<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Veldonderzoek voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderwerp        : aanbieding advies over gewasbeschermingsmiddelen
Uw kenmerk       : GBZ/C&O/971541
Ons kenmerk      : -1746/97/HvD/HB/446/2-IJ
Bijlagen         : 1
Datum            : 14 maart 2000
Mevrouw de minister,
Op 15 april 1997 vroeg u de Gezondheidsraad te rapporteren over de rol die veldonder-
zoek of onderzoek aan modelecosystemen in laboratorium of openlucht kan spelen bij de
beoordeling van de milieurisico's van bestrijdingsmiddelen ten behoeve van hun toelating.
Een daartoe door mij ingestelde commissie heeft zich over dit vraagstuk gebogen. Het re-
sultaat van haar beraadslagingen bied ik u - nadat ik de Beraadsgroep Ecotoxicologie
heb gehoord - hierbij aan. Overeenkomstig uw adviesaanvraag heb ik dit advies vandaag
ook aangeboden aan de Minister van VROM, de Minister van V&W, de Staatssecretaris
van LNV en de Staatssecretaris van SZW.
De commissie vindt dat veldonderzoek kan bijdragen aan een goede toelatingsprocedure
voor bestrijdingsmiddelen. Ze plaatst echter ook enkele kritische kanttekeningen. Proeven
in het veld of met modelecosystemen, door of in opdracht van de fabrikant uitgevoerd,
kunnen dienen om aannemelijk te maken dat nadelige effecten die op grond van modelbe-
rekeningen en toxiciteitstests in het laboratorium niet uit te sluiten zijn, zich in de prak-
tijk niet zullen voordoen. Een dergelijke doelstelling stelt echter bijzonder hoge eisen aan
de opzet van die proeven.
Hoogachtend,
w.g.
prof. dr JJ Sixma
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Veldonderzoek voor de toelating van
gewasbeschermingsmiddelen
aan:
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
de Minister van Verkeer en Waterstaat
de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr 2000/07, Den Haag, 14 maart 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad: Commissie Bestrijdingsmiddelen en veldonderzoek. Veldonderzoek
voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000;
publicatie nr 2000/07.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands: Committee on pesticides and field research. Field
research for the authorisation of pesticides. The Hague: Health Council of the
Netherlands, 2000; publication no. 2000/07.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 90-5549-310-4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>    Inhoud
    Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 9
    Executive summary 15
1   Inleiding 21
1.1 Achtergrond 21
1.2 De adviesaanvraag 22
1.3 Commissie en werkwijze 22
1.4 Opzet van dit advies 23
2   Wet- en regelgeving 25
2.1 Het nationale wettelijke kader 26
2.2 Het communautaire wettelijke kader 29
3   De toelatingsprocedure 33
3.1 Getrapte risicobeoordelingsprocedure 33
4   Veldonderzoek voor de toelating 37
4.1 Sterke en zwakke kanten van veldonderzoek 38
4.2 Beschermdoelen en aanvaardbare effecten 39
4.3 Proefopzet en data-analyse 44
4.4 Te verwachten effecten in de praktijk 47
7   Inhoud
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>5   Veldonderzoek na de toelating 49
5.1 Gericht postregistratie-veldonderzoek 49
5.2 Algemeen postregistratie-veldonderzoek 51
5.3 Incidenten- en handhavingsonderzoek 54
6   Slotbeschouwing 57
    Literatuur 61
    Bijlagen 67
A   De adviesaanvraag 69
B   De commissie 71
C   Lijst van afkortingen, termen en begrippen 73
D   Beslisbomen van het CTB 79
E   Vormen van aanvullend preregistratie-(veld)onderzoek 89
8   Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  Samenvatting, conclusies en
  aanbevelingen
  De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens andere be-
  windslieden, de Gezondheidsraad verzocht om te rapporteren over de rol die uitkomsten
  van veldonderzoek kunnen spelen in de ecotoxicologische risico-evaluatie voor de toela-
  ting van bestrijdingsmiddelen. In het voorliggende advies voldoet een commissie van de
  Raad aan dit verzoek. Zij vat het begrip ‘veldonderzoek’ ruim op: ze verstaat daaronder
  elk onderzoek dat uitstijgt boven het niveau van de gestandaardiseerde enkelsoortstoxici-
  teitstest in het laboratorium. Te denken valt aan multispeciestoxiciteitstests in het labora-
  torium, onderzoek aan modelecosystemen in laboratorium, kas of openlucht en proeven
  in sloten, in bermen, op akkers, etc. Ook proeven gericht op het bestuderen van het ge-
  drag van een bestrijdingsmiddel in intacte bodemprofielen rekent de commissie ertoe.
  Dergelijke onderzoekingen hebben gemeen dat gestreefd wordt naar een betere benade-
  ring van de veldsituatie. Het advies heeft alleen betrekking op landbouwbestrijdingsmid-
  delen (gewasbeschermingsmiddelen). Deze dienen ter bescherming van landbouwgewas-
  sen tegen ziekten en plagen of voor het onkruidvrij houden van onbeteelde terreinen.
  Wetgeving en toelatingsprocedure
  De toelating (registratie) van bestrijdingsmiddelen in Nederland is geregeld in de Bestrij-
  dingsmiddelenwet. Daarin is vastgelegd dat alleen middelen op de markt gebracht mogen
  worden die, bij gebruik volgens voorschrift, voldoende werkzaam zijn en geen onaan-
  vaardbare schade toebrengen aan het gewas, de mens, planten en dieren (behalve de
  doelwitorganismen) en de kwaliteit van water en bodem. Voor gewasbeschermingsmid-
9 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   delen zijn de milieueisen nader uitgewerkt in het Besluit milieutoelatingseisen bestrij-
   dingsmiddelen. De Nederlandse regelgeving is verregaand aangepast aan de richtlijnen
   van de Europese Unie op dat gebied, te weten de Gewasbeschermingsrichtlijn en de zo-
   genaamde Uniforme Beginselen.
        Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) beoordeelt namens
   de overheid in ons land de toelaatbaarheid van bestrijdingsmiddelen. Dat gebeurt aan de
   hand van een dossier dat de aanvrager van een toelating, doorgaans de fabrikant of im-
   porteur, bij zijn aanvraag moet overleggen. Daarin staan gegevens vermeld over het ge-
   bruik van de stof, de fysische en chemische eigenschappen en de toxiciteit voor bepaalde
   standaard-testorganismen. Bij het beantwoorden van de vraag of een middel aan de mi-
   lieueisen voldoet, volgt het CTB een getrapte procedure. De eerste stap behelst een gro-
   ve, relatief strenge, beoordeling op basis van modelberekeningen ten aanzien van het ge-
   drag van de stof in het milieu en de geleverde toxiciteitsgegevens. Een stof die blijkens
   die beoordeling aan de milieueisen voldoet, wordt, althans op het punt van milieuveilig-
   heid, toelaatbaar geacht. In het andere geval krijgt de aanvrager de gelegenheid aanvul-
   lende onderzoeksgegevens te leveren. Op grond daarvan vindt een hernieuwde beoorde-
   ling van de milieurisico’s plaats (tweede stap). Als blijkens die gegevens aannemelijk is
   dat onder veldomstandigheden geen normoverschrijdingen zullen plaatsvinden of geen
   onaanvaardbare effecten zullen optreden, wordt de stof alsnog toegelaten. In twijfelge-
   vallen bestaat de mogelijkheid van een beperkte toelating die is gekoppeld aan de voor-
   waarde van onderzoek onder praktijkomstandigheden. Op basis van de dan te verkrijgen
   gegevens vindt een definitieve beoordeling plaats (derde stap). Elk toegelaten gewasbe-
   schermingsmiddel moet regelmatig herbeoordeeld worden. Doorgaans gebeurt dat iedere
   vijf jaar.
   Veldonderzoek voorafgaand aan de toelating
   Veldonderzoek vormt één van de mogelijkheden waarop een aanvrager de aanvullende
   gegevens voor de tweede stap van de risico-evaluatie kan verkrijgen. Omdat het wordt
   verricht vóór de toelating, kan het worden aangeduid als preregistratieonderzoek. In in-
   ternationaal verband zijn richtlijnen opgesteld voor de opzet en uitvoering van diverse
   soorten veldonderzoek.
        De commissie meent dat dit type onderzoek waardevolle aanvullende gegevens kan
   opleveren over het gedrag van gewasbeschermingsmiddelen in het veld, de blootstelling
   van niet-doelwitorganismen en de daaruit voortvloeiende effecten op populatie-, levens-
   gemeenschap- en ecosysteemniveau. De ervaringen tot nu toe hebben echter geleerd dat
   vaak onduidelijk is hoe die gegevens kunnen of moeten worden benut ten behoeve van de
   toelatingsbeslissing. De commissie gaat in op de oorzaken en doet aanbevelingen om
   hierin verbetering te brengen. Ze is van oordeel dat het nemen van een beslissing over de
10 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   toelaatbaarheid van een gewasbeschermingsmiddel niet mogelijk is zolang niet duidelijk
   is gespecificeerd wat men verstaat onder een ‘onaanvaardbaar effect’. Het scheppen van
   die duidelijkheid heeft zowel een beleidsmatige als een wetenschappelijke kant. De eerste
   heeft betrekking op de beschermdoelen van de overheid. Naar de mening van de commis-
   sie zijn die in het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen en in de Uniforme
   Beginselen onvoldoende scherp geformuleerd. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk of de over-
   heid organismen wil beschermen op soortsniveau of op een hoger taxonomisch niveau, of
   dat ze vooral functies (bestuiving, bodemvermenging, predatie, etc.) in stand wil houden.
   De wetenschappelijke kant betreft de ecologische betekenis van effecten. Over de res-
   pons van populaties en levensgemeenschappen van organismen in ondiepe zoete wateren
   op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is relatief veel bekend. Voor andere po-
   pulaties en levensgemeenschappen is dat veel minder het geval. Daardoor is onduidelijk
   wat geïnduceerde veranderingen betekenen voor het bereiken van de beschermdoelen.
   Voor deze populaties en levensgemeenschappen kan de grens tussen acceptabele en on-
   acceptabele effecten nu alleen maar met een ruime veiligheidsmarge gespecificeerd wor-
   den. Hierin ligt een belangrijke oorzaak van de problemen bij de interpretatie van de re-
   sultaten van veldproeven ten behoeve van toelatingsbeslissingen. Het is noodzakelijk dat
   criteria en randvoorwaarden ontwikkeld worden voor het vaststellen van wat (on)aan-
   vaardbare ecologische effecten zijn.
        Herstelbaarheid kan, zo meent de commissie, een rol spelen bij de besluitvorming
   over de toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen. Men dient echter aan te geven
   wàt er precies herstelt en zich af te vragen of de oorspronkelijke veranderingen op hun
   beurt niet geleid hebben tot andere blijvende ontwikkelingen. Als dat laatste het geval is,
   moet men zich afvragen wat de ecologische betekenis van die ontwikkelingen is en of ze
   strijdig zijn met de beschermdoelen.
        De commissie beveelt aan om veldproeven die gericht zijn op het onderzoeken van
   mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op organismen op te zetten volgens
   een multi-concentration-design. In zo’n opzet worden systemen die behandeld zijn met
   verschillende doseringen van het middel vergeleken met onbehandelde controlesystemen.
   Zij acht een gedegen statistische inbreng essentieel bij de opzet van een dergelijke proef
   én bij de analyse van de verkregen meetuitkomsten. De commissie wijst erop dat het
   doen van veldproeven met het oogmerk om de afwezigheid aan te tonen van eerder (na-
   melijk in de eerste stap) veronderstelde effecten, hoge eisen stelt aan de kwaliteit van het
   onderzoek, vooral met betrekking tot het onderscheidingsvermogen van de proef. Dit
   moet groot genoeg zijn om ecologisch relevant geachte veranderingen met voldoende ze-
   kerheid te kunnen detecteren. Dan pas betekent de afwezigheid van een statistisch signifi-
   cant effect dat zich, met grote waarschijnlijkheid, geen ecologisch relevant effect heeft
   voorgedaan. De commissie beveelt aan om bij NOEC-waarden de grenzen van het
   (95%-)betrouwbaarheidsinterval voor het werkelijke effect te vermelden.
11 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>        Een veldproef is alleen bruikbaar voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van
   een gewasbeschermingsmiddel als uit de resultaten afgeleid kan worden of er zich onder
   het brede scala van praktijkomstandigheden geen onaanvaardbaar geachte effecten zullen
   voordoen. Het doen van meerdere proeven onder uiteenlopende omstandigheden biedt
   hiervoor de beste garantie, maar lijkt uit kostenoverwegingen meestal niet haalbaar. In
   dat geval acht de commissie onderzoek onder ongunstige, dat wil zeggen effectbevorde-
   rende omstandigheden (realistic worst case-benadering) een goed alternatief.
   Veldonderzoek na de toelating
   Als er ook na de tweede stap van de risicobeoordeling nog onzekerheid heerst over de
   veiligheid van een gewasbeschermingsmiddel, kan het zinvol zijn om een stof een beperk-
   te toelating te verlenen onder de voorwaarde dat nader veldonderzoek wordt verricht naar
   de milieueffecten onder praktijkomstandigheden. De resultaten kunnen gebruikt worden
   voor een derde stap in de risicobeoordeling. Omdat dan doorgaans een scherp geformu-
   leerde, door alle voorgaande onderzoek gedicteerde vraagstelling beschikbaar is en om-
   dat dit onderzoek na (een beperkte) toelating plaatsvindt, spreekt de commissie van ge-
   richt postregistratie-veldonderzoek. Het heeft het karakter van monitoring en moet als
   aanvullend op het eerdere experimentele onderzoek worden gezien. De resultaten ervan
   zullen vaak een grotere spreiding vertonen dan die van preregistratieonderzoek, maar
   daar staat tegenover dat ze een beter beeld kunnen geven van de ruimtelijke en temporele
   variabiliteit in het gedrag van de stof en het optreden van effecten, vooral als gebruik
   wordt gemaakt van geostatistische technieken. Onduidelijk is echter hoe deze informatie
   betrokken moet worden bij de toelatingsbeslissing, omdat een ruimtelijke en temporele
   dimensie in de beschermdoelen van de overheid nog ontbreekt.
        De commissie beveelt aan om, ter validatie van de toelatingsprocedure, ook bij toe-
   gelaten middelen de vinger aan de pols te houden door onderzoek te verrichten naar de
   aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in milieucompartimenten (monitoring).
   Deze monitoring is geen onderdeel van de eigenlijke toelatingsprocedure en is niet gericht
   is op concrete verdenkingen. Daarom spreekt de commissie van algemeen postregistra-
   tie-veldonderzoek. Selectie van te monitoren stoffen kan plaatsvinden op basis van de
   omvang van het gebruik, de toxiciteit, de mobiliteit en de afbreekbaarheid. Bij voorkeur
   bevinden zich onder de geselecteerde stoffen representanten uit alle belangrijke stofgroe-
   pen. Aanwijzingen voor mogelijke effecten op organismen kunnen verkregen worden
   door gevonden concentraties in het milieu te vergelijken met (eco)toxicologisch onder-
   bouwde normen. Bovendien zijn de gegevens bruikbaar voor een vergelijking met trends
   in door de overheid en particuliere instanties verzamelde gegevens over populaties van
   planten en dieren. Dit kan aanwijzingen opleveren voor een mogelijke betrokkenheid van
   gewasbeschermingsmiddelen bij een achteruitgang in populatiedichtheden. Langetermijn-
12 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>   veranderingen zijn slechts op deze wijze op te sporen. Aanvullend experimenteel onder-
   zoek moet uitwijzen of er causale verbanden bestaan.
        Onvermoede schadelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook aan
   het licht komen door een plotseling optredende, min of meer massale sterfte bij opvallen-
   de diersoorten, zoals vogels, vissen of honingbijen. De commissie bepleit het instellen
   van een centraal onderzoeksbureau dat deze ‘incidenten’ onderzoekt en registreert en dat
   jaarlijks verslag uitbrengt. Belangrijk is, dat niet alleen de betrokkenheid van gewasbe-
   schermingsmiddelen onderzocht wordt, maar tevens of deze stoffen volgens de voor-
   schriften gebruikt zijn.
        De resultaten van algemeen postregistratie-veldonderzoek en incidentenonderzoek
   zijn bruikbaar bij de reguliere herevaluatie van stoffen of kunnen, bij ernstige verdenkin-
   gen, tot onmiddellijk ingrijpen in de toelating leiden. Daarmee vormt dit veldonderzoek
   een vangnet voor onterecht toegelaten stoffen. Niettemin ziet de commissie hierin geen
   reden om minder strenge eisen te stellen aan de door de aanvrager van een toelating te le-
   veren gegevens.
        De commissie beveelt aan om de resultaten van veldonderzoek, dat ten behoeve van
   de tweede stap (preregistratiefase) of derde stap (postregistratiefase) van de risicobeoor-
   deling wordt uitgevoerd, altijd in samenhang met àlle eerder beschikbare gegevens te be-
   oordelen. Hoewel algemene regels te stellen zijn aan de opzet en uitvoering van veldproe-
   ven, alsmede aan de interpretatie van de resultaten, zal het oordeel van deskundigen al-
   tijd een rol blijven spelen.
   De resultaten van veldonderzoek kunnen niet alleen van nut zijn bij de beoordeling van
   afzonderlijke stoffen. Ze kunnen ook gebruikt worden om de risicobeoordelingsprocedu-
   re, vooral de eerste stap, te verbeteren. Speciaal hiervoor geëntameerd onderzoek acht de
   commissie van grote waarde. Lotgevallenmodellen voor de schatting van (blootstel-
   lings)concentraties in milieucompartimenten kunnen ermee gevalideerd, gecalibreerd en
   waar nodig verbeterd worden. Ook kunnen de gebruikte toxiciteitstests met standaard-
   testorganismen in het laboratorium en de gebezigde veiligheidsfactoren op hun geschikt-
   heid voor de inschatting van de risico’s in het veld beoordeeld worden. Een betrouwbare
   eerste stap kan vaak tijdrovend en kostbaar vervolgonderzoek voor individuele stoffen
   overbodig maken.
13 Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>14 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   Executive summary
   Health Council of the Netherlands: Committee on pesticides and field
   research. Field research for the authorisation of pesticides. The Hague:
   Health Council of the Netherlands, 2000; publication no. 2000/07
   The Minister of Public Health, Welfare and Sport, also on behalf of other members of
   the goverment, has requested the Health Council to review the role that results from field
   research can play in ecotoxicological risk assessment for the authorisation of pesticides.
   In this advisory report a committee of the Health Council complies with this request. It
   interprets the term ‘field research’ in its broadest sense: the Committee understands field
   research to mean all of the research that exceeds the level of the standard ‘single-species’
   toxicity test in the laboratory. This might include ‘multi-species’ toxicity tests in the
   laboratory, research on model ecosystems in the laboratory, glasshouse or in the open air
   and tests in ditches, field margins, agricultural fields etc. Within this category the
   Committee also includes tests aimed at studying the behaviour of a pesticide in intact
   soil profiles. What is common to investigations of this kind is the fact that they set out to
   achieve a closer approximation of the field situation. The Committee confines itself to
   the agricultural pesticides (plant protection products). These are used to protect
   agricultural crops or to keep uncultivated land free of weeds.
   Legislation and authorisation procedure
   The authorisation (registration) of pesticides in the Netherlands is regulated in the
   Pesticides Act. This stipulates that compounds may only be brought onto the market if,
   when used as directed, they are sufficiently effective and do not cause any unacceptable
   damage to the crop, to humans, to plants and animals (except target organisms), or to
   water and soil quality. A more detailed elaboration of the environmental requirements for
15 Executive summary
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   plant protection products can be found in the Pesticides Environmental Authorisation
   Requirements Decree. Dutch legislation has to a great extent been brought into line with
   the European Union directives in this area - the Authorisations Directive and the
   so-called ‘Uniform Principles’.
        The Board for the Authorisation of Pesticides (CTB) evaluates the acceptability of
   pesticides in the Netherlands on behalf of the government. This evaluation is performed
   with reference to a dossier which the applicant (usually the manufacturer or importer)
   must submit with its application for authorisation. This dossier contains data about the
   use of the substance, its physical and chemical properties and its toxicity for certain
   standard test organisms. In answering the question of whether a given compound
   satisfies the environmental requirements, the CTB follows a ‘tiered approach’. The first
   tier comprises a broad, relatively stringent evaluation — based on model calculations —
   of the behaviour of the substance in the environment and of the submitted toxicity data.
   A substance which, according to that evaluation, satisfies the environmental
   requirements is considered to be acceptable - at least as far as environmental safety is
   concerned. Otherwise, the applicant is given the opportunity to submit additional
   research data. Based on this data, a renewed evaluation of environmental risks takes
   place (the second tier). If it appears likely from this data that the requirements are not
   exceeded under field conditions or that no unacceptable effects will occur, the substance
   is still authorised. In case of doubt, it is possible to issue a restricted authorisation,
   which is contingent upon research conducted under field conditions. Based on the
   resultant data, a definitive assessment is then carried out (the third tier). Every plant
   protection product that receives authorisation must be regularly reviewed. This usually
   takes place every five years.
   Field research prior to authorisation
   Field research is one of the ways in which an applicant can obtain the additional data for
   the second tier of the risk assessment. Because this is carried out prior to authorisation,
   the Committee speaks of pre-registration research. In an international context, guidelines
   have been established for the design and execution of various sorts of field research.
        The Committee believes that this type of research can provide valuable additional
   data about the behaviour of plant protection products in the field, the exposure of
   non-target organisms and the resultant effects at population, community and ecosystem
   level. Experience gathered to date has shown, however, that it is frequently unclear how
   that data might be (or would need to be) used in reaching a decision about authorisation.
   The Committee discusses the causes and makes recommendations for improvements. It
   is of the opinion that it is not possible to reach a decision about the authorisation of a
   plant protection product until it has been clearly specified what is understood by an
16 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>   ‘unacceptable effect’. Clarification of this point has both a policy-related and a scientific
   aspect. The former aspect concerns the government’s protection goals. In the
   Committee’s opinion, these have not been sufficiently clearly formulated in the
   Pesticides Environmental Authorisation Requirements Decree and in the Uniform
   Principles. For example, it is unclear whether the government wishes to protect
   organisms at a species level or at a higher taxonomic level, or whether it primarily
   wishes to preserve functions (pollination, soil mixing, predation, etc.). The scientific
   aspect relates to the ecological significance of effects. The response of populations and
   communities of organisms in shallow, fresh water to exposure to plant protection
   products is relatively well known. This applies to a much lesser extent in relation to
   other populations and communities. It is therefore unclear what induced changes mean
   for the fulfilment of the protection goals. For these populations and communities, it is,
   for the time being, still only possible to draw the line between acceptable and
   unacceptable effects with an ample safety margin. This, according to the Committee, is
   one of the main reasons for the problems that are encountered in interpreting the results
   of field trials for the purposes of decisions about authorisation. The Committee believes
   that criteria and preconditions need to be developed in order to identify what the
   acceptable (or unacceptable) ecological effects are.
        Recoverability could, according to the Committee, play a role in decision-making
   about the authorisation of plant protection products. However, we need to specify
   precisely what it is that is recovering and ask ourselves whether the original changes
   have not, in turn, led to other, lasting developments. In the latter case, we need to ask
   ourselves what the ecological significance of such developments is and whether they are
   incompatible with the protection goals.
        The Committee recommends setting up field trials with a view to investigating
   possible effects of plant protection products on organisms according to a
   multi-concentration design, whereby systems that have been treated with different
   dosages of a compound are compared with untreated control systems. It regards a solid
   statistical input as an essential element in setting up such a trial and analysing the
   measurement results that are obtained. The Committee points out that designing field
   trials for the purpose of demonstrating the absence of previously (i.e. in the first tier)
   presumed effects, places great demands on the quality of the trial, especially with regard
   to its statistical power. This must be sufficient to allow for the detection of changes that
   might be regarded as ecologically relevant. Only then does the absence of a statistically
   significant effect mean that there has, in all probability, been no ecologically relevant
   effect. When presenting NOEC values, the Committee recommends recording the limits
   of the (95%) confidence interval for the true effect.
        A field trial can only be used in assessing the acceptability of a plant protection
   product if it is possible to deduce from the results whether, under the broad range of
17 Executive summary
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   field conditions, no effects will emerge that might be regarded as unacceptable. This can
   best be guaranteed by conducting several tests under different conditions, but this
   appears not to be feasible in most cases for reasons of cost. In that case, the Committee
   considers a realistic worst case approach to be a good alternative.
   Field research following authorisation
   If, after the second tier in the risk assessment, there is still any uncertainty about the
   safety of the plant protection product, it may be sensible to grant a substance a restricted
   authorisation on the condition that further field research is conducted into the
   environmental effects under field conditions. The results can be used for a third tier in
   the risk assessment procedure. Because investigators will then usually have a clearly
   defined research question, which has been dictated by all previous research results, and
   because this research takes place after (restricted) authorisation, the Committee speaks
   of targeted post-registration field research. This tends to be of a descriptive nature
   (monitoring) and must be regarded as being supplementary to earlier experimental
   research. The results will frequently exhibit a greater dispersion than pre-registration
   research, but they may, on the other hand, be able to give a better picture of the spatial
   and temporal variability in the behaviour of the substance and the occurrence of effects,
   especially if geostatistical techniques are employed. It is unclear, however, what role this
   information should play in decision-making for authorisation purposes. This is because
   there is still no spatial or temporal dimension in the government’s protection goals.
        In order to validate the authorisation procedure, the Committee recommends that a
   finger should also be kept on the pulse in relation to authorised compounds by
   conducting research into the presence of plant protection products in environmental
   compartments (monitoring). This monitoring does not form part of the actual
   authorisation procedure and is not based on concrete suspicions. The Committee
   therefore speaks of general post-registration field research. The selection of the
   substances that are to be monitored can be based on the scale of use, toxicity, mobility
   or degradability. The substances that are selected will preferably include representatives
   from all of the important groups of substances. Indications of possible effects on
   organisms can be obtained by comparing concentrations that have been observed in the
   environment with (eco)toxicologically supported standards. In addition, it is possible to
   compare trends in the data collected by public and private bodies about populations of
   plants and animals with those relating to the use and the occurrence of plant protection
   products. This provides an indication of the potential role that these substances might
   play in a possible decline in population densities. This is, in fact, the only way to detect
   long-term changes. Additional experimental research is then needed in order to determine
   whether any causal connections exist.
18 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>        Unsuspected harmful effects of plant protection products can also come to light as a
   result of sudden mortality (possibly on a massive scale) among conspicuous animal
   species, such as birds, fish or honeybees. The Committee advocates that a central
   research bureau should be established to investigate and record these ‘incidents’ and that
   this bureau should publish an annual report. It is not only important to investigate
   whether plant protection products are involved, but also whether these substances have
   been used as directed.
        The results of general post-registration field research and incident investigations can
   be used in connection with the regular re-evaluation of substances or, in the case of
   serious suspicions, they can prompt immediate intervention in the authorisation process.
   This field research therefore forms a safety net for substances that have been wrongly
   authorised. Nevertheless, the Committee does not see any reason to subject the data that
   the applicant is required to provide to less rigorous requirements.
        The Committee recommends that the results of field research that is carried out for
   the purposes of either the second tier (the pre-registration phase) or the third tier (the
   post-registration phase) of the risk assessment procedure should always be evaluated in
   connection with all previously available data. Although one can impose general rules
   with regard to the design and execution of field research, expert judgement will always
   play a role.
        It is not only during the evaluation of individual substances that the results of field
   research are useful. They can also be used to improve the risk assessment procedure,
   especially the first tier. The Committee attaches great importance to research that is
   initiated specifically for this purpose. It can be used to validate, calibrate and (if
   necessary) improve fate models for the estimation of (exposure) concentrations in
   environmental compartments. It is also possible to evaluate both toxicity tests performed
   with standard test organisms in the laboratory and the applied safety factors for their
   suitability in estimating the risks in the field. A reliable first tier can frequently obviate
   the need for time-consuming and costly follow-up research for individual substances.
19 Executive summary
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>20 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Achtergrond
          De toelating van bestrijdingsmiddelen in Nederland is geregeld in de Bestrijdingsmidde-
          lenwet (Stb98). Deze wet ziet erop toe dat slechts die middelen toegelaten worden die bij
          gebruik volgens voorschrift
               deugdelijk zijn, d.w.z. de beoogde werking hebben
               geen schade toebrengen aan het gewas
               geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens
               geen onaanvaardbare effecten hebben op het milieu.
          De inhoud van het voorliggende advies heeft betrekking op de laatste van deze eisen.
               Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) beoordeelt namens
          de overheid de toelaatbaarheid van bestrijdingsmiddelen. Het evalueert de gevaren voor
          het milieu aan de hand van door de aanvrager van de toelating (de fabrikant of importeur
          van een middel) te leveren gegevens over onder andere de fysische en chemische eigen-
          schappen, de toxiciteit en de toepassingswijze van de stof. Met behulp van modellen die
          de lotgevallen van bestrijdingsmiddelen in het milieu simuleren, berekent het CTB de
          verwachte concentraties van de stof en eventueel van omzettingsproducten in diverse mi-
          lieucompartimenten en toetst deze aan recent opgestelde en in (inter)nationale regels en
          wetten vastgelegde milieucriteria. Middelen, of toepassingen daarvan, die niet aan die
          milieucriteria voldoen, worden in principe niet of niet langer toegelaten. Echter, met be-
          hulp van adequate, aanvullende onderzoeksgegevens kan de aanvrager of houder van een
21        Inleiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    toelating dan trachten aan te tonen dat de op basis van modelberekeningen en laboratori-
    umproeven verwachte nadelige effecten zich in de praktijk niet voordoen, dan wel kort-
    durend en van voorbijgaande aard zijn. Eén van de mogelijkheden daarbij is dat de aan-
    vrager proeven doet in het veld of onder omstandigheden die de aldaar heersende condi-
    ties benaderen. In het verleden speelde dergelijk veldonderzoek een rol van wisselende
    betekenis in de toelatingsprocedure voor bestrijdingsmiddelen. Door de nieuwe, op dit
    punt meer expliciete, wetgeving kan die rol belangrijker worden. Diverse nationale en in-
    ternationale instanties hebben richtlijnen opgesteld voor het opzetten en uitvoeren van al-
    lerlei soorten veldproeven. Vooral voor onderzoek aan aquatische systemen zijn deze ver
    uitgewerkt. Onduidelijkheid bestaat echter nog over de interpretatie van de resultaten,
    met andere woorden over de wijze waarop uit die resultaten een beslissing over de toe-
    laatbaarheid van een middel afgeleid moet worden. Gezien de grote kosten die veldproe-
    ven met zich meebrengen is het ook voor de fabrikanten van groot belang om hieromtrent
    duidelijkheid te krijgen.
1.2 De adviesaanvraag
    De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens de Ministers
    van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbe-
    heer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
    Werkgelegenheid, de Voorzitter van de Gezondheidsraad verzocht te rapporteren over
    wijze waarop de resultaten van veldonderzoek gebruikt kunnen worden bij de beoorde-
    ling van de milieurisico’s van gewasbeschermingsmiddelen. De volledige tekst van de
    aanvraag van de minister is weergegeven in bijlage A.
1.3 Commissie en werkwijze
    De Voorzitter van de Gezondheidsraad heeft op 22 april 1997 de Commissie ‘Bestrij-
    dingsmiddelen en veldonderzoek’ ingesteld en opgedragen het gevraagde advies op te
    stellen. De samenstelling van de commissie is vermeld in bijlage B.
         De commissie van de Gezondheidsraad neemt de verschillende toepassingsmogelijk-
    heden van veldonderzoek onder de loep en tracht de waarde daarvan voor de risico-eva-
    luatie van bestrijdingsmiddelen aan te geven. Ze beperkt zich daarbij tot onderzoek aan
    gewasbeschermingsmiddelen*, omdat een deel van de recente, aanvullende regelgeving
*   In de Bestrijdingsmiddelenwet (Stb98) wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds gewasbeschermingsmiddelen
    (stoffen ter bescherming of bewaring van planten of plantaardige producten, stoffen die levensprocessen in planten bk-
    ïnvloeden [uitgezonderd meststoffen], onkruidverdelgers en loofdoders) en anderzijds niet-landbouwbestrijdingsmid-
    delen (o.a. houtverduurzamers, desinfectantia, antifoulings, stoffen om organismen uit gebouwen te weren of ziekma-
    kende organismen te bestrijden).
22  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>    alleen op die middelen betrekking heeft. Zij legt de nadruk op veldonderzoek ten behoeve
    van een nadere evaluatie van de toelaatbaarheid van nieuwe middelen en op onderzoek
    naar het vóórkomen van al toegelaten bestrijdingsmiddelen in het milieu en daaruit voort-
    vloeiende ongewenste effecten. Omdat de toelating van bestrijdingsmiddelen in de inter-
    nationale literatuur registratie genoemd wordt, spreekt de commissie van pre-, respectie-
    velijk postregistratie-veldonderzoek. De waarde van veldonderzoek voor de ontwikkeling
    en validatie van lotgevallenmodellen, alsmede voor de validatie van de toepasbaarheid
    van toxiciteitsgegevens uit laboratoriumexperimenten, wordt in brede kring onderschre-
    ven en zal derhalve minder aandacht krijgen.
         De commissie betrekt in haar beschouwingen al het onderzoek dat uitstijgt boven het
    niveau van de standaard ‘enkelsoorts’-toxiciteitstest in het laboratorium. Daartoe beho-
    ren multispecies-toxiciteitstesten in het laboratorium, onderzoek aan kunstmatige mode-
    lecosystemen in laboratorium, kas of openlucht (naar grootte worden micro- en mesokos-
    mossen onderscheiden) en proeven in (delen van) meer of minder natuurlijke ecosyste-
    men, agro-ecosystemen incluis, en op proeven die gericht zijn op het bestuderen van het
    gedrag van een bestrijdingsmiddel in intacte bodemprofielen. Omdat in al deze experi-
    menten een betere benadering van de veldomstandigheden wordt nagestreefd, duidt de
    commissie deze vormen van onderzoek collectief aan als veldonderzoek.
         Gedurende de laatste jaren hebben diverse internationale instanties richtlijnen en pro-
    tocollen gepubliceerd voor de uitvoering van veldonderzoek. Ze bieden doorgaans echter
    weinig houvast bij de interpretatie van de resultaten in termen van toelaatbaarheid van
    een middel. De commissie bespreekt deze voorschriften niet tot in detail, maar richt haar
    aandacht op de grote lijnen, de gemeenschappelijke noemer en de algemene eisen waar-
    aan veldonderzoek moet voldoen om bij te kunnen dragen aan een betere voorspelling
    van de te verwachten risico’s van een te beoordelen middel.
         Behalve op haar eigen expertise baseert de commissie haar bevindingen op de weten-
    schappelijke literatuur. Ook zoekt zij aansluiting bij de bevindingen van eerdere commis-
    sies van de Gezondheidsraad (GR88, GR94 en GR97a).
1.4 Opzet van dit advies
    Het eerstvolgende hoofdstuk is een beknopt overzicht van de wetten en regels die het ju-
    ridisch kader vormen voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. De commissie
    beperkt zich tot de voorschriften die betrekking hebben op de evaluatie van de risico’s
    van deze stoffen voor niet-doelwitorganismen en voor het milieu. Speciale aandacht krij-
    gen de mogelijkheden die de wet biedt om ten behoeve van deze risicobeoordeling veld-
    onderzoek te verrichten.
         Hoe de regelgeving geoperationaliseerd is in een toelatingsprocedure voor gewasbe-
    schermingsmiddelen, is het onderwerp van hoofdstuk 3. Ook in dit hoofdstuk gaat de
23  Inleiding
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   aandacht vooral uit naar de aard en de plaats van veldonderzoek in de toelatingsprocedu-
   re.
        Hoofdstuk 4 gaat met meer detail over de eisen waaraan veldonderzoek in de prere-
   gistratiefase moet voldoen om bij te kunnen dragen aan een betere taxatie van de te ver-
   wachten risico’s van een gewasbeschermingsmiddel voor het milieu. Aan de orde komen
   vragen als: wat willen we beschermen en in welke mate?, welke te meten variabelen
   vloeien daaruit voort en wat moet het onderscheidingsvermogen van de proef zijn?, hoe
   te bewerkstelligen dat de resultaten van de proef voldoende zeggingskracht hebben over
   de praktijk?’.
        In hoofdstuk 5 komt postregistratie-veldonderzoek aan de orde, te weten: gericht
   postregistratieveldonderzoek, monitoring van concentraties van gewasbeschermingsmid-
   delen in milieucompartimenten, monitoring van populaties van organismen en inciden-
   tenonderzoek.
        In het slothoofdstuk zal de commissie aangeven hoe veldonderzoek in de risicobeoor-
   delingsprocedure betrokken moet worden om zo efficiënt mogelijk maximale zekerheid te
   krijgen over de (on)schadelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen.
        Een verklarende lijst van afkortingen en vaktermen is als bijlage C toegevoegd.
24 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          Wet- en regelgeving
          Tot voor kort was de wetgeving ten aanzien van bestrijdingsmiddelen uitsluitend een
          zaak van nationale overheden. Dit leidde tot belemmeringen in het internationale handels-
          verkeer. Bovendien stimuleerden de verschillen tussen landen het clandestiene gebruik
          van middelen die in eigen land niet, maar in buurlanden wel toegelaten waren. Ten slotte
          was het voor fabrikanten en importeurs van bestrijdingsmiddelen moeilijk te aanvaarden
          dat een middel in ieder land een volledige, en bovendien telkens weer andere toelatings-
          procedure moest doorlopen. Sinds een jaar of twintig werkt men daarom in de Europese
          Unie aan harmonisatie via richtlijnen die de lidstaten in hun nationale wetgeving moeten
          implementeren. In afwachting van en vooruitlopend op, maar ook conform de EU-regel-
          geving, heeft de Nederlandse overheid de laatste jaren de nationale wetgeving regelmatig
          aangepast. Deze wijzigingen betreffen ook de eisen die aan bestrijdingsmiddelen gesteld
          worden om schade aan het milieu en de daarin levende organismen te voorkomen of te
          beperken.
               In dit hoofdstuk gaat de commissie kort in op milieucriteria in de nationale en Euro-
          pese regelgeving voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van gewasbeschermings-
          middelen. Speciale aandacht krijgen de mogelijkheden die de wet de aanvrager van een
          toelating biedt om via nader veldonderzoek alsnog een toelating voor een middel te ver-
          krijgen, als het bij een eerste beoordeling, op basis van laboratoriumgegevens en model-
          berekeningen, is afgewezen.
25        Wet- en regelgeving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.1 Het nationale wettelijke kader
    De toelating van bestrijdingsmiddelen is in Nederland wettelijk geregeld sinds 1947. In
    dat jaar werd de Wet Bestrijdingsmiddelen en Meststoffen van kracht. Deze wet, waarin
    de deugdelijkheid (werkzaamheid) van middelen centraal stond, is in 1962 vervangen
    door de Bestrijdingsmiddelenwet. Deze schrijft voor dat naast de deugdelijkheid ook de
    risico’s voor de gezondheid van de mens bij de toelaatbaarheidsbeoordeling betrokken
    moeten worden. Sinds de wetswijziging van 1975 geldt dat ook voor schadelijke neven-
    werkingen in het milieu.
         Artikel 3 van de Bestrijdingsmiddelenwet geeft de criteria voor de toelating van een
    middel. Door de globale formulering bleef het begrip ‘schadelijke nevenwerkingen in het
    milieu’ echter lange tijd moeilijk te hanteren. De doorwerking van het milieubeleid in de
    toelating van bestrijdingsmiddelen is mede daardoor weinig succesvol geweest (Eck95).
         Tussen 1989 en 1991 zijn operationele milieucriteria geformuleerd (TK89, TK91a)
    en opgenomen in het Meerjarenplan Gewasbescherming (MJP-G) (TK91b). Toepassing
    van deze criteria in het toelatingsbeleid strandde echter bij het College van Beroep voor
    het Bedrijfsleven. Dat college oordeelde dat de wet niet zo ruim kan worden uitgelegd dat
    ook de in beleidsnotities neergelegde beoordelingscriteria kracht van wet hebben. Daarop
    is in 1993 de Bestrijdingsmiddelenwet aangepast en uitgebreid met artikel 3a. Op grond
    van dit artikel kan een middel slechts worden toegelaten “indien het middel en zijn om-
    zettingsproducten voldoen aan bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) gestelde re-
    gelen betrekking hebbende op schadelijke nevenwerkingen als bedoeld in artikel 3 (...),
    alsmede op het voorkómen van het aantasten van de kwaliteit van bodem, daaronder be-
    grepen grondwater, water of lucht”. Artikel 3a is aldus een kapstok in de wet voor verde-
    re uitwerking van criteria en normen voor toelating (Eck95).
         Voor milieucriteria is in februari 1995 een AMvB ex art. 3a (Besluit milieutoela-
    tingseisen bestrijdingsmiddelen) van kracht geworden (Stb95). Deze heeft alleen betrek-
    king op gewasbeschermingsmiddelen. Een gewasbeschermingsmiddel wordt slechts toe-
    gelaten als het voldoet aan bepaalde milieucriteria. Drie van deze criteria zijn nader uit-
    gewerkt: ze hebben betrekking op de persistentie in de bodem (art. 5), de uitspoeling naar
    het grondwater (art. 6) en het risico voor waterorganismen (art. 7). Ieder ‘milieucriteri-
    um-artikel’, bestaat uit vier leden. Lid 1 en 2 omschrijven de eigenlijke milieueisen (zie
    tabel 1). Lid 3 geeft aan onder welke voorwaarden niet aan die eisen voldaan hoeft te
    worden. Hieruit blijkt dat de eisen in lid 1 en 2 vooral gezien moeten worden als indica-
    toren voor de wenselijkheid van vervolgonderzoek. Lid 4, ten slotte, verwijst naar een
    bijbehorende Ministeriële regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
    (Stc98) waarin beschreven staat hoe een en ander gemeten of berekend dient te worden
26  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>    Tabel 1 De drie in de Nederlandse wetgeving opgenomen milieucriteria waaraan de toelaatbaarheid
    van een gewasbeschermingsmiddel getoetst dient te worden.
    milieucriterium                 milieueis
    persistentie in de bodem        DT50 < 90 dagen,
                                    grondgebonden residuen na 100 dagen < 70% van de begindosis, in
                                    combinatie met
                                    mineralisatiesnelheid > 5% binnen 100 dagen
    uitspoeling naar het grondwater concentratie in grondwater < 0,1 µg/l of kleiner dan de toxicologische
                                    norm indien deze lager is dan 0,1 µg/l,
                                    gesommeerde concentraties van gelijktijdig gebruikte middelen < 0,5
                                    µg/l
    risico’s voor waterorganismen   piekconcentratie in oppervlaktewater
                                    < 0,01 LC50 ‘acuut vis’ en
                                    < 0,01 EC50 ‘acuut Daphnia’ en
                                    < 0,1 NOEC ‘alg’
                                    over bepaald tijdsinterval gemiddelde concentratie in oppervlaktewa-
                                    ter
                                    < 0,1 NOEC ‘chronisch vis en Daphnia’ en
                                    bioconcentratiefactor
                                    < 1000 voor biologisch goed afbreekbare werkzame stof
                                    < 100 voor biologisch slecht afbreekbare werkzame stof
   en wanneer aan de eisen voldaan is. Ook is daarin aangegeven wanneer gegevens uit
   veldonderzoek gebruikt kunnen worden bij de toetsing aan de milieucriteria.
   Persistentie in de bodem
   Bij initiële afwijzing van een middel op grond van art. 5 lid 1 of 2 van het besluit, biedt
   de zojuist genoemde ministeriële regeling (art. 3) de aanvrager of houder van een toela-
   ting de mogelijkheid om
         hetzij met ‘veldgegevens’ aan te tonen dat de DT50, de hoeveelheid grondgebonden
         residuen of de mineralisatiesnelheid onder praktijkomstandigheden toch aan de ge-
         stelde eisen voldoen, ondanks de, op grond van laboratoriumonderzoek, voorspelde
         overschrijding,
         hetzij aan te tonen dat overschrijding van de grenzen gesteld aan de DT50, de hoe-
         veelheid grondgebonden residuen of de mineralisatiesnelheid binnen het perceel niet
         leidt tot een overschrijding van het maximaal toelaatbaar risico (MTR) voor bode-
         morganismen twee jaar na de laatste toepassing. Deze toetsing aan het MTR is ech-
         ter alleen toegestaan als de eerder gevonden DT50 -waarde kleiner is dan 180 dagen.
27 Wet- en regelgeving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   Uitspoeling naar het grondwater
   Art. 4 van de ministeriële regeling bepaalt hoe concentraties van bestrijdingsmiddelen in
   het grondwater berekend moeten worden. Als berekeningen op basis van laboratoriumge-
   gevens een overschrijding van de norm in het bovenste grondwater voorspellen, kan de
   aanvrager van de toelating om herberekening vragen op basis van gegevens van veld- of
   lysimeter-experimenten (bijlage IV bij de regeling). Bij al toegelaten middelen die herbe-
   oordeeld moeten worden, kunnen ook monitoringgegevens gebruikt worden om aan te to-
   nen dat aan de uitspoelingseis voldaan is. In bijlage V van de regeling staan de eisen ver-
   meld waaraan het veldonderzoek moet voldoen. Deze hebben echter alleen betrekking op
   de kwaliteit van het onderzoek; ze geven geen uitsluitsel over het aantal benodigde meet-
   gegevens. Als een toelating in eerste instantie geweigerd wordt vanwege te hoge bereken-
   de of gemeten concentraties in het bovenste grondwater, heeft de aanvrager of houder
   van een toelating ten slotte de mogelijkheid op grond van art. 6 lid 3 van het besluit en
   art. 4 lid 4 van de regeling om aan te tonen dat wel aan de vereiste concentratiecriteria
   voldaan wordt na een transporttijd van vier jaar op een diepte van tien meter beneden het
   maaiveld. Dit wordt in het laboratorium bepaald in incubatieproeven met ondergrondma-
   teriaal dat met water verzadigd is.
   Risico’s voor waterorganismen
   Als een toelating in eerste instantie wordt geweigerd op grond van de toxiciteit voor wa-
   terorganismen (art. 7 lid 1 en 2 van het besluit), kan de aanvrager of houder van een toe-
   lating proberen aan te tonen dat er geen onaanvaardbare (in)directe effecten op wateror-
   ganismen zullen optreden (art. 7 lid 3 van het Besluit). Onaanvaardbaar is hier het over-
   schrijden van het MTR voor waterorganismen, tenzij door een “adequate risico-evalua-
   tie” aanvullende gegevens verstrekt worden, die aanleiding geven tot het bijstellen van de
   berekende blootstellingsconcentratie of de effectconcentratie “onder veldomstandighe-
   den” (art. 5 lid 4 van de Regeling). In bijlage VII van de regeling is nader uitgewerkt wat
   men onder een adequate risico-evaluatie verstaat. Behalve op de uitkomsten van aanvul-
   lend laboratoriumonderzoek kan zo’n evaluatie ook berusten op de resultaten van onder-
   zoek aan aquatische (model)ecosystemen, omdat de lotgevallen van, de blootstelling aan
   of de gevoeligheid voor bestrijdingsmiddelen in het veld kunnen afwijken van die onder
   laboratoriumomstandigheden. Voorts wordt in genoemde bijlage opgemerkt dat aanvul-
   lende onderzoek informatie kan opleveren “over de snelheid van herstel bij een gedeelte-
   lijke reductie van dichtheden. Een tijdelijke overschrijding van het MTR in de orde van
   enkele uren of dagen behoeft bij een partieel effect voor de lange termijn geen ernstige
   gevolgen te hebben voor populaties van soorten zoals kreeftachtigen en algen.” Uit deze
28 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    formulering kan men afleiden dat herstelbaarheid een criterium is dat bij de risicobeoor-
    deling van een middel betrokken kan worden.
    Bij de uitwerking van de bovengenoemde milieucriteria is reeds volledig rekening gehou-
    den met Europese richtlijnen op dit vlak (zie hieronder). In de nabije toekomst zullen an-
    dere criteria met betrekking tot de giftigheid voor niet-doelsoorten (zie tabel 2) aan het
    Besluit worden toegevoegd.
    Als een gewasbeschermingsmiddel aan alle milieueisen en alle andere eisen voldoet,
    wordt het toegelaten voor een periode van ten hoogste tien jaar (art. 5 lid 1 van de Be-
    strijdingsmiddelenwet). Doorgaans vindt na vijf jaar een nieuwe beoordeling plaats.
    Enerzijds gebeurt dat omdat nieuwe informatie over een stof beschikbaar kan komen die
    herbeoordeling nodig maakt. Anderzijds veranderen in de loop der tijd de eisen waaraan
    gewasbeschermingsmiddelen moeten voldoen.
2.2 Het communautaire wettelijke kader
    De Europese richtlijn voor de harmonisatie van de toelating van gewasbeschermingsmid-
    delen, richtlijn 91/414EEG, dateert van 1991 (EU91). De richtlijn gaat uit van een be-
    oordeling van werkzame stoffen op communautair niveau. De lidstaten blijven verant-
    woordelijk voor de toelating van de commerciële producten (gewasbeschermingsmidde-
    len) die op deze werkzame stoffen gebaseerd zijn. Er is echter voorzien in een beginsel
    van wederzijdse erkenning. Dit houdt in dat, als een middel door één lidstaat is toegela-
    ten, andere lidstaten het middel eveneens moeten toelaten, tenzij specifieke nationale om-
    standigheden een ander oordeel rechtvaardigen.
         De richtlijn voorziet in het opstellen van een positieve lijst van werkzame stoffen in
    Bijlage I van de richtlijn. In de toekomst mogen alleen werkzame stoffen die op deze lijst
    staan vermeld dienen als basis voor binnen de Europese Unie te gebruiken gewasbe-
    schermingsmiddelen. De lijst is nu nog nagenoeg leeg, maar tot 2003 zullen ongeveer
    800 ‘bestaande’ werkzame stoffen (stoffen die vóór 25 juli 1993 binnen de Europese Ge-
    meenschap toegelaten waren) in verband met plaatsing op de lijst beoordeeld moeten
    worden. Werkzame stoffen die na 25 juli 1993 als bestrijdingsmiddel op de markt zijn of
    worden gebracht, worden als ‘nieuwe’ stoffen behandeld (zie hieronder).
         De toelating van gewasbeschermingsmiddelen door de nationale overheden zal
    plaatsvinden aan de hand van een aantal criteria, die zijn uitgewerkt in Bijlage VI van de
    EU-richtlijn. Deze bijlage is als een aparte richtlijn gepubliceerd (richtlijn 94/43/EG,
    herzien via richtlijn 97/57/EG) en wordt doorgaans aangeduid als de ‘Uniforme Beginse-
    len’ (EU94, EU97). Deze vormen een leidraad voor de lidstaten om op uniforme wijze
    over de toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen te oordelen en te besluiten. Dit
29  Wet- en regelgeving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>    is onder meer van groot belang voor de wederzijdse erkenning. Behalve voorschriften
    voor de evaluatie van een middel bevatten de Uniforme Beginselen ook richtlijnen voor
    de besluitvorming: de toelatingscriteria. Daaronder bevindt zich een aantal milieucriteria
    die betrekking hebben op het gedrag in het milieu en op effecten op niet-doelsoorten. De
    criteria voor persistentie in de bodem, uitspoeling naar het grondwater en risico’s voor
    waterorganismen vormden het uitgangspunt voor die in het eerder genoemde Nederlandse
    Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Er is echter één verschil: volgens de
    Europese regels moet de concentratie van een gewasbeschermingsmiddel in oppervlakte-
    water kleiner zijn dan 0,1 maal de EC50 voor een algensoort in plaats van 0,1 maal de
    NOEC voor dat organisme. Voorts zijn er criteria voor de kwaliteit van voor drinkwater-
    productie bestemd oppervlaktewater en voor de luchtkwaliteit ter bescherming van toe-
    dieners en omstanders. De overige milieucriteria, die ertoe dienen om de risico’s voor
    niet-doelsoorten te beperken, zijn kort weergegeven in tabel 2. Volgens Bijlage II (voor-
    schriften met betrekking tot het dossier dat moet worden ingediend voor opneming van
    een werkzame stof in Bijlage I) bij richtlijn 91/414/EEG kunnen tevens gegevens worden
    gevraagd over effecten op sedimentorganismen (Chironomus) en waterplanten (Lemna).
    In de Uniforme Beginselen zijn voor deze organismen echter geen besluitvormingscriteria
    opgenomen.
         In principe wordt geen toelating verleend als in een eerste risico-evaluatie acute of
    chronische effecten zijn voorspeld, “tenzij door een adequate risico-evaluatie duidelijk is
    aangetoond dat zich onder veldomstandigheden geen onaanvaardbare effecten voordoen
    na toepassing van het gewasbeschermingsmiddel volgens de voorgestelde gebruiksaan-
    wijzing”. Niet nader omschreven is wat “onaanvaardbare effecten” zijn. Het zijn deze
    zogenaamde ‘tenzij-bepalingen’ die de aanvrager de mogelijkheid bieden om met aanvul-
    lende gegevens uit laboratorium- of veldonderzoek de toelaatbaarheid van een middel aan
    te tonen. In Bijlage III bij de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (91/414/EEG), waar-
    in voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot het dossier dat moet worden inge-
    diend voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel, wordt vaak verwezen naar
    richtlijnen van de EPPO*, de OECD** en de SETAC*** als richtsnoer voor de uitvoe-
    ring van veldproeven.
*   European and Mediterranean Plant Protection Organisation
**  Organisation for Economic Co-operation and Development
*** Society for Environmental Toxicology and Chemistry
30  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    Tabel 2 Milieueisen waaraan gewasbeschermingsmiddelen volgens de Uniforme Beginselen van de
    EU (EU97) moeten voldoen om voor toelating in aanmerking te komen. De milieueisen ten aanzien van
    persistentie in de bodem, uitspoeling naar het grondwater en risico’s voor waterorganismen (zie tabel
    1) zijn eveneens opgenomen in de Uniforme Beginselen, maar kortheidshalve hier niet herhaald.
    milieucriterium                milieueis
    vogels en andere gewervelde geschatte blootstelling<0,1xLD50 of LC50 (korte termijn)
    landdieren
                                   geschatte blootstelling<0,2xNOEC (lange termijn)
                                   bioconcentratiefactor (betrokken op vetweefsel) <1
    honingbijen                    maximale dosis (g/ha) < 50xLD50 (µg/bij)
    nuttige geleedpotigen          <30% van de testorganismen in een standaard laboratoriumproef aange-
                                   tast bij de maximale voorgestelde toedieningsconcentratie
    regenwormen                    PECbegin<0,1xLC50 (korte termijn)
                                   PEClange termijn<0,2xNOEC (lange termijn)
    bodemmicro-organismen          aantasting stikstof- en koolstofmineralisatie maximaal 25% na 100 dagen
   Voor de implementatie van de richtlijn 91/414/EEG in de Nederlandse wetgeving was
   een omvangrijke wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet noodzakelijk (Eck95). De ge-
   wijzigde wet is op 1 maart 1995 van kracht geworden. Onderdelen van de richtlijn zijn
   via AMvB’s ingevoerd. Meer technische en procedurele zaken zijn in ministeriële rege-
   lingen opgenomen. De Uniforme Beginselen (EU94, EU97) zijn geïmplementeerd in een
   AMvB die sinds 1 september 1995 van kracht is. Dit Besluit Uniforme Beginselen
   (Stb97) geldt voor gewasbeschermingsmiddelen die gebaseerd zijn op ‘nieuwe’ werkza-
   me stoffen. Middelen op basis van ‘bestaande’ werkzame stoffen worden beoordeeld vol-
   gens de milieu-criteria in het Besluit Milieutoelatingseisen Bestrijdingsmiddelen, totdat
   communautaire herbeoordeling van de werkzame stoffen heeft plaatsgevonden en deze
   op de positieve lijst van Bijlage I bij richtlijn 91/414 geplaatst zijn; dan geldt ook voor
   middelen op basis van bestaande stoffen het Besluit Uniforme Beginselen (Eck95).
31 Wet- en regelgeving
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>32 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          De toelatingsprocedure
          De wetten en richtlijnen zijn geoperationaliseerd in een toelatings- of registratieprocedu-
          re. Deze wordt uitgevoerd door het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen,
          het CTB, te Wageningen. Als een fabrikant of importeur een nieuw gewasbeschermings-
          middelen toegelaten wil krijgen op de Nederlandse markt of de toelating van een oud
          middel wil verlengen, dan moet hij daartoe een aanvraag indienen bij het CTB. In het
          aanvraagformulier worden tal van gegevens gevraagd over de stof, onder meer over het
          doel en de toepassingswijze, de fysische en chemische eigenschappen, analysemethoden
          en de toxiciteit voor diverse standaardtestorganismen. Dit zijn de zogenoemde dossierei-
          sen. Pas als alle gevraagde gegevens geleverd zijn, neemt het college de aanvraag in be-
          handeling. Beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor het milieu
          vormt onderdeel van de toelatingsprocedure. Daarbij wordt de toelaatbaarheid van een
          middel getoetst aan alle geldende milieucriteria (zie hoofdstuk 2). Al toegelaten middelen
          worden echter pas aan nieuwe milieueisen getoetst als ze aan de reguliere herbeoordeling
          toe zijn. In dit hoofdstuk geeft de commissie een korte schets van de toelatingsprocedure,
          waarbij ze aangeeft waar de aanvrager de mogelijkheid heeft om zijn aanvraag met gege-
          vens uit veldonderzoek te ondersteunen.
3.1       Getrapte risicobeoordelingsprocedure
          Bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een middel aan een bepaalde milieueis, zoals
          verwoord in de wettelijke milieucriteria, volgt het CTB een getrapte benadering (tiered
          approach). De eerste stap (first tier) in de beoordeling is relatief eenvoudig, weinig be-
33        De toelatingsprocedure
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>      werkelijk en grof. Hij is bedoeld om snel een onderscheid te maken tussen de middelen
      die zonder meer toegelaten of afgewezen kunnen worden, omdat men voldoende zeker-
      heid omtrent hun (on)schadelijkheid verkregen heeft, en de middelen die aan nader onder-
      zoek onderworpen dienen te worden. Op deze wijze hoeft men slechts voor een beperkt
      aantal gewasbeschermingsmiddelen kostbaar en tijdrovend vervolgonderzoek te verrich-
      ten.
3.1.1 De eerste stap
      In de eerste stap van de procedure maakt het CTB gebruik van de door de aanvrager ge-
      leverde gegevens over de fysische en chemische eigenschappen (vluchtigheid, oplosbaar-
      heid in water en octanol, etc.), de afbreekbaarheid, de toepassingswijze en de dosering
      van een middel. Mede uitgaande van bepaalde scenario’s voor weersomstandigheden en
      bodem- en gewaseigenschappen, worden de persistentie, de uitspoeling naar het grond-
      water, de blootstelling van organismen in allerlei milieucompartimenten, alsmede de bio-
      accumulatie geschat. Hiertoe maakt men gebruik van zogenaamde lotgevallenmodellen.
      Aan de validatie van deze modellen wordt nog steeds gewerkt. In verschillende landen
      gebruikt men thans nog vaak verschillende modellen, maar binnen de EU zijn de zoge-
      naamde FOCUS-werkgroepen bezig met een internationale harmonisatie (FOC95,
      FOC96a, FOC96b). De aldus berekende waarden worden vervolgens vergeleken met de
      normen die wettelijk vastgelegd zijn in de eerder genoemde milieucriteria (zie hoofdstuk
      2).
           Ter beoordeling van de risico’s voor organismen in milieucompartimenten moet de
      aanvrager ook informatie leveren over de gevoeligheid van de organismen. Deze wordt
      verkregen via toxiciteitsproeven in het laboratorium, die verricht moeten worden volgens
      gedetailleerde protocollen (bijvoorbeeld OECD-richtlijnen). In die proeven stelt men be-
      paalde standaard-testorganismen bloot aan oplopende concentraties van een bestrijdings-
      middel en bepaalt men de EC(D)50, LC(D)50 of NOEC. De verhouding tussen toxiciteit
      en blootstelling moet vervolgens voldoen aan de in de milieucriteria gestelde normen.
           Omdat uitgegaan wordt van relatief extreme scenario-omstandigheden (d.w.z. ver-
      houdingsgewijs ongunstige milieuomstandigheden) en voldoende hoge veiligheidsfactoren
      bij de normstelling, is de verwachting gerechtvaardigd dat een middel, als het volgens de
      berekeningen aan de normen voldoet, in de praktijk geen onaanvaardbare effecten zal
      veroorzaken.
3.1.2 De tweede stap
      Indien wel een overschrijding voorzien wordt, is de stof of toepassing niet zonder meer
      ontoelaatbaar, maar heeft de aanvrager de mogelijkheid binnen een bepaalde termijn met
34    Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>   behulp van aanvullend onderzoek aannemelijk te maken dat onder praktijkomstandighe-
   den geen normoverschrijdingen zullen plaatsvinden, dan wel dat geen onaanvaardbare ef-
   fecten zullen optreden (Kyl96). Met deze tweede stap in de risicobeoordelingsprocedure
   wordt invulling gegeven aan de in de wet vastgelegde ‘tenzij-bepalingen’. Voor al toege-
   laten middelen, die bij herbeoordeling een berekende overschrijding van de normen voor
   toxiciteit voor waterorganismen of uitspoeling naar het grondwater laten zien met maxi-
   maal een factor 100, krijgt de toelatingshouder hiervoor vier jaar de tijd, gezien de onze-
   kerheden in de modelberekeningen. Bij een overschrijding met meer dan een factor 100
   moet de aanvrager de onschadelijkheid van het betreffende middel onmiddellijk aantonen
   om beëindiging van de toelating te voorkomen. Bij nieuwe middelen moet de aanvrager
   bij elke berekende normoverschrijding de onschadelijkheid onder praktijkomstandigheden
   eerst met nadere onderzoeksgegevens aannemelijk maken, alvorens tot toelating kan wor-
   den overgegaan. Het milieucriterium voor uitspoeling naar het grondwater is het enige
   waarvoor ook bij een berekende onderschrijding van de norm (tot 0,01 maal de norm)
   aanvullend onderzoek gevraagd wordt (Kyl96). De reden hiervoor is dat de met een uit-
   spoelingsmodel berekende concentratie in het grondwater een grote spreiding vertoont
   onder invloed van kleine verschillen in de invoergegevens (DT50 en Kom).
        Voor de verschillende milieucriteria heeft het CTB de beoordelingsprocedure (eerste
   en tweede stap) in schema’s uitgewerkt (CTB99) (bijlage D). Uit die schema’s blijkt dat
   er ten behoeve van een nadere bepaling van de persistentie van een middel in de bodem
   twee soorten veldonderzoek mogelijk zijn: bepaling van de omzettingssnelheid in de bo-
   dem onder veldomstandigheden (punt 6 in figuur 1) en veldonderzoek ter bepaling van de
   concentratie in de bodem om de verhouding tussen blootstelling en gevoeligheid van bo-
   demorganismen te kunnen vaststellen (punt 8 in figuur 1).
        Ter nadere bestudering van de uitspoeling naar het grondwater kan veld- of lysime-
   teronderzoek verricht worden (punt 8 in figuur 2). Indien ook hieruit normoverschrijding
   blijkt, kan de afbraak in de verzadigde zone nog onderzocht worden (punt 10 in figuur
   2). Dit gebeurt echter in het laboratorium.
        Indien niet wordt voldaan aan de toelatingseis inzake de risico’s voor waterorganis-
   men, kan in eerste instantie berekend worden of het MTR overschreden wordt. Blijkt dit
   het geval te zijn, dan kan onderzocht worden of de berekende blootstellings- of effectcon-
   centraties bijstelling behoeven (punt 7 in figuur 3). Dit nader onderzoek kan bestaan uit
   aanvullend literatuuronderzoek, laboratoriumonderzoek of veldonderzoek, bijvoorbeeld
   in modelecosystemen (micro- of mesokosmossen). Bij een verwachte overschrijding van
   de eisen ten aanzien van de bioconcentratiefactor (BCF) is eveneens aanvullend
   (veld)onderzoek in de tweede stap mogelijk. Ook de andere, in de Uniforme Beginselen
   gespecificeerde milieucriteria (zie tabel 2) worden door het College al bij de risico-evalu-
   atie betrokken (zie figuren 4 t/m 7 in bijlage D) en in sommige gevallen tevens de moge-
   lijke effecten op waterplanten en sedimentorganismen. Ook daarbij kan veldonderzoek
35 De toelatingsprocedure
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>      ingezet worden. In bijlage E wordt een overzicht gegeven van de verschillende vormen
      van aanvullend (veld)onderzoek die momenteel gebezigd worden in de tweede stap van
      de risicobeoordeling. Internationaal streeft men naar harmonisatie van richtlijnen voor
      deze vormen van veldonderzoek (zie bijvoorbeeld Cam99).
3.1.3 De derde stap
      Als ook na de tweede stap onduidelijkheid blijft bestaan over het al of niet schadelijk zijn
      van een gewasbeschermingsmiddel, kan het CTB besluiten een in ruimte en tijd beperkte
      toelating te verlenen. Dit opent de mogelijkheid om onder praktijkomstandigheden veld-
      onderzoek te verrichten naar de milieueffecten van een middel. Afhankelijk van de resul-
      taten van dat onderzoek kan een volwaardige toelating verleend dan wel geweigerd wor-
      den. Dergelijk onderzoek kan men beschouwen als een overgangsvorm tussen preregi-
      stratie- en postregistratie-onderzoek en het vormt een structureel onderdeel van de toela-
      tingsprocedure.
           Daarnaast kan het CTB eventueel beschikbare veldgegevens (bijvoorbeeld afkomstig
      van monitoringsprogramma’s of geregistreerde incidenten) bij de herbeoordeling van al
      toegelaten middelen betrekken. Voorwaarde is dat het veldonderzoek aan bepaalde
      kwaliteitseisen voldoet. De gegevens kunnen ertoe leiden dat een toelating al dan niet
      verlengd of gewijzigd wordt. Ten slotte kan de aanvrager verplicht worden aanvullende
      informatie te verschaffen om gerezen vermoedens omtrent schadelijkheid te weerleggen.
      In noodsituaties kan het CTB de toelating ook tussentijds wijzigen. Monitoring in het
      veld en incidentenonderzoek vormen geen structureel onderdeel van de toelatingsproce-
      dure, omdat ze niet wettelijk voorgeschreven zijn; het plaatsvinden van deze activiteiten
      is afhankelijk van de bereidwilligheid van derden.
36    Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 4
          Veldonderzoek voor de toelating
          Voor de opzet en de uitvoering van veldproeven, alsmede voor de interpretatie van de re-
          sultaten, zijn geen strakke voorschriften te geven. De zeer diverse vraagstellingen (wat is
          het lot van de stof in het milieu? zijn er effecten op populaties van organismen? zijn er
          effecten op het niveau van de levensgemeenschap?) vergen immers ieder hun eigen aan-
          pak. Het oordeel van deskundigen zal daarom altijd een belangrijke rol spelen. Desalniet-
          temin zijn voor verschillende soorten van veldproeven globale richtlijnen gepubliceerd
          die houvast kunnen bieden (zie bijvoorbeeld Ano91, Bar94, Cam99, Cro94, Som90).
               Bij haar analyse van de belangrijkste knelpunten bij de opzet en de uitvoering van
          veldproeven en de interpretatie van de resultaten, beperkt de commissie zich tot een aan-
          tal hoofdzaken die zij van belang acht voor alle proeftypes, ongeacht het milieucriterium
          in het kader waarvan het onderzoek verricht wordt. Voor (technische) details verwijst zij
          naar de bovengenoemde richtlijnen. Centraal staat de vraag aan welke eisen een proef
          moet voldoen willen de resultaten redelijkerwijs als ‘bewijs’ kunnen gelden dat gebruik
          van het middel in de praktijk geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de milieuk-
          waliteit en niet-doelwitorganismen. Vaak zal de aanvrager van een toelating vooraf
          trachten hieromtrent duidelijkheid te krijgen door het testprotocol ter advisering aan het
          CTB voor te leggen. Voordat de commissie op een en ander nader ingaat, bespreekt ze
          kort de sterke en zwakke kanten van veldonderzoek.
37        Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>4.1 Sterke en zwakke kanten van veldonderzoek
    Veldonderzoek kan waardevolle aanvullende gegevens opleveren over het gedrag en de
    eventuele effecten van stoffen onder omstandigheden die meer dan die in de ‘en-
    kelsoorts’-toxiciteitstest in het laboratorium overeenkomen met de omstandigheden in de
    praktijk (Bro93a, GR94, Mur87). De lotgevallen van een stof, zoals omzetting, adsorptie
    en transport, komen in veldproeven beter overeen met de praktijksituatie en hetzelfde
    geldt dus voor de blootstelling van organismen. Ook vertonen de organismen in het veld
    en in modelecosystemen (micro- en mesokosmossen) doorgaans een natuurlijker gedrag.
    Zo kunnen ze, door zich te verplaatsen, hun blootstelling aan toxische stoffen beïnvloe-
    den. Bovendien zijn er interacties mogelijk tussen individuen van dezelfde populatie en
    tussen soorten. Dit opent de mogelijkheid om, naast directe toxische effecten, ook indi-
    recte effecten zichtbaar te maken. Voorts kan men gegevens in handen krijgen omtrent de
    gevoeligheid van soorten die niet of moeilijk in het laboratorium te houden zijn. In het la-
    boratorium is in de regel slechts korte-termijn-onderzoek mogelijk. In micro- en meso-
    kosmossen en in het veld, daarentegen, is middellange- en langetermijn-onderzoek moge-
    lijk, waardoor uitgestelde effecten en herstelprocessen beter bestudeerd kunnen worden.
         Sommige ecologen en ecotoxicologen menen dat voor een goede evaluatie van de ri-
    sico’s van milieuvreemde stoffen aanvullend veldonderzoek onontbeerlijk is (Cai83). An-
    deren relativeren de ‘ecologische’ voordelen van vooral micro- en mesokosmosonderzoek
    enigszins. Ze wijzen erop dat de beperkte ruimtelijke en temporele schaal van dit type
    onderzoek belangrijke kenmerken van levensgemeenschappen en ecosystemen uitsluit of
    vervormt en daardoor tot misleidende resultaten kan leiden (Car96, Sch98). Zij pleiten
    voor ‘echt’ veldonderzoek op de schaal waarop zich de milieuproblemen voordoen en
    zien voor semiveldonderzoek hooguit een aanvullende en ondersteunende rol. Hun be-
    zwaren hebben echter vooral betrekking op onderzoek aan grote ecosystemen, zoals gro-
    te meren. Kleinere ecosystemen, zoals sloten of bodemecosystemen zijn gemakkelijker na
    te bootsen. Weer anderen wijzen erop dat er altijd een inductieve stap nodig is om op
    grond van de lotgevallen en effecten van gewasbeschermingsmiddelen in
    modelecosystemen te komen tot uitspraken over natuurlijke systemen. Hoewel een derge-
    lijke stap aantoonbaar korter is voor modelecosystemen dan voor enkelsoorts-toxiciteit-
    stesten in het laboratorium, blijft hij nodig. Omdat grootschalig experimenteel onderzoek
    in natuurlijke ecosystemen echter om praktische redenen vaak niet doenlijk en evenmin
    wenselijk is, bieden modelecosystemen doorgaans toch het meest realistische compromis
    (Cra97).
         Desondanks betekenen de genoemde voordelen niet op voorhand dat veldproeven een
    betere schatting van de milieurisico’s mogelijk maken en dus altijd een bruikbaar instru-
    ment bij de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen vormen. De toe-
38  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    name in realiteitswaarde heeft namelijk zijn keerzijde. Een toename in de complexiteit
    van de proeven en in de variatie tussen replica’s, alsmede een vermindering van de be-
    heersbaarheid, bemoeilijken de interpretatie van de resultaten. Voorts stijgen de onder-
    zoeks- en evaluatiekosten snel met toenemende omvang en complexiteit van het onder-
    zoek (GR94, Mur87). Dit heeft de toelatende instantie in de Verenigde Staten, het Office
    of Pesticide Programs van de EPA, in 1992 zelfs doen besluiten om de rol van veldproe-
    ven bij de beoordeling van de risico’s voor vogels en waterorganismen drastisch terug te
    dringen (Fis92, Tou97). Deze beslissing vormde de aanleiding voor het organiseren van
    diverse workshops en symposia, onder andere door de Ecological Society of America
    (ESA), over het nut en de bruikbaarheid van veldproeven (Dae96, Sha96, Tau97). De
    overheersende mening was dat dergelijke proeven, mits op de juiste wijze opgezet en uit-
    gevoerd, een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan de ecotoxicologische risicobeoor-
    deling van gewasbeschermingsmiddelen. De commissie onderschrijft dit standpunt. In de
    volgende paragrafen licht ze toe wat een goede proefopzet behelst en hoe de interpreteer-
    baarheid van de resultaten verbeterd kan worden.
4.2 Beschermdoelen en aanvaardbare effecten
    De commissie meent dat het voor een zinvolle proefopzet en voor de interpreteerbaarheid
    van de resultaten, in termen van toelaatbaarheid van het gewasbeschermingsmiddel,
    vooraf duidelijk moet zijn welke effecten aanvaard worden en welke niet. Zij acht een
    toelatingsbeleid dat stoelt op het beoordelen van effecten slechts mogelijk als die duide-
    lijkheid er is. Met aanvaardbare effecten bedoelt de commissie de veranderingen, waar-
    voor in alle redelijkheid mag worden aangenomen dat ze geen beletsel vormen voor het
    bereiken van de beschermdoelen van de overheid, zoals verwoord in de wettelijk vastge-
    legde milieucriteria (zie hoofdstuk 2). Onaanvaardbare effecten zijn dan veranderingen
    van een zodanige aard of omvang, dat de zojuist bedoelde aanname niet gerechtvaardigd
    is. Een moeilijkheid is hier dat de beschermdoelen van de overheid vaak nog onvoldoende
    scherp geformuleerd zijn. Zo is niet duidelijk of men uit is op het behoud van (lokale)
    populaties van soorten of slechts op dat van functionele of taxonomische groepen. De
    commissie vindt dat een heldere, ondubbelzinnige formulering van de beschermdoelen
    door de overheid een eerste voorwaarde is voor een efficiënte toelatingsprocedure in het
    algemeen en voor het doeltreffend inzetten van veldproeven in het bijzonder.
         Om gevonden effecten te kunnen vergelijken met aanvaardbare, moeten wetenschap-
    pers de beschermdoelen van de overheid operationaliseren in concrete kenmerken, waar-
    op het onderzoek en de meetinspanningen gericht moeten worden. Dit zijn de meetdoelen.
    Vervolgens moeten zij aangeven wat de ecologische betekenis is van bepaalde verande-
    ringen in die meetdoelen en welke van die veranderingen aanvaardbaar zijn met het oog
39  Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>      op de realisatie van de beschermdoelen. Goed overleg tussen beleidsmakers en weten-
      schappers is hiertoe noodzakelijk.
4.2.1 Meetdoelen
      De keuze van de juiste meetdoelen is relatief eenvoudig als het erom gaat de risico’s ten
      aanzien van uitspoeling naar het grondwater, persistentie in de bodem, of die voor afzon-
      derlijke soorten organismen te beoordelen. Er is hier geen verschil met de eerste stap van
      de risicobeoordelingsprocedure. Moeilijker wordt het bij de risico’s voor hele levensge-
      meenschappen. De testorganismen in de eerste stap vormen immers niet zelf, of niet uit-
      sluitend, het beschermdoel, maar staan model voor grotere groepen van te beschermen
      organismen. Dit vereist een bredere proefopzet. Calow merkt op dat de kern van het pro-
      bleem gelegen is in tekortschietende kennis over ecologische systemen: dit kennistekort
      maakt het lastig om beschermdoelen — en dus ook meetdoelen — te bepalen (Cal94).
      Sommigen pleiten ervoor om vooral te kijken naar veranderingen die op hun beurt andere
      veranderingen teweegbrengen, met andere woorden die de veerkracht en stabiliteit van
      ecosystemen aantasten. Het inzicht in de factoren die de stabiliteit van ecosystemen be-
      palen groeit, maar is nog beperkt. De commissie meent dat vooral over ecosystemen in
      ondiep zoet oppervlaktewater voldoende ecologische kennis beschikbaar is, zeker ook in
      relatie tot verstoring door gewasbeschermingsmiddelen, om hier tot een verantwoorde
      keuze van meetdoelen te kunnen komen (zie o.a. STO98a en STO98b). De kennis over
      andere, bijvoorbeeld terrestrische, ecosystemen is echter niet toereikend.
           De commissie stelt voor om zich bij veldproeven, waarin de effecten op levensge-
      meenschappen onderzocht worden, in eerste instantie te richten op structurele meetdoe-
      len, dat wil zeggen op taxa. Afhankelijk van wat men wil beschermen, kan men soorten,
      hogere taxonomische groepen (genera, families, ordes, etc.) of functionele groepen bestu-
      deren. Bij voorkeur dient voor elk type ecosysteem (althans waarvoor een ecologisch ri-
      sico wordt vermoed) aangegeven te worden welke taxa bestudeerd moeten worden, uit-
      gaande van alle beschikbare kennis over hun gevoeligheid en hun betekenis voor de sta-
      biliteit van het ecosysteem. Hiervoor dienen, voor zover ze niet al bestaan, breed geac-
      cepteerde richtlijnen opgesteld te worden. Zolang voldoende inzicht ontbreekt, is het vol-
      gens de commissie raadzaam er in ieder geval zorg voor te dragen dat zich onder de ge-
      selecteerde organismen soorten bevinden
           uit verschillende taxonomische groepen
           uit verschillende trofische niveaus
           met verschillende ecologische functies
           met uiteenlopende levenscycli.
40    Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>      (Zie ook GR88, Jon95, Jon97.) Met deze criteria is over het algemeen rekening gehouden
      in de beschikbare richtlijnen voor aquatisch veldonderzoek. Dat geldt ook voor de in de
      literatuur gepubliceerde aquatische veldproeven (Bro94). Ook de sexratio, de leeftijdsop-
      bouw of de genetische constellatie van populaties kunnen als meetdoelen fungeren als er
      aanwijzingen zijn dat zich daarin veranderingen kunnen voordoen die een bedreiging vor-
      men voor het bereiken van de beschermdoelen (zie onder meer Dod99, Gut94, Sul99,
      Tak96).
           Naast taxa kunnen ook bepaalde processen als meeteindpunten genomen worden,
      bijvoorbeeld de snelheid van fotosynthese, ademhaling, N-mineralisatie, nitrificatie etc.
      Sommige processen blijken echter door de zogenaamde functionele redundantie ongevoe-
      liger te zijn voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen dan structurele ecosysteemken-
      merken: deze processen worden door meerdere soorten in gang gehouden. Als één soort
      verdwijnt, neemt een andere soort zijn functie over (Bro93b, Ker94, Lev89, Pratt in
      Sut95).
4.2.2 Aanvaardbare veranderingen
      Nadat de meetdoelen uitgekozen zijn, moet vastgesteld worden welke veranderingen in de
      getalswaarden van die meetdoelen acceptabel zijn met het oog op realisatie van de be-
      schermdoelen. Zonder de ‘meetlat van het acceptabele effect’ is het niet mogelijk om
      vanuit de resultaten van de proef te komen tot een beslissing over de toelaatbaarheid van
      het onderzochte middel. Calow merkt in dit verband op dat voor populaties geldt dat mi-
      nimaal hun uitroeiing moet worden voorkomen. Maar het kan zijn dat omwille van de
      rest van het ecosysteem tevens hun dichtheden en biomassa’s binnen zekere grenzen
      moeten blijven (Cal94). Helaas kunnen ecologen op dit moment vaak onvoldoende aan-
      geven wat de ecologische consequenties zijn van veranderingen en dus wat hun betekenis
      voor de beschermdoelen is. Vaak is a priori slechts globaal bekend, dat wil zeggen niet
      op soortsniveau maar vaak wel op het niveau van functionele groepen, hoe veranderin-
      gen in een bepaalde grootheid via het web van trofische en andere relaties zullen door-
      werken in andere componenten van het ecosysteem (Bro93a, Cra97). Het is aannemelijk
      dat deze indirecte effecten geringer uitvallen naarmate de directe effecten kleiner en kor-
      ter van duur zijn. Over de stand der wetenschap op dit punt heeft de Gezondheidsraad
      onlangs een advies uitgebracht (GR97a).
           In de ecotoxicologische literatuur krijgt de vraag naar de ecologische relevantie rela-
      tief weinig aandacht. De nadruk ligt vaak op de statistische significantie (Sut96), die de
      mate van zekerheid kwantificeert waarmee een waargenomen verschil aan de behande-
      ling (in dit geval met een gewasbeschermingsmiddel) kan worden toegeschreven. Statisti-
      sche significantie zegt echter niets over de ecologische betekenis van de verschillen: ener-
      zijds hoeven statistisch significante effecten niet per se ecologisch relevant te zijn; ander-
41    Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>      zijds kùnnen zich ecologisch belangrijke effecten voordoen zonder dat dat zich uit in sta-
      tistische significantie. In paragraaf 4.3 zal de commissie hier dieper op ingaan.
           De te geringe aandacht voor de ecologische betekenis van geïnduceerde veranderin-
      gen is wellicht mede een gevolg van het feit dat beleidsmakers vooral geïnteresseerd zijn
      in geen-effectniveaus (zie Bru97). De commissie denkt dat in het ontbreken van de, op
      ecologische relevantie gestoelde, ‘meetlat van het acceptabele effect’ een belangrijke ver-
      klaring schuilt voor het voortduren van het dispuut over de interpretatie van de resultaten
      van veldproeven. Daarom vindt zij het noodzakelijk dat voor ieder meetdoel op weten-
      schappelijke gronden een ‘aanvaardbare verandering’ wordt gespecificeerd. Eventueel
      kan daarbij een veiligheidsmarge worden gehanteerd.
           In het kader van een discussie over de vervanging van de NOEC door een ECx, pleit-
      ten Van der Hoeven en medewerkers (Hoe97a) ervoor om het aanvaarde effect, zegge x,
      vast te stellen op 5 of 10% van de waarde van de grootheid in kwestie. Een ecologische
      onderbouwing, gerelateerd aan het bereiken van de beschermdoelen, gaven zij niet. Eco-
      logisch bezien is het echter beter om voor ieder meetdoel afzonderlijk een x-waarde vast
      te stellen. Veranderingen in bijvoorbeeld de snelheid van zuurstofproductie, het aantal
      watervlooien of het aantal otters hebben immers ieder een geheel eigen ecologische bete-
      kenis. Wellicht biedt het werk van Domsch en medewerkers (Dom83) aanknopingspun-
      ten. Zij stelden voor om de aanvaardbaarheid van effecten te baseren op een vergelijking
      met de natuurlijke fluctuaties in vergelijkbare systemen die niet gestrest worden door
      ‘antropogene’ stoffen. Het inzicht in dit laatste is echter vaak nog gering. Een vergelij-
      king met fluctuaties houdt in dat de factor tijd een rol speelt bij het specificeren van een
      acceptabel effect. In de volgende paragraaf gaat de commissie daarop nader in. Ten slot-
      te kunnen ook niet-ecologische overwegingen, zoals sociale en ethische, een rol spelen.
      Zo kan de ‘aaibaarheid’ van organismen meewegen. In verband hiermee wijst de com-
      missie op het advies van de Gezondheidsraad over de beschermwaardigheid van hogere
      organismen (GR97c).
4.2.3 Herstel
      De mogelijkheid om herstelprocessen te bestuderen en dus mee te wegen bij het nemen
      van beslissingen over de toelaatbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen wordt vaak
      genoemd als één van de grote voordelen van veldonderzoek (Bro93a, GR94, Mur87). De
      commissie vindt het in principe juist om gegevens over herstelprocessen bij de besluit-
      vorming te betrekken. Zij beschouwt veranderingen die binnen redelijke termijn herstel-
      len als acceptabel; de term herstel impliceert immers dat het beschermdoel niet bedreigd
      wordt. Populaties, levensgemeenschappen en ecosystemen zijn echter historische structu-
      ren, die — met inbegrip van hun functies — op ieder tijdstip een afspiegeling zijn van al-
      le voorgaande invloeden (Lan97). Daarom moet men zich afvragen wat er herstelt en of
42    Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   er daarnaast permanente veranderingen geïnduceerd zijn die een bedreiging kunnen vor-
   men voor het verwezenlijken van de beschermdoelen. Brock en medewerkers (Bro93a)
   beschouwden een populatie in een belast modelecosysteem als hersteld indien de aantal-
   len individuen, na een significante toe- of afname als direct of indirect gevolg van de be-
   handeling, weer (langdurig) binnen de normale spreiding van de controlesystemen vallen.
   Dit ‘herstel’ betekent echter niet zonder meer dat populaties en ecosystemen precies het-
   zelfde worden als ware er nooit een contaminant geweest. Er kunnen veranderingen res-
   teren, bijvoorbeeld in de leeftijdsopbouw of geslachtsverhouding binnen populaties, of
   verschuivingen in allelfrequenties (zie bijvoorbeeld Dod99, Gut94, Sul99, Tak96). Een
   andere commissie van de Gezondheidsraad heeft gewezen op de mogelijk grote ecologi-
   sche gevolgen van veranderingen in populatie-genetische kenmerken (GR94). Bovendien
   kunnen er binnen taxa verschuivingen in de soortensamenstelling hebben plaatsgevonden
   die onopgemerkt blijven als deze taxa niet op soortsniveau gedetermineerd zijn (zie onder
   meer Gid96). Functies en processen kunnen door andere soorten overgenomen zijn. Her-
   stel zal daarom doorgaans betekenen dat er een nieuwe toestand ontstaat die meer op de
   oorspronkelijke situatie, of beter, op een ongestoorde controlesituatie, lijkt naarmate de
   storing minder ingrijpend en van kortere duur was. Of de nieuwe toestand acceptabel is,
   hangt enerzijds af van de ‘bandbreedte’ binnen welke de beschermdoelen gedefinieerd
   zijn en anderzijds van de betekenis van de geïnduceerde veranderingen voor het be-
   schermdoel op de langere termijn.
        Herstelprocessen in ecosystemen kunnen plaatsvinden onder invloed van interne en
   externe factoren. In het eerste geval zullen in omvang gereduceerde populaties van orga-
   nismen zich weer uitbreiden door voortplanting van individuen die gespaard gebleven
   zijn, omdat ze minder gevoelig of resistent waren, zich in een inert ruststadium bevonden
   of zich op plaatsen (refugia) ophielden waar de toxicant in mindere mate of niet door-
   drong. Functies en processen kunnen ook herstel vertonen doordat minder gevoelige, of
   zich sneller herstellende, soorten de taken van (goeddeels) verdwenen soorten overnemen.
   Herstel van buitenaf is het gevolg van herkolonisatie vanuit andere, meer of minder na-
   bijgelegen ecosystemen. In veldproeven blijft dit extern herstel soms uit als gevolg van
   de geïsoleerdheid van de testsystemen of de beperkte tijdsduur. Brock en medewerkers
   (Bro93a) hebben dat geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld van de vlokreeft Gam-
   marus pulex, die, eenmaal uitgeroeid in geïsoleerde proefsloten, niet meer kan terugke-
   ren, omdat het dier zich niet over land kan verplaatsen. Via herintroductie kan in zo’n
   geval onderzocht worden of de milieukwaliteit zodanig hersteld is dat de leefomstandig-
   heden weer geschikt zijn voor de soort. Een goede kennis van de ecologie en de demogra-
   fie van de betreffende soort, alsmede van haar leefomgeving (vooral de mate van geïso-
   leerdheid daarvan), is dan een absolute voorwaarde om betrouwbaar te kunnen schatten
   in hoeverre in de praktijk ook daadwerkelijk herstel zal optreden.
43 Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>    Voor het vaststellen van veranderingen onder invloed van een toegediend gewasbescher-
    mingsmiddel, en voor het volgen van het tijdsverloop daarvan, is een vergelijking tussen
    controles en behandelingen nodig. Een dergelijke vergelijking stelt echter hoge eisen aan
    de kwaliteit van het onderzoek, vooral wanneer getracht wordt de afwezigheid van eerder
    (in de eerste stap) veronderstelde effecten aannemelijk te maken. Deze hoge eisen gelden
    in de eerste plaats het onderscheidingsvermogen van de proef. Immers, hoe geringer het
    onderscheidingsvermogen, hoe groter de veranderingen moeten zijn om (statistisch)
    zichtbaar te worden en hoe eerder dus ook een eventueel herstel zal worden geconsta-
    teerd. In de volgende paragraaf zal de commissie dit toelichten.
4.3 Proefopzet en data-analyse
    Strikt genomen kan de aanvrager van een toelating zich in een veldproef beperken tot het
    onderzoeken van het gedrag of de effecten van een gewasbeschermingsmiddel bij de
    maximaal aanbevolen dosering. De commissie geeft voor (eco)toxiciteitstests echter de
    voorkeur aan een multiple-concentration design, waarbij naast een controle-behandeling
    verschillende blootstellingsconcentraties of doseringen ingezet worden. Dit levert inzicht
    op in de gevolgen van een overschrijding van de maximaal aanbevolen dosering en dus
    over de robuustheid van de risicobepaling. Ook verschaft deze aanpak informatie over de
    dosering die nog toelaatbaar is als de maximaal aanbevolen dosis onaanvaardbare effec-
    ten teweeg brengt, alsmede over de risico’s bij toepassingen van hetzelfde middel in an-
    dere teelten met een andere aanbevolen dosering.
         De meetgegevens worden vaak op de volgende wijze geanalyseerd: voor elk meetdoel
    worden de verschillende behandelingen ieder afzonderlijk vergeleken met de controle.
    Telkens wordt de nulhypothese getoetst (doorgaans bij een significantieniveau α van
    5%) dat het werkelijke effect* nul is. Uit het niet-verwerpen van de nulhypothese kan
    echter niet worden geconcludeerd dat de nulhypothese waar is en dat het werkelijke ef-
    fect nul is. Immers, vele andere hypotheses (bv. ‘het werkelijke effect van de behandeling
    is 25%’ of ‘het werkelijke effect van de behandeling is 50%’) zouden wellicht evenmin
    verworpen zijn op grond van de verkregen meetgegevens. Alle denkbare waarden van het
    werkelijke effect die in statistische zin verenigbaar zijn met de gevonden meetuitkomsten,
    en dus bij toetsing (met α=5%) evenmin verworpen zouden zijn, vormen tezamen het bij
    de meetuitkomst behorende 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het werkelijke effect van
    de stof. Met andere woorden, het werkelijke, maar onbekende, effect van de stof ligt met
    95% betrouwbaarheid tussen de onder- en bovengrens van dat interval. De in de proef
    waargenomen effectgrootte is het midden van het interval**.
*   zie de omschrijving van het ‘werkelijk effect’ in de lijst van afkortingen, termen en begrippen (bijlage C)
**  althans als met ongetransformeerde meetuitkomsten wordt gewerkt
44  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>        De No Observed Effect Concentration (NOEC) is de hoogste gebruikte testconcen-
   tratie waarvoor geldt dat het bijbehorende betrouwbaarheidsinterval voor het werkelijke
   effect de waarde 0 omvat. Daarom wordt bij die concentratie de nulhypothese van ‘geen
   effect’ niet verworpen. Anders gezegd: het is — bij het gekozen significantieniveau —
   niet uit te sluiten dat het werkelijke effect van de NOEC nul is. Het betrouwbaarheidsin-
   terval omvat echter ook positieve en negatieve waarden. Deze kùnnen zelfs groot zijn.
   Een NOEC kan dus zonder meer niet beschouwd worden als een concentratie die in wer-
   kelijkheid geen effect heeft. Mede daarom wordt de laatste jaren steeds meer bezwaar ge-
   maakt tegen het gebruik van de NOEC in de risico-evaluatie van stoffen (Cha96a,
   Cha96b, Cha96c, Hoe97a, Hoe97b, Sut96).
        De Lowest Observed Effect Concentration (LOEC) is de laagste testconcentratie
   waarvoor geldt dat het betrouwbaarheidsinterval de waarde 0 niet omvat. Bij deze con-
   centratie is dus met grote waarschijnlijkheid werkelijk sprake van een effect. Het be-
   trouwbaarheidsinterval geeft aan tussen welke grenzen dat werkelijke effect naar alle
   waarschijnlijkheid ligt.
        De commissie concludeert dat het weinig zinvol is om uitsluitend NOECs (of
   LOECs) te vermelden als resultaten van een toxiciteitsproef. Zij beveelt nadrukkelijk aan
   om altijd de grenzen van het genoemde betrouwbaarheidsinterval te vermelden, omdat
   daarmee informatie geboden wordt over de omvang van het werkelijke effect. Het verge-
   lijken van deze omvang met het maximaal aanvaardbare effect geeft inzicht in de ecolo-
   gische betekenis van het werkelijke effect.
   Blijft de vraag staan welk effect op een gekozen meetdoel men wil kunnen detecteren.
   Het spreekt vanzelf dat dit een ecologisch relevant effect moet zijn (zie paragraaf 4.2).
   Als een bepaalde behandeling in werkelijkheid een ecologisch relevant effect heeft, dan
   zou een toxiciteitstest dat aan het licht moeten brengen, d.w.z.. er zou dan een flinke
   kans (bv. 80% of 90%) moeten zijn op verwerping van de nulhypothese (die luidt dat er
   geen effect is). Die kans is het onderscheidingsvermogen (power) van de proef. De ge-
   wenste power kan men bereiken door bij het opzetten van de proef, uitgaande van de ge-
   kozen waarde voor het significantieniveau (α) en op grond van voldoende (kwantitatieve)
   voorkennis over de variatie in het betreffende meetdoel, het juiste aantal herhalingen te
   kiezen (zie bijvoorbeeld Hoe98, Sok94). Bij een zo bepaalde NOEC hoort een betrouw-
   baarheidsinterval voor het werkelijke effect dat (met grote waarschijnlijkheid) het ecolo-
   gisch relevante effect niet omvat. Dat betekent dat het werkelijke effect bij die concentra-
   tie (met grote waarschijnlijkheid) ecologisch niet relevant is.
        Het voor de gewenste power benodigde aantal herhalingen per behandeling kan men
   beperken door te proberen de spreiding binnen de behandelingen zo klein mogelijk te
   houden (vergelijk Wey98). Dit wordt bevorderd door testsystemen niet groter te maken
   dan noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Bij aquatisch veld-
45 Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   onderzoek worden daarom micro- en kleine mesokosmossen (tot 25 m3) geprefereerd bo-
   ven grote mesokosmossen (Cro94, Sha96). Datzelfde bereikt men door een betere mon-
   stername, die rekening houdt met de ruimtelijke variatie binnen een testsysteem. Geosta-
   tistische technieken kunnen daarbij behulpzaam zijn (Gil97, Gro98). Door verkleining
   van de testsystemen en door minder meetdoelen te meten, spaart men tevens financiële
   middelen, die gebruikt kunnen worden om meer herhalingen per behandeling te creëren.
   Dit resulteert tevens in een meer toegespitste aanpak, hetgeen in overeenstemming is met
   de aanbevelingen van internationale workshops (zie bijvoorbeeld Sha96).
   Vanwege vele statistische bezwaren tegen het uitsluitend bepalen van NOECs geven veel
   biostatistici er de voorkeur aan om de gegevens afkomstig uit standaard-toxiciteitstesten
   in het laboratorium te analyseren met regressie-analyse-technieken en ECx-waarden te
   berekenen (Cha96a, Cha96b, Cha96c, Hoe97a, Hoe97b, Sut96). Een ECx met een kleine
   waarde voor ‘x’ kan dan dienst doen als vervanger voor de NOEC. Daarmee staat de ‘x’
   in feite voor het aanvaarde effect. De commissie onderschrijft de wetenschappelijke su-
   perioriteit van deze aanpak, maar ziet in de keuze van het juiste model voor de dosis-res-
   ponsrelatie een belangrijke belemmering, vooral voor toepassing bij veldproeven
   (Cha96b, Hoe97b). In (semi)veldproeven doen zich immers tal van wisselwerkingen voor
   tussen de soorten onderling en tussen de soorten en de beschouwde stof. Deze verkleinen
   de kans dat voor een bepaald meetdoel een duidelijke dosis-responsrelatie gevonden
   wordt. In dat geval kan men niet eenvoudig een ECx berekenen.
        Als tweede argument tegen de vervanging van de NOEC door een ECx wordt wel
   naar voren gebracht dat niet duidelijk is welke waarde voor x, het aanvaarde effect, ge-
   kozen moet worden (Bru97). De commissie acht deze tegenwerping echter niet terecht,
   omdat altijd gespecificeerd moet worden wat aanvaardbaar is om interpretatie van de
   proefresultaten in termen van toelaatbaarheid van een gewasbeschermingsmiddel moge-
   lijk te maken (zie paragraaf 4.2).
        De laatste jaren wordt in toenemende mate gebruik gemaakt van multivariate tech-
   nieken, zoals bijvoorbeeld redundancy analysis en principal response curves analysis,
   bij het analyseren van de resultaten van complexe veldproeven (Bri96, Bri97, Bri99a,
   Ked97, Lan97, Sha96). Deze technieken hebben als voordeel dat ze alle beschikbare da-
   ta gelijktijdig in beschouwing nemen. Ze zijn bij uitstek geschikt om zichtbaar te maken
   welke van de meetdoelen de grootste respons op de behandeling vertonen. Deze kunnen
   dan met de univariate technieken nader bestudeerd worden, zoals de commissie hierbo-
   ven geschetst heeft. Ook kan men multivariate technieken gebruiken om temporele trends
   te analyseren. De commissie meent, dat de multivariate technieken een waardevolle aan-
   vulling zijn op de gangbare univariate analysemethoden. Hoe dan ook moet echter elke
   statistische analyse gevolgd worden door een ecologische interpretatie.
46 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>4.4 Te verwachten effecten in de praktijk
    Het transport en de omzetting van een stof in het milieu, en daarmee ook de blootstelling
    aan en de toxiciteit van die verbinding, alsmede de gevoeligheid van organismen en het
    herstelvermogen van populaties, zijn afhankelijk van de (milieu)omstandigheden (kli-
    maat, bodemeigenschappen, waterkwaliteit, hydrologie, verbinding met omgeving etc.)
    waaronder toxicant en organisme met elkaar in contact komen. Deze omstandigheden
    zijn dus in hoge mate bepalend voor de aard en de omvang van de effecten en dus voor
    de grootte van het risico. Daarom zullen keuzes gemaakt moeten worden omtrent de om-
    standigheden waaronder de veldproef wordt uitgevoerd. Omdat het CTB niet zozeer gk-
    ïnteresseerd is in de effecten van de stof op de proeflocatie zelf ten tijde van de proef,
    maar veeleer in de effecten die na toelating te verwachten zijn op en nabij de talrijke
    plaatsen waar het middel toegepast zal worden, is het zaak de proefomstandigheden (het
    scenario) zodanig te kiezen, dat uit de resultaten van de proef redelijkerwijs kan worden
    afgeleid wat de risico’s op die praktijkplaatsen zullen zijn.
         Een mogelijke strategie behelst het doen van meerdere proeven onder uiteenlopende
    omstandigheden of op verschillende plaatsen. Men kan het aantal proeven daarbij laten
    afhangen van de ruimtelijke variabiliteit in milieuomstandigheden (bijvoorbeeld bodem-
    type) waaronder het middel in de praktijk toegepast zal gaan worden. In dat geval kan de
    meest ongunstige uitslag, of een bepaalde percentiel, maatgevend zijn. Ook is het denk-
    baar dat het gebruik van het middel alleen onder bepaalde omstandigheden wordt toege-
    laten. Bij relatief eenvoudige veldproeven, bijvoorbeeld naar de lotgevallen van bestrij-
    dingsmiddelen, of naar effecten op afzonderlijke soorten, is deze aanpak wellicht haal-
    baar. Bij grote mesokosmos-onderzoeken naar de effecten op waterorganismen vormen
    de hoge onderzoekskosten echter een belemmering.
         Een alternatieve aanpak om de resultaten van veldproeven beter generaliseerbaar te
    maken, is dat men probeert effectbevorderende omstandigheden te kiezen. De gedachte
    achter deze worst case benadering is, dat, als onder ongunstige omstandigheden geen on-
    aanvaardbare effecten optreden, er zich in de praktijk nagenoeg zeker geen onaanvaard-
    bare effecten zullen voordoen. Omdat echter slechts zelden alles tegen zal zitten en men
    geen onrealistische stapeling van ongunstige factoren wenst, streeft men ernaar om een
    realistic worst case situatie te creëren. Drukker & Van Straalen (Dru93) hebben aange-
    geven dat de ecologische kwetsbaarheid van populaties van organismen bepaald wordt
    door hun blootstelling, hun gevoeligheid voor de stof en hun herstelvermogen. Hieruit
    volgt, dat men, om een realistic worst case situatie te creëren, in ieder geval moet zorgen
    dat
         de blootstelling van de testorganismen hoog is: rekening houdend met de voorge-
         schreven toepassingswijze (toepassing op het juiste gewas en in het juiste seizoen)
47  Veldonderzoek voor de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>        dient de maximale dosering getest te worden; ook moet men er voor zorgen dat de bi-
        ologische beschikbaarheid gekwantificeerd wordt en niet onnatuurlijk laag is
        testorganismen met een hoge intrinsieke gevoeligheid aanwezig zijn
        er testsoorten met een gering herstelvermogen zijn (trage levenscyclus, geen resisten-
        te levensstadia, geringe mobiliteit).
   Bij het creëren van een realistic worst case situatie kan men gebruik maken van de be-
   schikbare kennis over andere gewasbeschermingsmiddelen met een soortgelijk werkings-
   mechanisme en gedrag in het milieu. Om te controleren of de omstandigheden werkelijk
   effect-bevorderend zijn, kan men een ‘positieve controle’ laten meelopen. Dat is een be-
   handeling met een ander dan het te testen gewasbeschermingsmiddel, waarvan men zeker
   weet dat het schadelijk is. Ook als een veldproef niet aan de eis van een realistic worst
   case voldoet, kan ze bruikbare resultaten opleveren, mits de beoordelende instantie de ef-
   fecten onder realistic worst case omstandigheden eruit kan afleiden.
        Medewerkers van het DLO Staring Centrum (STO98a, STO98b) hebben de resulta-
   ten van een groot aantal veldproeven naar de invloed van gewasbeschermingsmiddelen
   op stilstaande en stromende zoetwaterecosystemen vergeleken. De proeven zijn verricht
   in diverse werelddelen en met zeer uiteenlopende levensgemeenschappen. Desondanks
   blijkt dat verschillende proeven met hetzelfde middel en een vergelijkbaar blootstellings-
   regime (eenmalige of herhaalde toepassing) doorgaans resulteren in ongeveer gelijke
   NOECeco- en LOECeco-waarden. Wel zijn de indirecte effecten die bij hogere concentra-
   ties dan de NOEC/LOEC waargenomen worden vaak verschillend van aard. De overeen-
   komst in de NOEC- en LOEC-waarden kan erop duiden dat de gevoeligste organismen
   in vergelijkbare ecosystemen in de regel ongeveer even gevoelig zijn voor een bepaald
   gewasbeschermingsmiddel. Dit wijst erop dat extrapolatie van met veldproeven bepaalde
   kritische drempelwaarden (NOECeco- en LOECeco-waarden) goed mogelijk is (STO98a,
   STO98b).
48 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 5
          Veldonderzoek na de toelating
          Als een gewasbeschermingsmiddel eenmaal is toegelaten, kan veldonderzoek plaatsvin-
          den naar de milieueffecten onder praktijkomstandigheden. In dit hoofdstuk bespreekt de
          commissie enkele vormen van dergelijk postregistratie-veldonderzoek
5.1       Gericht postregistratie-veldonderzoek
          Nadat een gewasbeschermingsmiddel de eerste twee stappen van de risicobeoordeling
          doorlopen heeft, kan er op specifieke punten nog steeds onzekerheid over de (on)schade-
          lijkheid bestaan. In zo’n geval kan het zinvol zijn om een middel een tijdelijke of beperk-
          te toelating te verlenen, waarbij de aanvrager verplicht wordt tot het doen van veldonder-
          zoek in de praktijksituatie (zie ook Jon95). De vraagstelling die ten grondslag ligt aan dit
          onderzoek, wordt ingegeven door heel specifieke onzekerheden omtrent de lotgevallen
          van een stof of effecten op organismen en levensgemeenschappen, die in de eerste stap-
          pen van de risicobeoordeling aan het licht gekomen zijn. Daarom duidt de commissie dit
          onderzoek aan als gericht postregistratie-veldonderzoek. Aan de hand van de resultaten
          van het praktijkonderzoek kan dan besloten worden of het middel een meer definitieve
          toelating krijgt of verboden wordt. Tot nog toe wordt in de toelatingsprocedure nauwe-
          lijks gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Zeer recent is er echter voor het fungicide
          kresoxim-methyl een tijdelijke en beperkte toelating verleend met de verplichting voor de
          aanvrager om de uitspoeling naar het grondwater onder praktijkomstandigheden te vol-
          gen.
49        Veldonderzoek na de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>    Tabel 3 De sterke en zwakke kanten van gericht postregistratie-veldonderzoek.
    sterke kanten
    Sluit maximaal aan bij de praktijksituatie
    Kan relatief lang voortgezet worden
    Kan op vrij grote schaal plaatsvinden
    Geeft een beter beeld van de invloed van de ruimtelijke en temporele variatie in milieu- en praktijkom-
    standigheden op het gedrag en de effecten van gewasbeschermingsmiddelen
    zwakke kanten
    Grote spreiding in de uitkomsten
    Beschrijvend in plaats van experimenteel; oorzakelijke verbanden zijn vaak moeilijk aan te tonen
         De sterke en zwakke kanten van gericht postregistratie-veldonderzoek zijn omschre-
   ven in tabel 3. Betekende veldonderzoek in de preregistratie-fase al een veel nauwere
   aansluiting bij de werkelijke praktijksituatie dan de standaard-toxiciteitstests en model-
   berekeningen van de eerste stap, bij het gerichte postregistratieveldonderzoek is deze
   aansluiting nog nauwer. Veldonderzoek kan in de praktijksituatie vaak langer voortgezet
   worden dan onderzoek in experimentele systemen. Dikwijls is de vraagstelling nog scher-
   per toegespitst dan in de preregistratie-fase en zal het onderzoek per locatie dus minder
   inspanning vergen. Dit opent de mogelijkheid om op meer locaties onderzoek te doen.
   Hierdoor zal weliswaar de spreiding in de uitkomsten toenemen, maar daar staat tegen-
   over dat een beter beeld verkregen wordt van de invloed van de ruimtelijke en temporele
   variatie in milieu- en praktijkomstandigheden op het gedrag en de effecten van stoffen.
   Geostatistische technieken kunnen hier een belangrijke bijdrage leveren (Gil97, Gro98),
   vooral als het gaat om
         kwantificering van de ruimtelijke en temporele onzekerheid,
         optimale plaatsing van waarnemingen in ruimte en tijd,
         kwantificering van ruimtelijke en temporele onzekerheid, zoals die doorwerkt in mo-
         delberekeningen en
         ‘vlakdekkende’ uitspraken, bijvoorbeeld via een ruimtelijke interpolatie.
   Met gericht postregistratie-veldonderzoek kan ook geverifieerd worden of in het preregi-
   stratie-onderzoek inderdaad realistic worst case omstandigheden gesimuleerd zijn. Bo-
   vendien stijgt de kans dat, door een toevallige samenloop van omstandigheden, zelden
   optredende effecten worden waargenomen.
         Een nadeel is dat dit type veldonderzoek niet zozeer experimenteel als wel beschrij-
   vend van aard is: het heeft meer het karakter van monitoring. Daarom zal het doorgaans
   niet bruikbaar zijn voor het aantonen van een oorzakelijk verband tussen het gebruik van
   een gewasbeschermingsmiddel en effecten op organismen. De resultaten kunnen dan ook
50 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>    alleen in samenhang met die van eerder experimenteel onderzoek in de eerste stappen van
    de risicobeoordelingsprocedure beoordeeld worden.
    De vraag is hoe men de verkregen kennis omtrent de ruimtelijke en temporele variabiliteit
    kan benutten voor een beslissing over de toelaatbaarheid van een middel. Daartoe moet
    volgens de commissie vastgesteld worden op welke schaal men onacceptabele effecten op
    de milieukwaliteit of organismen wil accepteren. Dit lijkt in eerste plaats een beleidsbe-
    slissing. Tot nu toe krijgt het schaalaspect geen aandacht in de beschermdoelen die ver-
    woord zijn in de Bestrijdingsmiddelenwet.
         Een andere manier om met de ruimtelijke variabiliteit rekening te houden is gelegen
    in een aanpassing van de toelating. Zo zal bijvoorbeeld binnenkort in het label van enkele
    gewasbeschermingsmiddelen worden opgenomen dat ze alleen op bodems met een be-
    paalde pH gebruikt mogen worden. Op deze wijze kunnen middelen op de markt toegela-
    ten worden of blijven die anders geweerd of verboden zouden worden.
         Als bij de herevaluatie van al toegelaten middelen toetsing aan nieuwe milieucriteria
    moet plaatsvinden, dan kan daarbij gebruik gemaakt worden van beschikbare praktijkge-
    gevens. Hoe waardevol deze gegevens op zich ook mogen zijn, ze kunnen, zo meent de
    commissie op bovengenoemde gronden, informatie uit experimenteel onderzoek onder
    meer of minder beheerste omstandigheden niet vervangen, maar slechts een nuttige aan-
    vulling daarop vormen. Wel zijn praktijkgegevens bruikbaar om sturing te geven aan het
    experimentele onderzoek.
5.2 Algemeen postregistratie-veldonderzoek
    De toelatingsprocedure, en vooral de ecotoxicologische risico-evaluatie, is bedoeld om
    onacceptabele effecten van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen. Toch kan men er
    nooit zeker van zijn dat men daarin slaagt. De geschiedenis leert dat in het verleden her-
    haaldelijk bestrijdingsmiddelen toegelaten zijn die later weer van de markt gehaald wer-
    den, omdat zich toch onaanvaardbare effecten bleken voor te doen op de milieukwaliteit
    of op populaties van organismen. Organochloorverbindingen, zoals DDT, vormen wel-
    licht het bekendste voorbeeld. Ten tijde van hun introductie was nauwelijks iets bekend
    over hun bioaccumulatie via de voedselketen en over processen als global fractination
    en cold condensation, die zorgen voor transport naar en ophoping van deze stoffen in de
    poolstreken (Wan93). Maar ook modernere gewasbeschermingsmiddelen blijken soms
    onvermoede eigenschappen te bezitten. Zo is het pas sinds een jaar of tien duidelijk dat
    sommige van deze stoffen zich via de lucht over grotere afstand kunnen verspreiden
    (GR00). Ook de hormoonverstorende werking van sommige middelen is recent pas aan
    het licht gekomen (GR97b, GR99). Weersinvloeden, de gelijktijdige aanwezigheid van
    andere toxische stoffen, alsmede de inwerking van andere stressoren kunnen bovendien
51  Veldonderzoek na de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   het gedrag en de effecten van een gewasbeschermingsmiddel op onvoorziene wijze modu-
   leren.
        Om dergelijke onvoorziene gedragingen en effecten van veilig bevonden gewasbe-
   schermingsmiddelen op het spoor te kunnen komen, is het volgens de commissie raad-
   zaam dat deze stoffen na hun toelating onderwerp van onderzoek blijven, vooral van
   veldonderzoek naar hun vóórkomen in de verschillende milieucompartimenten. Dit ver-
   schaft inzicht in het lot van de circa tien miljoen kilo gewasbeschermingsmiddelen die
   jaarlijks in Nederland worden toegepast. Dergelijk onderzoek vindt in Nederland op vrij
   uitgebreide schaal plaats door instituten als het RIVM, RIZA, RIKZ, TNO, provinciale
   overheden, waterschappen en waterleidingbedrijven (zie bijvoorbeeld Bol94, Phe96,
   PZH94, Tas96). Omdat het ondoenlijk is om alle toegelaten stoffen te volgen, adviseert
   de commissie te prioriteren op grond van de omvang van het gebruik, de toxiciteit, de
   mobiliteit en de afbreekbaarheid. Daarnaast acht zij het raadzaam om representatieve
   stoffen uit alle belangrijke groepen te volgen. Door vergelijking van de gemeten concen-
   traties met op toxicologisch onderzoek gestoelde normen, zoals MTR- en VR-waarden,
   kunnen bovendien aanwijzingen verkregen worden omtrent het mogelijk optreden van ef-
   fecten. Als een stof enkele jaren gevolgd is en er geen onacceptabele verspreiding of ef-
   fecten aan het licht gekomen zijn, kan ze uit het monitoringsprogramma geschrapt wor-
   den.
        Tal van overheden en particuliere instanties volgen de laatste decennia de ontwikke-
   ling van populaties van planten- en diersoorten in ons land in ruimte en tijd. Te noemen
   zijn provincies, waterschappen, FLORON, SOVON en de Vlinderstichting. Dit onder-
   zoek levert waardevolle gegevens op en biedt de mogelijkheid om bij een eventuele ach-
   teruitgang van bepaalde soorten de betrokkenheid van gewasbeschermingsmiddelen te
   onderzoeken (Gre92, Ril90, Som90). Een praktisch probleem is overigens dat de in de
   ogen van biologen oninteressante landbouwgebieden vaak matig tot slecht onderzocht
   zijn. Op grond van een dergelijk onderzoek is bijvoorbeeld geconstateerd dat het gebruik
   van gewasbeschermingsmiddelen een mogelijke verklaring vormt voor de achteruitgang
   van een aantal vogelsoorten in Groot-Brittannië (Cam97). Nader (experimenteel) onder-
   zoek moet echter uitsluitsel geven over het al dan niet bestaan van causale verbanden en
   eventuele werkingsmechanismen. Vaak zullen combinaties van factoren betrokken zijn
   bij de achteruitgang van soorten en zal het moeilijk zijn de precieze rol van gewasbe-
   schermingsmiddelen vast te stellen. Deze werkwijze kan vooral van nut zijn voor soorten
   die in de preregistratie-fase en bij het onderzoeken van incidenten geen aandacht krijgen.
   De sterke en zwakke punten van dit zogenoemde algemeen postregistratie-veldonderzoek
   zijn kort samengevat in tabel 4.
52 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    Tabel 4 De sterke en zwakke kanten van algemeen postregistratie-veldonderzoek.
    sterke kanten
    Sluit maximaal aan bij de praktijksituatie
    Kan op grote schaal plaatsvinden
    Geeft een beeld van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen in het milieu als functie van
    ruimte en tijd
    Kan zeer lang voortgezet worden; geeft informatie over lange-termijninvloed op populaties van organis-
    men
    Geeft een geïntegreerd beeld van de invloed van alle menselijke ingrepen op populaties van organis-
    men
    zwakke kanten
    Voor het detecteren van eventuele effecten is men afhankelijk van gedetailleerde informatie over trends
    in populaties van organismen
    Moeilijk om invloed van gewasbeschermingsmiddelen te scheiden van die van andere menselijke ingre-
    pen alsmede van natuurlijke stressoren
    Beschrijvend in plaats van experimenteel; kan veelal geen oorzakelijke verbanden aantonen
         Door zijn ongericht karakter past het speuren naar onverwacht gedrag en onver-
   wachte effecten van gewasbeschermingsmiddelen niet binnen het kader van de toelatings-
   procedure en lijkt het in de eerste plaats een taak van de overheid. De resultaten kunnen
   echter wel bij de (tienjaarlijkse) herbeoordeling betrokken worden, of bij zeer ernstige
   verdenkingen tot onmiddellijk ingrijpen leiden. Men dient dan echter aan te tonen dat de
   onverwachte effecten zich voordoen bij gebruik volgens de wettelijke voorschriften en
   niet toe te schrijven zijn aan onoordeelkundig, oneigenlijk of illegaal gebruik. De hieruit
   voortvloeiende inzichten kunnen tevens gebruikt worden om de toelatingsprocedure
   zodanig te verbeteren dat nieuwe stoffen met vergelijkbare schadelijke effecten voortaan
   vóór de registratie als zodanig herkend worden.
         Behalve onverwachte lotgevallen en effecten zijn er ook andere zaken die zich in het
   kader van een toelatingsprocedure moeilijk laten bestuderen. In de eerste plaats zijn dat
   veranderingen die zich geleidelijk over jaren voltrekken. Veranderingen in aantallen indi-
   viduen kunnen zo gering zijn dat ze in een veldproef van hooguit één jaar niet opgemerkt
   worden, dat wil zeggen statistisch niet significant zijn. Dergelijke kleine veranderingen
   kunnen echter in de praktijk door het jaarlijks terugkerend gebruik van gewasbescher-
   mingsmiddelen over de jaren heen cumuleren en op termijn leiden tot een sterke reductie
   of zelfs het uitsterven van populaties. De zich steeds weer herhalende cyclus van het
   jaarlijks afsterven van een (aanzienlijk) deel van een populatie onder invloed van een ge-
   wasbeschermingsmiddel, gevolgd door een snel herstel, kan bovendien resulteren in een
   sterke genetische selectie. De genetische verarming die hieruit kan resulteren en een
   eventuele vermindering van de ecologische fitness kunnen de veerkracht van een popula-
53 Veldonderzoek na de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>    tie ondergraven (Gut94, Sul99). In een ander advies van de Gezondheidsraad is op het
    belang van populatie-genetisch onderzoek gewezen (GR94).
         Onderzoek naar langetermijn-invloeden kan volgens de commissie het best verricht
    worden op plaatsen waar gewasbeschermingsmiddelen intensief gebruikt worden. Hier
    zullen zich dergelijke effecten immers vermoedelijk het eerst voordoen. Hoewel de resul-
    taten van dit soort onderzoek niet snel zullen leiden tot het wijzigen of beëindigen van
    concrete toelatingen, kunnen ze wel bijdragen aan een optimalisering van de toelatings-
    procedure.
5.3 Incidenten- en handhavingsonderzoek
    Bij incidenten-onderzoek gaat men niet actief op zoek naar het gedrag of effecten van een
    bepaald gewasbeschermingsmiddel in het milieu. Het kan daarom ook geen onderdeel
    uitmaken van de registratieprocedure. Men reageert op plotseling optredende sterfte van
    planten of dieren, de incidenten, en tracht te achterhalen of, en zo ja welke, gewasbe-
    schermingsmiddelen daarbij betrokken zijn. Tevens kan men daarbij de omstandigheden
    waaronder zich het incident heeft voorgedaan in beschouwing nemen en een inschatting
    maken van de kans op herhaling. Belangrijk is het, ten slotte, om te achterhalen of het in-
    cident een gevolg is van legaal dan wel van oneigenlijk of illegaal gebruik*. De sterke en
    zwakke kanten van incidentenregistratie zijn samengevat in tabel 5 (zie ook Som90).
         In Nederland gebeurt incidentenonderzoek slechts op ad hoc-basis door het Instituut
    voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) (vogels) en de Unie van Waterschappen
    (waterorganismen). Ook de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van LNV
    onderzoekt incidenten (bijvoorbeeld met bijen), maar alleen indien het vermoeden bestaat
    dat de wet is overtreden (handhavingsonderzoek). De AID kan het onderzoek aan een in-
    cident vroegtijdig staken, zodra voldoende duidelijk is dat niet in strijd met de voorschrif-
    ten gehandeld is. Hierdoor kan de kans onbenut blijven om voor de toelatingsprocedure
    in het algemeen, en voor de registratie van de betreffende stof in het bijzonder, waarde-
    volle informatie te verkrijgen.
         In het Verenigd Koninkrijk zijn het onderzoek aan en de registratie van incidenten
    centraal geregeld. In 1997 zijn 607 incidenten geregistreerd (Fle98). De overgrote meer-
    derheid had betrekking op gewervelde dieren, een kleiner aantal op bijen. Van de inciden-
    ten bleek 30% aan bestrijdingsmiddelen te kunnen worden toegeschreven, waarvan 68%
    aan opzettelijke vergiftiging, circa 12% aan misbruik of onzorgvuldig gebruik, en 3%
*   Onder illegaal gebruik verstaat de commissie gebruik van niet in Nederland toegelaten middelen, alsmede het gebruik
    van toegelaten middelen op een wijze die strijdig is met het wettelijk gebruiksvoorschrift. Er is dan sprake van over-
    treding van de wet. Met oneigenlijk gebruik bedoelt de commissie het gebruik van toegelaten middelen overeenkom-
    stig het wettelijk gebruiksvoorschrift, maar in strijd met het gestelde in de gebruiksaanwijzing. Er is dan geen sprake
    van strafbaar handelen. Zie Hor95.
54  Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>    Tabel 5 De sterke en zwakke kanten van incidentenonderzoek; zie ook Som90.
    sterke kanten
    Mogelijkheid om op doelmatige wijze onverwachte effecten op te sporen, die vervolgens nader bestu-
    deerd kunnen worden
    Sluit maximaal aan bij de praktijksituatie
    Oneigenlijk en illegaal gebruik kunnen worden opgespoord
    Effecten op zeldzame soorten kunnen worden bestudeerd als sterfte optreedt
    zwakke kanten
    Alleen effectief als velen bereid zijn incidenten te melden
    Kleine, onopvallende soorten worden veelal over het hoofd gezien
    Soorten die het toepassingsgebied verlaten, hebben minder kans om gevonden te worden
    Slechts gericht op sterfte; subtielere effecten worden gemist
    Werkt alleen bij die middelen waarvan residuen in de weefsels van de dode organismen aantoonbaar
    zijn of die herkenbare (pathologische) symptomen oproepen
   aan goedgekeurd gebruik. In totaal waren er 33 gewasbeschermingsmiddelen bij inciden-
   ten betrokken. Uit een recent verschenen overzicht (Sno99) blijkt dat ook in andere Euro-
   pese landen, waaronder Nederland, opzettelijke vergiftiging de belangrijkste oorzaak van
   plotselinge sterfte is. Goedgekeurd gebruik speelt slechts in een minderheid van de geval-
   len (minder dan 20%) een rol. Illegaal of oneigenlijk gebruik kan niet aangepakt worden
   door de toelating te wijzigen, maar kunnen wel leiden tot een sterkere of meer gerichte
   controle door opsporingsinstanties als de AID en tot gerichte voorlichtingscampagnes.
         Een voorbeeld van de wijze waarop incidentenonderzoek kan leiden tot het opsporen
   van onverwachte effecten vormt de plotselinge, massale bijensterfte in Nederland in de
   zomer van 1996 als gevolg van legale toepassing van het middel dimethoaat ter bestrij-
   ding van luizen in aardappelen. Door de toen algehele schaarste aan bloemen bleken bij-
   en het voor hen onaantrekkelijke gewas te bezoeken om zich te goed te doen aan de ho-
   ningdauw van luizen. Om het risico voor bijen in de toekomst te beperken, zijn de wette-
   lijke gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzingen van anti-luismiddelen aangepast
   (CTB98). Eerder hebben incidenten met sterfte onder vogels door zaadbehandelingsmid-
   delen en door middelen ter bestrijding van emelten tot aanpassingen in de registratie ge-
   leid.
         De commissie onderkent dat incidentenonderzoek — afgezien van de door imkers
   nauwlettend gevolgde bijen — vrijwel uitsluitend effectief is bij opvallende dieren, voor-
   al dus gewervelde dieren. Zij wijst er echter op dat dit juist de organismen zijn die in on-
   derzoek met modelecosystemen weinig aandacht krijgen. Zij is van oordeel dat
   incidentenonderzoek op een doelmatige manier informatie oplevert die niet langs andere
   weg te verkrijgen is. Daarom bepleit de commissie de instelling van een centraal onder-
55 Veldonderzoek na de toelating
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>              zoeksbureau, dat alle incidenten onderzoekt, de mogelijke rol van gewasbeschermings-
              middelen nagaat, vaststelt of er sprake is van legaal, oneigenlijk of illegaal gebruik, de
              gegevens in een databank opslaat en jaarlijks rapporteert.
                  Tot slot zet de commissie de overeenkomsten en verschillen tussen de diverse vor-
              men van postregistratie-veldonderzoek nog eens op een rij (tabel 6).
Tabel 6 Het onderscheid tussen verschillende vormen van postregistratie-veldonderzoek.
vraag                        gericht onderzoek                algemeen onderzoek                  incidenten- / hand-
                                                                                                  havingsonderzoek
wie voert uit                fabrikant                        overheid                            overheid (AID)
welke stoffen                stoffen selecteren op basis van  stoffen selecteren op basis van stofselectie afhankelijk van inci-
                             1ste en 2de stap                 omvang gebruik, toxiciteit, mo- dent
                                                              biliteit, afbreekbaarheid en stof-
                                                              groep
wat bestuderen               verwachte effecten               onverwachte effecten                incident
wat bestuderen               lotgevallen en/of biota          lotgevallen en/of biota             biota, soms lotgevallen
welk gebruik                 legaal, eigenlijk gebruik        eigenlijk, legaal, oneigenlijk, il- eigenlijk, legaal (incidentenon-
                                                              legaal gebruik                      derzoek), oneigenlijk en illegaal
                                                                                                  gebruik (handhavingsonderzoek)
welke organismen             doorgaans algemene, uit agra-    algemene en zeldzame, uit agra- algemene en zeldzame, uit agra-
                             risch gebied, opvallende en on-  risch en natuurgebied, opvallen- risch en natuurgebied, opvallen-
                             opvallende                       de en onopvallende                  de
waar                         nabij plaats van toepassing      nabij en ver van plaats van toe-    op plaats van incident
                                                              passing
hoeveel plaatsen             enkele plaatsen                  meerdere plaatsen                   afhankelijk van aantal soortge-
                                                                                                  lijke incidenten
hoe lang                     enkele jaren                     meerdere jaren                      per incident kort (weken)
onderdeel toelatings-        ja                               nee                                 nee
procedure
waarom                       wegnemen laatste twijfel over    verificatie van de doeltreffend- verificatie van de doeltreffend-
                             aanvaardbaarheid effect tbv toe- heid van de risicobeoordeling en heid van de risicobeoordeling en
                             lating                           de gebruiksvoorschriften            de gebruiksvoorschriften / hand-
                                                                                                  having wettelijke voorschriften
56            Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 6
          Slotbeschouwing
          Beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is de beste manier om scha-
          de aan het milieu en aan de gezondheid van mensen door deze stoffen te voorkomen. Dit
          is ook het streven van de overheid, zoals verwoord in het Meerjarenplan Gewasbescher-
          ming (TK91b). Wanneer echter het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vanuit
          landbouwkundig oogpunt of om gezondheidkundige redenen nodig is, moeten deze mid-
          delen zo goed èn zo efficiënt mogelijk op hun veiligheid onderzocht zijn. Een getrapte
          procedure biedt daarvoor de beste mogelijkheden. De geschetste vormen van veldonder-
          zoek kunnen ieder op hun eigen plaats in deze procedure ingezet worden en bijdragen aan
          een efficiënte en betrouwbare risico-evaluatie (figuur 8 en Jon97).
          Een belangrijke functie van veldonderzoek heeft de commissie nog vrijwel onbesproken
          gelaten: verbetering van de eerste stap van de risico-evaluatieprocedure. De resultaten
          van met dit oogmerk verricht onderzoek kunnen dienen ter validatie, calibratie en, zo no-
          dig, verbetering van modellen voor de schatting van (blootstellings)concentraties in mi-
          lieucompartimenten. Ook kan men op basis van die resultaten de gebruikte toxiciteit-
          stests met gestandaardiseerde toetsorganismen in het laboratorium en de gebezigde vei-
          ligheidsfactoren beoordelen op hun geschiktheid voor de inschatting van de risico’s (zie
          ook Jon95). Een goed voorbeeld hiervan vindt de commissie een onderzoek naar de eco-
          logische risico’s van herbiciden in zoetwater-ecosystemen (STO98a). Uit een evaluatie
          van de in de wetenschappelijke literatuur beschreven resultaten van veldproeven bleek
          dat een risicobeoordeling, in de eerste stap, op grond van de toxiciteit voor watervlooien,
          vissen en algen niet altijd voldoende bescherming biedt aan macrofyten tegen auxine-si-
57        Slotbeschouwing
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                                       veldonderzoek ter
                                                                                  ontwikkeling en validatie van
                                                                               modellen en de extrapoleerbaarheid
                                                                                   van laboratoriumgegevens
                                                                                                                                     beslissing
                                      risico-evaluatie tbv de toelating                                                           toelaatbaarheid
                                                                                       risico klein
                                                    lotgevallenmodellen
                                        stap 1     en toxiciteitsgegevens                risico onduidelijk
                                                      uit laboratorium-
                                                        experimenten
                preregistratiefase
                                                                                                  risico groot
                                                                                       risico klein
                                                    aanvullend literatuur-
                                                      en laboratorium-
                                        stap 2           onderzoek
                                                                                         risico onduidelijk
                                                       experimenteel
                                                       veldonderzoek                              risico groot
                                                                                                                                       beperkt en voorwaar-
                                                                                                                                                              niet toelaatbaar
                                                                                       risico klein
                                                          gericht
                                                                                                                    toelaatbaar
                                                       beschrijvend
                postregistratiefase
                                                                                                                                         delijk toelaatbaar
                                        stap 3        veldonderzoek
                                                       (monitoring)
                                                                                                  risico groot
                                                          risico-evaluatie tbv de toelating
                                       algemeen veldonderzoek                       incidentenonderzoek
Figuur 8 De mogelijke rol van veldonderzoek (grijs gearceerd) bij het beoordelen van de risico’s van het gebruik van gewasbe-
schermingsmiddelen voor het milieu in het kader van de toelating. De gestippelde pijlen geven aan dat de beslissing over de toelaat-
baarheid kan worden herzien op grond van aanvullende, door de aanvrager te leveren onderzoeksgegevens.
             mulerende herbiciden. De onderzoekers pleiten er daarom voor om bij de risico-evaluatie
             van auxine-simulerende herbiciden tevens toxiciteitstests met hogere, wortelende water-
             planten uit te voeren. Ook in ander onderzoek zijn de resultaten van
             standaard-toxiciteitstests in het laboratorium vergeleken met de uitkomsten van veld-
             proeven (ECE97, Ham96, STO98b). Over het algemeen lijken de criteria die gebruikt
             worden in de eerste stap ruimschoots te voldoen bij de risico-evaluatie van gewasbe-
             schermingsmiddelen. Met andere woorden, de eerste stap kan als doorgaans streng wor-
             den aangemerkt.
                 De commissie pleit voor het vergelijken van de onderzoeksresultaten uit een latere
             stap in de risico-evaluatie met die uit de eerdere stappen, alsmede met resultaten van on-
             derzoek aan andere stoffen met een overeenkomstig werkingsmechanisme of milieuge-
             drag. Eventuele verschillen moeten verklaarbaar en interpreteerbaar zijn. Aldus moet een
             eindoordeel over de toelating gebaseerd worden op het totaal van alle beschikbare infor-
             matie. Het deskundigenoordeel speelt daarbij onvermijdelijk een belangrijke rol.
58           Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>        Volgens sommige onderzoekers zijn, in geval van effectief postregistratie-veldonder-
   zoek, de eisen aangaande de door de fabrikant bij de toelatingsaanvraag te leveren gege-
   vens, vatbaar voor enige versoepeling, bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal locaties
   waarop onderzoek verricht moet worden (Som90). Zij voegen eraan toe dat dit slechts
   kan onder zeer strikte omstandigheden met minimaal geachte risico’s. Ondanks dit voor-
   behoud raadt de commissie een dergelijke versoepeling af, enerzijds omdat postregistra-
   tie-veldonderzoek in welke vorm dan ook zijn beperkingen kent, anderzijds omdat zij al-
   tijd de voorkeur geeft aan preventief boven curatief handelen.
   Den Haag, 14 maart 2000,
   voor de commissie
   dr HFG van Dijk,                         prof. dr L Brussaard,
   secretaris                               voorzitter
59 Slotbeschouwing
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>60 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>       Literatuur
Ano91  Anoniem. Guidance document on testing procedures for pesticides in freshwater mesocosms. From the
       workshop “A meeting of experts on guidelines for static field mesocosm tests”, Monks Wood
       Experimental Station, Abbotts Ripton, Huntingdon, UK, 3-4 juli 1991. SETAC, 1991.
Bar94  Barrett KL, Grandy N, Harrison EG, Hassan S, Oomen P. Guidance document on regulatory testing
       procedures for pesticides with non-target arthropods. ESCORT workshop gehouden te Wageningen,
       Nederland, 28-30 maart 1994. Brussel: SETAC, 1994.
Bol94  Boland J, Van den Berg R, Van der Linden AMA, Heusinkveld HAG, Baumann RA. Inventarisatie van
       het voorkomen van bestrijdingsmiddelen in het diepe grondwater in Nederland in 1992. Bilthoven:
       RIVM, 1994; publicatie nr 724814001.
Bri96  van den Brink PJ, van Wijngaarden RPA, Lucassen WGH, Brock TCM, Leeuwangh P. Effects of the
       insecticide Dursban 4E (active ingredient chlorpyrifos) in outdoor experimental ditches: II. Invertebrate
       community responses and recovery. Environ Toxicol Chem 1996; 15(7): 1143-53.
Bri97  van den Brink PJ, ter Braak CJF. Ordination of responses to toxic stress in experimental ecosystems.
       TEN 1997; 4(6): 173-7.
Bri99a van den Brink PJ, ter Braak CJF. Principal Response Curves: analysis of time-dependant multivariate
       responses of a biological community to stress. Environ Toxicol Chem 1999; 18: 138-48.
Bro93a Brock T, Crum S, Leeuwangh P, Lucassen W, van Wijngaarden R. Modelecosystemen: brug naar het
       veld. Landschap 1993; 10(1): 23-36.
Bro93b Brock TCM, Vet JJRM, Kerkhofs MJJ, Lijzen J, Van Zuilekom WJ, Gijlstra R. Fate and effects of the
       insecticide Dursban 4E in indoor Elodea-dominated and macrophyte-free freshwater model ecosystems.
       III. Aspects of ecosystem functioning. Arch Environ Contam Toxicol 1993; 25: 160-9.
61     Literatuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Bro94  Brock TCM, Budde BJ. On the choice of structural parameters and endpoints to indicate responses of
       freshwater ecosystems to pesticide stress. In: Hill IR, Heimbach F, Leeuwangh P, Matthiessen P, red.
       Freshwater field tests for hazard assessment of chemicals. Boca Raton: LewisPublishers, 1994; 19-56.
Bru97  de Bruijn JHM, Hof M. How to measure no effect. Part IV. How acceptable is the ECx from an
       environmental policy point of view? Environmetrics 1997; 8: 263-7.
Cai83  Cairns Jr J. Are single species toxicity tests alone adequate for estimating environmental hazard?
       Hydrobiol 1983; 100: 47-57
Cal94  Calow P. Ecotoxicology: What are we trying to protect? Environ Toxicol Chem 1994; 13: 1549.
Cam97  Campbell LH, Cooke AS, red. The indirect effects of pesticides on birds. Peterborough: Joint Nature
       Conservation Committee, 1997; 18pp.
Cam99  Campbell PJ, Arnold DJS, Brock TCM, Grandy NJ, Heger W, Heimbach F, Maund SJ, Streloke M, red.
       Guidance document on higher-tier aquatic risk assessment for pesticides (HARAP). Proceedings van de
       workshop gehouden te Lacanau Océan, Frankrijk, 19-22 april 1998. Brussel: SETAC-Europe, 1999.
Car96  Carpenter SR. Microcosm experiments have limited relevance for community and ecosystem ecology.
       Ecol 1996; 77(3): 677-80.
Cha96a Chapman PM, Caldwell RS, Chapman PF. A warning: NOECs are inappropriate for regulatory use.
       Environ Toxicol Chem 1996; 15: 77-9.
Cha96b Chapman PF, Crane M, Wiles J, e.a. Improving the quality of statistics in regulatory ecotoxicity tests.
       Ecotoxicol 1996; 5(3): 169-86.
Cha96c Chapman PF, Crane M, Wiles J, e.a. Asking the right questions: ecotoxicology and statistics. Brussel:
       SETAC, 1996.
Cra97  Crane M. Research needs for predictive multispecies tests in aquatic toxicology. Hydrobiologia 1997;
       346: 149-55.
Cro94  Crossland NO, Heimbach F, Hill IR, Boudou A, Leeuwangh P, Matthiessen P, Persoone G. Summary and
       recommendations of the European Workshop on Freshwater Field Tests (EWOFFT). In: Hill IR,
       Heimbach F, Leeuwangh P, Matthiessen, red. Freshwater field tests for hazard assessment of chemicals.
       Boca Raton: Lewis Publishers, 1994; xxv-xxxvii.
CTB98  College voor de Toelating van bestrijdingsmiddelen. Belangrijke besluiten van het College.
       Risicobeheersing bijen. Toelichting 1998; 19: 3-4.
CTB99  College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen. Handleiding voor de toelating van
       bestrijdingsmiddelen, versie 0.1. Wageningen: CTB, 1999.
Dae96  Daehler CC, Strong DR. Can you bottle nature? The roles of microcosms in ecological research. Ecol
       1996; 77: 663-93.
Dod99  Dodson SI, Merritt CM, Shannahan JP, Shults CM. Low exposure concentrations of atrazine increase
       male production in Daphnia pulicaria. Environ Toxicol Chem 1999; 18: 1568-73.
Dom83  Domsch KH, Jagnow G, Anderson TH. An ecological concept for the assessment of side-effects of
       agrochemicals on soil microorganisms. Residue Reviews 1983; 86: 65-105.
Dru93  Drukker B, van Straalen NM. Natuurcriteria bestrijdingsmiddelen. Amsterdam: Vrije Universiteit,
       Vakgroep Oecologie en Oecotoxicologie, 1993.
62     Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>ECE97  ECETOC. The value of aquatic model ecosystem studies in ecotoxicology. Technical report no. 73.
       Brussel: European Centre for Ecotoxicology and Toxicology of Chemicals (ECETOC), 1997.
Eck95  van Eck WH, de Heer H. Het toelatingsbeleid van bestrijdingsmiddelen in Europees perspectief. In:
       Boekestein A, Bilius M, Bakker GW, red. Wetgeving, normstelling en handhaving van
       bestrijdingsmiddelengebruik in land- en tuinbouw. Den Haag: KNCV Sectie Chemie en Recht, 1995;
       8-21. (KNCV Symposia-reeks nr 12).
EU91   Europese Gemeenschappen. Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de
       markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
       1991; nr L230:1-32.
EU94   Europese Gemeenschappen. Richtlijn 94/43/EG van de Raad van 27 juli 1994 tot vaststelling van bijlage
       VI bij richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.
       Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 1994; nr L227:31-55.
EU97   Europese Gemeenschappen. Richtlijn 97/57/EG van de Raad van 22 september 1997 tot vaststelling van
       bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van
       gewasbeschermingsmiddelen. Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen 1997; nr L265:87-108.
Fis92  Fisher LJ. Decisions on the ecological and environmental fate data requirements task force, October 29,
       1992. Memorandum from Linda J Fisher, Assistant Administrator for Prevention, Pesticides and Toxic
       Substances, to Douglas Campt, Director of the Office of Pesticide Programs. Washington DC: US-EPA,
       1992.
Fle98  Fletcher MR, Hunter K, Barnett EA, Sharp EA. Pesticide poisoning of animals 1997: investigations of
       suspected incidents in the United Kingdom. Sand Hutton: Central Science Laboratory, Ministry of
       Agriculture, Fisheries and Food, 1998.
FOC95  Forum for the coordination of pesticide fate models and their use (FOCUS). Leaching models and EU
       registration. Brussel: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Directoraat-Generaal Landbouw VI
       B II-1, 1995; publicatie nr DOC.4952/VI/95.
FOC96a Forum for the coordination of pesticide fate models and their use (FOCUS). Surface water models and
       EU registration of plant protection products. Brussel: Commissie van de Europese Gemeenschappen,
       Directoraat-Generaal Landbouw VI B II-1, 1996; publicatie nr DOC.6476/VI/96.
FOC96b Forum for the coordination of pesticide fate models and their use (FOCUS). Soil persistence models and
       EU registration. Brussel: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Directoraat-Generaal Landbouw
       VI B II-1, 1996; publicatie nr DOC.7617/VI/96.
Gid96  Giddings JM, Biever RC, Annunziato MF, Hosmer AJ. Effects of diazinon on large outdoor pond
       microcosms. Environ Toxicol Chem 1996; 15: 618-29.
Gil97  Gilmour AR, Cullis BR, Verbyla AP. Accounting for natural and extraneous variation in the analysis of
       field experiments. J Agric Biol Environ Stat 1997; 2: 269-93.
GR88   Gezondheidsraad: Commissie Risico-evaluatie ecosystemen. Ecotoxicologische risico-evaluatie van
       stoffen. Den Haag: Gezondheidsraad, 1988; publicatie nr 1988/28.
GR94   Gezondheidsraad: Commissie Ecotoxicologische vraagstukken. Ecotoxicologie op koers. Den Haag:
       Gezondheidsraad, 1994; publicatie nr 1994/13.
63     Literatuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>GR97a  Gezondheidsraad: Beraadsgroep Ecotoxicologie. De voedselweb-benadering in de ecotoxicologische
       risicobeoordeling. Rijswijk: Gezondheidsraad, 1997; publicatie nr 1997/14.
GR97b  Gezondheidsraad: Commissie Hormoonontregelaars in de mens. Hormoonontregelaars in de mens.
       Rijswijk: Gezondheidsraad, 1997; publicatie nr 1997/08.
GR97c  Gezondheidsraad: Van den Berg MMHE. Beschermwaardigheid van hogere organismen en
       milieuverontreiniging. Een verkennende notitie. Rijswijk: Gezondheidsraad, 1997; publicatie nr A97/01.
GR99   Gezondheidsraad: Hormoonontregelaars in ecosystemen. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie
       nr 1999/13.
GR00   Gezondheidsraad: Commissie Atmosferische verspreiding van bestrijdingsmiddelen. Atmosferische
       verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen; een ecologische risico-evaluatie. Den Haag:
       Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/03.
Gre92  Greig-Smith PW. A European perspective on ecological risk assessment, illustrated by pesticide
       registration procedures in the United Kingdom. Environ Toxicol Chem 1992; 11: 1673-89.
Gro98  Van Groenigen JW, Stein A. Constrained optimisation of spatial sampling using continuous simulated
       annealing. J Environ Qual 1998; 27: 1078-86.
Gut94  Guttman SI. Population genetic structure and ecotoxicology. Environ Health Perspec 1994; 102(Suppl
       12): 97-100.
Ham96  Hamers T, Notenboom J, Eijsackers HJP. Validation of laboratory toxicity data on pesticides for the field
       situation. Bilthoven: RIVM, 1996; publicatie nr 719102046.
Hoe97a van der Hoeven N, Noppert F, Leopold A. How to measure no effect. Part I. Towards a new measure of
       chronic toxicity in ecotoxicology. Introduction and workshop results. Environmetrics 1997; 8: 241-8.
Hoe97b van der Hoeven N. How to measure no effect. Part III. Statistical aspects of NOEC, ECx and NEC
       estimates. Environmetrics 1997; 8: 255-61.
Hoe98  van der Hoeven N. Power analysis for the NOEC: What is the probability of detecting small toxic effects
       on three different species using the appropriate standardized test protocols? Ecotoxicol 1998; 7: 355-61.
Hor95  Horeman GH, Tuytel S, Straathof HJM, Baerselman F. Illegaal en oneigenlijk gebruik van
       bestrijdingsmiddelen. Achtergrondnotitie voor de workshop op 21 maart 1995. Wageningen:
       IKC-Landbouw, 1995.
Jon95  de Jong FMW. Framework for field trials for side-effects of pesticides. Leiden: Centrum voor
       Milieukunde, 1995; publicatie nr 117.
Jon97  de Jong FMW. Field trials for pesticides under the “Uniform Principles”: starting-points for analysis and
       interpretation of results. Med Fac Landbouww Univ Gent 1997; 62/2a: 135-44.
Ked97  Kedwards T, Pilling E, Bembridge J, Maund S, Chapman P. Seeing the wood for the trees: the
       application of multivariate techniques to ecotoxicological field studies. TEN 1997; 4(6): 178-81.
Ker94  Kersting K. Functional endpoints in field testing. In: Hill IA, Heimbach F, Leeuwangh P, Matthiessen P,
       red. Freshwater field tests for hazard assessment of chemicals. Boca Raton: Lewis Publishers, 1994;
       57-81.
Kyl96  Kylstra HP, van Vliet PJM. Notitie inzake toepassing Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
       (versie 2). Wageningen: CTB, 31 juli 1996.
64     Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Lan97 Landis W G, Matthews R A, Matthews G B. Design and analysis of multispecies toxicity tests for
      pesticide registration. Ecological Applications 1997; 7(4): 1111-16.
Lev89 Levine SN. Theoretical and methodological reasons for variability in the responses of aquatic ecosystem
      processes to chemical stress. In: Levin SA, Harwell MA, Kelly JR, Kimball KD (red.). Ecotoxicology:
      problems and approaches. New York: Springer Verlag, 1989; 145-79.
Mur87 Murk AJ. Ecotoxicologie; visies van 31 betrokkenen. Den Haag: Gezondheidsraad, 1987; publicatie nr
      1987/7.
Phe96 Phernambucq AJW, Geenen JPW, Barreveld HL, Molegraaf P. Speuren naar sporen III. Verkennend
      onderzoek naar milieuschadelijke stoffen in de zoete en zoute watersystemen van Nederland. Den Haag:
      RIKZ, 1996; publicatie nr 96.016. Lelystad: RIZA, 1996; publicatie nr 96.035.
PZH94 Provincie Zuid-Holland. Bestrijdingsmiddelen in neerslag in Zuid-Holland. Den Haag: Provincie
      Zuid-Holland, Dienst Water en Milieu, 1994.
Ril90 Riley D. Current testing in the sequence of development of a pesticide. In: Somerville L, Walker CH, red.
      Pesticide effects on terrestrial wildlife. Londen: Taylor & Francis Ltd, 1990;11-24.
Sch98 Schindler DW. Replication versus realism: the need for ecosystem-scale experiments. Ecosystems 1998;
      323-34.
Sha96 Shaw JL, Kennedy JH. The use of aquatic field mesocosm studies in risk assessment. Environ Toxicol
      Chem 1996; 15: 605-7.
Sno99 de Snoo GR, Scheidegger NMI, de Jong FMW. Vertebrate wildlife incidents with pesticides: a European
      survey. Pestic Sci 1999; 55: 47-54.
Sok94 Sokal RR, Rohlf FJ. Biometry. The principles and practice of statistics in biological research. Derde
      editie. New York: WH Freeman & Company, 1994.
Som90 Somerville L, Walker CH, red. Pesticide effects on terrestrial wildlife. Londen: Taylor & Francis Ltd,
      1990; Appendix B. Pesticides and wildlife field testing. Recommendations of an international workshop
      on terrestrial field testing of pesticides, 12-15 September 1988, Selwyn College, Cambridge UK; 353-93.
Stb95 Besluit van 23 januari 1995, houdende regelen als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de
      Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen). Staatsblad 1995; nr
      37. Den Haag: SDU uitgeverij, 1995.
Stb97 Besluit van 6 april 1995, Staatsblad nr 241, houdende beginselen voor de beoordeling van
      gewasbeschermingsmiddelen (Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen), zoals
      gewijzigd bij besluit van 27 november 1997. Staatsblad 1997; nr 646. Den Haag: SDU uitgeverij, 1997.
Stb98 Bestrijdingsmiddelenwet. Wet van 12 juli 1962, Staatsblad nr 288, houdende vaststelling van nieuwe
      regelen met betrekking tot de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, zoals herplaatst in
      Staatsblad 1998; nr 690. Den Haag: SDU uitgeverij, 1998.
65    Literatuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Stc98  Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 februari
       1995, nr MJZ03295007, Staatscourant 1995, nr 29, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
       Wetgeving (Regeling uitvoering milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen), zoals laatstelijk gewijzigd
       bij ministeriële regeling van 28 juli 1998, nr. DWL 98068434. Staatscourant 1998; nr 153. Den Haag:
       SDU uitgeverij, 1998 (Bijlagen ongepubliceerd, ter inzage in de bibliotheek van het Ministerie van
       VROM).
STO98a Lahr J, van den Brink PJ, Brock TCM. Ecologische risico’s van bestrijdingsmiddelen in zoetwater
       ecosystemen. Deel 1: Herbiciden. Utrecht: STOWA, 1998; publicatie nr 98.30.
STO98b van Wijngaarden RPA, van Geest GJ, Brock TCM. Ecologische risico’s van bestrijdingsmiddelen in
       zoetwater ecosystemen. Deel 2: Insecticiden. Utrecht: STOWA, 1998; publicatie nr 98.31.
Sul99  Sullivan KB, Lydy MJ. Differences is survival functions of mosquitofish (Gambusia affinis) and sand
       shiner (Notropis ludibundus) genotypes exposed to pesticides. Environ Toxicol Chem 1999; 18: 906-11.
Sut95  Suter II GW. Endpoints of interest at different levels of biological organization. In: Cairns Jr J,
       Niederlehner BR, red. Ecological toxicity testing. Scale, complexity, and relevance. Boca Raton: Lewis
       Publishers, 1995; 35-48.
Sut96  Suter II GW. Abuse of hypothesis testing statistics in ecological risk assessment. Human Ecol Risk
       Assessment 1996; 2(2): 331-47.
Tak96  Takamura K. Changes in sex ratio of chironomid imagines from rice field waters. Arch Hydrobiol 1996;
       135(3): 413-21.
Tas96  Tas JW, Tibosch H, Linders JBHJ. Concentrations of agricultural pesticides in the environment.
       Bilthoven: RIVM, 1996; publicatie nr 679101023.
Tau97  Taub FB. Are ecological studies relevant to pesticide registration decisions? Ecological Applications
       1997; 7(4): 1083-5.
TK89   Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater. Notitie. Tweede
       Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr 21012-2. Den Haag: SDU uitgeverij, 1989.
TK91a  Milieucriteria ten aanzien van stoffen ter bescherming van bodem en grondwater. Operationele
       milieucriteria voor landbouw-bestrijdingsmiddelen. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr 21012-8.
       Den Haag: SDU uitgeverij, 1991.
TK91b  Meerjarenplan Gewasbescherming. Regeringsbeslissing. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr
       21677-3/4. Den Haag: SDU uitgeverij, 1991.
Tou97  Touart LW, Maciorowski A F. Information needs for pesticide registration in the United States.
       Ecological Applications 1997; 7(4): 1086-93.
Wan93  Wania F, Mackay D. Global fractionation and cold condensation of low volatility organochlorine
       compounds in polar regions. Ambio 1993; 22: 10-8.
Wey98  Weyers A, Schuphan I. Variation of effect endpoint parameters in a terrestrial model ecosystem.
       Ecotoxicol 1998; 7: 335-41.
66     Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>A  De adviesaanvraag
B  De commissie
C  Lijst van afkortingen, termen en begrippen
D  Beslisbomen van het CTB
E  Vormen van aanvullend preregistratie-(veld)onderzoek
   Bijlagen
67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>68 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De adviesaanvraag
        Op 15 april 1997 schreef de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de
        Voorzitter van de Gezondheidsraad (brief kenmerk GZB/C&O/971541):
        Op 13 februari 1996 (DGVgz/VVP/C951554) heb ik u, mede namens de Ministers van Volkshuisvesting,
        Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuurbeheer en
        Visserij en van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verzocht om mij te rapporte-
        ren inzake de risicobeoordeling van bestrijdingsmiddelen. In mijn brief gaf ik aan dat in de loop van dit
        project een nadere prioritering zou worden gemaakt van de vragen die beantwoord moeten worden.
              Inmiddels heeft u in het kader van de eerder genoemde risicobeoordeling een eerste rapport uitge-
        bracht over de ecologische gevolgen van bestrijdingsmiddelen in grondwater.
              Thans verzoek ik u om een rapport uit te brengen over de wijze waarop veldtoetsen ingezet kunnen
        worden bij de milieurisicobeoordeling van bestrijdingsmiddelen.
              Veldonderzoek gaat in toenemende mate een rol spelen bij de milieubeoordeling van de toelaatbaar-
        heid van bestrijdingsmiddelen. Het is van belang bij voortdurend valideren en aanpassen van risicoschat-
        tingsmodellen, maar veldonderzoek speelt ook een rol bij de toelating van individuele middelen. Het Be-
        sluit ‘Milieutoelatingseisen voor bestrijdingsmiddelen’ biedt de mogelijkheid om via veldonderzoek de
        initiële risicobeoordeling op grond van laboratoriumonderzoek en modelberekeningen bij te stellen. Ook
        de monitoring van concentraties van bestrijdingsmiddelen in het milieu, veelal uitgevoerd door overhe-
        den of belanghebbenden, is een vorm van veldonderzoek. Indien monitoring voldoet aan bepaalde kwali-
        teitseisen, dan kunnen de resultaten ervan worden betrokken bij de beoordeling van de verlenging van
        een toelating.
69      De adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>        Toxiciteitstesten aan een soort testorganisme in het laboratorium en veldstudies naar de effecten van
   milieuvreemde stoffen op ecosysteemniveau zijn in complexiteit twee uiterste vormen van onderzoek.
   Tussenvormen zijn denkbaar en worden ook al gebruikt om de milieueffecten van stoffen onder natuurlij-
   ke omstandigheden beter te kunnen voorspellen. In dit verband moeten multispecies laboratoriumtesten
   en onderzoeken aan kleinere of grotere modelecosystemen in het laboratorium of in de buitenlucht, de zo-
   genaamde micro- en mesocosms, genoemd worden.
        Ik verzoek u om in uw rapportage een overzicht te geven van de huidige ervaringen met deze ver-
   schillende vormen van laboratorium- en (semi-)veldonderzoek en aan te geven of en op welke wijze ze
   gestructureerd in het toelatingsbeleid verankerd kunnen worden.
   de Minister van Volksgezondheid,
   Welzijn en Sport,
   w.g. dr E Borst-Eilers
70 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        De commissie
            dr L Brussaard, voorzitter
            hoogleraar bodembiologie en biologische bodemkwaliteit; Wageningen Universiteit
            drs F Baerselman, adviseur
            Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag (tot 1 maart 1998)
            dr TCM Brock
            ecoloog; ALTERRA, Wageningen
            dr E van Donk
            hoogleraar limnologie; Katholieke Universiteit Nijmegen; tevens Nederlands Insti-
            tuut voor Oecologisch Onderzoek, Centrum voor Limnologie, Nieuwersluis
            drs MA van der Gaag, adviseur
            Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Den Haag
            dr ir CAM van Gestel
            ecotoxicoloog; Vrije Universiteit, Amsterdam
            dr ir H de Heer, adviseur
            Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag (vanaf 1 maart
            1998)
            dr N van der Hoeven
            biostatisticus; ECOSTAT, Leiden
            drs FMW de Jong
            milieubioloog; Centrum voor Milieukunde, Universiteit Leiden
            ir AMA van der Linden
            bodemchemicus; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven
71      De commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>       dr PCM van Noort
       milieuchemicus; Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehan-
       deling, Lelystad
       dr PA Oomen, adviseur
       Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen (vanaf 20 september 1997)
       dr A Stein
       hoogleraar ruimtelijke statistiek; ITC, Enschede; tevens Wageningen Universiteit
       dr LEM Vet
       hoogleraar entomologie; Wageningen Universiteit; tevens Nederlands Instituut voor
       Oecologisch Onderzoek, Nieuwersluis
       drs PJM van Vliet, adviseur
       College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen, Wageningen
       dr HFG van Dijk, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   Secretariële ondersteuning: J Hoorens v/d Berg-de Vlieger
   Lay-out: J van Kan
72 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Bijlage C
        Lijst van afkortingen, termen en
        begrippen
        beschermdoel
                    Een expliciete omschrijving van de milieu- of natuurwaarde die beschermd
                    moet worden; hierop is de aandacht in de risicobepaling en -beheersing ge-
                    richt.
        95%-betrouwbaarheidsinterval
                    De waarde die een bepaalde parameter in werkelijkheid heeft, is doorgaans
                    onbekend. Deze waarde kan echter wel geschat worden door het verrichten
                    van een beperkt aantal metingen. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval vormt
                    de verzameling van alle mogelijke werkelijke waarden van de betreffende pa-
                    rameter die in statistische zin verenigbaar zijn met de meetuitkomst, dat wil
                    zeggen die bij toetsing met α=5% niet kunnen worden verworpen. Zie ook de
                    omschrijving van ‘het werkelijk effect’.
        bioconcentratiefactor (BCF)
                    De verhouding tussen de concentratie van een werkzame stof in een organis-
                    me en de concentratie in het medium (bijvoorbeeld water) in een evenwichts-
                    situatie.
        DT50
                    Tijd die nodig is voor de omzetting van 50% van een hoeveelheid van een stof
                    in een bepaald milieucompartiment of testsysteem.
73      Lijst van afkortingen, termen en begrippen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   ECx
              Concentratie van een stof waarbij x% van de in beschouwing genomen
              proeforganismen een effect vertonen of de proeforganismen gemiddeld een ef-
              fect van x% ondervinden
   getrapte risicobeoordelingsprocedure.
              risicobeoordelingsprocedure in meerdere stappen, waarbij een volgende stap
              alleen uitgevoerd wordt als een vorige onvoldoende zekerheid opgeleverd
              heeft omtrent de onschadelijkheid van een stof.
   grondgebonden residu
              Residu in de bodem, afkomstig van toegepaste gewasbeschermingsmiddelen,
              dat niet kan worden geëxtraheerd met methoden die de chemische aard van
              het residu onveranderd laten.
   Kom
              Maat voor de hechting van een stof aan organische materiaal in de bodem.
   LD50
              Dosis van een stof waarbij 50% van de in beschouwing genomen testorganis-
              men sterft.
   LOEC
              Lowest Observed Effect Concentration: de laagste in een toxiciteitstest ge-
              bruikte concentratie waarbij een statistisch significant effect op het gekozen
              meetdoel gevonden is en waarbij de nulhypothese (die van ‘geen effect’) dus
              wordt verworpen.
   lysimeter
              Proefopstelling waarmee het transport van water en opgeloste stoffen in een
              bodem bestudeerd kan worden. Karakteristiek voor een lysimeter is dat het
              percolaat kwantitatief opgevangen kan worden. Doorgaans staat een lysime-
              ter in de open lucht.
   meetdoel
              Een meetbaar ecologisch kenmerk dat gerelateerd is aan het als beschermdoel
              uitgekozen kenmerk.
74 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   mesokosmos
               Zie modelecosysteem.
   mikrokosmos
               Zie modelecosysteem.
   mineralisatie
               Omzetting van stoffen in anorganische stoffen die in het milieu als eindpro-
               duct van het omzettingsproces kunnen worden beschouwd.
   modelecosysteem
               Modelecosystemen — afhankelijk van hun afmetingen ook wel micro- of me-
               sokosmossen genoemd — zijn door de mens geconstrueerde en ruimtelijk dui-
               delijk begrensde systemen. Ze worden opgebouwd met onderdelen van na-
               tuurlijke ecosystemen of ontstaan door in het veld delen van bestaande eco-
               systemen zo ongestoord mogelijk te omsluiten (enclosures). In vergelijking
               met natuurlijke systemen worden ze doorgaans gekarakteriseerd door een re-
               ductie in grootte en complexiteit. Ze bevatten echter wel een levensgemeen-
               schap die in ‘dynamisch’ evenwicht met de directe omgeving verkeert en die
               gekenmerkt wordt door verschillende trofische niveaus (o.a. primaire produ-
               centen, herbivoren, detritivoren, carnivoren).
   MTR
               Maximaal toelaatbaar risiconiveau: concentratie of gehalte van een stof in
               een milieucompartiment, waarbij het risico voor de daarin levende organis-
               men het maximaal toelaatbare niveau bereikt. Voor bestrijdingsmiddelen is
               het CTB de instantie die namens de overheid verantwoordelijk is voor het
               vaststellen van MTR-waarden.
   NOEC
               No Observed Effect Concentration: de hoogste in een toxiciteitstest gebruikte
               concentratie waarbij geen statistisch significant effect op het gekozen meet-
               doel gevonden is en waarbij de nulhypothese (die van ‘geen effect’) dus niet
               wordt verworpen.
   onderscheidingsvermogen (power)
               De kans om een werkelijk bestaand verschil van bepaalde grootte tussen twee
               behandelingen te detecteren; gelijk aan 1-β; β (ook type II fout genoemd) is
               de kans dat een werkelijk bestaand verschil van bepaalde grootte tussen twee
75 Lijst van afkortingen, termen en begrippen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>               behandelingen onopgemerkt blijft, ofwel de kans op het accepteren van een
               onware nulhypothese (nl. die van geen verschil).
   PEC
               Predicted environmental concentration: voorspelde concentratie in een mi-
               lieucompartiment.
   risico
               Mogelijkheid, met een zekere mate van waarschijnlijkheid, van schade aan de
               gezondheid, aan het milieu en aan goederen, in combinatie met aard en om-
               vang van die schade.
   significant
               Met een bepaalde mate van zekerheid (1-α) toe te schrijven aan de behande-
               ling; α (ook type I fout genoemd) is de kans op het verwerpen van een ware
               nulhypothese (die van geen verschil) en wordt doorgaans vastgesteld op 5%.
   werkelijk effect
               Het doel van iedere toxiciteitstest is de bepaling van het werkelijke (toxische)
               effect van een behandeling met een bepaalde hoeveelheid stof op een bepaald
               meetdoel. Dit werkelijke effect kan men zich voorstellen als het verschil tus-
               sen de gemiddelde waarde van dat meetdoel in oneindig veel onbehandelde
               controle-testsystemen en de gemiddelde waarde in oneindig veel behandelde
               testsystemen. In de praktijk kan een experiment echter slechts een (zeer) be-
               perkt aantal controle- en behandelde testsystemen omvatten. Men is als het
               ware gedwongen om uit de denkbeeldige populaties van maakbare controle-
               en maakbare behandelde testsystemen willekeurige steekproeven te nemen.
               Bijgevolg is het in een experiment gemeten effect niet alleen bepaald door het
               (onbekende) werkelijke effect, maar ook door hoe de beide steekproeven in
               het betreffende experiment toevallig uitvallen. Het gemeten effect is daarom
               slechts een schatting van het werkelijke effect; een nieuwe proef zal (door-
               gaans) een (iets) andere schatting opleveren. De exacte omvang van het wer-
               kelijke effect blijft ook na de proef onbekend, maar men kan op grond van de
               meetresultaten wel aangeven hoe betrouwbaar de schatting is. Zie ook de om-
               schrijving van het 95%-betrouwbaarheidsinterval.
   werkzame stof
76 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>               Bestanddeel van een bestrijdingsmiddel met een voor de doelwitorganismen
               giftige werking; naast één of meer werkzame stoffen bevat een bestrijdings-
               middel doorgaans allerlei hulpstoffen, zoals oplosmiddelen, hechtmiddelen,
               uitvloeiers, enzovoorts.
77 Lijst van afkortingen, termen en begrippen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>78 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Bijlage D
        Beslisbomen van het CTB
        Zie figuren volgende pagina’s.
79      Beslisbomen van het CTB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                          PERSISTENTIE IN DE BODEM
                                                                                  JA           Geen verder
                    Is het uitgesloten dat de werkzame stof in de
                                                                                            onderzoek nodig        Toelaatbaar
                                 bodem terecht komt?
                                                                        1
                                       NEE
                                                                                                                 Geen verder
             Laboratorium onderzoek                   Onderzoek naar                                       NEE
                                                                                   Zijn er relevante            onderzoek aan
            naar omzettingssnelheid in                omzettingsroute           omzettingsproducten?           omzettingsproduct
                     de bodem
                                                                      2                                 3           nodig.
                                     4                                                 JA
                                                                                   Ga verder onder
                                                                                        punt 4
               * DT 50 < 90 dagen (werkzame stof + omzettingsproduct)
               * en na 100 dagen, is het grondgebonden residu < 70%          JA
                 van de begindosis of                                                          Toelaatbaar
                 binnen 100 dagen , is de mineralisatie snelheid > 5%.
                                                                          5
                                       NEE
                                                       Veldonderzoek naar
                                                 omzettingssnelheid in de bodem
                                                           DT50 (veld)
                                                                                6
                                                                                   JA
                                                    DT50 (veld) < 90 dagen?                    Toelaatbaar
                                                           NEE
                                             Bepaling concentratie
             Bepaling MTR bodem
                                                  in de bodem
                                    7                               8
                                                                            JA
                                 PEC/MTR < 1                                                   Toelaatbaar
                                    NEE
                                Niet toelaatbaar
   Figuur 1 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
   mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van de persistentie in de bodem (CTB99). De arcering geeft
   aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
80 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>81
                                                                                                                                                                                                    Kan worden uitgesloten dat de stof bij                   JA     Geen verder
                                                                                                                                   UITSPOELING NAAR GRONDWATER                                                                                                    onderzoek nodig             Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                                    toepassing in de bodem terecht komt?
                                                                                                                                                                                                                                                         1
                                                                                                                                                                                                                      NEE
                                                                                                                                    Studie naar omzettingsroute,                                        Laboratorium studie naar                   Laboratorium studie naar              Kolom studie met
                                                                                                                                         ter identificatie van                                           omzettingssnelheid in                      adsorptiemobiliteit in               verouderd residu
                                                                                                                                  omzettingsproducten en gehaltes.                                      minimaal 3 grondsoorten.                   minimaal 3 grondsoorten                                5
                          Figuur 2 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
                                                                                                                                                                 2                                                                   3                                        4
Beslisbomen van het CTB
                                                                                                                                                                                                                 gemiddelde                                  gemiddelde
                                                                                                                                                                                                                   DT50                                         Kom
                                                                                                                                                                           Geen verder
                                                                                                                                   Zijn er omzettingsproducten in     NEE onderzoek aan
                                                                                                                                      een gehalte >10% van de                                                Berekening verwachte uitspoeling met PESTLA -model
                                                                                                                                                                         omzettingsproduct
                                                                                                                                    toegevoegde werkzame stof?
                                                                                                                                                                              nodig                                                                                           6
                                                                                                                                               JA
                                                                                                                                                                                                                                                                                    Zijn er omzettings-
                                                                                                                                      Vervolg onderzoek aan                                                                                                                         producten die een
                                                                                                                                                                                                                               Correctie van dosering,
                                                                                                                                      omzettingsproducten,                                                                                                                           potentieel risico
                                                                                                                                                                                                                              toepassingsfrequentie en
                                                                                                                                          ga naar 3 + 4                                                                                                                              voor uitspoeling
                                                                                                                                                                                                                                 gewas interceptie.
                                                                                                                                                                                                                                                                                          hebben
                                                                                                                                                                                                                                                                                    JA             NEE
                                                                                                                                                                NEE                                                   NEE
                          mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van de uitspoeling naar het grondwater (CTB99). De arcering
                                                                                                                                   Concentratie > 10 ug/L               0,001 ug/L < Concentratie < 10 ug/L                   Concentratie < 0,001 ug/L
                                                                                                                                                            7                                                     7                                           7
                                                                                                                                                                                      JA
                                                                                                                                             JA
                                                                                                                                                                             Veldstudie uitspoeling of
                                                                                                                                                                                                                                         JA
                                                                                                                                                                               lysimeter onderzoek.
                                                                                                                                        Niet toelaatbaar                  Interpretatie en Standaardisatie
                                                                                                                                                                                                             8                                                                         Geen verder
                                                                                                                                                                                                                      JA
                                                                                                                                                                              Concentratie < 0,1 ug/L                               Toelaatbaar                                       onderzoek aan
                                                                                                                                                                                                        9                                                                            omzettingsproduct
                                                                                                                                                                                    NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                                           nodig
                                                                                                                                                                             Bepaling afbraaksnelheid
                                                                                                                                                                               in verzadigde zone
                                                                                                                                                                                                      10
                                                                                                                                                                 NEE                                                   JA
                                                                                                                                        Niet toelaatbaar                      Concentratie < 0,1 ug/L                                Toelaatbaar
                          geeft aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>82
                                                                                                                                                                                                                                                                                1
                                                                                                                                                                               RISICO VOOR WATERORGANISMEN                                                                               JA
                                                                                                                                                                                                                                           Is het uitgesloten dat de werkzame stof                                         Onderzoek naar risico
                                                                                                                                                                                                                                            in het oppervlaktewater terecht komt?
                                                                                                                                                                                                                                                                                                Risico nihil             waterorganismen niet nodig
                                                                                                                                                                                                                                                             NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                                                2
                                                                Figuur 3 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
                                                                                                                                                                                                                                                                    Is er sprake van chronisch        NEE      Geen chronisch
                                                                                                                                                                                                                                                                    of herhaalde blootstelling?                onderzoek nodig
                                                                                                                                                                                                                                                                                JA
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    11
                                                                                                                                                                                               Bepaling acuut risico                                                  Bepaling chronisch risico                                       Bepaling
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                   bio-concentratie
                                                                                                                                                                            Bepaling PEC                                                               Bepaling PEC Langdurend toxicologisch onderzoek                                  factor
                                                                                                                                                                                                 Kortdurend toxicologisch onderzoek
                                                                                                                                                                               initieel                                                               (0-21, 0-28 dg)       kreeftachtige, vis
                                                                                                                                                                                                       alg, kreeftachtige, vis
                                                                                                                                                                        3                                                              4          8                                                                 9
                                                                                                                                                                                                                                5                                                                                   10                         12
                                                                                                                                                                                                                                                               PEC (0-21 dg)      > 1 of PEC (0-28 dg) > 1
                                                                                                                                                                                  PEC initieel  >1 of PEC initieel > 1                                                                                                              BCF > 1000,
                                                                                                                                                                               0,1 * NOEC (alg)       0,01 * L(E)C50                                   0,1 * NOEC (kreeftachtige)       0,1 * NOEC (vis)
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                              voor werkzame stoffen
                                                                                                                                                                                                                         NEE                           NEE                                                                  die gemakkelijk biologisch
                                                                                                                                                                                          JA                                                                                                   JA
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                 afbreekbaar zijn.
                                                                                                                                                                                                             6          Gering risico                 Gering risico                                             6                  BCF > 100,
                                                                                                                                                                                                                                                                                Overschrijdingsrisico > 100                 voor werkzame stoffen die
                                                                mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor waterorganismen (CTB99). De arcering
                                                                                                                                                                            Overschrijdings factor > 100
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                moeilijk biologisch
                                                                                                                                                                                    NEE                          JA     Toelaatbaar                   Toelaatbaar               JA            NEE                                afbreekbaar zijn.
                                                                                                                                                                                  Risico aanwezig                                                                                        Risico aanwezig                         Risico aanwezig
Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
                                                                                                                                                                                                                        Groot risico                   Groot risico
                                                                                                                                                                                                         7                                                                                                          7                                     13
                                                                                                                                                                             Niet toelaatbaar tenzij…..:               Niet toelaatbaar               Niet toelaatbaar              Niet toelaatbaar tenzij…..:             Niet toelaatbaar tenzij…..:
                                                                geeft aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>83
                                                                                                                                                                                           RISICO VOOR REGENWORMEN
                                                                                                                                                 Is het uitgesloten dat de stof/ middel               JA                            Geen verder
                                                                                                                                                   op of in de bodem terecht komt?                                                onderzoek nodig
                                                                                                                                                                                           1
                                                                                                                                                                 NEE
                          Figuur 4 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
Beslisbomen van het CTB
                                                                                                                                          Acuut
                                                                                                                                  toxiciteitsonderzoek                               Berekenen PIEC
                                                                                                                                          LC50
                                                                                                                                                          2                                            3
                                                                                                                                                                                                                 JA
                                                                                                                                                                PIEC < 0.001
                                                                                                                                                                                                                                                    gering risico   Toelaatbaar
                                                                                                                                                                LC50
                                                                                                                                                                 NEE
                                                                                                                                                                                          JA        DT90 < 100 dagen                       JA
                                                                                                                                                              0.001 < PIEC < 0.1                                                                    gering risico   Toelaatbaar
                                                                                                                                                                    LC50                        en < 3 toepassingen/seizoen
                                                                                                                                                                 NEE                                         NEE
                                                                                                                                                                 PIEC > 0.1                                  Sublethale
                          mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor regenwormen (CTB99). De arcering geeft
                                                                                                                                                                 LC50                                      toxiciteitstoets
                                                                                                                                                                                                                              4
                                                                                                                                                                   JA                             PEC (0-4 weken) < 0.2                    JA
                                                                                                                                                                                                                                                    gering risico   Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                                  NOEC
                                                                                                                                                                                                                                   5
                                                                                                                                                                                                            NEE
                                                                                                                                                                 Groot risico                               Groot risico
                                                                                                                                                         Niet toelaatbaar, tenzij….. 6            Niet toelaatbaar tenzij...           6
                          aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                       Risico voor bodem-micro-organismen
                                                            -micro organismen
                   Is het uitgesloten dat de             JA
                                                                         Geen verder
                   stof/ middel op of in de
                                                                       onderzoek nodig
                     bodem terecht komt?
                                                  1
                           NEE
                         Onderzoek naar
                            nitrificatie
                                            2
                       Effect op nitrificatie       JA
                                                             Gering risico         toelaatbaar
                       < 25% na 100 dagen
                           NEE
                            Groot risico
                     Niet toelaatbaar, tenzij...
                                                 3
   Figuur 5 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
   mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor micro-organismen in de bodem (CTB99).
   De arcering geeft aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
84 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>85
                                                                                                                                                                       RISICO VOOR BIJEN/HOMMELS                                                                      Kooiproef
                                                                                                                                                                                                                                                                                          6, 7, 9
                                                                                                                                   Is blootstelling van                  NEE
                                                                                                                                                                                               geen risico
                                                                                                                                     bijen mogelijk?
                                                                                                                                                              1
                                                                                                                                        JA
                          Figuur 6 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
                                                                                                                                      Is het middel               JA
Beslisbomen van het CTB
                                                                                                                                                                          Bijenbroedtest                                              Significante                 Geen significante                  Geen significante
                                                                                                                                         een IGR
                                                                                                                                                      2                                    3                                            effecten                  effecten na beperkte              effecten na volledige
                                                                                                                                      NEE                                                                                                                             blootstelling                     blootstelling
                                                                                                                                                          NEE            Wordt de NOEL            JA
                                                                                                                                                                          overschreden
                                                                                                                                                                                                                                                            eel
                                                                                                                                  Zijn acute effecten op                 NEE                                                                                on
                                                                                                                                   werkbijen de enige                                                                                                   op          risico aanwezig                     gering risico
                                                                                                                                   mogelijke effecten
                                                                                                                                                                                                                                                           ti
                                                                                                                                                              4
                                                                                                                                        JA
                                                                                                                                   LD50 (contact) en
                                                                                                                                      LD50 (oraal)
                                                                                                                                                                                                                                            Veldtest
                                                                                                                                   laboratoriumproef                                                                                                 8, 9
                                                                                                                                                          5
                          mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor bijen en hommels (CTB99). De arcering
                                                                                                                                    Gram per ha <50                      NEE
                                                                                                                                      LD50
                                                                                                                                        JA
                                                                                                                                                                                                                                      Significante                  Geen significante                 Geen significante
                                                                                                                                      gering risico                                                                                     effecten                   effecten na beperkte             effecten na volledige
                                                                                                                                                                                                                                                                       blootstelling                    blootstelling
                                                                                                                                                                                                             Kooiproef                groot risico                  risico aanwezig                     gering risico
                                                                                                                                                                                                                         6, 7, 8, 9
                          geeft aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>86
                                                                                                                                                                        MILIEU: RISICO VOOR VOGELS                 MODULE A
                                                                                                                                                                                                                                                         Blootstelling via granulaten, behandeld zaad               MODULE B
                                                                                                                                                                            Is blootstelling van vogels                   NEE                            (coating, pillering), lokmiddelen voor slakken of
                                                                                                                                                                                                                                  Toelaatbaar            lokaas (items die lijken op normaal voedsel of grit)
                                                                                                                                                                            direct of indirect mogelijk?
                                                                                                                                                                                     JA
                                                                                                                                                                                                                                                        B’                                                     JA
                                                                                                                                                                                                                          NEE       b.v. opname               A/ LD50 (doelgroep) > 1                                     GROOT RISICO         Niet toelaatbaar
                                                                                                                                                                                  Blootstelling via
                                                                                                                                                                                                                                via huid (contact) of
                                                                Figuur 7 Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewasbescher-
                                                                                                                                                                                    voer/water?
                                                                                                                                                                                                                                via lucht (inhalatie)               NEE
                                                                                                                                                                                     JA
                                                                                                                                                                                                                                                                                                               JA
                                                                                                                                                                                                                                                             PEC (voer) * DFI < 0.001                                     GERING RISICO
                                                                                                                                                                                                                     JA                                      LD50 (doelgroep)
                                                                                                                                                                               Indirecte blootstelling                            Ga naar E
                                                                                                                                                                                                                                                                    NEE                                                                         Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                   NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                    Opname van
                                                                                                                                                                                                                                                                 items die lijken op         JA                              NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                                                  A/ LD50 (doelgroep) > 20          GERING RISICO
                                                                                                                                                                               Directe blootstelling                                                                grit en niet op
                                                                                                                                                                                                                                                                 natuurlijk voedsel
                                                                                                                                                                                                                                                                                                         JA
                                                                                                                                                                                                                                                                    NEE
                                                                                                                                                                                         Blootstelling via
                                                                                                                                                                                    granulaten, behandeld zaad            JA
                                                                                                                                                                                                                                  Ga naar B’                                                       RISICO AANWEZIG
                                                                                                                                                                                       (coating, pillering) of
                                                                                                                                                                                    lokmiddelen voor slakken?
                                                                                                                                                                                             NEE                                                                                                      Werkelijk risico;
                                                                                                                                                                                                                                                                                                     Expert judgement
                                                                                                                                                                                                                          JA
                                                                                                                                                                                      blootstelling via lokaas?                   Ga naar B”
                                                                mingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor vogels (CTB99). De arcering geeft aan
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          GERING RISICO          Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                             NEE                                                        B”
                                                                                                                                                                                                                                                            Opname via behandeld zaad
                                                                                                                                                                                                                                                         (coating), lokaas of items die lijken                            GROOT RISICO         Niet toelaatbaar
                                                                                                                                                                                         Blootstelling via                JA
                                                                                                                                                                                                                                  Ga naar C                     op natuurlijk voedsel
                                                                                                                                                                                        bespoten gewassen?
Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
                                                                                                                                                                                             NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                      K         < 0.1                               JA
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          GERING RISICO          Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                                                                                             LD50 (doelgroep)/A
                                                                                                                                                                                                                          JA
                                                                                                                                                                                    Blootstelling via drinkwater                  Ga naar D
                                                                                                                                                                                                                                                                    NEE
                                                                                                                                                                                             NEE
                                                                                                                                                                                          Blootsstelling via              JA
                                                                                                                                                                                                                                  Ga naar D’                  Niet toelaatbaar, tenzij.. .
                                                                                                                                                                                           bladgewassen?
                                                                waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>87
                                                                                                                                                                           MODULE C                                                     Blootstellling via drinkwater.
                                                                                                                                                                                                                                                                                     MODULE D
                                                                                                                                                Blootstelling via bespoten gewassen/planten (ongewervelde dieren)
                                                                                                                                   Ga voor een inschatting van het mogelijke risico
                                                                                                                                   van een bestrijdingsmiddel voor de korte termijn                                                D’
                                                                                                                                                                                                                                             Opname van drinkwater uit oppervlaktewater (i.c. sloot)
                                                                                                                                   naar C’ en voor de lange termijn naar C”
                          Figuur 7 vervolg Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewas-
                                                                                                                                   C’                                                                                                                                           JA                              Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                                                                           PEC (water) * DWI > 0.1                               GROOT RISICO
                                                                                                                                                                                                                                           LD50 (doelgroep)                                                         tenzij...
                                                                                                                                                                               JA
Beslisbomen van het CTB
                                                                                                                                          PEC (voer) * DFI > 0.1                                               Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                        GROOT RISICO
                                                                                                                                          LD50 (doelgroep)                                                         tenzij...                      NEE
                                                                                                                                               NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                                 JA                             Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                                                                            PEC (water, kort) > 0.1                              GROOT RISICO
                                                                                                                                                                                                                                                 LC50                                                               tenzij...
                                                                                                                                          PEC (voer, kort) > 0.1                JA                             Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                        GROOT RISICO
                                                                                                                                              LC50                                                                 tenzij...                     NEE
                                                                                                                                               NEE                                                                                             GERING RISICO
                                                                                                                                             GERING RISICO
                                                                                                                                                                                                                                                  Toelaatbaar
                          beschermingsmiddel aan de milieueis ten aanzien van het risico voor vogels (CTB99). De arcering geeft                 Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                                                                   D”      Toepassing op bladgewassen (okselwater)
                                                                                                                                   C”
                                                                                                                                                                               JA                              Niet toelaatbaar,                                                   JA                           Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                           PEC (voer, lang) > 0.2                       GROOT RISICO                                       PEC (spuitwater) * DWI > 0.1
                                                                                                                                                                                                                                                                                                 GROOT RISICO
                                                                                                                                           NOEC (vogels)                                                           tenzij...                  LD50 (doelgroep)                                                      tenzij...
                                                                                                                                               NEE                                                                                               NEE
                                                                                                                                                                                                                                               GERING RISICO
                                                                                                                                             GERING RISICO
                                                                                                                                                Toelaatbaar                                                                                       Toelaatbaar
                          aan waar gegevens uit veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>88
                                                                                                                                                                                                                                                                   Indirecte blootstelling               MODULE E
                                                                                                                                                                                                                                                                   (doorvergiftiging biomagnificatie )
                                                                                                                                                                                                                                                                        Vissen als voedsel
                                                                                                                                                                                                                                                                PEC (water, lang) * BCF (vis) > 0.2        JA                      Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    GROOT RISICO
                                                                                                                                                                                                                                                                      NOEC (vogels)                                                     tenzij...
                                                                                                                                                                                                                                                                           NEE
                                                                                                                                                                                                                                                                         GERING RISICO
                                                                                                                                                                                                                                                                            Toelaatbaar
                                                                                                                                                                                                                                                                       Wormen als voedsel
                                                                                                                                                                                                                                                                PEC (grond, lang)* BCF (worm) > 0.2       JA                       Niet toelaatbaar,
                                                                                                                                                                                                                                                                                                                    GROOT RISICO
                                                                                                                                                                                                                                                                        NOEC (vogels)                                                   tenzij...
                                                                                                                                                                                                                                                                            NEE
Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
                                                                                                                                                                                                                                                                          GERING RISICO
                                                                aan waar gegevens uit (semi)veldonderzoek bij de beslissingen een rol kunnen spelen.
                                                                                                                                                                                                                                                                             Toelaatbaar
                                                                                                                                                       Figuur 7 vervolg Beslisboom die het CTB hanteert bij de toetsing van de toelaatbaarheid van een gewas-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>Bijlage E
        Vormen van aanvullend
        preregistratie-(veld)onderzoek
        Overzicht van de verschillende vormen van aanvullend preregistratie-(veld)onderzoek dat
        ten behoeve van de tweede stap in de risicobeoordeling kan worden uitgevoerd. De com-
        missie probeert een indruk te geven van de diversiteit van mogelijke onderzoeken; ze
        streeft geen volledigheid na.
         milieucriterium                 soort (veld)onderzoek
         persistentie in de bodem        veldexperiment of lysimeterexperiment ter bepaling van de omzet-
                                         tingssnelheid; lysimeterexperimenten eventueel met radioactief ge-
                                         labelde stoffen
                                         lysimeterexperiment ter bepaling van het percentage grondgeboden
                                         residuen
                                         veldexperiment of lysimeterexperiment ter bepaling van het gehalte
                                         in de bodem twee jaar na de laatste toepassing
                                         enkelsoorts-laboratoriumtests met andere dan de standaard-
                                         testsoorten voor een probabilistische risicobeoordeling
         uitspoeling naar het grondwater lysimeteronderzoek, eventueel met radioactief gelabelde stoffen
                                         veldexperiment met bemonstering van grondwater
         risico’s voor waterorganismen   enkelsoorts-laboratoriumtests met andere dan de standaard-
                                         testsoorten voor een probabilistische risicobeoordeling
                                         enkelsoorts-laboratoriumtest met realistische blootstelling, bijvoor-
                                         beeld door toevoeging van sediment
89      Vormen van aanvullend preregistratie-(veld)onderzoek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   milieucriterium                     soort (veld)onderzoek
   risico’s voor waterorganismen       enkelsoorts-laboratoriumtest met gelijktijdige aanwezigheid van
   (vervolg)                           verschillende levensstadia (populatiestudies)
                                       eenvoudige multi-species tests in laboratorium met enkele soorten
                                       eenvoudige (generische) microkosmosproeven in het laboratorium
                                       met meer soorten uit verschillende trofische niveaus; in hoge mate
                                       gestandaardiseerd; soortensamenstelling bekend
                                       semi-realistische microkosmosproeven in het laboratorium; levens-
                                       gemeenschap afkomstig uit het veld, beheersbare klimatologische
                                       omstandigheden
                                       semi-realistische micro- en mesokosmosproeven in de openlucht;
                                       idem als voorgaande maar doorgaans groter en interactie met na-
                                       tuurlijke omgeving mogelijk (wisselende klimatologische omstan-
                                       digheden, in- en export van organismen
   risico’s voor regenwormen           veldproef in de openlucht
   risico’s voor bijen en hommels      bijenbroedtest voor onderzoek aan groeiregulatoren
                                       kooi- en tunnelproeven in openlucht ter bestudering van de bloot-
                                       stelling, de toxiciteit of het gedrag van organismen
                                       veldproeven in openlucht; idem als voorgaande, maar schaal groter
                                       en dieren niet beperkt in bewegingsruimte
   risico’s voor vogels                veldproef in de openlucht
   risico’s voor nuttige geleedpotigen enkelsoorts-laboratoriumtest met verschillende levensstadia
                                       onderzoek naar persistentie en biologische beschikbaarheid op bla-
                                       deren onder veldomstandigheden
                                       enkelsoorts-laboratoriumtest met realistische blootstelling door toe-
                                       voeging van natuurlijk substraat (plantenmateriaal of bodem)
                                       enkelsoorts-kooiproef in het veld met in het laboratorium gekweek-
                                       te organismen
                                       veldproef in de openlucht met één of meerdere van nature voorko-
                                       mende of geïntroduceerde, in het laboratorium gekweekte organis-
                                       men
90 Veldonderzoek voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>