen van de overheid kunnen zich, zoals in het advies is b e -
s c h r e v e n , richten op zowel de voedselvoorziening als op de beïnvloeding
van de voedselkeuze. Met betrekking tot de beïnvloeding van de voedsel-
keuze moet hierbij worden gedacht aan maatregelen die zijn gericht op een
verbetering van de kennis van de consument over voeding en het scheppen
van de noodzakelijke voorwaarden om deze kennis toe te kunnen passen.
Naast onderwijs (voedingseducatie) en voorlichting, is hierbij een goede
produktinformatie in de vorm van informatieve etikettering en voedingsstof-
fendeclaratie van essentieel belang.
       Gezien de effecten van e e r d e r e , vergelijkbare adviezen is de Raad zich
ervan bewust, dat de realisatie van de als gewenst aangegeven voeding een
moeizaam proces is dat veel tijd en maximale inspanning zal vragen van de
overheid, het onderwijs, de voorlichting en de voedingsmiddelenindustrie.
De Raad stelt zich in dit verband voor regelmatig de ontwikkelingen in de
voeding in Nederland te evalueren. Voorts zullen de uitgangspunten van
het advies regelmatig worden getoetst aan de stand van de wetenschap.
                                             -39-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre> 7.         Literatuur.
 Boot, C.P.M. (1979) Risicofactoren voor coronaire hartziekten. Proefschrift,
Leiden 1979.
 Beckers, H.J. (1983) Voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland.
Jaaroverzicht 1979. Verslagen, Adviezen, Rapporten no. 11, Staatsuitgeve-
rij, 's Gravenhage 1983.
Beckers, H.J. (1984) Voedselinfecties en -vergiftigingen in Nederland.
Jaaroverzicht 1980. Verslagen, Adviezen, Rapporten no. 32, Staatsuitgeve-
rij, 's Gravenhage 1984.
Centraal Bureau voor de Statistiek (1984,1) Overledenen naar doodsoorzaak,
leeftijd en geslacht in het jaar 1983. Serie Al CBS, Voorburg 1984.
Centraal Bureau voor de Statistiek (1984,2) Maandbericht Gezondheidssta-
tistiek december 1984. Jaargang 3, no. 12. CBS-publikaties, Staatsuitgeve-
rij, 's-Gravenhage 1984.
FAO/WHO (1974) Handbook on human nutritional requirements. World Health
Organization, Geneva 1974.
Gezondheidsraad (1963) Strumaprofylaxe. Gehalten van jodiumhoudend keu-
kenzout en jodiumhoudend broodzout. Gezondheidsraad no. 20, ' s Gravenha-
ge 1963.
Gezondheidsraad (1975) Advies inzake centrale waterontharding. Verslagen,
Adviezen, Rapporten no. 37, Staatsuitgeverij, ' s Gravenhage 1975.
Gezondheidsraad (1978) Advies inzake het salmonellavraagstuk. Verslagen,
Adviezen, Rapporten no. 60, Staatsuitgeverij, ' s Gravenhage 1978.
Gezondheidsraad (1981) Advies inzake jodiumvoorziening. Gezondheidsraad,
 's-Gravenhage 1981.
Gezondheidsraad (1983) Advies inzake hypertensie. Verslagen, Adviezen,
Rapporten no. 4, Staatsuitgeverij, ' s - G r a v e n h a g e , 1983.
Gezondheidsraad (1984,1) Advies inzake bestrijding tandbederf. Gezond-
heidsraad, 's-Gravenhage 1984.
Gezondheidsraad (1984,2) Advies inzake adipositas. Gezondheidsraad, ' s -
Gravenhage 1984.
Gezondheidsraad (1985) Advies inzake teratogeniteit van chemische stoffen.
Gezondheidsraad, 's-Gravenhage 1985.
Godeschalk, F.E. (1985) Consumptie van voedingsmiddelen in Nederland in
1981, 1982 en 1983. Landbouw Economisch Instituut PR no. 64-81/82/83, ' s -
Gravenhage 1985.
Hegger, W.G. (1979) Op je gezondheid. Gezondheidsvoorlichting en -opvoe-
ding in het basisonderwijs. (4-12 j a r i g e n ) . Wolters-Noordhoff, Groningen
1979.
Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (1982) Gezondheidsaspecten
van een centrale ontharding van leidingwater. Rapport van de werkgroep
G . C . O . L . Verslagen, Adviezen, Rapporten no. 28, Staatsuitgeverij, ' s - G r a -
venhage 1982.
Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1983) Nota Voedingsbe-
leid. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1983.
Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1985) Alcohol en samen-
leving. Ontwerp-nota over een samenhangend                      alcohol-matigingsbeleid.
Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1985.
National Academy of Sciences (1980) Recommended Dietary Allowances, ninth
edition. Food and Nutrition Board, National Academy of Sciences, Washing-
ton DC 1980.
Stichting Leerplan Ontwikkeling (1978, 1979) Doe het zelf set voor gezond-
heidseducatie, band A, B, C en D. SLO, Enschede, 1978, 1979.
                                        -40-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Voedingsraad (1965) Voeding en tandcariës. Voeding 26 (1965) 155-183.
Voedingsraad (1968) De waterhuishouding van de mens. Voeding 29 (1968)
97-104.
Voedingsraad (1973) Advies over hoeveelheid en/of aard der vetten in de
voeding. Verslagen en Rapporten 25, Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1973.
Voedingsraad (1974) Algemene richtlijnen voor toevoegingen e . d . Voeding 35
(1974) 9-60.
Voedingsraad (1975) De rol van suikers bij het ontstaan van tandcariës.
Voeding 36 (1975) 422-427.
Voedingsraad (1978) De vervanging van suiker in frisdranken door weinig
energieleverende zoetstoffen. Voeding 39 (1978) 356-365.
Voedingsraad (1980) Advies inzake multi-vitaminepreparaten. Voeding 42
(1980) 185-215.
Voedingsraad (1982,1) Maatregelen tot bevordering van goede voedingsge-
woonten. Eerste deeladvies: Voeding en tandcariës. Voeding 43 (1982)
223-235.
Voedingsraad (1982,2) Voeding in relatie tot coronaire hartziekten. Commis-
sie Voeding en Hart- en Vaatziekten, Voedingsraad, Den Haag 1982.
Voedingsraad (1982,3) Aanbevolen hoeveelheden vitamine D in de voeding.
Voeding 43 (1982) 268-272.
Voedingsraad (1982,4) Interimadvies Vermindering gebruik keukenzout. Com-
missie Vermindering Gebruik Keukenzout, Voedingsraad, Den Haag, 1982.
Voedingsraad (1983,1) Aanbevolen hoeveelheden energie en voedingsstoffen.
In: Nederlandse Voedingsmiddelentabel, 34e d r u k . Voorlichtingsbureau voor
de Voeding, 's-Gravenhage 1983.
Voedingsraad (1983,2) Eerste advies inzake de toevoeging van vitamines aan
voedingsmiddelen: I. Algemene Inleiding. II. Verrijking. Voeding 44 (1983)
62-82.
Voedingsraad (1983,3) Maatregelen tot bevordering van goede voedingsge-
woonten. Tweede deeladvies: Voedingseducatie in het basisonderwijs. Voe-
ding 44 (1983) 431-441.
Voedingsraad (1984,1) Advies voedseladditieven en -verontreinigingen;
technologische en toxicologische richtlijnen. Verslagen, Adviezen, Rapporten
n o . 28. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage 1984.
Voedingsraad (1984,2) Tweede deeladvies inzake de toevoeging van vitami-
nes aan voedingsmiddelen: Restauratie en substitutie. Voeding 45 (1984)
194-200 en 223-230.
Voedingsraad (1985,1) De betekenis van de voeding voor het ontstaan van
diabetes mellitus. In: Verslag over de werkzaamheden van de Voedingsraad
gedurende 1983. Voeding 46 (1985) 249-250.
Voedingsraad (1985,2) Verslag over de werkzaamheden van de Voedingsraad
gedurende 1983. Voeding 46 (1985) 233-253.
Voedingsraad (1986,1) Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker.
Commissie Voeding en Kanker, Voedingsraad, Den Haag 1986.
Voedingsraad (1986,2) Aanbevolen hoeveelheden energie en voedingsstoffen.
Commissie Voedingsnormen, Voedingsraad, Den Haag. In voorbereiding.
Voedingsraad (1986,3)       Eindadvies   Vermindering  gebruik    keukenzout.
Commissie Vermindering Gebruik Keukenzout, Voedingsraad, Den Haag. In
voorbereiding.
Zwart, W. de (1981) Het alcoholgebruik en het alcoholprobleem. Een statis-
tisch rapport over de jaren 1960-1980. SWOAD, 2e herz, uitgave, Am-
sterdam 1981.
                                       -41-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                                      Bijlage         1
                     Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne
                     Leidschendim - Dokier Rerjeisitrast 12 • TeL (070) 20 82 60 • Telex 32352 v m nl - TeteBramidres VENM
                     Conespondcntie uiUlultend. Postbus 439.2260 AK Leidschendsm
                                                   Aan de Voorzitter van de Voedingsraad
                                                          Postbus 253
                                                          RUSWIJK
UW kenmerk                                        uw brief                          ons kenmerk n x . 19A5&2
                                                                                                DG VgZ/HGB
onderwerp niaacxegelen tot bevordering van goede                                   ¿^^^^ ]4 april 1978
           voedingsgevoonten
           Mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne moge ik
           voor het volgende Uv aardacht vragen.
           Recentelijk is door het Centraal Bureau voor de Statistiek rapport uitge-
           bracht cjver het CBS-verknemersbudgetonderzoek 1974/3 975, waarin een ver-
           gelijking is opgenomen van consumptieve uitgaven in 1963/1P64 en 197A/1975.
           Ik moge U terzake verwijzen naar de Sociale llaandstatistiek, uitgaven
           oktover en november 3 977. Bij dit onderzoek zijn belangrijke xâjzigingen in
          het patroon van de gezinsconsurçtie vastgesteld. Met name voor wat betreft
          binnen de artikelgroep "voeding" is de verandering van het gezinsconsumptie-
          patroon opgevallen. Ook de gegevens betreffende het gemiddeld hoofdelijk ver-
          bruik van voedingsmiddelen, zoals deze jaarlijks in het tijdschrift Voeding
          worden gepubliceerd, indiceren de laatste 25 jaar belangrijke wijzigingen in
          het voedingspatroon van de Nederlandse bevolking (zie bijgevoegde documentacie),
          Een en ander doet de vraag rijzen of de ontwikkeling van de voedingsgeiroonten
          in Nederland, voorzover deze úit de hierboven aangehaalde en andere beschik-
          bare gegevens kan blijken, vanuit het oogpunt van de volksgezondheid wenselijk
          is.
          Het is aannemelijk dat de voeding in de huidige samenstelling, naast andere
          factoren, een rol speelt bij het optreden van sommige in de westerse Jnaat-
          schappij frequent optredende ziekten (hart- en vaatziekten, kanker, caries,
          diabetes, obesitas).
         Ik acht het dan ook noodzakelijk om te komen tot een systematische beoordeling
         van de voeding en voedingsgewoonten in Nederland. Daarvoor is het noodzakelijk
         dat eerst een diepergaand inzicht wordt verkregen in de huidige samenstelling
         van de voeding van de bevolking, respectievelijk groepen ervan.
         Voorts zou moeten worden nagegaan hoe deze voeding, vanuit volksgezondheidsoog-
         punt bij voorkeur zou dienen te zijn samengesteld. Op basis daarvan ware
         aan te geven langs velke wegen gewenste verbeteringen in de voeding en de voe-
         dingsgewoonten van de bevolking of relevante bevolkingsgroepen zouden kunnen
         uorden bevorderd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                    - 2 -
      Mijnerzijds xrordt periodieke rapportage omtrent de voortgang van de behande-
      ling van mijn adviesaanvrage zeer op prijs gesteld; in verband daarmede wilt
      U wellicht overwegen interim-rapporten aan mij uit te brengen. Ten aanzien
      van.de rapportage verzoek ik U met voorrang te doen nagaan of het in 3 973
      uitgebrachte advies inzake de hoeveelheid en aard der vetten in de voeding,
      in het licht van de thans beschikbare kennis herziening behoeft (zie blz. 6
     van het destijds uitgebrachte hierbij gevoegde advies).
                                w.g.   De Minister van Volksgezondheid
                                       en Milieuhygiëne,
 Als dokmnentatie was bijgevoegd:
- Mulder T. "De Voeding in Nederland gedurende de jaren 1950-1960"
   Voeding 1962 (23) : 564
- Mulder T. "De Voeding in Nederland gedurende de jaren 1960-1969"
   Voeding 1973 _34 (2) : 54
- De Vïijn J.F. - De veranderingen in het Nederlandse voedingspatroon.
   Rapport van de Oxiënteringscommissie van de Voedingsraad. Verslagen en
   Mededelingen betreffende de Volksgezondheid 1968 No. 26. îiinistexie van
   Volksgezondheid en Milieuhygiene-
- De Vet B. - Wexloiemers budgetonderzoek 1974-1975
  Sociale maandstatistiek 25 (lÖ) en (11) oktober/november 1977.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                   Bijlage 2
Gerefereerde onderzoekingen.
Baecke, J.A.H. (1982) Determinants of body fatness in young adults living
in a Dutch community. Proefschrift, Landbouwhogeschool Wageningen 1982.
Bekker, G.J.P.M. de (1978) De betekenis van brood in de voeding en de
factoren die op het broodgebruik van invloed zijn. Proefschrift, Veenman &
Zonen, Wageningen 1978.
Berg, H. v . d . en H.W. Bruinse (1983) On the role of nutrition in normal
human pregnancy. Proefschrift, Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht 1983.
Bethlem, J.P. en G.B. Post (1978) Voeding van een groep werkende jonge-
ren in Amsterdam. Voeding 39 (1978) 12-14.
 Boeijen, W.G.M. e.a. (1983) Vergelijking van de voedingsstoffenopneming
van kleuters, 2^ klassers en 4^ klassers. Voeding 44 (1983) 135-143.
 Boer, J. de e.a. (1980) Een onderzoek naar de validiteit en de reproduceer-
baarheid van de 24-uurs recall methode en de dietary history methode voor
de meting van de voedselconsumptie. Rapport Nr. 80-27 Vakgroep Humane
Voeding. Landbouwhogeschool Wageningen 1980.
Bont, G. de e.a. (1978) Methodiek van het voedselconsumptie-onderzoek.
Fase I, deel 3: De resultaten van het onderzoek "Rhenen", 1977 met speci-
ale aandacht voor de vezelkonsumptie. Publ. 78-09 Vakgroep Humane Voe-
ding. Landbouwhogeschool Wageningen 1978.
Bowles, C.H. (1977) Onderzoek naar de voeding en voedingstoestand van
zelfstandig wonende bejaarden in een grote stadshuisartsenpraktijk. Rapport
van de Voedingsraad, Den Haag 1977.
Bronsgeest-Schoute, H.C. e.a. (1981) The effect of various intakes of w3
fatty acids on the blood lipid composition in healthy human subjects. Am.
J . Clin. Nutr. 34 (1981) 1752-1757.
Cornuit, H. e.a. (1977) Onderzoek naar de voeding van adolescenten. Rap-
port Nr. 77-10, Vakgroep Humane Voeding, Landbouwhogeschool Wageningen
1977.
Danner, S.A. (1977) Methuselah's Secret; Cardiovascular Health in the
Tenth Decade. A study of 100 Dutch Nonagenarians. Proefschrift, Universi-
teit van Amsterdam, Amsterdam 1977.
Dokkum, W. van e.a. (1978) Voedselconsumptie en voedingstoestand bij
vrijwülig dienend luchtmachtpersoneel; Pilot-study. Rapport nr: 5836, CIVO-
TNO, Zeist 1978.
Egger, R.J. e.a. (1980) Voedingsonderzoek in de Bijlmer: voeding en voe-
dingstoestand van achtjarige Surinaamse en Nederlandse schoolkinderen in
de Bijlmermeer. KIT, Amsterdam/CIVO-TNO, Zeist 1980.
Egger, R.J. e.a. (1982) Voedingsonderzoek in 's-Gravenhage: voeding en
voedingstoestand van achtjarige Surinaams-Hindoestaanse en Nederlandse
schoolmeisjes in de Haagse wijken Valkenboskwartier en Transvaalkwartier
in 1981. Voeding 43 (1982) 49-53 en 362-373.
G.V.O.-projekt Nijmegen (1979) Resultaten van het gezondheidskundige on-
derzoek bij kleuters in de periode van 1976-1977. Deel I. Vergelijking van
proef- en kontrolescholen, Nijmegen 1979.
Haar, F. van der en D. Kromhout (1978) Food intake, nutritional anthropo-
metry and blood chemical parameters in 3 selected Dutch schoolchildren
populations. Proefschrift, Landbouwhogeschool, Wageningen 1978.
Hezemans, A.M. (1973) Verwerking van gegevens van de voedingsenquêtes.
Pilot-study Wijchen en Ooy. G.V .O.-projekt Nijmegen; verslag 2e halfjaar,
Nijmegen 1973.
                                     -1-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Hezemans, A.M. e . a . (1977) Verschillen in de voedselopneming tijdens het
weekeinde en gedurende de werkdagen van 4-6 jarige k l e u t e r s . Voeding 38
(1977) 268-272.
Hezemans, A.M. e.a (1977) Onderzoek naar de voedselopneming van 6-12
jarige schoolkinderen. Verslag van de Pilot-Study Nijmegen, 1976. Voeding
38 (1977) 273-286.
Hoffmans, M.D.A.F. e . a . (1986) Energy, nutrient and food intake during
infancy and early chüdhood. The Leiden preschool chüdren s t u d y . Persoon-
lijke mededeling. Instituut Sociale Geneeskunde, Rijksuniversiteit Leiden,
Leiden 1986.
Hulshof, K. en A. de Greef (1977) Vergelijkend onderzoek naar de voeding
en voedingstoestand van 19 jarige studerende en werkende jongeren. R a p -
port n r : R 5 504, CIVO-TNO, Zeist 1977.
Hulshof, K.F.A.M. en H.K. van den Berg (1979) Onderzoek naar de
voedselconsumptie en de voedingstoestand van leerlingen van de lagere zee-
vaartschool "Pollux" te Amsterdam; het effect van riboflavinesuppletie op de
glutathionreductase activiteit; Rapport n r : R 6296, CIVO-TNO, Zeist 1977.
Hulshof, K.F.A.M. en A. v . d . Zedde (1981) Onderzoek naar de voedsel-
consumptie en voedingstoestand van Nederlandse volwassenen met matig li-
chamelijke aktiviteit van 20-55 jaar. Rapport nr: R 6534, CIVO Instituten
TNO, Zeist 1981.
Kemper, H.C.G. e . a . (1983) Growth and health of t e e n a g e r s : a multiple
longitudinal study in Amsterdam, Netherlands. Universiteit van Amsterdam,
Amsterdam 1983.
Kenter, H.A. (1973) Uitkomsten van een onderzoek naar de voeding van 92
16,5-17,5 jarige jongens, leerlingen van het S t . Ignatius College, een
school voor HAVO en VWO te Amsterdam. Intern r a p p o r t . Voedingsraad,
Den Haag 1973.
Kenter, H.A. (1973) Een onderzoek naar de voeding van 50 havenarbeiders
van 56 tot 67 jaar te Rotterdam. Intern r a p p o r t . Voedingsraad, Den Haag
1973.
Kenter, H.A. (1974) Onderzoek naar de voeding van 60 jongens en 38 meis-
jes van 16,5-17,5 jaar, leerlingen van de Van der Waalscholengemeenschap,
Amsterdam. Intern r a p p o r t . Voedingsraad, Den Haag 1974.
Kenter, H.A. (1974) Zesde Oriënterend Onderzoek omtrent de voeding en
voedingstoestand van 8-jarige schoolkinderen in Nederland (1973/74). Intern
r a p p o r t . Voedingsraad, Den Haag 1974.
Kenter, H.A. (1975) Een onderzoek naar de voedingsgewoonten van 14-ja-
rige leerlingen van een huishoudschool in Amsterdam, Intern r a p p o r t . Voe-
dingsraad, Den Haag 1975.
Knuiman, J . P . (1983) Determinants of total and high density lipoproteins in
boys and men with special reference to diet. Proefschrift. Landbouwhoge-
school, Wageningen 1983.
Kool-Hiüshof, A. (1979) Voedselconsumptie bij Nederlandse Zevende-Dags-Ad-
ventisten en kontrolepersonen. Publ. 79-04, Vakgroep Humane Voeding,
Landbouwhogeschool, Wageningen 1979.
Kromhout, D. (1983) Changes in energy and macronutrients in 871 middle-
aged men during 10 years of follow-up (the Zutphen S t u d y ) . Am. J . Clin.
Nutr. 37 (1983) 287-294.
Lasche, J . B . e . a . (1976) Onderzoek naar de kwaliteit van de voeding in
een verpleegtehuis. Rapport n r : 5219, CIVO-TNO, Zeist 1976.
May, J . F . (1974) Epidemiological Cardiology: Ischaemic heart disease s t u d y .
Vlagtwedde 1970. Proefschrift. Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 1974.
Niessen, Chr. e . a . (1983) Serumlipiden en samenstelling van de voeding
van 371 Wageningse studenten. Voeding 44 (1983) 350-355.
                                         -2-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Nieveen, J. en J . F . May (1978) Hartonderzoek Vlagwedde/Viaardingen. Rap-
portage Verleende Subsidies, Nederlandse Hartstichting (1978) 7-10.
Passchier, J . en F.M. van de Reep (1976) Oriënterend onderzoek naar de
mogelijkheid tot verkorting van de 7-daagse opschrijf methode. Publ. 77-2
Vakgroep Humane Voeding, Landbouwhogeschool Wageningen 1976.
Rethans, E.J.M. e.a. (1978) De voeding van zelfstandigwonende oudere
mensen in Ede. Voeding 39 (1978) 318-325.
Rookus, M.A. e.a. (1983) Vergelijkend onderzoek naar de voedingstoestand
en het fysiek prestatievermogen van 18-30 jarige lacto-ovo vegetariërs en
Omnivoren. Voeding 44 (1983) 246-255.
Staveren, W.A. van e . a . (1984) Food consumption and height/weight status
of Dutch pre-school chüdren on alternative diets. J . Am. Diet. Ass. 85
(1985) 1579-1584.
Zedde, A. v . d . e.a. (1981) Onderzoek naar de voedselconsumptie van vrou-
welijke en mannelijke leerlingen van het Centraal Instituut voor de Oplei-
ding van Sportleiders te Arnhem en te Overveen deel IV. Rapport nr: V 81
417/180204, CIVO Instituten TNO, Zeist 1981.
                                      -3-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Het verband tussen lengte, gewicht
en Quetelet-Index (gewicht/lengte^)
(kg/m2).
                  gewicht (kg)
 lengte (m)
             QI=20 QI=25    QI=30
    1,54       47     59      71
    1.57       49     62      74
    1,60       51     64      77
    1,63       53     66      80
    1,66       55     69      83
    1.69       57     71      86
    1,72       59     74      89
    1,75       61     77      92
    1,78       63     79      95
    1,81       66     82      98
    1,83       67     84     100
    1,86       69     86     104
    1.89       71     89     107
    1.92       74     92     111
    1.95       76     95     114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Overzicht van de procentuele bijdrage van groepen voedingsmiddelen aan de consumptie van enkele macrovoedingsstoffen            en energie.
 produktgroep                en erg ie          eiwit                              vet                         koolhydraten              voedingsvezel
                                                                                          meervoudig            mono-/di-     polysa-
                                       totaal  dierlijk  plant. totaal      verzadigd     onverzadißd   totaal  sachariden    chariden
 aardappelen/rijst             5-15      5        _      10-15     <5         <5                _       10-20        ^         20-30        15-20
 brood/granen                  ±15     15-20      -      45-60     <5         <5               5-10     25-30       <5         45-55        25-35
 groenten                      <5       <5        -       5-10        -        -                -          -        <5           <5         10-20
 fruit                         <5        -        -        -          -        -                -         5-10     10-15         <5         10-15
 melk/melkprodukten           10-15    15-25    25-40      -     10-15       10-20              -         5-15     15-25          -           -
 kaas                           <5      ±5       5-10      -       5-10       5-10              -          -         -            -           -
 eieren                          -      <5       <5        -         -         -                -          -         -            -           -
 vlees/vleeswaren             10-15    25-30    35-45      -     15-25       15-25            10-15        -         -            -           -
 vetten/oliën                  ilO       -        -        -     25-35       25-30            45-55        -         -            -           -
 soepen en kant en klaar
                                 -                                 <5         <5               <5          -         -            -           _
    maaltijden                          <5       <5       <5
 s n a c k s , hartig          <5       <5       <5       <5       <5         <5               <5          -         -           <5           -
 peulvruchten                    -      <5        -       <5          -        -                -          -         -            -          5-10
 noten/pindakaas               <5       <5        -       ±5       <5         <5              10-15        -         -            -           -
 koek, gebak, zoet beleg
    en snoep                   5-10     <5        -       5-10     5-10       5-15             <5       10-15      15-25          ±5         <5
 suiker                        <5        -        -        -          -        -                -         5-10     10-15          -           -
 frisdranken/vruchtensap-      ±5        -        -        -         -         -                -       10-15      15-25          -           -
    pen
Bronnen: (zie bijlage 2) Baecke 1982, Boeijen e.a. 1983, de Bont e . a . 1978, Egger e . a . 1980 en 1982, Hezemans e . a . 1977, Hulshof en Van der
               Zedde 1981.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre> •^
Á
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>