<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>GSM-basisstations</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Onderwerp       :  aanbieding advies GSM-basisstations
Uw kenmerk      :  DGM/SVS/99207094
Ons kenmerk     :  -2625/EvR/RA/673-C
Bijlagen        :  1
Datum           :  29 juni 2000
Mijnheer de minister,
Het gebruik van mobiele telefoons heeft de afgelopen anderhalf jaar een zeer sterke groei
gekend, die thans nog onverminderd doorgaat. Als gevolg hiervan worden steeds meer
mensen blootgesteld aan de elektromagnetische velden waarmee de informatie-overdracht
tussen mobiele telefoon en basisstation plaatsvindt. Dat roept de vraag op of die bloot-
stelling nadelige effecten op de gezondheid kan hebben. U hebt met uw ambtgenoot van
VWS en mede namens de Staatssecretaris van V&W, in september 1999 de Gezond-
heidsraad gevraagd hierover advies uit te brengen. Uit een nadere ambtelijke toelichting
op de adviesaanvraag bleek dat er op korte termijn vooral behoefte is aan een advies over
de basisstations, in het kader van het in ontwikkeling zijnde Nationaal Antennebeleid.
     Op 9 maart 2000 heb ik de Commissie Elektromagnetische velden geïnstalleerd die,
voorlopig voor een periode van vier jaar, regelmatig zal rapporteren over de wetenschap-
pelijke ontwikkelingen op het gebied van gezondheidseffecten van blootstelling aan der-
gelijke velden. De eerste taak van de commissie was het opstellen van een advies over
GSM-basisstations. Dit advies bied ik u, gehoord de Beraadsgroep Stralingshygiëne,
hierbij aan.
     De commissie zal zich nu gaan wijden aan het opstellen van een algemeen advies
over gezondheidsaspecten rond mobiele telefonie, waarin ook de blootstelling ten gevolge
van de mobiele telefoons zelf uitgebreide aandacht zal krijgen. Tevens zal de commissie
in dat advies anticiperen op nieuwe ontwikkelingen, zoals de ‘derde generatie’ mobiele
telefonie, UMTS.
Hoogachtend,
w.g.
prof. dr JA Knottnerus
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>GSM-basisstations
aan:
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr 2000/16, Den Haag, 29 juni 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad: GSM-basisstations. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr
2000/16.
auteursrecht voorbehouden
ISBN: 90-5549-328-7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>    Inhoud
    Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 7
1   Inleiding 10
1.1 Achtergrond 10
1.2 De adviesaanvraag 12
1.3 De commissie 13
1.4 Opbouw advies 13
2   Beschrijving basisstation 15
2.1 Doel 15
2.2 Constructie 15
2.3 Netwerk 17
3   Gezondheidsaspecten 19
3.1 Thermische effecten 19
3.2 Niet-thermische effecten 20
3.3 Elektromagnetische compatibiliteit 24
4   Voorzorgsbeginsel 27
4.1 Thermische effecten 28
4.2 Niet-thermische effecten 28
    Inhoud                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>5   Blootstellingslimieten 30
6   Veldsterkteniveaus bij basisstations 33
6.1 Antennes 33
6.2 Schotelantennes 35
7   Laagfrequent geluid en trillingen 37
8   Conclusies en aanbevelingen 38
8.1 Algemene bevolking 38
8.2 Beroepsmatig blootgestelden 39
8.3 Klachten 39
8.4 Wet- en regelgeving 40
8.5 Controle en handhaving 40
8.6 Centrale registratie technische gegevens 41
    Literatuur 42
    Bijlagen 45
A   De adviesaanvraag 46
B   De commissie 48
C   Veldsterktes nabij een basisstation 50
D   Sommering van veldsterktes van verschillende frequenties 52
    Inhoud                                                      6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting, conclusies en
aanbevelingen
Mobiele telecommunicatie heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorge-
maakt. De snelle verspreiding in de maatschappij heeft, behalve tot vele praktische voor-
delen die aan het gebruik verbonden zijn, ook geleid tot vragen over mogelijk voor de ge-
zondheid nadelige gevolgen van blootstelling aan de elektromagnetische velden die ge-
bruikt worden voor het draadloos communiceren. Dergelijke vragen leven vooral bij veel
mensen die geconfronteerd werden met de plaatsing van een basisstation in hun woonom-
geving.
     De commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad bespreekt in dit
advies, in antwoord op vragen van de betrokken bewindslieden, de opbouw van een ba-
sisstation en de elektromagnetische veldsterktes in de omgeving ervan. Zij vergelijkt die
veldsterktes met de blootstellingslimieten die zij voorstelt op basis van een overzicht van
de wetenschappelijke literatuur.
De commissie handhaaft de op thermische effecten gebaseerde blootstellingslimieten zo-
als voorgesteld in het in 1997 uitgebrachte advies Radiofrequente elektromagnetische
velden (300 Hz – 300 GHz). Niet-thermische effecten bieden geen wetenschappelijke ba-
sis voor het vaststellen van blootstellingslimieten. De bewindslieden vragen echter of er
aanleiding is om door middel van toepassing van het voorzorgsbeginsel de blootstellings-
limieten op een lager niveau vast te stellen dan de waarden die op grond van thermische
effecten zijn voorgesteld. De commissie heeft deze vraag pragmatisch benaderd door te
onderzoeken of er voor niet-thermische effecten een redelijk vermoeden is van een ge-
zondheidsrisico. Zij vindt dat dit voor geen van de drie in het advies behandelde catego-
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>rieën niet-thermische effecten – biologische effecten, carcinogenese en aspecifieke klach-
ten – het geval is. Het antwoord op de vraag van de bewindslieden is daarom negatief.
De kans dat zich in woon- en werkruimtes onder basisstations gezondheidsproblemen
voordoen als gevolg van blootstelling aan de elektromagnetische velden die van de anten-
nes afkomstig zijn, acht de commissie verwaarloosbaar klein. De veldsterktes liggen al-
tijd ruimschoots beneden de blootstellingslimieten.
     Op het dakoppervlak zijn de veldsterktes doorgaans hoger dan in de ruimtes onder
het dak. Omdat de hoofdbundel van de antennes vrijwel horizontaal is gericht en de an-
tennes meestal enkele meters boven het dakoppervlak zijn gemonteerd, zullen personen
die zich op het dakoppervlak bevinden niet worden blootgesteld aan veldsterktes die de
blootstellingslimieten voor de algemene bevolking overschrijden.
Als vuistregel kan aangehouden worden dat in de vrije ruimte de minimale afstand tot de
antennes in de bundel 3 meter moet zijn en daarbuiten 0,5 meter. Voor de meeste anten-
nes betekent dit weliswaar een extra veiligheidsmarge, maar het is eenvoudiger en prakti-
scher om overal dezelfde afstand aan te houden dan die te laten variëren afhankelijk van
het vermogen van de antenne.
     Op plaatsen waar het mogelijk is om binnen bovengenoemde afstand van een antenne
te komen, dienen maatregelen genomen te worden om dit te voorkomen.
Bij blootstelling onder beroepsmatige omstandigheden, dat wil zeggen van personen die
bekend zijn met de risico’s en met maatregelen om ze te verminderen, zijn hogere limie-
ten van toepassing. Bij een afstand van meer dan 10 cm tot de boven-, onder- en achter-
zijde van een antenne en tot de hoofdbundel zijn geen bijzondere maatregelen nodig. Is de
afstand kleiner of dient men zich in de hoofdbundel te begeven, dan moeten veiligheids-
maatregelen genomen worden. Het werkdocument Guidelines for defining working con-
ditions related to exposure to non-ionising electromagnetic fields van het European Te-
lecommunications Standardization Institute (ETSI) geeft hiervoor een goede handreiking.
De commissie vindt dat mensen al tijdens de planningsfase van de bouw van een basis-
station in hun woon- of werkomgeving bij de ontwikkelingen betrokken moeten worden.
Dat kan veel problemen voorkomen, omdat gezondheidsklachten veelal het gevolg zullen
zijn van angst voor het onbekende, te meer als daarbij ook nog ‘straling’ een rol speelt.
Treden er klachten op, dan dienen deze te allen tijde serieus genomen te worden. Het als-
nog geven van voorlichting in situaties waar dat nog niet is gebeurd kan veel problemen
wegnemen. Bij aanhoudende klachten zou onderzocht kunnen worden of mogelijk laag-
frequent geluid of trillingen een rol spelen.
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                                  8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Bij de huidige veldsterktes in woon- of verblijfruimtes in de nabijheid van basisstations
is het vrijwel uitgesloten dat zich storingsproblemen met medische of andere elektrische
of elektronische apparatuur voordoen als deze voldoet aan de Europese immuniteitsricht-
lijnen. Omdat medische implantaten, zoals insulinepompjes, pacemakers en andere sti-
mulatoren, aan strengere eisen moeten voldoen dan andere medische apparatuur is de
kans op storingen bij dergelijke apparaten, met de bijbehorende gezondheidsproblemen,
nog kleiner. Mochten toch storingen optreden (en dat zal vrijwel uitsluitend het geval zijn
bij niet-medische elektronische apparatuur), dan moeten deze uiteraard altijd zo snel mo-
gelijk opgelost worden. De Regeling storingsklachten biedt daartoe een afdoende hand-
vat.
Er is op dit moment in Nederland geen wettelijke mogelijkheid om plaatsing van anten-
nes (en daarmee ook van basisstations) op grond van gezondheidsoverwegingen te regu-
leren. De commissie beveelt aan dat hierin wordt voorzien, bijvoorbeeld door wijziging
van de Telecommunicatiewet of de Wet Milieubeheer.
De commissie stelt voor om van alle basisstations de technische gegevens, een veldsterk-
teberekening en eventuele metingen centraal te laten registreren. De Duitse aanpak kan
hierbij als voorbeeld dienen. In Duitsland is wettelijk voorgeschreven dat elke antenne-
installatie wordt aangemeld bij de autoriteiten en dat deze melding vergezeld gaat van
een ‘locatiecertificaat’ dat alle hierboven genoemde gegevens van de installatie bevat.
Een dergelijke registratie kan van nut zijn bij controle en handhaving en het verstrekken
van informatie aan bijvoorbeeld omwonenden.
Er dient op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te komen over de toedeling van ver-
antwoordelijkheden voor controle van de inrichting van de basisstations en van de door
de antennes uitgezonden veldsterktes en voor de handhaving van de betreffende regelge-
ving. Het ligt niet op de weg van de commissie hier verdere uitspraken over te doen,
maar zij wijst er wel op dat problemen eenvoudiger opgelost en vaak zelfs voorkomen
kunnen worden als het voor het publiek duidelijk is tot welke instantie zich met vragen
kan wenden.
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen                                                   9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Achtergrond
          De afgelopen jaren zijn gekenmerkt door een snelle toename van de mobiele telecommu-
          nicatie. De openbare mobiele telefonie begon in 1980 met het eerste autotelefoonnet,
          ATF-1. Voor landelijke dekking zorgden 29 basisstations, die in totaal 2000 autotele-
          foons konden bedienen. De technische ontwikkelingen hebben sedertdien een hoge vlucht
          genomen en met de komst van het DCS 1800-systeem is, mede dankzij de sterke com-
          merciële benadering van het publiek, mobiele telefonie voor iedereen bereikbaar gewor-
          den. Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkelingen.
           Tabel 1 Ontwikkeling van mobiele telefonie in Nederland.
           ingebruikneming        netwerk                   aantal basisstations aantal gebruikers
           1980                   ATF-1                     29                   2000
           1985                   ATF-2                     126                  30 000
           1989                   ATF-3                     363                  > 250 000
           1994                   GSM 900                   > 1000               > 6 000 000
           1998                   DCS 1800                  > 6000               > 1 000 000
          Inleiding                                                                                10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De ATF-netten zijn thans niet meer in gebruik. Binnen enkele jaren zullen nieuwere sys-
temen en netwerken naast GSM 900 en DCS 1800 in gebruik komen. Een voorbeeld is
UMTS (Universal Mobile Telephone System), waarmee een snelle overdracht van grote
hoeveelheden gegevens mogelijk zal zijn. Daarmee komt mobiel internetten en videobeel-
den versturen binnen bereik. Nog dit jaar zal begonnen worden met het veilen van de fre-
quentiebanden voor UMTS. Voor het opzetten van de UMTS netwerken zullen circa
12 000 basisstations nodig zijn.
     De huidige mogelijkheden voor het gebruik van mobiele telecommunicatie hebben in
de ogen van de commissie zowel positieve als negatieve aspecten. Een belangrijk positief
aspect is dat aan de toegenomen behoefte aan communicatie wordt voldaan. Mensen wil-
len op een eenvoudige en relatief goedkope manier met elkaar in contact kunnen komen.
Daarnaast kan het bij zich hebben van een mobiele telefoon het gevoel van onveiligheid,
dat in de hedendaagse maatschappij steeds vaker voorkomt, verminderen. Ook het inroe-
pen van hulpdiensten bij (verkeers)ongevallen kan sneller plaatsvinden.
     Negatieve aspecten kunnen bijvoorbeeld zijn een toename van hinder door de meest
uiteenlopende oproepsignalen van mobiele telefoons in openbare ruimtes en het luidruch-
tig voeren van gesprekken. Het voeren van gesprekken tijdens het besturen van een voer-
tuig kan, zelfs als dat plaats vindt met gebruikmaking van een handsfree set, de ver-
keersveiligheid in gevaar brengen (IEG00).
     Hoe het ook zij, het is een feit dat een grote en nog steeds groeiende groep mensen
gebruik wil maken van mobiele telefonie. Om er voor te zorgen dat het mogelijk is vanaf
elke plek in Nederland op een goede en storingsvrije wijze mobiel te telefoneren, moet er
een netwerk van vast opgestelde zend- en ontvangstations (‘basisstations’) zijn waarmee
de mobiele beller aansluiting kan krijgen op het reguliere (kabel)telefoonnet. Het aantal
van deze basisstations is met name de afgelopen twee jaar zeer sterk toegenomen. Dat
heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is er de vraag naar capaciteit. Elk basisstation
kan slechts een bepaald aantal gesprekken tegelijkertijd verwerken. Als er meer vraag is,
zullen er daarom meer basisstations geplaatst moeten worden. Ten tweede is er de vraag
naar kwaliteit. Om overal een goede verbinding te kunnen krijgen, ook binnenshuis, is
een tamelijk dicht netwerk van basisstations nodig. Ten derde heeft de overheid besloten
om concurrentie op de mobiele telefoonmarkt toe te laten. Daarom zijn thans vijf opera-
tors in Nederland werkzaam. Deze hebben elk hun eigen systeem, zodat er vijf afzonder-
lijke netwerken nodig zijn. Overigens schept de Telecommunicatiewet (Stb89) wel de
verplichting om zoveel mogelijk gebruik te maken van dezelfde opstelpunten.
     Door de toename van het aantal benodigde basisstations en doordat de daartoe beho-
rende antennes op hooggelegen plaatsen moeten worden aangebracht, vindt, vooral in
verstedelijkte gebieden, een voortdurende zoektocht plaats naar hoge bouwwerken die
geschikt zijn als opstelpunt. Er zijn niet altijd voldoende geschikt gelegen bedrijfsgebou-
wen om te kunnen voldoen aan de technische eisen die de opbouw van een netwerk stelt
Inleiding                                                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    en het oprichten van vrijstaande masten is meestal om diverse redenen niet mogelijk.
    Daarom zijn sedert eind 1998 in toenemende mate eigenaren van hoge woongebouwen
    benaderd om toestemming voor het plaatsen van een basisstation. Mede dankzij een rui-
    me financiële vergoeding hiervoor kon doorgaans snel medewerking worden verkregen.
    Bewoners van dergelijke woongebouwen werden vervolgens onaangekondigd geconfron-
    teerd met activiteiten op het dak, soms zelfs ’s nachts, resulterend in de plaatsing van een
    antenne-installatie. Als dan bekend raakt dat er op het dak een antenne staat die ‘stra-
    ling’ uitzendt –een begrip dat toch vaak met gezondheidsbedreigingen wordt geassoci-
    eerd– is het niet vreemd dat mensen verontrust worden wanneer zij niet op enigerlei wijze
    bij (de plannen voor) die plaatsing betrokken zijn geweest en geïnformeerd zijn over ge-
    zondheidsaspecten. Veronderstellingen dat in de nabijheid van dergelijke antennes fre-
    quent gezondheidsproblemen zouden voorkomen, vinden dan een vruchtbare voedingsbo-
    dem. In het tweede kwartaal van 1999 verspreidden dergelijke berichten zich als een olie-
    vlek over Nederland en werd door de publieke verontrusting het plaatsen van nieuwe ba-
    sisstations steeds moeilijker. Zowel de overheid als de operators hebben er sinds die tijd
    veel aan gedaan om te voorzien in de behoefte aan voorlichting en informatie. Veel ge-
    meenten in Nederland hebben een eigen ‘antennebeleid’ ontwikkeld of zijn hiermee bezig.
    Een van de belangrijkste vragen hierbij is, of het wonen in de directe nabijheid van een
    basisstation een verhoogd risico voor de gezondheid kan betekenen. De Gezondheidsraad
    heeft in 1997 het advies Radiofrequente elektromagnetische velden (300 Hz – 300 GHz)
    uitgebracht (GR97), waarin op basis van wetenschappelijke gegevens aanbevelingen
    worden gegeven voor blootstellingslimieten. Dit advies is in de discussies over gezond-
    heidseffecten een belangrijke rol gaan spelen. Het bevat echter geen specifiek op basis-
    stations voor mobiele telefonie gerichte aanbevelingen. Op verzoek van de Ministers van
    VROM en VWS en de Staatssecretaris van V&W heeft een commissie van de Raad
    daarom het voorliggende advies opgesteld.
1.2 De adviesaanvraag
    In september 1999 ontving de Gezondheidsraad een verzoek van de zojuist genoemde be-
    windslieden om een overzicht te geven van de sedert het uitkomen van het advies in 1997
    gepubliceerde relevante literatuur en om hieruit tot conclusies en aanbevelingen te komen
    ten aanzien van mobiele telefonie. De adviesaanvraag is opgenomen in bijlage A. In een
    nadere ambtelijke toelichting is duidelijk gemaakt dat advisering over gezondheidsaspec-
    ten van het wonen in de nabijheid van een basisstation hoge prioriteit heeft in het kader
    van het Nationaal Antennebeleid dat thans door het Ministerie van V&W wordt ontwik-
    keld. In de adviesaanvraag wordt tevens gevraagd of er aanleiding is op basis van het zo-
    genoemde voorzorgsbeginsel stringentere blootstellingslimieten te hanteren dan wanneer
    alleen uitgegaan wordt van de (wetenschappelijk vastgestelde) thermische effecten. Dat
    Inleiding                                                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    wil zeggen dat in de normstelling rekening wordt gehouden met mogelijke gezondheidsef-
    fecten, ook al is het bestaan daarvan niet wetenschappelijk vastgesteld. In Italië en Zwit-
    serland is dit al gebeurd (Gaz98, Sch99). Ten principale is het al of niet toepassen van
    het voorzorgsbeginsel een politieke beslissing. De Raad kan alleen materiaal aandragen
    waarop die beslissing kan worden gebaseerd.
1.3 De commissie
    De Gezondheidsraad heeft een lange traditie met betrekking tot het uitbrengen van advie-
    zen over de effecten van blootstelling aan elektromagnetische velden op de gezondheid.
    De afgelopen jaren is de publieke belangstelling voor dit onderwerp aanzienlijk verhe-
    vigd, met name door de sterke groei van de mobiele telefonie. De Raad wordt dan ook
    voortdurend geconfronteerd met vragen over dit onderwerp. Om adequaat op deze ont-
    wikkelingen te kunnen reageren heeft de Voorzitter van de Gezondheidsraad besloten om,
    voorlopig voor een periode van vier jaar, de Commissie Elektromagnetische velden in te
    stellen. Deze commissie heeft tot taak jaarlijks te rapporteren over de wetenschappelijke
    ontwikkelingen in haar aandachtsgebied en adviesaanvragen ter zake in behandeling te
    nemen. Ook zal zij tussentijds, wanneer daar aanleiding voor is, commentaar moeten
    kunnen geven op belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen.
         De commissie, waarvan de samenstelling is vermeld in bijlage B, is op 9 maart 2000
    geïnstalleerd. Zij kreeg als eerste taak het beantwoorden van de in 1.2 genoemde advies-
    aanvraag, waarbij een advies over gezondheidsaspecten samenhangend met het wonen in
    de nabijheid van GSM-basisstations de hoogste prioriteit heeft.
1.4 Opbouw advies
    Het voorliggende advies heeft uitsluitend betrekking op basisstations voor de GSM 900-
    en DCS 1800-systemen. In een volgend advies zal ook aandacht worden besteed aan de
    mobiele telefoons en aan andere draadloze telecommunicatiesystemen.
         Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van een GSM 900- of DCS 1800-basisstation.
    In hoofdstuk 3 geeft de commissie een overzicht van de relevante, per eind april 2000 be-
    schikbare, wetenschappelijke literatuur. Dit overzicht is voornamelijk gebaseerd op re-
    cente reviewartikelen. In hoofdstuk 4 gaat de commissie in op het voorzorgsbeginsel. In
    hoofdstuk 5 komt zij tot aanbevelingen voor blootstellingslimieten, die in hoofdstuk 6 af-
    gezet worden tegen de actuele elektromagnetische veldsterktes bij de basisstations. In
    hoofdstuk 7 komen laagfrequent geluid en trillingen kort aan de orde als mogelijk alter-
    natieve oorzaken voor ervaren gezondheidsproblemen. De commissie formuleert in
    hoofdstuk 8 haar conclusies en aanbevelingen, ook ten aanzien van het omgaan met en-
    kele concrete situaties.
    Inleiding                                                                                   13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>     De bijlagen bevatten, behalve de adviesaanvraag en de samenstelling van de com-
missie, een voorbeeld van veldsterktemetingen bij een basisstation en uitleg over de me-
thodiek van het sommeren van veldsterktes van verschillende frequenties.
Inleiding                                                                                14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          Beschrijving basisstation
2.1       Doel
          Een GSM 900- of DCS 1800-basisstation heeft tot doel door middel van radiofrequente
          elektromagnetische velden signaaloverdracht te verzorgen tussen een mobiele telefoon en
          een netwerk voor mobiele of gewone telefonie.
2.2       Constructie
          In deze paragraaf geeft de commissie geen uitgebreide technische beschrijving van een
          basisstation, maar een opsomming van de verschillende onderdelen waaruit het is opge-
          bouwd en hun functie.
              De volgende onderdelen zijn altijd aanwezig:
              Antennekasten, bestaande uit een doorgaans rechthoekige kunststof behuizing van
              circa 1 tot 2,5 m hoogte, waarin een aantal dipoolantennes is ondergebracht. Waar
              de commissie in het advies spreekt van ‘antennes’ bedoelt zij deze antennekasten. De
              karakteristieken van de stralingsbundel komen in hoofdstuk 6 aan de orde.
              Een apparatuurkast met de voeding en de eigenlijke zender.
              Kabels voor de energievoorziening en voor de signaaloverdracht tussen de zender en
              de antennes.
          Afhankelijk van de constructie kunnen ook aanwezig zijn:
              Een draagconstructie voor de antennes (bijvoorbeeld een mast).
          Beschrijving basisstation                                                                15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>     Een schotelvormige antenne ten behoeve van een straalverbinding met een ander ba-
     sisstation.
     Een aansluiting, in de apparatuurkast, op het vaste (kabel)netwerk en een bijbeho-
     rende kabelverbinding.
Niet alle basisstations hebben een directe verbinding met het vaste netwerk. In stedelijke
gebieden, waar veel basisstations relatief dicht bij elkaar staan, fungeren enkele basissta-
tions als verzamelpunt. Zij staan door middel van straalverbindingen in contact met di-
verse andere stations in de omgeving.
De uiterlijke verschijningsvorm van de basisstations is zeer divers. Soms wordt gepro-
beerd de installatie zoveel mogelijk in de omgeving ‘weg te werken’.
     In dunbevolkte gebieden worden de antennes vaak bevestigd op een vrijstaande vak-
werkmast met een hoogte van 20 tot 35 m. Als tijdelijke voorziening wordt soms ook wel
een korte mast gemonteerd op de arm van een kraan of dragline. Een bijzondere situatie
is een mast die is gecamoufleerd als boom.
     In verstedelijkte gebieden en in landelijke gebieden zonder hoge obstakels worden an-
tennes vaak bevestigd op een of meer korte masten die geplaatst zijn op het dak van een
gebouw, of tegen de zijgevel zodanig dat de mast boven de dakrand uitsteekt, of op een
wegportaal.
Figuur 1 Een basisstation; links twee van de drie masten met bovenin een antenne en op de voorgrond
de apparatuurkast; rechts een van de masten met antenne en een schotelantenne voor de straalverbinding.
Beschrijving basisstation                                                                               16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    Antennes worden ook wel direct aan de gevel bevestigd, in klokkentorens geplaatst ach-
    ter galmgaten, op hoge reclamezuilen of aan hoogspanningsmasten gemonteerd.
2.3 Netwerk
    Een GSM 900- of DCS 1800-netwerk is volgens een cellulaire structuur opgebouwd. Ie-
    der basisstation verzorgt een beperkt gebied rondom het station, een ‘cel’. In elke cel
    wordt een bepaald aantal frequentiebanden gebruikt. Naastgelegen cellen kunnen niet
    van dezelfde frequentiebanden gebruik maken, omdat er aan de rand van de cel altijd
    sprake is van enige overlap van het verzorgingsgebied.
    Afhankelijk van de grootte van het verzorgingsgebied wordt gesproken van een macro-,
    micro- of picocel. Macrocellen bestrijken een gebied met een straal van enkele honderden
    meters tot ongeveer tien kilometer. In dichtbevolkte, verstedelijkte gebieden is de cel rela-
    tief klein. Dat heeft vooral te maken met de capaciteitsbehoefte: omdat de capaciteit per
    basisstation beperkt is, zijn er in verstedelijkte gebieden meer basisstations nodig zijn en
    zijn de cellen dus kleiner. Vanwege de geringere reikwijdte is ook het vermogen van de
    basisstations bij kleinere cellen verhoudingsgewijs laag. Daardoor blijft bij een toename
    van het aantal basisstations als gevolg van verkleining van de cellen het totaal uitgezon-
    den vermogen toch nagenoeg gelijk.
                                                                      F2
                                                              F7             F3
                                                                     F1
                                               F1             F6             F4
                                                                     F5
                                                                                    F1
                                                              F
                                                               1
    Figuur 2 Schematische weergave van de cellulaire structuur van een netwerk. Naastgelegen cellen hebben
    verschillende frequenties (F1 t/m F7). Links zijn de positie van het basisstation in de cel en het verzorgings-
    gebied van één antenne weergegeven.
    Beschrijving basisstation                                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    Microcellen worden doorgaans geïnstalleerd in gebieden waar op een beperkt opper-
vlak veel mensen bijeenkomen, bijvoorbeeld in winkelcentra of op stations. De straal van
een microcel is meestal niet meer dan circa honderd meter. De antennes worden vanwege
dat beperkte verzorgingsgebied relatief laag geplaatst en hebben een laag vermogen.
    Picocellen vinden hun toepassing in bedrijven en kantoren. De antennes hebben een
zeer beperkte reikwijdte van hooguit enkele tientallen meters en zijn doorgaans tegen het
plafond aan de muur gemonteerd. Zij hebben een zeer laag vermogen, vergelijkbaar met
dat van de basisstations van in huis gebruikte draagbare systemen, zoals DECT-tele-
foons.
    Verkleining van de cellen gaat gepaard met een kortere afstand tussen het basissta-
tion en de mobiele telefoon. Omdat de telefoons zodanig zijn geconstrueerd dat zij altijd
met een zo laag mogelijk vermogen zenden, zal een kleinere celgrootte er toe leiden dat
het gemiddelde zendvermogen van, en daarmee ook de veldsterkte rond de telefoons, la-
ger is dan bij grotere cellen.
Beschrijving basisstation                                                                 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          Gezondheidsaspecten
          De commissie heeft zich in het volgende overzicht vooral gebaseerd op enkele in de afge-
          lopen jaren verschenen overzichtsartikelen en -rapporten en heeft zich, waar mogelijk,
          ook gebaseerd op de meest recente informatie.
               De biologische effecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische vel-
          den kunnen op verschillende wijzen worden ingedeeld. Het meest gebruikte onderscheid
          is dat tussen thermische en niet-thermische effecten. Bij thermische effecten speelt de
          ontwikkeling van warmte een rol, bij niet-thermische effecten is dat niet het geval.
3.1       Thermische effecten
          Uitsluitend voor effecten die het gevolg zijn van de ontwikkeling van warmte in biolo-
          gisch materiaal door toedoen van radiofrequente elektromagnetische velden is het be-
          staan wetenschappelijk vastgesteld. Er is een goed inzicht in de gevolgen van warmteont-
          wikkeling op cellen, organen en organismen. In het Gezondheidsraadadvies uit 1997 is
          daarvan al een overzicht gegeven (GR97). Een recenter overzicht, dat met betrekking tot
          de beschrijving van warmte-effecten overeenkomt met het Gezondheidsraadadvies, is het
          rapport van een Expert Panel van de Canadese Royal Society (RSC99). In beide rappor-
          ten wordt geconcludeerd dat voor blootstelling van het gehele lichaam bij een energie-op-
          name, uitgedrukt in de Specific Absorption Rate (SAR), van minder dan 4 W/kg geen
          gezondheidsproblemen optreden. In een recente publicatie geeft D’Andrea een overzicht
          van gedragsexperimenten met proefdieren, waarin ook voor het optreden van gedragsver-
          anderingen een ondergrens van 4 W/kg is gevonden (D’An99).
          Gezondheidsaspecten                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>           Wanneer alleen lichaamsdelen worden blootgesteld, zijn doorgaans hogere SAR
      waarden acceptabel. Het Canadese rapport zet enige vraagtekens bij de hogere grens-
      waarden die in Canada worden toegelaten voor blootstelling van alleen het hoofd. Vol-
      gens de commissie die het rapport opstelde zou mogelijk de grenswaarde van 8 W/kg die
      voor beroepsmatige blootstelling acceptabel wordt geacht onvoldoende bescherming bie-
      den tegen oogschade.* In de omgeving van GSM 900- en DCS1800-basissta- tions vindt
      in het algemeen alleen blootstelling van het gehele lichaam plaats. De commissie gaat in
      het voorliggende advies dan ook alleen van die situatie uit. De limieten zijn daarbij veel
      lager dan wanneer alleen delen van het lichaam worden blootgesteld.
3.2   Niet-thermische effecten
      Veel van de recente ongerustheid over mogelijke gezondheidseffecten samenhangend met
      mobiele telefonie heeft betrekking op niet-thermische effecten. In het advies van de Ge-
      zondheidsraad uit 1997 (GR97) zijn veel van deze effecten al aan bod gekomen. Het in
      3.1 genoemde rapport van de Canadese Royal Society (RSC99) en een recent verschenen
      rapport van een Engelse adviescommissie (IEG00) bevatten een uitgebreid overzicht. De
      belangrijkste aspecten zullen hier kort de revue passeren. De commissie wijst er op dat er
      voor geen van deze niet-thermische effecten inzicht is in de mogelijk eraan ten grondslag
      liggende fysische effecten.
3.2.1 Effecten op celmembranen
      In verscheidene onderzoeken is gevonden dat blootstelling aan radiofrequente elektro-
      magnetische velden het transport van calcium-, natrium- en kaliumionen door de cel-
      membraan kan beïnvloeden. In veel gevallen kan niet uitgesloten worden, of is het zelfs
      zeer waarschijnlijk, dat dit een thermisch effect is. Met name bij de in vitro onderzoeken
      naar calciumdynamiek is daarnaast gevonden dat bij laagfrequente modulatie van het ra-
      diofrequente signaal veranderingen in dit ionentransport optreden.
           Het is niet bekend of dit soort effecten leidt tot veranderingen in het functioneren van
      de cel. Evenmin is bekend of in een intact organisme, dat een veel complexer systeem is
      dan een enkelvoudige laag gekweekte cellen, dergelijke membraaneffecten optreden en
      wellicht uiteindelijk tot gezondheidseffecten leiden.
      De resultaten van de onderzoeken zijn weinig eenduidig. Zij geven geen inzicht in moge-
      lijke drempelwaardes of blootstellings-respons relaties.
*     Het oog heeft, als gevolg van de lage doorbloeding, slechts een geringe mogelijkheid om toegevoegde warmte af te
      voeren. Hierdoor kan de temperatuur in het oog snel tot een schadelijk niveau stijgen.
      Gezondheidsaspecten                                                                                              20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>3.2.2 Genotoxiciteit en carcinogenese
      In een recente publicatie geven Brusick e.a. een overzicht van de in vitro genotoxiciteits-
      gegevens, dat wil zeggen gegevens over schade aan het DNA, het erfelijk materiaal, die
      een stap kan zijn in het proces van ontwikkeling van kanker (carcinogenese) (Bru98). Bij
      de analyse heeft de kwaliteit van de onderzoeken een belangrijke rol gespeeld. De conclu-
      sie van deze auteurs is dat er geen sterke aanwijzingen zijn dat radio- frequente elektro-
      magnetische velden tussen 30 MHz en 300 GHz DNA-schade veroorzaken. Voor zover
      er effecten gevonden zijn, bij relatief hoge veldsterkteniveaus, zijn deze naar alle waar-
      schijnlijkheid het gevolg van thermische processen. Bij de veldsterkteniveaus die aanwe-
      zig zijn in de nabijheid van GSM 900- en DCS 1800-basisstations is nooit enig effect
      gevonden.
           De conclusie van de Canadese en Engelse rapporten (IEG00, RSC99), die mede be-
      rusten op recentere gegevens, zijn hiermee in overeenstemming. Deze rapporten bevatten
      ook een uitgebreid overzicht van de relevante in vivo onderzoeksresultaten. Ook daaruit
      blijkt dat er bij de zeer lage veldsterkteniveaus zoals aanwezig bij basisstations geen ef-
      fecten gevonden zijn. Voor zover er bij hogere veldsterktes wel effecten zijn gevonden,
      geven deze een inconsistent en moeilijk te duiden beeld.
           Elwood geeft een gedegen en kritisch overzicht van de epidemiologische gegevens
      over een mogelijke relatie tussen blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische vel-
      den en het voorkomen van kanker (Elw99). Ook in dit geval is het beeld erg inconsistent.
      Daarnaast valt nogal wat af te dingen op de kwaliteit van de onderzoeken, met name die
      waar een verband het sterkst naar voren lijkt te komen. Er zijn geen onderzoeken verricht
      bij omwonenden van basisstations. De meest relevante onderzoeken hebben betrekking
      op mogelijke effecten van het wonen in de nabijheid van radio- en televisiezenders. De
      meest uitgebreide onderzoeken zijn gedaan in Australië en Engeland. In beide landen
      bleek in een eerste, verkennend onderzoek dat er wellicht een geringe verhoging van de
      kans op leukemie en enkele andere vormen van kanker is in de directe omgeving van de
      zenders (Dol97b, Hoc96). Blijkens uitgebreider onderzoek, in Australië in een groter ge-
      bied rondom het zendercomplex (Hoc99, McK98, McK99) en in Engeland bij meer zen-
      ders (Dol97a), bestaat het eerder gevonden verband niet. De commissie onderschrijft de
      conclusie uit het overzicht van Elwood dat de epidemiologische gegevens niet wijzen op
      het bestaan van een mogelijk verband tussen blootstelling aan radiofrequente
      elektromagnetische velden en kanker.
      De commissie komt tot de slotsom dat de gegevens over genotoxiciteit en carcinogenese
      niet wijzen op enig gezondheidsrisico bij de veldsterktes waaraan het algemene publiek
      in de omgeving van GSM 900- en DCS 1800-basisstations kan blootstaan.
      Gezondheidsaspecten                                                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>3.2.3 Effecten op hersenfuncties
      De eerder genoemde Canadese en Engelse rapporten geven een uitgebreid overzicht van
      de verschillende invloeden van radiofrequente elektromagnetische velden op het functio-
      neren van de hersenen.
           Een relatie met diverse klinische ziektebeelden, zoals toevallen, epilepsie en ziekte
      van Alzheimer, is niet gevonden.
           In een toenemend aantal onderzoeken wordt een mogelijke relatie tussen blootstelling
      aan radiofrequente elektromagnetische velden en slaapstoornissen onderzocht. De resul-
      taten duiden erop dat blootstelling aan de relatief hoge veldsterktes bij mobiele telefoons
      (die 50 tot 100 maal hoger zijn dan de veldsterktes in woonruimtes nabij basisstations)
      invloed kan hebben op de hersenactiviteit tijdens de slaapcyclus. De natuurlijke elektri-
      sche activiteit in de hersenen vertoont een zeer karakteristiek cyclisch golfpatroon tijdens
      de slaap. Blootstelling aan externe elektromagnetische velden kan leiden tot veranderin-
      gen in dat patroon. Voor lagere veldsterktes zijn nooit aanwijzingen voor een dergelijk
      verband gevonden. De commissie acht het onwaarschijnlijk dat deze effecten voor zullen
      komen bij de zeer lage veldsterktes die bij basisstations aanwezig zijn. Overigens resul-
      teerde de invloed op het slaappatroon in geen van de onderzoeken tot gezondheidsklach-
      ten bij de onderzochte vrijwilligers. Soms was er zelfs sprake van een positief effect,
      doordat men tijdens blootstelling sneller in slaap viel en minder vaak wakker werd
      (Bor99).
           Klachten over slaapstoornissen zijn wel gevonden in een onderzoek onder omwonen-
      den van een kortegolfzendstation bij Schwarzenburg in Zwitserland. De commissie heeft
      het eindrapport van dit onderzoek bestudeerd en zet vraagtekens bij de opzet en uitvoe-
      ring ervan (Alt95). Zij meent dat de gegevens uit het rapport onvoldoende hard maken
      dat er een verband is tussen blootstelling aan de radiofrequente velden van het kortegolf-
      station en het optreden van slaapstoornissen of andere aspecifieke gezondheidsklachten.
           Hoofdpijn is een andere aspecifieke klacht die nogal eens in verband wordt gebracht
      met blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden. Er zijn echter geen on-
      derzoeksresultaten die een onderbouwing bieden voor het bestaan van een oorzakelijk
      verband. De commissie kent ook geen aannemelijk biologisch mechanisme dat zo’n ver-
      band zou kunnen verklaren. Bedacht moet worden dat hoofdpijn vele oorzaken kan heb-
      ben. Een belangrijke oorzaak is spanning. Het is zeer goed mogelijk dat onzekerheid en
      onbekendheid over de ‘straling’ die van mobiele telefoons en hun basisstations afkomstig
      is, psychische spanningen veroorzaakt die tot hoofdpijnklachten leiden. In 3.2.4 gaat de
      commissie nader in op psychosomatische verschijnselen.
           Een laatste te bespreken verschijnsel is de mogelijke invloed van blootstelling aan ra-
      diofrequente elektromagnetische velden op cognitieve functies, zoals geheugen, reactie-
      Gezondheidsaspecten                                                                          22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>      snelheid en concentratie. In een onderzoek van Preece e.a. (Pre99) werden gezonde vrij-
      willigers blootgesteld aan GSM 900-signalen van een mobiele telefoon. Van een serie
      van 15 verschillende tests, bleek er één een significant positieve verandering te vertonen:
      in één van de reactiesnelheidstests nam de reactiesnelheid met 3% toe. In een qua opzet
      vergelijkbaar onderzoek van Koivisto e.a. (Koi00) zijn 12 cognitieve tests afgenomen.
      Voor drie daarvan wordt een significante vermindering van de functie in kwestie gerap-
      porteerd. De commissie vindt echter de statistische bewerking van de gegevens onjuist is
      en kan de conclusie van de auteurs dat een effect is vastgesteld daarom niet onderschrij-
      ven. Bovendien zijn de positieve tests in beide onderzoeken verschillend. In een onder-
      zoek van Freude e.a. (Fre00), waarbij ook blootstelling aan elektromagnetische velden
      van een GSM 900-telefoon plaats vond, is geen effect gevonden bij drie cognitieve func-
      tietests, maar wel op spontane elektrische hersenactiviteit. Bij de meest veeleisende van
      de drie functietests zijn geringe veranderingen in langzame hersenpotentialen gemeten.
      De commissie concludeert dat een directe invloed van blootstelling aan radiofrequente
      elektromagnetische velden op cognitieve functies niet is uit te sluiten, maar dat de tot
      dusver gevonden effecten zeer gering en reversibel zijn. De commissie vindt dat er meer
      goed opgezet onderzoek nodig is naar de aard en omvang van deze effecten. Op grond
      van de huidige gegevens concludeert zij dat het onwaarschijnlijk is dat gezondheidspro-
      blemen zullen optreden bij de blootstellingsniveaus die samenhangen met het gebruik van
      een mobiele telefoon. Zij acht het vrijwel uitgesloten dat de vele malen lagere veldsterk-
      tes in de nabijheid van basisstations veranderingen van cognitieve functies veroorzaken.
3.2.4 Psychosomatische effecten
      Niettegenstaande het hierboven genoemde, zijn er duidelijke aanwijzingen voor het be-
      staan van een relatie tussen het optreden van aspecifieke klachten en het wonen in de na-
      bijheid van een basistation of een andere antenne-installatie. Het is aannemelijk dat angst
      voor elektromagnetische velden (‘straling’) hierbij een rol speelt. Een onderbouwing van
      deze aanname is vooral te vinden in een overzichtsartikel over onderzoek naar de relatie
      tussen subjectieve gezondheidsklachten (‘elektromagnetische hypersensitiviteit’) en
      blootstelling aan elektromagnetische velden (Ber97). Daaruit blijkt dat er geen verband
      bestaat tussen het optreden van de klachten en de sterkte en frequentie van de elektro-
      magnetische velden. Ook zijn de resultaten vaak tegenstrijdig en inconsequent en is geen
      biologisch mechanisme bekend dat de klachten zou kunnen verklaren.
           Onderzoek naar de gezondheidseffecten van ioniserende straling en van blootstelling
      aan giftige stoffen geeft sterke aanwijzingen dat mensen die vrezen dat zij worden bloot-
      gesteld aan voor de gezondheid schadelijke invloeden, klachten kunnen krijgen die zij
      toeschrijven aan de gevolgen van deze blootstelling. Ook kunnen zij bestaande klachten
      Gezondheidsaspecten                                                                         23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    of ziekten toeschrijven aan de (al dan niet vermeende) blootstelling en kunnen zij een se-
    lectieve waarneming vertonen van lichamelijke verschijnselen en die in verband brengen
    met de blootstelling. Op grond van sterke correlaties tussen het optreden van dit soort
    klachten of attributies en maten voor (psychische) stress wordt aangenomen dat het hier
    gaat om psychische effecten (Hav99). Het is niet onwaarschijnlijk dat soortgelijke effec-
    ten ook bij blootstelling aan elektromagnetische velden optreden en dat de perceptie van
    het aan die blootstelling verbonden risico een rol speelt bij het ontstaan van die effecten
    (Mat98, Ren97).
3.3 Elektromagnetische compatibiliteit
    In toenemende mate wordt bij de behandeling van bepaalde categorieën patiënten gebruik
    gemaakt van implanteerbare medische hulpmiddelen, bijvoorbeeld pacemakers en ander-
    soortige stimulatoren en insulinepompjes. Het is van belang dat dergelijke apparatuur
    onder alle omstandigheden ongestoord blijft functioneren. Is dit niet het geval, dan zou
    dat negatieve gevolgen voor de gezondheid kunnen hebben. Daarom besteedt de commis-
    sie hier aandacht aan mogelijke storing van dergelijke apparaten door elektromagnetische
    velden.
         Elektromagnetische compatibiliteit (EMC) is het vermogen of de eigenschap van een
    elektrisch of elektronisch apparaat om bevredigend te functioneren in zijn elektromagne-
    tische omgeving zonder zelf ontoelaatbare stoorsignalen toe te voegen (IEC89). Ofwel:
    apparaten mogen niet storen en moeten zelf voldoende ongevoelig (immuun) te zijn voor
    storingen. Om enige zekerheid te hebben dat aan de immuniteitseis wordt voldaan, is in
    1992 de EMC-richtlijn 89/336/EEG van de Europese gemeenschap van kracht geworden
    (REG89)*. Op grond van deze richtlijn rust bij de fabrikant de plicht om er voor te zor-
    gen en aan te tonen dat zijn apparaat voldoende immuun is. De EMC-richtlijn
    89/336/EEG is een zogenaamde ‘horizontale’ (algemene) richtlijn. Voor specifieke groe-
    pen apparaten kunnen andere richtlijnen van toepassing zijn. Dit is onder meer het geval
    voor medische apparatuur (93/42/EEG) en voor actieve implanteerbare medische appa-
    raten (90/385/EEG) (REG90, REG93).
         Voor medische apparatuur is, met inachtneming van de betreffende richtlijn, een ge-
    harmoniseerde EMC-norm opgesteld van 3 V/m voor het frequentiegebied van 26 MHz
    – 1 GHz (IEC93)**. Deze norm is echter niet van toepassing op frequenties boven 1
    GHz, terwijl er toch in toenemende mate gebruik gemaakt wordt van dit deel van het
    elektromagnetisch spectrum, bijvoorbeeld door het DCS 1800 systeem. Dat maakt het
    aantonen van immuniteit in dit frequentiegebied lastiger.
*   Europese richtlijnen zijn dwingend en dienen in nationale wetgeving geïmplementeerd te worden.
**  Dergelijke normen hebben een vrijwillig karakter en dienen als hulpmiddel om te bepalen of aan de in de richtlijnen
    genoemde essentiële eisen wordt voldaan.
    Gezondheidsaspecten                                                                                               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>     Met betrekking tot geïmplanteerde medische hulpmiddelen stelt de Europese richtlijn
90/385/EEG essentiële eisen aan de immuniteit. Die eisen zijn nader uitgewerkt in tech-
nische normen die vaststellen tegen welke minimale veldsterktes deze apparaten bestand
moeten zijn. Deze minimale veldsterktes zijn enerzijds hoger dan de veldsterkte in de
hierboven genoemde algemene immuniteitseisen voor medische apparatuur en anderzijds
hoger dan de op gezondheidskundige overwegingen vastgestelde blootstellingslimieten,
zoals die van de Gezondheidsraad en de ICNIRP (GR97, ICN98). Indien aan deze ge-
zondheidskundige richtlijnen is voldaan, is het onwaarschijnlijk dat er storingen zullen
optreden in de betreffende medische implantaten. Ook deze technische normen stellen
echter geen eisen voor frequenties boven 1 GHz. Het ligt wel in de rede dat bij frequen-
ties die niet veel hoger zijn dan 1 GHz de apparatuur een immuniteit heeft die vergelijk-
baar is met die voor frequenties onder 1 GHz.
     Recent heeft TNO een uitgebreid onderzoek gedaan naar de effecten van elektromag-
netische velden op medische apparatuur, zoals insuline- en infuus-pompen (Hen00). De
resultaten van dit onderzoek geven geen aanleiding te veronderstellen dat in de woonom-
geving van een basisstation de goede werking van deze apparatuur verstoord wordt. Dit
geldt, op grond van andere publicaties, ook voor pacemakers. Wel is in het Gezondheids-
raadadvies van 1997 geadviseerd een minimale afstand van 15 cm te handhaven tussen
een ingeschakelde draagbare telefoon en een geïmplanteerde pacemaker. Het lijkt zinvol
dat advies voorlopig nog te handhaven.
     Het is in principe mogelijk dat ambulante medische apparatuur (niet zijnde medische
implantaten) die voldoet aan de EMC-norm, in een omgeving met een veldsterkte bene-
den de gezondheidskundige blootstellingslimiet toch in zijn goede werking wordt ge-
stoord. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer die apparatuur zich in de directe na-
bijheid van een zendinstallatie bevindt. Het bovengenoemde TNO-rapport bevestigt eer-
dere bevindingen dat een ingeschakelde draagbare telefoon op korte afstand van dergelij-
ke medische apparatuur in sommige gevallen de werking kan verstoren. De commissie
vindt dat dit probleem het beste door een goede publieksvoorlichting in de gebruiksaan-
wijzingen van zowel de draagbare telefoons als de medische apparaten kan worden on-
dervangen.
Gezondheidsaspecten                                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 4
          Voorzorgsbeginsel
          In de adviesaanvraag wordt verzocht aan te geven in hoeverre er aanleiding is om op ba-
          sis van het voorzorgsbeginsel stringentere normen te hanteren dan op grond van thermi-
          sche effecten. Het voorzorgsbeginsel is expliciet in het EG-verdrag vastgelegd als één
          van de uitgangspunten van het milieubeleid. Ook in Nederland is dit het geval. Het voor-
          zorgsbeginsel wordt echter, mede op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie
          van de Europese Gemeenschap, ook op andere beleidsterreinen toegepast, waaronder
          volksgezondheid.
               In februari 2000 heeft de Europese Commissie ter informatie voor de lidstaten een
          mededeling over de toepassing van het voorzorgsbeginsel gepresenteerd (Com00). Zij
          geeft hierin aan dat het zou moeten worden toegepast als er sprake is van een redelijk
          vermoeden van het bestaan van een milieu- of gezondheidsrisico. Bovendien geeft de Eu-
          ropese Commissie aan dat maatregelen gebaseerd op het voorzorgsbeginsel niet gericht
          moeten zijn op het volledig uitbannen van enig risico. Zij gaat er dus al van uit dat zo’n
          inspanning niet realistisch is. In dit advies hanteert de commissie een pragmatische bena-
          dering en gaat zij na of er sprake is van een redelijk vermoeden van het bestaan van een
          gezondheidsrisico als gevolg van niet-thermische effecten, dat zou kunnen leiden tot toe-
          passing van het voorzorgsbeginsel.
               In de Aanbeveling van de Raad van de Europese Unie betreffende de beperking
          van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz – 300 GHz
          (REU99) staat in Bijlage 1 de opmerking:
          Voorzorgsbeginsel                                                                          26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>    Omdat tussen de grenswaarden voor acute effecten en de basisrestricties een veiligheidsfactor van onge-
    veer 50 ligt, bestrijkt deze aanbeveling impliciet eventuele langetermijneffecten in het gehele frequentie-
    gebied.
    De commissie kan zich met deze benadering niet geheel verenigen. Zij maakt met betrek-
    king tot het toepassen van het voorzorgsbeginsel een onderscheid tussen thermische en
    niet-thermische effecten.
4.1 Thermische effecten
    Thermische effecten zijn wetenschappelijk vastgesteld (zie 3.1) en vormen de basis voor
    de huidige blootstellingslimieten. Bij het vaststellen van deze blootstellingslimieten zijn
    veiligheidsmarges toegepast. Dit kan op zich niet worden beschouwd als het geven van
    een invulling aan het voorzorgsbeginsel in de zin zoals dat in de mededeling van de Euro-
    pese Commissie (Com00) wordt bedoeld. Toch zit er wel een zekere mate van voorzorg
    in deze aanpak, omdat de veiligheidsmarges bedoeld zijn om een hoog niveau van be-
    scherming te bieden aan alle leden van de bevolking, ook hen die wellicht een minder ef-
    ficient temperatuurregelingsmechanisme hebben dan de gezonde volwassenen waarmee
    de experimentele gegevens zijn verkregen. De uiteindelijke blootstellingslimieten zijn
    door toepassing van de veiligheidsmarges op een zodanig niveau vastgesteld, dat er bij
    blootstelling aan veldsterktes onder de limieten geen redelijk vermoeden is van het be-
    staan van gezondheidsrisico’s. Er is dan dus geen reden om het voorzorgsbeginsel op
    thermische effecten toe te passen.
4.2 Niet-thermische effecten
    Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt, dat in in vitro experimenten en in onderzoeken
    met proefdieren soms effecten van blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische
    velden gevonden worden die hoogstwaarschijnlijk niet door temperatuurveranderingen
    verklaard kunnen worden. In geen enkel geval is echter gevonden dat dergelijke op korte
    termijn optredende biologische effecten tot gezondheidsschade op de korte of lange ter-
    mijn leiden. Het menselijk lichaam heeft een groot vermogen om allerlei invloeden die er
    van buiten af op inwerken zodanig te neutraliseren dat geen gezondheidsproblemen ont-
    staan. Bovendien is het ook in staat tot fysiologische adaptatie. Was dat niet het geval,
    dan zou de gemiddelde levensduur aanzienlijk korter zijn dan nu het geval is, omdat een
    mens in het dagelijks leven voortdurend wordt blootgesteld aan kunstmatige, maar vooral
    ook aan natuurlijke potentieel schadelijke stoffen, straling en bedreigingen van biologi-
    sche aard. Een biologisch effect leidt daarom niet automatisch altijd tot een voor de ge-
    zondheid schadelijk effect.
    Voorzorgsbeginsel                                                                                           27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    Een belangrijke vraag is, of er aanwijzingen zijn voor het bestaan van een relatie tus-
sen blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden en de ontwikkeling van
kanker. In 3.2.2 heeft de commissie geconcludeerd dat de beschikbare gegevens geen
aanwijzingen geven voor het bestaan van een oorzakelijk verband.
     Regelmatig wordt het vermoeden geuit dat een grote verscheidenheid aan gezond-
heidsproblemen, die veelal aspecifiek van aard zijn, het gevolg zou kunnen zijn van
blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden afkomstig van basisstations
of mobiele telefoons. Het betreft klachten als hoofdpijn, slapeloosheid en concentratie-
stoornissen. Dergelijke klachten kunnen door velerlei oorzaken ontstaan. In het voor-
gaande hoofdstuk zijn sporadische, niet eenduidige gegevens beschreven, die wijzen op
een mogelijke invloed van radiofrequente elektromagnetische velden op bepaalde her-
senactiviteiten.
    De commissie vindt dat er voor geen van deze drie categorieën niet-thermische effec-
ten –biologische effecten, carcinogenese en aspecifieke klachten– thans een redelijk ver-
moeden is van een gezondheidsrisico. In de pragmatische benadering van de commissie is
dan het antwoord op de vraag van de bewindslieden, of er aanleiding is om door middel
van toepassing van het voorzorgsbeginsel de blootstellingslimieten op een lager niveau
vast te stellen dan de waarden die op grond van thermische effecten zijn voorgesteld, ne-
gatief. Zoals in 1.2 aangegeven is het echter ten principale een politieke beslissing om het
voorzorgsbeginsel al of niet toe te passen. Gezien de vragen die er nog zijn en in het licht
van de toenemende omvang van de blootstelling van de bevolking aan door onder meer
mobiele telefonie veroorzaakte elektromagnetische velden, pleit de commissie wel voor
nader onderzoek naar mogelijk door die velden veroorzaakte niet-thermische effecten.
Voorzorgsbeginsel                                                                            28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 5
          Blootstellingslimieten
          In het voorgaande heeft de commissie betoogd dat zij geen aanleiding ziet af te wijken
          van de huidige blootstellingslimieten. Zij handhaaft derhalve de aanbevelingen voor
          blootstellingslimieten die gegeven zijn in de adviezen Radiofrequente elektromagneti-
          sche velden (300 Hz – 300 GHz) en Elektromagnetische velden (0 Hz – 10 MHz)
          (GR97, GR00).
               In het voorgaande hoofdstuk is melding gemaakt van de Aanbeveling van de Raad
          van de Europese Unie betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan
          elektromagnetische velden van 0 Hz – 300 GHz (REU99). Deze aanbeveling bevat
          blootstellingslimieten voor de algemene bevolking die gebaseerd zijn op de richtlijnen zo-
          als opgesteld door de ICNIRP (International Committee on Non-Ionizing Radation Pro-
          tection) (ICN98). Die richtlijnen wijken op enkele onderdelen af van de aanbevelingen
          van de Gezondheidsraad uit 1997. De basisbeperkingen in het frequentiegebied waarin
          de frequenties liggen waarmee mobiele telefonie werkt, zijn gelijk: een maximale energie-
          opname, uitgedrukt als Specific Absorption Rate, SAR, van 0,4 W/kg voor beroepsmati-
          ge blootstelling en een SAR van 0,08 W/kg voor de algemene bevolking, gemiddeld over
          elke willekeurige blootstellingsperiode van 6 minuten. Met betrekking tot de afgeleide
          waarden, waarmee in de dagelijke praktijk wordt gewerkt, zijn er echter verschillen tus-
          sen de aanbevelingen van de ICNIRP en de Gezondheidsraad, omdat er in het frequentie-
          gebied van 10 GHz tot 300 GHz verschillen in de basisbeperkingen zijn die naar lagere
          frequenties doorwerken. Die verschillen hebben een tweeledige oorzaak.
               Ten eerste stelt de ICNIRP voor het frequentiegebied tussen 10 GHz en 300 GHz als
          basisbeperking een vermogensdichtheid van het elektromagnetische veld vast van 50
          Blootstellingslimieten                                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>W/m2; de Gezondheidsraad adviseert 100 W/m2. Laatstgenoemde waarde komt overeen
met aanbevelingen van andere organisaties (IEEE92, NRPB93) en sluit aan bij interna-
tionale richtlijnen voor blootstelling aan elektromagnetische velden met frequenties hoger
dan 300 GHz (d.w.z., infrarood straling) (Ron98). De ICNIRP geeft geen andere onder-
bouwing van de lagere waarde dan dat zij een ‘conservative approach’ volgt.
     De tweede oorzaak voor de verschillen tussen de aanbevelingen van de ICNIRP en
de Gezondheidsraad is het feit dat de ICNIRP voor het gehele frequentiegebied tot aan
300 GHz hetzelfde onderscheid maakt tussen aanbevelingen voor de beroeps- en algeme-
ne bevolking, terwijl bij de Gezondheidsraad dat verschil tussen 10 GHz en 300 GHz ge-
leidelijk kleiner wordt en bij 300 GHz niet meer bestaat. De reden hiervoor is, dat bij fre-
quenties boven 300 GHz geen onderscheid wordt gemaakt tussen de twee groepen, en dat
het niet logisch zou zijn om bij 300 GHz een plotselinge overgang te hebben in de bloot-
stellingslimieten voor de algemene bevolking.
     Omdat de commissie op het standpunt staat dat de aanbevelingen van de Gezond-
heidsraad uit 1997 logischer en consequenter zijn dan die van de ICNIRP uit 1998 (en
dus ook logischer dan de aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie uit 1999)
handhaaft zij de aanbevelingen uit het advies Radiofrequente elektromagnetische velden
(300 Hz – 300 GHz) (GR97). Voor de frequenties waarmee GSM 900 en DCS 1800
mobiele telefoonsystemen werken, zijn de blootstellingslimieten in tabel 2 vermeld. Ter
vergelijking zijn de ICNIRP aanbevelingen ook aangegeven.
 Tabel 2 Blootstellingslimieten voor 900 en 1800 MHz.
                                              basisbeper- afgeleide waardes
                                              king
                                              SAR (W/kg)  elektrisch magne-     magnetische
                                                          veld (V/m) tisch veld fluxdichtheid
                                                                      (A/m)     (µT)
 900 MHz       beroeps-        GR             0,4         109         0,29      0,36
               bevolking       ICNIRP         0,4          90         0,24      0,3
               algemene        GR             0,08         49         0,13      0,16
               bevolking       ICNIRP         0,08         41         0,11      0,14
 1800 MHz      beroeps-        GR             0,4         180         0,47      0,6
               bevolking       ICNIRP         0,4         127         0,34      0,42
               algemene        GR             0,08         81         0,22      0,26
               bevolking       ICNIRP         0,08         58         0,16      0,2
Deze waarden zijn van toepassing op de frequenties waarmee de informatieoverdracht
tussen het basisstation en de mobiele telefoons plaats vindt. Basisstations kunnen onder-
Blootstellingslimieten                                                                        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>             ling verbonden zijn met straalverbindingen. Die werken met frequenties tussen 24 en 40
             GHz. De blootstellingslimieten voor deze frequenties staan in tabel 3.
Tabel 3 Blootstellingslimieten voor frequenties tussen 10 GHz en 300 GHz.
                                                                          basisbeper-       afgeleide waardes
                                                                          king
                                                                          vermogens-        elektrisch veld magnetisch           magnetische
                                                                          dichtheid         (V/m)              veld (A/m)        fluxdichtheid
                                                                                  2
                                                                          (W/m )                                                 (µT)
10-300 GHz         beroeps-                                GR             100               194                0,52              0,65
                   bevolking                               ICNIRP          50               137                0,36              0,45
                   algemene                                GR              20                49,5 x f 0,24 a   0,13 x f 0,24 a   0,17 x f 0,23 a   f in GHz
                   bevolking                               ICNIRP          10                61                0,16              0,2
a
    In GR97 was een onjuiste formule vermeld.
             De blootstellingslimieten voor de elektrische veldsterkte zijn ter illustratie uitgezet in fi-
             guur 3, waarbij ook weer de vergelijking met de ICNIRP-richtlijnen is gemaakt.
                                               1000
                                                                      900 MHz           1800 MHz
                       elektrisch veld (V/m)
                                                                                                                        GR
                                                100                                                               ICNIRP
                                                       beroepsbevolking
                                                       algemene
                                                       bevolking
                                                 10
                                                      10            100          1000       10000         100000         1000000
                                                                                 frequentie (MHz)
             Figuur 3 Afgeleide waarden zoals gegeven door de Gezondheidsraad (getrokken lijnen) en de ICNIRP
             (gestippelde lijnen), voor de beroeps- en de algemene bevolking.
             Blootstellingslimieten                                                                                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 6
          Veldsterkteniveaus bij basisstations
6.1       Antennes
6.1.1     Bundelkarakteristiek
          De antenne zendt de elektromagnetische velden voornamelijk in voorwaartse horizontale
          richting uit, waarbij de bundel onder een hoek van 3 tot 6 graden naar beneden is gericht.
          Bij de meest gebruikelijke opbouw van een basisstation zijn er drie antennes. In dat geval
          wordt vanaf elke antenne de bundel in het horizontale vlak onder een hoek van circa 1200
          verspreid (figuur 4), zodat drie antennes een volledige cirkel dekken.
          Figuur 4 Schematische voorstelling van de hoofdbundel van een antenne.
          Veldsterkteniveaus bij basisstations                                                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>6.1.2 Veldsterkte in de bundel
      De veldsterkte in de bundel is afhankelijk van het vermogen dat in de antenne wordt ge-
      voerd en van de afstand tot de antenne. In het gebied dichtbij de antenne, het nabijheids-
      veld, is er geen lineair verband tussen de veldsterkte en de afstand, in het verre veld is dit
      wel het geval. Voor het berekenen van de grens tussen nabijheidsveld en verre veld is de
      afmeting van de bron van belang (GR97).
           Bij de meest gebruikelijke antennes van basisstations blijft het nabijheidsveld be-
      perkt tot een afstand van enkele meters van de antennes. In het nabijheidsveld neemt de
      veldsterkte buiten de bundel zeer sterk af met toenemende afstand tot de bundel. Uit een-
      voudige berekeningen blijkt dat voor een antenne met een uitgestraald vermogen van cir-
      ca 20 Watt, een representatieve waarde voor in Nederland opgestelde antennes, de bloot-
      stellingslimiet voor de algemene bevolking alleen binnen de bundel en binnen een afstand
      van circa 3 meter overschreden kan worden. In figuur 5 is een schematische voorstelling
      gegeven van genoemde berekende veldsterktes.
                                                                     50 V/m
                                      1m
                                      2m
                                                                             10 V/m
                                      3m              5 V/m
                                      4m                               2 V/m
                                            0m    1m     2m     3m     4m
      Figuur 5 Schematische voorstelling van de veldsterktes in de directe nabijheid van een GSM
      900-antenne met een vermogen van circa 20 W.
      Veldsterkteniveaus bij basisstations                                                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>6.1.3 Veldsterkte buiten de bundel
      Buiten de bundel zijn de veldsterktes aanzienlijk lager dan in de bundel en worden de
      blootstellingslimieten niet overschreden (zie figuur 5).
           Uit metingen die op diverse plaatsen in de omgeving van GSM 900- en DCS
      1800-antennes zijn verricht, blijkt dat buiten de bundel op een afstand van 1 à 1,5 m van
      de onderkant van de bundel en op een afstand van minder dan circa 3 m van de antenne
      de veldsterkte niet hoger is dan circa 3 V/m. Op grotere afstand van de bundel en van de
      antenne is de veldsterkte omgekeerd evenredig met de afstand. Op de meeste begaanbare
      plaatsen op het dak zijn de veldsterktes in het algemeen lager dan 1 V/m. In Bijlage C is
      een voorbeeld gegeven van veldsterktemetingen en –berekeningen in de omgeving van
      een basisstation.
           Als gevolg van de afschermende werking van dakconstructies is in ruimten onder het
      dak de veldsterkte lager dan op het dakoppervlak. Uit diverse metingen blijkt dat die
      veldsterkte lager is dan circa 0,2 V/m.
           Op grotere afstand van de antennes (bijvoorbeeld op straatniveau) zal de veldsterkte
      ook aanzienlijk lager zijn dan 1 V/m. De werkelijke veldsterkte zal van plaats tot plaats
      en van tijd tot tijd verschillen. Enerzijds komt dit doordat het uitgezonden vermogen van
      een GSM 900- of DCS 1800-antenne afhangt van de vraag naar capaciteit (en die is
      weer een functie van het aantal gesprekken dat tegelijkertijd gevoerd wordt). Anderzijds
      neemt de relatieve bijdrage van andere bronnen op grotere afstand van een basisstation
      toe. De blootstelling ligt in alle gevallen aanzienlijk onder de blootstellingslimieten.
6.2   Schotelantennes
6.2.1 Bundelkarakteristiek
      De antenne zendt elektromagnetische velden met een frequentie tussen 24 en 40 GHz uit
      in een zeer nauwe bundel. De openingshoek is niet meer dan circa 30. Hierdoor is de
      bundel te vergelijken met de lichtbundel van een laser.
6.2.2 Veldsterkte in de bundel
      Het vermogen van de bij basisstations gebruikte schotelantennes is niet meer dan circa
      130 mW. De maximale vermogensdichtheid voor dergelijke antennes bedraagt viermaal
      het quotiënt van het beschikbaar vermogen en de oppervlakte van de antenne en treedt op
      in de hoofdbundel binnen een afstand tot de antenne die overeenkomt met een achtste van
      de verreveld-afstand (Pey61). De verreveld-afstand varieert van 14,4 m bij 24 GHz tot
      Veldsterkteniveaus bij basisstations                                                      34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>      24 m bij 40 GHz. De maximale vermogensdichtheid treedt derhalve op binnen 1,8 tot 3
      m van de antenne.
           Voor een antenne met een diameter van 30 cm en een maximaal vermogen van 130
      mW is de maximale vermogensdichtheid 7,4 W/m2, overeenkomend met een elektrische
      veldsterkte van 52,7 V/m. De blootstellingslimiet is voor de algemene bevolking 20
      W/m2, of minimaal 106 V/m (voor een 24 GHz zender). Zelfs in de bundel wordt de
      blootstellingslimiet dus niet overschreden. De kans dat iemand in de bundel terecht komt
      is bovendien klein, omdat de bundel smal is en zich bij de gebruikelijke opstelling (aan
      een mast) buiten het bereik van het algemene publiek bevindt.
6.2.3 Veldsterkte buiten de bundel
      De veldsterkte buiten de bundel is overal aanzienlijk lager dan binnen de bundel en dus
      eveneens aanzienlijk lager de blootstellingslimiet.
      Voor afstanden tot de schotelantenne groter dan de halve verreveld-afstand neemt de
      door de antenne opgewekte elektrische veldsterkte bij benadering omgekeerd evenredig af
      met de afstand. De elektrische veldsterkte laat zich in dit geval eenvoudig berekenen. Ta-
      bel 4 geeft resultaten van berekeningen van de veldsterkte buiten de hoofdbundel op een
      afstand van 4 m tot een schotelantenne.
       Tabel 4 Elektrische veldsterkte buiten de hoofdbundel op 4 m afstand van
       een schotelantenne met een vermogen van 130 mW.
       aantal graden buiten hoofdbundel      elektrische veldsterkte (V/m)
         5°                                  < 3,6
        20°                                  < 1,5
        50°                                  < 0,5
       100°                                  < 0,15
      Veldsterkteniveaus bij basisstations                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 7
          Laagfrequent geluid en trillingen
          Er bestaan bij sommigen vermoedens dat een deel van de klachten die bewoners van ge-
          bouwen waarop een antenne-installatie staat soms uiten, het gevolg zou kunnen zijn van
          laagfrequent geluid of trillingen afkomstig van de apparatuurkast of van door de wind
          veroorzaakte beweging van de mastconstructie of van eventuele tuidraden.
               De commissie weet uit mondelinge rapportages dat in enkele gevallen inderdaad na
          veranderingen aan de apparatuurkast een vermindering van de klachten is opgetreden.
          Voor zover haar bekend is dit niet schriftelijk gedocumenteerd. In de wetenschappelijke
          literatuur zijn hierover ook geen gegevens te vinden.
               De commissie meent dat bij het behandelen van klachten onderzocht zou moeten
          worden of laagfrequent geluid of trillingen mogelijk een rol spelen.
          Laagfrequent geluid en trillingen                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 8
          Conclusies en aanbevelingen
          De commissie handhaaft de blootstellingslimieten die zijn voorgesteld in het advies Radi-
          ofrequente elektromagnetische velden (300 Hz – 300 GHz) (GR97). De wetenschappe-
          lijke gegevens over niet-thermische effecten, waaronder de resultaten van epidemiologi-
          sche onderzoeken naar een mogelijk verband tussen blootstelling aan radiofrequente
          elektromagnetische velden en het vóórkomen van kanker, geven volgens de commissie
          geen aanleiding tot verlaging van de huidige blootstellingslimieten. De aanwijzingen dat
          ten gevolge van niet-thermische effecten gezondheidsproblemen kunnen optreden zijn
          daarvoor te zwak.
               De blootstellingslimieten zijn vooral van belang voor situaties waar mensen zich in
          de directe omgeving van antennes kunnen bevinden.
8.1       Algemene bevolking
          De commissie acht de kans dat zich in woon- en werkruimtes nabij GSM 900- en DCS
          1800-basisstations gezondheidsproblemen voordoen als gevolg van blootstelling aan de
          elektromagnetische velden die van de antennes afkomstig zijn, uiterst gering. De veld-
          sterktes liggen altijd ruimschoots beneden de door de Gezondheidsraad en andere organi-
          saties aanbevolen gezondheidskundige limieten. De commissie wijst er overigens op dat
          ook in de landen waar de blootstellingslimieten met aanroeping van het voorzorgsbegin-
          sel zijn verlaagd, Italië en Zwitserland, de resulterende limieten van 4-6 V/m in verblijfs-
          ruimtes onder basisstations niet overschreden worden.
          Conclusies en aanbevelingen                                                                  37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>      Storingen door de elektromagnetische velden van basisstations in de werking van medi-
      sche implantaten of andere hulpmiddelen zijn, indien voldaan is aan de betreffende Euro-
      pese immuniteitseisen, zo goed als uitgesloten. Nader onderzoek is echter gewenst naar
      mogelijke storingen door draagbare communicatiemiddelen, zoals mobiele telefoons. De
      commissie zal daar in een voorgenomen uitgebreider advies op terug komen.
           Op het dakoppervlak zijn de veldsterktes nabij een basisstation doorgaans hoger dan
      in de ruimtes onder het dak. Als de antennes enkele meters boven het dakoppervlak zijn
      gemonteerd zullen de veldsterktes voor personen die zich op het dakoppervlak bevinden
      altijd beneden de blootstellingslimieten voor de algemene bevolking blijven. In geval van
      twijfel dient dit door middel van meting geverifieerd te worden.
           Als vuistregel kan aangehouden worden dat in de vrije ruimte de minimale afstand
      tot de antennes in de hoofdbundel 3 meter moet zijn en buiten de bundel 0,5 meter. Voor
      de meeste antennes betekent dit weliswaar een extra veiligheidsmarge, maar het is een-
      voudiger en praktischer om overal dezelfde afstand aan te houden dan die te laten varië-
      ren afhankelijk van het vermogen van de antenne. Omdat antennes nagenoeg niet naar
      achteren uitstralen, is voor antennes die aan de gevel zijn bevestigd dit gegeven, in com-
      binatie met de afzwakking door de gevelconstructie, voldoende om de geveldikte als mi-
      nimale afstand aan te houden.
      Overal waar het mogelijk is om binnen bovengenoemde afstand van een antenne te ko-
      men, dienen maatregelen genomen te worden om dit te verhinderen.
8.2   Beroepsmatig blootgestelden
      Voor beroepsmatige blootstelling zijn bij een afstand van meer dan 10 cm tot de boven-,
      onder- en achterzijde van een antenne en tot de hoofdbundel geen bijzondere maatregelen
      nodig. Is de afstand kleiner of dient men zich dichtbij de antenne in de hoofdbundel te be-
      geven, dan moeten veiligheidsmaatregelen genomen worden. Het werkdocument Guideli-
      nes for defining working conditions related to exposure to non-ionising electromagne-
      tic fields van het European Technical Standardization Institute (ETSI00) geeft hiervoor
      een goede handreiking.
8.3   Klachten
8.3.1 Gezondheid
      De commissie vindt dat te allen tijde bewoners in een zo vroeg mogelijk stadium, dat wil
      zeggen al tijdens de planningsfase, bij de bouw van een basisstation betrokken moeten
      worden. Goede voorlichting en informatieverstrekking kan gezondheidsklachten bij om-
      Conclusies en aanbevelingen                                                                 38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>      wonenden voorkomen, omdat dergelijke klachten veelal het gevolg zullen zijn van angst
      voor het onbekende, te meer als daarbij ook nog straling een rol speelt. Treden er klach-
      ten op, dan dienen deze altijd serieus genomen te worden. Ook achteraf kan voorlichting
      veel problemen wegnemen.
           Bij aanhoudende klachten zou onderzocht kunnen worden of mogelijk laagfrequent
      geluid of trillingen een rol spelen.
8.3.2 Storingen
      Bij de huidige veldsterktes in woon- of verblijfruimtes in de nabijheid van basisstations
      is het vrijwel uitgesloten dat zich storingsproblemen met medische of andere elektrische
      of elektronische apparatuur voordoen als die apparatuur voldoet aan de Europese immu-
      niteitsrichtlijnen. Mochten desondanks storingen optreden (en dat zal vrijwel uitsluitend
      het geval zijn bij niet-medische elektronische apparatuur), dan moeten deze uiteraard al-
      tijd zo snel mogelijk worden verholpen. De Regeling storingsklachten biedt daartoe een
      afdoende handvat (Stc99).
8.4   Wet- en regelgeving
      Er is op dit moment in Nederland geen wettelijke mogelijkheid om plaatsing van anten-
      nes (en daarmee ook van basisstations) op grond van gezondheidsoverwegingen te regu-
      leren. De commissie beveelt aan dat, in lijn met het Europese R&TTE-directief (Radio
      and Telecommunications Terminal Equipment) (Eur99) een dergelijke mogelijkheid tot
      stand wordt gebracht, bijvoorbeeld door wijziging van de Telecommunicatiewet of de
      Wet Milieubeheer.
8.5   Controle en handhaving
      De commissie beveelt aan dat er op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid komt over de
      toedeling van de verantwoordelijkheden liggen voor zowel controle van de inrichting van
      de basisstations als van de door de antennes uitgezonden veldsterktes en voor de handha-
      ving van de betreffende regelgeving. Het ligt niet op haar weg hier verdere uitspraken
      over te doen, maar zij wijst er wel op dat storings- en andere problemen eenvoudiger op-
      gelost en vaak zelfs voorkomen kunnen worden als het voor het publiek duidelijk is tot
      welke instantie zich met vragen kan wenden.
      Conclusies en aanbevelingen                                                               39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>8.6 Centrale registratie technische gegevens
    De commissie stelt in het licht van het in de vorige paragraaf genoemde voor om van alle
    basisstations de technische gegevens, een veldsterkteberekening en de uitkomsten van
    eventuele metingen centraal te registreren. De Duitse aanpak kan hierbij als voorbeeld
    dienen: in Duitsland is het wettelijk voorgeschreven dat elke antenne-installatie wordt
    aangemeld bij de autoriteiten en dat deze melding vergezeld gaat van een ‘locatiecertifi-
    caat’ (Standortbescheinigung) dat is afgegeven door de Regulierungbehörde für Post
    und Telekommunikation en dat alle hierboven genoemde gegevens van de installatie be-
    vat (BMPT97).
    Den Haag, 29 juni 2000,
    voor de commissie
    dr E van Rongen,                          dr EW Roubos,
    secretaris                                voorzitter
    Conclusies en aanbevelingen                                                               40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>       Literatuur
Alt95  Altpeter ES, Krebs Th, Pfluger DH, e.a. Study on the health effects of the shortwave transmitter station
       of Schwarzenburg, Berne, Switzerland. Bern: Bundesamt für Energiewirtschaft, 1995 (BEW Publication
       Series Study No. 55).
Ber97  Bergqvist U, Vogel E (red.). Possible health implications of subjective symptoms and electromagnetic
       fields. A report prepared by a European group of experts for the European Commission, DG V. Arbete
       och Hälsa 1997; 19.
BMPT97 Bundesministerium für Post und Telekommunikation. BMPT Amtsblattverfügung 306/1997.
       http://www.regtp.de/tech_reg_tele; geraadpleegd 22 mei 2000.
Bor99  Borbely AA, Reto H. Graf T, e.a. Pulsed high-frequency electromagnetic field affects human sleep and
       sleep electroencephalogram. Neurosci Lett 1999; 275(3): 207-10.
Bru98  Brusick D, Albertini R, McRee D, e.a. Genotoxicity of radiofrequency radiation. DNA/Genetox Expert
       Panel. Environ Mol Mutagen 1998; 32: 1-16.
Com00  Commission of the European Communities. Communication from the Commission on the precautionary
       principle. Brussels: Commission of the European Communities, 2000; (publicatie nr COM(2000) 1).
D’An99 D’Andrea JA. Behavioral evaluation of microwave irradiation. Bioelectromagnetics 1999; Suppl(4):
       64-74.
Dol97a Dolk H, Elliott P, Shaddick G, e.a. Cancer incidence near radio and television transmitters in Great
       Britain. II. All high power transmitters. Am J Epidemiol 1997; 145(1): 10-7.
Dol97b Dolk H, Shaddick G, Walls P, e.a. Cancer incidence near radio and television transmitters in Great
       Britain. I. Sutton Coldfield transmitter. Am J Epidemiol 1997; 145(1): 1-9.
Elw99  Elwood JM. A critical review of epidemiologic studies of radiofrequency exposure and human cancers.
       Environ Health Perspect 1999; 107(suppl. 1): 155-68.
       Literatuur                                                                                               41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>ETSI00 European Telecommunications Standards Institute (ETSI). Guidelines for defining working conditions
       related to exposure to non-ionising electromagnetic fields. 5th draft. Valbonne: European
       Telecommunications Standards Institute, 2000.
Eur99  Directive 1999/5/EC of the European Parliament and of the Council of 9 March 1999 on radio equipment
       and telecommunications terminal equipment and the mutual recognition of their conformity.
       http://europa.eu.int/comm/enterprise/rtte/dir99-5.htm; geraadpleegd 18 mei 2000.
Fre00  Freude G, Ullsperger P, Eggert S, e.a. Microwaves emitted by cellular telephones affect human slow
       brain potentials. Eur J Appl Physiol 2000; 81(1-2): 18-27.
Gaz98  Regulation containing standards for establishing radio-frequency limits compatible with human health.
       Official Gazette of the Italian Republic, 3 november 1998; 139(257).
GR00   Gezondheidsraad: Commissie ELF elektromagnetische velden. Blootstelling aan elektromagnetische
       velden (0 Hz - 10 MHz). Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/06.
GR97   Gezondheidsraad: Commissie Radiofrequente elektromagnetische velden. Radiofrequente
       elektromagnetische velden (300 Hz - 300 GHz). Rijswijk: Gezondheidsraad, 1997; publicatie nr 1997/01.
Hav99  Havenaar JM, van den Brink W, Savelkoul JTF. Psychologische gevolgen van giframpen. Tijdschr
       Gezondheidswet 1999; 77: 140-50.
Hen00  Hensbroek R. Storing op medische apparatuur thuis door zaktelefoons e.d. - een praktijkonderzoek.
       Leiden: TNO Preventie en Gezondheid, 2000; (publicatie nr PG/TG/00.050).
Hoc96  Hocking B, Gordon IR, Grain HL, e.a. Cancer incidence and mortality and proximity to TV towers. Med
       J Aust 1996; 165(11-12): 601-5.
Hoc99  Hocking B, Gordon I, Hatfield GE. Childhood leukaemia and TV towers revisited. Aust N Z J Public
       Health 1999; 23(1): 104-5.
ICN98  International Commission on Non-ionising Radiation Protection (ICNIRP). Guidelines on limits of
       exposure to time-varying electric, magnetic and electromagnetic fields (1 Hz - 300 GHz). Health Phys
       1998; 74(4): 494-522.
IEC89  International Electrotechnical Committee (IEC). International Electrotechnical Vocabulary. Chapter 161.
       Electromagnetic Compatibility. Geneva: International Electrotechnical Committee, 1989; (publicatie nr
       IEC 50(161)).
IEC93  International Electrotechnical Committee (IEC). Medical electrical equipment - Part 1: general
       requirements for safety. 2. Collateral standard: Electromagnetic Compatibility Requirements and tests.
       First edition 1993-04. Geneva: International Electrotechnical Committee, 1993; (publicatie nr IEC
       60601-1-2).
IEEE92 IEEE standards board. IEEE standard for safety levels with respect to human exposure to radio frequency
       electromagnetic fields, 3 kHz to 300 GHz. New York: The Institute of Electrical and Electronics
       Engineers, Inc., 1992; (publicatie nr IEEE C95.1-1991).
IEG00  Independent Expert Group on Mobile Phones. Mobile phones and health. Chilton: Independent Expert
       Group on Mobile Phones, 2000.
Koi00  Koivisto M, Revonsuo A, Krause C, e.a. Effects of 902 MHz electromagnetic field emitted by cellular
       telephones on response times in humans. NeuroReport 2000; 11(2): 413-5.
       Literatuur                                                                                              42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Mat98  Matthes R, Bernhardt JH, Repacholi MH (red.). Proceedings of an International Seminar on Risk
       perception, risk communication and its application to EMF exposure. München: International
       Commission on Non-ionizing Radiation Protection, 1998.
McK98  McKenzie DR, Yin Y, Morrell S. Childhood incidence of acute lymphoblastic leukaemia and exposure to
       broadcast radiation in Sydney—a second look. Aust N Z J Public Health 1998; 22(3 suppl): 360-7.
McK99  McKenzie DR, Morrell S. Childhood leukaemia and TV towers: the debate continues. Aust N Z J Public
       Health 1999; 23(5): 553-5.
NRPB93 National Radiological Protection Board (NRPB). Board statement on restrictions on human exposure to
       static and time varying electromagnetic fields and radiation. Chilton: National Radiological Protection
       Board, 1993. (Documents of the NRPB, Vol 4, Nr 5).
Ouw99  Ouwens MA, Woltering AB. Veldsterktemetingen GSM 1800-steunpunt. Den Haag: TNO Fysisch en
       Elektronisch Laboratorium, 1999; (publicatie nr FEL-99-C072).
Pey61  Peyton MF (red.). Proceedings of the Fourth Annual Tri-Service Conference on the Biological Effects of
       Microwave Radiation, Volume 1. New York: Plenum Press, 1961.
Pre99  Preece AW, Iwi G, Davies-Smith A, e.a. Effect of a 915-MHz simulated mobile phone signal on
       cognitive function in man. Int J Radiat Biol 1999; 75(4): 447-56.
REG89  Raad van de Europese Gemeenschappen. Richtlijn van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de
       onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit
       (89/336/EEG). Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 1989; L139.
REG90  Raad van de Europese Gemeenschappen. Richtlijn van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de
       onderlinge aanpassing van de wetgeving van de Lid-Staten inzake actieve implanteerbare medische
       hulpmiddelen (90/385/EEG). Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 1990; L189.
REG93  Raad van de Europese Gemeenschappen. Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende
       medische hulpmiddelen. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 1993; L169.
Ren97  Renn O. Mental health, stress and risk perception: insights from psychological research. In: Health
       impacts of large releases of radionuclides. Chichester: Wiley, 1997, 205-31. (Ciba Foundation
       Symposium 203).
REU99  Raad van de Europese Unie. Aanbeveling van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van de
       blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz - 300 GHz. Publicatieblad van de
       Europese Gemeenschappen 1999; L199, 59-70.
Ron98  van Rongen E. Discrepancies in guidelines for exposure limits around 300 GHz. Health Phys 1998;
       75(4): 436-7.
RSC99  Royal Society of Canada. A review of the potential health risks of radiofrequency fields from wireless
       telecommunication devices. Ottawa: Royal Society of Canada, 1999.
Sch99  Schweizerische Bundesrat. Verordnung über den Schutz vor nichtionisierender Strahlung.
       Schweizerischer Bundesrat, 1999.
Stb89  Wet van 19 oktober 1998, houdende regels inzake de telecommunicatie (Telecommunicatiewet).
       Staatsblad 610, 1998.
Stc99  Regeling storingsklachten. Staatscourant 3 juni 1999, 113.
       Literatuur                                                                                              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Voorbeeld van veldsterktes nabij een basisstation
D Sommering van veldsterktes van verschillende frequenties
  Bijlagen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De adviesaanvraag
        In september 1999 ontving de Voorzitter van de Gezondheidsraad het volgende verzoek
        van enkele bewindslieden (brief kenmerk DGM/SVS/99207094):
        Geachte heer Sixma,
        In januari 1997 heeft de Gezondheidsraad advies uitgebracht over de gezondheidseffecten van radiofre-
        quente elektromagnetische velden van 300 Hz tot 300 GHz. In dit advies komt de Gezondheidsraad on-
        dermeer tot de conclusie dat de beschikbare gegevens er niet op wijzen dat het gebruik van mobiele tele-
        foons negatieve gevolgen voor de gezondheid heeft.
              Sindsdien heeft de toepassing van de mobiele telefonie een enorme vlucht genomen en is er bij som-
        mige delen van de bevolking onrust ontstaan over mogelijk nadelige gezondheidseffecten. Dit betreft zo-
        wel het gebruik van de mobiele telefoons als de antenne-installaties zoals deze thans vaak ook op woon-
        gebouwen worden geplaatst. Deze onrust wordt mede ingegeven door verschillende studies en rapporta-
        ges hierover in de media, die zouden duiden op mogelijke nadelige gezondheidseffecten van elektromag-
        netisch velden door het gebruik van mobiele telefoontoestellen en de daarvoor gebruikte antenne-installa-
        ties.
              Hierbij willen wij u mede namens de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat verzoeken om op
        afzienbare termijn een overzicht te geven van de voor de mobiele telefonie relevante wetenschappelijke
        literatuur die sinds uw advies uit 1997 is gepubliceerd en tot welke conclusies en aanbevelingen de GR
        op basis hiervan komt. Daarbij speelt met name de vraag in hoeverre niet-thermische effecten op grond
        van de huidige inzichten invloed kunnen hebben op de gezondheid en in hoeverre er vanuit wetenschap-
        De adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>pelijk oogpunt aanleiding is om op basis van het voorzorgprincipe stringentere normen te hanteren dan
op basis van de bekende thermische effecten.
     Daarnaast zouden wij u in het licht van paragraaf VI van de Aanbeveling van de Raad van de EU
betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden (zie bijlage),
willen verzoeken om een overzicht te geven van de recente relevante wetenschappelijke literatuur, die
sinds de publicatie van uw advies is gepubliceerd over de gezondheidseffecten van radiofrequente elek-
tromagnetische velden in het algemeen. Daarbij verzoeken wij u ook aan te geven welke conclusies u uit
dit onderzoek trekt en wat in de visie van de Gezondheidsraad de belangrijkste hiaten in onze huidige
kennis zijn. Hierbij dienen mede betrokken te worden de onderzoeken die thans reeds in internationaal
verband lopen. Ook in dit kader vernemen wij graag uw aanbevelingen.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
w.g. J.P. Pronk
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
w.g. dr. E. Borst-Eilers
De adviesaanvraag                                                                                        46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        De commissie
            dr EW Roubos, voorzitter
            hoogleraar dierkunde, neurofysioloog; Katholieke Universiteit Nijmegen
            dr LM van Aernsbergen, adviseur
            fysicus; Ministerie van VROM, Den Haag
            dr ir G Brussaard
            hoogleraar radiocommunicatie; Technische Universiteit Eindhoven
            dr J Havenaar
            psychiater; Universitair Medisch Centrum, Utrecht
            drs FBJ Koops
            bioloog; KEMA, Arnhem
            dr ir FE van Leeuwen
            hoogleraar epidemiologie van kanker; Vrije Universiteit Amsterdam, epidemioloog;
            Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam
            dr HK Leonhard, adviseur
            fysicus; Ministerie van Verkeer en Waterstaat
            dr GC van Rhoon
            fysicus; AZR-Daniel, Rotterdam
            dr GMH Swaen
            epidemioloog; Universiteit Maastricht
            DHJ van de Weerdt, arts
            medisch milieukundige; GGD Zwolle
        De commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    dr ir APM Zwamborn
    hoogleraar elektromagnetische effecten; Technische Universiteit Eindhoven, fysicus;
    TNO, Den Haag
    dr E van Rongen, secretaris
    radiobioloog; Gezondheidsraad, Den Haag
De commissie                                                                            48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Bijlage C
        Veldsterktes nabij een basisstation
        TNO heeft op 5 maart 1999 veldsterktemetingen gedaan bij een DCS 1800-basisstation
        op het dak van het pand Van Oldebarneveldtlaan 9 in Den Haag (Ouw99). Op het dak
        zijn metingen verricht met een isotrope elektrische veldsensor die geschikt is voor ge-
        bruik in het frequentiegebied van 0,5 tot 6 GHz. In een kantoorruimte onder de antenne-
        installatie en op twee punten op straat zijn metingen gedaan met een spectrumanalysator,
        waarmee metingen verricht kunnen worden in een in te stellen frequentiegebied. Bij deze
        metingen was de meetbandbreedte 120 kHz en werd gemeten met frequentiestappen van
        31,25 – 37,5 kHz.
             De breedbandmetingen op het dak zijn gedaan op een hoogte van 1,90 m, op diverse
        afstanden voor de antennes, waarvan de onderzijde zich circa 3 m boven het dakopper-
        vlak bevindt. De veldsterktes gemeten op 1 tot 3 m vóór de antennes liepen uiteen van
        0,4 tot 1 V/m.
             De metingen in de kantoorruimte en op straat zijn niet alleen verricht in het frequen-
        tiegebied rond 1800 MHz, maar ook, ter vergelijking, rond 900 MHz (de tweede GSM-
        frequentieband) en de FM-band van 80 tot 110 MHz. De veldsterktes in de onderzochte
        frequentiebandjes liepen sterk uiteen. Het rapport geeft getalwaarden voor de tien fre-
        quentiebandjes waarin de hoogste veldsterktes gevonden zijn. Met behulp van de somme-
        ringsformules zoals gegeven in GR97 is voor elk van de frequentiegebieden afzonderlijk
        en voor de drie gebieden tezamen berekend met welk percentage van de blootstellingsli-
        miet de totale veldsterkte overeenkomt. De sommeringsformules geven daarbij het per-
        centage van de basisbeperking, in dit geval de SAR (bijlage D bevat nadere uitleg). Ter
        Veldsterktes nabij een basisstation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>vergelijking zijn ook de percentages van de limiet voor de elektrische veldsterkte bere-
kend. De uitkomsten van deze berekeningen zijn vermeld in tabel 5.
Uit dit voorbeeld blijkt dat de blootstelling, zowel die als gevolg van het DCS
1800-basisstation, als die van bronnen in de beide andere frequentiegebieden afzonder-
lijk, en die van alle bronnen tezamen, ver onder de limieten ligt. Opvallend is, dat de
blootstelling op straat op 75 m afstand van het gebouw waarop het basisstation staat,
groter is dan de blootstelling in de kantoorruimte direct onder de antennes. Tevens blijkt
dat op de drie meetlocaties de bijdrage van GSM 900 en DCS 1800 groter is dan die van
de FM-band. Hierbij zij er op gewezen dat de FM-band slechts één van de vele radiofre-
quente banden is die een bijdrage leveren aan de totale blootstelling. In Finland zijn in
verstedelijkte gebieden de bijdragen van GSM 900 en DCS 1800 aan de totale blootstel-
ling groter dan die van RTV-zenders, te weten circa 61% en 13% respectievelijk. In bui-
tengebieden is de bijdrage ongeveer gelijk en zijn de percentages circa 39% en 40% (M.
Hietanen, persoonlijke mededeling, november 1999).
 Tabel 5 Berekeningen van de totale blootstelling bij blootstelling aan meerdere frequenties.
                       percentage van de Gezondheidsraad SAR limiet voor de algemene bevolking
                       FM                  900 MHz                1800 MHz           totaal
 kantoor               1,12 x 10-8         1,11 x 10-5            1,50 x 10-4        1,62 x 10-4
 straat, 75 m          8,43 x 10-7         1,71 x 10-6            4,74 x 10-4        4,76 x 10-4
 straat, 360 m         1,31 x 10-6         1,11 x 10-5            2,22 x 10-5        3,45 x 10-5
                       percentage van de Gezondheidsraad E-veld limiet voor de algemene bevolking
 kantoor               0,03                0,08                   0,19               0,29
 straat, 75 m          0,02                0,04                   0,26               0,31
 straat, 360 m         0,03                0,09                   0,08               0,2
Veldsterktes nabij een basisstation                                                               50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Bijlage D
        Sommering van veldsterktes van
        verschillende frequenties
        De door sommigen ervaren onduidelijkheden bij de berekening van het totale blootstel-
        lingsniveau bij blootstelling aan meerdere frequenties tegelijkertijd in het frequentiege-
        bied > 100 kHz is terug te voeren op het enigszins door elkaar hanteren van limieten
        voor basisbeperkingen en voor afgeleide waardes, zowel door de Gezondheidsraad als
        door de ICNIRP. Waar het uiteindelijk om gaat, is een toetsing aan de basisbeperkingen.
             In het betreffende frequentiegebied wordt uitgegaan van een maximale SAR voor
        frequenties tot 10 GHz en een maximale vermogensdichtheid tussen 10 en 300 GHz. Van
        deze basisbeperkingen zijn maxima afgeleid voor de sterkte van het ongestoorde elektri-
        sche en magnetische veld. Deze laatste grootheden zijn, in tegenstelling tot de SAR, rela-
        tief eenvoudig te meten.
             De mathematische relatie tussen de SAR en de veldsterkte is niet lineair, maar kwa-
        dratisch:
                     σ 2
              SAR =     E
                     ρ
        (σ = elektrische geleidbaarheid van het weefsel; ρ = weefseldichtheid; E = effectieve
        elektrische veldsterkte).
        Sommering van veldsterktes van verschillende frequenties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Ook de relatie tussen de vermogensdichtheid S en de veldsterkte is kwadratisch:
     S = E2 / 377
Hierdoor is het niet mogelijk absolute veldsterktes te sommeren, maar kunnen alleen re-
latieve waardes opgeteld worden. Omdat de uiteindelijke grootheid waar het om gaat de
basisbeperking is, in dit geval de SAR resp. vermogensdichtheid, moeten die relatieve
veldsterktewaardes eerst worden gekwadrateerd alvorens te kunnen worden opgeteld.
Wat dan resulteert is een sommatie van relatieve SAR’s resp. vermogensdichtheden. Die
zal, door de kwadratering, altijd lager zijn dan wanneer de relatieve veldsterktes worden
opgeteld. Dit kan een gevoel van tegenstrijdigheid opleveren. Waar het om gaat is dat
dus niet de veldsterktes, maar alleen de SAR’s resp. vermogensdichtheden kunnen wor-
den gesommeerd. De procedure zoals bijvoorbeeld voorgesteld in de Zwitserse regelge-
ving (Sch99), om de wortel uit de gesommeerde kwadratische veldsterktes te nemen is
dus niet juist (want er wordt niet getoetst aan de basisbeperking, maar weer teruggere-
kend naar de afgeleide waarde). Dit geeft een te hoge waarde voor de relatieve totale
blootstelling, maar maakt uiteindelijk voor het bepalen of de totale blootstelling de limiet
overschrijdt, niets uit, omdat zowel de lineaire als de kwadratische sommaties bij 1 bij
elkaar komen.
     Ingevolge het voorgaande zou het dus ook correcter zijn om, als gekeken wordt hoe-
ver bij een bepaalde frequentie de blootstelling onder de limiet blijft, dit niet uit te druk-
ken in de relatieve veldsterkte, maar in de relatieve SAR resp. vermogensdichtheid. Wan-
neer bijvoorbeeld bij 900 MHz, met een limiet van 49 V/m, de gemeten veldsterkte 2
V/m is, kan gesteld worden dat die gemeten waarde 4,1 % van de limiet is (d.w.z. van de
veldsterkte), maar dat de blootstelling slechts 0,2 % van limiet is (d.w.z. van de SAR).
Anderzijds is dan ook bij overschrijding van de limiet het percentage overschrijding voor
de SAR hoger dan voor de veldsterkte (bijvoorbeeld: een overschrijding van de veldsterk-
te met een factor 2 – dus 200 % – komt overeen met een overschrijding van de SAR met
een factor 4 – dus 400 %).
Sommering van veldsterktes van verschillende frequenties                                       52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>