<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Vluchtige organische stoffen uit
bouwmaterialen in verblijfsruimten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Onderwerp             : Aanbieding advies
Uw kenmerk            : DBD 97522401/Z 134938
Ons kenmerk           : U 1257/WR/mj/598-F
Bijlagen              :1
Datum                 : 17 mei 2000
Mijnheer de minister,
Op 22 april 1997 verzocht de toenmalig staatssecretaris voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Gezondheidsraad te adviseren over een
gezondheidskundig maximaal acceptabele concentratie voor vluchtige organische stoffen
in verblijfsruimten. Een door mij ingestelde commissie heeft de beraadslagingen over dit
onderwerp onlangs afgerond. Ik bied u hierbij, gehoord de Beraadsgroep Gezondheid en
Omgeving, het door de commissie opgestelde advies aan.
    De commissie geeft een advieswaarde die, onder voorwaarden, als maximale
concentratie voor VOS in verblijfsruimten kan gelden. Ik wil er op wijzen dat het totale
beeld van de invloed van het binnenmilieu op de gezondheid, waarvan het onderhavige
onderwerp een klein deel uit maakt, onvoldoende in kaart is gebracht. De vluchtige
organische stoffen maken deel uit van het brede scala van vluchtige stoffen waaraan men
in het binnenmilieu zou kunnen worden blootgesteld. Vragen over de invloed van het
binnenmilieu op de gezondheid dienen dan ook bij voorkeur integraal te worden
behandeld. Er moet echter nog het nodige onderzoek worden verricht alvorens een
integrale behandeling mogelijk wordt.
    Deze publicatie heb ik heden ter kennisneming toegezonden aan de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
Hoogachtend,
w.g.
Prof dr JA Knottnerus
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Vluchtige organische stoffen uit
bouwmaterialen in verblijfsruimten
aan:
De Minister en de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Nr 2000/10, Den Haag, 23 mei 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad: Vluchtige organische stoffen uit bouwmaterialen in verblijfsruimten.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/10.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands: Volatile Organic Compounds in indoor environments.
The Hague: Health Council of the Netherlands, 2000; publication no. 2000/10.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 90-5549-320-1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>    Inhoud
    Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 7
    Executive summary 10
1   Inleiding 13
1.1 Binnenmilieu 13
1.2 Adviesaanvraag en commissie 14
1.3 Eerdere adviezen 14
1.4 Benadering van de commissie 15
2   VOS in het binnenmilieu 17
2.1 Welke vluchtige organische stoffen? 17
2.2 VOS in het binnenmilieu 18
2.3 Conclusie 20
3   Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS 21
3.1 Gezondheidskundige advieswaarden 21
3.2 Neurotoxiciteit 23
3.3 Carcinogeniteit 23
3.4 Reproductietoxiciteit 23
3.5 Oog- en huidirritatie en sensibilisatie 24
3.6 Chemo-sensorische waarneming 24
    Inhoud                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>3.7 Speciale wettelijke maatregelen 26
3.8 Conclusies 26
4   Risico-evaluatie 28
4.1 Benadering 28
4.2 Conclusie 30
    Literatuur 32
    Bijlagen 36
A   De adviesaanvraag 37
B   De commissie 39
C   Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen 40
    Inhoud                                                                  6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting, conclusies en
aanbevelingen
In dit advies gaat een commissie van de Gezondheidsraad na welke vluchtige organische
stoffen (VOS) uit bouwmaterialen en andere bronnen terecht kunnen komen in de
binnenlucht. De te bespreken VOS worden ingeperkt door het analytisch venster, de
gestandaardiseerde methode voor de bepaling van VOS in de binnenlucht, die in de
adviesaanvraag wordt voorgesteld. Zeer vluchtige stoffen, waaronder bijvoorbeeld
formaldehyde uit spaanplaat, matig vluchtige stoffen en ook stoffen geassocieerd met
deeltjes vallen buiten dit analytische venster. Gepubliceerde VOS-concentraties vertonen
een grote spreiding en zijn in het algemeen zeer laag. Voor de VOS binnen het
analytische venster is nagegaan of er bij concentraties zoals gemeten in de binnenlucht
sprake kan zijn van effecten op de gezondheid. De biologische effecten van blootstelling
aan genoemde VOS-concentraties lijken beperkt tot chemo-sensorische waarnemingen,
zoals geur en prikkeling van het neusslijmvlies en van de ogen (sensorische prikkeling).
Deze effecten zijn wel gerelateerd aan klachtenpatronen die men onder andere heeft
opgetekend bij vrijwilligers in onderzoek met klimaatkamers en bij bewoners van
gebouwen die bekend staan als ‘sick buildings’. Uit deze onderzoeken mag worden
afgeleid dat aanwezige VOS-concentraties soms als hinderlijk worden aangemerkt. Voor
een gezondheidskundige beoordeling is gekeken naar bekende gezondheidskundige
advieswaarden zoals HBROEL’s (Health Based Recommended Occupational Exposure
Limit) en de daaruit afgeleide MAC-waarden (Maximaal Aanvaarde Concentratie voor
de arbeidsplek). Naar de mening van de commissie kunnen deze advieswaarden niet voor
dit doel worden gebruikt. De blootstellingsduur en de groep uit de samenleving waarvoor
deze advieswaarden zijn opgesteld verschillen te veel van de situatie bij het binnenmilieu.
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De voorspellende waarde van deze advieswaarden voor effecten op de gezondheid is te
klein, ook na toepassen van de gebruikelijke onzekerheidsfactoren. Het gebruik van Air
Quality Guidelines zoals opgesteld door de WHO voor de buitenlucht raadt de
commissie af om praktische redenen. Deze richtlijnen zijn slechts voor een enkele VOS
beschikbaar.
    De commissie komt tot de conclusie dat chemo-sensorische effecten een bruikbare
biologische basis vormen en als kritisch effect kunnen worden gehanteerd bij het afleiden
van een advieswaarde voor VOS in binnenlucht en is van mening dat daarmee
beïnvloeding van de gezondheid van betrokkenen, dus ook de invloed op het welbevinden
ten gevolge van chemo-sensorische waarneming, kan worden voorkomen. De
VOS-concentratie in de binnenlucht die daarbij hoort wordt door de commissie geschat
op 0,2 mg/m3 .
Bij de risicobeoordeling van de emissie uit bouwmateriaal volgt men een aantal stappen.
Allereerst moet de emissie uit bouwmaterialen worden gemeten of geschat. Vervolgens
moet de concentratie VOS in ruimten waarin bewoners of gebruikers van gebouwen
verblijven worden geschat. De methode waarmee dit moet gebeuren vereist nadere
technische uitwerking. De uitkomsten van deze beoordeling zullen voorzichtig moeten
worden gehanteerd, wegens de beperkingen van het gekozen analytische venster, de wijze
van bemonstering in de proefopstelling en de onzekerheden die worden geïntroduceerd
door omrekening van emissiewaarde naar immissieconcentratie, de VOS-concentratie in
de verblijfsruimte. De laatste stap in deze beoordelingsprocedure is de toetsing van de
geschatte VOS-concentratie aan de advieswaarde van 0,2 mg/m3 .
    Deze benadering besteedt geen aandacht aan risico’s tengevolge van bekende
specifieke effecten, zoals kankerverwekkende, reproductietoxische en sensibiliserende
effecten van afzonderlijke VOS. In dit verband wordt verwezen naar de bestaande
wettelijke regels voor het op de markt brengen en werken met deze stoffen. Gezien de
aard van de risico’s dient toepassing van deze stoffen in de bouw te worden vermeden.
Indien ze toch worden gebruikt is een afzonderlijke risicobeoordeling gewenst.
Samenvattend komt de commissie tot de volgende conclusies:
    Het gekozen analytisch venster beperkt de informatie over VOS die uit
    bouwmaterialen kunnen vrijkomen; de commissie beveelt aan dat er ook aandacht
    wordt gegeven aan stoffen die buiten het analytisch venster vallen.
    De maximale verontreiniging van de binnenlucht, de immissie voor zover die valt
    binnen een vergelijkbaar analytisch venster wordt geschat op 0,2 tot 3,0 mg/m3;
    concentratieniveau’s voor VOS in verblijfsruimten boven 0,2 mg/m3 moeten worden
    vermeden. Dit niveau kan niet worden beschouwd als een gezondheidskundige
    advieswaarde zoals de Gezondheidsraad voor afzonderlijke stoffen afleidt, de
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                                 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>   onderliggende gegevens zijn daarvoor te variabel en de interpretatie ervan berust op
   een aantal aannames.
   De gemeten emissieniveaus in een proefopstelling moeten worden vertaald naar een
   representatief immissieniveau in verblijfsruimtes alvorens toetsing aan het genoemde
   concentratieniveau mogelijk is. Dit vraagt om een technische uitwerking door middel
   van een gezondheidkundig relevant voorspellend model. De commissie beveelt aan
   een dergelijk model te laten opstellen.
   Het gebruik van VOS met kankerverwekkende, reproductietoxische of
   sensibiliserende eigenschappen bij de productie van bouwmaterialen moet worden
   vermeden.
   Het hanteren van het toetsingscriterium betekent niet dat gevallen van
   verontreiniging ten gevolge van bouwmaterialen zich niet kunnen voordoen.
   Productiefouten, de introductie van nieuwe materialen of het gebruik van andere
   grondstoffen kunnen een nieuwe bron vormen voor VOS en stoffen, die buiten het
   analytisch venster vallen.
   De immissiegegevens waarover de commissie kon beschikken, zijn voornamelijk
   resultaten van metingen die tien jaar of langer geleden zijn uitgevoerd. De
   modernisering van de bouwpraktijk en veranderingen in de wijze van gebruik van
   gebouwen en bewoning van huizen, die sindsdien hebben plaatsgevonden, vragen om
   een actualisering.
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Executive summary
Health Council of the Netherlands: Volatile organic compounds in indoor
environments. The Hague: Health Council of the Netherlands, 2000;
publication no. 2000/10.
This report, prepared by an ad hoc committee for the Dutch Health Council, determines
the volatile organic compounds (VOC) which may emit from building materials or other
sources into the indoor environment. The VOC considered in this report are limited by
the ‘analytical window’ determined through existing standardized methodology for
sampling and chemical analysis of VOC. Gaseous and very volatile organic compounds,
semi-volatile compounds and compounds associated with particulate matter in air fall
outside this analytical window. VOC concentrations in the literature vary considerably
and generally are very low. The potential effects on human health caused by VOC within
the analytical window are described. The biological effects caused bij the reported VOC
concentrations seem to be limited to chemo-sensory reactions, such as odour and sensory
irritation of the nose and eyes and have a relationship with the patterns of complaints
recorded from volunteers in climate chamber studies and from residents living or
working in buildings indicated as ‘sick buildings’. Overall these data show that at these
VOC concentrations the effects may sometimes be considered as nuisance. In order to
make an assessment of potential health effects existing limit values like the HBROEL
(Health Based Recommended Occupational Exposure Limit) and the derived OEL
(Occupational Exposure Limit) were considered. The committee is of the opinion that
these limit values cannot be used for this purpose. The duration of exposure and the kind
of population defined to determine these recommended limit values differ too much from
the situation for indoor air. The predicting value for the low VOC concentrations as
measured in indoor air is far too low, also after the introduction of the usual safety
factors. The committee also considers the use of the Air Quality Guidelines for outdoor
Executive summary                                                                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>air, as developed for the World Health Organisation, less useful as such guidelines have
been developed for only a few organic compounds.
     The committee concluded that chemo-sensoric reactions may be considered a useful
biological basis in determining a limit value for VOC in indoor air and is of the opinion
that in this way any influence on the health of those concerned will be prevented,
including effects on well-being following chemo-sensoric reactions. This was considered
to be in line with the generally accepted understanding within the building industry that
indoor air quality should not raise any complaint. The relevant VOC concentration in
indoor air was estimated to be 0.2 mg/m3 .
The health risk assessment procedure for substances emitting from building materials
follows a number of steps. Firstly the emission from the building material must be
determined and secondly the resulting VOC concentrations in indoor air should be
estimated. The methodology for this last step is available, but has not yet been fully
developed. Any result must be interpreted with care due to the limitations introduced by
the ‘analytical window’ , the way of sampling in the test chamber and the uncertainties
being introduced when calculating the VOC immissions in indoor air from the measured
VOC emissions. In the final step of this procedure the estimated VOC concentration
must be compared with the recommended value of 0.2 mg/m3 .
     This approach does not take into account the health risks that can be attributed to
individual VOC. Any risk resulting from the use of carcinogenic, reprotoxic or
sensitising substances in the production of building materials should be avoided. In cases
where the use of such substances is still considered a separate risk assessment is
required.
In summary the committee concluded:
     The existing analytical window provides a limitation to the information on VOC
     emitting from building materials; attention should also be given to substances
     outside this window.
     The maximal permissible pollution by VOC of indoor air, e.g. the immission
     measured within a comparable analytical window, is estimated to be between 0.2
     and 3.0 mg/m3; VOC concentrations above 0.2 mg/m3 may better be avoided.
     Measured levels of emissions from materials placed in test chambers need
     translation into a representative level for the immission in indoor environments prior
     to comparison with the given limit value. The procedure for this translation has not
     yet been developed technologically. The committee advises to develop such a model.
     The application in the production of building materials of individual VOC with
     carcinogenic, reprotoxic or sensitising properties should be avoided.
Executive summary                                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   The preventive application of the given limit value as a health criterion does not
   exclude the possibility of indoor air pollution from building materials. Failures at
   production, the introduction of new materials and the transfer to other raw materials
   during production could all form a new source for VOC as well as for substances
   outside the ‘analytical window’.
   The available immission data have mainly been produced ten or more years ago. An
   update may be required in view of recent developments in the buidlding industry and
   in the ways buildings and houses are being used.
Executive summary                                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Binnenmilieu
          Dit advies gaat over de verontreiniging van de lucht binnenshuis door vluchtige
          organische stoffen (VOS) afkomstig uit bouwmaterialen, een van de determinanten van
          de kwaliteit van het totale binnenmilieu. Bouwmaterialen zijn alle grondstoffen en
          producten die te pas komen bij de bouw en in het bouwwerk een plaats vinden. Het
          begrip vluchtige organische stoffen (VOS) is in de adviesaanvraag beperkt tot stoffen,
          afkomstig uit bouwmaterialen, die met een gegeven gestandaardiseerde
          analytisch-chemische methode kunnen worden bepaald. Waar mogelijk worden in dit
          advies ook andere VOS in beschouwing genomen.
               Mensen brengen hun tijd gemiddeld voor 85% in gebouwen door, te weten thuis, op
          hun werk en elders in openbare gebouwen (Fre87). Verontreiniging van het binnenmilieu
          kan, gerekend naar blootstellingsduur, belangrijk zijn voor de blootstelling aan
          chemische of fysische agentia. Deze kwaliteit wordt bepaald door uiteenlopende factoren
          gerelateerd aan het bouwwerk (ventilatie, isolatie, gebruikte materialen, soort
          verwarming, vloerbedekking), aan het gedrag van bewoners of gebruikers (roken,
          gebruik van chemicaliën, houden van huisdieren en planten), aan de onvermijdelijke
          (micro)flora en -fauna in het gebouw (huisstofmijten, schimmels, bacteriën e.d.) of aan
          chemische interacties tussen de verschillende stoffen. Ontwerpers van bouwwerken
          streven, om gebruikers tevreden te kunnen stellen, naar een plezierig en comfortabel
          binnenmilieu. Dit betekent dat mogelijke verontreiniging van de binnenlucht één van de
          aspecten is waarmee zij rekening moeten houden. Onder andere het Rijksinstituut voor
          Inleiding                                                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Volksgezondheid en Milieu heeft erop gewezen dat allerhande ontwikkelingen in de bouw
    en de verwarmingstechniek, bij de vochtbestrijding binnenshuis, het anti-rookbeleid en
    maatregelen tegen emissies van vluchtige organische stoffen uit bouwmaterialen kunnen
    bijdragen aan verbetering van de kwaliteit van het binnenmilieu. Andere ontwikkelingen,
    zoals verbetering van de warmte-isolatie en beperking van de ventilatie zullen echter
    kunnen leiden tot verslechtering (RIVM97).
1.2 Adviesaanvraag en commissie
    De adviesaanvraag van de Staatssecretaris voor Volkshuisvesting (zie bijlage A),
    opgesteld als onderdeel van het Plan van aanpak Duurzaam Bouwen, is gericht op het
    stellen van prestatie-eisen voor bouwmaterialen (TwK98) en heeft betrekking op de
    mogelijke bijdrage van stoffen die vrijkomen uit bouwmaterialen aan de chemische
    verontreiniging van de binnenlucht. De staatssecretaris vraagt om uit te gaan van een
    reeds gevalideerde bemonstering en analysemethode voor de bepaling van VOS uit
    bouwmaterialen (Tau97). Deze methode maakt gebruik van een geconditioneerde
    klimaatkamer waarin het te onderzoeken bouwmateriaal wordt geplaatst (Wal94). De
    concentratie van de aan de lucht in de klimaatkamer afgegeven VOS wordt bepaald met
    een gestandaardiseerde methode (NVN2947 en NVN2948). De zo gemeten
    VOS-concentratie wordt beschouwd als karakteristiek voor het betreffende
    bouwmateriaal en kan worden gebruikt om de relatieve VOS-bijdrage aan het
    binnenmilieu te schatten. De staatssecretaris vraagt in dit verband om advies over een
    gezondheidskundige grenswaarde voor de toetsing van deze bijdrage.
    De Voorzitter van de Gezondheidsraad heeft de beantwoording van de adviesaanvraag
    opgedragen aan een door hem geformeerde commissie, hierna te noemden ‘de
    commissie’. De samenstelling van de commissie is vermeld in bijlage B.
1.3 Eerdere adviezen
    Het handhaven van de kwaliteit van het binnenmilieu is gecompliceerd, omdat, zoals in
    1.1 is opgemerkt, die kwaliteit van uiteenlopende factoren afhankelijk is. Voor het
    formuleren van een visie op binnenluchtverontreiniging, die als leidraad zou kunnen
    dienen bij het beoordelen van de gezondheidsrisico’s, is een multidisciplinaire aanpak
    vereist. Een aanzet daartoe is te vinden in het Gezondheidsraadadvies Binnenhuisklimaat
    uit 1984 (GR84). Daarin komt een commissie van de Raad — na analyse van de
    factoren die de kwaliteit van het binnenmilieu bepalen — tot de conclusie dat er behoefte
    is aan “een bruikbare filosofie over de luchtkwaliteit in woningen” die aan alle mogelijke
    bronnen van verontreiniging aandacht geeft. Deze filosofie dient rekening te houden met
    Inleiding                                                                                  14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    de autonomie van bewoners en gebruikers. Zij spelen immers een belangrijke rol,
    speciaal wanneer het gaat om het handhaven van voldoende ventilatie als onderdeel van
    een aanvaardbaar leefmilieu. De belangrijkste elementen van deze aanzet uit 1984 zijn:
         De minimumcapaciteit voor de ventilatievoorziening dient 25 m3/uur per persoon te
         bedragen. Deze waarde is gebaseerd op de onvermijdelijke productie door de mens
         van koolzuurgas en lichaamsgeuren.
         Alle andere componenten in de binnenlucht worden beschouwd als afkomstig van
         vermijdbare bronnen en moeten daarom worden beheerst door een preventief beleid.
         Producten die als bron voor dergelijke verontreinigingen kunnen optreden moeten,
         voor ze op de markt komen, worden onderzocht op eventuele gezondheidsrisico’s,
         uitgaande van een minimale ventilatie van 5 m3/uur per persoon.
         Bij de regulering van deze bronnen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
         bestaande wetgeving terwijl, waar nodig, speciaal voor bouwmaterialen wordt
         gezorgd voor een uitbreiding van het wettelijk kader.
    De hier bedoelde zienswijze lijkt nog steeds van toepassing. De zeer algemene
    formulering vereist nadere uitwerking in de vorm van een geschikt beoordelingskader
    voor binnenluchtverontreiniging. De praktijk laat zien dat toepassing ervan lastig is.
    Bijvoorbeeld werden de maatregelen op het terrein van de energiebesparing, zoals
    verbeterde warmte-isolatie en terugdringen van tocht, niet aan deze visie getoetst. Was
    dat wel gebeurd, dan had men de gezondheidsproblemen ten gevolge van vocht in
    woningen kunnen voorkomen.
1.4 Benadering van de commissie
    De kwaliteit van het binnenmilieu heeft de laatste decennia internationaal veel aandacht
    gekregen. Dit heeft geleid tot een aantal belangrijke, en in het voorliggende advies
    benutte, rapporten. Genoemd kunnen worden de rapportages over twee
    WHO-bijeenkomsten over verontreiniging van het binnenmilieu (WHO89, WHO97) en
    het Europese gezamenlijke actieplan Indoor Air Quality & its Impact on Man (ECA91,
    ECA97A, ECA97B). Ook de Environmental Protection Agency in de VS heeft veel
    aandacht besteed aan het binnenmilieu (EPA91). De situatie in de VS op dit terrein is
    echter maar ten dele vergelijkbaar met die in Nederland.
         De Gezondheidsraad is verzocht te adviseren over de uit een oogpunt van gezondheid
    maximale concentratie VOS afkomstig uit bouwmaterialen in woon- en verblijfsruimten.
    De beoordeling van de kans op schade aan de gezondheid door blootstelling aan een stof
    omvat een schatting van de blootstelling en een beoordeling van de schade aan de
    gezondheid van de mens (populatie) als gevolg van die blootstelling. De kwaliteit van de
    gegevens over de dosiseffectrelatie bepaalt de mate van onderbouwing van een
    Inleiding                                                                                15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>gezondheidskundige advieswaarde en de grootte van onzekerheidsfactoren die dienen om
voor de onzekerheden in de beschikbare kennis te compenseren. Bij nadere beschouwing
gaat het hier om prestatie-eisen voor bouwmaterialen, die zullen worden opgenomen in
het Bouwbesluit. Op basis van de emissie uit een bouwmateriaal en de daaruit berekende
VOS-bijdrage aan de binnenlucht kan een indruk van de bijbehorende kans op schade
aan de gezondheid worden geschat, als:
     Alle voor de gezondheid belangrijke VOS uit het bouwmateriaal worden gemeten.
     Emissiegegevens van een bouwmateriaal verkregen na analyse van een
     gestandaardiseerde bemonstering gedurende vier uur in een proefopstelling
     representatief zijn voor de emissies uit dat bouwmateriaal gedurende zijn
     gebruiksduur in willekeurige verblijfsruimten in Nederland of Europa.
     De in verblijfsruimten heersende VOS-concentraties bij afwezigheid van het
     bouwmateriaal bekend zijn.
     De gemeten VOS alle hetzelfde kritische (eerst optredende) effect op de gezondheid
     hebben, opdat ten behoeve van het hanteren van één grenswaarde om het risico van
     een VOS-mengsel te kunnen vaststellen expositie-additie mogelijk is (zie 3.1).
Inleiding                                                                               16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          VOS in het binnenmilieu
2.1       Welke vluchtige organische stoffen?
          Hoewel tal van vluchtige organische stoffen als luchtverontreiniging in de binnenlucht
          worden aangetroffen, blijft dit advies beperkt, tengevolge van de keuze van de methode
          voor de bemonstering en chemische analyse. Aard en opzet van een analytisch-chemische
          methode beperken onvermijdelijk het aantal stoffen tot diegene die binnen het zogeheten
          ‘analytische venster’ kunnen worden waargenomen. In het algemeen wordt voor het
          bepalen van VOS in de lucht een luchtmonster geleid over actieve kool of een ander
          adsorbens. De geadsorbeerde fractie wordt in het laboratorium met een oplosmiddel
          geëxtraheerd en ingedampt en door middel van een gaschromatograaf gescheiden in de
          verschillende componenten. De lipofiele, hydrofieIe en polaire eigenschappen van de
          stof, het molecuulgewicht en het kookpunt van de stof, alsmede de karakteristieken van
          de apparatuur bepalen het moment waarop de stof de gaschromatograaf verlaat en wordt
          gedetecteerd. In een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO89) worden de
          VOS al naar gelang de gebruikte bemonstering en analyse methode in vier categorieën
          verdeeld:
          1 Zeer vluchtige organische stoffen met een kookpunt beneden 50 à 110 oC
          2 Vluchtige organische stoffen (VOS) met een kookpunt van 50 à 110 oC tot 240 à
               260 oC.
          3 Matig vluchtige organische stoffen met een kookpunt van 240 à 260 oC tot 380 à
               400 oC.
          VOS in het binnenmilieu                                                                 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    4   Organische stoffen gebonden aan vaste of vloeibare deeltjes in de atmosfeer of die
        zelf als vaste of vloeibare deeltjes in de lucht voorkomen.
    De bemonstering- en analysemethode waarnaar in de adviesaanvraag wordt verwezen,
    komt overeen met die voor categorie 2.
        Een werkgroep van deskundigen voor het Europese programma voor de
    binnenluchtkwaliteit heeft een vergelijkbaar voorstel gepubliceerd voor de definitie van
    VOS (ECA97B) en opgemerkt dat de verschillende methoden waarmee het VOS-gehalte
    in verblijfsruimten kan worden bepaald niet in detail met elkaar zijn vergeleken. Ook
    heeft de werkgroep gesignaleerd dat er graduele verschillen bestaan in de definities voor
    VOS in de literatuur, waardoor de uitkomsten tussen onderzoeken aanzienlijk kunnen
    verschillen. Een analytisch-chemische methode speciaal voor de categorie vluchtige
    organische stoffen (VOS) wordt in dit rapport gestandaardiseerd en gekoppeld aan de
    definitie van het begrip totaal-VOS (total volatile organic compounds of TVOC). De
    betreffende werkgroep stelt voor de analysemethode toe te passen wanneer het gaat om
    de screening van de emissie van VOS uit bouwmaterialen, om de evaluatie van de
    werking van ventilatie systemen en om de identificatie van processen waarbij relatief
    hoge emissies van totaal-VOS plaatsvinden. De definitie voor totaal-VOS wordt bepaald
    door het gekozen analytisch venster, en strekt zich niet uit tot VOS die daarbuiten vallen.
    Het begrip totaal-VOS dekt dus niet alle VOS uit bouwmaterialen. Zeer vluchtige
    organische stoffen, matig vluchtige stoffen met een kookpunt boven 260 oC, sterk in
    water oplosbare en polaire stoffen vallen buiten dat analytisch venster. Dit geldt ook
    voor organische stoffen geassocieerd met vaste of vloeibare deeltjes. De analyses geven
    een indruk van de ordegrootte van de VOS-gehaltes, maar geven geen informatie over
    andere organische stoffen in het binnenmilieu.
2.2 VOS in het binnenmilieu
    Het onderzoek naar de aanwezigheid van uiteenlopende VOS in het binnenmilieu is,
    evenals de evaluatie van de mogelijke risico’s, in het begin van de jaren tachtig meer of
    minder systematisch aangepakt. Kleine en grotere meetseries zijn afkomstig uit Italië
    (DeB86; metingen in 15 huizen gedurende 4-7 dagen), Duitsland (Kra87; metingen in
    500 huizen, 14 dagen), Nederland (Leb86; metingen in 300 huizen, 7 dagen) en de
    Verenigde Staten (Wal87; metingen in 355 huizen, 2-12 uur). Deze onderzoeken werden
    uitgevoerd met verschillende methoden voor de bemonstering en chemische analyse. De
    uitkomsten zijn dus niet zonder meer vergelijkbaar. Een werkgroep voor de
    Wereldgezondheidsorganisatie heeft een overzicht opgesteld (WHO89).
        In totaal zijn bij de diverse onderzoeken tot 1986 307 verschillende stoffen
    aangetoond (Ber86). Vele daarvan komen in de binnenlucht tengevolge van menselijke
    VOS in het binnenmilieu                                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>activiteit zoals roken of zijn van microbiële oorsprong. Stoffen die relevant kunnen zijn
voor emissie uit bouwmaterialen zijn vermeld in bijlage C bij dit advies. Deze lijst is niet
uitputtend. In de tabel zijn de waargenomen 90-percentielwaarden gegeven, evenals
geurlimieten, voor zover beschikbaar. Ook de mogelijke oorsprong is aangegeven. Het
merendeel van de stoffen kan afkomstig zijn van oplosmiddelen die worden gebruikt in
verf en andere middelen voor oppervlaktebehandeling of als grondstof voor de productie
van bouwmaterialen en schoonmaakmiddelen. Zekerheid daarover bestaat echter niet. In
hoeverre dergelijke stoffen via bouwmaterialen in verblijfsruimten terechtkomen, is
slechts ten dele bekend. Andere stoffen uit dezelfde chemische klassen zullen
vermoedelijk ook kunnen worden aangetroffen, afhankelijk van de samenstelling van de
grondstoffen die bij de productie van bouwmaterialen zijn toegepast.
    Bij vrijwel alle analyses van verontreiniging van de binnenlucht gaat het om
VOS-mengsels. Slechts bij uitzondering is één stof dominant aanwezig. De concentraties
totaal-VOS kunnen sterk variëren. Krause en medewerkers rapporteerden een
gemiddelde van 312 µg/m 3 met een 90-percentiel van 665 µg/m 3 (Kra87). De grote
variatie — van <100 µg/m 3 tot >1000 µg/m 3 — blijkt ook uit de verhouding tussen de
maximale en gemiddelde concentraties, die oploopt tot 170 voor sommige alicyclische
koolwaterstoffen (Leb86). Als gevolg hiervan bestaat er geen goed inzicht in de
achtergrondniveaus in de huidige situatie en kan de kwantitatieve bijdrage van de
verschillende VOS-bronnen aan de heersende concentraties niet worden berekend of
geschat. De betreffende gegevens zijn voor het merendeel inmiddels circa 15 jaar oud.
In een recent literatuuroverzicht van 68 verschillende onderzoeken naar de aanwezigheid
van VOS in het binnenmilieu concluderen Brown en medewerkers (Bro94) dat de
gemiddelde concentratie van de afzonderlijke VOS in de regel niet hoger is dan 50 µg/m 3
en meestal lager dan 5 µg/m 3. VOS-concentraties in nieuwe gebouwen zijn tot één orde
van grootte hoger dan in bestaande gebouwen. Ook zijn VOS-concentraties in
woonhuizen meestal hoger dan in openbare gebouwen (WHO97).
    In de VS werd het TEAM-onderzoek (Total Exposure Assessment Measurement)
door de Environmental Protection Agency uitgevoerd. Bij ongeveer 800 personen werd
de blootstelling in het binnenmilieu aan VOS en bestrijdingsmiddelen geanalyseerd na
bemonstering op het lichaam (personal monitoring). Waarden van respectievelijk 700 en
1000 µg/m 3 werden gerapporteerd voor respectievelijk de gemiddelde expositie aan VOS
en de 90-percentielwaarden (Wal87). Uit bouwmaterialen komen voornamelijk de
volgende VOS: alifatische en aromatische koolwaterstoffen (met een koolstofketen van
C7-C12), gehalogeneerde koolwaterstoffen, aldehyden, ketonen (aceton en butanon),
ethers en esters (urethaan en ethylacetaat). Vluchtiger alifatische en gehalogeneerde
koolwaterstoffen (met koolstofketens korter dan C7), alcoholen, ketonen
(methylethylketon en methylisobutylketon), esters (ethylacetaat) en ethers (dimethylether,
VOS in het binnenmilieu                                                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    diethylether en dibutylether) zijn vooral afkomstig van verf en andere producten voor de
    behandeling van oppervlakken. Soortgelijke stoffen, evenals bepaalde amines, kunnen
    afkomstig zijn van industriële lijmen. Gegevens als deze kunnen echter niet direct worden
    gerelateerd aan de situatie in Nederland. In de Verenigde Staten wordt bij de bouw veel
    gewerkt met verlijmd hout en met kunststoffen, in Europa vooral met beton, baksteen en
    stucwerk. De situatie in de bouw kan van land tot land verschillen. Men moet dus
    voorzichtig zijn met het vergelijken van gegevens over binnenluchtverontreiniging uit
    verschillende landen.
2.3 Conclusie
    VOS staat voor een onduidelijk gedefinieerde groep van organische verbindingen die
    voornamelijk in gedrag bij de bemonstering en chemische analyse met elkaar
    overeenkomen. Door de keuze van het analytisch venster wordt het aantal opgespoorde
    en te beoordelen VOS beperkt. De stoffen binnen het venster zijn naar de mening van de
    commissie niet representatief voor die buiten het venster. De verschillen in fysische en
    chemische eigenschappen zullen evenzo leiden tot verschillen in de effecten op
    biologische organismen.
         De VOS-verontreiniging in de binnenlucht kan worden toegeschreven aan
    uiteenlopende bronnen. De concentraties en samenstelling van de VOS-mengsels in de
    binnenlucht verschillen van meting tot meting. Dit geldt ook voor het deel dat afkomstig
    is uit bouwmaterialen. De relatieve bijdrage uit de verschillende bronnen, dus ook die uit
    bouwmaterialen, kan daardoor niet worden bepaald. De vraag kan worden gesteld of een
    en ander nog representatief is voor de situatie in Nederland en Europa, wanneer de
    gegevens voornamelijk dateren van voor 1987. De ontwikkelingen die sindsdien hebben
    plaatsgevonden, inclusief die op het terrein van de productie van bouwmaterialen,
    kunnen het bestaande inzicht wellicht wijzigen.
    VOS in het binnenmilieu                                                                    20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          Gezondheidsrisico’s van
          blootstelling aan VOS
3.1       Gezondheidskundige advieswaarden
          Een beschrijving van alle gezondheidsrisico’s van VOS is in het kader van dit advies
          ondoenlijk, omdat dan alle afzonderlijke VOS aan de orde zouden moeten komen. De
          toxiciteit van afzonderlijke stoffen wordt in het algemeen bepaald in
          proefdierexperimenten of epidemiologisch onderzoek bij mensen. Op grond van de
          uitkomsten van dergelijke onderzoek worden no observed adverse effect levels
          (NOAEL) vastgesteld. Op basis van deze NOAEL’s worden vervolgens
          gezondheidkundige advieswaarden afgeleid. De meeste van deze advieswaarden zijn
          beschikbaar voor de werkomgeving. Men spreekt dan van health based recommended
          occupational exposure limits (HBROEL) voor arbeidsomstandigheden. Ook zijn
          toxicologische evaluaties voor buitenluchtverontreiniging uitgevoerd; de Air Quality
          Guidelines opgesteld door de WHO bijvoorbeeld (WHO87). Het gaat hier echter slechts
          om een klein aantal stoffen, waardoor de praktische betekenis voor dit advies beperkt is.
              Op basis van HBROEL’s worden in Nederland vervolgens de wettelijke Maximaal
          Aanvaarde Concentraties voor de arbeidsplek (MAC-waarden) vastgesteld. Dit gebeurt
          na een sociaal-economische beoordeling van de haalbaarheid van de introductie van de
          HBROEL. Dergelijke advieswaarden zijn voor vele afzonderlijke VOS beschikbaar,
          vooral voor stoffen die in grote hoeveelheden industrieel worden toegepast. De
          commissie verwijst naar de betreffende evaluatierapporten, van de commissie WGD van
          de Gezondheidsraad. In de tabel van bijlage C zijn de beschikbare MAC-waarden
          opgenomen. MAC-waarden zijn niet zonder meer bruikbaar voor situaties in de
          Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>woonomgeving. HBROEL’s en MAC-waarden zijn vastgesteld voor volwassen, gezonde
werkende personen die 8 uur per dag en vijf dagen per week gedurende een arbeidsleven
zijn blootgesteld. Er wordt geen rekening gehouden met andere blootstellingspatronen,
zoals die in de woonomgeving waar men tot 85% van zijn tijd kan doorbrengen.
Daarnaast wordt ook geen rekening gehouden met specifieke risicogroepen zoals
kinderen, ouderen en zieken.
Diverse onderzoekers hebben, uitgaande van MAC-waarden, de risico’s voor de
algemene bevolking van de blootstelling aan VOS geschat door gebruik te maken van
onzekerheidsfactoren om de bovengenoemde verschillen in blootstelling en het bestaan
van specifieke risicogroepen in de bevolking te verdisconteren (Nie95, Sch85, Tar94).
Nielsen en medewerkers gingen na of de risico’s van binnenluchtverontreiniging uit
HBROEL’s en MAC-waarden kunnen worden afgeleid door extra onzekerheidsfactoren
toe te passen. Ze komen tot de conclusie dat de gevoeligheid voor bepaalde stoffen in de
lucht bij risicogroepen, zoals zeer jonge kinderen, bejaarden of zieken, toch niet sterk
afwijkt van het gemiddelde. Ze stellen daarom een extra onzekerheidsfactor van 10 voor
naast een factor 4 die dient om rekening te houden met de continue blootstelling aan de
binnenlucht in vergelijking met de beperkte blootstellingsduur tijdens het werk van 8 uur
per dag, vijf dagen per week gedurende veertig jaar. De binnenluchtgrens voor een
afzonderlijke stof is dan 1/40 van de MAC-waarde. Deze benadering is bedoeld voor
afzonderlijke stoffen en heeft volgens de genoemde onderzoekers vooral praktische
voordelen: het aantal aannamen bij de extrapolatie is beperkt en een biologische basis is
reeds beschikbaar. Zij richt zich op het houden van voldoende afstand tussen de
concentratie in de binnenlucht en de NOAEL als grens waarbij toxische effecten kunnen
gaan optreden. Een globale vergelijking van de niveaus voor afzonderlijke VOS in de
binnenlucht, zoals beschreven in de internationale literatuur, met NOAEL, HBROEL en
MAC-waarden laat zien dat overschrijding van deze gezondheidskundige advieswaarden
in de regel niet optreedt. In de meeste gevallen zijn de blootstellingsniveaus enkele ordes
van grootte lager dan de advieswaarden.
     VOS-mengsels in binnenlucht bestaan uit vele componenten. De toxiciteit van
dergelijke mengsels wordt niet proefondervindelijk bepaald maar meestal geschat aan de
hand van de samenstelling en door aan te nemen dat de bijdrage van de verschillende
afzonderlijke componenten in het mengsel bij elkaar opgeteld kunnen worden. De
samenstelling van het mengsel moet dan wel bekend zijn. Indien meer dan één effect als
kritisch effect moet worden beschouwd, zoals bij organische oplosmiddelen de prikkeling
van het neusslijmvlies en de beïnvloeding van de werking van het centraal zenuwstelsel,
is een berekening per kritisch effect noodzakelijk (Sch85, Slo96, Ver88). De American
Conference of Government Industrial Hygienists (ACG96, Tar94) en andere
organisaties, bijvoorbeeld de Arbeidsinspectie in haar publicatie over de MAC-waarden
Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                               22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    (MAC97) op het terrein van de arbeidshygiëne, bevelen een berekeningsmethode aan die
    op bedoeld additiviteitsprincipe is gebaseerd. Voor oplosmiddelen is deze benadering
    nader uitgewerkt (ECE97). Toepassing van deze rekenregels op bestaande
    immissiegegevens voor VOS in de binnenlucht laat zien dat de voor het mengsel
    berekende advieswaarde in de regel niet zal worden overschreden.
3.2 Neurotoxiciteit
    Veel VOS in dampvorm, afzonderlijk dan wel als mengsel, bijvoorbeeld afkomstig van
    organische oplosmiddelen, beïnvloeden bij hoge concentratie de werking van het centrale
    zenuwstelsel (CZS). In onderzoek met proefdieren is gebleken dat de invloed op het CZS
    al bij betrekkelijk lage concentraties begint. Recent is bij proefdieren (rat) onderzoek
    gedaan naar de invloed van VOS op het gedrag. Daarbij is tevens gezocht naar
    veranderingen in het zenuwweefsel (zie ECE96). In het algemeen worden geen
    neurotoxicologische veranderingen waargenomen na chronische blootstelling aan relatief
    lage concentraties. Uit dit onderzoek blijkt dat de NOAEL’s voor neurotoxiciteit
    minimaal een factor duizend hoger liggen dan de concentraties die in binnenlucht worden
    gemeten.
3.3 Carcinogeniteit
    Voor sommige VOS, bijvoorbeeld benzeen en vinylchloride, is bewezen dat ze
    kankerverwekkend zijn bij de mens (ingedeeld in categorie 1 volgens de
    EU-stoffenrichtlijn, EU67, of in Groep 1, volgens IARC - International Agency for the
    Research on Cancer, IARC87). Tetrachloorethyleen en trichloorethyleen worden beide
    als verdacht kankerverwekkend ingedeeld (categorie 3 volgens de EU, EU67, of groep
    2A volgens IARC, IARC95). Echter niet alle VOS zijn op deze eigenschap onderzocht.
    Wel vindt voortdurend nieuw onderzoek plaats naar de carcinogeniteit van chemische
    stoffen, waaronder VOS. Het is zeker mogelijk dat meer VOS in de toekomst
    kankerverwekkend zullen blijken te zijn.
3.4 Reproductietoxiciteit
    Reproductietoxiciteit betreft de toxicologische gevolgen voor het nageslacht van
    blootstelling tijdens de bevruchting, de zwangerschap, de geboorte en de vroege
    ontwikkeling van de baby. Van sommige VOS is in onderzoek met proefdieren
    aangetoond dat ze reproductietoxisch zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de
    laagmoleculaire glycolethers en glycoletheracetaten (Categorie 2, volgens de
    EU-stoffenrichtlijn, EU67).
    Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>3.5 Oog- en huidirritatie en sensibilisatie
    Veel VOS zijn licht tot matig irriterend voor ogen en huid in standaard-toxicologische
    testsystemen. Hierbij wordt de stof in direct contact gebracht met huid of ogen en
    gekeken naar de reacties, zoals opzwelling, rode verkleuring, blaarvorming (van de huid)
    en opalescentie (van het oogvlies). Dit soort lokale schade is een veel sterker effect dan
    de prikkeling van de neus en de ogen, de sensorische irritatie, die in 3.6 wordt besproken.
    De blootstellingsconcentraties of de hoeveelheden waarbij ernstige lokale schade
    optreedt, zijn enkele ordes van grootte hoger dan de concentraties die in de binnenlucht
    zijn aangetroffen.
         Onder sensibilisatie wordt verstaan de inductie van een verhoogde gevoeligheid voor
    bepaalde chemische producten. Formaldehyde en aceetaldehyde verdienen aandacht
    vanwege hun sensibiliserende werking. Overigens hebben beide een laag kookpunt en
    vallen ze buiten het analytisch venster voor VOS beschreven in hoofdstuk 2. Andere
    stoffen, bijvoorbeeld sommige grondstoffen voor harsen en lijmen, zijn ook
    sensibiliserend voor de huid. Een directe relatie tussen specifieke gezondheidsklachten
    (irritatie en sensibilisatie) en de blootstelling aan een toxische stof uit bouwmateriaal is
    aangetoond voor formaldehyde uit spaanplaat. Er zijn op grond van die bevindingen
    wettelijke maatregelen getroffen om de blootstelling aan formaldehyde te beperken.
3.6 Chemo-sensorische waarneming
    Behalve naar de rapporten over de beoordeling van de toxiciteit van VOS heeft de
    commissie gekeken naar onderzoek naar de effecten van verontreinigingen in het
    binnenmilieu. Veelal gaat het bij dergelijk onderzoek om effecten van complexe
    mengsels, waaronder VOS-mengsels. In de Engelstalige literatuur wordt bij VOS en
    andere verontreiniging in het binnenmilieu gesproken van het sick building syndrome
    (SBS) (Wel91). De klachten geassocieerd met SBS gaan meestal snel over als men het
    gebouw verlaat en hebben vooral betrekking op (Nie95, Rot93):
         irritatie van de slijmvliezen van oog, neus en keel
         verstoring van de stabiliteit van de traanvochtfilm op de oogbol
         hoesten, kortademigheid, druk op de borst
         hoofdpijn, vermoeidheid, misselijkheid en duizeligheid
         droge huid en irritatie van de huid
         overgevoeligheid voor bepaalde geuren.
    Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                                24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Van SBS wordt wel gesproken wanneer geen directe relatie kan worden gelegd met de
aanwezigheid van een specifieke verontreinigende stof terwijl meer dan 20% van de
bewoners of gebruikers van een gebouw klaagt (NRC87).
     Het blijkt dat reacties op de blootstelling aan lage concentraties VOS in de lucht
veelal bepaald worden door geur en prikkeling van neus en ogen. Deze
chemo-sensorische waarneming bepaalt mede de appreciatie of depreciatie van de
atmosfeer. Dit fenomeen werd onderzocht bij vrijwilligers in klimaatkamers (Dal97,
Kna90, Lee92, OMa78). De appreciatie van de atmosfeer blijkt niet alleen afhankelijk te
zijn van de verontreinigingen maar ook van alle informatie daaromheen. Een
vergelijkbare onderzoeksopzet werd gebruikt om relaties te vinden tussen de klachten
over nieuwe gebouwen en de VOS-verontreiging die daarin werd aangetroffen (Ber89,
Hud92, Møl86, Møl90, Møl91). Condities uit de praktijk werden daarbij nagebootst. De
onderzoekers komen tot de conclusie dat bij concentraties van het VOS-mengsel beneden
0,2 mg/m3 het comfort niet wordt beïnvloed, tussen 0,2 en 3 mg/m3 proefpersonen gaan
reageren op de aanwezige VOS en bij VOS-concentraties tussen 3 en 25 mg/m3 klachten
over de VOS worden geuit. Boven de 25 mg/m3 kunnen toxische effecten gaan optreden
(Møl91, zie ook WHO97). In Duitsland kwam men aan de hand van waarnemingen in
woningen tot een soortgelijke conclusie: beneden 0,3 mg/m3 wordt het comfort
binnenshuis niet beïnvloed (Sei90). Beide benaderingen gaan uit van VOS zoals deze met
de beschikbare analytische technieken konden worden aangetoond.
     De zojuist besproken uitkomsten zijn redelijk consistent en geven de indruk dat
beneden de gemeten VOS-concentraties geen biologische reacties zullen plaatsvinden.
Impliciet wordt dan aangenomen dat deze beperkte gegevens, waarvan een deel
afkomstig is uit onderzoek in klimaatkamers met bekende VOS-mengsels, representatief
zijn voor de omstandigheden in woonhuizen en kantoren in Nederland en Europa. Dat
betekent dat verondersteld wordt dat de diverse analytische methoden, die zijn toegepast,
ongeveer gelijke resultaten geven en de chemo-sensorische effecten voor alle VOS als
kritisch effect mogen worden beschouwd. In dat geval geeft de ondergrens van deze
waarnemingen, zoals bepaald met het gestandaardiseerde analytische venster, een
indicatie voor de VOS-niveaus in verblijfsruimtes, waarbeneden geen negatieve effecten
zullen optreden.
     Recent onderzoek met vrijwilligers laat zien dat het thans mogelijk is geur en
prikkeling van neus en ogen (sensorische irritatie) afzonderlijk waar te nemen (Com93,
Com95). Voor enkele bekende homologe VOS, te weten alifatische alcoholen, alifatische
ketonen en gesubstitueerde benzenen, is nagegaan of er een verband bestaat tussen
geurdrempels, drempels voor neusprikkeling en de moleculaire structuur. De
geurdrempels liggen bij concentraties die een factor 100 tot 1000 lager zijn dan de
drempels voor neusprikkeling. Dat wil zeggen dat de waarnemingsdrempel wordt
bepaald door de geur, terwijl prikkeling optreedt bij hogere concentraties. Beide
Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                             25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    drempels worden lager naarmate het molecuulgewicht toeneemt. Dit geldt binnen elke
    homologe groep verbindingen die is onderzocht. Deze resultaten werden bevestigd in een
    onderzoek waarbij de chemo-somatosensorische potentialen, zoals die optreden bij de
    zintuiglijke waarnemingen, werden bestudeerd met electro-encefalografie (Hum96).
3.7 Speciale wettelijke maatregelen
    Voor het werken met en op de markt brengen van kankerverwekkende en
    reproductietoxische stoffen gelden speciale regels. In verband met de arbeidshygiëne is er
    een verplichting om, wanneer deze stoffen aanwezig zijn, indien mogelijk, over te gaan
    tot het gebruik van alternatieven die niet kankerverwekkend of reproductietoxisch zijn.
    De Europese regels voor het op de markt brengen van chemische producten schrijven
    voor dat deze producten hooguit 0,1% van een stof van categorie 1 of 2 en 1,0% van een
    stof van categorie 3 mogen bevatten (EU67). Dit betekent dat dergelijke stoffen slechts
    in zeer lage concentraties in grondstoffen aanwezig mogen zijn en dus nauwelijks in
    bouwmaterialen kunnen voorkomen. Gevaarlijke chemische producten mogen niet op de
    markt worden gebracht zonder veiligheidsblad. Veel producten zijn echter niet of
    onvoldoende onderzocht en het kan dus zijn dat mogelijke gevaren niet bekend zijn en
    niet vermeld worden in een veiligheidsblad.
3.8 Conclusies
    Beschreven gezondheidskundige advieswaarden voor individuele VOS liggen in het
    algemeen ver boven de concentraties die in binnenlucht zijn aangetroffen. Indien de
    bestaande rekenregels voor mengsels van stoffen met vergelijkbare toxicologische
    risico’s worden toegepast op de gemeten VOS-concentraties in de binnenlucht, treedt
    overschrijding eveneens niet op.
         De waargenomen gemiddelde concentraties voor VOS-mengsels vertonen een
    spreiding waarbinnen chemo-sensorische waarneming mogelijk is. Blijkens onderzoek in
    klimaatkamers met vrijwilligers en in woningen onder normale omstandigheden kan een
    concentratie van 0,2 tot 0,3 mg/m3 worden beschouwd als een ondergrens voor de
    zintuiglijke waarneming van VOS-mengsels. Bij hogere concentraties klagen de
    proefpersonen en bewoners over de binnenlucht. Eventuele klachten over het
    binnenmilieu hangen echter niet alleen af van de gemeten VOS-concentraties, maar
    wellicht ook van additionele informatie over de verontreiniging of van de situatie waarin
    men verkeert. Of dergelijke waarnemingen representatief zijn voor huizen en gebouwen
    kan niet zonder meer worden vastgesteld. Een blootstelling van 0,2 mg/m3 dient als een
    bovengrens te worden beschouwd. Hierbij wordt er van uit gegaan dat de beschikbare
    gegevens representatief zijn voor woningen en gebouwen in Nederland, alle belangrijke
    Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                              26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>VOS binnen het gekozen analytisch venster kunnen worden gemeten en de
chemo-sensorische waarneming als het kritische effect mag worden beschouwd.
    Voor het op de markt brengen en in verband met de beroepsmatige blootstelling aan
kankerverwekkende, reproductietoxische of sensibiliserende stoffen gelden speciale
regels. Voor het binnenmilieu geldt dat blootstelling aan deze stoffen moet worden
voorkomen.
Gezondheidsrisico’s van blootstelling aan VOS                                         27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 4
          Risico-evaluatie
4.1       Benadering
          Door de keuze van de analytische methode wordt de beoordeling van eventuele
          gezondheidskundige risico’s van VOS ingeperkt. De bijdragen van stoffen die niet
          binnen het analytisch venster vallen, kunnen niet worden meegewogen. De keuze voor de
          totale VOS-concentratie als criterium voor een eventuele bijdrage uit bouwmaterialen
          betekent dat de specifieke effecten van afzonderlijke VOS buiten beschouwing blijven.
          Kankerverwekkende, reproductietoxische of sensibiliserende VOS moeten dus apart
          worden beoordeeld.
               De gegevens over VOS-mengsels in het binnenmilieu in het algemeen zijn voor de
          commissie aanleiding om te concluderen dat concentraties boven 0,2 mg/m3 in
          verblijfsruimtes vermeden moeten worden. Van 0,2 tot 3,0 mg/m3 worden VOS
          chemo-sensorisch waargenomen hetgeen tot klachten kan leiden. Overigens mogen deze
          getallen slechts als indicatie voor de orde van grootte van de blootstelling worden
          beschouwd, als gevolg van de spreiding in de uitkomsten tussen de verschillende
          analysemethoden voor VOS, de beperkte omvang van de betreffende literatuur en de
          kwaliteit van het verrichte onderzoek. Naar de mening van de commissie moeten
          negatieve effecten op het welbevinden van betrokkenen worden voorkomen. De
          commissie is dan ook van mening dat chemo-sensorische waarnemingen ten gevolge van
          blootstelling aan VOS in het binnenmilieu kunnen worden opgevat als kritisch effect in
          de risicobenadering. Vanuit de bouwpraktijk betekent dit dat men streeft naar een
          binnenmilieu dat geen aanleiding geeft tot klachten over geur of prikkeling van neus en
          Risico-evaluatie                                                                        28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>ogen door de binnenlucht. Hinder of overlast worden zo voorkomen en daarbinnen past
dus ook de beheersing van de blootstelling aan VOS door de gebruikte materialen.
     Een advieswaarde van 0,2 mg/m3 voor totaal-VOS is bedoeld als een
immissieconcentratie of blootstellingsniveau voor verblijfsruimten. De commissie
adviseert deze waarde te gebruiken bij de toetsing van emissies uit bouwmaterialen.
Zoals opgemerkt mag dit niveau niet worden beschouwd als een strikte
gezondheidskundige advieswaarde zoals de Gezondheidsraad die bijvoorbeeld afleidt
voor afzonderlijke stoffen ten behoeve van de bescherming van werkers op de
arbeidsplek. De gegevens die ten grondslag liggen aan de keuze zijn daarvoor te variabel,
terwijl de interpretatie ervan berust op de aannamen zoals omschreven in hoofdstuk 3.
Verblijfsruimten vindt men in kantoorgebouwen en woningen, maar ook in ziekenhuizen
en verzorgingstehuizen. Bij een gezondheidskundige beoordeling en de keuze van een
waarde moet rekening worden gehouden met lange verblijftijden en met specifieke
gevoelige groepen in de samenleving. De kennis over effecten bij deze groepen is zeer
gebrekkig en onvoldoende voor de noodzakelijke risicoanalyse.
     De beschikbare methode voor de meting van de emissie van VOS heeft betrekking op
de eerste stap van de risicobenadering. Cruciaal in deze stap is de vertaling van de
beschikbare emissiegegevens naar immissiegegevens. Daarbij moet de eis worden gesteld
dat de gegenereerde emissiegegevens representatief zijn voor de blootstelling aan VOS in
het binnenmilieu. Gezien de beperkingen van de methode om de VOS-emissie te meten:
het beperkte analytisch venster, de beperkte observatieduur, de gekozen temperatuur,
vochtigheid, ventilatie en volume van de experimentele ruimte, is een vertaling van de
gemeten emissie naar een representatieve immissie op dit moment niet mogelijk. Dit
vraagt om een verdere technische uitwerking. Echter, men zal er altijd op bedacht moeten
zijn dat, ook indien deze technische uitwerking is gerealiseerd, de gezondheidskundige
evaluaties ernstige beperkingen blijven houden, vooral door het analytisch venster dat is
gekozen voor de bepaling van de emissie.
Een aanpak voor een evaluatie van mogelijke risico’s van VOS afkomstig uit
vloerbedekkingsmateriaal is beschreven in het rapport ECA97A. De procedure volgt de
gebruikelijke stappen van een risico-evaluatie te weten:
     bepaling van de VOS-emissie uit het materiaal
     het opstellen van een blootstellingsscenario om een schatting te kunnen maken van
     de blootstelling in de praktijk
     bepaling en beoordeling van de mogelijke effecten op de gezondheid ten gevolge van
     de blootstelling
     bepaling en beoordeling van de chemo-sensorische effecten
     beoordeling van zowel de gezondheidskundige aspecten als het comfort van het
     materiaal.
Risico-evaluatie                                                                          29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    In het geval van VOS-emissies uit bouwmaterialen komt de eerste stap overeen met de
    gestandaardiseerde bepaling van de emissie, zoals beschreven in de adviesaanvraag.
    Voor de derde en vierde stap van deze procedure kunnen zoals in het voorgaande is
    gesteld de chemo-sensorische effecten als kritisch effect worden beschouwd. Toepassing
    van deze procedure is geheel afhankelijk van de mogelijkheid om stap 2 bevredigend uit
    te voeren. Is er een blootstellingsscenario of rekenmethode beschikbaar dan kan de
    emissie van VOS uit bouwmaterialen worden omgerekend naar een potentiële
    immissiewaarde voor VOS in verblijfsruimten. In dat geval adviseert de commissie de
    uitkomst daarvan te toetsen aan de genoemde waarde van 0,2 mg/m3. Voor specifieke
    gezondheidseffecten is het noodzakelijk de gezondheidskundige advieswaarden van de
    individuele stoffen toe te passen. Hoofdstuk 3 laat zien dat deze advieswaarden in het
    algemeen aanmerkelijk hoger zullen liggen dan 0,2 mg/m3.
         Sterk vereenvoudigde benaderingen waarin de vertaling van emissie- naar
    immissieniveaus impliciet is opgenomen, zijn beschreven door de Finnish Society for
    Indoor Air Quality (FiS95), Gustafsson en Jonnson 1991 (Gus91) en Wolkoff en
    Nielsen (Wol96a, Wol96b). Dit zijn analytisch-chemische benaderingen voor de
    kwaliteitsbewaking waarbij monstername en analyse plaatsvinden onder
    gestandaardiseerde condities.
4.2 Conclusie
    De keuze voor de totale VOS-concentratie als criterium voor een eventuele bijdrage uit
    bouwmaterialen betekent dat specifieke effecten van afzonderlijke VOS buiten
    beschouwing blijven. Deze effecten, die veelal bij hogere blootstellingsconcentraties
    optreden, kunnen per situatie om een aparte beoordeling vragen. De risicobenadering
    voor VOS in verblijfsruimten kan worden gebaseerd op de chemo-sensorische effecten.
    De commissie concludeert op grond daarvan dat een VOS-concentratie hoger dan 0,2
    mg/m3 moet worden vermeden. Dit blootstellingsniveau mag niet worden beschouwd als
    een strikte gezondheidskundige advieswaarde. De beperkingen ten gevolge van de keuze
    van het analytisch venster, de mogelijk specifieke gezondheidseffecten van afzonderlijke
    VOS, de grote variabiliteit in de VOS-concentraties die in het binnenmilieu worden
    aangetroffen en de onbekendheid met de bronnen die de emissie veroorzaken, dus ook de
    relatieve bijdrage uit bouwmaterialen, betekenen dat een sluitende gezondheidskundige
    onderbouwing niet mogelijk is. De vergelijking van het immissieniveau van 0,2 mg/m3
    voor VOS-mengsels in verblijfsruimten met de uitkomsten van metingen van
    VOS-emissies uit bouwmaterialen in klimaatkamers vraagt om een technisch
    rekenmodel. Met een dergelijk model kunnen emissiewaarden worden omgezet in een
    potentiële immissie in verblijfsruimten. De problemen die men tegenkomt bij het
    Risico-evaluatie                                                                         30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>ontwerpen van een dergelijk model zijn beschreven (ECA97A). Bij de uitwerking van
deze benadering moet bijvoorbeeld met alle VOS-bronnen rekening worden houden.
Den Haag, 23 juni 2000,
voor de commissie
dr W Rozenboom,                         dr ir DJJ Heederik,
secretaris                              voorzitter
Risico-evaluatie                                                                  31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>       Literatuur
ACG96  American Conference of Government Industrial Hygienists. Threshold limit values for chemical
       substances and physical agents and biological exposure indices. Cincinnati: ACGIH, 1996.
Ber86  Berglund B, Berglund U, Lindvall T. Assessment of discomfort and irritation from the indoor air.
       Proceedings of the ASHRAE Conference IAQ, Atlanta Georgia USA, 1986; p. 138.
Ber89  Berglund B, Johansson I, Lindvall T. Volatile organic compounds from used building materials in a
       simulated chamber study. Environ Int 1989; 15: 383-387.
Bro94  Brown SK, Sim MR, Abramson MJ, e.a. Concentrations of volatile organic compounds in indoor air - A
       review. Indoor Air 1994; 4: 123-134
Com93  Cometto-Muñiz JE, Cain WS. Efficacy of volatile organic compounds in evoking nasal pungency and
       odor. Arch Environ Health 1993; 48: 309-314.
Com95  Cometto-Muñiz JE, Cain WS. Relative sensitivity of the ocular trigeminal, nasal trigeminal, and olfactory
       systems to airborne chemicals, Chem Senses 1995; 20: 191-198.
Dal97  Dalton P, Wysocki ChJ, Brody MJ, e.a. The influence of cognitive bias on the percieved odor, irritation
       and health symptoms of chemical exposure. Int Arch Occup Environ Health 1997; 69: 407-417.
DeB86  De Bortoli M, Knoppel H, Pecchio E, e.a. Concentrations of selected organic pollutants in indoor and
       outdoor air in northern Italy. Environ Int 1986; 12: 343-350
ECA91  European Concerted Action Índoor Air Quality and Its Impact on Man. Effects of indoor air pollution on
       human health. Luxembourg: EC, 1991; (EUR 14086 EN Report no. 10).
ECA97A European Concerted Action Índoor Air Quality and Its Impact on Man. Evaluation of VOC emissions
       from building products, solid flooring materials. Luxembourg: EC, 1997; (EUR 17334 EN Report no.
       18).
       Literatuur                                                                                                32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>ECA97B European Concerted Action Índoor Air Quality and Its Impact on Man. Total Volatile Organic
       Compounds (TVOC) in Indoor Air Quality Investigations. Luxembourg: EC, 1997; (EUR 17675 EN
       Report no. 19).
ECE96  ECETOC , Technical report No. 70. Chronic neurotoxicity of solvents. European Centre for
       Ecotoxicology and Toxicology of Chemicals, Ave. E Van Nieuwenhuyse 4 (Bte 6), B-1160 Brussels,
       Belgium 1996.
ECE97  ECETOC, Special report No. 13. Occupational exposure limits for hydrocarbon solvents. Brussels:
       European Centre for Ecotoxicology and Toxicology of Chemicals, 1997.
EPA91  Environmental Protection Agency. Indoor air-assessment; A review of indoor air qulaity risk
       characterisation studies. Cincinnatie: Center for Environmental Research Information, 1991;
       (EPA/600/8-90/044).
EU67   EG. De EU-Gevaarlijke stoffenrichtlijn. Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen vanm
       27 juli 1967 inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen. Zie besluit
       implementatie EEG Stoffenrichtlijn Wet milieugevaarlijke stoffen van 18 augustus, Stb 455 1967.
FiS95  Finnish Society for Indoor Air Quality and Climate. Classification of indoor climate, construction, and
       finishing materials. Espoo: FiSIAQ, 1995; (Publication 5E).
Fre87  Freijer J, de Loos S. Analyse van tijdsbestedingspatronen van de Nederlandse bevolking ten behoeve van
       een uniforme geluidsdosismaat.. RijksInstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven, Rapport nr
       715120002, 1987.
GR84   Gezondheidsraad. Binnenhuisklimaat. Den Haag: Gezondheidsraad, 1984; publicatie nr 1984/01.
Gus91  Gustafsson H and Jonnson B. Review of small-scale devices for measuring chemical emission from
       materials. Swedish National Testing and Research Institute, 1991.
Hud92  Hudnell HK, Otto DA, House DE, e.a. Exposure of humans to a volatile organic mixture. II. Sensory
       assessment. Arch Environ Health 1992; 47: 31-38.
Hum96  Hummel T, Barz S, Lotsch J, e.a. Loss of olfactory function leads to a decrease of trigeminal sensitivity.
       Chem Senses 1996; 2: 75-79.
IARC87 IARC. Overal evaluations of carcinogenicity: An updating of volumes 1-42. IARC Monograpgs on the
       evaluation of carcinogenic risks to humans. Lyon: International Agency for the Research on Cancer
       (WHO), 1987: Suppl. 7.
IARC95 IARC. Dry cleaning, some chlorinated solvents and other industrial chemicals. IARC Monograpgs on the
       evaluation of carcinogenic risks to humans. Lyon: International Agency for the Research on Cancer
       (WHO), 1995: 477.
Kra87  Krause C. Occurrence of volatileorganic compounds in the air of 500 homes in the Fed. Rep. of Germany.
       In: Seifert B, e.a., red. Indoor Air ‘87. Berlin: Institute of Water, Soil and Air Hygiene, 1987; 1: 102-106.
Kna90  Knasko SC, Gilbert AN, Sabini J. Emotional state, physical well-being and performance in the presence
       of feigned ambient odor. J Appl Soc Psychol 1990; 20: 1345-1357.
Leb86  Lebret E. Volatile compounds in Dutch homes. Environ Int 1986; 12: 323-332.
Lee92  Lees-Haley PR, Brown RS. Biases in perception and reporting following a perceived toxic exposure.
       Percept Mot Skills 1992; 75: 531-544.
       Literatuur                                                                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>MAC97   Nationale MAC-lijst 1997. Zie para 5.5: Gecombineerde blootstelling. Den Haag: Ministerie van Sociale
        Zaken en Werkgelegenheid, 1997.
Møl86   Mølhave L, Bach B, Pedersen OF. Human reactions to low concentrations of volatile organic compounds.
        Environ Int 1986; 12: 167-175.
Møl90   Mølhave L. Volatile organic compounds, indoor air quality and health. In: Walkinshaw DS (Ed), Indoor
        Air ‘90, Proceedings of the 5th international conference on indoor air quality and climate, Toronto,
        Canada 1990; 5: 15-33.
Møl91   Mølhave L. Volatile organic compounds, indoor air quality and health. Indoor Air 1991; 1 (4): 357-376.
Nie95   Nielsen GD, Alarie Y, Poulsen OM, e.a. Possible mechanisms for the respiratory tract effects of
        noncarcinogenic indoor-climate pollutants and bases for their risk assessment. Scand J Work Environ
        Health 1995; 21: 165-178.
NRC87   National Research Council. Policies and procedures for control of indoor air quality. Report of the
        committee on indoor air quality. Washington: National Academic Press, 1987.
NVN2947 Algemene werkwijze voor de bepaling van toxische dampen of gassen door middel van actieve
        monsterneming met een adsorptiebuis, vloeistofdesorptie en gaschromatofie. Ontwerpnorm 1999.
        Nederlands Normalisatie Instituut, Kalfjeslaan 2, Delft.
NVN2948 Algemene werkwijze voor de bepaling van toxische dampen of gassen door middel van actieve
        monsterneming met een adsorptiebuis, vloeistofdesorptie en gaschromatofie. Ontwerpnorm 1999.
        Nederlands Normalisatie Instituut, Kalfjeslaan 2, Delft.
OMa78   O’Mahoney M. Smell illusions and suggestions: reports of smell contingent on tones played on radio and
        television. Chem Senses Falv 1978; 3: 183-189.
RIVM97  Milieu en Gezondhied, Overzicht van risico’s doelen en beleid. Bilthoven: RIVM, 1997.
Rot93   Rothweiler H, Schlatter Chr. Human exposure to volatile organic compounds in indoor air - A health
        risk? Toxicol Environm Chem 1993; 40: 93-102.
Sch85   Scheffers TML, Jongeneelen FJ, Bragt PC. Development of effect-specific limit values (ESLVs) for
        solvent mixtures in paints, Ann Occup Hyg 1985; 29: 191-199.
Sei90   Seifert B. Regulating indoor air. In: Walkinshaw DS, red. Indoor Air ‘90, Proceedings of the 5th
        international conference on indoor air quality and climate, Toronto, Canada, 1990; 5: 35-49
Slo96   Slob R, Fast T, Verhoeff A, e.a. Handboek Binnenmilieu. Amsterdam: GG&GD, 1996.
Tar94   Tardiff RG. Risk analysis in industrial hygiene. In: Harris RL, Cralley LJ, Cralley LV, red. Patty’s
        industrial hygiene and toxicology, Vol III, Part A. 3e druk. New York: John Wiley & Sons Inc, 1994:
        667-714.
Tau97   Tauw. Validatie-onderzoek bepalingsmethode VOS-concentraties in verblijfsruimtes (meting van
        tolueen). Deventer: Adviesbureau Tauw Milieu bv, 1997.
TwK98   Tweede Kamer Stuk 24 280 (1998), Plan van aanpak Duurzaam Bouwen. Den Haag: SDU, 1998.
Ver88   Verhoeff AP, Suk J, van Wijnen JH. Residential indoor air contamination by screen printing plants.
        Occup Environ Health 1998; 60: 201-209.
Wal87   Wallace L. The total exposure assessment methodology (TEAM) study: summary and analysis.
        Washington: EPA, 1987.
        Literatuur                                                                                             34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Wal94  van der Wal JF. Bepalingsmethode voor vluchtige organische stoffen ten gevolge van bouwmaterialen.
       Delft: TNO-Bouw, 1994; (rapport 93-BBI-R1320).
Wel91  Welch LS. Severity of health effects associated with building-related illness. Environ Health Perspect
       1991; 95: 67-70.
WHO87  WHO. Air quality guidelines for Europe. Copenhagen: World Health Organization, Regional Office for
       Europe, 1987; (European Series No. 23).
WHO89  WHO. Indoor Air Quality: Organic Pollutants. Report on a WHO meeting. Copenhagen: WHO Regional
       Office for Europe, 1989; (EURO Reports and Studies 111).
WHO97  Jantunen M, Jaakkola JJK, Kryzanowski M. Assessment of exposure to indoor air pollutants;
       Copenhagen: WHO Regional Office for Europe Copenhagen, 1997; (WHO Regional Publications,
       European Series, No 78).
Wol96a Wolkoff P, Nielsen PA. A new approach for indoor climate labelling of building materials - emission
       testing, modelling and comfort evaluation. Atmospheric Environ 1996; 30B (15): 2679-2689.
Wol96a Wolkoff P, Nielsen PA. Indoor climate labelling of building materials: The experimental approach for a
       prototype. West Conshohocken, PA: American Society for Testing Materials, 1996; (Standard Technical
       Publication 1287): 19428-2959.
       Literatuur                                                                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen
  Bijlagen
                                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De adviesaanvraag
        Op 22 april 1997 schreef de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
        Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitter van de Gezondheidsraad (brief DBD
        97522401/Z 134938):
        Met mijn brief van 8 september 1995 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal heb
        ik het plan van aanpak Duurzaam bouwen aangeboden.
             In het plan van aanpak heb ik onder andere het volgende aangekondigd: “Omtrent het stellen van
        grenswaarden aan de concentraties van asbest, radon en vluchtige organische stoffen in verblijfsruimten
        is nog onderzoek nodig. Bij grenswaarden behoren eenduidige en reproduceerbare bepalingsmethoden.
        Aan de ontwikkeling van dergelijke bepalingsmethoden wordt thans gewerkt. Handhaafbaarheid en
        eenvoud van regelgeving vormen randvoorwaarden. Het streven is voorschriften over maximale
        concentraties aan asbest, radon en vluchtige organische stoffen in verblijfsruimen in het Bouwbesluit op
        te nemen en die zo mogelijk in 1997 in werking te laten treden”.
             Door TNO is een bepalingsmethode ontwikkeld waarmee de concentratie van vluchtige organische
        stoffen (VOS) kan worden bepaald.Tauw Milieu bv heeft door een vijftal meetinstanties ter validatie van
        deze bepalingsmethode een z.g. ringonderzoek laten uitvoeren.Het onderzoeksrapport geeft het volgende
        aan: “In het kader van het actieprogramma validatie milieu-meetmethoden van de Novem worden thans
        meerdere meetmethoden voor het meten van luchtverontreiniging gevalideerd. De in het onderhavige
        onderzoek gevonden reproduceerbaarheid ligt in dezelfde orde van grootte.” Het is dus onder bepaalde
        voorwaarden mogelijk om VOS-concentraties in binnenruimten te meten. Bijgesloten treft u een rapport
        aan van het betreffende validatie-onderzoek.
        De adviesaanvraag                                                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>     Omdat het mijn bedoeling is om in het Bouwbesluit zo snel mogelijk grenswaarden vast te leggen,
verzoek ik u mij te adviseren wat, uit oogpunt van gezondheid, de maximaal acceptabele concentratie(s)
van VOS zijn en mij te berichten binnen welke termijn u dat advies kunt uitbrengen.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
w.g. DKJ Tommel
De adviesaanvraag                                                                                      38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        De commissie
            dr ir DJJ Heederik, voorzitter
            epidemioloog/arbeidshygiënist; Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit
            Utrecht
            dr JSM Boleij
            chemicus; College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Wageningen
            dr L van Bree
            toxicoloog; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven
            dr P van der Torn, arts
            Nederlands Instituut voor Urgentiegeneeskunde, Utrecht
            dr JH van Wijnen
            epidemioloog/toxicoloog; GG & GD Amsterdam
            dr W Rozenboom, secretaris
            Gezondheidsraad, Den Haag
        De commissie                                                                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Bijlage C
        Overzicht van in binnenlucht
        aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen
        Zie volgende pagina’s.
        Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen 40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Stoffen aangetroffen in het binnenmilieu en mogelijk afkomstig van bouwmaterialen. (Ontleend aan Air quality guidelines for
Europe, WHO European Series No. 23, WHO Regional Office for Europe, Copenhagen, Denmark, 1997.)
stof                                blootstelling    MAC-waarde in geurlimiet in     mogelijk afkomstig van: CAS-nummer
                                    90 perc µg/m3    mg/m3            mg/m3
n-hexaan *                            20                90            230            oplosmiddel,              110-54-3
                                                                                     brandstof
hexaan *                                               720              4            oplosmiddel,              110-54-3
                                                                                     brandstof
n-heptaan *                           15             1200               4            oplosmiddel,              142-82-5
                                                                                     brandstof
octaan *                              10             1450               5            oplosmiddel,              111-65-9
                                                                                     brandstof
nonaan *                              20             1050               5            oplosmiddel,              111-84-2
                                                                                     brandstof
cyclohexaan *                       100                875              4            oplosmiddel,              110-82-7
                                                                                     brandstof
methylcyclohexaan *                 100              1600                            oplosmiddel,              108-87-2
                                                                                     brandstof
benzeen *                             20                 3,25           5            oplosmiddel,                71-43-2
                                                                                     brandstof,
                                                                                     roken
tolueen *                           150                150              1            oplosmiddel,              108-88-3
                                                       NOAEL=187                     brandstof
m,p-xyleen *                          40               210              0,6          oplosmiddel,              106-42-3
                                                                                     brandstof                 108-38-3
o-xyleen *                            10               210              0,5          oplosmiddel,                95-47-6
                                                                                     brandstof
ethylbenzeen*                         20               215              8            oplosmiddel,              100-41-4
                                                                                     brandstof
trimethylbenzeen *                                     100              6            oplosmiddel,              108-67-8
                                                                                     brandstof                   95-63-6
isopropylbenzeen, cumeen                               100              7            oplosmiddel,                98-82-8
                                                                                     brandstof
styreen *                              5               107              0,07         plastic                   100-42-5
                                                       LOEL=210
dichloormethaan                                                         3            drijfgas,                   75-09-2
                                                                                     afbijtmiddel
tetrachloormethaan                     5                12,6          450            oplosmiddel                 56-23-5
1,1-dichloorethaan                                     400              4            schoonmaakmiddel            75-34-3
             Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen                                           41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Vervolg.
stof                                   blootstelling   MAC-waarde          geurlimiet in    mogelijk afkomstig van: CAS-nummer
                                       90 perc µg/m3   in mg/m3            mg/m3
1,1,1-trichloorethaan *                20              555                 4                oplosmiddel,              71-55-6
                                                                                            stomerij
chloroform                             15                 5                0,07             drinkwater               100-42-5
trichloorethyleen *                    20              190                 5                oplosmiddel,              79-01-6
                                                       NOAEL=189                            vlekken middel
tetrachloorethyleen *                  20              240                 8                oplosmiddel,             127-18-4
                                                       NOAEL=136                            stomerij
chlorobenzeen                          10                46                3,2              oplosmiddel,             108-90-7
o-dichloorbenzeen                       5              150                 1,8-30           deodorant,                95-50-1
                                                                                            mottenballen
p-dichloorbenzeen *                    20              150                 7                deodorant,               106-46-7
                                                                                            mottenballen
1,2,4-trichloorbenzeen                 15                15,1                               oplosmiddel,             120-82-1
                                                                                            pesticide
butanol *                               5              450                                  oplosmiddel               71-36-3
                                                                                                                      78-92-2
2-ethyl- hexanol *                      5              100                                  oplosmiddel,             104-76-7
                                                                                            weekmaker
methylethyl- keton *                   10              590                                  oplosmiddel               78-93-3
4-methyl- pentanon                      2 (50 perc.)                                        oplosmiddel
formaldehyde                           60                 1,5                               spaanplaat,               50-50-0
                                                                                            polyurethaan
aceetaldehyde                          30              180                                  roken                     75-07-0
hexanal                                 5              180                                  papier                    66-25-1
limoneen *                             70              100                                  geurstof,                138-86-3
                                                                                            wasmiddel
pineen *                               20              100                                  was,                      80-56-8
                                                                                            houtproducten
naphtaleen *                            5                50                                 oplosmiddel,              91-20-3
                                                                                            mottenballen
*             stoffen die in publicatie ECA97B (zie literatuurlijst) zijn gerangschikt als behorend tot totaal VOS (TVOS)
              Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen                                             42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Overzicht van in binnenlucht aangetroffen stoffen uit bouwmaterialen 43</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>