<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies Onderzoek
Verpleging & Verzorging
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies Onderzoek
Verpleging & Verzorging
Publicatie 34
Den Haag, november 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>EAAD VOOR GEZONDHEIDSCHHIERZCHEE

Aan de minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport
Mw. dr. E. Barst-Bilers

Onderwerp: Aries Onderzoek Verpleging & Verzorging
Ons kenmerk: HRE 01.170

Eijlage{nt:

rahuni november 200

Geachte mevrouve Barst,

In juni van het vorig jaar ootving de Raad voor Geeondheidsondersock (RGO) uw verzook om adwies aver
anderzoek op het terrein van de verpleging en de verzoegeng. In uw brief vroeg u de HGO om zijn oondeel over
de toereikendhesd van het lusidige wetenschappelijk onderzoek tegen de achtergrond van de toememende
behoefte aan cen nadere wetenschappelijke fundering van het verpleegkundig en verzorgend handelen. U vroeg
de RGO rekening te houden mat de behoefte aan oederzoek naar onderwerpen als zinnige en zuenige zorg
(gepast gebruik), de doelmatigheld en doeltreffendheid van verpleegioandig interventies, de rol van
verpleegkundigen en verzorgenden bij de coördinatie van de zorg, en de implementatie. Daarnaast vroeg u de
RGC uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de infrastructuur van het wetenschappelijk onderzoek en, voor
zower van belang, de welenschappelijke opleidmg.

Hierbij bieden wij het advies aan, waarbij we het volgende opmerken.

Zoals te doen gebruikelijk heeft de Raad ter voorbereiding van zijn advies een commissie van deskandigen
ingesteld. Deze commissie heeft zich eerst geïnformeerd over het lopend onderzoek en de infrastructuur waarin
die is ingebed, om zich vervolgens te richten op de behaelben aan en priociseïten van onderzoek,

Op greed van de bevindingen van de commissse steht de Raad vast dat er grote behoefte bestaat oan de verdere
weetenschappelijke onderbouwing van het handelen van verpleegkandigen en verzorgenden. Tegelijkertijd is
duidelijk dat het onderzoeksveld - zeker in de acadeenisch medische centra - onvoldatdt is tongerual om in die
behoefte te voorzien.

Geadviseerd wordt daarom het onderzoek de komende jaren te coecentreren rond een beperkt aantal academisch
maidisebe centra Ter omdersteaning van deze centra denkt de Baad aan een tijdelijke sabsidie van
omderzocksplaatsen (fellomahjpr) voor veelbelovende onderzoekers en cen aantal aanvallende, op versterking
van de infrastructuur gerichte, netiviteiten, De Raad schat de kasten van deze maatregelen op intaal 5,2 miljoen
euro (11,5 miljoen gulden) gedurende acht jaar.

Ter versteviging van de infrastroctuur scha de Kaal verder cen instituut noodzakelijk det cen krachtige
brugfunctie vervult tussen de acedemisch medesche centra en de baiten-universstaire instituten. Dit imstituut zou
daamaast dienen bij te dragen aan hei bipeenbrengen van onderzoek en praktijk, alsmede aan de samenwerking
tussen de universitaire onderzackainstinsten. Deze fanclie seu volgens de Raad in principe poed kuenen worden
vervuld doer het Landelijke Centrum Verpleging & Verzorging (LCVV],

Pomare Beroekadres

Postbus DEE Farnasusplein 5

SM DR Den Haag 2511 VE Den Haag
canal huresertirga nl Telen O70 — 340 75 21

website wa rg nl Fax OF — 4440 75 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De Raad bevers aan bet onderzoek te stinualeren door middel van een bij 2onkelw ondergebracht onderzoeks-
programma. Dit programma zou zich niet alleen meeten richten op de fimanctering en begelerding van
onderzoek, maar witdrukkelijk ook op het verder vorm geven aan bowengesocende maatregelen ter stimulering,
van de onderzoekalnfrastructuur,

Onderwerpen voor onderzoek die de Raad de hoogste prioriteit geeft betreffen “deehtreffendheid en
doelmatigheid van zorg” en tontmiikkeling en amplementatse van richtlijnen en evidence based practice’. Gok de
onderwerpen ‘afstemming en oontimirtelt van zorg', ‘paliëntprchlemen en hun determination’ en ‘meten van
zang’ verdienen aandacht. De kosten van uitvoering van dit onderdeel van hel programe wonden begroot op
maximal 7,3 miljoen euro {16 niljeen gulden).

De Read ie zich ervan bemest dat het versterken van de onderzoeksinfrastractuur wenselijk, maar miet eenvoudig
is en dat zijn voorstellen een aanzienlijke financiële investering vergen. Hij beveelt daarom aan de middelen
gefaseerd toe te kennen én hiertoe hel programma tõpelmali te evalueren, de eerste keer na cen perinde van
twee jaar, Desgewenst ia de Raad bereid hiesbij cen rel te spelen,

De Raad meent tot slot dat met de hier bepleite impula de kwalitelt van bet onderzoek sterk kan worden
verbeterd, Hij ia ervan overtuigd dat dit niet alleen zal bijdragen aan de door velen zo noodzakelijk geachte
verbetering van het ‘image’ van verpleegkundigen en verzorgenden. maar vooral ook aan éen verbetering van de
kwaliteit van het handelen van deze twee beroepsgroepen.

Met vriendelijke groet,

Ne eh
prob dr. HAA, Rooymans „AL Benneker
vanrziter ROC algemeen secretaris RAO

ina. de minister van Onderwijs, Caltuur en Wetenschappen
de minister van Economische Zaken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                     3
Summary                                                          7
1      Opzet                                                    11
       1.1    Uitgangspunten                                    11
       1.2    Werkwijze                                         13
2      Korte beschrijving van het onderzoeksterrein             15
3      Infrastructuur van het onderzoek                         19
       3.1    Onderzoeksinstituten                              19
       3.1.1 Universitaire instituten                           19
       3.1.2 Buitenuniversitaire instituten                     22
       3.2    Infrastructurele knelpunten                       24
       3.3    Conclusie                                         27
4      Onderzoek                                                29
       4.1    Uitgangspunten                                    29
       4.2    Verpleegkundig onderzoek in Nederland             29
       4.3    Prioriteiten van onderzoek.                       32
       4.3.1 Afstemming en continuïteit van zorg                35
       4.3.2 Doeltreffendheid en doelmatigheid van zorg         35
       4.3.3 Patiëntproblemen en hun determinanten              36
       4.3.4 Meten van Zorg                                     36
       4.3.5 Ontwikkeling en implementatie van richtlijnen en
              evidence based practice                           36
5      Opleidingsmogelijkheden voor verpleegkundig onderzoekers 37
       5.1. De opleiding van verzorgenden en verpleegkundigen   37
       5.2    Verplegingswetenschap in Nederland                37
       5.3    Opleiding tot onderzoeker                         38
       5.4    Conclusie                                         39
6      Conclusies en Aanbevelingen                              41
Referenties
Lijst met afkortingen
Bijlagen
1      Adviesaanvraag
2      Samenstelling commissie
3      Richtlijnen en protocollen NIVEL-studie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>SAMENVATTING
In Nederland bestaat, evenals in de meeste van de ons omringende landen, een
sterk groeiende vraag naar verpleging en verzorging. Die vraag heeft mede ten
gevolge van technologische vernieuwingen en veranderingen in de organisatie
van de zorg toenemend betrekking op gespecialiseerde zorg.
Deze ontwikkeling heeft belangrijke consequenties voor aard en omvang van de
door verpleegkundigen en verzorgenden verleende zorg. Hun werk wordt om-
vattender en complexer zowel qua inhoud van de zorg als de organisatie ervan.
Een belangrijk gevolg van dit alles is dat ook de noodzaak tot verdere professio-
nalisering, dat wil zeggen de ontwikkeling van kennis ten behoeve van het eigen
handelen, toeneemt. Een van de instrumenten daarbij is wetenschappelijk onder-
zoek.
In het onderhavige rapport presenteert de Raad voor Gezondheidsonderzoek
(RGO) zijn aanbevelingen over onderzoek en onderzoeksinfrastructuur op het
terrein van de verpleging en verzorging.
De aanleiding tot dit advies is het verzoek van de minister van VWS aan de
RGO (d.d. 23 juni 2000) haar te adviseren over het onderzoek op dit terrein. De
minister vroeg de RGO rekening te houden met zaken als ‘gepast gebruik’,
‘doelmatigheid en doeltreffendheid van verpleegkundig interventies’, en ‘de rol
van verpleegkundigen en verzorgenden bij de coördinatie van de zorg’, alsmede
met de implementatie van onderzoeksresultaten. Daarnaast vroeg zij de RGO
uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de infrastructuur van het wetenschappelijk
onderzoek en, voor zover van belang, de wetenschappelijke opleiding.
Na een beschrijving van de gevolgde werkwijze en een beknopte schets van het
onderzoeksterrein in de eerste twee hoofdstukken, gaat het derde hoofdstuk van
het advies in op de infrastructuur van het onderzoek. In de onderzoeksinfrastruc-
tuur doet zich, aldus de Raad, een aantal belangrijke knelpunten voor.
Een van die knelpunten betreft de geringe personele omvang van de onderzoeks-
groepen in de academisch medische centra. Zelfs in de centra met een aparte
groep voor onderzoek naar verpleegkundige en verzorgende problemen is het
aantal onderzoekers vaak te klein (zeker het aantal medewerkers in vaste dienst)
om op adequate wijze een onderzoeksprogramma van voldoende kwaliteit te
kunnen uitvoeren. In een aantal centra bestaat het onderzoek uit losstaande
onderzoeksprojecten.
Een ander knelpunt in de onderzoeksinfrastructuur betreft het ontbreken van
werkplaatsen voor onderzoek. Hoewel de acht universitair medische centra in
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>principe functioneren als werkplaatsen voor verpleegkundig onderzoek, bestaan
er grote verschillen in de toegankelijkheid voor onderzoekers. Gelet ook op het
feit dat de buitenuniversitaire instituten het overgrote deel van het desbetref-
fende onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging uitvoeren,
ontbreekt voor een belangrijk deel van het onderzoek de toegang tot de klinische
praktijk. Werkplaatsen in andere intra- en extramurale instellingen, zoals
verpleeghuizen en de thuiszorg, ontbreken vrijwel volledig. Een knelpunt is ook
het ontbreken van een formeel samenwerkingsverband tussen de onderzoeksker-
nen en tussen deze kernen en het buitenuniversitaire onderzoek.
In hoofdstuk 4 gaat de Raad vervolgens in op de behoeften aan onderzoek. Om
een indruk hiervan te krijgen is gebruik gemaakt van overzichten van activiteiten
in onderzoek en implementatie alsmede van de inventarisatie van de behoeften
aan onderzoek die ZON in december 2000 heeft uitgevoerd ten behoeve van zijn
onderzoeks-programma “Tussen Weten en Doen”.
Uit de verzamelde informatie blijkt dat verzorgenden en verpleegkundigen welis-
waar al veel activiteiten ondernemen om hun handelen te rationaliseren met
behulp van richtlijnen en protocollen, maar dat nog weinig gebruik wordt ge-
maakt van resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Dat is ook niet altijd
mogelijk, omdat er een groot tekort bestaat aan onderzoek dat hen daarbij tot
steun kan zijn. Tegen deze achtergrond en het principe dat het onderzoek zich
moet richten op voor verpleegkundigen en verzorgenden belangrijke problemen
en zoveel mogelijk moet aansluiten op de reeds opgebouwde onderzoekexpertise,
vindt de Raad dat vooral het onderzoek naar “doeltreffendheid en doelmatigheid
van zorg” en “ontwikkeling en implementatie van richtlijnen en evidence based
practice” gestimuleerd zou moeten worden. Daarnaast verdienen naar de mening
van de Raad de onderwerpen “afstemming en continuïteit van zorg”, “patiënt-
problemen en hun determinanten” en “meten van zorg” extra aandacht. Alle
door de Raad genoemde onderzoeksthema’s hebben overigens nadrukkelijk
betrekking op het handelen van beide beroepsgroepen.
In hoofdstuk 5 bespreekt de Raad vervolgens beknopt de mogelijkheden die
verpleegkundigen hebben voor scholing in het wetenschappelijk onderzoek. Die
zijn er onvoldoende, aldus de Raad, die van mening is dat een meer door
wetenschappelijk onderzoek gesteunde zorg een wetenschappelijke attitude onder
verpleegkundigen noodzakelijk maakt. Hierom, en om de samenwerkingsmoge-
lijkheden met de andere (para)medische onderzoekers te vergroten, zouden de
mogelijkheden om ‘in te stromen’ in het onderzoek moeten worden uitgebreid,
evenals de mogelijkheid voor als onderzoeker werkzame verplegingswetenschap-
pers zich te scholen als klinisch onderzoeker.
        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>In hoofdstuk 6 tenslotte vat de Raad zijn bevindingen samen en komt tot enkele
aanbevelingen.
Het onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging is belangrijk maar
in zijn huidige omvang en vorm onvoldoende om in de behoefte te voorzien. Ter
stimulering van het onderzoek stelt de Raad daarom een stimuleringsprogramma
voor dat zich zou moeten richten op het uitbouwen van de onderzoeksinfrastruc-
tuur en, daarmee samenhangend, het bevorderen van onderzoek naar voor het
terrein belangrijke thema’s. Dit programma zou een looptijd moeten krijgen van
acht jaar, wat volgens de Raad voldoende moet zijn om de onderzoeksachter-
stand in te lopen.
Ten aanzien van het uitbouwen van de onderzoeksinfrastructuur denkt de Raad
aan drie maatregelen.
In de eerste plaats zou het onderzoek moeten worden geconcentreerd in die
centra van onderzoek die op korte termijn aan een aantal voorwaarden kunnen
voldoen. Die voorwaarden zijn de aanwezigheid van een vaste staf wetenschappe-
lijk personeel met een omvang van tenminste 3 à 4 fte, bij voorkeur onder leiding
van een hoogleraar met een leeropdracht op het werkterrein van verpleegkundi-
gen en verzorgenden; afstemming van het onderzoek op de onderzoekslijnen van
het desbetreffende universitair medisch centrum; deelname aan een onderzoeks-
school, en toegang tot en afspraken met intra- en extramurale zorginstellingen
voor het doen van onderzoek. Om het onderzoek in deze centra verder te helpen
zouden daar fellowships (maximaal twee per centrum) ingesteld moeten worden
voor veelbelovende onderzoekers met een postdoctorale opdracht voor een
periode van acht jaar. De financiering ervan zou volgens de Raad gebonden
moeten zijn aan de aanwezigheid van een onderzoek- en opleidingsplan, aan
begeleiding door senior-onderzoekers en aan de aanwezigheid van afspraken
over de werkplaatsfunctie van betrokken zorginstellingen. Kernen die de Raad
in principe hiervoor in aanmerking vindt komen zijn de onderzoeksgroepen aan
de RUG, het UMCU, het UMC St Radboud en de UM. Uitgaande van twee
fellows per kern gedurende een periode van acht jaar kunnen de kosten van deze
maatregel worden begroot op in totaal ruim 4,6 miljoen euro (ca.10,2 miljoen
gulden).
Als tweede maatregel stelt de Raad voor aanvullende activiteiten te financieren
die de centra in staat stellen aan bovengenoemde voorwaarden te voldoen. De
Raad denkt hierbij aan een tegemoetkoming voor de kosten van methodologi-
sche scholing van verpleegkundig onderzoekers, verlenging van een tijdelijke
aanstelling voor afronding van een promotie, het ontwikkelen van werkplaatsen
en de activiteiten die met de academisering van het veld te maken hebben.
Financiering van deze activiteiten zou de vorm moeten hebben van een opslag
                                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>bovenop een elders verworven onderzoekssubsidie. Uitgaande van een maximaal
te behalen opslag van 18.000 euro (40.000 gulden) per jaar per centrum kunnen
de kosten van dit onderdeel worden begroot op in totaal 72.000 euro (160.000
gulden) per jaar.
De derde maatregel ter stimulering van de infrastructuur betreft de instelling van
een instituut dat een krachtige brugfunctie vervult tussen niet alleen het onder-
zoek en de praktijk, maar ook tussen de universitaire onderzoeksinstituten
onderling en de universitaire en buiten-universitaire onderzoeksinstituten. De
Raad acht dit van groot belang, omdat samenwerking tussen de onderzoeksinsti-
tuten voor het terrein van onderzoek van cruciaal belang is. Taken die dit
instituut zou moeten vervullen betreffen het stimuleren en ondersteunen van
samenwerking tussen de betrokken kernen en instituten, het signaleren van
belangrijke (internationale) ontwikkelingen en lacunes in het onderzoek, en het
ontwikkelen van prioriteiten en posterioriteiten van (gezamenlijk) onderzoek.
Ook zou dit instituut een bijdrage moeten leveren aan het toegankelijk maken en
verspreiden van onderzoeksgegevens, het vertalen van onderzoeksresultaten in
richtlijnen voor de praktijk en het bevorderen van de kwaliteit van richtlijnen.
Voor het programma-onderdeel dat zich richt op het bevorderen van onderzoek
naar belangrijke thema’s geeft de Raad prioriteit aan onderzoek naar “doeltref-
fendheid en doelmatigheid van zorg” en “ontwikkeling en implementatie van
richtlijnen en evidence based practice”. Ook de onderwerpen “afstemming en
continuïteit van zorg”, “patiëntproblemen en hun determinanten” en “meten van
zorg” verdienen aandacht. De beoordeling en begeleiding van de onderzoeksaan-
vragen zouden onder de verantwoordelijkheid moeten vallen van een daartoe
ingestelde programma-commissie bij ZonMw. Deze commissie zou ook een
ondersteunende bijdrage kunnen leveren aan het stand komen van afspraken
tussen onderzoekers en intra- en extramurale zorginstellingen over de werkplaats-
functie van die instellingen. Voor de uitvoering van dit onderdeel wordt gedacht
aan een bottom-up onderzoeksprogramma voor een periode van acht jaar met een
maximumbedrag van in totaal 7,3 miljoen euro (16 miljoen gulden).
Daarnaast zal naar de mening van de Raad het onderzoek en de aansluiting ervan
op het onderzoek van de (para)medische en gezondheidswetenschappelijke
disciplines aanmerkelijk kunnen worden bevorderd door verruiming van de
mogelijkheden voor verpleegkundigen zich te scholen in het klinisch epidemiolo-
gisch onderzoek. De Raad adviseert ondersteuning van de initiatieven om een
landelijke Master-opleiding klinische epidemiologie op te zetten.
        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>SUMMARY
In The Netherlands, like in most of its surrounding countries, there is a growing
need for health care. Due to technological innovations and changes in the
organization of health care, both the nature and the extent of nursing care is
becoming more complex and performed at an advanced level.
An important result of all of this is the growing need for further professionalizati-
on of nursing care. Scientific research is one of the tools that can be used to
accomplish this.
In the present report, the Advisory Council on Health Research (Raad voor
Gezondheidsonderzoek - RGO) details its recommendations for research and
research infrastructure in the field of nursing and patient care.
The impetus for the advice was a letter, dated 23 June 2000, from the Minister
of Health, Welfare and Sport requesting the RGO to advise her about priorities
in nursing research. The minister asked the RGO to take account of such issues
as ‘the effectiveness and efficiency of nursing interventions’, ‘the role of nurses
and caregivers in the coordination of care’, and the implementation of research
results. Furthermore she asked the RGO to pay attention to the infrastructure of
scientific research and, as far as it is relevant, to the scientific training of nurses
and nursing researchers.
After a description of the applied methodology and a concise sketch of the
research areas in the first two chapters, the third chapter provides advice
regarding the infrastructure of nursing research. According to the Council, there
are a number of important bottlenecks that occur within the research infrastructu-
re.
One of these bottlenecks is the small numbers of staff in the research groups at
academic medical centres. Even at centres with a special group of researchers
focussing on nursing care, the number of researchers (and surely the number of
permanent staff) is often even too small to enable the proper performance of a
research programme. In some centres, only a very small number of (mutually
independent) research projects exists.
Another bottleneck in the research infrastructure is the limited access to in- and
outpatient care for research purposes. Even though all academic medical centres
also function as an environment for training and research, many nursing
researchers feel they have little opportunities to obtain access to patient care to
do research.
                                                                               7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Furthermore, as the greater part of research in the field of nursing is performed
by non-academic institutions, many nursing researchers do without an academic
environment that relates patient care to research and research training.
Another bottleneck is the lack of a formal alliance between nursing researchers
in the academic medical centres, and between these researchers and those from
non-academic research centres.
The Council discusses the requirements of research in chapter 4. In order to gain
an impression of the needs for research, an overview of activities in research and
implementation in the area of nursing and home care was used, as well as the
inventory of the requirements of research that the Health Research and
Development Council (ZON) performed in December 2000 as part of its research
programme entitled “Tussen weten en Doen” (Between Knowledge and Action).
The collected information suggests that, although nurses already have spent a
great deal of work in activities to rationalise their work, still little use is made of
the results of scientific research. On the other hand, there appears to be a great
shortage of research that can provide them with support. Given this shortage and
considering the research-expertise of the present research groups, the Council
thinks that research in effectiveness and efficiency of nursing care should be
promoted and given priority, as well as research that may contribute to the
development and implementation of guidelines and evidence based practice. In
addition, the Council holds the view that research into ‘harmonisation and
continuity of care’, ‘patient problems and their determinants’ and ‘measuring
care’ is important.
In chapter 5, the Council provides a concise discussion of the possibilities that
nurses have for training in scientific research. These possibilities are incomplete,
according to the Council, which holds the opinion that evidence based nursing
care requires a scientific attitude among nurses. Therefore, and in order to
promote the cooperation with other health care researchers, nurses should be
given more opportunities to receive a research training and nursing researchers
should be given more opportunities to receive training in clinical research.
Finally, in chapter 6, the Council summarises its findings and provides a number
of recommendations.
Research in the area of nursing is of great importance, however in its present
state inadequate to satisfy research needs. In order to stimulate research into
nursing, the Council proposes a programme that must arrange for both the
expansion of the research infrastructure and, related to it, the promotion of
important topics in the field of research as well. This programme should have a
        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>duration of eight years, which should be sufficient to redress deficiencies in
research.
As part of the programme that focusses on the expansion of research infrastructu-
re, the Council proposes three measures.
In the first place, research should be concentrated in those groups for research
in the field of nursing that can, in the short-term, meet a number of conditions.
These conditions include the presence of a permanent staff of scientific personnel
(the extent equivalent to at least 3 to 4 full time members), preferably under the
direction of a professor with a teaching commitment in the field of nursing care.
Moreover, these groups should bring their research in line with the research
programmes of the relevant academic medical centre; they should participate in
an academic research school and have access to and agreements with organisati-
ons for inpatient or outpatient care for conducting research. In order to further
research in these groups, fellowships (with a maximum of two per centre) with
a postdoctoral assignment for a period of eight years should be established for
promising researchers. According to the Council, funding of these fellowships
must be subject to the presence of a research and education plan, guidance from
senior researchers and the availability of agreements regarding the access to in-
or outpatient health care institutions for research purposes. The core sites that the
Council, in principle, found worthy of consideration are the research groups at
the Groningen University, the Utrecht University Medical Centre, the St
Radboud University Medical Centre, and the University of Maastricht. Assuming
two fellowships lasting for a period of eight years per core site, the cost of this
measure was estimated at a total of about Euro 4.6 million (approx. DFL 10.2
million).
As a second measure, the Council proposes to finance the steps the centres will
have to take to satisfy the above mentioned conditions. The Council is thinking
here of a supplementary subsidy for the costs of methodological training of
nursing researchers, extensions of temporary appointments for the completion
of a PhD thesis, and the development of a “research environment” in in- and
outpatient health care institutions. Funding of these activities should take the
form of a supplement on top of research subsidies acquired elsewhere. Assuming
a maximum available subsidy supplement of Euro 18 000 (DFL 40 000) per year
per centre, the costs of this item is estimated at a total of Euro 72 000 (DFL 160
000) per year.
The third measure for stimulating the infrastructure involves the establishment
of an organisation that will fulfil a powerful bridging function between not only
research and practice, but between the academic research groups themselves, and
between academic and non-academic research institutions as well. The Council
                                                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>attaches great importance to this, because the cooperation between the research
institutes is so crucially important to the area of research. The tasks of this
organisation involve the stimulation and support of cooperation between the
relevant groups and institutions, drawing attention to the important (internatio-
nal) developments and gaps in research, and the development of priorities and
posteriorities in (collective) research. The organisation should also make a
contribution to the accessibility and distribution of research results, the
translation of research results into the guidelines for practice, and the promotion
of the quality of the guidelines.
For that part of the programme that focuses on stimulation of research in general,
the Council gives priority to research on the ‘efficiency and effectiveness of
nursing care’ and the ‘development and implementation of guidelines based on
evidence based practice’. Other topics, such as ‘harmonisation and continuity of
care’, ‘patient problems and their determinants’ and ‘measuring care’ should also
be addressed.
The assessment and supervision of the research questions should fall under the
responsibility of a duly created programme committee with the Netherlands
Organisation for Health Research and Development (ZonMw) This committee
should also contribute to agreements between researchers and intramural and
extramural care institutions regarding the workplace function of these institutes.
A bottom-up research programme for a period of 8 years and a maximum cost
of Euro 7.3 million (DFL 16 million) is considered appropriate.
In the opinion of the Council, research in the field of nursing as well as its
relation with other health care research will be promoted by broadening the
opportunities for nurses to train themselves in clinical epidemiological research.
The Council therefore advises to support initiatives to establish for registered
nurses a nationwide programme “Master in clinical epidemiology”.
        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>1          OPZET
1.1        UITGANGSPUNTEN
Dit advies gaat over het onderzoek in het werkveld van twee beroepsgroepen: de
verpleegkundigen en de verzorgenden. In het onderzoek zijn in grote lijnen drie
onderwerpen te onderscheiden:
a.     onderzoek dat tot doel heeft het handelen van verpleegkundigen en
       verzorgenden, mede tegen de achtergrond van de behoefte aan hun zorg,
       te beschrijven, te verklaren of te evalueren,
b.     onderzoek naar de belemmerende en bevorderende factoren in de
       verspreiding en implementatie van onderzoeksresultaten, en
c.     onderzoek naar verpleegkundigen en verzorgenden als beroepsgroepen
       in de gezondheidszorg.
De Raad heeft ervoor gekozen zich in zijn advies hoofdzakelijk te richten op het
onderzoek zoals bedoeld onder ‘a’ en slechts zijdelings in te gaan op onderzoek
zoals bedoeld onder ‘b’. Hiertoe is besloten omdat de minister in haar adviesaan-
vraag de Raad uitdrukkelijk verzoekt rekening te houden met de toenemende
behoefte aan een nadere wetenschappelijke fundering van de zorgverlening door
verpleegkundigen en verzorgenden. Daarnaast is het onderzoek naar factoren die
de verspreiding en implementatie van onderzoeksresultaten belemmeren of
bevorderen pas echt relevant als het handelen van verpleegkundigen en
verzorgenden daadwerkelijk wetenschappelijk is onderzocht. Naar verpleegkun-
digen en verzorgenden als beroepsgroepen is en wordt naar de mening van de
Raad al veel onderzoek verricht. Dit behoeft op dit moment geen dringende
aanvulling. Hierbij zij nadrukkelijk aangetekend dat de wetenschappelijke
onderbouwing van het verpleegkundig en verzorgend han-delen ook zal
bijdragen aan een betere beeldvorming van het werk in deze sector.
Het onderwerp van dit advies kan dan ook als volgt worden gespecificeerd: het
onderzoek dat tot doel heeft de zorg die verpleegkundigen en verzorgenden verlenen
wetenschappelijk te funderen, dat zich richt op het handelen van verpleegkundigen en
verzorgenden en op de behoefte aan zorg van patiënten.
De minister gaf in haar adviesaanvraag aan over drie onderwerpen advies te
verwachten: onderzoeksthema’s die bij voorrang nader onderzoek behoeven
(prioriteiten van onderzoek), de infrastructuur van het wetenschappelijk
onderzoek en de wetenschappelijke opleiding van verpleegkundigen.
                                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Het eerstgenoemde onderwerp, prioriteiten van onderzoek, heeft betrekking op
het werkveld van verpleegkundigen èn verzorgenden. De vijf prioritaire thema’s
voor onderzoek die in hoofdstuk 5 worden genoemd betreffen dan ook
uitdrukkelijk het handelen van deze twee beroepsgroepen. Waar het advies
ingaat op de andere twee onderwerpen, de onderzoeksinfrastructuur (hoofdstuk
4) en de opleidingen voor wetenschappelijk onderzoek (hoofdstuk 6), heeft het
advies evenwel hoofdzakelijk betrekking op verpleegkundig onderzoek.
Ten aanzien van het verpleegkundig onderzoek tekent de Raad aan dat de
uitvoering ervan niet voorbehouden dient te zijn aan verpleegkundigen. Aan het
onderzoek zoals bedoeld in dit advies kan ook heel goed een bijdrage worden
geleverd door onderzoekers met een andere professionele achtergrond, zoals
epidemiologen en sociaal-wetenschappelijke onderzoekers. De Raad meent dat
met het oog op de kwaliteit van de zorgverlening multidisciplinair onderzoek
zelfs van groot belang is.
Er bestaan desondanks goede redenen verpleegkundigen zelf kennis en vaardig-
heden aan te reiken voor het ontwerpen en verrichten van wetenschappelijk
onderzoek. Algemeen wordt aangenomen dat onderzoeksbevindingen sneller
doordringen in de praktijk naarmate de desbetreffende beroepsgroep beter in
staat is de eigen waarnemingen en ervaringskennis systematisch te doordenken.1
Daar komt bij dat juist die professionals die praktijkervaring en onderzoekserva-
ring weten te combineren, de aangewezen personen zijn om de voor hun werk-
gebied relevante vraagstellingen te vertalen in te onderzoeken vraagstellingen.
Ook mag van verpleegkundigen worden verlangd dat zij ontwikkelingen in de
uitoefening van hun beroep adequaat en verantwoord tegemoet kunnen treden.2
Onderzoek naar het eigen handelen maakt hiervan wezenlijk onderdeel uit.
Voor verzorgenden geldt dat zij niet zozeer onderzoeksvaardigheden aangereikt
zouden moeten krijgen als wel de mogelijkheid bij onderzoek betrokken te raken.
De Raad is ervan overtuigd dat hun inbreng zowel het onderzoek op het terrein
van de verpleging en de verzorging als ook de verspreiding van de onderzoeks-
uitkomsten ten goede komt.
Hoewel in de adviezen van de Raad prioriteiten van onderzoek doorgaans het
uitgangspunt vormen voor advisering over de noodzakelijke onderzoeksinfra-
structuur en (eventueel) de vormgeving van de opleidingen, heeft de Raad
gemeend deze op zichzelf logische volgorde hier niet te moeten volgen. De
infrastructuur van onderzoek op het terrein van de verpleging en de verzorging
is duidelijk nog zo weinig ontwikkeld dat nu nauwelijks kan worden voldaan aan
de meest noodzakelijke voorwaarden voor verdere ontwikkeling. De Raad was
daarom van mening dat het verstandig is pas te kijken naar de onderwerpen die
nader onderzoek verdienen, als er enige garantie is dat aan de belangrijkste
         12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>voorwaarden voor onderzoek kan worden voldaan. Het is nodig te voorkomen
dat adviezen over inhoudelijke zaken niet kunnen worden uitgevoerd bij gebrek
aan voorwaarden om dat onderzoek ook te kunnen verrichten.
Daar speelde verder nog bij mee dat de minister, vlak na haar adviesaanvraag
aan de RGO, ZorgOnderzoek Nederland (ZON) heeft verzocht een tweejarig
onderzoeksprogramma in te richten voor onderzoek op het terrein van de
verpleging en de verzorging. Ten behoeve van dit programma “Tussen weten en
doen”, dat kan worden beschouwd als ‘voorloper’ van een eventueel later te
starten programma op basis van het RGO-advies, heeft ZON de betrokken
onderzoeksgroepen gevraagd naar behoefte aan en prioriteiten van onderzoek
binnen de thema’s ‘evidence-based handelen’ en ‘multidisciplinaire richtlijnen’ (zie
hoofdstuk 5). De Raad heeft de uitkomsten van deze inventarisatie betrokken bij
dit advies.
1.2        WERKWIJZE
Het advies is voorbereid door een commissie onder voorzitterschap van mevr.
dr. M. Mootz, bestaande uit de hoogleraren met een opdracht op het terrein van
het verpleegkundig onderzoek en een aantal externe deskundigen.
Om inzicht te krijgen in het huidige onderzoek (het onderzoeksaanbod) heeft de
commissie een inventarisatie uitgevoerd van het onderzoek bij de universitaire
onderzoeksgroepen en een aantal buitenuniversitaire onderzoeksinstituten.
Hierbij is gebruik gemaakt van een vragenlijst waarin werd geïnformeerd naar
de aanwezigheid van onderzoeksprogramma’s op het terrein van de verpleegkun-
de/verzorging, het aantal onderzoeksprojecten en de omvang van het onderzoek.
Aanvullend is bij de universitair medische centra gevraagd naar het aldaar
verrichte onderzoek.
Voor het bepalen van de prioriteiten van onderzoek is als volgt te werk gegaan.
Allereerst is gekeken naar de informatie die is verzameld ten behoeve van het
ZON-programma “Tussen Weten en Doen”. Met deze informatie is rekening
gehouden bij het formuleren van onderzoekprioriteiten, zowel om deze zoveel
mogelijk aan te laten sluiten bij dit thans lopende programma als om dubbel werk
te voorkomen.
Aanvullend is gekeken naar een recent door het Nederlands Instituut voor
Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL) uitgevoerde inventarisatie van
richtlijnen en protocollen in de verpleging en verzorging om een indruk te
krijgen van de mate waarin deze steunen op wetenschappelijk onderzoek en van
de noodzaak van verder onderzoek. Om te bezien in hoeverre het huidige
onderzoek hierop aansluit, is daarnaast óók gebruik gemaakt van een aantal
recente publicaties over verpleegkundig onderzoek.
                                                                          13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>14</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>2          KORTE        BESCHRIJVING VAN HET ONDERZOEKS-
           TERREIN
In 1998 zijn in de Nederlandse gezondheidszorg ca. 124.000 gediplomeerd
verpleegkundigen en 256.000 gediplomeerd verzorgenden werkzaam. Het
grootste deel hiervan (ca. een derde, waarvan het overgrote merendeel
verzorgenden) werkt in de thuiszorg; ruim een kwart werkt in de ouderenzorg,
een vijfde deel in de ziekenhuiszorg en ca. zes procent in een instelling voor
geestelijke gezondheidszorg.3
Zowel het werkveld als de inhoud van het werk van verpleegkundigen en
verzorgenden zijn in de afgelopen jaren sterk aan verandering onderhevig.
Diverse ontwikkelingen hebben hieraan bijgedragen.
Verplegen en verzorgen in de samenleving
Steeds meer mensen leven langer, maar ook steeds meer mensen zijn langer
ziek.4 Hierdoor, maar ook door het mondiger worden van patiënten en
technologische ontwikkelingen in de zorg, zullen de aard en de omvang van de
vraag naar gezondheidszorg sterk veranderen. 5, 6, 7 Zo zal de vraag naar zorg in
de komende jaren ongetwijfeld fors toenemen, volgens berekeningen van het
RIVM jaarlijks met circa 2,1%.8 Naast deze volumegroei zullen ook de reeds in
gang gezette verschuiving van zorg van intra- naar extramuraal, de toename van
het aantal behandelmogelijkheden en de intensivering van complexe zorg, de
komende jaren verder doorzetten.
Dit alles heeft gevolgen voor het werk van verpleegkundigen en verzorgenden.
In de eerste plaats zullen al op korte termijn veel méér verpleegkundigen en
verzorgenden nodig zijn, vooral in de gehandicaptenzorg, in de verpleeg- en
verzorgingshuizen en in de thuiszorg.9 Daarnaast zal ook een nog grotere
behoefte ontstaan aan gespecialiseerde hulp. De eerste tekenen hiervan zijn al
zichtbaar in de opkomst van advanced functies als de praktijkverpleegkundige, de
nurse practitioner en de verpleegkundige specialist. Ook de opdeling van de
verantwoordelijkheden van verpleegkundigen en verzorgenden naar verschillen-
de deskundigheidniveaus past in deze ontwikkeling, evenals de steeds nadrukke-
lijkere rol die verpleegkundigen innemen in het management van de zorg.
Verplegen en verzorgen als beroep
In voorgaande jaren is de positie en profilering van beide beroepsgroepen bij
herhaling onderwerp geweest van debat. Een belangrijk moment daarin vormde
het advies van de commissie Positiebepaling Beroep van Verplegende en
Verzorgende (commissie Werner, 1991) aan de minister van VWS (destijds
                                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>WVC). Na acties van verpleegkundigen en verzorgenden voor verbetering van
hun arbeidsomstandigheden in 1989 en 1990 formuleerde deze commissie 21
aanbevelingen ter verbetering van de arbeidsmarkt en arbeidsomstandigheden
en het onderwijs aan en de positionering van verpleegkundigen en verzorgenden
in ons land. Het advies leidde in 1993 onder meer tot de oprichting van het
Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging (LCVV). Met financiële steun van
de overheid kreeg dit centrum de taak wetenschap en praktijk dichter bij elkaar
te brengen, informatie te bieden voor de praktijk van verplegen en verzorgen,
specifieke beroepsorganisaties te ondersteunen en te functioneren als aanspreek-
punt voor de overheid en andere maatschappelijke organisaties. Daarnaast leidde
het advies tot het ontstaan van een samenhangend stelsel van verpleegkundige
en verzorgende beroepen en opleidingen.10 Ook de oprichting van verpleegkun-
dige en verzorgende adviesraden die - naar analogie van de medische staf - de
beroepsinhoudelijke inbreng van verpleegkundigen en verzorgenden in het
beleid en management van instellingen moeten waarborgen, vloeide min of meer
direct uit het advies van de commissie voort.
In 1995 verscheen van de commissie Verzorging het rapport “Zorg voor Zorg”,
waarin speciaal op de problemen op het gebied van de beroepsontwikkeling,
opleiding en werkdruk in de sector verzorging werd ingegaan. Op grond hiervan
werden aan de minister van VWS achttien aanbevelingen gedaan ter verbetering
van de positie en het imago van verzorgenden.11
Over het onderscheid in taken en functies van verpleegkundigen en verzorgen-
den adviseerde in 1990 de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NRV).12
Deze stelde dat het onderscheid tussen de twee beroepsgroepen vooral gelegen
is in de aanleiding van de hulpvraag: bij verzorgenden het door ziekte of
ouderdom ontstane onvermogen om huishoudelijke taken uit te voeren; bij
verpleegkundigen het bestaan van een of meer gezondheidsproblemen. De
kerntaken van verzorgenden zouden derhalve vooral bestaan uit de assistentie bij
huishoudelijke taken en algemeen dagelijkse levenstaken. De kerntaken van de
verpleegkundige zouden voortvloeien uit gezondheidsproblemen van de patiënt
en naast preventieve en voorlichtende activiteiten ook begeleidende, diagnosti-
sche en therapeutische activiteiten betreffen.
Het door de NRV aangegeven onderscheid werd in 1996 overgenomen door de
Commissie Kwalificatiestructuur die naar aanleiding van een indeling in vijf
kwalificatieniveaus een belangrijke rol heeft gespeeld in het verder vormgeven
aan het opleidingenstelsel in de verpleging en verzorging.10
Wanneer het gaat over de professionalisering van verpleegkundigen dient ook
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) te worden
genoemd. In deze wet wordt onder meer bepaald welke handelingen mogen
worden uitgevoerd door daartoe bevoegde beroepsbeoefenaren en op welke
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>terreinen van de gezondheidszorg de beoefenaar deskundig is. De wet regelt voor
verpleegkundigen verder de registratie, de mogelijkheden van specialisatie en het
tuchtrecht. De wet is van belang voor verpleegkundigen vanwege de erkenning
van de eigen deskundigheid en beroepsverantwoordelijkheid van deze beroeps-
groep.
In 2000 verscheen van de Raad voor de Volksgezondheid en zorg (RVZ) het
advies “Professionals in de zorg”, waarin de Raad antwoord tracht te geven op
de vraag welke vereisten veranderingen in de samenleving en de gezondheids-
zorg stellen aan artsen, verpleegkundigen en fysiotherapeuten. Op basis van zijn
bevindingen adviseerde de RVZ onder meer het wetenschappelijk onderzoek
binnen de verpleegkunde te stimuleren, meer aandacht te besteden aan de
inhoudelijke ontwikkelingen in het vak door middel van afspraken over richtlijn-
en protocolontwikkeling, en in het Besluit opleidingseisen verpleegkundige de eis
“methoden en technieken van wetenschappelijk onderzoek” toe te voegen.
Verplegen en verzorgen als terrein van onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de verpleging en de verzorging
wordt tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw gedomineerd door onderzoek met
een hoofdzakelijk sociaal-wetenschappelijke invalshoek. Het onderzoek betrof
voor een groot deel de verpleegkunde als professie. Zo werd er onderzoek
gedaan naar de professionele autonomie, de rol van verpleegkundigen in de
gezondheidszorg en de scholing van verpleegkundigen. Mede onder invloeden
uit de Verenigde Staten zochten verpleegkundigen vanaf het midden van de jaren
’60 steeds nadrukkelijker naar een eigen theorie van de verpleegkunde. Als
gevolg hiervan richtte het onderzoek zich toen sterk op modellen van verpleeg-
kundig handelen in een poging bij te dragen aan algemene theorieën van de
verpleegkunde. Gelijk opgaand met de belangstelling voor theorievorming
ontstond ook de wens tot een universitaire opleiding in de verpleegkunde.
Nederland liep daarin in vergelijking met veel landen om ons heen achter en een
universitaire studie zou, zo was de verwachting, een belangrijke bijdrage kunnen
leveren aan het verder tot ontwikkeling brengen van de verpleegkundige
dienstverlening en de gezondheidszorg in het algemeen. In 1980 werd aan de
toenmalige Rijksuniversiteit Limburg binnen de opleiding Gezondheidsweten-
schappen de afstudeerrichting Verplegingswetenschap opgericht. Later werden
hieraan vestigingsplaatsen bij de Rijksuniversiteit Groningen (1988) en de
Universiteit Utrecht (1990) toegevoegd.13
Het onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging in Nederland kan
globaal langs twee lijnen worden ingedeeld.14
                                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>De eerste lijn betreft de vraag of het object van studie het verzorgend en
verplegend handelen centraal stelt, of daarentegen de situatie, het proces dat zorg
of behandeling behoeft. Aan het ene uiterste van deze lijn vinden we dan
onderzoek naar verpleegkundige interventies (zoals interventies ter vermindering
van pijn), aan het andere uiterste onderzoek naar de gezondheidsproblemen of
zorgproblemen die interventie noodzakelijk maken, zoals het onderzoek naar de
(determinanten van) pijn zelf.
De tweede lijn waarlangs het onderzoek kan worden uitgezet betreft de
methodologische benadering. Deze lijn verloopt van een klinisch-epidemiologi-
sche invalshoek enerzijds naar een meer sociaal-wetenschappelijke invalshoek
anderzijds. Aan het ene uiterste is er handelingsgericht onderzoek met methoden
en technieken uit de (klinische) epidemiologie, aan het andere uiterste onderzoek
met een meer sociaal-wetenschappelijk karakter naar verpleegkundige zorg in
relatie tot de behoefte aan zorg van patiënten.
Figuur 1: Dimensies van onderzoek in de verpleging en de verzorging
                                beroepsmatig handelen
       epidemiologisch                                  sociaal-wetenschappelijk
                                    ziekteproces
Met behulp van deze twee lijnen kan het onderzoek verder worden getypeerd.
In het kwadrant rechtsonder bevindt zich het sociaal-wetenschappelijke
onderzoek dat een bijdrage tracht te leveren aan het ontwikkelen van ideeën en
hypothesen over verbetering van de zorg vanuit het perspectief van patiënten.
Het meer sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar de achtergronden en
theorieën van het beroepsmatig handelen van verpleegkundigen en verzorgenden
alsmede het onderzoek naar vraag- en aanbod problemen en de organisatie van
zorg, bevindt zich in het kwadrant daarboven. Linksboven kan het klinisch-
epidemiologisch onderzoek worden geplaatst dat is gericht op het leveren van
concrete, effectieve en doelmatige oplossingen voor de problemen van
verpleegkundigen en verzorgenden. Linksonder bevindt zich onder meer het
epidemiologisch onderzoek naar prevalentie en incidentie van ziekte en
stoornissen en hun determinanten.
        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>3           INFRASTRUCTUUR                VAN HET ONDERZOEK
Tot de infrastructuur van het onderzoek op het terrein van de verpleging en de
verzorging worden gerekend de universitaire- en buitenuniversitaire onderzoeks-
instituten en hun samenwerkingsverbanden, alsmede de financieringsstructuur
van het onderzoek.
In hoofdstuk 2 is al kort aangegeven waarom eerst wordt ingegaan op de
infrastructuur voordat advies wordt gegeven over onderwerpen die voor
onderzoek in aanmerking komen. Er zal eerst moeten worden voldaan aan een
aantal belangrijke infrastructurele voorwaarden voordat een zinvol advies kan
worden gegeven over inhoudelijke onderwerpen van onderzoek.
Na een overzicht van de belangrijkste onderzoeksinstituten, de omvang van het
onderzoek en meest dringende infrastructurele knelpunten formuleert de Raad
een aantal voorwaarden waaraan de infrastructuur zal moeten voldoen om het
onderzoek goed te kunnen uitvoeren.
3.1         ONDERZOEKSINSTITUTEN
3.1.1       UNIVERSITAIRE INSTITUTEN
Voor begrip van de universitaire situatie is het nodig te beseffen dat elke faculteit
één of meer instituten kan bezitten, of aan een of meer instituten kan deelnemen.
Een of meer instituten vormen als regel een door de Koninklijke Nederlandse
Akademie van Wetenschappen (KNAW) erkende onderzoeksschool waarin
enerzijds de opleiding van onderzoekers wordt geregeld en anderzijds de
kwaliteit en consistentie van het onderzoek in Nederland dient te worden
gewaarborgd. In het huidige universitaire bestel behoort ongeveer drie kwart van
de wetenschappelijke staf tot een onderzoeksschool. Behalve in een instituut kan
het onderzoek organisatorisch zijn ondergebracht in bijzondere universitaire of
facultaire instituten die geen onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan een
onderzoeksschool, of bij leden van facultaire afdelingen, departementen,
capaciteitsgroepen of vakgroepen. De vakgroepen, als beleidsbepalende eenheid
voor onderzoek en onderwijs, zijn uit de wet verdwenen. De bevoegdheid op dat
terrein ligt bij de faculteiten en instituten. Daarom gaat het bij onderbrengen in
een bijzonder universitair of facultair instituut om onderzoek van leden van een
afdeling, niet om onderzoek van de afdeling als zodanig, ook al regelt men dat
onderzoek gezamenlijk en in overleg met de hoogleraren van de afdeling.
Onderzoek vanuit afdelingen vindt gewoonlijk daar plaats of omdat het niet past
in de instituten en betrekkelijk klein van omvang is, of omdat het in ontwikkeling
is en streeft naar erkenning in een instituut en een school.
                                                                           19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Wat de verpleegkunde en verzorging als terrein van onderzoek betreft, bestaat
een gemengde situatie. Het onderzoek op het terrein van de verpleging en
verzorging in de Universiteit Maastricht, het AMC Amsterdam en UMCU is
ondergebracht in onderzoeksinstituten en onderzoeksscholen. Onderzoek in het
VUMC is deels in een onderzoeksschool (EMGO), deels bij leden van een
afdeling ondergebracht. In het UMC St Radboud wordt vanuit een aparte
facultaire afdeling gewerkt. In de universitair medische centra te Groningen,
Leiden en Rotterdam is het onderzoek ondergebracht in respectievelijk een
interfacultair instituut en bij leden van een afdeling.
Van 1980 tot 1999 was Verplegingswetenschap aan de Universiteit Maastricht
als onderdeel van Gezondheidswetenschappen ondergebracht in een afzonderlij-
ke vakgroep. Met drie andere groepen werd Verplegingswetenschap in 1999 een
sectie van een nieuwe capaciteitsgroepcluster Zorgwetenschappen. Het
onderzoek op het gebied van de verpleging en verzorging is voor het merendeel
ondergebracht in de samenwerkende onderzoeksinstituten HEALTH (Gezond-
heidswetenschappen) en ExTRa (Geneeskunde). Beide instituten maken deel uit
van de nationale onderzoeksschool CARE, die zich in het bijzonder op de
eerstelijns gezondheidszorg richt.15 Onderzoek op het terrein van de verpleging
en de verzorging is vertegenwoordigd in alle vier hoofdthema’s van CARE:
preventie en gezondheidsbevordering, chronische ziekten, doeltreffendheid van
interventies, en kwaliteit en organisatie van zorg. Ter bevordering van de
verplegingswetenschap is een deel van het onderzoek ook ondergebracht in het
Centre for Nursing Research (CNR) te Maastricht. Het onderzoek aldaar richt
zich op “pijn management bij kinderen en volwassenen”, “palliatieve zorg”,
“innovaties in de zorg bij chronische ziekten”, en “kwaliteit van zorg”.
De Universiteit Utrecht kent sinds 1990 de divisie Verplegingswetenschap. Het
onderzoek van de divisie richt zich op “zelfmanagement van de chronisch zieke”
en kan uitgesplitst worden in drie subthema’s: “leven met een chronische ziekte”;
“zelfmanagement van het therapeutisch regime”; “familiezorg”. Het onderzoek
is ondergebracht in de onderzoeksschool Psychology & Health.
In Nijmegen bestaat sinds 1996 de afdeling Verplegingswetenschap. Deze
afdeling is ondergebracht bij de capaciteitsgroep Huisarts-, Sociale en Verpleeg-
huisgeneeskunde van het Universitair Medische Centrum St Radboud, die
participeert in de onderzoekschool CARE. De afdeling kent twee onderzoekslij-
nen: “Zicht op Zorg” en “Interventies & Implementatie”. Het onderzoek van de
afdeling wordt vormgegeven vanuit de leerstoel “Verplegingswetenschap”. Naast
het onderzoek vanuit de afdeling Verplegingswetenschap worden door
medewerkers van het medisch centrum, de Hogeschool Arnhem en Nijmegen en
het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis verschillende onderzoeksprojecten
uitgevoerd.
        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De sectie Verplegingswetenschap van de disciplinegroep Gezondheidsweten-
schappen van de faculteit der Medische Wetenschappen te Groningen reorgani-
seert op het moment van het schrijven van dit advies het onderwijs en het
onderzoek op het terrein van de verpleging richting Zorgwetenschap. Vooralsnog
zijn twee zwaartepunten voor het onderzoek van de sectie Zorgwetenschap
geformuleerd: “Disease management” en “Assessment of health-related
functional status”. Beide zwaartepunten maken onderdeel uit van het onderzoeks-
programma “Public health and health services research” van het interfacultaire
onderzoeksinstituut Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken (RUG).
De faculteit participeert in de onderzoekschool NIHES.
De afdeling Klinische Epidemiologie en Biostatistiek (KEB) van het AMC te
Amsterdam kent sinds 1990 de opleiding “Klinische epidemiologie in de
verpleegkunde”. Deze opleiding is geen aparte verplegingswetenschappelijke
opleiding zoals in Groningen of Utrecht, maar leidt verpleegkundigen met een
geschikte vooropleiding op voor het multidisciplinair patiëntgebonden
onderzoek, onder verantwoordelijkheid van de verpleegafdelingen en de
onderzoeksinstituten.16 De opleiding wordt gegeven aan ervaren, praktiserend
verpleegkundigen. Een van de hoogleraren van de staf bezet de leerstoel
“Klinische epidemiologie in de verpleegkunde”. Al dan niet in het kader van deze
opleiding worden momenteel verspreid over het ziekenhuis verschillende
onderzoeksprojecten (ruim twintig projecten) uitgevoerd.
Toepast en strategisch onderzoek naar ziekte en gezondheid bij het Vrije
Universiteit Medisch Centrum Amsterdam is ondergebracht in het EMGO-
instituut, dat zich richt op ExTRa-muraal onderzoek. Het onderzoek aldaar is
onderverdeeld in vier programma’s: “Diabetes Mellitus”, “Aandoeningen van het
steun- en bewegingsapparaat”, “Common mental disorders”, en “Zorg en
preventie”. Het onderzoek dat niet thematisch is gecoördineerd en ondergebracht
bij het EMGO richt zich vooral op zorg en preventie. Daarnaast wordt door het
stafbureau op bescheiden schaal kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar effecten
van (transmurale) zorgcoördinatie bij complexe, chronische patiënten.
In het Leids Universitair Medisch Centrum is het verpleegkundig onderzoek in
ontwikkeling, en (nog) niet ondergebracht in een overkoepelend onderzoekspro-
gramma. De thema’s die worden onderzocht betreffen de patiëntenclassificatie,
de meting van de werklast van verpleegkundigen, en decubitus. In 2000 werden
negen onderzoeksprojecten uitgevoerd.
Het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam heeft geen aparte kern van onderzoek
op het terrein van de verpleging en verzorging. Het onderzoek vindt verspreid
over medewerkers van het centrum plaats. De onderzoeksprojecten (in 2000
twintig projecten) hebben vooral betrekking op palliatieve zorg, patiëntenvoor-
lichting, kosten-effectiviteit en decubitus.
                                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>3.1.2      BUITENUNIVERSITAIRE INSTITUTEN
De belangrijkste buitenuniversitaire instituten die onderzoek uitvoeren op het
terrein van de verpleging en verzorging zijn het Landelijk Centrum Verpleging
& Verzorging (LCVV), het NIVEL, het Nederlands Instituut voor Zorg en
welzijn (NIZW), het Trimbos Instituut (Ti), het Rijksinstituut voor Volksgezond-
heid en Milieu (RIVM) en TNO.17
Het onderzoek van het LCVV is vooral beleidsondersteunend en betreft
hoofdzakelijk (kortlopende) projecten gericht op actuele ontwikkelingen die van
belang zijn voor de positionering van verpleegkundigen en verzorgenden. Het
LCVV verzorgt in dit kader onder meer een databank met circa 3200 beschrij-
vingen van onderzoeks/-ontwikkelingsprojecten op het terrein van de verpleging
en de verzorging. Voor versterking van het wetenschappelijke onderzoek en de
implementatie van de onderzoeksresultaten is thans een wetenschappelijk
afdeling in oprichting.
Het onderzoek van het NIVEL kent een aantal deelterreinen, waaronder het
terrein “Verpleging en verzorging”. Hoofdthema’s van onderzoek betreffen
“Arbeidssatisfactie, werkdruk en functiedifferentiatie”, “Kwaliteit van zorg en
kwaliteit van leven”, “Indicatiestelling en bepaling van zorgbehoefte”, “Transmu-
rale verpleging” en “Palliatieve zorg”. Het NIVEL maakt onderdeel uit van de
onderzoeksscholen CARE en Psychology &Health.
De activiteiten van het NIZW betreffen vooral methodiekontwikkeling en
-begeleiding en zijn ondergebracht in vijf sectoren. Onderzoek op het terrein van
de zorg wordt hoofdzakelijk uitgevoerd binnen de sector “Zorgen en Verplegen”.
Hoofdlijnen van onderzoek die de verzorging betreffen zijn: “Richtlijnen
huishoudelijke zorg”, “Signalering en begeleiding”, en “Zorgprogramma’s”.
Hoofdlijnen op het terrein van de verpleging betreffen: “Competentie en
competentiemanagement”, “Zorgprogrammering”, “Vraaggerichte en belevings-
gerichte zorg” en “Richtlijnen COPD”. In het jaar 2000 werden tien onderzoeks-
projecten uitgevoerd.
TNO-Preventie en Gezondheid kent voor onderzoek op het terrein van de
verpleging en verzorging een thema “Medische hulpmiddelen en apparatuur ten
aanzien van verpleging en verzorging: ontwikkeling, evaluatie, beoordeling en
implementatie”.
Onderzoek op het terrein van de verpleging en de verzorging van het Trimbos
instituut, landelijk kenniscentrum op het gebied van de geestelijke
(volks)gezondheid, wordt uitgevoerd binnen de thema’s “Omgaan met ouderen
met dementie”, “Interdisciplinaire richtlijnen” en “Ontwikkeling zorgprogram-
ma’s”.
       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Tabel 1       Financiering en omvang wetenschappelijk personeel in de universitaire en
              buitenuniversitaire instituten zoals aangegeven door de instituten.
   Instituten                           Type geldstroom in          Wetenschappelijk
                                              procenten            personeel onderzoek
                                                                           in fte’s:
                                                                       vast (tijdelijk)
   Universitair                      1          2       3e + 4e
   AMC- KEB                         85                    15                  1,5
   RUG - afd.                       40                    60                  1,1
   Zorgwetenschap
   UMC St Radboud                   30                    70               1,8 (4,4)
   UM - ZW                          56         10         34              7,0 (11,7)
   UMCU - afd Verpl.wet.            60                    40               4,1 (10)
   VUMC *
   LUMC **
   EUR ***
   Buitenuniversitair
   NIVEL                            14         56         30                   9
   NIZW                             68          2         30                  4,8
   RIVM                             40         60                             11
   TNO                              30         20         50              13,5 (1,5)
   Trimbos instituut                50         40         10                   7
*
              In het VUMC wordt één project uitgevoerd in het kader van het CVZ/VAZ-
              programma en één onderzoeksproject wordt uitgevoerd door het EMGO.
**
              In het LUMC worden door medewerkers 9 onderzoeksprojecten uitgevoerd.
***
              In het Academisch Ziekenhuis Rotterdam worden 20 onderzoeksprojecten
              uitgevoerd door medewerkers van het ziekenhuis.
                                                                                  23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Het onderzoek op het terrein van de verpleging en de verzorging van het RIVM
vindt vooral plaats binnen het Centrum voor Zorgonderzoek. Dit centrum kent
drie onderzoekslijnen: “Verdelingsvraagstukken en toegankelijkheid van zorg”,
“Zorgprofielen en gepastheid van zorg” en “Doelmatigheid van interventies in
zorg en preventie”. Het onderzoek van het Centrum richt zich vooral op
chronisch zieken (vooral CVA, kanker, COPD, astma, RA en DM) en infectie-
ziekten. Onderzoek op het terrein van de verpleging en de verzorging (in 2000
vijf projecten) maakt deel uit van twee thema’s: “Zorgprofielen van chronisch
zieken”en “Informele zorg en professionele zorg”.
3.2         INFRASTRUCTURELE           KNELPUNTEN
In bovenstaande beschrijving van de infrastructuur van het onderzoek valt een
aantal zaken op.
Allereerst dat het aantal wetenschappelijk medewerkers dat beschikbaar is voor
onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging voor een niet
onaanzienlijk deel (meer dan de helft) werkzaam is in de buitenuniversitaire
instituten.
Bij de universitaire instituten valt verder op dat het aantal (vaste) onderzoeksme-
dewerkers per centrum over het algemeen zeer gering is en (met uitzondering
van de groep in Maastricht) nergens de 5 fte overstijgt. Een niet onaanzienlijk
deel van het onderzoek in de academische centra wordt bovendien verricht door
tijdelijk personeel, niet zelden in projectvorm en in het kader van een weten-
schappelijke promotie.
Voorts valt op dat onderzoekers binnen de universitair medische centra over het
algemeen op verschillende manieren zijn gelokaliseerd. Onderzoekers verrichten
hun onderzoek hetzij hoofdzakelijk vanuit een aparte kern voor verplegingswe-
tenschappelijk onderzoek (UMCU, UMC St Radboud), hetzij geïntegreerd
binnen een breder verband als Zorgwetenschappen (UM, EUR, RUG); hetzij
verspreid over verschillende lokaties binnen het universitair medisch centrum
(AMC, LUMC, VUMC). Maar ook al vindt het onderzoek plaats vanuit een
aparte kern of een breder verband als Zorgwetenschap, dan nog wordt, met
uitzondering van Utrecht, een relatief groot deel van het onderzoek uitgevoerd
in losstaande onderzoeksprojecten.
Opmerkelijk is ook dat de tweede geldstroom in de financiering van het
verpleegkundig onderzoek in de universitair medische centra betrekkelijk gering
is en in ieder geval aanzienlijk lager dan het landelijk gemiddelde van ongeveer
25%.18
Tegen de achtergrond van de toenemende specialisering van het verpleegkundig
handelen valt ook op dat drie van de vier leerstoelen een ‘generalistische’
        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>leeropdracht hebben. Alleen de Universiteit Utrecht kent een leerstoel op het
gebied van de thuiszorg. Leeropdrachten op specifieke terreinen van zorg, zoals
de psychiatrie, ontbreken. Evenzo ontbreken leeropdrachten op terreinen van
zorg die van oudsher voor een belangrijk deel door verpleegkundigen en
verzorgenden worden ingevuld, zoals de verpleeghuiszorg, de verstandelijk
gehandicaptenzorg en de ouderenzorg.
Samenvattend kan worden geconstateerd dat het overgrote deel van het
onderzoek buiten de academisch medische centra wordt uitgevoerd. Het
onderzoek binnen de academische centra is over het algemeen bescheiden van
omvang en versnipperd over verschillende onderzoeksthema’s. Op het
onderhavige terrein heeft zich nog geen solide onderzoeksinfrastructuur
ontwikkeld die afdoende voorziet in werkplaatsen (waarin onderwijs en
onderzoek enerzijds en patiëntenzorg anderzijds zijn geregeld) en structurele
samenwerking tussen de verschillende onderzoeksgroepen.
Het ontwikkelen van een dergelijke infrastructuur - dat bij voorkeur ook alle
academische centra omvat - zal ongetwijfeld enige jaren kosten. Vooralsnog is de
Raad van mening dat op de kortere termijn veel vooruitgang kan worden
geboekt door de komende vier tot acht jaar het onderzoek te concentreren in een
beperkt aantal onderzoekskernen, mits deze aan een aantal voorwaarden
voldoen.
In z’n algemeenheid geldt dat een dergelijke kern er blijk van moet geven
levensvatbaar te zijn. Dat wil zeggen dat deze in staat moet zijn een volwaardig
onderzoeksprogramma uit te voeren en - in ieder geval op termijn - zelfstandig
voor de benodigde (extra) middelen moet kunnen zorgen. Dit is naar het oordeel
van de Raad echter alleen te realiseren als een kern ten minste 3 à 4 fte’s vast
wetenschappelijk personeel beschikbaar heeft voor onderzoek. In een kern van
geringere omvang zal door het gebrek aan ‘kritische massa’ nauwelijks sprake
kunnen zijn van continuering en verdieping van onderzoek en de opbouw van
expertise op seniorniveau.19 Om op termijn levensvatbaar te zijn zullen deze
kernen verder in staat moeten zijn op de basisfinanciering aanvullende middelen
te betrekken uit de tweede en derde geldstroom. Dit betekent dat zij moeten
kunnen voldoen aan de eisen van goed wetenschappelijk onderzoek die de
intermediaire organisaties (ZonMw) en de fondsen stellen. Terzijde moet hierbij
worden opgemerkt dat uitbreiding van het aantal wetenschappelijke medewer-
kers louter met behulp van subsidie vanuit de tweede en derde geldstroom in
deze situatie maar ten dele soelaas biedt. De financiering van onderzoek door
fondsen is vaak gericht op een bepaalde ziekte of aandoening en is - evenals de
financiering uit de tweede geldstroom - van tijdelijke aard. Langer lopend
                                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>onderzoek en de vorming van wetenschappelijke expertise op seniorniveau
worden daardoor bemoeilijkt.
Een andere algemene voorwaarde waaraan de kernen dienen te voldoen betreft
de scholing en opleiding van de onderzoekers. Om te kunnen voldoen aan de
eisen van goed wetenschappelijk onderzoek beschouwt de Raad een continue
scholing en vorming van het onderzoekskader op seniorniveau noodzakelijk. In
het verlengde hiervan meent hij dat de kernen aangesloten zouden moeten zijn
bij een onderzoeksschool waarin jonge onderzoekers zich - zowel in de breedte
als in de diepte - in methoden en technieken van het wetenschappelijk onderzoek
kunnen bekwamen.
Onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging is voor een belangrijk
deel patiëntgebonden. Een voor dit veld meer specifieke voorwaarde is dat de
kernen van onderzoek toegang hebben tot instellingen die kunnen fungeren als
‘werkplaats’ voor onderzoek en opleiding. Aan deze werkplaatsen voor
onderzoek op het terrein van verpleging en verzorging ontbreekt het thans in
hoge mate. Hoewel er in de acht universitair medische centra in principe
werkplaatsen zijn voor verpleegkundig onderzoek, bestaan er grote verschillen
in de toegankelijkheid ervan voor onderzoekers. Werkplaatsen in andere intra-
en extramurale instellingen ontbreken vrijwel volledig. Hieruit vloeit voort dat
de kernen van onderzoek met intra- en extramurale zorginstellingen afspraken
zullen moeten maken over zaken als de toegang tot de zorg voor onderzoekers,
gezamenlijke registratiesystemen en de vergoeding van geleverde diensten en
prestaties, kwaliteit van zorg, e.d.
Een andere belangrijke voorwaarde is dat de kernen hun onderzoek uitvoeren
in lijn met het bij de desbetreffende faculteit lopende (para)medisch of gezond-
heidswetenschappelijk onderzoek. De Raad hecht hier groot belang aan omdat
samenwerking tussen verpleegkundig onderzoekers en (para)medisch-/gezond-
heidswetenschappelijk onderzoekers niet alleen een belangrijke bijdrage kan
leveren aan de kwaliteit van het verpleegkundig onderzoek, maar ook aan de
erkenning ervan door het (para)medisch veld.
Een punt van aandacht dat de Raad hier wil noemen betreft de samenwerking
tussen de kernen van onderzoek. Samenwerking tussen zowel de universitaire
centra onderling als tussen de universitaire centra en de buitenuniversitaire
instituten is essentieel voor het verder ontwikkelen van het onderzoek. Er zou
veel meer gestreefd moeten worden naar afstemming van onderzoek, samenwer-
king rond gemeenschappelijke thema’s en schaalvergroting door onderzoek op
verschillende centra (multi-centre trials). Het onderzoek zal op deze wijze veel
meer bijdragen aan verdieping en verbreding van kennis en de kansen op valide
onderzoeksresultaten vergroten. Om dit te bewerkstelligen acht de Raad dan ook
        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>een op nationaal niveau opererend intermediair instituut nodig dat hierin een
bevorderende en ondersteunende rol kan spelen.
3.3         CONCLUSIE
Het terrein van de verpleging en verzorging kent geen solide onderzoeksinfra-
structuur. Het onderzoek binnen de universitaire centra wordt verspreid en op
kleine schaal uitgevoerd door onderzoekers die zijn ondergebracht in aparte
onderzoekskernen, deels door onderzoekers van een afdeling Zorgwetenschap
en deels in losstaande onderzoeksprojecten. Ook schort het aan werkplaatsen
voor onderzoekers en de inbedding van het onderzoek in het zorgwetenschappe-
lijk en medisch onderzoek.
Hoewel het onderzoek naar het verplegend en verzorgend handelen op termijn
in alle universitair medische centra plaats zou moeten vinden, meent de Raad dat
veel vooruitgang kan worden geboekt als het onderzoek de komende jaren eerst
wordt geconcentreerd in herkenbare kernen van onderzoek. Deze kernen moeten
dan wel levensvatbaar zijn. Dat wil zeggen dat zij moeten beschikken over
voldoende ‘kritische massa’ om een onderzoekslijn ten uitvoer te kunnen
brengen, dat zij hun onderzoekers toegang moeten verlenen tot een onderzoeks-
school en dat zij met hun onderzoek dienen aan te sluiten bij de bestaande
(para)medisch/gezondheidswetenschappelijke onderzoekslijnen. Ook zullen de
kernen voor het onderzoek toegang moeten hebben tot de zorg.
Het universitaire en buitenuniversitaire onderzoek zou verder zo veel mogelijk
op elkaar afgestemd moeten worden. Voor het initiëren en begeleiden van de
samenwerking is naar de mening van de Raad een landelijk opererend bureau
nodig waarin de verschillende onderzoekskernen zijn vertegenwoordigd.
                                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>28</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>4          ONDERZOEK
In dit hoofdstuk geeft de Raad onderwerpen aan waarop het onderzoek zich de
komende jaren kan richten. Hiertoe heeft hij zich georiënteerd op overzichten
van activiteiten in onderzoek en implementatie op het terrein van de verpleging
en verzorging. Daarnaast is kennis genomen van de inventarisatie van de
behoeften aan onderzoek die ZON in december 2000 heeft uitgevoerd ten
behoeve van het ZON programma “Tussen Weten en Doen”.
4.1        UITGANGSPUNTEN
Bij het vaststellen van de prioriteiten van onderzoek heeft de Raad gemeend dat
problemen in de door verpleegkundigen en verzorgenden verleende zorg
uitgangspunt dienen te zijn. Richtinggevend zijn hierbij de frequentie van de
ziekte of aandoening, de door patiënten ervaren belasting, de kosten van de zorg,
de onzekerheid over het juiste gebruik van interventies en voorzieningen, en de
mate waarin onderzoeksresultaten van invloed zullen zijn op de zorg zelf.
Tegelijkertijd is de Raad van mening dat het de voorkeur verdient binnen deze
algemene uitgangspunten op hoofdlijnen te prioriteren. Dit voorkomt versnippe-
ring van het onderzoek, stelt onderzoekers in staat aansluiting te vinden bij
nieuwe of op handen zijnde ontwikkelingen in de verpleegkundige zorg en
verhoedt dat relevante vernieuwingen in de zorg niet voor onderzoek in
aanmerking zouden komen.
Bij het aanwijzen van prioriteiten zou verder zoveel mogelijk moeten worden
aangesloten bij de onderzoeksprogramma’s van de groepen die zich met
verpleegkundig onderzoek bezighouden. Het tot verdere ontwikkeling brengen
van de aldaar opgebouwde expertise heeft vooralsnog de voorkeur boven het
ontwikkelen van expertise op geheel nieuwe onderwerpen en onderzoekster-
reinen, gezien de toch al geringe omvang van de onderzoeksgroepen en de nog
in ontwikkeling zijnde onderzoeksprogramma’s.
4.2        VERPLEEGKUNDIG           ONDERZOEK IN     NEDERLAND
ZON-programma “Tussen Weten en Doen”.
Het in hoofdstuk 2 genoemde ZON-programma “Tussen Weten en Doen” richt
zich op onderzoek dat een wetenschappelijke basis dient te verschaffen voor het
handelen van verpleegkundigen en verzorgenden. Voor het programma is in
totaal ca. 1,8 miljoen euro (4 miljoen gulden) gereserveerd.
                                                                        29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Een deel van deze middelen (1,14 miljoen euro) is bedoeld voor projecten die
zijn gericht op het ontwikkelen en implementeren van richtlijnen en protocollen,
mits op het desbetreffende terrein voldoende wetenschappelijke kennis aanwezig
is om van evidence based richtlijnontwikkeling te kunnen spreken. In het
programma hebben - mede met het oog op deze voorwaarde - de volgende
onderwerpen prioriteit:
1.            vroegsignalering (van psychosen en depressies);
2.            basiszorg (voeding/vocht, decubitus, uitscheiding, temperatuur, etc.);
3.            vraaggerichte en belevingsgerichte zorg;
4.            vrijheidsbeperking (waaronder omgaan met agressie, separeerbeleid,
              omgaan met angst- en stemmingsstoornissen);
5.            verpleegtechnisch handelen, met de nadruk op medicatietoediening
              en taakverschuiving tussen artsen en verpleegkundigen;
6.            zelfmanagement van ziekte.
Een ander deel van de middelen (ca. 0,66 miljoen euro) is gereserveerd voor
zogeheten state of the art studies die beogen de stand van wetenschap op bepaalde
terreinen van de zorg door verpleegkundigen en verzorgenden te beschrijven. De
resultaten hiervan zullen worden gebruikt om te bepalen waar nader onderzoek
nodig is en waar reeds voldoende evidence aanwezig is om tot richtlijnontwikke-
ling te komen.
Ten behoeve van de state of the art studies zijn door ZON in samenwerking met
het LCVV de behoeften aan onderzoek geïnventariseerd. Samengevat doen zich
die op drie terreinen voor.
In de eerste plaats bestaat behoefte aan onderzoek naar de (effectiviteit van)
verpleegkundige zorg voor bepaalde groepen, vooral chronisch zieke patiënten
(hart-vaatziekten, COPD, kanker, Parkinson, MS, CVA, geriatrische patiënten,
patiënten met schizofrenie), van interventies ter bevordering van zelfmanagement
(van weer vooral de groep chronisch zieke patiënten) en naar een aantal
algemenere verpleegtechnische interventies rond wondverzorging, voeding en
de routinematige monitoring van vitale functies. Ook wordt een aantal ‘psychoso-
ciale’ interventies genoemd als terreinen waarop meer onderzoek nodig is.
Daarnaast bestaat behoefte aan onderzoek naar methoden om (kwaliteit van) zorg
en zorgbehoefte in kaart te brengen.
Tenslotte spreekt uit de inventarisatie de behoefte aan onderzoek naar de
kwaliteit en doelmatigheid van de organisatie en het systeem van de verpleegkun-
dige zorg voor het merendeel op het terrein van de chronische zorg. Genoemd
worden in dit kader vooral innovaties zoals de stroke-unit en de verpleegkundige
poli’s.
        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Protocollen en richtlijnen in de verpleging en de verzorging
Eind 1999 publiceerde het NIVEL het rapport “Inventarisatie en beoordeling
van bestaande richtlijnen en protocollen in de verpleging en verzorging”. Hierin
wordt verslag gedaan van een onderzoek naar de kwaliteit van richtlijnen en
protocollen voor het handelen van verpleegkundigen en verzorgenden, naar de
sectoren die erdoor worden bestreken en de wijze waarop deze worden
ontwikkeld.20
Slechts vier procent van de in totaal 683 onderzochte richtlijnen en protocollen
blijkt gebaseerd op een systematische beschouwing van gegevens van weten-
schappelijke onderzoek (evidence based). In verreweg de meeste gevallen zijn de
richtlijnen of protocollen gebaseerd op delphirondes of groepsconsensusmetho-
des. 21 Verder blijkt het merendeel van de richtlijnen en protocollen te worden
ontwikkeld in het algemeen ziekenhuis en de thuiszorg (bijlage 3). In de
verpleeghuiszorg en de psychiatrie en - in mindere mate - het ziekenhuis en de
verstandelijk gehandicaptenzorg hebben richtlijnen en protocollen voornamelijk
op zorginhoudelijke zaken betrekking. Die in de transmurale zorg - en in mindere
mate ook in de ziekenhuiszorg - hebben voor een belangrijk deel betrekking
hebben op organisatorische zaken. De thuiszorg ontwikkelt nogal wat richtlijnen
en protocollen over patiëntenvoorlichting. Wordt naar de categorie van zorg
gekeken, dan heeft in de categorie ‘zorg voor chronisch somatisch zieken’ bijna
twee derde van alle protocollen betrekking op organisatie. Die in de categorie
‘zorg voor geriatrische zorgvragers’ daarentegen hebben hoofdzakelijk betrekking
op de zorg zelf. Hoewel beide categorieën chronische patiënten betreffen, bestaat
in de zorg voor chronisch somatisch zieken kennelijk meer behoefte aan
richtlijnen over organisatorische zaken.
Onderzoek
In de afgelopen jaren zijn verschillende inventarisaties van onderzoek op het
terrein van de verpleging en verzorging, uitgevoerd.
In 1995 is op verzoek van het LCVV geïnventariseerd welk onderzoek in het
Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Verpleegkunde is gepubliceerd in de tien
voorafgaande jaren.22 Van de 142 artikelen in dit tijdschrift heeft iets minder dan
de helft betrekking op de directe zorg en het primaire proces en ruim een derde
op de management van zorg. De helft van de artikelen heeft betrekking op het
intramurale veld. De zorg met een somatisch zwaartepunt krijgt verreweg de
meeste aandacht (42%), aldus het overzicht.
In 1995 publiceert de Nationale Commissie Chronisch Zieken (NCCZ) een
overzicht van het Nederlandse onderzoek dat relevant is voor de verpleging van
chronisch zieken.23 Uit dit overzicht komt naar voren dat de meeste van de in
totaal 184 studies die werden uitgevoerd in de periode 1985-1993 exploratief en
                                                                           31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>beschrijvend van aard zijn. Een groot deel van het onderzoek heeft betrekking
op organisatorische aspecten van zorg, en wel met name de specialisatie van
functies (in vooral de thuiszorg). Studies over en evaluaties van verpleegkundige
interventies, alsmede studies naar de zorgbehoefte van patiënten blijken schaars.
Voor zover deze betrekking hebben op het verpleegkundig handelen of
verpleegkundige interventies, gaan ze vooral over instrumentontwikkeling.
In 1997 geeft het LCVV een overzicht van het onderzoek naar voor verpleegkun-
digen en verzorgenden relevant onderzoek dat wordt uitgevoerd op 27 universi-
taire en buitenuniversitaire onderzoeksinstituten/-groepen.24 Ruim een derde van
de circa 300 geïnventariseerde projecten bestaat uit ‘innovatie (ontwikkelings-)
projecten’, een kwart uit ‘beschrijvend/inventariserend onderzoek’, en een vijfde
uit evaluatie-onderzoek.25 Ten opzichte van de inventarisatie van de NCCZ
constateert het LCVV een voorzichtige verschuiving van ‘management-gericht’
onderzoek naar ‘klinisch’ onderzoek. Bij het laatste type onderzoek ligt de nadruk
op zaken als begeleiding, voorlichting en ondersteuning.
Ter voorbereiding op het advies heeft de Raad een inventarisatie op hoofdlijnen
van het onderzoek binnen de belangrijkste universitaire en buitenuniversitaire
instituten uitgevoerd (tabel 2).
In de afgelopen jaren heeft een verschuiving heeft plaatsgevonden van thema’s
die betrekking hebben op zorgprocessen in het algemeen naar thema’s die
betrekking hebben op het concrete handelen van verpleegkundigen en
verzorgenden. De nadruk lijkt in toenemende mate te liggen op klinisch-
epidemiologische benaderingswijzen.
Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat, hoewel effectiviteit en doelmatig-
heid van verpleegkundige interventies in veel onderzoeksprogramma’s is
opgenomen, de bijdrage van het onderzoek aan de ontwikkeling van verpleeg-
kundige richtlijnen tot dusverre zeer gering is. Dat neemt niet weg dat in een
beperkt aantal gevallen voldoende onderzoek voorhanden lijkt om op relatief
korte termijn tot richtlijnen te komen. Hiervoor zijn in het ZON-programma
“Tussen Weten en Doen” middelen gereserveerd evenals voor state of the art
studies die beogen de stand van wetenschap op terreinen van de zorg van
verpleegkundigen en verzorgenden in kaart te brengen. Dit advies dient ertoe het
ZON-programma in een meer algemeen kader in te bedden.
4.3         PRIORITEITEN      VAN ONDERZOEK.
Hoewel de evaluatie van het handelen van verpleegkundigen en verzorgenden
in de afgelopen jaren meer belangstelling krijgt, dekt het bestaande onderzoek
        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Tabel 2: Onderzoeksthema’s/-onderwerpen per instituut zoals aangegeven door de
          instituten
 Instituten                       Onderzoekthema’s/onderwerpen
 Universitair
 AMC Amsterdam- KEB               Richtlijnontwikkeling
                                  Klinimetrie
                                  Diagnostiek
 AZ Groningen                     Public health and Health Services Research
                                  Disease management
                                  Assessment of health-related functional status
 UMC St Radboud Nijmegen          Zicht op Zorg
                                  Interventies en Implementatie
 UM Maastricht                    Pijn en stressmanagement
                                  Decubitus*
                                  Palliatieve zorg
                                  Innovaties in de zorg bij chronische ziekten
                                  Drang en dwang in de psychiatrie
                                  Kwaliteit, continuïteit en samenhang in de
                                  thuiszorg
                                  Professionalisering en beroepsontwikkeling
                                  verpleegkundige beroepen
                                  Implementatie van richtlijnen en kennis
                                  Familiezorg, participatie en autonomie van
                                  patiënten
                                  Werkbeleving van verpleegkundigen en
                                  verzorgenden
                                  Beroepscodes, waarden en normen in de
                                  beroepspraktijk
 UMC Utrecht                      Zelfmanagement van ziekte
                                  Familiezorg
                                  Leven met een chronische ziekte
 VUMC Amsterdam                   Zorgcoördinatie voor chronisch patiënten
                                  Preventie
 UMC Leiden                       Patiëntenclassificatie
                                  Werklastmeting
                                  Landelijke prevalentie decubitus onderzoek
 EMC Rotterdam                    Palliatieve zorg
                                  Patiëntenvoorlichting
                                  Kosten-effectiviteit
                                  Decubitus
                                                                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  Instituten                           Onderzoekthema’s/onderwerpen
  Buitenuniversitair
  NIVEL                                Arbeidssatisfactie, werkdruk en functie-
                                       differentiatie
                                       Kwaliteit van zorg en kwaliteit van leven
                                       Indicatiestelling en bepalen van zorgbehoefte
                                       Transmurale verpleging
                                       Palliatieve Zorg
  NIZW                                 Verzorging
                                       -       Richtlijnen huishoudelijke zorg
                                       -       Signalering en begeleiding
                                       -       Zorgprogramma’s
                                       Verpleging
                                       -       Competentie/ competentiemanagement
                                       -       Zorgprogrammering
                                       -       Vraaggerichte en belevingsgerichte zorg
                                       -       Richtlijnen COPD
  RIVM                                 Verdelingsvraagstukken en toegankelijkheid
                                       van zorg
                                       Zorgprofielen en gepastheid van zorg
                                       Doelmatigheid van interventies in zorg en
                                       preventie.
  TNO                                  Medische hulpmiddelen verpleging en
                                       verzorging: ontwikkeling, evaluatie,
                                       beoordeling en implementatie
  Trimbosinstituut                     Omgaan met ouderen met dementie
*
  Coördinatie van het landelijke programma “Prevalentie-onderzoek Decubitus”.
nog geenszins de behoefte aan evaluatie-onderzoek. Er bestaat vooral behoefte
aan onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van interventies door
verpleegkundigen en verzorgenden en aan onderzoek naar de kwaliteit van zorg
en zorgbehoeften.
Daarnaast blijkt dat onder verzorgenden en verpleegkundigen weliswaar een
grote bereidheid bestaat hun handelen te rationaliseren met behulp van
richtlijnen en protocollen, maar dat hierbij nog weinig gebruik wordt gemaakt
van resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Tegen deze achtergrond en de
aan het begin van dit hoofdstuk geformuleerde uitgangspunten kunnen de
volgende onderwerpen voor het onderzoek op het terrein van de verpleging en
verzorging worden geformuleerd. Opgemerkt moet worden dat het hierbij gaat
om hoofdlijnen en dat deze prioriteiten elkaar deels overlappen, omdat elk
afzonderlijk het benodigde onderzoek vanuit een iets andere invalshoek belicht.
         34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>4.3.1      AFSTEMMING EN CONTINUÏTEIT VAN ZORG
Het toenemend aantal medische mogelijkheden, een vergrijzende bevolking en
een toenemend aantal chronisch zieken dragen ertoe bij dat steeds vaker een
breed spectrum van vaak langdurige zorg wordt aangeboden die het klassieke
onderscheid tussen cure en care , ‘eerste en tweede lijn’ en ‘professionele en
informele zorg’ doorsnijdt. Een belangrijk probleem dat zich hierbij voordoet is
samen te vatten onder de noemer ‘afstemming en continuïteit van zorg’ en speelt
zich af op twee vlakken: de organisatie van de zorg en de aansluiting van het
zorgaanbod op de zorgvraag.
Wat het eerste betreft verdient het aanbeveling onderzoek te verrichten naar
innovaties in de organisatie van de zorg die een bijdrage kunnen leveren aan een
betere samenhang en coördinatie tussen de diverse disciplines en voorzieningen.
Hierbij kan niet alleen gedacht worden aan onderzoek dat bijdraagt aan de
ontwikkeling en toetsing van modellen van geïntegreerde zorg (zoals disease- en
disability management), maar ook aan onderzoek naar de doelmatigheid en de
kwaliteit van afzonderlijke innovaties, zoals stroke-units en nieuwe functies voor
verpleegkundigen (o.a. praktijkverpleegkundige, advanced nurse).
Wat het tweede betreft, is onderzoek nodig naar de wijze waarop zorgaanbod en
zorgbehoefte kunnen worden vastgelegd. Tegen de achtergrond van het streven
naar meer ‘zorg op maat’ verdient het aanbeveling na te gaan op welke wijze de
zorg kan aansluiten op de zorgbehoefte vanuit het perspectief van zowel de
patiënt als de professional. Pogingen om hierin te voorzien, zoals door middel
van zorgprofielen (clinical pathways) en verpleegkundige zorgprogramma’s,
verdienen nadere toetsing die zelfs kan leiden tot herziening van de organisatie
en de inhoud van de zorg.
4.3.2      DOELTREFFENDHEID EN DOELMATIGHEID VAN ZORG
Tot op heden worden nieuwe en bestaande interventies van verpleegkundigen
en verzorgenden zelden in een breder kader geëvalueerd in termen van
doeltreffendheid en doelmatigheid. Dergelijk onderzoek verdient evenwel hoge
prioriteit. Onderwerpen die de Raad daarvoor in aanmerking vindt komen
kunnen niet alleen afzonderlijke interventies betreffen, gericht op bijvoorbeeld
wondverzorging, voeding, routinematige monitoring of het bestrijden van
symptomen, maar ook gehele zorgprogramma’s. Aan de evaluatie van zorgpro-
gramma’s bestaat juist in de psychiatrische hulpverlening, de hulpverlening aan
verstandelijk gehandicapten en de preventieve zorg (de gezondheidsvoorlichting
en opvoeding) grote behoefte.
                                                                         35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>4.3.3      PATIËNTPROBLEMEN EN HUN DETERMINANTEN
Zorg van verpleegkundigen en verzorgenden kan alleen doeltreffend en
doelmatig zijn als de problemen waaraan tegemoet gekomen moet worden, goed
in beeld zijn gebracht: de incidentie en prevalentie ervan, de oorzaken, de
bevorderende factoren, de perceptie van de cliënt van de problemen en van de
mogelijke oplossingen. Zorg op maat veronderstelt dat cliënten díe zorg gegeven
wordt die nodig is om de kwaliteit van leven in stand te houden.
Efficiënte zorg veronderstelt dat zorg gedifferentieerd wordt overeenkomstig de
behoeften. Identificatie van risicopatiënten en van cliënten voor wie de gebrui-
kelijke zorg niet tot de verwachte uitkomsten leidt moet een grote prioriteit
krijgen. Hieronder valt ook het onderzoek naar efficiënte zorg voor personen met
een allochtone achtergrond.
4.3.4      METEN VAN ZORG
Teneinde te kunnen bepalen of de zorg van verpleegkundigen en verzorgenden
daadwerkelijk werkzaam en doelmatig is zijn adequate (meet)technieken nodig.
Op dit terrein is nog veel onderzoek noodzakelijk, uiteenlopend van onderzoek
naar meetinstrumenten om gezondheidswinst en doeltreffendheid van verpleeg-
kundige interventies/programma’s te achterhalen tot aan onderzoek naar de wijze
waarop de kwaliteit van zorg in kaart kan worden gebracht. Een van de
problemen die zich hierbij voordoet is dat - om uitkomsten van de zorg adequaat
te kunnen meten - niet altijd gebruik kan worden gemaakt van het bestaande
instrumentarium.
4.3.5      O NTWIKKELING        EN IMPLEMENTATIE VAN RICHTLIJNEN EN
           EVIDENCE BASED PRACTICE
Richtlijnen ondersteunen het streven naar een evidence based zorgverlening. Het
terrein van de verpleging en verzorging loopt hier achter bij andere professionals
in de gezondheidszorg. Tot dusver is evenwel weinig onderzoek verricht naar
methoden ter bevordering van de verspreiding en implementatie van richtlijnen
in de verpleging en verzorging. Dergelijk onderzoek is echter wel hard nodig. In
het bijzonder zou onderzoek moeten worden gedaan naar methoden van
disseminatie en implementatie die bruikbaar zijn in een veld met een geringe
wetenschappelijke traditie, zoals het aanbieden van cursussen, e.d. Hierbij zou
kunnen worden voortgebouwd op de door ZON verrichte studie “Effectieve
Implementatie: theorieën en strategieën”. De implementatie van op onderzoek
gesteunde vernieuwingen in de zorg kan aanleiding geven tot studie van
implementatievraagstukken, die een bredere betekenis kunnen krijgen.
        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>5          OPLEIDINGSMO GEL IJ K HEDEN                   VOOR VERPLEEG-
           KUNDIG ONDERZOEKERS
5.1.       DE  OPLEIDING VAN VERZORGENDEN EN VERPLEEGKUNDI-
           GEN
In 1997 zijn de opleidingen voor verzorgenden en verpleegkundigen onderge-
bracht in een nieuw stelsel. Dit stelsel kent drie opleidingen op MBO-niveau
(secundair beroepsonderwijs, vallend onder de Wet Educatie en Beroepsonder-
wijs), één HBO-opleiding en één wetenschappelijke opleiding, beide vallend
onder de Wet op het Hoger Beroepsonderwijs en Wetenschappelijk onderzoek.
Omdat met de invoering van de Wet BIG (december 1995) de verantwoordelijk-
heid voor de vervolgopleidingen op HBO-niveau bij de beroepsgroepen zelf is
komen te liggen, hebben de Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), de Vereniging
van Academische Ziekenhuizen (VAZ) en de beroepsorganisaties hiervoor een
gezamenlijke regeling getroffen. Deze houdt in dat ziekenhuizen, in samenwer-
king met een intern of extern opleidingsinstituut, een of meer vervolgopleidingen
kunnen verzorgen, mits zij voldoen aan een aantal voorwaarden. Onder de
regeling vallen de erkenning van de vervolgopleidingen tot Intensive Care
Verpleegkundige; Intensive Care Kinderverpleegkundige; Intensive Care
Neonatologie; Verpleegkundige; Kinderverpleegkundige; Obstetrisch en
Gynaecologisch Verpleegkundige; Oncologie Verpleegkundige en Dialyse
Verpleegkundige.
Naast deze vervolgopleidingen bestaan er verschillende post-HBO opleidingen,
zoals de opleidingen “Verpleegkundig Specialist” (Utrecht), “Advanced Nursing
Practice” (Nijmegen) en de Master-opleidingen “Master Advanced Nursing
Practice” (Utrecht), “Master of Arts in Health” (Eindhoven), “Master of Science
Degree in Nursing” (Utrecht) en de Mastersopleiding Verpleegkunde en
Paramedische beroepen (Advanced Nursing Practice) (Arnhem/Nijmegen).
De afdeling KEB van het AMC tenslotte biedt aan ervaren klinisch verpleegkun-
digen sinds 1990 een onderzoeksopleiding “Klinische epidemiologie voor
verpleegkundigen”.
5.2        VERPLEGINGSWETENSCHAP              IN  NEDERLAND
In 1980 verleende de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen
goedkeuring voor oprichting van de studierichting “Sociale Gezondheidkunde”
aan de Universiteit Maastricht (toen nog de Rijksuniversiteit Limburg). Een van
de drie afstudeerrichtingen hierbinnen was de vierjarige opleiding Verplegings-
                                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>wetenschap. Deze voltijdse afstudeerrichting stond open voor studenten met een
VWO-diploma.
Samenwerking tussen de universiteiten van Maastricht, Utrecht en Groningen
(het zogeheten MUG-verband) leidde in 1990 aan de drie universiteiten tot een
driejarig doctoraalprogramma Verplegingswetenschap in deeltijd voor HBO-
opgeleide verpleegkundigen. HBO-verpleegkundigen konden hierdoor
Verplegingswetenschap studeren in Groningen, Utrecht of Maastricht, terwijl zij
officieel ingeschreven waren in Maastricht. Het aantal studenten dat van deze
deeltijdvariant gebruik maakte liep na een aantal jaren evenwel sterk terug.
Omdat de verdeling van de middelen geen gelijke tred hield met de verdeling
van het aantal studenten en men ook inhoudelijk een andere koers wilde varen,
is de Universiteit Utrecht in 1999 begonnen met een eigen deeltijdopleiding
Verplegingswetenschap met twee afstudeervarianten: “Verplegingswetenschap-
pelijke praktijkvoering” en “Management van verpleegkundige zorg”.
In datzelfde jaar werd in Maastricht, om organisatorische en bestuurlijke redenen,
de afzonderlijke capaciteitsgroep “Verplegingswetenschap” en daarmee het
onderzoek en het onderwijs op dit terrein, geïntegreerd in de afstudeerrichting
Zorgwetenschap.26 De discipline Verplegingswetenschap komt in deze afstudeer-
richting aan de orde.
Een en ander betekent dat Verplegingswetenschap als zelfstandige opleiding in
Nederland thans alleen nog bestaat als driejarige deeltijdopleiding aan de
Rijksuniversiteit Groningen (in samenwerking met Maastricht) en als drie- of
vierjarige deeltijdopleiding aan de Universiteit Utrecht. In 2000 studeerden in
totaal ca. 25 studenten aan de opleiding in Groningen en stonden 200 studenten
ingeschreven bij de studie Verplegingswetenschap in Utrecht.
In totaal zijn thans ongeveer 1600 verpleegkundigen afgestudeerd in de
Verplegingswetenschap. Het aantal gepromoveerde verplegingswetenschappers
loopt tegen de veertig.
5.3         OPLEIDING     TOT ONDERZOEKER
Er bestaat op dit moment een aantal mogelijkheden voor verpleegkundigen om
zich te bekwamen in het onderzoek op het terrein van de verpleging en de
verzorging.
Verpleegkundigen van het AMC met een vooropleiding op HBO-niveau kunnen
terecht bij het AMC voor de opleiding “Klinische epidemiologie voor verpleeg-
kundigen”. Op het moment van het schrijven van dit advies bestaan er plannen
deze cursus in de vorm van een Master-opleiding landelijk aan te bieden. Verder
kunnen verpleegkundigen terecht bij Verplegingswetenschap te Groningen en
Utrecht en bij de afstudeerrichting Zorgwetenschap te Maastricht. Op post-
        38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>doctoraal niveau kunnen verpleegkundigen met een wetenschappelijke opleiding
verder terecht bij de opleidingen van het NIHES en het EMGO.
5.4       CONCLUSIE
Vanwege het belang van een meer wetenschappelijke attitude onder verpleeg-
kundigen en het streven naar een meer door wetenschappelijk onderzoek
gesteunde zorg vindt de Raad verruiming van de mogelijkheden om ‘in te
stromen’ in het onderzoek wenselijk. Daarnaast is het wenselijk dat verplegings-
wetenschappers die werkzaam zijn als onderzoeker zich verder als klinisch
onderzoeker kunnen scholen. De aanbevelingen hieromtrent zijn in het volgende
hoofdstuk opgenomen.
                                                                       39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>40</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>6          CONCLUSIES          EN  AANBEVELINGEN
In dit hoofdstuk worden de bevindingen van de Raad nog eens beknopt
samengevat en neergelegd in een aantal aanbevelingen. Tevens wordt ingegaan
op de vraag van de minister of het Nederlandse onderzoek op het terrein van de
verpleging en verzorging toereikend is.
In hoofdstuk 2 is een aantal maatschappelijk ontwikkelingen geschetst met
belangrijke consequenties voor aard en omvang van de door verpleegkundigen
en verzorgenden verleende zorg. Deze ontwikkelingen maken duidelijk dat de
verdere professionalisering van deze zorg van eminent belang is. Een van de
instrumenten daarbij is de wetenschappelijke fundering van het eigen handelen.
De huidige personele formatie binnen de universitair medische centra die is
vrijgemaakt voor onderzoek blijkt over het algemeen gering en is naar de mening
van de Raad zeer zeker ontoereikend om volledig in de behoefte aan onderzoek
te voorzien. Om de wetenschappelijke onderbouwing van het handelen van
verpleegkundigen en verzorgenden verder mogelijk te maken, is uitbreiding van
onderzoeksformatie noodzakelijk. Universitaire en buitenuniversitaire onderzoe-
kers zullen daarnaast meer moeten samenwerken om verdere versnippering van
het onderzoek te voorkomen. Verruiming van de opleidingsmogelijkheden in het
onderzoek bevordert naar de mening van de Raad de samenwerking met andere
onderzoekers en de verspreiding van een wetenschappelijke attitude onder
verpleegkundigen.
Er zijn goede redenen op termijn in alle universitair medische centra het
onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging tot ontwikkeling te
brengen, ongeacht de wijze waarop dit onderzoek is ondergebracht. De Raad
meent evenwel dat het onderzoek voorlopig het beste kan worden gestimuleerd
door het de komende jaren te concentreren in dìe kernen die al aan een aantal
van de door de Raad gestelde voorwaarden kunnen voldoen en waarin de
voorwaarden voor een levensvatbare onderzoeksinfrastructuur op korte termijn
aanzienlijk verbeterd kunnen worden. Slagen deze kernen er in met hun
onderzoek een wezenlijke bijdrage te leveren aan de verbetering van de zorg, dan
kan dit een stimulans zijn voor het tot verdere ontwikkeling brengen van het
onderzoek in de andere universitair medische centra.
Tot die voorwaarden rekent de Raad de aanwezigheid van een vaste staf van
wetenschappelijk personeel met een omvang van tenminste 3 à 4 fte, bij voorkeur
onder leiding van een hoogleraar met een leeropdracht op het gebied van de zorg
van verpleegkundigen en verzorgenden. Een dergelijke omvang is, zoals de Raad
                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>ook al in eerdere adviezen heeft aangegeven, minimaal noodzakelijk om een
onderzoeksprogramma adequaat te kunnen uitvoeren.
Een andere voorwaarde is dat het onderzoek van de afzonderlijke kernen waar
mogelijk is afgestemd op de onderzoekslijnen van het desbetreffende universitair
medisch centrum. Samenwerking tussen verpleegkundig onderzoekers en
onderzoekers uit (para)medische en gezondheidswetenschappelijke disciplines zal
een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de kwaliteit van het onderzoek en
aan de erkenning ervan door het veld.
Hiermee samenhangend is continue scholing en opleiding van het onderzoekska-
der van groot belang. De kernen zullen daarom volgens de Raad moeten
deelnemen aan een van de bestaande onderzoekscholen, teneinde hun onder-
zoekers in de gelegenheid te stellen zich verder te bekwamen in de verschillende
methoden en technieken van het wetenschappelijk onderzoek.
Nog een voorwaarde voor de onderzoekskernen is tenslotte dat zij voor het doen
van onderzoek toegang hebben tot zorginstellingen, c.q. de aanwezigheid van
‘werkplaatsen’. De kernen zullen, met andere woorden, afspraken moeten maken
met afdelingen van algemene, categoriale ziekenhuizen, verpleeghuizen,
instellingen voor thuiszorg, voor geestelijke gezondheidszorg, en instellingen
voor gehandicaptenzorg over onder meer de zeggenschap over onderzoekspro-
jecten, de vergoeding voor werkzaamheden in het kader van het onderzoek en
de kwaliteit van de onderzochte zorg.
De Raad is van mening dat het onderzoek in belangrijke mate zal worden
bevorderd door middel van een stimuleringsprogramma voor onderzoek op het
terrein van de verpleging en verzorging. Zo’n programma zou zich moeten
richten op twee zaken:
a. het uitbouwen van de onderzoeksinfrastructuur en, daarmee samenhangend,
b. het bevorderen van onderzoek naar de in hoofdstuk 5 genoemde thema’s.
Het programma zou, gezien eerdere ervaringen met onder andere de Program-
macoördinatie commissie Aidsonderzoek en het RGO-advies over GGZ, een
looptijd moeten krijgen van acht jaar. Deze periode zou in principe voldoende
moeten zijn om de achterstand van het onderzoek op het terrein van de
verpleging en verzorging in te lopen.
Daarnaast zal naar de mening van de Raad het onderzoek in het algemeen, maar
vooral ook de aansluiting ervan op het huidige onderzoek van de (para)medische
en gezondheidswetenschappelijke disciplines, aanmerkelijk worden bevorderd
door verruiming van de mogelijkheden zich te scholen in het klinisch epidemio-
logisch onderzoek.
        42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Ad a: Infrastructuur
Voor het uitbouwen van de infrastructuur van het onderzoek denkt de Raad aan
drie maatregelen.
Veelbelovende, al dan niet gepromoveerde onderzoekers van bovengenoemde
kernen zouden een aantal jaren in de gelegenheid gesteld moeten worden hun
wetenschappelijk werk op een bepaald terrein van onderzoek voort te zetten om
hun expertise in het onderzoek op dat terrein verder uit te bouwen. De Raad
denkt hierbij aan onderzoekers die over bewezen kwaliteiten in het wetenschap-
pelijk onderzoek beschikken - blijkend uit bijvoorbeeld met veel succes
afgeronde onderzoeksprojecten - maar die nog niet over een ruime postdoctorale
onderzoekservaring beschikken. De eerste maatregel die de Raad dan ook bepleit
is de financiering van fellowships in die kernen van onderzoek die - mede met de
hier voorgestelde maatregel - op korte termijn aan de hierboven geformuleerde
condities kunnen voldoen. Bij deze fellowships kan worden gedacht aan
veelbelovende onderzoekers met een postdoctorale onderzoeksopdracht die ook
in staat geacht kunnen worden na verloop van tijd junior onderzoekers te
begeleiden. De financiering ervan, voor een periode van acht jaar en een
maximum van twee onderzoekers per onderzoekskern, zou volgens de Raad
verder gebonden moeten zijn aan de aanwezigheid van een onderzoek- en
opleidingsplan waarin nauwkeurig is vastgelegd welk onderzoek zal worden
verricht en welke cursussen en opleidingen zullen worden gevolgd. De Raad acht
het van bijzonder groot belang dat deze fellow door een of meer senior-
onderzoekers wordt begeleid, eventueel door een ervaren senior-onderzoeker
van buiten de eigen onderzoekskern. Het onderzoek zal verder moeten passen
binnen de onderzoeksthema’s zoals beschreven in hoofdstuk 5. De financiering
zal bovendien gebonden moeten zijn aan de aanwezigheid van afspraken over de
werkplaatsfunctie van betrokken zorginstellingen.
Kernen die de Raad hiervoor in aanmerking vindt komen zijn de onderzoeks-
groepen aan het AMC, UMC St Radboud, het UMCU, RUG, en UM. Hierbij
wordt opgemerkt dat het AMC te kennen heeft gegeven de komende jaren
prioriteit te geven aan de verdere ontwikkeling van zijn opleiding voor
verpleegkundig onderzoekers. Uitgaande van twee fellows per kern gedurende
een periode van acht jaar kunnen de kosten van deze aanbeveling worden
begroot op in totaal ruim 4,6 miljoen euro (ca. 10,2 miljoen gulden).27 Overigens
heeft de Raad overwogen of bij de financiering van de fellowships ook rekening
gehouden dient te worden met een verdeling naar onderzoeksprioriteiten. Gezien
de ervaringen met het programma Revalidatieonderzoek is besloten hiervan af
te zien.
Ook de tweede maatregel heeft ten doel de onderzoeksinfrastructuur te
stimuleren. De genoemde onderzoekskernen zouden in staat moeten worden
                                                                         43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>gesteld aanvullende activiteiten te ontwikkelen om de eerder genoemde
voorwaarden optimaal te vervullen. Hierbij kan worden gedacht aan tegemoetko-
mingen voor de kosten van methodologische scholing van verpleegkundig
onderzoekers, verlenging van een tijdelijke aanstelling voor afronding van een
promotie, het ontwikkelen van werkplaatsen en de activiteiten die met de
academisering van het veld te maken hebben. Financiering van deze activiteiten
zou de vorm moeten hebben van een opslag bovenop een elders verworven
onderzoekssubsidie. Op deze wijze kan een kern extra activiteiten ontwikkelen
die nodig zijn ter versterking van zijn onderzoeksinfrastructuur en is de
financiering ervan gebonden aan de kwaliteit van het onderzoek. Uitgaande van
een maximaal te behalen opslag van 18.000 euro (40.000 gulden) per jaar per
centrum kunnen de kosten van dit onderdeel worden begroot op in totaal 73.000
euro (160.000 gulden) per jaar.
Een derde maatregel ter stimulering van de infrastructuur betreft de instelling van
een instituut dat een krachtige brugfunctie vervult tussen niet alleen het
onderzoek en de praktijk, maar ook tussen de universitaire onderzoeksinstituten
onderling en de universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstituten. De
Raad hecht hier groot belang aan, omdat - juist op een terrein waarop het
onderzoek betrekkelijk geringe van omvang is en over het algemeen gefragmen-
teerd plaatsvindt - samenwerking tussen de onderzoeksinstituten van cruciaal
belang is. Tot de taken van dit instituut, waarin personen uit de kernen van
onderzoek en de buitenuniversitaire instituten vertegenwoordigd moeten zijn,
behoren het stimuleren en ondersteunen van samenwerking tussen de betrokken
kernen en instituten, het signaleren van belangrijke (internationale) ontwikkeling-
en en lacunes in het onderzoek, en het ontwikkelen van posterioriteiten en
prioriteiten van (gezamenlijk) onderzoek. Om de aansluiting van het onderzoek
op de praktijk te vergroten zou het instituut ook een bijdrage moeten leveren aan
het toegankelijk maken en verspreiden van onderzoeksgegevens, het vertalen van
onderzoeksresultaten in richtlijnen voor de praktijk en het bevorderen van de
kwaliteit van richtlijnen. Deze activiteiten, in het medisch veld veelal onderge-
bracht in nationale instellingen zoals het Nederlands Huisartsen Genootschap
(NHG), worden binnen de verpleegkundige zorg node gemist.
De Raad heeft geconstateerd dat het LCVV recent het initiatief heeft genomen
tot het instellen van een wetenschappelijk bureau met taken als hierboven
genoemd.28 De Raad vindt dit initiatief in principe goed aansluiten op de
geconstateerde behoefte, maar zou een structurele ondersteuning gebonden
willen zien aan een door het LCVV uitgewerkt werkplan voor dit bureau. Een
oordeel over de omvang van de benodigde structurele ondersteuning is
afhankelijke van het binnenkort te verwachten werkplan. Voorlopig worden de
kosten van het bureau door het LCVV begroot op ca. 0,68 miljoen euro (1,5
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>miljoen gulden) per jaar. Dit bureau zal op een termijn van bijvoorbeeld vier jaar
geëvalueerd moeten worden.
Ad b: Onderzoeksprogramma
Om het onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging - al dan niet
uitgevoerd door bovengenoemde onderzoekskernen - verder te bevorderen,
adviseert de Raad een onderzoeksprogramma in te stellen voor onderzoeksvra-
gen die uit de beide beroepsgroepen zelf voortkomen en die zouden moeten
passen binnen de in hoofdstuk 4 van dit rapport beschreven thema’s. Voor de
verdere verdeling van de middelen binnen dit programma dienen de thema’s
“Doeltreffendheid en doelmatigheid van zorg” en “Ontwikkeling en implementa-
tie van richtlijnen en evidence based practice” meer gewicht te krijgen dan de
andere, omdat met het onderzoek binnen deze twee thema’s het meest direct kan
worden bijgedragen aan hetgeen de minister omschrijft als ‘zinnige en zuinige
zorg’.
De beoordeling en begeleiding van de aanvragen zouden onder de verantwoor-
delijkheid moeten vallen van een daartoe ingestelde programma-commissie bij
ZonMw. Deze commissie kan daarnaast - vergelijkbaar met de programmacom-
missie “Revalidatie-onderzoek” - ook een ondersteunende bijdrage leveren aan
het tot stand komen van afspraken tussen onderzoekers en intra- en extramurale
zorginstellingen over de werkplaatsfunctie van die instellingen, alsmede aan de
evaluatie van de onder a. genoemde maatregelen. Voor de uitvoering van dit
onderdeel wordt gedacht aan een bottom up onderzoeksprogramma voor een
periode van acht jaar met een maximumbedrag van in totaal 7,3 miljoen euro (16
miljoen gulden).29 Zo’n programma zou het mogelijk maken dat bij een omvang
van ca. 90.000 euro (200.000 gulden) per project ieder jaar gemiddeld tien
projecten kunnen worden uitgevoerd.
Opleiding
Met het oog op het belang dat in dit advies wordt gegeven aan evidence based
practice bepleit de Raad verruiming van de mogelijkheden voor verpleegkundigen
zich te scholen in het klinisch epidemiologisch onderzoek.
De Raad heeft geconstateerd dat de afdeling Klinische Epidemiologie en
Biostatistiek (KEB) van het AMC, vanwege de grote belangstelling voor zijn
cursus “Epidemiologie voor verpleegkundigen”, initiatieven ontplooit om deze
cursus als Master-opleiding landelijk aan te bieden. Deze opleiding is bedoeld
voor ervaren, praktiserend verpleegkundigen en richt zich op methoden en
technieken uit de klinische epidemiologie ten behoeve van het oplossen van
klinisch relevante, multidisciplinaire onderzoeksvragen. Het curriculum van deze
opleiding komt overeen met het curriculum voor arts-onderzoekers.
                                                                        45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>De Raad ondersteunt dit initiatief van het AMC, vooral ook vanuit de gedachte
dat deze opleiding kan bijdragen aan een verdergaande samenwerking tussen
verpleegkundig en (para-) medisch onderzoekers. Hij beveelt daarom aan voor
het mogelijk maken van de opleiding de komende vijf jaar in totaal 341.000 euro
(750.000 gulden) beschikbaar te stellen. De Raad wijst er in dit verband op dat
de minister van OCenW en de HBO-Raad onlangs het “Convenant Lectoren en
kenniskringen in het hoger beroepsonderwijs” hebben gesloten, op basis waarvan
een regeling voor de financiering van lectoraten en ‘kenniskringen aan
instellingen voor het hoger beroepsonderwijs is opgesteld. Het initiatief van het
AMC zou op termijn kunnen leiden tot samenwerking met een Hogeschool in
onderwijs en onderzoek op het terrein van de verpleging en verzorging.
Tabel 3      Aanbevelingen m.b.t. onderzoek op het terrein van de verpleging en de
             verzorging: looptijd 8 jaar en kosten
                                                    looptijd kosten     kosten na
                                                             per jaar   8 jaar (in
                                                             (in euro)  mln. euro)
  Stimuleren onderzoekinfrastructuur
   fellowships in vier kernen van onderzoek           8 jaar    576.953         4,60
   aanvullende activiteiten in vier kernen            8 jaar     72.000         0,58
   nationaal instituut                                    -                        $
  Nationaal onderzoeksprogramma                       8 jaar    909.091          7,3
  Ondersteuning scholing #                         eenmalig     340.909
                                                                        +/+
                                                                              12,48
*
  Begroot door LCVV
#
  Totaal in vijf jaar
$
  Geen looptijd opgegeven
De Raad beseft dat zijn aanbevelingen een aanzienlijke investering vragen. Met
nadruk adviseert hij daarom het programma zowel aan het einde als tussentijds,
bijv. na vier jaar, te evalueren. Op grond van deze evaluaties zal duidelijk
gemaakt moeten worden of, en in welke mate de kernen van onderzoek
daadwerkelijk aan de gestelde voorwaarden voldoen en welke vooruitzichten er
zijn dat de ontstane onderzoeksinfrastructuur structureel in de reguliere
financiering zal worden opgenomen. Ook zal moeten blijken of de kernen van
        46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>onderzoek in staat zijn tot onderlinge samenwerking en tot samenwerking met
de andere onderzoeksinstituten en het LCVV.
Tegelijkertijd weet de Raad dat investeringen in onderzoek niet zelden een
onzekere uitkomst hebben en, zeker op de korte termijn, niet altijd tot zichtbare
resultaten leiden. Om de investeringen zo goed mogelijk te laten passen bij de
ontwikkelingen geeft de Raad ter overweging de verdeling van de middelen niet
in gelijke, maar in een lijn van geleidelijk opklimmende bedragen uit te geven.
Met de thans geadviseerde maatregelen verwacht de Raad in belangrijke mate bij
te dragen aan uitvoering en versteviging van het wetenschappelijke onderzoek
op een terrein waar het onderzoek vanuit maatschappelijk perspectief van
eminent belang is.
                                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>48</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>REFERENTIES
1.  Gezondheidsraad. Van implementeren naar leren. Het belang van
    tweerichtingsverkeer tussen praktijk en wetenschap in de gezondheidszorg.
    Rapportnummer 2001/18. Den Haag 2001.
2.  Raad voor de Volksgezondheid & Zorg. Professionals in de gezondheids-
    zorg. Zoetermeer, april 2000.
3.  Calsbeek H., L.Hingstman, H.Talma, W.van der Windt. Feiten over
    verpleging en verzorging in Nederland. Elsevier gezondheidszorg en
    LCVV, Maarssen, 1999.
4.  Organisation for Economic Co-operation and Development. 1998, Health
    policy brief ageing and technology. DSTI/STP/BIO(97)13/FINAL. Parijs:
    OECD.
5.  Advies “Zorgarbeid in de toekomst” van RMO en RVZ.
6.  Raad voor de Volksgezondheid & Zorg. Professionals in de gezondheids-
    zorg, Zoetermeer, 2002.
7.  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. “De som der delen” in:
    Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997", Elsevier/De Tijdstroom,
    Maarssen, 1997.
8.  Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Volksgezondheid
    Toekomst Verkenning. Deel VII: Gezondheid en zorg in de toekomst,
    1977. Elsevier/De Tijdstroom, Bilthoven.
9.  Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zorgnota 2000. Den
    Haag, 1999.
10. Grotendorst A., J. van Londen. Gekwalificeerd voor de toekomst.
    Kwalificatiestructuur en eindtermen voor verpleging en Verzorging.
    Ministerie van OCenW. Zoetermeer/Rijswijk. 1996.
11. Zorg voor Zorg. Commissie Verzorging. LCVV cahier 1, Landelijk
    centrum Verpleging & Verzorging, juni 1995.
                                                                     1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>12. Nationale Raad voor de Volksgezondheid. Advies functiedifferentiatie in
    de verpleging: géén derde deskundigheidsniveau. Zoetermeer, 1990.
13. Een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de Verplegingswe-
    tenschap is te vinden in: Huijer Abu-Saad, H. Verplegingswetenschap en
    de verpleegkundige praktijk; een onderlinge relatie. Verpleegkunde
    1990/91/4.
14. Philipsen H., H. van der Bruggen: Verplegingswetenschap in Maastricht.
    Hoofdstuk 10 in: De Delta van de Nederlandse verpleging”, Van der
    Bruggen (red.), De Tijdstroom bv, Lochem, 1992.
15. In CARE werken de volgende instituten of verbanden samen: ExTRa
    (Faculteit Geneeskunde, Maastricht); Health (Faculteit Gezondheidsweten-
    schappen, Maastricht. Hieronder valt ook het Centre for Nursing
    Research); EMGO (Faculteit Geneeskunde, VU); Centre for Evidence
    Based Practice (EBP, Faculteit Geneeskunde, KUN); en als buitenuniversi-
    tair instituut het NIVEL. Het onderzoek is onderverdeeld in vier
    hoofdlijnen: preventie en gezondheidsbevordering; chronische ziekten;
    doeltreffendheid van interventies; kwaliteit en organisatie van zorg.
16. Het betreft de instituten: Cardiovasculair Research Institute (CRIA),
    Neurologische en Psychiatrische aandoeningen (NPA), Genexpressie,
    endocrinologie, metabolisme en oncologie (GEMO).
17. Niet genoemd hier KITTZ en STOOM. KITTZ is een onafhankelijke
    stichting die zich richt op de ontwikkeling en implementatie van produc-
    ten en diensten voor zelfredzaam wonen en zorg aan huis. Het voert
    hoofdzakelijk implementatie- en ontwikkelprojecten uit. STOOM
    financiert projecten en activiteiten ten behoeve van de inhoudelijke en
    kwalitatieve versterking van het zorgaanbod in de thuiszorg.
18. Een uitzondering hierop vormt het Center for Nursing Research dat
    ongeveer 60% van zijn projecten financiert door middel van middelen uit
    de tweede geldstroom.
19. Zie ook revalidatie-onderzoek.
20. Leytens J., C. Wagner. Inventarisatie en beoordeling van bestaande
    richtlijnen en protocollen in de verpleging en verzorging. NIVEL, Utrecht,
    1999.
    2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>21. Overigens is die 4% naar alle waarschijnlijkheid nog een grove overschat-
    ting, daar deze louter is gebaseerd op de niet nader gespecificeerde opgave
    van de respondenten zelf.
22. Grijpdonck M. Tien jaar Nederlands-Vlaams Tijdschrift voor Verpleeg-
    kundigen; Tien jaar Verplegingswetenschap in Nederland en Vlaanderen.
    Jubileumnummer Verpleegkunde, 3,4,117-125, 1995.
23. Grijpdonck M. Swieten-Duijfjes E. van. Nederlands onderzoek relevant
    voor het verplegen van chronisch zieken. Een overzichtstudie, 1985-1993.
    Nationale Commissie Chronisch Zieken, Zoetermeer, 1995.
24. Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging. Samenvatting onderzoeks-
    programma’s van universiteiten en instituten in Nederland op het gebied
    van verpleging en verzorging. LCVV, Utrecht 1997.
25. Boumans N.P.G. H.Huijer Abu-Saad: Onderzoek op het gebied van
    verpleging en verzorging. Een nationaal perspectief. Landelijk Centrum
    Verpleging & Verzorging, rapport nr: 98.0952, Utrecht, 1998.
26. Het doctoraal programma Verplegingswetenschap zoals destijds werd
    gegeven aan de UM wordt thans ook aangeboden binnen het Weiterbil-
    dungszentrum für Gesundheitsberufe te Aarau (Zwitserland). Ook wordt
    in samenwerking met de Humbold Universität (Berlijn) thans een PhD-
    programma aangeboden.
27. Bij de berekening van de kosten per fellow is uitgegaan van salarisschaal
    schaal 11 max (8.127 gulden per maand) BBRA en de volgende toeslagen:
    cao-correctie (3%), werkgeversbijdrage (36%) en personeelskosten (16%).
    Voor onderwijs- en reiskosten wordt gerekend met een gemiddelde van
    7500 gulden per jaar. Per fellow komen de kosten op 158.662 gulden per
    jaar.
28. Het LCVV als transfer tussen wetenschap en praktijk. Conceptnotitie
    september 2001, Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging, Utrecht.
29. De Raad is er hierbij van uitgegaan dat het veld goed in staat geacht kan
    worden ca. tien onderzoeksprojecten per jaar uit te voeren met een
    gemiddelde van 200.000 gulden per project per jaar.
                                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>LIJST MET AFKORTINGEN
AMC    Academisch Medisch Centrum Amsterdam
AVVV   Algemene Vergadering Verpleegkundigen en Verzorgenden
AZVU   Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit Amsterdam
BIG    Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
CNR    Centre for Nursing Research
EMGO   Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek
KEB    Klinische Epidemiologie en Biostatistiek (AMC Amsterdam)
KNAW   Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
LCVV   Landelijk Centrum Verpleging & Verzorging
LUMC   Leids Universitair Medisch Centrum
NCCZ   Nationale Commissie Chronisch Zieken
NHG    Nederlands Huisartsen Genootschap
NIHES  Netherlands Institute for Health Sciences
NIVEL  Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg
NIZW   Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
NRV    Nationale Raad voor de Volksgezondheid
NVZ    Vereniging van Ziekenhuizen
NWO    Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
RGO    Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIVM   Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RMO    Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling
RUG    Rijksuniversiteit Groningen
RVZ    Raad voor de Volksgezondheid & Zorg
Ti     Trimbos instituut
TNO    Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk
       onderzoek
TNO-PG Preventie en Gezondheid
UM     Universiteit Maastricht
UMC    Universitair Medisch Centrum St. Radboud Nijmegen
UMCU Universitair Medisch Centrum Utrecht
VAZ    Vereniging Academische Ziekenhuizen
VWS    Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
ZonMw ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>BILAGE |

Minigtena wan Wolkegarondhaid, Walz men Sport

AGO

tay. de heer peol.dr. H.G.M. Hocijmans

Kamer 8-516

Ons karena Iek ori regen bij Dion rich areeramer Den bag
CSZ/EZ-2075564  N, Nova 7326 23 JUNI 2000
är n Bid anger hen Lis arial

Adviesaanvraag onderzoek Wy

Geachte heer Kooijmans,

Mat u is eerder gesproken over ean magelijk advies over richting, Elructwur en eventuele
lagunes in het verplegingsanderzoek.

Maatschappelijke ontwikkelngen en ontwikkelingen op het terrein van de verpleging en
verzorging, zoals de wvergnjang van de bevolking, de toename van het äärtel chronisch
zieken, technalagische vernieuwingen en de organisatie wan zorg, hebben inlaad ap het
“arplaegkundig an verzorgend handelen,

Beroepsorgantsatias van de verpleegkundigen an verzorgenden, alsmede het Landelijk
Centrum Verpleging & Verzorging ILOVWWI investeren enorm in de positie- en
kwvalineitswarbetering van de verdleagkundige an waerzorgende bereepen.

Zowel binnen de beroapaorganisatles als daarbuiten, ik denk aan ZON, NWO, NIVEL,
Universiteiten, e.d, vondt onderzoek op het terrein wan de verplegng en verzorging dlaars,

Verpleegkundigen an verzorgenden werken op veel gebieden samen. Verschuivengen binnen
hat warplaegkundige heraep laden waelal tot warschuivingen binnen het beroep van
varzorgenden. tk denk hierbij aan de gevolgen van de herarganisatie van zOrgprücesean voor
de functies binnen de verpleging en werzorging. Het in sarmanhang bezien van, maar
rekening houdend met de eigenheid van beide baroapen, la ml, noodzakekgk.

Ik ban mij ervan bewust dat ar binnen de verpleegkundige zarg, en in hat bagzander binnen
da verzerging, alnig anderzoakstraditie is. Tegelijkertijd constateer ik een toenemende an
terechte behoefte aan wetenschappelijk onderzoek op desbetreffands terreinen.

De wraag is echter of aan onderzoek gericht op een mädane wetenschaapelgke lundaring van
het warpleegkundig en verzorgend handelen woldoende aandacht wordt besteed. le ar maw.
valdeende onderzoek dat in die behoefte woorziet 7

Fosihux 20730 Darzetad:e: Carmraspondarnite ufiikilimd  MnLainstadres
1400 EN DEN HAAG Farm arnnucatain § Hon ad het Dees. a a a gd
Fataloen O70) Ji IB at 2671 Ve DEN HAAG mt vermelding aan da

Fae 1070) Jä 78 JA datum an tai kenmerk van

Ei Zn Erni.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>4
J
Ministerie wan Volksgezondheid, Welzijn en Sport (

Z

Een mark

LöžiEZ-20 75564

Gebleken is dat met name behoefte bestaat aan onderzoek over gepast gebruik en evaluatie
van verpleagkundge interventies. Onder gepast gebruik vallen onderwerpen als kwaliteit en
toagankalijkhesd van zorg. onderzoek naar taken en functies van verpleging in de keten van
zarg an vernauwingen in de technologie.

im dit licht wil ik eveneens aandacht vragen voor de rol van verpleegkundigen an
verzorgenden bij de continuiteit en coördinatie wan zorg.

De evaluate van verpleegkundige intareanties richt zich op de deelmstigheid en
doattreftendheid van het verpleegkundig handelen. Naast evaluatie vind ik implementatie van
anderzoeksresultaten van groot belang en wraag daar svandens uws aandacht waar.

Aan de RGO wil ik derhalve vragen om, rekening houdend met het brede terrain van zorg
waarop verdleagkundigen on verzorgenden werkzaam zijn en de samenhang twesen
werpleegkundge aen verzorgende functies, advies uit te brengen over prioriteiten van hat
“erpleegkuntig en verzorgend onderzoek. In het bijzonder vaar onderzoek dat aen bijdrage
levert aan zinnsge an zuinige varplegng an verzorging.

Daarnaast vraag ik we advies ower de infrastructuur van het wetenschappelijk onderzoek èn
voor zever van belang, de wetenschappelijke ooleiding. Ik ben mij arvan bewer dat
werschlanda modellan tot de mogelijkheden behoren: sari apart progamma “nnn
warplaagkurdg an warzorgend onderzoek of het onderbrengen wan dergelijk onderzoek in
bestaande programma's. Tenslotte vraag ik AGO inzicht te verschallan in de hoogte van de
kasten die met de uitwoaring van hel advies gepaard Kunnen gaan.

Tensinde da wtkomsten van uw advies te kunnen betrekken bij de besluitvorming omtrent
da in 2002 woor onderzoek in te zetten middelen, werzoek ik uw raj uw advies waar februari
2001 te dean toekomen.

Hoagachtend,

de Minister van Volksgezondheid,
Walzijn en Scart,

[mts

dr. E. Borst-Eilers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 2
SAMENSTELLING        COMMISSIE
Mw. dr. M. Mootz, voorzitter             RMO
dr. Th. van Achterberg                   AVVV
Mw. prof. dr. G.A.M. van den Bos         RIVM
Mw. prof.dr. C.M.A. Frederiks (emeritus) UMC St. Radboud
Mw. prof. dr. M.H.F. Grypdonck           UMC Utrecht
prof. dr. R.J. de Haan                   AMC
Mw.drs. Y. Heijnen-Kaales                LCVV
Mw. H. Hillmann                          LCVV
Mw. prof. dr. H. Huijer Abu-Saad         UM
dr. F.J. Huyse                           AZVU
dr. B. Lendemeijer                       UMC Utrecht
prof.dr. H. Philipsen (emeritus)         UM
dr. R. van der Sande, secretaris         RGO
Mw.dr. R. Klop, waarnemer                ZonMw
drs. H.W. Benneker, waarnemer            RGO
prof. dr. H.G.M. Rooijmans, waarnemer    RGO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 3
Richtlijnen en protocollen in de verpleging en de verzorging naar sector en
zorgcategorie
                                                   zwangeren,
                                                                    psychiatrische                  verstandelijk
                                                   kraamvrouwen
                        chronisch    jeugdige      en neonatalen                     geriatrische
                        somatische                 zorgvragers na
                                     zorgvragers                    problematiek     zorgvragers    gehandicapten   overig
                                                   behandeling of
                        zieken                     ingreep                                                                   Totaal
Algemeen            A     30          20            14      59        15                                            11        149
ziekenhuis
                    B     31            2           11      15                          1                                     60
                    C      7            2            2      6                                                       1         18
Psychiatrie         A                                                 86                                                      86
                    B                                                   5                                                      5
                    C                                                   1                                                      1
Verpleeghuis        A      5                                                          68                            2         75
                    B                                                                   4                                      4
                    C
Verzorgings-        A                                                                 11                                      11
huis
                    B
                    C
Verstandelijk       A                                                                                 21                      21
gehandicapten
                    B                                                                                  4                       4
                    C                                                                                  5                       5
Thuiszorg           A      4            8           10                  4                                           11        37
                    B     19            3            3                                  1                           2         28
                    C                 66            60                                                              3         129
Transmurale         A                                                                                               2          2
zorg
                    B     24            3            4                                  2                           6         39
                    C
Algemeen            A      2                                            2                                           3          7
                    B                                                                                               2          2
                    C
TOTAAL                    122        104            104     80      113               87              30            43        683
A: Zorg       B: Organisatie         C: Preventie&GVO
Bron: NIVEL
Leytens J, C Wagner. Inventarisatie en beoordeling van bestaande richtlijnen en
protocollen in de verpleging en verzorging. NIVEL, Utrecht, 1999.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>        De Raad voor Gezondheidsonderzoek      Postadres:
(RGO) heeft tot taak de ministers van Volks-   Raad voor
gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On-    Gezondheidsonderzoek
derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW),     Postbus 16052
en van Economische zaken (EZ) te adviseren     2500 BB Den Haag
over prioriteiten in het gezondheidsonder-
zoek, in het zorgonderzoek en de technologie-  Bezoekadres:
ontwikkeling in deze sector, evenals over de   Parnassusplein 5
daarbij behorende infrastructuur. Het maat-    2511 VX Den Haag
schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO
steeds het uitgangspunt.                       telefoon
        Deze publicatie handelt over onder-    (070) 340 75 21
zoek op het terrein van de verpleging en ver-  fax
zorging. Na een beschrijving van het onderzoek (070) 340 75 24
en de onderzoeksinfrastructuur formuleert de   e-mail
RGO een aantal aanbevelingen ter versterking   bureau@rgo.nl
van zowel de onderzoeksinfrastructuur als het  website
onderzoek zelf.                                www.rgo.nl
        De publicaties van de RGO zijn via de
website van de RGO te raadplegen.
RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK                 Publicatie 34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>