<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>VOEDINGSRAAD

Nederlandse Voedingsnormen 1989

Advies opgesteld door de Commissie Voedingsnormen
Den Haag, 13 juli 1989

2e druk

Voorlichtingsbureau voor de Voeding
Den Haag, 1992
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>VOEDINGSRAAD

Prof. F. ten Hoor (voorzitter), Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht

Prof. A.J.H. van Es, emeritus hoogleraar, Landbouwuniversiteit Wageningen
Ir. M. Feenstra, SWOKA, Den Haag

Prof. V.J. Feron, Instituut voor Toxicologie en Voeding TNO, Zeist

Prof. L. Ginjaar, Gezondheidsraad, Den Haag

Mrs. M. 't Hart-Eerdmans, Academisch Ziekenhuis, Leiden

Prof, J.G.A.J. Hautvast, Landbouwuniversiteit Wageningen

Prof. R.J.J. Hermus, Instituut voor Toxicologie en Voeding TNO, Zeist

Dr. H. Herstel, RIKILT, Wageningen

Prof. R. Keuning, Landbouwuniversiteit Wageningen

Prof. G.J. Kok, Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht

Prof. B. Krol, Rijksuniversiteit Utrecht

Prof. D. Kromhout, RIVM, Bilthoven

Prof. E.M.H. Mathus-Vliegen, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam
Ir. M. Miedema, Informatie Kennis Centrum, Ede

Prof. F.M. Rombouts, Landbouwuniversiteit Wageningen

Prof. W.H.M. Saris, Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht

Dr. M. Stasse-Wolthuis, Stichting Voeding Nederland, Den Haag

Prof. W.A. van Staveren, Landbouwuniversiteit Wageningen

Prof. H.K.A. Visser, Sophia Kinderziekenhuis, Rotterdam

Prof. A.G.J. Voragen, Landbouwuniversiteit Wageningen

Drs CG. Wagenaar, Voorlichtingsbureau voor de Voeding, Den Haag

Dr. M.L. van Weert-Waltman, Jeugdgezondheidszorg GG en GD, Amsterdam
Dr. M.M. Westmaas-Jes, Provinciale Friese Kruisvereniging, Leeuwarden

Vertegenwoordiger van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur:
Dr. R.F. van der Heide

Vertegenwoordiger van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij:
Ir. G. de Peuter

Secretariaat Voedingsraad:

Ir. W. Bosman, algemeen secretaris

Dr. P.J.F. de Vries, commissiesecretaris
Drs. M.T.C. Ververs, commissiesecretaris
H. van Tol, chef de bureau

COMMISSIE VOEDINGSNORMEN

Prof. W.H.M. Saris (Voorzitter), Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht

Dr. G.J.P.M. de Bekker, General Biscuits Nederland, Roosendaal

ir. B.C. Breedveld, Voorlichtingsbureau voor de Voeding, Den Haag

Dr. W. van Dokkum, Instituut voor Toxicologie en Voeding TNO, Zeist

Dr. C.J.A. van den Hamer, Interfacultair Reactor Centrum, Delft

Prof. C. den Hartog, emeritus hoogleraar, Landbouwuniversiteit Wageningen
Prof. J.H.P. Jonxis, emeritus hoogleraar, Rijksuniversiteit Groningen

Prof. R. Luyken, emeritus hoogleraar, Universiteit van Amsterdam

Dr. G. Schaafsma, Instituut voor Toxicologie en Voeding TNO, Zeist

Dr. J. Schrijver, Nutricia Nederland, Zoetermeer

Commissiesecretaris:

Ir. B.C. Breedveld (tot juni 1986)

Ir. A. van Beem (juni 1986 tot december 1987)

Ir. M.R.T. Bouterse-van Haaren (vanaf december 1987)

</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>INHOUD

VOORWOORD
1. INLEIDING 1
2. ENERGIE 17
3. EIWIT 31
4. VET 43
5. KOOLHYDRATEN i 55
6. VITAMINE A EN PROVITAMINE A CAROTENOÏDEN 65
7. VITAMINE D 77
8. VITAMINE E 91
9. THIAMINE 103
10. RIBOFLAVINE 113
11.  VITAMINEB, 123
12. FOLIUMZUUR 137
13. VITAMINE B,, 151
14. VITAMINE C 165
15. IJZER 177
16. CALCIUM 195
17. FOSFOR 211
18. SELEEN 221
19. KOPER 235
20. ZINK 249
21. MAGNESIUM 265
22. WATER 277
23. AANBEVOLEN HOEVEELHEDEN 285

BIJLAGE: Overzicht van de adequate niveaus van inneming per dag.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Voorwoord bij de tweede druk.

Mede dankzij de kritische aandacht van een aantal lezers van de eerste uitgave
van de Nederlandse Voedingsnormen 1989 was het mogelijk een aantal storende
fouten te corrigeren. Daarnaast heeft de Commissie Voedingsnormen zich naar
aanleiding van een aantal opmerkingen uit het veld, nogmaals beraden op de aan-
bevelingen voor vet en ijzer voor zuigelingen en jonge kinderen. Dit beraad heeft
geleid tot een aanpassing van deze aanbevelingen. De belangrijkste wijzigin-
gen/correcties in de tweede druk betreffen de aanbevelingen voor:

* eiwit voor kinderen van V1 jaar,

* vet voor kinderen van 2-1 jaar en van 1-4 jaar,

* koolhydraten voor kinderen van 1-4 jaar,

* vitamine E voor alle leeftijdsgroepen,

* ijzer voor kinderen van 0-1 jaar,

* magnesium voor alle leeftijdsgroepen vanaf 1 jaar.

Gezien de beperkte onderbouwing achtte de commissie het juister om geen ade-
quaat niveau van inneming voor koolhydraten voor de leeftijdsgroepen van 0-19
jaar meer aan te geven.

Het adequate niveau voor vitamine D voor meisjes van 1-7 is gecorrigeerd in
10-15 mcg per dag, terwijl de commissie in die situaties waarin oudere kinderen
(7-19 jaar) niet of nauwelijks kunnen profiteren van het zonlicht de gebruikelijke
vitamine D profylaxe gedurende het gehele jaar aanbeveelt.

Het adequate niveau van inneming voor riboflavine voor jongens en meisjes
van 16-19 jaar en voor mannen van 19-22 jaar is door de commissie gecorrigeerd.

Met betrekking tot ijzer heeft de commissie het adequate niveau van inneming
voor kinderen van 0-1 jaar gewijzigd en de minimumbehoefte van vrouwen nader
gedifferentieerd.

Het adequate gebied van inneming voor calcium voor meisjes van 16-19 jaar
is door de commissie aangepast en gelijk gesteld aan dat van volwassen vrouwen.
Hierdoor werd ook een aanpassing van het adequate gebied van inneming voor
fosfor noodzakelijk. De aanpassing was nodig om een ongunstige calcium/fosfor-
balans voor deze leeftijdscategorie te voorkomen.

In de hoofdstukken over zink en koper zijn meer recente gegevens m.b.t. ab-
sorptie en benutbaarheid opgenomen. Een en ander heeft niet geleid tot wijzigin-
gen van het adequate gebied van inneming of van de aanbevolen hoeveelheid.

Tenslotte wil de commissie benadrukken opmerkingen en suggesties ook ten
aanzien van de tweede druk van de Nederlandse Voedingsnormen 1989 op hoge

prijs te stellen.

Den Haag, november 1992.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1. Inleiding

1.1.

1.2.

1.3.

1.4.

1.5.

1.6.

1.7.

1.8.

1.9.

HISTORIE

UITGANGSPUNTEN DIE BĲ DE EVALUATIE ZIJN GEHANTEERD
1.2.1. De minimumbehoefte

1.2.2. Het adequate niveau/gebied van inneming van een groep

individuen
1.2.3. De aanbevolen hoeveelheid van een voedingsstof
1,24. Toxiciteit
DE GROEPSINDELING DIE WORDT GEHANTEERD
DE BETROUWBAARHEID VAN DE AANBEVELINGEN
HET GEBRUIK VAN DE AANBEVELINGEN
1.5.1. Het programmeren van de voedselvoorziening
1.5.2. Voedingsstoffendichtheid
1.5.3. Het beoordelen van de voedselconsumptie van groepen
1.5.4. Het beoordelen van de voedselconsumptie van een individu
DE NOMENCLATUUR VAN VITAMINES
DE OPZET VAN HET ADVIES
TOEKOMSTIGE ACTIVITEITEN

LITERATUUR

16

16

</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>inleiding

</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>11.

inleiding

HISTORIE

De aanbevolen hoeveelheden voor energie en voedingsstoffen zijn in Ne-
derland voor de eerste maal in 1947 opgesteld door de Commissie Voeding en
Landbouwpolitiek van het toenmalige Ministerie van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening. De eerste tabel met aanbevolen hoeveelheden energie en
voedingsstoffen werd in 1949 gepubliceerd in de Nederlandse voedingsmidde-
lentabel. Aanvullingen en wijzigingen van deze aanbevolen hoeveelheden ver-
schenen in 1953, 1955 en 1958.

In 1959 werd door de Voedingsraad de Commissie Voedingsnormen inge-
steld met als taak het op basis van wetenschappelijke kennis opstellen en actu-
eel houden van aanbevelingen voor de hoeveelheden energie, voedingsstoffen
en essentiële voedingsstoffen, die per dag door bevolkingsgroepen van ver-
schillende leeftijd en geslacht via de voeding zouden moeten worden ingeno-
men. Na het instellen van deze Raadscommissie werd de Commissie Voeding
en Landbouwpolitiek ontbonden.

Sinds de installatie heeft de Commissie Voedingsnormen, in wisselende
samenstelling, de aanbevolen hoeveelheden regelmatig getoetst aan de stand
van de wetenschap en zonodig bijgesteld of aangevuld.

Op de Tweede Europese Voedingsconferentie, die in 1976 te München
werd gehouden, hebben tijdens een speciale ronde-tafelbijeenkomst de aanbe-
volen hoeveelheden uitgebreid ter discussie gestaan. Daarbij bleek dat aan de
aanbevolen hoeveelheden zoals deze in verschillende landen door commissies
van deskundigen zijn opgesteld, verschillende uitgangspunten ten grondslag
liggen. Een conclusie van deze bijeenkomst was dat de twee belangrijkste toe-
passingen van aanbevolen hoeveelheden, te weten het programmeren van de
voedselvoorziening en de beoordeling van de voedingsstoffensamenstelling van
de voeding van groepen individuen, niet met behulp van één serie getallen zijn
te realiseren. Deze conclusie wordt door de Commissie Voedingsnormen onder-
schreven.

Naar aanleiding van deze bijeenkomst en na een onderzoek naar de basis
waarop de Nederlandse aanbevolen hoeveelheden berusten, besloot de Voe-
dingsraad in 1982, op voorstel van de Commissie Voedingsnormen, de aanbe-
volen hoeveelheden opnieuw te beoordelen en waar nodig te herzien en uit te
breiden. Wat dit laatste aspect betreft werd prioriteit gegeven aan aanbevelin-
gen voor vitamine D, vitamine E, foliumzuur, vitamine B-6, vitamine B-12, fosfor,
seleen, koper, zink en magnesium.

In navolging van de National Research Council in Amerika heeft de Com-
missie Voedingsnormen vervolgens besloten eens in de vijf jaar de aanbevolen
hoeveelheden te evalueren waarbij deze getoetst worden aan de stand van de
wetenschap. Het onderhavige advies bevat het resultaat van de eerste evaluatie
die door de commissie is uitgevoerd. Ten behoeve van deze evaluatie is ge-
bruik gemaakt van de wetenschappelijke literatuur tot 1987. Indien hiertoe aan-
leiding was is in een enkel geval literatuur van recenter datum verwerkt.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1.2.

inleiding

De commissie die zich op verzoek van de Raad heeft belast met de uitvoe-
ring van deze eerste evaluatie bestond uit:

Prof.dr.ir. W.H.M. Saris, voorzitter (hoogleraar biologische gezondheidskun-

de in het bijzonder de voeding, Rijksuniversiteit Limburg).

* __ Dr.ir. G.J.P.M. de Bekker (voedingskundig beleidsmedewerker, General
Biscuits Nederland b.v.).

* Ir. B.C. Breedveld (hoofd afdeling Voedingsvoorlichting, Voorlichtingsbu-
reau voor de Voeding (vanaf juni 1986).

* Prof.dr. C. den Hartog (emeritus hoogleraar in de voeding en voedselberei-
ding) (tot september 1984).

* — Prof.dr. J.H.P. Jonxis (emeritus hoogleraar in de kindergeneeskunde, Rijks-
universiteit Groningen).

* Prof.dr. R. Luyken (emeritus bijzonder hoogleraar in de voeding, voedsel-
voorziening en internationale voedingsvraagstukken, Universiteit van Am-
sterdam).

*  Dr.ir. G. Schaafsma (hoofd sectie Fysiologie, afdeling Voeding, Instituut
voor Toxicologie en Voeding TNO).

* Dr. J. Schrijver (manager Regulatory affairs, Nutricia Nederland b.v.).

In april 1984 werd door de commissie een Werkgroep Mineralen en spoorele-
menten ingesteld in de volgende samenstelling:
Dr.ir. G. Schaafsma, voorzitter.
* Dr. W. van Dokkum (stafmedewerker afdeling Voeding, Instituut voor Toxi-
cologie en Voeding TNO).
Prof.dr. J.H.P. Jonxis.
Dr. C.J.A. van den Hamer (research-coördinator, Interfacultair Reactor Insti-
tuut, Technische Universiteit Delft).

Ten behoeve van de werkzaamheden van de commissie werden twee literatuur-
onderzoeken uitgevoerd:

* — Seleen en magnesium: ir. H.F.F. Albers.

*  IJzer, koper en zink: mw.dr.ir. J.H. Brussaard.

Voorts werden in het kader van de werkzaamheden van de commissie de
volgende deskundigen geconsulteerd: Prof.dr. H.G. van Eyk (ijzer), dr. H. van
den Berg (foliumzuur en vitamine B-12), dr. G. Hornstra (vet) en een aantal
hoogleraren pediatrie (vitamine D).

De commissie werd vanuit het secretariaat van de Raad begeleid door
achtereenvolgens ir. B.C. Breedveld (tot juni 1986), mw.ir. A. van Beem (van juni
1986 tot december 1987) en mw.ir. M.R.T. Bouterse-van Haaren (vanaf decem-
ber 1987 tot april 1991). De thans voorliggende versie is voorbereid door
mw.drs. M.T.C. Ververs.

UITGANGSPUNTEN DIE BĲ DE EVALUATIE ZIJN GEHANTEERD
In de toelichting op de aanbevolen hoeveelheden werd tot nu toe door de

Commissie Voedingsnormen gesteld (1): “De aanbevolen hoeveelheden moeten
worden gezien als hoeveelheden waarnaar het wenselijk is te streven voor het

4

</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>inleiding

programmeren van de voedselvoorziening van een bevolkingsgroep of van
categorieën binnen die groep. Zij zijn tevens richtlijnen om de consumptiecijfers
te beoordelen, die beschikbaar komen uit voedingsanamnestisch onderzoek bij
groepen.”

In de praktijk worden de aanbevolen hoeveelheden al dan niet terecht

toegepast:

* Voor het programmeren van de voedselvoorziening van de bevolking of
een bevolkingsgroep.

* Als richtlijn bij het voorschrijven van voedingen/diéten voor zowel individu-
en als groepen.

* Als maatstaf voor het beoordelen van voedingen van zowel een individu
als een groep.
In de voedingsvoorlichting en in het onderwijs.

* Bij de industriële/ambachtelijke voedselbereiding met betrekking tot pro-
duktontwikkeling, verrijking- en restauratieproblematiek.

* __Als referentiekader bij de voedingswaardedeclaratie van voedingsmiddelen.

* — Als richtlijn bij het vaststellen van de op te nemen hoeveelheden voedings-
stoffen bij patiënten.

Tot nu toe heeft de commissie de laatste twee toepassingen van de aanbevolen
hoeveelheden niet bij het opstellen van de aanbevelingen betrokken en wel om
de volgende redenen.

Het referentiekader bij voedingswaardedeclaratie zal moeten gelden voor
de totale, heterogene bevolking. De aanbevolen hoeveelheden zijn echter opge-
steld voor naar geslacht en/of leeftijd homogene groepen.

Met betrekking tot de laatste toepassing moet worden opgemerkt dat de
aanbevelingen zijn bedoeld voor gezonde individuen en in principe niet gelden
voor zieken en herstellenden.

De overige vermelde toepassingen van de aanbevolen hoeveelheden zijn
terug te brengen tot de twee, die door de Commissie Voedingsnormen tot op
heden worden aangegeven en wel het programmeren van de voedselvoorzie-
ning en het beoordelen van de voedselconsumptie op groepsniveau. Wel moet
erop worden gewezen, dat bij toepassing van de aanbevolen hoeveelheden op
individuen grote voorzichtigheid is geboden omdat zij zijn opgesteld voor groe-
pen individuen.

In het kader van deze evaluatie heeft de commissie zich bij het vaststellen
van nieuwe aanbevelingen gericht op het toepassingsgebied: het programme-
ren van de voedselvoorziening.

Door echter een zeer gedetailleerde beschrijving te geven van de wijze
waarop de aanbevelingen tot stand zijn gekomen is er bovendien naar ge-
streefd de nieuwe aanbevelingen beter geschikt te maken voor het beoordelen
van resultaten van voedselconsumptie-onderzoek dat is uitgevoerd bij groepen
individuen.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>inleiding

Figuur 1.1. Wijze waarop de aanbevelingen ten behoeve van het programmeren van de voedselvoorzie-
ning en het beoordelen van de voedselconsumptie tot stand zijn gekomen.

gegevens over de
stofwisselings-
interactie van

voedingsstoffen

gegevens over de
individuele mini-
mumbehoefte aan
een voedingsstof

gegevens over de

benutbaarheid van
een voedingsstof

gegevens aver de

gemiddelde minimum- variatie in de

behoef te

minimumbehoefte

adequaat niveau/gebied

van inneming

gegevens over
voedingsgewoonten
acceptatie e.d.

aanbevolen
hoevee Iheden

programmeren
voedse lvoorziening

beoordelen
voedse Iconsumptie

Zoals door de commissie is aangegeven in de Nota Herbezinning aanbe-
volen hoeveelheden voor voedingsstoffen is bij het vaststellen van de nieuwe
aanbevelingen uitgegaan van een theoretisch model waarin de beschikbare

</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1.2.1.

inleiding

wetenschappelijke kennis over de minimumbehoefte centraal staat (2). Uitgaan-
de van deze minimumbehoefte en van informatie over de interindividuele variatie
in deze behoefte is het mogelijk een adequaat niveau/gebied van inneming van
een voedingsstof te bepalen, en wel zodanig dat in de behoefte van het groot-
ste deel van de betreffende groep is voorzien. De commissie meent, dat dit
adequate niveau/gebied van inneming in combinatie met de minimumbehoefte
en de per voedingsstof aangegeven veiligheidsmarge kan dienen als richtlijn
voor de onderzoeker bij het beoordelen van de voedselconsumptie van een
bevolkingsgroep of van categorieën binnen die groep. Een en ander is geillus-
treerd in figuur 1.1. Ten behoeve van het programmeren van de voedselvoorzie-
ning zijn door de commissie op basis van het adequate gebied van inneming
aanbevolen hoeveelheden opgesteld. In het algemeen wijken deze aanbevolen
hoeveelheden niet af van het adequate niveau/gebied van inneming. Voor de
macrovoedingsstoffen is dit wel het geval, omdat de commissie in zekere mate
rekening heeft gehouden met voedingsgewoonten en acceptatie. Dit geldt even-
eens voor die microvoedingsstoffen die zijn betrokken bij de stofwisseling van
de macrovoedingsstoffen.

De minimumbehoefte.

De minimumbehoefte van een individu aan een essentiële voedingsstof
wordt gedefinieerd als de kleinste hoeveelheid van die voedingsstof, die moet
worden ingenomen om de stofwisselingsfuncties normaal te laten verlopen.

De commissie meent dat een niveau van inneming waarbij alleen klinische
deficiëntieverschijnselen worden voorkomen niet toereikend is. Afhankelijk van
de betreffende voedingsstof en van de gegevens die beschikbaar zijn heeft de
commissie voor het vaststellen van het niveau van de minimumbehoefte de
volgende uitgangspunten gehanteerd:

De minimuminneming van een voedingsstof, die noodzakelijk is om een

stofwisselingsbalans te handhaven.

* Xx De minimuminneming van een voedingsstof om biochemisch aantoonbare
deficiëntieverschijnselen te voorkomen.

*_De minimuminneming van een voedingsstof, die nodig is om een adequate
reservevorming van de voedingsstof in het lichaam te handhaven.

*_De minimuminneming van een voedingsstof die nodig is om te compense-
ren voor de obligate verliezen aan de voedingsstof.

Daarnaast is voor het groeiende individu berekend hoeveel van de betreffende
voedingsstof in het lichaam wordt vastgelegd.

Bij het vaststellen van de minimumbehoefte heeft de commissie voorts
rekening gehouden met de biologische beschikbaarheid van de voedingsstof in
het voedsel, dat wil zeggen met de hoeveelheid die door het lichaam vanuit het
voedsel in het maagdarmkanaal kan worden geabsorbeerd.

Op basis van de in onderzoek vastgestelde verschillende minimumbehoef-
ten van (groepen) individuen is door de commissie een gemiddelde minimum-

</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.2.2.

inleiding

behoefte voor naar leeftijd en geslacht homogene groepen vastgesteld (zie fi-
guur 1.2).

Figuur 1.2. Normale verdeling Individuele minimum behoeften.

aantal

mn | en fen mn en en en ee en

behoefte
2x 5.0. A °

Het adequate niveau/gebied van inneming van een groep individuen.

Het adequate niveau/gebied van inneming van een groep individuen van
een essentiéle voedingsstof is door de commissie gedefinieerd als de hoeveel-
heid van een essentiële voedingsstof, die voorziet in de-behoefte van vrijwel alle
gezonde individuen binnen die groep.

Het adequate niveau/gebied van inneming wordt vastgesteld op basis van
de gemiddelde minimumbehoefte van een groep individuen door hieraan een
zodanige marge toe te voegen, dat in de behoefte van bijna alle individuen
binnen de groep wordt voorzien. Door toekenning van deze marge wordt reke-
ning gehouden met de interindividuele spreiding in de behoeften binnen de
groep. Wanneer er vanuit wordt gegaan dat de behoefte aan een voedingsstof
binnen de groep normaal is verdeeld en het adequate niveau/gebied van inne-
ming van een groep gelijk wordt gesteld aan de gemiddelde minimumbehoefte
+ 2x de standaarddeviatie, dekt het adequate niveau/gebied de behoefte van
97,5% van de individuen binnen die groep (zie A in figuur 1.2). Dit percentage
wordt door de commissie aanvaardbaar geacht. Wel moet worden opgemerkt
dat er in de praktijk zelden sprake zal zijn van de ideale situatie dat wil zeggen
dat binnen een groep de individuele behoefte aan een voedingsstof normaal is
verdeeld.

Voor het opstellen van de aanbevelingen voor de energievoorziening is
echter een andere werkwijze gevolgd. Als basis voor deze aanbevelingen geldt,
dat het adequate niveau van inneming het niveau aangeeft van de gemiddelde
energiebehoefte van de groep.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>1.2.3.

1.2.4,

1.3.

inleiding

Met betrekking tot het vaststellen van het adequate niveau/gebied van
inneming voor zuigelingen van 0-6 maanden is in het algemeen de voorziening
via moedermelk als belangrijkste leidraad gehanteerd. Hierbij is uitgegaan van
een gemiddeld gebruikte hoeveelheid moedermelk van 800 mi/dag en een con-
sumptie van 150 ml moedermelk/kg lichaamsgewicht/dag.

Voor sommige voedingsstoffen wordt echter een onderscheid gemaakt
tussen zuigelingen die met moedermelk worden gevoed en zuigelingen die
andere zuigelingenvoeding krijgen. Dit in verband met het feit dat er vaak een
verschil is in biologische beschikbaarheid van voedingsstoffen uit deze voedin-
gen. Het adequate niveau/gebied van inneming voor zuigelingen die niet met
moedermelk worden gevoed is dan op dezelfde wijze afgeleid als voor de overi-
ge leeftijdsgroepen.

Voor een aantal voedingsstoffen is het niet mogelijk een minimumbehoefte
vast te stellen. Hierdoor is het niet mogelijk voor deze voedingsstoffen langs
statistische weg een adequaat niveau van inneming af te leiden. Voor deze
voedingsstoffen is getracht om op basis van de beschikbare gegevens een
adequaat gebied van inneming aan te geven waarbinnen de voorziening zou
moeten plaatsvinden om de kans op het optreden van tekorten of van overdo-
seringen zo klein mogelijk te houden.

De aanbevolen hoeveelheid van een voedingsstof.

De aanbevolen hoeveelheid van een voedingsstof wordt door de commis-
sie gedefinieerd als de hoeveelheid van een voedingsstof, waarnaar het wense-
lijk is te streven in het kader van het programmeren van de voedselvoorziening
van een bevolkingsgroep of van homogene categorieën binnen de groep. Deze
aanbevolen hoeveelheden zijn de hoeveelheden energie, voedingsstoffen en
essentiële voedingsstoffen die per dag beschikbaar moeten zijn voor consump-
tie door bevolkingsgroepen van verschillende leeftijd en onder verschillende
omstandigheden om een goede voorziening met energie en voedingsstoffen
voor de totale bevolking te kunnen verzekeren. Eerder is er al op gewezen dat
deze aanbevolen hoeveelheden zijn bedoeld voor groepen gezonde individuen;
voor de voedselvoorziening van zieken en herstellenden zijn zij in principe niet
van toepassing.

Toxiciteit.
Bij het vaststellen van de nieuwe aanbevelingen is (voorzover relevant)

tevens een grens aangegeven waar beneden de voorziening met een voedings-
stof moet blijven om schadelijke effecten van de inneming te voorkomen.

DE GROEPSINDELING DIE WORDT GEHANTEERD

Bij het vaststellen van de aanbevelingen wordt onderscheid gemaakt in
naar leeftijd en geslacht homogene groepen. Deze indeling is noodzakelijk om

9

</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>inleiding
rekening te kunnen houden met de invloed van factoren als groei, lichaamssa-
menstelling en lichaamsgrootte op de behoefte aan voedingsstoffen.

De indeling in groepen zoals deze in het verie- = Tabel 1.1. Categorie/leettijdsin-
den door de commissie werd gehanteerd (zie (1))  “eling en gemiddelde tichaams-

is op basis van nieuwe gegevens over groei en pe a deld
ontwikkeling van kinderen in Nederland aangepast “Teettid f wicht
(3). Bij de nieuwe indeling in leeftijdsgroepen is kg
getracht de groepen zodanig te kiezen dat binnen zuigelingen
een groep de groei per jaar ongeveer gelijk is. 0-%a 5,5
Daarnaast is getracht de indeling zoveel mogelijk et 8,5
overeen te laten stemmen met de indelingen die oie 14
worden gebruikt door de National Research Coun- 4-7 20,5
cil in Amerika (4) en de FAO/WHO (bijvoorbeeld 7-10 28,5
(5)). De nieuwe indeling is weergegeven in tabel 10-13 38
13-16 54
1.1, 16-19 67,5
meisjes
Ten opzichte van de oude indeling zijn de vol- 1-4 14
gende wijzigingen aangebracht. Voor kinderen tot aah are
10 jaar is de indeling naar leeftijdscategorie voor 10-13 39,5
jongens en meisjes gelijkgesteld. Voorts is de leef- 13-16 54
tidsgroep van 0-6 maanden toegevoegd. Voor 16-19 59
adolescenten worden drie leeftijdscategorieën aan- mannen
19-22 72
gehouden. Op grond van de gegevens over groei 22.50 75
en ontwikkeling kan er vanuit worden gegaan dat 50-65 75
de groeispurt voor de meeste meisjes valt in de 255 70
periode 10-13 jaar en voor de meeste jongens in "aa 60
de periode 13-16 jaar. Tussen adolescenten en 22-50 65
volwassenen is een extra categorie van 19-22 jaar 50-65 65
ingevoegd. Dit in verband met het feit, dat bij man- 265 65
nen in deze periode nog een beperkte groei zwangeren 70
plaatsvindt. De volwassenen zijn ingedeeld in drie zogenden 65

leeftijdsgroepen en wel 22-50 jaar, 50-65 jaar en 65

jaar en ouder. De grens van 50 jaar is gekozen in verband met het optreden
van de menopauze bij vrouwen rond deze leeftijd hetgeen gepaard gaat met
veranderingen in de behoefte aan bepaalde voedingsstoffen. De leeftijdsgrens
van 65 jaar is gekozen omdat rond die leeftijd voor een groot aantal individuen
duidelijke veranderingen in activiteitenpatroon, leefomstandigheden en dergelij-
ke plaatsvinden. Met uitzondering van de relatie met het energieverbruik is de
betekenis van deze leeftijdsgrens echter gering.

Indien er in het advies gesproken wordt over zuigelingen dan wordt de
leeftijdscategorie van 0-1 jaar bedoeld; voor peuters geldt de leeftijd van 1-4
jaar, voor kleuters 4-7 jaar, voor kinderen 7-13 jaar, voor tieners/adolescenten
en pubertijd 13-19 jaar, voor jong volwassenen/jonge vrouwen/jonge mannen
19-22 jaar, voor volwassenen vanaf 22 jaar en voor ouderen/oudere mens de
leeftijd vanaf 65 jaar.

Bij het opstellen van de aanbevelingen voor energie en voedingsstoffen
voor de verschillende leeftijdsgroepen is uitgegaan van de in tabel 1.1 vermelde

10

</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>1.4.

inleiding

lichaamsgewichten. Deze lichaamsgewichten zijn geen ideale gewichten, waar-
aan de betreffende leeftijdsgroep zou moeten voldoen, doch aangenomen refe-
rentiegewichten. Voor de leeftijdscategorieën tot 22 jaar betreft dit referentie-
gewicht het gemiddelde lichaamsgewicht van de centrale leeftijd van de betref-
fende categorie, zoals dit is vastgesteld door Roede en Van Wieringen (3). De
gewichten van de volwassenen zijn gebaseerd op de gegevens van de door
het Centraal Bureau voor de Statistiek uitgevoerde gezondheidsenquête, die
betrekking heeft op 20.000 personen (6). Op grond van deze gegevens is het
referentiegewicht van mannen tot 65 jaar vastgesteld op 75 kg en voor mannen
van 65 jaar en ouder op 70 kg. Voor vrouwen van 22 jaar en ouder wordt het
referentiegewicht gesteld op 65 kg, terwijl tijdens de zwangerschap wordt uitge-
gaan van een referentiegewicht van 70 kg.

Op basis van de gegevens uit tabel 1.1 kan tevens een gewichtsfactor
voor groei worden berekend. Van deze factor is uitgegaan bij de berekening
van de behoefte aan voedingsstoffen voor groei. Voor zuigelingen kan worden
berekend dat de gewichtstoename gedurende het eerste levenshalfjaar gemid-
deld ca. 4 g per kg lichaamsgewicht per dag bedraagt. Daarbij moet worden
opgemerkt dat de groeisnelheid gedurende de eerste levensmaand het grootst
is en vervolgens geleidelijk daalt. In het tweede levenshalfjaar bedraagt de ge-
middelde gewichtstoename ca. 1,5 g per kg lichaamsgewicht per dag.

DE BETROUWBAARHEID VAN DE AANBEVELINGEN

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de aanbevelingen die op de in
de vorige paragrafen beschreven wijze tot stand zijn gekomen moet het volgen-
de worden opgemerkt. Deze betrouwbaarheid zou het grootst zijn wanneer voor
iedere categorie de gemiddelde minimumbehoefte en de spreiding in deze
behoefte zou zijn vastgesteld bij een representatieve steekproef. Het onderzoek
dat hiervoor zou moeten worden uitgevoerd is echter bijzonder kostbaar en
tijdrovend. Bovendien zijn deze onderzoeken soms uit ethische overwegingen
niet uitvoerbaar. Als dergelijk onderzoek wel is uitgevoerd heeft het vaak slechts
betrekking op een gering aantal proefpersonen en een korte periode. Als ge-
volg hiervan moet de gemiddelde minimumbehoefte van een groep individuen
meestal op basis van beperkte informatie worden geschat. Naast deze proble-
matiek is er nog een aantal factoren aan te geven die het vaststellen van de be-
hoefte aan voedingsstoffen moeilijk maken en die de betrouwbaarheid van de
aanbevelingen in negatieve zin beïnvloeden. Het betreft:

* De onzekerheid over de mate waarin voedingsstoffen uit de voeding wor-
gen geabsorbeerd.

* Het voorkomen van precursors waarmee gedeeltelijk in de behoefte aan
een voedingsstof kan worden voorzien (bijvoorbeeld provitamine A carote-
noïden bij vitamine A). In verband hiermee moet er inzicht bestaan in de te
hanteren conversiefactor.

* Het voorkomen van verbindingen met verschillende biologische activiteit
zoals bij vitamines (bijvoorbeeld vitamine E).

* Het voorkomen van voedingsstoffen in vormen met een verschillende bio-
logische beschikbaarheid (bijvoorbeeld haem- en non-haem-ijzer).

11

</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>1.5.

1.5.1.

1.5.2.

1.5.3.

inleiding

*_Het optreden van interacties tussen verschillende voedingsstoffen (bijvoor-
beeld ijzer-vitamine C, calcium-fosfor).

*_Het optreden van adaptatie aan een lage voorziening (bijvoorbeeld ijzer en
calcium) door een aanpassing van de absorptie en/of endogene excretie.

Tenslotte moet erop worden gewezen dat bij het vaststellen van de aanbevelin-
gen door de commissie aandacht is geschonken aan factoren buiten de voe-
ding, die de behoefte aan voedingsstoffen kunnen beïnvloeden zoals roken en
het gebruik van hormonale anticonceptiva en geneesmiddelen. De commissie is
echter van mening dat de beschikbare informatie onvoldoende is om de moge-
lijke invloed van deze factoren kwantitatief in de aanbevelingen voor de verschil-
lende voedingsstoffen te kunnen verwerken.

HET GEBRUIK VAN DE AANBEVELINGEN
Het programmeren van de voedselvoorziening.

Bij het opstellen van het adequaat niveau/gebied van inneming heeft de
commissie rekening gehouden met de biologische beschikbaarheid van de
voedingsstof in het voedsel. Geen rekening is gehouden met verliezen aan
voedingsstoffen die bijvoorbeeld als gevolg van het bewaren en/of de bereiding
van voedsel kunnen optreden. Dit betekent dat bij het programmeren of het
beoordelen van de voedselvoorziening moet worden uitgegaan van de voe-
dingsstoffensamenstelling van toebereide voedingsmiddelen.

Voedingsstoffendichtheid.

De aanbevelingen zijn opgesteld voor naar geslacht en/of leeftijd homoge-
ne groepen. In de praktijk zal er echter vaak sprake zijn van heterogene groe-
pen, hetgeen voor het programmeren van de voedselvoorziening problemen
kan opleveren. In de Scandinavische landen wordt het gebruik van aanbevelin-
gen per eenheid van energie (nutrient density) gezien als een oplossing voor dit
probleem. Het is mogelijk om met behulp van de door de commissie opgestel-
de aanbevelingen de voedingsstoffendichtheid te berekenen waarbij het gebrui-
kelijk is om uit te gaan van de voedingsstoffenbehoefte van de volwassen man
met lichte lichamelijke activiteit.

De commissie is van mening, dat de voedingsstoffendichtheid een goed
hulpmiddel kan zijn bij de beoordeling van de voedingswaarde van een voe-
dingsmiddel. Het relateren van de voedingsstoffenbehoefte aan het energiever-
bruik mist volgens de commissie echter voor de meeste voedingsstoffen de
fysiologische basis om als norm te kunnen worden gehanteerd.

Het beoordelen van de voedselconsumptie van groepen.

In het verleden is als criterium voor de beoordeling van de resultaten van
voedselconsumptie-onderzoek aangegeven dat in het algemeen een groepsge-

12

</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>inleiding

middelde dat 20% of meer onder de aanbevolen hoeveelheden ligt, erop wijst,
dat de voeding voor velen van de onderzochte groep niet toereikend is. Dit
criterium is volgens de commissie echter te algemeen en houdt bijvoorbeeld
geen rekening met de spreiding in de individuele behoefte aan een voedings-
stof.

De commissie is van mening dat in dit verband het adequate niveau/ge-
bied van inneming en de veiligheidsmarge die is gehanteerd om het adequate
niveau/gebied van inneming af te leiden uit de gemiddelde minimumbehoefte
beter kunnen worden gehanteerd als leidraad voor de onderzoeker bij het be-
oordelen van de voedselconsumptie van een bevolkingsgroep of categorieën
binnen de groep. Doordat per voedingsstof de afzonderlijke gegevens over de
minimumbehoette, het adequate niveau/gebied van inneming en mogelijke inter-
acties tussen voedingsstoffen worden vermeld is het met de thans opgestelde
aanbevelingen voor de onderzoeker mogelijk om de voedingsstoffenvoorziening
van onderzochte groepen meer gedifferentieerd te beoordelen (zie ook §1.2.2.).

Met nadruk wijst de commissie er echter op dat uit het bestaan van een
discrepantie tussen de aanbevelingen en het resultaat van voedselconsump-
tie-onderzoek zonder nader onderzoek niet mag worden geconcludeerd dat er
sprake is van een tekort-situatie. Bij dat onderzoek zou onder andere aandacht
moeten worden besteed aan:

* De validiteit van de gehanteerde methode van voedselconsumptie-onder-
zoek.

De betrouwbaarheid van de analysegegevens van voedingsmiddelen.

*  Metingen van parameters van de voedingstoestand.

Voorts moet erop worden gewezen dat ook in de situatie waarin de gemiddelde
voorziening met een voedingsstof voor een groep boven het adequate
niveau/gebied van inneming ligt, er statistisch gezien nooit zekerheid kan be-
staan dat de behoefte van alle individuen binnen die groep wordt gedekt. Het
aantal individuen waarvan de behoefte niet wordt gedekt wordt bepaald door
de spreiding in de voorziening met een voedingsstof en de spreiding in de be-
hoefte aan de betreffende voedingsstof.

Door Waterloo is een model uitgewerkt waarmee een schatting kan wor-
den gemaakt van het aantal individuen binnen een groep, waarvan de actuele
voorziening met een voedingsstof beneden de behoefte ligt (zie figuur 1.3).
Hierbij wordt aangenomen dat:

* De behoeften normaal zijn verdeeld.

* Het adequate niveau/gebied van inneming gelijk is aan de gemiddelde
behoefte + 2x de standaarddeviatie.

* 50% van de individuen minder innemen dan wordt aanbevolen met een

verdeling zoals weergegeven in het gearceerde histogram in figuur 1.3.

13

</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>1.5.4.

inleiding

Figuur 1.3. Berekening van het aantal personen bij wie de voorziening waarschijnlijk minder zal zijn dan
de Individuele behoefte Indien 50% van de onderzochte personen een voorziening heeft die beneden
het adequaat niveau van inneming ligt.

Spreiding van
individuele
behoeften

0.5 1.0 15 2.0 x
6 A
x-as: hoeveelheid voedingsstof per dag (in standaarddeviatie eenheden).
y-as: aantal individuen.
A: adequaat niveau van inneming.
G: gemiddelde,

In het ongunstigste geval zullen alle innemingen in elke staaf zich aan de
linkergrens van de staaf bevinden; in het meest gunstige geval zullen zij zich
juist aan de rechtergrens van de staaf concentreren. Voor de ongunstigste res-
pectievelijk de gunstigste situatie vindt men dan de in tabel 1.2 weergegeven
percentages.

Het beoordelen van de voedselconsumptie van een individu.

Al eerder is opgemerkt dat de aanbevelingen zijn opgesteld voor een
groep en dat zij in principe niet gelden voor een individu. Als men echter vol-
doende inzicht heeft in de elementen van waaruit het adequate niveau/gebied
van inneming is opgebouwd, kunnen deze afzonderlijke elementen in de praktijk
wel nuttig zijn bij het beoordelen van de voedselconsumptie van een individu.
Zo zal men op basis van de voedingsstoffeninneming van een individu en de
gemiddelde minimumbehoefte en het adequaat niveau van inneming van de
categorie waartoe het individu behoort een indruk kunnen krijgen van de kans
dat een individu zich in een tekort-situatie zou kunnen bevinden.

14

</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>1.6.

1.7.

inleiding

Tabel 1.2. Aantal personen bij wie de voorziening (V) waarschijnlijk min-
der zal zijn dan de individuele behoefte (i) indien 50% van de onder-
zochte personen een voorziening heeft die beneden het adequate ni-
veau van inneming ligt.

ongunstigste situatie gunstigste situatie
% pers. voor wie % pers. voor wie
het waarschijnlijk het waarschijnlijk is
n kans dat |is dat: kans dat | dat:
% V<i V<i V<i V<i
5 0,50 2,5 0,31 1,6
9 0,31 2,8 0,16 1,4
15 0,16 2,4 0,07 1,1
21 0,07 1,5 0,02 0,4
totaal 9,2 4,5
Bron: (7)

DE NOMENCLATUUR VAN VITAMINES

Met betrekking tot de nomenclatuur van vitamines is in dit advies uitge-
gaan van de aanbevelingen van het Committee on Nomenclature van de Inter-
national Union of Nutritional Sciences (8).

DE OPZET VAN HET ADVIES

Ten einde geen onduidelijkheden te laten bestaan over de basis waarop
de aanbevelingen berusten wordt per voedingsstof een toelichting gegeven. De
opbouw van de verschillende hoofdstukken is zodanig dat eerst in een beknop-
te inleiding de algemene kenmerken van de voedingsstof zoals nomenclatuur,
voorkomen, eigenschappen, fysiologische betekenis, deficiëntieverschijnselen bij
de mens en bij dieren voor zover deze relevant zijn voor de mens en de bepa-
ling van de voedingsstoffenstatus worden belicht. Deze paragrafen zijn beperkt
van opzet gebleven. Voor meer uitvoerige informatie wordt verwezen naar de
bestaande handboeken. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de be-
schikbare wetenschappelijke informatie over de behoefte van de verschillende
leeftiidscategorieén en van de factoren die deze behoefte beïnvloeden. Ook de
biologische beschikbaarheid en toxiciteit komen in deze paragrafen aan de
orde. Op basis van de bijeengebrachte gegevens wordt tenslotte het adequate
niveau/gebied van inneming afgeleid. De geraadpleegde literatuur wordt per
voedingsstof gegeven. Tenslotte wordt een overzicht gegeven van de aanbevo-
len hoeveelheden die zijn berekend op basis van de vastgestelde adequate
niveaus/gebieden van inneming. Voor alle voedingsstoffen zijn de hoeveelheden
uitgedrukt in hoeveelheden per dag.

Een overzicht van het adequate niveau/gebied van inneming van de ver-
schillende voedingsstoffen is als bijlage in het advies opgenomen.

15

</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>1.8.

1.9.

inleiding

TOEKOMSTIGE ACTIVITEITEN

De door de commissie opgestelde aanbevelingen zijn tot stand gekomen
op basis van de beschikbare wetenschappelijke literatuurgegevens waarbij de
commissie zich niet heeft laten leiden door de aanbevelingen die door andere
(inter)nationale organisaties zijn opgesteld. Uiteraard heeft de commissie de
wijze waarop die organisaties de wetenschappelijke gegevens hebben geïnter-
preteerd wel in haar beschouwingen betrokken. Als gevolg van verschillen in
gehanteerde uitgangspunten, verschillen in de wijze van interpreteren van gege-
vens, specifieke omstandigheden en een aantal niet te objectiveren factoren zijn
de aanbevelingen zoals deze door verschillende (inter)nationale organisaties zijn
opgesteld niet eenduidig.

In het huidige advies zijn voor een aantal voedingsstoffen aanbevelingen
opgesteld waarvoor tot op heden geen Nederlandse normen beschikbaar wa-
ren. De commissie geeft in overweging om eveneens in de komende vijf jaar het
aantal voedingsstoffen waarvan aanbevelingen voor Nederland zijn opgesteld
verder uit te breiden. Hierbij wordt met name gedacht aan jodium, fluor, biotine,
panthoteenzuur en niacine. Daarnaast is het volgens de commissie gewenst
extra aandacht te besteden aan de invloed van interacties tussen voedingsstof-
fen op het niveau van de aanbevelingen. Vanzelfsprekend zullen de thans op-
gestelde aanbevelingen zonodig bijgesteld moeten worden op basis van de
wetenschappelijke gegevens die na 1987 beschikbaar zijn gekomen.

LITERATUUR

1. Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel. Nederlandse voedingsmiddelentabel. 35e druk.
‘s-Gravenhage: Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

2. Commissie Voedingsnormen Voedingsraad. Nota Herbezinning aanbevolen hoeveelheden voor voe-

dingsstoffen. Voeding 1984; 45: 71-4.

3. Roede MJ, Van Wieringen JC. Growth diagrams 1980; Netherlands third nation-wide survey. T Soc Ge-
zondheidsz 1985; 63 suppl: 1-34.

4. National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington: National Academy of
Sciences, 1980.

5. FAO/WHO. Energy and protein reguirements. WHO Techn Rep Series 522. Geneva: WHO, 1973.

6. Appelboom WJMJ. Lengte en gewichtswaarnemingen in de continue gezondheidsenquête, regionaal
gezien, 1981/1984, Maandbericht Gezondheidsstatistiek CBS 1986; 5: 5-13.

7. Waterloo, JC. Uses of recommended intakes. Food Pol 1974; 4: 107.

8, Anoniem. Nomenclature Policy: Generic descriptors and trivial names for vitamins and related com-
pounds. J Nutr 1987; 117: 7-14.

16

</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>2.

2.1.

2.2.

2.3.

2.4.

2.5.

2.6.

Energie

INLEIDING

FACTOREN DIE DE ENERGIEBEHOEFTE BEINVLOEDEN

2.2.1. Lichaamsgewicht en -samenstelling

2.2.2. Basaalstofwisseling

2.2.3, Groei en lactatie

2.2.4. Lichamelijke activiteit

2.2.5. Door voedsel geïnduceerde thermogenese

METING VAN HET ENERGIEVERBRUIK
2.3.1. Basaalstofwisseling
2.3.2. Lichamelijke activiteit

ENERGIEBEHOEFTE

2.4.1. Volwassenen

2.4.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
2.4.3. Zwangerschap en lactatie
VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

LITERATUUR

17

</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>energie

18

</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>2.1.

2.2.

2.2.1.

energie

INLEIDING

Alle levensprocessen vragen energie die, wil het organisme in energetisch
evenwicht blijven, in de vorm van voedsel moet worden opgenomen. De voornaamste
energiebron voor de meeste levensprocessen zoals biosynthese en spiercontractie
is het energierijke adenosinetrifostaat (ATP). Bij de afbraak van eiwitten, vetten en
koolhydraten uit het voedsel komt energie beschikbaar die gedeetteliik wordt vastgelegd
in de vorm van ATP. Daarnaast komt 35% van de energetische waarde van het
opgenomen voedsel in de vorm van warmte vrij. Ook bij de omzetting van de
macrovoedingsstoffen in lichaamsvet en bij de omzetting in externe arbeid komt
een deel van de energetische waarde als warmte vrij. De energetische waarde van
koolhydraten bedraagt bij benadering 17 kJ/g, die van vet 38 kJ/g en van eiwit 17
kJ/g. Alcohol heeft een energetische waarde van 29 kJ/g.

De behoefte van een individu aan energie wordt door de FAO/WHO omschreven
als het niveau van de energie-inneming dat in evenwicht is met het energieverbruik
in een situatie, waarin sprake is van een gewicht en lichaamssamenstelling en een
niveau van lichamelijke activiteit die een goede gezondheid op lange termijn
waarborgen (1). De energie-inneming dient voor kinderen, zwangere en lacterende
vrouwen tevens te voorzien in de energiebehoefte als gevolg van de groei van weefsel
of secretie van melk.

De adequate inneming voor energie moet op een andere wijze worden vastgesteld
dan de adequate inneming voor de macro- en microvoedingsstoffen, omdat de vei-
ligheidsmarge die bij het vaststellen van de adequate inneming voor macro- en
microvoedingsstoffen wordt gehanteerd, bij het vaststellen van de adequate inneming
voor energie niet kan worden toegepast. De eventuele overmaat aan opgenomen
energie wordt namelijk vastgelegd in de vorm van vetweefsel hetgeen een ongewenste
toename van het lichaamsgewicht tot gevolg heeft. Bij het vaststellen van de adequate
inneming voor energie wordt uitgegaan van de gemiddelde behoefte van de betreffende
categorie (minimumbehoefte). Deze gemiddelde behoefte kan worden geschat op
basis van in onderzoek vastgestelde waarden voor de energie-inneming en -verbruik
van (groepen) personen die energetisch in balans zijn.

FACTOREN DIE DE ENERGIEBEHOEFTE BEÏNVLOEDEN
Lichaamsgewicht en -samenstelling.

Het lichaamsgewicht is de belangrijkste determinant voor de energiebehoefte.
Variatie in lichaamsgewicht geeft een aanzienlijk grotere verandering in de ener-
giebehoefte dan de metabole variaties die kunnen optreden in bijvoorbeeld de
basaalstofwisseling of de door voedsel geïnduceerde thermogenese. De adequate
inneming voor energie wordt in dit advies daarom per kg lichaamsgewicht
weergegeven.

Voor het vaststellen van de adequate inneming voor energie is naast het
lichaamsgewicht de lichaamssamenstelling van belang. Vanaf de zuigelingenleeftijd
tot aan de volwassenheid treedt er een enorme verschuiving op in het aandeel van
de verschillende weefsels in het totale lichaamsgewicht. Door het verschil in energiebe-

19

</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>2.2.2.

energie

hoefte van de verschillende weefsels hebben veranderingen in de samenstelling
van het lichaam invloed op de totale energiebehoefte. Zo is bij volwassenen het
energieverbruik van de lever relatief het hoogst, terwijl bij zuigelingen de hersenen
veel energie verbruiken (1). Voorts is de intensiteit van de stofwisseling in het vetweefsel
en daarmee het energieverbruik gering, met uitzondering van de stofwisseling van
het bruine vetweefsel. Het energieverbruik van het spierweefsel is sterk afhankelijk
van de mate van inspanning.

Met het ouder worden neemt het aandeel van de vetmassa in het lichaamsgewicht
toe en het aandeel van de spiermassa af. Dit heeft een daling van de energiebehoefte
tot gevolg (2). Deze veranderingen treden vooral op na de leeftijd van 40 jaar (2,3,4).
De vetvrije massa bij ouderen is ten opzichte van jonge volwassenen verminderd
met 15-25% (5).

De veranderingen in de lichaamssamenstelling verklaren vrijwel volledig de
veranderingen in de energiebehoefte met de leeftijd.

Om de energiebehoefte te kunnen koppelen aan het handhaven van een goede
gezondheid moet worden uitgegaan van een waarde voor lichaamsgewicht en
-samenstelling voor de verschillende categorieën, die in relatie staat met een goede
gezondheid. Een dergelijke maat voor het lichaamsgewicht en de lichaamssamenstelling
is voor het niet-groeiende individu de Quetelet Index (QI): gewicht (kg) x lengte (m)?
Deze index blijkt vrijwel onafhankelijk te zijn van de lengte en heeft een duidelijke
J-vormige relatie met het risico op sterfte (6). Het gebied waarin dit risico het kleinst
is, is het gebied met een QI van 20-25 (7). Voorts blijkt dat de mate van overgewicht
invloed heeft op het niveau van bepaalde risico-indicatoren van hart- en vaatziekten
en op het ontstaan van bepaalde chronische aandoeningen (6). Uit recente bevindingen
kan worden afgeleid dat indien obesitas wordt vastgesteld op jonge leeftijd, obesitas
kan worden beschouwd als onafhankelijke risico-indicator voor het ontstaan van
hart- en vaatziekten (pers mededeling, Kromhout D).

Voor het groeiende individu is de AI geen goede maat voor de lichaamssa-
mensteling. De QI neemt namelijk in deze situatie toe, terwijl het percentage lichaamsvet
gelijk blijft. Dit wordt veroorzaakt door de sterke verandering in de lichaamslengte
in deze levensfase. Als maat voor de lichaamssamenstelling voor kinderen wordt
daarom gebruik gemaakt van het percentage lichaamsvet (8).

Basaalstofwisseling.

De basaalstofwisseling (BSW) is gedefinieerd als de som van de minimum-
activiteiten van alle lichaamscellen in een evenwichtssituatie onder gecontroleerde
omstandigheden en wordt meestal uitgedrukt als hoeveelheid warmteproduktie of
zuurstofconsumptie per eenheid van lichaamsgewicht (9).

Door Schofield zijn de uit verschillende onderzoeken beschikbare gegevens van
de basaalstofwisseling nader geanalyseerd. Dit betreft ca. 7.000 technisch aanvaardbare
metingen bij individuen van beide seksen en alle leeftijden (10). In tabel 2.1 zijn de
regressievergelijkingen voor het schatten van de energiebehoefte voor de basaal-
stofwisseling weergegeven, die op basis van deze analyse zijn opgesteld voor de
verschillende leeftijdscategorieën. Uit deze analyse blijkt dat een lineaire regressie-

20

</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>2.2.3.

energie

vergelijking op basis van het gewicht voor de leeftijdscategorieën tot 18 jaar de
nauwkeurigste schatting van de energiebehoefte voor de basaalstofwisseling geeft.
Voor de categorieën boven de 18 jaar is de voorspellende waarde van deze regressie-
vergelijking wat minder groot.

Tabel 2.1. Regressievergelijkingen voor het schatten van
de energiebehoefte voor de basaalstofwisseling (BSW) in
MJ per 24 uur uit het lichaamsgewicht (G).

De basaalstofwisseling kan
worden beïnvloed door factoren

zoals omgevingstemperatuur en — 5 eK)
chronische veranderingen in voed-
selopneming (hongeren), voorzo- < 3 jaar
ver er sprake is van een extreme | mBSW=0,249G*+0,127| 162 0,95 | 0,2925
situatie. De hierbij optredende v BSW = 0,244 G +0,130| 137 0,96 | 0,2456
verandering in de basaalstofwisse- 3 tot 10 jaar
ling wordt in de literatuur de adap- |, gow =00956G +2110] 338 0,83 | 0,2803
tieve thermogenese genoemd. v BSW = 0,085 G +2,033| 413 0,81 | 0,2924
Over de betekenis van deze vorm
van thermogenese voor de mens 10 tot 18 jaar
is weinigbekend. Veranderingen | m BSW =0,074G +2754| 734 0,93 | 0,4404
in de activiteit van het sympati- v BSW = 0,056 G + 2,898] 575 0,80 | 0,4661
sche zenuwstelsel en het interme- 18 tot 30 jaar
diaire metabolisme zouden hierbij | , poy — 0,063 G +2,896| 2879 oes | 0,6407
een rol spelen (11). In het alge- VBSW =0,062G +2036| 829 oza | 04967
meen wordt aangenomen, dat de
adaptieve thermogenese de totale 30 tot 60 jaar
energiebehoefte voor maximaal | mBSW=0048G +3653| 646 0,60 | 0,6997
10-15% kan beïnvloeden. v BSW = 0,034 G +3,538| 372 0,68 | 0,4653
> 60 jaar
m BSW = 0,049G +2,459] 50 0,71 | 0,6865
Groei en lactatie.
v BSW = 0,038 G +2755| 38 0,68 | 0,4511
De en ergiebehoefte voor 1) n = steekproefomvang Bron: (10)
groei is gelijk aan de hoeveelheid 2) r = muitipele correlatiecoëfficiënt |
energie die wordt vastgelegd in 3) se. = standaardfout
nieuw gevormd weefsel en de 4) G = = gewicht in kg.

energie die nodig is voor de synthese van dit weefsel.

Voor zuigelingen en zwangeren is de hoeveelheid energie die nodig is voor
groei, aanzienlijk. Voor zuigelingen wordt in het algemeen een gemiddelde waarde
van ca. 20 kJ/g weefsel aangehouden (1). Voor zwangeren wordt een hogere waarde
aangehouden (ca. 30 kJ/g weefsel), omdat ten opzichte van zuigelingen relatief meer
vet wordt vastgelegd.

Bij kinderen en adolescenten is de groeisnelheid relatief langzaam in vergelijking
met die van zuigelingen. De voor groei benodigde hoeveelheid energie maakt bij
kinderen en adolescenten (ook tijdens de groeispurt) slechts een te verwaarlozen
deel uit van de totale energiebehoefte. Bij het vaststellen van de aanbevolen
hoeveelheden voor energie behoeft hiermee bij deze categorieën dan ook geen
rekening te worden gehouden.

21

</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.2.4.

2.2.5.

energie

Voor lacterenden wordt de extra energiebehoefte bepaald door de hoeveelheid
energie die nodig is voor de melkproduktie en de energie die in de melk wordt

vastgelegd.

Lichamelijke activiteit.

Lichamelijke activiteit kost
energie. Afhankelijk van de ma-
te van lichamelijke inspanning
kan deze hoeveelheid oplopen
tot 10-15 maal de basaalstof-
wisseling. Er bestaat tussen
individuen een grote spreiding
in energieverbruik als gevolg
van verschillen in het lichamelij-
ke activiteitenpatroon. Het is
daarom noodzakelijk tot een
goede definiëring van het
activiteitenpatroon te komen.

Daartoe moet eerst het
energieverbruik van een aantal
niveaus van inspanning worden
bepaald (zie tabel 2.2) (12).
Door de commissie zijn ver-
volgens een aantal 24-uurs
activiteitenpatronen gedefini-
eerd, waarbij de toename van
het energieverbruik ten opzichte
van de basaalstofwisseling is
berekend (zie tabel 2.3).

Tabel 2.2. Energieverbruik van 20-30 jarigen voor verschilien-
de niveaus van inspanning per kg lichaamsgewicht per uur.

niveau van inspanning x basaal- kJ/kg/uur
stofwisse-

ling man vrouw
A. basaalstofwisseling 1,0 4,2 3,9
B. zeer geringe inspanning 1,3 5,5 5,1
C. geringe inspanning 1,9 8,0 7,4
D. matige inspanning 48 20,2 18,7
E. grote inspanning 7,1 29,8 27,7

Bron: (12)

Tabel 2.3. Definläring activiteitenpatroon en factor waarmee
het energieverbruik ten opzichte van de basaalstofwisseling

toeneemt.
activiteitenpatroon type inspanning” x basaal-
(uren) stofwisseling
A B C D E
zeer gering actief 8 11 5 0 0 1,3
gering actief 8 10 5 1 0 1,5
matig actief 8 8 5 3 0 1,8
zeer actief 8 8 4 2 2 21

1) zie tabel 2.2.

Door voedsel geinduceerde thermogenese.

De door voedsel geïnduceerde thermogenese is gelijk aan de toename van
het energieverbruik door opneming, absorptie en verwerking (onder andere opslag)
van voedsel. In de praktijk wordt dit verbruik vastgesteld door gedurende 3 a 4 uur
na het nuttigen van de maaltijd het extra energieverbruik te meten ten opzichte van

de rustwaarde voor de maaltijd.

In het algemeen valt het extra energieverbruik als gevolg van de door voedsel
geïnduceerde thermogenese binnen de voor de basaalstofwisseling aangegeven
verhoging in het geval van zeer geringe lichamelijke activiteit (zie tabel 2.3). De door
voedsel geïnduceerde thermogenese wordt ook wel dynamische werking genoemd.

22

</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>2.3.

2.3.1.

2.3.2.

2.4.

2.4.1.

energie

METING VAN HET ENERGIEVERBRUIK

Basaalstofwisseling.

De basaalstofwisseling wordt gemeten in de ochtenduren direct na het ontwaken,
terwijl de proefpersoon ten minste 8 uur niet heeft gegeten. De voeding van de
voorafgaande 24 uur moet evenwichtig zijn ten aanzien van de voedingsstoffen.
De meting vindt liggend plaats bij een thermoneutrale temperatuur en in een rustige
omgeving.

De hoeveelheid energie die nodig is voor de basaalstofwisseling wordt in de
praktijk vaak benaderd door het energieverbruik gedurende de slaap te meten. In
het algemeen is het energieverbruik in deze situatie 5% lager dan in de situatie direct
na het ontwaken (13).

Lichamelijke activiteit.

Om de hoeveelheid energie die nodig is voor lichamelijke activiteit vast te stellen
moeten de duur en de intensiteit waarmee een bepaalde activiteit wordt uitgevoerd,
worden gemeten. Er is een aantal overzichtsartikelen verschenen over de verschillende
meetmethoden die worden gebruikt voor het vaststellen van de lichamelijke activiteit,
zowel bij volwassenen als bij kinderen (14,15,16). Een belangrijk punt van kritiek
op de meeste meetmethoden is het feit, dat de gebruikelijke lichamelijke activiteit
tijdens de proefperiode wordt beïnvloed door de meting. Hierdoor zijn geen
betrouwbare onderzoeksgegevens over het energieverbruik tijdens lichamelijke activiteit
beschikbaar.

De enige techniek waarbij de genoemde beïnvloeding niet plaatsvindt, is de
zogenaamde dubbelgemerkte watermethode (17). Deze methode is recent weer
in de belangstelling komen te staan (18,19). Het energieverbruik kan met behulp
van deze methode over een langere periode, namelijk 10-15 dagen, betrouwbaar
worden gemeten. Verwacht mag worden dat de komende jaren gegevens beschikbaar
zullen komen die met behulp van deze methode zijn verzameld.

ENERGIEBEHOEFTE
Volwassenen.
Lichaamsgewicht en -samenstelling.
Als normaal gebied voor lichaamsgewicht en -samenstelling, uitgedrukt als Ql,
wordt een QI van 20-25 aangehouden (zie §2.2.1.). Deze waarde komt globaal overeen

met een percentage lichaamsvet van 12-20 voor mannen en 20-30 voor vrouwen.

In tabel 2.4 zijn zowel voor een QI van 20 als voor een QI van 25 voor een aantal
lengtematen de bijbehorende gewichten berekend.

23

</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>energie

Basaalstofwisseling.

De energiebehoefte voor de basaalstofwisseling kan
worden berekend met behulp van de regressievergelijkingen
zoals weergegeven in tabel 2.1. De berekende waarden zijn
opgenomen in tabel 2.5.

De daling van de basaalstofwisseling, die vanaf ca. 30
jaar optreedt, is zeer geleidelijk. Het verschil in basaal-
stofwisseling tussen mannen en vrouwen neemt daarbij met
het stijgen van de leeftijd af. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt
door het feit, dat het verschil in percentage lichaamsvet tussen
mannen en vrouwen met het ouder worden kleiner wordt.
Schofield berekende een vermindering van de basaal-
stofwisseling tijdens drie decaden vanaf het dertigste jaar
voor mannen en vrouwen van respectievelijk 2,2% en 2,1%
per decade (10). Voor de leeftijd boven de 60 jaar kon door
de auteur de vermindering per decade niet worden berekend,
omdat het aantal proefpersonen in dit leeftijdstraject te klein
was voor uitsplitsing per decade.

Tabel 2.4. Grenzen van
het normale gewichtstra-
ject voor volwassenen tot
55 Jaar blj gegeven leng-
te, gebaseerd op Al = 20
en 25.

gewicht | gewicht
lengte kg kg
m Ql=20 | Ql=25

1,45 42,1 52,7
1,50 45,0 56,3
1,55 48,1 60,1
1,60 51,2 64,0
1,65 54,5 68,1
1,70 57,8 72,3
1,75 61,3 76,6
1,80 64,8 81,0
1,85 68,5 85,6
1,90 72,2 90,3
1,95 76,1 95,1
2,00 80,0 | 100,0

Tabel 2.5. Gemiddeld energieverbruik van mannen en vrouwen bij verschillende niveaus

van lichamelijke activiteit per kg lichaamsgewicht per dag.

activiteitenpatroon energieverbruik kJ/kg per dag

20-30 31-50 51-65 >65
man jr jr jr jr
A. basaalstofwisseling” 101 97 84
B. zeer gering actief 131 126 117 109
C. gering actief 151 146 135 126
D. matig actief 181 175 162 151
E. zeer actief 212 204 189
vrouw
A. basaalstofwisseling” 93 88 84 80
B. zeer gering actief 122 114 109 104
C. gering actief 140 132 126 120
D. matig actief 168 158 151 144
E. zeer actief 197 185 - -

1) berekend naar (10).

Schatting van de energiebehoefte inclusief de energie nodig voor lichamelijke activiteit.

Uitgaande van de basaalstofwisseling kan het energieverbruik per 24 uur in
samenhang met het activiteitenpatroon worden berekend door het totale energiever-
bruik uit te drukken als factor van de basaalstofwisseling (zie tabel 2.3). In tabel 2.5
is voor verschillende leeftijdsklassen het gemiddelde energieverbruik van mannen
en vrouwen bij verschillende niveaus van lichamelijke activiteit berekend.

In het algemeen kan worden gesteld dat het activiteitenpatroon van de gemiddelde
volwassene wordt gekenmerkt door een geringe mate van lichamelijke activiteit.
Bepaalde categorieën echter, bijvoorbeeld sporters, hebben een activiteitenpatroon
waarin perioden met een grote mate van lichamelijke inspanning voorkomen. Door

24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>2.4.2.

energie

deze extra zware lichamelijke inspanning kan de energiebehoefte met 20-30 kJ/kg
lichaamsgewicht/uur zijn verhoogd.

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Lichaamsgewicht en -samenstelling.

Gedurende het eerste halfjaar wordt een niet onbelangrijk deel van de met het
voedsel opgenomen energie als vet gestapeld, waardoor het percentage lichaamsvet
bij de zuigeling van ca. 15 tot ca. 25% stijgt. In het tweede halfjaar blijft het percentage
lichaamsvet meestal nog hoog om op de kleuterleeftijd met de toeneming van de
lichamelijke activiteit weer tot 12-16% te dalen. De kleuter verbruikt in deze periode
van toenemende activiteit de eerder opgebouwde vetreserves. Er treedt in deze
periode dus geen verhoging van de energiebehoefte op, maar zelfs een lichte daling
als gevolg van de veel tragere groei en de geringe neiging tot vetafzetting.

Vanaf de leeftijd van 4 jaar treedt er bij jongens geen duidelijke verandering
in percentage lichaamsvet meer op. Dit percentage varieert van 12 tot 15 op basis
van de som van vier huidplooidikten. Tijdens de puberale groeispurt (vanaf ca. 12
jaar) is er een lichte daling van het percentage lichaamsvet te constateren. Meisjes
hebben in de leeftijd van 4-10 jaar al een hoger percentage lichaamsvet dan jongens,
namelijk tussen de 15-20% (20). Vanaf de puberteit is er een stijging te constateren
tot 20-25% vetmassa op jong volwassen leeftijd (8,21).

Basaalstofwisseling en groei.
Over de hoogte van de basaalstofwisseling Tabel 2.6. Basaalstofwisseling in kJ
van het groeiende individu zijn, in vergelijking met Per kg lichaamsgewicht per dag.

die van de volwassene, minder gegevens beschik- leeftijd | jongens | meisjes
baar. 0-% 227 221
Val 234 229
i MA | 1-4 240 235
Op basis van de regressievergelijkingen die 4-7 198 184
zijn opgesteld door Schofield (zie tabel 2.1) is de ne 170 157
energiebehoefte voor de basaalstofwisseling voor } eta oe he
verschillende leeftiidscategorieén berekend (zie tabel 16-19 115 105
2.6). De waarden laten zien dat er tijdens de groei- 19-22 103 96

fase, na een geringe stijging, een aanzienlijke daling
in de basaalstofwisseling optreedt. Deze daling verloopt zeer geleidelijk.

In het eerste halfjaar bedraagt de groeisnelheid gemiddeld ca. 4 g per kg
lichaamsgewicht/dag. Voor de vorming van de 4 g nieuw weefsel is 4 x ca. 20 kJ
= ca. 80 kJ nodig (zie §2.2.2.). Voor basaaistofwisseling en groei is dus samen 224
+ 80 kJ = 304 kJ/kg lichaamsgewicht/dag nodig. In het tweede halfjaar is de groeisnel-
heid gedaald tot gemiddeld ca. 1,5 g/kg lichaamsgewicht/dag. Voor de vorming
van nieuw weefsel is dan ca. 30 kJ/kg lichaamsgewicht/dag nodig.

Op de leeftijd van twee jaar is de groeisnelheid zo gering (0,3 g/kg li-
chaamsgewicht/dag) dat hiervoor nauwelijks extra energie nodig is.

25

</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>energie

Schatting van de energiebehoefte inclusief de energie nodig voor lichamelijke activiteit

Het uitgangspunt voor het vaststellen van de adequate inneming voor energie
voor de zuigeling is de situatie waarin de zuigeling zich bij een optimaal samengestelde
voeding normaal ontwikkelt. Voor de zuigeling die in het eerste levenshalfjaar uitsluitend
met moedermelk wordt gevoed, kan de energetische waarde van de opgenomen
voeding op eenvoudige wijze worden bepaald (22). De voedselopneming op deze
leeftijd ligt gemiddeld op 800 ml zuigelingenvoeding per dag, ofwel op ca. 420 kJ/kg
lichaamsgewicht per 24 uur. De verschillen tussen jongens en meisjes zijn in dit kader
zo klein, dat volgens de commissie met deze verschillen geen rekening behoeft te
worden gehouden.

De energiebehoefte voor basaalstofwisseling en groei samen was berekend
op 304 kJ/kg lichaamsgewicht per dag, zodat voor lichamelijke activiteit ca. 106 kJ/kg
lichaamsgewicht/dag beschikbaar is. Het energieverbruik voor lichamelijke activiteit
bij de zuigeling verhoogt de energiebehoefte ten opzichte van de basaaistofwisseling
met een factor van ca. 1,5.

In het tweede halfjaar heeft de zuigeling voor groei gemiddeld ca. 50 kJ minder
energie per kg lichaamsgewicht per dag nodig dan in het eerste halfjaar. De
energiebehoefte voor lichamelijke activiteit zal in deze periode hoger liggen dan in
het eerste halfjaar. De commissie schat op grond hiervan dat de totale energiebehoefte
in het tweede halfjaar 400 kJ/kg lichaamsgewicht/dag zal bedragen.

Voor kinderen kan evenals voor volwassenen het totale energieverbruik, afhankelijk
van de mate van lichamelijke activiteit, worden weergegeven als factor van de
hoeveelheid energie die nodig is voor de basaalstofwisseling. De energiebehoefte
voor groei kan vanaf de leeftijd van 1 jaar worden verwaarloosd.

Op de kinderleeftijd = Tabel 2.7. Energieverbruik en energie-Inneming bij Jongens en
varieert de mate vanlicha- meisjes.

melijke activiteit sterk van | , on. Jongens meisjes
on enn M eettijd ref, - - - -
individu tot individu. Bij ie energie- | energie- | energie- | energie-
jongens is de activiteit ge- verona neming ven neming
woonlijk hoog, doch de 5 zi 7) 5 55 55
schommelingen per individu M | 74 | 74
zijn groot. Bij meisjes is de 3 (24) 85 84 76 74
mate van activiteit en daar- M) | 82 | 76
mee de energiebehoefte ge- 10 | (24 9,5 8,5 8,5 7,4
ringer dan bij jongens. (1) 87 76
12 (24) 10,1 9,8 9,7 10,0
De gegevens over de (1) 9,6 8,5
omvang van de dagelijkse 14 (22) 10,6 12,3 10,0 9,6
lichamelijke activiteit zijn (1) 9,7 8,4
schaars. De beschikbare 16 (22) 11,1 12,8 10,2 9,4
gegevens over 24-uurs (1) 10,1 8,7

energieverbruik zijn geme-
ten met behulp van de hartfrequentiemethode (16). Deze gegevens zijn in feite
onvoldoende betrouwbaar om de energiebehoefte van kinderen op te baseren. De
energiebehoefte is door de commissie daarom mede afgeleid uit de energie-inneming.

26

</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>2.4.3.

energie

In tabel 2.7 is een overzicht Tabel 2.8. De factor waarmee de basaalstofwisseling

; . moet worden verhoogd om de gemiddelde energiebe-
gegeven van het gemiddelde ener hoefte te berekenen”.

gieverbruik en de energie-inneming Tongans mos

die in onderzoek bij verschillende leeftijd .
groepen Nederlandse kinderenin | s | | nde | MA | are,
de leeftijd vanaf 6 jaar zijn vastge- MJ MJ MJ MJ
steld (21,23). Voorts zijn in deze 5 18 19 18 19
tabeldoor de FAO/WHO gerefereer- 8 19 18 18 18
de waarden van de energie-inneming 10 18 16 17 16
van groepen kinderen opgenomen 12 1,7 1,6 17 1,5
(1). Analyse van deze gegevens laat 14 17 1,6 17 1,4
zien dat het energieverbruik en de 16 1,6 1,5 1,7 15

energie-inneming bij meisjes in deze
leeftijdscategorieën gemiddeld 0,5- 1) De factor is berekend op basis van het energie- ver-
1.0 MJ lager logen dan die bij eee eed abe,
Jongens. Deze verschillen zijn onge- 2.6 en de werkelijk gemeten lichaamsgewichten

veer gelijk aan de verschillen in de (1,21,23).

basaalstofwisseling tussen jongens en meisjes berekend op basis van de in tabel
2.2 weergegeven regressievergelijkingen. Op grond hiervan kan de gemiddelde
totale energiebehoefte voor deze leeftijdsgroepen globaal worden uitgedrukt als
factor van de basaalstofwisseling (tabel 2.8). De factoren, berekend op basis van
het energieverbruik, stemmen voor jongens en meisjes goed overeen en variëren
van 1,8-1,9 op 6-10 jarige leeftijd en van 1,6-1,7 op 12-16 jarige leeftijd. De factoren
die zijn berekend op basis van de energieinneming wijken vanaf de leeftijd van 10
jaar afvan de genoemde factoren. Dit is bij meisjes sterker het geval dan bij jongens.
Een verklaring voor deze afwijking kan niet worden gegeven.

Voor de leeftijd tot 6 jaar zijn geen gegevens beschikbaar. Op grond van de
toename in lichamelijke activiteit is de commissie van mening dat de gemiddelde
energiebehoefte op de leeftijd van 1-4 jaar kan worden geschat op 1,6 x basaalstofwis-
seling. Hierbij wordt geëxtrapoleerd tussen de berekende waarde van de zuigeling
(1,5) en de gemeten waarde van de 6-jarigen (1 ‚8). Voor de 4 en 5-jarigen kan de
factor op 1,8 worden aangehouden en voor de leeftijdsgroep van 16-22 op 1,6. Deze
factoren mogen alleen worden gehanteerd indien er sprake is van matige lichamelijke
activiteit. Met behulp van deze factoren kan vanuit de energiebehoefte voor de
basaalstofwisseling (zie tabel 2.6) de totale energiebehoefte worden berekend.

Zwangerschap en lactatie.

Gedurende de zwangerschap is de basaalstofwisseling verhoogd (24). Dit is
vooral het geval in de tweede helft van de zwangerschap. In deze periode vindt namelijk
de belangrijkste toename van weefsel plaats. in een onderzoek bij Nederlandse
vrouwen is vastgesteld dat de basaalstofwisseling toeneemt van 6,1 MJ/dag, in de
periode voorafgaand aan de zwangerschap, naar 7,3 MJ/dag in de 36e week van
de zwangerschap (25). Voorts wordt tijdens de zwangerschap een vetreserve
aangelegd, waarvan de grootte in hetzelfde onderzoek is berekend op ca. 2 kg.
Door Hytten is berekend dat de extra energiebehoefte voor één zwangerschap ca.
335 MJ bedraagt. Hierbij wordt echter uitgegaan van de aanleg van een vetreserve
van 3,4 kg (26). Worden in het model van Hytten de gegevens van het onderzoek

27

</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>2.5.

energie

bij Nederlandse vrouwen ingebracht dan is het resultaat van de berekening een
extra energiebehoefte van 287 MJ voor één zwangerschap. Dit komt overeen met
ca. 1 MJ/dag.

In zijn berekeningen heeft Hytten geen rekening gehouden met veranderingen
in de lichamelijke activiteit tijdens de zwangerschap. Uit onderzoek is gebleken dat
vooral in het tweede semester van de zwangerschap de lichamelijke activiteit ver-
mindert, waardoor de verhoging van de energiebehoefte als gevolg van de
zwangerschap gedeeltelijk wordt gecompenseerd. De verlaging van de energiebehoefte
als gevolg van een vermindering van de lichamelijke activiteit wordt geschat op 126-147
MJ voor de gehele zwangerschap (25). Op grond hiervan is de commissie van mening
dat de berekende extra behoefte van 1 MJ/dag kan worden verminderd met 0,4
MJ/dag waardoor de extra energiebehoefte tijdens de zwangerschap 0,6 MJ/dag
bedraagt.

Er zijn geen aanwijzingen dat de basaalstofwisseling tijdens de lactatieperiode
is verhoogd. Hierbij moet worden opgemerkt, dat de beschikbare gegevens schaars
zijn. Tijdens de lactatie is de extra energiebehoefte gelijk aan de som van de energeti-
sche waarde van de melk en de energie die nodig is voor de produktie ervan. In
het rapport van de WHO over moedermelk wordt een gemiddelde energetische waarde
van 2,9 kJ/ml moedermelk vermeld (27). Bij de omzetting van voedingsstoffen naar
melk komt naar algemeen wordt geschat 20% vrij als warmte (conversiefactor van
80%). Uitgaande van een produktie van 800 ml moedermelk per dag betekent dit
een extra energiebehoefte van 800 x 2,9 x 100/80 KJ/dag = 2,9 MJ/dag.

Zoogt de vrouw haar kind gedurende 6 maanden (180 dagen) dan bedraagt
de extra behoefte aan energie 522 MJ. Fysiologisch gezien ligt het voor de hand,
dat zij gedurende deze tijd de opgebouwde vetreserves van ca. 2 kg zal benutten.
Dit brengt de extra behoefte terug met 76 MJ tot 446 MJ, hetgeen overeenkomt
met een extra energiebehoefte tijdens de lactatieperiode van 2,5 MJ/dag.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

Voor het vaststellen van de adequate inneming voor energie wordt voor alle
leeftijdscategorieën uitgegaan van de hoeveelheid energie die nodig is voor de basaal
stofwisseling. Deze hoeveelheid wordt per categorie verhoogd met de hoeveelheid
energie die nodig is voor specifieke aspecten. Dit betreffen de volgende aspecten,
die in $2.4. nader werden toegelicht:

* Volwassenen (vanaf 22jaar): de hoeveelheid energie, die nodig is voor geringe
lichamelijke activiteit.

* Zuigelingen: de hoeveelheid energie, die nodig is voor groei en lichamelijke
activiteit.

* — Kinderen en adolescenten (t/m 21 jaar): de hoeveelheid energie, die nodig is
voor matige lichamelijke activiteit.

* - Zwangeren: de hoeveelheid energie, die nodig is voor groei en voor geringe
lichamelijke activiteit.

*_Zogenden: de hoeveelheid energie, die nodig is voor de produktie van 800

ml moedermelk en voor geringe lichamelijke activiteit.

28

</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>2.6.

energie

De adequate niveaus voor energie-inneming, die met behulp Tabel 2.9. Adequaat

van de in 82.4. gegeven factoren kunnen worden berekend, zijn

niveau van Inneming
voor energie per dag

opgenomen in tabel 2.9. per kg lichaamsge-
wicht.
categorie/
LITERATUUR leeftijd | kikg
zuigelingen
1. FAO/WHO/UNU. Energy and protein requirements. WHO Techn Rep Series 724. 0-% 420"
Geneva: WHO, 1985. Vat 400
2. Burmeister W, Bingert A. Die quantitativen Veränderungen der menschlichen jongens
Zellmasse zwischen dem 8. und 90. Lebensjahr. Klin Wschr 1967; 45: 409-16. 1-4 385
3. Forbes GB, Reina JC. Adultlean body mass declines with age some longitudinal 4-7 354
observations. Metabolism 1970; 19: 653-63. 7-10 300
4. Allen TH, Anderson EC, Langham WH. Total body potassium and gross body 10-13 250
composition in relation to age. J Gerontol 1960; 15: 348-57. 13-16 205
5. Calloway D, Zanni E. Energy regulation and energy expenditure of elderly men. 16-19 185
Am J Clin Nutr 1980; 33: 2088-92. meisi
A MA ; jes
6. Gezondheidsraad. Adviesinzake adipositas. 's-Gravenhage: Gezondheidsraad, 1-4 370
1984, 4-7 325
7. Garrow JS. Indices of adiposity. Nutr Abstr Rev 1983; 53: 697-708. 7-10 275
8. Saris WHM, et al. Referentiewaarden voor maximaal en submaximaal 10-13 225
prestatievermogen. Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1987. 13-16 185
9. Bray GA, Atkinson RC, Factors affecting basal metabolic rate. Prog Fd Nutr 1977; 16-19 175
2: 385-403.
10. Schofield WN. Predicting basal metabolic rate, new standards and review of mannen
previous work. Human Nutr: Clin Nutr 1985; 39C, suppl.1: 5-41. 19-22 170
11. Horton ES. Introduction: an overview of the assessment and regulation of energy 22-50 148
balance in humans. Am J Clin Nutr 1983; 38: 972-7. 50-65 135
12, Durnin JVGA, Passmore R. Energy work and leisure, London: Heinemanbooks, >65 126
1967. vrouwen
13. Goldberg GR, et al. Overnight and basal metabolic rates in men and women. 19-22 155
Eur J Clin Nutr 1988; 42: 137-144, 22-50 134
14. Lange Andersen L, et al. Habitual physical activity and health. WHO Reg Publ 50-65 126
1978: Eur Ser 6. >65 120
15. Laporte RE, Montoye HJ, Caspersen CJ. Assessment of physical activity in zwangeren | + 0,6%
spidemiciogic research: problems and prospect. Publ Health Rep 1985; 100: zogenden | + 2,5%
16. Saris WHM. Habitual physical activity in children. Methodology and findings in
health and disease. Med Sci Sports Exerc 1986; 18: 253-63. 1) Voor zuigelingen
17. — Lifson N, Gordon GB, McClintoch R. Measurement of total carbon dioxyde die niet worden
production by means of D2180. J Appl Physiol 1955; 7: 704-10. gevoed met moe-
18. Schoeller DA. Energy expenditure from doubly labelled water, Somefundamental dermelk.
considerations in humans. Am J Clin Nutr 1983; 38: 999-1005. 2) MJ per dag.
19. _ Prentice AM, Black AE, Coward WA. High levels of energy expenditure in obese
women. Br Med J 1986; 292: 893-987.
20. Durnin JVGA, Womersley J. Body fat assessed from total body density and its estimation from skinfold thickness.
Br J Nutr 1974; 32: 77.
21. Kemper HCG. Growth health and fitness of teenagers. Medicine and Sport Science, vol 20. Basel: Karger,
1985.
22. Fomon SJ. Body composition of the male reference infant during the first year of life. Pediatrics 1967; 40:
863-70.
23. Saris WHM, et al. Changes in physical activity of children aged 6 to 12 years. In: Rutenfranz J, ed. Children
and exercise. Human Kinetics Publ, 1986: 121-30.
24. — Seitchik J. Body composition and energy expenditure during rest and work in pregnancy. Am J Obst Gyneac
1967; 97: 701-71.
25. Van Raaij JMA, et al. Energy requirements of pregnancy in the Netherlands. The Lancet 1987; ii: 953-5.
26. — Hytten FE. Nutrition. In: Hytten FE, Chamberlain G, eds. Clinical Physiology in obstetrics. Oxford: Blackwell
Scientific Publ 1980: 163-92.
27. WHO. The quantity and quality of breast milk: Report of the WHO collaborative study on breast-feeding,

Geneva: WHO, 1985.

29

</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>3. Eiwit

3.1.

3.2.

3.3.

3.4.

INLEIDING

3.1.1.
3.1.2.
3.1.3.
3.1.4.

Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
Fysiologische betekenis
Deficiëntieverschijnselen

Bepaling van de eitwitstatus

EIWITBEHOEFTE

3.2.1.
3.2.2.
3.2.3,
3.2.4.
3.2.5.
3.2.6.
3.2.7.

Inleiding

Volwassenen

Zuigelingen, kinderen en adolescenten
Zwangerschap en lactatie

Factoren die de behoefte aan eiwit beinvioeden
Biologische beschikbaarheid

Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

3.3.1.
3.3.2.

Minimumbehoefte
Adequaat niveau van inneming

LITERATUUR

31

33
33
33
34
34

34
34
35
36
37
37
37
38

39
39
41

41

</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>eiwit

32

</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>3.1.

3.1.1.

3.1.2.

eiwit

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Eiwitten zijn opgebouwd uit aminozuren. Afhankelijk van de samenstelling van
de restgroep hebben aminozuren neutrale, basische of zure eigenschappen, hetgeen
van belang is voor de chemische eigenschappen van het eiwit waarvan zij een
bestanddeel zijn. Voor meer informatie over deze chemische eigenschappen wordt
verwezen naar handboeken over eiwitchemie.

De meeste voedingsmiddelen bevatten eiwitten, zodat de eiwitvoorziening niet
afhankelijk is van enkele produktgroepen. De groepen voedingsmiddelen in de
gebruikelijke Nederlandse voeding, die de belangrijkste bijdrage leveren aan de
eiwitvoorziening zijn brood en granen, melk en melkprodukten en vlees en vleeswaren.

Fysiologische betekenis.

Eiwitis één van de bestanddelen waaruit levende organismen zijn opgebouwd.
Het is van betekenis voor vrijwel alle levensprocessen. Eiwitten kunnen in het lichaam
specifieke functies vervullen zoals bindingsfuncties, transportfuncties, enzymwerking,
hormoon- en receptorfuncties en antistofwerking.

De lichaamseiwitten zijn opgebouwd uit een twintigtal aminozuren. De mens
is, evenals de meeste dieren, niet in staat aminozuren op te bouwen. Wel kan het
lichaam bepaalde aminozuren door transaminering in andere aminozuren omzetten.
Bij dit proces spelen bepaalde vitamines een rol als co-factor (onder andere vitamine
B, ). De aminozuren die niet door transaminering uit andere aminozuren kunnen
worden gevormd, moeten met het voedsel worden opgenomen en worden daarom
essentiële aminozuren genoemd. Voor de mens bedraagt het aantal essentiële
aminozuren 8 (valine, leucine, isoleucine, threonine, lysine, fenylalanine, tryptofaan
en methionine). Daarnaast is histidine essentieel voor de zuigeling en zijn er
aanwijzingen dat dit aminozuur eveneens essentieel zou zijn voor volwassenen. Voor
prematuren is cystine eveneens een essentieel aminozuur.

De aminozuuropbouw van de verschillende lichaamseiwitten is soort-specifiek.
Dit houdt in dat ieder eiwit dat met het voedsel wordt ingenomen eerst in aminozuren
moet worden gesplitst, waaruit vervolgens lichaamseigen eiwitten worden gesyntheti-
seerd.

De verschillende eiwitten in het lichaam worden voortdurend afgebroken en
weer opgebouwd. Voor sommige eiwitten duurt deze turnover enkele uren, voor
anderen enkele maanden. Bij deze afbraak-en opbouwprocessen gaat een bepaalde
hoeveelheid van de aminozuren verloren. Voorts treden er regelmatig eiwit- en/of
aminozuurverliezen op met huidafschilfering, haar, zweet, urine en feces. De
hoeveelheid aminozuren die verloren is gegaan, moet worden aangevuld door met
het voedsel ingenomen eiwitten of door transaminering van bepaalde aminozuren.

33

</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>3.1.3.

3.1.4.

3.2.

3.2.1.

eiwit

Deficiëntieverschijnselen.

Met betrekking tot de ontwikkeling van een eiwittekort is het groeiende individu
het meest kwetsbaar. Een licht tekort aan eiwit veroorzaakt weinig directe verschijn-
selen. Gezien de vele biochemische functies van eiwitten zal er bij een ernstig eiwittekort
sprake zijn van een verstoring van een groot aantal biochemische processen, vooral
van die processen, waarbij eiwitten zijn betrokken met een hoge turnover. Ernstig
eiwittekort, dat tevens gepaard gaat met een onvoldoende energievoorziening, heeft
het bekende ziektebeeld protein energy malnutrition tot gevolg.

Bepaling van de eitwitstatus.

De eiwitstatus wordt in het algemeen bepaald aan de hand van het serumalbu-
minegehatte. De bepaling van het totaaleiwitgehalte van het serum kan nuttige informatie
geven, maar is een minder gevoelige parameter dan het serumalbuminegehalte.
Ook worden het serumtransferrinegehalte en de totale ijzerbindingscapaciteit als
maat voor de aanwezige hoeveelheid transport-eiwit wel gebruikt om de eiwitstatus
te beoordelen, evenals bepaalde pre-albumines. Voorts kan de creatinine-uitscheiding
met de urine, hoewel deze variabel is en wordt beïnvloed door de leeftijd, enige
informatie verschaffen over de eiwitstatus (1).

EIWITBEHOEFTE
Inleiding.

De behoefte aan eiwit wordt eigenlijk bepaald door de som van de hoeveelheden
essentiële en niet-essentiële aminozuren die het lichaam nodig heeft om de ver-
schillende eiwitten in het lichaam op te bouwen. Het zou dan ook theoretisch juister
zijn om aanbevelingen te geven voor de hoeveelheden aminozuren in plaats van
de hoeveelheid eiwit. Voor de praktijk stuit dit echter op bezwaren, omdat aminozuren
niet als zodanig in voedingsmiddelen voorkomen, maar in de vorm van eiwit.

De eiwitbehoefte per kg lichaamsgewicht blijkt nauw samen te hangen met
de leeftijd en de groeisnelheid. Bij jonge kinderen is de synthese van eiwit (voor
groei en onderhoud) hoog, evenals de afbraak ervan. Men spreekt dan van een
hoge turnover. Bij volwassenen is de eiwit-turnover sterk afgenomen en bedraagt
ca. 200 g/dag. Met behulp van *N-gemerkt glycine is een schatting gemaakt van
de eiwitsynthese in het lichaam (2). Daaruit bleek dat de eiwitsynthese met de leeftijd
afnam van 17,4 g/kg lichaamsgewicht/dag bij de zuigeling tot 1,9 g/kg lichaamsge-
wicht/dag bij de oudere volwassene.

Voor het bepalen van de eiwitbehoefte voor volwassenen wordt zowel de balans-
als de factoriële methode toegepast. Bij de balansmethode wordt na aanpassing
aan een stikstofarme voeding, bij verschillende niveaus van stikstofinneming de
stikstofretentie gemeten. Deze niveaus worden zodanig gekozen, dat de stikstofretentie
negatief of juist positief is. Uit de regressielijn, die het verband aangeeft tussen
stikstofinneming (x-as) en stikstofretentie (y-as) wordt de stikstofinneming berekend,
waarbij de stikstofretentie juist gelijk is aan nul (afsnede van de x-as) (zie figuur 3.1).

34

</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>3.2.2.

eiwit

Deze hoeveelheid is een maat voor de minimum eiwitbehoefte. Uit figuur 3.1 kan
tevens door extrapolatie naar x=0 het obligate stikstofverlies worden afgelezen
(afsnede van de y-as).

Figuur 3.1. Afleiding van het obligaat stikstofverlies uit de stikstofbalans.

0)
stikstof -
retentie

stikstofinneming (x)

NI minimumbehoefte

obligaat |

stikstof
verlies 4

Bij de factoriéle methode wordt het obligate stikstofverlies bepaald als de som van
de hoeveelheid stikstof die verloren gaat met urine, feces, huid, haar en zweet, nadat
gedurende een week een eiwitvrije voeding is gebruikt.

In situaties van groei moet de hoeveelheid stikstof die wordt vastgelegd voor
de groei worden opgeteld bij het obligate stikstofverlies.

Volwassenen.

Uitverschillende kortdurende balansonderzoeken bijvolwassenenis gebleken
dat de minimum stikstofbehoefte ca. 77 mg/kg lichaamsgewicht/dag bedraagt, indien
de stikstof wordt geleverd door hoogwaardig eiwit (melk-of ei-eiwit) (3). Tevens is
vastgesteld, dat de som van de obligate stikstofverliezen bij jonge volwassen mannen
ca. 57 mg/kg lichaamsgewicht/dag bedraagt (ca. 36 mg met urine, ca. 16 mg met
feces, ca. 5 mg via zweet, haar, huid en nagels). Bij de oudere mens zijn de obligate
stikstofverliezen lager: ca. 44 mg/kg lichaamsgewicht/dag. Opmerkelijk is dat er ten
aanzien van het obligate stikstofverlies bij ouderen per energie-eenheid van de basale
stofwisseling een grote mate van overeenkomst bestaat met jonge volwassenen.
Uit onderzoek blijkt, dat voor jongere en oudere volwassenen van beide seksen
een waarde van 0,53 mg stikstof/basale kJ (0,33 mg met urine, 0,15 mg met feces
en 0,05 mg met zweet, haar, huid en nagels) kan worden aangehouden (4).

35

</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>3.2.3.

eiwit

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Er zijn geen aanwijzingen dat het obligate stikstofverlies per basale kJ via feces
of via de huid bij kinderen hoger is dan bij volwassenen. Dit verlies bedraagt dus
ca. 0,20 mg/basale kJ.

Wat het obligaat stikstofverlies via de urine betreft is bij kinderen van 4-6 maanden
oud vastgesteld, dat dit verlies met de urine 0,14 mg/basale kJ bedraagt (5). Op
grond hiervan kan worden geschat dat het totale obligate stikstofverlies (met urine
en feces) gedurende de eerste levensmaanden ca. 0,35 mg/basale kJ zal bedragen.

Bij kinderen van Tabel 3.1. Obligaat stikstotverlies en stikstofretentie voor groel per kg
9-18 maanden is vast- lichaamsgewicht per dag.

g esteld dathet oblig a- kd obligaat N-verlies N-groei N-totaal
te stikstofverlies met ir ma/basale kJ | mg/kg/dag | mg/kg/dag | ma/kg/dag
de urine 0,20 mg/ba- zuigelingen

sale kJ bedraagt (6). 0-va 0,35 84 130” 215
Op grond hiervan Val 0,40 93 26" 119
schat de commissie jongens

het totale obligate stik- 1-4 0,45 94 157 109
stofverlies bijkinderen 4-7 0,50 91 8 99
van Vel jaar op ca. 7-10 0,53 82 8 90
0,40 mg/basale kJ en 10-13 0,53 76 7 83
dat bij kinderen van 13-16 0,53 66 9 75
1-4 jaar op 0,45 mg 16-19 0,53 62 2 64
per basale kJ. Voor meisjes

kinderen van 4-7 jaar 1-4 0,45 94 15” 109
schat de commissie 4-7 0,50 91 8 99
hettotale obligate stik- 7-10 0,53 82 8 90
stofverlies op 0,50 mg 10-13 0,53 7 9 80
per basale kJ. Aange- 13-16 0,53 61 4 65
nomen wordt, dat bo- 16-19 0,53 59 ! 60
ven de leeftijd van 7 mannen

jaar het obligate stik- 19-22 0,53 59 i 59
stofverlies gelijk is aan 22-50 0,53 jä ° jä
dat van de volwasse- eee eg <57 | <57
ne, namelijk 0,53 mg vrouwen |

per basale kJ. Met be- 19.22 0.53 55 . 55
hulp van de gegevens 22-50 053 52 i 52
over het energiever- 50-65 0,53 52 . 52
bruik voor het basaal- 65 0,53 <52 . <2

metabolisme, zoals

vermeld in hoofdstuk 1) Betreft de gemiddelde stikstofretentie voor groei, berekend over respec-
2, kan hieruit het tievelijk de leeftijd van 0-3 maanden, van 6-9 maanden en van 12-18

obligate stikstofverlies maanden (7).

per kg lichaamsge-

wicht per dag worden berekend. In tabel 3.1 zijn hiervan de verschillende waarden
gegeven. In deze tabelis tevens de hoeveelheid stikstof aangegeven die als gevolg
van groei wordt vastgelegd in het lichaam. De behoefte voor groei van de categorieën
0-%, %-1 en 1-4 jaar is afgeleid uit berekeningen van de gemiddelde hoeveelheid

36

</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>3.2.4.

3.2.5.

3.2.6.

eiwit

stikstof die wordt vastgelegd voor respectievelijk de leeftijd van 0-3 maanden, van
6-9 maanden en van 12-18 maanden (7).

Zwangerschap en lactatie.

Tijdens de laatste zes maanden van de zwangerschap wordt ca. 900 g eiwit
vastgelegd in foetus, placenta en borstklieren. Dit komt overeen met een extra eiwitsyn-
these van 5 g/dag.

Bij proefdieren is vastgesteld dat tijdens de zwangerschap de efficiëntie van
de eiwitstofwisseling toeneemt (8). In welke mate dit het geval zou zijn bij de mens
is niet bekend.

Tijdens de lactatieperiode wordt met 800 ml moedermelk per dag ca. 10 g eiwit
uitgescheiden. Voor kinderen van 4-6 maanden blijkt 240434 mg stikstof/kg lichaams-
gewicht/dag als moedermelk of als koemelk voldoende om een goede groei te
bewerkstelligen (5).

Factoren die de behoefte aan eiwit beïnvloeden.

Bij een onvoldoende inneming van energie (negatieve energiebalans) blijkt de
eiwitbehoefte te zijn verhoogd en bij een overmatige inneming (positieve energiebalans),
verlaagd (9,10). Bij het vaststellen van de aanbevelingen voor de eiwitinneming wordt
ervan uitgegaan dat er ten aanzien van de energievoorziening sprake is van een
evenwichtssituatie (constant percentage lichaamsvet). Bij een negatieve of marginale
energiebalans moet rekening worden gehouden met een verhoogde eiwitbehoefte,
die wordt veroorzaakt door een verminderde efficiëntie waarmee het eiwit wordt benut
(zie ook §3.2.6.).

In onderzoek is gebleken, dat binnen het gebruikelijke activiteitenpatroon de
behoefte aan eiwit niet wordt beïnvloed door de mate van lichamelijke activiteit (11).
Er hoeft dus bij het opstellen van aanbevelingen voor de eiwitinneming geen rekening
te worden gehouden met verschillen in de mate van lichamelijke activiteit. Gedurende
perioden van zware lichamelijke arbeid kan de eiwitbehoefte wel verhoogd zijn.

Biologische beschikbaarheid.

De "inefficiency"-factor.

Uit het feit dat de minimum stikstofbehoefte zoals die is vastgesteld in ba-
lansonderzoek (ca. 77 mg/kg/dag) hoger is dan op grond van het obligate stik-
stofverlies (54 mg/kg/dag) mocht worden verwacht, is afgeleid dat het lichaam niet
in staat is het voor balansonderzoek gebruikte hoogwaardige eiwit met een efficiëntie
van 100% te gebruiken. Bij de berekening van de stikstofbehoefte op basis van de
obligate stikstofverliezen moet daarom rekening worden gehouden met een inefficiency-
factor. Door de FAO/WHO is deze factor voor volwassenen als volgt berekend (4):

37

</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>3.2.7.

eiwit

minimum stikstofbehoefte uit balansstudies > 77 mglkgldag -
totaal obligaat stikstofverlies 54 mglkg/dag i

Ook in onderzoek bij kinderen van 9-17 maanden is een factor van 1,43
vastgesteld (6). De efficiëntie waarmee hoogwaardig eiwit wordt gebruikt blijkt dus
slechts 70% te bedragen. Uit de resultaten van verschillende korte- en langetermijn
balansstudies, die zijn verricht bij volwassenen en die zijn uitgevoerd met hoogwaardig
eiwit, kan worden geconcludeerd dat bij een marginale energievoorziening de efficiëntie
waarmee dit hoogwaardig eiwit wordt benut zelfs nog lager is dan 79% (12).

De netto eiwitbenutting.

De mate waarin een eiwit door het lichaam kan worden benut is afhankelijk
van het gehalte aan essentiële aminozuren, de onderlinge verhouding waarin deze
aminozuren in het eiwit voorkomen en van de verteerbaarheid van het eiwit.

Eiwitten, zoals melk- en ei-eiwit, waarvan zowel de aminozuursamenstelling
als de verteerbaarheid goed zijn, hebbeneen hoge netto eiwitbenutting (NEB). Over
het algemeen is de NEB van eiwitten van dierlijke oorsprong hoger dan die van eiwitten
van plantaardige oorsprong. Sommige plantaardige eiwitten (bijvoorbeeld soja-eiwit)
en mengsels van plantaardige eiwitten kunnen echter een NEB hebben, die
vergelijkbaar is met die van dierlijk eiwit. De hoge NEB van mengsels van plantaardige
eiwitten wordt bereikt doordat relatieve tekorten aan essentiële aminozuren in het
ene eiwit geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd door relatieve overschotten
van deze essentiële aminozuren in het andere eiwit.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de NEB van gemengd eiwit. Op basis
van gegevens over. de aminozuursamenstelling van plantaardige eiwitten en de
aminozuurbehoefte van jonge kinderen kan worden gesteld dat de kwaliteit van
gemengd plantaardig eiwit, uitgedrukt als chemical score, ligt in de orde van grootte
van 85-95% (12). Op grond hiervan en van een verteerbaarheid van gemengd
plantaardig eiwit van ca. 90% ten opzichte van dierlijk eiwit, is het reëel om voor
de huidige Nederlandse voeding uit te gaan van een NEB van tenminste 80% van
de NEB van melk- of ei-eiwit (1 2). Bij gebruik van een geheel plantaardige voeding
met evenwichtige samenstelling kan eveneens van een NEB van 80% worden
uitgegaan. Bij gebruik van een eenzijdig samengestelde plantaardige voeding moet
echter rekening worden gehouden met een lagere NEB.

Voor de berekening van de eiwitbehoefte bij gebruik van de gemiddelde
Nederlandse voeding kan de op basis van melk- of ei-eiwit vastgestelde eiwitbehoefte
dus worden vermenigvuldigd met de factor 100/80=1 ‚25. Bij gebruik van een eenzijdig
samengestelde geheel plantaardige voeding is deze factor hoger.

Toxiciteit.

Consumptie van grote hoeveelheden eiwit gedurende langere tijd lijkt niet
schadelijk (13). Uit onderzoek bij de mens en uit dierexperimenteel onderzoek is
wel gebleken dat bij een toenemende hoeveelheid eiwit in de voeding de uitscheiding
van zuren en calcium met de urine wordt verhoogd. Met betrekking tot calcium is

38

</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>3.3.

3.3.1.

eiwit

dit het gevolg van een toegenomen glomerulusfiltratie en remming van de tubulaire
re-absorptie (14,15). Resultaten van onderzoek bij de rat wijzen erop dat de remming
van de tubulaire re-absorptie samen zou gaan met een verhoogde sulfaatuitscheiding
met de urine, die afkomstig is van zwavelhoudende aminozuren (16,17).

Uit een langdurend onderzoek (60 dagen) bij jonge vrouwen is gebleken dat
de calciumbalans duidelijk negatief was indien een voeding werd gebruikt die relatief
weinig fosfaat (900 mg/dag) en veel eiwit bevatte (123 g/dag) (18). Dit bleek niet
een gevolg te zijn van een relatief tekort aan fosfaat maar van een relatieve overmaat
aan eiwit. Uit kortdurend onderzoek is bekend dat de negatieve calciumbalans, die
bij jonge volwassenen ontstaat indien deze een experimentele voeding gebruiken
die 142 g eiwit per dag bevat, niet volledig kan worden gecorrigeerd door extra calcium
aan de voeding toe te voegen (19). Hieruit blijkt dat een hoog eiwitgehalte van de
voeding een negatief effect heeft op de calciumabsorptie.

Fosfaat verlaagt de calciumuitscheiding met de urine (17,20). Het negatieve
effect van een hoog eiwit gehalte van de voeding op de calciumbalans wordt daarom
in de praktijk waarschijnlijk te niet gedaan door het hoge fosfaatgehalte van de voeding
dat meestal met een hoog eiwitgehalte gepaard gaat.

Met de beschikbare gegevens kan geen grens voor de maximaal aanvaardbare
hoeveelheid eiwit in de voeding worden aangegeven. Gezien echter het feit dat veel
ouderen in een negatieve calciumbalans verkeren en dat met het ouder worden
de nierfunctie vermindert, lijkt het raadzaam aan ouderen te ontraden hoeveelheden
eiwit te consumeren, die ver uitgaan boven het door de commissie aangegeven
adequate niveau van inneming.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.

De minimum eiwitbehoefte kan uit de kolom stikstoftotaalvan tabel 3.1 worden
berekend met de volgende formule:

totaal stikstofverlies x 6,25 x 1,43 x 1,25
1000

waarin:

- 6,25: de factor voor de omrekening van stikstof naar eiwit. Voor het eiwit in
de Nederlandse voeding wordt meestal een gemiddeld stikstofgehalte van 16%
aangehouden. Het is daarom gebruikelijk om voor de berekening van het
eiwitgehalte van de voeding het gemeten stikstofgehalte ervan te verme-
nigvuldigen met de factor 100/16 = 6,25.

- 1,43: de inefficiency factor (zie §3.2.6.).

- 1,25: de netto eiwitbenutting van 80% ten opzichte van ei- of koemelk-eiwit (zie
§3.2.6.).

39

</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>eiwit

De op deze wijze berekende
waarden voor de mininumbehoefte

Tabel 3.2. Minimumbehoefte en adequaat niveau van
inneming voor eiwit per dag per kg lichaamsgewicht.

van de verschillende leeftijdscatego- categorie/ minimum- | adequaat niveau
rieén zijn weergegeven in tabel 3.2. leeftijd behoefte) | van inneming®
Hierbij moet worden aangetekend, - aks ake
dat beneden de leeftijd van 10 jaar mover 1 90° 2507
de relatief geringe verschillen in ver 1 38 175
basaalstofwisseling tussen jongens jongens | |
en meisjes niet in de berekeningen 1.4 1,25 1,60
zijn verdisconteerd. 47 115 145
7-10 1,05 1,35
Zwangerschap en lactatie. 10-13 0,95 1,25
Voor een extra eiwitsynthese van 13-16 0,85 1,10
5 g/dag tijdens de zwangerschap is 16-19 0,75 0,95
per dag 5 x 1,43 (inefficiéncy factor) meisjes
=7,2g eiwit (als ei- of koemelk-eiwit) 1-4 1,25 1,60
of ca. 9 g gemengd eiwit extra in de 4-7 1,15 1,45
voeding nodig. Dit komt overeen met 7-10 1,05 1,35
ca. 0,14 g gemengd eiwit per kg 10-13 0,90 1,20
lichaamsgewicht per dag. De mini- 13-16 0,75 0,95
mum eiwitbehoefte van de zwangere 16-19 0,70 0,90
wordt daarmee op 0,75 g per kg mannen
lichaamsgewicht per dag gesteld. 19-22 0,70 0,90
22-50 0,65 0,85
Bij een melksecretie van 800 50-65 0,65 0,85
mi/dag is ca. 10 g extra eiwit nodig. >65 0,65 0,85
Voor de synthese hiervan is 10x 1,43 vrouwen
(inefficiency factor) = 14,3 g eiwit per 19-22 0,65 0,80
dag extra in de voeding nodig als 22-50 0,60 0,80
ei- of koemelk-eiwit. Dit komt overeen 50-65 0,60 0,80
met ca. 18 g gemengd eiwit of met 768 0,60 0,80
ca. 0,27 g/kg lichaamsgewicht per zwangeren 0,78 1,00
dag. De minimum eiwitbehoefte van zogenden 285 1.10

de zogende vrouw wordt daarmee
op 0,85 g/kg lichaamsgewicht/dag

1) De minimumbehoefte is als volgt berekend: N-totaal
(tabel 3.1) x 6,25 (N-eiwit) x 1,43 (inefficiency factor)

gesteld. x 1,25 (NEB 80% t.o.v. eiwit) : 1000 (mg-g).
2) Berekend op basis van referentie eiwit (NEB =
100%); geldt niet indien moedermelk wordt gegeven.
Ouderen. 3) Het adequate niveau van inneming = minimumbe-

Het obligate stikstofverlies bij hoefte x 1,3 (variatiecoëfficiënt).

ouderen is lager dan dat bij volwas-

senen. Dit is het gevolg van een daling van de basaal stofwisseling met het ouder
worden. Hierdoor zou de stikstofbehoefte bij ouderen iets lager zijn, Er moet echter
vanuit worden gegaan dat de efficiëntie van de aminozuurstofwisseling met het ouder
worden vermindert, zodat voor ouderen dezelfde waarden voor de minimumbehoefte

kunnen worden aangehouden als voor volwassenen.

40

</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>3.3.2.

3.4.

eiwit

Adequaat niveau van inneming.

De eiwitbehoefte wordt bepaald door verschillende biologische parameters,
zoals obligaat stikstofverlies, basaal metabolisme, geboortegewicht en groeisnelheid.
In de meeste onderzoeken naar de interindividuele variatie in deze parameters worden
waarden gevonden van minder dan 10 tot meer dan 30%. Op grond hiervan is de
variatiecoéfficient in de minimum eiwitbehoefte werd door de FAO/WHO gesteld
op 15% (3). In navolging hiervan wordt door de commissie het adequate niveau
van inneming berekend door de minimum eiwitbehoefte met een factor 1,3 (2x15%
variatie-coëfficiënt) te vermenigvuldigen.

Intabel 3.2 zijn de waarden voor de minimumbehoefte en het op basis daarvan
berekende adequate niveau van inneming weergegeven.

Zuigelingen.

Moedermelk met een eiwitgehalte van 10 g/l, levert de zuigeling bij een inneming
van 800 ml 8 g eiwit/dag hetgeen overeenkomt met 1,4 g/kg lichaamsgewicht/dag.
Door de optimale aminozuursamenstelling van moedermelk is deze hoeveelheid
voldoende om de groei van de zuigeling (0-Y jr) te waarborgen. Deze hoeveelheid
is beduidend lager dan de via de factoriële methode afgeleide minimumbehoefte
en het daarop gebaseerde adequate niveau van inneming voor de zuigeling (0-V2
jr). Uit de praktijk is voorts gebleken dat zuigelingen goed groeien op volledige zuige-
lingenvoedingen met 15 g eiwit/l, hetgeen overeenkomt met 2,1 g eiwit/kg lichaams-
gewicht. Er zijn dus verschillende aanwijzingen dat het langs factoriële weg afgeleide
adequate niveau van inneming aan de hoge kant is.

Op grond van het bovenstaande mag daarom worden geconcludeerd dat voor
zuigelingen een eiwitvoorziening van 1,4 g/kg lichaamsgewicht/dag in de vorm van
moedermelk of van 2,0-2,5 g/kg lichaamsgewicht/dag in de vorm van hoogwaardig
eiwit (koemelk, soja) toereikend is.

LITERATUUR

1. Sauberlich HE, et al. Laboratory tests for the assessment of nutritional status. Cleveland: CRC Press, 1974.

2. Young VR, et al. Total human body protein syntheses in relation to protein reguirements at various ages.
Nature 1974; 253: 192-4,

3. FAO/WHO. Energy and protein requirements. WHO Techn Rep Series 522, Geneva: WHO, 1973.

4. FAO/WHO. Protein and energy requirements. Bulletin WHO 1979; 57 (1): 65-79.

5 Fomon SJ, et al. Urinary and faecel excretion of endogenous nitrogen by infants and children. J Nutr 1965;
85: 235-46.

6. Huang PC, et al. Protein reguirements of normal infants atthe age of about 1 year: Maintenance nitrogen
reguirements and obligatory nitrogen losses. J Nutr 1980; 110: 1727-35.

7. Fomon SJ, et al. Body composition of reference children from birth to age 10 years. Am J Clin Nutr 1982;

35: 1169-75.

8. Naismith NJ. Maternal nutrition and the outcome of pregnancy - a critical appraisal. Proc Nutr Soc 1980;
39: 1-11.

9. Garza C, et al. Human protein reguirements: the effect of variation in energy intake within the maintenance

range. J Clin Nutr 1976; 29: 914-23.

10. _ Calloway DH. Nitrogen balance of men with marginal intakes of protein and energy. J Nutr 1975; 105: 914-23.

11. Shils ME. Food and nutrition to work, exercise and environmental stress. In: Goodhart RS, Shils ME, eds.
Modern nutrition in health and disease, V. Nutrition during physiologic stress. Philadelphia: Lea & Febiger,
1980: 814-51.

12. FAO/WHO/UNU. Energy and protein requirements. WHO Techn Rep Series 724. Geneva: WHO, 1985.

41

</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>eiwit

HulsboschM. Kan te veel eiwit schadelijk zijn? Literatuurstudie. Commissie Voedingsnormen. 's-Gravenhage:
Voedingsraad, 1976.

Allen LM, et al. Reduction of renal calcium reabsorption in man by consumption of dietary protein. J Nutr
1979; 109: 1345-50.

Anonymous. Urinary calcium and dietary protein. Nutr Rev 1980; 38: 9-10.

Whiting SJ, Draper HH. The role of sulphate in the calciuria of high protein diets in adult rats. J Nutr 1980;
110: 212-22.

Zemel MB, et al. Role of the sulfur-containing amino acids in protein-induces hypercalciuria in men. J Nutr
1981; 111: 545-52.

Hegsted DM, Linkswiler HM. Long-term effects of level of protein intake on calcium metabolism in young
adult women. J Nutr 1981; 111: 244-51.

Linkswiler HM, et al. Calcium retention of young adult males as affected by level of protein and calcium intake.
Trans NY Acad Sci 1974; 36: 333-40.

Spencer M, et al. Effect of a high protein (meat) intake on calcium metabolism in man. Am J Clin Nutr 1978;
31: 2167-80.

42

</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>4.

4.1.

4.2.

4.3.

4.4.

Vet

INLEIDING

4.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
4.1.2. Fysiologische betekenis

4.1.3. Deficiéntieverschijnselen

4.1.4. Bepaling van de vetzuurstatus

BEHOEFTE AAN VET/VETZUREN

4.2.1. Inleiding

4.2.2. Behoefte aan essentiële vetzuren
4.2.3. Biologische beschikbaarheid van vet
42.4. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
4.3.1. Minimumbehoefte aan essentiële vetzuren

4.3.2. Adequaat niveau van inneming aan essentiële vetzuren

LITERATUUR

43

45
45
46
47
47

48
48
48
49
49

50
50
51

52

</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>vet

44

</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>4.1.

4.1.1.

vet

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

In de voeding van de mens komen drie groepen vetachtige verbindingen voor:
triglyceriden, fosfolipiden en sterolen.

Triglyceriden zijn opgebouwd uit vetzuren en glycerol, Vetzuren met een keten-
lengte van 16 en 18 koolstofatomen vormen het hoofdbestanddeel van de vetzuren
in de voeding van de mens. Daarnaast bevatten de meeste vetten wisselende
hoeveelheden vetzuren met ketenlengten van 8, 10, 12, 14, 20 en 22 koolstofatomen.
Sommige vetten, waaronder koemelkvet, bevatten vetzuren met een korte ketenlengte
van 4 koolstofatomen. Vetten opgebouwd uit vetzuren met ketenlengten van 6, 8,
10 en 12 koolstofatomen worden aangeduid als MCT vetten (medium chain triglyceri-
des/middellange ketenvetten). Moedermelk bevat een kleine hoeveelheid van deze
vetten. Vetzuren kunnen een verzadigd of onverzadigd karakter hebben. Van de
verzadigde vetzuren komen palmitinezuur (C,,) en stearinezuur (C,,) het meest in
de voeding voor. Daarnaast bevat de voeding ook vetzuren met één, twee of meer
onverzadigde bindingen, zoals oliezuur (C 18:1(n-9)), linolzuur (C 18:2(n-6)), a-
linoleenzuur (C 18:3(n-3)), arachidonzuur (C 20:4(n-6)) en eicosapentaëenzuur (C
20:5(n-3)).

De aanwezigheid van één of meer dubbele bindingen in de koolstofketen van
het vetzuur maakt dat er twee configuraties mogelijk zijn, namelijk de zogenaamde
cis- en transvorm. De cisvorm, waarbij de twee delen van de koolstofatoomketen
aan de zelfde kant van de dubbele binding liggen, komt in de natuur het meest voor.
Door harding of bacteriële omzetting (bij herkauwers) kan de cisvorm in de transvorm
overgaan. Sporen van transvetzuren zijn ook van nature in voedingsmiddelen
aangetroffen (1).

Fosfolipiden (fosfatiden) zijn di-esters van fosforzuur, dat is veresterd zowel
met glycerol of sphingosine als met choline, ethanolamine, serine of inositol. Glycerol
is hierbij veresterd met twee vetzuren en sphingosine met één vetzuur (N-acylgroep).

Sterolen vormen een groep verbindingen, die gekarakteriseerd zijn door een
cyclohexaanring. Het zijn alcoholen, die met vetzuren esters kunnen vormen. De
sterolen, die in de voeding voorkomen, kunnen globaal worden verdeeld in sterolen
van dierlijke oorsprong en sterolen van plantaardige oorsprong (fytosterolen).
Cholesterol is de belangrijkste vertegenwoordiger van de groep dierlijke sterolen.
De meest voorkomende fytosterolen in de voeding zijn campesterol, stigmasterol
en B-sitosterol. Fytosterolen worden slechts zeer ten dele geabsorbeerd (2).

Plantaardige oliën zijn over het algemeen rijk aan enkel en meervoudig on-
verzadigde vetzuren, waaronder in de eerste plaats linolzuur. Enkele plantaardige
oliën (notenolie) bevatten tevens wat grotere hoeveelheden arachidonzuur. In maisolie,
zonnebloemolie en soja-olie bedraagt het linolzuurgehalte 50-65%. Kokosvet is relatief
rijk aan middellange ketenvetzuren, bevat 50% laurinezuur doch zeer weinig linolzuur.
Het a-linoleenzuurgehalte van de meeste plantaardige oliën en vetten bedraagt
ongeveer 0,8%; het gehalte in koolzaad- en soja-olie bedraagt 7-10%. Plantaardige
oliën en vetten met uitzondering van kokosvet zijn rijk aan vitamine E. Vitamine E

45

</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>4.1.2.

vet

voorkomt de oxydatie van onverzadigde vetzuren, een proces waarbij de biologische
activiteit van het essentiéle vetzuur verloren gaat.

Dierlijk vet is vaster van consistentie dan plantaardig vet en bevat meer
stearinezuur (C,,) en palmitinezuur (C,,). Daarnaast bevat het grotere hoeveelheden
oliezuur. Het linolzuurgehalte varieert. In het vet van gevogelte is de hoeveelheid
linolzuur over het algemeen groter (ca. 20%) dan in varkensvet (ca. 10%). Het linol-
zuurgehalte van rund- en melkvetis laag (1-2%). Naast linolzuur bevatten de meeste
dierlijke vetten kleine hoeveelheden a-linoleenzuur en arachidonzuur. Een aparte
plaats neemt het vet van vis in. Naast palmitine- en oliezuur bevat het grotere hoe-
veelheden vetzuren met een grote ketenlengte (C,, en C,,), met vier tot zes dubbele
bindingen.

Fysiologische betekenis.

Algemeen.

Met uitzondering van de essentiële vetzuren kunnen zowel triglyceriden als
fosfolipiden en sterolen door het lichaam uit koolhydraten, choline en enkele amino-
zuren worden gesynthetiseerd.

De vetten vormen met de koolhydraten de voornaamste energiebron. Vrijwel
alle weefsels in het menselijk lichaam zijn in staat vet als energiebron te benutten.
Een uitzondering hierop vormen de erytrocyten en het centrale zenuwstelsel (zie
hoofdstuk 5). Het vermogen van het lichaam om vet te stapelen is groot. Indien de
hoeveelheid energie die met het voedsel wordt opgenomen groter is dan de energiebe-
steding, wordt vet gestapeld. De opslag van vet in het lichaam vindt voornamelijk
plaats in het vetweefsel. Als extra energie nodig is en de glycogeenreserve bijna
is uitgeput, wordt het vet uit de vetweefsels gemobiliseerd en als energiebron benut.

Het onderhuidse vetweefsel heeft naast de functie van energiedepo t, vooral
een belangrijke isolerende functie. Gemiddeld is de hoeveelheid onderhuids vetweefsel
bij vrouwen groter dan bij mannen. Op andere plaatsen heeft vetweefsel een functie
als stootkussen bijvoorbeeld voor de nieren en andere organen (2,3,4). Tenslotte
vervult vet een essentiële rol bij transport en opslag van vetoplosbare vitamines.

Essentiële vetzuren.

De groep van essentiële vetzuren wordt gevormd door linolzuur, a-linoleenzuur
en arachidonzuur. De vraag of arachidonzuur ook tot deze groep moet worden gere-
kend staat ter discussie, omdat er steeds meer aanwijzingen beschikbaar komen
dat arachidonzuur door het lichaam uit linolzuur kan worden opgebouwd. Alleen
in de cisvorm hebben vetzuren het karakter van een essentieel vetzuur. De essentiële
vetzuren hebben in het lichaam verschillende functies:

* — Zij vormen een onmisbaar bestanddeel van de celmembranen.

*__Zij spelen een rol in de cholesterolstofwisseling.

*  Alleenuitessentiöle vetzuren kan het lichaam eicosanoïden (prostaglandines,
tromboxanen, prostacyclines en leukotriënen) vormen. Deze groep hormoonachti-
ge verbindingen spelen een belangrijke rol in een groot aantal uiteenlopende
stofwisselingsprocessen (5).

46

</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>4.1.3.

4.1.4.

vet

Deficiéntieverschijnselen.

Bij dieren.

Bij de rat veroorzaakt een tekort aan linolzuur, groeiachterstand, huidafwijkingen,
stoornissen in de nierfunctie en een gestoord voortplantingsvermogen. Verder treden
er afwijkingen op die op een verminderde prostaglandinesynthese zouden zijn terug
te voeren (2).

Bij de mens.

Bij de mens zijn klinische deficiéntieverschijnselen als gevolg van een tekort
aan essentiéle vetzuren onder normale omstandigheden nooit waargenomen. Alleen
bij zuigelingen, kinderen en volwassenen, die geruime tijd intraveneus werden gevoed,
zijn deze verschijnselen geconstateerd. De vetzuurdeficiéntie werd vastgesteld op
basis van het bloedlipidenbeeld. De afwijkingen bestaan uit een droge en schilferige
huid met een verdikte hoornlaag (6). In een recent literatuuroverzicht worden aan
een (n-6) vetzuurdeficiëntie de volgende verschijnselen gerelateerd: groeiachterstand,
huidafwijkingen, stoornissen in de voortplanting en leververvetting. Voor een (n-3)
vetzuurdeficiëntie zijn dit leerstoornissen, afwijkingen in het electroretinogram en
een verminderd gezichtsvermogen (7). Door Naismith is bij jonge patiënten met
kwashiorkor een abnormale triëen/tetraëen verhouding in de bloedlipiden (zie §4.1.4.)
waargenomen die volgens de onderzoekers werd veroorzaakt door een linolzuurtekort
en door hen werd beschouwd als een biochemisch deficiëntieverschijnsel (8). Het
is echter de vraag of deze abnormaal hoge verhouding uitsluitend aan een linolzuurte-
kort kan worden toegeschreven gezien de door gebrek aan essentiële voedingsstoffen
gestoorde stofwisseling bij deze patiënten.

Met name de zuigeling is kwetsbaar voor een gebrekkige voorziening met es-
sentiéle vetzuren. Bij de geboorte is namelijk de concentratie van essentiële vetzuren
in het depotvet nog gering (2-3%) (9). Dit is het gevolg van de geringe doorlaatbaarheid
van de placentaire membraan voor vetten. Als gevolg hiervan treedt bij de zuigeling
eerder een gebrek aan essentiële vetzuren op dan bij de volwassene, die in het
algemeen over een aanzienlijke reserve aan essentiële vetzuren beschikt (9).

Bepaling van de vetzuurstatus.

Een goede methode voor de bepaling van de status aan essentiële vetzuren
is nog niet beschikbaar. Er wordt veel onderzoek verricht naar biochemische parame-
ters die inzicht in deze status zouden kunnen geven. De aandacht is hierbij met name
gericht op de samenstelling van het lichaamsvet als indicator van de essentiële vetzuur-
opneming en de vetzuurstofwisseling (10). Onder andere in Amerikaans onderzoek
is bij de gebruikelijke voeding een linolzuurgehaite van het lichaamsvet vastgesteld
van 10-12% (11). De biochemische parameter die het meest wordt toegepast is de
zogenaamde triëen/tetraëen verhouding in de bloediipiden. De triëen/tetraëen verhou-
ding is de verhouding tussen de concentraties van tussenprodukten in de stofwisseling
van niet-essentiële en essentiële vetzuren, met name van 5,8,11-eicosatrieenzuur
(C 20:3(n-9)) en arachidonzuur (C 20:4(n-6)) (2,12). Deze verhouding kan worden
beschouwd als maat voor de voorziening met essentiële vetzuren. In het algemeen
wordt voor deze verhouding een waarde van 0,2 aangehouden voor een voldoende
voorziening.

47

</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>4.2.

4.2.1.

4.2.2.

vet

BEHOEFTE AAN VET/VETZUREN
Inleiding.

De behoefte aan vet wordt in de eerste plaats bepaald door de behoefte aan
essentiële vetzuren, waarbij de behoefte aan essentiële vetzuren in belangrijke mate
wordt bepaald door de behoefte aan linolzuur. In de tweede plaats is de behoefte
aan vet afhankelijk van de energiebehoefte. Vetten vormen samen met koolhydraten
de belangrijkste energiebron voor het lichaam. Met betrekking tot het bepalen van
de gewenste verhouding in de voeding tussen de hoeveelheid energie geleverd
door vetten en door koolhydraten en de samenstelling van de vetten en de
koolhydraten spelen de inzichten over de relatie tussen voeding en gezondheid een
belangrijke rol (13).

Behoefte aan essentiële vetzuren.

Doordat bij de mens deficiéntieverschijnselen, die aan een linolzuurgebrek kunnen
worden toegeschreven, slechts bij een beperkt aantal leeftijdsgroepen zijn
waargenomen, is de linolzuurbehoefte op verschillende leeftijden slechts bij benadering
bekend.

Kinderen.

Op basis van de resultaten van onderzoek van Hansen bij gezonde zuigelingen
in de leeftijd van 0-1 jaar, die gevoed werden met melkvoedingen met verschillende
hoeveelheden linolzuur, concludeerden Holman et al dat de minimum linolzuurbehoefte
voor deze leeftijdsgroep 1 à 2% van de energie-inneming bedraagt (14) (zie ook
(7) en (15)). Deze hoeveelheid linolzuur in de voeding verlaagde de triéen/tetraéen
verhouding van de bloedlipiden van meer dan 1 tot 0,2 a 0,4. Bij een hoger gehalte
aan linolzuur in de voeding bleef de triëen/tetraëen verhouding ongeveer op hetzelfde
niveau. Dit niveau wordt door Holman als karakteristiek voor een normaal vetzuur-
patroon beschouwd (14). In onderzoek van Paulsrud et al bleek dat een hoeveelheid
van 2 en% linolzuur in de voeding voldoende was om bij kinderen van ca. 6 maanden
de deficiëntieverschijnselen te genezen die door een linolzuurdeficiënte intraveneuze
voeding waren geïnduceerd (6). Ook door het Committee on Nutrition van de European
Society for Paediatric Gastroenterology and Nutrition (ESPGAN) wordt geconcludeerd,
dat een linolzuurinneming van ongeveer 1 en% in de minimumbehoefte aan linolzuur
van kinderen voorziet (16).

Tegen de hierboven beschreven resultaten is door Cuthbertson en Sanders
ingebracht dat de minimum linolzuurbehoefte van zuigelingen lager zou zijn dan
1 en% (17,18). Zij baseren zich hierbij op ervaringen met zuigelingenvoeding op
basis van koemelk. Door een aantal onderzoekers is echter waargenomen dat de
triöen/tetrašen verhouding van de plasmalipiden bij gebruik van een zuigelingenvoeding
op basis van koemelk hoger wordt dan 0,2, de waarde die wordt aangehouden voor
een voldoende voorziening (19,20,21,22).

Volwassenen.
Uit resultaten van dierexperimenteel onderzoek blijkt dat de triëen/tetraëen
verhouding in de bloedlipiden onder invloed van een wisselende hoeveelheid linolzuur

48

</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>4.2.3.

4.2.4.

vet

een hyperbool beschrijft, waarbij de kromming ligt bij 1 a 2 en% linolzuur in het voeder
(23). Het bestaan van deze hyperbolische relatie tussen het linolzuurgehaite van
de gebruikte voeding en de triëen/ tetraëen verhouding in het bloed wordt ondersteund
door onderzoek bij zuigelingen (14). Op basis van deze relatie wordt door Mead
aangenomen dat voor alle leeftijdscategorieën 1 a 2 en% linolzuur in de voeding
een optimale hoeveelheid is om deficiëntieverschijnselen te voorkomen (5).

Zwangerschap en lactatie.

Bij de zwangere zal de linolzuurbehoefte aanzienlijk toenemen. Tijdens de
zwangerschap zet de vrouw ca. 2 kg lichaamsvet af, met name tijdens het tweede
en derde trimester. Indien er vanuit wordt gegaan dat het linolzuurgehalte van het
lichaamsvet tijdens deze periode constant moet blijven (10 à 12%) betekent dit dat
ruim 200 g linolzuur wordt afgezet. In het tweede en vooral derde trimester van de
zwangerschap neemt de linolzuurbehoefte van de vrouw daardoor met ruim 1 g
per dag toe.

De totale hoeveelheid linolzuur, die de foetus stapelt bedraagt ca. 20 g (9).
Hierdoor zal de linolzuurbehoefte van de vrouw in de laatste drie maanden van de
zwangerschap nog met 0,2 g per dag extra toenemen.

Het vet in moedermelk van westerse vrouwen bevat 10-12% linolzuur (24, 25).
Een moedermelkproduktie van 800 ml/dag bevat 3-3,5 g linolzuur. Bij de goed gevoede
vrouw zal in de eerste drie maanden van de lactatieperiode een groot deel van de
hoeveelheid vet in de moedermelk afkomstig zijn van de vetreserves, die tijdens
de zwangerschap werden opgebouwd. Daar het linolzuurgehalte van deze vetreserves
bij de gemiddelde Nederlandse vrouw 10-12% bedraagt, wordt door het verbruik
van de vetreserves voorzien in de behoefte aan linolzuur in de eerste 2 à 3 maanden
van de lactatieperiode. Als na deze tijd de extra vetreserve is verbruikt, is wel een
extra hoeveelheid linolzuur nodig. Deze hoeveelheid kan op 3-3,5 g per dag worden
gesteld.

Biologische beschikbaarheid van vet.

Vanaf de leeftijd van ca. 1 jaar is de vetabsorptie vrijwel volledig (ca. 95%). Zelfs
indien de hoeveelheid vet tot 50% van de energetische waarde van de voeding stijgt,
blijft de vetabsorptie vrijwel volledig.

Alleen bij de zuigeling is de vetabsorptie iets minder goed. De absorptie van
vet uit moedermelk verloopt beter dan die van vet uit koemelk, terwijl de absorptie
van plantaardige oliën niet veel afwijkt van die van vet uit moedermelk. Vet uit
moedermelk wordt al in de eerste levensmaanden voor ongeveer 90% geabsorbeerd.

Toxiciteit.
Onderzoek naar mogelijke toxiciteit van vetzuren heeft zich met name gericht

op het onderzoek naar een mogelijke bevorderende werking van linolzuur via de
prostaglandinesynthese op het ontstaan van kanker. Vooralsnog is het onduidelijk

49

</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>4.3.

4.3.1.

vet

wat de praktische betekenis is van de waarnemingen uit voornamelijk dierexperimenteel
onderzoek (26).

Voorts heeft het onderzoek zich gericht op de schadelijke effecten van erucazuur.
Erucazuur komt in hoge concentraties voor in sommige soorten koolzaadolie. Indien
aan voeder van dieren grote hoeveelheden van deze soorten koolzaadolie wordt
toegevoegd, treden er bij deze dieren afwijkingen in het spierweefsel van het hart
op (2). Dit heeft geleid tot de selectie van koolzaadsoorten ten behoeve van de margari-
ne-industrie waarvan de olie weinig of geen erucazuur bevat.

Een hoog gehalte aan transvetzuren in de voeding kan een schadelijke werking
hebben, zoals een remming van de omzetting van cis-cis-linolzuur in arachidonzuur
en prostaglandines en een verslechtering van de verschijnselen van een essentiële
vetzuurdeficiëntie (27,28,29,30,31,32,33,34,35). Het effect van transvetzuren is
waarschijnlijk kleiner naarmate het gehalte aan cis-cis-linolzuur hoger is. Het is daarom
niet waarschijnlijk dat dit proces bij de mens optreedt, omdat een hoog gehalte aan
transvetzuren in de voeding meestal samengaat met een hoog gehalte aan cis-cis-
linolzuur.

Tenslotte kan toxiciteit van vetzuren ontstaan bij te hoge en te langdurige verhitting
van vetten door de vorming van isomeren en polymeren.

Op basis van het verband tussen de voeding en het optreden van ziekte wordt
onder andere door de Voedingsraad een verandering van de vetconsumptie gewenst
geacht (13). Door de Raad is geconcludeerd dat een beperking van de hoeveelheid
vetten in de voeding gewenst is tot 30-35 en%. Hierbij zou de hoeveelheid verzadigde
vetzuren (met name die met 12-16 koolstofatomen) beperkt moeten blijven tot maximaal
10 en%.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte aan essentiële vetzuren.

Door de beperkte hoeveelheid gegevens is de minimumbehoefte aan linolzuur
slechts bij benadering vast te stellen. Op basis van de beschikbare informatie die
is vermeld in §4.2.2. wordt als minimum linolzuurbehoefte voor zuigelingen een hoeveel
heid aangehouden die overeenkomt met 2% van de energetische waarde van de
voeding. Deze hoeveelheid is voldoende om zowel klinische deficiëntieverschijnselen
te voorkomen als een triëen/tetraëen verhouding in de bloedlipiden lager dan 0,2
te realiseren.

De informatie ontbreekt om voor andere leeftijdscategorieën een minimum linol-
zuurbehoefte te kunnen opstellen.

50

</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>4.3.2.

vet

Adequaat niveau van inneming aan essentiéle vetzuren.

Kinderen en volwassenen.

Voor kinderen en volwassenen wordt in navolging van Mead door de commissie
aangenomen dat het adequaat niveau van inneming van linolzuur 2% van de energeti-
sche waarde van de voeding bedraagt. Hierbij wordt uitgegaan van een adequate
energievoorziening (5). Bij laag energetische voedingen zou het percentage linolzuur
in de voeding moeten worden verhoogd tot ca. 3 en%. Indien de genoemde hoeveelhe-
den linolzuur in de voeding aanwezig zijn, blijkt ook de o-linoleenzuurbehoefte in
de praktijk te zijn gedekt.

De gemiddelde hoeveelheid linolzuur in het vet in de voeding in Nederland
blijkt op basis van gegevens van voedselconsum ptie-onderzoek te variëren tussen
10-20% met een gemiddelde waarde van ca. 14%. Als wordt uitgegaan van de meest
ongunstige vetzuursamenstelling (10% linolzuur) dan kan hieruit worden afgeleid
dat ca. 20% van de energie in de voeding door vet geleverd zou moeten worden
om te kunnen voldoen aan het adequaat niveau van inneming van linolzuur.

Zuigelingen.

Het adequate niveau van inneming van linolzuur voor zuigelingen tot 6 maanden
wordt door de commissie gesteld op 3% van de energetische waarde van de voeding.
Bij een voorziening op dit niveau wordt een triëen/tetraëen verhouding (lager dan
0,1) gerealiseerd, die overeenkomt met de verhouding die is vastgesteld bij zuigelingen,
die met moedermelk worden gevoed (2).

Van de hoeveelheid energie in moedermelk (300 kJ/100 ml) wordt ca. 50%
door vet geleverd. Vet in moedermelk bevat 10-12% linolzuur. Dit betekent dat de
gemiddelde hoeveelheid linolzuur in moedermelk overeenkomt met ca. 5% van de
energetische waarde van de moedermelk. Deze hoeveelheid is ruim voldoende om
aan het adequate niveau van inneming van linolzuur voor de zuigeling te voldoen.

Voor zuigelingen van 6 maanden tot een jaar wordt het adequate niveau van
inneming gesteld op 2% van de energetische waarde van de voeding.

Zwangerschap en lactatie.

Zoals is berekend in §4.2.2. neemttijdens de zwangerschap de linolzuurbehoefte
in het tweede en derde trimester met tenminste 1,2 g per dag toe hetgeen overeenkomt
met ca. 0,5% van de energetische waarde van de voeding. Op basis van de vermelde
gemiddelde vetzuursamenstelling van de huidige voeding (10-20% linolzuur van de
totale hoeveelheid vet) kan worden berekend dat in de voeding van zwangeren in
het tweede en derde trimester van de zwangerschap ca. 25% van de energie door
vet moet worden geleverd om aan het adequate niveau van inneming van linolzuur
te kunnen voldoen.

Omdat tijdens de lactatie de vetreserve in de eerste drie maanden wordt verbruikt
neemt pas na deze periode de linolzuurbehoefte toe van 2 naar 3 en%. Om dan
aan het adequate niveau van inneming voor linolzuur te kunnen voldoen moet in
de voeding op basis van de huidige vetzuursamenstelling van de voeding ca. 30%
van de energie door vet worden geleverd.

51

</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>4.4,

vet

categorieén een overzicht gegeven van het adequate

In tabel 4.1 wordt voor de verschillende leeftijds- = Tabel 4.1. Adequaat niveau van
Inneming voor vet per dag

; A ; categorie/ linolzuur vet
niveau van inneming. leeftijd j on% en%”
zuigelingen
O-Va 3 ?

LITERATUUR Vet 2 20

1. SommerfeldM.Transunsaturated fatty acids in natural products Jongens
and processed foods. Prog Lip Res 1983; 22: 221-33. 1-4 2 20

2. FAO. Dietary fats and oils in human nutrition. Report of an expert 4-7 2 20
consultation. Food and Nutrition Paper 1977; 3. 7-10 2 20

3. Friedman HI, Nylund B. Intestinal fat digestion, absorption and
transport. A review. Am J Clin Nutr 1980; 33: 1108-39. 10-13 2 20

4. Alfin-Slater RB, Aftergood L. Suppliers of energy: fat. In: Alfin-Slater 13-16 2 20
RB, Kritchevsky D, eds. Human Nutrition, A comprehensive treatise 16-19 2 20
(vol BA). Nutrition and the adult: macronutrients. New York: Plenum meisies
Press, 1980; 117-40. }

5. Mead JF. Nutrients with special functions: essential fatty acids. 1-4 2 20
In: Alfin-Slater RB, Kritchevsky D, eds. Human Nutrition, A 4-7 2 20
comprehensive treatise (vol 3A). Nutrition and the adult: macro- 7-10 2 20
nutrients. New York: Plenum Press, 1980; 21.

6. Paulsrud JR, et al. Essential fatty acid deficiency in infants induced 10-13 2 20
by fat-free intravenous feeding. Am J Clin Nutr 1972; 25: 897-904. 13-16 2 20

7. Anderson GJ, Connor WE, On the demonstration of w-3 essential 16-19 2 20
fatty-acid deficiency in humans. Am J Clin Nutr 1989; 49: 585-7. mannen

8. Naismith DJ. Kwashiorkor in western Nigeria: a study of traditional
weaning foods, with particular reference to energy and linoleic 19-22 2 20
acid. Br J Nutr 1973; 30: 567-76. 22-50 2 20

9. Apte SV, lyengar L. Composition of the human foetus. Br J Nutr 50-65 2 20
1972; 27: 305-12. „65 2 20

10. Beynen AC, Katan MB. Rapid sampling and long-term storage
of subcutaneous adipose-tissue biopsies for determination of fatty vrouwen
acid composition. Am J Clin Nutr 1985; 42: 317-22. 19-22 2 20

11. Beynen AC, et al. A mathematical relationship between the fatty 22-50 2 20
acid composition ofthe diet and that of the adipose tissue in man. 50-65 2 20
Am J Clin Nutr 1980; 33: 81-85.

12. Rivers JPW, Frankel TL. Essential fatty acid deficiency. Br Med >65 2 20
Bull 1981; 37: 59-64. . zwangeren + 0,5 25

13.  Voedingsraad. Richtlijnen goede voeding. ‘s-Gravenhage: Voe- zogenden +1 30
dingsraad, 1986.

14. | Holman RT, et al. The essential fatty acid requirement of infants 1) Op basis van de gemiddelde
and the assessment of their dietary intake of linoleate by serum vetzuursamenstelling van de
fatty acid analyses. Am J Clin Nutr 1964; 14: 70-5. gebruikelijke Nederlandse

15. Lands WEM. Renewed questions about polyunsaturated fatty voedin
acids, Nutr Rev 1986; 44: 189-95. 9.

16. . ESPGAN. Guidelines on infant nutrition 1. Recommendations for the composition of an adapted formula.
Acta Ped Scand Suppl 1977; 262: 3-20.

17. Cuthbertson WFJ. Essential fatty acid requirements in infancy. Am J Clin Nutr 1976; 29: 559-68.

18. Sanders TAB. Long-chain polyunsaturated fatty acids in the erythrocyte lipids of breast-fed and bottle-fed
infants. Proc Nutr Soc 1976; 35: 63A.

19.  Pikaar NA, Fernandes J. Influence of different types of dietary fat on the fatty acid composition of some
serum lipid fractions in infants and children. Am J Clin Nutr 1966; 19: 194-204.

20. Crawford MA, et al. Metabolism of essential fatty acids in the human fetus and neonate. Nutr Metab 1977;
21 (suppl 1): 187-8.

21. Crawford MA, et al. Essential fatty acid requirements in infancy. Am J Clin Nutr 1978; 31: 2181-5.

22, Naismith DJ, Deeprose SP. The linoleic acid requirement of the human infant. Proc Nutr Soc 1976; 35: 65A.

23, Holman AT. The ratio of trieonoic: tetraenoic acids in tissue lipids as a measure of essential fatty acid
requirement. J Nutr 1960; 70: 405.

24, Jansson L, et al. Vitamin E and fatty acid composition of human milk. Am J Clin Nutr 1981; 34: 8-13.

25. — Gibson RA, Kneebone GM. Fatty acid composition of human colostrum and mature breast milk. Am J Clin
Nutr 1981; 34: 252-7.

26.  Voedingsraad. Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1986.

52

</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>27.

28.

31.

32.

35.

vet

Kurata N, Privett OS, Effects of dietary trans acids on the biosynthesis of arachidonic acid in rat liver microsomes.
Lipids 1980; 15: 1029-36.

De Schrijver R, Privett OS. Interrelationship between dietary trans fatty acids and the 6- and 9-desaturases
in the rat. Lipids 1982; 17: 27-34.

Kinsella JE, et al. Prostaglandins and their precursors in tissues from rats fed on trans, trans-linoleate. Biochem
J 1979; 184: 701-4.

Hwang DH, et al. Effects of dietary 9-trans, 12-trans-linoleate on arachidonic acid metabolism in rat platelets.
Lipids 1982; 17: 307-13.

Bruckner G, et al. Dietary trilinoelaidate: effects on organ fatty acid composition, prostanoid biosynthesis
and platelet function in rats. J Nutr 1984; 114: 58-67.

Privett OS, Blank ML. Studies on the metabolism of linoelaidic acid in the essential fatty acid deficient rat.
J Am Oil Chem Soc 1964; 41: 292-7.

Takatori T, et al. Effects of dietary saturated and trans fatty acids on tissue lipid composition and serum
LCAT-activity in the rat. Lipids 1976; 11: 272-80.

Hwang DH, Kinsella JE. The effects of trans, trans methyllinoleate on the concentration of prostaglandins
and their precursors in rat. Prostaglandines 1979; 17: 543-9.

Kinsella JE, et al. Metabolism of trans fatty acids with emphasis of the effects of trans, trans octadecadienoate
onlipid composition, essential fatty acid and prostaglandins: an overview. Am J Clin Nutr 1981; 34: 2307-18.

53

</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>9.

5.1.
5.2.
5.3.
5.4.

5.5.

5.6.

5.7.

Koolhydraten

INLEIDING
5.1.1, Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen

KOOLHYDRAATBEHOEFTE

5.2.1. Algemeen

5.2.2. Biologische beschikbaarheid
5.2.3. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
5.3.1. Minimumbehoefte
5.3.2. Adequaat niveau van inneming

VOEDINGSVEZEL
5.41. Algemeen
5.4.2. Adequaat niveau van inneming

SUIKERALCOHOLEN

ALCOHOL
5.6.1. Inleiding

5.6.2. De relatie alcoholgebruik en het ontstaan van ziekte

LITERATUUR

55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>koolhydraten

56

</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>5.1.

5.1.1.

koolhydraten

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Het begrip koolhydraten wordt gebruikt om chemische verbindingen met de
algemene structuurformule (CH,0), aan te duiden. In het kader van dit advies wordt
dit beperkt tot verbindingen waarbij n>4 is. Niet alle organische verbindingen met
deze structuur behoren tot de koolhydraten; een uitzondering hierop is onder andere
inositol (CgH,.0,).

Met betrekking tot de voeding van de mens zijn er drie groepen koolhydraten
te onderscheiden.

De eerste groep betreft de koolhydraten, die in het menselijk lichaam worden
afgebroken, geabsorbeerd en gemetaboliseerd (verteerbare koolhydraten). Hiertoe
behoren monosachariden als glucose en fructose, disachariden als sacharose, lactose,
maltose, oligosachariden van de maltosegroep (ketenlengte 3-10 eenheden
monosachariden), polysachariden als zetmeel en voorts suikeralcoholen. Deze laatste
worden in dit kader kort behandeld.

De tweede groep wordt gevormd door voedingsvezel, terwijl de derde groep
een voor de mens minder belangrijke groep koolhydraten betreft, onder andere de
oligosachariden van de raffinosegroep (zoals raffinose en stachyose), polysachariden
(zoals imoline, agar en carrageen) die niet zijn opgebouwd uit glucosemoleculen
en een aantal suikers als lactulose. De koolhydraten uit deze groep kunnen niet
door de spijsverteringsenzymen van de mens worden afgebroken, maar wel door
de bacterieflora in de dikke darm worden gefermenteerd. Hierbij ontstaan verbindingen,
zoals vluchtige vetzuren en melkzuur, die worden geabsorbeerd en gemetaboliseerd.

De verteerbare koolhydraten worden in het spijsverteringskanaal afgebroken
tot monosachariden en in de dunne darm geabsorbeerd. Dit is voor een deel een
(passief) proces van diffusie en voor een deel een proces van actieve absorptie,
waarbij het monosacharide wordt gefosforyleerd in de cellen van het slijmvlies van
de dunne darm.

De verteerbare koolhydraten komen in de meeste voedingsmiddelen voor als
een mengsel van mono-, di- en/of polysachariden. In sommige voedingsmiddelen
is slechts één enkel type koolhydraat aanwezig.

De totale consumptie van koolhydraten per dag levert gemiddeld 47% van de
energetische waarde van de voeding met een spreiding van 41-52% (1). Deze hoeveel-
heid wordt voor 45-55% gebruikt in de vorm van mono-en disachariden. Van de
totale hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding is ongeveer de helft van
nature aanwezig en wel met name in fruit, melk en melkprodukten. Verreweg de
meest voorkomende disacharide in de voeding is sacharose (riet/bietsuiker). Het
meest voorkomende polysacharide in de voeding is de plantaardige polysacharide
zetmeel. De dierlijk polysacharide glycogeen speelt in de voeding nauwelijks een
rol. |

57

</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>5.2.

5.2.1.

koolhydraten
KOOLHYDRAATBEHOEFTE

Algemeen.

Alle verteerbare koolhydraten zijn voor de energievoorziening van de mens
van grote betekenis. Zij worden na splitsing door spijsverteringsenzymen overwegend
in de vorm van glucose geabsorbeerd. Ook andere monosachariden zoals fructose
en galactose, worden geabsorbeerd en in de lever voor het grootste deel in glucose
omgezet. In de lever en de spieren wordt een gedeelte van de glucose als glycogeen
opgeslagen, terwijl een gedeelte wordt omgezet in vet en een gedeelte onveranderd
aan het bloed wordt afgegeven. Glucose staat op cellulair niveau centraal in de
energiestofwisseling; alle lichaamscellen zijn in staat glucose te metaboliseren. De
meeste weefsels en organen zijn echter ook in staat om in de energiebehoefte te
voorzien door middel van oxydatieve afbraak van andere verbindingen zoals vrije
vetzuren. De behoefte aan glucose (ongeacht of deze van exogene of endogene
oorsprong is) wordt bepaald door de energiebehoefte van de erytrocyten en van
het centraal zenuwstelsel, die niet op een andere wijze in de energiebehoefte kunnen
voorzien. Onder fysiologische omstandigheden is voor volwassenen in totaal 180
g glucose/dag nodig om in deze behoefte van het centraal zenuwstelsel (140 g)
en de erytrocyten (40 g) te voorzien (2). Als het koolhydraatgehalte van de voeding
gering is, zal het lichaam in de behoefte aan glucose in eerste instantie voorzien
door gebruik te maken van de glycogeenreserve. Na uitputting van de glycogeenre-
serve kan het lichaam in de behoefte aan glucose voorzien door de synthese van
glucose in de lever uit een aantal aminozuren, glycerol en melkzuur (gluconeogenese).
Aan de glucosebehoefte kan dus zowel via de voeding als via endogene bronnen
worden voldaan. Dit betekent, dat verteerbare koolhydraten (als leveranciers van
glucose) volgens de definitie van een essentiële voedingsstof in feite niet als essentiële
voedingsstoffen kunnen worden beschouwd.

Onder invloed van een voeding die geen koolhydraten bevat en tijdens vasten
kunnen echter ketose, een verhoogde afbraak van weefseleiwit, verlies aan kationen
(in het bijzonder van natrium en kalium), hyperuricemie en dehydratie ontstaan. Hieruit
kan worden afgeleid dat een bepaalde hoeveelheid koolhydraten in de voeding als
wenselijk moet worden aangemerkt, ondanks het feit dat koolhydraten niet als
essentiële voedingsstoffen kunnen worden beschouwd.

De nadelige effecten van een voeding die te weinig koolhydraten bevat, kunnen
bij volwassenen worden voorkomen door inneming van 50-100 g verteerbare kool-
hydraten per dag (3,4,5). Op basis van resultaten van onderzoek met voedingen
die een extreem lage hoeveelheid energie bevatten concludeert Howard, dat 45 g
koolhydraten per dag voldoende is om onder andere hyperuricemie en verlies aan
kationen te voorkomen (5). Om ketose te voorkomen bleek 50-100 g koolhydraten/dag
noodzakelijk.

Bij de zuigeling is de neiging tot acidose sterker dan op latere leeftijd. De
hoeveelheid koolhydraten, die noodzakelijk is om acidose bij de zuigeling te voorkomen,
is echter niet bekend.

58

</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>5.2.2.

5.2.3.

5.3.

5.3.1.

koolhydraten

Biologische beschikbaarheid.

De biologische beschikbaarheid van mono-, di- en oligosachariden is volledig.
De biologische beschikbaarheid van zetmeel is afhankelijk van de mate waarin het
door de spijsverteringsenzymen onder andere a-amylase kan worden afgebroken.
De verteerbaarheid van rauw zetmeel is beperkt en wordt bevorderd door koken,
waardoor verstijfseling optreedt.

De zuigeling beschikt kort na de geboorte nauwelijks over a-amylaseactiviteit.
In verband hiermee wordt zetmeel beneden de leeftijd van 3-4 maanden als een
minder geschikte voedingsstof beschouwd.

Toxiciteit.

In het kader van de relatie voeding en het ontstaan van ziekte zijn ten aanzien
van de hoeveelheid en de aard van de koolhydraten in de voeding aanbevelingen
opgenomen in het advies Richtlijnen goede voeding van de Voedingsraad. Met
betrekking tot de preventie van coronaire hartziekten wordt een beperking van de
hoeveelheid glucose en sacharose in de voeding gewenst geacht in verband met
hethyperlipidemische, hyperglycemische eninsulinemischeeffectvan deze suikers.
Substitutie van sacharose en glucose in de voeding door fructose wordt ongewenst
geacht vanwege het feit dat ook fructose het optreden van hyperlipidemie tot gevolg
heeft. De mate waarin deze suikers het ontstaan van hypertriglyceridemie,
hyperglycemie en insulinemie beïnvloeden, hangt af van de wijze waarop deze mono-
en disachariden in het voedsel voorkomen (vrij dan wel ingesloten) en daarmee van
de snelheid, waarmee deze suikers in de bloedbaan worden opgenomen. In het
advies wordt aanbevolen er naar te streven de totale (zowel van nature aanwezige
als toegevoegde) hoeveelheid mono- en disachariden te beperken tot 15 à 25%
van de energetische waarde van de voeding (1).

Beperking van de hoeveelheid mono- en disachariden in de voeding wordt
ook aanbevolen in het kader van de preventie van tandcariës. De gemakkelijk
vergistbare mono- en disachariden uit de voeding (glucose, invertsuiker, fructose
en sacharose) vormen de belangrijkste energiebron voor de bacteriën in de tandplaque,
die essentieel zijn in de etiologie van tandcariës. Door deze bacteriën worden namelijk
de suikers in de plaque omgezet in zuren die een demineralisatie van het tandglazuur
bewerkstelligen. Een frequent gebruik per dag van voedingsmiddelen die suikers
bevatten (waaronder snoep en frisdranken), levert een veel belangrijker bijdrage
aan het ontstaan van tandcariës dan de hoeveelheid suiker die wordt gegeten. Op
basis van deze relatie is dus geen grens aan te geven voor de hoeveelheid mono-en
disachariden in de voeding die niet zou moeten worden overgeschreden (1).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.
Zoals gesteld, kunnen de ongewenste verschijnselen die ontstaan als gevolg

van een voeding die te weinig koolhydraten bevat, bij volwassenen worden voorkomen
door inneming van 50-100 g verteerbare koolhydraten/dag. Deze hoeveelheid wordt

59

</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>5.3.2.

5.4.

5.4.1.

koolhydraten

door de commissie als minimumbehoette beschouwd. Er zijn geen gegevens be-
schikbaar op basis waarvan een minimumbehoefte voor zuigelingen kan worden
vastgesteld.

Adequaat niveau van inneming.

Het adequate niveau van inneming van koolhydraten voor volwassenen wordt
door de commissie op ca. 180 g/dag gesteld. Hierbij is uitgegaan van de glucosebe-
hoefte van de erytrocyten en het centrale zenuwstelsel (zie §5.2.1.). Hiermee kiest
de commissie voor een veilige benadering omdat de mogelijke bijdrage van de
gluconeogenese buiten beschouwing is gelaten. Er zijn onvoldoende gegevens
beschikbaar om voor de andere leeftijdscategorieën een ander adequaat niveau
van inneming te kunnen vaststellen.

VOEDINGSVEZEL
Algemeen.

Voedingsvezel, ook wel aangeduid als onverteerbare koolhydraten, bestaat
uit plantaardige polysachariden (cellulose, hemicellulose pectines en gom) en lignine
die bestand zijn tegen spijsverteringsenzymen van de mens. Een aantal kan echter
wel door darmbacteriën worden gefermenteerd, zoals hemicellulosen en pectines.
Lignine is geheel onverteerbaar. Rijk aan voedingsvezel zijn alle volle graanprodukten,
aardappelen, noten, groenten, fruit en peulvruchten. De definiëring van voedingsvezel
wordt bemoeilijkt door het feit dat er geen analysemethode beschikbaar is waarmee
de verschillende componenten van voedingsvezel voldoende nauwkeurig kunnen
worden gescheiden.

De fysiologische betekenis van de verschillende voedingsvezelcomponenten
is onder andere afhankelijk van de mate waarin deze componenten door darmbacteriën
worden gefermenteerd dan wel de mate waarin zij water kunnen binden (6).
Voedingsvezels van belang voor bijvoorbeeld de darmfuncties. Dit geldt met name
voor voedingsvezel afkomstig van granen (7). Voorts is voedingsvezel een modifice-
rende factor voor de glykemische en insulinemische respons op het gebruik van
mono- en disachariden (8). Ook kunnen sommige voedingsvezelcomponenten (onder
andere pectine) een daling van het serumcholesterolgehalte bewerkstelligen. Er zijn
aanwijzingen dat een voedingsvezelrijke voeding, in het bijzonder vezelrijke
graanprodukten, een negatief effect hebben op de absorptie van mineralen zoals
calcium, ijzer, magnesium en zink uit het voedsel (9). Door het feit dat vezelrijke
graanprodukten meer mineralen bevatten dan vezelarme graanprodukten, wordt
het negatieve effect op de mineralenbalans vrijwel gecompenseerd (10).

Op grond van epidemiologische waarnemingen wordt aan voedingsvezel een
beschermende werking bij het ontstaan van colonkanker toegeschreven. Deze bescher-
mende werking zou berusten op een verhoogde fecesproduktie. Door de verhoogde
fecesproduktie zouden (co-)carcinogene verbindingen en promotoren (zoals galzuren)
in de darm worden verdund. De blootstelling van de darmmucosa aan deze
verbindingen zou daardoor en door een versnelde darmpassagetijd van het voedsel
worden beperkt. Omdat de resultaten van de verschillende onderzoeken elkdar niet

60

</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>5.4.2.

5.5.

koolhydraten

ondersteunen, kan echter nog geen conclusie worden getrokken ten aanzien van
het al dan niet bestaan van een beschermende werking van voedingsvezel op het
ontstaan van colonkanker (11).

Adequaat niveau van inneming.

De informatie over een relatie tussen de hoeveelheid voedingsvezel en de in
§5.4.1. vermelde fysiologische processenis moeilijk te interpreteren. Dit wordt onder
andere veroorzaakt door het feit, dat de eigenschappen van de verschillende
voedingsvezelcomponenten van elkaar verschillen. Hierdoor is het niet mogelijk een
adequaat niveau/gebied van inneming voor voedingsvezel te geven. Wel wordt voor
volwassenen een hogere consumptie van voedingsvezel dan de 2,4 g/MJ, die thans
gemiddeld met de westerse voeding wordt ingenomen, aanbevolen. De na te streven
hoeveelheid voedingsvezel zou waarschijnlijk eerder liggen bij een gemiddelde van
ongeveer 3 g/MJ/dag dan de huidige gemiddelde hoeveelheid (1).

SUIKERALCOHOLEN

Suikeralcoholen zoals sorbitol en xylitol worden gezien als mogelijke vervangers
van suikers. Van de vervanging van suikers door deze energieleverende zoetsmakende
stoffen zou een preventief effect op het ontstaan van tandcariës kunnen uitgaan
doordat deze in het geheel niet of minder cariogeen zijn dan mono- en disachariden.

Suikeralcoholen komen van nature in geringe hoeveelheden in bepaalde
voedingsmiddelen voor. De zoetkracht van sorbitol op gewichtsbasis is ongeveer
de helft van die van sacharose; de zoetkracht van xylitol, eveneens op gewichtsbasis,
is ongeveer gelijk aan die van sacharose. De metabole effecten na orale toediening
zijn beperkt onderzocht. Voor een uitgebreide bespreking van deze suikeralcoholen
als mogelijke suikervervangende stoffen wordt verwezen naar het advies van de
Voedingsraad Suikervervangende stoffen in levensmiddelen, deelli en de literatuur-
studie Metabole gevolgen van het gebruik van polyalcoholen en fructose (12,13).

Als andere suikeralcoholen kunnen onder andere worden genoemd mannitol,
maltitol en lactitol. De twee laatsten worden niet als zodanig in de natuur aangetroffen.
Op dit moment is er nog weinig bekend over het metabolisme van deze verbindingen
(13).

De energetische waarde van suikeralcoholen hangt in de eerste plaats af van
het percentage dat in de dunne darm, meestal niet als zodanig maar na hydrolytische
splitsing, wordt geabsorbeerd. Vervolgens is van belang in welke mate het lichaam
de energie uit suikeralcoholen kan benutten na absorptie vanuit de dunne darm.
Inde derde plaats wordt de energetische waarde van suikeralcoholen bepaald door
de processen die zich in de dikke darm afspelen met de hoeveelheid suikeralcoholen
die dan nog niet is geabsorbeerd. Door het ontbreken van zuurstof in de dikke darm
resulteert de afbraak van suikeralcoholen hier in vluchtige vetzuren, soms melkzuur,
kooldioxyde, waterstof, soms methaan, bacteriemassa en wat warmte. Belangrijk
voor de energetische waarde van suikeralcoholen is de hoeveelheid energie die
tijdens dit proces verloren gaat.

61

</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>5.6.

5.6.1.

5.6.2.

koolhydraten

De volgende energetische waarden zijn geschat: xylitol ca. 15 kJ/g, sorbitol
ca. 12,5 kJ/g, mannitol ca. 8 kJ/g, maltitol ca. 12 kJ/g, isomalt ca. 10 kJ/g en lactitol
ca. 8,5 kJ/g (14).

Opgemerkt moet worden dat deze schatting is uitgevoerd voor de situatie waarin
zich geen klachten voordoen zoals diarree en flatulentie. Als veilige bovengrens hiervoor
kan 20 g per dag worden aangehouden.

ALCOHOL
Inleiding.

Alcohol (ethylalcohol, C,H;OH), is geen essentiële voedingsstof. Alcohol wordt
snel en volledig geabsorbeerd. Na absorptie vindt de verwerking van alcohol
voornamelijk plaats in de lever, waar ethylalcohol door middel van het enzym
alcoholdehydrogenase wordt omgezet in aceetaldehyde, dat in de lever of in andere
organen verder wordt geoxydeerd. Hierbij fungeren B-vitamines als coénzym van
de dehydrogenase en bij de verdere enzymatische oxydatieprocessen.

In het algemeen geldt dat slechts een fractie van de opgenomen hoeveelheid
alcohol niet wordt gemetaboliseerd, maar wordt uitgescheiden met de urine, ademlucht,
zweet of moedermelk. Vrijwel alle opgenomen alcohol wordt geoxydeerd, waarbij
energie vrijkomt. Er vindt dus geen verdere omzetting in lichaamseigen verbindingen
plaats. Alcohol kan wel in energetisch opzicht koolhydraten, vetten of eiwitten vervangen
voor inwendige arbeid van de basale stofwisseling. De gemiddelde
verbrandingssnelheid van alcohol in het menselijk lichaam bedraagt 100 mg/kg
lichaamsgewicht per uur. Er zijn echter grote interindividuele variaties in de
verbrandingssnelheid van alcohol. De individuele waarden liggen voornamelijk tussen
60-200 mg/kg lichaamsgewicht/uur (15,16).

De relatie alcoholgebruik en het ontstaan van ziekte.

Regelmatig overmatig alcoholgebruik, in hoeveelheden die de lever niet voldoende
snel kan metaboliseren (100 g/24 uur), veroorzaakt een groot aantal aandoeningen
zoals leverafwijkingen, degeneratie van het centrale zenuwstelsel, slokdarmkanker,
metabole afwijkingen en malabsorptie in de dunne darm. Ook worden bij regelmatig
overmatig alcoholgebruik verschillende vormen van wanvoeding waargenomen.

Hetis niet altijd duidelijk of de schade die bij overmatig alcoholgebruik optreedt
in organen als lever, pancreas en maagdarmkanaal moet worden toegeschreven
aan een effect van de alcohol op zich of aan de gevolgen van de wanvoeding die
overmatig alcoholgebruik vaak vergezelt (15,16).

Uit observationeel epidemiologisch onderzoek zijn aanwijzingen naar voren
gekomen voor een mogelijke beschermende werking van matig alcoholgebruik (10-30
g = 1-3 glazen alcoholische drank per dag) op het ontstaan van coronaire hartziekten
(17). Voor deze aanwijzingen is nog onvoldoende in de resultaten bevestiging te
vinden van daarop gericht experimenteel onderzoek. De commissie acht de
beschikbare gegevens over een effect van matig alcoholgebruik op het ontstaan

62

</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>5.7.

koolhydraten

van coronaire hartziekten onvoldoende om met betrekking tot het gebruik van alcohol
vanuit voedingskundig oogpunt een aanbeveling te doen.

LITERATUUR

1. Voedingsraad. Richtlijnen goede voeding. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1986.

2. Cahill GF, et al. Insulin and fuel homeostasis. Physiologist 1968; 11: 97.

3. Pike RL, Brown ML. Nutrition: an integrated approach. New York: John Wiley, 1967.

4. Davidson S, et al. Human nutrition and dietetics. London: Churchill Livingstone, 1979.

5. Howard AN. The historical development, efficacy and safety of very-low-calorie diets. Int J Obesity 1981;
5: 195-208.

6. Stasse-Wolthuis M. Influence of dietary fibre on cholesterol metabolism and colonic function in healthy subjects.
Wid Rev Nutr Diet 1981; 36: 100.

7. Cummings JH, et al. Colonic respons to dietary fibre from carrot, cabbage, apple, bran and guargum. The
Lancet 1978; i: 5-9.

8. Van de Beek E. In: Leegwater DC, et al, eds. Low digestibility carbohydrates, Wageningen: Pudoc, 1987;
121-7.

9. Van Dokkum W. Dietary recommendations and mineral utilization. Amsterdam: Proefschrift, 1984.

10. Van Dokkum W. In: Leegwater DC, et al, eds. Low digestibility carbohydrates, Wageningen: Pudoc, 1987;
121-7.

11. Voedingsraad. Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1986.

12, Voedingsraad, Suikervervangende stoffen in levensmiddelen. Deel 2: Vervanging van suikers in voedingsmiddelen
door minder cariësveroorzakende zoetsmakende stoffen, die eveneens als energiebron fungeren. ‘s-Gravenhage:
Voedingsraad, 1982,

13. _ Van der Wiel-Wetzels WAM. Metabole gevolgen van het gebruik van polyalcoholen en fructose. Voeding
1981; 42: 309-20, 347-56, 414-22, Voeding 1982; 43: 23-6.

14. Voedingsraad. De energetische waarde van polyalcoholen. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1987.

15. _ Eisenstein AB. Nutritional and metabolic effects of alcohol. J Am Diet Ass 1982; 81: 247-51.

16. Morgan MJ. Alcohol and nutrition. Br Med Bull 1982; 38: 21-9.

17, _ Knipschild P. Alcohol ais hartversterker, Hartbulletin 1983; 13: 24-32.

63

</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>6. Vitamine A en provitamine A

ua
carotenoiden
6.1. INLEIDING 67
6.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen 67
6.1.2. Fysiologische betekenis 67
6.1.3. Deficiëntieverschijnselen 68
6.1.4. Bepaling van de vitamine A status 69
6.2. VITAMINE A BEHOEFTE 70
6.2.1. Volwassenen 70
6.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten 71
6.2.3. Zwangerschap en lactatie 72
6.2.4. Biologische beschikbaarheid 72
6.2.5. Toxiciteit 72
6.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING 74
6.3.1. Minimumbehoefte 74
6.3.2. Adequaat niveau van inneming 74
6.4. LITERATUUR 75

65

</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>vitamine A

66

</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>6.1.

6.1.1.

6.1.2,

vitamine A

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

De term vitamine A wordt gehanteerd als een algemene benaming voor retinoïden
die kwalitatief de biologische activiteit van retinol bezitten (1). De basisstructuur van
de retinoïden wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een trimethylcyclohexeen-
ring met daaraan gekoppeld vier isopreeneenheden met een alcohol, een aldehyde
of een carbonzuur als eindstandige functionele groep. De chemische structuur is
bepalend voor de mate van biologische activiteit van de verschillende retinoïden.
De verbinding met de grootste vitamine A activiteit is all-trans retinol, dat meestal
in veresterde vorm in de voeding aanwezig is. Daarnaast zijn retinal, retinoinezuur,
dehydroretinol en dehydroretinal in meer of mindere mate biologisch actief (2).

Provitamine A carotenoïden zijn gedefinieerd als carotenoïden die beschikken
over de biologische activiteit van B-caroteen (1). Bepalend hiervoor is de mogelijkheid
dat retinol kan worden gevormd uit het carotenoïde. Van de meer dan vijfhonderd
carotenoïden die in de natuur voorkomen, kunnen er ongeveer 50 tot de provitamine
A carotenoïden worden gerekend. Het belangrijkste provitamine A carotenoide is
B-caroteen. Theoretisch kan één molecule B-caroteen worden omgezet in twee
moleculen retinol (2,3).

Vitamine A en de provitamine A carotenoïden zijn in vet oplosbare verbindingen.
Retinol en retinolderivaten zijn niet stabiel in zuur milieu en gevoelig voor oxydatie
en ultraviolet licht (2,3).

Vitamine A komt voor in lever, vis, (half)volle melk en melkprodukten, boter
en eidooier. Voorts worden in Nederland margarine, halvarine en bak-en braadpro-
dukten verplicht met vitamine A verrijkt. Provitamine A carotenoïden komen voor
in donkergroene bladgroente en koolsoorten, in het gele en oranje pigment van
de meeste vruchten en groenten en in melkvet en eidooier (4).

De activiteit van vitamine A en provitamine A carotenoïden wordt bij voorkeur
uitgedrukt in retinolequivalenten (RE). Voor de gemiddelde westerse voeding worden
de volgende equivalenties gehanteerd:

1 RE = 1 meg retinol
6 mcg B-caroteen

12 meg andere provitamine A carotenoïden

Er moet op worden gewezen, dat in de literatuur met betrekking tot de provitamine
A carotenoïden geen eenduidige equivalenties worden gebruikt (3).

Fysiologische betekenis.

Vitamine A uit de voeding wordt na omzetting in retinol geabsorbeerd in de
dunne darm. Retinol wordt in de darmwand, voornamelijk met palmitinezuur, opnieuw

67

</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>6.1.3.

vitamine A

veresterd en vervolgens afgestaan aan de chylomicronen en via de lymfe naar de
lever getransporteerd.

Provitamine A carotenoïden worden opgenomen in de cellen van de dunne
darm en daar via retinal omgezet in retinol. Het gevormde retinol wordt na verestering
met palmitinezuur via de chylomicronen naar de lever getransporteerd. Een deel
van de provitamine A carotenoïden wordt als zodanig afgestaan aan het bloed en
vervolgens voornamelijk in vetweefsel opgeslagen.

De aanwezigheid van vet in de voeding bevordert het transport en de absorptie
van retinol en van provitamine A carotenoïden in de darm. Vitamine E beschermt
retinol in de darm tegen oxydatieve afbraak. Voor de absorptie van provitamine A
carotenoïden zijn galzouten onmisbaar. Voorts wordt de absorptie van retinol en
provitamine A carotenoïden in de dunne darm en de omzetting in de darmmucosa
van provitamine A carotenoïden in retinol gunstig beïnvloed door de aanwezigheid
van eiwit in de voeding. |

In de lever worden retinylesters, gebonden aan very low density lipoproteinen,
opgeslagen. Deze retinylesters worden, afhankelijk van de behoefte van de weefsels,
omgezet in retinol. Dit retinol wordt na binding aan retinolbindend eiwit in de lever
en aan pre-albumine afgestaan aan het bloed en naar de weefsels vervoerd (2,3).
Bij goed gevoede personen kan de levervoorraad oplopen tot >500 mcg retinol/g

(5).

Vitamine A is van grote betekenis voor het goed verlopen van verschillende
intracellulaire processen. Het meest bekend is de functie van vitamine A voor het
gezichtsvermogen. Retinol is als prosthetische groep onderdeel van de twee
lichtgevoelige pigmenten van de retina: rodopsine en iodopsine. Daarnaast zorgt
vitamine A, waarschijnlijk via invloed op de RNA-synthese, voor de celdifferentiatie
die nodig is voor het in stand houden en het goed functioneren van epitheelweefsel,
zoals cornea, huid en slijmvliezen. Voorts is gebleken dat vitamine A van belang
is voor de groei, voor de vorming van botweefsel en voor de instandhouding van
een adequaat immuunsysteem. Uit dierexperimenteel onderzoek (bij rat en kip) is
duidelijk geworden dat vitamine A onmisbaar is voor een normaal voortplantingsproces
(2,3).

Van zowel vitamine A als B-caroteen wordt vermoed dat deze verbindingen
het ontstaan van sommige vormen van kanker kunnen tegengaan. De verschillende
onderzoeken die in dit verband zijn uitgevoerd, hebben echter geen eenduidige
resultaten opgeleverd (6).

Deficiëntieverschijnselen.

De verschijnselen van vitamine A deficiëntie bij dieren kunnen worden gegroepeerd
rond de volgende symptomen (7):
*  Symptomendie betrekking hebben op een verstoring van het gezichtsvermogen.
*_Abnormale botgroei die vergezeld kan gaan met misvormingen van het bot,
waardoor zenuwen bekneld kunnen raken.
* Groeiremming.

68

</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>6.1.4.

vitamine A

*  Gestoorde groei en functie van het epitheelweefsel, hetgeen kan leiden tot ver-
hoorning van epitheelweefsel, onder andere van de oogbol en de slijmvliezen
(longen, blaas).

Gestoorde voortplanting.

* — Aangeboren afwijkingen.

Bij de mens.
De meest specifieke verschijnselen van vitamine A deficiéntie bij de mens hebben

betrekking op het oog en variëren van nachtblindheid, verdroging van het oogbindvlies
tot degeneratie van de cornea met blindheid als laatste stadium. Deze verschijnselen
worden aangeduid met de term xeroftalmie. In internationaal verband is voor de
verschillende stadia van xeroftalmie een classificatie opgesteld (8). Xeroftalmie wordt
frequent aangetroffen bij jonge kinderen in ontwikkelingslanden.

Tijdens een depletie-onderzoek bij volwassenen is naast nachtblindheid folliculaire
hyperkeratose waargenomen (5). Deze meer algemeen voorkomende huidaandoening
kan echter ook andere oorzaken hebben. In dit onderzoek werden voorts afwijkingen
geconstateerd in smaak en reuk, in de evenwichtsfunctie en in de druk van de cere-
brospinale vloeistof.

Bepaling van de vitamine A status.

De bepaling van de vitamine A status vindt meestal plaats door meting van
het retinolgehalte van het bloed (plasma, serum). Daarnaast kan ook het gehalte
aan retinolbindend eiwit van het plasma bij de diagnostiek worden betrokken. Omdat
beide waarden bij een afnemende levervoorraad geruime tijd op normaal niveau
blijven, geven zij slechts een beperkt inzicht in de werkelijke vitamine A status van
het lichaam (9). Door de WHO wordt een retinolgehalte van 0,7 memol/l van het
plasma als ondergrens van de normaalwaarde beschouwd (10).

De beste parameter voor de vitamine A status is het retinolgehalte van de lever.
Inzicht in het retinolgehalte van de lever kan worden verkregen door middel van
een biopsie of een autopsie. Door de zeer beperkte toepasbaarheid van deze
bepalingsmethoden bijde mens is bij ratten een indirecte methode ontwikkeld voor
de bepaling van de retinolvoorraad in de lever (1 1). De omvang van de levervoorraad
bij de rat zou daarbij kunnen worden afgeleid uit de relatieve toename van het
retinolgehalte van het plasma na een orale dosis vitamine A. Op grond van de
resultaten van een onderzoek bij 12 volwassenen, waarbij het effect van een orale
dosis vitamine A op het retinolgehalte van het plasma werd vergeleken met de
hoeveelheid retinolin een leverbiopt, concluderen de onderzoekers dat deze methode
voldoende betrouwbaar is voor het vaststellen van de vitamine A status (12). Nadere
validering van deze onderzoekmethode, met name bij kinderen, lijkt wenselijk.

Volgens Olson zou het retinolgehalte van de lever minimaal 20 mcg/g moeten
bedragen en wel om de volgende redenen (9,13). Bij goed gevoede kinderen blijkt
bij autopsie de retinolvoorraad in de lever vanaf de leeftijd van 1 jaar altijd meer dan
20 mcg/g te bedragen. Bij een stagnerende vitamine A voorziening is deze hoeveelheid
zowel voor kinderen als voor volwassenen voor een aantal maanden toereikend.

69

</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>6.2.

6.2.1.

vitamine A

Bovendien blijkt bij de rat een retinolvoorraad in de lever van 20-30 meg/g de
inactivering en uitscheiding van vitamine A derivaten met de gal te induceren (14).

Naast biochemische parameters worden voor het vaststellen van de vitamine
Astatus ook functionele parameters gebruikt, zoals een verminderde donkeradaptatie,
veranderingen in het elektroretinogram en de meer manifeste kenmerken van
xeroftalmie. Deze parameters zijn echter niet gevoelig genoeg om een marginale
vitamine A status te kunnen herkennen (9).

VITAMINE A BEHOEFTE

Hoewel vitamine A al meer dan 60 jaar wordt gerekend tot de essentiéle voedings-
stoffen zijn er relatief weinig gegevens over de vitamine A behoefte beschikbaar.
In de literatuur zijn enkele goede samenvattingen van het onderzoek naar de vitamine
A behoefte verschenen (15,16). Door het ontbreken van voldoende gevoelige para-
meters voor de bepaling van de vitamine A status en verschillen in de definiëring
van vitamine A en provitamine A carotenoïden zijn de resultaten van deze onderzoeken
moeilijk te interpreteren.

Volwassenen.

Er zijn slechts twee gecontroleerde onderzoeken uitgevoerd die een indicatie
geven over de vitamine A behoefte van volwassenen (5,1 7). Uit beide onderzoeken
bleek dat de levervoorraad bij volwassenen in het algemeen toereikend is om bij
gebruik van een voeding die deficiënt is aan vitamine A en provitamine A carotenoïden,
gedurende vele maanden in de behoefte aan vitamine Ate voorzien. In het zogenaamde
Sheffield onderzoek, dat werd uitgevoerd in de jaren veertig in Groot-Brittannië,
ontwikkelden slechts 3 van de 16 proefpersonen na een depletieperiode van minimaal
8 maanden een duidelijk afwijkende donkeradaptatie. Het retinolgehalte van het plasma
was bij deze personen gedaald tot waarden lager dan 0,35 mcmol/l, Repletie met
390 mcg retinol/dag gedurende zes maanden bij één van deze personen was
voldoende om de afwijkingen in het gezichtsvermogen te corrigeren en een
retinolgehalte van het plasma van gemiddeld 0,7 mcmol/lte bereiken. De twee andere
personen kregen verschillende doses B-caroteen. Bij hen konden de afwijkingen
worden gecorrigeerd met 1500 mcg B-caroteen/dag. Bij een controlegroep, die werd
gedoseerd met 780 mcg retinol, bleef het retinolgehalte van het plasma op een normaal
niveau (1,05-1,4 mcmol retinol/I) en ontstonden geen afwijkingen in het gezichtsvermo-
gen. Op grond van de resultaten van deze experimenten is door de onderzoekers
geconcludeerd dat de minimumbehoefte aan vitamine A voor volwassenen 390 mcg
retinol/dag zou bedragen (17). Door Olson wordt uit de resultaten van dezelfde
onderzoeken afgeleid dat de minimumbehoefte 440 mcg retinol/dag zou zijn (13).
Deze auteur hanteert echter een andere factor voor de omrekening van IE vitamine
A naar mcg retinol.

In een meer recent onderzoek bij 8 mannelijke proefpersonen (leeftijd 30-40
jaar) van de groep van Sauberlich werd gedurende een depletieperiode van 12 tot
25 maanden op grond van radiometrische bepalingen de lichaamsvoorraad vitamine
A en de omzettingssnelheid van het vitamine berekend. De levervoorraad van de

70

</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>6.2.2.

vitamine A

proefpersonen bij de aanvang van het experiment bleek bij een plasmaniveau van
>1,05 memol retinol/l niet af te nemen. De hoeveelheid retinol die bij dit plasmaniveau
werd omgezet, varieerde van 570-1250 mcg/dag. De periode die nodig was om de
lichaamsvoorraad vitamine A te halveren, varieerde van 75 tot 241 dagen. Nadat
bij een proefpersoon deficiëntieverschijnselen werden waargenomen in de zin van
een afnemend vermogen tot donkeradaptatie en veranderingen in het elektroretinogram
werd met suppletie gestart. Het retinolgehalte van het plasma was in die situatie
gedaald tot minder dan 0,35 memof. Suppletie met 150 mcg retinol/dag was voldoende
om de verminderde donkeradaptatie te corrigeren. Een dosis van 300 mcg retinol/dag
gaf enige verbetering te zien van de andere parameters, terwijl bij een dosis van
600 mcg retinol/dag, die resulteerde in een plasmaniveau van >0,7 memol retinol,
het mogelijk bleek om het elektroretinogram te normaliseren en de huidafwijkingen
te genezen. Een dosis van 1200 mcg retinol had een verhoging van het plasmaniveau
tot >1,05 memol retinol/l tot gevolg. Sauberlich et al komen op grond van hun
onderzoeken tot de conclusie dat de minimumbehoefte aan vitamine A voor volwasse-
nen ca. 600 mcg retinol/dag bedraagt (5).

Olson leidt uit de resultaten van dit onderzoek van Sauberlich et al af dat bij
volwassenen, die geen vitamine A via de voeding opnemen, de lichaamsvoorraad
vitamine A met ca. 0,5% per dag afneemt. In combinatie met een minimaal
aanvaardbare levervoorraad van 20 mcg retino/g berekent Olson de minimumbehoefte
van mannen en vrouwen op 6,7 RE/kg lichaamsgewicht/dag (13).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

De levervoorraad bij de zuigeling direct na de geboorte is beperkt en het gehalte
aan retinol en retinolbindend eiwit van het plasma is lager dan dat bij de moeder
(18,19). Het retinolgehalte van de lever van de zuigeling bedraagt ca. 15 mcg/g en
de totale lichaamsvoorraad ca. 2 mg retinol (20). Behalve voor de instandhouding
van lichaamsfuncties heeft de zuigeling vitamine A nodig voor groei en voor de vorming
van een adequate levervoorraad. De zuigeling is door deze extra behoefte gevoelig
voor de ontwikkeling van een vitamine A tekort.

Uit onderzoek bij 0-2 jarigen kan worden afgeleid dat bij een inneming van 105
tot 330 mcg retinol/dag een normale groei en een goede weerstand tegen infecties
worden bereikt. Een hoeveelheid retinol van <180 mcg/dag zou echter niet toereikend
zijn om een adequate levervoorraad op te bouwen (16).

Volgens de commissie kan er van worden uitgegaan dat het vitamine A gehalte
van de moedermelk van goed gevoede vrouwen in Nederland toereikend is om in
de vitamine A behoefte van de zuigeling te voorzien.

Van kinderen ouder dan 2 jaar zijn geen goed interpreteerbare onderzoeken
naar de behoefte aan vitamine A beschikbaar.

71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>6.2.3.

6.2.4.

6.2.5.

vitamine A

Zwangerschap en lactatie.

Tijdens de ontwikkeling van de foetus reguleert de piacenta het transport van
retinol van de vrouw naar de foetus. De hoeveelheid retinol die in de foetus wordt
vastgelegd is gering (21). Olson geeft echter aan dat de foetus gedurende de laatste
3 maanden van de zwangerschap per dag 200 mcg vitamine A verbruikt (13). Om
de levervoorraad van de vrouw in stand te houden zou gedurende het laatste trimester
van de zwangerschap per dag 200 mcg vitamine A extra moeten worden opgenomen.

Het retinolgehalte van moedermelk van goed gevoede vrouwen in Europa en
de Verenigde Staten varieert van 400-700 mcg/l (13). Uitgaande van een gemiddeld
retinolgehalte van moedermelk van 550 meg/l is gedurende de lactatieperiode 440
mcg vitamine A per dag extra nodig.

Biologische beschikbaarheid.

Retinol(derivaten) en provitamine A carotenoïden worden niet in dezelfde mate
geabsorbeerd. Aangenomen wordt dat bij een inneming in fysiologische hoeveelheden
de absorptie van retinol(derivaten) in de darm vrijwel volledig is, terwijl carotenoïden
slechts voor 20 tot 50% worden geabsorbeerd. Bij inneming van hogere doses daalt
het absorptiepercentage voor de retinol(derivaten) tot 60 à 80 en voor provitamine
A carotenoïden tot minder dan 10 (13,22).

De mate van activiteit van provitamine A carotenoïden is behalve van het
absorptiepercentage afhankelijk van de mate waarin zij worden omgezet in retinol.
Wat dit laatste betreft wordt ervan uitgegaan dat B-caroteen voor maximaal 50%
wordt omgezet in retinol. Voor de overige provitamine A carotenoïden wordt deze
omzetting gemiddeld op 25% gesteld (23). Algemeen wordt aangenomen dat kinderen
tot ca. 1 jaar onvoldoende in staat zijn provitamine A carotenoïden in retinol om te
zetten.

De vitamine A activiteit van een voeding uitgedrukt in retinolequivalenten wordt
met gebruik van de equivalenties, zoals vermeld in §6.1.1., als volgt berekend:

mcg B-caroteen , mcg overige provitamine A carotenoïden
6 12

mcg retinol +

Toxiciteit.

Vitamine A.

Wanneer vitamine A wordt ingenomen in hoeveelheden groter dan het lichaam
kan metaboliseren, kan dit een intoxicatie tot gevolg hebben. Acute intoxicatie kan
plaatsvinden na inneming van een eenmalige zeer hoge dosis, maar ook inneming
van grote hoeveelheden vitamine A gedurende een lange periode kan toxisch zijn.
Zodra de opslagcapaciteit van de lever voor vitamine A wordt overschreden ontstaan
er verschijnselen van hypervitaminose A. Het vitamine A gehalte van de lever bedraagt
in die situatie tenminste het tienvoudige van het gemiddelde niveau van 150 meg
retinol/g (24,25). Resultaten van zowel onderzoek bij de mens als dierexperimenteel

72

</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>vitamine A

onderzoek geven aan dat vitamine A intoxicatie optreedt wanneer de bindingscapaciteit
van het retinolbindend eiwit verzadigd is. Vitamine Ais dan in de vorm van retinylesters
of gebonden aan lipoproteïnen in verhoogde concentraties in het bloed aanwezig
en is in die vorm direct beschikbaar voor de cel, waardoor onder andere specifieke
membraanschade kan ontstaan. Het retinolbindend eiwit in het bloed zou niet alleen
de voorziening van de weefsels met retinol reguleren, maar ook de weefsels be-
schermen tegen de oppervlakte-actieve eigenschap van vitamine A, waaraan deze
membraanschade wordt toegeschreven (26,27).

Verschijnselen van hypervitaminose A bij de mens zijn onder andere: ernstige
hoofdpijn, algehele zwakte, misselijkheid en duizeligheid. Chronische overdosering
kan resulteren in vermoeidheidsverschijnselen, slecht slapen, verlies van eetlust,
oogafwijkingen, huidafwijkingen, pijnlijke ledematen en gewrichten, skeletafwijkingen
en milt- en leververgroting (24). Bij de zuigeling worden bij hypervitaminose A vaak
tekenen van een verhoogde hersendruk (bomberende fontanel) gezien.

Uit de literatuur blijkt dat het voorkomen van hypervitaminose A bij de mens
voornamelijk is toe te schrijven aan een verkeerd gebruik van vitaminepreparaten
zowel bij zelfmedicatie als bij een voorgeschreven gebruik, bijvoorbeeld ter bestrijding
van huidafwijkingen. Tevens blijkt overdosering via de voeding altijd het gevolg te
zijn van een overmatige consumptie van lever (28,29).

Algemeen wordt aangenomen dat de verschijnselen van hypervitaminose A
reversibel zijn. Niet duidelijk is of dit ook geldt voor de pathologische afwijkingen
die, zij het minder algemeen, in de lever zijn vastgesteld (30).

In dierexperimenteel onderzoek zijn embryotoxische en teratogene effecten
waargenomen na toediening van hoge doses vitamine A. Voor een overzicht van
deze onderzoeken wordt verwezen naar (31).

Bij de mens zijn teratogene effecten vastgesteld na toediening van therapeutische
doses (0,5-1,5 mg/kg lichaamsgewicht/dag) van het aan vitamine A verwante 13-cis-reti-
noinezuur (32,33,34). Ook na inneming van hoge doses vitamine A zijn bij de foetus
afwijkingen waargenomen die mogelijk duiden op eenteratogeen of embryotoxisch
effect van het vitamine (31,35,36).

Van een acute vitamine A intoxicatie is sprake wanneer de verschijnselen optreden
12-24 uur na de orale toediening van een eenmalige dosis. Grenswaarden waarboven
verschijnselen van acute intoxicatie werden waargenomen zijn 22.500-90.000 RE
bij zuigelingen, 60.000 RE bij kinderen van 1-6 jaar en 300.000 RE bij volwassenen
(28,37,38).

Bij doseringen tot respectievelijk 400 en 600 RE/kg lichaamsgewicht/dag worden
geen toxische effecten waargenomen. Voor zwangere vrouwen zou dit niveau ongeveer
200 RE/kg lichaamsgewicht/dag bedragen. Zuigelingen en kinderen vertonen
verschijnselen van hypervitaminose A bij doseringen vanaf 750 RE/dag, waarbij de
jongste kinderen het gevoeligst zijn (24,28).

Op grond van bovenstaande gegevens stelt de commissie het veilig niveau
van inneming van vitamine A op 200 RE/kg lichaamsgewicht/dag. Bij een langdurige

73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>6.3.

6.3.1.

6.3.2.

vitamine A

inneming van vitamine A op dit niveau zal waarschijnlijk geen hypervitaminose A
optreden. Vanwege de mogelijke teratogeniteit van vitamine A zouden vrouwen
gedurende de zwangerschap niet meer moeten opnemen dan 45 RE/kg
lichaamsgewicht/dag (28). Met betrekking tot acute toxiciteit bij zwangere vrouwen
is weinig duidelijkheid. Over de grenswaarden waarboven teratogene effecten zijn
waargenomen is meer bekend dan over de grenzen waaronder een veilig niveau
van inneming bestaat.

Provitamine A carotenoïden.

Inneming vanfarmacologische hoeveelheden provitamine Acarotenoiden leidt
tot een hoog caroteengehalte van het plasma en een gele of oranje pigmentatie
van de huid. Deze verschijnselen lijken geen invloed te hebben op de gezondheid
en zullen langzaam verdwijnen na beëindiging van de overdosering (28). Voorts
zijn in deze situatie meer algemene verschijnselen gerapporteerd zoals hoofd- en
buikpijn, verkoudheid en het wegblijven van de menstruatie (39).

Een zeer hoge opneming van provitamine A carotenoïden, bijvoorbeeld B-caroteen,
veroorzaakt geen overeenkomstig hoog retinolniveau in de weefsels en heeft ook
geen hypervitaminose Atot gevolg. Twee fysiologische processen beschermen het
lichaam tegen provitamine A carotenoïdenintoxicatie:

- De efficiéntie, waarmee de absorptie in de dunne darm plaatsvindt, neemt bij
overdosering snel af.

- De omzetting van provitamine A carotenoiden in retinol in het lichaam vindt
relatief zeer langzaam plaats.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.

Door Olson is de minimumbehoefte van de man berekend op ca. 500 mcg/RE/
dag en van de vrouw op ca. 400 mcg RE/dag (zie §6.2.1.) (13). De commissie is
echter van mening dat het door Olson gebruikte onderzoeksmodel teveel onzekerheden
bevat. De commissie sluit zich aan bij de conclusie van Sauberlich et al en schat
de minimumbehoefte voor volwassenen op 600 RE/dag (5). Deze hoeveelheid is
voldoende om deficiëntieverschijnselen zoals afwijkingen in het elektroretinogram
en veranderingen aan ogen en huid te voorkomen en het vitamine A gehalte van
plasma op minimaal 0,7 memol/l te handhaven.

Adequaat niveau van inneming.

Er zijn te weinig gegevens beschikbaar om het adequate niveau van inneming
te kunnen berekenen uit de minimumbehoefte. De commissie is van mening dat
er sprake is van een adequaat niveau van inneming wanneer de levervoorraad vitamine
A in stand kan worden gehouden. Op grond van de in §6.3.1 afgeleide minimumbehoef-
te verwacht de commissie dat een inneming van 1000 RE/ dag door mannen en
800 RE/dag door vrouwen hiervoor toereikend is. De commissie sluit zich hierbij
aan bij de aanbevelingen in de Verenigde Staten (23) en in Canada (40).

74

</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>6.4.

Voor zuigelingen wordt het adequate niveau van
inneming op basis van het vitamine A gehalte in moeder-

vitamine A

Tabel 6.1. Adequaat niveau
van inneming voor vitamine A

melk op 450 RE/dag gesteld. Voor kinderen en adoles- Le mn 7 anol
centen is het adequate niveau van inneming in navolging leeftijd | equivalenten”
van de Amerikaanse NationalResearch Councilberekend — [Zuigelingen
door interpolatie van de hierboven vermeide niveaus voor 0-Va 4502
zuigelingen en volwassenen, waarbij rekening is gehouden Vel 400
met factoren als lichaamsgewicht en groei (23). Het jongene
adequaat niveau van inneming varieert van 400-1000 RE 1-4 400
voor jongens en van 400-800 RE voor meisjes. 4-7 500
7-10 700
De commissie meent dat voor de duur van de 10-13 1000
zwangerschap het adequate niveau van inneming zou 13-16 1000
moeten worden verhoogd met 200 RE/dag. Dit niveau 16-19 1000
is toereikend om aan de vitamine A behoefte van de meisjes
foetus te voldoen en de levervoorraad bij de vrouw in 1-4 400
stand te houden. Voor de lactatieperiode kan worden 4-7 500
berekend dat 450 RE/dag extra nodig zijn door het verlies 7-10 700
aan vitamine A via moedermelk. 10-13 800
13-16 800
De adequate niveaus van inneming zijn weergegeven 16-19 800
in tabel 6.1 Met het oog op de toxiciteit van vitamine A mannen
bij hoge doseringen gaat de voorkeur uit naar een 19-22 1000
voorziening met verhoudingsgewijs veel provitamine A 22-50 1000
carotenoïden. 50-65 1000
>65 1000
Voor zuigelingen wordt, gezien de onzekerheid over vrouwen
M A 19-22 800
de mogelijkheden om B-caroteen te benutten, geadviseerd 22-50 800
tenminste voor 75% via vitamine A in de behoefte te 50-65 800
voorzien. „65 800
zwangeren 1000
zogenden 1250
LITERATUUR
1) Zie §6.1.1.

Anoniem. Nomenclature Policy: Generic descriptors and trivial names

2) Op basis van de voorzie-
for vitamins and related compounds. J Nutr 1987; 117: 7-14. ) Op ba

ning met moedermelk. Deze

2. Wolf G. Vitamin A. In: Alfin-Slater RB, Kritchevsky D, eds. Human Nutri- hoeveelheidkomt overeen
tion. A comprehensive treatise. 3B Nutrition and the adult, Micronutrients. met 80 RE per kg lichaams-
New York: Plenum Press, 1980; 97-204. F

haalen N MA gewicht per dag.

3. Olson JA. Vitamin A. In: Machlin L, ed. Handbook of vitamins. New
York: Marcel Dekker, 1984; 1-43.

4, Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel. Nederlandse Voedingsmiddelentabel, 35e druk. ‘s-Gravenhage:
Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

5. Sauberlich HE, et al. Vitamin A metabolism and requirements in the human studied with the use of labeled
retinol. Vit Horm 1974; 32: 251-75.

6. Voedingsraad. Faktoren in de voeding en het ontstaan van kanker. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1986.

7. Marks J. A guide to the vitamins: Their role in health and disease. Lancaster: MTP Co, 1975.

8. WHO. Control of vitamin A deficiency and xerophthalmia. WHO Techn Rep Series 672. Geneva: WHO, 1982.

9. Olson JA. New approaches to methods for the assessment of nutritional status of the individual. Am J Clin
Nutr 1982; 35: 1166-8,

10, WHO. Vitamin A deficiency and xerophthalmia. WHO Techn Rep Series 590. Geneva: WHO, 1976.

11. _Loerch JD, et al. Response of plasma levels of vitamin A to a dose of vitamin A as an indicator of hepatic
vitamin A reserves in rat. J Nutr 1979; 109: 778-86.

12, Amédée-Manesme O, et al. Relation of the relative dose response to liver concentrations of vitamin A in

generally well-nourished surgical patients. Am J Clin Nutr 1984; 39: 898-902.

75

</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>vitamine A

39.
40.

Olson JA. Recommended dietary intakes (RDI) of vitamin A in humans. Am J Clin Nutr 1987; 45: 704-16.
Hicks VA, et al. Metabolism, plasma transport and biliary excretion of radioactive vitamin A and its metabolites
as a function of liver reserves of vitamin A in the rat. J Nutr 1984; 114: 1327-33.

Moore T. Vitamin A. Amsterdam: Elsevier, 1957.

Rodriguez MS, Irwin Mi. A conspectus of research on vitamin Arequirement of man. J Nutr 1972; 102: 909-68.
Hume EM, Krebs HA. Vitamin A requirements of human adults. Report of the vitamin A sub-committee of
the Accessory Food Factors Committee. Med Res Counc Spec Rep Ser No 264. London: HMSO, 1949.
Baker H, et al. Vitamin profile of 174 mothers and newborns at paturation. Am J Clin Nutr 1975; 28: 58-65.
Jansson L, Nilsson B. Serum retinol and retinol-binding protein in mothers and infants at delivery. Biol Neonate
1983; 43: 269-71.

De Luca LM, et al. Recent advances in the metabolism and function of vitamin A and their relationship to
applied nutrition. Report of the International Vitamin A Consultative Group (IVACG). New York: Nutrition Foun-
dation, 1979.

Montreewasuwat N, Olson JA. Serum and liver concentrations of vitamin A in Thai fetuses as a function
of gestational age. Am J Clin Nutr 1979; 32: 601-6.

Bieri JG, McKenna MC. Expressing dietary values for fat-soluble vitamins: changes in concepts and terminology.
Am J Clin Nutr 1981; 34: 289-95.

National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington: National Academy of Sciences,
1980.

Körner WF, Völlm J. New aspects of the tolerance of retinol in humans. Int J Vit Nutr Res 1975; 45: 363-72.
Raica N, et al. Vitamin A concentration in human tissues collected from five areas in the United States. Am
J Clin Nutr 1972; 25: 291-6.

Malka AK, et al. Metabolism of retinol-binding protein and vitamin A in the rat. J Lipid Res 1975; 16: 180-5.
Smith FR, Goodman De WS. Vitamin A transport in human vitamin A toxicity. New Engl J Med 1976; 294:
805-8.

Bauernfeind JC. The safe use of vitamin A. Report of the International Vitamin A Consultative Group (IVACG).
New York: Nutrition Foundation, 1980.

Mahoney CP, et al. Chronic vitamin A intoxication in infants fed chicken liver. Pediatrics 1980; 65: 693-6.
Forouhar F, et al. Hepatic pathology in vitamin A toxicity. Annals Clin Lab Science 1984; 14: 304-10.
Geelen JAG. Hypervitaminoses A induced teratogenesis. CRC Crit Rev Toxicol 1979; 351-75.

Kamm JJ, Nutley NJ. Toxicology, carcinogenicity, and teratogenicity of some orally administered retinoids.
J Am Acad Dermatol 1982; 6: 652-9.

Rosa FW. Teratogenicity of isotretinoin. The Lancet 1983; ii: 513.

Braun JT, at al. Isotretinoin dysmarphic syndrome. The Lancet 1984; i: 506-7.

Bernhardt IR, Dorsey DJ. Hypervitaminosis A and congenital renal anomalies in human infant. Obstet Gyn
1974; 43: 750-5.

Stange L, et al. Hypervitaminosis A in early human pregnancy and malformations of the central nervous
system. Acta Obstet Gynecol Scand 1978; 57: 289-91.

Jenkins MY. Nutritional disorders. Boca Raton, Florida: CRC Press, 1978: 73-85.

Hayes KC, Hegsted DM. Toxicity of the vitamins. In: Toxicants occuring naturally in foods. Washington: National
Academy of Science, 1973.

Vakil OV, et al. Hypercarotenemia: A case report and review of the literature, Nutr Res 1985, 5: 911-7,
Department of National Health and Welfare, Canada. Dietary standard for Canada. Ottawa: Information Canada,
1975.

76

</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>7. Vitamine D

7.1. INLEIDING
7.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
7.1.2. Fysiologische betekenis
7.1.3. Deficiëntieverschijnselen
7.1.4. Bepaling van de vitamine D status
7.2. VITAMINE D BEHOEFTE
7.2.1. Inleiding
7.2.2. Volwassenen
7.2.3. Ouderen
7.2.4. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
7.2.5. Zwangerschap en lactatie
7.2.6. Biologische beschikbaarheid
7.2.7. Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine D
beïnvloeden
7.2.8. Toxiciteit
7.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
7.3.1. Inleiding
7.3.2. Adequaat gebied van inneming

7.4. LITERATUUR

77

79
79
79
80
81

82
82
82
83
83
84
85

85
85

86
86
86

88

</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>vitamine D

78

</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>7.1.

7.1.1.

7.1.2.

vitamine D

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Vitamine D is een vetoplosbaar vitamine, dat in twee vormen voorkomt, namelijk
ergocalciferol (vitamine D-2) en cholecalciferol (vitamine D-3). Vitamine D-3 is de
vorm die bij mens en dier in de huid wordt gevormd onder invloed van ultraviolette
B-straling (290-320 nm) van het zonlicht. Daarbij wordt 7-dehydrocholesterol
(provitamine D-3) in de huid omgezet in precholecalciferol (previtamine D-3), dat
vervolgens door thermische isomerisatie overgaat in cholecalciferol (vitamine D-3).
Vitamine D-2 ontstaat onder invloed van ultraviolette straling uit ergosterol (provitamine
D-2), een verbinding die in geringe hoeveelheden wordt aangetroffen in planten en
micro-organismen. De naam vitamine D mag worden gebruikt voor alle steroïden
met dezelfde biologische activiteit als cholecalciferol (1).

Vitamine D kan onder invloed van licht en in aanwezigheid van zuurstof reeds
bij kamertemperatuur worden geoxydeerd. Onder uitsluiting van deze factoren is
het vitamine ook bij verhoogde temperatuur en in zuur of basisch milieu stabiel. Opslag,
bewerking en bereiding van voedingsmiddelen hebben in het algemeen geen invloed
op de activiteit van vitamine D.

Vitamine D kan op verschillende manieren door de mens worden verkregen:
door blootstelling van de huid aan zonlicht (ultraviolet licht) en door opneming met
het voedsel of in de vorm van preparaten. Omdat het lichaam zelf vitamine D kan
vormen, voldoet het vitamine niet aan de klassieke definitie van het begrip vitamine.
Vitamine D moet als een (pro)hormonale verbinding worden beschouwd (2).

Vitamine D komt uitsluitend voor in voedingsmiddelen van dierlijke herkomst.
Deze voedingsmiddelen bevatten over het algemeen echter weinig tot zeer weinig
vitamine D. Een uitzondering hierop vormen vette vissoorten met een wat hoger
vitamine D gehalte (3). In Nederland worden margarine, halvarine en bak- en braad-
produkten verplicht verrijkt met vitamine D.

De FAO/WHO beveelt aan de inneming van vitamine D weer te geven als micro-
grammen cholecalciferol. De activiteit van 1 mcg cholecalciferol komt overeen met
40 internationale eenheden (IE) vitamine D (4).

Fysiologische betekenis.

Vitamine D is samen met het parathyroidhormoon en wellicht calcitonine nodig
voor de stimulatie van het calcium- en fosfaattransport in de darm, de mineralisatie
van het skelet en de mobilisatie van calcium uit het skelet (5).

Oraal ingenomen vitamine D wordt onder invloed van gal in het ileum ge-
absorbeerd. Na absorptie wordt het, gebonden aan chylomicronen, naar de lever
getransporteerd. In de huid gevormd vitamine D-3 wordt afgestaan aan het bloed
en, gebonden aan een specifiek eiwit, naar de lever getransporteerd. Om biologisch
actief te kunnen zijn moet vitamine D worden omgezet in de gehydroxyleerde vormen.
Vitamine D-2 en D-3 vormen waarschijnlijk overeenkomstige metabolieten met dezelfde

79

</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>vitamine D

fysiologische eigenschappen. Met name in de lever (microsomen) wordt onder invloed
van het enzym vitamine D 25-hydroxylase uit vitamine D 25-hydroxy-vitamine D (25-
OHD) gevormd. Het 25-OHD wordt vervolgens in het bloed gebracht. In de nieren
(in de mitochondria van de cortex) wordt onder invloed van het enzym l-a-hydroxylase
uit 25-OHD het 1,25-dinydroxy-vitamine D (1,25-diOHD) gesynthetiseerd. Het 1,25-
diOHD is de eigenlijke fysiologisch actieve vorm van vitamine D. Het bindt aan de
mucosacellen van de darmwand en bevordert daardoor zowel het transport van
calcium als van fosfaat door de darmwand. Voorts stimuleert het de tubulaire reabsorp-
tie van calcium in de nier. De mineralisatie van de harde weefsels wordt waarschijnlijk
niet direct, maar wel indirect door 1,25-diOHD bevorderd via de invloed op het
calciumgehaite van het bloed (5).

De fysiologische betekenis van andere hydroxymetabolieten is onduidelijk (6).
Bij het mineralisatieproces zou 24,25-dinydroxy-vitamine D van betekenis kunnen
zijn via een positieve invloed op de calcificatie van de harde weefsels en/of door
remming van de parathyroidhormoonsecretie (7). Er zijn recent aanwijzingen gepu-
bliceerd die het waarschijnlijk maken dat van vitamine D afgeleide verbindingen ook
van betekenis zijn in de stofwisseling in andere weefsels.

7.1.3. Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Een tekort aan vitamine D leidt tot een verslechtering van de algemene conditie
(verlies van eetlust, gewichtsverlies) (varkens, kippen). De meer specifieke verschijnse-
len betreffen stoornissen in het zenuwstelselen de spieren (varkens), botafwijkingen
(kippen, huisdieren) en stoornissen in de voortplanting (afname van de eierproduktie
en misvormingen van het embryo bij kippen) (8).

Bij de mens.

Bij een tekort aan vitamine D is het mineralisatieproces van de harde weefsels
verstoord. Rachitis is het ziektebeeld dat het gevolg is van een vitamine D deficiëntie
op jonge leeftijd. De skeletafwijkingen bij rachitis worden gekarakteriseerd door een
laag calciumgehatte van het bot en structurele afwijkingen voornamelijk op de plaatsen
waar het bot groeit: de zogenaamde epifysair lijnen. Uitwendige kenmerken zijn verdik-
king van de uiteinden van de botten in de buurt van de gewrichten, knobbels aan
de ribben op de plaats waar been overgaat in kraakbeen (rachitische rozenkrans),
weekheid van de botten, weke plekken op de overgang van het achterhoofdsbeen
en de wandbeenderen en osteoïdevorming op de wandbeenderen en het voorhoofds-
been, vertraagde tandvorming en dergelijke. Bovendien hebben kinderen met rachitis
een lage spiertonus en amino-acidurie. Voorts is het fosfaatgehalte van het serum
verlaagd en het gehalte aan alkalische fosfatase verhoogd. Het calciumgehalte van
het serum daarentegen behoeft niet altijd verlaagd te zijn (2).

Bij volwassenen ontstaat door een tekort aan vitamine D osteomalacie. De
belangrijkste verschijnselen hierbij zijn spierzwakte, botpijn en verkrommingen van
het skelet die ontstaan door ontkalking van het botweefsel, Bijkomende oorzaken
van osteomalacie kunnen zijn een te geringe calciuminneming en een tekort aan
oestrogenen bij vrouwen in de menopauze (9).

80

al

</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>7.1.4.

vitamine D

Bepaling van de vitamine D status.

Vitamine D en metabolieten.

Gezien het belang van hydroxy-metabolieten van vitamine D, lijkt het voor een
vaststelling van de vitamine D status gewenst om de concentraties van deze
metabolieten in het bloed te bepalen. De concentraties van deze verbindingen in
plasma zijn relatief laag tot zeer laag. De hoogste concentraties in plasma worden
gevonden voor 25-OHD (ca. 20-100 nmol/l), gevolgd door vitamine D (0-25 nmol/l),
24,25-diOHD (2-10 nmol/l) en 1,25-diOHD (4-14 nmol/l). Het 25-OHD heeft van deze
verbindingen de langste halfwaardetijd (ca. 20 dagen) in plasma (10).

In onderzoek naar de voedingstoestand wordt de vitamine D status gewoonlijk
beoordeeld aan de hand van de 25-OHD concentratie in serum (11). Dit gehalte
reageert op veranderingen in de voorziening met vitamine D. Bij de mens is een
toeneming van het 25-OHD niveau in serum gerapporteerd bij een toenemende orale
vitamine D dosering (12). Daarnaast is vastgesteld dat het 25-OHD gehalte van het
serum onder invloed van de hoeveelheid ultraviolet (zon)licht fluctueert met het seizoen
(13). Het 1,25 diOHD daarentegen wordt in het bloed onder invloed van terugkoppe-
lingsmechanismen ook bij een inadequate vitamine D voorziening geruime tijd binnen
nauwe grenzen gehouden. De concentratie van 1,25-diOHD in serum is daarom
klinisch van meer belang dan in het kader van de beoordeling van de voedingstoe-
stand, met name in relatie tot de nierfunctie (5).

Functionele parameters.

Botdichtheid.

Gezien het belang van vitamine D voor de handhaving van de integriteit van
het skelet, zou voor screening van bevolkingsgroepen de bepaling van de botdichtheid
met behulp van fotonabsorptiemetrie of röntgenstraling in principe geschikt zijn als
een functionele parameter van de vitamine D status. Een beperking van deze methode
is echter, dat hierbij voornamelijk de botdichtheid van de schorslaag van de beenderen
wordt bepaald. Voorts staat het feit dat bij deze metingen van radioactieve straling
wordt gebruik gemaakt, toepassing op ruime schaal in de weg.

Alkalische fosfatase-activiteit.

Het enzym alkalisch fosfatase wordt door de beenvormende cellen (osteoblasten)
uitgescheiden; een verhoogde activiteit van deze cellen bij rachitis en osteomalacie
gaat gepaard met een verhoogde activiteit van alkalisch fosfatase in het serum. Aan
de specificiteit en gevoeligheid van deze parameter wordt echter getwijfeld omdat
dit enzym ook door de lever wordt gesynthetiseerd en ook onder verschillende andere
pathologische omstandigheden is verhoogd. Voor een detectie van subklinische
vitamine D deficiëntie is deze parameter daarom niet betrouwbaar. Voorts is de activiteit
van alkalisch fosfatase in het serum afhankelijk van leeftijd en geslacht (14).

Calcium en fosfaat.

De concentratie van calcium in serum wordt binnen nauwe grenzen gehandhaafd.
Rachitis gaat gepaard met een verlaagde anorganische fosfaatconcentratie in het
serum en meestal ook met een verlaagde calciumconcentratie in het serum. Bij vitamine
D afhankelijke rachitis is de calciumexcretie met de urine verlaagd en die van

81

</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>vitamine D

anorganisch fosfaat verhoogd. Bij osteomalacie bij volwassenen is de concentratie
van calcium in het serum meestal verlaagd. Lage serumwaarden worden echter ook
gerapporteerd bij andere aandoeningen zoals hypocalcemie, hypoalbuminemie en
chronische nierafwijkingen (14). De calcium- en fosfaatniveaus in serum en urine
worden dan ook niet beschouwd als geschikte parameters voor de vaststelling van
een subklinisch vitamine D tekort (15).

7.2. VITAMINE D BEHOEFTE
7.2.1. Inleiding.

De hoeveelheid vitamine D, die nodig is voor een normale regulatie van de
calcium- en fosfaatstofwisseling en een normale stofwisseling in de harde weefsels,
is niet bekend. Dit wordt met name veroorzaakt doordat er slechts beperkte gegevens
beschikbaar zijn over de hoeveelheid vitamine D die in de huid ontstaat onder invloed
van blootstelling van de huid aan het zonlicht. Voorts is het niet duidelijk voor welke
periode het in de huid gevormde vitamine D voor het lichaam beschikbaar blijft.

De hoeveelheid previtamine D-3 die in de huid wordt gevormd is afhankelijk
van de duur en de intensiteit van de straling maar blijkt nooit meer dan 15% van
het niveau van 7-dehydrocholesterol in de huid te bedragen. In een gepigmenteerde
huid is de vorming van previtamine D-3 vertraagd maar uiteindelijk kan hetzelfde
niveau worden bereikt (16,17).

Theoretisch zou de mens door blootstelling van de huid aan zonlicht in de
behoefte aan vitamine D kunnen voorzien. In Nederland en in gebieden met een
vergelijkbare geografische ligging en klimaat is gedurende bepaalde maanden van
het jaar de mate van ultraviolette straling in het zonlicht echter onvoldoende voor
een voldoende vorming van vitamine D in de huid (13). Gedurende die periode wordt
gebruik gemaakt van de vitamine D reserve van het lichaam, hetgeen tot uiting komt
in een daling van het gehalte aan 25-OHD in het serum tijdens de wintermaanden
(13,18,19). Bij een beperkte lichaamsreserve en/of een hoge vitamine D behoefte
bijvoorbeeld tijdens de groeifase van het skelet zal bij een onvoldoende produktie
van vitamine D-3 in de huid exogeen vitamine D moeten worden opgenomen.

7.2.2. Volwassenen.

De behoefte aan vitamine D hangt nauw samen met de calciumstofwisseling
in het lichaam. Wanneer de groei van het skelet tot stilstand komt, vermindert de
calciumbehoefte en overeenkomstig de behoefte aan vitamine D. Volwassenen die
in de zomermaanden regelmatig van het zonlicht profiteren, hebben zeer waarschijnlijk
geen exogeen vitamine D nodig (20). Aangetoond is dat in Nederland bij gezonde
zich buitenshuis begevende volwassenen gedurende de wintermaanden het niveau
van 25-OHD in het serum daalt (18). Deze daling is echter niet van dien aard dat
er sprake zou zijn van een beginnende vitamine D deficiëntie.

Voor volwassenen die niet of nauwelijks van de werking van het zonlicht kunnen
profiteren is de vitamine D voorziening met de voeding wel van belang (13,21,22).

82

|

</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>7.2.3.

7.2.4.

vitamine D

Er is echter weinig onderzoek uitgevoerd, waaruit de vitamine D behoefte onder
deze omstandigheden kan worden afgeleid. Tijdens een verblijf van 68 dagen in
een onderzeeboot was een voeding met gemiddeld 1,4 meg vitamine D-3/dag niet
toereikend om het serumniveau van 25-OHD te handhaven (23). Bij dit onderzoek
bleken personen waarbij het 25-OHD gehalte van het serum gelijk bleef of steeg
gemiddeld 4,3 mcg vitamine D met de voeding op te nemen (23). Door de aanwezig-
heid van een uitschieter van 20 mcg in deze gemiddelde inneming ligt het niveau
van inneming waarmee daling van het 25-OHD gehalte van het serum kan worden
voorkomen vermoedelijk lager.

Uit onderzoek bij patiënten met osteomalacie is gebleken dat een inneming
van 3 meg vitamine D gedurende een aantal dagen al voldoende was om de calciumba-
lans bij deze patiënten te normaliseren (24). Patiënten met osteomalacie na een
gastrectomie reageerden positief op toediening van een injectie met 2,5 mcg per
dag of met 25 mcg vitamine D per week (25).

Op grond van bovenstaande gegevens concludeert de commissie dat de behoefte
aan vitamine D bij volwassenen die niet of nauwelijks van zonlicht profiteren ongeveer
2,5 mcg per dag bedraagt.

Ouderen.

De vitamine D status fluctueert ook bij ouderen met de seizoenen (26,27). Met
name bij gehospitaliseerde ouderen worden gedurende het hele jaar lage gehalten
van 25-OHD in het serum waargenomen. Dit wordt met name veroorzaakt door een
geringe blootstelling aan zonlicht die niet wordt gecompenseerd door een voldoende
inneming van vitamine D via de voeding (28,29,30). Ook een vermindering van de
nierfunctie kan de vitamine D status ongunstig beïnvloeden. Een verslechtering van
de vitamine D status bevordert het ontstaan van osteomalacie en het optreden van
botbreuken, vooral van de heup (30,31). Vrouwen zijn hiervoor extra kwetsbaar in
verband met het proces van botontkalking dat tijdens de menopauze inzet en waardoor
vrouwen snel een aanzienlijke hoeveelheid botmateriaal verliezen ongeacht de vitamine
D status.

De vitamine D status van ouderen is te verbeteren door zowel blootstelling aan
ultraviolette straling als door opneming van exogeen vitamine D (21,22,32,33,34).
De hoeveelheid exogeen vitamine D die bij uitsluiting van zonlicht nodig is om een
gehalte van 20 nmol/! 25-OHD van het serum te handhaven bedraagt volgens Newton
et al 4 mcg/dag (22). Bij geïnstitutionaliseerde bejaarden bleek suppletie met 8 meg
vitamine D het 25-OHD gehalte van het serum binnen 3 maanden op 60-70 nmol/l
te brengen (34).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.
Bij zuigelingen die a terme zijn geboren is bij een dagelijkse inneming van 2,3
mcg vitamine D een adequate absorptie van calcium in de darm evenals een goede

groeisnelheid en een normale mineralisatie van het skelet waargenomen. In deze
onderzoeken had een inneming van 7,5-10 mcg/dag een iets hogere absorptie van

83

</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>7.2.5.

vitamine D

calcium in de darm en enige verhoging van de groeisnelheid tot gevolg. Bij een
inneming van 20 mcg/dag werd geen verbetering van de calciumabsorptie meer
waargenomen. De onderzoeken werden uitgevoerd in een gebied met een zonnig
klimaat. Het is niet duidelijk in hoeverre de zuigelingen van zonlicht hebben geprofiteerd
(35).

Voor zover bekend is er geen onderzoek uitgevoerd naar de vitamine D behoefte
van kinderen. Verspreid over de wereld wordt bij kinderen, met name in de leeftijd
tot 7 jaar, zonder vitamine D profylaxe regelmatig rachitis waargenomen. Dit geldt
ook in gebieden waar in principe voldoende zonlicht beschikbaar is (4). Het is daarom
aannemelijk dat, mede gezien de groeifase waarin deze kinderen verkeren, exogeen
vitamine D moet worden opgenomen. Bij kinderen die werden gesuppleerd met
7,5-10 meg vitamine D was de calcium- en fosfaatretentie normaal (35).

In Nederland en in andere Noordeuropese landen is rachitis door de invoering
van vitamine D profylaxe bij zuigelingen en kinderen vrijwel verdwenen. Hoe belangrijk
deze profylaxe is blijkt uit het weer optreden van rachitis bij groepen die uit
onwetendheid (etnische minderheden) of vanwege een leefregel (macrobioten,
antroposofen) geen vitamine D profylaxe toepassen (36,37). Daarbij verhogen een
gepigmenteerde huid en het om sociaal-culturele redenen overmatig bedekken van
het lichaam met kleding in het Nederlandse klimaat de kans op het ontwikkelen van
rachitis. Zowel bij 8- als bij 11-jarige Marokkaanse en Turkse kinderen in Nederland
is aangetoond dat de vitamine D status aan het eind van de winter marginaal is (38,39).

Door de FAO/WHO wordt de behoefte aan vitamine D voor zuigelingen en _
kinderen tot zeven jaar op 10 mcg gesteld (4). Voor oudere kinderen wordt ervan
uitgegaan dat een inneming van 2,5 mcg vitamine D/dag bij een voldoende blootstelling
aan zonlicht toereikend moet zijn. Dit geldt ook tijdens de groeispurt.

Zwangerschap en lactatie.

Tijdens de zwangerschap is een adequate voorziening met vitamine D van belang
om een toename in de absorptie van calcium te kunnen bewerkstelligen die nodig
is om in de behoefte van de foetus te kunnen voorzien.

Waargenomen is dat het.1,25 OHD gehalte van het plasma van de vrouw stijgt
naarmate de zwangerschap vordert en verhoogd blijft tijdens de lactatieperiode (40).
Mede onder invloed hiervan begint de zwangere vrouw al tijdens de eerste helft
van de zwangerschap extra calcium te absorberen. In totaal wordt 25 tot 30 g calcium
vastgelegd in de foetus.

Over het verloop van het 25-OHD gehalte van het serum tijdens de zwangerschap
wordt in de literatuur niet eenduidig gerapporteerd. Zowel een stijging als een daling
tijdens de zwangerschap is waargenomen, er is echter niet altijd gecorrigeerd voor
seizoensinvloeden. Bij Nederlandse vrouwen werd gemiddeld een vrijwel constant
niveau van 25-OHD in het serum tijdens de zwangerschap waargenomen (41). Het
25-OHD gehalte van het serum van vrouwen die werden gesuppleerd met 10 mcg
vitamine D vanaf de 12e week van de zwangerschap was hoger dan van vrouwen
in een controlegroep (42). Vitamine D suppletie tijdens de zwangerschap heeft voorts

84

</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>7.2.6.

7.2.7.

7.2.8.

vitamine D

een duidelijk gunstige invloed op het calcium-, het fosfor- en het 25-OHD gehalte
van het plasma van het pasgeboren kind (42,43,44). Daarnaast wordt door vitamine
D suppletie van zwangere vrouwen met een marginale vitamine D status het ontstaan
van hypocalciëmie bij het pasgeboren kind tegengegaan (43).

Moedermelk bevat een zodanig geringe hoeveelheid vitamine D (metabolieten)
dat de lacterende vrouw hiervoor geen extra vitamine D uit de voeding hoeft in te
nemen (45). In het algemeen wordt echter aangenomen dat de vitamine D behoefte
tijdens de lactatieperiode is verhoogd in verband met de hoeveelheid calcium die
extra moet worden geabsorbeerd om te kunnen compenseren voor de calcium-
uitscheiding via moedermelk. Indien de vitamine D status van de vrouw goed is zou
voor een kortdurende lactatieperiode geen extra vitamine D nodig zijn (46).

Hoewel de hoeveelheden vitamine D die tijdens zwangerschap en lactatieperiode
extra nodig zou zijn moeilijk zijn te kwantificeren, wordt door FAO/WHO en door
vele nationale commissies extra inneming van vitamine D tijdens de zwangerschap
en de lactatieperiode aanbevolen.

Biologische beschikbaarheid.

Indien de aangeboden hoeveelheid niet te hoog is en de vetabsorptie niet is
gestoord, wordt vitamine D voor ongeveer 50% geabsorbeerd (2).

Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine D beïnvloeden.

Tijdens het onderzoek naar de oorzaken van de hoge prevalentie van rachitis
en osteomalacie bij Aziatische immigranten in Engeland is onder meer het effect
van een hoog gehalte aan voedingsvezel in de voeding op de stofwisseling van
vitamine D nagegaan. Aangetoond is dat een voeding waaraan 60 g zemelen per
dag is toegevoegd de biologische halfwaardetijd van 25-OHD in plasma met 30%
bekort (47). Dit zou kunnen duiden op een behoefteverhogend effect van zemelen.

Toxiciteit.

Een overmaat aan vitamine D kan door een verhoogde calciumabsorptie hypercal-
ciëmie tot gevolg hebben. Chronische hypercalciëmie veroorzaakt afzetting van
calciumzouten in de weke delen van het lichaam met als gevolg ernstige beschadiging
van nieren, hart en bloedvaten. Daarnaast treden meer algemene vergiftigingsver-
schijnselen op zoals malaise, letargie, anorexie en obstipatie. Een aantal onderzoekers
suggereert voorts, dat een overmaat vitamine D, al dan niet via een verhoging van
het serumcholesterolgehaite het atherosclerotisch proces in de bloedvaten bevordert
(48,49,50).

Het is bekend, dat vitamine D in doseringen van 22000 meg/dag toxisch is.

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat vitamine D in relatief lage doseringen, vanaf 25
mcg/dag verantwoordelijk is voor het ontstaan van infantiele hypercalciëmie (51).

85

</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>7.3.

7.3.1.

7.3.2.

vitamine D

Omdat de individuele gevoeligheid voor een overmaat vitamine D sterk varieert, is
het niet mogelijk een minimale toxische dosis vast te stellen (52,53).

Met het oog op de potentiële risico's adviseert de commissie zowel voor kinderen
als voor volwassenen de inneming te beperken tot het adequate gebied van inneming.
In elk geval zou niet meer dan 25 mcg vitamine D per dag moeten worden opgenomen.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Inleiding.

Op grond van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk de minimumbehoefte
aan vitamine D in de voeding vast te stellen. Wel is het volgens de commissie mogelijk
een adequaat gebied van inneming vast te stellen, waarbinnen de voorziening zou
moeten plaatsvinden. De ondergrens van dit gebied geeft de minimaal in te nemen
hoeveelheid vitamine D aan bij omstandigheden die gunstig zijn voor de vorming
van vitamine D in de huid. Bij het vaststellen van de bovengrens is de commissie
er vanuit gegaan dat deze hoeveelheid de behoefte aan vitamine D dekt in situaties
waarbij door een te geringe blootstelling aan ultraviolette straling (zonlicht) geen
vitamine D in de huid wordt gevormd.

Adequaat gebied van inneming.

Volwassenen.

Op grond van de gegevens die zijn vermeld in 87.2. komt de commissie tot
de conclusie dat volwassenen bij normale blootstelling aan zonlicht geen vitamine
D met de voeding hoeven op te nemen. Volwassenen die onvoldoende van het zonlicht
profiteren zouden 2,5 mcg vitamine D/dag met de voeding moeten opnemen. Het
adequate gebied van inneming voor volwassenen wordt dan ook vastgesteld op
0-2,5 meg vitamine D/dag.

De commissie vindt het gewenst dat gezonde ouderen vanaf 65 jaar minimaal
2,5 mcg vitamine D met de voeding opnemen om een adequate vitamine D status
te kunnen waarborgen. Onder condities die ongunstig zijn voor de vorming van vitamine
D in de huid zou door hen 5 mcg vitamine D/dag moeten worden opgenomen. Het
adequate gebied van inneming wordt voor deze leeftiidscategorie dan ook vastgesteld
op 2,5-5 mcg vitamine D/dag.

Zuigelingen.

De commissie is op grond van de in §7.2. vermelde gegevens en na consultatie
van een aantal hoogleraren kindergeneeskunde in Nederland van oordeel dat zuigelin-
gen, ongeacht de mate van blootstelling aan zonlicht, tenminste 10 mcg vitamine
D/dag moeten innemen. Gezien de bestaande onzekerheden, de individuele variatie
in de behoefte en de klimatologische omstandigheden in Nederland wordt door
de commissie het adequate gebied van inneming op 10-15 meg vitamine D/dag
gesteld.

86

</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>vitamine D

Moedermelk bevat te weinig vitamine D om in de behoefte van de zuigeling
te voorzien. Aanbevolen wordt in elk geval na de derde maand 10-15 mcg vitamine
D als profylactische dosis in de vorm van een vitamine D preparaat te geven.

De hoeveelheid vitamine D in volledige zuigelingenvoeding is afgestemd op
het door de commissie aanbevolen adequate gebied van inneming. Een extra profylacti-
sche dosis via een vitamine D preparaat is in de situatie waarin een zuigeling met
een dergelijke voeding wordt gevoed in verband met het toxicologische risico onjuist.
Als de volledige zuigelingenvoeding nog slechts een beperkt deel van de totale voeding
van de zuigeling uitmaakt, moet naar verhouding extra vitamine D worden gesuppleerd
tot het niveau van de aanbeveling.

Indien de zuigeling geen borstvoeding of volledige zuigelingenvoeding krijgt
dient de profylactische dosis vanaf de leeftijd van twee weken te worden gegeven.

Kinderen van 1-7 jaar.

De commissie is van mening dat kinderen in de groeifase exogeen vitamine
D moeten innemen. Omdat uit de praktijk blijkt dat kinderen in deze leeftijdsgroep
wanneer geen vitamine D profylaxe wordt gebruikt de kans lopen rachitis te
ontwikkelen, pleit de commissie voor de voortzetting van de vitamine D profylaxe.
Het adequate gebied van inneming wordt op 10-15 mcg vitamine D/dag gesteld.
Deze hoeveelheid kan niet uit de gebruikelijke voeding worden verkregen. Aanvulling
met een vitamine D preparaat is dus nodig. De commissie beveelt aan kinderen
tot 4 jaar gedurende het gehele jaar extra vitamine D te geven. Bij kinderen vanaf
4 jaar zou de vitamine D profylaxe in de zomermaanden, bij voldoende blootstelling
aan zonlicht, achterwege kunnen blijven. In die situatie dient minimaal 2,5 mcg vitamine
D met de voeding te worden opgenomen.

Oudere kinderen en adolescenten (7-19 jaar).

De commissie gaat er vanuit dat kinderen in de leeftijdsgroep van 7-19 jaar
voor een (groot) deel via de vorming van vitamine D in de huid onder invloed van
blootstelling aan zonlicht in hun behoefte aan vitamine D kunnen voorzien. Zolang
er sprake is van groei van het skelet zou volgens de commissie tenminste 2,5 mcg
vitamine D/dag met de voeding moeten worden opgenomen. Tijdens de groeispurt
wordt een inneming van 5 mcg vitamine D/dag wenselijk geacht. Deze hoeveelheid
wordt ook aanbevolen voor kinderen die niet, of in onvoldoende mate, van zonlicht
kunnen profiteren. Het adequate gebied van inneming wordt hiermee gesteld op
2,5-5 mcg vitamine D/dag.

Gezien de marginale vitamine D status die is vastgesteld bij kinderen met een
donkere huidskleur (38,39) wordt aanbevolen voor deze kinderen de gebruikelijke
profylaxe (10-15 mcg vitamine D/dag) gedurende de wintermaanden voort te zetten
tot het moment dat de groei is voltooid. In de situatie waarin dergelijke kinderen
tijdens de zomermaanden niet of nauwelijks kunnen profiteren van zonlicht, zou deze
profylaxe gedurende het gehele jaar moeten plaatsvinden.

Zwangeren en lacterenden.

Het is onduidelijk in welke mate de zwangere vrouw extra vitamine D nodig
heeft. In verband met de verhoogde calciumbehoefte en de daarmee gepaard gaande
behoefte aan vitamine D acht de commissie suppletie met maximaal 10 mcg/dag

87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>7.4.

vitamine D

gedurende het tweede en derde trimester van de zwanger-
schap gewenst. Deze hoeveelheid stelt de vrouw in staat
een optimale botconditie te handhaven, hetgeen in ver-
band met de te verwachten botontkalking op latere leeftijd
door de commissie wenselijk wordt geacht.

Ook tijdens de lactatieperiode kan, indien er sprake
is van een onvoldoende vorming van vitamine D in de
huid, suppletie met maximaal 10 mcg vitamine D/dag
gewenst zijn.

Het adequate gebied van inneming voor de verschil-
lende leeftijdscategorieën is weergegeven in tabel 7.1.

LITERATUUR

1. Anoniem. Nomenclature policy: Generic descriptors and trivial names
for vitamins and related compounds. J Nutr 1987; 117: 7-14.

2. Miller BE, Norman AW. Vitamin D. In: Machlin LJ, ed. Handbook of vitam-
ins. Nutritional, biochemical and clinical aspects. New York: Marcel Dek-
ker, 1984: 45-97.

3. Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel, Nederlandse V oedings-
middelentabel, 35e druk. 's-Gravenhage: Voorlichtingsbureau voor de
Voeding, 1987.

4. FAO/WHO. Requirement of ascorbic acid, vitamin D, vitamin B,,, folate
and iron. WHO Techn Rep Series 452: 31. Geneva: WHO, 1970.

5. Haussler MR, McCain TA. Basic and clinical concepts related to vitamin
D metabolism and action. New Engl J Med 1977; 297: 974 en 1041.

6. DeLuca HF. Some new concepts emanating from a study of the metabo-
lism and function of vitamin D. Nutr Rev 1980; 38: 169-82.

7. Ornoy A, et al. 24,25 dihydroxyvitamin D is a metabolite of vitamin D
essential for bone formation. Nature 1978; 276: 517.

8. Marks JA. A guide to the vitamins: Their role in health and disease.
Lancaster: MTP Co, 1975.

9. Hodkinson HM, et al, Sunlight, vitamin D and osteomalacie in the elderly.
The Lancet 1973; i: 910-2.

10. Mawer EB, et al. The distribution and storage of vitamin D and its meta-
bolites in human tssues. Clin Sci 1972; 43: 413-31.

11. _ Bouillon RA, De Laey P. Vitamin D status in man. Fleurus, België: Institut
National des Radioelements, 1983.

12. _ Whyte MP, et al. Vitamin D bioavailability: serum 25-hydroxyvitamin
D levels in man after oral, subcutaneous, intamuscular and intravenous
vitamin D administration. J Clin Endocrinol Metab 1979; 48: 906-11.

13. Devgun MS, etal. Vitamin D nutrition in relation to season and occupati-
on. Am J Clin Nutr 1981; 34: 1501-4.

14. Fairney A. The use of biochemical tests in the diagnosis of disorders
of calcium metabolism. Ann Clin Biochem 1980; 17: 161-9.

15. Lamberg-Allardt C, et al. Vitamin D status of children and adolescents
in Finland. Ann Nutr Metab 1986; 30: 267-72.

16. — Holick MF, et al. Regulation of cutaneous previtamin D-3 photosynthesis
in man: skin pigment is not an essential regulator. Science 1981; 221:
590-3,

Tabel 7.1. Adequaat gebied
van inneming voor vitamine D
per dag.
categorie/
leeftijd jr meg”
zuigelingen
Oo” 10-1579
Vat 10-15%
jongens
1-4 10-157
47 10-1594
7-10 2,5-5
10-13 2,5-5
13-16 2,5-5
16-19 2,5-5
meisjes
1-4 10-159
4-7 10-1594
7-10 2,5-5
10-13 2,5-5
13-16 2,5-5
16-19 25-5
mannen
19-22 0-2,5
22-50 0-2,5
50-65 0-2,5
>65 2,5-5
vrouwen
19-22 0-2,5
22-50 0-2,5
50-65 0-2,5
>65 2,5-5
zwangeren
te trimester 0-2,5
2e * +103
3e * +109
zogenden +107

1) 1 meg = 40 IE.

2) Dit komt overeen met 2-3
meg per kg lichaamsge-
wicht per dag.

3) Deze hoeveelheid kan niet
via de gebruikelijke voe-
ding worden verkregen.
Aanvulling met een vitami-
ne D preparaat is nodig.
Voor nadere gegevens zie
§7.3.

4) Gedurende de zomer-
maanden 2,5-5 mcg vita-
mine D per dag.

17. Anoniem. The photochemical formation of vitamin D in the skin. Nutr Rev 1984; 42; 341-3.

18.  Juttmann JR, et al. Seasonal fluctuations in serum concentrations of vitamin D metabolites in normal subjects.

Br Med J 1981; 282: 1349-52.

19. Vik T, et al. The vitamin D status of man at 70° North. Scand J Clin Invest 1980; 40: 227-32.
20. _ Poskitt EME, et al. Diet, sunlight and 25-hydroxy-vitamin D in healthy children and adults. Brit Med J 1979;

1: 221-3.

88

</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>21.

31.

32.

vitamine D

Lawson DEM, et al. Relative contribution of diet and sunlight to vitamin D state in the elderly. Br Med J 1979;
2: 303-5.

Newton HMV, et al. The relations between vitamin D-2 and D-3 in the diet and plasma 25 OHD, and 25 OHD,
in elderly women in Great Britain. Am J Clin Nutr 1985; 41: 760-4.

Gilman SC, et al. Effect of a 68-day submarine patrol on serum 25-hydroxy-vitamin D levels in healthy man.
Int J Vit Nutr Res 1982; 52: 63-7,

Gough RK, et al. Nutritional osteomalacie. The Lancet 1964; ii: 1261-4.

Morgan DB, et al. Osteomalacia after gastrectomy; A respons to very small doses of vitamin D. The Lancet
1965; ii: 1089-91.

Lamberg-Allardt C. Vitamin D intake, sunlight exposure and 25-OH-D levels in the elderly during one year.
Ann Nutr Metab 1984; 28: 144-50.

Bouillon RA, et al. Vitamin D status in the elderly: Seasonal substrate deficiency causes 1,25-dihydroxy-
cholecalciferol deficiency. Am J Clin Nutr 1987; 45: 755-63.

Sheltawy M, et al. The contribution of dietary vitamin D and sunlight to the plasma 25 hydroxy-vitamin D
in the elderly. Human Nutr: Clin Nutr 1984; 38C: 191-4,

McKenna MJ, et al. Hypovitaminosis D and elevated serum alkaline phosphatase in elderly Irish people.
Am J Clin Nutr 1985; 41: 101-9.

Lips P, et al. Determinants of vitamin D status in patients with hip fracture and in elderly control subjects.
Am J Clin Nutr 1987; 46: 1005-10.

Dattani JT, et al. Vitamin D status of the elderly in relation to age and exposure to sunlight. Human Nutr:
Clin Nutr 1984; 38C: 131-7.

Toss G, et al. Oral vitamin D and ultraviolet radiation for the prevention of vitamin D deficiency in the elderly.
Acta Med Scand 1982; 212: 157-61.

Nordin BEC, et al. A prospective trial of the effect of vitamin D supplementation on metacarpal bone loss
in elderly women. Am J Clin Nutr 1985; 42: 470-4,

Lips P, et al. The effect of long term vitamin D supplementation in the elderly. Proceedings Osteoporose
Symposium. Aalborg: 1987.

Jeans PC. Vitamin D. J Am Med Ass 1950; 143: 177.

Schulpen TWJ. Opnieuw rachitis in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd 1982; 126: 610-3.

Nijhuis HGJ, et al. De terugkeer van een volksziekte: rachitis. Epidemiologisch Bulletin 's-Gravenhage, 1982;
17: 7-15. '
Van de Velde HCM, et al. De vitamine D status van Marokkaanse, Turkse en Nederlandse 11-jarige
schoolkinderen in Utrecht. T Soc Gezondheidsz 1986; 64: 370-5.

Meulmeester JF, et al. De voedingstoestand van Turkse en Marokkaanse kinderen in Nederland. Voeding
1988; 4: 84-9.

Kumar E, et al. Vitamin D and calcium hormones in pregnancy. New Engl J Med 1980; 302: 1143-5.
Van den Berg H, Bruinse HW. On the role of nutrition in normal human pregnancy. Utrecht: Proefschrift,
1983.

Cockburn F, et al. Maternal vitamin D intake and mineral metabolism in mothers and their newborn infants.
Br Med J 1980; 11-4.

Brooke OG, et al. Vitamin D supplements in pregnant Asian women: effects on calcium status and fetal growth.
Br Med J 1980; 751-4. |

Markestad T, et al. 25-Hydroxy-vitamin D and 1,25-dihydroxy-vitamin D of D-2 and D-3 origin in maternal
and umbilical cord serum after vitamin D-2 supplementation in human pregnancy. Am J Clin Nutr 1984;
40: 1057-63.

Kunz C, et al. Vitamin D, 25-hydroxy-vitamin D and 1,25-dihydroxy-vitamin D in cow’s milk, infant formulas
and breast milk during different stages of lactation. Int J Vit Nutr Res 1984; 54: 141-8,

Fairney A, et al. Vitamin D and human lactation. The Lancet 1977; ii: 739-41.

Batchelor AJ, Compston JE. Reduced plasma half-life of radio-labelled 25-hydroxy-vitamin D-3, in subjects
receiving a high-fibre diet. Br J Nutr 1983; 49: 213-6.

Fleischman Al, et al. Vitamin D and hypercholesterolemia in adult humans. Atherosclerosis: Proc Sec Int
Symp, Springer Verlag 1970.

Linden V. Vitamin D and myocardial infarction. Br Med J 1974; 647-50.

Kummerow FA. Nutrition imbalance and angiotoxins as dietary risk factors in coronary heart disease. Am
J Clin Nutr 1979; 32:58-83.

Committee on Medical Aspects of Food Policy, Department of Health and Social Security. Rickets and
osteomalacia, Report of the working party on fortification of food with vitamin D. Report on Health and Social
Subjects 19, Londen: HMSO, 1980.

Hayes KC, Hegsted DM. Toxicity of the vitamins. in: Toxi cants occurring naturally in foods, second edition.
National Academy of Science, 1973.

Food and Nutrition Board. Statement: Hazards of overuse of vitamin D. Ecol Food Nutr 1975; 4: 193-4.

89

</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>8. Vitamine E

8.1. INLEIDING 93
8.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen 93
8.1.2. Fysiologische betekenis 94
8.1.3. Deficiëntieverschijnselen 95
8.1.4. Bepaling van de vitamine E status 95

8.2. VITAMINE E BEHOEFTE 96
8.2.1. Inleiding 96
8.22. Volwassenen 96
8.2.3. Kinderen 97
8.2.4. Zwangerschap en lactatie 97
8.25. Biologische beschikbaarheid 97
8.26. Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine E

beïnvloeden 98
8.2.7. Andere factoren die de behoefte aan vitamine E beïnvloeden 98
8.2.8. Toxiciteit 98

8.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING 99
8.3.1. Minimumbehoefte 99
8.3.2, Adequaat niveau van inneming 99

8.4. LITERATUUR 100

91

</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>vitamine E

92

</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>8.1.

8.1.1.

vitamine E

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Vitamine E is de algemene naam voor alle derivaten van tocol en tocotriënol
die kwalitatief de biologische activiteit van a-tocoferol bezitten (1).

Er zijn uit plantaardig materiaal tenminste acht verbindingen met vitamine E
activiteit geïsoleerd: a-, B-, y-, 6-tocoferol en a-, B-, y- en 6-tocotriénol. Deze verbin-
dingen zijn opgebouwd uit een 6-chromanolring en een zijketen met een verzadigd
(tocolen) dan wel onverzadigd (triënolen) karakter. De verscheidene vormen verschillen
van elkaar door het aantal en de plaats van de methylgroepen aan de chromanolring.
Door de aanwezigheid van drie asymmetrische koolstofatomen zijn van de tocolen
per verbinding voorts acht stereo-isomeren mogelijk (2).

De biologische belangrijkste vormen van vitamine E zijn vermeld in tabel 8.1.
De biologische activiteit is sterk afhankelijk van de structuur. De meest actieve vorm
van vitamine E is RRR-a-tocoferol (vroeger aangeduid als [d]-a-tocoferol).

Tabel 8.1. Biologisch belangrijke vormen van vitamine E.

naam biologische
activiteit1)
all-rac-Q-tocoferylacetaat 100
RRR-Q-tocoferol (5,7,8-trimethyitocol) 149
all-rac-(Y-tocoferol (5,7,8-trimethyltacol) 110
RRR-B-tocoferol (5,8-dimethyltocol) 57
RRR-y-tocoferol (7,8-dimethyitocol) 14
RRR-Ô-tocoferol (8-methyltocol) 1
RARR-A-tocotriönol (5,7,8-trimethyltocotriénol) 32
RRR-B-tocotriënol (5,8-dimethyltocotriénol) 5

1) Op basis van de zwangerschapsabsorptietest.
Bron: (3)

Een Internationale Eenheid (IE) is in het verleden gelijk gesteld aan 1,00 mg a-
tocoferylacetaat, hetgeen overeenkomt met 0,67 mg RAR-a-tocoferol (3,4). Thans
wordt er de voorkeur aan gegeven de hoeveelheid vitamine E in de voeding weer
te geven als a-tocoferoleguivalenten (a-TE). Dit houdt in dat 1 mg RRR-a-tocoferol
= 1 mg a-TE = 1,49 IE vitamine E (5).

Vitamine E verbindingen zijn visceuze gele oliën, die goed oplosbaar zijn in
organische oplosmiddelen, maar niet in water. In afwezigheid van zuurstof is vitamine
E stabiel in zuur en basisch milieu en bij verhitten. Onder invloed van zuurstof (lucht),
vooral bij blootstelling aan licht (in het bijzonder ultraviollete straling) en in aanwezigheid
van metaalionen (zoals Fe(III) en Cu(ll)), wordt vitamine E omgezet in chinonen en
oxyden. Door zijn reducerende eigenschappen werkt vitamine E stabiliserend op
chemische dubbele bindingen en wordt het daarom in bepaalde voedingsmiddelen
(oliën en vetten) als anti-oxydant toegepast. De esters van vitamine E (bijvoorbeeld:
a-tocoferylacetaat) zijn aanzienlijk stabieler tegen oxydatie dan de niet-veresterde
vormen (voor een overzicht zie 6).

93

</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>8.1.2.

vitamine E

Vitamine E komt voor in plantaardige oliën en in plantaardige produkten zoals
granen, noten, zaden, groenten en fruit. Dierlijke produkten zijn relatief arm aan vitamine

E (7).
Fysiologische betekenis.

Na hydrolyse van de eventueel aanwezige vitamine E esters wordt vitamine
E voornamelijk geabsorbeerd in het jejunum. Triglyceriden, met name die met vetzuren
met een gemiddelde ketenlengte, verhogen de absorptie van vitamine E, terwijl
meervoudig onverzadigde vetzuren, in het bijzonder linolzuur, de absorptie van vitamine
E verlagen. Vitamine E wordt vervolgens in de lymfe door chylomicronen getrans-
porteerd. In het plasma is vitamine E geassocieerd met de lipoproteinen, voornamelijk
de LDL- en HDL-fracties (8,9). Alle weefsels nemen vitamine E op, de belangrijkste
depots zijn lever, spieren en vetweefsel. De belangrijkste excretie is die van niet-geab-
sorbeerd vitamine E met de feces.

De functies van vitamine E in het lichaam zijn nog niet volledig bekend. Vrijwel
alle resultaten van onderzoek, zowel in vitro als in vivo, wijzen op een anti-oxydatieve
werking van het vitamine (10,11,12,13). Dit wordt ondersteund door het feit, dat de
meeste symptomen van een vitamine E deficiëntie in min of meerdere mate voorkomen
kunnen worden door niet-specifiek werkende anti-oxydantia (14,15).

Het unieke karakter van vitamine E ten opzichte van deze anti-oxydantia is gelegen
in de structurele membraanstabilisatie die wordt bereikt door de specifieke ligging
van vitamine E moleculen in de membranen (2).

Als anti-oxydant beschermt vitamine E cellen en subcellulaire systemen op het
niveau van de membranen tegen peroxydatieve beschadiging. De betekenis, direct
of indirect, die vitamine E heeft voor het zenuwstelsel, het immuunsysteem en voor
het functioneren van de mitochondriën en de relatie van het vitamine met seleen
en zwavelhoudende aminozuren is vermoedelijk in alle gevallen ook terug te voeren
op een anti-oxydatieve werking van het vitamine (16,17). Hetzelfde geldt ten aanzien
van de betekenis van vitamine E in het metabolisme van vitamine A, van nucleinezuur
en eiwitten en hormonen. Aangetoond is dat vitamine E in het plasma van de mens
als anti-oxydant werkzaam kan zijn (18).

Vitamine E en seleen, de laatste als essentieel onderdeel van het enzym glutathion-
peroxydase, werken in biochemisch opzicht samen (17,19). Seleen bevordert de
absorptie van vitamine E, beschermt via glutathionperoxydase de meervoudig
onverzadigde vetzuren tegen peroxydatie en verhoogt de vitamine E retentie in het
plasma. Bovendien zouden tocoferolradicalen, die zijn ontstaan door reactie van
vitamine E met vrije radicalen, met behulp van glutathion-peroxydase tot tocoferol
kunnen worden geregenereerd. Deze processen verklaren het vitamine E sparend
effect van seleen (17). Hiertegenover handhaaft vitamine E seleen in de actieve vorm
en/of remt dit vitamine seleenverlies uit het lichaam en de vorming van waterstofperoxy-
de in de cel, waardoor de seleenbehoefte wordt verlaagd (17).

94

</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>8.1.3.

8.1.4.

vitamine E

Deficiëntieverschijnselen.

Aangezien vitamine E in de membranen van alle cellen en subcellulaire systemen
voorkomt, zijn in alle weefsels afwijkingen te verwachten bij een tekort aan dit vitamine.

Bij dieren.

De (experimenteel geïnduceerde) verschijnselen van een vitamine E tekort bij
dieren variëren sterk met de diersoort (20,21). Pathologische verschijnselen als gevolg
van een vitamine E tekort zijn onder meer beschreven in de hartspier en skeletspieren
(dystrofie, necrotiserende myopathie), darm, uterus en vetweefsel (geel-vet ziekte,
steatitis); placenta (dood en resorptie van de foetus); testis (atrofie door degeneratie
van het epitheel, verlaging van de spermaconcentratie en steriliteit), en in het zenuw-
stelsel (encefalomalacie en axonale dystrofie) (22,23). Daarnaast zijn in de literatuur
gerapporteerd: verlaagd serumalbuminegehalte, verhoogde creatine-excretie met
de urine (verlies aan spiermassa), sterke veranderingen in enzymactiviteiten in alle
onderzochteweefsels en permeabiliteitsveranderingenvanlysosomale membranen
waardoor lysosomale enzymen vrijkomen in het cytoplasma (16).

Bij de mens.

Ernstige aandoeningen als gevolg van een vitamine E tekort met symptomen,
die overeenkomen met die van een experimenteel geïnduceerde deficiëntie bij dieren,
zijn bij de mens zelden vastgesteld (24). In het Elgin Project, waarbij vitamine E
deficiëntie bij de mens werd geïnduceerd, werden zelfs na 5 jaar geen klinische
deficiëntieverschijnselen waargenomen (25). Verschijnselen die kunnen worden
toegeschreven aan een vitamine E deficiëntie blijken bij de mens voornamelijk het
gevolg te zijn van parenterale voeding met een hoog gehalte aan meervoudig
onverzadigde vetzuren, van absorptiestoornissen of van een zeer hoge consumptie
van meervoudig onverzadigde vetzuren. De belangrijkste deficiéntieverschijnselen
die zijn waargenomen zijn hemolytische anemie, encefalomalacie en stapeling van
lipopigmenten en lipoperoxyden in de weefsels (24,26,27).

Pasgeborenen, in het bijzonder prematuren, bezitten lage vitamine E spiegels
in het plasma als gevolg van een beperkt vitamine E transport door de placenta,
en een laag plasmalipidengehatte, Bij prematuren is bovendien de vitamine E absorptie
beperkt door een nog onvoldoende werkend spijsverteringssysteem, hetgeen kan
resulteren in hemolytische anemie, trombocytose en oedeem (24).

Bepaling van de vitamine E status.

Voor de bepaling van de vitamine E status wordt uitgegaan van het vitamine
E gehalte van het plasma, eventueel in combinatie met een hemolysetest voor de
erytrocyten. De hemolysetest wordt echter niet specifiek geacht. Voorts wordt er
in de literatuur voor gepleit het vitamine E gehalte van het plasma te koppelen aan
het lipidengehalte van het plasma. Voldoende betrouwbare functionele parameters
voor de vitamine E status zijn niet bekend (24).

Het vitamine E gehalte van het plasma bij gezonde volwassenen is gemiddeld

24,4 mcmol/l met een spreiding van 11,6 tot 37,1 mcmol/l. Het gemiddelde lipidenge-
halte van het plasma bedraagt daarbij 6 g/l, waaruit kan worden berekend dat het

95

</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>8.2.

8.2.1.

8.2.2.

vitamine E

vitamine E gehalte bij volwassenen gemiddeld 4,1 memol per g plasmalipiden bedraagt
(24).

Indien de vitamine E concentratie in plasma lager is dan 11,6 mcmol/l is er sprake
van een vitamine E deficiëntie. Gekoppeld aan het lipidengehalte van het plasma
wordt 1,9 mcmol vitamine E per g plasmalipiden als ondergrens van het normale
gebied beschouwd (28).

VITAMINE E BEHOEFTE
Inleiding.

Door het ontbreken van goede biochemische criteria voor de diagnose van
een vitamine E deficiëntie bij de mens, is het moeilijk inzicht te krijgen in de vitamine
E behoefte. Vooralsnog wordt voor de vitamine E status uitgegaan van criteria zoals
die in §8.1.4. zijn beschreven.

Reeds in de vijftiger jaren werd aangetoond dat meervoudig onverzadigde vetzuren
in de voeding de vitamine E behoefte verhogen (20). De behoefte aan vitamine E
wordt dan ook vaak berekend op basis van het gehalte aan meervoudig onverzadigde
vetzuren in de voeding, in het bijzonder op basis van het gehalte aan linolzuur (29).
Daarbij wordt aangenomen dat er bij een voeding met 30-40 en% vet en 3-10 en%
meervoudig onverzadigde vetzuren een lineair verband bestaat tussen de behoefte
aan vitamine E en het gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding
(30).

Volwassenen.

Op basis van de resultaten van de onderzoeken in het Elgin Project en op grond
van waarnemingen bij patiënten wordt aangenomen dat de vitamine E concentratie
in het plasma minimaal 11,6 memol/l dient te bedragen (24,28,31,32). Voorts kan
uit de onderzoeken worden afgeleid dat dit plasma-niveau wordt bereikt met een
voeding die 0,4 a-TE (0,6 IE) vitamine E per g meervoudig onverzadigde vetzuren
bevat. Bij een (zeer) laag gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren dient de
voeding echter tenminste 4 a-TE (6 IE) per dag te bevatten.

Het bij de volwassen populatie aangetroffen vitamine E gehalte van het plasma
wordt in stand gehouden door een voeding die gemiddeld ca. 0,67 a-TE (1 IE) per
g meervoudig onverzadigde vetzuren bevat. Omdat vitamine E deficiëntie bij dit
plasmaniveau niet wordt gerapporteerd, lijkt het aannemelijk dat 0,67 a-TE (1 IE)
per g meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding de vitamine E behoefte dekt.

De behoefte aan vitamine E wordt ook wel gerelateerd aan het gehaite van

ineervoudig onverzadigde vetzuren in de weefsels (33,34). Dit is echter in de praktijk
een moeilijk te hanteren benadering.

96

</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>8.2.3.

8.2.4.

8.2.5.

vitamine E

Kinderen.

Voor zover bekend is er geen onderzoek uitgevoerd naar de vitamine E behoefte
van kinderen. Ten aanzien van de vitamine E status van kinderen is de volgende
informatie beschikbaar.

Pasgeborenen bezitten ten opzichte van volwassenen een laag plasma a-toco-
ferolgehalte van ca. 9 mcmol/i, hetgeen overeenkomt met het eveneens lage lipiden-
gehalte van het plasma. Normaal stijgt in de eerste weken het gehalte snel tot ca.
18,6 mcmol/l. Een verdere stijging tot het niveau van de volwassene lijkt (eerst) plaats
te vinden na het 20ste levensjaar (24,35,36).

Zwangerschap en lactatie.

Tijdens de zwangerschap neemt het vitamine E gehalte van het plasma evenredig
toe met de stijging van het lipidengehalte van het plasma. Deze toeneming bedraagt
60 tot 90%, waarbij de maximale concentratie 4 tot 6 weken vóór de bevalling wordt
bereikt. De hoge vitamine E concentratie in het plasma van de vrouw leidt door het
beperkte transport door de placenta echter niet tot overeenkomstige concentraties
in het plasma van de foetus (37,38).

Het linolzuurgehalte van moedermelkvet blijkt, afhankelijk van het linolzuurgehalte
van de voeding, te variëren van 6-32 gew.% (39). Op basis van het feit, dat
voedingsmiddelen die rijk zijn aan linolzuur eveneens rijk zijn aan vitamine E, mag
worden verondersteld, dat het vitamine E gehalte van moedermelk op vergelijkbare
wijze zal variëren.

Het vitamine E gehalte van moedermelk van een groep Zweedse vrouwen werd
bepaald op 3,2+1,8 a-TE/I, hetgeen overeenkomt met 0,8+0,3 a-TE/g linolzuur in
de moedermelk (40). In moedermelk van een kleine groep Nederlandse vrouwen
werd een vitamine E gehalte vastgesteld van 3,3+1,5 a-TE/I (41). Bij een produktie
van 800 ml moedermelk/dag betekent dit een uitscheiding van gemiddeld 2,6 a-TE
per dag.

Biologische beschikbaarheid.

Over de biologische beschikbaarheid van vitamine E is weinig bekend. in het
algemeen wordt aangenomen dat slechts 20 tot 40% van het vitamine E uit de voeding
wordt geabsorbeerd. De mate van absorptie van a- en y-tocoferol is beduidend
hoger dan die van B-en ô-tocoferol. Bij een verhoging van de inneming zou het absorp-
tiepercentage dalen (42).

De beschikbaarheid van vitamine E uit moedermelk zou beter zijn dan de
beschikbaarheid uit volledige zuigelingenvoeding (43,44).

97

</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>8.2.6.

8.2.7.

8.2.8.

vitamine E

Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine E beïnvloeden.

Meervoudig onverzadigde vetzuren en seleen.

In §8.2.1. en §8.2.2. is al aangegeven dat meervoudig onverzadigde vetzuren
de behoefte aan vitamine E verhogen doordat de absorptie van vitamine E in het
spijsverteringskanaal door meervoudig onverzadigde vetzuren wordt geremd en/of
door peroxydatie van vitamine E onder invloed van deze vetzuren. Daar tegenover
staat dat de in vivo synthese van meervoudig onverzadigde vetzuren door vitamine
E wordt verlaagd (45).

Voorts is aangetoond dat seleen de vitamine E behoefte verlaagt (46). Kwantitatief
is echter de verhoging van de vitamine E behoefte onder invloed van meervoudig
onverzadigde vetzuren belangrijker dan het vitamine E sparend effect van seleen.

Andere factoren die de behoefte aan vitamine E beïnvloeden.

Onderzoeken bij ratten lijken aan te geven, dat de vitamine E behoefte toeneemt
met de leeftijd (veroudering) (47). Bij de mens is een dergelijk verband (nog) niet
nagegaan (48).

Toxiciteit.

_ In theorie kunnen door stapeling van vitamine E in de weefsels nadelige
fysiologische effecten worden verwacht van het gebruik gedurende lange tijd van
hoge dagelijkse doses vitamine E. In de praktijk worden echter slechts bij een gering
aantal personen nadelige gevolgen waargenomen (16,49). In een kortdurend onderzoek
bij vrouwen werd na suppletie met 600 mg RRR-a-tocoferolacetaat een verlaging
van de produktie van thyroïdhormoon en een verhoging van het triglyceride- en
cholesterolgehaite in plasma waargenomen (50). Voorts is bij ratten een remmend
effect van a-tocoferylchinon, een oxydatieproduktie van vitamine E dat vooral ontstaat
bij hoge doseringen met vitamine E, op de werking van vitamine K waargenomen
(32). Bij personen, die gedurende meer dan drie jaar tot 540 a-TE vitamine E/dag
hadden gebruikt, werden echter geen afwijkingen in de klinisch chemische functietesten
voor lever, nier, spier, schildklier en bloedcellen vastgesteld (51).

Op basis van onderzoek bij vrouwelijke ratten gedurende 16 maanden is een
no toxic effect level van 125 mg tocoferolacetaat/kg lichaamsgewicht/ dag gerappor-
teerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat in dit onderzoek geen histologisch onderzoek
is uitgevoerd. In een ander onderzoek bij zowel mannelijke als vrouwelijke ratten,
waarbij 500, 1000 of 2000 mg a-tocoferol/kg lichaamsgewicht/dag werd toegediend,
werden bij iedere dosis bloedingen in de darm, urinewegen, oogkas en hersenvlies
waargenomen, evenals hypotrombinemie die tot excessieve sterfte leidde tussen
de 15e en 18e week bij de mannelijke ratten. Bij de vrouwelijke ratten werden deze
verschijnselen niet waargenomen (52).

98

</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>8.3.

8.3.1.

8.3.2.

vitamine E

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

Minimumbehoefte.

De informatie voor het vaststellen van de minimumbehoefte aan vitamine E is
beperkt. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het ontbreken van goede criteria
voor de vitamine E status.

De belangrijkste factor, die de behoefte aan vitamine E van de gezonde mens
lijkt te beïnvloeden, is het gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding
en/of in de weefsels van het individu.

Voor volwassenen wordt door de commissie de mininumbehoefte aan vitamine
E op ca. 0,4 a-TE (0,6 IE) per g meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding
gesteld. Deze hoeveelheid vitamine E is waarschijnlijk nodig om tenminste een vitamine
E niveau in het plasma van 11,6 memol/l (of wel 1,9 memol/g lipiden) c.q. een redelijke
weefselconcentratie in stand te houden.

Of de aangegeven relatie tussen vitamine E en meervoudig onverzadigde vetzuren
geldt voor elk niveau van meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding is niet
bekend. Bij een (zeer) laag gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren dient
de voeding echter minimaal 4 a-TE (6 IE) vitamine E per dag te bevatten.

Adequaat niveau van inneming.

Zuigelingen tot zes maanden.

Het is aannemelijk om te veronderstellen, dat de melk van een goed gevoede
moeder in de behoefte van de zuigeling aan vitamine E (en meervoudig onverzadigd
vetzuren) voorziet. Bij een consumptie van 800 ml moedermelk/ dag betekent dit
een adequaat niveau van inneming van ca. 2,7 a-TE vitamine E/dag, hetgeen bij
een gemiddeld gehalte aan meervoudig onverzadigde vetzuren van 4 g/l overeenkomt
met 0,8 a-TE vitamine E per g meervoudig overzadigde vetzuren in de voeding.

Overige leeftijdscategorieën.

Gezien alle onzekerheden meent de commissie dat het adequaat niveau van
inneming van vitamine E te moeten definiëren als de hoeveelheid die de mens in
staat stelt een normaal vitamine E gehalte van het plasma in stand te houden (zie
§8.1.4. en 88.2.2.). De hoeveelheid vitamine E, die hiervoor nodig is, bedraagt volgens
de beschikbare informatie ca. 0,67 a-TE per g meervoudig onverzadigde vetzuren
in de voeding. Bij deze inneming wordt zeer waarschijnlijk een ruime lichaamsvoorraad
in stand gehouden. Evenals voor de minimumbehoette geldt ook hier, dat niet bekend
is of de relatie tussen vitamine E en meervoudig onverzadigde vetzuren voor elk
niveau van meervoudig onverzadigde vetzuren in de voeding geldt.

Zwangerschap en lactatie.

Er zijn geen kwantitatieve gegevens over de behoefte aan vitamine E tijdens
de zwangerschap. De commissie gaat er vanuit dat ook tijdens de zwangerschap
een inneming van 0,67 a-TE vitamine E per g meervoudig onverzadigde vetzuren
in de voeding in de behoefte voorziet.

99

</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>8.4.

vitamine E

Voor de vitamine E behoefte tijdens de lactatiepe-
riode wordt eveneens uitgegaan van een inneming van

Tabel 8.2. Adequaat niveau
van inneming voor vitamine E.

0,67 a-TE vitamine E per g meervoudig onverzadigde , TE
. A A M . categorie/ vitamine E
vetzuren in de voeding. Voorts dienen in deze periode leeftijd ir per g MOV”
2,7 a-TE vitamine E/dag extra te worden ingenomen ter zuigelingen
compensatie van de vitamine E uitscheiding met de O-Va 0,8
moedermelk. overige
categorieën 0,672

voor de verschillende leeftijdscategorieën aangegeven.

In tabel 8.2 wordt het adequate niveau van inneming
1) 1 mg A-TE = 1,49 IE vita-

mine E.
2) Zogenden: +2,7 &-TE vi-
tamine E per dag.

LITERATUUR

Anoniem. Nomenclature policy. Generic descriptors and trivial names for vitamins and related compounds.
J Nutr 1987; 117: 7-14,

2. Machlin LJ. Vitamin E. In: Machlin LJ, ed. Handbook of Vitamins. New York: Marcel Dekker, 1984; 99-145.

3. Joffe M, Harris PL. The biological potency of the natural tocopherols and certain derivates. J Am Chem Soc
1943; 65: 925-8.

4. National Formulary. 12th edition. Washington: Am Pharm Ass, 1975.

5, Bieri JG, McKenna MC. Expressing dietary values for fat soluble vitamins: changes in concepts and terminology.
Am J Clin Nutr 1981; 34: 289-95.

6. Kasparek S. Chemistry of tocopherols and tocotrienols. In: Machlin LJ, ed. Vitamin E, a comprehensive treatise.
New York: Marcel Dekker, 1980; 7-65.

7. Bauernfeind J. Tocopherols in foods. In: Machlin LJ, ed. Vitamin E, a comprehensive treatise. New York:
Marcel Dekker, 1980; 99-167.

8. Behrens WA, et al. Distribution of Q-tocopherol in human plasma lipoproteins. Am J Clin Nutr 1982; 35:
691-6.

9. Kayden HJ. Tocopherol content of adipose tissue from vitamin E-deficient humans. In: Porter R, Whelan
J, eds. Biology of vitamin E. Ciba Foundation Symposium 101. London: Pitman Books Ltd. 1983; 70-85.

10. Green J, Bunyan J, Vitamin E and the biological and antioxidant theory. Nutr Abstr Rev 1969; 39: 321-45.

11. Sebrell WH, Harris RS. The Vitamins, chemistry, physiology, pathology, methods; volume V, Tocopherols.
New York: Acad Press, 1972; 165-317.

12. Bieri JG, Farrell PM. Vitamin E. Vit Horm 1976; 34: 31-75.

13. Machlin LJ, ed. Vitamin E, a comprehensive treatise. New York: Marcel Dekker, 1980; 289-389.

14. _ Dam H. Influence of antioxidants and redox substances on signs of vitamin E deficiency. Pharm Rev 1957;
9: 1-16.

15. Machlin LJ, The biological consequences of feeding polyunsaturated fatty acids to antioxidant-deficient animals.
J Am Oil Chem Soc 1963; 40: 368-71.

16. Machlin LJ, Brin M. Vitamin E. In: Alfin Slater RB, Kritchevsky D, eds. Nutrition and the adult Micronutrients.
New York: Plenum Press, 1980; 245-66.

17. _ Scott ML. Advances in our understanding of vitamin E. Fed Proc 1980; 39: 2736-9.

18. _ Burton GW, etal. First proof that vitamin E is major lipid-soluble, chain-breaking antioxidant in human blood
plasma. The Lancet 1982; ii: 327.

19. Freeman BA, Crapo JD. Biology of disease. Free radicals and tissue injury. Lab Invest 1982; 47: 412-26.

20. Dam H. Interrelations between vitamin E and polyunsaturated fatty acids in animals. Vit Horm 1962; 20: 527-40,

21. Evans HE. The pioneer history of vitamin E. Vit Horm 1963; 20: 379-87.

22. Nelson JS. Pathology of vitamin E deficiency. In: Machlin LJ, ed. Vitamin E, a comprehensive treatise. New
York: Marcel Dekker, 1980; 397-428.

23. Nelson JS. Neuropathological studies of chronic vitamin E deficiency in mammals including humans. In:
Porter R, Whelan J, eds. Biology of vitamin E. Ciba Foundation Symposium 101. London: Pitman Books,
1983; 92-105.

24. Farrel PM. Deficiency states, pharmacological effects, and nutrient requirements. In: Machlin LJ, ed. Vitamin
E, a comprehensive treatise. New York: Marcel Dekker, 1980; 520-620.

25. _Horwitt MK, et al. Effects of limited tocopherol intake in man with relationships to erythrocyte hemolysis and
lipid oxidations. Am J Clin Nutr 1956; 4: 408-19.

26. _ Horwitt MK. Interrelations between vitamin E and polyunsaturated fatty acids. Vit Horm 1962; 20: 541-58.

27. _ Binder HJ, et al. Tocopherol deficiency in man. New Eng J Med 1965; 273: 1289-97.

28.  Horwitt MK, et al. Relationship between tocopherol and serum lipid levels for determination of nutritional
adequacy. Ann NY Acad Sci 1972; 203: 223-36.

29, DamH. Interrelations between vitamin E and polyunsaturated fatty acids. Nutr Dieta 1970; 15: 114-28.

100

</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>vitamine E

Debry G. Polyunsaturated fatty acids and vitamin E: their importance in human nutrition. Ann Nutr Alim 1980;
34: 337-56.

Horwitt MK, et al. Status of human requirements for vitamin E. Am J Clin Nutr 1974; 27: 1182-93.
Horwitt MK. Therapeutic uses of vitamin E. Nutr Rev 1980; 38: 105-13.

Witting LA, Lee L. Recommended dietary allowance for vitamin E: relation to dietary, erythrocyte and adipose
tissue linoleate. Am J Clin Nutr 1975; 28: 577-83.

Witting LA, Lee L. Dietary levels of vitamin E and polyunsaturated fatty acids and plasma vitamin E. Am J
Clin Nutr 1975; 28: 571-6.

Vandewoude MFJ, Vandewoude MG. Vitamin E status in a normal population: The influence of age. J Am
Coll Nutr 1987; 6: 307-11.

Vobecky JS, et al. Vitamin E and C levels in infants during the first year of life. Am J Clin Nutr 1976; 29:
766-71.

Takahashi Y, et al. Vitamin E and lipoprotein levels in the sera of pregnant women. J Nutr Sci Vitaminol 1978;
24: 471-6.

Haga P, et al. Plasma tocopherol levels and vitamin E/beta-lipoprotein relationships during pregnancy and
in cord blood. Am J Clin Nutr 1982; 36: 1200-4,

Bitman J, et al. Comparison of the lipid composition of breast milk from mothers of term and preterm infants.
Am J Clin Nutr 1983; 38: 300-12.

Jansson L, et al. Vitamin E and fatty acid composition of human milk. Am J Clin Nutr 1981; 34: 8-13.
Van Zoeren-Grobben D, et al. Human milk vitamin content after pasteurisation, storage, or tube feeding.
Arch Dis Childhood 1987; 62: 161-5.

Gallo-Torres HE. Absorption, transport and metabolism. In: Machlin LJ, ed. Vitamin E, a comprehensive
treatise. New York: Marcel Dekker, 1980; 170-267.

Mino M, et al. Difference in plasma and red blood cell tocopherols in breast-fed and bottle-fed infants. J
Nutr Sci Vitaminol 1980; 26: 103-12.

Simon C, et al. Serum concentrations of vitamin E in healthy infants fed commercial milks. Eur J Pediatr
1980; 133: 273-6.

Pätzelt-Wenczler R. Einfluss von Vitamine E auf die Synthese von ungesättigten Fettsäuren. Int J Vit Nutr
Res 1981; 51: 26-33.

Schwartz K, Foltz CM. Selenium as an integral part of factor 3 against dietary necrotic liver degeneration.
J Am Chem Soc 1957; 79: 3292-3.

Ames SR. Age, parity and vitamin A supplementation and the vitamin E requirement of female rats. Am J
Clin Nutr 1974; 27: 1017-25.

Chow CK. Vitamin E. in: Chen LH, ed. Nutritional aspects of aging. Florida: CRC Press, 1986.

Miller DR, Hayes KC. Vitamin excess and toxicity. In: Hathcock JN, ed. Nutritional toxicology, vol. 3. New
York: Acad Press, 1982; 81-133,

Tsai AC, et al. Study on the effect of megavitamin E supplementation in man. Am J Clin Nutr 1978; 31: 831-7.
Farrell PM, Bieri JG. Megavitamin E supplementation in man. Am J Clin Nutr 1975; 28: 1381-6.

Tomassi G, Silano V. Assessment of the safety of tocopherols as food additives. Food Chem Tox 1986;
24: 1051-61.

101

</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>9. Thiamine

9.1. INLEIDING

9.1.1.
9.1.2.
9.1.3.
9.1.4.

Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
Fysiologische betekenis
Deficiéntieverschijnselen

Bepaling van de thiaminestatus

9.2. THIAMINEBEHOEFTE

9.2.1.
9.2.2.

9.2.3.
9.2.4.

9.2.5.
9.2.6.
9.2.7.

9.2.8.

Inleiding

Volwassenen

Ouderen

Zuigelingen, kinderen en adolescenten

Zwangerschap en lactatie

Biologische beschikbaarheid

Factoren in de voeding die de behoefte aan thiamine bein-
vloeden

Toxiciteit

9.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

9.3.1.
9.3.2.

Minimumbehoefte
Adequaat niveau van inneming

9.4, LITERATUUR

103

105
105
105
105
106

107
107
107
108
108
108
109

109
110

110
110
110

111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>thiamine

104

</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>9.1.

9.1.1.

9.1.2.

9.1.3.

thiamine

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Thiamine (vitamine B,) is een witte kristallijne stof, die goed oplosbaar is in water.
In zuur milieu (pH <5,5) is thiamine stabiel, zelfs bij verhitting tot 100°C. Bij een pH
van >5,5 is thiamine gevoelig voor verhitting. Onder invloed van uttraviolet licht, bepaal-
de stoffen zoals sulfiet, cafeinezuur en tannine, of het enzym thiaminase (aanwezig
in bepaalde vissoorten, varens en bacteriën) wordt thiamine ontleed of omgezet,
waarbij de biologische activiteit verloren gaat (1,2).

In de meeste voedingsmiddelen is het thiaminegehalte laag (<0,5 mg/100 g).
Enkele kwantitatief belangrijke bronnen van thiamine voor de mens zijn varkensvlees
en graanprodukten.

Fysiologische betekenis.

Thiamine (als thiaminedifosfaat) is co-enzym in ruim 20 enzymsystemen van
het koolhydraatmetabolisme, waaronder het pyruvaatdehydrogenase in de citroenzuur-
cyclus en het transketolase in de pentosefosfaatcyclus (3,4). Voorts zijn er duidelijke
aanwijzingen, dat thiamine (waarschijnlijk als thiaminetrifosfaat) een belangrijke rol
speelt bij de prikkelgeleiding van de zenuwcel (5,6,7).

In onderzoek bij de rat is aangetoond dat de absorptie van thiamine volgens =
twee verschillende mechanismen verloopt (8). De absorptie vindt voornamelijk plaats
in de mucosa van het jejunum. Thiamine wordt actief opgenomen vanuit het darmlumen
tot een concentratie van 2 memol/l (ca. 0,7 mg/l), waarbij natriumionen en zuurstof
noodzakelijk zijn. Bij een concentratie in het darmlumen van >2 mcmol/lis het transport
passief.

Behalve door binding aan de thiamine-afhankelijke enzymen, wordt thiamine
niet in het lichaam opgeslagen. Thiamine, dat niet op een dergelijke manier wordt
gebonden, wordt snel met de urine uitgescheiden. Thiamine dat vrijkomt bij de in
vivo hydrolyse van thiaminefosfaatesters door fosfatases, wordt niet opnieuw gebruikt,
maar uitgescheiden met de urine. In urine zijn meer dan 20 metabolieten van thiamine
aangetroffen.

Deficiëntieverschijnselen.

Zowel bij de mens als bij dieren kunnen deficiéntieverschijnselen als gevolg
van een tekort aan thiamine worden gegroepeerd rond de volgende symptomen
(2):

* Verlies van eetlust met als gevolg gewichtsverlies en/of groeivertraging.
* — Hartafwijkingen.
*  AfWijkingen van het zenuwstelsel.

105

</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>9.1.4.

thiamine

Bij dieren.

Het meest gevoelig voor het opwekken van een thiaminedeficiéntie zijn jonge
dieren en zaad-etende vogels, in het bijzonder de duif en de kip. Deze laatsten vertonen
bij een thiaminetekort de karakteristieke opisthotonus (krampachtige achteroverbuiging
van de kop). Bij herkauwers, varkens, ratten, muizen en konijnen ontwikkelt een
(experimenteel geïnduceerde) thiaminedeficiëntie zich in het algemeen minder gemak-
kelijk, mogelijk als gevolg van een endogene thiaminesynthese in het maag-darmkanaal
(voor een overzicht zie (9)).

Bij de mens.

Bij de mens kan een thiaminetekort leiden tot psychische afwijkingen, zoals
depressies, een verlaagde irritatiedrempel, concentratieproblemen en geheugenverlies.
Daarnaast treden verschijnselen op als spierzwakte, verminderde reflexen, anorexia,
gewichtsverlies en maagstoornissen. Hoewel de meeste verschijnselen verdwijnen
nathiaminesuppletie, kunnen veranderingen in het perifere zenuwstelsel irreversibel
zijn (voor een overzicht zie 10).

De klassieke vorm van thiaminedeficiéntie staat bekend als beri-beri, die echter
in de westerse wereld nauwelijks voorkomt. Er worden drie hoofdtypen van beri-beri
onderscheiden, te weten:

* — De droge (of neurogene) beri-beri, die voornamelijk voorkomt bij oudere
volwassenen en die wordt gekarakteriseerd door verlies van spiermassa met
name in de benen. Hartafwijkingen komen bij dit type slechts beperkt voor.

*_De natte (of cardiale of oedemateuze) beri-beri met duidelijke hartafwijkingen,
die leiden tot oedeemvorming, die begint in de benen.

* De infantiele beri-beri, die vooral voorkomt bij 2-6 maanden oude zuigelingen
die worden gevoed met thiaminedeficiënte moedermelk. Het klinisch beeld is
acuut van aard en de dood volgt meestal binnen enkele uren als gevolg van
hartstilstand.

Voorts is er een cerebrale vorm van beri-beri bekend: het zogenaamde Wernicke-syn-
droom. Het betreft een degeneratieve aandoening van de hersenen als gevolg van
een thiaminedeficiéntie. De oorzaak van deze aandoening kunnen echter ook bepaalde
stofwisselingsziekten zijn.

In de westerse wereld is ernstige thiaminedeficiéntie vaak het gevolg van chronisch
alcoholmisbruik (intoxicatie) in combinatie met een thiamine-arme voeding. De hierbij
optredende ernstige psychische veranderingen (onder andere geheugenverlies,
dementie, delirium) worden aangeduid als het Wernicke-Korsakoff-syndroom (11).

Bepaling van de thiaminestatus.

Er zijn verschillende parameters voor de thiaminestatus (12). In het algemeen
wordt de thiamine-uitscheiding met de urine gezien als een maat voor de recente
inneming van thiamine met de voeding. Deze parameter geeft echter geen indruk
van de hoeveelheid van het vitamine die in het lichaam is. Bij een verlaging van de
thiamine-inneming daalt de thiamine-uitscheiding met de urine tot een kritische waarde
van 27 meg/g creatinine is bereikt. Een verdere daling treedt niet op (13). In verband

106

</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>9.2.

9.2.1.

9.2.2.

thiamine

hiermee is de bepaling van de thiamine-uitscheiding met de urine als enkelvoudige
methode niet bruikbaar voor de bepaling van de vitaminestatus (14).

Een gevoelige methode voor de bepaling van de thiaminestatus is het meten
van de activiteit van enzymen, waarbij thiamine als co-enzym fungeert. De meest
toegepaste methode is de meting van de erytrocytentransketolase (ETK)-activiteit
en de in vitro stimulering ervan door thiaminedifosfaat (a-ETK) (15,16,17). De resultaten
van deze bepalingen geven informatie over de thiaminestatus op cellulair niveau
(4,12). Door interlaboratoriumverschillen inde bepalingsmethoden is hetonmogelijk
normaalwaarden voor de ETK-activiteit te geven. Bij een a-ETK >1,25 wordt er van
uitgegaan dat er sprake is van een thiaminedeficiëntie.

De bepaling van het thiaminegehaite in het bloed kan als aanvulling op de
eerdergenoemde enzymatische bepaling extra informatie geven voor het vaststellen
van een thiaminetekort (18).

THIAMINEBEHOEFTE
Inleiding.

De hoeveelheid thiamine in het lichaam van een volwassene bedraagt slechts
ca. 30 mg, waarvan ca. 80% in de vorm van thiaminedifosfaat. Voorts bezit thiamine
een relatief hoge omzettingssnelheid, zodat bij personen die een thiaminevrije voeding
gebruiken veranderingen in biochemische parameters en (overigens vage) klinische
deficiëntieverschijnselen reeds na 2-3 weken aantoonbaar zijn (19).

Gezien de functie van thiamine in de stofwisseling ligt een koppeling van de
thiaminebehoefte aan de energie-inneming voor de hand. Hoewel in de afgelopen
40 jaar intensief onderzoek is verricht naar de thiaminebehoefte, is de kennis over
de relatie met de energie-inneming echter beperkt. De meeste onderzoeken hiernaar
zijn uitgevoerd bij een energie-inneming van 10,9-11,8 MJ/dag. Bij volwassen mannen
is de relatie tussen de energie-inneming en de thiaminebehoefte nagegaan, zowel
bij een energie-inneming van 11,8 MJ als bij een energie-inneming van 15,1 MJ.
In de laatste situatie werd de extra energie geleverd door koolhydraten (20). De
onderzoekers concludeerden op grond van een analyse van de ETK-activiteit en
de a-ETK en de uitscheiding van thiamine van thiamine met de urine, dat de
thiaminebehoefte direct gekoppeld is aan de hoogte van de energie-inneming. De
thiaminebehoefte zou voor de onderzochte energieniveaus 70 mcg/MJ bedragen.
Een uitzondering moet wellicht worden gemaakt voor lage energie-innemingen. In
die situatie zou voor volwassenen de minimumbehoefte onafhankelijk zijn van het
niveau van de energie-inneming (21). Op basis van deze waarneming zou een voeding
met een energieniveau lager dan 8,4 MJ altijd 0,8-1 mg thiamine per dag moeten
bevatten (21,22).

Volwassenen.

In een aantal klassieke onderzoeken werd aangetoond dat klinische verschijnselen
van een thiaminedeficiëntie optreden bij een inneming van <35 mcg/M/ (13). De

107

</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>9.2.3.

9.2.4.

9.2.5.

thiamine

periode van depletie, waarna de verschillende deficiéntieverschijnselen in deze
onderzoeken werden waargenomen, bedroeg 30-300 dagen (23). Klinische deficiëntie-
verschijnselen traden niet op bij een thiamine-inneming van >45-70 mcg/MJ. De
eerder genoemde kritische thiamine-uitscheiding met de urine van 27 mcg/g creatinine
wordt over het algemeen bereikt bij een inneming van 35-60 mcg thiamine/MJ (20,24).

In onderzoeken, waarin de enzymatische methoden voor de bepaling van de
thiaminestatus werden toegepast, konden bij een thiamine-inneming van 70-95 mog/MJ
geen afwijkende ETK-activiteit en a-ETK worden vastgesteld (20,25). In een onderzoek
waarin sprake was van een duidelijk hogere inneming van thiamine (260 mcg/MJ)
werden ook duidelijk hogere waarden voor de ETK-activiteit waargenomen dan in
de eerdergenoemde onderzoeken (26). Dit zou erop kunnen wijzen, dat er in dit
onderzoek sprake was van weefselverzadiging. Het is echter zeer de vraag of
weefselverzadiging noodzakelijk is voor een adequate thiaminestatus. Een weefsel-
verzadiging van slechts 25% blijkt in dierexperimenteel onderzoek niet samen te
gaan met klinische of biochemische afwijkingen (2).

Ouderen.

Er zijn aanwijzingen, dat bij ouderen de behoefte aan thiamine verhoogd is.
Dit wordt mogelijk veroorzaakt door verouderingsprocessen die leiden tot een minder
efficiënte thiaminebenutting. Hoewel de energie-inneming met het ouder worden
afneemt, zou een thiamine-inneming van ca. 120-150 mcg/MJ noodzakelijk zijn mits
de alcoholconsumptie beperkt blijft (14). Uit onderzoeken naar de thiaminestatus
van thuiswonende bejaarden in Nederland valt afte leiden, dat bijeen thiamine-inne-
ming van 95-120 meg/MJ de thiaminestatus acceptabel is (27,28,29). Uit onderzoek
naar de thiaminestatus van ouderen (>68 jaar) in Engeland blijkt, dat bij een
gemiddelde thiamine-inneming van 115 meg/MJ vrijwel geen afwijkende waarden
werden gevonden voor ETK-activiteit en a-ETK (30).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

In het algemeen wijzen de resultaten van onderzoeken bij kinderen erop, dat
de behoefte aan thiamine per MJ niet afwijkt van die van volwassenen (26).

Zuigelingen met een dagelijkse inneming via de moedermelk van 0,14-0,20
mg thiamine hebben normale waarden van de parameters van de thiaminestatus
(31). Het gehalte van thiamine in moedermelk van goed gevoede Engelse vrouwen
varieerde van 130-210 mcg/l, hetgeen overeenkomt met 44-71 meg/MJ (30). In
moedermelk van 8 Nederlandse vrouwen werd een gemiddeld thiaminegehalte
gevonden van 150 mcg/I (pers mededeling, Kromhout D). Deze hoeveelheid blijkt
in de behoefte van de normale zuigeling te voorzien.

Zwangerschap en lactatie.

De resultaten van onderzoeken met betrekking tot de thiaminebehoefte tijdens
de zwangerschap zijn niet eenduidig (26,32). Sommige resultaten wijzen op een

108

</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>9.2.6.

9.2.7.

thiamine

verhoogde behoefte vanaf het eerste trimester van de zwangerschap. In een onderzoek
bij Nederlandse vrouwen is gevonden, dat bij een gemiddelde inneming van 120
meg/MJ de waarde van de ETK-activiteit gedurende de zwangerschap licht daalt
(33). Deze waarde herstelt zich echter spontaan na de bevalling. De a-ETK bleef
gedurende de gehele zwangerschap onveranderd. Dit wijst erop dat tijdens de zwan-
gerschap, bijvoorbeeld door veranderingen in de hormoonstatus, de waarden van
deze biochemische parameters kunnen veranderen, zonder dat de thiaminestatus

zich wijzigt.

Uitgaande van een gemiddeld thiaminegehalte van moedermelk van 150 megl/i
wordt tijdens de lactatieperiode gemiddeld 120 mcg thiamine per dag met 800 ml
moedermelk uitgescheiden.

Biologische beschikbaarheid.

Thiamine dat in de dikke darm wordt gesynthetiseerd door de darmflora, is
bij de mens, in tegenstelling tot bij herkauwers, waarschijnlijk nauwelijks beschikbaar
door het vrijwel ontbreken van absorptie van thiamine uit de dikke darm.

Alcohol heeft een belangrijke negatieve invloed op de beschikbaarheid van
thiamine. Het actieve transportmechanisme wordt door alcohol geremd (zie ook
89.2.7.). Bij een alcoholvrije voeding zou de absorptie van oraal toegediende thiamine
vrijwel volledig zijn (14).

Daarnaast kunnen anti-thiaminefactoren de beschikbaarheid van thiamine uit
de voeding negatief beïnvloeden. Als anti-thiaminefactoren in de voeding zijn onder
andere geïdentificeerd: sulfiet, cafeinezuur, tannine, catecholen en andere ortho-
difenolen, sommige bioflavonciden (rutine) en thiaminases in bepaalde rauwe vissoorten
(in het bijzonder karper en haring), in schaal- en schelpdieren (mosselen, kreeft en
krab) en ìn gefermenteerde theebladeren en betelnoot (1,34,35).

Factoren in de voeding die de behoefte aan thiamine beïnvloeden.

Koolhydraten en vetten.

Door sommige onderzoekers is gesuggereerd dat een hoge vetinneming in
combinatie met een lage koolhydraatinneming de thiaminebehoefte zou verlagen
(36,37). Gezien de functie van thiamine in de stofwisseling is het te verwachten, dat
een verhoging van het koolhydraatgehalte van de voeding leidt tot een verhoging
van de behoefte aan thiamine. Bij een voeding met respectievelijk 42 en 33en% vet
werd geen verschil gevonden in de thiaminebehoefte per MJ (20). Het effect van
de koolhydraat/vetverhouding van de voeding op de thiaminebehoefte zou dus niet
aanwezig of beperkt van omvang zijn. In hoeverre dit ook geldt bij extreme koolhy-
draat/vetverhoudingen, zoals die soms bij alternatieve voedingssystemen voorkomen,
is niet bekend.

Alcohol.

Zowel bij de rat als bij de mens is aangetoond dat bij een chronisch overmatig
alcoholgebruik de behoefte aan thiamine is verhoogd, onder andere omdat het actieve
transport van thiamine in de darmmucosa zou zijn geremd (3,38,39,40). Bij een in

109

</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>9.2.8.

9.3.

9.3.1.

9.3.2.

thiamine

vivo bepaling van de thiamine-absorptie in het jejunum kon echter, noch bij alcoholisten
noch bij een groep die een bepaalde hoeveelheid alcohol kreeg toegediend, een
remming van de thiamine-absorptie worden aangetoond (41). De oorzaak van dit
verschil in bevindingen is niet duidelijk. Op cellulair niveau wordt onder invloed van
een hoog alcoholgebruik de synthese van de thiamine-afhankelijke enzymen en van
thiaminedifosfaat geremd (42). Aangetoond is, dat bij patiënten met het Wernicke-
Korsakoffsyndroom de kinetische eigenschappen vantransketolase zijn veranderd
(15).

Toxiciteit.

Nadelige gevolgen van een overdosering aan thiamine komen nauwelijks voor.
Parenterale (subcutane, intramusculaire of intraveneuze) toediening tot 500 mg bij
de mens heeft geen ziekteverschijnselen tot gevolg. De enige ongunstige reactie
die bij de mens is waargenomen, is een overgevoeligheidsreactie (anafylactische
shock) na herhaalde parenterale toediening van thiamine (2).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.

Op grond van het al dan niet optreden van klinische deficiëntieverschijnselen,
zou volgens de commissie een niveau van 45-70 mcg thiamine/MJ als minimumbehoette
voor volwassenen kunnen worden aangehouden. Op dit niveau is er echter sprake
van suboptimale enzymactiviteit. Op basis van de in §9.2.2. vermelde onderzoeken
schat de commissie de minimumbehoefte aan thiamine op 70-95 meg/MJ. Onafhankelijk
van het energetisch niveau van de voeding zal de voeding van volwassenen tenminste
0,8-1 mg thiamine per dag moeten bevatten. Met betrekking tot kinderen en
adolescenten zijn er geen aanwijzingen, die erop duiden, dat de minimumbehoefte
afwijkt van die van volwassenen.

Adequaat niveau van inneming.

Door de FAO/WHO wordt op basis van een minimumbehoefte van 80 mcg/MJ
en een veiligheidsmarge van 20% voor individuele variaties, een behoefte aan thiamine
berekend van 95 mcg/MJ (43). Zoals aangegeven in §9.3.1. schat de commissie
de minimumbehoefte op 70-95 meg/MJ. De commissie acht het verantwoord het
adequate niveau van inneming vast te stellen op de bovengrens van dit gebied:
95 meg/MJ. Dit geldt zowel voor volwassenen als voor kinderen vanaf een half jaar.
Voor ouderen boven de 65 jaar wordt, gelet op de aanwijzingen die er zijn dat de
behoefte is verhoogd (zie $9.2.3.), het adequate niveau van inneming gesteld op
120 meg/MJ. Ook hier moet er op worden gewezen dat voor de volwassene de
inneming van thiamine altijd minimaal 0,8-1,0 mg/dag moet bedragen.

Voor de zuigeling tot een half jaar wordt, bij een voeding anders dan moedermelk,

het adequate niveau van inneming gesteld op de bovengrens van de voorziening
met moedermelk, te weten 70 mcg/MJ.

110

</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>9.4,

Tijdens de zwangerschap wordt het adequate gebied

van inneming uit veiligheidsoverwegingen gesteld op 120
meg/MJ.

Wanneer wordt uitgegaan van een gemiddelde thiamine-

uitscheiding met de moedermelk van 120 mcg/dag en het
verhoogde energiemetabolisme als gevolg van de lactatie,
zou voor de lacterende vrouw een adequaat niveau van inne-
ming van 130 meg/MJ kunnen worden aangehouden. Het
adequaat niveau van inneming voor de verschillende
categorieën wordt weergegeven in tabel 9.1.

LITERATUUR

1.

2.

Evans WC. Thiaminases and their effects on animals. Vit Horm 1973; 33:
467-504.

Gubler CJ. Thiamin. In: Machlin LJ, ed. Handbook of vitamins. New York:
Marcel Dekker, 1984; 245-97.

Sauberlich HE. Biochemical alterations in thiamine deficiency. Their clinical
interpretation. Am J Clin Nutr 1967; 20: 528-42.

Williams RR, Spies TD. Vitamin B, (Thiamin) and its use in medicine. New
York: MacMillan Company, 1938.

Von Muralt A. Thiamine and peripheral neurophysiology. Vit Horm 1947;
2: 93-118.

Cooper JR, Pincus JH. The role of thiamine in nerve condition. In: Wolstenhol-
me GEW, O'Connor M, eds. Thiamine deficiency. Ciba Foundation Study
Group No. 28. London: Churchill, 1967: 112-34.

Itokawa Y. Effect of nutrient toxicities in animals and man: thiamine. In:
Rechcigl M Jr, ed. Nutritional disorders. Volume |. Effect of nutrient excesses
and toxicities in animals and man. Boca Raton, Florida: CRC Press, 1978;
3-23.

Hoyumpa AM, et al. Thiamine transport across the rat intestine. 1. Normal
characteristics. Gastroenterology 1975; 68: 1218-27.

Rechcigl Mur. Nutritional disorders. Volume ll. Effect of nutrient deficiencies
in animals. Boca Raton, Florida: CRC Press, 1978.

Rechcigl Mur. Nutritional disorders. Volume Ill. Effect of nutrient deficiencies
in man. Boca Raton, Florida: CRC Press, 1978.

Greenberg DA, Diamond I. Wernicke-Korsakoff syndrome. In: Tarter RE,
Van Thiel DH, eds. Alcohol and the brain. Chronic effects, New York: Plenum
Press, 1985: 295-314.

Sauberlich HE, et al. Laboratory tests for the assessment of nutritional status.
Cleveland, Ohio: CRC Press, 1974.

Horwitt MK, et al. Investigations of human requirements for B-complex vita-
mins. Washington DC: NRC Bull 116. National Academy of Sciences, 1948.
Iber FL, et al. Thiamine in the elderly - relation to alcoholism and to neu-
rological degenerative disease. Am J Clin Nutr 1982; 36: 1067-82.
Blass JP, Gibson GE. Abnormality of a thiamine-requiring enzyme in patients
with Wernicke-Korsakoff syndrome. N Engl J Med 1977; 297: 1367-70.
Brin M, et al. The effect of thiamine deficiency on the glucose oxidative
pathway of rat erythrocytes. J Biol Chem 1958; 230: 319-26.

thiamine

Tabel 9.1. Adequaat ni-
veau van inneming voor
thiamine per dag ”

categorief meg/MJ
leettijd jr
zuigelingen
O-V2 704
Val 95
jongens
1-4 95
4-7 95
7-10 95
10-13 95
13-16 95
16-19 95
meisjes
1-4 95
4-7 95
7-10 95
10-13 95
13-16 95
16-19 95
mannen
19-22 95
22-50 95
50-65 95
>65 120
vrouwen
19-22 95
22-50 95
50-65 95
>65 120
zwangeren 120
zogenden 130

1) Thiamine is uitgedrukt
in mg thiamine-chlori-
de-hydrochloride.

2) Deze hoeveelheid
komt overeen met
0,04 mg per kg li-
chaamsgewicht per

dag.

Brin M. The functional evaluation of vitamin status with special attention to enzyme-coenzyme techniques.
In: Santos W, et al, eds. Nutrition and food science. Nutritional biochemistry and pathology, volume 3. New

York: Plenum Press, 1980: 131-53.

Schrijver J, et al. Reliable semi-automatic method for the determination of total thiamine in whole blood by
the thiochroom method with high performance liquid chromatography. Ann Clin Biochem 1982; 19: 52-6.
Ariadey-Nejad MR, et al. Thiamine metabolism in man. Am J Clin Nutr 1970; 23: 764-78,
Sauberlich HE, et al. Thiamine requirement of the adult human. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2237-48,

Consolazio CF, et el. Thiamine, riboflavin and pyridoxine excretion during acute starvation and caloric restriction.

Am J Clin Nutr 1971; 24: 1060-7.

Anderson SH, et al. Adult thiamine requirements and the continuing need to fortify processed cereals. The

Lancet 1986; ii: 85-9.

111

</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>thiamine

31.
32.

42,
43.

Wirths W. Thiamin. Ernährungs-Umschau 1977; 24: 399-402,

Bayliss AM, et al. Urinary thiamine excretion after oral physiological doses of vitamin. Int J Vit Nutr Res 1984;
54: 161-4.

Haro EN, et al. Fasting in obesity, thiamine depletion as measured by erythrocytes transketolase changes.
Arch Int Med 1966; 117: 175-81.

Reuter H, et al. Thiamine requirements in humans, Int J Vit Nutr Res 1967; 37: 315-28.

Bowles CH. Onderzoek naar de voeding en voedingstoestand van zelfstandig wonende bejaarden in een
stad-huisartsenpraktijk. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1977.

Löwick MRH, et al. Onderzoek naar de voeding en voedingstoestand van ogenschijnlijk gezonde, zelfstandig
wonende mensen van 65 tot 80 jaar. CIVO instituten TNO, rapport V 86.466, 1986.

Schrijver J, et al. Biochemical evaluation of the vitamin and iron status of an apparently healthy Dutch free-living
elderly population. Comparison with younger adults. Int J Vit Nutr Res 1985; 55: 337-49,

Department of Health and Social Security. Report on health and social subjects. Nutrition and health in old
age. Report by the Committee on Medical Aspects and Food Policy. London: HMSO, 1979.

Holt LE, et al. The thiamine requirement of the normal infant. J Nutr 1949; 37: 53-66.

Sauberlich HE. Vitamin indices. In: National Research Council. Laboratory indices of nutritional status in
pregnancy. Washington DC: National Academy of Sciences, 1978: 109-56.

Van den Berg H, Bruinse HW. On the role of nutrition in normal human pregnancy. Utrecht: Proefschrift,
1983.

Loew FM. A thiamin-responsive polioencephalomalacia in topical and non-tropical livestock production systems.
Wid Rev Nutr Diet 1975; 20: 168-83.

VimokesantS, et al. Food habits causing thiamine deficiency in humans. J Nutr Sci Vitaminol 1976; 22 suppl:
1-2.

Holt LE Jr, Snyderman SE. The influence of dietary fat on thiamine loss from the body. J Nutr 1955; 56:
495-500.

Reinholt JG, et al. The utilization of thiamine in the human subject: the effect of high intake of carbohydrate
or fat. J Nutr 1944; 28: 51-62.

Hoyumpa AM, et al. Thiamine transport across the rat intestinate. Il. Effect of ethanol. J Lab Clin Med 1975;
86: 803-16.

Hoyumpa AM. Mechanisms of thiamine deficiency in chronic alcoholism. Am J Clin Nutr 1980; 33: 2750-61.
Tomasulo PA, et al. Impairment of thiamin absorption in alcoholism. Am J Clin Nutr 1968; 21: 1341-4.
Breen KJ, et al. Jejunal uptake of thiamin hydrochloride in man: influence of alcoholism and alcohol. Am
J Clin Nutr 1985; 42: 121-6.

Bonjour JP. Vitamins and alcoholism. IV. Thiamin. Int J Vit Nutr Res 1980; 50: 321-38.

FAO/WHO. Requirements of vitamin A, thiamin, riboflavin and niacin. WHO Techn Rep Series 362. Geneva:
WHO, 1967.

112

</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>10. Riboflavine

10.1. INLEIDING
10.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
10.1.2. Fysiologische betekenis
10.1.3. Deficiëntieverschijnselen
10.1.4. Bepaling van de riboflavinestatus

10.2. RIBOFLAVINEBEHOEFTE
10.2.1. Volwassenen
10.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
10.2.3. Zwangerschap en lactatie
10.2.4. Biologische beschikbaarheid
10.2.5. Factoren in de voeding die de behoefte aan riboflavine
beïnvloeden
10.2.6. Andere factoren die de behoefte aan riboflavine beïnvloeden
10.2.7. Toxiciteit

10.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
10.3.1. Minimumbehoefte
10.3.2. Adequaat niveau van inneming

10.4. LITERATUUR

113

115
115
115
115
116

116
116
117
117
118

118
119
119

119
119
120

121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>riboflavine

114

</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>10.1.

10.1.1.

10.1.2.

10.1.3.

riboflavine

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Riboflavine, voorheen bekend als vitamine B,, is een oranje-gele kristallijne stof,
die matig in water oplosbaar is. Riboflavine is stabiel bij verhitting in zure, maar niet
in alkalische oplossingen. Het ontleedt gemakkelijk bij bestraling met licht, vooral
in het golflengtegebied van 420-560 nm (1). Belangrijke bronnen van riboflavine zijn
melk en melkprodukten, vlees en vleeswaren, groenten, fruit en graanprodukten

(2).

Fysiologische betekenis.

In plantaardige en dierlijke weefsels wordt riboflavine aangetroffen als bestanddeel
van de prosthetische groepen van ongeveer 60 flavoproteinen. Deze prosthetische
groepen zijn het FMN (flavinemononucleotide of riboflavine-5'-fosfaat) en het FAD
(flavine-adeninedinucleotide). FMN wordt gevormd door binding van een fosfaatgroep
aan riboflavine en FAD door binding van FMN aan AMP (adenosinemonofosfaat).
Voorbeelden van flavine-gebonden enzymen zijn D- en L-aminozuuroxydase, xanthine-
oxydase, barnsteen-zuurdehydrogenase, cytochroom-C-reductase, glutathionreductase
en a-glycerolfosfaatdehydrogenase. Deze enzymen zijn in de stofwisseling betrokken
bij talrijke oxydatie- en reductiereacties, waaronder de oxydatie van aminozuren tot
ketozuren, de synthese en afbraak van vetzuren, reacties in de citroenzuurcyclus
en in de elektronentransportketen (3).

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Het eerste verschijnsel van riboflavinedeficiëntie bij jonge dieren is acute groeistil-
stand. Verder treden na verloop van tijd verschijnselen op zoals haaruitval, conjunctivitis,
vascularisatie van de cornea, troebeling van de ooglens (afhankelijk van de rattenstam),
verminderde voortplanting met afwijkingen bij het nageslacht, hypoplasie van het
beenmerg, anemie en uiteindelijk de dood (4,5,6).

Bij de mens.

Inzicht in de klinische verschijnselen van een riboflavinedeficiéntie is verkregen
door mensen onder experimentele omstandigheden te onderwerpen aan een
riboflavinedeficiénte voeding. De hierbij optredende verschijnselen waren ontstekingen
van de opperhuid op de grens met slijmvlies, zoals bij de mondhoeken (angulaire
stomatitis) en bij de lippen (cheilosis). Verder is dermatitis (seborrhoides) van de
nasolabiale plooien en van het scrotum waargenomen. Deze verschijnselen zijn echter
niet specifiek voor een riboflavinedeficiëntie. Voorts gaat een riboflavinedeficiéntie
gepaard met een verlaging van het hemoglobinegehalte. Bij ernstige riboflavine-
deficiëntie is normochrome normocytaire anemie en reticulocytopenie vastgesteld
(4,5,6).

Bij de mens doen zich geen ernstiger deficiéntieverschijnselen voor dan de
bovengenoemde, ook alis de riboflavine-inneming langdurig van geringe omvang.

115

</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>10.1.4.

10.2.

10.2.1.

riboflavine

Vermoed wordt dat het lichaam bij een riboflavinetekort in staat is door weefselafbraen
een minimumhoeveelheid riboflavine-bevattende enzymen in stand te houden (7).

Bepaling van de ribofiavinestatus.

Bij de bepaling van de riboflavinestatus wordt gebruik gemaakt van de daling
in de activiteit van flavine-enzymen die bij een riboflavinetekort optreedt (8). De
activeringscoéfficient van glutathionreductase in erytrocyten (a-EGR) wordtbeschouwd
als een gevoelige en specifieke parameter van de riboflavinestatus. Bij een acti-
veringscoéfficient van 1,2-1,3 zou de riboflavinestatus marginaal zijn. Een activeringsco-
êfficient van meer dan 1,3 wijst op een riboflavinetekort op cellulair niveau (9).

Voorts wordt bij bevolkingsonderzoek de excretie van riboflavine met de urine
wel gebruikt als parameter voor de riboflavinestatus. Deze methode is onder niet
gecontroleerde omstandigheden echter minder geschikt, omdat de riboflavine-excretie
in urine niet alleen door de lichaamsvoorraad, maar ook door de recente inneming
van het vitamine wordt beïnvloed.

RIBOFLAVINEBEHOEFTE

Volwassenen.

Uit de resultaten van de — Tabel 10.1. Relatie tussen het riboflavinegehalte van de voeding
klassieke lange-termijn on- @ de riboflavine-uitscheiding met de urine.

derzoeken bij volwassenen neming riboflavine ín urine
is gebleken dat bij een is mo/24 uur mene” 9777 % van de
voeding die minder dan 0,06 uur inneming
mg riboflavine/MJ bevat na 15 0.55 15 sten 9,3
enkele maanden klinische 11 0,75 12 7345 9,7
deficiéntieverschijnselen ont- 12 0,85 15 76+38 8,9
staan. Voorts werd waarge- 28 1,10 13 97262 8,8
nomen dat bij een voeding 39 1,50 100. | 4342185 26,5
die meer dan 0,06 mg ribo- 12 215 10-78 | 7142293 33,2
flavine/MJ bevat klinische 13 2.53 244 | 8492258 | 333
deficiéntieverschijnselen als 13 255 Ad 48.3

gevolg van een riboflavinete- n = aantal proefpersonen

kort niet optreden of weer Bron: (11)
verdwijnen. Op grond van deze bevindingen werd door Bro-Rasmussen geconcludeerd
dat, indien het al dan niet optreden van klinische deficiëntieverschijnselen als criterium
wordt gehanteerd, de minimum riboflavinebehoefte van volwassenen ca. 0,06 mg/MJ
zou bedragen (6).

In bevolkingsonderzoek werden bij een riboflavine-inneming van minder dan
0,7 mg/dag klinische deficiëntieverschijnselen en een zeer lage riboflavine-uitscheiding
met de urine, <0,04 mg/dag, waargenomen (10). Bij bevolkingsgroepen met een
riboflavine-inneming van 1,0-1,38 mg/dag was de uitscheiding met de urine aanmerkelijk
hoger, namelijk ca. 0,16 mg/dag (10).

116

</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>10.2.2.

10.2.3.

riboflavine

Door de groep van Horwitt is de relatie tussen het riboflavinegehalte van de
voeding en de riboflavine-uitscheiding met de urine experimenteel onderzocht (11).
De riboflavine-uitscheiding met de urine werd bepaald nadat de proefpersonen zich
aan een bepaald niveau van riboflavine-inneming hadden aangepast. Alle voedingen
leverden ca. 9,2 MJ/dag. De resultaten van de onderzoeken zijn vermeld in tabel
10.1. Waargenomen werd, dat de riboflavine-uitscheiding met de urine met een factor
4 toeneemt als de inneming verhoogd wordt van 1,1 tot 1,6 mg/dag. Voorts bleek
de verhouding tussen de hoeveelheid riboflavine in de urine en de hoeveelheid riboflavi-
ne in de voeding bij een inneming riboflavine van <1,1 mg een constante waarde
te bereiken. Het niveau van 1,1 mg/dag werd daarom als een kritisch niveau be-
schouwd waar beneden de inneming niet zou moeten dalen. Deze opvatting wordt
ondersteund door het feit dat personen, die gedurende meer dan acht jaar 1,1 mg
riboflavine/dag met de voeding hadden ingenomen, na suppletie met 1 mg ribo-
flavine/dag, deze extra hoeveelheid volledig met de urine uitscheiden. Dit wijst op
weefselverzadiging (7).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Er is zeer weinig onderzoek verricht naar de riboflavinebehoefte van kinderen.
Op grond van twee onderzoeken bij in totaal vijf kinderen (energie-inneming 3,8-6,3
MJ/dag) werd een zogenaamd kritisch niveau van inneming gerapporteerd van 0,6-1,0
mg riboflavine/dag (6). Een riboflavine-inneming van 0,95 mg/dag leidde bij adoles-
centen met scrotale dermatitis en een deficiënte riboflavinestatus binnen twee weken
niet tot weefselverzadiging, te oordelen naar de riboflavine-excretie met de urine.
Wel genas binnen 17 dagen bij 8 van de 10 jongens de scrotale dermatitis. Een
inneming van meer dan 0,95 mg/dag leidde binnen twee weken wel tot weefselverzadi-

ging (12).

Moedermelk bevat ca. 0,3 mg/l riboflavine en levert de zuigeling, op basis van
een consumptie van 800 mi/dag, ca. 0,24 mg riboflavine/dag (2,13). Deze hoeveelheid
blijkt in de behoefte van de zuigeling te voorzien.

Zwangerschap en lactatie.

In enkele klassieke onderzoeken werd aangetoond dat de riboflavine-uitscheiding
met de urine tijdens het derde trimester van de zwangerschap afneemt (6,10). Dit
kan duiden op een verhoogde behoefte. Bij Nederlandse vrouwen werd aangetoond
dat na de 34e week van de zwangerschap een lichte toename van de totale hoe-
veelheid circulerend riboflavine optreedt, die na de bevalling verdwijnt. De waarden
voor de EGR-activiteit en a-EGR vertoonden een grote spreiding, maar bleven gemid-
deld onveranderd (14).

In een onderzoek bij zwangere en niet-zwangere vrouwen werd bij meer dan
20% van de zwangere vrouwen tijdens het tweede en derde trimester van de zwanger-
schap een a-EGR van meer dan 1,2 gevonden, terwijl bij de niet-zwangere vrouwen
in geen enkel geval een dergelijke waarde werd aangetroffen (15). Het niveau van
de a-EGR, gemeten in het derde trimester, was negatief gecorreleerd met de riboflavi-
ne-inneming in het tweede trimester van de zwangerschap. Er kon geen relatie worden

117

</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>10.2.4.

10.2.5.

riboflavine

aangetoond tussen de riboflavinestatus en het resultaat van de zwangerschap. Hoewel
het niet bekend is of normaalwaarden van biochemische parameters voor de ribofiavine-
status van niet-zwangeren ook voor zwangeren van toepassing kunnen zijn, zouden
de bevindingen kunnen wijzen op een wat hogere behoefte tijdens de zwangerschap.

Aangenomen mag worden, dat tijdens de lactatieperiode de riboflavinebehoefte
is verhoogd met een hoeveelheid, die wordt uitgescheiden met de moedermelk.

Biologische beschikbaarheid.

Parenteraal toegediend riboflavine werd in dezelfde mate met de urine
uitgescheiden als oraal toegediend riboflavine. Dit betekent dat de absorptie vrijwel
volledig is (7).

Bij ratten met een thiaminedeficiëntie bleek riboflavine slecht te worden
geabsorbeerd (7,10). In hoeverre dit ook geldt voor de mens is niet bekend.

Factoren in de voeding die de behoefte aan riboflavine beïnvloeden.

Energie.

Met het oog op de functie van flavoproteïnen in de stofwisseling ligt het voor
de hand te veronderstellen dat de riboflavinebehoefte afhankelijk is van het
energieverbruik van het lichaam. Bro-Rasmussen constateerde dat bij zeven in de
literatuur gerapporteerde onderzoeken het kritische niveau van inneming bij
volwassenen steeds een waarde had van 0,5-0,6 mg riboflavine/MJ (6). Op grond
hiervan zijn door de FAO/WHO aanbevelingen voor riboflavine opgesteld op basis
van het energieverbruik (10). Het door Bro-Rasmussen veronderstelde verband tussen
de behoefte aan riboflavine en het energieverbruik is onderwerp van discussie geweest.
Met name Horwitt heeft de juistheid van deze veronderstelling aangevochten (7).
Deze onderzoeker wees erop dat in twee van de zeven door Bro-Rasmussen
aangehaalde onderzoekingen de riboflavine-uitscheiding met de urine hoger was
dan paste bijhet kritische niveau van inneming. Verder werd opgemerkt dat er geen
onderzoeken bekend zijn waaruit blijkt dat een hoger energieverbruik op zich een
daling van de riboflavine-uitscheiding met de urine tot gevolg heeft, hetgeen zou
wijzen op een verhoogde behoefte. In onderzoek bij de rat is voorts aangetoond
dat verliezen aan riboflavine tijdens de stofwisseling als gevolg van het functioneren
van flavine-enzymen vrijwel niet plaatsvinden (16). Op grond van gegevens uit
onderzoek bij de rat kan worden geschat dat bij de mens de riboflavine-afbraak
niet meer zal bedragen dan 0,006 mg/MJ, hetgeen een te verwaarlozen hoeveelheid
is. Deze bevindingen hebben er mede toe geleid dat in Engeland en de Verenigde
Staten de aanbevolen hoeveelheden voor riboflavine niet meer gekoppeld zijn aan
het energieverbruik, maar dat deze worden gerelateerd aan de basaalstofwisseling
(17,18).

Eiwit.

Er zijn talrijke gegevens, die wijzen op een verband tussen riboflavine en het
eiwitmetabolisme. Het sterkst komt deze relatie naar voren in de algemene bevinding,
dat riboflavine bij eiwittekort of bij een negatieve stikstofbalans niet kan worden benut

118

</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>10.2.6.

10.2.7.

10.3.

10.3.1.

riboflavine

en dat eiwitten bij riboflavinetekort niet kunnen worden gemetaboliseerd. Het verband
tussen riboflavine en het eiwitmetabolisme wordt mogelijk verklaard door de relatie
tussen riboflavine en vitamine B,. Vitamine B, is het centrale vitamine in de stofwisseling
van de aminozuren. Voor de omzetting van vitamine B, in de biologisch actieve vorm
pyridoxal-5'-fosfaat is riboflavine nodig.

De relatie met de eiwitstofwisseling heeft ertoe geleid dat de aanbevelingen
voor de riboflavinevoorziening soms worden gekoppeld aan de eiwitconsumptie.
Er zijn echter geen aanwijzingen dat de riboflavinebehoefte hoger is indien meer
eiwit wordt geconsumeerd dan nodig is om in de behoefte te voorzien (7). Aanbevelin-
gen voor riboflavine die gebaseerd zijn op de eiwitconsumptie en niet op de eiwit-
behoefte zijn dan ook minder juist.

Andere factoren die de behoefte aan riboflavine beïnvloeden.

Lichamelijke activiteit.

Resultaten van onderzoek bij vrouwen suggereren dat lichamelijke activiteit
de behoefte aan riboflavine verhoogt (19,20,21). Gebleken is namelijk dat door lichame-
lijke activiteit de a-EGR werd verhoogd. Het is echter mogelijk dat inspanning (tijdelijk)
een verschuiving teweegbrengt in de verdeling van riboflavine in het lichaam, zonder
dat dit gepaard gaat met een verhoogde behoefte. Deze mogelijkheid wordt
ondersteund door resultaten van onderzoek bij zwemmers en bij vrouwen met
overgewicht (21,22).

Uit deze onderzoeken blijkt dat riboflavinesuppletie geen invloed heeft op
respectievelijk het prestatievermogen en de aërobe capaciteit.

Toxiciteit.

Toediening van riboflavine in een dosis van 10 g/kg lichaamsgewicht aan ratten
en van 2 g/kg lichaamsgewicht aan honden veroorzaakt geen ziekteverschijnselen.
Een intraperitoneale dosis van 340 g/kg lichaamsgewicht toegediend aan muizen
gaf eveneens geen effecten te zien. Deze hoeveelheid komt overeen met 20 g/kg
lichaamsgewicht voor de mens. De LD,, voor de rat bij een intraperitoneale toediening
bedroeg 560 g/kg lichaamsgewicht (2).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

Minimumbehoefte.

Zoals aangegeven in $10.2. kunnen klinische deficiéntieverschijnselen bij
volwassenen worden voorkomen met een inneming van 0,7 mg riboflavine/ dag.
Volgens commissie is voor het vaststellen van de minimumbehoefte het al dan niet
optreden van weefselverzadiging een veiliger criterium dan het al dan niet optreden
van klinische deficiëntieverschijnselen. Op grond van de informatie in $10.2. kan
worden aangenomen dat bij volwassenen weefselverzadiging optreedt bij een inneming

119

</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>10.3.2.

10.4,

riboflavine

van >1,1 mg riboflavine/dag. De minimumbehoefte voor volwassenen wordt daarom

door de commissie gesteld op 1,1 mg riboflavine/dag.

Er is onvoldoende informatie beschikbaar om de minimumbehoefte van andere

categorieën te kunnen vaststellen.

Adequaat niveau van inneming.

In §10.2.5. is aangegeven dat de behoefte aan riboflavine
zou moeten worden gerelateerd aan de basaalstofwisseling
of aan de eiwitbehoefte. In het door de commissie opgestelde
adequate niveau van inneming van eiwit wordt al rekening
gehouden met de basaalstofwisseling. In verband hiermee
heeft de commissie gekozen voor het relateren van de ribofla-
vinebehoefte aan de eiwitbehoefte en wel op de volgende wijze:
De minimum eiwitbehoefte van de volwassen man werd onder
Nederlandse omstandigheden (NEB = ca. 80% ten opzichte
van kippeéi-eiwit) in hoofdstuk 3 berekend op 0,65 g/kg
lichaamsgewicht. Bij een lichaamsgewicht van 75 kg en een
minimum riboflavinebehoefte van 1,1 mg/dag bedraagt de
minimum riboflavinebehoefte per gram eiwit:

1,1

75 x 0,65 — ca. 0,025 mg riboflavinelg eiwit

Met behulp van de factor 0,025, het adequate niveau
van inneming voor eiwit en het referentiegewicht kan het ade-
quate niveau van inneming voor riboflavine voor de verschillen-
de (leeftijds)categorieën worden berekend (zie tabel 10.2).

Het is hierbij opmerkelijk dat in moedermelk de verhouding
tussen riboflavine en eiwit eveneens ca. 0,025 mg riboflavine/g
eiwit is.

Tijdens de lactatieperiode moet het op de aangegeven
wijze berekende adequate niveau van inneming worden ver-
hoogd met 0,3 mg/dag om de riboflavine-uitscheiding met
moedermelk te compenseren.

LITERATUUR

1. Rivlin RS. Riboflavin. New York: Plenum Press, 1975.
2. Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel. Nederlandse voedingsmidde-
lentabel. 35e druk. 's-Gravenhage: Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

3. Cooperman JM, Lopez R. Riboflavin. in: Machlin LJ, ed. Handbook of vitamins.

New York: Marcel Dekker, 1984: 245-97.

120

Tabel 10.2. Adequaat ni-
veau van inneming voor
riboflavine per dag.

categorie/
leeftijd jr mg
zuigelingen
OY 0,35"
Ya 0,4
jongens
1-4 0,6
4-7 0,8
7-10 1,0
10-13 1,2
13-16 1,5
16-19 1,6
meisjes
1-4 0,6
4-7 0,8
7-10 1,0
10-13 1,2
13-16 1,3
16-19 1,3
mannen
19-22 1,6
22-50 1,6
50-65 1,6
>65 1,5
vrouwen
19-22 1,3
22-50 1,3
50-65 1,3
>65 1,3
zwangeren 1,8
zogenden 2,17

1) Dit komt overeen
met 0,06 mg per kg
lichaamsgewicht per

dag.

2) inclusief een hoe-
veelheid van 0,3 mg
per dag ter com-
pensatie van de ri-
boflavine-uitschei-
ding met moeder-

melk.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>19.

21.

riboflavine

Horwitt MK, Riboflavin. In: Goodhart R, Shils ME, eds. Modern Nutrition in Health and Disease. Philadelphia:
Lee 8 Febiger, 1980; 197-203,

Mickelson O, Present knowledge of riboflavin. In: Present knowledge of nutrition. New York: Nutrition Foundation,
1967.

Bro-Rasmussen F. The riboflavin requirement of animals and man and associated metabolic relations. Il.
Relation of requirement to the metabolism of protein and energy. Nutr Abstr Rev 1958; 28: 369-86.
Horwitt MK. Nutritional requirements of man, with special reference to riboflavin. Am J Clin Nutr 1966; 18:
458-66.

Prentice AM, Bates CJ. A biochemical evaluation of the erythrocyte glutathione reductase (EC 1.6.4.2) test
for riboflavin status. 1. Rate of specificity of response in acute deficiency. Br J Nutr 1981; 45: 37-52.
Sauberlich HE, et al. Application of the erythrocyte glutatione reductase assay in evaluating riboflavin nutritional
status in a high school student population. Am J Clin Nutr 1972; 25: 756-62.

FAO/WHO. Requirements of vitamin A, thiamine, riboffavin and niacin. WHO Techn Rep Series 362. Geneva:
WHO, 1967

Horwitt MK, et al. Correlation of urinary excretion of riboflavin with dietary intake and symptoms of ariboflavinosis.
J Nutr 1950; 41: 247-64.

Lo CS. Riboflavin status of adolescent southern Chinese: riboflavin saturation studies. Hum Nutr: Clin Nutr
1985; 39C: 297-301.

Souci SW, et al, Food composition and nutrition tables 1981/1982. Stuttgart: Wissenschaftliche
Verlagsgesellschaft, 1981.

Van den Berg H, Bruinse HW. On the role of nutrition in normal human pregnancy. Utrecht: Proefschrift,
1983.

Vir SC, et al. Riboflavin status during pregnancy. Am J Clin Nutr 1981; 34: 2699-2705.

Bessey OA, et al. The riboflavin economy of the rat. J Nutr 1958; 64: 185.

Department of Health and Social Security (DHSS). Recommended daily amounts of food energy and nutrients
for groups of people in the United Kingdom. Report by the Committee on Medical Aspects of Food Policy,
London: HMSO, 1979,

National Research Council. Recommended dietary allowances. Was hington DC: National Academy of Sciences,
1980,

Belko AZ, et al. Effects of exercise on riboflavin requirements of young women. Am J Clin Nutr 1983; 37:
509-17.

Belko AZ, et al. Effects of aerobic exercise and weight toss on riboflavin requirements of moderately obese,
marginally deficient young women. Am J Clin Nutr 1984; 40: 553-61,

Belko AZ, et al. Effects of exercise on riboflavin requirements: Biological validation in weight reducing women.
Am J Clin Nutr 1985; 41: 270-7.

Tremblay A, et al. The effects of a riboflavin supplementation on the nutritional status and performance of
elite swimmers. Nutr Res 1984; 4: 201-8.

121

</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>11. Vitamine B,

11.1. INLEIDING
11.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
11.1.2. Fysiologische betekenis
11.1.3. Deficiéntieverschijnselen
11.1.4. Bepaling van de vitamine B, status

11.2. VITAMINE B, BEHOEFTE

11.2.1. Inleiding

11.2.2. Volwassenen

11.2.3. Zuigelingen, kinderen en adolescenten

11.2.4. Zwangerschap en lactatie

11.2.5, Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine B, bein-
vloeden

11.2.6. Biologische beschikbaarheid

11.2.7. Andere factoren die de behoefte aan vitamine B, beinvloe-
den

11.2.8. Toxiciteit

11.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
11.3.1. Minimumbehoefte
11.3.2. Adequaat niveau van inneming

11.4. LITERATUUR

123

125
125
125
126
126

127
127
127
129
130

131
131

131
132

132
132
133

134
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>vitamine B,

124

</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>11.1-

11.11.

11.1.2.

vitamine B,

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Vitamine B, is de algemene naam voor alle 3-hydroxy-2-methylpyridinederivaten
die bij ratten kwalitatief de biologische activiteit vertonen van pyridoxine (1). De
belangrijkste vormen van vitamine B, zijn pyridoxine, pyridoxal en pyridoxamine (al
of niet 5’-gefosforyleerd).

De verschillende vormen van vitamine B, in zuivere oplossing zijn redelijk bestand
tegen verhitting en redelijk stabiel in zuur en alkalisch milieu. Speciaal in neutraal
en alkalisch milieu zijn zij gevoelig voor blootstelling aan zonlicht (2). In
voedingsmiddelen kan door verhitting het gehalte sterk teruglopen. Bij het braden
van vlees kunnen verliezen optreden van ca. 45% bij rundvlees en ca. 30% bij
varkensvlees (3). In vergelijkbaar onderzoek werden bereidingsverliezen aan vitamine
Ba in vlees vastgesteld van 50-70% (4,5). In aardappelen bedroegen de verliezen
aan vitamine B, als gevolg van koken gemiddeld ca. 15% en van frituren ca. 30%

(6).

Goede bronnen van vitamine B, zijn vlees, eieren, vis, graanprodukten,
aardappelen en peulvruchten. In kleinere hoeveelheden wordt vitamine B, aangetroffen
in groenten, melk en kaas.

Fysiologische betekenis.

De verschillende vormen van vitamine B, bezitten alle vitamine-activiteit en kunnen
in het lichaam in elkaar worden omgezet. Er zijn weinig gegevens beschikbaar over
de relatieve biologische activiteit van de drie verbindingen bij de mens. Er bestaat
wellicht een verschil in de biologische activiteit van de verbindingen. Uit onderzoek
is gebleken dat pyridoxamine in vergelijking met pyridoxine en pyridoxal langzamer
wordt geabsorbeerd en/of op een ander wijze wordt gemetaboliseerd (7).

De 5'-fosfaatverbindingen van pyridoxine, pyridoxal en pyridoxamine worden
in het maagdarmkanaal gehydrolyseerd, waarna de gevormde methylpyridines worden
geabsorbeerd (8). De verschillende verbindingen van de vitamine B, groep kunnen
worden omgezet in de biologisch actieve cofactor pyridoxalfostaat.

Pyridoxalfosfaat en in mindere mate pyridoxaminefosfaat fungeren als cofactor
van een groot aantal enzymen die betrokken zijn bij de aminozuurstofwisseling. Het
betreft hier transaminase-, decarboxylase-, racemase-, eliminatie- en condensatie-
reacties (8,9). Daarnaast zou vitamine B, direct dan wel indirect een rol spelen in
de koolhydraat- en vetstofwisseling. Ca. 50% van het vitamine B, in het lichaam is
gebonden aan het enzym fosforylase in de spier, dat glycogeen omzet in glucose-1-
fosfaat. Door verschillende onderzoekers wordt echter gesuggereerd dat het vitamine
in dit enzym geen katalytische functie heeft, maar een rol vervult bij het handhaven
van de enzymstructuur (10,11). Volgens deze auteurs vervult vitamine B, in de vetstof-
wisseling slechts een indirecte rol.

125

</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>11.1.3.

11.1.4.

vitamine B,

Deficiéntieverschijnselen.

Vast staat dat zowel bij dieren als bij de mens vitamine B, wordt gevormd door
micro-organismen in het darmkanaal. Hoewel wordt aangenomen dat maar weinig
van dit in het darmkanaal gevormde vitamine B, wordt geabsorbeerd, blijkt het moeilijk
om klinische verschijnselen van een vitamine B, deficiëntie bij de mens op te wekken
met behulp van een vitamine B, deficiënte voeding (11).

Bij dieren.

Symptomen van vitamine B, deficiëntie die algemeen bij dieren optreden zijn
onder andere: verminderde algemene conditie, veranderingen in de hoofdhuid en
slijmvliezen, aantasting van het centraal zenuwstelsel, microcytaire hypochrome anemie
en een daling van het aantal lymfocyten in de circulatie.

Bij bepaalde diersoorten kunnen zich voorts storingen voordoen in het maagdarm-
kanaal (pluimvee), gezichtsvermogen (varkens, zalm) en bij de voortplanting (pluimvee)
(12).

Bij de mens.

Bij zuigelingen die werden gevoed met een zuigelingenvoeding die arm was
aan vitamine B,, zijn verschijnselen waargenomen als convulsies, overgeven en
gewichtsverlies. Deze verschijnselen konden door toediening van extra vitamine B,
worden voorkomen. Bij volwassenen zou een vitamine B, tekort depressie, verwardheid
en een afwijkend elektro-encefalogram (EEG) gevolgd door convulsies veroorzaken.
De belangrijkste veranderingen die worden waargenomen als gevolg van een vitamine
B, deficiënte voeding, zijn hypochrome anemie en het verdwijnen van het vermogen
om tryptofaan in nicotinezuur om te zetten (12).

Bepaling van de vitamine B, status.

Over de bruikbaarheid van verschillende methoden voor het vaststellen van
de vitamine B, status bestaat in de literatuur geen eenduidige mening. Waarschijnlijk
door het relatief eenvoudige karakter van de bepalingsmethode is de tryptofaan-
belastingstest de meest toegepaste methode voor het vaststellen van een vitamine
B, deficiëntie bij de mens. Bij deze test wordt na een tryptofaanbelasting de excretie
van tryptofaanmetabolieten, in het bijzonder xanthureenzuur, in de urine gemeten
(12). Ook wordt wel een methioninebelastingstest toegepast. Andere veel gebruikte
parameters voor de vitamine B, status bij de mens zijn het pyridoxal-5'-fosfaat (PLP)
niveau in bloed of plasma en de excretie van vitamine B, of 4’-pyridoxinezuur met
de urine (8). Een PLP-gehalte van het plasma <15 nmol/l en in bloed <30 nmol/i
wordt door de commissie als deficiënt beschouwd. Een veel toegepaste methode
is voorts de meting van de activiteit van het enzym glutamaat-oxaalacetaat-transaminase
in erytrocyten (EGOT) en de in vitro stimulering ervan door PLP (a-EGOT).

126

</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>11.2.

11.2.1.

11.2.2.

vitamine B,

VITAMINE B, BEHOEFTE
Inleiding.

De behoefte aan vitamine B, blijkt toe te nemen naarmate de voeding meer
eiwit bevat (13,14,15,16,17). Dit wordt veroorzaakt door de rol die vitamine B, vervult
in de aminozuurstofwisseling. De mate waarin de vitamine B, behoefte toeneemt,
wordt vooral bepaald door het gehalte aan zwavelbevattende aminozuren in de
voeding, met name methionine (15).

Volwassenen.

Mannen.

Bij mannen die gedurende een periode van 24 dagen rantsoenen gebruikten
die 165 g eiwit en 1,93 mg vitamine B, bevatten, werd een verhoogde xanthureenzuur-
uitscheiding in de urine vastgesteld na een belasting met 10 g tryptofaan (18). Deze
verhoogde uitscheiding trad niet op wanneer de rantsoenen 2,76 mg vitamine B,
bevatten.

In een depletie-onderzoek gebruikten jonge volwassen mannen een voeding
met 30 of 100 g eiwit/dag (13). Bij de 5 personen die de voeding met 30 g eiwit ge-
bruikten, bleek 1 mg pyridoxine per dag voldoende en 1,25-1,5 mg ruim voldoende
om de xanthureenzuuruitscheiding in de urine na tryptofaanbelasting te normaliseren.
Bij de 6 personen die de voeding met 100 g eiwit/dag gebruikten, waren deze hoeveel-
heden respectievelijk 1,5 en 1,75-2,0 mg pyridoxine/dag.

De groep van Canham nam in depletie-onderzoeken waar dat bij voedingen
met 40 en 80 g eiwit/dag en een pyridoxinegehalte van 2 mg de xanthureenzuuruitschei-
ding in de urine na tryptofaanbelasting op het normale niveau gehandhaafd bleef
(14). Deze onderzoekers rapporteerden dat bij een voeding met 80 g eiwit/dag de
vitamine B, behoefte minimaal 1,0 mg zou bedragen en bij een voeding met 100
g eiwit/dag minimaal 1,3-1,5 mg. Bij een voeding met 100 g eiwit/dag zou de optimale
vitamine B, voorziening volgens deze onderzoekers op het niveau van 1,5-2,0 mg/dag

liggen.

In een onderzoek bij 6 jonge volwassen mannen werd waargenomen, dat 1,06
mg pyridoxine per dag onvoldoende was om de uitscheiding van tryptofaanmetabolie-
ten in de urine na een belasting met dit aminozuur te normaliseren, wanneer een
voeding met 100 g eiwit/dag werd gebruikt (19,20). In een tweede onderzoek bleek
dat, onafhankelijk van het feit of de mannen een voeding met 54 dan wel 150 g
eiwit/dag gebruikten, 1,66 mg pyridoxine voldoende was om het normale niveau
van de tryptofaanmetabolieten in de urine te handhaven (16). Na een depletieperiode
waarin de testvoedingen slechts 0,16 mg pyridoxine/dag bevatten, was 0,76 mg
pyridoxine/dag bij een voeding met 54 g eiwit/dag voldoende om het excretieniveau
van deze metabolieten te normaliseren. Voor de voeding met het 150 g eiwit/dag
was 2,16 mg pyridoxine/dag nauwelijks voldoende (21). De resultaten van genoemde
onderzoeken zijn vermeld in tabel 11.1.

127

</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>vitamine B,

Tabel 11.1. Resultaten van onderzoek naar de vitamine B, behoefte van volwassenen.

eiwit- vitamine B, inneming mg vitamine B, mg/g eiwit
inneming ref.
g onvol- vol- ruim onvol- ruim
doende* | doende* | voldoende* | doende* | voldoende* | voldoende*
mannen
165 > 1,93 2,76 - 0,012 0,017 - (18)
150 - 2,16 - - 0,014 M (21)
150 0,76 1,66 - 0,005 0,011 - (16)
100 - 1,50 - - 0,015 - (17)
100 1,25 1,50 1,75-2,00 0,0125 0,015 | 0,0175-0,020 (13)
100 - 1,3-1,5 1,50-2,00 : 0,013-0,015 | 0,0150-0,020 (14)
100 1,06 - - 0,0106 - - (19)
80 - - 2,00 - - 0,025 (14)
80 - 1,00 _ - 0,0125 - (14)
54 - 0,76 1,66 - 0,014 0,031 (16)
40 - - 2,00 - - 0,050 (14)
30 0,75 1,00 1,25-1,50 0,025 0,033 | 0,040-0,050 (13)
vrouwen
109 - - 2,16 - - 0,020 (23)
78 0,99 - 2,19 0,013 - 0,028 (22)
57 0,94 1,54 - 0,016 0,027 - (24)

* Beoordeeld op grond van de in het betreffende onderzoek gehanteerde statusparameters.

Vrouwen.

In een onderzoek bij 9 vrouwen die een voeding met 78 g eiwit/dag gebruikten,
werd vastgesteld dat een inneming per dag van 0,99 mg pyridoxine onvoldoende
en van 2,19 mg ruim voldoende was om het normale niveau van de verschillende
parameters voor de vitamine B, status te handhaven (22). In dit onderzoek werd
een grote interindividuele variatie in het niveau van de onderzochte parameters waarge-
nomen.

In een ander onderzoek bleek 2,16 mg pyridoxine bij een eiwitinneming van
109 g/dag ruim voldoende om een normale vitamine B, status te bewerkstelligen

(23).

Donald et al. concluderen op basis van het vitamine B, gehalte in erytrocyten
en de excretie van vitamine B, en pyridoxinezuur met de urine dat de vitamine B,
behoefte van jonge vrouwen 1,5 mg pyridoxine/dag bedraagt (24). De 8 proefpersonen
in dit onderzoek gebruikten voedingen die 57 g eiwit/dag bevatten. De resultaten
van genoemde onderzoeken bij vrouwen zijn vermeld in tabel 11.1.

Verschillende auteurs komen op basis van de resultaten van hun onderzoeken
tot de conclusie dat bij vrouwen sneller afwijkingen optreden in de aminozuur-
stofwisseling als gevolg van een vitamine B, depletie dan bij mannen (23,25,26).
Voorts vertoonden de vrouwen in deze onderzoeken, waarin sprake was van verge-
lijkbare omstandigheden, hogere excretieniveaus van methionine- en tryptofaan-
metabolieten in de urine na een belasting met deze aminozuren dan mannen. Deze
waarnemingen suggereren volgens de onderzoekers dat vrouwen een groter risico

128

</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>11.2.3.

vitamine B,

lopen om een vitamine B, tekort te krijgen dan mannen. Mogelijk spelen hormonen
hierbij een rol.

Ouderen.
Enkele onderzoekresuttaten geven aan dat de gemiddelde waarden van de

biochemische parameters voor de vitamine B, status bij ouderen op een lager niveau
liggen dan bij jongeren (27,28,29,30). Het is niet bekend of het vitamine B, metabolisme
op oudere leeftijd afwijkt van dat op jongere leeftijd (31). De minder gunstige vitamine
B, status van ouderen zou ook een gevolg kunnen zijn van een te lage inneming
van dit vitamine.

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Een goede vitamine B, voorziening van de foetus, in de periode van enige
maanden voor de geboorte en van de pasgeborene tot enige maanden na de
geboorte, is van groot belang voor de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel.
Waargenomen is, dat het pyridoxalfosfaatgehalte van het navelstrengbloed hoger
is dan van het bloed van de moeder (32,33). Dit wijst op een concentratiemechanisme
in de placenta, waardoor de pasgeborene bij een goede vitamine B, voorziening
van de moeder wordt voorzien van een adequate pyridoxalfosfaatreserve bij de
geboorte.

In 1953 zijn voor het eerst vitamine B, deficiéntieverschijnselen bij de zuigeling
beschreven, na gebruik van bepaalde zuigelingenvoedingen (34). De bevindingen
met de vitamine B, deficiënte zuigelingenvoeding zijn door Bessy uitgewerkt (35).
Bij 5 zuigelingen die werden gevoed met voedingen die minder dan 0,1 mg vitamine
B,/dag bevatten, traden convulsies op. Deze convulsies konden worden voorkomen
met voedingen die 0,26 mg vitamine B,/ dag bevatten. Er bleek meer dan 1 mg vitamine
B,/dag nodig te zijn om de xanthureenzuuruitscheiding te normaliseren. Voorts werden
klinische deficiëntieverschijnselen gerapporteerd bij 2 zuigelingen die moedermelk
kregen met een vitamine B, gehalte van 0,06-0,08 mg/l (35). Bij deze kinderen was
eveneens 0,26 mg vitamine B, voldoende om convulsies te voorkomen en bleek
1 mg vitamine B, de xanthureenzuuruitscheiding te normaliseren. Bij gezonde" zuige-
lingen die met flesvoeding, in een aantal gevallen aangevuld met vast voedsel, werden
gevoed, bleek 0,3-0,4 mg vitamine B,/dag voldoende om abnormale uitscheiding
van xanthureenzuur na een tryptofaanbelasting te voorkomen.

Op grond van ervaringen met adequaat samengestelde volledige zuigelin-
genvoedingen wordt ervan uitgegaan dat 0,015 mg vitamine B,/g eiwit in de voeding
in de behoefte voorziet van de zuigeling die niet met moedermelk wordt gevoed
(36).

Het in voedingsmiddelentabellen vermelde gemiddelde vitamine B, gehalte van
moedermelk varieert van 0,10-0,18 mg/l met een vitamine B, gehalte per g eiwit van
0,008-0,018 mg/g (37,38,39). Als wordt uitgegaan van een moedermelkconsumptie
van ca. 800 mi per dag betekent dit dat zuigelingen van 0-% jaar via moedermelk
gemiddeld 0,08-0,14 mg vitamine B, per dag innemen.

129

</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>11.2.4.

vitamine B,

Lewis en Nunn hebben de vitamine B, inneming en status bij 22 kinderen in
de leeftijd van ca. 2% tot ca. 8% jaar bestudeerd (40). De gemiddelde vitamine B,
inneming, die werd bepaald met behulp van een driedaagse opschrijmethode, bedroeg
1,10 mg/dag. Dit kwam overeen met 0,02 mg/g eiwit per dag. Op basis van de
uitscheiding van 4-pyridoxinezuur met de urine als criterium voor de vitamine B,
status bleek bij drie kinderen met een vitamine B, inneming van respectievelijk 0,4,
0,5 en 0,85 mg/dag de vitamine B, voorziening laag of marginaal te zijn.

In een onderzoek bij 12 meisjes in de leeftijd van ca. 7/2 tot ca. 9% jaar werd
waargenomen dat, op basis van de uitscheiding van vitamine B, en 4-pyridoxinezuur
met de urine als criteria voor de vitamine B, status, bij het gebruik van voedingen
die 22 en 40 g eiwit/dag bevatten, was 1,30 respectievelijk 1,73 mg vitamine B, per
dag voldoende (41). In een ander onderzoek werd door jongens met een gemiddelde
leeftijd van 8% jaar gedurende 10 dagen een voeding met 29, 54 en 84 g eiwit/dag
gebruikt (42). Via analyse werd vastgesteld dat deze voedingen respectievelijk 1,29,
1,11 en 1,17 mg vitamine B,/dag bevatten. Op grond van de vitamine B, uitscheiding
per g creatinine, de uitscheiding van 4-pyridoxinezuur en een tryptofaanbelastingstest
concluderen de onderzoekers dat de vitamine B, voorziening via alle onderzochte
voedingen voldoende was.

Zwangerschap en lactatie.

Zwangerschap.

In talrijke onderzoeken zijn veranderingen in de biochemische parameters
waargenomen bij grote groepen gezonde zwangere vrouwen die een verhoogde
vitamine B, behoefte gedurende de zwangerschap suggereren (43,44,45,46,47,48).
Aangetoond is dat deze biochemische veranderingen voor een belangrijk gedeelte
kunnen worden voorkomen met behulp van een vitamine B, voorziening van 4-10
mg/dag (45,49). Op grond van deze bevinding wordt gesuggereerd dat de behoefte
van zwangeren 4-10 mg vitamine B,/dag zou bedragen (50). Het is echter de vraag
of de normaalwaarden van de parameters voor de vitamine B, status van een niet-
zwangere ook als zodanig voor zwangeren kunnen gelden. De veranderingen in
deze parameters kunnen ook worden beschouwd als fysiologische aanpassingen
aan de zwangerschap en niet als afwijkingen die door middel van opneming van
grote hoeveelheden vitamine B, genormaliseerd zouden moeten worden (51). Deze
opvatting wordt ondersteund door het feit dat bij onderzoeken in de kliniek geen
verschil in het verloop en het resultaat van de zwangerschap kon worden aangetoond
tussen groepen vrouwen die wel of geen extra vitamine B, kregen toegediend (52).

In verschillende onderzoeken, waaronder een Nederlands onderzoek, is een
positief verband waargenomen tussen de vitamine B, status van de moeder en het
geboortegewicht dan wel de Apgarscore van de pasgeborene (47,48, 51). In het
Nederlandse onderzoek verdween het positieve verband als het rookgedrag van
de moeder bij de analyse werd betrokken (51).

Lactatie.

De concentratie van vitamine B, in moedermelk bedraagt 0,01-0,02 mg/l gedurende
de eerste dagen van de lactatieperiode en neemt daarna geleidelijk toe tot 0,10-0,18
mg/l (36,37,39,53,54,55,56). Het vitamine B, gehalte van moedermelk wordt mede

130

</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>11.2.5.

11.2.6.

11.2.7.

vitamine B,

bepaald door de hoeveeiheid vitamine B, die door de vrouw wordt ingenomen (57).
Bij vrouwen met een vitamine B, inneming van minder dan 2,5 mg/dag (gemiddeld
1,8 mg/dag) werd een vitamine B,/eiwitverhouding in moedermelk waargenomen
van gemiddeld 0,013 mg/g. Bij een inneming van 2,5-5 mg vitamine B,/dag (gemiddeld
2,9 mg/dag) steeg die verhouding tot gemiddeld 0,023 mg/g. Een aantal vrouwen
uit deze groep gebruikte een vitamine B, supplement.

Aangenomen mag worden dat tijdens de lactatieperiode de vitamine B, behoefte
is verhoogd met een hoeveelheid die tenminste gelijk is aan de uitscheiding van
vitamine B, met de moedermelk vermeerderd met de hoeveelheid die nodig is in
verband met de hogere eiwitbehoefte van de lacterende vrouw.

Factoren in de voeding die de behoefte aan vitamine B, beïnvloeden.

Zoals al in §11.2.1. is aangegeven is de behoefte aan vitamine B, afhankelijk
van de hoeveelheid eiwit in de voeding. In tabel 11.1 wordt een overzicht gegeven
van de verhouding tussen de inneming van vitamine B, en eiwit bij een op grond
van statusparameters als onvoldoende, voldoende of ruim voldoende gekwalificeerde
voorziening met vitamine B,.

Biologische beschikbaarheid.

Er zijn weinig gegevens beschikbaar over de benutbaarheid van vitamine Be
uit de voeding (2). De interpretatie van de onderzoekresultaten wordt bovendien
bemoeilijkt door de onbetrouwbaarheid en de specificiteit van de methoden voor
de bepaling van vitamine B, in voedingsmiddelen. Zo werd met de HPLC-methode
in een aantal voedingsmiddelen gemiddeld een 25% hoger gehalte aan vitamine
B, vastgesteld dan met de klassieke microbiologische methode (pers mededeling
Schrijver J).

In vergelijking met de benutbaarheid van vitamine B, in zuivere vorm blijkt de
benutbaarheid van vitamine B, uit de voeding, afhankelijk van het type voeding, te
variëren van ca. 60-80%. Hierbij werd het pyridoxalfosfaatgehalte in het plasma als
criterium genomen. Wordt de vitamine B, uitscheiding met de urine als criterium
gebruikt dan blijkt de benutbaarheid van vitamine B, uit de voeding in vergelijking
met die van vitamine B, in zuivere vorm te variëren van ca. 72-92% (58).

Vooral in plantaardige produkten kunnen glycosiden van vitamine B, voorkomen
die door de mens waarschijnlijk niet kunnen worden benut. Als gevolg van het bereiden
van voedingsmiddelen zou het gehalte van vitamine B, glycosiden worden verhoogd
(pers mededeling Schrijver J).

Andere factoren die de behoefte aan vitamine B, beïnvloeden.
Hormonale anticonceptiva.

Bij vrouwen die hormonale anticonceptiva met oestrogenen gebruiken, zijn
veranderingen in het tryptofaanmetabolisme waargenomen die gecorrigeerd kunnen

131

</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>11.2.8.

11.3.

11.3.1.

vitamine B,

worden door toediening van hoge doses vitamine B, (25,26,59, 60,61,62). Deze
waarnemingen hebben tot de hypothese geleid dat door het gebruik van deze anticon-
ceptiva een vitamine B, tekort zou worden geïnduceerd. De resultaten van onderzoeken
waarbij gebruik gemaakt is van het PLP-gehalte van het plasma en/of de EGOT-activiteit
als parameter voor de vitamine B, status laten echter tegenstrijdige resultaten zien
(22,63,64, 65,66,67).

De vitamine B, behoefte van de meeste gebruiksters van hormonale anticonceptiva
zou niet afwijken van die van niet-gebruiksters (26,63,67). Slechts een kleine groep
vrouwen zou gevoelig zijn voor het ontstaan van een vitamine B, tekort (67). Deze
gevoeligheid is echter onafhankelijk van het feit of zij hormonale anticonceptiva
gebruikten. Gerapporteerd wordt dat op basis van biochemische criteria slechts
15-20% van de gebruiksters van hormonale anticonceptiva een vitamine B, tekort
zou hebben (68). De afwijkingen in de tryptofaanstofwisseling, die zijn waargenomen
bij vrouwen die anticonceptiva met oestrogenen gebruikten, zouden niet het gevolg
zijn van een vitamine B, deficiëntie, maar zouden worden veroorzaakt door een directe
remming van de tryptofaanstofwisseling door oestrogeenmetabolieten (69).

Voorts is de invloed van het gebruik van hormonale anticonceptiva voorafgaande
aan de zwangerschap op de vitamine B, status gedurende de zwangerschap en
de lactatieperiode onderzocht (48,70). Bij vrouwen die langer dan 30 maanden
hormonale anticonceptiva hadden gebruikt, werd een lager vitamine B, gehalte in
het bloed, de moedermelk en het navelstrengbloed waargenomen dan bij niet-ge-
bruiksters en bij vrouwen die hormonale anticonceptiva gedurende een kortere periode
hadden gebruikt.

De commissie is van mening dat het op grond van deze gegevens niet mogelijk
is de mogelijk extra behoefte aan vitamine B, tijdens het gebruik van hormonale
anticonceptiva te kwantificeren.

Toxiciteit.

Acute toxiciteit van pyridoxine, pyridoxal en pyridoxamine bij de mens is niet
waargenomen. Voor de muis en de rat ligt de LD,, tussen 2000-6000 mg/kg lichaams-
gewicht.

Een orale toediening tot 200 mg vitamine B,/dag voor therapeutische doeleinden
(gedurende een periode van enkele maanden) veroorzaakt bij de mens op een enkele
uitzondering na geen kinische bijverschijnselen (71). Wel is na een langdurige inneming
van >500 mg vitamine B,/dag het optreden van neuropathie van de zintuigzenuwen
in de extremiteiten gerapporteerd (72,73).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.

Het vaststellen van de minimum vitamine B, behoefte wordt bemoeilijkt door
het feit dat de behoefte afhankelijk is van de hoeveelheid eiwit in de voeding.

132

</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>11.3.2.

vitamine B,

Uit de in §11.2.2. vermelde onderzoekresuitaten kan worden afgeleid dat de
minimumbehoefte voor volwassenen 0,015 mg vitamine B,/g eiwit bedraagt (zie tabel
11.1). Uit deze resultaten blijkt verder dat de vitamine B, behoefte niet onbeperkt
daalt bij een afnemende eiwitconsumptie. De hoeveelheid vitamine B, die bij een
afnemende eiwitconsumptie tenminste in de voeding aanwezig moet zijn bedraagt
volgens de commissie voor mannen vanaf 22 jaar ca. 1 mg/dag. Voor vrouwen vanaf
22 jaar ligt deze hoeveelheid volgens de commissie waarschijnlijk op een hoger niveau
dan voor mannen, namelijk op 1-1,5 mg vitamine B,/dag.

Er zijn te weinig gegevens beschikbaar om de minimumbehoefte voor zuigelingen,
kinderen en adolescenten te kunnen vaststellen.

Adequaat niveau van inneming.

Volwassenen.
Er is geen informatie beschikbaar over de interindividuele variatie in de vitamine

B, behoefte. Hierdoor is het niet mogelijk om uit de minimumbehoefte een adequaat
niveau van inneming af te leiden. De commissie is echter van mening dat op basis
van de onderzoekresultaten die zijn vermeld in §11.2.2. een vitamine B, inneming
van 0,02 mg/g eiwit als voldoende kan worden aangemerkt (zie tabel 11.2).

Er zijn geen aanwijzingen dat een dergelijke inneming voor ouderen niet toereikend
zou zijn. Het adequate niveau van inneming voor vitamine B, wordt daarom voor
alle volwassenen op 0,02 mg/g eiwit gesteld.

Zuigelingen.

De informatie waarop het adequate niveau van inneming bij zuigelingen kan
worden gebaseerd is beperkt. De commissie sluit zich aan bij buitenlandse aanbeve-
lingen die op grond van ervaringen met volledige zuigelingenvoedingen ervan uitgaan,
dat aan de behoefte van zuigelingen wordt voldaan als het vitamine B, gehalte van
de voeding 0,015 mg/g eiwit bedraagt (74,75). Wanneer voor zuigelingen van 0-2
jaar wordt uitgegaan van het adequate niveau van inneming voor eiwit van 2,50 g/kg
lichaamsgewicht/dag dan betekent dit een adequaat niveau van inneming van vitamine
B, van ca. 0,25 mg/dag. Voor zuigelingen van %-1 jaar met een adequaat niveau
van inneming voor eiwit van 1,75 g/kg lichaamsgewicht/dag betekent dit eveneens
een adequaat niveau van inneming van ca. 0,25 mg vitamine B,/dag. Deze hoeveelheid
komt overeen met de hoeveelheid vitamine B, die nodig was om convulsies bij zuige-
lingen te voorkomen (zie §11.2.3.).

De vitamine B, voorziening bij zuigelingen die uitsluitend met moedermelk worden
gevoed, varieert van 0,08-0,14 mg/dag (zie'$11.2.3.). Het door de commissie
aangegeven adequate niveau van inneming voor zuigelingen zou dus niet of nauwelijks
te realiseren zijn via het gebruik van moedermelk. Deze zuigelingen vertonen echter
in het algemeen geen verschijnselen die op een vitamine B, tekort wijzen. Dit wordt
wellicht veroorzaakt door een aangepaste stofwisseling bij de zuigeling en/of een
betere biologische beschikbaarheid van vitamine B, in moedermelk. De commissie
gaat er derhalve vanuit dat moedermelk in de behoefte aan vitamine B, van de zuigeling
voorziet. Omdat het vitamine B, gehalte van moedermelk afhankelijk is van de vitamine

133

</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>vitamine B,

B, voorziening van de vrouw, is een adequate vitamine B, Tabel 11.2. Adequaat

AA A ; A niveau van Inneming
voorziening van de vrouw die haar kind borstvoeding geeft Sr vsemine B, per

van groot belang. dag.
categorie/ mg/g
Kinderen en adolescenten. leeftijd jr eiwit
Als wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de vitamine {zuigelingen
B, behoefte/g eiwit bij kinderen en adolescenten niet afwijkt 0-% 0,015"
van die bij volwassenen wordt het adequate niveau van inne- Vel 0,015
ming voor vitamine B, voor deze leeftijdsgroep eveneens jongens
vastgesteld op 0,02 mg/g eiwit. 1-4 0,02
4-7 0,02
Zwangerschap en lactatie. 7-10 0,02
Omdat de informatie over de vitamine B, behoefte 10-13 0,02
gedurende de zwangerschap controversieel is, is het moeilijk 13-16. | 0,02
een adeguaat niveau van inneming aan te geven. Door een 16-19. | 0,02

verhoogde eiwitbehoefte tijdens de zwangerschap en doordat | meisies
de foetus vitamine B, nodig heeft, is het aannemelijk dat gedu- 1:4 0,02

rende de zwangerschap de vitamine B, behoefte toeneemt. +7 0,02
Als met deze aspecten rekening wordt gehouden zou een 710 | 902
verhoging van het adequate niveau van inneming van vrouwen 10-13 0,02
tijdens de zwangerschap met 0,5 mg vitamine B,/dag 12-16 0,02
noodzakelijk zijn. 16-19 0,02
mannen
Tijdens de lactatieperiode wordt het eveneens wenselijk 2. 0 a
geacht het adequate niveau van inneming van de vrouw met 50-65 0.028
0,5 mg vitamine B, per dag te verhogen. Hierbij is rekening >65 002
gehouden met de gemiddelde uitscheiding van ca. 0,1 mg vrouwen
vitamine B, per dag via de moedermelk. Voorts is hierbij betrok- 19-22 | 002
ken de verhoogde vitamine B, behoefte door de verhoogde 22-50 0,029
eiwitbehoefte tijdens de lactatieperiode. 50-65 0,029
>65 0,029
Samenvattend kan worden gesteld dat voor alle leeftijdsca- | zwangeren| 0,02
tegorieën ouder zogenden | 0,02

dan 1 jaar het adequate gebied van inneming 0,02 mg per
g eiwit per dag bedraagt (zie tabel 11.2). Voor de leeftijdscate- = 1) Voor zuigelingen die

i -1 j j H A niet worden gevoed
gorie 0-1 jaar bedraagt het adeguate gebied van inneming met moedermelk

0,015 mg per g eiwit per dag. 2) Minimaal 1 mg per
dag.
3) Minimaal 1-1,5 mg

11.4. LITERATUUR per dag.

1. Anoniem. Nomenclature policy. Generic descriptors and trivial names for vitamins and related compounds.
J Nutr 1987; 117: 7-14.

2. Gregory JF, Kirk JR. Vitamin B, in Foods: assessment of stability and bioavailability. In: Human Vitamin B,
requirement. National Academy of Sciences, 1978; 72-7.

3. Roomans HHS, et al. Onderzoek naar het vitamine B-1 en vitamine B, gehalte in rund- en varkensvlees.
Maastricht: Keuringsdienst van Waren, 1979,

4. Olsman WJ, et al. Macro- en micronutriënten in rauw en toebereid vlees. CIVO-rapporten T 81.148. Zeist:
ClVO-Instituten TNO, 1981.

5. Olsman WJ, Van Leeuwen CM. Het verlies van B-vitamines bij vier wijzen van huishoudelijk toebereiden
van vlees. CIVO-rapporten T 81.314. Zeist: CIVO-Instituten TNO, 1981.

6. Roomans HHS, et al. Verslag van het onderzoek naar de bepaling van vitamine B-1 en vitamine B, in

aardappelen. Maastricht: Keuringsdienst van Waren, 1979.

134

no

</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>28.

31.

32.

vitamine B,

Wozenski JR, et al. The metabolism of small doses of vitamin B, in man. J Nutr 1980; 110: 275-85,

Ink SL, Henderson LM. Vitamin B, metabolism. Ann Rev Nutr 1984; 4: 455-70,

Tryfiates GP. Vitamin B, metabolism and role in growth. Westport: Food and Nutrition Press, 1980.
Bauernfeind JC, Miller ON. Vitamin B: Nutritional and pharmaceutical usage, stability, bioavailibility, antagonists
and safety. In: Human Vitamin B, requirement National Academy of Sciences, 1978; 78-110.

Brin M, Vitamin B,: chemistry, absorption, metabolism, catabolism and toxicity. In: Human vitamin B, requirement
National Academy of Sciences, 1978; 1-20.

Marks J. A guide to the vitamins. England: Medical and Technical Publ, 1975.

Baker EM, et al. Vitamin B, requirements for adult men. Am J Clin Nutr 1964; 15: 59-66,

Canham JE, et al. Dietary protein - Its relation to vitamin B, requirements and function. Ann NY Acad Sci
1969; 166: 16-29.

Linkswiler HM. Vitamin B, requirements of Men. In: Human vitamin B, requirement. National Academy of
Sciences, 1978; 279-90.

Miller LT, Linkswiler HM. Effect of protein intake on the development of abnormal tryptophan metabolism
by men during vitamin B, depletion. J Nutr 1967; 93: 53-9.

Sauberlich HE, et al. Human Vitamin B, nutriture. J Sci Ind Res 1970; 29: 528-37.

Harding RS, et al. The effect of storage on the vitamin B, content of a packaged army ration, with a note
on the human requirement for the vitamin. J Nutr 1959; 68: 323-31.

Yess N, et al. Vitamin B, depletion in man: Urinary excretion of tryptophan metabolites. J Nutr 1964; 84:
229-36.

Swan P, et al. Vitamin B, depletion in man: Urinary taurine and sulfate excretion and nitrogen balance. J
Nutr 1964; 84: 220-8.

Park YK, Linkswiler HM. Effect of vitamin B, depletion in adult man on the excretion of cystathionine and
other methionine metabolites. J Nutr 1970; 100: 110-6.

Brown RR, et al. Urinary 4-pyridoxic acid, plasma pyridoxal phosphate and erythrocyte aminotransferase
levels in oral contraceptive users receiving controlled intakes of vitamin B, Am J Clin Nutr 1975; 28: 10-9.
Shin HK, Linkswiler HM. Tryptophan and methionine metabolism of adult females as affected by vitamin
B, deficiency. J Nutr 1974; 104: 1348-55.

Donald EA, et al. Vitamin B, requirement of young adult women. Am J Clin Nutr 1971; 24: 1028-41.
Leklem JE, et al. Metabolism of tryptophan and niacin in oral contraceptive users receiving controlled intakes
of vitamin B. Am J Clin Nutr 1975; 28: 146-56.

Leklem JE. Metabolism of methionine in oral contraceptive users and control women receiving controlled
intakes of vitamin B, Am J Clin Nutr 1977; 30: 1122-8.

Chen LH, Fan Chiang WL. Biochemical evaluation of riboflavin and vitamin B, status of institutionalized and
non-institutionalized elderly in Central Kentucky. Int J Vit Nutr Res 1981; 51: 232-8.

Schrijver J, et al. Biochemical evaluation of the vitamin and iron status of an apparently healthy dutch free-living
elderly population. int J Vit Nutr Res 1985; 55: 337-49.

Vir SC, Love AHG. Vitamin B, status of institutionalised and non-institutionalised aged. Int J Vit Nutr Res
1977; 47: 364-72.

Lõwik MRH, et al. Onderzoek naar de voeding en voedingstoestand van ogenschijnlijk gezonde, zelfstandig
wonende mensen van 65 tot 80 jaar. Deel 3. Voedingstoestand. CIVO-rapporten V 86.002. Zeist CIVO-Instituten
TNO, 1986.

Jacobs A, et al. Erythrocyte transaminase activity. Effect of age, sex and vitamin B, suppletion. Am J Clin
Nutr 1968; 21: 502-7,

Brophy MH, Sûteri PK. Pyridoxal phosphate and hypertensive disorders of pregnancy. Amer J Obstet Gynecol
1976; 121: 1075-9.

Shane B, Contractor SF. Assessment of vitamin B, status. Studies on pregnant women and oral contraceptive
users. Am J Clin Nutr 1975; 28: 739-47.

Snyderman SE, et al. Pyridoxine deficiency in the human infant. Am J Clin Nutr 1953; 1: 200-7.

Bessy OA. Intake of vitamin B, and infantile convulsions. A first approximation of requirements of pyridoxine
in infants. Pediatrics 1957; 20: 33-44,

McCoy EE. Vitamin B, requirement of infants and children. In: Human vitamin B, requirement National Academy
of Sciences, 1978; 257-271.

Paul AA, Southgate DAT. McCance and Widdowson's. The Composition of Foods. Fourth Edition. London:
HMSO, 1978.

Commissie Nederlandse Voedingsmiddelentabel. Nederlandse voedingsmiddelentabel. 35e druk. 's-Gravenhage:
Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

Ciba-Geigy. Wissenschaftliche Tabellen Geigy. Teilband Körperflüssigkeiten, Basel: Ciba-Geigy, 1977.
Lewis JS, Nunn KP. Vitamin B, intakes and 24-hr.4-pyridoxic acid excretions of children. Am J Clin Nutr
1977; 30: 2023-7.

Ritchey SJ, Feeley RM. The excretion patterns of vitamin B, and B,, in preadolescent girls. J Nutr 1966; 89:
411-3.

Ritchey SJ, et al, Vitamin B, requirements in the preadolescent and adolescent In: Human vitamin B, requirement
National Academy of Sciences, 1978; 272-8.

Van den Berg H, et al. Evaluation of the vitamin status in pregnancy. Int J Vit Nutr Res 1978; 48: 12-20.

135

</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>vitamine B,

2

88

67.

Brin M. Abnormal tryptophan metabolism in pregnancy and with the contraceptive pill. Il. Relative levels of
vitamin B, vitamers in cord and in mother's blood. Am J Clin Nutr 1971; 24: 704-8.

Cleary RE, et al. Maternal and fetal plasma levels of pyridoxal phosphate at term: adequacy of vitamin B,
suppletion during pregnancy. Amer J Obstet Gynecol 1975; 121: 25-8.

Heller S, et al. Vitamin B, status in pregnancy. Am J Clin Nutr 1973; 26: 1339-48.

Reinken L, Dapunt O. Vitamine B, nutriture during pregnancy. Int J Vit Nutr Res 1978; 48: 341-7.
Roepke JLB, Kirksey A. Vitamin B, nutriture during pregnancy and lactation. |. Vitamin B, intake, levels of
the vitamin in biological fluids and condition of the infant at birth. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2249-56.
Lumeng L, et al. Adequacy of vitamin B, suppletion during pregnancy: a prospective study. Am J Clin Nutr
1976; 29: 1376-83.

Dempsey WB. Vitarnin B, and Pregnancy. In: Human vitamin B, requirement. National Academy of Sciences,
1978; 202-9.

Van den Berg H, Bruinse HW. On the role of nutrition in normal human pregnancy. Utrecht: Proefschrift,
1983.

Hillman RW, et al. Pyridoxine supplementation during pregnancy. Am J Clin Nutr 1963; 12: 427-30.
Kirksey A, West KD. Relation between vitamin B, intake and the content of the vitamin in human milk. In:
Human Vitamin B, requirement. National Academy of Sciences, 1978; 238-51.

Thomas MR, et al, The effect of vitamin C, vitamin B, and vitamin B,, supplementation on the breast milk
and maternal status of well-nourished women. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1679-85.

Thomas MR, et al. The effects of vitamin C, vitamin B, and vitamin B,,, folic acid, riboflavin and thiamin on
the breast milk and maternal status of well-nourished women at 6 months postpartum. Am J Clin Nutr 1980;
33: 2151-6.

Ford JE, et al. Comparison of the B vitamin composition of milk from mothers of preterm and term babies.
Arch Dis Child 1983; 58: 367-72.

West KD, Kirksey A. Influence of vitamin B, intake on the content of the vitamin in human milk. Am J Clin
Nutr 1976; 29: 961-9.

Tarr JB, et al. Availability of vitamin B, and pantothenate in an average American diet in man. Am J Clin
Nutr 1981; 34: 1328-37.

Aly HE, et al. Oral contraceptives and vitamin B, metabolism. Am J Clin Nutr 1971; 24: 297-303.

Horwitt MK, et al. Relationship between levels of blood lipids, vitamin C, A and E, serum copper compounds
and urinary excretion of tryptophan metabolites in women taking oral contraceptive therapy. Am J Clin Nutr
1975; 28: 403-12.

Luhby AL, et al. Vitamin B, metabolism in users of oral contraceptive agents. |. Abnormal urinary xanthurenic
acid excretion and its correction by pyridoxine. Am J Clin Nutr 1971; 24: 684-93.

Rose DP, et al. Erythrocyte aminotransferase activities in women using oral contraceptives and the effect
of vitamin B, supplementation. Am J Clin Nutr 1973; 26: 48-52.

Bossé TR, Donald EA. The vitamin B, requirement in oral contraceptive users. |. Assessment by pyridoxal
level and transferase activity in erythrocytes. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1015-23.

Donald EA, Bossé TR. The vitamin B, requirement in oral contraceptive users. Il. Assessment by tryptophan
metabolites, vitamin B, and pyridoxic acid levels in urine. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1024-32.

Lekiem JE, et al. Vitamin B, requirement of women using oral contraceptives. Am J Clin Nutr 1975; 28: 535-41.
Lumeng L, et al. Effect of oral contraceptives on the plasma concentration of pyridoxal phosphate. Am J
Clin Nutr 1974; 27: 326-33.

Vir SC, Love AHG, Effect of oral contraceptives on vitamin B, nutriture of young women. Int J Vit Nutr Res
1979; 50: 29-34.

Rose DP. Oral contraceptives and vitamin B, in: Human Vitamin B, requirement National Academy of Sciences,
1978; 193-201.

Bender DA. The try ptophan load test for vitamin B, status is inappropriate for women receiving oestrogens.
Proc Nutr Soc 1982; 41,3: 120A.

Roepke JLB, Kirksey A. Vitamin B, nutriture during pregnancy and lactation. Il. The effect of long-terms use
of oral contraceptives. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2257-64.

Bassler KH. Megavitamin therapy with pyridoxine. Int J Vit Nutr Res 1988; 58: 105-18,

Schaumburg H, et al. Sensory neuropathy from pyridoxine abuse. N Engl J Med 1983; 309: 445-8.
Berger A, Schaumburg HH. More on neuropathy from pyridoxine abuse. N Engl J Med 1984; 311: 986-7,
National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington DC: National Academy of Sciences,
1980.

Deutsche Gesellschaft für Ernährung. Empfehlungen für die Nahrstoffzufuhr. Frankfurt am Main: Umschau
Verlag, 1985.

136

</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>12. Foliumzuur

12.1. INLEIDING
12.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
12.1.2. Fysiologische betekenis
12.1.3. Deficiéntieverschijnselen
12.1.4. Bepaling van de foliumzuurstatus

12.2 FOLIUMZUURBEHOEFTE
12.2.1. Inleiding
12.2.2. Volwassenen
12.2.3. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
12.2.4. Zwangerschap en lactatie
12.2.5. Biologische beschikbaarheid
12.2.6. Factoren in de voeding die de behoefte aan foliumzuur bein-

vloeden
12.2.7. Andere factoren die de behoefte aan foliumzuur beïnvloeden

12.2.8. Toxiciteit

12.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
12.3.1. Inleiding
12.3.2. Minimumbehoefte
12.3.3, Adequaat niveau van inneming

12.4. LITERATUUR

137

139
139
140
140
141

142
142
142
143
143
144

145
145
146

146
146
146
147

147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>foliumzuur

138

</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>12.1.

12.1.1.

foliumzuur

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

De term foliumzuur wordt gebruikt om de groep verbindingen aan te duiden
met een biologische activiteit die kwalitatief overeenkomt met die van pteroylmo-
noglutaminezuur (PMG). Dit in afwijking van de Engelstalige literatuur, waarin de
term folate wordt gebruikt om deze groep verbindingen aan te duiden (1). PMG
wordt dan folic acid (foliumzuur) genoemd.

De biologisch actieve vormen zijn alle afgeleid van de gereduceerde vorm van
PMG, het tetrahydrofoliumzuur (THF). Behalve THF zelf zijn dit onder meer het N°-
formyl-THF (leucovorine, citrovorumfactor, folinic acid), het N'°-formyl-THF (hitte-labiele
citrovorumfactor), N°-methyl-THF, het N°'°-methinyl en N*'®-methyleen-THF en het
N°-formimino-THF. Behalve als monoglutamaat kunnen al deze verbindingen, zowel
in geoxydeerde als in gereduceerde vorm, ook als polyglutamaat voorkomen, waarbij
aan de p-aminobenzoëzuurgroep één of meer moleculen glutaminezuur (n=1-11),
via een peptidebinding aan de gammacarboxylgroep, zijn gekoppeld.

Theoretisch zijn ca. 150 verschillende foliumzuurverbindingen mogelijk. Foli-
umzuurverbindingen zijn in het algemeen slecht oplosbaar in water en het meest
stabiel in neutraal en alkalisch milieu. Met name de gereduceerde verbindingen zijn
erg gevoelig voor licht, zuurstof en verhitten, tenzij anti-oxydantia (bijvoorbeeld vitamine
C) aanwezig zijn. Tussen de verschillende verbindingen bestaan overigens aanzienlijke
verschillen in stabiliteit: THF is extreem labiel, N°-formyl-THF en PMG relatief stabiel,
de overige verbindingen vallen hier tussen in (2,3).

Tijdens de bereiding van voedsel kunnen aanzienlijke verliezen optreden, vooral
als gevolg van oxydatieve processen. Deze verliezen zijn onder meer afhankelijk
van temperatuur, tijdsduur van verhitten, licht, zuurgraad, hoeveelheid kookwater
en aanwezigheid van andere componenten (4,5). De verliezen kunnen oplopen tot
ca. 95% (6). Afhankelijk van de bereidingswijze kunnen ook veranderingen optreden
in de verhouding monoglutamaat/polyglutamaat in het voedingsmiddel.

Foliumzuur komt voor in de meeste voedingsmiddelen. Betrouwbare gegevens
over het gehalte aan foliumzuur zijn echter schaars. Ten aanzien van het voorkomen
van foliumzuur in voedingsmiddelen wordt meestal een onderscheid gemaakt in
het gehalte aan vrijen totaal foliumzuur. Met het vrije foliumzuur wordt de fractie
aangeduid die kan worden vastgesteld met de microbiologische bepaling met
Lactobacillus casei, zonder behandeling vooraf met een deconjugasepreparaat. Het
betreft dan de foliumzuurverbindingen met een korte glutamaatketen (n<3). Het
totaal gehalte aan foliumzuur kan worden bepaald na hydrolyse van de poly-
glutamaatvormen met behulp van een deconjugasepreparaat. Door de Expert Group
van de FAO/WHO werd voor het percentage vrij foliumzuur in de voeding een
gemiddelde waarde van 25% van het totaal aanwezige foliumzuur aangehouden
(7). Andere onderzoekers nemen aan dat dit percentage tenminste 50% is (8). Bewaren
en bewerken van voedingsmiddelen, maar ook teeltcondities, kunnen een aanzienlijke
invloed hebben op de verhouding waarin vrij en totaal foliumzuur in voedingsmiddelen
voorkomen (9,10).

139

</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>12.1.2.

12.1.3.

foliumzuur

Tot op dit moment vond de bepaling van het foliumzuurgehalte van voe-
dingsmiddelen meestal plaats met de L. casei-methode (11). Uit resultaten van recente
onderzoeken, waarin bij de foliumzuuranalyse gebruik is gemaakt van hogedruk-
vloeistofchromatografie (HPLC), blijkt dat het foliumzuurgehatte van voedingsmiddelen
in het verleden vaak aanzienlijk is onderschat (3,12).

Fysiologische betekenis.

Foliumzuur wordt voornamelijk in het proximale deel van de dunne darm
geabsorbeerd. Er zijn sterke aanwijzingen dat het transport via een actief proces
verloopt en dat hydrolyse van de polyglutamaatverbindingen hoofdzakelijk plaats
vindt in het celmembraan van de darmepitheelcellen. Daarnaast bezit zowel maag-
als pancreassap (de)conjugase activiteit (13).

De foliumzuurexcretie met de urine blijkt nauwelijks gerelateerd te zijn aan het
foliumzuurgehalte van de voeding. De excretie met de feces is hoog als gevolg van
de synthese van foliumzuur door de darmflora, dat echter niet biologisch beschikbaar
is. Het foliumzuurgehalte in de gal is aanzienlijk hoger dan bijvoorbeeld in serum,
hetgeen wijst op een sterke enterohepatische circulatie.

De biologisch actieve THF-verbindingen zijn als cošnzym betrokken bij de
overdracht van C1-fragmenten, bijvoorbeeld bij reacties waarin een methyl-, formyl-
of hydroxymethyl (C1)-groep wordt overgedragen. Hierbij treedt het THF op als
C1-acceptor, de gesubstitueerde THF-verbindingen als C1-donor. Op deze wijze
speelt foliumzuur een belangrijke rol in de eiwitstofwisseling en bij de DNA- en
RNA-synthese. Hierdoor is met name in situaties waarbij een snelle celdeling optreedt,
zoals tijdens de ontwikkeling van de foetus en gedurende de groei, maar ook in
weefsels met een snelle celdeling zoals in de bloedvormende organen en
epitheelweefsel, relatief veel foliumzuur nodig.

In het serum komen foliumzuurverbindingen uitsluitend voor in de monoglu-
tamaatvorm, voornamelijk het 5-methyl-THF, gebonden aan specifieke folium-
zuurbindende eiwitten. In de weefsels en in de erytrocyten komen hoofdzakelijk de
polyglutamaatvormen voor. De polyglutamaten zijn zeer waarschijnlijk ook actief als
coënzym (14,15).

Deficiëntieverschijnselen.

Door de essentiële rol van foliumzuur bij de DNA-synthese zijn deficiëntie-
verschijnselen het eerst zichtbaar in weefsels met een snelle celdeling.

Bij dieren.

Uit dierexperimenteel onderzoek zijn een groot aantal deficiëntieverschijnselen
naar voren gekomen, zoals groeistoornissen en een afwijkende pigmentatie bij
pluimvee, teratogene effecten, gestoord immuunsysteem bij onder andere ratten
en kalkoenen, haaruitval bij varkens (16).

140

</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>12.1.4.

foliumzuur

In onderzoek bij ratten zijn neurologische effecten waargenomen, onder andere
polyneuropatie en hypotonie (17,18). Tevens is gebleken dat foliumzuurdeficiéntie
een negatieve invloed heeft op het leervermogen van de rat (19).

Bij de mens.

Als gevolg van een niet-adequate foliumzuurvoorziening treden macrocytaire
veranderingen op in het perifere bloedbeeld en beenmerg, maar ook in de epi-
theelcellen van de cervix en in de darmmucosacellen. in zijn inmiddels klassieke
depletie-onderzoek, dat hij bij zichzelf uitvoerde door gedurende een periode van
4% maand een foliumzuurarme voeding te gebruiken, registreerde Herbert achter-
eenvolgens de volgende verschijnselen: na ca. 3 weken daalde het foliumzuurgehalte
van het serum tot onder de 3ng/ml (ondergrens van het referentiegebied), mega-
loblastaire veranderingen waren na ca. 5 weken zichtbaar in het beenmerg en na
ca. 7 weken in het perifere bloedbeeld, na ca. 17 weken was het foliumzuurgehalte
van de erytrocyten gedaald tot 20ng/ml en na 20 weken was er sprake van een
duidelijke megaloblastaire anemie (20).

Naast een gestoorde erytropoése treden ook storingen op in de darmfunctie
(vlokatrofie) met onder andere als gevolg een minder efficiënte absorptie van
voedingsstoffen. Voorts zijn bij (een hoog) gebruik van bepaalde geneesmiddelen
(foliumzuurantagonisten) neurologische effecten beschreven als gevolg van
foliumzuurdeficiëntie (17,18).

Minder specifieke verschijnselen die bij de mens zijn waargenomen zijn onder
meer glossitis, anorexie, gewichtsverlies en vermoeidheid (21).

Bepaling van de foliumzuurstatus.

De meest toegepaste biochemische parameter voor de evaluatie van de
foliumzuurstatus is bepaling van het foliumzuurgehate in het serum en de erytrocyten
(22). Het gehalte in erytrocyten of bloed wordt geacht de lichaamsvoorraad te
reflecteren, behalve wanneer er sprake is van vitamine B-12 deficiëntie.

Bepaling van de formiminoglutaminezuur (FIGLU) en/of amino-imidazolcarboxamide
(AIC) excretie met de urine na histidinebelasting werd in het verleden nogal eens
toegepast. Deze parameter blijkt echter, met name bij zwangeren, minder specifiek
te zijn (23).

Een specifieke en functionele parameter, waarmee tevens een onderscheid
kan worden gemaakt tussen een vitamine B-12 deficiëntie en een foliumzuurtekort,
is de deoxyuridinesuppressietest. Deze test is echter niet geschikt voor routinematige
toepassing. Hematologische bepalingen (MCV, MCHC, morfologische veranderingen
in het perifere bloedbeeld, enz.) zijn voor het vaststellen van een foliumzuurdeficiëntie
onvoldoende specifiek.

141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>12.2.

12.2.1.

12.2.2.

foliumzuur

FOLIUMZUURBEHOEFTE
Inleiding.

Er zijn weinig gegevens beschikbaar op grond waarvan de foliumzuurbehoefte
kan worden afgeleid. Schattingen van de minimumbehoefte met behulp van de
factoriële methode hebben geen bevredigende resultaten opgeleverd. De resultaten
van een aantal experimenten en een aantal balansproeven zijn in een overzichtsartikel
samengevat door Rodriquez (24).

Volwassenen.

De lichaamsvoorraad foliumzuur wordt voor een gezonde goed gevoede
volwassene geschat op 5-12 mg (7). Op basis van zijn klassieke depletie-onderzoek
berekende Herbert (zie $12.1.3.) de minimumbehoefte op ca. 50 mcg foliumzuur/dag
(20).

De minimum hoeveelheid foliumzuur die nodig is om de hematologische
afwijkingen als gevolg van een foliumzuurdeficiéntie te corrigeren, bedraagt eveneens
ca. 50 mcg/dag (24). Een lagere dosering van bijvoorbeeld 25 mcg wordt in de
literatuur ook wel genoemd, maar in het betreffende onderzoek was geen rekening
gehouden met een onbekende bijdrage via de geconsumeerde voeding (25). Voor
een correctie van biochemische parameters van de foliumzuurstatus, zoals het
foliumzuurgehatte in bloed, tot op het niveau van de referentiewaarden, zijn dagelijkse
doses van 100-200 mcg foliumzuur noodzakelijk (6,26). Aangezien bij dergelijke
onderzoeken een deel van de dosis dient om de gedepleerde voorraden aan te
vullen, is de werkelijke minimumbehoefte per dag waarschijnlijk lager dan de gebruikte
suppletiedosis.

Op basis van de gegevens van onder andere de groep van Hurdle concludeerde
de Expert Group van de FAO/WHO, dat een voeding met een vrijfoliumzuurgehalte
van 80-100 meg voldoende is om bij tenminste 80% van de bevolking het foliumgehalte
van het serum te handhaven (7,27).

Herbert gaf aan drie vrouwelijke proefpersonen resp. 25, 50 en 100 mcg PMG/dag.
De geconsumeerde voeding bevatte minder dan 5 mcg foliumzuur. Hoewel bij alle
vrouwen een daling van het foliumzuurgehalte in het serum werd vastgesteld, was
het foliumzuurgehalte van de erytrocyten bij de vrouwen die respectievelijk 50 en
100 meg PMG/dag kregen toegediend aan het einde van het 6 weken durende
onderzoek gelijk of hoger dan de beginwaarde. Bij de vrouw die slechts 25 mcg
PMG/dag kreeg, was het foliumzuurgehaite van de erytrocyten gedaald van 135
naar 110 ng/ml. Uit de resultaten van dit onderzoek zou kunnen worden geconcludeerd
dat tenminste 50-100 mcg PMG/dag nodig is om de bloedspiegels op peil te houden
(28).

Meer recent werd een balansonderzoek uitgevoerd bij 40 mannen die een voeding
gebruikten die per dag gemiddeld 20068 mcg totaaltoliumzuur bevatte (29). Tijdens
de proefperiode van 6-8 maanden werd bij vrijwel alle proefpersonen een daling
van zowel het foliumzuurgehalte van het serum als van de erythrocyten geconstateerd,

142

</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>12.2.3.

12.2.4.

foliumzuur

waarbij de sterkste dalingen werden vastgesteld bij diegenen die aan het begin van
het onderzoek de hoogste waarden hadden. Aangezien bij elke proefpersoon de
waarden in het normale gebied bleven, concludeerden de onderzoekers dat ca.
200 mcg totaalfoliumzuur per dag voldoende is om een adequate foliumzuurstatus
te handhaven.

Op grond van de resultaten van een kortdurend depletie/repletieonderzoek
bij 10 vrouwen werd door de onderzoekers geconcludeerd dat 200-250 mcg totaal
foliumzuur per dag in de voeding waarschijnlijk voldoende is voor het handhaven
van een adequate foliumzuurstatus (30).

Uit gegevens over de excretie van p-aminobenzoyiglutamaat, het kwantitatief
belangrijkste aforaakprodukt van foliumzuur, blijkt dat onder normale omstandigheden
gemiddeld 100 meg foliumzuur per dag wordt gekataboliseerd (31).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Aangenomen mag worden dat de hoeveelheid foliumzuur in moedermelk in
de foliumzuurbehoefte van de zuigeling voorziet. In het algemeen wordt er bij het
opstellen van aanbevelingen voor de zuigeling van uitgegaan dat het foliumzuurgehalte
van moedermelk ca. 50 mcg/l bedraagt (7,32). In moedermelk is het foliumzuur
hoofdzakelijk aanwezig als N°-methyl-THF gebonden aan een specifiek bindingseiwit.
De beschikbaarheid van foliumzuur uit moedermelk is hierdoor waarschijnlijk groter
dan die uit koemelk (33). Overigens zijn in meer recente onderzoeken ook wel hogere
gehalten in moedermelk vastgesteld en wel tot 280 mcg/l (34).

Resultaten van onderzoeken die in de zestiger jaren zijn uitgevoerd bij sterk
ondervoede kinderen (<2 jaar), wijzen op een positieve hematologische respons
na toediening van orale doses tussen de 20-50 mcg PMG/dag (35,36). De waarde
van deze onderzoeken is echter beperkt gezien de problemen die zijn verbonden
aan de bepaling van foliumzuur. Onderzoeken bij Egyptische kinderen (<2 jaar)
met een eiwit- en energie-ondervoeding wijzen erop dat zelfs bij deze kinderen een
dagelijkse foliumzuuropneming van 3,5-5,0 meg PMG/kg lichaamsgewicht voldoende
is voor een optimale groei en bloedcelvorming (37).

Zwangerschap en lactatie.

De hoeveelheid foliumzuur die nodig is voor de normalisatie van het morfologisch
bloedbeeld als gevolg van een foliumzuurtekort is bij zwangeren hoger dan bij
niet-zwangeren. In de literatuur worden therapeutische doses van 50-400 meg PMG/dag
vermeld (7,24,38).

Om de daling van het foliumzuurgehalte in het serum en het bloed die optreedt
gedurende de zwangerschap te voorkomen, zou suppletie met 100-300 meg PMG/dag
noodzakelijk zijn (24,39). Verschillen in (gerapporteerde) effectieve dosis worden
veroorzaakt door verschillen in de foliumzuurinneming met de voeding en precon-
ceptionele foliumzuursuppletie. In populaties met een hoge prevalentie van

143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>12.2.5.

foliumzuur

foliumzuurtekort blijkt foliumzuursuppletie soms een positief effect te hebben op
het geboortegewicht. Een dergelijk positief effect werd ook vastgesteld in Denemarken,
nadat zwangere vrouwen werden gesuppleerd met 5 mg PMG/dag (40). Foliumzuurpro-
fylaxe ter grootte van 4 mg PMG/dag reduceert bij vrouwen met een verhoogd risico
voor het krijgen van een kind met een defect aan de neurale buis, de kans op herhaling
aanzienlijk (41).

In de lactatieperiode zou bij een marginale foliumzuurvoorziening met de voeding
suppletie met 100-300 mcg PMG/dag noodzakelijk zijn om het foliumzuurgehalte
in de moedermelk en de foliumzuurstatus van de vrouw op peil te houden (42). In
de lactatieperiode is er sprake van een preferentiële accumulatie van foliumzuur
in de moedermelk. Bij twee lacterende vrouwen met een megaloblastaire anemie
was een suppletie van 100 mcg PMG/dag voldoende om het foliumzuurgehaite in
de melk te doen stijgen van 5 naar 60 mcg PMG/I. Suppletie met 200 mcg PMG/dag
was noodzakelijk voor een normalisatie van de hematologische afwijkingen bij deze
vrouwen (42).

Biologische beschikbaarheid.

Ten opzichte van de kristallijne vorm blijkt de beschikbaarheid van folium-
zuurverbindingen uit de voeding soms aanzienlijk lager. Enerzijds is dit een gevolg
van het feit dat het foliumzuur meestal (eiwit)gebonden voorkomt en voldoende
proteolytische activiteit aanwezig moet zijn om foliumzuur af te splitsen, anderzijds
blijkt de deconjugeringsstap van de potyglutamaatvormen in sommige omstandigheden
de beperkende factor voor de absorptiesnelheid te zijn (43). Tussen de verschillende
monoglutamaatvormen is geen verschil in absorptie aantoonbaar, noch naar
oxydatiegraad noch naar aard van de substitutie van de pteridinering. Chemisch
gesynthetiseerde polyglutamaten worden vrijwel in dezelfde mate geabsorbeerd
als PMG (44).

De beschikbaarheid van foliumzuur uit de diverse voedingsmiddelen kan aanzienlijk
variëren. Een lage beschikbaarheid wordt gerapporteerd voor bijvoorbeeld
sinaasappelsap, gist en sla (25-35%); hogere waarden (80-100%) zijn gevonden
voor bananen, limabonen, andijvie en spruitjes. Dergelijke verschillen zijn waarschijnlijk
een gevolg van de aanwezigheid van conjugaseremmers (bijvoorbeeld nucleïnezuren
in gist) of van een pH-effect (bijvoorbeeld sinaasappelsap) (13,43). Aangenomen
wordt dat vrij foliumzuur in het maagdarmkanaal goed wordt geabsorbeerd. In de
meeste voedingsmiddelen blijkt foliumzuur voornamelijk als polyglutamaat aanwezig
te zijn tot 80-90% van het totale gehalte (13,45). Deze gegevens wijzen op een
beschikbaarheid van foliumzuur uit de gemiddelde voeding van ca. 50%. Een
biologische beschikbaarheid van 25% die in de literatuur wel wordt vermeld moet
als een onderschatting worden beschouwd (46).

144

</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>12.2.6.

12.2.7.

foliumzuur

Factoren in de voeding die de behoefte aan foliumzuur beïnvloeden.

Alcoholisme en tekorten aan bepaalde voedingsstoffen in de voeding hebben

een negatieve invloed op de foliumzuurstatus (47). Een aantal van deze factoren
wordt hier kort nader toegelicht:

kd

Alcoholgebruik: Aicoholisme gaat over het algemeen gepaard met een folium-
zuurdeficiéntie. Hoewel dit mede een gevolg kan zijn van een inadequate voeding,
zijn er ook aanwijzingen dat ethanol interfereert met zowel de absorptie van
foliumzuur als met de intracellulaire foliumzuurstofwisseling (48,49).
Vitamine B-12. Bij een vitamine B-12tekort treden vrijwel dezelfde hematologische
verschijnselen op als bij een foliumzuurtekort. Tevens is bij een tekort aan vitamine
B-12 het foliumzuurgehaite in de erytrocyten verlaagd, en dat in het serum
verhoogd. De relatie tussen beide vitamines wordt wel verklaard vanuit het feit
dat in geval van een vitamine B-12 tekort het beschikbare foliumzuur niet verder
kan worden omgezet dan tot N°-methyl-THF (50). Daarnaast speelt vitamine
B-12 waarschijnlijk een rol bij de polyglutamaatsynthese.

IJzer. De foliumzuurbehoefte wordt beïnvloed door de snelheid van de afbraak
en nieuwvorming van erytrocyten. In enkele onderzoeken zijn lage folium-
zuurgehalten in het serum vastgesteld bij personen met een ijzertekort en is
een positief effect aangetoond van ijzertherapie op de foliumzuurstatus. De
resultaten van deze onderzoeken zijn echter niet éénduidig (51,52).
Vitamine C° Bij personen met scheurbuik treedt als gevolg van een inadequate
vitamine C en foliumzuurinneming met de voeding megaloblastaire anemie op.
Deze anemie zou echter tevens een gevolg zijn van een gestoorde foliumzuur-
stofwisseling (53).

Methionine: Evenals bij een vitamine B-12 deficiëntie wordt foliumzuur bij een
methioninetekort niet verder gemetaboliseerd dan tot N°-methyl-THF (54).
Zink. Bij zinkdepletie blijkt de absorptie van polyglutamaten te zijn verlaagd
(55).

Andere factoren die de behoefte aan foliumzuur beïnvloeden.

De behoefte aan foliumzuur kan ook door enkele factoren buiten de voeding

zijn verhoogd en wel door de volgende:

Geneesmiddelengebruik: Van een groot aantal geneesmiddelen is inmiddels
aangetoond dat zij de behoefte aan foliumzuur verhogen. Het betreft dinydrofo-
latereductase remmers (methotrexate, aminopterine), anticonvulsiva (hydantoïnen,
barbituraten) en antimalaria middelen zoals pyrimethamine.

Hormonale anticonceptiva. Bij vrouwen die langdurig hormonale anticonceptiva
gebruiken, worden soms lage foliumzuurgehalten in serum en bloed vastgesteld.
Dit zou echter het gevolg zijn van een verschuiving in de intracellulaire fo-
liumzuurvoorraad en niet wijzen op een toegenomen behoefte (56). De laagste
foliumzuurgehalten in serum en bloed worden bij zwangeren gevonden, die
voor de conceptie langdurig hormonale anticonceptiva hebben gebruikt (57).
Ook worden bij vrouwen die hormonale anticonceptie toepassen macrocytaire
veranderingen vastgesteld in cervixweefsel, die verdwijnen na een foliumzuur-
therapie (47).

145

</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>12.2.8.

12.3.

12.3.1.

12.3.2.

foliumzuur

Toxiciteit.

Aangenomen wordt dat foliumzuur weinig toxisch is. Therapeutische doses
die in de praktijk worden gehanteerd variëren tussen 1 en 15 mg/dag. Uit resultaten
van dierexperimenteel onderzoek blijkt echter dat bij extreem hoge doseringen (25
mg/kg lichaamsgewicht) nefrotoxische en neurotoxische effecten kunnen optreden
(58). Neurotoxische effecten zijn incidenteel ook gerapporteerd bij foliumzuursuppletie
van epileptische patiënten die behandeld worden met difenylhydantoine (59).

Behandeling met therapeutische doses foliumzuur is contrageïndiceerd bij
personen met pernicieuze anemie. Foliumzuurtherapie kan de hematologische
afwijkingen als gevolg van het vitamine B-12 tekort corrigeren, maar niet de neu-
rologische verschijnselen. Bij foliumzuurtherapie dient eerst een vitamine B-12 deficiëntie
te worden uitgesloten dan wel tevens vitamine B-12 worden toegediend, omdat niet
vaststaat of de betreffende anemie uitsluitend door een foliumzuurtekort wordt
veroorzaakt. Het omgekeerde is eveneens het geval.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Inleiding.

Door de onzekerheden die er bestaan ten aanzien van de bepaling van foliumzuur
in voedingsmiddelen en biologisch materiaal en de onduidelijkheden over de
beschikbaarheid uit de voeding, is een betrouwbare schatting van de foliumzuur-
behoefte eigenlijk niet mogelijk. De commissie heeft het geven van een zo betrouwbaar
mogelijk geschat adequaat gebied van inneming voor foliumzuur echter toch van
belang geacht.

Minimumbehoefte.

Er is geen aanleiding om bij de schatting van de minimumbehoefte af te wijken
van de conclusies van onder andere de Amerikaanse National Research Council
en de FAO/WHO. Deze stelden de minimumbehoefte voor volwassenen, op basis
van resultaten van zowel therapeutische als depletie/repletie-onderzoeken op 50
meg vrij foliumzuur/dag (20,28). Uitgaande van een biologische beschikbaarheid
van foliumzuur uit de gemiddelde voeding van 50% (zie §12.2.5.) kan de mini-
mumbehoefte aan foliumzuur van volwassenen op 100 mcg/dag worden geschat.

Voor zwangeren en lacterenden lijkt het op basis van de beschikbare informatie
redelijk de minimumbehoefte aan foliumzuur te stellen op 200 mcg/dag. Er wordt
niet naar gestreefd met deze hoeveelheid de waarden van de biochemische parameters
van de foliumzuurstatus tijdens zwangerschap of lactatie op het niveau van de
niet-zwangere respectievelijk niet-lacterende vrouw te brengen. Voor kinderen is
het door het ontbreken van voldoende informatie niet mogelijk een minimumbehoefte
aan te geven.

146

</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>12.3.3.

12.4.

Adequaat gebied van inneming.

De onzekerheid over met name de beschikbaarheid van
foliumzuur uit de voeding heeft ertoe geleid dat een aanzienlijke
veiligheidsmarge moet worden aangehouden.

Volwassenen.

Wanneer wordt uitgegaan van de minimumbehoefte en
een veiligheidsfactor van 2-3 om te corrigeren voor de
interindividuele spreiding in de foliumzuurbehoefte en de onze-
kerheid ten aanzien van de beschikbaarheid uit de voeding,
kan het adequate gebied van inneming voor volwassenen op
200-300 meg/dag worden gesteld. Deze hoeveelheid is in
overeenstemming met de hoeveelheid foliumzuur die in onder-
zoek nodig was om een adequate foliumzuurstatus te handhaven
(29,30).

Zwangeren en lacterenden.

Voor zwangeren enlacterenden kan op overeenkomstige
wijze het adequate gebied van inneming op 400-600 mcg/dag
worden afgeleid.

Zuigelingen.

Op basis van de hoeveelheid foliumzuur die zuigelingen
met 800 ml moedermelk innemen, wordt aangenomen dat de
foliumzuurbehoefte van de met moedermelk gevoede zuigeling
40 mcg/dag bedraagt. Voor de zuigeling die niet met moedermelk
wordt gevoed, maar bijvoorbeeld met volledige zuigelingenvoe-
ding, wordt het adequate gebied van inneming op 40-60 meg/dag
gesteld. Hierbij is rekening gehouden met de relatief lage beschik-
baarheid van foliumzuur in deze voeding in vergelijking met
moedermelk.

Kinderen en adolescenten.

Het adequate gebied van inneming voor deze leeftijdsca-
tegorie kan alleen worden geschat met behulp van de interpolatie
van de gegevens voor zuigelingen en volwassenen. Afhankelijk
van leeftijd, groei en lichaamsgewicht neemt het adequaat gebied
van inneming toe van 40-60 mcg/dag tot 200-300 mcg/dag.

foliumzuur

Tabel 12.1. Adequaat
gebied van Inneming
voor foliumzuur per

dag.
categorie/
leeftijd jr meg
zuigelingen
O-Va 40-60")
Val 45-65
jongens
1-4 60-90
4-7 75-100
7-10 100-150
10-13 150-200
13-16 175-250
16-19 200-275
meisjes
1-4 60-90
47 75-100
7-10 100-150
10-13 150-200
13-16 175-250
16-19 200-275
mannen
19-22 200-300
22-50 200-300
50-65 200-300
>65 200-300
vrouwen
19-22 200-300
22-50 200-300
50-65 200-300
>65 200-300
zwangeren | 400-600
zogenden | 400-600

1) Dit komt overeen
met 8-11 mcg per
kg lichaamsge-
wicht per dag.

In tabel 12.1 is een overzicht gegeven van het adequate gebied van inneming

voor de verschillende leeftijdscategorieën.

LITERATUUR

1. Anoniem. Nomenclature Policy: Generic descriptors and trivial names for vitamins and related compounds.

J Nutr 1987; 117: 7-14.

2. O'Broin JD, et al. Nutritional stability of various naturally occurring monoglutamate derivatives of folic acid.

Am J Clin Nutr 1975; 28: 438-44,

147

</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>foliumzuur

Gregory JF, et al. Comparison of high-performance liquid chromatographic, radiometric, and Lactobacillus
casei methods for the determination of folacin in selected foods. J Food Sci 1982; 47: 1568-71.

Malin JD. Total folate activity in Brussels sprouts: the effect of storage, cooking and ascorbic acid content.
J Food Technol 1977; 12: 623-52.

Day BPF, Gregory JF. Thermal stability of folic acid and 5-methyltetrahydrofolic acid in liquid food systems.
J Food Sci 1983; 48: 581-99.

Herbert V. Current concepts in therapy-megalobiastic anemia. New Engl J Med 1963; 268: 201-3, 368-71.
FAO/WHO. Requirement of ascorbic acid, vitamin D, vitamin B-12, folate and iron. WHO Techn Rep Series
452: 25-30. Geneva: WHO, 1970.

Babu S, Srikantia SG. Availability of folates from some foods. Am J Clin Nutr 1976; 29: 376-9.

Reed B, et al. The fate of folate polyglutamates in meat during storage and processing. Am J Clin Nutr 1976;
29: 1393-6.

MullinWJ, etal. Some factors affecting folacin content of spinach, Swiss chard, broccoli and Brussels sprouts.
Nutr Rep Int 1982; 26: 7-16.

Phillips PR, Wright AJA. Studies on the response of L. casei to different folate monoglutamates. Br J Nutr
1982; 47: 183-9.

Reingold RN, Picciano MF. Two improved high-performance liquid chromatographic separations of biologically
significant forms of folate. J Chrom 1982; 234: 171-9.

Halsted CH. The intestinal absorption of folates. Am J Clin Nutr 1979; 32: 846-55.

Krumdieck CL, et al. Studies on the biological role of folic acid polyglutamates. In: Folic acid, biochemistry
and physiology in relation to the human nutrition requirement Washington DC: National Academy of Sciences,
1977; 25-42.

Foo SK, Shane B. Regulation of folyipolygiutamate synthesis in mammalian cells: in vivo and in vitro synthesis
of pteroylpolyglutamates by Chinese hamster ovary cells. J Biol Chem 1982; 257: 13587-92.
Hoffmann-La Roche. Vitamin Compendium. Basel: Hoffmann-La Roche, 1970.

Reynolds EH. Folate and epilepsy. In: Bradford HF, Marsden CD, eds. Biochem Neurol Proc Conf. London:
Academic Press, 1976; 247-52.

Olney JW, et al. Kainate-like neurotoxicity of folates. Nature 1981; 292: 165-7.

Bachevelier J, et al. Learning deficits in folate deficient rats reversible with folic acid or thiamine replacement
therapy. Nutr Rep Int 1981; 23: 617-27.

Herbert V, et al. Experimental nutritional folate deficiency in man. Trans Ass Am Phys 1962; 75: 307-20.
Chanarin |. The megaloblastic anaemias. Oxford: Blackwell Scientific Publications, 1969.

Sauberlich HE, et al. Laboratory tests for the assessment of nutritional status. Ohio: CRC Press, 1976.
Chisholm M, Sharp AA. Forminoglutamic acid excretion in anemia of preg-nancy. Br Med J 1964; 2: 1366-9.
Rodriquez MS. A conspectus of research on folacin requirements of man. J Nutr 1978; 102: 909-68.
Sheehy TW, et al. The effect of minute and titrated amounts of folic acid on the megaloblastic anemia of
tropical sprue. Blood 1961; 18: 623-36.

Hansen H, Rybo G. Folic acid dosage in prophylactic treatment during pregnancy. Acta Obstet Gynecol
Scand 1967; 46 Suppl 7: 107-12.

Hurdle ADF, et al. A method for measuring folate in food and its application to a hospital diet. Am J Clin
Nutr 1968; 21: 1202-7.

Herbert V. Mineral daily adult folate requirement. Arch Int Med 1962; 110: 649-52,

Milne DB, etal. Folate status of adult males living in a metabolic unit: possible relationships with iron nutriture,
Am J Clin Nutr 1983; 37: 768-73,

Sauberlich HE, et al. Folate requirements and metabolism in nonpregnant women. Am J Clin Nutr 1983;
37: 768-73.

MeNuity H, et al. Folate catabolism in normal subjects. Hum Nutr: Appl Nutr 1987; 41A: 338-41.

National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington DC: National Academy of Sciences,
1980.

Ford JE. Some observations on the possible nutritional significance of vitamin B- 12 and folate binding proteins
in milk. Br J Nutr 1974; 31: 243-57.

Tamura T, et al. Human milk folate and folate status in lactating mothers and their infants. Am J Clin Nutr
1980; 33: 193-7.

Sullivan LW, et al. Studies of the requirement for folic acid in infants and the ethiology of folate deficiency
in goat's milk megaloblastic anemia. Am J Clin Nutr 1966; 18: 311.

Velez H, et al. Megaloblastic anemia in kwashiorkor. Am J Clin Nutr 1963; 12: 54-61.

Waslien Cl. Folacinrequirement of infants. In: Folic acid, biochemistry and physiology in relation to the human
nutrition requirement. Washington DC: National Academy of Sciences, 1977; 236-46.

Baker SJ, DeMaeyer EM. Nutritional anemia: its understanding and control with special reference to the
work of the World Health Organization. Am J Clin Nutr 1979; 32: 368-417.

Cooper BA, et al. The case for folic acid supplements during pregnancy. Am J Clin Nutr 1970; 23: 848-54.
Rolschau J, et al. Folic acid supplement and intra-uterine growth. Acta Obstet Gynecol Scand 1979; 58:
343-6.

Voedingsraad. Advies inzake foliumzuurvoorziening in relatie tot neuraalbuisdefecten. ‘s-Gravenhage:
Voedingsraad, 1992.

148

</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>57.

59.

foliumzuur

Metz J. Folate deficiency conditioned by lactation. Am J Clin Nutr 1970; 23: 843-7.

Stokstad ELR, et al. Distribution of folate forms in food and folate availability. In: Folic acid, biochemistry
and physiology in relation to the human nutrition requirement. Washington DC: National Academy of Sciences,
1977; 56-68.

Tamura T, Stokstad ELR. The availability of food folate in man. Br J Haematol 1973; 25: 513-31.
Hoppner K, et al. Data on folacin activity in foods: availability, applications and limitations. In: Folic acid,
biochemistry and physiology in relation to the human nutrition requirement Washington DC: National Academy
of Sciences, 1977; 69-81.

Bates CJ, et al. The discrepancy between normal folate intakes and the folate RDA. Hum Nutr: Appl Nutr
1982; 36A: 422-9.

Lindenbaum J. Folic acid requirement in situations of increased need. In: Folic acid, biochemistry and physiology
in relation to the human nutrition requirement. Washington DC: National Academy of Sciences, 1977; 256-76.
Russell RM, et al. Increased urinary excretion and prolonged turnover time of folic acid during ethanol ingestion.
Am J Clin Nutr 1983; 38: 64-70. |

Halsted CH. Folate deficiency in alcoholism. Am J Clin Nutr 1980; 33: 2736-40.

Scott JM, Weir DG. The methyl folate trap. The Lancet 1981; ii: 337-40.

Roberts PD, et al. Apparent folate deficiency in iron-deficient anemia. Br J Haematol 1971; 20: 165-76.
Hershko C, et al. Serum and erythrocyte folates in combined iron and folate deficiency. Am J Clin Nutr 1975;
28: 1217-22.

Stokes PL, et al. Folate metabolism in scurvy. Am J Clin Nutr 1975; 28: 126-9.

Krebs HA, et al. The regulation of folate and methionine metabolism. Biochem J 1976; 158: 341-53.
Tamura T, et al. Absorption of mono- and polyglutamyl folates in zinc-depleted man. Am J Clin Nutr 1978;
31: 1984-7.

Bamji MS, et al. Oral contraceptive use and vitamin nutrition status in malnourished women. J Ster Biochem
1979; 11: 368-417.

Martinez O, Roe DA. Effect of oral contraceptives on blood folate levels in pregnancy. Am J Obstet Gynecol
1977; 128: 255-61.

Hathcock JN. Nutritional toxicology. New York: Academic Press, 1982,

Reynolds EH. Neurological aspects of folate and vitamin B-12 metabolism. Clin Haematol 1976; 5: 661.

149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>13. Vitamine B,,

13.1.

13.2.

13.3.

13.4.

INLEIDING

13.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
13.1.2. Fysiologische betekenis

13.1.3. Deficiéntieverschijnselen

13.1.4. Bepaling van de vitamine B,, status

VITAMINE B,, BEHOEFTE

13.2.1. Volwassenen

13.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
13.2.3. Zwangerschap en lactatie

13.2.4. Biologische beschikbaarheid

13.2.5. Andere factoren die de behoefte beïnvloeden
13.2.6. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
13.3.1. Minimumbehoefte
13.3.2. Adequaat gebied van inneming

LITERATUUR

151

153
153
154
155
156

156
156
157
158
158
159
159

159
159
159

160

</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>vitamine B,,

152

</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>13.1.

13.1.1.

vitamine B,

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Vitamine B,, is de algemene naam voor verbindingen met een biologische activiteit,
die kwalitatief vergelijkbaar is met die van cyanocobalamine (1). Het vitamine bestaat
in hoofdzaak uit twee onderdelen. Een centraal deel dat is opgebouwd uit vier
gereduceerde pyrroolringen met als centraal atoom het spoorelement cobalt. Deze
macrocyclische ring wordt "corrin" genoemd. Alle verbindingen die een dergelijke
ring bevatten, noemt men corrinoïden. Loodrecht op deze ring bevindt zich aan het
cobaltion aan de ene kant van het vlak van de ring een restgroep en aan de andere
kant een nucleotidegroep.

De naam cobalamine wordt meestal gebruikt om het molecule zonder restgroep
aan te duiden. Afhankelijk van de aangehechte restgroep ontstaan de volgende
verbindingen (2):

restgroep naam
- CN cyanocobalamine (vitamine B,,)
- OH hydroxocobalamine (vitamine B,,a)
- H,0 aguacobalamine (vitamine B,,b)
- NO, nitritocobalamine (vitamine B, ‚c)
5'deoxyadenosy! 5'-deoxyadenosyl-

cobalamine (coénzym B,,)
- CH, methylcobalamine (methyl B,,)

Kristallijn cyanocobalamine is gemakkelijk oplosbaar in water, stabiel in neutraal milieu,
maar niet in alkalisch milieu en bij aanwezigheid van zonlicht.

Gegevens over de invloed van bereiding van voedingsmiddelen op het vitamine
B, gehalte zijn slechts beperkt beschikbaar. Onder invloed van koken is een duidelijke
daling van het vitamine B, gehalte waargenomen, met name in vis die varieert van
ca. 30-90% (3). Als gevolg van de bereiding van vlees is een geringere daling van
ca. 25% gerapporteerd (4,5,6).

Het vitamine B,, dat van nature in voedingsmiddelen voorkomt, is van microbiéle
oorsprong. In dierlijke produkten is vitamine B,, aanwezig als gevolg van de inneming
van micro-organismen die vitamine B,, bevatten of door de vorming van dit vitamine
door micro-organismen in het maagdarmkanaal. In plantaardige produkten komt
vitamine B,, voor door contaminatie met micro-organismen, bijvoorbeeld afkomstig
van de wortelknolietjes van bepaalde peulvruchtgewassen of van natuurlijke meststoffen.
In feces worden aanzienlijke hoeveelheden vitamine B,, aangetroffen doordat de
micro-organismen in het colon veel van dit vitamine produceren.

Aanvankelijk werd ervan uitgegaan dat vitamine B,, in voedingsmiddelen voorkwam

in de vorm van cyanocobalamine. Later bleek dat vitamine B,, in voedingsmiddelen
hoofdzakelijk voorkomt als adenosylcobalamine en hydroxocobalamine (7).

153

</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>vitamine B,,

13.1.2. Fysiologische betekenis.

Vitamine B,, wordt op twee manieren geabsorbeerd en wel actief met behulp
van de intrinsic factor en passief door diffusie. Absorptie door middel van diffusie
kan plaatsvinden over de gehele lengte van het maagdarmkanaal en is kwantitatief
alleen van belang bij inneming van grote hoeveelheden vitamine B,,, bijvoorbeeld
via de consumptie van lever (8,9). Het grootste deel van de absorptie (99%) vindt
plaats met behulp van de intrinsic factor.

Vitamine B,, komt in het voedsel aan eiwit gebonden voor. In de maag wordt
het vitamine onder invloed van maagzuur en proteolytische enzymen afgesplitst en
vervolgens gebonden aan een door de maagwand afgescheiden glykoproteïne,
de zogenaamde intrinsic factor. Alle vormen van cobalamine binden zich met eenzelfde
affiniteit aan de intrinsic factor. Het cobalamine-intrinsic factor complex wordt vervolgens
in het maagdarmkanaal verder getransporteerd naar het ileum, waar de uiteindelijke
absorptie plaatsvindt (2,10,11). Naast de intrinsic factor bevat maag- en darmsap
nog andere vitamine B,, bindende eiwitten, de zogenaamde R-binders (11). Deze
R-binders zijn minder specifiek dan de intrinsic factor en de bindingsactiviteit voor
de diverse cobalaminen varieert. Het met de gal uitgescheiden vitamine B,, wordt
voor een belangrijk deel opnieuw geabsorbeerd. In het ileum bindt het cobalamine-in-
trinsic factor complex zich aan specifieke receptoren. Deze binding is afhankelijk
van de aanwezigheid van calciumionen en een neutrale zuurgraad (10). De opneming
van cobalaminen in de darm epitheelcel is energie-afhankelijk en is een langzaam
en complex proces. Waarschijnlijk wordt de intrinsic factor niet geabsorbeerd, maar
voor de absorptie door een onbekende faktor van het cobalamine afgescheiden
(10).

In het bloed is vitamine B,, gebonden aan de transcobalaminen |, il en Ill (TC-I,
TC-Il en TC-II) aanwezig. Het transcobalamine Il dient vooral als transporteiwit naar
de weefsels. De turnover van dit cobalaminecomplex is veel hoger dan die van de
andere twee complexen. Cobalaminen zijn echter slechts in een gering percentage
als TC-Il-complex in het bloed aanwezig; de belangrijkste fractie is het TC-I-complex
dat 90% van de cobalaminen in het bloed bevat (12,13). In de cel komen cobalaminen
weer vrij, waarna deze aan apo-enzym worden gebonden en als coénzym werkzaam
kunnen zijn (2).

De hoeveelheid vitamine B,, in het lichaam wordt op ca. 2,5 mg geschat (14,15,16).
Deze schatting is gebaseerd op onder andere het gehalte van verschillende organen
die door autopsie zijn verkregen. Van deze hoeveelheid is ca. 1,5 mg in de lever
aanwezig. Hoge concentraties worden voorts aangetroffen in de nier en de hypofyse.
Het is niet duidelijk of er een orgaan is met een opslagfunctie voor vitamine B,, (17).

Evenals in voedingsmiddelen zijn in het lichaam cobalaminen overwegend
aanwezig in de vorm van adenosylcobalamine en hydroxocobalamine en voorts
in beperkte mate als methylcobalamine. In het plasma komt het vitamine echter
hoofdzakelijk in de vorm van methylcobalamine (70%) voor, terwijl deze vorm in de
milt voor 35-40% aanwezig is (18).

Methylcobalamine is betrokken bij de omzetting van homocysteine in methionine.
Vitamine B,, is hier direct van invloed op de foliumzuurstofwisseling, omdat bij deze

154

Se

</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>13.1.3.

vitamine B,,

reactie tevens N° methyitetrahydrofoliumzuur wordt omgezet in tetrahydrofoliumzuur.
Verstoring van deze reactie leidt tot verstoring van de DNA-synthese. Hiernaast kataly-
seert deoxyadenosyicobalamine de omzetting van methylmalonyl-CoA in succinyl-CoA
(2,19,20). Voorts is deoxyadenosylcobalamine betrokken bij de omzetting van L-B-
leucine in L-a-leucine (21).

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Een vitamine B,, deficiëntie blijkt bij proefdieren moeilijk te kunnen worden
geïnduceerd. Oorzaken die hiervoor worden aangegeven zijn onder andere: coprofagie,
het eten van insekten, de moeilijkheid om een voeder samen te stellen die deficiënt
is aan vitamine B, en voor het overige adequaat is, en de korte duur van het
onderzoek.

Bij rhesus-apen die een vitamine B,, deficiënt voeder kregen toegediend, werden
door een aantal onderzoekers aanwijzingen gevonden van neuropathologische afwijkin-
gen (22,23,24,25). Andere onderzoekers daarentegen namen bij apen die een vitamine
B,, deficiënt voeder kregen geen deficiëntieverschijnselen waar (26,27,28). Bij
vleermuizen zijn, als gevolg van een vitamine B,, deficiëntie, neurologische veranderin-
gen vastgesteld die overeenkomsten vertoonden met vitamine B,, deficiëntieverschijnse-
len bij de mens (29). Voorts trad bij deze dieren een daling van het gehalte aan leuco-
cyten in het bloed op. Milde verschijnselen van een vitamine B,, deficiëntie in de
vorm van geringe hematologische veranderingen zijn vastgesteld bij biggen, ratten,
kuikens, cavia's en schapen (30).

Bij de mens.

Bij een gebruikelijke westerse voeding ontstaat slechts zelden een vitamine
B, deficiëntie. Voorts blijken de verschijnselen van een vitamine B,, tekort als gevolg
van een vitamine B,, deficiënte voeding pas na jaren op te treden (31,32). Als mogelijke
verklaringen hiervoor worden gegeven: benutting van door de darmbacteriën geprodu-
ceerde vitamine B,,; (bijna) perfecte enterohepatische recirculatie: onbekende of
niet bij het vaststellen van de inneming betrokken bronnen, waarbij moet worden
gedacht aan micro-organismen, water, wortels en knollen (die vitamine B,, via contami-
natie bevatten) (32,33,34).

Vitamine B,, deficiëntie heeft waarschijnlijk invloed op alle lichaamscellen, maar
komt vooral tot uiting in de snel delende weefsels.

Als gevolg van een vitamine B,, tekort treedt een verstoring van de DNA-synthese
op die leidt tot een macrocytaire normochrome anemie (pernicieuze anemie) en
neutrofiele hypersegmentatie. Daarnaast veroorzaakt een vitamine B,, deficiëntie
een diffuse, niet gelijkmatige, demyelinisatie van de zenuwvezels. Dit leidt tot progressie-
ve neuropathie die begint bij de perifere zenuwen en verder gaat tot de posterior
en laterale delen van het ruggemerg (gecombineerde strengdegeneratie) en de
hersenen. Bij deze demyelinisatie zou de gestoorde vetzuursynthese, die bij personen
met pernicieuze anemie is waargenomen, een rol kunnen spelen (35). Uit onderzoek
bij apen zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat de neurologische afwijkingen
veroorzaakt zouden worden door een gestoorde methioninesynthese (36).

155

</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>vitamine B,

Oorzaken van een vitamine B,, deficiëntie zijn, naast een onvoldoende inneming,
met name gestoorde absorptie en gestoorde benutting. De meest voorkomende
oorzaak van een vitamine B,, deficiëntie is chronische atrofische gastritis of
(gedeeltelijke) gastrectomie. Storingen in de absorptie van vitamine B,, komen voorts
vooral voor bij ziekten van de dunne darm als spruw, coeliakie en terminale ileitis
(37). Hierbij staat vaak een geheel of gedeeltelijk gestoorde secretie van de intrinsic
factor centraal (38).

Bij veganisten worden in het algemeen lage tot zeer lage vitamine B,, gehalten
van het bloed waargenomen. Duidelijke klinische symptomen van vitamine B,, defi-
ciëntie, die kunnen worden toegeschreven aan een onvoldoende inneming beperken
zich tot enkele gevallen (39,40,41).

13.1.4. Bepaling van de vitamine B,, status.

De bepaling van de vitamine B,, status is complex. Door Immerman is voor
het vaststellen van een vitamine B,, deficiëntie zelfs een set van 5 à 6 criteria/testen
voorgesteld (39).

De meest aangewezen methode is de bepaling van het cobalaminegehalte
in de lever. Deze methode is echter in de praktijk moeilijk uitvoerbaar. De bepaling
van vitamine B,, in plasma, serum en erytrocyten is niet duidelijk discriminerend (12).
Toch wordt een vitamine B,, gehalte van het serum lager dan 175 pmol/l in het
algemeen gezien als een aanwijzing voor het bestaan van een vitamine B,, tekort
(2). In dit verband moet tevens de uitscheiding van methylmalonaat met de urine
worden genoemd. De uitscheiding hiervan is bij vitamine B,, deficiëntie verhoogd.
Dit verschijnsel treedt echter ook op bij enkele aangeboren stofwisselingsziekten.

Voorts wordt de deoxyuridinesuppressietest als een belangrijk hulpmiddel voor
de bepaling van de vitamine B,, status beschouwd (42). Tenslotte wordt er in de
literatuur op gewezen dat uit de afzonderlijke bepaling van adenosylcobalamine en
van methylcobalamine in het bloed een juister beeld van een vitamine B,, deficiëntie
kan worden verkregen (12).

13.2. VITAMINE B,, BEHOEFTE
13.2.1. Volwassenen.

De gegevens die inzicht verschaffen in de behoefte aan vitamine B,, zijn afkomstig
van twee typen onderzoek. Het eerste type onderzoek is onderzoek waarin de
hoeveelheid vitamine B,, is bepaald die nodig is om megaloblastaire anemie te
voorkomen of te genezen. In het tweede type onderzoek worden op grond van
turnoveronderzoek met het radio-actief gemerkt vitamine bij personen met en zonder
een vitamine B;, deficiëntie de verliezen berekend.

Bij personen met pernicieuze anemie leiden injecties met slechts 0,1 mcg vitamine

B,,/dag al tot een geleidelijke verbetering van het hematologische beeld (43). Injecties
met 0,5-1 mcg/dag bleken voldoende om alle verschijnselen van een vitamine B,,

156

KAA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>13.2.2.

vitamine B,2

deficiëntie te laten verdwijnen (4,9,32,44). Waarnemingen bij patiënten met megalo-
blastaire anemie suggereren dat 3 mcg vitamine B,,/dag leidt tot een optimale hemato-
logische respons (45).

Indien vitamine B,, niet wordt geabsorbeerd als gevolg van gastrectomie, duurt
het 4-8 jaar voor megaloblastaire anemie optreedt (4,9). Als wordt uitgegaan van
een hoeveelheid vitamine B,, in het lichaam die varieert van 1-5 mg kan hieruit worden
afgeleid dat dagelijks 0,85-1,7 mcg vitamine B,, uit het lichaam verloren gaat. Resultaten
van turnoveronderzoeken met radio-actief gemerkt vitamine B,, wijzen op een dagelijks
verlies van 0,1-0,2% van de lichaamsvoorraad vitamine B,, (4,9,46). Ook worden
er lagere percentages gerapporteerd (15). De grootte van dit percentage wordt niet
beïnvloed door de hoeveelheid vitamine die in het lichaam aanwezig is (4,46). Dit
betekent dat de absolute hoeveelheid vitamine B,, die dagelijks verloren gaat, afneemt
bij een dalende lichaamsvoorraad.

Door de WHO is op basis van waarnemingen bij personen met een vitamine
B, deficiënte respectievelijk sub-optimale vitamine B,, status een schatting gemaakt
van de minimumbehoefte aan vitamine B,, (9). Hierbij werd uitgegaan van het eerder
genoemde verlies van 0,1-0,2% van de lichaamsvoorraad per dag. Bij personen met
vitamine B,, malabsorptie, waarvan het perifere bloed en het beenmerg hematologische
verschijnselen van een vitamine B,, deficiëntie vertoonden, was het vitamine B,, gehaite
van het serum 60-95 pmol/l en het gehalte van de lever 0,16 mcg/g. Op basis van
deze waarnemingen werd de lichaamsvoorraad vitamine B,, bij deze personen op
250 meg geschat en het dagelijks verlies op 0,25-0,5 mcg.

Bij de groep personen met een sub-optimale vitamine B,, status was het
hematologische beeld normaal. Het vitamine B,, gehalte van het serum was 60-150
pmol/l. Het gehaite aan vitamine B,, in de lever was 0,28 mcg/g. De lichaamsvoorraad
vitamine B,, werd geschat op 525 mcg en het dagelijks verlies op 0,5-1,0 mcg. Het
dagelijks verlies bij personen die nog juist geen hematologische verschijnselen van
een vitamine B,, deficiëntie vertonen, wordt door de WHO geacht tussen de voor
de eerder genoemde groepen berekende verliezen te liggen (9).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Vitamine B,, deficiëntie wordt bij zuigelingen niet waargenomen, tenzij de moeder
deficiënt is. Bij deficiënte zuigelingen gaf 0,1 mcg vitamine B,, (oraal) een positieve
hematologische respons te zien (9).

Volgens de groep van Sandberg zou moedermelk gemiddeld 0,97 meg vitamine
B,/1 bevatten (47). De WHO gaat bij de aanbeveling voor zuigelingen uit van een
vitamine B, gehalte van moedermelk van 0,45 mcg/l (9). In een onderzoek bij 8
Nederlandse vrouwen werd een vitamine B,, gehalte van de moedermelk gevonden
van 0,41 +0,18 mcg/i (48). In de Wissenschaftliche Tabellen van Ciba-Geigy worden
vitamine B,, gehalten van moedermelk vermeld van 0,21-0,46 meg/l (gemiddeld 0,34
mcg/l) (49). De groep van Thomas stelde in de moedermelk van goed gevoede
Amerikaanse moeders, 6 maanden na de bevalling, een gehalte van ca. 0,6 mcg
vitamine B,,/! vast (50).

157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>13.2.3.

13.2.4.

vitamine B,

Gegevens over de vitamine B, behoefte bij kinderen ontbreken. De lichaamsvoor-
raad vitamine B,, bedraagt bij de geboorte 30 mcg en neemt toe tot ca. 2,5 mg op
volwassen leeftijd (9). Er zijn echter geen gegevens bekend die er op wijzen dat
een lichaamsvoorraad >500 mcg bij een volwassene (70 kg) noodzakelijk zou zijn
om deficiëntieverschijnselen te voorkomen. Hieruit kan worden afgeleid dat tijdens
de groei (tot de leeftijd van 22 jaar) gemiddeld ca. 0,06 mcg/dag moet worden
vastgelegd. Dit komt overeen met ca. 7 mcg/kg lichaamsgewicht. Over de dagelijkse
verliezen bij kinderen zijn geen gegevens beschikbaar. Deze verliezen kunnen echter
worden afgeleid van de verliezen zoals die bij volwassenen zijn waargenomen. De
WHO relateert de vitamine B,, behoefte bij de verschillende leeftijdscategorieën aan
de energiebehoefte van deze categorieën. Dit op basis van de waarneming dat bij
voldoende voorziening met eiwit en energie geen vitamine B,, tekort voorkomt.

Zwangerschap en lactatie.

Vitamine B,, wordt via een actief proces via de placenta naar de foetus
getransporteerd (51,52). In totaal wordt ca. 30 mcg vitamine B,, in de foetus vastgelegd
(9). Indien ervan wordt uitgegaan dat deze hoeveelheid voornamelijk in het tweede
en derde trimester van de zwangerschap wordt vastgelegd, komt dit neer op gemiddeld
0,16 mcg/dag. Voorts is tijdens de zwangerschap de vitamine B,, behoefte verhoogd
door een versnelde stofwisseling (9). De mate waarin deze behoefte is verhoogd
is nog onvoldoende bekend.

Zoals is aangegeven in §13.2.2. worden voor het gemiddelde vitamine B,, gehalte
van moedermelk waarden gerapporteerd van 0,34-0,97 meg/l. Die relatief hoge waarde
van 0,97 meg/l wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de relatief hoge inneming van
vitamine B, door de moeders die bij dit onderzoek waren betrokken. Bij een produktie
van 800 mi moedermelk/dag zou uitgaande van deze gegevens 0,2-0,5 meg vitamine
B,./dag moeten worden gecompenseerd.

Biologische beschikbaarheid.

De gegevens over de beschikbaarheid van vitamine B,, uit verschillende
voedingsmiddelen zijn beperkt. De absorptie van vitamine B,, uit schape- en kippevlees
bedraagt gemiddeld 60-65% en komt overeen met die van kristallijn vitamine B,,
(4,53). Van synthetisch vitamine B,, is een absorptiepercentage gerapporteerd van
71 210% (54). In onderzoek waarbij fysiologische hoeveelheden vitamine B,, werden
ingenomen varieerde het absorptiepercentage van 45-80 met een gemiddelde van
70 (46). Chanarin rapporteert van een orale dosis van 0,5 mcg vitamine B,, een absorp-
tiepercentage van 70% en van een orale dosis van 1-2 mcg een absorptiepercentage
van 50% (55). In een overzichtsartikel wordt gewezen op de duidelijke regressie
van het absorptiepercentage die is waargenomen bij de inneming van hoge doses
vitamine B,,, waardoor de benutting van dergelijke hoeveelheden relatief gering is
(10). Het absorptiepercentage vanuit de voeding wordt geschat op 50% (56).

Gedurende de laatste weken van de zwangerschap is een absorptiepercentage

waargenomen, dat varieerde van 17-51%, terwijl bij niet-zwangeren dit percentage
60-100% bedroeg (51).

158

</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>13.2.5.

13.2.6.

13.3.

13.3.1.

13.3.2.

vitamine B,,

Andere factoren die de behoefte beïnvloeden.

Bij vrouwen die hormonale anticonceptiva gebruiken, worden relatief lage vitamine
B, gehalten van het serum waargenomen. Er zijn echter aanwijzingen dat dit wordt
veroorzaakt door een verandering in het bindingseiwit en dat deze relatief lage waarden
niet duiden op een vitamine B,, deficiëntie (57).

Toxiciteit.

De toxiciteit van vitamine B,, is waarschijnlijk gering (58). Het lichaam beschikt
over een mechanisme om de absorptie vanuit het maagdarmkanaal te beperken.
Evenals bij inneming van hoge doses neemt bij een toenemende lichaamsvoorraad
vitamine B,, het percentage dat wordt geabsorbeerd af (10,59).

Een eenmalige orale dosis tot 100 mg zou geen negatieve effecten veroorzaken.
Voorts zijn geen bijverschijnselen waargenomen bij wekelijkse doses van 1 mg
gedurende 5 jaar (58). Ook wordt gesuggereerd dat aan een dagelijkse dosis van
30 mg vitamine B,, geen risico's zijn verbonden (38). Tenslotte wordt in de literatuur
vermeld dat een inneming van meer dan 100 maal de Amerikaanse aanbevolen hoe-
veelheid gedurende een lange periode kan plaats hebben, zonder dat toxicologische
verschijnselen optreden (58,60).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Minimumbehoefte.

Voor volwassenen wordt op grond van de gegevens uit $13,2.1. geschat dat
de aanvaardbare minimum lichaamsvoorraad ca. 500 mcg bedraagt. Het dagelijkse
verlies bij deze hoeveelheid is 0,5-1 mcg. Deze hoeveelheid komt overeen met de
hoeveelheid die via injecties toegediend voldoende bleek om deficiéntieverschijnselen
van vitamine B,, te laten verdwijnen. Het absorptiepercentage van vitamine B,, uit
het voedsel wordt op basis van de beschikbare gegevens door de commissie geschat
op 50%. Dit betekent dat de minimumbehoefte voor volwassenen 1-2 mcg vitamine
B,./dag zou bedragen. Gegevens voor het vaststellen van de minimumbehoefte voor
de andere leeftijdsgroepen ontbreken.

Adequaat gebied van inneming.

Er zijn geen aanwijzingen dat aan een lichaamsvoorraad vitamine B,, groter
dan 500 meg andere voordelen zijn verbonden dan de aanwezigheid van een reserve
voor de situatie waarin de voorziening met dit vitamine wordt gestaakt. Voor
volwassenen wordt het adequate gebied van inneming daarom gesteld op 1,25-2,50
mcg vitamine B,,/dag. Hierbij is rekening gehouden met een veiligheidsfactor van
25% in verband met de variatie in de individuele behoefte. Opgemerkt moet worden
dat voor het handhaven van een lichaamsvoorraad groter dan 500 mcg meer vitamine
B,, moet worden ingenomen. Dit is een gevolg van het feit dat bij een toenemende
lichaamsvoorraad de verliezen groter worden en dat de benutting bij hogere doses

159

</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>vitamine B,

afneemt. De noodzaak van een grotere lichaamsvoorraad is volgens de commissie
niet aangetoond.

Voor kinderen is de hoeveelheid vitamine B,, die moet worden opgenomen
ter compensatie van de verliezen en voor de opbouw van een lichaamsvoorraad
per dag berekend volgens de factoriële methode (zie tabel 13.1). Bij de berekening
van de behoefte voor groei is ervan uitgegaan dat het lichaam bij de geboorte ca.
30 mcg vitamine B,, bevat en op volwassen leeftijd tenminste 500 mcg. Hieruit kan
worden afgeleid dat bij een gewichtstoename van 1 kg gemiddeld ca. 7 mcg vitamine
B,2 moet worden opgenomen. Voorts zijn uitgaande van de vitamine B,, verliezen
die bij volwassenen zijn waargenomen bij een minimale voorraad van 500 mcg op
basis van het lichaamsgewicht de verliezen voor andere leeftijdsgroepen afgeleid.

Wanneer rekening wordt gehouden met een veiligheidsfactor voor variatie in
de individuele behoefte van ca. 25% is op basis van de getallen in tabel 13.1 het
adequate gebied van inneming af te leiden.

Uitgaande van het vitamine B,, gehalte van moedermelk en het feit dat een
vitamine B,, deficiëntie bij zuigelingen die met moedermelk worden gevoed normaal
niet voorkomt, wordt het adequate gebied van inneming voor kinderen in de leeftijd
van 0-% jaar op 0,2-0,5 mcg vitamine B,,/dag geschat.

Tijdens het tweede en derde trimester van de zwangerschap moet in verband
met de behoefte van de foetus gemiddeld 0,16 mcg/dag extra worden geabsorbeerd.
Als rekening wordt gehouden met een absorptiepercentage van 50% tijdens de zwan-
gerschap en de spreiding in de individuele behoefte, kan het adequate gebied van
inneming tijdens het tweede en derde trimester van de zwangerschap worden geschat
op 1,65-2,90 mcg/dag.

Tijdens de lactatieperiode moeten naast de normale verliezen, de hoeveelheden
die via de moedermelk worden uitgescheiden, worden gecompenseerd. Dit betreft
0,4 mcg vitamine B,, extra per dag. Het adequate gebied van inneming tijdens de
lactatieperiode wordt op 2,25-3,50 mcg vitamine B,,/dag geschat.

In tabel 13.1 is voor de verschillende leeftijdscategorieën een overzicht gegeven
van het adequate gebied van inneming.

13.4. LITERATUUR

1. Anoniem. Nomenclature Policy: Generic descriptors and trivial names for vitamins and related compounds.
J Nutr 1987; 117: 7-14.
2. Herbert V. Vitamin B, ‚ ín: Nutrition Reviews. Present knowledge in nutrition. Washington DC: Nutrition Foundation,

1984.

3. Banerjee DK, Chatterjea JB. Vitamin B,, content of some articles of Indian diets and effect of cooking on
it Br J Nutr 1963; 17: 385-9.

4, Heyssei RM, et al. Vitamin B,, turnover in man. The assimilation of vitamin B,, from natural foodstuff by man

and estimates of minimal dietary requirements. Am J Clin Nutr 1966; 18: 176-84.

5. Olsman WJ. Macro- en micronutriënten in rauw en toebereid vlees. Zeist: CIVO-Instituten TNO, Rapport
nr. T81.148, 1981.

6. Olsman WJ. Het verlies van B-vitamines bij vier wijzen van huishoudelijk toebereiden van vlees. Zeist: CIVO-
Instituten TNO, Rapport nr. T81.314, 1981.

160

ee OA

</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>ON

10.

11.
12.

13.

vitamine B,

Tabel 13.1. De gemiddelde hoeveelheden vitamine B,, die vanuit de voeding moeten worden
geabsorbeerd ter compensatie van verliezen en groel en het adequate gebied van inneming

per dag.
categorie/ totaal te in te nemen met | adequaat gebied
leeftijd jr verliezen groei absorberen de voeding* van inneming
zuigelingen
OV ? ? ? 0,20-0,50 0,20-0,50%
Val 0,06-0, 12 0,12 0,18-0,24 0,36-0,48 0,45-0,60
jongens
1-4 0,10-0,20 0,03 0,13-0,23 0,26-0,46 0,33-0,58
4-7 0,15-0,30 0,04 0,19-0,34 0,38-0,68 0,48-0,85
7-10 0,20-0,40 0,05 0,25-0,45 0,50-0,90 0,63-1,13
10-13 0,27-0,54 0,06 0,33-0,60 0,66-1,20 0,83-1,50
13-16 0,39-0,78 0,10 0,49-0,88 0,98-1,76 1,23-2,20
16-19 0,48-0,96 0,09 0,57-1,05 1,14-2,10 1,43-2,63
meisjes
1-4 0,10-0,20 0,03 0,13-0,23 0,26-0,46 0,33-0,58
4-7 0,15-0,30 0,04 0,19-0,34 0,38-0,68 0,48-0,85
7-10 0,20-0,40 0,05 0,25-0,45 0,50-0,90 0,63-1,13
10-13 0,28-0,56 0,07 0,35-0,63 0,70-1,26 0,88-1,58
13-16 0,39-0,78 0,03 0,42-0,81 0,84-1,62 1,05-2,03
16-19 0,42-0,84 0,03 0,45-0,87 0,90-1,74 1,13-2,18
mannen
19-22 0,50-1,00 0,03 0,53-1,03 1,06-2,06 1,33-2,58
22-50 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
50-65 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
>65 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
vrouwen
19-22 0,43-0,86 0,01 0,44-0,87 0,88-1,74 1,10-2,18
22-50 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
50-65 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
>65 0,50-1,00 - 0,50-1,00 1,00-2,00 1,25-2,50
zwangeren
2e trimester 0,50-1,00 0,16 0,66-1,16 1,32-2,32 1,65-2,90
Se trimester 0,50-1,00 0,16") 0,66-1,16 1,32-2,32 1,65-2,90
zogenden 0,50-1,00 0,40? 0,90-1,40 1,80-2,80 2,25-3,50

1) Vastlegging in de foetus.

2) Uitscheiding met de moedermelk.

3) Bij een absorptiepercentage van 50.

4) Deze aanbeveling geldt niet voor zuigelingen die worden gevoed met moedermelk.
Deze hoeveelheid komt overeen met 0,05-0,09 mcg per kg lichaamsgewicht per dag.

Farquharson J, Adams JF. The forms of vitamin B,, in foods. Br J Nutr 1976; 36: 127-36,
Doscherholmen A, et al. A dual mechanism of vitamin B,, plasma absorption. J Clin Nutr 1957; 36: 1551-7,
WHO/FAO. Requirements of ascorbic acid, vitamin D, vitamin B, folate and iron. WHO Techn Rep Series
452. Geneva: WHO, 1970.
Ellenbogen E. Absorption and transport of cobalamin: intrinsic factor and the transcobalamins. In: Babior
BM, ed. Cobalamin. Biochemistry and pathophysiology. New York: John Wiley, 1975.

Hall CA. The transport of vitamin B,, from food to use within the cells. J Lab Clin Med 1979; 94: 811-6.
England JM, Linnell JC. Hematological aspects of cobalamin deficiency. In: Zagalak B, Friedrich W, eds.
Vitamin B,, Proceedings Third European Symposium on vitamin B,, and intrinsic factor. Berlin: Walter de

Gruyter, 1979.

Hall CA. The plasma transport of cobalamin. In: Zagalak B, Friedrich W,-eds. Vitamin B, Proceedings Third
European Symposium on vitamin B,, and intrinsic factor. Berlin: Walter de Gruyter, 1979; 725-42.

161

</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>vitamine B,

14,

51.

Hall CA, Hegeman JG. Long-term excretion of Co”-vitamin B,, and turnover within the plasma. Am J Clin
Nutr 1964; 14: 156-62.

Reizenstein P, et al. Vitamin B,, kinetics in man. Implications on total-body-B,,-determinations, human
requirements and normal and pathological cellular B,, uptake, Phys Med Biol 1966; 11: 295-306.

Linnell JC, et al. Tissue distribution of coenzyme and other patients of vitamin B,, in control subjects and
patients with pernicious anemia. Clin Sci Mol Med 1974; 46: 163-72.

Hall CA. The luxus vitamins - A and B,,: reply to McLaren. Am J Clin Nutr 1982; 35: 772-4.

Matthews DM, Linnell JC. Vitamin B,,: an area of darkness. Br Med J 1979; 533-5.

Anoniem. Effect of vitamin B,, deprivation on CoA intermediates related to propionate metabolism. Nutr Rev
1975; 33: 85-7.

Anoniem. Methionine and the "methyl folate trap". Nutr Rev 1978; 36: 255-7.

Poston JM. Cobalamin-dependent formation of leucine and betaleucine by rat and human tissue. J Biol
Chem 1980; 255: 10067-72.

Oxnard CE. Some variations in the amount of vitamin B,, in the serum of the rhesus monkey. Nature 1964;
201: 1188-91.

Oxnard CE. Some occult lesions in captive primates. Am J Phys Anthrop 1967; 26: 93-6.

Oxnard CE, Smith WT. Neurological degeneration and reduced serum vitamin B, a levels in captive monkeys.
Nature 1966; 210: 507-9.

Torres J, et al. Peripheral neuropathy associated with vitamin B,, deficiency in captive monkeys. J Path 1971;
105: 125-46.

Kark JK, et al. Nutritional vitamin B,, deficiency in rhesus monkeys. Am J Clin Nutr 1974, 27: 470-8.
Siddons RC. The experimental production of vitamin B,, deficiency in the baboon (Papio cynocephalus).
A 2-year study. Br J Nutr 1974; 32: 219-28.

Crampton RF, et al. Effects of low cobalamin diet and chronic cyanide toxicity in baboons, Toxicology 1979;
12: 221-34,

Green R, et al. Neurological changes in fruit bats deficient in vitamin B, Nature 1975; 254: 148-50.
Stokstad ELR. Experimental anemias in animals resulting from folic acid and vitamin B,, deficiencies. Vit
Horm 1968; 26: 443-63.

Ellis FR, Mumford P. The nutritional status of vegans and vegetarians. Proc Nutr Soc 1967; 26: 205-12.
Herbert V. Nutritional requirements for vitamin B,, and folic acid. Am J Clin Nutr 1968; 21: 743-52.
Anoniem. Contribution of the microflora of the small intestine to the vitamin B,, nutriture of man. Nutr Rev
1980; 38: 274-5.

Baker SJ. Contribution of the microflora of the small intestine to the vitamin B,, nutriture of man. Nutr Rev
1981; 39: 147-8.

Frenkel EP. Abnormal fatty acid metabolism in peripheral nerves of patients with pernicious anemia. J Clin
Invest 1973; 52: 1237-45.

Scott JM, et al. Pathogenesis of subacute combined degeneration: a result of methyl group deficiency. The
Lancet 1981; ii: 334-7.

Herbert V. The five possible causes of all nutrient deficiency: illustrated by deficiences of vitamin B,, and
folic acid. Am J Clin Nutr 1973; 26: 77-88,

Herbert V. Megaloblastic anemia. New Engl J Med 1963; 268: 201-3 en 368-71.

immerman AM. Vitamin B,, status on a vegetarian diet. A critical review. Wid Rev Nutr Diet 1981; 37: 38-54.
Dong A, Scott SC. Serum vitamin B,, and blood cell values in vegetarians. Ann Nutr Metab 1982; 26: 209-16.
Chanarin |, et al. Megaloblastic anaemia in a vegetarian Hindu community. The Lancet 1985; ii: 1168-72.
Das KC, HerbertV. The lymphocyte as a marker of pastnutritional status: persistence of abnormal lymphocyte
deoxyuridine (dU) suppression test and chromosomes in patients with past deficiency of folate and vitamin
B, Br J Haematol 1978; 38: 219-33.

Sullivan LW, Herbert V. Studies on the minimum daily requirement for vitamin B,.. New Eng J Med 1963;
272: 340-6.

Baker SJ, Mathan VJ. Evidence regarding the minimal daily requirement of dietary vitamin B,,. Am J Clin
Nutr 1981; 34: 2423-33.

Adams JF, etal. Metabolic responses to low doses of cyanocobalamin in patients with megaloblastic anemia.
Br J Nutr 1968; 22: 575-82.

Bozian AC, et al. Evidence concerning the human requirement for vitamin B, Use of the whole body counter
for determination of absorption of vitamin B,,. Am J Clin Nutr 1963; 12: 117-29.

Sandberg DP, et al. The content, binding and forms of vitamin B,, in milk, Am J Clin Nutr 1981; 34: 1717-24.
Van Zoeren-Grobben D, et al. Human milk vitamin content after pasteurisation, storage, or tube feeding.
Arch Dis Child 1987; 62: 161-5.

Ciba-Geigy. Wissenschaftliche Tabellen Geigy, Teilband Körperflüssigkeiten. Basel: Ciba-Geigy, 1977.
Thomas MR, et al. The effects of vitamin C, vitamin B, vitamin B,. folic acid, riboflavin and thiamin on the
breast milk and maternal status of well-nourished women at 6 months postpartum. Am J Clin Nutr 1980;
33: 2151-6.

Luhby AL, et al. Physiology of vitamin B,, in pregnancy, the placenta and the newborn. Am J Dis Child 1961;
102: 753-4(Abstr).

162

</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>52,

£ 8

60.

vitamine B,

Giugliani ERJ, et al. Serum vitamin B,, levels in parturients, in the interoillous space of the placenta and in
full-term newborns and their interrelationships with folate levels. Am J Clin Nutr 1985; 41: 330-5.
Doscherholmen A, et al. Vitamin B,» assimilation from chicken meat Am J Clin Nutr 1978; 31: 825-30.
Morishita R, Uchino H. Vitamin B,, absorption studies with plastic whole body counter in patients with gastro-
enterological operation. In: Zagalak B, FriedrichW, eds. VitaminB,,. Proceedings Third European Symposium
on vitamin B,, and intrinsic factor. Berlin: Walter de Gruyter, 1979; 945-8.

Chanarin |. The megaloblastic anaemias. Oxford: Blackwell Scientific Publications, 1979.

Herbert V. Recommended dietary intakes (RDI) of vitamin B,, in humans. Am J Clin Nutr 1987; 45: 1-8.
Shojania AM, Wylie B. The effect of oral contraceptives on vitamin B,, metabolism. Am J Obstet Gynecol
1979; 135: 129-34.

Marks J, Vitamin safety. Basel: Hoffman-La Roche, 1984.

Raccuglia G, et al. Absorption and excretion of cyanocobalamine after oral administration of a large dose
in various conditions. Acta Haematol 1969; 42: 1-7.

National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington DC: National Academy of Science,
1980.

163

</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>14. Vitamine C

14.1.

14.2.

14.3.

14.4.

INLEIDING

14.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
14.1.2. Fysiologische betekenis

14.1.3. Deficiëntieverschijnselen

14.1.4. Bepaling van de vitamine C status

VITAMINE C BEHOEFTE

14.2.1. Volwassenen

14.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten

14.2.3. Zwangerschap en lactatie

14.2.4. Biologische beschikbaarheid

14.2.5. Andere factoren die de behoefte aan vitamine C beïnvloed
14.2.6. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
14.3.1. Inleiding

14.3.2. Minimumbehoefte

14.3.3. Adequaat niveau van inneming

LITERATUUR

165

167
167
167
168
169

169
169
171
171
172
172
173

173
173
174
174

175

</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>vitamine C

166

</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>14.1.

14.1.1.

14.1.2.

vitamine C

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Tot vitamine C worden gerekend L-ascorbinezuur en dehydro-L-ascorbinezuur.
Het ascorbinezuurmolecule is qua chemische structuur een hexosederivaat. Ascorbine-
zuur is een witte kristallijne stof, die goed oplosbaar is in water. Het is in oplossing
gemakkelijk oxydeerbaar, vooral bij hogere pH-waarden. De geoxydeerde vorm (dehy-
dro-ascorbinezuur) kan weer worden gereduceerd tot ascorbinezuur. Door dit vermo-
gen om als redox-koppel te werken, kan een groot aantal biochemische functies
van vitamine C worden verklaard. Verdere oxydatie van dehydro-ascorbinezuur resul-
teert in de vorming van diketo-L-gulonzuur, dat geen vitamine-activiteit bezit.

De oxydatie van vitamine C wordt bevorderd door warmte, zonlicht en door
de aanwezigheid van metalen zoals ijzer en koper. Deze laatsten stimuleren de
ascorbinezuuroxydasen, die in planten voorkomen en de oxydatie van vitamine C
bevorderen. Zij komen vrij wanneer de wand van de plantencel stuk gaat. Deze
enzymen bezitten een optimale activiteit bij een temperatuur tussen 45 en 50°C.

Vitamine C in voedsel is hittegevoelig en wordt gemakkelijk vernietigd door
oxydatie. Hierdoor vermindert het gehalte in voedingsmiddelen sterk als gevolg van
bijvoorbeeld (langdurig) koken en tijdens het bewaren bij een relatief hoge temperatuur,
met name wanneer het voedingsmiddelen betreft in gesneden vorm (vergroot contact
met zuurstof uit de lucht) (1,2). De belangrijkste bronnen van vitamine C zijn aardappe-
len, groenten en fruit.

Fysiologische betekenis.

Vitamine C is bij een groot aantal stofwisselingsprocessen betrokken. Het

‘werkingsmechanisme van vitamine C in deze processen is nog niet volledig verklaard.

Vitamine G is betrokken bij hydroxyleringsreacties zoals de omzetting van proline
in hydroxyproline onder invloed van prolinehydroxylase en de hydroxylering van
cholesterol in galzuren. Hydroxyproline is een belangrijk bestanddeel van collageen.
Een onvoldoende synthese van hydroxyproline zal tot gevolg hebben dat er te weinig
collageen beschikbaar is voor de ontwikkeling van compact steunweefsel, waardoor
dit atrofisch blijft. Littekenweefsel dat ontstaat na beschadiging van huid of botten
zal bij onvoldoende voorziening met vitamine C ook slecht worden gevormd, waardoor
de wondgenezing kan worden belemmerd.

Ascorbinezuur reduceert ijzer in zuur milieu van Fe(lll) in Fe(ll), de absorbeerbare
vorm van ijzer. Hierdoor heeft vitamine C naast een rol bij de absorptie van ijzer
uit het voedsel ook een rol bij het met name in de lever metaboliseren van het
depõtijzer. Verder activeert vitamine C door reductie het vitamine foliumzuur tot de
werkzame vorm daarvan, het tetrahydrofoliumzuur. Omdat zowel Fe(ll)ionen als
tetrahydrofoliumzuur een rol spelen bij de synthese van hemoglobine is vitamine
C dus indirect betrokken bij de vorming van erytrocyten (3).

Vitamine C heeft een beschermende werking op verschillende vitamines van
het B-complex en op de vitamines A en E. Deze werking berust waarschijnlijk op

167
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>14.1.3.

vitamine C

de anti-oxydatieve werking van het ascorbinezuur (4). Hoge doseringen zouden
echter een negatief effect op de beschikbaarheid van vitamine B,, hebben, hoewel
hierover geen eenduidige mening bestaat (5,6).

Voorts heeft vitamine C een functie bij de synthese van hormonen zoals
noradrenaline en corticosteroïden, bij de oxydatieve afbraak van aminozuren zoals
fenylalanine, tryptofaan en tyrosine, bij de vorming van mucopolysachariden, het
functioneren van leucocyten en het immuunsysteem, in de carnitine-, de cholesterol-
en lipidenstofwisseling (7,8,9,10). Ascorbinezuur zou ook van belang zijn voor het
goed functioneren van het endocrine systeem en voor het handhaven van de homeos-
tasis (11).

De reducerende en anti-oxydatieve werking van vitamine C biedt mogelijk
bescherming tegen het effect van bepaalde carcinogene verbindingen. Op basis
van de resultaten van zowel descriptief epidemiologisch en patiënt/controle-onderzoek
als van dierexperimenteel en in vitro-onderzoek lijkt vitamine C een beschermende
werking op het ontstaan van maagkanker uit te oefenen. Vitamine C voorkomt namelijk
de vorming van carcinogene N-nitrosoverbindingen in de maag. De resultaten van
dierexperimenteel onderzoek naar de remmende werking van vitamine C op het
ontstaan van andere dan maagtumoren zijn niet consistent (12).

Deficiëntieverschijnselen.

De meeste zoogdieren kunnen ascorbinezuur vormen uit glucose. Voor deze
dieren is vitamine Cis dan ook geen essentiële voedingsstof. De cavia, enkele apen-
soorten en vleermuizen missen evenals de mens het voor de vorming van ascorbine-
zuur noodzakelijke enzymsysteem (13). Gezien het belang van vitamine C bij de
vorming van steunweefsel zullen de deficiëntieverschijnselen optreden daar waar
steunweefsel een belangrijke functie vervult.

Bij dieren.

Klinische deficiëntieverschijnselen die bij dieren zijn waargenomen zijn bijvoorbeeld
diffuse bloedingenin huid en gewrichten, botfracturen, atrofie van de spieren, anemie
en voorts minder specifieke verschijnselen zoals geremde groei, verminderde activiteit,
gewichtsvermindering en anorexie (14).

Bij de mens.
De gevolgen van een tekort aan vitamine C in de voeding zijn sinds lang bekend.

Met name scheurbuik, een ziekte die het resultaat is van vitamine C deficiëntie, was
in het verleden berucht bij bijvoorbeeld bemanningen van zeilschepen op de grote
zeeroutes.

De symptomen van scheurbuik zijn afhankelijk van de ernst van het tekort aan
vitamine C. De eerste verschijnselen zijn een verminderde excretie van ascorbinezuur
en dehydro-ascorbinezuur met de urine, een daling van het gehalte in bloedplasma
en leucocyten die wordt gevolgd door onder andere vermindering van het lichaamsge-
wicht, een verminderde weerstand, slapeloosheid, grote vermoeidheid (zelfs bij lichte
inspanning) en reumatische klachten. Meer specifieke deficiëntieverschijnselen van
vitamine C bijde mens zijn een vermindering van karakteristieke stofwisselingsfuncties,

168

</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>14.1.4.

14.2.

14.2.1.

vitamine C

zoals de hydroxylering van proline met als gevolg een vertraagde wondgenezing.
In een vergevorderd stadium van de ziekte treden tandvleesbloedingen op en onder-
huidse en inwendige bloedingen in bijvoorbeeld de gewrichten. De meest karakteristieke
deficiéntieverschijnselen bij volwassenen zijn de zogenaamde perifolliculaire bloedingen
en bij kinderen onder andere de subperiostale bloedingen. In een nog later stadium
van scheurbuik vallen de tanden uit, hetgeen gepaard gaat met een sponsachtige
degeneratie van het tandvlees. Uiteindelijk zal dit ziekteproces eindigen met de dood
(14,15,16,17).

Bepaling van de vitamine C status.

De evaluatie van de vitamine C status heeft voornamelijk plaats op basis van
bepalingen van het vitamine C gehatte in plasma, witte bloedcellen en de uitscheiding
met de urine (18,19).

In het algemeen wordt aangenomen, dat een vitamine C gehalte in plasma
van <11 memol/l duidt op een ernstig tekort aan vitamine C, terwijl concentraties
van 11-17 memol/l duiden op een marginale vitamine C status. Concentraties van
>17 mcmol/l plasma geven een adequate vitamine C status aan. Het vitamine C
gehalte van de witte bloedcellen (WBC) wordt eveneens als goede parameter van
de vitamine C status beschouwd. Er is sprake van een tekort bij een gehalte van
<8 mg/100 g WBC, van een marginale status bij 8-15 mg/100 g WBC en van een
adequate voorziening bij een gehalte van >15 mg/100 g WBC.

Het vitamine C gehalte in plasma correleert voor een belangrijk deel met de
vitamine C inneming. De gecombineerde bepaling van het vitamine C gehatte in
plasma en in witte bloedcellen kan als een min of meer functionele parameter voor
het vaststellen van de vitamine C status worden beschouwd (18).

De uitscheiding van vitamine C met de urine geeft onvoldoende informatie over
de vitamine C status en is meer een afspiegeling van de recente vitamine C inneming.

VITAMINE C BEHOEFTE
Volwassenen.

De behoefte aan vitamine C is tot op dit moment voornamelijk vastgesteld op
basis van parameters, die in verband staan met de vitamine C voorziening en niet
met parameters, die in verband gebracht kunnen worden met biochemische en fysiolo-
gische functies van vitamine C. Onderzoeken naar verbanden tussen parameters
voor het biochemische functioneren (bijvoorbeeld de histaminespiegel in het bloed)
en de vitamine C voorziening zijn schaars (20).

Voor het vaststellen van de vitamine C behoefte worden in verschillende landen
verschillende uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn (21):
*_De minimale hoeveelheid noodzakelijk om deficiëntieverschijnselen te voorkomen

en eventueel te genezen (scheurbuikpreventie).

* De hoeveelheid die het lichaam per dag omzet (metabool verbruik).

169
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>vitamine C

* De hoeveelheid noodzakelijk om een adequate voorraad in het lichaam te handha-
ven (weefselverzadiging).

Scheurbuikpreventie.

Als belangrijkste onderzoeken kunnen in dit verband worden genoemd het
Sheffield experiment on the vitamin C requirements of human adults en de lowa
Study (22,23,24,25). De resultaten van het Sheffield-onderzoek geven aan dat een
dagelijkse hoeveelheid van 10 mg ascorbinezuur voldoende is om verschijnselen
van scheurbuik te voorkomen of te genezen. Bij drie proefpersonen in het lowa-
onderzoek bleek 6,5 mg vitamine C per dag voldoende om verschijnselen van vitamine
C deficiëntie te genezen (23,24). De deficiéntieverschijnselen die aan het einde van
de depletiefase in dit onderzoek werden waargenomen, betroffen onder andere
ontstoken folliculi, capillaire huidbloedingen, hyperkeratose en veranderingen van
het tandvlees. In sommige gevallen trad oedeem en benauwdheid op. De tijdsduur
waarbinnen deze verschijnselen optraden, varieerde afhankelijk van de symptomen
van 30-100 dagen (25).

De klinische deficiëntieverschijnselen traden op wanneer de vitamine C gehalten
in het plasma en in totaalbloed daalden tot niveaus <11 memol/l, respectievelijk
<17 memol/l (14). De metabool actieve lichaamsvoorraad zou dan minder dan 300
mg vitamine C bedragen (23,24).

Metabool verbruik.

Door de groep van Kaliner is op basis van onderzoekgegevens een mathematisch
model voor de vitamine C stofwisseling ontwikkeld. Dit model gaat uit van een
lichaamsvoorraad die over drie compartimenten is verdeeld (26). Er is een centraal
compartiment waarin vitamine C wordt geabsorbeerd en van waaruit het wordt uit-
gescheiden met de urine zonder aan het metabolisme te hebben deelgenomen.
Daarnaast zijn er twee andere compartimenten, die in evenwicht zijn met het centrale
compartiment. In één van deze compartimenten, het metabool actieve compartiment,
vindt de stofwisseling plaats. Het andere compartiment staat voor een min of meer
inerte lichaamsvoorraad.

Verschillende onderzoekers komen tot de conclusie dat de gemiddelde metabool
actieve lichaamsvoorraad aan vitamine C 1500 mg (20 mg/kg lichaamsgewicht)
bedraagt (23,24,25,26). Er wordt echter op gewezen, dat de in deze onderzoeken
gekozen onderzoekmethode alleen de omvang van de uitwisselbare lichaamsvoorraad
bepaalt (27). Berekend is dat de totale lichaamsvoorraad minimaal 5000 mg zou
bedragen (16).

De groep van Kallner heeft getracht de vitamine C behoefte vast te stellen aan
de hand van de hoeveelheid vitamine C die het lichaam verbruikt en uitscheidt (de
vitamine C turn-over) in een situatie waarbij de uitwisselbare lichaamsvoorraad van
1500 mg constant blijft (26,27). De totale vitamine C turn-over is opgebouwd uit de
renale turn-over, die de turn-over van het centrale compartiment weergeeft en de
metabole turn-over, die is gekoppeld aan het metabool actieve deel van de
lichaamsvoorraad. De totale vitamine C turn-over werd vastgesteld op 60 mg/dag
met een standaarddeviatie van ongeveer 14 mg vitamine C/dag. De renale turn-over
blijft ongeveer constant (10-20 mg/dag) tot een innemingsniveau waarbij het vitamine
C gehalte van het plasma een waarde van 40-50 mcmol/l bereikt. Hierboven neemt

170

</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>14.2.2.

14.2.3.

vitamine C

de renale turn-over sterk toe, wat aangeeft dat de tubulaire reabsorptie een verzadi-
gingsniveau heeft bereikt. De metabole turn-over bereikt een verzadigingswaarde
bij een niveau van 40-50 mg/dag. Deze metabole turn-over wordt bereikt bij een
totale turn-over van 60 mg/dag en een vitamine C niveau in het plasma van 45-50
memol/l. |

Tijdens de depletie- en repletie-onderzoeken van het lowa-onderzoek werd
gemeten dat per dag 2,9+0,6% van de uitwisselbare lichaamsvoorraad wordt omgezet
(23,24,25). De interindividuele variatie bedroeg 2,2-4,1%. Wanneer wordt uitgegaan
van een uitwisselbare lichaamsvoorraad van 1500 mg, betekent dit, dat een dagelijkse
hoeveelheid van 45 mg vitamine C (spreiding 34-62 mg) wordt omgezet. Kaliner
et al wijzen er echter op, dat in het lowa-onderzoek de bepaling van de turn-over
heeft plaatsgevonden tijdens de depletiefase waardoor de turn-over te laag geschat
zou zijn (27). Voorts werd in het eerste deelonderzoek het voor de meting van de
turn-over gebruikte isotoop toegediend op dag 23 en in het tweede deelonderzoek
op dag 7 van de depletieperiode (23,24). Daarbij werd een gemiddelde turn-over
gemeten van respectievelijk 2,45 en 3,24%. Uit deze gegevens is een initiële turn-over
af te leiden van ca. 3,6%. Dit zou betekenen dat niet 45 maar 54 mg vitamine C per
dag nodig is om de uitwisselbare lichaamsvoorraad op een niveau van 1500 mg
te handhaven.

Weefselverzadiging.

Weefselverzadiging treedt op bij vitamine C niveaus in het plasma van >40
memol/l. Dit niveau komt overeen met het vitamine C gehalte van het plasma, waarbij
de renale turn-over in het onderzoek van de groep van Kallner een constante waarde
bereikt (26). Om dit plasma vitamine C gehalte van ca. 40 mcg/l te bewerkstelligen
is een vitamine C inneming van 65-70 mg/dag nodig (25,28,29).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Bij zuigelingen bleek een vitamine C inneming van 7-12 mg/dag uit flesvoeding
en van 7 mg/dag uit moedermelk voldoende om tegen scorbutische afwijkingen
te beschermen (30). Bij pasgeborenen, in het bijzonder bij prematuren, kan de vitamine
C behoefte tijdens de eerste levensweek hoger zijn als gevolg van een verhoogd
tyrosinemetabolisme (21). Op basis van het lichaamsgewicht lijkt de vitamine C behoefte
bij kinderen hoger te zijn dan bij volwassenen (21,29). De turn-over van vitamine
C is waarschijnlijk het hoogst gedurende de puberteit.

Zwangerschap en lactatie.

Gedurende de zwangerschap daalt het vitamine C gehalte van het plasma
(31,32,33). Of dit een fysiologisch gevolg is van de zwangerschap of dat het duidt
op een verhoogde behoefte tijdens de zwangerschap is onzeker (34). Onder invloed
van een verhoogde vitamine C inneming kan deze daling worden voorkomen (31,33).
Naast een daling van het vitamine C gehalte van het plasma is ook een daling van
het vitamine C gehalte in leucocyten in met name het tweede trimester van de
zwangerschap waargenomen (35). Deze daling moet waarschijnlijk worden toege-

171

</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>14.2.4.

14.2.5.

vitamine C

schreven aan een leucocytosis, omdat het totale leucocytaire vitamine C gehalte
in het bloed onveranderd was gebleven.

Hoewel de beschikbare informatie beperkt is, wordt door de National Research
Council in de Verenigde Staten aangenomen dat gedurende het tweede en derde
trimester van de zwangerschap de vitamine C behoefte met 20 mg/dag is verhoogd
(36). |

Het vitamine C gehalte van moedermelk varieert met de vitamine C inneming
van 30 tot 80 mg/l (37,38). Uitgaande van een moedermelkproduktie van 800 ml/dag
betekent dit een uitscheiding met de moedermelk van 24-64 mg vitamine C/dag.

Biologische beschikbaarheid.

De mate van absorptie van vitamine C uit de voeding is afhankelijk van de
ingenomen hoeveelheid. Bij een innemingsniveau van 90 tot 180 mg per dag, verdeeld
over de dag ingenomen in hoeveelheden van 30 mg per keer, blijkt dat vitamine
C met een efficiëntie van 80-90% wordt geabsorbeerd (39). Waargenomen is dat
bij hoeveelheden van 1,5 tot 12 gram per dag het absorptiepercentage afneemt
van respectievelijk 50 tot 16%. Op basis van deze waarnemingen is berekend dat
van een éénmalige dagelijkse dosis van 180 mg vitamine C ca. 70% wordt geabsor-
beerd (40).

Andere factoren die de behoefte aan vitamine C beïnvloeden.

Er zijn aanwijzingen dat leeftijd, geslacht, roken en het gebruik van hormonale
anticonceptiva de vitamine C behoefte beïnvloeden.

Leeftijd en geslacht.

Er blijkt een verband te bestaan tussen de vitamine C concentratie in het lichaam
en de leeftijd, in die zin dat bij oudere mensen lagere waarden worden gevonden.
Met het ouder worden wordt onder andere een daling van het vitamine C gehalte
in de leucocyten en in het bloedplasma waargenomen (8,41). Deze daling lijkt bij
vrouwen te beginnen aan het einde van de vruchtbare periode. In verband hiermee
is wel gesuggereerd dat er een relatie zou bestaan tussen de vitamine C stofwisseling
en (geslachts)hormonen (42). Eris voorts waarschijnlijk sprake van een fysiologisch
verschil in de stofwisseling tussen beide geslachten en in de distributie over het
lichaam of in de retentie van vitamine C (21,43).

Roken.
Bekend is dat roken de vitamine C status nadelig beïnvloedt. Roken zou de

absorptie van vitamine C beïnvloeden of de stofwisseling veranderen. Er zou een
direct verband bestaan tussen het aantal gerookte sigaretten per dag en het niveau
van de vitamine C parameters (44). Bij mannen die meer dan 20 sigaretten per dag
rookten is een vitamine C turn-over waargenomen van 90 mg/dag; dit is 30 mg/dag
hoger dan werd waargenomen bij niet-rokers (45).

172

</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>14.2.6.

14.3.

14.3.1.

vitamine C

Hormonale anticonceptiva.

Vrouwen die hormonale anticonceptiva gebruiken, vertonen significant lagere
vitamine C waarden in plasma en leucocyten dan controlepersonen (34,46,47). Deze
lagere waarden kunnen waarschijnlijk niet worden toegeschreven aan een verhoogde
uitscheiding van vitamine C met de urine (48). Gesuggereerd wordt dat de ver-
anderingen in de vitamine C parameters als gevolg van het gebruik van hormonale
anticonceptiva moeten worden toegeschreven aan een functie van vitamine C bij
de synthese van steroïdhormonen en/of aan een veranderde verdeling van vitamine
C over het lichaam (49).

Toxiciteit.

Mogelijke nadelige effecten als gevolg van de inneming van hoge doses vitamine
C krijgen in de literatuur relatief veel aandacht (50,51,52). Dit als gevolg van het feit
dat in de orthomoleculaire geneeskunde doseringen van 5-10 g vitamine C per dag
worden toegepast met als doel het voorkémen of genezen van verkoudheid, kanker
en hart-en vaatziekten.

Als nadelige effecten verbonden aan de inneming van deze megadoses vitamine

C worden onder andere genoemd:

* Een verhoogde oxaalzuuruitscheiding met de urine met als gevolg een verhoogde
kans op het ontstaan van nierstenen bij daarvoor gevoelige personen.
*_Meer in het algemeen een verhoogde vorming van afbraak- en stofwisselingspro-
dukten, zowel van vitamine C in het maagdarmkanaal dat nog niet is geabsor-

beerd als van geabsorbeerd vitamine C.

* — Verhoging van de toxiciteit van metalen als gevolg van een toegenomen absorptie
van bepaalde metalen onder invloed van de grotere hoeveelheden vitamine
C.

* Een conditionerend effect, waardoor bij het beëindigen van een therapie met
een megadosis vitamine C de kans op het ontstaan van deficiéntieverschijnselen
bij inneming van een normale hoeveelheid vitamine C aanwezig zou zijn. Een
dergelijk effect is overigens in onderzoek met cavia's nooit waargenomen.

* Een remmend effect op de absorptie van koper.

Door het ontbreken van resultaten uit gecontroleerd onderzoek bestaat er nog veel
onduidelijkheid over de betekenis van de hier genoemde en andere mogelijke nadelige
effecten van megadoses vitamine C (8,14,53,54). In het algemeen wordt een inneming
tot 10 g/dag veilig geacht (53).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Inleiding.

Het is aannemelijk dat voor het optimaal laten verlopen van stofwisselings-
processen waarbij vitamine C is betrokken het niveau van de vitamine C voorziening
hoger moet liggen dan het niveau waarmee klinische deficiëntieverschijnselen worden

voorkomen. Daar de optimale weefselconcentraties van vitamine C voor deze stofwisse-
lingsprocessen niet bekend zijn, heeft de commissie uit veiligheidsoverwegingen

173

</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>14.3.2.

14.3.3.

vitamine C

gekozen voor het op een constant niveau houden van de uitwisselbare lichaamsvoor-
raad als criterium voor het vaststellen van de vitamine C behoefte.

Minimumbehoefte.

Op basis van de resultaten van de in §14.2.1. beschreven onderzoeken naar
de turn-over van vitamine C kan voor volwassenen worden gesteld dat de hoeveelheid
die noodzakelijk is om de uitwisselbare lichaamsvoorraad op een gemiddeld niveau
van 1500 mg te handhaven tussen de 45 en 60 mg vitamine C/dag ligt (23,24,25,26).
De biologische beschikbaarheid voor hoeveelheden lager dan 180 mg vitamine C/dag
bedraagt 80-90% (zie §14.2.4.). Dit betekent dat de minimumbehoefte voor volwassenen
zou liggen tussen 50 en 65 mg vitamine C/dag.

Voor kinderen, adolescenten en zwangeren is het door het ontbreken van
voldoende informatie niet mogelijk een minimumbehoefte op te geven.

Adequaat niveau van inneming.

Volwassenen.
Er zijn voldoende gegevens om het adequate niveau van inneming met behulp
van de interindividuele variatie af te leiden uit de minimumbehoette.

Op basis van de gegevens van het lowa-onderzoek kan uitgaande van een
minimumbehoefte van 50 mg en een standaarddeviatie van 9 mg het adequate niveau
van inneming worden berekend op 68 mg/dag. Op grond van de gegevens van
de groep van Kallner zou het adequate niveau van inneming 65+(2x14) = 93 mg/dag
bedragen. Omdat bij een vitamine C inneming van 65-70 mg/dag weefselverzadiging
optreedt, acht de commissie het aannemelijk dat het adequaat niveau van inneming
in deze orde van grootte zal liggen. Dit zou er op duiden dat de benaderingswijze
van de groep van Kaliner tot een te hoge schatting van het adequate niveau van
inneming leidt. Het adequate niveau van inneming wordt daarom op 70 mg/dag
gesteld.

Zuigelingen.

Op basis van de gemiddelde hoeveelheid vitamine C die zuigelingen met de
moedermelk innemen, wordt aangenomen dat het adequate niveau van inneming
van deze groep 35 mg per dag bedraagt.

Kinderen/adolescenten.

Uit de adequate niveaus van inneming voor zuigelingen en volwassenen kan
via lineaire interpolatie worden afgeleid dat het adequate niveau van inneming voor
deze groep met de leeftijd zal toenemen van 40 tot 70 mg vitamine C/dag, waarbij
rekening moet worden gehouden met een relatief hoge behoefte tijdens de puberteit.

Zwangeren.
Overeenkomstig de door de National Research Council inde Verenigde Staten

gehanteerde aanbevelingen wordt het adequate niveau van inneming van zwangeren
20 mg/dag hoger gesteld dan dat van niet-zwangeren (36).

174

</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>14.4.

Zogenden.

Er van uitgaande dat moedermelk 35 mg/dag levert, wordt

de vitamine C behoefte tijdens de lactatieperiode 40 mg/dag
hoger gesteld dan die van niet-zogenden. Hierbij is uitgegaan
van een beschikbaarheid van 80-90%.

In tabel 14.1 is een overzicht gegeven van het adequate

niveau van inneming voor de verschillende leeftijdscategorieën.

LITERATUUR

15.

Weits J. Enkele factoren die invioed uitoefenen op de voedingswaarde van voedsel,
bereid op grootkeukenschaal. Voeding 1963; 24: 512-21.

Harris RS, Karmas E. Nutritional evaluation of food processing. Westport: Avi
Publishing, 1975.

Hallberg L. Effect of vitamin C on the bioavailability of iron from food. In: Counsell
JN, Hornig DH, eds. Vitamin C (Ascorbic acid). London: Applied Science
Publishers, 1982; 49-62.

Moran JR, Greene HL. The B vitamins and vitamin C in human nutrition. Il,
Conditional B vitamins and vitamin C. Am J Dis Child 1979; 133: 308-14.
Herbert V, Jacob E. Destruction of vitamin B,, by ascorbic acid. J Am Med Ass
1974; 230: 241-2.

Newmark HL, et al. Stability of vitamin B,, in the presence of ascorbic acid. Am
J Clin Nutr 1976; 29: 645-9.

Bates CJ. The function and metabolism of vitamin C in man. In: Counsell JN,
Hornig DH, eds. Vitamin C (Ascorbic acid). London: Applied Science Publishers,
1982; 1-22.

Hughes RE. Recommended daily amounts and biochemical roles - The vitamin
C, carnitine, fatigue relationship. in: Counsell JN, Hornig DH, eds. Vitamin C
(Ascorbic acid). London: Applied Science Publishers, 1982; 75-86.

Ginter E, Bobek P. The influence of vitamin C on lipid metabolism. In: Counsell
JN, Hornig DH, eds. Vitamin C (Ascorbic acid). London: Applied Science
Publishers, 1982; 299-348.

Anoniem. Vitamin C and plasmacholesterol. The Lancet 1984; ii: 907.
Levine M, Morita K. Ascorbic acid in endocrine systems. Vit Horm 1985; 42:
1-64.

Voedingsraad. Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker. 's-Gravenhage:
Voedingsraad, 1986.

Chatterjee IB. Evolution and the biosynthesis of ascorbic acid. Science 1973;
182: 1271-2.

Hodges RE. Vitamin C. In: Alfin Slater RB, Kritchevsky D, eds. Human Nutrition,
a comprehensive treatise; 3B-Nutrition and the adult: Micronutrients. New York:
Plenum Press, 1980; 73-96.

Brin M. Marginal vitamin C deficiency and human health. In: Counsell JN, Hornig
DH, eds. Vitamin C (Ascorbic acid). London: Applied Science Publishers, 1982;
359-76.

vitamine C

Tabel 14.1. Adequaat
niveau van Inneming
voor vitamine C per

dag.
categorie/
leeftijd jr mg
zuigelingen
0-Va 35")
Val 35
jongens
1-4 40
4-7 45
7-10 50
10-13
13-16
16-19 70
meisjes
1-4 40
4-7 45
7-10 50
10-13 55
13-16 65
16-19 65
mannen
19-22 70
22-50 70
50-65 70
>65 70
vrouwen
19-22 70
22-50 70
50-65 70
>65 70
zwangeren | +20
zogenden | +40

1) Dit komt overeen
met 7 mg per kg
lichaamsgewicht.
per dag.

Ginter E. Chronic marginal vitamin C deficiency: biochemistry and pathophysiology. Wid Rev Nutr Diet 1979;

33: 104-41.
Woodruff CW. Ascorbic acid - Scurvy. Progr Food Nutr Sc 1975; 1: 493-506.

Schorah CJ. Vitamin C status in population groups. In: Counsell JN, Hornig DH, eds. Vitamin C (Ascorbic

acid). London: Applied Science Publishers, 1981; 167-98.

Sauberlich HE, et al. Laboratory tests for the assessment of nutritional status. Cleveland, Ohio: CRC Press,

1976; 17-24.

Clementson CAB. Histamine and ascorbic acid in human blood. J Nutr 1980; 110: 662-3.
Irwin MI, Hutchins BK. A conspectus of research on vitamin C requirements of man. J Nutr 1976; 106: 821-79.
Bartley W. Vitamin C requirements of human adults. Med. Research Council, Special Rep. Ser. No. 280.

London: HMSO, 1953.

Baker EM, et al. Metabolism of ascorbic-'“C acid in experimental human scurvy. Am J Clin Nutr 1969; 22:

549-58.

175
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>vitamine C

24. Baker EM, et al. Metabolism of '“C-and *H-labeled L-ascorbic acid in human scurvy. Am J Clin Nutr 1971;
24: 444-54,

25. Hodges RE, et al. Clinical manifestations of ascorbic acid deficiency in man. Am J Clin Nutr 1971; 24: 432-43.

26. _ Kallner A, et al. Steady-state turnover and body pool of ascorbic acid in man. Am J Clin Nutr 1979; 32: 530-9.

27. — KallnerA, et al. Kinetics of ascorbic acid in humans. In: Seib PA, Tolbert BM, eds. Ascorbic acid: chemistry,
metabolism and uses. Advances in Chemistry Series 1982; 200: 335-48.

28. _Sauberlich HE, Vitamin C status: methods and findings. Ann NY Acad Sci 1975; 258: 438-50.

29, Ritchey SJ. Metabolic patterns in preadolescent children. XV. Ascorbic acid intake, urinary excretion and
serum concentration. Am J Clin Nutr 1965; 17: 78-82,

30. . FAO/WHO. Requirement of ascorbic acid, vitamin D, vitamin B,,, folate and iron. WHO Techn Rep Series
452. Geneva: WHO, 1970; 25-30.

31. Martin MP, et al. The Vanderbilt cooperative study of maternal and infant nutrition. X. Ascorbic acid, J Nutr
1957; 62: 201-24.

32... Morse EH, et al. Comparison of the nutritional status of pregnant adolescents with adult pregnant women.
|, Biochemical Findings. Am J Clin Nutr 1975; 28: 1000-13.

33.  Vobecky JS, et al. Vitamin C and outcome of pregnancy. The Lancet 1974; i: 630.

34. _MoLeroy VJ, Schendel HE. Influence of oral contraceptives on ascorbic acid concentrations in healthy, sexually
mature women. Am J Clin Nutr 1973; 26: 191-6.

35. Schorah CJ, et al. Leucocyte ascorbic acid and pregnancy. Br J Nutr 1978; 39: 139-49,

36. National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington: National Academy of Sciences,
1980.

37, Olson JA, Hodges RE. Recommended dietary intakes (RDI) of vitamin C. Am J Clin Nutr 1987; 45: 693-703.

38. Thomas AM, et al. The effects of vitamin C, vitamin B, and vitamin B,, supplementation on the breast milk
and maternal status of well-nourished women. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1679-85.

39. _Kallner A, et al. On the absorption of ascorbic acid in man. Int J Vit Nutr Res 1977; 47: 383-8.

40, Kubler W, Gehler J. Zur Kinetik der enteralen Ascorbinsäure-Resorption (Ein Beitrag zur Berechnung nicht
dosisproportionaler Resorptionsvergange). Int J Vit Nutr Res 1970; 40: 442-53,

41. _ Cheng L, et al. Vitamin C and the elderly. CRC Handbook of Nutrition in the Aged. 1985; 157-85.

42. Dobbs ML. Sex as factor in blood levels of ascorbic acid. J Am Diet Ass 1969; 32-3.

43. Garry PJ, et al. Nutritional status in a healthy elderly population: Vitamin C. Am J Clin Nutr 1982: 36: 332-9,

44. _ Keith RE, Mossholder SB. Ascorbic acid status of smoking and nonsmoking adolescent females. Int J Vit
Nutr Res 1986; 56: 363-6.

45. _Kallner AB, et al. On the requirements of ascorbic acid in man, steady state turnover and body pool in smokers.
Am J Clin Nutr 1981; 34: 1347-55,

46. Rivers JM, Devine MM. Piasma ascorbic acid concentrations and oral contraceptives. Am J Clin Nutr 1 972;
25: 684-9.

47. Briggs M, Briggs M. Endocrine effects on serum vitamin B, The Lancet 1972; ii: 1037.

48. . Weininger J, King JC. Effect of oral contraceptive agents on ascorbic acid metabolism in the rhesus monkey.
Am J Clin Nutr 1982; 35: 1408-16,

49. Ahrens RA. Ascorbic acid and oral contraceptive agent use. Am J Clin Nutr 1983; 37: 329.

50. . HanckA, Ritzel G. Re-evalution of vitamin C. Int J Vit Nutr Res 1977; 16.

51. _Hanck A, Ritzel G. Vitamin C: Recent advances and aspects in virus diseases, cancer in lipid metabolism.
Int J Vit Nutr Res 1979; 19.

52. _Hanck A. Vitamin C: New clinical applications in immunology, lipid metabolism and cancer. Int J Vit Nutr
Res 1982; 23. A

53. Hornig DH, Moser U. The safety of high vitamin C intakes in man. In: Counsell JN, Hornig DH, eds. Vitamin
C (Ascorbic acid). London: Applied Science Publishers, 1982; 225-48,

54. Norkus EP, Rosso P. Effects of maternal intake of ascorbic acid on the postnatal metabolism of this vitamin

in the Guinea pig. J Nutr 1981; 111: 624-30,

176

</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>15. IJzer

15.1.

15.2.

15.3.

15.4.

INLEIDING

15.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
15.1.2. Fysiologische betekenis

15.1.3. Deficiëntieverschijnselen

15.1.4. Bepaling van de ijzerstatus

IJZERBEHOEFTE

15.2.1. Volwassenen

15.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
15.2.3, Zwangerschap en lactatie

15.2.4. Biologische beschikbaarheid

15.2.5. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
15.3.1. Inleiding

15.3.2. Minimumbehoefte

15.3.3. Adequaat niveau van inneming

LITERATUUR

177

179
179
179
180
181

181
181
183
185
186
188

189
189
192
192

192

</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>ijzer

178

</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>15.1.

15.1.1.

15.1.2.

ijzer

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Het element ijzer (atoommassa 55,8) kan in verbindingen als Fe(ll) of als Fe(lll)
voorkomen en vormt gemakkelijk complexen. In het lichaam is het een bestanddeel
van hemoglobine, myoglobine en een aantal enzymen. In de voeding komt ijzer in
twee vormen voor, namelijk als het haem-ijzer (met name hemoglobine en myoglobine)
en als non-haem-ijzer. In de haemvorm is ijzer gestabiliseerd als Fe(ll). Als non-haem-
ijzer is het vrijwel altijd in de Fe(lll)-vorm aanwezig.

In de Nederlandse voeding is ijzer voor gemiddeld 10-40% in de vorm van haem-
ijzer aanwezig en dus voor 60-90% in de vorm van non-haem-ijzer. Deze verhouding
is afhankelijk van de samenstelling van de voeding. Enkele belangrijke bronnen van
ijzer in de voeding in Nederland zijn vlees en vleeswaren, brood en graanprodukten,
aardappelen en groente. Hierbij moet worden opgemerkt dat de beschikbaarheid
van ijzer per voedingsmiddel sterk verschilt (zie §15.2.4.).

Fysiologische betekenis.

De totale hoeveelheid ijzer in het lichaam bedraagt bij de gezonde volwassene
ongeveer 4 g (zie tabel 15.1). Functioneel ijzer is voor een belangrijk deel aanwezig
in de vorm van de haem-eiwitten hemoglobine (in erytrocyten) en myoglobine (in
spierweefsel). Deze eiwitten zijn betrokken bij de zuurstofvoorziening. Hiernaast is
ijzer aanwezig in cytochromen, die betrokken zijn bij de oxydatieve fosforylering.
Voorts komt ijzer voor in andere enzymen, die bij oxydatiereacties zijn betrokken
zoals xanthine-oxydase.

Het ijzer uit de voeding wordt in het = Tabel 15.1. Verdeling van ijzer in het lichaam.

lichaam voor een belangrijk gedeelte in het mg %
duodenum en jejunum geabsorbeerd. De _|hemoglobine 2500 [67
vorm waarin non-haem- en haem-ijzer — [voorraad” 1000. [27
worden geabsorbeerd verschilt echter. Non- _ | myoglobine 130 3,5
haem-ijzer wordt geabsorbeerd als Fe(Il); = | plasma 80 2,2
haem-ijzer wordt als zodanig geabsorbeerd — | enzymen/cytochromen 8 0,2
waarna in de epitheelcellen van de darm- {transport (transferrine) 4 0,08

wand afsplitsing van het ijzer plaats vindt.
1) Ferritine en hemosiderine.

Bron: (60)

De ijzerabsorptie wordt beïnvloed door fysiologische factoren en door de samen-
stelling van de voeding. Deze factoren worden besproken in $15.2.4.

IJzer wordt in het lichaam via het bloed (plasma) getransporteerd als transterrine.
Het wordt aan de weefsels afgestaan via interactie van het transferrine met specifieke
receptoren op de celmembraan. Het aantal receptoren is waarschijnlijk bepalend
voor de hoeveelheid ijzer die aan een weefsel wordt afgestaan (1).

Opslag van ijzer in de weefsels vindt plaats in de vorm van ferritine en hemosideri-
ne. Het ferritinegehalte van het bloed bij gezonde personen weerspiegelt globaal

179

</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>15.1.3.

ijzer

de hoeveelheid reserve-ijzer in het lichaam die in het vervolg zal worden aangeduid
als lichaamsvoorraad. Hemosiderine is in tegenstelling tot ferritine niet in water oplos-
baar en ontstaat bij een sterk verhoogde izerafzetting als conglomeraat van ferritinemo-
leculen.

De belangrijkste regulering van de ijzerstatus vindt plaats via een invloed op
de intestinale absorptie. In tegenstelling tot bij de meeste andere voedingsstoffen
vindt er geen fysiologische regulering van de ijzerbalans plaats via een aangepaste
excretie.

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.
Bij een ijzertekort zijn in verschillende organen nadelige effecten waargenomen.

Bij zwangere ratten met een ijzerdeficiëntie wordt de ontwikkeling van de foetus geheel

of gedeeltelijk geremd. Bij volwassen ratten met een ijzerdeficiéntie zijn de volgende

afwijkingen geconstateerd:

* Een verminderde spierfunctie (2,3).

* Eenafname van de activiteit van cytochroom c, cytochroomoxydase en succinaat-
dehydrogenase in sommige organen (4,5).

* Storingenin het regelmechanisme van de lichaamstemperatuur met name bij
een lage omgevingstemperatuur, vermoedelijk als gevolg van veranderingen
in de tri-jood-thyroninestofwisseling (6).

* Biochemische veranderingen in de hersenen, die soms leiden tot gedragsstoornis-
sen (7,8).

Verschillende elementen, zoals de zware metalen lood en cadmium worden op dezelfde
wijze geabsorbeerd als ijzer. Bijijzerdeficiéntie worden deze verbindingen in verhoogde
hoeveelheden geabsorbeerd, hetgeen consequenties kan hebben voor de belasting
ermee (9,10). Bij de rat is waargenomen dat ijzerdeficiëntie een negatieve invloed
heeft op het immuunsysteem (11).

Bij de mens.

Een ijzerdeficiéntie leidt uiteindelijk tot anemie. Klinische symptomen treden
op wanneer bij normale circulatie onvoldoende zuurstof kan worden getransporteerd
om in de behoefte van het lichaam te voorzien. De behoefte aan zuurstof is afhankelijk
van de mate van lichamelijke activiteit. Daar anemie zich in het algemeen langzaam
ontwikkelt, kan het voorkomen dat de lichamelijke activiteit daarbij ongemerkt wordt
aanpast. De klinische symptomen treden dan pas op in een gevorderd stadium van
anemie. Bij onbehandelde anemie ontstaat atrofie van het maagslijmvlies en vermindert
de maagzuurproduktie, waardoor de ijzerabsorptie nog verder afneemt. Het is niet
duidelijk of ernstige anemie als gevolg van een ijzertekort ook tot malabsorptie van
andere voedingsstoffen leidt (4).

Het is bekend dat ernstige anemie het vermogen tot lichamelijke inspanning
verkleint. Minder duidelijk is in hoeverre mildere vormen van anemie het lichamelijk
prestatievermogen negatief beïnvloeden (12,13,14).

180

</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>15.1.4.

15.2.

15.2.1.

ijzer

Een ijzerdeficiéntie tast bij de mens verschillende onderdelen van het im-
muunsysteem aan. De verminderde immuunrespons treedt op zowel bij aan-als
afwezigheid van anemie en kan door ijzersuppletie worden hersteld (15).

Door Mevissen-Verhage is de toevoeging van ijzer aan de voeding van zuigelingen
tot 4 maanden ter discussie gesteld (16). Deze onderzoekster nam bij de zuigelingen
een duidelijke invloed waar van de toevoeging van ijzer op de darmflora. Bij zuigelingen
die werden gevoed met volledige zuigelingenvoeding zonder ijzersuppletie was de
kolonisatie-resistentie in de darm ten opzichte van colibacteriën duidelijk toegenomen.

Bepaling van de ijzerstatus.

Voor de bepaling van de ijzerstatus worden de volgende parameters gebruikt:
hemogiobinegehalte, serumferritinegehalte, transferrineverzadigingspercentage
(serumijzergehalte/serumtransferrinegehaite) en het gehalte aan vrij protoporphyrine
in de erytrocyten.

Bij een ijzertekort bij de mens worden drie stadia onderscheiden (17). Het eerste
stadium van ijzerdepletie (dit is de situatie waarin de lichaamsvoorraad exclusief
hemoglobine minder dan 100 mg bedraagt) wordt gekenmerkt door een serumferritine-
gehalte van minder dan 12 meg/. In het volgende stadium (subklinische ijzerdeficiëntie)
raakt de lichaamsvoorraad uitgeput en komt er minder ijzer ter beschikking van de
weefsels: het transferrineverzadigingspercentage daalt en/of het gehalte aan vrij
protoporphyrine in de erytrocyten neemt toe. In het laatste stadium daalt ook het
hemoglobinegehalte en is er sprake van anemie.

IJZERBEHOEFTE
Volwassenen.

Balansonderzoek.

Uit de resultaten van balansonderzoeken kan worden afgeleid dat een inneming
van minstens 10 mg ijzer/dag bij mannen en van minstens 14 mg bij pre-menopauzale
vrouwen voldoende zou zijn voor het handhaven van de ijzerbalans (voor een overzicht
zie (18)). Bij deze onderzoeken moeten echter een aantal kanttekeningen worden
geplaatst. Allereerst was het aantal proefpersonen dat bij deze onderzoeken was
betrokken betrekkelijk gering. Voorts zijn verliezen via huid, haar, nagels en zweet
meestal niet meegerekend. Een nadeel van de balansonderzoeken waarbij geen
gebruik is gemaakt van isotopen is dat de werkelijke beschikbaarheid van de voedings-
stof uit de proefvoedingen niet uit de resultaten kan worden afgeleid, terwijl de beschik-
baarheid juist bij ijzer van zeer grote invloed is op de hoeveelheid ijzer die wordt
opgenomen. Tenslotte zijn onderzoeken naar de ijzerbalans niet nauwkeurig, omdat
de ijzerretentie, die absoluut gezien klein is, wordt berekend als het verschil tussen
het gehalte in voedsel en dat in de feces, die beide absoluut gezien groot zijn. Geringe
analysefouten en gebrekkige fecesverzameling leiden al snel tot grote fouten bij de
berekening van de retentie.

181

</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>ijzer

IJzerturnover.

De ijzerturnover geeft het percentage ijzer weer dat dagelijks verloren gaat.
Dit percentage wordt bepaald met behulp van radioactief gemerkt ijzer. Aan de hand
van dit percentage en een schatting van de hoeveelheid uitwisselbaar ijzer in het
lichaam (de ijzervooraad van het lichaam) wordt de totale hoeveelheid ijzer vastgesteld
die dagelijks verloren gaat. De resultaten van de belangrijkste onderzoeken naar
de ijzerturnover worden vermeld in tabel 15.2. Uit deze tabel blijkt dat de waarden
die zijn verkregen met de whole body counting ca. 20-25% hoger zijn dan die welke
zijn verkregen met de bepaling van de afname van de radioactiviteit in de erytrocyten
van radioactief gemerkt ijzer. Dit verschil is voor het grootste deel toe te schrijven
aan een verschil in de schatting van de ijzervoorraad van het lichaam: 55 respectievelijk
41 mg/kg lichaamsgewicht voor mannen en 45 respectievelijk 36 mg/kg
lichaamsgewicht voor vrouwen. Volgens de resultaten van deze onderzoeken zou
het ijzerverlies bij mannen en post-menopauzale vrouwen gemiddeld 0,45-1,8 mg/dag
bedragen en bij pre-menopauzale vrouwen 0,5-3,5 mg/dag.

Tabel 15.2. IJzerturnoveronderzoeken bij niet-anemische personen.

ijzerverlies mg/dag
deelnemers n | aantal duur | methode” — a
onderz. | weken spreiding. | spreiding ge- | ref
individuele | middelden per
waarden onderzoek
mannen 31 4 25-55 A 0,20-3,80 0,89-1,22 (18)
mannen 6 1 184-216 B - 0,61+0,08 (61)
mannen 12 1 68-216 C 0,63-1,63 0,95+0,30 (62)
mannen? 12 1 68-216 C 0,49-1,47 0,90+0,31 (62)
post-menopauza- | 7 2 12-39 A 0,45-1,80 - (18)
je vrouwen
post-menopauza- | 12 1 216 B - 0,64+0,05 (61)
le vrouwen
pre-menopauzale | 27 2 7-55 A 0,50-3,50 - (18)
vrouwen
pre-menopauzale | 6 1 184 8 - 1,22+0,11 (61)
vrouwen

n = aantal proefpersonen.
1) A: whole body counting; B: red blood cell counting; C: red blood cell radioactivity.
2) Mestizen.

Factoriële methode.

Bij de bepaling van de ijzerbehoefte met behulp van de de factoriële methode
worden de verliezen met feces, urine, zweet, huid, haar, nagels en menstruatie die
via de voeding moeten worden gecompenseerd, gesommeerd. Bij deze methode
wordt echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat een groot verlies
dat plaats vindt viade ene route wordt gecompenseerd door een vermindering van
de verliezen via de andere routes.

Het endogene verlies met de feces kan op twee manieren worden bepaald.
In de eerste plaats door de inneming van ijzer sterk te beperken, zodat de hoeveelheid
niet-geabsorbeerd ijzer uit de voeding in de feces minimaal is. Het op deze wijze
in onderzoek bij vrouwen waargenomen verlies aan endogeen ijzer met de feces
bedraagt gemiddeld 0,2 mg/dag (18). Bij de tweede methode wordt de uitscheiding

182

</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>15.2.2.

ijzer

van intraveneus toegediend radioactief gemerkt ijzer gemeten. Hierbij werd een gemid-
deld endogeen verlies met de feces gevonden van 0,51 mg/dag (spreiding: 0,36-0,71).

Met de urine wordt nog minder ijzer uitgescheiden dan met de feces. De in-
terindividuele variatie en de van dag tot dag variatie in de ijzeruitscheiding met de
urine zijn waarschijnlijk aanzienlijk. Voor volwassenen zijn gemiddelde waarden gerap-
porteerd van 50-500 mcg. De uitscheiding van ijzer met de urine is in het algemeen
bij vrouwen groter dan bij mannen (18).

Er is een groot aantal onderzoeken uitgevoerd naar Tabel 15.3. Gemiddeld ijzerver-

. A “ _ lies per dag, bepaald via de
het verlies aan ijzer met zweet. Methodologische proble factoriële methode.

men maken het echter niet eenvoudig om op basis van

de resultaten van deze onderzoeken tot een uitspraak mg

te komen over het verlies aan ijzer met zweet. De waarden

die zijn verkregen met onderzoek waarbij sprake was | f°ces 0,20-0,50"

van geforceerd transpireren, lopen uiteen van 0,3-6,5 urine 0,05-0,50

mg per dag (18). Bij niet-kunstmatig geïnduceerde transpi- transpiratie

ratie zijn gemiddeld waarden gevonden van 0,33+0,15 - kunstmatig 0,33-0,36

mg per dag en 0,36 mg per dag (19,20). - spontaan 0.33"
Verliezen via haar en nagels zijn waarschijnlijk ver- 0,36

waarloosbaar klein (18). haar, nagels 9

menstruatie 0,30-1,35

Het verlies aan ijzer via de menstruatie wordt in de
literatuur zowel weergegeven in mg ijzer/cyclus als in 1) SD: +0,12.
mlbloed/cyclus. De interindividuele variatie is groot. Met 2 ve +0,15. nderzocht
betrekking tot de intra-individuele variatie zijn de gerappor-  \cor zover onderzocht te ver:
teerde gegevens niet eenduidig. Voor het bloedverlies

wordt op groepsniveau een gemiddelde waarde gerapporteerd van 22-69 ml/cyclus.

Als wordt uitgegaan van een cyclus van 28 dagen komt dit overeen met 0,4-1,2
mg izer/dag (spreiding van individuele waarden 0,04-8,3) (18). In onderzoeken waarbij
naast, of in plaats van, het bloedverlies het ijzerverlies is bepaald, worden gemiddelde
waarden gerapporteerd van 0,3-1,35 mg ijzer/ dag (spreiding van individuele waarden
0,01-3,9 mg ijzer/dag) (18). Uit nader onderzoek bij een aantal van de vrouwen in
twee onderzoeken bleek dat in 18,5% respectievelijk 38% van de gevallen het verlies
groter was dan 20 mg/cyclus was.

Met behulp van de factoriële methode kan het totale ijzerverlies voor mannen
en post-menopauzale vrouwen worden geschat op 0,6-1,35 mg/dag. Voor menstrueren-
de vrouwen komt het totaal op 0,9-2,7 mg/dag (zie tabel 15.3).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

De ijzerbehoefte tijdens de groei wordt niet alleen bepaald door de omvang
van de verliezen via huid, urine en feces, maar ook door de hoeveelheid die tijdens
de groei wordt vastgelegd in hemoglobine en lichaamsweefsels. Gegevens over
ijzerverliezen bij deze leeftijdsgroep zijn niet beschikbaar. Voor de schatting van
deze verliezen wordt in het algemeen geëxtrapoleerd vanuit andere leeftijdsgroepen.

183

</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>ijzer

De behoefte gedurende de groei wordt geschat uit het verschil in de totale lichaams-
voorraad ijzer op verschillende leeftijden.

Zuigelingen.

De omvang van de lichaamsvoorraad ijzer bij de geboorte is globaal gerelateerd
aan het lichaamsgewicht en is relatief groot. De ijzervoorraad van een voldragen
foetus bedraagt ongeveer 270 mg (21). Gedurende de eerste vier maanden na de
geboorte neemt de ichaamsvoorraad ijzer niet toe, maar wordt tussen de verschillende
weefsels herverdeeld. Er vindt afbraak van hemoglobine plaats en het ijzer dat vrijkomt
wordt opgeslagen in de lever. Tijdens de eerste dagen na de geboorte is deze opslag
waarschijnlijk onvolledig, zodat de ijzerbalans dan tijdelijk sterk negatief is. De daling
van het hemoglobinegehalte duurt tot ca. 8-12 weken. Daarna daalt het ijzergehalte
van de lever weer als gevolg van de toenemende vorming van hemoglobine. De
leeftijd waarop de levervoorraad ijzer uitgeput zou raken als geen ijzer zou worden
opgenomen, wordt geschat tussen de 5 en 12 maanden (18). De ijzerstatus van
de zwangere is waarschijnlijk niet van invloed op het hemoglobinegehaite van het
bloed van het kind bij de geboorte, maar wel op de omvang van de lichaamsvoorraad
ijzer. Een kind van een anemische vrouw heeft daarom een groter risico op het ontwik-
kelen van anemie erige maanden na de geboorte dan een kind van een niet-anemische
vrouw.

Door de grote lichaamsvoorraad ijzer per kg lichaamsgewicht bij de geboorte
beschikken zuigelingen over een buffervoorraad. Hierdoor is in het eerste halve
levensjaar de hoeveelheid ijzer die met de voeding moet worden opgenomen, beperkt
(22). De ijzervoorziening via moedermelk is gedurende deze periode volgens de
commissie voldoende om verliezen te kunnen compenseren. De ijzerbehoefte van
de zuigeling kan worden berekend op basis van de hoeveelheid ijzer die nodig is
voor de groei en om de verliezen te compenseren.

Tijdens het eerste levensjaar daalt de lichaamsvoorraad ijzer per kg
lichaamsgewicht tot op het niveau van 40-50 mg/kg lichaamsgewicht dat ook voor
volwassenen geldt. De totale lichaamsvoorraad ijzer is dan ca. 400-450 mg (22,23,
24,25,26). Voor de leeftijd van zes maanden worden in de literatuur waarden vermeld
van 290, 330 en 350 mg (23,25,26). De behoefte voor groei is het eerste halve
levensjaar, zoals eerder al werd gesteld, beperkt. De commissie gaat uit van 0,3
mg per dag, waarmee tevens een beperkte toename van de lichaamsvoorraad kan
worden gerealiseerd. Hiermee wordt een zekere veiligheid verkregen. Voor het tweede
halve levensjaar is er een duidelijk verhoogde behoefte voor groei die door de
commissie op 0,6 mg per dag wordt geschat.

Op basis van onderzoek met o.a. radio-actief gemerkt materiaal zijn izerverliezen
(via zweet, feces en urine) vastgesteld die variëren van 0,02-0,06 mg ijzer per kg
lichaamsgewicht per dag (23,25,26). Uitgaande van een gemiddeld lichaamsgewicht
van 5,5 kg voor het eerste halve levensjaar kan het ijzerverlies gedurende deze periode
worden berekend op 0,15 mg per dag. Voor het tweede halve levensjaar wordt dit
verlies op 0,2 mg per dag geschat.

Kinderen en adolescenten.

In verband met het ontbreken van voldoende gegevens wordt de lichaams-
voorraad ijzer bij kinderen wel geschat op basis van de totale hoeveelheid bloed

184

</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>15.2.3.

ijzer

in het lichaam en het hemoglobinegehalte (18,27,28,29). Omdat de resultaten van
deze schattingen niet altijd consistent zijn, wordt deze benadering door de commissie

niet gevolgd.

Een andere mogelijkheid is de behoefte voor groei af te leiden uit het verschil
in de lichaamsvoorraad ijzer op verschillende leeftijden. Deze hoeveelheden zijn te
berekenen door de toename van het lichaamsgewicht in een bepaalde periode te
vermenigvuldigen met de gemiddelde lichaamsvoorraad ijzer van 40 à 50 mg/kg
lichaamsgewicht (29,30).

Zoals gesteld zijn er geen gegevens beschikbaar over de grootte van het ijzerver-
lies bij kinderen. De WHO gaat uit van de verliezen die optreden bij volwassenen
en berekent hieruit op basis van het metabool gewicht (kg”) de verliezen voor andere
leeftiidscategorieén (31). De commissie meent dat deze verliezen ook zouden kunnen
worden geëxtrapoleerd op basis van het lichaamsoppervlak.

Bij 13-14 jarige meisjes, 1-3 jaar post-menarche, bedroeg het gemiddelde verlies
aan ijzer tijdens de menstruatie 0,59 mg/dag (spreiding 0,18-1,49 mg/dag) (32).

Zwangerschap en lactatie.

De behoefte aan ijzer tijdens de zwangerschap is afhankelijk van de toeneming
van het bloedvolume, de hoeveelheid ijzer die wordt vastgelegd in de placenta en
de foetus en de normale dagelijkse behoefte van niet-menstruerende vrouwen.

De toeneming van het totale volume aan erytrocyten tijdens de zwangerschap
wordt geschat op 250 à 350 ml (18,33,34). Als wordt uitgegaan van een MCHC (mean
cellular hemoglobin concentration) van 30% en een gehalte van 3,38 mg ijzer per
g hemoglobine komt dit overeen met een hoeveelheid van 254-355 mg ijzer. Deze
hoeveelheid wordt bij een normale lichaamsvoorraad ijzer door het lichaam zelf
geleverd. Na de bevalling komt dit ijzer weer vrij voor herstel van de lichaamsvoorraad.
De netto ijzerbehoefte voor het toegenomen bloedvolume is nihil.

Het gemiddelde totale ijzergehalte van de placenta en het bloed in de placenta
blijkt te variëren van 33-76 mg (spreiding individuele waarden: 30-170 mg) (18). De
lichaamsvoorraad ijzer bij de voldragen foetus bedraagt gemiddeld 270 mg (21).
In totaal wordt dus ca. 300-350 mg ijzer vastgelegd tijdens de zwangerschap. Deze
hoeveelheid ijzer moet via de voeding worden gecompenseerd.

Bij vrouwen in India is een ijzerverlies als gevolg van bloedverlies bij de bevalling
gerapporteerd van gemiddeld 51 mg (25-94 mg). Bij een groep vrouwen waarvan
een aantal hypochrome anemie had, werd een gemiddeld verlies van 130 mg (28-403)
waargenomen (18). De WHO gaat uit van 250 mg ijzerverlies tijdens de bevalling.
Bij Nederlandse vrouwen is bij de bevalling een ijzerverlies van 200-+100 mg waargeno-
men (35). Deze hoeveelheid ijzer moet na de bevalling extra worden ingenomen.

Voorts moeten in de lactatieperiode de uitscheiding die plaatsvindt via de

moedermelk en de verliezen die onder normale omstandigheden optreden worden
gecompenseerd. Tijdens de lactatieperiode zal bij veel vrouwen geen menstruatie

185

</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>15.2.4.

ijzer

optreden. Het ijzergehalte van moedermelk bedraagt ca. 0,7 mg/l. Deze waarde geldt
voor de eerste weken en neemt in de loop van de lactatieperiode af tot een gemiddelde
waarde van 0,4 mg/l (36). Voor de gehele lactatieperiode bedraagt het ijzergehalte
van moedermelk gemiddeld 0,5 mg/l (36). Dit gehalte is waarschijnlijk niet afhankelijk
van het hemoglobinegehalte van de vrouw noch van de hoeveelheid ijzer die wordt
opgenomen.

Biologische beschikbaarheid.

Factoren in de voeding die de absorptie van ijzer beïnvloeden.

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar de mate waarin ijzer wordt
geabsorbeerd, heeft plaatsgevonden met afzonderlijke voedingsmiddelen. Voor de
ijzerabsorptie uit dierlijke produkten, uitgezonderd eieren, zijn waarden van globaal
10-15% gevonden (37). Door de verschillende interacties die kunnen plaatsvinden
tussen voedingsstoffen in verschillende voedingsmiddelen is de informatie over de
absorptie van ijzer uit afzonderlijke voedingsmiddelen slechts van beperkt belang.
Belangrijker zijn gegevens over de ijzerabsorptie uit totale dagvoedingen en maaltijden,
en de invloed van verschillende factoren in de voeding hierop. De factoren in de
voeding die in dit verband op dit moment het belangrijkst worden gevonden, zijn
vitamine C en vlees (en vis). Met name de absorptie van non-haem-ijzer wordt sterk
beïnvloed door deze factoren. Daarnaast zijn chemische/fysische factoren van belang,
zoals de pH van de voeding, de vorming van onoplosbare complexen in de voeding
en de valentie van het ijzerion.

In verschillende onderzoeken is vastgesteld dat vitamine C een positieve invloed
heeft op de absorptie van non-haem-ijzer, maar niet op die van haem-ijzer
(18,38,39,40,41). Van vlees en vis is in een aantal onderzoeken een bevorderend
effect op de ijzerabsorptie waargenomen. Vlees en vis verhoogden de ijzerabsorptie
in vergelijking met ovalbumine; toevoeging van vlees en vis stimuleerde de ijzerabsorp-
tie uit onder andere mais en zwarte bonen (41,42,43,44). Van het totale eiwitgehalte
in de voeding is geen effect op de ijzerabsorptie vastgesteld, evenmin als van het
totale vetgehalte (45,46,47).

Er zijn enkele aanwijzingen dat fructose de absorptie van ijzer stimuleert (48).
Deze aanwijzingen konden echter door de groep van Heinrich niet worden bevestigd
(49). Ook sommige organische zuren hebben in kleine hoeveelheden een positieve
invloed op de ijzerabsorptie (bijvoorbeeld citroenzuur). Het is nog niet duidelijk hoe
belangrijk dit effect is.

Fytinezuur oefent een remmend effect uit op de ijzerabsorptie (50). Bij de bereiding
van brood wordt tijdens het rijsproces fytinezuur afgebroken, waardoor de absorptie
van ijzer wordt verbeterd. Een remmend effect op de absorptie van ijzer is eveneens
beschreven van het tijdens de maaltijd consumeren van thee en koffie in hoeveelheden
van 250 mi. Deze dranken remden de totale ijzerabsorptie (haem- en non-haem)
met respectievelijk 62 en 35% (39,51).

Voorts is een vermindering van de ijzerabsorptie waargenomen wanneer vlees

werd vervangen door soja-eiwit, soja-produkten, kaas, melk of eieren (41 ‚52,53,54).
Toevoeging van zemelen had eveneens een remmend effect; verhoging van de

186

</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>ijzer

vezelopneming via een verhoogde consumptie van fruit en groenten had echter geen
effect op de ijzerbalans bij volwassenen (55,56,57). Opgemerkt moet worden dat
de waarde van de onderzoeken, die in dit verband zijn uitgevoerd en waarin het
effect van een éénmalige belasting wordt gemeten, betrekkelijk is, omdat geen rekening
kan worden gehouden met adaptatiemechanismen.

Uit de resultaten van onderzoek naar de beschikbaarheid van ijzer uit complete
maaltijden bleek het absorptiepercentage van non-haem-ijzer uit westerse maaltijden
die vlees bevatten, te variëren van 10-15%. Dit percentage was bij een vleesloze
maaltijd met een laag vitamine C gehalte slechts 2% en bij een maaltijd met zuurkool
45%. Afhankelijk van de samenstelling van het ontbijt zijn absorptiepercentages
waargenomen van 3-16%. Met name de gebruikte drank (thee ten opzichte van
sinaasappelsap) speelt hierbij een ro! (58,59,60).

Door de groep van Monsen is een rekenmodel ontwikkeld met behulp waarvan
de beschikbaarheid van ijzer uit een bepaalde maaltijd kan worden berekend (61).
Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de absorptie van haem-ijzer nauwelijks
wordt beïnvloed door de samenstelling van de voeding en slechts afhankelijk is van
de ijzerstatus volgens een omgekeerde logaritmische functie. Bij individuen met 0,
250, 500 en 1000 mg reserve-ijzer is de absorptie van haem-ijzer volgens dit
rekenmodel naar schatting respectievelijk 35, 28, 23en 15%. Het rekenmodel houdt
echter geen rekening met aspecten als de snelheid waarmee de maag wordt geleegd
en de verzadigingsgraad van de darmwand. Voorts zijn van de factoren die de
absorptie van non-haem-ijzer bevorderen alleen vlees en vitamine C in dit model
betrokken, omdat die voldoende zijn bestudeerd om een kwantitatieve schatting
van het effect te kunnen geven. Bij een hoeveelheid reserve-ijzer van 500 mg zou
volgens het rekenmodel de absorptie van non-haem-ijzer, afhankelijk van de
hoeveelheid vitamine C en vlees in een maaltijd variëren van 3-8%.

Op basis van het vitamine C gehalte en de hoeveelheid vlees in de gemiddelde
voeding in Nederland kan op basis van de onderzoeken met complete maaltij-
den/ontbijten worden afgeleid dat het absorptiepercentage van non-haem-ijzer ca.
8% zou bedragen en van haem-ijzer ca. 23% (59). De gemiddelde verhouding
haem:non-haem in de Nederlandse voeding wordt op 1:3 geschat. Uit deze verhouding
kan worden afgeleid dat het absorptiepercentage van ijzer voor de Nederlandse
voeding ca. 12% bedraagt. Voor een vleesloze voeding moet van een percentage
van ca. 8% worden uitgegaan.

De ijzerabsorptie uit moedermelk is hoog, namelijk 50%. Dit hoge percentage
wordt toegeschreven aan de stimulerende invloed van lactoferrine. Het absorptie-
percentage uit volledige zuigelingenvoeding zou afhankelijk van de hoeveelheid
toegevoegd ijzer variëren tussen 4 en 12% (16). De groep van Monsen gaat uit van
een absorptiepercentage van 5-10% (61), terwijl internationaal over het algemeen
een absorptiepercentage van 10% wordt gehanteerd.

Fysiologische factoren die de absorptie van ijzer beïnvloeden.

Naast factoren in de voeding zijn ook fysiologische factoren van invloed op
de ijzerabsorptie. In verschillende onderzoeken was de ijzerabsorptie hoger bij
personen met een ijzerdeficiëntie of ijzerdepletie. Er zijn ook aanwijzingen dat de
ijzerabsorptie hoger is bij bloeddonoren, bij personen die veel bloed hebben verloren

187

</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>15.2.5.

ijzer

en bij personen met een verminderde ijzervoorraad in het beenmerg. In veel onderzoe-
ken was de ijzerabsorptie bij vrouwen hoger dan bij mannen, waarschijnlijk als gevolg
van een slechtere ijzerstatus van de vrouwen veroorzaakt door de menstruatie. Hallberg
nam bij vrouwen tijdens de menstruatie een relatief hoge gemiddelde ijzerabsorptie
van 14% waar (59).

Er blijkt een zekere mate van zelfregulering te bestaan, die binnen bepaalde
grenzen een ernstig ijzertekort of overmaat tegengaat. Zo neemt bij de leeftijdscategorie
van V2 jaar, als gevolg van een daling van het hemoglobinegehalte van het bloed
(11-12 g per 100 mi) de absorptie van ijzer duidelijk toe.

Over de relatie tussen leeftijd en ijzerabsorptie zijn de resultaten van verschillende
onderzoeken niet consistent (59).

Voor zwangeren in het 2e en 3e trimester van de zwangerschap en voor lacteren-
den wordt, in verband met kleinere lichaamsvoorraad ijzer, uitgegaan van een absorptie-
percentage van ca. 16%. Voor meisjes in de adolescentieperiode, en kinderen met
een laag hemoglobinegehalte van 11 à 12 wordt uitgegaan van een absorptiepercenta-
ge van 14%.

Toxiciteit.

Hoewel de no-toxic effect level van ijzer voor de mens niet bekend is, lijkt de
toxiciteit van het ijzer in de voeding laag te zijn. Aangenomen wordt dat aan een
inneming van 50-75 mg/dag geen risico voor de gezondheid is verbonden (62).

Een acute ijzervergiftiging als gevolg van de inneming van ijzerpreparaten, is
met name bij kinderen waargenomen (4).

Ophoping van ijzer in de lichaamsweefsels (hemosiderose) kan optreden bij
een verhoogde absorptie bij een normale ijzerinneming, bij een aanzienlijk verhoogde
izerinneming of bij parenterale toediening van ijzer. Als tevens fibrotische veranderingen
in de lever optreden is er sprake van hemochromatose.

Gevaar voor het ontstaan van hemosiderose als gevolg van verhoogde absorptie
bestaat bijvoorbeeld bij personen met heterozygote thalassemie minor, indien in
verband met de lichte anemie die hierbij optreedt als therapie een ijzerpreparaat
wordt gegeven. Voorts kan verhoogde ijzerabsorptie tot hemosiderose leiden bij
hemolytische anemie, hemoglobinopathie en congenitale a-transferrinemie (zeldzaam).

Stapeling van ijzer in lichaamsweefsels als gevolg van een excessieve izerinneming
is vastgesteld in sommige gebieden van Afrika en bij langdurige overmatige consumptie
van rode wijn van slechte kwaliteit.

Bij personen die vaak een bloedtransfusie krijgen toegediend, kan eveneens
ophoping van ijzer in de weefsels plaatsvinden, met name in de lever en de nieren

(4).

188

</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>15.3.

15.3.1.

ijzer

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
inleiding.

Voor het vaststellen van de hoeveelheid ijzer die door het lichaam moet worden
opgenomen om verliezen te compenseren ten einde de lichaamsvoorraad op peil
te houden gaat de commissie uit van de resultaten van ijzerturnover-onderzoeken
en de bepaling van ijzerverliezen via de factoriële methode (zie §15.2.1).

Voor mannen worden deze verliezen gemiddeld op 0,9 mg ijzer/dag geschat;
voor post-menopausale vrouwen in verband met de relatief geringere vetvrije massa
op 0,8 mg ijzer/dag. Voor pre-menopausale vrouwen moeten bovendien de verliezen
als gevolg van de menstruatie worden gecompenseerd. Deze vertonen grote interindiv-
duele verschillen. Er zijn gemiddelde waarden van 0,3-1,35 mg/dag gerapporteerd.
Op grond hiervan kan het gemiddelde ijzerverlies als gevolg van de menstruatie

op 0,8 mg/dag worden geschat.

Voor een beperkte groep vrouwen met een groter dan gemiddeld ijzerverlies
als gevolg van de menstruatie zal het niet of nauwelijks mogelijk zijn om deze ijzerverlie-
zen via de voeding te compenseren. Voor deze groep is aanvulling via een profylacti-
sche dosis noodzakelijk.

De ijzsrverliezen op de kinderleeftijd zijn niet bekend. Deze verliezen kunnen
worden geschat door extrapolatie op basis van het metabool gewicht (kg”).

Het ijzerverlies tijdens de menstruatie wordt voor meisjes van 13-16 jaar op
0,6 mg/dag geschat.

De interindividuele variatie voor het verlies aan ijzer wordt door de commissie
geschat op gemiddeld ca. 20%.

De schattingen in de literatuur voor de ijzerbehoefte gedurende de groei zijn
niet consistent. De commissie gaat voor de behoefte tijdens groei uit van het verschil
in de lichaamsvoorraad ijzer op de verschillende leeftijden. De standaarddeviatie
voor de ijzerbehoefte gedurende de groei wordt gelijk gesteld aan die voor eiwit:
15%.

Tijdens de zwangerschap kunnen de ijzerverliezen gelijk worden gesteld aan
die van niet-menstruerende vrouwen (0,8 mg ijzer/dag). Voor de vorming van de
foetus en de placenta is tijdens de zwangerschap ca. 300-350 mg ijzer nodig. Deze
hoeveelheid moet tijdens de zwangerschap extra worden gecompenseerd om de
lichaamsvoorraad ijzer op peil te houden. Hierbij wordt uitgegaan van een verdeling
over de zwangerschapsperiode zoals die door de International Nutritional Anemia
Consultative Group is vastgesteld (1e trimester ca. 10%; 2e trimester ca. 40%; 3e
trimester ca. 60%) (63).

In de lactatieperiode moet de ijzeruitscheiding die plaatsvindt via de moedermelk
worden gecompenseerd, evenals het ijzerverlies dat is opgetreden als gevolg van
bloedverlies bij de bevalling. Door bloedverlies bij de bevalling gaat 50-250 mg ijzer
verloren. Bij een lactatieperiode van 3 maanden komt dit overeen met een verhoogde

189

</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>ijzer

behoefte van ca. 1,6 mg ijzer/dag. Via de moedermelk (800 ml/dag) gaat gemiddeld
0,6 mg izer/dag verloren. Bij veel vrouwen zal tijdens de lactatieperiode geen menstrua-
tie optreden. Dit betekent dat de overige ijzerverliezen gelijk zijn aan die bij niet-men-
struerende vrouwen (0,8 mg/dag).

Tabel 15.4, De gemiddelde hoeveelheden ijzer die vanuit de
voeding moeten worden geabsorbeerd ter compensatie van
verliezen, groel in mg per dag.

verliezen via
categorie/ groei totaal
leeftijd k zweet/
feces/urine | menstruatie
zuigelingen
0-% 0,3 0,15 0,45
Va-1 0,6 0,2 0,8
jongens
1-4 0,4 0,3 0,7
4-7 0,3 0,4 0,7
7-10 0,3 0,5 0,8
10-13 0,4 0,6 1,0
13-16 0,7 0,8 1,5
16-19 0,6 0,9 1,5
meisjes
1-4 0,4 0,3 0,7
4-7 0,3 0,4 0,7
7-10 0,3 0,5 0,8
10-13 0,5 0,6 1,1
13-16 0,2 0,7 0,6 1,5
16-19 0,2 0,8 0,8 1,8
mannen
19-22 0,2 0,9 1,1
>22 0,9 0,9
vrouwen
19-22 0,1 0,8 0,8 1,7
>22 0,8 0,8 1,6
post-menopauzaal 0,8 0,8
zwangeren
1e trimester 0,3 0,8 1,1
2e trimester 1,4 0,8 2,2
3e trimester 2,1 0,8 29
zogenden 3 maanden | 2,2 0,8 3,0

De hoeveelheden ijzer die vanuit de voeding moeten worden geabsorbeerd om de
verliezen te compenseren en in de behoefte gedurende de groei te voorzien, zijn
vermeld in tabel 15.4.

Door de variabele absorptie van ijzer uit de voeding is het vaststellen van de
minimumbehoefte niet eenvoudig. Een geringe verschuiving in het absorptiepercentage
heeft een duidelijke invloed op de vast te stellen behoefte. Voorts wordt erop gewezen
dat het lichaam via een aanpassing van de absorptie binnen bepaalde grenzen de
behoeftevoorziening reguleert. Een voorziening die ligt beneden het niveau van een

190

</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 195 ======================================================================

<pre>ijzer

aanbeveling, opgesteld op basis van het in standhouden van een voldoende ijzervoor-
raad, behoeft dus niet automatisch te leiden tot het optreden van tekorten in de voe-

dingstoestand.

Gezien de vele onzekerheden zijn de waarden voor de minimumbehoefte en
het adequate niveau van inneming door de commissie op gehele getallen afgerond.

Tabel 15.6. Adequaat niveau van in-
neming voor Ijzer”.

Tabel 45.5. Minimumhoeveelhe-
den ijzer per dag in te nemen

met de voeding, uitgaande van categorie/
een absorptiepercentage van leeftijd jr mg
ca 12. zuigelingen
categorie/ 0-% 54
leeftijd jr mg val 7
zuigelingen j
0-Va 4,5" oi 7
Val 6,5? 4-7 7
jongens 7-10 8
1-4 6 10-13 10
4-7 6 13-16 15
7-10 7 16-19 15
os hi meisjes
- 1-4 7
16-19 13 4-7 7
meisjes 7-10 8
1-4 6 10-13 1
4-7 ° 13-16 12%
zo A 16-19 143
13-16 112 "022° 1
16-19 132 22-50 9
mannen 50-65 9
1 222 9 265 9
222 8 vrouwen
vouwen M 19-22 16
2e 3 22-50 15
2 50-65 8
post-menopauzaal 7 >65 8
zwangeren zwangeren
1e trimester jaa 1e trimester 1
2 kl zen 2e trimester 15%
e trimester on 3e trimester 194
zogenden 3 maanden | 1 zogenden 3 maanden 209

1) Voor zuigelingen die met moe-

dermelk worden gevoed,
wordt de behoefte, op basis
van een absorptiepercentage

van 50 à 60 voor ijzer uit moe-

dermelk, op 0,4 mg per dag

geschat.

2) Bij een absorptiepercentage

van 14 (§15.2.4.2.).

3) Bij een absorptiepercentage

van 16 (§15.2.4.2.).

1) Hierbij is rekening gehouden met
15% variatie in de groei, 20% variatie
in de verliezen en 12% absorptie.

2) Geldt voor zuigelingen die niet wor-
den gevoed met moedermelk, waar-
bij wordt uitgegaan van een absorp-
tiepercentage van 10%. De hoeveel-
heid komt overeen met 0,9 mg per
kg lichaamsgewicht per dag.

3) Bij een absorptiepercentage van 14.

4) Bij een absorptiepercentage van 16.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 195 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 196 ======================================================================

<pre>15.3.2.

15.3.3.

15.4.

ijzer

Minimumbehoefte.

Voor het vaststellen van de minimumbehoefte is door de commissie uitgegaan
van de gemiddelde hoeveelheid ijzer die vanuit de voeding moet worden geabsorbeerd
om verliezen te compenseren en in de behoefte voor groei te voorzien. Deze hoeveelhe-
den zijn in $15.3.1. afgeleid en weergegeven in tabel 15.4.

Op grond van bovengenoemde gegevens is vervolgens met behulp van de
absorptiepercentages voor ijzer uit de gemiddelde Nederlandse voeding zoals afgeleid
in $15.2.4. de minimumbehoefte aan ijzer voor de verschillende leeftijdscategorieën
berekend (tabel 15.5).

Adequaat niveau van inneming.

Het adequate niveau van inneming is eveneens gebaseerd op de hoeveelheid
ijzer die vanuit de voeding moet worden geabsorbeerd om verliezen te compenseren
en in de behoefte voor groei te voorzien. Hierbij is met betrekking tot de verliezen
die in tabel 15.4 zijn weergegeven, uitgegaan van een variatiecoëfficiënt van 20%
voor variatie in individuele behoefte. Voor de waarden in deze tabel die gelden voor
de groeiperiode, is een standaarddeviatie van 15% gehanteerd. De verliezen voor
menstruatie, bevalling en lactatie worden, gezien de wijze van berekenen, als absolute
waarden beschouwd. Met betrekking tot de absorptiepercentages zijn geen variatiecoëf-
ficiënten gehanteerd.

In tabel 15.6 is voor de verschillende leeftijdscategorieën een overzicht gegeven
van het adequate niveau van inneming.

LITERATUUR

1. Finch CA, Huebers H. Perspectives in iron metabolism. New Eng! J Med 1982; 306: 1520-8.

2. Finch CA, et al. Iron deficiency in the rat. Physiological and biochemical studies of muscle dysfunction. J
Clin Invest 1976; 58: 447-53.

3. Finch CA, et al. Lactic acidosis as a result of iron deficiency. J Clin Invest 1979; 64: 129-37.

4 Prasad AS. Trace elements and iron in human metabolism. New York: Plenum Medical Book Company,
1978.

5. Sümes MA, et al. Manifestation of iron deficiency at various levels of dietary iron intake. Am J Clin Nutr 1980;
33: 570-4.

6. Dillman E, et al. Hypothermia in iron deficiency due to altered triiodothyronine metabolism. Am J Physiol
1980; 239: R377-81.

7. Mackler B, et al. Iron deficiency in the rat: biochemical studies of brain metabolism. Pediat Res 1978; 12:
217-20.

8. Pollitt E, Leibel RL. Iron deficiency: Brain biochemistry and behavior. New York: Raven Press, 1982.

9. Barton JC, et al. Effects of iron on the absorption and retention of lead. J Lab Clin Med 1978; 92: 536-47.

10. _ Flanagan PR, et al. Increased dietary cadmium absorption in mice and human subjects with iron deficiency.
Gastroenterology 1978; 74: 841-6.

11. _ Chandra RK Iron and immunocompetence. Nutr Rev 1976; 34: 129-32.

12. WHO. Control of nutritional anemia with special reference to iron deficiency. WHO Techn Rep Series 580.
Geneva: WHO, 1975.

13. Viteri FE, Torün B. Anaemia and physical work capacity. Clin Haemat 1974; 3: 609-26.

14. Scrimshaw NS, Functional consequences of iron deficiency in human populations. J Nutr Sci Vitamino! 1984;
30: 47-63.

15. _ Chandra RK Iron, immunity and infection: is there a causal link? Food Nutr Bull 1981; 3: 49-52.

16. Mevissen-Verhage EAE. The intestinal flora of breast-fed and bottle-fed infants: A focus on the role of iron.
Utrecht: Proefschrift, 1986.

192

</pre>

====================================================================== Einde pagina 196 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 197 ======================================================================

<pre>ijzer

Cook JD, Finch CA. Assessing iron status of a population. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2115-9.

Bowering J, et al. A conspectus of research on iron requirements of man. J Nutr 1976; 106: 985-1074.
Jacob RA, et al. Whole body surface loss of trace metals in normal males. Am J Clin Nutr 1981; 34: 1379-83.
Erdman-Müller GJ, et al. Untersuchungen der Eisenausscheidung durch die Haut. Klin Wochschr 1953;
31: 719.

Widdowson EM, Spray CM. Chemical development in utero. Arch Dis Child 1951; 26: 205-14.

Dallman PR. Iron deficiency in the weanling: a nutritional problem on the way to resolution. Acta Paediatr
Scand 1986; suppl 323: 59-67.

Stekel A. Iron requirements in infancy and childhood. In: Stekel A, ed. Nutrition in infancy and childhood.
New York: Nestle, Raven Press, 1984: 1-10.

Oski FA. Iron needs in the first two years of life. Pediatr Nutr Rev 1983; 1: 1-7.

Sjölin S, Wranne L Iron requirements during infancy and childhood. In: Occurrence, causes and prevention
of nutritional anemias. Symposia of Swedish Nutritional Foundation 6. Uppsala: Almquist & Wiksell, 1968:
148-54,

Smith NJ, Rios E. Iron metabolism and iron deficiency in infancy and childhood. in: Schulman |, ed. Advances
in pediatrics. Vol. 21. Chicago: Year Book Medical Publishers, 1974: 239-80.

Finch CA. lron metabolism. In: Present knowledge in nutrition. New York: Nutrition Foundation, 1976; 280-9.
Fomon SJ. Infant nutrition. Philadelphia: Saunders, 1974.

Smith CA, Nelson NM. The physiology of the newborn infant. Springfield: Thomas Publications, 1976.
Roede MJ, Van Wieringen JC. Growth diagrams 1980, Netherlands, third nation-wide survey. Tijdschr Soc
Geneesk 1985; 63 Suppl: 1-34.

FAO/WHO. Requirements of ascorbic acid, vitamin D, vitamin B,,, folate and iron. WHO Techn Rep Series
452, Geneva: WHO,1970.

Schlaphoff D, Johnston FA. The iron requirement of six adolescent girls. J Nutr 1949; 39: 67-82.
Chesley LC. Plasma and red cell volume during pregnancy. Am J Obstet Gynaecol 1972; 112: 440-50.
Hytten FE, Leitch |. The physiology of human pregnancy. Blackwell Scientific Publications, 1971.

Van den Berg H, Bruinse HW. On the role of nutrition in normal human pregnancy. Utrecht: Proefschrift,
1983.

Jonxis JHP. De voeding van de gezonde zuigeling en peuter. Deel 2 - De ijzerbehoefte. Voeding 1984; 45:
201-2.

Callendar ST, et al. Eggs and iron absorption. Br J Haematol 1970; 19: 657-65.

International Nutritional Anemia Consultative Group. The effects of cereals and legumes on iron availability.
Nutrition Foundation, 1982.

Haliberg L, Rossander L. Effect of different drinks on the absorption of nonheme iron from composite meals.
Human Nutr: Appl Nutr 1982; 36A: 116-23.

Sayers MH, et al. iron absorption from rice meals cooked with fortified salt containing ferrous sulfate and
ascorbic acid. Br J Nutr 1974; 31: 367-75.

Cook JD, Monsen ER. Foodiron absorption in human subjects. Ill. Comparison of the effect of animal proteins
on nonheme iron absorption. Am J Clin Invest 1976; 29: 859-67.

Layrisse M, et al. Effect of interaction of various foods oniron absorption. Am J Clin Nutr 1968; 21: 1175-83.
Martinez-Torres C, Layrisse M. Iron absorption from veal muscle. Am J Clin Nutr 1971; 24: 531-40.
Martinez-Torres C, et al. Iron absorption by humans from veal liver. J Nutr 1974; 104: 983-93.

Mahallco JR, et al. Effect of a moderate increase in dietary protein on the retention and excretion of Ca,
Cu, Fe, Mg, P and Zn by adult males. Am J Clin Nutr 1983; 37: 8-14.

Abernathy RP, et al. Iron absorption in preadolescent children. J Nutr 1965; 85: 265-70.

Van Dokkum W, et al. Effect of variations in fat and linoleic acid intake on the calcium, magnesium and iron
balance of young men. Ann Nutr Metab 1983; 27: 361-9.

Brodan V, et al. influence of fructose on iron absorption from the digestive system of healthy subjects. Nutr
Dieta 1967; 9: 263-70.

Heinrich HC, et al. Nahrungs-Eisenresorption aus Schweine-Fleisch, -Leber und Hamoglobin bei Menschen
mit normalen und erschöpften Eisenreserven. Untersuchungen zur diatetischen Eisen-prophylaxe und Therapie.
Klin Wochschr 1971; 49: 819-25.

Cramwinckel AB. Onderzoek naar bestanddelen van de voeding die een remmende invoed op de ijzerretentie
hebben. Wageningen: Proefschrift, 1972,

Disler PB, et al. The effect of tea on iron absorption. Gut 1975; 16: 193-200.

Cook JD, et al. The inhibitory effect of soy products on nonheme iron absorption in man. Am J Clin Nutr
1981; 34: 2622-9,

Hallberg L, Rossander L. Effect of soy protein on nonheme iron absorption in man. Am J Clin Nutr 1982;
36: 514-20.

Lynch SR, et al. Soy protein products and heme iron absorption in humans. Am J Clin Nutr 1985; 41: 13-20.
Simpson KM, et al. The inhibitory effect of bran on iron absorption in man. Am J Clin Nutr 1981; 34: 1469-78.
Björn-Rasmussen E, et al. Food iron absorption in man. Applications of the two-pool extrinsic tag method
to measure heme and nonheme iron absorption from the whole diet. J Clin invest 1974; 53: 247-55.
Kelsay JL, et al. Effect of fiber from fruits and vegetables on metabolic responses of human subjects. Ii.
Calcium, magnesium, iron and silicon balances. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1876-80.

193
</pre>

====================================================================== Einde pagina 197 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 198 ======================================================================

<pre>ijzer

58. Rossander L, et al. Absorpion of iron from breakfast meals. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2484-9.

59. Hallberg L. Bioavailability of dietary iron in man. Ann Rev Nutr 1981; 1: 123-47,

60. _ Hallberg L, Rossander L. Absorption of iron from Western-type lunch and dinner meals. Am J Clin Nutr 1982;
35: 502-9,

61. . Monsen ER, et al. Estimation of available dietary iron. Am J Clin Nutr 1978; 31: 134-41,

62. Finch CA, Monsen ER. Iron nutrition and the fortification of food with iron. J Am Med Ass 1972; 219: 1462.

63. _ International Nutritional Anemia Consultative Group. iron deficiency in women. Nutrition Foundation, 1981.

64. _Leibel RL Behavioral and biochemical correlates of iron deficiency. J Am Diet Ass 1977; 71: 398-404.

65. Finch CA, Loden B. Body iron exchange in man. J Clin Invest 1959; 38: 392-6,

66. Green R, et al. Body iron excretion in man. A collaborative study. Am J Med Ass 1968; 45: 336-53,

194

</pre>

====================================================================== Einde pagina 198 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 199 ======================================================================

<pre>16. Calcium

16.1. INLEIDING
16.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
16.1.2. Fysiologische betekenis
16.1.3. Deficiëntieverschijnselen
16.1.4. Bepaling van de calciumstatus

16.2. CALCIUMBEHOEFTE
16.2.1. Volwassenen
16.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
16.2.3. Zwangerschap en lactatie
16.2.4. Factoren in de voeding die de behoefte aan calcium
beïnvloeden
16.2.5. Andere factoren die de behoefte aan calcium beïnvloeden
16.2.6. Biologische beschikbaarheid
16.2.7. Relatie calciuminneming, botdichtheid en fractuurfrequentie
16.2.8. Toxiciteit

16.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
16.3.1. Minimumbehoefte
16.3.2. Adequaat gebied van inneming

16.4. LITERATUUR

195

197
197
197
197
198

198
198
200
201

202
204
205
206
206

207
207
207

209

</pre>

====================================================================== Einde pagina 199 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 200 ======================================================================

<pre>calcium

196

</pre>

====================================================================== Einde pagina 200 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 201 ======================================================================

<pre>16.1.

16.1.1.

16.1.2.

16.1.3.

calcium

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Calcium (Ca, atoommassa 40,1) is een tweewaardig metaal. Calciumzouten
(fosfaten) vormen een belangrijke structurele component van het skelet. Dit hangt
samen met de geringe oplosbaarheid van deze zouten. In de stofwisseling vertonen
calciumionen een sterke interactie met kalium-, natrium- en magnesiumionen.

Melk en melkprodukten zijn de belangrijkste bron van calcium in de westerse
voeding. Voorts bevatten een aantal groenten, noten en peulvruchten relatief veel

calcium (1).

Fysiologische betekenis.

Het lichaam van een volwassen man bevat ca. 1200 g calcium waarvan ca.

99% zich in het skelet bevindt, hoofdzakelijk in de vorm van hydroxyapatiet

(Ca,o(PO,).(OH).). Het restant bevindt zich in tanden en kiezen en in de lichaamsvloei-
stoffen.

Behalve als structurele component van het skelet zijn calciumionen betrokken
bij zeer veel fysiologische processen zoals bij de bloedstolling, de overdracht van
zenuwprikkels, de spiercontractie, de activering van enzymen, de secretie en activering
van hormonen, de celgroei en de celdifferentiatie (2).

De absorptie van calcium in de darm kan worden beschouwd als de som van
een actief (verzadigbaar) en een passief (niet-verzadigbaar) proces. Het actieve proces
is afhankelijk van de toevoer van vitamine D en vindt met name plaats in het proximale
deel van de dunne darm. Het passieve proces heeft meer distaal in de darm plaats
en is in belangrijke mate afhankelijk van de intraluminale calciumconcentratie.

Calcium wordt uitgescheiden met de urine en de feces. Naast het niet ge-
absorbeerde calcium uit de voeding bevat de feces calcium afkomstig van spijsver-
teringssappen en afgestoten slijmvliescellen (endogeen calcium). In verband hiermee
wordt een werkelijke en een schijnbare absorptie onderscheiden. De werkelijke
absorptie is de hoeveelheid calcium die na het passeren van de darmwand in de
circulatie wordt opgenomen. De schijnbare absorptie is het verschil tussen de calcium-
inneming via de voeding en de uitscheiding via de feces.

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Eentekort aan calcium leidt tot hypocalciëmie, secundaire hyperparathyroidie,
verhoogde produktie van 1,25-dihydroxy-vitamine D, ontkalking van het skelet,
gebrekkige mineralisatie en tenslotte tot osteoporose (3,4, 5,6,7). De hyperparathyroidie
veroorzaakt een verhoogde botresorptie met als gevolg een hoge uitscheiding van
hydroxyproline (afkomstig van collageenafbraak) met de urine. Aan de hand van
het hydroxyprolinegehalte van de urine kan de mate van botafbraak worden afgeleid.

197

</pre>

====================================================================== Einde pagina 201 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 202 ======================================================================

<pre>16.1.4.

16.2.

16.2.1.

calcium

In de klassieke onderzoeken van onder andere Sherman, Campbell en Mitchell in
de jaren 1920-1940 is aangetoond dat jonge ratten op voeders met zeer weinig calcium
ernstige groeistoornissen vertonen en na ca 6 weken sterven (8). Bij jonge ratten
op voeders met weinig calcium werden groeistoornissen met rachitische verschijnselen
waargenomen. De tweede generatie van deze dieren had bij de geboorte slechts
75-80% van de normale lichaamsvoorraad calcium. Deze dieren konden wel overleven,
maar zich niet voortplanten.

Bij de mens.

Calciumdeficiëntie komt bij de mens zelden voor. Dit wordt veroorzaakt door
de relatief langzame groei. Bij kinderen is een aantal malen calciumdeficiëntie
gerapporteerd (9,10,11). De verschijnselen leken op die van rachitis en traden op
bij een calciuminneming van ca. 125 mg/dag. Het is niet duidelijk of osteoporose
bij de mens (mede) een gevolg is van een calciumtekort in de voeding.

Bepaling van de calciumstatus.

Het calciumniveau in serum en interstitiële vloeistof wordt binnen nauwe grenzen
gehouden (2,2-2,6 mmol/l). Dit gebeurt via de geïntegreerde werking van bij-
schildklierhormoon, calcitonine en metabolieten van vitamine D op de absorptie van
calcium in de darm, op de uitscheiding van calcium door de nieren en op de accretie
en resorptie van calcium bij de botstofwisseling. Het calciumgehalte van de intracellu-
laire vloeistof is laag. Bij calciumdeficiëntie wordt calcium aan het skelet onttrokken
om op deze wijze de calciumconcentratie in het plasma te handhaven.

Het calciumgehatte van het plasma geeft geen juist beeld van de calciumstatus.
De calciumstatus kan alleen worden vastgesteld door het bepalen van de hoeveelheid
calcium in het bot. Methoden hiervoor zijn bijvoorbeeld de histomorfometrie (van
een botbiopt), de fotonabsorptiometrie en de meting van de totale hoeveelheid calcium
in het lichaam na neutronenactivering en computertomografie.

CALCIUMBEHOEFTE
Volwassenen.

Balansonderzoeken.
De resultaten van de belangrijkste calciumbalansonderzoeken zijn vermeld in

tabel 16.1.

In onderzoeken bij in hoofdzaak jonge volwassenen varieerde de uit de balans
afgeleide calciumbehoefte van 3,3 tot 12,5 mg/kg lichaamsgewicht per dag. De calcium-
behoefte bedroeg gemiddeld 8,4 mg/kg lichaamsgewicht/dag, hetgeen overeenkomt
met ca. 600 mg/dag voor mannen en ca. 500 mg/dag voor vrouwen. In onderzoeken
bij oudere volwassenen varieerde de uit de balans afgeleide calciumbehoefte van
gemiddeld 830 tot 1700 mg/dag.

Op grond van een analyse van 212 calciumbalansen bij 84 personen komt de
groep van Marshall tot de conclusie dat bij een inneming van minder dan 600 mg/cal-

198

</pre>

====================================================================== Einde pagina 202 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 203 ======================================================================

<pre>cium/dag de meeste van deze balansen
negatief zijn (12). Wanneer als criterium

calcium

Tabei 16.1. Calclumbehoefte van volwassenen op
basis van resultaten van balansonderzoekingen.

voor een echt negatieve balans een ba- | 4, | , | omechriving AAA
lans van meer dan 30 mg/dag negatief | nemers maldag| moe
werd genomen, bleek bij een inneming
van minder dan 500 mg calcium per m | 107 | volwassenen 9,75
dag, 50% van de balansen aan dit crite- m | 19 [jongvolwassenen | 644 | 9,2
rium te voldoen. Bij een inneming van ?_| 19 [long volwassenen 74
900 mg/dag voldeed slechts 5%vande | m*Y | 7 |iengvowessenen | 662 | 107
balansen aan dit criterium. 124 | jong volwassenen | 810 | 125
9 | jong volwassenen 750

In een onderzoek van Malm bij 26 m | 10 |volwassenen 200 | 33
personen werd nadat zij zich aan een m | 23 | vowassenen 40 | 81
calciumarme voeding hadden aange- | "*” A maasse voor 24
past, een gemiddelde calciumbehoette KAA EEG |ouseen wos | 167
bepaald van 440 mg/dag (spreiding 337- y 9 |ouderen 900 |
617) (13). Bij één persoon vond geen v | 136 | ouderen 830
aanpassing plaats aan de calciumarme y 18 |ouderen 1700
voeding. De calciumbehoette bij deze v | 41 [post-menopauzaal| 1504
persoon werd bepaald op 890 mg/dag.
Omdat de calciumbehoefte bij de oudere Bron: (19)

proefpersonen hoger was dan bij de
jongere proefpersonen bestond de indruk dat bij de ouderen de adaptatie aan de

calciumarme voeding geringer was.

Uit onderzoek bij groepen pre- en postmenopauzale vrouwen bleek bij een
gemiddelde calciuminneming van 660 mg calcium/dag in beide groepen de calcium-
balans gemiddeld licht negatief te zijn (14,15,16,17). Bij de groep premenopauzale
vrouwen werd berekend dat bij een inneming van gemiddeld 990 mg calcium/dag
de calciumbalans in evenwicht zou zijn. Bij de groep postmenopauzale vrouwen
was de balans door een hogere calciumuitscheiding met de urine en een lagere
absorptie van calcium in de darm meer negatief. Voor deze groep werd berekend
dat een inneming van gemiddeld 1500 mg calcium/dag nodig zou zijn om de balans
in evenwicht te brengen.

Factoriële methode.

Endogeen calcium dat in de darm wordt uitgescheiden, wordt bij een lage
calciumvoorziening met de voeding gedeeltelijk weer gereabsorbeerd. Het gevolg
is dat de hoeveelheid endogeen calcium die met de feces wordt uitgescheiden
toeneemt (tot ca. 150 mg/dag) bij een toenemende hoeveelheid calcium in de voeding.
Bij een zeer lage calciuminneming van 75-175 mg/dag bedraagt de endogeen-fecale
calciumexcretie ca. 85 mg/dag (18,19). De calciumuitscheiding in de urine bedraagt
bij een theoretisch calciumvrije voeding ca 100 mg/dag, tenminste zolang het
calciumgehalte van het plasma niet lager wordt dan de ondergrens van de normaal-
waarde (2,20 mmol/l) (12). Het calciumverlies via de huid, dat in balansonderzoeken
meestal wordt verwaarloosd bedraagt ca. 10 mg/dag (20).

Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de endogene verliezen minimaal
ca. 200 mg/dag bedragen. In combinatie met gegevens over de werkelijke absorptie

199
</pre>

====================================================================== Einde pagina 203 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 204 ======================================================================

<pre>16.2.2.

calcium

van calcium in de darm (zie §16.2.6.) kan hieruit de minimumbehoefte aan calcium
worden afgeleid.

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Er zijn slechts weinig gegevens bekend over de calciumbehoefte bij zuigelingen,
kinderen en adolescenten. Resultaten van balansonderzoeken verschaffen weinig
of geen inzicht in de calciumbehoefte van deze categorieën. Doordat de calciumbalans
bij deze groepen per definitie positief is, is deze in het kader van het vaststellen van
de calciumbehoette moeilijk te interpreteren. Wel is het mogelijk om op basis van
een factoriële methode een indruk te krijgen over de behoefte. Bij de door de
commissie gehanteerde methode worden per leeftijdscategorie berekeningen gemaakt
van de hoeveelheid calcium die tijdens de groei in het lichaam wordt vastgelegd
(calciumaccretie) en van de gemiddelde calciumuitscheiding met de urine. Omdat
er geen gegevens zijn om de omvang van de endogeen-fecale calciumuitscheiding
per leeftijdscategorie te berekenen, wordt gebruik gemaakt van schattingen voor
de schijnbare absorptie van calcium. Hierin zijn namelijk de endogeen-fecale calciumver-
liezen verdisconteerd. Bij het schatten van deze absorptiepercentages wordt rekening
gehouden met het feit dat bij een verhoogde calciumbehoefte het absorptiepercentage
toeneemt (21).

Bij de berekeningen van de hoe- — Tabel 16.2. Toeneming van botmineraalgehaite,
veelheid calcium die in het lichaam wordt lichaamsgewicht en lichaamsvoorraad calcium.

vastgelegd, wordt ervan uitgegaan dat categorie/ | botmineraal- | lichaams- | lichaamsvoor-
deze hoeveelheid bij de geboorte 9 g lense oer radius avi põ
calcium/kg lichaamsgewicht bedraagt. 57 507.015 ST 905,5
Bij volwassen mannen wordt uitgegaan Ve 0,15-0,46 7-22 9,5-11,5
van een hoeveelheid calcium van 17 g/kg 7.10 0,46-0,60 | 22-35 11,5-124
lichaamsgewicht, bij volwassen vrouwen meisjes

van een hoeveelheid van 15 g calcium/kg 10-16 | 057-087 | 3557 | 122-142
lichaamgewicht (22). Voor de tussenlig- 16-19 | 0,87-0,93 | 57-59 14,2-14,6
gende leeftijdscategorieën zijn hierover jongens

geen gegevens beschikbaar. Wel kan 10-16 0,64-1,08 35-64 12,7-15,6
voor deze groepen met behulp van li- 16-19 1,08-1,25 64-72 15,6-16,7

neaire interpolatie een schatting worden
gemaakt op basis van detoeneming van _ * Bron: (23)

het mineraalgehalte van de radius. Dit

gehalte neemt toe van ca. 0,07 g/cm radius bij de geboorte tot 1,30 g/cm radius
bij volwassen mannen en 1,00 g/cm radius bij volwassen vrouwen (23). De op deze
wijze geschatte calciumgehalten per kg lichaamsgewicht voor de verschillende leeftijds-
categorieën worden vermeld in tabel 16.2. Met behulp van het lichaamsgewicht kan
vervolgens de calciumaccretie per leeftijdscategorie worden berekend (tabel 16.3).

De calciumuitscheiding met de urine wordt berekend door extrapolatie van de
uitscheiding bij volwassenen op basis van het metaboolgewicht (lichaamsgewicht”).
De uitscheiding bij volwassenen wordt geschat op 150 mg/dag, hetgeen overeenkomt
met 6 mg/kg metaboolgewicht (12). De op deze wijze berekende uitscheiding van
calcium met de urine bij de verschillende leeftijdsgroepen is vermeld in tabel 16.3.
In deze tabel wordt tevens een overzicht gegeven van de door de commissie gekozen
trajecten voor de schijnbare absorptie.

200

</pre>

====================================================================== Einde pagina 204 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 205 ======================================================================

<pre>16.2.3.

calcium

Zuigelingen.

Het calciumgehalte van moedermelk bedraagt gemiddeld ca. 300 mg/l (1,24).
De beschikbaarheid van calcium uit moedermelk is hoog, hetgeen wordt veroorzaakt
door een hoog lactosegehalte en een verhoudingsgewijs laag gehalte aan eiwit,
fosfaat en natrium (zie §16.2.4.). Bij een inneming van 800 ml moedermelk per dag
bedraagt de calciumvoorziening van de zuigeling ca. 240 mg calcium/dag. Uit tabel
16.3 blijkt dat voor de leeftijdscategorie van 0-2 jaar de accretie kan worden berekend

op 192 mg/dag (25).

De beschikbaarheid van calcium Tabel 16.3. Accretie, excretie met de urine en
uit flesvoeding is lager dan die uit moe- tehlinbare absorptie van calcium.

dermelk. In een onderzoek van Ziegler | “stegcne/ | cele excretie | schijnbare

A M eeftijd mg/dag met urine absorptie
en Fomon werd een gemiddelde schijn- k mg/dag %
bare absorptie vastgesteld van 48% bij om 192 20 7050
Zuigelingen die werden gevoed met een Ve? 93 44 25-35
lactose-bevattende volledige zuigelingen- 7-10 118 74 25-35
voeding (26). Een schijnbare absorptie meisjes
van 40-50% wordt, gelet op de hoge 10-16 175 105 30-40
calciumbehoefte gedurende de groei, 16-19 36 126 25-35
tot de leeftijd van % jaar reëel geacht. jongens

10-16 253 111 30-40

Kinderen. 16-19 140 142 25-35

De berekende calciumaccretie
bedraagt voor de leeftijd van ¥2-10 jaar = 1) Geldt voor zuigelingen die niet worden gevoed
90-120 mg/dag (tabel 16.3). Deze waar- met moedermelk.
den komen goed overeen met berekeningen van de American Academy of Pediatrics,
die op grond van resultaten van fotonabsorptiometrisch onderzoek van de metacarpale
cortex voor deze leeftijdscategorie uitkomt op een calciumaccretie van 80-120 mg/dag
(22). Omdat in de leeftijd van %2-10 jaar beduidend minder calcium per dag wordt
vastgelegd, wordt de schijnbare absorptie geschat op 25-35%.

Adolescenten.

Tijdens de groeispurt wordt beduidend meer calcium in het lichaam vastgelegd
dan tijdens de jaren die aan deze periode voorafgaan. In verband hiermee wordt
voor de leeftijdscategorie van 10-16 jaar uitgegaan van een schijnbare absorptie
van 30-40%. Voor meisjes in de leeftijd van 10-16 jaar bedraagt de calciumaccretie
gemiddeld 175 mg/dag (tabel 16.3). Tijdens de piek van de groeispurt zou de accretie
210-240 mg calcium/dag bedragen (22). Voor jongens in de leeftijd van 10-16 jaar
is een gemiddelde calciumaccretie berekend van 253 mg/dag (tabel 16.3). Door
de American Academy of Pediatrics wordt voor deze groep voor de piek van de
groeispurt een traject opgegeven van 290-400 mg calcium/dag (22). Na de groeispurt
is de accretie verminderd tot gemiddeld 36 mg calcium/dag bij vrouwen en 140 mg/dag
bij mannen. Aangenomen wordt dat de schijnbare absorptie afneemt tot 25-35%.

Zwangerschap en lactatie.

Gedurende de zwangerschap wordt door de foetus gemiddeld 27 g calcium
vastgelegd, het grootste deel hiervan in het laatste trimester.

201

</pre>

====================================================================== Einde pagina 205 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 206 ======================================================================

<pre>16.2.4,

calcium

De calciumaccretie door de foetus gedurende de laatste 6 maanden van de
zwangerschap kan worden berekend op 150 mg/dag.

In onderzoek is gebleken dat na de 20e week van de zwangerschap bij een
gelijkblijvende calciuminneming van 760 mg/dag de absorptie toeneemt met 150
mg/dag (27). Dit duidt erop dat de zwangere vrouw door een verhoogde calcium-
absorptie in de extra calciumbehoefte kan voorzien.

De calciumuitscheiding via moedermelk bedraagt gemiddeld ca. 240 mg/dag.
Aangenomen wordt dat tijdens de lactatieperiode de absorptie van calcium is verhoogd.
Het is echter niet duidelijk of een inneming van 700-900 mg calcium/dag voldoende
is om de uitscheiding met de moedermelk volledig te compenseren (22).

Factoren in de voeding die de behoefte aan calcium beïnvloeden.

Vitamine D.

Vitamine D is essentieel voor de calciumabsorptie in de darm. Bij een geringe
calciuminneming wordt de omzetting van 25-hydroxy-vitamine D in 1,25-dihydroxy-
vitamine D in de nieren gestimuleerd, waarna deze laatste metaboliet zich bindt aan
receptoren in het slijmvlies van duodenum en jejunum. Dit veroorzaakt de vorming
van een aantal membraan-gebonden calciumbindende eiwitten en één niet-membraan-
gebonden calciumbindend eiwit. Het resultaat is een verhoogd actief calciumtransport.
Dit vitamine D afhankelijke transport maakt aanpassing aan een calciumarme voeding
mogelijk. Een suboptimale vitamine D status zal de behoefte aan calcium doen
toenemen (28).

Fosfaat en eiwit.

Uit een groot aantal onderzoeken is gebleken dat fosfaat in de vorm van
orthofosfaat of glycerolfosfaat bij volwassenen geen significante invloed heeft op
de calciumabsorptie of op de calciumbalans (29). Polyfosfaat bleek de calciumabsorptie
te verminderen (30).

Fosfaat verlaagt de calciumuitscheiding met de urine. Het is vrijwel zeker dat
dit wordt veroorzaakt door stimulering van de bijschildklierhormoonsecretie (31).
Bij proefdieren zou deze stimulering worden veroorzaakt door complexvorming van
endogeen-calcium met fosfaat in de darm en een daaropvolgende lichte daling van
de plasmacalciumconcentratie (32). Ouderen hebben doorgaans een slechtere nier-
functie en een lagere calciumabsorptie. Bij hen zal een fosfaatrijke voeding (sneller
dan bij de jonge volwassene) secundaire hyperparathyroidie en verhoogde botresorptie
tot gevolg hebben (zie $16.2.5.) (29). Het is waarschijnlijk dat op hogere leeftijd het
remmend effect van fosfaat op de calciumuitscheiding door de nieren verdwijnt.

Door een hoge inneming van eiwit neemt de calciumuitscheiding met de urine
toe. Dit wordt veroorzaakt door een toeneming van de glomerulusfiltratiesnelheid
en een verminderde tubulaire reabsorptie van calcium in de nieren (31). Dit laatste
hangt samen met een verhoogde uitscheiding van sulfaat, afkomstig van de oxydatie
van zwavelhoudende aminozuren. In onderzoek bij jonge volwassenen is gebleken
dat, wanneer aan een voeding met ca. 500 mg calcium en ca. 45 g eiwit gezuiverde
eiwitten worden toegevoegd tot een totale hoeveelheid van >95 g, de calciumbalans

202

</pre>

====================================================================== Einde pagina 206 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 207 ======================================================================

<pre>calcium

negatief wordt. Bij een hoge eiwitinneming (142 g/dag) bleek de calciumbalans negatief
te zijn, onafhankelijk van het calciumgehalte van de voeding (33). Omdat eiwitrijke
voedingsmiddelen van nature veel fosfaat bevatten, zal een hoge eiwitconsumptie
meestal samengaan met een hoge inneming van fosfaat. Er werd al gesteld dat fosfaat
de calciumuitscheiding met de urine verlaagt. Gebleken is dat deze remmende werking
van fosfaat onvoldoende is om de hypercalciuretische werking van eiwit volledig
te compenseren (34). Geconcludeerd kan worden dat eiwit de behoefte aan calcium
verhoogt. Het is echter niet bekend in welke mate en in hoeverre het negatieve effect
van een hoge eiwitinneming op de calciumstofwisseling kan worden gecompenseerd
door een extra inneming van calcium en fosfaat.

Natrium.
Evenals eiwit verhoogt natrium de calciumuitscheiding met de urine (35). Bij

proefdieren bleek dit een negatieve calciumbalans tot gevolg te hebben en te leiden
tot ontkalking van het skelet (36). Bij jonge volwassenen kon de verhoogde
calciumuitscheiding met de urine worden gecompenseerd door een verhoging van
de calciumabsorptie in de darm als gevolg van stimulering van de secretie van
bijschildklierhormoon en 1,25-dihydroxy-vitamine D (37). Het is niet uitgesloten dat
bij ouderen dit compensatiemechanisme niet toereikend is. Hierdoor zou een hoog
gebruik van keukenzout de calciumbehoefte verhogen.

Voedingsvezel, fylaat en oxalaat.

Voedingsvezel, fytaat en oxalaat kunnen de absorptie van calcium en andere
metalen (magnesium, ijzer, zink) verminderen door vorming van onoplosbare metaal-
complexen in de darm (38,39). Het is nog onduidelijk of deze stoffen, in hoeveelheden
zoals die in een gevarieerde voeding voorkomen, op langere termijn de calciumbaians
of de botmassa beïnvloeden.

Voorts kunnen zemelen een negatief effect hebben op de botmineralisatie. Dit
effect, dat door vitamine D kan worden tegengegaan, berust vermoedelijk op een
verhoogde fecale uitscheiding van vitamine D metabolieten (40).

Lactose.

Lactose verhoogt de passieve absorptie van calcium (26). De werking berust
vermoedelijk op een interactie tussen lactose en de luminale membraan van het
darmslijmvlies, die tot gevolg heeft dat de permeabiliteit van de membraan toeneemt
(41). Dit effect van lactose beperkt zich niet tot calcium. Ook de absorptie van andere
metalen (magnesium, mangaan en vermoedelijk ook zink) wordt door lactose bevorderd
(26,42). Door het gunstige effect op de calciumabsorptie draagt lactose bij tot de
anti-rachitische werking van moedermelk (44).

Alcohol.

Chronisch overmatig gebruik van alcohol gaat gepaard met een verhoogde
frequentie van osteoporose, osteomalacie en verminderde botmassa (44). Het is
niet duidelijk wat de oorzaak is van deze verhoogde frequentie: de ethanol, chronische
ziekten van lever en pancreas of onvolwaardige voeding (calciumtekort, vitamine
D deficiëntie). Alcohol stimuleert de bijnier en verhoogt de produktie van cortisol.
Corticosteroïden verlagen de vitamine D afhankelijke calciumabsorptie en kunnen
osteoporose veroorzaken. Alcohol verhoogt acuut de calciumuitscheiding in de urine

203

</pre>

====================================================================== Einde pagina 207 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 208 ======================================================================

<pre>16.2.5.

calcium

door verlaging van de tubulaire reabsorptie van calcium (45). Het is niet uitgesloten
dat regelmatig overmatig gebruik van alcohol de calciumbehoefte verhoogt.

Cafeïne.

Cafeïne verhoogt de calciumuitscheiding met de urine. De relatie is dosis-
afhankelijk (34,46). Bij jonge vrouwen was gedurende 3 uur na inneming van 150
of 300 mg cafeïne de calciumuitscheiding met de urine verhoogd met respectievelijk
gemiddeld 8 en 26 mg (46). Deze hoeveelheden cafeïne komen overeen met 1-3
koppen koffie of 2-6 koppen thee.

Vet.

Bij gezonde personen heeft de hoeveelheid vet in de voeding geen invloed
op de calciumabsorptie (47). Bij malabsorptie van vet kan de calciumabsorptie sterk
zijn verminderd als gevolg van de vorming van calciumzepen in de darm, in het
bijzonder bij gebruik van verzadigd vet met lange-keten vetzuren (21).

Zuur/base-evenwicht.

Uit resultaten van dierexperimenteel onderzoek is gebleken dat zuurbelasting,
bijvoorbeeld door middel van orale toediening van ammonium-chloride, de calciumuit-
scheiding met de urine verhoogt (48). Ook bij de mens wordt door een voeding
met een overschot aan zuurvormende factoren de calciumuitscheiding met de urine
verhoogd, als gevolg van een verminderde reabsorptie van calcium in de niertubuli
(45). De zuurbelasting en de daardoor veroorzaakte verhoogde calciumuitscheiding
zouden een verklaring kunnen zijn voor de geringere botdichtheid van Eskimo's
in vergelijking met die van blanken in de Verenigde Staten (49) en voor de hogere
botontkalkingssnelheid bij vrouwen die een omnivore voeding gebruiken in vergelijking
met die bij vrouwen die zich vegetarisch voeden (50,51).

Andere factoren die de behoefte aan calcium beïnvloeden.

Wanneer er sprake is van een verhoogde calciumbehoefte is in het algemeen
de calciumabsorptie verhoogd. Deze situatie doet zich voor tijdens groei, zwangerschap
en lactatie (21).

Met het ouder worden neemt de absorptie van calcium in de darm af, hetgeen
gepaard gaat met een geleidelijke ontkalking van het skelet (19,21,44). De oorzaak
van de verminderde calciumabsorptie is niet bekend. Bij vrouwen begint het proces
van de botontkalking kort voor het optreden van de menopauze. Gedurende de
menopauze vindt er een versnelling van dit proces plaats, hetgeen bij sommige
vrouwen leidt tot post-menopauzale osteoporose (osteoporose type |). Wanneer
op hogere leeftijd osteoporose ontstaat, wordt gesproken van seniele osteoporose
(osteoporose type II).

Door gebrek aan lichamelijke activiteit of door het ontbreken van de zwaartekracht
(ruimtevaart) neemt de botresorptie en de calciumuitscheiding met de urine sterk
toe, terwijl de calciumabsorptie juist daalt. Daardoor wordt de calciumbalans negatief.
Inneming van extra oraal calcium heeft hierop geen invloed (19). Oefenprogramma's
(fysieke belasting) blijken daarentegen de calciumbalans te kunnen verbeteren (19).

204

</pre>

====================================================================== Einde pagina 208 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 209 ======================================================================

<pre>16.2.6.

calcium

Biologische beschikbaarheid.

Uit figuur 16.1 blijkt dat het absorptiepercentage van calcium afneemt naarmate
de inneming toeneemt. De absolute hoeveelheid die wordt geabsorbeerd blijft echter
toenemen met toenemende inneming.

Eén en ander kan worden afgeleid uit de vergelijking van Heaney et al. waarin
op groepsniveau het verband tussen de calciuminneming (x) en de calciumabsorptie
(y) is uitgewerkt (14). Met deze vergelijking is te berekenen dat bij een lage calciuminne-
ming (bijvoorbeeld 200 mg/dag) de werkelijke absorptie ca. 40% bedraagt. Overigens
moet worden opgemerkt, dat interindividueel de absorptie bij een zelfde calciumin-
neming een grote variatie kan vertonen.

Bij jonge volwassenen die een voeding gebruikten met relatief weinig calcium
(500-600 mg/dag) werd een schijnbare absorptie bepaald van 30%, hetgeen overeen-
komt met een werkelijke absorptie van ca. 45% (52,53). Uit onderzoek van de groep
van Spencer kan worden berekend dat bij een inneming van ruim 200 mg/dag de
werkelijke absorptie 40-55% bedraagt (54).

Figuur 16.1. De absorptie van calcium.

Ca absorptie (g/dag) absorptie (%)

5

actief +
passief

|
|
|
|
|
|
J
30
|

passiet 71 40

0 i 1 t 4 j A
0.2 0.4 0.6 0.8 1.0

absorptie in g/dag.
ween absorptiepercentage.

Ca inneming (g/dag)
Bron: (14)

205
</pre>

====================================================================== Einde pagina 209 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 210 ======================================================================

<pre>16.2.7.

16.2.8.

calcium

Relatie calciuminneming, botdichtheid en fractuurfrequentie.

Ten aanzien van aanbevelingen voor de calciuminneming wordt regelmatig
naar voren gebracht dat niet is gebleken dat in landen waar de calciuminneming
geacht wordt laag te zijn (niet hoger dan ca. 400 mg/dag), zoals in de meeste landen
indetropen, de skeletontwikkeling achterblijft of osteoporose frequenter voorkomt.
In landen met een zuivelcultuur zou de calciuminneming onnodig hoog zijn (55).
Deze veronderstelling zou voorts worden ondersteund door het feit dat in epidemio-
logisch onderzoek meestal geen of slechts zeer zwakke correlaties worden gevonden
tussen de hoeveelheid calcium in de voeding en de botdichtheid (19,56,57). Een
uitzondering hierop vormt het onderzoek van Matkovic et al. (58). Hierbij moet echter
een aantal kanttekeningen worden gemaakt. In de eerste plaats is de beschikbare
informatie over de calciuminneming in de tropen beperkt Zo wordt in bepaalde situaties
niet altijd rekening gehouden met (naar westerse begrippen) afwijkende voedingsge-
woonten zoals het eten van botten van kleine zoogdieren en vogels, het eten van
visgraten, sprinkhanen, termieten en larven, het gebruik van kalkrijk water voor de
bereiding van voedsel en het eten van aarde, hoewel de beschikbaarheid van calcium
uit deze extra bronneneen onzekere factor is. Deze calciumbronnen kunnen samen
met basisvoedingsmiddelen, zoals granen, noten, knollen, zaden, wortels enz. tot
een calciuminneming leiden die hoger is dan 400 mg/dag (15). In de tweede plaats
moet worden opgemerkt dat in de tropen meestal minder eiwit en keukenzout met
de voeding worden ingenomen, terwijl de voorziening met vitamine D (zonlicht) juist
zeer ruim is. Deze factoren dragen bij tot een relatief lage calciumbehoefte.

Daartegenover staat dat in westerse landen personen met osteoporose over
het algemeen een lagere calciuminneming blijken te hebben dan personen waarbij
geen osteoporose is vastgesteld (19). Voorts constateert de groep van Matkovic
in Joegoslavië, zowel bij mannen als bij vrouwen, een hogere botdichtheid en minder
collumfracturen in een district met veel veehouderij (calciuminneming gemiddeld
ca. 1000 mg/dag) dan in een district met hoofdzakelijk akkerbouw (calciuminneming
gemiddeld ca. 450 mg/dag) (58). Een verband tussen calciuminneming en osteoporose
wordt ook verondersteld op grond van het feit dat deze ziekte frequenter voorkomt
bij personen met lactase-deficiëntie die weinig melk en melkprodukten gebruiken
en daardoor weinig calcium innemen (59,60). Tenslotte blijkt uit resultaten van
interventie-onderzoeken dat inneming van extra calcium in de vorm van tabletten
(ca. 1000 mg calcium/dag, al dan niet in combinatie met vitamine D) botontkalking
kan vertragen (61,62,63,64,65,66). Deze onderzoeksresultaten worden bevestigd
door onderzoek van de groep van Horowitz waarin de inneming van extra calcium
(oraal 1000 mg/dag) bij postmenopauzale vrouwen met osteoporose leidde tot een
verlaging van de hydroxyproline-uitscheiding met de urine, hetgeen duidt op een
verminderde botafbraak (67).

Toxiciteit.

De mogelijke gevolgen van een overmatige calciuminneming zijn hypercalciëmie,
hypercalciurie, urinewegstenen, verkalking van zachte weefsels (nieren, bloedvaatwand)
en onderdrukking van de botstofwisseling. Een dagelijkse inneming van maximaal
2500 mg wordt onschadelijk geacht, met uitzondering voor personen met actief uri-
nesteenlijden, hyperparathyroidie, sarcoïdose of nierinsufficiéntie (29).

206

</pre>

====================================================================== Einde pagina 210 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 211 ======================================================================

<pre>16.3.

16.3.1.

16.3.2.

calcium

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

In het algemeen geldt dat in landen met een relatief hoge consumptie van eiwit
en natrium en een minder ruime voorziening met vitamine D (zonlicht) zoals in
Nederland de behoefte aan calcium relatief hoog is.

Minimumbehoefte.

De resultaten van de factoriële evaluatie geven aan dat bij een minimale
calciuminneming de endogene verliezen bij volwassenen ca. 200 mg/dag bedragen
(§16.2.1.). Hierbij moet worden opgemerkt dat indien het calciumgehalte van de
voeding toeneemt de endogene verliezen eveneens toenemen. Uit de gegevens
over de beschikbaarheid (816.2.6.) kan worden geconcludeerd dat de werkelijke
absorptie van calcium bij lage tot zeer lage inneming ten hoogste ca. 55% zal zijn.
Dit impliceert dat de minimumbehoefte voor volwassenen hoger is dan 400 mg calcium
per dag, hetgeen overeenkomt met de resultaten van de balansonderzoeken die
bij deze groep zijn uitgevoerd (§16.2.1.). In deze balansonderzoeken is echter een
grote spreiding waargenomen in de behoefte aan calcium. Op grond hiervan wordt
uit veiligheidsoverwegingen de minimumbehoefte van volwassenen vastgesteld op
400-600 mg/dag. Uit de resultaten van de balansonderzoeken zou voorts kunnen
worden geconcludeerd dat de minimumbehoefte van ouderen, en in het bijzonder
van de vrouw na de menopauze, hoger is dan die van de jongere volwassene. Het
is echter zeer de vraag of het wel juist is om de calciumbehoefte van ouderen af
te leiden uit het in evenwicht zijn van de calciumbalans. Een zekere mate van botontkal-
king bij de ouder wordende mens kan namelijk worden gezien als een onderdeel
van de involutie van alle organen die op hogere leeftijd optreedt. De commissie is
van mening dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een afzonderlijke
minimumbehoefte voor de oudere te motiveren. Wel kan worden gesteld dat deze
behoefte dichter bij de bovengrens van bovengenoemde spreiding (400-600 mg/dag)
zal liggen.

Voor de overige (leeftijds) groepen kan op dit moment geen minimumbehoefte
worden vastgesteld.

Adequaat gebied van inneming.

Uit een inventarisatie van de resultaten van een groot aantal gecontroleerde
onderzoeken blijkt dat de interindividuele variatie in de calciumabsorptie en de
calciumuitscheiding met de urine ca. 35% bedraagt. Toepassing van dit percentage
op het traject van de minimumbehoefte levert een adequaat gebied van inneming
op van 700-1000 mg calcium/dag. Op basis van de resultaten van balansonderzoeken
(§16.2.1.) acht de commissie het wenselijk dit adequaat gebied van inneming te
differentiëren naar volwassenen tot 50 jaar en volwassenen van 50 jaar en ouder.

Het adequate gebied van inneming voor volwassenen tot 50 jaar wordt door

de commissie vastgesteld op 700-900 mg calcium/dag. Voor volwassenen van 50
jaar en ouder wordt een adequaat gebied van inneming aangehouden van 800-1000

207

</pre>

====================================================================== Einde pagina 211 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 212 ======================================================================

<pre>calcium

Tabel 16.4. Adequaat ge-
bled van inneming voor
calcium per dag.

mg calcium/dag. Omdat gebleken is dat het proces van
botontkalking-door middel van een extra calciuminneming

niet kan worden voorkomen, acht de commissie een hogere
calciuminneming niet noodzakelijk. Een vertraging van het
proces van botontkalking kan volgens de commissie worden
gerealiseerd door naast de beperkte verhoging van de
calciuminneming, zorg te dragen voor een beperking van
de natriuminneming, een goede vitamine D voorziening en
een stimulering van de lichamelijke activiteit.

Voor de overige leeftijdscategorieën wordt op basis van
de factoriële methode (§16.2.2.) met behulp van de gegevens
in tabel 16.3 een adequaat gebied van inneming vastgesteld
als aangegeven in tabel 16.4.

Gezien de hoge behoefte aan calcium wordt voor
zuigelingen voor de schijnbare absorptie uitgegaan van 40-
50%. Op basis van dit percentage kan het adequaat gebied
van inneming voor zuigelingen die worden gevoed met
flesvoeding worden berekend op 75-90 mg calcium/kg
lichaamsgewicht. Wanneer een zuigeling wordt gevoed met
moedermelk bedraagt de calciumvoorziening van de zuigeling
ca. 240 mg per dag. Door de hogere beschikbaarheid van
calcium uit moedermelk is deze hoeveelheid voldoende om
in de behoefte te voorzien.

Als wordt uitgegaan van een schijnbare absorptie van
25-35% kan het adequate gebied van inneming voor de leeftijd
van %-7 jaar worden geschat op 400-600 mg calcium/dag

categorie/
leeftijd jr mg"
zuigelingen
O-Va 75-907
Va1 400-600
jongens

1-4 400-600
47 400-600
7-10 600-800
10-13 900-12007
13-16 900-12007
16-19 800-1100
meisjes
1-4 400-600
4-7 400-600
7-10 600-800
10-13 700-1000
13-16 700-1000
16-19 700-900
mannen
19-22 700-900
22-50 700-900
50-65 800-1000
265 800-1000
vrouwen
19-22 700-900
22-50 700-900
50-65 800-1000
265 800-1000

en voor de 7-10 jarigen op 600-800 mg calcium/ dag.
In verband met de verhoogde behoefte die wordt
veroorzaakt door de groeispurt, wordt voor de pubertijd

zwangeren | 800-1000
zogenden | 900-1100

1) Getallen zijn afgerond

uitgegaan van een schijnbare absorptie van 30-40%. Voor
meisjes in de leeftijd van 10-16 jaar resulteert dit in een
adequaat gebied van inneming van 700-1000 mg calcium/dag;
voor jongens van 10-16 jaar 900-1200 mg. Tijdens de piek
van de groeispurt kan de behoefte verhoogd zijn tot 1500
mg/dag. De ondergrens van 700 mg bij meisjes en van 900
mg bij jongens heeft betrekking op de behoefte van adoles-
centen die nog niet in de groeispurt zijn. Na de groeispurt
is de calciumaccretie sterk verminderd en kan, wanneer wordt
uitgegaan van een schijnbare absorptie van 25-35%, het ade-
quaat gebied van inneming voor 16-19 jarige meisjes op 700-
900 mg calcium/dag worden geschat en voor 16-19 jarige
jongens op 800-1100 mg calcium/dag.

Voor zwangeren is berekend dat het door een verhoogde
absorptie mogelijk is bij een inneming van 700-900 mg cal-

op eenheden van 100
mg; de ondergrens
correspondeert met de
bovengrens van de ab-
sorptie en de boven-
grens met de onder-
grens van de absorp-
tie.

2) Uitgedrukt in mg per

kg lichaamsgewicht.
Geldt voor zuigelingen
die niet worden ge-
voed met moedermelk.

3) Tijdens de piek van de

groeispurt kan de be-
hoefte zijn verhoogd
tot 1500 mg calcium
per dag.

cium/dag volledig in de behoefte te voorzien. Uit veiligheidsoverwegingen wordt

208

</pre>

====================================================================== Einde pagina 212 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 213 ======================================================================

<pre>16.4.

calcium

echter tijdens de zwangerschap het adequate gebied van inneming geschat op 800-
1000 mg calcium/dag.

Omdat niet duidelijk is of de calciumuitscheiding via moedermelk volledig kan

worden gecompenseerd door een verhoogde absorptie wordt het adequate gebied
van inneming tijdens de lactatieperiode op 900-1100 mg calcium/dag gesteld.

Het adequate gebied van inneming voor de verschillende categorieën is weergege-

ven in tabel 16.4.

LITERATUUR

Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel. Nederlandse voedingsmiddelentabel. 35e druk. ‘s-Gravenhage:
Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

Avioli LV. Calcium and phosphorus. In: Goodhart RS, Shils ME, eds. Modern nutrition in health and disease.
Philadelphia: Lea & Febiger, 1980: 294-309,

Radez JE, et al. Calcium and phosphorus deficiency in rats: effects on PTH and 1,25-dihydroxyvitamin D-3.
Am J Physiol 1979; 236: E118-22.

Volpin G, Salomon CD. Effect of a calcium-deficient diet on the metatarsal bones of rats of different ages.
Isr J Med Sci 1978; 14: 379-83.

Sevastikoglou JA, et al. Reversibility of osteoporosis in adultrats by calcium deficiency. Long- and short-term
observations. Calcif Tiss Res 1977; 22, Suppl: 260-5.

Ambrus JL, et al. Studies on osteoporosis. 1. Experimental models. Effect of age, sex, genetic background,
diet, steroid and heparin treatment on calcium metabolism of mice. Res Comm Chem Pathol Pharm 1978;
22: 3-14,

Blanusa M, et al. Kinetic parameters of calcium metabolism and femur morphometry in rats. 2. Influence
of ovariectomy and dietary calcium. Pflügers Archiv 1978; 375: 239-44,

Irving JT. Calcium and phosphorus metabolism. New York: Academic Press, 1973.

Maitz HE, et al. Calcium deficiency rickets and the renal response to calcium infusion. Pediatrics 1970; 46:
865-70.

Kooh SW, et al. Rickets due to calcium deficiency. New Engl J Med 1977; 297: 1264-6.

Pettifor JM, et al. Calcium deficiency in rural black children in South Africa, a comparison between rural and
urban communities. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2477-83,

Marshall DH, et al. Calcium, phosphorus and magnesium requirement. Proc Nutr Soc 1976; 35: 163-73.
Malm OJ. Calcium requirement and adaptation in adult man. Scand J Clin Lab Invest 1958; 10: Suppl 36.
Heaney RP, et al. Calcium absorption as a function of calcium intake. J Lab Clin Med 1975; 85: 881-90.
Heaney RP, et al. Calcium balance and calcium requirements in middle-aged women. Am J Clin Nutr 1977;
30: 1603-11.

Heaney RP, et al. Menopausal changes in bone remodeling. J Lab Clin Med 1978; 92: 964-70.

Heaney RP, et al. Menopausal changes in calcium balance performance, J Lab Clin Med 1978; 92: 953-63.
Spencer H, et al. Effect of calcium on phosphorus metabolism in men. Am J Clin Nutr 1984; 40: 219-25,
Heaney RP, et al. Calcium nutrition and bone health in the elderly. Am J Clin Nutr 1982; 36: 986-1013,
Allen LH, et al. Protein-induced hypercalciuria: A longer term study. Am J Clin Nutr 1979; 32: 741-9,
Allen LH. Calcium bio-availability and absorption: A review. Am J Clin Nutr 1982; 35: 783-808.

American Academy of Pediatrics, Committee on Nutrition. Calcium requirements in infancy and childhood.
Pediatrics 1978; 62: 826-34.

Mazess RB, Cameron JR. Bone mineral content in normal US whites. Chicago: international Conference
of Bone Mineral Measurement, 1973; 228-37.

Renner E. Milk and dairy products in human nutrition. München: Volkswirtschaftlicher Verlag, 1983.
Roberts CC, et al. Adequate bone mineralization in breast-fed infants. J Pediatrics 1981; 99: 192-6.
Ziegler EE, Fomon SJ. Lactose enhances mineral absorption in infancy. J Pediatr Gastro-enterol Nutr 1983;
2: 288-94.

Heaney RP, Skillman TG. Calcium metabolism in normal human pregnancy. J Clin Endocrin Metab 1971;
33: 661-70.

Schaafsma G, De Waard H. Het gunstige effect van geringe huidpigmentatie en van lactosetolerantie bij
vitamine D-arme voeding in noordelijke gebieden. Voeding 1982; 43: 401-4.

Schaafsma G. The influence of dietary calcium and phosphorus on bone metabolism. Wageningen: Proefschrift,
1981.

Zemel MB, Linkswiler HM. Calcium metabolism in the young adult male as affected by level and form of
Phosphorus intake and level of calcium intake. J Nutr 1981: 111: 315-24,

209

</pre>

====================================================================== Einde pagina 213 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 214 ======================================================================

<pre>calcium

3

88

67.

Yuen DE, etal. Effect of dietary protein on calcium metabolism in man. Nutr Abstr Rev 1984; 54: 447-59.
Draper HH, Scythes CA. Nutrition and aging bone loss symposium; calcium, phosphorus and osteoporosis.
Fed Proc 1981; 40: 2435-8.

Linkswiler HM, et al. Calcium retention of young adult males as affected by level of protein and of calcium
intake. Trans NY Acad Sci 1974; 36: 333-40.

Heaney RP, Recker RR. Effects of nitrogen, phosphorus and caffeine on calcium balance in women. J Lab
Clin Med 1982; 99: 46-55.

Castenmiller JJM, et al. The effect of dietary sodium on urinary calcium and potassium excretion in normotensive
men with different calcium intakes. Am J Clin Nutr 1985; 41: 52-60.

Goulding A. Effects of dietary NaCl supplements on parathyroid function, bone turnover and bone composition
in rats taking restricted amounts of calcium. Mineral Electrolyte Metab 1980; 4: 203-8.

Breslau NA, et al. The role of dietary sodium on renal excretion and intestinal absorption of calcium and
vitamin D metabolism. J Clin Endocrin Metab 1982; 55: 369-73.

AliR, etal. Nutritional significance of dietary fiber: effect of nutrient bio- availability and selected gastro-intestinal
functions. J Agric Food Chem 1981; 29: 465-72.

Van Dokkum W. Dietary recommendations and mineral utilization. Amsterdam: Proefschrift, 1984,
Batchelor AJ, Compston JE. Reduced plasma half-life of radio-labelled 25-hydroxyvitamin D-3, in subjects
receiving a high fibre diet. Br J Nutr 1983; 49: 213-6.

Armbrecht HJ, Wasserman RH. Enhancement of Ca** uptake by lactase in the rat small intestine. J Nutr
1976; 106: 1265-71.

Grishan FK, et al. The effect of lactose on the intestinal absorption of calcium and zinc in the rat during
maturation. Ped Res 1982; 16: 566-8.

Schaafsma G, De Waard H. De anti-rachitische werking van moedermelk; vitamine D-sulfaat of lactose. Voeding
1982; 43: 398-404.

Spencer H, et al. Factors contributing to calcium loss in aging. Am J Clin Nutr 1982; 36: 776-87.
Lemann J, et al. Urinary calcium excretion in human beings. New Engl J Med 1979; 301: 535-41.
Massey LK, Wise KJ. The effect of dietary caffeine on urinary excretion of calcium, magnesium, sodium and
potassium in healthy young females. Nutr Res 1984; 4: 43-50.

Van Dokkum W, et al. Effect of variations in fat and linoleic acid intake on the calcium, magnesium and iron
balance of young men. Ann Nutr Metab 1983; 27: 361-9.

Barzell US, Jowsey J. The effects of chronic acid and alkali administration on bone turnover in adult rats.
Clin Sci 1969; 36: 517-24.

Mazess RB, Mather W. Bone mineral content of North Alaskan Eskimos. Am J Clin Nutr 1974; 27: 916-20.
Marsh AG, et al. Cortical bone density of adult lacto-ovo-vegetarian and omnivorous women. J Am Diet Ass
1980; 76: 148-51.

Marsh AG, et al. Bone mineral mass in adult lacto-ovo-vegetarian and omnivorous males. Am J Clin Nutr
1983; 37: 453-6.

Kim Y, Linkswiler HM. Effect of level of protein intake on calcium metabolism and on parathyroid and renal
function in the adult human male. J Nutr 1979; 109: 1399-1404.

Schuette SA, Linkswiler HM. Effects of Ca and P metabolism in humans by adding meat, meat plus milk,
or purified proteins plus Ca and P to a low protein diet. J Nutr 1982; 112: 338-49.

Spencer H, et al. Effect of a high protein (meat intake) on calcium metabolism in man. Am J Clin Nutr 1978;
31: 2167-80.

Walker ARP. The human requirement of calcium: Should low intakes be supplemented? Am J Clin Nutr 1972;
25: 518-30.

Garn SM. The earlier gain and later loss of cortical bone in nutritional perspective. Springfield: Charles C.
Thomas, 1970.

Garn SM, et al. Calcium intake and bone quality in the elderly. Ecol of Food and Nutr 1981; 10: 131-3.
Matkovic V, etal. Bone status and fracture rates in two regions of Yugoslavia. Am J Clin Nutr 1979; 32: 540-9.
Newcomer AD, et al. Lactase deficiency: prevalence in osteoporosis. Ann Int Med 1978; 89: 218-220.
Anoniem. Metabolic bone disease as a result of lactase deficiency. Nutr Rev 1979; 37: 72-3.

Horsman A, et al. Prospective trial of oestrogen and calcium in post-menopausal women. Br Med J 1977;
e: 789-92.

Recker RR, et al. Effect of estrogens and calcium carbonate on bone loss in postmenopausal women. Ann
Int Med 1977; 87: 649-55.

Albanese AA, et al. Effect of a calcium supplement on serum cholesterol, calcium, phosphorus and bone
density of normal, healthy elderly females. Nutr Rep Inst 1973; 8: 119-30.

Riggs BL, et al. Effects of oral therapy with calcium and vitamin D in primary osteoporosis. J Clin Endocrinol
Metab 1976; 42: 1139-44.

Lutwak L. Continuing need for dietary calcium throughout life. Geriatrics 1974; 29: 171-8,

Cohn SH, et al. High calcium diet and the parameters of calcium metabolism in osteoporosis. Am J Clin
Nutr 1968; 21: 1246-53.

Horowitz M, et al. Effect of calcium supplementation on urinary hydroxyproline in osteoporotic post-menopausal
women. Am J Clin Nutr 1984; 39: 857-9. Am J Clin Nutr 1984; 39: 857-9.

210

</pre>

====================================================================== Einde pagina 214 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 215 ======================================================================

<pre>17. Fosfor

17.1.

17.2.

17.3.

17.4.

INLEIDING

17.1.1.
17.1.2.
17.1.3.
17.1.4.

Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen

Fysiologische betekenis
Deficiëntieverschijnselen
Bepaling van de fosforstatus

FOSFORBEHOEFTE

17.2.1.
17.2.2.
17.2.3,
17.2.4.
17.2.5.
17.2.6.

Inleiding

Volwassenen

Zuigelingen, kinderen en adolescenten
Zwangerschap en lactatie

Biologische beschikbaarheid

Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

17.3.1.

Adequaat gebied van inneming

LITERATUUR

211

213
213
213
214
214

214
214
215
215
216
216
216

217
217

219
</pre>

====================================================================== Einde pagina 215 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 216 ======================================================================

<pre>fosfor

212

</pre>

====================================================================== Einde pagina 216 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 217 ======================================================================

<pre>17.1.

17.1.1.

17.1.2.

fosfor

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Fosfor (P, atoommassa 31,0) komt voor in een groot aantal verbindingen, waarvan
fosfaten de belangrijkste zijn. De term fostaat heeft betrekking op alle anionen, waarin
fosfor in de geöxydeerde P(V)-vorm voorkomt. Zowel in het lichaam van de mens
als in voedingsmiddelen komt fosfor uitsluitend voor als anorganisch fosfaat of als
organisch-gebonden fosfaat.

Het menselijk lichaam maakt geen onderscheid tussen organisch-gebonden
en anorganisch fosfaat in de voeding. De organische fosfaatverbindingen worden
voor het grootste deel in de darm gehydroliseerd en het lichaam kan bij voldoende
aanbod van anorganisch fosfaat zelf organische fosfaatverbindingen synthetiseren

(1).

Voedingsmiddelen die rijk zijn aan eiwit, bijvoorbeeld melk, vis, vlees, peulvruchten
en brood, bevatten relatief veel fosfaat (2). Fosfaten worden door de voedingsmid-
delenindustrie op ruime schaal gebruikt als additieven (voorbeelden zijn buffers,
smeltzouten, emulgeermiddelen, complexvormers). In de Verenigde Staten is de
bijdrage van deze additieven aan de fosfaatinneming meer dan 25% (3). In Duitsland
en Engeland zou de fosfaatbijdrage van additieven minder dan 10% van de totale
fosfaatinneming bedragen (4). Voor Nederland zijn hierover geen gegevens be-
schikbaar.

Fysiologische betekenis.

Het lichaam van een volwassen man bevat ca. 700 g fosfor, waarvan ca. 600
g zich in het skelet bevindt, hoofdzakelijk in de vorm van hydroxyapatiet. Het restant
bevindt zich in tanden en kiezen, zachte weefsels en in de lichaamsvioeistoffen (1).
Organische fosfaatverbindingen, bijvoorbeeld fosfolipiden, vormen een belangrijk
structureel bestanddeel van alle lichaamscellen. Fosfaat is ook aanwezig in nu-
cleïnezuren (RNA en DNA) en in energierijke verbindingen (zoals ATP en ADP). Ook
zijn fosfaten als cofactor nauw betrokken bij vele enzymreacties van de koolhydraat-,
vet- en eiwitstofwisseling. Tenslotte zijn fosfaten van belang voor de handhaving
van het zuur/base-evenwicht, zowel in de lichaamscellen als in het plasma.

In het plasma is fosfaat voornamelijk aanwezig in de vorm van HPO,” met
daarnaast een geringe hoeveelheid H,PO,. De hoeveelheid anorganisch fosfaat in
het plasma is in evenwicht met de hoeveelheid anorganisch fosfaat in het bot en
de lichaamscellen, maar ook met de hoeveelheid organisch-gebonden fosfaat die
is betrokken bij de celstofwisseling (5).

213

</pre>

====================================================================== Einde pagina 217 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 218 ======================================================================

<pre>17.1.3.

17.1.4.

17.2.

17.2.1.

fosfor

Deficiéntieverschijnselen.

Bij dieren.

Als gevolg van een tekort aan fosfor treden biochemische veranderingen op
zoals hypercalciëmie, hypercaiciurie, hypofosfatemie, een verlaagde secretie van
het bijschildklierhormoon en een verhoogde produktie van calcitriol door de nieren

(6,7).

Fosfordeficiéntie leidt primair tot een verstoring van het mineralisatieproces
van het botweefsel waarbij verschijnselen optreden, die overeenkomen met die welke
zijn waargenomen bij rachitis en osteomalacie. Bij een ernstige fosfordeficiëntie ontstaat
voorts een verstoring van de celstofwisseling (1). Bij de rat is als gevolg van een
fosfortekort groeistilstand waargenomen.

Bij de mens.

Omdat fosfaatverbindingen in ruime mate in de voeding aanwezig zijn, komt
fosfordeficiéntie door een tekort in de voeding niet voor. Fosfordepletie door een
excessief gebruik van bepaalde geneesmiddelen (antacidan: bijvoorbeeld aluminium-
hydroxyde), waarbij fosfaat aan aluminiumionen wordt gebonden, gaat gepaard met
pijn in spieren en botten en gebrek aan eetlust (algehele malaise). Specifieke
afwijkingen die hierbij optreden, zijn onder andere hemolytische anemie, dysfunctie
van granulocyten, hypercalciëmie en de vorming van nierstenen. Voorts is het
fosfaatgehalte van het bloed sterk gedaald en is de uitscheiding van fosfor met de
urine slechts ongeveer 15 mg/dag (5).

Bepaling van de fosforstatus.

De bepaling van de fosforstatus geschiedt op basis van het fosfaatgehalte in
het bloed. De fosfaatconcentratie in het serum bij volwassenen varieert van 0,8-1,5
mmol/l. Dit gehalte is afhankelijk van de leeftijd, de fosfaatinneming met de voeding
en de hormoonstatus. De normaalwaarden bij jonge kinderen variëren van 1,3-1,9
mmol/l (5).

Met behulp van de bepaling van het mineraalgehalte van het bot kan de fosfor-
status worden nagegaan.

FOSFORBEHOEFTE
Inleiding.

Naar de fosforbehoefte van de mens is nog maar weinig onderzoek verricht.
Er bestaat geen strikte regulatie van het fosfaatgehalte van het bloed. De fos-
faathomeostase wordt gereguleerd door de omvang van de fosfaatuitscheiding met
de urine (5). Bij een hoge fosfaatinneming wordt deze uitscheiding bevorderd door
een remming van de tubulaire reabsorptie in de nieren onder invloed van de secretie
van het bijschildklierhormoon. Indien de voeding weinig fosfaat bevat, daalt de
fosforuitscheiding met de urine tot lage waarden. Bij een normale voeding wordt
een fosforuitscheiding met de urine gerapporteerd van 500-600 mg/dag (8).

214

</pre>

====================================================================== Einde pagina 218 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 219 ======================================================================

<pre>17.2.2.

17.2.3.

fosfor

Volwassenen.

In onderzoek is bij een fosforinneming van 90 mg/dag hypofosfatemie, een
verlaagde secretie van het bijschildkliernormoon, en een verhoogde produktie van
calcitriol waargenomen. Voorts was de uitscheiding van fosfor met de urine zeer
sterk verlaagd (9). Dit wijst erop dat 90 mg fosfor/dag niet toereikend is om in de
fosfaatbehoefte te voorzien. De resultaten van ruim 600 balansonderzoeken, die
zijn uitgevoerd bij personen die 400 tot 4000 mg fosfor per dag innamen, geven
aan dat binnen dit traject de fosfaatbalans niet negatief is. Hieruit kan worden afgeleid
dat de minimum fosforbehoefte niet meer dan 400 mg/dag zal bedragen (10).
Gegevens over de samenhang tussen de fosfaatinneming met de voeding en het
fosfaatgehaite in het serum ontbreken. Indirect is uit de relatie tussen beide factoren
met de fosforuitscheiding via de urine afgeleid dat een hoeveelheid van 400 mg
fosfor/dag in de voeding voldoende is om het fosfaatgehalte van het plasma boven
de ondergrens van de normaalwaarden te handhaven (10).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Er zijn slechts weinig gegevens bekend over de fosforbehoefte bij kinderen.
Bij de geboorte bedraagt de lichaamsvoorraad ca. 4,6 g per kg lichaamsgewicht.
Deze hoeveelheid neemt geleidelijk toe tot ongeveer 10 g per kg lichaamsgewicht
op volwassenen leeftijd.

De gewichtsverhouding tussen calcium en fosfor in moedermelk varieert van
2,0-2,2 bij een calciumgehalte van ca. 300 mg/l en een fosforgehaite van ongeveer
ca. 150 mg/l. Deze verhouding tussen calcium en fosfor komt overeen met de
gewichtsverhouding tussen deze elementen in het botweefsel. In dit verband is het
opmerkelijk dat jonge ratten, die moeten kiezen tussen voeders met verschillende
fostorgehalten maar een gelijkblijvend calciumgehalte een voeder kiezen met een
calcium/fosforverhouding van 2,0. Op grond hiervan wordt het waarschijnlijk geacht
dat de fosforretentie bij zuigelingen gelijk is aan de helft van de calciumaccretie (1).

Het fosforgehalte van moedermelk is relatief laag. Berekend kan worden dat
de zuigeling gedurende de eerste maanden uit moedermelk niet voldoende fostor
kan opnemen om de fosforvoorraad van het lichaam te handhaven of te laten
toenemen. De botmineralisatie blijft hierdoor tijdelijk achter. Het lage fosforgehalte
van moedermelk en de gunstige calcium/fosforverhouding beschermt de zuigeling
echter tegen tetanie.

Indien de voeding van de zuigeling meer dan 54 mg fosfor per kg lichaamsgewicht
levert, bestaat er beneden de leeftijd van 3 maanden kans op tetanie door
hypocalciëmie (11,12). De oorzaak hiervan is de op die leeftijd hoge reabsorptie
van fosfaat in de nieren. De tetanie zal met name optreden bij een beperkte vitamine
D en calciumvoorziening. In verband hiermee dient de calcium/fosforverhouding
in de voeding niet te laag te zijn.

Internationaal wordt voor volledige zuigelingenvoeding een gewichtsverhouding

tussen calcium en fosfor van minimaal 1,2 aanbevolen. Deze verhouding komt overeen
met die in koemelk. Het fosforgehalte wordt daarbij op minimaal 25 mg en maximaal

215

</pre>

====================================================================== Einde pagina 219 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 220 ======================================================================

<pre>17.2.4.

17.2.5.

17.2.6.

fosfor

54 mg/100 kcal gesteld (14). In Nederland wordt in de Regeling Volledige zuigelingen-
voeding (Warenwet) uitgegaan van een gewichtsverhouding tussen calcium en fosfor
van minimaal 1,5, waarbij de bovengrens voor fosfor op 90 mg/100 kcal wordt gesteld.
Om bij de aanbevolen calciuminneming van 75-90 mg per kg lichaamsgewicht per
dag (zie tabel 16.4) de kans op tetanie te voorkomen, zou de calcium/fosforverhouding
volgens de commissie echter minimaal 1,7 moeten bedragen.

Boven de leeftijd van 3 maanden zal het vermogen van de nieren om fostaat
uit te scheiden toenemen, zodat de verhouding tussen calcium en fosfor minder
kritisch wordt.

Zwangerschap en lactatie.

Tijdens de zwangerschap wordt door de foetus gemiddeld ca. 16 g fosfor vastge-
legd.

Het fosforgehalte van moedermelk bedraagt 150 mg/, hetgeen bij een gemiddelde
produktie van 800 mi moedermelk per dag leidt tot een fosfor-uitscheiding van 120
mg per dag.

Biologische beschikbaarheid.

De absorptie van fosfaat uit de darm is vrijwel lineair afhankelijk van de
fosfaatinneming met de voeding. Meer dan 60% van het met de voeding ingenomen
fosfaat wordt geabsorbeerd (15,16). Eentoenemende calciuminneming vermindert
de absorptie van fosfaat en de uitscheiding ervan met de urine. Dit wordt toege-
schreven aan de vorming van calciumfosfaat in de darm. Bij een calciuminneming
van 200, 800 of 2000 mg/dag en een fosforinneming van 800 of 2000 mg/dag in
de vorm van natriumglycerolfosfaat varieerde de absorptie tussen 60 en 80% (8).

Er bestaan weinig gegevens over de beschikbaarheid van de verschillende
fosfaten in de voeding. Het fostaat in fytinezuur is als zodanig niet beschikbaar voor
het lichaam, maar komt vrij indien het fytinezuur onder invloed van fytase wordt
gehydrolyseerd tot inositolfosfaat, inositol en orthofosfaat (17). De als additieven
toegepaste fosfaten (zowel cyclische als niet-cyclische verbindingen) blijken in vitro
in de darm bij de rat en het varken te worden gehydrolyseerd, waarbij de hydrolysesnel-
heid afnam met toenemende ketenlengte (18). Waarschijnlijk is een alkalisch fosfatase
verantwoordelijk voor de afbraak van fosfaten in het maag-darmkanaal. Bij de mens
is dit enzym redelijk actief, waaruit kan worden afgeleid dat de vermelde additieven
waarschijnlijk een bijdrage leveren aan de fosforvoorziening van de mens.

Toxiciteit.

Bij proefdieren blijken voeders met een hoog gehalte aan fosfaat hyperpa-
rathyroidie en nierverkalking te veroorzaken. De mate waarin de nierverkalking optreedt,
is afhankelijk van het calcium- en magnesiumgehalte van het voeder en van het geslacht
van het proefdier (voor een overzicht zie 19). Op basis van onderzoek bij de rat

216

</pre>

====================================================================== Einde pagina 220 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 221 ======================================================================

<pre>17.3.

17.3.1.

fosfor

wordt door de FAO/WHO als schatting voor de aanvaardbare totale fosforinneming
voor de mens een hoeveelheid opgegeven van maximaal 70 mg per kg lichaams-
gewicht per dag (20).

De hyperparathyroidie die bij proefdieren optreedt bij een hoog gehalte aan
fosfaat in het voeder, stimuleert de botresorptie en veroorzaakt bij oudere dieren
osteoporose, vooral bij een beperkte calciuminneming (voor een overzicht zie 19).
Het is niet bekend in hoeverre een voeding met een lage calcium/fosforverhouding
bij de mens kan leiden tot het ontstaan van osteoporose. Onderzoeken bij proef-
personen hebben weliswaar aangetoond dat een orale dosis van 1 g fosfor de secretie
van het bijschildklierhormoon stimuleert (21), maar niet is gebleken dat de hoeveelheid
fosfaat in de voeding een negatieve invloed heeft op de calciumbalans (8,15,22,23,24).
Bij ouderen is dergelijk onderzoek echter nog niet uitgevoerd.

In een onderzoek van de groep van Bell werden de gebruikelijke voedingsmidde-
len in de voeding van proefpersonen vervangen door voedingsmiddelen, waaraan
tijdens de bereiding fosfaten waren toegevoegd (16). Hierdoor nam bij een gelijkblijvend
calciumgehalte van de voeding (0,7 g/dag) de fosforinneming toe van 1 tot 2,1 g/dag.
Dit had tot gevolg dat de uitscheiding van calcium met de urine daalde en die van
hydroxyproline steeg. Bij zes van de acht proefpersonen werd bovendien een toe-
genomen uitscheiding van cyclisch adenosine-monofosfaat met de urine waargenomen.
Deze biochemische veranderingen wijzen op een toegenomen botstofwisseling die
wordt veroorzaakt door een toegenomen produktie van bijschildklierhormoon.

Als gevolg van het verouderingsproces neemt de nierfunctie geleidelijk af (25).
Regulering van de fosfaathuishouding zou bij de oudere mens die een fosfaatrijke
voeding gebruikt, gepaard kunnen gaan met een chronische, geringe stimulering
van de bijschildklieren, hetgeen op den duur botontkalking kan bevorderen.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

Het is op dit moment niet mogelijk op basis van de beschikbare gegevens een
minimumbehoefte voor fosfor vast te stellen. Uitsluitend voor volwassenen kan op
basis van de resultaten van balansonderzoeken worden geschat dat de mini-
mumbehoefte niet hoger is dan 400 mg fosfor/dag.

Door de fosforbehoefte te relateren aan de calciumbehoefte kan voor fosfor
wel een adequaat gebied van inneming worden aangegeven.

Adequaat gebied van inneming.

De beschikbare gegevens wijzen er eenduidig op dat zowel bij dieren als bij
de mens, de fosforbehoefte lager is dan, of ten hoogste gelijk is aan de calcium-
behoefte. De commissie is daarom van mening dat in de leeftijd van 1-50 jaar in
de fosfaatbehoefte zal zijn voorzien als bij een adequate calciuminneming een gelijke
hoeveelheid fosfor wordt ingenomen. De gewichtsverhouding tussen calcium en
fosfor in de voeding zou dus niet meer dan 1,0 moeten bedragen. De commissie
is vooralsnog van mening dat, hoewel de schadelijkheid ervan niet is aangetoond,

217

</pre>

====================================================================== Einde pagina 221 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 222 ======================================================================

<pre>fosfor

een calcium/fosforverhouding lager dan 0,5 beter kan worden vermeden. Dit gezien
de resultaten van dierexperimenteel onderzoek waarin een overmaat fosfor werd
toegediend.

Tabel 17.1. Het adequate gebled van Inneming voor fosfor per dag,
afgeleid van de ondergrens van het adequate gebied van inneming voor
calcium en de aanbevolen calcium/fostorverhouding.

ondergrens aanbevolen
categorie/ adequaat gebied | calcium/fosfor- | adequaat gebied
leeftijd inneming calcium | _ verhouding inneming fosfor
i mg mg
zuigelingen
0-% 75" 1,7-2,2 35-50")
Yet 400 1,0 400
jongens
1-4 400 0,5-1,0 400-800
47 400 0,5-1,0 400-800
7-10 600 0,5-1,0 600-1200
10-13 900 0,5-1,0 900-1800
13-16 900 0,5-1,0 900-1800
16-19 800 0,5-1,0 800-1600
meisjes
1-4 400 0,5-1,0 400-800
4-7 400 0,5-1,0 400-800
7-10 600 0,5-1,0 600-1200
10-13 700 0,5-1,0 700-1400
13-16 700 0,5-1,0 700-1400
16-19 700 0,5-1,0 700-1400
mannen
19-22 700 0,5-1,0 700-1400
22-50 700 0,5-1,0 700-1400
50-65 800 0,7-1,0 700-1150?
265 800 0,7-1,0 700-1 150”
vrouwen
19-22 700 0,5-1,0 700-1400
22-50 700 0,5-1,0 700-1400
50-65 800 0,7-1,0 700-1150?
265 800 0,7-1,0 700-1150%
zwangeren 800 0,5-1,0 800-1600
zogenden 900 0,5-1,0 900-1800

1) Uitgedrukt in mg per kg lichaamsgewicht per dag. Geldt voor
zuigelingen die niet worden gevoed met moedermelk.

2) Ondergrens van het adequate gebied van inneming voor fosfor
voor volwassenen jonger dan 50 jaar wordt ook voor deze leef-
tijdscategorie toereikend geacht.

Dit betekent dat als ondergrens van het adequate gebied van inneming voor fosfor
de ondergrens van de aanbevolen hoeveelheid voor calcium kan worden aangehouden.
De bovengrens van het adequate gebied van inneming voor fosfor wordt met
inachtneming van een calcium/fosforverhouding van 0,5 gesteld op tweemaal de
ondergrens van de aanbevolen hoeveelheid voor calcium.

218

</pre>

====================================================================== Einde pagina 222 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 223 ======================================================================

<pre>17.4.

fosfor

In verband met de afnemende nierfunctie wordt voor volwassenen ouder dan
50 jaar de bovengrens van het adequate gebied van inneming voor fosfor berekend
op basis van een calcium/fosforverhouding van tenminste 0,7. De commissie is van
mening dat de ondergrens van het adequate gebied van inneming voor deze leeftijds-
groep kan worden gelijkgesteld aan de ondergrens van het adequaat gebied van
inneming voor volwassenen tot 50 jaar.

Door de commissie is voor kinderen tot zes maanden, die met flesvoeding worden
gevoed, de aanbevolen hoeveelheid voor calcium gesteld op 75-90 mg per kg li-
chaamsgewicht per dag (zie tabel 16.4). Gezien de negatieve invloed die calcium
kan hebben op de absorptie van fosfaat meent de commissie dat het niet wenselijk
is dat flesvoeding een calcium/fosforverhouding heeft die hoger is dan die van moeder-
melk, namelijk 2,2. Bij het vaststellen van het adequate gebied van inneming voor
fosfor voor de zuigeling heeft de commissie rekening gehouden met het risico op
het ontstaan van tetanie als gevolg van een te hoge inneming van fosfor. De cal-
cium/fosforverhouding van de voeding mag dan ook niet te laag zijn. Zoals in $17.2.3.
is aangegeven, wordt een te hoge inneming van fosfor voorkomen door de ondergrens
van de calcium/fosforverhouding te stellen op 1,7.

Voor kinderen van 2-1 jaar is het vermogen van de nieren om fosfaat uit te
scheiden al toegenomen en kan een calcium/fosforverhouding van 1,0 worden
aangehouden.

Op basis van de fostorvoorraad van de foetus kan worden berekend dat de
behoefte aan fosfor tijdens de zwangerschap met gemiddeld ca. 100 mg/dag is
verhoogd. Voor de lactatieperiode is op basis van het fosforgehalte van moedermelk
berekend dat de behoefte gemiddeld ca. 200 mg fosfor per dag hoger is. Voor de
berekening van deze hogere behoefte is uitgegaan van een absorptiepercentage
van 60%.

Het op de hierboven aangegeven wijze berekende adequate gebied van inneming
voor de verschillende leeftijdscategorieën wordt weergegeven in tabel 17.1.

LITERATUUR
1. Nordin BEC. Calcium, phosphorus and magnesium metabolism. Edinburgh, London: Churchill Livingstone,
1976.

2. Commissie Nederlandse voedingsmiddelentabel, Nederlandse Voedingsmiddelentabel. 35e druk. 's-Gravenhage:
Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1987.

3. Sie TL, et al. Hypocalcemia, hyperparathyroidism and bone resorption in rats induced by dietary phosphate,
J Nutr 1974; 104: 1195-1201.

4. Von Feldheim W. Zur Relation zwischen Calcium und Phosphor in der Nahrung des Menschen. Milchwirtschaft
1983; 38: 284-6.

5. Avioli LV, Calcium and phosphorus. in: Goodhart RS, Shils ME, eds. Modern nutrition in health and disease,
Philadelphia: Lea en Febiger, 1980: 294-309.

6. Lee DBN, et al. Effect of phosphorus depletion onintestinal calcium and phosphorus absorption. Am J Physiol
1979; 236: E451-541,

7. Rader JE, et al. Calcium and phosphorus deficiency in rats: effects on PTH and 1,25-dihydroxyvitamin D-3.
Am J Physiol 1979; 236: E118-22.

8. Spencer H, et al. Effect of calcium on phosphorus metabolism in man. Am J Clin Nutr 1984; 40: 219-25.

9. Dominguez JH, et al. Dietary phosphate deprivationin women and men: effects on mineral and acid balances,
parathyroid hormone and the metabolism of 25-OH-vitamin D. J Clin Endocrinol Metab 1976; 43: 1056-68,

10. _ Marshall DH, et al. Calcium, phosphorus and magnesium requirement, Proc Nutr Soc 1976; 35: 163-73,

219

</pre>

====================================================================== Einde pagina 223 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 224 ======================================================================

<pre>fosfor

11.

24.

25,

Anoniem. Dietary phosphorus and secondary hyperparathyriodism in infants receiving humanized cow milk
formula. Nutr Rev 1986; 44: 107-9.

Venkataraman PS, et al. Late infant tetany and secondary hyperparathyroidism in infants fed humanized
cow milk formula. Am J Dis Child 1985; 139: 664-8.

Sui CM, et al. Self-regulatingof phosphate intake in the rat: the influence of age, vitamin D and parathyroid
hormon. J Nutr 1984; 114: 1097-1105.

ESPGAN Committee on Nutrition. Guidelines on infant nutrition. |. Recommendations for the composition
of an adapted formula. Acta Paed Scand Supp! 1977: 262.

Spencer H, et al. Effect of high phosphorus intake on calcium and phosphorus metabolism in man. J Nutr
1965; 86: 125-32.

Bell RR, et al. Physiological responses of human adults to foods containing phosphate additives. J Nutr
1977; 107: 42-50.

Tabekhia MM, Luh BS. Effect of germination, cooking and canning on phosphorus and phytaat retention
in dry beans. J Food Sci 1980; 45: 406-8,

Ivey EJ, Shaver K. Enzymic hydrolysis of polyphosphate in the gastro intestinal tract J Agric Food Chem
1977; 25: 128-30.

Schaafsma G. The influence of dietary calcium and phosphorus on bone metabolism. Wageningen: Proefschrift,
1981,

FAO/WHO. Toxicological evaluation of certain food additives including anticaking agents, antimicrobials,
antioxidants, emulsifiers, and thickening agents. FAO Nutrition Meetings Rep Series 1974; 53A: 469-85.

Reiss E, et al. The role of phosphate in the secretion of parathyroid hormone in man. J Clin Invest 1970;
49: 2146-9.

Malm OJ. On phosphates and phosphoric acid as dietary factors in the calcium balance of man. Scand
J Clin Lab Invest 1953; 5: 75-84.

Spencer H, et al. Calcium absorption and balances during high phosphorus intake in man. Fed Proc 1975;
34: 88.

Spencer H, et al. Effect of phosphorus on the absorption of calcium and on calcium balance in man. J Nutr
1978; 108: 447-57.

Rowe JW, et al. The effect of age on creatinine clearance in men: A cross-sectional and longitudinal study.
J Gerontol 1976; 31: 155-63.

220

</pre>

====================================================================== Einde pagina 224 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 225 ======================================================================

<pre>18. Seleen

18.1. INLEIDING 223
18.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen 223
18.1.2. Fysiologische betekenis 224
18.1.3. Deficiéntieverschijnselen 225
18.1.4. Bepaling van de seleenstatus 226

18.2. SELEENBEHOEFTE 226
18.2.1. Volwassenen 226
18.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten 227
18.2.3. Zwangerschap en lactatie 228
18.2.4. Factoren in de voeding die de behoefte aan seleen

beïnvloeden 228
18.2.5. Biologische beschikbaarheid 229
18.2.6. Toxiciteit 229

18.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING 230
18.3.1. Inleiding 230
18.3.2. Adequaat gebied van inneming 230

18.4. LITERATUUR 231

221

</pre>

====================================================================== Einde pagina 225 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 226 ======================================================================

<pre>seleen

222

</pre>

====================================================================== Einde pagina 226 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 227 ======================================================================

<pre>seleen

18.1. INLEIDING
48.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Seleen (Se, atoommassa 79,0) behoort tot de groep spoorelementen. Tot 1957
werd seleen als een toxische stof beschouwd. In dat jaar werd door Schwartz en
Foltz aangetoond dat seleen een essentiéle voedingsstof is voor mens en dier.

Wat de chemische eigenschappen betreft lijkt seleen het meest op zwavel,
het komt hierin altijd als verontreiniging voor in een verhouding van 1:6000. Seleen
komt in de bodem voornamelijk voor als selenide in de ertsen van zware metalen.
Voorts bestaan er op zwavelverbindingen gelijkende seleenverbindingen, zoals selenaat
en seleniet. In zowel planten als dieren komen seleenanalogen voor van de zwavelbe-
vattende aminozuren en peptiden en de stofwisselingsprodukten daarvan, zoals
selenomethionine en selenocysteine (1).

Seleen is in de meeste voedingsmiddelen aanwezig. Het seleengehalte van
plantaardige produkten is afhankelijk van het seleengehalte van de bodem waarop
zij zijn voortgebracht. Granen zijn over het algemeen rijker aan seleen dan groenten.
In granen is seleen voor 40% aanwezig als in eiwit gebonden selenomethionine,
het overige deel is waarschijnlijk aanwezig in de vorm van selenaat en selenocysteïne.
In wit brood is nog ongeveer 70% van het oorspronkelijke seleengehalte van het
graan over (2).

Tegenwoordig wordt bijna alle veevoeder verrijkt met seleen om deficiënties
en groeivertraging bij de dieren te voorkomen. Hierdoor is het seleengehaite van
dierlijke produkten dan ook meestal een redelijk constant. Orgaanvlees, zoals lever
en nier is bijzonder rijk aan seleen. Voorts bevatten vis en schelpdieren veel seleen.

Indierlijke weefsels is seleen gebonden als selenocysteine, selenomethionine,
selenotrisulfide en selenopersulfide. Ook komen complexe verbindingen met zware
metalen voor (3,4,5).

Er werd al vermeld dat het seleengehalte van voedingsmiddelen sterk afhangt
van onder andere het seleengehalte van de bodem. In Nederland zijn in een verge-
lijkend onderzoek geen significante verschillen gevonden in het seleengehalte van
enkele produkten uit verschillende regio's (6). De gevonden gehalten zijn vergelijkbaar
met die in West-Duitsland werden vastgesteld, hoger dan die in Nieuw Zeeland en
Finland, maar lager dan de gehalten die in de Verenigde Staten zijn gevonden. Met
behulp van gegevens over de samenstelling van dagvoedingen van 16-18 jarige
mannen is getracht een indruk te verkrijgen van de seleeninneming in Nederland
(7). Op grond van deze gegevens blijkt, dat bij deze leeftijdsgroep de seleenvoorziening
via de voeding gemiddeld 78 mcg/dag bedraagt, waarbij graanprodukten de grootste
bijdrage leveren.

223

</pre>

====================================================================== Einde pagina 227 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 228 ======================================================================

<pre>seleen

18.1.2. Fysiologische betekenis.

Er zijn geen goede gegevens bekend over de lichaamsvoorraad van seleen.
Op grond van de concentratie in diverse weefsels kan als schatting 10-20 mg worden
gegeven.

Seleen komt in de voeding voornamelijk voor ingebouwd in aminozuren en
eiwitten en als complexen met zware metalen. Na absorptie in het maagdarmkanaal
wordt seleen in het bloed getransporteerd door serumeiwitten, met name door B-
lipoproteine en a-globuline (8). De uitscheiding van seleen vindt hoofdzakelijk plaats
met de urine en de feces (9). De uitscheiding met de feces is hoofdzakelijk afkomstig
van niet-geabsorbeerd seleen en is sterk afhankelijk van de hoeveelheid en de vorm
waarin seleen in de voeding voorkomt. Bij een duidelijke overmaat kan seleen voorts
uit het lichaam worden uitgescheiden via onder andere het vluchtige stofwisselingspro-
dukt (CH,),Se in de uitademingslucht en via zweet. Vluchtige seleenverbindingen
hebben de typische knoflookgeur.

Opslagweefsels van seleen zijn niet bekend. Seleen komt in het lichaam voorna-
melijk voor in de lever, bloed en nieren. Voorts zijn relatief hoge concentraties
vastgesteld in de pancreas, de milt en de haren. Voor de regulering van de seleen-
status lijken de nieren verantwoordelijk, terwijl de lever van belang lijkt voor de synthese
van de biologisch actieve vormen van seleen.

Seleen is een co-factor van het enzym glutathionperoxydase (10). Per eiwitmole-
cule zijn hierin 4 atomen seleen aanwezig. De grootste activiteit van dit enzym wordt
gevonden in de lever en de erytrocyten. Glutathionperoxydase is actief bij de reductie
van peroxyden, waardoor celmembranen tegen oxydatieve afbraak worden beschermd
en bij de afbraak van peroxyden (11,12).

Er zijn aanwijzingen dat seleen van betekenis is voor de biosynthese van
ubichinon, een verbinding die in een relatief grote hoeveelheid voorkomt in het hart
(13). Voorts maakt seleen deel uit van haem-oxygenase, waarvan de functie niet
bekend is (14). In micro-organismen is nog een aantal andere enzymen gevonden
waarvan seleen een onderdeel vormt. Deze enzymen zijn echter nog niet in hogere
organismen aangetoond. Het betreft formiaatdehydrogenase, glycinereductase en
mogelijk nicotinezuurhydrolase, xantinedehydrogenase en thiolase (15).

Seleen vormt complexen met enkele zware metalen en metalloïden (kwik, cad-
mium, beryllium, thallium, arseen en lood) en vermindert daardoor de toxiciteit van
deze verbindingen.

Van seleen is met name op basis van resultaten van dierexperimenteel onderzoek
een beschermende werking beschreven op het ontstaan van borst- en mogelijk
colonkanker. De aanwijzingen uit epidemiologisch onderzoek voor een verband tussen
seleeninneming en het ontstaan van kanker bij de mens zijn echter beperkt en voor
colonkanker niet eenduidig. Mogelijk zijn de reducerende eigenschappen van
seleenverbindingen in dit verband van betekenis. De resultaten van onderzoek laten
slechts de conclusie toe, dat seleen mogelijk een remmende werking heeft op het
ontstaan van borstkanker (16,17).

224

</pre>

====================================================================== Einde pagina 228 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 229 ======================================================================

<pre>seleen

18.1.3. Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Een seleentekort bij dieren gaat gepaard met een grote verscheidenheid aan
verschijnselen. Het jonge dier is het meest gevoelig voor een seleentekort. Bij oudere
dieren zijn deficiéntieverschijnselen moeilijker op te wekken. De waargenomen
deficiéntieverschijnselen zijn bij:

*  Kippen : degeneratie en fibrose van de pancreas, encefalomalacie (11).
*  Ratten : in de 2e generatie haarverlies, groeivertraging, onvruchtbaarheid
(vnl. bij de mannetjes), cataract, levernecrose (18,19,20).
* _ Lammeren
en kalveren = : spierdystrofie (white muscle disease) (21).
* __ Apen : kaalheid, gewichtsverlies, nefrose, spier- en skeletdegeneratie,
levercirrose (15).

De glutathionperoxydase-activiteit in de erytrocyten is bij een seleentekort meestal
verlaagd tot 10-20% van de normale waarde (1).

Bij de mens.

Hoewel in sommige delen van de wereld de voeding van de mens slechts een
zeer geringe hoeveelheid seleen bevat, zijn er in de literatuur maar weinig situaties
beschreven waarin sprake is van een seleentekort:

* — In verschillende streken van China, waar de bodem arm is aan seleen komt
bij kinderen een cardiomyopathie voor die sinds 1935 bekend staat als Keshan
disease. De. incidentie is ongeveer 1 op 100 per jaar. De kenmerken zijn hart-
storingen, cardiogene shock, longoedeem en ernstige aritmie. Latente Keshan
disease is gekenmerkt door hartvergroting (15). Hoewel suppletie met seleen
geen verbetering bracht in de situatie van personen die aan deze ziekte leden,
kan door suppletie de ziekte wel worden voorkomen (22).

* In Finland is in een epidemiologisch onderzoek voor mannen een verhoogd
risico voor cardiovasculaire aandoeningen waargenomen wanneer het seleenge-
halte van het bloed lager was dan 45 mcg/l (23).

*_Bij personen die een seleenarme intraveneuze voeding kregen toegediend,
zijn verschijnselen waargenomen die mogelijk het gevolg zijn van een tekort
aan seleen. Deze verschijnselen waren onder andere spierpijn en spierzwakte
en de vorming van witte nagelbedden. De glutathionperoxydase-activiteit daalde
bij deze personen tot beneden 20% van de normaalwaarde. Ook het seleenge-
halte van het bloed was zeer laag (5 mcg/l). De verschijnselen waren reversibel
(24).

* Bij kinderen met kwashiorkor worden vaak zeer lage seleenwaarden in het bloed
waargenomen die waarschijnlijk worden veroorzaakt door een geringe inneming.
Bij sommige kinderen, die niet of onvoldoende op aanvullende voedingsmaat-
regelen reageerden gaf suppletie met seleen binnen 48 uur een sterke verbetering
van de eetlust te zien, terwijl oedeem verdween en de glutathionperoxydase-actM-
teit toenam (25).

225

</pre>

====================================================================== Einde pagina 229 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 230 ======================================================================

<pre>18.1.4.

18.2.

18.2.1.

seleen

Bepaling van de seleenstatus.

Als parameter voor de seleenstatus wordt vaak het seleengehalte van het bloed
gehanteerd. Voorts wordt wel de concentratie in plasma of serum bepaald, maar
het resultaat van deze bepaling lijkt meer dan de concentratie in bloed gevoelig te
Zijn voor variaties in de inneming en tevens gebonden te zijn aan een maximum
(26,27).

Naast de bepaling van het seleengehatte van het bloed, plasma en serum worden
ook de activiteit van glutathionperoxydase in het bloed en de seleenconcentratie
in de urine, de haren en de nagels als mogelijke parameters van de seleenstatus
gebruikt. De glutathionperoxydase-activiteit is echter niet uitsluitend afhankelijk van
de seleenstatus terwijl de bepalingen in urine, haren en nagels kunnen worden
verstoord door uitwendige factoren, zoals het gebruik van seleenbevattende antiroos-
shampoos (1,28).

Bij verschillende groepen volwassenen in Nederland is een gemiddeld seleengehal-
te van het bloed vastgesteld van ca. 100 mcg/l (29,30,31). Bij kinderen van 2-15
jaar is een gemiddelde waarde gevonden van 77+13 mcg/l, bij kinderen van 6-24
maanden van 50+ 12 mcg/l en bij zuigelingen (0-6 maanden) van 20+6 mceg/I (31).

Gemiddeld lage waarden van 47-60 mcg/l zijn vastgesteld in Finland, Nieuw
Zeeland en Canada. Bij kinderen in gebieden met een hoog seleengehalte van de
voeding, zoals in Venezuela, kan de seleenconcentratie in het serum stijgen tot ruim
800 meg/l (32,33).

SELEENBEHOEFTE
Volwassenen.

Balansonderzoek.

In een balansonderzoek bij 4 vrouwen (20-35 jaar) bleek dat de seleenbalans
in evenwicht bleef bij een inneming via de normale voeding op een niveau van
gemiddeld 24,2 mcg seleen/dag. Het verlies met de urine bedroeg gemiddeld 13,1
meg seleen/dag en met de feces gemiddeld 10,8 mcg. Het gemiddelde seleengehalte
van het plasma was 58 mcg/l (9).

in een onderzoek bij 27 personen (12 mannen en 15 vrouwen, 19-50 jaar) bleek
dat de voeding voor mannen gemiddeld 80 mcg seleen/dag moest bevatten om
de seleenbalans in evenwicht te houden (34). Voor vrouwen was dit 57 mcg. Bij
een gemiddelde hoeveelheid van 90+ 4 respectievelijk 74+3mcg/dag in de voeding
van de mannen en de vrouwen waren de seleenwaarden van het plasma respectievelijk
136 en 133 mcg/l. Na correctie voor lichaamsgewicht werd de seleenbehoefte door
de onderzoekers voor zowel mannen als vrouwen op ca. 1 meg/kg lichaamsgewicht
gesteld.

In eerder uitgevoerd onderzoek in de Verenigde Staten was bij jonge mannen
een verlies met de urine en de feces van gemiddeld 54 mcg seleen/dag waargenomen
(35).

226

</pre>

====================================================================== Einde pagina 230 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 231 ======================================================================

<pre>18.2.2.

seleen

In een streek in China met een lage seleenvoorziening bleek het voor volwassenen
mogelijk de seleenbalans te handhaven bij een gemiddelde inneming van 8,8 meg/dag
met een spreiding van 2,3-35,5 mcg/dag. De onderzoekers wijzen er op, dat deze
hoeveelheid niet de optimale hoeveelheid behoeft te zijn. In ander onderzoek bleek
namelijk dat een suppletie met 150 mcg seleen gedurende 30 dagen niet voldoende
was om bij een vergelijkbaar seleengehalte van de voeding de bloedparameters
voor de seleenstatus positief te beïnvloeden (36). Dit duidt op een onvoldoende
voorraad van seleen in het lichaam.

Onderzoek met parenterale voedingen.

Voor het verkrijgen van inzicht in de seleenbehoefte kunnen ook de resultaten
van onderzoeken met parenterale voedingen informatie verschaffen. Totale parenterale
voedingen en PKU-diëten (fenylketonurie) zijn vaak bijzonder arm aan seleen. Uit
diverse onderzoeken bij patiënten die gedurende langere tijd een totale parenterale
voeding kregen, bleek een inneming van minder dan 1 mcg per dag pas na langere
tijd in enkele gevallen deficiéntieverschijn-selen tot gevolg te hebben. Toediening
van 100 mcg seleen in de vorm van seleniet of selenomethionine gedurende enkele
weken bleek deze verschijnselen op te heffen. Een dosis van ongeveer 40 mcg/dag
bleek voor volwassenen voldoende om na repletie de seleenbalans te handhaven
(24,37,38).

Extrapolatie van resultaten van dierexperimenteel onderzoek.

Seleendeficiëntie komt bij dieren voor als de concentratie in het voeder minder
bedraagt dan 0,02-0,05 mcg/g droge stof. Bij alle onderzochte zoogdieren bleek
een seleengehalte van het voeder van 0,1 mcg/g droge stof voldoende voor een
optimale groei en voortplanting (39). Omgerekend naar de mens zou dit bij een gemid-
delde consumptie van 500 g voeder (droge stof) per dag neerkomen op een voorzie-
ning van 50 mcg seleen. In de Verenigde Staten zijn door de National Research
Council op basis van deze gegevens aanbevelingen voor seleen vastgesteld (40).

Optimaal niveau van enzymactiviteiten.

In een onderzoek met een proefduur van vier jaar bij 12 personen bleek bij
suppletie van de voeding met 90 mcg seleen in de vorm van natriumseleniet of 100
mcg seleen in de vorm van selenomethionine, het seleengehalte van het bloed te
stijgen. De hoogste waarden werden bereikt bij suppletie met selenomethionine.
Voorts steeg onder invloed van de suppletie de activiteit van het enzym glutathionper-
oxydase en wel tot een gelijk niveau bij de verschillende seleenverbindingen. Na
het beëindigen van de suppletie daalde de enzymactiviteit weer tot het uitgangsniveau.
De mate waarin de enzymactiviteit toenam, varieerde tussen de proefpersonen. De
onderzoekers suggereren dat het optimale niveau van de enzymactiviteit individueel
is bepaald en slechts gedeeltelijk door de inneming van seleen wordt beïnvloed (41).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Jonge kinderen zijn gevoeliger voor een seleendeficiëntie dan volwassenen.
Deficiéntieverschijnselen zijn dan ook voornamelijk beschreven bij kinderen. Dit wordt
waarschijnlijk veroorzaakt door de geringe reserves van het kind bij de geboorte
(zeker in seleenarme gebieden) en de hogere behoefte van groeiende weefsels (32).
In China, waar een seleentekort in bepaalde streken endemisch is, bleek een suppletie

227

</pre>

====================================================================== Einde pagina 231 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 232 ======================================================================

<pre>18.2.3.

18.2.4.

seleen

met 150 mcg seleen/week in de vorm van natriumseleniet voor 1-5 jarige kinderen
en met 300 mcg seleen/ week voor 6-9 jarige kinderen voldoende om Keshan disease
te voorkomen (42). Andere doses zijn echter niet onderzocht.

In een onderzoek in de Verenigde Staten werd bij zuigelingen, die borstvoeding
kregen, op de leeftijd van 3 maanden een duidelijk hoger seleengehalte van het
bloed vastgesteld dan bij zuigelingen die gevoed werden met geadapteerde zuige-
lingenvoeding. Het gehalte van moedermelk bedroeg 16 mcg seleen/l en van de
geadapteerde zuigelingenvoeding 9 mcg seleen/| (43).

Op basis van het seleengehalte van het lichaam van 0,2 mg/kg lichaamsgewicht
kan de behoefte tijdens groei worden geschat (44). Voor zuigelingen (0-2 jaar) zou
deze behoefte bij een gemiddelde groei van 4 g/kg lichaamsgewicht/dag slechts
0,8 mcg seleen/kg lichaamsgewicht/dag bedragen. Deze hoeveelheid wordt ruim-
schoots gedekt door de gemiddelde voorziening via moedermelk, die 8-16 mcg/dag
bedraagt (49,50).

Zwangerschap en lactatie.

De veranderingen die tijdens de zwangerschap in het seleengehalte van bloed
en plasma bij de vrouw zijn waargenomen, zijn niet éénduidig. Er zijn dalingen gerap-
porteerd tot een niveau van 50 en 92% van de normaalwaarden. Hierbij werd echter
geen rekening gehouden met de relatief geringe hoeveelheid seleen als gevolg van
het toegenomen bloedvolume tijdens de zwangerschap. Deze variatie in waarnemingen
geldt ook voor de glutathionperoxydase-activiteit die wordt gerapporteerd en ineen
aantal situaties zelfs was verhoogd. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door een hogere
activiteit van de andere peroxydases. De beschikbare gegevens suggereren dat
tijdens de zwangerschap de seleenhomeostase voor een groot gedeelte wordt
gereguleerd door de nieren, waarbij meer seleen in het lichaam wordt vastgehouden
(45,46).

Selenomethionine kan de placenta passeren. Met behulp van radioactieve isotopen
kon seleen worden aangetoond in de placenta, in het bloed van de navelstreng en
in dat van de foetus. De gehalten in het bloed van navelstreng en foetus waren onaf-
hankelijk van het gehalte van de placenta (47).

Het seleengehalte van moedermelk is onder andere afhankelijk van de seleenvoor-
ziening van de vrouw. In de tabellen van Ciba-Geigy wordt 21 mcg/l als gemiddelde
voor het seleengehalte van moedermelk vermeld met een spreiding van 10-38 mcg/l
(48). Anderen rapporteren een variatie van het gemiddelde seleengehalte van moeder-
melk van 10-20 mcg/I moedermelk (49,50).

Factoren in de voeding die de behoefte aan seleen beïnvloeden.
Vitamine E heeft evenals glutathionperoxydase een anti-oxydatieve werking.
Deficiëntieverschijnselen als gevolg van een lage voorziening met seleen kunnen

gedeeltelijk worden voorkomen door een voldoende voorziening met vitamine E.
Omgekeerd kan seleen de werking van vitamine E enigszins vervangen (51,52,53).

228

</pre>

====================================================================== Einde pagina 232 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 233 ======================================================================

<pre>18.2.5.

18.2.6.

seleen

Vitamine E beschermt mogelijk de selenide-non-haem-ijzer eiwitten uit microsomen
tegen oxydatie (54).

Tussen seleen en kwik bestaat een antagonistische relatie. Een hoge kwikinneming
zou de behoefte aan seleen kunnen verhogen.

Biologische beschikbaarheid.

Uit de resultaten van onderzoek met *Se-isotopen met zowel selenaat, seleniet
als selenomethionine is gebleken dat selenomethionine en mogelijk ook andere biolo-
gisch gebonden seleenverbindingen door de mens voor ongeveer 95% worden geab-
sorbeerd. Van selenaat en seleniet wordt ca. 80% geabsorbeerd. Selenomethionine
verhoogt binnen enkele uren na inneming de plasmawaarden en kent geen maximum
niveau. Selenaat en seleniet worden eerst opgenomen in de lever en verhogen daar-
door slechts langzaam de concentratie in het plasma. Onder invloed van deze
seleenverbindingen stijgt de plasmaconcentratie ook maar tot een beperkt niveau.
Uit resultaten van dierexperimenteel onderzoek is gebleken dat selenomethionine
sneller en beter wordt geabsorbeerd dan selenocysteïne. De beschikbaarheid van
seleen uit selenomethionine is mogelijk ook afhankelijk van de totale beschikbare
hoeveelheid methionine en de vitamine B, voorziening. Bij hoge zwavelgehaiten van
de voeding wordt meer seleen uitgescheiden in de urine (2,55,56,57,58).

Ascorbinezuur is eveneens van invloed op de beschikbaarheid van seleen.
Het positieve effect is waarschijnlijk afhankelijk van de aard van de seleenverbinding
(59).

Toxiciteit.

Sommige planten groeien zeer goed op seleenrijke gronden en accumuleren
daarbij seleen. Deze seleen indicatorplanten kunnen extreem hoge seleengehalten
bevatten in de vorm van seleno-aminozuren. Worden deze planten gegeten door
dieren dan kan dat leiden tot een acute seleenintoxicatie die vaak dodelijk is als
gevolg van bloedingen en necrose in diverse organen. Naast levercirrose komen
hartspierbeschadigingen, haaruitval en hoefbrokkeligheid bij paarden en andere
hoefdieren voor als gevolg van seleenintoxicatie. Voor dieren ligt de LD,, voor seleniet,
selenaat, selenocysteine en selenomethionine bij tenminste enkele mg/kg lichaamsge-
wicht. Voor andere seleenverbindingen kan de LD,, een factor 10 hoger liggen (30).
Deze verbindingen komen echter normaal niet in de voeding voor.

Acute seleenintoxicatie bij de mens komt af en toe voor als gevolg van ge-
neesmiddelengebruik en na blootstelling bij industriële ongevallen (30). Seleen blokkeert
de sulfhydryigroepen in vele enzymsystemen door de vorming van triselenosulfides.
Het intoxicatiebeeld is dan ook vergelijkbaar met veel andere toxische stoffen die
deze groepen kunnen blokkeren (1). Bij overmatige inneming van natriumseleniet
kan in het lichaam dimethylselenide worden gevormd dat in de longen tot de vorming
van diffuse granulomen kan leiden (30).

Chronische belasting met seleen heeft verschillende verschijnselen tot gevolg.
Deze verschijnselen zijn afhankelijk van de aanwezigheid en het niveau van andere

229

</pre>

====================================================================== Einde pagina 233 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 234 ======================================================================

<pre>seleen

bestanddelen in de voeding zoals vitamine E en zware metalen. Door de vorming
van complexe verbindingen tussen seleen en zware metalen wordt een deel van
het seleen dat wordt opgenomen weggevangen. Eenzelfde werking is beschreven
voor de bescherming die lijnzaadolie geeft tegen seleen. Deze berust namelijk op
de vorming van complexe verbindingen tussen seleen en twee in lijnzaadolie
voorkomende glycosiden (60).

In de zestiger jaren vond in Enshi in China een vergiftiging plaats als gevolg
van een te hoge seleeninneming. Door misoogsten was men gedwongen meer van
de plaatselijke produkten, zoals mais en groenten, te gebruiken. Deze produkten
bevatten als gevolg van de bodemgesteldheid zeer hoge seleengehalten. De inneming
bedroeg ca. 5 mg seleen per dag (1000 x de inneming in de Keshan disease gebieden)
en het seleengehalte van het bloed was gemiddeld 3200 meg/l. De symptomen waren
verlies van haar en nagels, huidlesies, tanduitval en aandoeningen van het zenuwstelsel,
zoals gevoelloosheid en pijn in de extremiteiten (61).

De resultaten van dierexperimenteel onderzoek hebben de veronderstelde car-
cinogene werking van seleen niet kunnen bevestigen. Van seleen zijn in lagere orga-
nismen en in humane cellen in vitro soms wel en soms geen mutagene effecten
vastgesteld. Vooralsnog is de mutagene werking van seleen voor de mens niet over-
tuigend aangetoond. Voorts is in onderzoek bij proefdieren seleen niet teratogeen
gebleken (30).

In dierexperimenteel onderzoek en bij vee is chronische seleenvergiftiging
waargenomen als het drinkwater meer dan 2 mcg/ml, of het voeder meer dan 3
mcg seleen/g droge stof bevatte (39).

Op grond van deze bevindingen wordt een maximale dosis van 200 mcg/dag
voor de volwassen mens aanvaardbaar geacht (40).

18.3. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

18.3.1. Inleiding.

Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk een minimumbehoefte
voor seleen vast te stellen. De commissie acht het wel mogelijk een traject aan te
geven waarbinnen zeer waarschijnlijk de voorziening met seleen moet plaatsvinden.
Voor de vaststelling van dit adequaat gebied van inneming heeft de commissie gekozen
voor een benadering waarbij zowel de resultaten van dierexperimenteel onderzoek
als de resultaten van onderzoek bij de mens worden betrokken.

18.3.2. Adequaat gebied van inneming.

Uit de resultaten van onderzoek naar de hoeveelheid seleen die nodig is
deficiëntieverschijnselen te voorkomen en uit de resultaten van balansonderzoek
kan worden afgeleid dat de voeding van volwassenen ca. 50-100 mcg seleen/dag
moet bevatten om in balans te blijven. Voor een maximale stimulering van de
enzymactiviteit zouden hoeveelheden van meer dan 100 mcg seleen/dag nodig zijn;

230

a |

</pre>

====================================================================== Einde pagina 234 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 235 ======================================================================

<pre>18.4.

seleen

een optimale hoeveelheid is niet aan te geven. Om toxicologische Tabel 18.1. Adequaat

risico's te vermijden zou de voeding bij voorkeur niet meer dan
ca. 200 mcg seleen/dag maeten bevatten.

voor de behoeftevoorziening van volwassenen met seleen ge- ov | 10-200
streefd zou moeten worden naar een niveau van 50-150 meg Yel 40-20
seleen/dag. Met behulp van dit niveau kan op basis van het li- Jongens
chaamsgewicht het adequaat gebied van inneming voor de ande- 1-4 10-30
re leeftijdsgroepen worden berekend (zie tabel 18.1). 47 15-45
7-10 20-60
Voor zuigelingen van 0-% jaar zou het op deze wijze 10-13 | 30-80
vastgestelde adequate gebied van inneming 5-10 mcg/dag be- 13-16 | 40-110
dragen. De hoeveelheid seleen die via moedermelk wordt verkre- 16-19 | 50-140
gen bedraagt echter 10-20 mcg/dag. Uit veiligheidsoverwegingen meisjes
wordt aan laatstgenoemde hoeveelheid als adequaat gebied 1-4 10-30
van inneming door de commissie de voorkeur gegeven. 4-7 15-45
7-10 20-60
Voor zwangeren en lacterenden lijkt het niet nodig de 10-13 | 30-85
bovengrens van het adeguate gebied van inneming hoger te 18-16 | 40-110
stellen. De extra behoefte gedurende de groei van de foetus, 16-19 | 45-140
respectievelijk als gevolg van de uitscheiding via moedermelk mannen
zijn relatief gering. Voorts zijn er aanwijzingen dat tijdens de 19-22 [ 50-150

zwangerschap door een conserverende nierwerking meer seleen
in het lichaam wordt vastgehouden. Uit veiligheidsoverwegingen

gebled van inneming
voor seleen per dag.

categorie/ | meg
a leeftijd jr
Op grond van deze gegevens meent de commissie dat [auigelingen

22-50 50-150
50-65 50-150

wordt de ondergrens voor deze groepen op 75 mcg seleen/dag 265 | 50-150
gesteld. vrouwen
19-22 50-150
22-50 50-150
50-65 50-150
ERATUUR
LITERA 265 50-150
1. Dalderup LM, Klein Obbink HJ. Selenium en seleniumverbindingen. Voeding 1979; zwangeren | 75-150
40: 6. zogenden | 75-150
2. Young VR, et al. Selenium bioavailability with reference to human nutrition. Am
J Clin Nutr 1982; 35: 1076-88. ,
’ 1) Dit komt overe:
3. Palmer IS, et al. Selenium intake and urinary excretion in persons living near a ) met 2.4 meg per
high selenium area. J Am Diet Ass 1983; 82: 511-5. kg lichaamsge-
4. Snook JT, et al. Selenium status of a rural (predominantly Amish) community wicht per dag
living in a low selenium area. Am J Clin Nutr 1983; 38: 620-30. |
5. Welsh SO, et al. Selenium in self-selected diets of Maryland residents. J Am Diet Ass 1981; 79: 277-85.
6. Bos P, et al. Bronnen van variatie in het seleniumgehalte van voedingsmiddelen in Nederland. CNO-rapporten
V88.553. Zeist: CIVO-Instituten TNO, 1988.
7. Hulshof KFAM. Spoorzoeken in voedingsmiddelen. Voeding 1985; 46: 227-32.
8. Combs GF, Combs SB. The nutritional biochemistry of selenium. Ann Rev Nutr 1984; 4: 257-80.
9. Stewart RDH, et al. Quantitative selenium metabolism in normal New Zealand women. Br J Nutr 1978; 40:
45-54.
10. — Rotruck JT, et al. Selenium: biochemical role as a component of glutathoine peroxidase. Science 1973; 179:
588-91.
11. Sunde RA, et al. Structure, synthesis and function of glutathione peroxidase. Nutr Rev 1980; 38: 265-71.
12, Peterson FJ, et al. Effect of selenium and vitamin E deficiency on nitrofurantoin toxicity in the chick. J Nutr
1982; 112: 1741-6.
13. _ Anoniem. Selenium in the heart of China. The Lancet 1979; ii: 889.
14. Anoniem. Selenium perspective. The Lancet 1983; i: 685.
15. | Golden MHN. Trace elements in human nutrition. Human Nutr: Clin Nutr 1982; 36C: 185-202.
16. Thompson HJ. Selenium as an anticarcinogen. J Agric Food Chem 1984; 32: 422-5.
17. . Voedingsraad. Factoren in de voeding en het ontstaan van kanker. 's-Gravenhage: Voedingsraad, 1986.

231

</pre>

====================================================================== Einde pagina 235 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 236 ======================================================================

<pre>seleen

18,

8

41,

51.

52.

Behne D, et al, Selenium in the testis of the rat: studies on its regulation and its importance for the organism.
J Nutr 1982; 112: 1682-7.

Bunce GE. Nutrition and cataract Nutr Rev 1979; 37: 11.

Lawrence RA, et al. Hepatic cytosolic non selenium-dependent glutathoine peroxidase activity: ite nature
and the effect selenium deficiency. J Nutr 1978; 108: 981-7.

Mertz W. The essential trace elements, Science 1981; 213: 1332-8.

Xu, Guang-lu, Diplock AT. Glutathione peroxidase, glutathione-S-transferase, superoxyde dismutase and
catalase activities in tissues of ducklings deprived of vitamin E and selenium. Br J Nutr 1983; 50: 437-44.
Salonen JT, et al, Association between cardiovascular death and myocardial infarction and serum selenium
in a matched-pair longitudinal study. The Lancet 1982; ii: 175-8,

Van Rij AM, et al. Selenium deficiency in total parenteral nutrition. Am J Clin Nutr 1979; 32: 2076-85.
Mathias PM, Jackson AA. Selenium deficiency in kwashiorkor. The Lancet 1982; i: 1312-3.

Van Faassen A, et al. De keuze van een biochemische grootheid voor de seleniumvoorziening van de mens.
T Soc Gezondsheidszorg 1983; 61: 21.

Chen Shang Y, et al. Fluorometry of selenium in human hair, urine and blood. Ann Nutr Metab 1982: 26:
186-90.

Robberecht HJ, Deelstra HA. Selenium in human urine: concentration levels and medical implications. Clin
Chim Acta 1984; 136: 107-20.

Woittiez JAW, et al. Selenium content in human serum. Petten: Rapport ECN-81-171, 1981.

Elskamp DMW. Seleen en seleenverbindingen. Rapport MBL 20. Rijswijk: Medisch Biologisch Laboratorium
TNO, 1983.

Van Caillie-Bertrand M, etal. Influence of age on the selenium status in Belgium and the Netherlands. Pediatric
Res 1986; 20: 574-6.

Thomson CD, Robinson MF, Selenium in human health and disease with emphasis on those aspects peculiar
to New Zealand. Am J Clin Nutr 1980; 33: 303-23.

Robinson MF, Thomson CD. Selenium levels in humans vs. environmental sources. In: Spallhoiz JE, et al,
eds. Selenium in biology and medicine. Westport CT: AVI Publishing, 1981; 283-302.

Levander OA, Morris VC. Dietary selenium levels needed to maintain balance in North American adults consuming
self-selected diets. Am J Clin Nutr 1984; 39: 809-15.

Levander OA, et al. Selenium balance in young men during selenium depletion and repletion. Am J Clin
Nutr 1981; 34: 2662-9.

Luo X, et al. Selenium intake and metabolic balance of 10 men from a low selenium area of China, Am J
Clin Nutr 1985; 42: 31-7.

Baker SS, et al. Selenium deficiency with total parenteral nutrition: reversal of biochemical and functional
abnormalities by selenium supplementation: a case report. Am J Clin Nutr 1983; 38: 769-74.

Kien CL, Ganther HE. Manifestations of chronic selenium deficiency in a child receiving total parenteral nutrition.
Am J Clin Nutr 1983; 37: 319-28.

National Academy of Sciences. Selenium in nutrition. Washington DC: National Academy of Sciences, Committee
on Animal Nutrition, 1971.

National Research Council. Recommended dietary allowances. Washington DC: National Academy of Sciences,
1980,

Thomson CD, et al. Effect of prolonged supplementation with daily supplements of selenomethionine and
sodium selenite on glutathione peroxidase activity in blood of New Zealand residents. Am J Clin Nutr 1982;
36: 24-31.

Anoniem. Prevention of Keshan cardiomyopathy by sodium selenite. Nutr Rev 1980; 38: 278-9.

Smith AM, et al. Selenium intakes and status of human milk and formula fed infants. Am J Clin Nutr 1982;
35: 521-6.

Schroeder HA. Trace elements and nutrition. London: Faber and Faber, 1973.

Butler JA, et al. Blood selenium and glutathione peroxidase activity in pregnant women: comparative assays
in primates and other animals. Am J Clin Nutr 1982; 36: 15-23.

Swanson CA, et al. Quantitative and qualitative aspects of selenium utilization in pregnant and nonpregnant
women: an application of stable isotope methodology. Am J Clin Nutr 1983; 38: 169-80.

Korpela H, et al. Selenium concentration in maternal and umbilical cord blood, placenta and amniotic membranes.
Int J Vit Nutr Res 1984; 54: 257-61.

Ciba-Geigy. Wissenschaftliche Tabellen Geigy, Teilband Körperflüssigkeiten. Basel: Ciba-Geigy, 1977.
Kumpulainen J, et al. Effect of maternal dietary selenium intake on selenium levels in breast milk. Int J Vit
Nutr Res 1984; 54: 251-5.

Department of Health and Social Security. The composition of mature human milk. Report on Health and
Social Subjects, N°12. London: HMSO, 1977.

Brady PS, et al. The effect of dietary selenium and vitamin E on biochemical parameters and survival of
young among white-tailed deer (Odocoileus Virginianus). J Nutr 1978; 108: 1439-48.

Jensen GE, Clausen J. Glutathione peroxidase activity in vitamin E and essential fatty acid-deficient rats.
Ann Nutr Metab 1981; 23: 27-37.

Tappel AL Selenium-glutathione peroxidase and vitamin E. Am J Clin Nutr 1974; 27: 960-5.

232

</pre>

====================================================================== Einde pagina 236 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 237 ======================================================================

<pre>54,

55.

61.

seleen

Diplock AT. Possible stabilisation effect of vitamin E on microsomal, membrane-bound, selenide-containing
proteins and drug-metabolizing enzyme systems. Am J Clin Nutr 1974; 27: 995-1004,

Yasumoto K, et al, Vitamin B, dependence of selenomethionine and selenite utilization for glutathione peroxidase
in the rat. J Nutr 1979; 109: 760-6.

Greger JL, Marcus RF. Effect of dietary protein, phosphorus and sulfur amino acids on selenium metabolism
of adult males. Ann Nutr Metab 1981; 25: 97-108.

Janghorbani M, et al. Selenium metabolism in healthy adults: quantitative aspects using the stable isotope
*Se0,. Am J Clin Nutr 1982; 35: 647-54.

Sunde RA, et al. Effect of dietary methionine on the biopotency of selenite and selenomethionine in the rat.
J Nutr 1981; 111: 76-86.

Mutanen M, Mykkänen HM. Effect of ascorbic acid supplementation on selenium bioavailability in humans.
Human Nutr: Clin Nutr 1985; 39C: 221-6.

Palmer IS, et al. Isolation of factors in linseed oil meal protective against chronic selenosis in rats. J Nutr
1980; 110: 145-50.

Yang G, et al. Endemic selenium intoxication of humans in China. Am J Clin Nutr 1983; 37: 872-81.

233

</pre>

====================================================================== Einde pagina 237 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 238 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 238 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 239 ======================================================================

<pre>19. Koper

19.1.

19.2.

19.3.

19.4,

INLEIDING

19.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
19.1.2. Fysiologische betekenis

19.1.3. Deficiëntieverschijnselen

19.1.4. Bepaling van de koperstatus

KOPERBEHOEFTE

19.2.1. Volwassenen

19.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
19.2.3. Zwangerschap en lactatie

19.2.4. Biologische beschikbaarheid

19.2.5. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
19.3.1. Inleiding
19.3.2. Adequaat gebied van inneming

LITERATUUR

235

237
237
237
238
239

239
239
241
242
242
244

244
244
245

246

</pre>

====================================================================== Einde pagina 239 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 240 ======================================================================

<pre>koper

236

</pre>

====================================================================== Einde pagina 240 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 241 ======================================================================

<pre>19.1.

19.1.1.

19.1.2.

koper

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Koper (Cu, atoommassa 63,5) komt voor in alle plantaardige en dierlijke weefsels
die tot nu toe zijn onderzocht als Cu(!) en/of Cu(II). Het bivalente karakter van koper
verklaart een aantal van de functies van koper in het lichaam, met name de rol in
redox-enzymen. Sinds de onderzoeken van de groep van Hart is bekend dat koper
een essentiële voedingsstof is voor de rat (1). In 1930 bleek het belang van koper
voor de mens (2,3).

in voedingsmiddelen komt koper voor gebonden aan eiwit. In Nederland varieert
het kopergehalte van groenten en fruit rond 1 mg/kg. In vlees, brood en graanproduk-
ten is dit gehalte iets hoger. Een relatief hoog kopergehalte wordt gevonden in
cacaoprodukten (4).

Fysiologische betekenis.

De lichaamsvoorraad koper bij een volwassene bedraagt ca. 80-1 20 mg. Van
deze hoeveelheid is ruim de helft aanwezig in spieren, 25% in de botten, 10% in
de lever en 10% in de overige weefsels. |

In het bloed komt koper gebonden aan serumalbumine en aminozuren voor.
Dit vormt het uitwisselbare deel van het koper in het plasma. Meer dan 90% van
het koper in plasma is gebonden aan ceruloplasmine. Dit plasma-eiwit wordt in de
lever gevormd. Bovendien bevat de lever cellulaire koperbindende eiwitten zoals
metallothioneine, en koperbevattende enzymen.

Koper is onder andere van belang voor de haemsynthese en de vorming van
bindweefsel. Het ceruloplasmine speelt een rol bij de overdracht van ijzer van ferritine
in darmwand, lever of reticulo-endoplasmatisch systeem naar apotransferrine. Hierbij
wordt Fe(lll) na reductie tot Fe(ll) opnieuw geoxydeerd tot Fe(lll) en koper van Cu(ll)
gereduceerd tot Cu(!). Daarnaast is koper bij veel andere reacties betrokken. Het
koperbevattende enzym lysyloxydase speelt een rol bij de cross-linking van collageen
en elastine, die nodig is voor normale bindweefsel en botvorming. Koper komt verder
voor in het enzym superoxydedismutase dat 60% bevat van de hoeveelheid koper
die in erytrocyten aanwezig is. Ook komt koper voor in enzymen zoals cytochroomoxy-
dase, tyrosine-oxydase en verschillende amine-oxydases. Hetcytochroomoxydase
is mogelijk ook betrokken bij de haemsynthese, terwijl tyrosine-oxydase waarschijnlijk
betrokken is bij de pigmentatie van haar. Bovendien zijn bepaalde koperbevattende
enzymen wellicht van belang voor het functioneren van het immuunsysteem (5).
Recent is een mogelijke functie van koper bij de bloedstolling beschreven (6).

Koper wordt geabsorbeerd in de dunne darm. De wijze waarop de absorptie
van koper precies plaatsvindt is niet bekend. Waarschijnlijk speelt het metallothioneine
een belangrijke regulerende rol bij het transport van koper door de darmwand.

De mate waarin koper wordt geabsorbeerd is onder andere afhankelijk van
de chemische vorm, de aanwezigheid van verschillende andere voedingsstoffen

237

</pre>

====================================================================== Einde pagina 241 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 242 ======================================================================

<pre>19.1.3.

koper

en de zuurgraad van de darminhoud (zie ook §1 9.2.4.). De excretie van koper vindt
voornamelijk plaats via de gal.

Deficiéntieverschijnselen.

Bij dieren.

Koperdeficiéntie leidt onder andere bij ratten, varkens en schapen tot hypochrome
microcytaire anemie. Deze is het gevolg van een storing in de absorptie en mobilisering
van ijzer en een storing in de haemsynthese.

Een ander gevolg van koperdeficiëntie is de verstoring in de cross-linking van
collageen en elastine, die in §19.1.2. werd genoemd. Deze verstoring leidt bij een
groot aantal proefdieren tot afwijkingen in het beenderstelsel en het vaatstelsel (7).

Daarnaast zijn bij vele soorten proefdieren afwijkingen waargenomen in de pigmen-
tatie en de vorm van haar en wol, en afwijkingen in het centrale zenuwstelsel als
gevolg van een gebrekkige myelinisatie.

Verminderde enzymactiviteit zonder dat daarvan specifieke gevolgen bekend
zijn, is vastgesteld voor de enzymen cytochroom-c-oxydase, superoxyde-dismutase,
uricase, dopamine-B-hydroxylase en de koperafhankelijke amine-oxydases (7).

Bij de mens.

Ernstige koperdeficiéntie bij de mens is beschreven bij:

* — Ondervoede kinderen en kinderen, die herstellen van ondervoeding en voorna-
melijk worden gevoed met koemelk.

*_Prematuur geboren kinderen met een geboortegewicht lager dan 1200 g, die
worden gevoed met koemelk.

*_Het gebruik van totale parenterale voeding met onvoldoende koper.

De verschijnselen die worden waargenomen zijn: hypochrome anemie met neutropenie,
osteoporose die gepaard gaat met botafwijkingen die lijken op die bij een vitamine
C deficiëntie en vaak verminderde huidpigmentatie. In gevorderde stadia van de
deficiëntie kunnen ook neurologische afwijkingen voorkomen (7,8,9,10,11).

Neurologische afwijkingen en hersenbeschadigingen treden ook op bij het
syndroom van Menkes, waarbij sprake is van genetisch geïnduceerde koperdeficiëntie.
Dit syndroom gaat bovendien gepaard met stijl en gedepigmenteerd haar en afwij-
kingen in de bloedvaten en het botweefsel.

Marginale koperdeficiëntie is waargenomen bij kinderen met chronische diarree
en bij patiënten met bijvoorbeeld malabsorptie, die werden behandeld met hoge
doses zink (10).

Door Klevay wordt gewezen op de overeenkomsten tussen de afwijkingen die
voorkomen bij dieren met een koperdeficiëntie en bij personen met ischemische
hartziekten, onder andere hypercholesterolemie en verhoogde neiging tot bloedstolling
(12).

238

</pre>

====================================================================== Einde pagina 242 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 243 ======================================================================

<pre>19.1.4.

19.2.

19.2.1.

koper. |

Bepaling van de koperstatus.

Voor de bepaling van de koperstatus wordt vaak gebruik gemaakt van het
kopergehalte in plasma of bloed en de bepaling van het ceruloplasminegehalte.
Het kopergehalte van het plasma van volwassenen is enigszins afhankelijk van leeftijd
en geslacht. Het kopergehalte van het plasma van pasgeborenen is zeer laag. De
waarde van deze biochemische parameters voor de diagnose van een matig koperte-
kort is echter beperkt. Het kopergehalte van de leucocyten zou hiervoor een meer
geschikte parameter zijn (13).

KOPERBEHOEFTE
Volwassenen.

Factoriële methode.

Uit onderzoeken die sinds 1957 zijn uitgevoerd bij 10 of meer personen blijkt
dat de koperexcretie via de urine zou variëren tussen 10-60 mcg/dag (11,14). Gehalten
> ca. 15 mcg/dag die worden gerapporteerd moeten echter worden toegeschreven
aan analysefouten en aan contaminatie van glaswerk en dergelijke.

De groep van Jacob stelde onder normale omstandigheden bij 13 mannen
een koperverlies via het totale huidoppervlak vast van gemiddeld 0,34+0,24 mg/dag.
Dit kwam overeen met 26% van de gemiddelde koperinneming (15). Op grond van
(schaarse) literatuurgegevens schat de groep van Klevay het koperverlies via huidaf-
schilfering, haren en zweet op 0,25 mg/dag (16). Andere onderzoekers rapporteerden
daarentegen onder proefomstandigheden van 37,8°C en 50% luchtvochtigheid bij
3 personen een koperverlies via zweet van gemiddeld 1,6 mg/dag (17). De dagelijkse
koperinneming bedroeg tijdens dit onderzoek 3,5 mg per dag.

In het algemeen wordt voor koperverliezen via zweet uitgegaan van een
hoeveelheid van 0,3-0,6 mg/l (18). Bij een gemiddelde zweetuitscheiding van 0,5
dag zou dit maximaal een verlies van ca. 0,3 mg koper per dag betekenen.

De koperuitscheiding via de gal is bijna volledig verantwoordelijk voor het
endogene verlies aan koper via de feces (18). Voor de koperuitscheiding via de
gal zijn hoeveelheden van 1,2 mg/dag en 0,5-1,3 mg/dag waargenomen (14,19).
De hoge waarden hierbij worden mogelijk veroorzaakt door de overloopfunctie van
de gal bij een hoog niveau van inneming. De reabsorptie van koper uit gal in het
darmkanaal is beperkt en wordt op maximaal 20% geschat (18). Dit zou betekenen
dat het verlies aan endogeen koper via de feces 0,4-1,2 mg/dag bedraagt.

Umoren en Kies rapporteerden bij volwassen vrouwen een verlies van 0,26
mg koper per menstruatieperiode, hetgeen overeenkomt met 9,3 mcg/dag (20).
Underwood noemt in dit verband 20 mcg/dag (21). Op grond van een bloedverlies
van 22-69 ml per cyclus van 28 dagen ($15.2.1.) kan bij een kopergehalte van 100
mcg/100 ml bloed een koperverlies per cyclus worden berekend van 0,8-2,5 mcg/dag.

Balansonderzoeken.

De resultaten van 6 onderzoeken die vóór 1955 werden uitgevoerd bij in totaal
145 personen gaven gemiddeld een positieve koperbalans te zien bij een gemiddelde

239

</pre>

====================================================================== Einde pagina 243 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 244 ======================================================================

<pre>koper

koperinneming die varieerde van 1,06 mg/dag tot 5,83 mg/dag. In twee van deze
onderzoeken werd de koperbehoefte geschat op minder dan 2 mg/dag, in de overige
onderzoeken op 2-2,6 mg/dag. De resultaten van deze onderzoeken hebben ertoe

geleid dat werd uitgegaan van een koperbehoefte van 2-2,5 mg/dag.

Tabel 19.1. Koperbalansonderzoeken bij volwassenen.

deelnemers voeding koperinneming balans ref.
mg/dag mg/dag
4 vrouwen vlees, brood en ijs met 1,94 +0,31 (24)
thee en koffie
S mannen standaard voeding 1,91 +0,42 (27)
6 vrouwen
6 mannen preparaatvoeding aan- 3,3+0,11 +0,06+0,06 | (25)
gevuld met normale
voedingsmiddelen
13 mannen gemengd, met diverse 1,27 20,23 -0,035+0,213 | (16)
vezelbronnen
9 vrouwen gemengd 0,59 -0,45 (22)
9 mannen gemengd; diverse ni- 1 ca.-0,1 (23)
veaus van calcium,
fluoride, fosfaat en hy-
drochloorthiazide
10 zwangere gehomogeniseerde 1,44 +0,35 (26)
vrouwen voeding met vnl. dierlijk
6 niet-zw. vrou- | eiwit +0,36
wen
10 zwangere idem met vnl. plantaar- 2,53 +0,85
vrouwen dig eiwit
6 _niet-zw. vrou- +0,76
wen
11 zwangere gemengd 1 -0,02 (63)
vrouwen
13 zwangere gemengd, aangevuld 2,68 +0,88
vrouwen met preparaatvoeding
6 mannen preparaatvoeding 2,7 +0,11 (28)
+0,21
11 mannen standaard voeding 0,78 +0,002 (29)
1,68 +0,17
7,53 +0,94

Tabel 19.1 geeft een overzicht van balansonderzoeken die vanaf 1971 zijn uitgevoerd
bij in totaal 25 vrouwen en 50 mannen. Een gemiddeld negatieve koperbalans werd
gevonden bij een koperinneming van respectievelijk 0,59 mg/dag, van 1 mg/dag
en van 1,27 mg/dag (16,22,23). Een gemiddeld positieve koperbalans werd gevonden
bij een koperinneming die varieerde van 1,4 tot 7,53 mg/dag (23,25,26,27,28,29).
In een publikatie wordt melding gemaakt van een nulbalans die werd vastgesteld
bij een inneming van slechts 0,78 mg koper per dag (29). De getallen voor de koperba-
lans die in deze publikatie worden vermeld, zijn echter verkregen door het gemiddelde
te nemen over proefperioden van meerdere weken, waardoor volgens de auteurs
mogelijk een volledige adaptatie aan het nieuwe niveau van inneming werd bereikt.
Er moet op worden gewezen dat in de balansonderzoeken die in tabel 19.1 zijn samen-
gevat geen rekening is gehouden met verliezen via zweet. Voorts is het mogelijk
dat naast koper uit de voeding ook koper uit externe bronnen, bijvoorbeeld keukenge-
rei, is opgenomen.

240

</pre>

====================================================================== Einde pagina 244 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 245 ======================================================================

<pre>19.2.2.

koper

Onderzoek met parenterale voeding.

Voor het verkrijgen van inzicht in de koperbehoefte kunnen ervaringen met
parenterale voeding aanvullende informatie verschaffen. De resultaten van dit soort
onderzoeken suggereren dat de koperbehoefte van volwassenen 0,1-0,4 mg/dag

zou bedragen (11).

De koperbehoefte van de patiënten die bij deze onderzoeken betrokken waren,
kan echter zijn beïnvloed door een groot aantal verstorende variabelen waaronder
stofwisselingsstoornissen. De hoeveelheid koper die in deze onderzoeken via
parenterale voeding werd toegediend varieerde bovendien sterk.

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Zuigelingen.

Bij de geboorte bevat het lichaam van een zuigeling ca. 15 mg koper (30). Tijdens
de eerste weken is de koperbalans bij zuigelingen gemiddeld negatief. Hierdoor
daalt de hoeveelheid koper in het lichaam tot ca. 10 mg. Vanaf 4-6 weken is de
koperbalans in evenwicht, zodat bij de wat oudere zuigelingen een indruk kan worden
verkregen van de koperbehoefte door de inneming van koper via moedermelk te
bepalen.

Voor het kopergehalte van moedermelk worden in de literatuur uiteenlopende
waarden vermeld, die onder andere afhankelijk zijn van de duur van de lactatieperiode.
De inter- en intra-individuele variatie is bovendien groot. Voor het begin van de lactatie-
periode worden waarden gerapporteerd van gemiddeld 0,3-0,5 mg/l (30,31). Een
uitzondering wordt gevormd door de groep van Feeley die tijdens de eerste weken
van de lactatieperiode gehalten heeft gevonden van gemiddeld 1 mg/l (32). Voor
de derde week van de lactatieperiode worden in de literatuur gehalten vermeld van
0,25-0,51 mg/l (30,31,33,34,35). Bij een melkconsumptie van 800 mi en een lichaamsge-
wicht van gemiddeld 5,7 kg komt dit voor de zuigeling neer op een voorziening met
koper van ca. 0,03-0,07 mg/kg lichaamsgewicht/dag.

De koperbehoefte wordt ook wel geschat op grond van ervaringen met ondervoe-
de kinderen met koperdeficiëntie (8,9,36,37). Deze benadering leidt voor redelijk
gezonde kinderen tot schattingen van 0,05-0,1 mg/kg lichaamsgewicht/dag. Het
is echter de vraag of het juist is om gegevens die betrekking hebben op ondervoede
kinderen te extrapoleren naar gezonde zuigelingen met adequate lichaamsvoorraden.

De resultaten van onderzoeken bij (premature) zuigelingen met parenterale
voeding suggereren dat de koperbehoefte bij normale zuigelingen 0,025-0,05 mg/kg/-
dag zou zijn (11). Hierbij is uitgegaan van de veronderstelling dat de absorptie 40%
bedraagt (11).

Kinderen en adolescenten.

Balansonderzoeken zijn uitgevoerd bij kinderen tot 10 jaar. De meest recente
onderzoeken zijn weergegeven in tabel 19.2. Er moet op worden gewezen dat deze
onderzoeken zijn uitgevoerd met van elkaar verschillende voedingen. Daarnaast
zijn ook verschillende analysemethoden gebruikt. Voorts zijn geen betrouwbare gege-
vens over het endogene koperverlies vastgesteld. Een duidelijk positieve koperbalans

241
</pre>

====================================================================== Einde pagina 245 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 246 ======================================================================

<pre>19.2.3.

19.2.4.

koper

werd gevonden bij een inneming van _ Tabel 19.2. Koperbalansonderzoeken bij meisjes.

1,67 mg/dag, hetgeen overeenkwam leeftijd | aantal | duur | koper- | balans | ref.
met 0,05-0,07 mg koper/kg lichaamsge- ir dagen | inneming
A mg/dag
wicht/dag (38).
"6-10 12 4 1,18 +0,01 | (64)
A 12 4 1,06 | -0,08
Er zijn geen onderzoeken verricht
de koperbehoefte bij oudere 2 ‘ 295 [+102
a dol | 7-9 15 6 1,67 | +0,66 | (38)
inderen en adolescenten. 7.9 15 6 0,99 | +004] (65)

Gegevens over verliezen via de
huid, urine en feces bij kinderen zijn eveneens niet beschikbaar.

Greger en Buckley stelden bij 12 meisjes een koperverlies per menstruatieperiode
vast van gemiddeld 0,11 +0,07 mg, hetgeen overeenkomt met gemiddeld 4 mcg/dag
(39).

In het voorgaande werd al vermeld dat de hoeveelheid koper in het lichaam
in de eerste weken na de geboorte daalt van ca. 15 tot ca. 10 mg koper. In de daar-
opvolgende jaren neemt deze hoeveelheid toe tot ca. 100 mg aan het einde van
de groeiperiode op 16-jarige leeftijd. Hieruit kan met behulp van de groeitabellen
van Roede en Van Wieringen worden berekend dat de koperbehoefte tijdens groei
globaal 0,015 mg/dag (spreiding 0,01-0,02 mg/dag) zal bedragen (40).

Zwangerschap en lactatie.

De groep van Turnlund heeft met behulp van radioactief gemerkt koper de
koperabsorptie en -retentie bij zwangere en niet-zwangere vrouwen onderzocht (26).
De voeding die de proefpersonen gebruikten was rijk aan dierlijk of plantaardig eiwit.
De koperretentie in de tweede helft van de zwangerschap bedroeg 0,35 en 0,85
mg/dag bij een inneming van 1,44 respectievelijk 2,53 mg/dag.

Tijdens de zwangerschap onttrekt de foetus ca. 15 mg koper aan de lichaamsvoor-
raad van de vrouw. Met de placenta gaat daarnaast gemiddeld 0,5 mg koper verloren.
Via bloedverlies bij de bevalling gaat waarschijnlijk slechts een verwaarloosbare
hoeveelheid koper verloren.

De hoeveelheid koper die extra nodig is tijdens de lactatieperiode kan worden
berekend met behulp van het kopergehalte van moedermelk (zie §19.2.2.). Bij een
produktie van 800 mi per dag moet een koperuitscheiding via moedermelk van 0,20-
0,40 mg koper worden gecompenseerd.

Biologische beschikbaarheid.

Voor het absorptiepercentage van koper uit de voeding worden in de literatuur
gemiddelde waarden vermeld van 25-75% (41). Deze percentages zijn gebaseerd
op de resultaten van 7 onderzoeken die zijn uitgevoerd in de periode 1955-1984
met radio-actief gemerkt koper bij in totaal 65 proefpersonen. Een gemiddeld absorptie-
percentage van 25-30% is waargenomen in onderzoek bij zowel jonge als oudere

242

</pre>

====================================================================== Einde pagina 246 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 247 ======================================================================

<pre>koper

mannen (28). De interindividuele verschillen waren echter groot, terwijl ook de samen-
stelling van de voeding van invloed kan zijn geweest op de koperabsorptie. De groep
van Young vond voor ouderen zowel bij een normale als bij een verlaagde koperinne-
ming een, hoewel niet significante, lagere absorptie van koper (42).

Turnlund signaleert voorts een daling van de koperabsorptie van 42 tot 26%
bij een toename van de koperinneming van 1,44-3,26 mg per dag (43). In een latere
publikatie vergelijkt deze auteur de resultaten van dit onderzoek met andere in de
literatuur gerapporteerde resultaten. Hierbij werd een nauw verband vastgesteld
tussen de koperinneming die varieerde van 0,78-7,53 mg/dag, en de koperabsorptie
die varieerde van 12-56% (29).

Bij zuigelingen is de absorptie van koper uit moedermelk hoger (50%) dan die
uit een gemengde voeding.

Het is geruime tijd bekend dat er een antagonisme bestaat tussen koper en
zink. Dit is vooral bij dieren vastgesteld. Een overmaat aan inneming van het ene
element gaat gepaard met een verminderde concentratie van het andere element
in bloed en lever. Bij patiënten met sikkelcelanemie is een koperdeficiéntie vastgesteld
die het gevolg was van een inneming van uitzonderlijk hoge doses zink (150 mg/dag)
(44). Colin et al vonden echter bij 23 jonge vrouwen geen verschil in koperretentie
bij een voeding met 10 of 19 mg zink en 2 mg koper (45). In een onderzoek bij 26
volwassen mannen werd waargenomen dat 50 mg zink/dag in vergelijking met een
placebo geen invloed had op het kopergehalte van het bloed of Ceruloplasminegehalte
(46). De activiteit van het superoxydedismutase was in de erytrocyt echter wel lager
in de groep die 50 mg zink/dag kreeg toegediend. Uit deze bevinding kan worden
geconcludeerd, dat 50 mg zink/dag al een negatief effect kan hebben op de kopersta-
tus. De resultaten van verschillende andere onderzoeken bij mensen naar het effect
van zink op de koperabsorptie suggereren dat Zink/koperverhoudingen in de voeding
groter dan 10:1 de koperstatus nadelig zou beïnvloeden (47). De groep van Young
vond bij bejaarden een verhoging van de koperabsorptie als bij een koperinneming
van ca. 2,8 mg/dag de zinkinneming verlaagd werd van 14 tot 4 mg/dag, d.w.z.
wanneer de zink/koperverhouding van 5 tot 1,5 verlaagd werd (42). Dit effect werd
niet bij jonge mannen gevonden.

Van tin, calcium, foliumzuur en verschillende voedingsvezelcomponenten is
geen effect op de koperbalans vastgesteld (16,23, 48, 49,50).

In dierexperimenteel onderzoek verlaagde cadmium de koperabsorptie op een
wijze die vergelijkbaar is met het effect van zink (51). Seelig heeft er op gewezen
dateen hoge koper/molybdeenverhouding in de voeding verantwoordelijk zou kunnen
zijn voor ijzergebreksanemie bij de mens (52). Deze opvatting wordt volgens de
commissie echter nog te weinig door resultaten van onderzoek gesteund.

Een verhoging van de vitamine C inneming leidt tot een verlaging van de koper-
absorptie en -retentie bij diverse diersoorten. Finley en Cerklewski vonden in onderzoek
bij jonge mannen dat toediening van 1500 mg vitamine C/dag aan een voeding met
gemiddeld 1,82+0,69 mg koper/dag leidde tot een daling van het koper- en het
ceruloplasminegehalte in serum (53). Na beéindiging van de vitamine C toediening

243

</pre>

====================================================================== Einde pagina 247 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 248 ======================================================================

<pre>19.2.5.

19.3.

19.3.1.

koper

steeg het niveau van deze parameters weer. De veranderingen bleven binnen de
grenzen van de normaalwaarden.

Over het effect van het niveau van de eiwitinneming op de koperabsorptie zijn
tegenstrijdige resultaten gepubliceerd (28,45,54,55,56). Bij een voeding rijk aan
plantaardig eiwit werd een hogere koperretentie gevonden dan bij een voeding rijk
aan dierlijk eiwit. Dit was echter het gevolg van een hoger kopergehalte van
plantaardige voedingsmiddelen (26,57).

Tenslotte moet worden vermeld dat van sucrose en fructose in vergelijking met
zetmeel een negatieve invloed lijkt uit te gaan op de benutbaarheid van koper (58,59).

Toxiciteit.

De eerste symptomen van inneming van overmatig koper zijn irritatie van de
darmslijmvliezen. Dit heeft misselijkheid, braken en dergelijke tot gevolg.

Een toeneming van de hoeveelheid koper in de voeding leidt tot een stijging
van het kopergehalte van het bloed. Het koper accumuleert bij een acute toxische
dosis in de erytrocyten en bij chronische toevoer van grote hoeveelheden tevens
in de lever en in de nieren. Wanneer het kopergehalte van de erytrocyten een bepaald
niveau heeft bereikt, treedt hemolyse op. Dit kan zich voordoen niet alleen na orale
koperinneming, maar ook wanneer het koper via andere wegen in het bloed komt,
bijvoorbeeld via bepaalde dialyseprocedures (11).

De hoeveelheid anorganisch koper die nodig is om acute symptomen te veroor-
zaken wordt geschat op 10-15 mg (60). Het Joint FAO/WHO Expert Committee on
Food Additives stelde in 1971 de veilige inneming vast op 0,5 mg/kg voedsel (61).

De verschijnselen die optreden bij de inneming van een overmaat koper zijn
weinig specifiek en betreffen onder andere misselijkheid, braken en diarree. In ernstige
gevallen treden anurie, hypotensie en coma op.

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Inleiding.

Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk een minimumbehoefte
vast te stellen. Uit de beschikbare informatie is wel een adequaat gebied van inneming
af te leiden.

Onderzoeken bij volwassenen die parenteraal worden gevoed, zijn volgens
de commissie ongeschikt voor het bepalen van de koperbehoefte van gezonde
volwassenen.

Omdat de gegevens over het endogeen koperverlies via de feces onvolledig
zijn, kan een schatting van de koperbehoefte via de factoriële methode niet eenduidig
zijn. Op basis van de beschikbare informatie (zie §19.2.1.) kan volgens de commissie

244

</pre>

====================================================================== Einde pagina 248 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 249 ======================================================================

<pre>19.3.2.

koper

worden berekend dat de hoeveelheid koper die door het lichaam moet worden geab-
sorbeerd om voor normale verliezen te compenseren 0,7-1,5 mg/dag zou moeten
bedragen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het endogeen verlies
via de gal mogelijk afhankelijk is van het niveau van de voorziening met koper. Verliezen
aan koper via de urine zijn volgens de commissie verwaarloosbaar klein. Hetzelfde
geldt voor verliezen als gevolg van de menstruatie. Als wordt uitgegaan van een
werkelijke absorptie van 40% (dit komt overeen met ca. 30% (netto) absorptie) zou
op grond van deze gegevens de inneming van koper met de voeding 1,75-3,75
mg/dag moeten bedragen. In dit traject is de individuele variatie in de verliezen verdis-
conteerd.

Uit balansonderzoeken blijkt dat een positieve koperbalans wordt bereikt bij
een gemiddelde inneming van meer dan 1,4 mg koper/dag exclusief verliezen via
de huid. Voor deze laatste verliezen is uitgegaan van 0,3 mg/dag.

Adequaat gebied van inneming.

Het zal duidelijk zijn, dat het adequate gebied van inneming voor koper door
het ontbreken van voldoende informatie globaal van karakter moet zijn. De commissie
beveelt voorlopig aan om voor de behoeftevoorziening van volwassenen te streven
naar een niveau van 1,5-3,5 mg koper/dag. Dit is het traject waarbinnen waarschijnlijk
de behoeftevoorziening moet plaatsvinden zonder kans op toxiciteit en tekorten.
Met behulp van dit niveau kan op basis van het lichaamsgewicht het adequate gebied
van inneming van de andere leeftijdsgroepen worden berekend (zie tabel 19.3).

Uit de koperinneming via moedermelk kan een koperbehoefte voor zuigelingen
van 0-% jaar worden afgeleid van 0,20 tot 0,40 mg/dag. Als wordt uitgegaan van
een absorptiepercentage van 40% voor een andere voeding dan moedermelk (absorp-
tie 50%) zou 0,3-0,5 mg koper/dag moeten worden ingenomen.

Tijdens de zwangerschap wordt in de foetus en de placenta ca. 16 mg koper
vastgelegd, Uit het feit dat bij prematuur geboren kinderen weinig of geen kopervoor-
raad aanwezig is, kan worden afgeleid dat de extra koperbehoefte tijdens zwanger-
schap zich beperkt tot de laatste 2 à 3 maanden. Tijdens deze periode zou daarom
ca. 0,2 mg koper/dag extra moeten worden geabsorbeerd. Als rekening wordt ge-
houden met een absorptiepercentage van 40% betekent dit een extra koperinneming
via de voeding tijdens het laatste trimester van de zwangerschap van ca. 0,5 mg
koper/dag.

Tijdens de lactatieperiode moet de hoeveelheid koper, die via de moedermelk
wordt uitgescheiden, worden gecompenseerd. Als wordt uitgegaan van een ab-
sorptiepercentage van 40%, dan komt dit neer op 0,5-1,0 mg koper/dag extra.

Op grond van het voorgaande wordt voor zwangere vrouwen tijdens het laatste
trimester van de zwangerschap en voor lacterende vrouwen het adequate gebied
van inneming door de commissie vastgesteld op 2-3,5 mg koper/ dag.

245

</pre>

====================================================================== Einde pagina 249 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 250 ======================================================================

<pre>19.4,

koper

LITERATUUR

31.
32.

Hart EB, et al. iron in nutrition: VII. Copper as a supplement to iron for
hemoglobin building in the rat J Bio! Chem 1928; 77: 797-812.

Mills ES. The treatment of idiopathic (hypochromic) anaemia with iron and
copper. Canad Med Ass J 1930; 22: 175-8.

Mills ES. Idiopathic hypochromenia. Am J Med Sci 1931; 182: 554-65.
Coérdinatie-Commissie voor de metingen van radioactiviteit en xenobiotische
stoffen. Koper in milieu en voeding in Nederland. ‘s-Gravenhage: 1987.
O'Dell BL. Copper. in: Nutrition Reviews. Present knowledge in Nutrition.
Washington DC: Nutrition Foundation, 1984; 506-18.

Anoniem. Newly found roles for copper. Nutr Rev 1985; 43: 117-9.

Prasad AS. Trace elements andiron in human metabolism. New York: Plenum
Medical Book Company, 1978,

Cordano A, et al. Copper deficiency in infancy. Pediatrics 1964; 34: 324-36.
Cordano A, et al. Hypocupremia and neutropenia in copper deficiency. Blood
1966; 28: 280-3.

Goiden MHN. Trace elements in human nutrition. Human Nutr: Clin Nutr 1982;
36C: 185-202.

Mason MS. Aconspectus of research on copper metabolism and requirements
of man. J Nutr 1979; 109: 1979-2066.

Klevay LM. Interactions of copper and zine in cardiovascular disease. Ann
NY Acad Sci 1980; 355: 140-51.

Bunker VW, et al. Assessment of zinc and copper status of healthy elderly
people using metabolic balance studies and measurement of leucocyte
concentrations. Am J Clin Nutr 1984; 40: 1096-102.

Cartwright GE, Wintrobe MM. Copper metabolism in normal subjects. Am
J Clin Nutr 1964; 14: 224-32.

Jacob RA, et al. Whole body surface loss of trace metals in normal males.
Am J Clin Nutr 1981; 34: 1379-83,

Klevay LM, et al. The human requirement for copper. {. Healthy men fed
conventional, American diets. Am J Clin Nutr 1980; 33: 45-50.

Consolazio CF, et al. The trace mineral losses in sweat. U.S. Army Med Res
Nutr Lab Report N° 284, 1964; 1-14.

Bloomer LC, Lee GR. Normal copper metabolism. In: Powell LW, ed. Metals
and the liver. 1978; 179-239.

Frommer DJ. Defective biliary excretion of copper in Wilson’s disease. Gut
1974; 15: 125-9.

Umoren J, Kies C. Menstrual blood losses of iron, zinc, copper and magnesium
in adult female subjects. Nutr Rep Int 1982; 26: 717-26.

Underwood EJ. Trace elements in human and animal nutrition. New York:
Academic Press, 1971.

White HS, Gynne TN. Utilization of inorganic elements by young women eating
iron-fortified food. J Am Diet Ass 1971; 59: 27-33.

Spencer H, et al. Metabolic balances of cadmium, copper, manganese, and
zine in man. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1867-75.

Robinson MF, et al. Metabolic balance of zinc, copper, cadmium, iron,
molybdenum and selenium in young New Zealand women. Br J Nutr 1973;
30: 195-205.

Turniund JR, et al Zinc, copper and iron balance in elderly men. Am J Clin
Nutr 1981; 34: 2641-7.

Tabel 19.3. Adequaat
gebied van inneming
voor koper per dag.

categorie/
leeftijd jr mg
zuigelingen
0-Va 0,3-0,5"
Val 0,3-0,5
jongens
1-4 0,3-0,7
4-7 0,5-1,0
7-10 0,6-1,4
10-13 1,0-2,5
13-16 1,5-3,0
16-19 1,5-3,5
meisjes
1-4 0,3-0,7
4-7 0,5-1,0
7-10 0,6-1,4
10-13 1,0-2,5
13-16 1,5-3,0
16-19 1,5-3,5
mannen
19-22 1,5-3,5
22-50 1,5-3,5
50-65 1,5-3,5
>65 1,5-3,5
vrouwen
19-22 1,5-3,5
22-50 1,5-3,5
50-65 1,5-3,5
>65 1,5-3,5
Zwangeren
3e trimester | 2,0-3,5
zogenden 2,0-3,5

1) Dit komt overeen
met 0,06-0,09 mg
per kg lichaams-
gewicht per dag.

Turnlund JR, et a. Copper absorption and retention in pregnant women fed diets based on animal and

plant proteins. J Nutr 1983; 113: 2346-52.

Hartley TF, et al. Simultaneous measurement of Na, K, Ca, Mg, Cu and Zn balances in man. Clin Chim Acta

1974; 52: 321-33.

Turntund JR, et al. Iron and copper absorption in young and elderly men. Nutr Res 1988; 8: 333-43.
Turnlund JR, et al. Copper absorption and retention in young men at three levels of dietary copper by use

of the stable isotope 65Cu. Am J Clin Nutr 1989; 49: 870-8.

Cavell PA, Widdowson EM. Intakes and excretions of iron, copper and zinc in the neonatal period. Arch

Dis Child 1964; 39: 496-501.

Vuori E. Copper, iron, manganese and zinc in breast milk. Helsinki: Proefschrift, 1979.
Feeley RM, et al. Copper, iron and zinc contents of human milk at early stages of lactation. Am J Clin Nutr

1983; 37: 443-8.

246

</pre>

====================================================================== Einde pagina 250 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 251 ======================================================================

<pre>41.

42.

61.

62.

koper

Fransson GB, Lönnerdal B. tron, copper, zine, calcium and magnesium in human milk fat. Am J Clin Nutr
1984; 39: 185-9,

Ciba-Geigy. Wissenschaftliche Tabellen Geigy, Teilband Körperflüssig-keiten. Basel: Ciba-Geigy, 1977.
Casey CE, et al. Studies in human lactation: zinc, copper, manganese and chromium in human milk in the
first month of lactation. Am J Clin Nutr 1985; 41: 1193-200.

Cordano A. The role played by copper in the physiopathology and nutrition of the infant and the child. Ann
Nestlé 1974; 33: 5-19.

Castillo-Duran C, et al. Controlled trial of copper supplementation during the recovery from marasmus. Am
J Clin Nutr 1983; 37: 898-903.

Price NO, et al. Copper, manganese and zinc balancein pre-adolescent girls. Am J Clin Nutr 1970; 23: 258-60.
Greger JL, Buckley S. Menstrual loss of zinc, copper, magnesium and iron by adolescent girls. Nutr Rep
Int 1977; 16: 639-47.

Roede MJ, Van Wieringen JC. Growth diagrams 1980; Netherlands third nation-wide survey. T Soc Gezondheidsz
1985; 63 suppl: 1-34.

Ting BTG, et al. Copper absorption in healthy young men: studies with stable isotope “Cu and neutron
activation analysis. Nutr Res 1984; 4: 757-69,

August D, et al. Determination of zinc and copper absorption at three dietary Zn-Cu ratios by using stable
isotope methods in young adult and elderly subjects. Am J Clin Nutr 1989; 50: 1457-63,

Turnlund JR, Zine, copper and iron nutrition Studied with enriched stable isotopes. Biol Trace Elem Res
1987; 12: 247-57,

Prasad AS, et al. Hypocupremia induced by zinc therapy in adults. J Am Med Ass 1978; 240: 2166-8,
Colin MA, et al. Effect of dietary zinc and protein levels on the utilization of zine and copper by adult females.
J Nutr 1983; 113: 1480-8,

Fischer PWF, et al. Effect of zinc supplementation on copper status in adult man. Am J Clin Nutr 1984; 40:
743-6,

Solomons NW, et al. Studies on the bio-availability of zinc in human: intestinal interaction of tin and zinc.
Am J Clin Nutr 1983; 37: 566-71,

Johnson MA, et al. Effects of dietary tin on zinc, copper, iron, manganese, and magnesium metabolism
of adult males. Am J Clin Nutr 1982; 35: 1332-8.

Milne DB, et al. Effect of oral folic acid supplements on zinc, copper and iron absorption and excretion.
Am J Clin Nutr 1984; 39: 535-9,

Van Dokkum W, et al. Physiological effects of fibre-rich types of bread. 1. The effect of dietary fibre from
bread on the mineral balance of young men. Br J Nutr 1982; 47: 451-60,

Mills CF, et al. Metal interactions in the aetiology of trace elements deficiency and toxicity. Nutr Res 1985;
i: 471-4,

Seelig MS. Proposed role of copper-molybdenum interaction in iron-deficiency and iron-storage diseases.
Am J Clin Nutr 1973; 26: 657-72.

Finley EB, Cerklewski FL. Influence of ascorbic acid supplementation on copper status in young adult men.
Am J Clin Nutr 1983; 37: 553-6,

Sandstead HH. Copper bioavailability and requirements. Am J Clin Nutr 1982; 35: 809-14,

Greger JL, Snedeker SM. Effect of dietary protein and phosphorus levels on the utilization of zinc, copper
and manganese by adult males. J Nutr 1980; 110: 2243-53,

Mahalko JR, et al. Effect of a moderate increase in dietary protein on the retention and excretion of Ca, Cu,
Fe, Mg, P, and Zn by adult males. Am J Clin Nutr 1983; 37: 8-14,

Van Dokkum W. Dietary recommandations and mineral utilization. The effect of quantity and kind of dietary
protein on mineral balance, bowel function and blood pressure of young men. Amsterdam: Proefschrift,
1984; 67-87.

Fields M, et al. Effect of copper deficiency on metabolism and mortality in rats fed sucrose or starch diets.
J Nutr 1983; 113: 1335-45.

Reiser S, et al. Role of dietary fructose in the enhancement of mortality and biochemical changes associated
with copper deficiency in rats. Am J Clin Nutr 1983; 38: 214-22.

Burch RE, et al. Newer aspects of the roles of zinc, manganese and copper in human nutrition. Clin Chem
1975; 21: 501-20.

FAO/WHO. Evaluation of food additives. Fourteenth report of the Joint FAO/WHO Expert Committee on
Food Additives, WHO Tech Rep Ser 1971; 462: 18.

Taper LJ, et al. Zinc and Copper retention during Pregnancy: the adequacy of prenatal diets with and without
dietary supplementation. Am J Clin Nutr 1985; 41: 1184-92,

Engel RW, et al. Copper, manganese, cobalt and molybdenum balance in pre-adolescent girls. J Nutr 1967:
92: 197-204.

Price NO, Bunce GE. Effect of nitrogen and calcium on balance of Copper, manganese and zinc in pre-adolescent
girls. Nutr Rep Int 1972; 5: 275-80.

247

</pre>

====================================================================== Einde pagina 251 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 252 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 252 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 253 ======================================================================

<pre>20. Zink

20.1.

20.2.

20.3.

20.4.

INLEIDING

20.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
20.1.2. Fysiologische betekenis

20.1.3. Deficiëntieverschijnselen

20.1.4. Bepaling van de zinkstatus

ZINKBEHOEFTE

20.2.1. Volwassenen

20.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
20.2.3. Zwangerschap en lactatie

20.2.4. Biologische beschikbaarheid

20.2.5. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
20.3.1. Inleiding
20.3.2. Adequaat gebied van inneming

LITERATUUR

249

251
251
251
252
253

254
254
255
257
257
259

259
259
261

261
</pre>

====================================================================== Einde pagina 253 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 254 ======================================================================

<pre>zink

250
</pre>

====================================================================== Einde pagina 254 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 255 ======================================================================

<pre>20.1.

20.1.1.

20.1.2.

zink

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Zink (Zn, atoommassa 65,4) komt in vrijwel alle plantaardige en dierlijke weefsels
voor als Zn(li). Reeds in de 19e eeuw werd bekend, dat zink essentieel is voor de
groei van Aspergillus niger. In 1934 beschreven Todd et al. dat zink essentieel is
voor de rat (1). Pas in 1961 werd duidelijk dat ook voor de mens zink een essentiële

voedingsstof is (2).

Het zinkgehalte van voedingsmiddelen is laag. Zink komt relatief veel voor in
vlees, kaas, granen, brood en noten. Voorts zijn minder gangbare voedingsmiddelen
als oesters, kreeft en krab goede bronnen (3).

Fysiologische betekenis.

Het lichaam van de mens bevat ca. 2 g zink. Het grootste deel van het zink
bevindt zich in botten, huid, spieren en lever. De hoogste concentraties zink worden
aangetroffen in prostaat, sperma en het oog.

Zink is een onderdeel van meer dan 80 enzymen (4). Het eerste enzym waarvan
werd aangetoond dat het zink bevat was koolzuuranhydrase. Voorbeelden van andere
zinkbevattende enzymen zijn: carboxypeptidases, alcoholdehydrogenase, alka-
lisch fosfatase en DNA- en RNA-polymerases. De zinkbevattende enzymen zijn van
invloed op een groot aantal processen in het lichaam. Zink is betrokken bij de stof-
wisseling van nucleinezuren en daardoor bij de biosynthese van eiwitten, bij de
celdeling (groei) en dus bij de vernieuwing van weefsels (5).

Voorts zijn er aanwijzingen dat zink betrokken is bij andere processen, zoals
de koolhydraatstofwisseling, de steroidsynthese in de testis, de bindweefselvorming,
het functioneren van macrofagen en het immuunsysteem (5,6,7,8,9,10,11,12,13).

Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een relatie tussen zink en vitamine A bij
de mobilisatie van retinol uit de lever en bij de stofwisseling van het pigment rodopsine
(14).

Het mechanisme van de zinkabsorptie staat nog ter discussie. Uit onderzoek
bij de rat blijkt dat de absorptie voor een belangrijk deel plaatsvindt in het duodenum.

Bij de zinkabsorptie speelt metallothioneine waarschijnlijk een belangrijke
regulerende rol. Parenteraal of met de voeding toegediend zink verhoogt de synthese
van metallothioneine (15,16). In de mucosacellen bindt het metallothioneine Zink,
dat daardoor niet meer wordt geabsorbeerd.

Daarnaast zijn nog verschillende andere factoren van invloed op de zinkabsorptie,

onder andere de hoeveelheid koper, ijzer, calcium en fytaat in de voeding (zie verder
§20.2.5.).

251

</pre>

====================================================================== Einde pagina 255 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 256 ======================================================================

<pre>20.1.3.

zink

In plasma komt zink gebonden aan eiwitten voor en wel voornamelijk aan albumine
(ca. 80%) en aan alfa-2-macroglobuline (ca. 20%) (17).

De zinkexcretie vindt voornamelijk plaats via de pancreas, de feces en mogelijk
ook via de darmwand (18,19).

Klevay heeft gesuggereerd dat een verstoorde verhouding in de koper- en
zinkstofwisseling een rol speelt bij het ontstaan van coronaire hartziekten (20). Fischer
en Collins onderzochten bij ruim 180 mannen en vrouwen het verband tussen zink-
en kopergehalten in het serum en 10 verschillende parameters, die in verband worden
gebracht met een verhoogde kans op cardiovasculaire aandoeningen (21). De resul-
taten van dit onderzoek ondersteunen de hypothese van Klevay niet. De groep van
Hooper vond dat een farmacologische hoeveelheid zink (160 mg) het HDL-choles-
terolgehalte van het serum bij 12 gezonde mannen verlaagde (22). Onderzoekers
stelden echter vast dat de verlaging van HDL-cholesterol als gevolg van zinksuppletie
tijdelijk is en niet is gerelateerd aan de dosis (23).

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.

Zinkdeficiëntie is beschreven bij verschillende diersoorten, onder andere ratten,
muizen, varkens, kippen en hamsters. De symptomen die bij de verschillende
diersoorten worden waargenomen vertonen grote overeenkomst. Tot deze symptomen
behoren: dermatitis, uitputting, haaruitval, oogaandoeningen, atrofiëring van de testes,
vertraagde botontwikkeling, groeivertraging en anorexie. Bij verschillende diersoorten
veroorzaakt zinkdeficiëntie afwijkingen bij het embryo en/of de foetus (18,24,25).
Deze afwijkingen zouden kunnen samenhangen met een verstoring van de DNA-synthe-
se (26). Tot deze afwijkingen behoren misvormingen en een gestoorde immuunrespons
(27,28). Ook bij jonge en volwassen ratten leidt zinkdeficiëntie tot een verstoring
van de immuunrespons (29,30).

Bij de mens.

Een zinktekort kan ontstaan als gevolg een deficiënte voeding, malabsorp-
tiesyndromen of excessieve verliezen, bijvoorbeeld bij uremie. Een zinkdeficiëntie
kan ook secundair voorkomen, bijvoorbeeld bij levercirrose (31).

In de periode 1960-1970 zijn in Egypte en Iran voor het eerst verschijnselen
van een zinktekort bij de mens waargenomen. De klinische verschijnselen van een
zinkdeficiëntie bij de mens zijn: hypogonadisme die gepaard gaat met het achterblijven
in de geslachtelijke ontwikkeling en groeivertraging, daarnaast hepatosplenomegalie,
open epifyses, een verminderde smaakgevoeligheid en reukzin, lepelnagels en
huidafwijkingen (ruwe huid, hyperpigmentatie, infecties). Vaak was er bij de patiënten
in Egypte en Iran naast een zinkgebrek ook sprake van een ernstige anemie als
gevolg van een ijzergebrek (5,18,32). Bovendien wordt een verhoogde gevoeligheid
voor infecties waargenomen (4). Nachtblindheid wordt ook in verband gebracht met
een zinktekort. Mogelijk speelt hierbij het enzym retineenreductase een rol (32). Een
aantal typische kenmerken van een zinkdeficiëntie worden ook waargenomen bij
acrodermatitis enteropathica, een aangeboren stoornis in de absorptie van zink (33).

252

</pre>

====================================================================== Einde pagina 256 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 257 ======================================================================

<pre>20.1.4.

zink

De rol van zink bij de wondheling is lange tijd onderwerp van discussie geweest.
Het is het meest waarschijnlijk, dat zinksuppletie bij zinkdeficiënte personen de
wondgenezing bevordert, maar niet bij personen met een adequate zinkstatus (32).

Er zijn aanwijzingen dat zinkdeficiëntie een risicofactor kan zijn voor het optreden
van complicaties tijdens de zwangerschap (34,35). De zinkstatus is mogelijk ook
van invloed op het optreden van hypertensie tijdens de zwangerschap, wellicht via
een invloed op de produktie van prostaglandines (36,37). Een oordeel over de beteke-
nis van deze aspecten is op dit moment niet mogelijk, onder andere omdat er onvol-
doende specifieke parameters voor de zinkstatus ter beschikking staan (34,38).

Bepaling van de zinkstatus.

Hoewel er verschillende methoden worden gehanteerd voor het bepalen van
de zinkstatus is een methode die in de praktijk voldoet echter niet beschikbaar. Het
zinkgehalte van plasma en serum kan een vertekend beeld geven, omdat deze gehalten
onderhevig zijn aan schommelingen als gevolg van onder andere infecties, medi-
cijngebruik en stress (18). Van een zinkdeficiëntie zou sprake zijn bij een gehalte
<0,7 mcg/mi (bij zwangeren <0,5 mcg/ml) (39).

Ook hetzinkgehalte van haar wordt beïnvloed door verstorende factoren zoals
schoonheidsbehandelingen en variaties in seizoen, leeftijd en geslacht. Van een
suboptimale zinkstatus zou sprake zijn bij een zinkgehalte <100 meg/g haar en van
een deficiëntie bij <70 mcg/g haar (39).

De bepaling van zink in 24-uurs urine is minder geschikt als parameter van
de zinkstatus in verband met het risico op zinkverontreiniging van het monster en
de kans op onvolledige verzameling.

In dierexperimenteel onderzoek kan het zinkgehalte van botten als parameter
voor de zinkstatus worden gehanteerd.

Methoden voor het bepalen van de zinkstatus die nog in ontwikkeling zijn,
betreffen onder andere de bepaling van het zinkgehalte in erytrocyten en leucocyten,
het zinkgehalte in speeksel en het testen van het smaakvermogen (39,40,41,42).

Een zinkdeficiéntie kan op dit moment onder praktijkomstandigheden alleen
met zekerheid worden vastgesteld door, onder gecontroleerde omstandigheden,
de respons van bovengenoemde parameters op orale zinksuppletie na te gaan (18).
Onder experimentele omstandigheden lijkt de biologische halfwaardetijd van een
dosis radioactief zink (Zn) in het gehele lichaam een goede indicator te zijn.

253
</pre>

====================================================================== Einde pagina 257 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 258 ======================================================================

<pre>20.2.

20.2.1.

zink

ZINKBEHOEFTE
Volwassenen.

Balansonderzoeken.

In tabel 20.1 wordt een overzicht gegeven van balansonderzoeken bij
volwassenen. Een positieve zinkbalans bij mannen werd gevonden bij een zinkinneming
van gemiddeld >8 mg/dag. Bij vrouwen was de zinkbalans gemiddeld ongeveer

Tabel 20.1. Zinkbalansonderzoeken bij volwassenen.

deelnemers duur voeding zink-inneming |  balans1) excretie met | ref.
mg/da mg/da urine
dgn wkn | uur a/dag gag mg/dag
18-24 gemengd (89)
8 mannen 200 mg Ca 13,1+0,1 +1,14+0,6 0,66+0,04
4 mannen 800 mg Ca 13,0+0,4 +0,60+0,71 0,60+0,07
6 oudere 6 gemengd 15,5+0,3 +0,1 +0,5 0,8 +0,1 (51)
mannen
4 oudere 6 gemengd 15,4+0,3 3x pos. 0,7 +0,1
mannen 1x neg.
8 mannen gemengd (49)
31-42 ca. 8 0,62-1,83 0,32-0,42
108-126 ca. 4 -0,06-1,09 0,23-0,56
18-24 ca. 34 3,16-6,38 0,47-1,16
10 vrouwen 35 preparaat- 0,17+0,02 neg. 0,06+0,02 (47)
voeding 0,15+0,08
10 oudere 120 | gemengd 8,8 (5,6 0,2 (-1,1 0,04+0,5 (45)
mannen en tot 13,7} tot +1,0)
vrouwen
8 vrouwen 30 gemengd 11,5 ca. 0. maximaal (43)
0,17
4 vrouwen 27 vlees, brood 18 pos. 0,21 0,89 (44)
en ijs met
thee en koffie
9 mannen 2 è standaard 14,6 3,6 0,7 (46)
en vrouwen voeding
9 personen 24 gemengd 12,3 (90)
200 mg Ca +0,73 (n=4) ?
1300 mg Ca +0,17 (n==5)
5 mannen 4x7 vloeibaar 19,5 gemiddeld ? (91)
7,3-8,3
12 mannen 2x20 witbrood 9,0+0,2 -0,6+1,7 0,7 +0,3 (92)
zemelen- 11,3+0,2 -0,4+1,0 0,6 +0,3
brood
8 zwangere 1 en 4 gemengd 7,6 1,1 0,3 (65)
vrouwen
16 zwangere 1 en4 idem aange- 22,2 3,5 0,3
vrouwen vuld met
preparaat
1) Inneming-feces-urine.
254

</pre>

====================================================================== Einde pagina 258 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 259 ======================================================================

<pre>20.2.2.

zink

nul bij een inneming van gemiddeld 11,5 mg/dag en gemiddeld positief bij een inneming
van gemiddeld 18 mg/dag (43,44). Twee onderzoeken waaraan zowel mannen als
vrouwen deelnamen, gaven gemiddeld een positieve zinkbalans te zien bij een inneming
van gemiddeld ca. 9 resp 14 mg/dag (45,46). Op individueel niveau was de zinkbalans
negatief bij een zinkinneming tot ongeveer 15 mg/dag.

Factoriële methode.

Inzicht in de behoefte aan zink kan ook worden verkregen door de verliezen
te schatten die viafeces, urine en dergelijke optreden en die met de voeding moeten
worden gecompenseerd.

In een onderzoek bij 10 vrouwen, met een minimale zinkinneming van 0,17 mg/dag,
bedroeg de excretie via de feces 0,29 #0,07 mg voor 5 gebruiksters van hormonale
anticonceptiva en 0,38+0,15 mg voor de overige vijf vrouwen in dit onderzoek. De
excretie met de urine was respectievelijk 0,06+0,02 en 0,15 +0,08 mg/dag (47).

Op basis van gegevens bij 6 mannen schatten Baer en King het endogene
zinkverlies met feces en urine op gemiddeld 1,36+0,59 mg/dag (48). Na een
depletieperiode bedroeg de gemiddelde excretie met feces en urine echter
respectievelijk 0,5 en 0,14 mg/dag. In een literatuuroverzicht uit 1974 wordt de
zinkexcretie via de urine geschat op 400-600 mcg/dag (18). Bij de onderzoeken
die in tabel 20.1 staan vermeld blijkt de zinkexcretie met de urine bij een positieve
balans te varieren van 200-800 mcg/dag.

Uit onderzoek is gebleken dat zinkverliezen via de huid variëren afhankelijk
van het niveau van inneming (49). Het gemiddelde zinkverlies via zweet bedroeg
in dit onderzoek 0,18-0,52 mg/dag. Bij 13 mannen werd een zinkverlies via zweet
vastgesteld van gemiddeld 0,50+0,38 mg/dag bij een inneming van 12,7 (6,6-19,6)
mg zink/dag (50). Andere onderzoekers namen bij 5 proefpersonen een gemiddelde
excretie via zweet waar van 0,81 +0,10 mg/dag bij een inneming van 15,7 mg zink/dag
(48). De groep van Turnlund schat het zinkverlies via zweet op minder dan 0,5 mg/dag
(51). Verliezen via haar en nagels worden geschat op 0,03 mg/dag (52).

In een onderzoek bij 10 vrouwen is een zinkverlies via de menstruatie vastgesteld
van ca. 5 mcg/dag (47). Op grond van een bloedverlies van 22-69 ml per cyclus
van 28 dagen (§15.2.1.) kan bij een zinkgehalte van het bloed van 700 mcg/100
ml een zinkverlies per cyclus worden berekend van 5,5-17 mcg per dag.

Met betrekking tot het zinkgehalte van sperma zijn waarden gerapporteerd
van 0,01-0,60 mg/ml. In een depletie-onderzoek bleek het zinkverlies via sperma
te variëren van 0,08 tot 1,5 mg zink per ejaculatie (48).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Het zinkgehalte van moedermelk is afhankelijk van het moment van de
lactatieperiode. Het zinkgehalte van het colostrum is ca. 10 mg/l. Dit gehalte neemt
af tot ca. 5 mg/l in de eerste 2 weken en tot gemiddeld 3 mg/l in de 3e en 4e week
van de lactatieperiode. Het zinkgehalte daalt daarna geleidelijk tot gemiddeld 1,5
mg/l na de 3e maand (53,54,55). Bij een consumptie van 800 m/dag neemt de zuigeling
dan gemiddeld 1,2 mg zink per dag in, hetgeen overeenkomt met ca. 225 meg zink/kg

255

</pre>

====================================================================== Einde pagina 259 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 260 ======================================================================

<pre>zink

lichaamsgewicht. Solomons schat op basis van gegevens van parenteraal gevoede
zuigelingen dat tijdens het eerste levenshalfjaar 100 mcg/kg lichaamsgewicht/dag
moet worden geabsorbeerd (56).

Balansonderzoeken.
De commissie maakt om methodologische redenen geen gebruik van de resultaten
van balansonderzoeken die zijn uitgevoerd vóór 1950.

Uit een balansonderzoek bij zuigelingen van 5-8 dagen blijkt dat bij een inneming
van 200-1200 mcg/kg lichaamsgewicht bij zuigelingen gemiddeld in negatieve
zinkbalans waren (57). Ziegler et al onderzochten met stabiele isotopen kinderen
in leeftijd variërend van 0-1 jaar (58). Zij kregen gedurende vier proefperioden van
twee weken een preparaatvoeding met 6,6 of 1,5 mg zink per liter. De kinderen
vertoonden bij beide zinkinnemingen een positieve balans van resp. 0,45 en 0,26
mg/dag. In een ander onderzoek werd aangetoond dat de extrinsieke labeling die
in het onderzoek van de groep van Ziegler werd toegepast, toelaatbaar was (59).
Volgens de auteurs is het opmerkelijk dat bij een verlaging van de zinkinneming
door deze kinderen met een factor 4 een positieve zinkbalans werd gehandhaafd
doordat enerzijds de absorptie werd verhoogd en anderzijds de endogene verliezen
werden verkleind.

In een onderzoek bij 11 kinderen van 0-8 jaar werd bij een dagelijkse inneming
van 302+106 meg zink/kg lichaamsgewicht (4,6+12,3 mcg zink/dag) gemiddeld
een positieve zinkbalans waargenomen (60). Het betrof hier echter een nogal
heterogene groep met een grote spreiding in de zinkretentie.

De groep van Engel stelde een positieve zinkbalans vast bij kinderen van 7-12
jaar met een zinkinneming van 4,6-9,2 mg/dag (61). Regressie-analyse wees uit dat
de hoeveelheid zink die moest worden ingenomen om de balans in evenwicht te
laten zijn 2,75 mg/dag was. De auteurs bevelen op basis van dit onderzoek een
inneming van 6 mg zink/dag aan. Bij deze aanbeveling is rekening gehouden met
verliezen via de huid en de behoefte tijdens de groei.

Andere onderzoekers stelden voor dezelfde leeftijdsgroep een positieve zinkbalans
vast bij een inneming van 4,5-7 mg/dag (exclusief eventuele verliezen via de huid)
(62). De groep van Ritchey vond bij meisjes van 7-9 jaar een positieve zinkbalans
bij een inneming van 5,6-14,6 mg/dag (63). Er werd in dit onderzoek een tendens
tot een hogere zinkretentie bij een hogere inneming waargenomen. Op basis van
metingen aan de arm werd het totale zinkverlies per dag via zweet van deze
onderzoeksgroep geschat op 0,9-1,8 mg/dag. Deze hoeveelheid komt overeen met
11-23% van de inneming. Dit percentage is in vergelijking met de waarnemingen
bij volwassenen relatief hoog, hetgeen waarschijnlijk moet worden toegeschreven
aan de gehanteerde bepalingsmethode.

Groei,

Voor de bepaling van de behoefte aan zink voor de groei wordt in de literatuur
meestal uitgegaan van berekeningen op basis van het zinkgehalte van de vetvrije
lichaamsmassa en de toeneming van deze massa tijdens groei,

256

</pre>

====================================================================== Einde pagina 260 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 261 ======================================================================

<pre>20.2.3.

20.2.4.

zink

Het zinkgehalte per kg vetvrije massa bedraagt ca. 20 mg bij de foetus (13
mg/kg lichaamsgewicht). Dit gehalte neemt toe met de leeftijd tot ca. 30 mg/kg vetvrije
massa bij een volwassene (64). Op grond van een gemiddelde groei tijdens het
eerste levenshalfjaar van 4 g/kg lichaamsgewicht/dag kan worden berekend dat
de behoefte voor groei tijdens deze periode ca. 78 mcg/ kg lichaamsgewicht/dag
(ca. 450 mcg/dag) bedraagt. Tijdens het tweede levenshalfjaar, waarin de groei
gemiddeld 1,5 g/kg lichaamsgewicht/dag bedraagt, is de behoefte voor groei ca.
26 mcg/kg lichaamsgewicht/dag (ca. 225 mcg/dag). De WHO komt op soortgelijke
wijze tot 350 mcg/dag voor de eerste 4 maanden en 200 mcg/dag voor de leeftijd
van 5-12 maanden. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met de hoeveelheid
zink in het botweefsel (65).

Sandstead heeft eenzelfde berekening uitgevoerd voor 0-20 jarigen (66). Voor
de leeftijd van 0-5 maanden schat deze auteur de behoefte aan zink tijdens de groei
op 300 meg/dag en voor 6-12 maanden op 200 meg/dag. Bij jongens van 11-17
jaar is de behoefte groter dan 400 meg/dag en tijdens de groeispurt maximaal 750
mcg/dag. Bij meisjes zet de groeispurt eerder in dan bij jongens en is de behoefte
maximaal 600 meg/dag. De WHO schat op basis van de toeneming van de hoeveelheid
vetvrije massa van het lichaam voor jongens van 11-17 jaar de behoefte aan zink
tijdens groei op 800 meg/dag en voor meisjes van 10-1 3 jaar op 650 mcg/dag (65).

Zwangerschap en lactatie.

Een pasgeborene bevat gemiddeld 13 mg zink/kg lichaamsgewicht (65).
Sandstead gaat er vanuit dat de zinkconcentratie in de placenta gelijk is aan die
in de foetus en dat de zinkretentie tijdens de zwangerschap is gerelateerd aan de
eiwitretentie, die voor 75% in de tweede helft van de zwangerschap plaats vindt (67).
Op basis van deze veronderstelling is door deze ond erzoeker de extra zinkbehoefte
tijdens de tweede helft van de zwangerschap geschat op 0,75 mg per dag. De WHO
schat de behoefte voor groei tijdens de zwangerschap op 0,55 mg per dag voor
de eerste 20 weken, 0,9 mg per dag voor de 20e t/m 30e week en 1 mg per dag
voor de 30e t/m 40e week (65).

Andere onderzoekers komen op basis van resultaten van balansonderzoek
tot de conclusie dat de zinkbehoefte van zwangeren varieert van 8-20 mg per dag
(67).

Tijdens de lactatieperiode is de behoefte verhoogd met de hoeveelheid die
nodig is om de uitscheiding van zink via moedermelk te compenseren (zie §20.2.2.).

Biologische beschikbaarheid.

De zinkstatus van het individu heeft een regulerende invioed op de zinkabsorptie
waarschijnlijk onder invloed van metallothioneine (zie ook §20.2.1.). Het percentage
zink, dat wordt geabsorbeerd, neemt af bij een toenemende hoeveelheid zink in
de voeding (68). Deze bevinding blijkt ook uit een onderzoek van de groep van Young
(69) en, ondanks dat hierbij verschillende voedingen werden gebruikt, uit een samen-
vatting van voorgaande publikaties van de groep van Turnlund (70). Uit dierproeven

257

</pre>

====================================================================== Einde pagina 261 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 262 ======================================================================

<pre>zink

blijkt voorts dat deze verminderde absorptie al optreedt bij zeer lage concentraties
oraal toegediend zink (vanaf 1 mg/kg voeder) (71). Gerapporteerde waarden voor
de zinkabsorptie bij de mens variëren tussen 43-69% als het zink opgelost in water
is toegediend en tussen 14-64% als het zink met een voedingsmiddel of een complete
maaltijd is gegeven. De aanwezigheid van voedingsmiddelen remt kennelijk de
zinkabsorptie (56,72,73,74).

Volkorenprodukten en peulvruchten remmen de absorptie van zowel organisch
zink (in bijvoorbeeld oesters) als anorganisch zink. De belangrijkste component die
hiervoor verantwoordelijk is, is voedingsvezel en daarnaast fytaat (56,73). In vitro
vormt zink gemakkelijk complexen met fytaat, cellulose, hemicellulose en lignine.
Met betrekking tot de hoeveelheid waarbij fytaat de beschikbaarheid van zink nadelig
zou beïnvloeden bestaat nog geen eenstemmigheid. Resultaten van dierexperimenteel
onderzoek wijzen er op dat bij een molaire verhouding tussen fytaat en zink >12
de beschikbaarheid van zink vermindert (75). Uit dierexperimenteel onderzoek blijkt
voorts dat zowel het bestaan van een zinkdeficiëntie als een hoog calciumgehalte
in de voeding het remmend effect van fytaat op de zinkabsorptie vergroten (76,77).
Bij 4 volwassen mannen verlaagde 2,3 g fytaat de zinkabsorptie van 34% tot 17,5%.
De molaire fytaat/zinkverhouding in dit onderzoek was 15 (78).

Valberg et al. namen waar dat zowel haem- (51 mg) als non-haem-ijzer (26
mg) de absorptie van zinkchloride (6 mg zink) remden (79). Non-haem-ijzer remde
echter niet de absorptie van zinkchloride uit een maaltijd.

In een ander onderzoek had haem-ijzer geen invloed op de absorptie van
zinksulfaat (80). Non-haem-ijzer (ijzersulfaat) remde de zinkabsorptie uit oesters niet,
maar remde wel de absorptie van zinksulfaat uit een preparaat bij ijzer/zinkverhoudingen
van 1:1, 2:1 en 3:1. De totale hoeveelheid zink was 25 mg. Hoewel in de in dit
onderzoek gebruikte hoeveelheden zink en ijzer in de voeding weliswaar hoog zijn,
zijn de ijzer/zinkverhoudingen reëel. Een te hoge ijzerinneming zou de zinkbehoefte
doen toenemen, terwijl een te hoge zinkinneming de koperbehoefte weer zou doen
toenemen doordat de absorptie van koper (zie $19.2.4.) competitief wordt geremd
door zink. Het is echter niet waarschijnlijk dat in de Nederlandse voeding de onderlinge
verhouding tussen koper, ijzer en zink zodanig is dat met een interactie rekening
zal moeten worden gehouden. -

In een balansonderzoek is waargenomen dat tin de zinkabsorptie remde (81).
De groep van Solomons vond op grond van zinkgehalten van het plasma geen effect
van tin op de absorptie van zink (82). Andere onderzoekers rapporteerden, op basis
van de retentie van 65Zn, dat een hoge dosis tin (36 mg) de zinkabsorptie uit zink-
sulfaat of uit een maaltijd remde (79). Een dergelijke hoeveelheid tin komt normaal
niet voor in de voeding, maar wel bij regelmatig gebruik van bepaalde blikconserven
(83). De groep van Young vond dat bij een inneming van 14 mg zink per dag de
absorptie werd verlaagd wanneer de koperinneming werd verhoogd van 0,8 tot 2,8
mg/dag (69).

Onduidelijke of tegenstrijdige effecten op de zinkabsorptie zijn gerapporteerd

van foliumzuur en de totale hoeveelheid eiwit (62,84,85,86,87). Geen effect is gevonden
van calcium, vitamine C en fosfor in hoeveelheden tot 1 g/dag (62,88,89,90). Van

258

</pre>

====================================================================== Einde pagina 262 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 263 ======================================================================

<pre>20.2.5.

20.3.

20.3.1.

zink

fosfor is een remmend effect op de zinkabsorptie vastgesteld in een hoeveelheid
van 2,5 g/dag (85).

Cossack en Prasad vergeleken een standaard ziekenhuisvoeding met een voeding
waarin soja-eiwit de belangrijkste eiwitbron was (91). De sojavoeding leidde tot een
aanzienlijke daling van de zinkbalans bij 5 gezonde mannen (zinkbalans -2,39+0,8
mg tijdens de sojavoeding en +3,25+1,6 mg tijdens standaardvoeding; zinkinneming
respectievelijk 14,3+1,0 en 12,26+0,7 mg/dag).

Er zijn aanwijzingen dat onder andere lactose, rode wijn (al dan niet met alcohol)
en vlees de absorptie van zink bevorderen, maar dit effect is te weinig onderzocht
om er conclusies aan te kunnen verbinden (73).

Toxiciteit.

Een acute zinkvergiftiging is waargenomen na het innemen van grote hoe-
veelheden zinksulfaat (12 g) en na hemodialyse. De symptomen zijn onder andere
braken, dehydratie, verstoring van de electrolytenbalans, buikpijn, misselijkheid,
lethargie, duizeligheid en verstoring van de spiercoördinatie. Zinkchloridevergiftiging
leidde tot nierbeschadiging. Een fataal geval van zinkvergiftiging heeft zich voorgedaan
na het innemen van 45 g zinksulfaat (5). Bij verschillende diersoorten zijn beschadi-
gingen van de pancreas vastgesteld na het toedienen van zinkverbindingen in hoge
doseringen.

Voor zover bekend is het grootste gevaar van een dagelijkse hoge zinkdosis
voor de mens het veroorzaken van een koperdeficiéntie. Het is echter niet uitgesloten,
dat er ook nog andere nadelige effecten zijn van een langdurig hoge zinkinneming
(5). Chandra nam onder invioed van inneming van 300 mg zink per dag gedurende
zes weken een negatieve invloed waar op indicatoren van de immuunresponse en
de vetstofwisseling (92).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
inleiding.

Het zal duidelijk zijn dat aanbevelingen voor de zinkinneming door het ontbreken
van voldoende informatie globaal van karakter moeten zijn.

Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk een minimumbehoefte
voor zink vast te stellen, Uit de beschikbare informatie is wel een adequaat gebied
van inneming af te leiden. De commissie maakt hierbij gebruik van de volgens de
factoriële methode berekende zinkverliezen en van de resultaten van balansonderzoe-
ken (zie §20.2.1.), Het endogene zinkverlies via de feces wordt op grond van de
gegevens van depletie-onderzoek geschat op 0,3-0,5 mg/dag. Voor zweet wordt
uitgegaan van een gemiddeld verlies van 0,5 mg zink per dag. Het verlies via de
urine wordt op grond van bij balansonderzoek waargenomen hoeveelheden geschat
op 0,3-0,7 mg zink per dag, waarbij de extremen buiten beschouwing zijn gelaten.
Het zinkverlies via de menstruatie is verwaarloosbaar klein. Zinkverlies via sperma

259

</pre>

====================================================================== Einde pagina 263 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 264 ======================================================================

<pre>zink

kan wel van belang zijn. Uitgaande
van een gemiddeld aantal van 2
ejaculaties per week wordt het zink-
verlies via sperma op ca. 0,2 mg/dag
geschat. Voor mannen wordt het to-
tale zinkverlies hiermee geschat op
1,3-1,9 mg/dag. Voor vrouwen be-
draagt het totale verlies 1,1-1,7 mg
zink per dag.

De zinkverliezen die optreden
op verschillende leeftijden zijn niet
bekend. In verband hiermee wordt
voor de verschillende leeftijdscate-
gorieën geéxtrapoleerd op basis van
het metabool gewicht (kg”). De in-
terindividuele variatie voor de ver-
liezen aan zink wordt geschat op
20%.

De schattingen voor de be-
hoefte voor groei die in de literatuur
worden vermeld zijn vrij consistent.
De behoefte voor groei wordt ge-
schat op basis van de toeneming
van de vetvrije lichaamsmassa en
het zinkgehalte per kg vetvrije li-
chaamsmassa. De variatiecoéfficient
voor groei wordt gelijkgesteld aan
die voor eiwit en wel 15%.

Voor de extra behoefte tijdens
zwangerschap kan volgens de com-
missie worden uitgegaan van de
schatting van de WHO.

In de lactatieperiode, moet het
zink dat via de moedermelk wordt
uitgescheiden worden gecompen-
seerd. Opvallend is de duidelijke
afneming van het zinkgehalte van
moedermelk tijdens de eerste drie
maanden van de lactatieperiode.

Tabel 20.2. De gemiddelde hoeveelheden zink die vanuit
de voeding ter compensatie voor verliezen, groel e.d.

moeten worden geabsorbeerd in mg/dag”.

categorie/ groei | verliezen? | totaal minimum-
leeftijd jr | mg/dagj mg/dag | mg/dag | behoefte®
mg/dag
zuigelingen
0-% 0,4 0,2 0,6 2,4
Vat 0,3 0,3 0,6 2,4
jongens
1-4 0,2 0,3-0,5 0,5-0,7 2,0-2,8
4-7 0,2 0,5-0,7 0,6-0,8 2,4-3,2
7-10 0,2 0,6-0,9 0,7-1,0 2,8-4,0
10-13 0,3 0,7-1,1 1,0-1,3 4,0-5,2
13-16 0,4 0,9-1,4 1,3-1,8 5,2-7,2
16-19 0,3 1,1-1,7 1,4-2,0 5,6-8,0
meisjes
1-4 0,2 0,3-0,5 0,5-0,7 2,0-2,8
4-7 0,2 0,5-0,7 0,6-0,8 2,4-3,2
7-10 0,2 0,6-0,9 | 0,7-1,0 2,8-4,0
10-13 0,2 0,7-1,1 0,9-1,3 3,6-5,2
13-16 0,3 0,9-1,4 1,2-1,7 4,8-6,8
16-19 0,1 1,0-1,5 1,1-1,6 4,4-6,4
mannen
19-22 0,1 1,1-1,7 1,2-1,9 4,8-7,6
22-50 - 1,3-1,9 1,3-1,9 5,2-7,6
50-65 - 1,3-1,9 1,3-1,9 5,2-7,6
>65 - 1,3-1,9 1,3-1,9 5,2-7,6
vrouwen
19-22 - 1,0-1,5 1,0-1,6 4,0-6,0
22-50 - 1,1-1,7 1,1-1,7 4,4-6,8
50-65 - 1,1-1,7 1,1-1,7 4,4-6,8
>65 - 1,1-1,7 1,1-1,7 4,4-6,8
zwangeren
te trimester | 0,6 1,1-1,7 1,7-2,3 6,8-9,2
2e trimester 0,9 1,1-1,7 2,0-2,6 8,0-10,4
3e trimester 1,0 1,1-1,7 2,1-2,7 8,4-10,8
zogenden
1e mnd 2,4 1,1-1,7 3,5-4,1 14,0-16,4
2-3e mnd 2,0 1,1-1,7 3,1-3,7 12,4-14,8
na 3 mnd 1,2 1,1-1,7 2,3-2,9 9,2-11,6

1) Afgerond op 1 decimaal.
2) Inclusief verliezen via zweet.
3) Bij een absorptiepercentage van 25.

Tijdens de eerste maand wordt 2,4 mg/dag uitgescheiden en na de derde maand

nog ca. 1,2 mg/dag.

De hoeveelheden zink die vanuit de voeding moeten worden geabsorbeerd
om de verliezen te compenseren en in de behoefte voor groei te voorzien staan

samengevat vermeld in tabel 20.2.

260

</pre>

====================================================================== Einde pagina 264 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 265 ======================================================================

<pre>20.3.2.

20.4.

De hoeveelheid zink die met de voeding dient
te worden ingenomen om in de behoefte te voorzien
is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van zink.
De in onderzoek waargenomen zinkabsorptie vari-
eert van 10-40% en is onder andere afhankelijk van
de zinkstatus en de samenstelling van de voeding.
De belangrijkste remmende factoren zijn voedings-
vezel en fytaat. De gerapporteerde absorptiepercen-
tages van zink berusten op eenmalige waarne-
mingen. Voor het berekenen van de behoefte kan
volgens de commissie worden uitgegaan van een
gemiddelde zinkabsorptie van 25%.

Adequaat gebied van inneming.

Het adequate gebied van inneming is geba-
seerd op de gemiddelde hoeveelheid zink die vanuit
de voeding moet worden geabsorbeerd om verlie-
zen te compenseren en in de behoefte voor groei
te voorzien (zie tabel 20.2).

Voor de verliezen wordt hierbij rekening
gehouden met een variatiecoéfficiént van 20% voor
variatie in de individuele behoefte. Voor groei is een
standaarddeviatie van 15% gehanteerd, terwijl de
verliezen tijdens zwangerschap en lactatie, gezien
de wijze van berekenen, als absolute waarden zijn
beschouwd.

Vervolgens is, uitgaande van een absorptieper-
centage van 25%, het adequate gebied van inne-
ming berekend zoals die in tabel 20.3 wordt ver-
meld.

LITERATUUR

1. Todd WR, et al. Zinc in the nutrition of the rat. Amer J Phys
1934; 107: 146-56,

2. Prasad AS, et al. Syndrome of iron deficiency anemia, hepa-
tosplenomegaly, hypogonadism, dwarfism and geophagia. Am
J Med 1961; 31: 532-46.

3. Hulshof KFAM. Spoorzoeken in voedingsmiddelen. Voeding
1985; 46: 227-32.

4. Golden MHN, Golden BE. Trace elements. Potential importance
in human nutrition with particular reference to zinc and vanadium.
Br Med Bull 1981; 37: 31-6.

5. Prasad AS. Trace elements and iron in human metabolism.
New York: Plenum Medical Book Company, 1978.

6. Mills CF, et al. Metabolic role of zinc. Am J Clin Nutr 1969; 22:
1240-9.

7. Harding MM, et al. The crystal structure of insulin. Il. An
investigation of rhombohedral zinc insulin crystals and areport
of other crystalline forms. J Molec Biol 1966; 16; 212-26.

261

zink

Tabel 20.3. Adequaat gebied van inne-
ming van zink”.

categorie/ mg
leeftijd jr
zuigelingen
0-% 3-49
Val 3-4
jongens
1-4 3-4
4-7 4-5
7-10 4-6
10-13 5-7
13-16 7-10
16-19 8-11
meisjes
1-4 3-4
47 4-5
7-10 4-6
10-13 5-7
13-16 7-10
16-19 6-9
mannen
19-22 7-10
22-50 7-10
50-65 7-10
>65 7-10
vrouwen
19-22 6-9
22-50 6-9
50-65 6-9
>65 6-9
zwangeren
1e termijn 9-12
2e termijn 11-15
3e termijn 11-15
zogenden
le maand 16-20
2-3e maand 16-20
na 3 maanden 13-16

1)

2)

Berekend op basis van:
- Een SD van 20% voor verliezen
voor variatie in behoefte.
“Een SD van 15% voor groei
voor variatie in behoefte.
Deze hoeveelheid komt overeen met
0,55-0,75 mg/kg lichaamsgewicht per
dag. Bij zuigelingen die met moeder-
melk worden gevoed bedraagt het
adequaat gebied van inneming
1,2-2,4 mg zink per dag. De beschik-
baarheid van zink uit moedermelk is
namelijk groter dan die uit andere
zuigelingenvoeding.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 265 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 266 ======================================================================

<pre>zink

8. Lei KY, et al. Function of pituitary-gonadal axis in zincdeficient rats. Am J Phys 1976; 230: 1730-2.

9. Fernandez-MadridF, et al. Effect of zinc deficiency on nucleic agents, collagen and non-collagenous protein
of the connective tissue. J Lab Clin Med 1973; 82: 951-61.

10. _ Chvapil M New aspects in the biological role of zinc: a stabilizer of macromolecules and biological membranes.
Life Sci 1973; 13: 1041-9.

11, _ Gordon PR, et al. Effect of acute zinc deprivation on plasma zinc and platelet aggregation in adult males.
Am J Clin Nutr 1982; 35: 113-9.

12. Haas S, et al. The effect of zinc deficiency on the immuno responses of A/J mice. Fed Proc Fed Am Soc
Exp Biol 1976; 35: 659.

13, Frost P, et al. The null /ymphoid cells in sickle cell disease: an elevation of null cells. Clin Res 1976; 24: 570A.

14. Solomons NW, Russell RM. The interaction of vitamin A and zinc: implications for human nutrition. Am J
Clin Nutr 1980; 33: 2031 -40.

15. _ Richards MP, Cousins RJ. Mammalian zinc homeostasis: requirementfor RNA and metallothionein synthesis.
Biochem Biophys Res Commun 1975; 64: 1215.

16, Cousins RJ. Regulation of zinc absorption: role of intracellulair ligands. Am J Clin Nutr 1979; 32: 339-45.

17. _Anoniem. Another look at zinc. Br Med J 1981; 282: 1098-9.

18. Halsted JA, et al. A conspectus of research on zinc requirements of men. J Nutr 1974; 104: 345-78.

19. — DiSilvestro RA, Cousins RJ. Physiological ligands for copper and zinc. Ann Rev Nutr 1983; 3: 261-88.

20.  Klevay LM. Coronary heart disease: the zinc/copper hypothesis. Am J Clin Nutr 1975; 28: 764.

21. _ Fischer PWF, Collins MW. Relationship between serum, zinc and copper and risk factors associated with
cardiovascular disease. Am J Clin Nutr 1981; 34: 595-7.

22. Hooper PL, et al. Zinc lowers high-density lipoprotein cholesterol levels. J Am Med Ass 1980; 244: 1960-2.

23.  Freeland-Graves JH, et al. Effect of zinc supplementation on plasma high-density lipoprotein cholesterol
and zinc. Am J Clin Nutr 1982; 35: 988-92.

24. Hurley LS. Teratogene aspects of manganese, zinc and copper. Phys Rev 1981; 41: 249-95.

25. Golub MS, et al, Studies of marginal zinc deprivation in rhesus monkeys. Il. Pregnancy outcome. Am J Clin
Nutr 1984; 39: 879-87.

26. . Swenerton H, et al Zinc-deficient embryo's: reduced thymidine incorporation. Sci 1969; 166: 1014-5.

27. _BeachRS, etal. Persistentimmunological consequences of zinc deprivation. Am J Clin Nutr 1983; 38: 579-90.

28. Haynes DC, etal. Long term marginal zinc deprivation inrhesus monkeys. |. Effects on adult female breeders
before conception. Il. Effects on maternal health and fetal growth at midgestion. Am J Clin Nutr 1987; 45:
1492-513.

29. Gross RL, etal. Depressed immunological function in zinc-deprived rats as measured by mitogen response
of spleen, thymus and peripheral blood. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1260-5.

30. Chandra RK, et al. Single nutrient deficiency and cell-mediated immune responses. |. Zinc. Am J Clin Nutr
1980; 33: 736.

31.‘ Fell GS, et al. Urinary zinc levels as an indication of muscle catabolism. The Lancet 1973; i: 280-2.

32. Prasad AS. Clinical, biochemical and nutritional spectrum of zinc deficiency in human subjects: an update.
Nutr Rev 1983; 41: 197-208.

33.  Aggett PJ. Acrodermatitis enteropatica. J Inher Metab Dis 1983; 6 supi: 39-43,

34. | Mukherjee MD, et al. Maternal zinc, iron, folic acid and protein nutriture and outcome of human pregnancy.
Am J Clin Nutr 1984; 40: 496-507.

35. Sever LE, Emanual |. Is there a connection between maternal zinc deficiency and congenital malformation
of the central nervous system in man. Teratology 1973; 7: 117-8.

36. Hunt IF, et al. Zinc supplementation during pregnancy: effects on selected blood constituents and on progress
and outcome of pregnancy in low-income women of Mexican descent. Am J Clin Nutr 1984; 40: 508-21.

37. _ Cherry FF, et al. Plasma zinc in hypertension/toxemia and other reproductive variables in adolescent pregnancy.
Am J Clin Nutr 1981; 34: 2367-75.

38. Meadows NJ, et al Zinc and small babies. The Lancet 1981; ii: 1135-7.

39. Solomons NW. Onthe assessment of zinc and copper nutriture in man. Am J Clin Nutr 1979; 32: 856-71.

40.  Greger JL, Sickles VS. Saliva zinc levels: potential indicators of zinc status. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1859-66.

41. Sandstead HH. Zinc nutriture in the elderley in relation to taste acuity, immune respons and wound healing.
Am J Clin Nutr 1982; 36: 1046-59.

42. Bunker VW, et al. Assessment of zinc and copper status of healthy elderly people using metabolic balance
studies and measurement of leucocyte concentrations. Am J Clin Nutr 1984; 40: 1096-102.

43. White HS, Gynne TN. Utilization of inorganic elements by young women eating iron-fortified foods. J Am
Diet Ass 1971; 59: 27-33.

44, Robinson MF, et al. Metabolic balance of zinc, copper, cadmium, iron, molybdenum and selenium in young
New Zealand women. Br J Nutr 1973; 30: 195-205.

45. _ Bunker VW, et al. Metabolic balance studies for zinc and nitrogen in healthy elderly subjects. Human Nutr:
Clin Nutr 1982; 36C: 213-21.

46. _ Hartley TF, et al. Simultaneous measurement of Na, K, Ca, Mg, Cu and Zn balances in man. Clin Chim Acta
1974; 52: 321-33.

47. Hess FM, et al. Zinc excretion in young women on low zinc intakes and oral contraceptive agents. J Nutr
1977; 107: 1610-20.

262

</pre>

====================================================================== Einde pagina 266 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 267 ======================================================================

<pre>zink

Baer MT, King JC. Tissue zinc levels and zinc excretion during experimental zinc depletion in man. Am J
Clin Nutr 1984; 39: 556-70.

Milne DB, et al. Effect of dietary zinc on whole body surface loss of zinc: impact on estimation of zinc retention
by balance method. Am J Clin Nutr 1983; 38: 181-6.

Jacob RA, et al. Whole body surface loss of trace metals in normal males. Am J Clin Nutr 1981; 34: 1379-83.
Turnlund JR, et al. Zinc, copper and iron balance in elderly man. Am J Clin Nutr 1981; 34: 2641-7.
Pennington JA. Dietary nutrient guide. Westport CT: AVI Publishing Co, 1976.

Vuori E. Copper, iron, manganese and zinc in breast milk. Helsinki: Proefschrift, 1979.

Ruz M. Recommended zinc intake for the first six months of life. Nutr Res 1984; 4: 923-7.

Casey CE, et al. Studies in human lactation: zinc, copper, manganese and chromium in human milk in the
first month of lactation. Am J Clin Nutr 1985; 41: 1193-200.

Solomons NW. Factors affecting the bio-availability of zinc. J Am Diet Ass 1982; 80: 115-21.

Caveil PA, Widdowson EM. Intakes and excretions of iron, copper and zinc in the neonatal period. Arch
Dis Child 1964; 39: 496-501.

Ziegler EE, et al. Effect of low zinc intake on absorption and excretion of zinc by infants studied with 70Zn
as extrinsic tag. J Nutr 1989; 119: 1647-53,

Sertass RE, et al. Intrinsic and extrinsic stable isotopic zinc absorption by infants from formulas. J Nutr 1989;
119: 1661-9.

Alexander FW, et al. Mineral and trace-metal balances in children receiving normal and synthetic diets, Quarterly
J Med New Ser 1974; 43: 89-11,

Engel RW, et al. Metabolic patterns in preadolescent children: XIII. Zinc balance. In: Prasad AS, ed. Zinc
metabolism. Springfield: Thomas, 1966; 326-38.

Price NO, et al. Copper, manganese, and zinc balance in pre-adolescent girls. Am J Clin Nutr 1970; 23:
258-60.

Ritchey SJ, et al. Zinc retention and losses of zinc in sweat by pre-adolescent girls. Am J Clin Nutr 1979;
32: 799-803.

Widdowson EM, Dickerson JWT. Mineral Metabolism 2. The elements - part A. New York: Academic Press,
1964,

WHO. Trace elements in human nutrition. WHO Techn Rep Series 532. Geneva: WHO, 1973.
Sandstead HH. Zinc nutrition in the United States. Am J Clin Nutr 1973; 26: 1251-60.

Taper JL, etal. Zinc and copper retention during pregnancy: the adequacy of prenatal diets with and without
dietary supplementation. Am J Clin Nutr 1985; 41: 1184-92.

Istfan NW, et al. Absorption of stable 70Zn in healthy young men in relation to zinc intake. Am J Clin Nutr
1983; 38: 187-94,

August D, et al. Determination of zinc and copper absorption at three dietary Zn-Cu ratios by using stable
isotope methods in young adult and elderly subjects. Am J Clin Nutr 1989; 50: 1457-63.

Turnlund JR. Zine, copper, and iron nutrition studied with enriched stable isotopes. Biol Trace Elem Res
1987; 12: 247-57,

Van Barneveld AA. Trace element absorption and retention studies in mice. The role of experimental conditions
and the influence of Ca and Mg. Leiden: Proefschrift, 1984.

Aamodt RL, et al. Absorption of orally administered 65Zn by normal human subjects. Am J Clin Nutr 1981;
34: 2648-52,

Solomons NW. Biological availability of zinc in humans. Am J Clin Nutr 1982; 35: 1048-75.

Turnlund JR, et al. Use of enriched stable isotopes to determine zine and iron absorption in elderly man.
Am J Clin Nutr 1982; 35: 1033-40,

Anoniem. Phytate and zinc metabolism. Nutr Rev 1983; 41: 64-6,

Lo GS, et al. Effect of phytate: zinc molar ratio and isolated soybean protein on zinc bio-availablility. J Nutr
1981; 111: 2223-35.

Nahapetian A, Young VR. Metabolism of 14C- phytate in rats: effect of low and high dietary calcium intakes.
J Nutr 1980; 110: 1458.

Turnlund JR, et al. A stable isotope study of zinc absorption in young men: effect of phytate and -cellulose.
Am J Clin Nutr 1984; 40: 1071-7.

Valberg LS, et al. Effects of iron, tin and copper on zinc absorption in humans. Am J Clin Nutr 1984; 40:
536-41.

Solomons NW, Jacob RA. Studies on the bio-availability of zinc in humans: effects of heme and non heme
iron on the absorption of zinc. Am J Clin Nutr 1981; 34: 475-82.

Johnson MA, et al. Effects of dietary tin on zine, copper, iron, manganese and magnesium metabolism of
adult males, Am J Clin Nutr 1982; 35: 1332-8,

Solomons NW, et al. Studies on the bio-availability of zinc in humans: intestinal interaction of tin and zinc.
Am J Clin Nutr 1983; 37: 566-71.

Greger JL, Baier MJ. Tin and iron content of canned and bottled foods. J Food Sci 1981; 46: 1751-4.
Milne DB, et al. Effect of oral folic acid supplements on zinc, copper and iron absorption and excretion.
Am J Clin Nutr 1984; 39: 535-9.

Greger JL, Snedeker SM. Effect of dietary protein and phosphorus levels on the utilization of zinc, copper
and manganese by adult males. J Nutr 1980; 110: 2243-53,

263

</pre>

====================================================================== Einde pagina 267 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 268 ======================================================================

<pre>zink

86. . Mahalko JR, et al. Effect of a moderate increase in dietary protein on the retention and excretion of Ca, Cu,
Fe, Mg, P and Zn by adult males. Am J Clin Nutr 1983; 37: 8-14.

87. Colin MA, et al. Effect of dietary zinc and protein levels on the utilization of zinc and copper by adult females.
J Nutr 1983; 113: 1480-8.

88. Solomons NW, et al Studies on the bio-availability of zinc in man. lil, Effects of ascorbic acid on zinc absorption.
Am J Clin Nutr 1979; 32: 2495-9.

89, Steinhardt Bour NJ, et al. Effect of level and form of phosphorus and level of calcium intake on zine, iron
and copper bio-availability in man. Nutr Res 1984; 4: 371-9.

90. Spencer H, et al. Effect of calcium and phosphorus on zinc metabolism in man. Am J Clin Nutr 1984; 40:
1213-8.

91. Cossack ZT, Prasad AS, Effect of protein source on the bio-availability of zinc in human subjects. Nutr Res
1983; 3: 23-31.

92. Chandra RK. Excessive intake of zinc impairs immune responses. J Am Med Ass 1984; 252: 1443-6.

93. Spencer H, et al. Metabolic balances of cadmium, copper, manganese and zinc in man. Am J Clin Nutr
1979; 32: 1867-75.

94, Osis D. Atomic-absorption spectrophotometry in mineral and trace element studies in men. Devel Appl Spectrose
1969; 7A: 227-35.

95. Gormican A, Catfi E. Mineral balance in young men fed a fortified milkbase formula. Nutr Metab 1971; 13:
364-77.

96. VanDokkumW, etal. Physiological effects of fibrerich types of bread. |. The effect of dietary fibre from bread
on the mineral balance of young men. Br J Nutr 1982; 47: 451-60.

264

</pre>

====================================================================== Einde pagina 268 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 269 ======================================================================

<pre>21. Magnesium

21.1.

21.2.

21.3.

21.4.

INLEIDING

21.1.1. Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen
21.1.2. Fysiologische betekenis

21.1.3. Deficiéntieverschijnselen

21.1.4. Bepaling van de magnesiumstatus

MAGNESIUMBEHOEFTE

21.2.1. Volwassenen

21.2.2. Zuigelingen, kinderen en adolescenten
21.2.3. Zwangerschap en lactatie

21.2.4. Biologische beschikbaarheid

21.2.5. Toxiciteit

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
21.3.1. Inleiding
21.3.2. Adequaat gebied van inneming

LITERATUUR

265

267
267
267
268
269

270
270
272
272
273
273

273
273
274

274

</pre>

====================================================================== Einde pagina 269 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 270 ======================================================================

<pre>magnesium

266
</pre>

====================================================================== Einde pagina 270 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 271 ======================================================================

<pre>21.1.

21.1.1.

21.1.2.

magnesium

INLEIDING
Nomenclatuur, eigenschappen en voorkomen.

Magnesium (Mg, atoommassa 24,3) is één van de tien meest voorkomende
elementen in de aardkorst en komt overwegend voor in de vorm van magnesiumzouten.
Alin de 18e eeuw is vastgesteld dat magnesium een essentiële voedingsstof is voor
de groene plant. In 1932 zijn voor het eerst experimenteel geïnduceerde verschijnselen
van magnesiumdeficiëntie bij de rat beschreven (1).

De belangrijkste bronnen van magnesium in de Nederlandse voeding zijn
graanprodukten, groenten, melk en melkprodukten en, in mindere mate, vlees. Voorts
kan, afhankelijk van het magnesiumgehalte, drinkwater een belangrijke bijdrage leveren
aan de magnesiumvoorziening. In Nederland zijn ten aanzien van het magnesium-
gehalte van drinkwater waarden gevonden uiteenlopend van 1 tot 5 mg/l (2).

Bij de bereiding van voedingsmiddelen kunnen verliezen aan magnesium optreden.
Afhankelijk van het type voedingsmiddel en de samenstelling van drinkwater zijn
verliezen als gevolg van koken waargenomen van 10-60% (3). Bij het uitmalen van
granen treden eveneens grote verliezen op. Volkoren-meel bevat bijvoorbeeld ca.
125 mg magnesium/100 g en witte tarwebloem nog maar 10 mg/100 g.

Fysiologische betekenis.

De totale hoeveelheid magnesium in het lichaam van de volwassene wordt geschat
op 20-28 gram. Hiervan bevindt zich ongeveer 60% in slecht oplosbare vorm in het
skelet, terwijl het overige deel is verdeeld over spierweefsel en andere zachte weefsels.
Ongeveer 15% van de hoeveelheid magnesium die in het lichaam aanwezig is, is
snel uitwisselbaar. Slechts 1% van het magnesium bevindt zich in de extracellulaire
vloeistof (4).

Magnesiumionen spelen een belangrijke rol bij een groot aantal enzymatische
reacties. Kenmerkend is dat bij al deze reacties fosfaatgroepen zijn betrokken. Meestal
zijn de magnesiumionen als complex met ATP aanwezig. Belangrijke enzymgroepen
waarin magnesium werkzaam is, zijn:

* _Fosfokinases (overdracht van fosfaatgroepen);
*  Thiokinases (acyl-coénzym A vorming bij de oxydatie van vet);
* — Fosfatases (hydrolyse van fosfaatesters).

Voorts is magnesium betrokken bij de synthese van eiwit via de opbouw en afbraak
van DNA en door het binden van m-RNA aan ribosomen. Hiernaast is magnesium
vereist voor het handhaven van macromoleculaire structuren, zoals de DNA-helix
enribosoomaggregaties. Voor een overzicht van de magnesiumstofwisseling wordt
verwezen naar (5,6,7).

Belangrijke systemen waarop magnesium een directe invloed heeft, zijn het
zenuw-, spier- en hart- en vaatstelsel. Magnesiumionen zijn noodzakelijk voor de
overdracht van zenuwprikkels en voor de spiercontractie. Bij een tekort aan magnesium
treedt onder andere een verlaging op van de prikkeldrempel van de motorische

267

</pre>

====================================================================== Einde pagina 271 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 272 ======================================================================

<pre>21.1.3.

magnesium

vezels en een verhoging van de gevoeligheid van de spieren voor de neurotransmitter
acetylcholine.

Met betrekking tot het contractiemechanisme in de spieren speelt magnesium
een rol bij het mobiliseren van calciumionen uit het sarcoplasmatisch reticulum. Voorts
fungeren vrije magnesiumionen als modulatoren van de contractiespanning.

Zowel op het niveau van het maagdarmkanaal als van de cel bestaat er een
sterke relatie tussen magnesium en calcium. Zo werkt een hoog aanbod van calcium
remmend op de absorptie van magnesium.

De absorptie van magnesium vindt voornamelijk plaats in de dunne darm. Hierbij
zijn mogelijk twee mechanismen betrokken. Het ene mechanisme zou een actief
transport bijlage concentraties van magnesium in het darmlumen 1-2 mmol/l (25-50
mg/l) zijn. Het andere mechanisme lijkt een passieve diffusie te zijn en vindt plaats
bij hogere concentraties (8,9).

In het bloed wordt magnesium voor ongeveer een derde deel gebonden aan
albumine getransporteerd. Voor de fysiologische werking zijn zeer waarschijnlijk
de vrije magnesiumionen van belang. Het magnesiumgehalte van het serum van
gezonde individuen varieert binnen nauwe grenzen en wel tussen 0,8-1,0 mmol/l
(19-24 mg/l). In de cel kan de magnesiumconcentratie waarden bereiken van 10
mmol/l (240 mg/l) (5). Het fysiologische mechanisme waardoor de plasmawaarden
op dit constante niveau worden gehandhaafd is niet bekend. Zowel calcitonine als
het parathyroid hormoon zouden hierbij betrokken zijn (10).

De excretie van magnesium vindt plaats via de urine, de feces en het zweet.
Onder normale omstandigheden is de excretie via zweet gering. De uitscheiding
via de feces bestaat voornamelijk uit niet-geabsorbeerd magnesium uit de voeding.
Daarnaast vindt een geringe endogene secretie plaats via speeksel, gal en pancreas-
sap. Een deel van het magnesium in de darm wordt ge(re)absorbeerd.

De uitscheiding via de nieren is afhankelijk van het aanbod van magnesium
in de voeding. Het mechanisme dat ten grondslag ligt aan de magnesiumuitscheiding
is nog onduidelijk. Het magnesium dat door de glomeruli wordt uitgescheiden, wordt
via de tubuli gedeeltelijk of geheel gereabsorbeerd. Bij een gebrekkige magnesium-
voorziening zijn de nieren tot een bijna volledige reabsorptie in staat. De uitscheiding
van magnesium via de nieren wordt onder andere vergroot door alcohol, natrium,
calcium, overdosering van vitamine D en door diuretica. Deze beïnvloeding vindt
via verschillende mechanismen plaats. Voor een overzicht wordt verwezen naar (7,9,11).

Deficiëntieverschijnselen.

Bij dieren.
Bij proefdieren manifesteert een tekort aan magnesium zich in verschijnselen

als: groeivertraging, spierzwakte, prikkelbaarheid en convulsies, hartritmestoornissen,
nier-/leverstoornissen en verkalking van de weke delen (12). Een bekend verschijnsel
van magnesiumtekort is kopziekte of grastetanie, die bij runderen en schapen wordt
waargenomen bij de overgang van wintervoer op jong weidegras, indien geen

268

</pre>

====================================================================== Einde pagina 272 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 273 ======================================================================

<pre>21.1.4.

magnesium

magnesiumsuppletie plaatsvindt (13). Mogelijk wordt dit magnesiumtekort veroorzaakt
door het hogere gehalte aan ruw eiwit en vetzuren in het groenvoeder, waardoor
de beschikbaarheid van magnesium zou worden verlaagd (14). Gesuggereerd wordt
dat tevens veranderingen in de glucosestofwisseling als gevolg van koudestress
bij het optreden van grastetanie een belangrijke rol spelen. Resultaten van onderzoek
bij schapen wijzen op een synergistische werking van een deficiënte magnesiumin-
neming en blootstelling aan koude (15).

Bij de mens.
Hetis moeilijk experimenteel een magnesiumdeficiéntie te induceren. Dit wordt
veroorzaakt door:
* De efficiënte werking van de nieren.
* De slechts kleine verliezen via de huid en de feces.
* De mobiliseerbare voorraad (gedeeltelijk) in het skelet.

Wanneer bij proefpersonen een acute magnesiumdeficiéntie wordt geinduceerd,
treedt een sterke daling op van het magnesiumgehalte van het plasma. De daling
van de magnesiumconcentratie in de erytrocyten is minder groot. Dit wordt toege-
schreven aan de levensduur van de erytrocyten dan wel aan het feit dat de erytrocyten
in het beenmerg worden gevormd, waar de beschikbare hoeveelheid magnesium
slechts langzaam afneemt. Als reactie op een gebrekkige voorziening daalt de uit-
scheiding via de nieren tot een fractie van de uitgangswaarde, waardoor ernstige
depletie wordt voorkomen en klinische verschijnselen niet snel zullen optreden (16).

Een symptomatisch magnesiumtekort wordt dikwijls aangetroffen als secundair
verschijnsel bijaandoeningen van onder andere het maag-darmkanaalen de nieren
en bij hormonale stoornissen (17). Door de weinig specifieke aard van de symptomen
(algehele malaise, groeivertraging) wordt een magnesiumtekort in deze situatie vaak
niet als zodanig herkend. Pas bij langer bestaande deficiënties ontstaan verschijnselen
van neuromusculaire irritatie. Daarnaast kunnen hartritmestoornissen en maagkrampen
optreden. Bovendien neemt de gevoeligheid voor sommige medicamenten toe, zoals
voor digoxine (18,19).

Een tekort aan magnesium wordt ook in verband gebracht met het ontstaan
van hart- en vaatziekten. Dit verband is afgeleid uit met name de resultaten van
epidemiologisch onderzoek naar de relatie tussen het optreden van hart- en vaatziekten
en factoren in het drinkwater. De mogelijke betekenis van magnesium voor het ontstaan
van coronaire hartziekten kan waarschijnlijk het best worden verklaard door de functies
die magnesium heeft in het metabolisme van de cel. Een juiste magnesiumconcentratie
in de cellen van de hartspier is essentieel voor het functioneren van het hart (20,21,22).
In dierexperimenteel onderzoek is waargenomen dat bij een magnesiumtekort de
prikkelbaarheid van hartspiercellen toeneemt waardoor hartritmestoornissen zouden
kunnen optreden. Voorts zou magnesium een regulerende rol spelen bij de vasculaire
tonus en haemostase en zou een tekort tot vaatspasmen leiden (23,24).

Bepaling van de magnesiumstatus.

Over de wijze waarop de magnesiumstatus bij voorkeur zou moeten worden
bepaald, bestaat geen eenstemmigheid. Over het algemeen wordt uitgegaan van

269

</pre>

====================================================================== Einde pagina 273 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 274 ======================================================================

<pre>21.2.

21.2.1.

magnesium

de bepaling van het magnesiumgehalte in het serum of in het plasma (zie $21.1.2.).
Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat 20% van de lichaamsvoorraad verloren
kan gaan zonder dat het magnesiumgehalte van het plasma verandert.

Omdat magnesium bijna alleen maar intracellulair voorkomt, heeft de aandacht
zich in dit verband ook gericht op de intracellulaire magnesiumconcentratie. Het
magnesiumgehaite van erytrocyten blijkt echter een ongevoelige parameter te zijn,
terwijl het gehatte in nagels mogelijk wel een afspiegeling is van de lichaamsvoorraad
(25). Een belangrijk criterium voor een voldoende magnesiumvoorziening is de cal-
cium/magnesiumverhouding in urine (<8). Tot slot moet de belastingsproef met
parenteraal toegediend magnesium worden genoemd. Bij een hoge retentie van
magnesium zou sprake zijn van een onvoldoende magnesiumvoorziening (25,26).

MAGNESIUMBEHOEFTE
Volwassenen.

Balansonderzoeken.

In 1964 heeft Seelig getracht de magnesiumbehoefte af te leiden uit de resultaten
van balansonderzoeken die waren uitgevoerd (27). De hoeveelheid magnesium die
nodig is om een positieve balans te realiseren werd op basis van deze gegevens
geschat op minimaal 6 mg/kg lichaamsgewicht/dag. Op grond hiervan werd een
magnesiumvoorziening van 7-10 mg/kg lichaamsgewicht/dag aanbevolen. Deze hoe-
veelheid wordt echter op basis van de resultaten van meer recentere onderzoeken
over het algemeen als te hoog aangeduid.

Resultaten van balansonderzoeken van beperkte duur (3-9 dagen) bij 18
volwassen mannen en vrouwen in de leeftijd van 19-54 jaar geven aan dat deze
personen in balans bleven bij een dagelijkse inneming van ca. 4 mg magnesium/kg
lichaamsgewicht (28). In vergelijkbaar onderzoek bleken volwassen obese vrouwen
in balans te blijven bij een inneming van ca. 2mg magnesium/kg lichaamsgewicht/dag
(28). Voor beide onderzochte groepen kwam dit neer op een voorziening met ca.
200-300 mg magnesium/dag, waaruit kan worden afgeleid dat de behoefte per kg
vetvrije massa voor beide groepen ongeveer gelijk zou zijn.

In balansonderzoeken bij 208 personen van verschillende leeftijd en geslacht
werd een lineair verband gevonden tussen de magnesiuminneming en de totale
uitscheiding per dag (r =0, 83) (29). Bijeen inneming van 100 mg/dag was de balans
in dit onderzoek nog positief, terwijl 10-20 mg/dag nodig was om een magnesiumdeple-
tie te induceren.

Resultaten van onderzoek naar de absorptie en retentie van magnesium geven
in het algemeen positieve balansen te zien bijeen inneming van 300-400 mg magne-
sium/dag (zie tabel 21.1) (30,31 ‚32,33). Een uitzondering hierop vormt de positieve
balans die is waargenomen bij een inneming van ca. 250 mg magnesium/dag (34).
Daarentegen is nog een negatieve balans vastgesteld bij een inneming van gemiddeld
370 mg magnesium per dag (35). Bij dit laatste onderzoek was de uitscheiding met
de urine relatief hoog, hetgeen erop duidt dat de proefpersonen onvoldoende waren
ingesteld op het niveau van inneming.

270

</pre>

====================================================================== Einde pagina 274 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 275 ======================================================================

<pre>magnesium
Tabel 21.1: Magnesiumbalansonderzoeken bij volwassenen.
deelnemers leeftijd duur voeding inneming balans urine ref.
dagen mg/dag mg/dag | mg/dag
7 mannen 3-9 gemengd >300 pos. (27)
11 vrouwen 19-54 §-8 >220 pos.
11 obese vrou- 3-6 >200 pos.
wen
4 mannen 48-75 30 gemengd 297 -10 (31)
(268-321)? | (-44-+7)9
271 2
(243-287)? | (-10-+20)2
8 mannen 48-62 100-130 gemengd 381 25 (32)
(331-447)? (6-48)?
6 mannen 37-58 26 laag voedingsve- 356410 28417 114411 | (30)
zel
hoog voedingsve- | 322412 -32+10 126+8
zel
7 vouwen 25,4 5-10 laag voedingsve- 276 6 (36)
zel
10-15 16
15-20 21
20-25") 21
5-10 hoog voedingsve- 300 -36
zel
10-15 -10
15-20 -13
20-25 -1
25-30 -19
8 mannen 21,8-28,8 26 gemengd 371 -21+16 171+29 | (34)
-10+13 | 170+30
17 mannen 19-64 28 65 g eiwit 229+24 13430 106421 | (33)
26 94 g eiwit 258424 17236 119225
10 mannen 23+2 28 hoog vet 389434 16423 156219 | (39)
laag vet 367 +25 3415 148+20
12 mannen 23+2 laag linolzuur 312+24 10+15 136+23
hoog linolzuur 319226 7213 14017
1) n=3,
2) Spreiding.

In een onderzoek naar de absorptie en retentie van mineralen en spoor-elementen
is waargenomen dat 300 mg magnesium/dag in een vegetarische voeding met een
relatief hoog gehalte aan voedingsvezel niet voldoende is om een positieve balans
te realiseren (36). Deze bevinding wordt bevestigd in onderzoek naar het effect van

voedingsvezel op de magnesiumbalans (31,37).

Factoriële methode.
De informatie over de verliezen aan magnesium die via de voorziening uit de
voeding moeten worden gecompenseerd, is beperkt.

De endogene verliezen via de feces worden geschat op ten hoogste 12-24
mg/dag (32). Het belangrijkste deel van de uitscheiding via de feces betreft niet-
geabsorbeerd magnesium uit de voeding.

271

</pre>

====================================================================== Einde pagina 275 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 276 ======================================================================

<pre>21.2.2.

21.2.3.

magnesium

De verliezen via zweet zijn onder normale omstandigheden ca. 12 mg/dag.
Bij zware inspanning kan deze uitscheiding oplopen tot 10-25% van de totale uitschei-
ding. Het is niet uitgesloten dat een dergelijke hoge uitscheiding via zweet wordt
gecompenseerd door een relatief lagere uitscheiding via de urine (38).

Het grootste deel van de endogene verliezen vindt plaats via de uitscheiding
in de urine. Deze uitscheiding is sterk afhankelijk van de magnesiumvoorziening.
Bij een voorziening met ca. 300 mg/dag wordt ca. een derde deel van de met de
voeding ingenomen hoeveelheid via de urine uitgescheiden. Bij een zeer laag aanbod
kan dit verlies echter dalen tot 12 mg/dag, terwijl de maximale renale uitscheidingscapa-
citeit waarschijnlijk hoger is dan 2000 mg/dag (5,7).

Berekend is dat voor het handhaven van het magnesiumgehalte in het plasma
van volwassenen op het laag normale niveau van 0,70 mmol/l ongeveer 30 mg
magnesium/dag moet worden geabsorbeerd (29).

Zuigelingen, kinderen en adolescenten.

Moedermelk bevat 25-40 mg magnesium/. De zuigeling neemt bij een consumptie
van 800 mi moedermelk per dag ca. 25 mg magnesium in (5,39). Dit komt overeen
met 4 mg magnesium/kg lichaamsgewicht. Het relatief lage calciumgehalte en hoge
lactosegehalte van moedermelk dragen er toe bij dat de benutting van magnesium
uit moedermelk relatief hoog is in vergelijking met die uit koemelk (40,41).

In Nederland wordt door de Warenwet geëist dat volledige zuigelingenvoeding
tenminste 6 mg magnesium/100 kcal bevat. Bij gebruik van 800 ml volledige zuigelin-
genvoeding komt dit overeen met een inneming van 6 mg per kg lichaamsgewicht
(ca. 35 mg/dag).

De resultaten van het beperkte aantal balansonderzoeken dat bij kinderen is
uitgevoerd wijzen op retenties die afhankelijk van de leeftijd variëren van 0,6 tot 4,9
mg/kg lichaamsgewicht/dag (42).

Op basis van het magnesiumgehalte van het lichaam kan worden berekend
dat tijdens de gehele groeiperiode gemiddeld 3 mg magnesium/dag in het lichaam
wordt vastgelegd. In de leeftijd van 0-Y jaar legt de zuigeling ca. 12 mg/dag vast,
tijdens de volgende zes maanden daalt deze hoeveelheid tot gemiddeld 4 mg/dag.

Zwangerschap en lactatie.

De informatie over de magnesiumbehoefte tijdens de zwangerschap is beperkt.
Uit een aantal balansonderzoeken bij zwangere vrouwen blijkt dat een dagelijkse
inneming van 400 mg magnesium/dag niet altijd voldoende is om in balans te blijven
(42). De behoefte zou het sterkst toenemen tijdens het derde trimester van de
zwangerschap. De foetus bevat aan het eind van de zwangerschap 700-750 mg

magnesium (43).

Tijdens de lactatieperiode moet de uitscheiding van magnesium via moedermelk
(ca. 25 mg/dag, zie §21.2.2.) worden gecompenseerd.

272

</pre>

====================================================================== Einde pagina 276 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 277 ======================================================================

<pre>21.2.4.

21.2.5.

21.3.

21.3.1.

magnesium

Biologische beschikbaarheid.

Eerder werd al gesteld dat de hoeveelheid magnesium die uit de voeding wordt
opgenomen in de darm afhankelijk is van het aanbod. Onder normale omstandigheden
wordt bijeen voorziening van ca. 250-350 mg/dag ca. 30-40% geabsorbeerd (4,11).
De absorptie wordt op verschillende manieren beïnvloed. Een hoog aanbod van
calcium, fosfaat en vrije vetzuren werkt remmend. Ook een snelle darmpassage,
een hoog gehalte aan voedingsvezel of fytaat in de voeding beïnvloeden de absorptie
negatief (30,34,37,44,45).

Met behulp van stabiele isotopen is de absorptie van magnesium uit bladgroenten
en zemelen bepaald. Bij een hoeveelheid van 350-450 mg magnesium/dag in de
voeding was de netto-absorptie uit zemelen in de testvoedingen ca. 40% en uit
bladgroenten 50-60% (33). In eerdere onderzoeken werd een gemiddelde netto-ab-
sorptie vastgesteld van 46-55% (32). Uit vegetarische voedingen met een gemiddeld
magnesiumgehalte van >500 mg/dag, is een gemiddelde absorptie vastgesteld van
34%. Bij gebruik van vlees/vis werd een absorptiepercentage waargenomen van
meer dan 40% (36). Dit verschil moet waarschijnlijk worden toegeschreven aan een
remmende invloed van fytaat en voedingsvezel op de absorptie van magnesium.
Deze remmende invloed is ook in ander onderzoek waargenomen (31,37). De
gemiddelde inneming van magnesium bij vegetariërs is echter vaak hoger dan bij
niet-vegetariërs (33). Het is niet duidelijk in hoeverre deze hogere inneming de geringere
absorptie van magnesium uit een vegetarische voeding compenseert.

Toxiciteit.

Magnesiumintoxicatie en hypermagnesemie zijn uiterst zeldzame verschijnselen
die in het algemeen alleen optreden na een parenteraal toegediende overdosis
magnesium of bij zeer ernstige nierinsufficiëntie, waardoor magnesium niet voldoende
kan worden uitgescheiden. De verschijnselen worden ook waargenomen wanneer
bij eclampsie grote doses magnesiumzouten worden toegediend. Bij hypermagnesie
wordt de neuromusculaire overdracht het eerst gestoord. Bij serumspiegels >2 mmol/l
(normaal is 0,8-1,0 mmol/l) treedt een daling op van de peesreflexen en bij spiegels
>5 mmol/l verdwijnen de peesreflexen geheel. Bij concentraties van ca. 7,5 mmol/l
treedt vervolgens ademstilstand en algehele anesthesie op. Extreem hoge serumcon-
centraties kunnen leiden tot hartstilstand. Een duidelijke overdosering van magnesium
gaat voorts gepaard met een hypocalciëmie. Voor een meer uitgebreid overzicht
wordt verwezen naar (17).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING
Inleiding.

De regulering van de magnesiumbalans in het lichaam geschiedt door de nieren,
die minder magnesium uitscheiden naarmate er minder uit het voedsel wordt
opgenomen. Door dit conserverende vermogen is het moeilijk om met behulp van

de factoriële methode tot een betrouwbare schatting van de minimumbehoefte te
komen. De minimumbehoefte moet daarom worden vastgesteld op basis van de

273

</pre>

====================================================================== Einde pagina 277 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 278 ======================================================================

<pre>21.3.2.

21.4.

magnesium

resultaten van balansonderzoeken, ondanks alle daaraan
verbonden beperkingen. Door het ontbreken van voldoende
informatie zullen de aanbevolen hoeveelheden echter globaal

van karakter moeten blijven.

Adequaat gebied van inneming.

De resultaten van balansonderzoeken bij volwassenen
geven aan dat bij een inneming van 250-350 mg magnesium/dag
geen negatieve balans ontstaat. Als wordt uitgegaan van een
relatie tussen de magnesiumbehoefte en het lichaamsgewicht
kan hieruit een adequaat gebied van inneming voor vrouwen
van 250-300 mg/dag en voor mannen van 300-350 mg/dag
worden afgeleid. Bij het vaststellen van de ondergrens is geen
rekening gehouden met het conserverend vermogen van de
nieren bij een beperkte voorziening. Bij het beschikbaar komen
van meer onderzoeksgegevens kan deze ondergrens wellicht
lager worden gesteld.

Op basis van de gegevens van volwassenen kan met
behulp van de lichaamsgewichten het adequate gebied van
inneming van de andere leeftijdsgroepen worden afgeleid (zie
tabel 21.2).

Voor zuigelingen die met moedermelk worden gevoed
kan voor het adequate gebied van inneming worden uitgegaan
van het magnesiumgehalte in moedermelk. Het adequaat gebied
van inneming kan dan op 25-35 mg/dag worden gesteld. Voor
zuigelingen die volledige zuigelingenvoeding krijgen, wordt deze
hoeveelheid op 35-60 mg/dag gesteld. Bij deze hoeveelheid
is rekening gehouden met een minder grote beschikbaarheid
van magnesium in vergelijking met die uit moedermelk.

Tijdens de zwangerschap wordt uit veiligheidsoverwegingen
het adequate gebied van inneming verhoogd tot 300-350

mg/dag. 10-17 mg per kg
lichaamsgewicht
. per dag.
Voor lacterende vrouwen wordt een adequaat gebied van
inneming aanbevolen van 300-400 mg/dag.
LITERATUUR
1. Kruse HD, et al. Studies on magnesium deficiency in animals |. Symptomatology resulting from magnesium

deprivation. J Biol Chem 1932; 96: 519-39,

Tabel 21.2. Adequaat
gebied van inneming
voor magnesium.

categorie/
leeftijd jr mg
zuigelingen
O-Va 35-60'!
Val 35-60
jongens
1-4 60-70
4-7 90-100
7-10 120-140
10-13 150-175
13-16 220-255
16-19 275-325
meisjes
1-4 60-70
4-7 90-100
7-10 120-140
10-13 155-185
13-16 210-250
16-19 225-275
mannen
19-22 300-350
22-50 300-350
50-65 300-350
>65 300-350
vrouwen
19-22 250-300
22-50 250-300
50-65 250-300
>65 250-300
zwangeren | 300-350
zogenden | 300-400

1) Deze hoeveelheid
komt overeen met

2. Haring BJA, Zoeteman BCJ. Corrosiveness of drinking water and cardiovascular disease mortality. Bull Environ

Contam Toxicol 1980; 25: 658-62.

3. Haring BJA, Van Delft W. Changes in the mineral composition of food as a result of cooking in hard and

soft waters. Arch Environ Health 1981; 36: 33-5.

4. Shils ME. Magnesium. in: Nutrition Reviews. Present knowledge in nutrition. Washington DC: Nutrition Foundation,

1984.

5. Wacker WE, Parisi AE. Magnesium metabolism. New Engl J Med 1968; 278: 658-63, 712-7 en 772-6.

274

</pre>

====================================================================== Einde pagina 278 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 279 ======================================================================

<pre>41.

magnesium

Aikawa JK. The relationship of magnesium to disease in domestic animals and in humans. Springfield: Thomas,
1971.

Aikawa JK. Biochemistry and physiology of magnesium. tn: Prasad AS, Oberleas D, eds. Trace elements
in human health and disease, Vol il. Essential and toxic elements. New York: Academic Press, 1976: 47-78.
Milla PJ, et al. Studies in primary hypomagnesemia: evidence for detective carrier-mediated small intestinal
transport of magnesium. Gut 1979; 20: 1028-33.

Prasad AS. Trace elements and iron in human metabolism. New York: Plenum Medical Book Company,
1978.

Shils ME. Magnesium deficiency and calcium and parathyroid hormone interrelations. In: Prasad AS, Oberleas
D, eds. Trace elements in human health and disease, Vol Il. Essential and toxic elements. New York: Academic
Press, 1976: 23-46.

Schroeder HA, et al. Essential metals in man-magnesium. J Chron Dis 1969; 21: 815-41.

Pieters JJL, Kok J. Magnesium. Fysiologie en voorziening. Voeding 1987; 48: 146-52.

Kemp A. De betekenis van het voedermagnesium bij het ontstaan van hypomagnesemie en van hypomagnesemi-
sche tetanie bij rundvee. Tijdschr Diergeneesk 1963; 88: 1154-72.

Kemp A, et al. Influence of higher fatty acids on the availability of magnesium in milking cows. Neth J Agric
Sci 1966; 14: 290-5.

Terashima Y, et al. Plasma magnesium levels as influenced by cold exposure in fed or fasted sheep. J Nutr
1982; 112: 1914-20.

Shils ME. Experimental human magnesium depletion |, Clinical observations and blood chemistry alterations.
Am J Clin Nutr 1964; 15: 133-43.

Flink EB. Magnesium deficiency and magnesium toxicity in man. In: Prasad AS, Oberleas D, eds. Trace
elements in human health and desease, Vol Il Essential and toxic elements. New York: Academic Press,
1976: 1-21.

Anoniem. Clinical signs of magnesium deficiency. Nutr Rev 1979; 37: 6-8.

Pieters JJL, Kok J. Magnesium in relatie tot hart- en vaatziekten. Voeding 1987; 48: 168-72.

Seelig MS, Heggtveit HA. Magnesium interrelationship in ischemic heart disease; a review. Am J Clin Nutr
1974; 27: 59-79.

Johnson CJ, et al. Myocardial tissue concentrations of magnesium and potassium in men dying suddenly
from ischemic heart disease. Am J Clin Nutr 1979; 32: 967-70.

Chipperfield B, Chipperfield JR. Magnesium and the heart. Am Heart J 1977; 93: 679-81.

Altura BM, et al. Hypomagnesemia and vasoconstriction: possible relationship to etiology of sudden death
ischemic heart disease and hypertensive vascular diseases. Artery 1981; 9: 212-31.

Turlapaty POMV, Altura BM. Magnesium deficiency produces spasms of coronary arteries: relationship to
etiology of sudden death ischemic heart disease. Science 1980; 208: 198-200.

Heroux O, et al. Long term effects of suboptimal dietary magnesium and calcium extent of organs on cold
tolerance and on lifespan and its pathological consequences in rats. J Nutr 1977; 107: 1640-52.
Caddell J. Clinical signs of magnesium deficiency. Nutr Rev 1980; 38: 100-2.

Seelig MS. The requirement of magnesium by the normal adult. Am J Clin Nutr 1964; 14: 342-90.
Jones JE, et al. Magnesium requirement in adults. Am J Clin Nutr 1967; 20: 632-5.

Marshall DH, et al. Calcium, phosphorus and magnesium requirement. Proc Nutr Soc 1976; 35: 163-73.
Van Dokkum W, et al. Effect of variation in fat and linoleic acid intake on the calcium, magnesium and iron
balance of young men. Ann Nutr Metab 1983; 27: 361-9.

Kelsay JL, et al. Effect of fiber from fruits and vegetables on metabolic responses of human subjects. Il.
Calcium, magnesium, iron and silicon balances. Am J Clin Nutr 1979; 32: 1876-80.

Schwartz A, et al. Measurement of magnesium absorption in man using stable “Mg as a tracer. Clin Chim
Acta 1978; 87: 265-73.

Schwartz A, et al. Magnesium absorption in human subjects from leaf vegetables, intrinsically labeled with
stable *Mg. Am J Clin Nutr 1984; 39: 571-6.

Mahalko JR, et al, Effect of a moderate increase in dietary protein on the retention and excretion of Ca, Cu,
Fe, Mg, P and Zn by adult males. Am J Clin Nutr 1983; 37: 8-14.

Johnson MA, et al. Effects of dietary tin on zinc, copper, iron, manganese and magnesium metabolism of
adult males. Am J Clin Nutr 1982; 35: 1332-8.

Rao CN, Rao BSN. Absorption and retention of magnesium and some trace elements by man from typical
Indian diets. Nutr Metab 1980; 24: 244-5,

Slavin JL, Marlett JA. Influence of refined cellulose on human bowel function and calcium and magnesium
balance. Am J Clin Nutr 1980; 33: 1932-9,

Consolazio CF. Nutrition and Performance. Progr Food Nutr Science 1983; 7: 77-91.

Neville MC, et al. Studies on human lactation |. Within-feed and be-tween breast variation in selected components
of human milk. Am J Clin Nutr 1984; 40: 634-46.

Widdowson EM, et al. Effect of giving phosphate supplements to breast-fed babies on absorption and excretion
of calcium, strontium, magnesium and phosphorus. The Lancet 1963; ii: 1250-1.

Kobayashi A, et al. Effects of dietary lactose and a lactase preparation on the intestinal absorption of calcium
and magnesium in normal infants. Am J Clin Nutr 1975; 28: 681-3,

275

</pre>

====================================================================== Einde pagina 279 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 280 ======================================================================

<pre>magnesium

42.  Seelig MS. Human requirements of magnesium; factors that increased needs. 1st International Symposium
on magnesium deficit in human pathology. France: Vittel, 1971.

Schroeder HA. The trace elements in nutrition. London: Faber and Faber, 1973.

Lo GS, et al. Effect of isolated soybean protein on magnesium bio-availabllity. J Nutr 1980; 110: 829-36.
Greger JL, et al. Effect of dietary calcium and phosphorus levels on the utilization of calcium, phosphorus,
magnesium, manganese and selenium by adult males. Nutr Res 1981; 1: 315-25.

A&S

276

</pre>

====================================================================== Einde pagina 280 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 281 ======================================================================

<pre>oren M ca

22. Water

22.1.

INLEIDING

22.1.1. Fysiologische betekenis
22.1.2. Vochtbalans

22.1.3. Deficiéntieverschijnselen

» VOCHTBEHOEFTE

22.2.1. Inleiding

22.2.2. Obligaat vochtverlies

22.2.3. Factoren die de vochtbehoefte beinvioeden
22.2.4. Overmaat

. VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

22.3.1. Minimumbehoefte
22.3.2. Adequaat niveau van inneming

. LITERATUUR

277

279
279
279
280

280
280
281
282
283

283
283
283

283

</pre>

====================================================================== Einde pagina 281 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 282 ======================================================================

<pre>water

278

</pre>

====================================================================== Einde pagina 282 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 283 ======================================================================

<pre>22.1.

22.1.1.

22.1.2.

water

INLEIDING
Fysiologische betekenis.

Water is een verbinding, in afwezigheid waarvan leven niet mogelijk is. Het is
het transportmiddel voor voedingsstoffen en stofwisselingsprodukten in het lichaam,
terwijl vrijwel alle stofwisselingsprocessen plaatsvinden in waterig milieu. Water is
in sterke mate betrokken bij de regeling van de ichaamstemperatuur. Bij een verhoogde
warmteproduktie vindt door middel van zweten en verdamping van water aan het
huidoppervlak (niet-waarneembare vochtuitscheiding) en in de longen (uitade-
mingslucht) een verhoogde warmte-afgifte plaats. Voorts heeft water een beschermende
werking voor een aantal organen, functioneert het als smeermiddel voor gewrichten
en als geleider voor het geluid in de oren.

Het watergehalte van een individu is zeer constant. Een gedronken hoeveelheid
water wordt binnen 3 uur volledig uitgescheiden. De hoeveelheid water in het lichaam
varieert tussen individuen echter van 45-75%. De grote interindividuele verschillen
in lichaamswater worden veroorzaakt door verschillen in vetgehalte van het lichaam.
Hierdoor wordt ook het verschil tussen het watergehaite van mannen (63%) en vrouwen
(52%) verklaard. Als de hoeveelheid water wordt gerelateerd aan de hoeveelheid
vetvrije lichaamsmassa, bedraagt het watergehalte van gezonde volwassen mannen
en vrouwen 71-73% en is zeer constant. Bij zuigelingen bedraagt het watergehaite
ca. 75% van de totale lichaamsmassa (1).

Het lichaamswater kan worden ingedeeld in intracellulair water en in extracellulair
water. Het laatste bevindt zich in het bloedplasma (intravasculair water), in de
weefselruimte tussen de cellen (interstitieel water) en in een aantal lichaamsholten
(transcellulair water). Voorbeelden van transcellulair water zijn de hersenvloeistof,
de gewrichtsvloeistof en de vloeistof in pleura- en buikholte.

In het lichaamswater bevindt zich een groot aantal ionen. In het intracellulair
water zijn kalium-, magnesium- en HPO,?-ionen kwantitatief de belangrijkste, terwijl
hier tevens een belangrijke hoeveelheid negatief geladen eiwit aanwezig is. In het
extracellulair water zijn natrium- en chloorionen kwantitatief de belangrijkste ionen.
De intra- en extracellulaire compartimenten zijn gescheiden door celmembranen,
die in principe vrij doorgankelijk zijn voor alle ionen, maar niet voor eiwit. Een
energievragende Na*/K* pomp zorgt ervoor dat de K*-concentratie in de cellen en
de Na*-concentratie buiten de cellen hoog blijft (1).

Vochtbalans.
Naast de inneming van water via drinken en de consumptie van voedsel komt
er ca. 350 ml/dag in het lichaam vrij door oxydatieprocessen bij de stofwisseling

(oxydatiewater).

De uitscheiding van water vindt plaats via de nieren (urine), de feces, de huid
(door verdamping en zweet) en de longen (uitademingslucht).

279

</pre>

====================================================================== Einde pagina 283 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 284 ======================================================================

<pre>22.1.3.

22.2.

22.2.1,

water

Onder normale omstandigheden wordt de hoeveelheid water die wordt uitgeschei-
den in evenwicht gehouden met de waterinneming. Dit evenwicht wordt voornamelijk
gehandhaafd door een variabele uitscheiding van water met de urine. De inneming
van water wordt voor een deel gereguleerd door het ontstaan van een dorstgevoel.

Als er geen of weinig water wordt opgenomen gaat de uitscheiding van water
door nieren, huid en longen door. De vochtuitscheiding door de longen en de verdam-
ping via de huid kan nauwelijks verminderen. Bij een watertekort zal met name de
uitscheiding via de nieren afnemen (oligurie). Er is echter altijd een minimale vochtuit-
scheiding via de nieren die wordt bepaald door de hoeveelheid eindprodukten van
de stofwisseling en factoren in de voeding zoals de keukenzoutconsumptie (1).

Deficiëntieverschijnselen.

Beperking van de inneming van water leidt, door vermindering van de totale
hoeveelheid lichaamsvloeistof, op den duur tot dehydratie. Dit gaat gepaard met
dorstgevoel, dat al optreedt wanneer er ca. 2% van het lichaamsgewicht aan water
(ca. 1,5 liter) aan de weefsels is onttrokken. De eerste tekenen van uitputting ontstaan
wanneer 3% van het lichaamsgewicht aan water verloren is gegaan. Bijtoenemende
verliezen neemt de ernst van deze verschijnselen toe en kan men de controle over
zichzelf verliezen.

Als gevolg van (acute) dehydratie waarbijeenverlies Tabel 2. Vochtbalans ven
H H een volwassen man van

van 15-20% van het lichaamsgewicht aan water optreedt, kg bij een geringe mate van
ontstaan levensbedreigende situaties door concentratie _ ichamelijke activiteit en

van de intracellulaire vloeistof en te kort schieten van de = onder gematigde klimatolo-

circulatie (2). gische omstandigheden.
inneming
Twee frequent voorkomende oorzaken van dehydratie | voeht 1250 mi/dag
bijde mens zijn braken en diarree. Hierbij gaat een kleiner voedsel 1000 mi/dag
of groter deel van de in het maagdarmkanaal uitgescheiden _|oxdstie 350 ml/dag
spijsverteringssappen, die onder normale omstandigheden totaal 2600 mi/dag
weer zouden zijn gereabsorbeerd, verloren. excretie
urine 1500 mi/dag
huid 500 mi/dag
VOCHTBEHOEFTE tongen 500 mi/dag
feces 100 ml/dag
Inleiding. totaal 2600 ml/dag

De gegevens voor de verschillende onderdelen van de vochtbalans zoals die
in de literatuur worden vermeld, vertonen grote variatie. Verschillen in omgevingsfacto-
ren (temperatuur, luchtvochtigheid), de aard van het voedsel en de mate van lichame-
lijke activiteit kunnen hiervoor als een mogelijke oorzaak worden aangegeven.

Voor de vochtbalans van de volwassen man, met een geringe mate van lichameli-
ke activiteit en onder gematigde klimatologische omstandigheden, zoals voor Nederland
gebruikelijk, kan worden uitgegaan van de gemiddelde waarden die in tabel 22.1
zijn vermeld.

280

</pre>

====================================================================== Einde pagina 284 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 285 ======================================================================

<pre>22.2.2.

water

Obligaat vochtverlies.

Urine.
De uitscheiding met de urine varieert en wordt voor een belangrijk deel bepaald

door de vochtinneming. De minimale hoeveelheid urine die nodig is om alle eind-
produkten van de stofwisseling met de urine te verwijderen, is onder normale omstan-
digheden afhankelijk van de aard van het voedsel (zie $22.2.3.). Voor een gemiddelde
voeding van volwassenen in Nederland die 80-100 g eiwit en gemiddeld 9g natrium-
chloride bevat, kan worden berekend dat ca. 800 ml urine per dag nodig is om de
afvalprodukten van de stofwisseling uit te scheiden. Daarbij is er van uitgegaan dat
het concentratievermogen van de nieren bij volwassenen varieert van 1000-1400
mosM/|. Voorts is bij deze berekening gebruik gemaakt van de volgende gegevens:
23 mg Na* komt overeen met 1 mosM; 35 mg Cl komt overeen met 1 mosM; 1
g eiwit komt, als gevolg van de ureumuitscheiding, overeen met 5,7 mosM (1,3,4).

Voor jonge volwassenen bedraagt het obligate vochtverlies tijdens vasten met
de urine minimaal 400 mi/dag (1).

Feces.

Het obligate vochtverlies via de feces is beperkt. Via speeksel, maagsap en
de secretie van de pancreas en klieren in de dunne darm wordt per dag ca. 7500
ml vocht in het maagdarmkanaal uitgescheiden. Gewoonlijk vindt vrijwel totale reabsorp-
tie plaats (1).

Uitademingslucht.

De uitademingslucht is verzadigd met waterdamp. Onder normale omstandigheden
wordt op deze wijze ca. 400-600 ml/dag uitgescheiden. De mate van uitscheiding
is met name afhankelijk van de luchtvochtigheid van de lucht die wordt ingeademd

(1).

Zweet.

De vochtuitscheiding via de huid wordt onderscheiden in verdamping en zweten.
Beiden vervuilen een belangrijke functie bij de warmteregulatie van het lichaam. Onder
normale omstandigheden bedraagt de verdamping (niet-waarneembare vochtuitschei-
ding) via de huid ca. 500 mi/dag (1).

Totaal obligaat vochtverlies.

Waargenomen is dat voor volwassenen van 70 kg met 45 | lichaamsvocht bij
een volledige onthouding van water het totale obligate vochtverlies via urine, longen,
huid en feces ca. 1500 mi/dag bedraagt (5). Tijdens vasten zou bij matige lichamelijke
activiteit en onder gematigde klimatologische omstandigheden 900 ml water per
dag voldoende zijn om de vochtbalans te handhaven (6,7). Bij afwezigheid van
lichamelijke activiteit zou in die situatie de minimum waterbehoefte 700 m/dag bedragen

(5).

281

</pre>

====================================================================== Einde pagina 285 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 286 ======================================================================

<pre>22.2.3.

water

Factoren die de vochtbehoefte beïnvloeden.

Leeftijd.

In tabel 22.2. zijn gegevens over de vochtbalans vermeld van een zuigeling
van twee weken, een vijfjarige en een volwassene. De getallen zijn weergegeven
in ml/kg lichaamsgewicht/dag, waardoor de verschillen tussen de verschillende
leeftijdsgroepen beter tot uitdrukking komen (8).

De hoeveelheid water die per kg lichaamsgewicht per dag wordt omgezet is
bij de zuigeling aanzienlijk hoger dan bij oudere leeftijdsgroepen (4,9,10). Hieruit
kan worden afgeleid dat storingen in de waterhuishouding, bijvoorbeeld door braken
en diarree, bij zuigelingen eerder tot problemen aanleiding zal geven dan bij oudere
kinderen en bij volwassenen het geval is. De kwetsbaarheid van het kind is in dit
verband het grootst direct na de geboorte.

De nierfunctie is gedurende de eerste levensmaanden minder adequaat dan
op latere leeftijd. Bij een te hoge belasting met stofwisselingsprodukten kan hyperosmo-
lariteit ontstaan. In de loop van de eerste twee levensjaren maken de nieren een
ontwikkeling door die voor de verschillende parameters van de nierfunctie in snelheid
van elkaar verschillen. Het concentratievermogen van de nieren stijgt in de eerste
levensmaanden vrij snel. Na een half jaar ligt de waarde hiervan op het niveau van
de volwassene. Het vermogen om zout uit te scheiden neemt met de leeftijd geleidelijk
toe. Op de leeftijd van één jaar is het kind al goed bestand tegen storingen in de
waterhuishouding (4).

Het concentratievermogen van de nieren neemt bij de oudere volwassene af.
Hierdoor is de minimaal benodigde hoeveelheid urine voor de uitscheiding van
eindprodukten van de stofwisseling bij ouderen groter dan bij jonge volwassenen.
Deze hoeveelheid urine zou voor ouderen tenminste ca. 900 ml/dag bedragen (8).

Klimaat en lichamelijke activiteit.

De verliezen aan water nemen toe door een verhoogde zweetproduktie en een
toegenomen uitscheiding via de uitademingslucht als gevolg van een verhoogde
omgevingstemperatuur, lagere luchtvochtigheid en/of lichamelijke activiteit. Bij warm
weer of zware lichamelijke arbeid zal waarneembaar zweten optreden. Het vochtverlies
via de huid kan dan tot enkele liters per dag oplopen. Bij een extreem hoge omgevings-
temperatuur (tropen, hittegolf) en extreme lichamelijke inspanning kunnen deze verliezen
oplopen tot 2,5 I/uur (2).

Samenstelling van de voeding.

De behoefte aan water wordt voorts beïnvloed door de samenstelling van de
voeding. De hoeveelheid eiwit, natrium, kalium, chloride en fosfaat in de voeding
bepaalt voor een belangrijk deel de nierbelasting. Een verhoogde eiwitconsumptie
heeft een toename van het vochtverlies tot gevolg omdat extra water nodig is om
de eindprodukten van de eiwitstofwisseling (met name ureum) met de urine uit te
scheiden. Dit geldt ook voor de consumptie van keukenzout die doorgaans veel
groter is dan de hoeveelheid die nodig is om de elektrolytenbalans te handhaven

(11).

282

</pre>

====================================================================== Einde pagina 286 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 287 ======================================================================

<pre>22.2.4.

22.3.

22.3.1.

22.3.2.

22.4.

water

Overmaat.

Als ter compensatie van extreem vochtverlies door bijvoorbeeld zweten, water
wordt gedronken waaraan geen elektrolyten (met name natrium) zijn toegevoegd,
dan zal het natriumgehalte van het bloedplasma dalen. Het gevolg hiervan is een
verplaatsing van water vanuit het extracellulaire naar het intracellulaire compartiment.
Omdat dit proces ook in de hersenen plaats vindt kunnen symptomen van waterintoxi-
catie ontstaan zoals vermindering van smaak, zwakte, geestelijke afwezigheid, trillen
van de spieren. Anderzijds zal de toediening van keukenzout (natrium) zonder
voldoende vochtgebruik in een dergelijke situatie leiden tot de ontwikkeling van hyper-
natriëmie en een verplaatsing van water vanuit de intracellulaire naar de extracellulaire
ruimte (2).

VASTSTELLING VAN DE ADEQUATE INNEMING

Minimumbehoefte.

Op basis van de obligate vochtverliezen via urine (400 ml), uitademingslucht
(400 ml) en huid (500 ml) kan worden berekend dat de minimumbehoefte aan water
voor volwassenen tijdens vasten ca. 1000 mi/dag bedraagt. Hierbij is rekening
gehouden met het vrijkomen van 350 ml oxydatiewater. Deze hoeveelheid komt redelijk
overeen met het in onderzoek waargenomen obligaat vochtverlies (zie §22.2.2.).

De minimumbehoefte voor volwassenen bij geringe lichamelijke activiteit, gematig-
de klimatologische omstandigheden en een voedselconsumptie die overeenkomt
met de huidige gemiddelde voeding in Nederland wordt door de commissie geschat
op ca. 1500 mi/dag. Voor ouderen moet deze hoeveelheid als gevolg van het vermin-
derde concentratievermogen van de nieren worden verhoogd tot ca. 1700 m/dag.

Adequaat niveau van inneming.

Factoren als de omgevingstemperatuur, de luchtvochtigheid, de samenstelling
van de voeding en de mate van lichamelijke activiteit hebben een zodanige invloed
op de behoefte aan water dat het niet mogelijk is een adequaat gebied van inneming
aan te geven.

Ter indicatie van de hoeveelheid water die moet worden ingenomen kan worden
uitgegaan van de gegevens over de vochtbalans zoals die in tabel 22,2 zijn vermeld.
Deze gemiddelde waarden gelden voor personen bij een geringe lichamelijke activiteit
en onder gematigde klimatologische omstandigheden zoals die voor Nederland
gelden.

LITERATUUR

1. Randall HT. Water, electrolytes and acid-base balance. In: Shils ME, Young VR, eds. Modern nutrition in
health and disease, Sth ed. Philadelphia: Lea & Febiger, 1988; 108-41.

2. Consolazio CF. Nutrition and performance. In: Johnson RE, ed. Progr Food Nutr Science 1983; 7: 93-112,

3. Ciba-Geigy. Wissenschaftliche Tabellen Geigy, Teilband Körperflüssigkeiten. Basel: Ciba-Geigy, 1977.

283
</pre>

====================================================================== Einde pagina 287 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 288 ======================================================================

<pre>water

an

10.
11.

Tabel 22.2. Vochtbalans in ml per kg lichaamsgewicht per dag.

inneming leeftijd excretie leeftijd
2wkn | 5jr | volw. 2wkn | 5j | volw.
vocht 130 47 22 [urine 64 45 21
voedsel 26 10 f huid en lon- 70 33 15
gen
oxidatie 15 10 5 feces 6 5 1
groei 5 <1 0
totaal 145 83 37 [totaal 145 83 37
Bron: (8)

Fomon SJ. Infant nutrition. Philadelphia: W.B. Saunders, 1974.

Gamble JL. The water requirements of castaways. Proc Am Phil Soc 1944; 88: 151-58.

Grande F, et al. Effect of restricted water intake on urine nitrogen output in man on a low calorie diet devoid
of protein. J Appi Physiol 1957; 10: 430-5.

Grande F, et al. Body temperature responses to exercise in man on restricted food and water intake. J Appi
Physiol 1959; 14: 194-8,

Voedingsraad. De waterhuishouding van de mens. 's-Gravenhage: Voedingraad, 1968.

American Academy of Pediatrics. Climatic heat stress and the exercising child. Phys Sportsmed 1983; II:
155-6.

Bar-Or O. Climate and the exercising child - A review. Int J Sports Med 1980; 1: 53-65.

Baker EM, et al. Water requirement of men as related to salt intake. Am J Clin Nutr 1963; 12: 394-8,

284

</pre>

====================================================================== Einde pagina 288 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 289 ======================================================================

<pre>23. Aanbevolen hoeveelheden

23.1. INLEIDING 287

23.2. TOELICHTING OP TABEL 23.1 287

23.3. LITERATUUR 290
TABEL 23.1

285

</pre>

====================================================================== Einde pagina 289 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 290 ======================================================================

<pre>aanbevolen hoeveelheden

286

</pre>

====================================================================== Einde pagina 290 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 291 ======================================================================

<pre>23.1.

23.2.

aanbevolen hoeveelheden

INLEIDING

In$1.2.3. werd de aanbevolen hoeveelheid van een voedingsstof gedefinieerd
als de hoeveelheid van een voedingsstof, waarnaar het wenselijk is te streven in
het kader van het programmeren van de voedselvoorziening van een bevolkingsgroep
ofvan homogene categorieën binnen de groep. Gesteld werd dat deze aanbevolen
hoeveelheden de hoeveelheden energie, voedingsstoffen en essentiële voedingsstoffen
weergeven die per dag beschikbaar moeten zijn voor consumptie door bevolkings-
groepen van verschillende leeftijd en onder verschillende omstandigheden met als
doel een goede voorziening met energie en voedingsstoffen voor de totale bevolking
te kunnen verzekeren.

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de aanbevolen hoeveelheden
voedingsstoffen voor de verschillende categorieën.

TOELICHTING OP TABEL 23.1

* Zuigelingen

Voor zuigelingen van 0-% jaar die worden gevoed met moedermelk gelden
de aanbevelingen voor energie, eiwit, vitamine B,, vitamine B,,, calcium, fosfor en
ijzer, die in tabel 23.1 worden vermeld, niet. Wat de aanbevelingen voor seleen, koper
en zink betreft moet worden opgemerkt dat het gehalte van deze voedingsstoffen
in moedermelk dermate kan wisselen dat sommige zuigelingen de aanbevelingen
wel zullen halen en andere zuigelingen niet. In Nederland zijn bij zuigelingen echter
nooit verschijnselen van een koper-, seleen- of zinkdeficiëntie beschreven.

* Energie. |

De aanbevolen hoeveelheid energie is berekend door het adeguaat niveau
van inneming (zie tabel 2.9) te vermenigvuldigen met het referentiegewicht van de
verschillende categorieön (zie tabel 1.1). Voor volwassenen is uitgegaan van geringe
lichamelijke activiteit en voor kinderen van matige lichamelijke activiteit.

* Eiwit.

De aanbevolen hoeveelheid eiwit is voor zuigelingen tot % jaar, zwangeren en
zogenden berekend door het adequaat niveau van inneming (zie tabel 3.2) te vermenig-
vuldigen met het referentiegewicht van deze categorieën (zie tabel 1.1). Voor de
overige categorieën is de aanbevolen hoeveelheid eiwit door de commissie gesteld
op 11 en%. Een voeding met een dergelijke hoeveelheid eiwit zal, mits deze voldoende
energie levert, ook voldoen aan de eiwitbehoefte.

* Vet.

Indien voorzien wordt in het adequaat niveau van inneming van eiwit, essentiële
vetzuren en koolhydraten voor volwassenen dan wordt ca. 70% van de totale
energiebehoefte gedekt. Hierbij is uitgegaan van de gemiddelde huidige voeding
in Nederland. De overige 30% van de energiebehoefte moet over het algemeen worden
opgenomen door middel van een verhoging van de hoeveelheden vetten en kool-
hydraten in de voeding. Vetten en koolhydraten kunnen elkaar in dit verband in
energetisch opzicht vervangen. Bij het vaststellen van een optimale verhouding in

287

</pre>

====================================================================== Einde pagina 291 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 292 ======================================================================

<pre>aanbevolen hoeveelheden

de voeding van deze energieleverende voedingsstoffen is met name de relatie voeding-
ziekte van belang.

Voor zuigelingen van 0-% jaar wordt de aanbevolen hoeveelheid vet in de voeding
vastgesteld op 50% van de energetische waarde van de voeding. Hierbij is uitgegaan
van het vetgehalte van moedermelk. Er is geen reden om voor de aanbevolen
hoeveelheid linolzuur in de voeding van zuigelingen af te wijken van het aangegeven
adequaat niveau van inneming (zie tabel 4.1). Voor de leeftijdscategorie V2-1 jaar
wordt 35-40 en% vet in de voeding aanbevolen.

Op basis van hetgeen in §4.2.4. is vermeld, kan de aanbevolen hoeveelheid
vet in de voeding vanaf de leeftijd van 1 jaar op 30-35% van de energetische waarde
van de voeding worden gesteld, waarbij in het tweede levensjaar de vetinneming
ca, 35 en% zou moeten bedragen. Hiermee wordt een gelijkmatige overgang bereikt
van de aanbeveling voor het eerste levenshalfjaar naar de aanbeveling op oudere
leeftijd.

Bij een vetinneming, die overeenkomt met bovenvermelde aanbevolen hoeveelhe-
den, wordt in voldoende mate in het adequate niveau van inneming aan essentiële
voorzien. Bij deze vetinneming zou de hoeveelheid verzadigd vet beperkt moeten
blijven tot maximaal 10 en%.

Een aanbevolen hoeveelheid van 30-35 en% vet is ook voldoende om in de
hogere behoefte tijdens zwangerschap en lactatie te kunnen voorzien.

* Koolhydraten.

Als wordt uitgegaan van een aanbevolen hoeveelheid van 30-35 en% vet en
11 en% eiwit in de voeding resteert een aanbevolen hoeveelheid voor koolhydraten
van ca. 55 en%. Met deze hoeveelheid is het adequaat niveau van inneming ruim-
schoots gedekt (zie $5.3.2.).

* Vitamine A.

De commissie is van mening dat er geen aanwijzingen zijn om ten aanzien van
de aanbevolen hoeveelheid vitamine A af te wijken van het adequate niveau van
inneming (zie tabel 6.1). In verband met de toxiciteit van vitamine A bij hoge doseringen
gaat de voorkeur uit naar een voorziening met relatief veel provitamine A carotenoïden.

Voor zuigelingen wordt, gezien de onzekerheid over de mogelijkheid om beta-
caroteen te benutten, aanbevolen tenminste voor 75% via vitamine A in de aanbevolen
hoeveelheid te voorzien.

* Vitamine D.

De aanbevolen hoeveelheid vitamine D voor de verschillende leeftijdscategorieën
kan gelijk worden gesteld aan het adequate gebied van inneming (zie tabel 7.1).
De ondergrens van de aanbevolen hoeveelheid is van toepassing bij voldoende
blootstelling aan zonlicht.

* Vitamine E.

Er zijn geen redenen om ten aanzien van de aanbevolen hoeveelheid voor vitamine
E af te wijken van het aangegeven adequaat niveau van inneming (zie tabel 8.2).

288

</pre>

====================================================================== Einde pagina 292 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 293 ======================================================================

<pre>aanbevolen hoeveelheden

Bij het berekenen van de aanbevolen hoeveelheid is er vanuit gegaan dat de huidige
voeding in Nederland ca. 6 en% meervoudig onverzadigde vetzuren bevat (1). Ten
aanzien van het energetisch niveau van de voeding is uitgegaan van het door de
commissie aangegeven adequaat niveau van inneming (zie tabel 2.9).

* Thiamine.

De aanbevolen hoeveelheid thiamine is gebaseerd op het door de commissie
vastgestelde adequaat niveau van energie-inneming per kg lichaamsgewicht (zie
tabel 2.9) en het referentiegewicht van de verschillende categorieën (zie tabel 1.1).

* Riboflavine.
De aanbevolen hoeveelheid riboflavine kan gelijk worden gesteld aan het adequaat
niveau van inneming (zie tabel 10.2).

* Vitamine B,.

Er zijn geen redenen om voor de aanbevolen hoeveelheid vitamine B, af te
wijken van het vastgestelde adequaat niveau van inneming (zie tabel 11.2). De
aanbevolen hoeveelheden vitamine Be zijn afhankelijk van de eiwitinneming. De in
tabel 23.1 opgenomen hoeveelheden vitamine B, zijn vanaf de leeftijd van 1 jaar
gebaseerd op een voeding met 11 en% eiwit en het door de commissie aangegeven
adequaat niveau van energie-inneming (zie tabel 2.9). Voor zuigelingen, zwangeren
en zogenden is uitgegaan van het adequaat niveau van eiwitinneming (zie tabel 3.2).

* Foliumzuur.
De aanbevolen hoeveelheid kan gelijk worden gesteld met het adequaat gebied
van inneming (zie tabel 12.1).

* Vitamine B.

In verband met de onzekerheden ten aanzien van het juiste niveau van het
adequaat gebied van inneming acht de commissie het wenselijk om voor de aanbevolen
hoeveelheid vitamine B,, uit te gaan van de bovengrens van het adequaat gebied
van inneming (zie tabel 13.2),

* Vitamine C.
Er zijn geen redenen om voor de aanbevolen hoeveelheid vitamine C af te wijken
van het vastgestelde adequaat niveau van inneming (zie tabel 14.1).

* IJzer.
De aanbevolen hoeveelheid ijzer is door de commissie gelijkgesteld aan het
adequaat niveau van inneming (zie tabel 15.6).

* Calcium.
Er zijn geen redenen om voor de aanbevolen hoeveelheid af te wijken van het
vastgestelde adequaat gebied van inneming (zie tabel 16.4).

* Fosfor.

De commissie meent dat er geen aanleiding bestaat om bij het vaststellen van
de aanbevolen hoeveelheid fosfor af te wijken van het in tabel 17.1 aangegeven
adequaat gebied van inneming. |

289

</pre>

====================================================================== Einde pagina 293 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 294 ======================================================================

<pre>23.3.

aanbevolen hoeveelheden

* Seleen.
De aanbevolen hoeveelheid seleen kan gelijkgesteld worden aan het in tabel
18.1 aangegeven adequaat gebied van inneming.

* Koper.
Er is geen aanleiding om voor de aanbevolen hoeveelheid koper at te wijken
van het adequaat gebied van inneming (zie tabel 19.3).

* Zink.

De aanbevolen hoeveelheid zink moet volgens de commissie gelijkgesteld worden
aan de bovengrens van het adequaat gebied van inneming (zie tabel 20.3). Dit in
verband met de onzekerheden met betrekking tot de zinkbehoefte.

* Magnesium.
De aanbevolen hoeveelheid voor magnesium kan gelijkgesteld worden aan
het adequaat gebied van inneming (zie tabel 21.2).

* Water.
Voor de aanbevolen hoeveelheid water wordt verwezen naar 822.3.2.

LITERATUUR

1. Anoniem. Wat eet Nederland. Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 1987-1988. Rijswijk: Ministerie
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, 1988.

290

</pre>

====================================================================== Einde pagina 294 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 295 ======================================================================

<pre>Tabel 23.1. Aanbevolen hoeveelheden.

categorie/ ENERGIE EIWIT VET KOOLHYDRATEN VITAMINE A VITAMINE D VITAMINE E
leeftijd
jr MJ/dag g/dag en% en% mcg RE/dag meg/dag®® Q-TE/day”
zuigelingen
0-% 2,2 1392 50 40 4509 10-157 29
Van 3,5 22 35-405 ca, 50 400 10-157 3,6
jongens A
1-4 5,4 35 400 10-15” 5,7
4-7 7,3 47 500 10-1574 7,8
7-10 8,5 54 700 2,5-5 9,1
10-13 9,5 61 1000 2,5-5 10,1
13-16 11,1 70 1000 2,5-5 11,8
16-19 12,5 81 1000 2,5-5 13,3
meisjes
1-4 52 34 400 10-157 5,5
4-7 6,7 43 500 10-1579 7,1
7-10 7,8 51 700 2,5-5 8,3
10-13 8,9 59 800 2,5-5 9,5
13-16 10,0 65 800 2,5-5 10,6
16-19 10,3 65 800 2,5-5 11,0
(30-35 t ca. 55
mannen
19-22 12,2 79 1000 0-2,5 13,0
22-50 11,1 74 1000 0-2,5 11,8
50-65 10,1 64 1000 0-2,5 10,7
265 8,8 56 1000 2,5-5 9,4
vrouwen
19-22 9,3 50 800 0-2,5 9,9
22-50 8,7 55 800 0-2,5 9,3
50-65 8,2 52 300 0-2,5 8,7
265 7,8 52 800 2,5-5 8,3
zwangeren +0,6 70 1000 +0,6
1e trimester 0-2,5
2e trimester +10
3e trimester +10
lacterenden +2,5 71 J 1250 +10 +2,7

Indien niet gevoed met moedermelk.
Voor kinderen beneden de leeftijd van % jaar geldt het adequate niveau van inneming,

Zie tekst.

Tot de leeftijd van 2 jaar zou de vetinneming ca. 35 en% moeten bedragen.

Op basis van de voorziening met moedermelk.
1 meg = 40 IE, Ondergrens bij voldoende blootstelling aan zonlicht

Voor de leeftijd 0-2 jaar komt deze hoeveelheid overeen met 2-
uit de gebruikelijke voeding worden verkregen. Aanvulling met een vitamine D preparaat is nodig,

Gedurende de zomermaanden 2,5-5 mcg vitamine D/dag.
1 Q-TE = 1,49 IE,

291

3 meg per kg lichaamsgewicht per dag. Deze hoeveelheid kan niet
Voor nadere gegevens zie 87.3.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 295 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 296 ======================================================================

<pre>Tabel 23.1. Aanbevolen hoeveelheden (vervolg).

categorie/ THIAMINE | RIBOFLAVINE | VITAMINE B, | FOLIUMZUUR | VITAMINE B, | VITAMINE C
leeftijd
ir mg/dag mg/dag mg/dag meg/dag meg/dag mg/dag
zuigelingen
0-/a 0,2 0,35 0,25" 40-60 0,5” 35
Val 0,3 0,4 0,25 45-65 0,6 35
jongens
1-4 0,5 0,6 0,7 60-90 0,6 40
4-7 0,7 0,8 0,9 75-100 0,9 45
7-10 0,8 1,0 1,1 100-150 1,1 50
10-13 0,9 1,2 1,2 150-200 1,5 55
13-16 11 1,5 1,4 175-250 2,2 65
16-19 1,2 1,6 1,6 200-275 2,6 70
meisjes
1-4 0,5 0,6 0,7 60-90 0,6 40
4-7 0,6 0,8 0,9 75-100 0,9 45
7-10 0,7 1,0 1,0 100-150 1,1 50
10-13 0,8 1,2 1,2 150-200 1,6 55
13-16 1,0 1,3 1,3 175-250 2,0 65
16-19 1,0 1,3 1,3 200-275 22 65
mannen
19-22 1,2 1,6 1,6 200-300 2,6 70
22-50 11 1,6 1,4 200-300 2,5 70
50-65 1,0 1,6 1,3 200-300 25 70
265 1,0 1,5 1,1 200-300 2,5 70
vrouwen
19-22 1,0 1,3 1,2 200-300 2,2 70
22-50 1,0 1,3 1,1 200-300 2,5 70
50-65 1,0 1,3 1,1 200-300 2,5 70
265 1,0 1,3 1,0 200-300 2,5 70
zwangeren 1,1 1,8 1,7 400-600 90
1e trimester
2e trimester 2,9
3e trimester 29
lacterenden 1,3 2,1 1,7 400-600 35 110
1) indien niet gevoed met moedermelk.
392

</pre>

====================================================================== Einde pagina 296 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 297 ======================================================================

<pre>Tabel 23.1. Aanbevolen hoeveelheden (vervolg).

categorie/ IJZER CALCIUM FOSFOR SELEEN KOPER ZINK MAGNESIUM
leeftijd
ir mg/dag mg/dag mg/dag meg/dag mg/dag mg/dag mg/dag
zuigelingen
0-V2 5" 75-907 35-507 10-20 0,3-0,5 4 35-60
Val 7 400-600 400 10-20 0,3-0,5 4 35-60
jongens
1-4 7 400-600 400-800 10-30 0,3-0,7 4 60-70
4-7 7 400-600 400-800 15-45 0,5-1,0 5 90-100
7-10 8 600-800 600-1200 20-60 0,6-1,4 6 120-140
10-13 10 900-1200 900-1800 30-80 1,0-2,5 7 150-175
13-16 15 900-1200 900-1800 40-110 1,5-3,0 10 220-255
16-19 15 800-1100 800-1600 45-140 1,5-3,5 11 275-325
meisjes
1-4 7 400-600 400-800 10-30 0,3-0,7 4 60-70
4-7 7 400-600 400-800 15-45 0,5-1,0 5 90-100
7-10 8 600-800 600-1200 20-60 0,6-1,4 6 120-140
10-13 11 700-1000 700-1400 30-85 1,0-2,5 7 155-185
13-16 12 700-1000 700-1400 40-110 1,5-3,0 10 210-250
16-19 14 700-900 700-1400 45-140 1,5-3,5 9 225-275
mannen
19-22 11 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 10 300-350
22-50 9 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 10 300-350
50-65 9 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 10 300-350
>65 9 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 10 300-350
vrouwen
19-22 16 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 9 250-300
22-50 15 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 9 250-300
50-65 8 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 9 250-300
265 8 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 9 250-300
zwangeren 800-1000 800-1600 75-150 300-350
1e trimester 11 12
2e trimester 15 15
3e trimester 19 2,0-3,5 15
lacterenden 20 900-1100 900-1800 75-150 2,0-3,5 300-400
1e mnd 20
2-3e mnd 20
na 3e mnd 16

1) _ Indien niet gevoed met moedermelk.
2) Indien niet gevoed met moedermelk. De hoeveelheid is uitgedrukt in mg/kg lichaamsgewicht.

293

</pre>

====================================================================== Einde pagina 297 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 298 ======================================================================

<pre>Overzicht van de adequate niveaus van inneming per dag.

BIJLAGE 1

categorie/ ENERGIE EIWIT VET KOOL- VITAMINE | VITAMINE- | VITAMINE
leeftijd HYDRATEN A D E
jr
kJ/kg g/kg en% g mcg RE mcg Q-TE/
g mov?
zuigelingen A
0-% 420 2,50 ? 450 10-15 0,8
Ya-1 400 1,75 20 400 10-15 0,67
jongens
1-4 385 1,60 20 400 10-15. 0,67
4-7 354 1,45 20 500 10-152 0,67
7-10 300 1,35 20 A ? 700 2,5-5 0,67
10-13 250 1,25 20 1000 2,5-5 0,67
13-16 205 1,10 20 1000 2,5-5 0,67
16-19 185 0,95 20 1000 2,5-5 0,67
meisjes
1-4 370 1,60 20 400 10-15 0,67
4-7 325 1,45 20 500 10-152 0,67
7-10 275 1,35 20 700 2,5-5 0,67
10-13 225 1,20 20 800 2,5-5 0,67
13-16 185 0,95 20 800 2,5-5 0,67
16-19 175 0,90 20 J 800 2,5-5 0,67
mannen
19-22 170 0,90 20 A 1000 0-2,5 0,67
22-50 148 0,85 20 1000 0-2,5 0,67
50-65 135 0,85 20 1000 0-2,5 0,67
265 126 0,85 20 1000 2,5-5 0,67
vrouwen
19-22 155 0,80 20 800 0-2,5 0,67
22-50 134 0,80 20 > 180 800 0-2,5 0,67
50-65 126 0,80 20 800 0-2,5 0,67
>65 120 0,80 20 800 2,5-5 0,67
zwangeren +0,6" 1,00 25 1000 0,67
1e trimester 0-2,5
2e trimester +10
3e trimester +10
lacterenden +2,5" 1,10 30 J 1250 +10 +2,74
* MJ per dag.

3 Gedurende de zomermaanden 2,5-5 mcg vitamine D per dag.

4 mov = meervoudig onverzadigde vetzuren.

4 q-TE/dag.

Voor een nadere toelichting op de getallen wordt verwezen naar de afzonderlijke tabellen.

Voor zuigelingen van 0-Y jaar die worden gevoed met moedermelk gelden de adequate niveaus voor energie, eiwit, vitamine

B-6, vitamine B-12, calcium, fosfor en ijzer die in deze tabel worden vermeld niet. Wat de adequate niveaus voor seleen,
koper en zink betreft, moet worden opgemerkt dat het gehalte van deze voedingsstoffen in moedermelk dermate kan

wisselen dat sommige zuigelingen de adequate niveaus wel zullen halen en andere zuigelingen niet. In Nederland zijn bij

zuigelingen echter nooit verschijnselen van een seleen-, koper- of zinkdeficiëntie beschreven.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 298 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 299 ======================================================================

<pre>Adequate niveaus van inneming per dag (vervolg).

categorie THIAMINE | RIBOFLAVINE | VITAMINE B, | FOLIUMZUUR | VITAMINE B, | VITAMINE C
leeftijd
jr meg/MJ mg mg/g eiwit meg mcg mg
zuigelingen
0-% 70 0,35 0,015 40-60 0,20-0,50 35
Ya-1 95 0,4 0,015 45-65 0,45-0,60 35
jongens
1-4 95 0,6 0,02 60-90 0,33-0,58 40
4-7 95 0,8 0,02 75-100 0,48-0,58 45
7-10 95 1,0 0,02 100-150 0,63-1,13 50
10-13 95 1,2 0,02 150-200 0,83-1,50 55
13-16 95 1,5 0,02 175-250 1,23-2,20 65
16-19 95 1,6 0,02 200-275 1,43-2,63 70
meisjes
1-4 95 0,6 0,02 60-90 0,33-0,58 40
4-7 95 0,8 0,02 75-100 0,48-0,85 45
7-10 95 1,0 0,02 100-150 0,63-1,13 50
10-13 95 1,2 0,02 150-200 0,88-1,58 55
13-16 95 1,3 0,02 175-250 1,05-2,03 65
16-19 95 1,3 0,02 200-275 1,13-2,18 65
mannen
19-22 95 1,6 0,02 200-300 1,33-2,58 70
22-50 95 1,6 0,02" 200-300 1,25-2,50 70
50-65 95 1,6 0,02" 200-300 1,25-2,50 70
>65 120 15 0,02” 200-300 1,25-2,50 70
vrouwen
19-22 95 1,3 0,02 200-300 1,10-2,18 70
22-50 95 1,3 0,022 200-300 1,25-2,50 70
50-65 95 1,3 0,022 200-300 1,25-2,50 70
265 120 1,3 0,022 200-300 1,25-2,50 70
zwangeren 120 1,8 0,02 400-600 90
te trimester
2e trimester 1,65-2,90
3e trimester 1,65-2,90
lacterenden 130 2,1 0,02 400-600 2,25-3,50 110

“Minimaal 1 mg per dag.
“Minimaal 1-1,5 mg per dag.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 299 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 300 ======================================================================

<pre>Adequate niveaus van inneming per dag (vervolg).

categorie/ IJZER CALCIUM FOSFOR SELEEN KOPER ZINK MAGNESIUM
leeftijd
jr mg mg mg mcg mg mg mg
zuigelingen
0-/2 5 75-90" 35-50" 10-20 0,3-0,5 3-44 35-60
Ve-1 7 400-600 400 10-20 0,3-0,5 3-4 35-60
jongens
1-4 7 400-600 400-800 10-30 0,3-0,7 3-4 60-70
4-7 7 400-600 400-800 15-45 0,5-1,0 4-5 90-100
7-10 8 600-800 600-1200 20-60 0,6-1,4 4-6 120-140
10-13 10 900-12007 900-1800 30-80 1,0-2,5 5-7 150-175
13-16 15 900-1200? 900-1800 40-110 1,5-3,0 7-10 220-255
16-19 15 800-1100 800-1600 50-140 1,5-3,5 8-11 275-325
meisjes
1-4 7 400-600 400-800 10-30 0,3-0,7 3-4 60-70
4-7 7 400-600 400-800 15-45 0,5-1,0 4-5 90-100
7-10 8 600-800 600-1200 20-60 0,6-1,4 4-6 120-140
10-13 11 700-1000 700-1400 30-85 1,0-2,5 5-7 155-185
13-16 12 700-1000 700-1400 40-110 1,5-3,0 7-10 210-250
16-19 14 700-900 700-1400 45-140 1,5-3,5 6-9 225-275
mannen
19-22 11 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 7-10 300-350
22-50 9 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 7-10 300-350
50-65 9 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 7-10 300-350
>65 9 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 7-10 300-350
vrouwen
19-22 16 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 6-9 250-300
22.50 15 700-900 700-1400 50-150 1,5-3,5 6-9 250-300
50-65 8 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 6-9 250-300
265 8 800-1000 700-1150 50-150 1,5-3,5 6-9 250-300
zwangeren 800-1000 800-1600 75-150 300-350
1e trimester 1 9-12
2e trimester 15 11-15
3e trimester 19 2,0-3,5 11-15
lacterenden 20 900-1100 900-1800 75-150 2,0-3,5 16-204 300-400

"Indien niet gevoed met moedermelk, De hoeveelheid is uitgedrukt in mg per kg lichaamsgewicht.
“Tijdens de piek van de groeispurt kan de behoefte zijn verhoogd tot 1500 mg calcium per dag.

*Voor zuigelingen die met moedermelk worden gevoed, bedraagt het adequaat gebied van inneming 1,2-2,4 mg zink per dag.

“Na de 3e maand 13-16 mg per dag.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 300 =================================================================

<br><br>