<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies
Preventieonderzoek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies
Preventieonderzoek
Publicatie 33
Den Haag, October 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>BRAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEE

Aan de minister wam Valksgezondhesd,
Welzijn en Sport

mw, dr, E. Borst-Eilers

Postbus 20350

2500 EJ Den Haag

Onderwerp: Advies Prevenriecnderzoek
Ons kenmerk: = HR/LB O1, 150

Bijlage: 1
Gacum: 29 oktober 2001
Geachte mevrouw Borat,

ln jun 20000 ontvimg de RGC ow verzoek om een advies over de prioriteiten im het preventievederzoek na
2002. In de adviesnaarnvraag gaf u zelf al aan dat u preventiecmderzoet belangrijk vindt en dat u het Programma
Preventie, in 1998 gestart bij ZorgOndersock Nederland, wilt continueren, De Ras omtersteunt dic vaar
nemen van harte én heeft het voorliggende adwies dan ook ogmesneld In het vertrouwen dat het belang van
prementieomdergoek door VWS erkend wordt,

lm januari 20001 heeft de Read de commissie ingesteld die dit advies heeft voorberesd. Conform de advies-
aanvrmg ie hij de voorbereiding wan bet advies rebenäng gehouden met recente evabaaties cn de bijstelling van
ket programma. Alles overziend is de RGO tot het inricht gekomen dat de evaluaties weltswaar matilg zijn
geween om te bepalen of het pragramma “op keers” lag. maar dal ber nog te vroeg ls om hei programma
inhoudelijk te evalueren, ial staan te beoordelen op de impact van de resultaten wit bet onderzoek. Overigens
blijke uit de Nederlandse en de incrnationale Uterapgar dat bet belang van preventieanderzoek graal i, zowel
ala het gaat om het bepalen van de beste interventic (evidence-based preventie} als wel vaar bet onvwikkelen
van nieuwe interventies. Helaas is het preventieonderzoek in het nädeel in vergelijking met het weten-
schappelijk onderzoek op curatief gebied, 0.4. omda de methodologie dikwijls complexer is, omeat het
onderzoek kostbaarder is en omstan het vaat vele [aren vergt voordat bruikbare resultaten getoond kunmen
worden.

Ihe Raad heeft de stand van zaken rand het programma én in het onderscck in beschouwing genomen en
concludeert dat miet zaaser ten verbreding of grote verschuiving im de huidige prloritelten noodzakelijk is,

als wel cen verdieping van bet onderzoek binnen de huldige prioriteiten, Het is echter raadzaam op termijn
üw.z. bij de vocekerciding van het programma na AMT opaieuw bet terrein te verkennen door mäddel van
een eyesemnanische studie als “Pricetieiten in Preventieonderzoek”, dat ten grondsläg lap aan hel vorige RGU-
advies over preventiecnderzoek. Dan zal blijken of sommige onderwerpen die in het huidige programma
muwelijks veriegemwoordigd zijn (te denken valt aan neardlegeneraheve aandoeningen en gastrointestinale
aandoezingen}, als prioriteil moeren worden aangemerkd,

Het advies peapecioen de huidige indeling lm primaire, secundaire en tertiaire preventie. De vraag is echter of
deze indeling ook in de toekomst nog te handhaven is. De Raad wil langs deze weg de aandacht vestigen op de
problemen die deze indeling met zich meebrengt. Eén van die problemen ie het Feit dar bepaald, op zich zeer
relevant caderzoek (maar gerekend tõi het terrein van tertiaire prevemieb niet woor nanctering in sammerking
ket. Gezocht meet woeden saar cen indelieg van het terrein van de prevenrie die beter te hamteren is en
minder discussie oproept

Pirmadires Lene kadines

Pueghus 14555 Parmas 5

2500 ER Dem Haag Zell VK Den Haag
email hureauttrge. ml Teletoon (70 - 240 75 Fl

wehsite waw rgn.nl Fax N70 - 241 75 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De Raad pleat in het advies vaar minder pedetalleerde prioritering en moemi daarvan de voordelen. Men dient
er echier üp bedacht we zijn dal een meer onwattende prioriteit oak “langer mee gaal’, met andere woorden,
dat bet langer zal duren voor zo'n onderwerp van de lijst van prooriteiten zal worden afgevoerd, Tbit zou ten
gerechte de lerak kunnen wekken dat bet onderzoek daandeor “langzamer gaat, De ‘levensdwor’ van cen
prlorlielt mag dan cok geen criterium zijn bij het beoordelen van het socces van preventieonderzoek.

Een ander, nog belangrijker punt van sandacks is het lange-termijn onderzoek en de comeinuipei im het
programas die daarvoor nodig is. Het belang hiervan komt in bet advies uigebreid san de orde, De RGO
bepleit dat hiervoor financiële garanties komen. Handhaving, van het huidige budget voor preventie-onderzoek,
in de voekome gecorrigeerd voor de inflatie, is zedig. Ben dergelijk badges wordt naar het oordeel van de
Baad gerechevaardigd door de grote financiële en maatschappelijke lenplicaties van de interventies waarvoor
het preventiecaderzoek de onderbouwing moet böeden. Hes Kijksmecisaiteprogramena en de screenang of
mammucarcinoom bannen hier als waorbeelden worden genoemd.

Tea ülal vraagt de Raad aandacht voor het facetheleid. Ook de prevenrieve of peznadheid bevorderende
muaregeka die genomen worden door andere departementen dan VWE verdienen cederbouweng of evaluatie
door middel van onderzoek. Sameerwerking tussen depantementen wordt hierbij met kracht aanbevolen ie het
besef dat dat niet altijd eenvoudig te realiseren zal zijn,

Met vriendelijke groeten,

an vd

profdr. M.M. Boijmans drs. H.W. Henneker
vouritier ROO algemeen secretaris REC

Laa. de minister van Onderwijs, Caltuur en Wetenschappen
de minister van Boomomische Zaken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                          3
Executive Summary                                                     5
1      Inleiding                                                      7
       1.1    Adviesaanvraag                                          7
       1.2    Werkwijze en indeling van het advies                    7
2      Voorgeschiedenis en context                                    9
       2.1    Voorgeschiedenis                                        9
       2.2    Tussentijdse bijstelling van de prioriteiten            9
       2.3    Evaluaties                                             10
       2.4    Context                                                11
       2.4.1 Gezond Leven                                            11
       2.4.2 RGO-adviezen                                            11
3      Preventieonderzoek, de stand van zaken                        13
       3.1    Criteria en randvoorwaarden                            13
       3.1.1 Primaire, secundaire en tertiaire preventie             13
       3.1.2 Criteria voor relevantie en wetenschappelijke kwaliteit 14
       3.1.3 Prioriteiten, zwaartepunten en deelprogramma’s          14
       3.1.4 Vrije ruimte                                            16
       3.1.5 Looptijd van programma en projecten                     16
       3.2    Nieuwe ontwikkelingen met consequenties voor onderzoek 17
       3.3    Facetbeleid                                            17
4      Conclusies en aanbevelingen                                   19
Bijlagen
1      Adviesaanvraag
2      Samenstelling commissie Preventieonderzoek
3      Geraadpleegde personen
4      Prioriteiten programma preventie
5      Overzicht van geraadpleegde rapportages
6      Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>SAMENVATTING
In juni 2000 ontving de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) een
adviesaanvraag van de minister van VWS, waarin zij aankondigde aansluitend
aan het Programma Preventie 1998-2002 ZonMw een nieuwe opdracht te geven
voor een preventieprogramma. De Raad werd gevraagd te adviseren over de
prioriteiten voor het preventieonderzoek in de periode na 2002.
Het lopende Programma Preventie is mede tot stand gekomen op geleide van het
RGO-advies Prioriteiten voor Preventieonderzoek, uitgebracht in 1996. Nadien,
in 1999, heeft een bijstelling van het programma plaatsgevonden, mede om een
evenwichtiger verdeling van het onderzoek over de verschillende onderwerpen
te bereiken. Bij enkele prioriteiten werden tijdelijk geen onderzoeksvoorstellen
meer gehonoreerd in afwachting van resultaten uit lopend onderzoek, bij enkele
andere prioriteiten werd het indienen van onderzoekvoorstellen juist gestimu-
leerd.
In 2000 verschenen een interne en een externe evaluatie van het Programma
Preventie. De Raad heeft de bevindingen van deze evaluaties bij zijn advisering
betrokken. Bij de interne en externe evaluaties is geen aanleiding gevonden tot
grootscheepse veranderingen in de opzet en de procedure van het programma.
Ofschoon de tijd tussen de start van het programma en de evaluaties te kort is om
uitspraken te kunnen doen over de uiteindelijke impact van het onderzoek, kan
de Raad nu al concluderen dat de opzet werkt en dat het programma met geringe
bijstellingen moet worden voortgezet. Hiervoor dienen financiële garanties te
komen.
Het in 2001 begonnen Programma Gezond Leven, dat zich eveneens richt op
preventie, biedt mogelijkheden voor het financieren van risicovoller onderzoek
dan het Programma Preventie, maar mist continuïteit op de langere termijn. Juist
die continuïteit wordt door de Raad als een belangrijke voorwaarde gezien voor
succesvol preventieonderzoek. Ook zal bij toekomstige evaluaties van het
programma rekening gehouden moeten worden met het feit dat resultaten uit
preventie-onderzoek pas een aantal jaren na het beschikbaar komen daadwerke-
lijk maatschappelijke implicaties kunnen hebben.
De prioriteiten in het huidige Programma Preventie zijn beperkt tot primaire en
secundaire preventie. Voor tertiaire preventie hoeft ook in het volgende
programma geen plaats ingeruimd te worden, ervan uitgaande dat de program-
macommissie flexibel blijft omgaan met kwalitatief goede en relevante onder-
zoeksvoorstellen die zich bevinden op het grensgebied van secundaire en tertiaire
preventie.
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De prioriteiten in het huidige programma zijn gedetailleerd. In verband met de
problemen die dat met zich mee brengt, pleit de Raad voor een minder
gedetailleerde prioritering. Een voordeel daarvan is dat bijstellingen minder snel
nodig zullen zijn. Mogelijk zal bij minder gedetailleerde prioritering ook minder
snel een beroep gedaan hoeven worden op de zogeheten vrije ruimte. Gebruik
van de vrije ruimte (5% van het onderzoekbudget) kan dan beperkt blijven tot
onderzoekvoorstellen die voortkomen uit nieuwe inzichten en/of ontwikkelingen
die nog niet voorzien waren bij het vaststellen van de prioriteiten. De Raad
noemt de preventie van infertiliteit en preventieve aspecten van de voortplan-
tingsgeneeskunde als nieuwe prioriteit. Verder wijst de Raad op aanbevelingen
in enkele van zijn andere adviezen, die eveneens relevant kunnen zijn voor het
Programma Preventie.
De looptijd van het programma is vijf jaar. Dit verhindert de financiering van
onderzoek dat zich over een langere periode uitstrekt. Echter, juist ten behoeve
van preventie is het nodig dat onderzoek langere tijd kan duren. Voor bepaalde
vraagstellingen kan het meer dan tien jaar duren voordat betrouwbare antwoor-
den mogelijk zijn. Dit lange-termijn onderzoek wordt volgens de RGO
gerechtvaardigd door de maatschappelijke en financiële implicaties van
preventieve maatregelen. De Raad vindt dan ook dat dergelijk onderzoek binnen
het Programma Preventie mogelijk moet worden gemaakt.
De Raad voorziet dat voor het op peil houden van het preventieonderzoek na
2002 minimaal eenzelfde budget noodzakelijk zal zijn als voor het huidige
Programma Preventie. Dit budget is niet toereikend voor onderzoek naar
preventieve maatregelen buiten het beleidsterrein van VWS. De Raad noemt
hiervan enkele voorbeelden en bepleit in verband hiermee interdepartementale
samenwerking.
       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>EXECUTIVE SUMMARY
In June 2000, the Advisory Council on Health Research (RGO) received a
request from the Minister of Health, Welfare and Sport, announcing a new
assignment for a prevention programme to follow up the 1998-2002 Prevention
Programme, of the Netherlands Organisation for Health Research and
Development. The Council was asked to produce an advisory report on the
priorities for the prevention research in the period after 2002.
The current Prevention Programme was established taking into account the
guidance of the Council’s report on Priorities for Prevention Research, published
in 1996. The programme was adjusted in 1999, partly to achieve a more balanced
spread of research into the various subjects. For some priorities, research
proposals were temporarily not followed up, in anticipation of the results of
research that was already underway, whereas the submission of research
proposals for some other priorities was actually encouraged.
Details of an internal and external evaluation of the Prevention Programme were
published in 2000. The Council took the evaluations’ findings into account in its
advisory report. The internal and external evaluations presented no reasons for
any major changes in the design of the programme. Although there has not been
sufficient time between the start of the programme and the evaluations to enable
any statements to be made about the final impact of the research, the Council is
now in a position to conclude that the design works and that the programme
should continue, with some minor adjustments. Financial guarantees should be
provided for this.
The Healthy Living Programme, another programme focussing on prevention,
offers possibilities for financing research that involves a greater risk than the
Prevention Programme, but lacks continuity in the longer term. It is precisely
continuity that the Council sees as an important precondition for successful
prevention research. Moreover, in the programme's future evaluations, it will be
necessary to take into account that the practical social implications may only arise
several years after the results of prevention research become available.
The priorities in the present Prevention Programme are limited to primary and
secondary prevention. It will also not be necessary to make room for tertiary
prevention in the following programme, assuming that the programme
committee continues to take a flexible attitude to qualitatively good and relevant
research proposals that are on the border between secondary and tertiary
prevention.
                                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>The priorities in the present programme have been specified in detail. In
connection with the problems to which this gives rise, the Council calls for less
specific prioritising. This also offers the advantage that adjustments will be less
often necessary. Less specific prioritising may also mean that the need to make
use of the available margin will occur less often. Use of the margin (5% of the
research budget) can then be reserved for research proposals arising from new
insights and/or developments that were unforeseeable when the priorities were
established. The Council mentions the prevention of infertility and the preventive
aspects of reproductive medicine as new priorities. The Council refers to
recommendations in some of its other advisory reports, which may also be
relevant for the Prevention Programme.
The Prevention Programme is a five-year programme. This creates a problem for
financing research that takes longer. However, conducting research over a longer
period is unavoidable in the case of prevention. It can take more than ten years
to obtain reliable answers to some questions. The Council believes this research
over a longer period is justified by the social and financial implications of
preventive measures. The Council therefore believes that long-term research
should be made possible as part of the Prevention Programme.
The Council anticipates a budget of at least the same amount as that for the
current Prevention Programme will be necessary to keep prevention research at
the same level after 2002. This budget is not adequate for research into
preventive measures outside the policy field of the Ministry of Health, Welfare
and Sport. The Council cites several examples of this and therefore calls for inter-
ministerial cooperation.
       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1           INLEIDING
1.1         ADVIESAANVRAAG
Binnen afzienbare tijd loopt het Programma Preventie 1998-2002 van ZorgOn-
derzoek Nederland (ZON) ten einde. In een adviesaanvraag aan de Raad voor
Gezondheidsonderzoek (RGO) heeft de minister van VWS aangegeven dat zij
het belangrijk vindt “te zorgen voor continuïteit in het onderzoek en de
ontwikkeling van preventie” (bijlage 1). Daarom is zij voornemens aansluitend
aan het huidige Programma Preventie een nieuwe opdracht te geven voor een
preventieprogramma. De RGO is gevraagd te adviseren over de prioriteiten in
de periode na 2002 en daarbij rekening te houden met lopende onderzoeks- en
stimuleringsprogramma’s, met onderzoek dat reeds is uitgevoerd en met nieuwe
ontwikkelingen.
1.2         WERKWIJZE      EN INDELING VAN HET ADVIES
De Raad heeft op geleide van de adviesaanvraag een commissie ingesteld die het
voorliggende advies heeft voorbereid (bijlage 2). Voorzitter van deze commissie
was prof. dr. J.A. Knottnerus. Bij de voorbereiding heeft de Raad veel profijt
kunnen trekken van de interne evaluatie die in 2000 door de Programmacommis-
sie is uitgevoerd, alsmede van de evaluatie die een externe commissie onder
leiding van prof. dr. G. Blijham eind 2000 heeft uitgebracht. Deze ontwikkelingen
rond het Programma Preventie 1998-2002 worden kort geschetst in hoofdstuk 2.
Ook andere ontwikkelingen krijgen daarin aandacht, zoals het Programma
Gezond Leven, dat duidelijk raakvlakken heeft met preventie.
Gezien het korte tijdsbestek tussen de interne en externe evaluatie en de start van
de advisering door de RGO, gaat dit advies voornamelijk in op hoofdlijnen. Op
grond van de recente evaluaties heeft de Raad geen behoefte gehad aan een
nieuwe beoordeling van lopende en uitgevoerde projecten. Een procesmatige
evaluatie van het programma was evenmin aan de orde. Wel is nagegaan in
hoeverre de oorspronkelijke prioriteiten aandacht hebben gekregen in de vorm
van gehonoreerde onderzoekprojecten. Verder hebben enkele deskundigen in
gesprekken met de commissie informatie verschaft over de huidige situatie (zie
bijlage 3).
De Raad heeft zich in dit advies geconcentreerd op het onderzoek dat in het
huidige Programma Preventie is ondergebracht in de deelprogramma’s 1, 2 en
3. Uitvoeringsprojecten en landelijke implementatie (deelprogramma’s 4 en 5 in
het huidige Programma Preventie), die later van start zijn gegaan, vallen dan ook
grotendeels buiten de reikwijdte van dit advies.
                                                                           7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>De huidige stand van zaken, met een signalering van een aantal aandachtspunten,
wordt weergegeven in hoofdstuk 3. De informatie in dat hoofdstuk is gebaseerd
op het huidige programma en de bijstelling daarin, op de evaluatierapporten en
het meest recente overzicht van gehonoreerde projecten en op de gesprekken
met de deskundigen. Het vormt de basis voor de conclusies van de Raad, die zijn
gepresenteerd in hoofdstuk 4. In dat hoofdstuk doet de Raad ook aanbevelingen
voor het vervolgprogramma Preventieonderzoek.
      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>2          VOORGESCHIEDENIS                EN CONTEXT
2.1        VOORGESCHIEDENIS
In 1992 vroeg de minister van VWS aan de RGO om prioriteiten aan te geven
voor preventieonderzoek. In die tijd beheerde het toenmalige Praeventiefonds
een groot deel van het voor preventieonderzoek bestemde geld (50 miljoen
gulden, ca. 22,5 miljoen EUR), afkomstig van de premies die in het kader van de
AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektenkosten) werden geheven.
De Raad concludeerde in een eerste reactie (Interimadvies Preventie-onderzoek,
1993) dat voor het kiezen van prioriteiten allereerst een systematisch overzicht
nodig was van bestaande kennis over preventie en de hiaten in deze kennis.
Hierop initieerde de Raad een omvangrijk onderzoek dat werd uitgevoerd onder
leiding van prof. dr. P. van der Maas en dr. K. Schaapveld. Op grond van een
uitputtend overzicht van de bestaande kennis over preventiemogelijkheden,
gevolgd door een toetsing van de inventarisatie door inhoudelijke experts, werd
een lijst van 149 concrete onderzoeksaanbevelingen geformuleerd. Vervolgens
is een workshop georganiseerd die resulteerde in een selectie van 34 aanbevelin-
gen die in elk geval een hoge prioriteit zouden moeten krijgen. Het verslag van
het onderzoek (“Prioriteiten in Preventieonderzoek”) werd in 1996 uitgebracht,
tezamen met een advies van de Raad (“Prioriteiten voor Preventieonderzoek”).
Mede op basis van dit advies heeft de minister van VWS aan ZON, waarin het
Praeventiefonds is opgegaan, opdracht verleend voor het opstellen van een
preventieprogramma met een looptijd van vijf jaar. Het preventieonderzoek is
conform het RGO-advies ondergebracht in drie deelprogramma’s binnen het
Programma Preventie 1998-2002, te weten:
- Deelprogramma 1: Innovatief preventieonderzoek
- Deelprogramma 2: Effectiviteits- en doelmatigheidsonderzoek
- Deelprogramma 3: Onderzoek naar implementatie-aspecten van preventie
Daarnaast bevat het programma ook deelprogramma’s (DP’s) voor uitvoerings-
projecten (DP4) en landelijke implementatie (DP5, later toegevoegd). Deze laatste
twee blijven in het voorliggende advies buiten beschouwing, om de redenen
genoemd in paragraaf 1.2.
2.2        TUSSENTIJDSE     BIJSTELLING VAN DE PRIORITEITEN
In het RGO-advies uit 1996 werd aangegeven dat het overzicht van prioriteiten
tijdgebonden was en dat zich na verloop van tijd nieuwe prioriteiten zouden
                                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>kunnen voordoen. In 1999 heeft dan ook een bijstelling van het Programma
Preventie plaatsgevonden (Programma Preventie 1998-2002, Bijstelling
onderzoeksprioriteiten. ZON, juni 1999). Daarin is rekening gehouden met
aanbevelingen uit het advies “Preventie en ouderen” van de Raad voor de
Volksgezondheid en Zorg (RVZ) en het standpunt van de staatssecretaris van
VWS daarop (maart 1997). De bijstelling vond verder plaats op basis van een
zogeheten ‘dekkingsanalyse’ (waarin gekeken is in welke mate hiaten op
prioritaire gebieden werden opgevuld door lopende projecten), een literatuurstu-
die en een raadpleging van een aantal deskundigen. Een belangrijk argument
voor de bijstelling in de prioriteiten was de dreigende onevenwichtige verdeling
van onderzoekprojecten over de verschillende gebieden: naar verwachting
zouden actuele onderzoekvragen binnen enkele prioriteiten afdoende beant-
woord kunnen worden, terwijl binnen enkele andere prioriteiten nog geen
onderzoekvoorstellen waren ingediend. De programmacommissie van ZON heeft
ervoor gekozen in deze laatste categorie het onderzoek te stimuleren en enkele
andere prioriteiten (tijdelijk) te ‘sluiten’.
2.3        EVALUATIES
In 2000 hebben een interne en een externe evaluatie van het Programma
Preventie plaatsgevonden. Het interne evaluatierapport signaleert dat de
programmatische werkwijze en de procedures het moeilijk maken snel in te
spelen op actuele vragen. Het programma biedt geen ruimte voor determinante-
nonderzoek en risicovolle experimenten. Ofschoon op vrijwel alle prioriteiten
onderzoek in gang is gezet, werden op sommige prioriteiten weinig voorstellen
ingediend. De externe evaluatie onderschrijft deze conclusies en stelt dat top down
aansturing aangewezen kan zijn om voor bepaalde minder populaire maar
maatschappelijk relevante prioriteiten meer projectvoorstellen te ontvangen.
Beide evaluaties concluderen dat het nog te vroeg is om te beoordelen of het
gehonoreerde onderzoek heeft geleid tot een belangrijke vermeerdering van
kennis en de toepassing daarvan in de praktijk.
De externe evaluatiecommissie beveelt aan het preventieprogramma na 2002
voort te zetten en benadrukt dat het van grote betekenis is de budgettaire
mogelijkheden veilig te stellen.
Naar aanleiding van deze evaluaties heeft de programmacommissie Preventie van
ZON een verkenningscommissie ingesteld, die in april 2001 haar rapport
“Kansen voor de toekomst” heeft uitgebracht. Dit rapport gaat gedetailleerd in
op knelpunten en procedurele aspecten van het huidige programma. De
conclusies van het rapport sluiten aan bij het voorliggende RGO-advies, dat zich
beperkt tot aanbevelingen op hoofdlijnen.
       10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2.4         CONTEXT
Buiten het Programma Preventieonderzoek zijn er vele activiteiten die raakvlak-
ken hebben met preventie. Lang niet alle activiteiten hebben implicaties voor het
onderzoek. De Raad beperkt zich daarom tot het bespreken van twee zaken: het
Programma Gezond Leven en de adviezen van de RGO over gezondheidsonder-
zoek met implicaties voor preventie. Het ligt voor de hand dat ook de aanbeve-
lingen uit deze RGO-adviezen, voor zover zij gaan over onderzoek op preventief
gebied, door de programmacommissie Preventie van ZonMw betrokken worden
bij het inrichten en/of tussentijds bijstellen van het Programma Preventie.
2.4.1       GEZOND LEVEN
In 2000 kreeg ZON de opdracht van VWS een Programma Gezond Leven op
te stellen, met een budget van 40 miljoen gulden voor vijf jaar. Het streven van
dit programma is vernieuwing in de aanpak van ongezonde leefgewoonten
(BRAVO-thema’s: Voldoende Bewegen, niet Roken, matig Alcoholgebruik,
gezonde Voeding, Veiligheid en Veilig Vrijen, voldoende Ontspanning). De
traditionele BRAVO aanpak blijkt niet toereikend te zijn. Het Programma
Gezond Leven gaat dus inhoudelijk over preventie, al worden de accenten anders
gelegd dan in het Programma Preventie. Het Programma Gezond Leven zou een
kans moeten geven aan risicovoller onderzoek en projecten waarbij de evidence
niet zo duidelijk is maar waarvan men meent dat het het proberen waard is. Dit
biedt mogelijkheden het risicovollere onderzoek dat niet binnen het Programma
Preventie past toch te financieren. De onderlinge afstemming tussen het
Programma Gezond Leven en het Programma Preventie binnen ZON is
gewaarborgd, doordat de voorzitter van de programmacommissie Preventie
(prof. drs. J. van Londen) ook tot voorzitter van de programmacommissie
Gezond Leven is benoemd. Voorts ligt de eindverantwoordelijkheid voor de
vormgeving van het programma Gezond Leven bij de programmacommissie
Preventie en bij het ZON-bestuur. Inhoudelijk staat Gezond Leven dicht bij
deelprogramma 4 (uitvoeringsprojecten) van het Programma Preventie.
2.4.2       RGO-ADVIEZEN
Preventieonderzoek is een onderdeel in het RGO-advies “Onderzoek geestelijke
gezondheidszorg en geestelijke volksgezondheid”, uitgebracht in 1999. Op basis
van dit advies wordt bij ZonMw een programmacommissie gevormd die mogelijk
zelf nieuwe accenten zal gaan leggen. Op dit moment is nog niet geheel duidelijk
hoe de prioriteiten voor preventieonderzoek op dit gebied zullen gaan liggen.
Ook het brede terrein van genomics heeft implicaties voor de preventie. Zo is in
de nota “Toepassing van genetica in de gezondheidszorg”, in december 2000
                                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>door VWS uitgebracht, de preventieve zorg op hoofdlijnen aan de orde gesteld.
Deze nota spreekt verder over genetische screening en bevolkingsonderzoek.
Duidelijk is dat de toegenomen kennis over het genoom gevolgen zal hebben
voor het preventieonderzoek. De RGO bereidt een advies voor waarin
aanbevelingen zullen worden gedaan voor onderzoek dat moet bijdragen aan een
verantwoorde toepassing van de genetische kennis in de medische praktijk,
waaronder de preventieve zorg. Naar verwachting zal dit advies eind 2001
verschijnen.
In het onlangs verschenen RGO-advies over onderzoek in de sportgezondheids-
zorg wordt zijdelings aandacht besteed aan preventie. Twee relevante preventie-
aspecten zijn: optimale beweging ter preventie van specifieke aandoeningen en
de preventie van blessures ten gevolge van het sporten. Over dit tweede aspect
is in september 2001 een rapport verschenen van de Stichting Consument en
Veiligheid met aanbevelingen voor onderzoek die relevant zijn voor het
Programma Preventie. Het stimuleren van optimaal bewegen als preventieve
maatregel en het onderzoek daarnaar passen wellicht beter in het programma
Gezond Leven.
De RGO brengt naar verwachting eind 2001 een advies uit over het onderzoek
in de traumazorg, waarin onder meer onderzoek naar de preventie van
ongevallen besproken zal worden. Het gaat daarbij om ongevallen waarbij
hulpverlening door huisarts of tweedelijns zorg noodzakelijk is.
Ten slotte zijn nog twee RGO-adviezen die op stapel staan het vermelden waard:
een advies over “Kennisinfrastructuur in de Public Health” en een advies op het
gebied van “Arbeid en Gezondheid”, die in 2002 afgerond zullen worden. Het
is goed denkbaar dat ook deze adviezen aanbevelingen zullen bevatten die
relevant zijn voor het Programma Preventie.
        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>3          PREVENTIEONDERZOEK,                  DE STAND VAN ZAKEN
Het Programma Preventie biedt de mogelijkheid preventieonderzoek te
financieren dat aan bepaalde criteria voldoet. Aan de te honoreren voorstellen
worden eisen gesteld op het gebied van relevantie en wetenschappelijke kwaliteit.
Voorts stelt het programma enkele randvoorwaarden aan het voorgestelde
onderzoek. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet wat de invloed is van de
gehanteerde criteria en randvoorwaarden op het preventieonderzoek en wat
aandachtspunten voor het vervolgprogramma zijn. Vervolgens schetst de Raad
enkele nieuwe ontwikkelingen die consequenties hebben voor het preventieon-
derzoek. Tot slot komt het facetbeleid aan bod.
3.1        CRITERIA    EN RANDVOORWAARDEN
3.1.1      PRIMAIRE, SECUNDAIRE EN TERTIAIRE PREVENTIE
De oorspronkelijke adviesaanvraag aan de RGO (1992) over de prioritering van
onderzoeksterreinen op het gebied van preventie was beperkt tot primaire en
secundaire preventie binnen alle sectoren van de gezondheidszorg. Daarmee
vallen op zich belangrijke onderwerpen als gezondheidsbescherming vanuit
andere sectoren (facetbeleid, zie onder), fundamenteel onderzoek naar oorzaken
van ziekten en determinantenonderzoek buiten het kader van het RGO-advies
Prioriteiten voor Preventieonderzoek (1996), dat op deze oorspronkelijke
adviesaanvraag volgde.
De beperking tot primaire preventie (interventie vóór een gezondheidsprobleem
ontstaat) en secundaire preventie (vroege opsporing van een reeds ontstaan maar
nog niet klinisch manifest gezondheidsprobleem) is nagevolgd in het ZON-
Programma. Dit betekent dat onderzoek op het gebied van tertiaire preventie,
bijv. in de vorm van preventie van recidieven van ziekte of beperking van de
gevolgen van een klinisch manifeste ziekte in een vroege fase, niet in aanmerking
komt voor financiering uit dit programma. Hoewel gebleken is dat de program-
macommissie Preventie de grens tussen secundaire en tertiaire preventie flexibel
hanteert, bestaat het risico dat bepaald relevant preventieonderzoek niet voor
financiering in aanmerking komt, of dat op zich goede voorstellen niet worden
ingediend. De Raad wil het belang van onderzoek op het gebied van tertiaire
preventie onderstrepen, overigens zonder te pleiten voor het formeel opnemen
van de tertiaire preventie in het vervolgprogramma Preventie.
                                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>3.1.2      CRITERIA       VOOR     RELEVANTIE      EN   WETENSCHAPPELIJKE
           KWALITEIT
Bij de gebruikelijke beoordeling van de ingediende voorstellen hanteert de
programmacommissie van ZON algemeen geaccepteerde criteria voor de
relevantie en de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek. Op grond
hiervan worden de beste voorstellen geselecteerd. De Raad vindt dit een
evenwichtige benadering.
3.1.3      PRIORITEITEN, ZWAARTEPUNTEN EN DEELPROGRAMMA’S
De prioriteiten voor onderzoek zijn ondergebracht in drie deelprogramma’s:
innovatief preventieonderzoek, effectiviteits- en/of doelmatigheidsonderzoek, en
onderzoek naar implementatieaspecten. Sommige onderwerpen komen in meer
dan één deelprogramma aan de orde. Deze onderwerpen zijn samen te vatten
onder inhoudelijke zwaartepunten, waarvan ZON er 11 heeft aangegeven (zie
overzicht). Van de 34 onderwerpen die in het RGO-advies Prioriteiten voor
Preventieonderzoek de hoogste prioriteit kregen, zijn er 33 terug te vinden in het
Programma Preventie1.
Overzicht zwaartepunten in het Programma Preventie 1998-2002
1.     Ouderen
2.     Jeugdigen
3.     Gezondheidstoestand allochtonen
4.     Psychische stoornissen
5.     Aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat
6.     Infectieziekten
7.     GVO (wetenschappelijk onderzoek op het terrein van gedrag en commu-
       nicatie in relatie tot gezondheid)
8.     Screening en vroege opsporing
9.     Lokaal gezondheidsbeleid
10.    Ethische aspecten van preventie en preventieonderzoek
11.    Juridische aspecten van preventie
       1
        “Onderzoek naar de prevalentie van gehoorschade bij adolescenten” werd
niet overgenomen als prioriteit. Aan het onderwerp slechthorendheid zal een
afzonderlijk RGO-advies gewijd worden.
       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>De Raad constateert dat de huidige vorm van prioritering gedetailleerd is (zie
bijlage 4). Enerzijds schept dit duidelijkheid voor de onderzoekers die voorstellen
willen indienen, anderzijds kent het systeem ook nadelen. De gedetailleerde
prioritering maakt de kans groter dat bepaald relevant onderzoek niet bij een
prioriteit ingedeeld kan worden, ofschoon de programmacommissie in die
gevallen het voorstel vaak nog wel bij een zwaartepunt kan indelen. Bovendien
kan te scherp prioriteren leiden tot verlies van kwaliteit in het onderzoek, omdat
de ruimte voor creatieve inbreng van onderzoekers sterk beperkt wordt. Voorts
is een gedetailleerde prioritering zeer arbeidsintensief. Deze vereist regelmatige
bijstelling (op geleide van nieuwe ontwikkelingen en veranderde inzichten en
behoeften) en blijkt niet automatisch te leiden tot onderzoekvoorstellen op alle
geprioriteerde onderwerpen. Vóór de tussentijdse bijstelling in 1999 waren bij
sommige prioriteiten weinig voorstellen ingediend, bij andere juist veel en bij
enkele zijn in het geheel geen voorstellen ingediend. Om te zorgen voor een
meer evenwichtige verdeling van de onderzoekinspanningen over het terrein
heeft de Programmacommissie na de bijstelling voor sommige prioriteiten
(tijdelijk) geen voorstellen meer in behandeling genomen. Bijlage 4 geeft de
huidige stand van zaken weer. Een andere reden voor de ‘sluiting’ van enkele
prioriteiten is dat de resultaten van inmiddels gestart onderzoek of adviezen van
o.a. de Gezondheidsraad afgewacht moeten worden. Deze laatste reden illustreert
dat een deel van het preventieonderzoek gericht is op de lange termijn (in de
orde van grootte van tien jaar). Deze constatering zal consequenties moeten
hebben voor de continuïteit in het Programma Preventie en voor de looptijd van
de projecten (zie ook 3.1.5).
Voor prioriteiten waarbij weinig of geen onderzoekvoorstellen waren ingediend
(‘lacunaire gebieden’), werd (top down) onderzoek ‘uitgelokt’. De Raad vindt het
zeer te waarderen dat inmiddels onder vrijwel alle prioriteiten projectvoorstellen
zijn gehonoreerd. Het uitlokken van onderzoek op lacunaire gebieden vraagt
echter bijzondere aandacht voor de kwaliteit van dergelijk onderzoek.
De indeling in deelprogramma’s, die de Raad overigens geheel onderschrijft, zou
de indruk kunnen wekken dat projecten in een vervolgprogramma horen ‘door
te schuiven’ naar een volgend deelprogramma (bijv. van innovatie (DP 1) naar
effectiviteitsonderzoek (DP2) of van DP2 naar DP3 (implementatieonderzoek)).
Dit is echter in de praktijk niet vanzelfsprekend. Op grond van onderzoek in DP1
resp. DP2 kan immers blijken dat een bepaalde interventie niet in aanmerking
komt voor effectiviteitsonderzoek of niet geschikt is voor implementatie. Ook is
het mogelijk dat projecten op grond van eerder onderzoek in het buitenland
rechtstreeks in een ‘later’ stadium worden ingediend, bijv. in DP4 (uitvoerings-
projecten).
                                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>3.1.4      VRIJE RUIMTE
Een deel van het budget van preventieonderzoek is bestemd voor initiatieven
afkomstig uit het veld of het beleid. Deze zogeheten ‘vrije ruimte’ beslaat 5% van
het totale onderzoeksbudget. Dat wil zeggen dat binnen het programma
budgettaire ruimte is gelaten voor onderzoek dat weliswaar niet volledig aansluit
bij de prioriteiten en zwaartepunten maar dat vanwege de grote relevantie toch
voor honorering in aanmerking moet komen. ZON wil hierdoor rekening
houden met nieuwe ontwikkelingen of inzichten in de wetenschap en het beleid,
ook al is de prioritering in de loop van de tijd op een aantal onderwerpen al
bijgesteld. Uit de vrije ruimte wordt ook onderzoek gefinancierd over door de
minister aangewezen, zeer beleidsrelevante onderwerpen. Tot nog toe is er één
ministeriële aanwijzing geweest: HIV-screening van Amsterdamse zwangeren
door de GG&GD Amsterdam (Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheids-
dienst). Daarnaast zijn uit de vrije ruimte zes projecten gefinancierd die niet
onder een prioriteit of zwaartepunt vielen. Voor de komende twee beoordelings-
rondes resteert nog een relatief klein bedrag.
In de onderzoekwereld is men van het bestaan van deze vrije ruimte in het
algemeen niet goed op de hoogte en de criteria voor honorering uit de vrije
ruimte zijn onbekend.
3.1.5      LOOPTIJD VAN PROGRAMMA EN PROJECTEN
De looptijd van het programma is vijf jaar. Bij de aanvang van het programma
is vastgesteld dat voor een volgend programma opnieuw prioriteiten zouden
worden bepaald. De maximale duur van projecten die binnen het programma
worden gefinancierd is vier jaar. Dit betekent dat langdurig onderzoek, over een
periode van meer dan vier jaar, niet mogelijk is. Ook de externe evaluatiecom-
missie heeft vastgesteld dat er eigenlijk geen mogelijkheden zijn om langdurig of
infrastructureel (long-term follow up) onderzoek te financieren. Bij het Praeventie-
fonds waren lange termijn verplichtingen overigens wél mogelijk. ZON kan mede
om deze reden geen (mede)financiering uit het Programma Preventie bieden aan
langdurige, basale en voor preventie relevante gegevensverzamelingen
(cohortstudies zoals “Leidse Rijn”, “Ergo”, “Generation R”). Echter, met name
voor preventieve interventies (bijv. voorlichtingsprojecten) is een langere looptijd
essentieel om effecten (bijv. blijvende gedragsverandering) daarvan te kunnen
meten. Ook is het mogelijk dat de aandoening waarop de interventie gericht is
pas optreedt na een bepaalde (lange) periode, zoals hart- en vaatziekten en
kanker. Voortzetting van en continuïteit in het programma is essentieel om in de
toekomst antwoord te kunnen geven op de vraag of de huidige aanpak van de
preventie in Nederland adequaat is geweest en om in te kunnen spelen op
demografische en technologische ontwikkelingen.
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>3.2         NIEUWE      ONTWIKKELINGEN MET CONSEQUENTIES VOOR
            ONDERZOEK
De Raad signaleert enkele technische en wetenschappelijke ontwikkelingen die
van betekenis zullen zijn voor de preventieve zorg. Ten eerste brengen de snel
toenemende kennis over het humane genoom en toegenomen mogelijkheden
voor DNA-diagnostiek (PCR (Polymerase Chain Reaction), micro-arrays mogelijke
toepassingen ten behoeve van preventie met zich mee, bijv. door middel van
genetische screening. Hierin is maar ten dele voorzien in het huidige programma,
onder andere in de prioriteit “Ontwikkeling van nieuwe methoden voor de
preventie op grond van genetische kenmerken bij familiaire ziekten”. Deze
beperking tot familiaire ziekten zou in de toekomst kunnen vervallen. De Raad
verwacht in zijn advies over toepassing van de kennis uit het genoomonderzoek
aanbevelingen te kunnen doen over onderzoek in deze richting.
Ten tweede constateert de Raad dat er in het algemeen een toenemende aandacht
is voor behandeling van infertiliteit, waarbij de mogelijkheden tot preventie van
infertiliteit (bijv. door preventie van seksueel overdraagbare aandoeningen) en
andere preventieve aspecten van de voortplantingsgeneeskunde (te denken valt
aan pre-implantatiediagnostiek) minder aandacht krijgen dan gewenst. Dit zou
samen met enkele specifieke onderwerpen uit de huidige lijst van prioriteiten
(bijv. “onderzoek naar strategieën om de periconceptionele foliumzuursuppletie
ingang te doen vinden”, zie bijlage 4) onder de noemer “preventieve aspecten in
de voortplantingsgeneeskunde en preventie van infertiliteit” gebracht kunnen
worden.
3.3         FACETBELEID
Een deel van de maatregelen die de volksgezondheid ten goede komen ligt
buiten de directe invloedssfeer van het ministerie van VWS en wordt gewoonlijk
gevat onder de noemer facetbeleid of intersectoraal beleid. Dit beleid, dat zeer
relevant is voor public health2, is gericht op bijvoorbeeld verbetering van de
verkeersveiligheid, huisvesting, kwaliteit van voeding, arbeidsomstandigheden,
openbare hygiëne etc. De praktijk leert dat bij de aanpak hiervan een sterke,
moeilijk stuurbare verbreding van het begrip ‘preventie’ kan optreden, waarbij
de benadering vanuit verschillende departementen sterk uiteen kan lopen.
        2
         Public health: the art and science of preventing disease, promoting health,
and extending life through the organised efforts of society (definitie volgens
Acheson, 1998)
                                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Andere ministeries nemen op grond van andere overwegingen dan VWS
beslissingen die consequenties hebben voor de volksgezondheid. Voorbeelden
hiervan zijn de maatregelen ter preventie van legionella, het alcohol- en
tabaksbeleid, maatregelen op het gebied van verkeersveiligheid en de regels op
het terrein van de voeding.
Het belang van onderzoek is het bieden van een rationele basis voor veelal
ingrijpende maatregelen of het aanbieden van oplossingen voor problemen waar
nog geen interventie beschikbaar is. De Raad constateert dat maatregelen op
bovengenoemde terreinen in het Programma Preventie 1998-2002 niet tot
preventie in medische zin werden gerekend. De RGO beschouwt dit echter wel
als interventies in gezondheidskundige zin en vindt het dan ook uitermate
belangrijk dat bij andere departementen dan VWS aandacht komt of blijft voor
de mogelijkheden tot verbetering van de volksgezondheid. De RGO zal dit
eveneens aan de orde stellen in zijn advies over kennisinfrastructuur in de public
health, maar wil nu al onderstrepen dat VWS een belangrijke rol kan spelen bij
de (wetenschappelijke) onderbouwing van interventies die primair als doel
hebben de gezondheid te beschermen of te bevorderen.
       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>4          CONCLUSIES          EN AANBEVELINGEN
Alvorens afzonderlijke conclusies en aanbevelingen te presenteren, wil de RGO
het belang benadrukken van preventie en public health en het onderzoek op deze
gebieden. Volgens de huidige inzichten is een grotere gezondheidswinst te
bereiken door effectieve preventie dan door intensivering in de curatieve sector.
Een voorbeeld van een relatief recent succes in Nederland is het positieve effect
van borstkankerscreening op de sterfte aan borstkanker3. Het feit dat het vele
jaren heeft gekost om aan te tonen dat deze screening inderdaad effectief is, laat
tevens zien hoe belangrijk het is dat er mogelijkheden zijn voor langdurig
onderzoek. Gezien de maatschappelijke en financiële implicaties van preventieve
maatregelen op bevolkingsschaal staat buiten kijf dat deze maatregelen door
onderzoek onderbouwd moeten zijn. De Raad vindt dat het programmeren,
stimuleren en initiëren van preventieonderzoek thuis hoort bij een onafhankelijke
organisatie en ziet deze onafhankelijkheid gewaarborgd bij het onderbrengen van
het Programma Preventie bij ZonMw.
Het programmeren en doen van verantwoord wetenschappelijk onderzoek dat
aan hoge kwaliteitseisen en aan eisen van relevantie dient te voldoen was in het
verleden op het terrein van preventie geen vanzelfsprekendheid. Na de
waardevolle aanzet die gegeven was door het voormalige Praeventiefonds, is met
het lopende Programma Preventie een belangrijke stap voorwaarts gezet. De
Raad kan zich geheel vinden in de waarderende woorden en de conclusies van
de externe evaluatiecommissie, in het bijzonder waar het gaat om de wijze
waarop de prioriteiten uit het RGO-advies uit 1996 zijn gevolgd, de programma-
tische en samenhangende aanpak, de zorgvuldige en transparante selectieproce-
dures, de balans tussen onderzoek en implementatie, en de flexibiliteit waarmee
actualiseringen in het oorspronkelijke programma konden worden aangebracht.
Bij de interne en externe evaluaties is geen aanleiding gevonden tot grootscheep-
se veranderingen in de opzet van het programma en de procedures. De tijd
tussen de start van het programma en de evaluaties is te kort om uitspraken te
kunnen doen over de uiteindelijke impact van het onderzoek. De belangrijkste
conclusie van de Raad is dat de opzet werkt en dat het programma met geringe
        3
         Peeters PHM, Miltenburg GAJ, Fracheboud J, Gimbrère CHF, Hoger-
vorst, Colette HJA. Positief effect van borstkankerscreening op de sterfte aan
borstkanker: 17 jaar DOM-project in Utrecht geëvalueerd met patiënt-controle-
onderzoek. Ned Tijdschr Geneesk 143:247-251, 1999.
                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>bijstellingen moet worden voortgezet. Hiervoor dienen financiële garanties te komen.
Hoezeer ook begrijpelijk is dat het verantwoordelijk departement resultaten van
de programmering wil zien die op korte termijn toepasbaar zijn, toch wil de Raad
er op wijzen dat de programmerende instantie de nodige tijd moet worden
gegeven om een zo complexe opdracht goed uit te voeren. Het is achteraf de
vraag of het verstandig was al na een periode van ongeveer twee à drie jaar
(1997-1999), waarin met volle kracht aan de programmering van het onderzoek
moest worden gewerkt, relatief veel tijd kostende evaluaties uit te voeren die ook
de nodige onzekerheid teweeg brengen. De Raad pleit er met andere woorden
voor omvangrijke programma’s van onderzoek en implementatie als het
onderhavige goed te volgen op criteria van doelmatigheid en financieel beheer,
maar een beoordeling op maatschappelijk relevante resultaten pas na een periode
van ca. zes jaar te starten.
De RGO is er bij het opstellen van zijn aanbevelingen vanuit gegaan dat het
huidige budget voor het Programma Preventie4 (ca. 57 miljoen gulden of 26
miljoen EUR per jaar) ten minste ook voor het vervolg van het Programma
Preventie beschikbaar komt (met een aanpassing op basis van de inflatie). Op
grond van de gesignaleerde aandachtspunten (zie hoofdstuk 3) en bovenstaande
conclusies doet de RGO de volgende aanbevelingen:
1.       De Raad meent dat in het nieuwe programma voor preventieonderzoek
         geen aparte plaats voor tertiaire preventie ingeruimd hoeft te worden.
         Hij gaat er vanuit dat de programmacommissie ook in de toekomst
         flexibel zal blijven omgaan met de honorering van kwalitatief goede en
         relevante onderzoekvoorstellen die zich bevinden op het grensgebied
         tussen secundaire en tertiaire preventie. Op de langere termijn evenwel
         zal, mede gezien de ontwikkeling van het morbiditeitspatroon (vergrijzing,
         toename van het aantal chronisch zieken), onderzoek op het gebied van
         de tertiaire preventie een duidelijker plaats moeten krijgen, hetzij door een
         andere indeling van het preventieonderzoek, hetzij door het scheppen van
         mogelijkheden in een afzonderlijk programma.
2.       De Raad beveelt een minder gedetailleerde prioritering aan.
         Dat zorgt ervoor dat bijstellingen in het programma minder frequent
         kunnen zijn en dat, binnen aangegeven aandachtsgebieden, de creativiteit
         4
          Het budget bedraagt in totaal 283,3 miljoen gulden (128,6 miljoen EUR)
voor de gehele looptijd van vijf jaar, waarvan circa 136 miljoen gulden (62 miljoen
EUR) voor het preventieonderzoek in de deelprogramma's 1, 2 en 3, inclusief
onderzoek naar preventie van psychische en gedragsproblemen, en vrije ruimte.
         20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   en expertise van het onderzoeksveld optimaal gebruikt worden. Bij de
   onderwerpskeuze kan rekening worden gehouden met het ‘wetenschappe-
   lijk kapitaal’ (expertise, know how) dat in eerdere programmaronden is
   opgebouwd, maar ook met de ontwikkeling van nieuwe onderwerpen en
   onderzoekrichtingen die niet onder reeds omschreven prioriteiten vallen.
   De Raad acht de Commissie Preventie van ZonMw uitstekend in staat om
   ook op basis van een minder gedetailleerde programmering de meest in
   aanmerking komende projecten te selecteren.
3. Het top down aansturen (‘uitlokken’) van onderzoek op lacunes moet
   mogelijk blijven, maar vereist goede monitoring en beoordelingsmechanis-
   men van de projecten om de kwaliteit van het onderzoek te waarborgen.
4. Alleen onderzoekvoorstellen die voortkomen uit nieuwe gebieden
   (inzichten en/of ontwikkelingen die nog niet voorzien waren bij het
   vaststellen van de prioriteiten) zouden voor financiering uit de vrije ruimte
   in aanmerking moeten komen.
   Het aanwenden van de vrije ruimte voor onderzoek dat niet binnen de
   prioriteiten valt, draagt het risico van willekeur in zich. Om willekeur te
   voorkomen stelt de Raad voor bovenstaand criterium te gebruiken. De
   omvang van de vrije ruimte (5% van het onderzoekbudget) kan onveran-
   derd blijven. Geld uit de vrije ruimte dat niet gebruikt wordt dient terug
   te vloeien in het totale onderzoekbudget.
5. Uit het oogpunt van transparantie stelt de Raad voor aan de onderzoekers
   duidelijk maken in welke mate flexibiliteit mogelijk is (bijv. ‘slechts een
   beperkt aantal grensgevallen kan voor honorering in aanmerking komen’).
   Ook dienen onderzoekers ingelicht te worden over het bestaan van de
   vrije ruimte en over het feit dat het direct aanvragen van financiering uit
   die vrije ruimte niet mogelijk is. Het moet aan de programmacommissie
   voorbehouden blijven te beoordelen of een aanvraag voor financiering uit
   de vrije ruimte in aanmerking komt.
6. Het tussentijds uitzetten van beleidsrelevant onderzoek in opdracht van
   VWS met financiering uit de vrije ruimte zou niet ten koste moeten gaan
   van onderzoekvoorstellen die in het kader van het lopende programma
   zijn ingediend. De Raad zou het toejuichen als VWS een apart budget
   voor deze actuele, vanuit het beleid in te brengen onderwerpen zou
   creëren, een aanbeveling die ook al door de interne evaluatiecommissie
   is gedaan. De sturingsmogelijkheden van VWS voor onderzoek dat
   politiek of beleidsmatig van groot en onmiddellijk belang wordt geacht,
   nemen hiermee toe.
7. Het Programma Preventie moet blijvend op continuïteit kunnen rekenen,
   zodat ook een diepte-investering voor langere termijn mogelijk wordt.
                                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>      De Raad stelt voor de continuïteit in het programma als zodanig niet
      afhankelijk te maken van tussentijdse evaluaties. Preventieonderzoek is
      immers nooit ‘af’. Het moet kunnen inspelen op steeds beschikbaar
      komende en toe te passen kennis en op ontwikkelingen in de maatschap-
      pelijke behoeften. Een inhoudelijke bijstelling kan plaatsvinden op grond
      van een beoordeling van de resultaten en hun maatschappelijke relevantie.
      Er moet dan mee rekening worden gehouden worden met het feit dat
      projecten pas een aantal jaren na afloop daadwerkelijk maatschappelijke
      implicaties kunnen hebben.
8.    Voor onderzoek dat een langere looptijd vraagt dan drie à vier jaar zou
      het, in aanvulling op de bestaande projectfinanciering, mogelijk moeten
      worden programmasubsidies voor onderzoek met een looptijd van bijv.
      acht jaar beschikbaar te stellen.
9.    De Raad ziet als nieuwe prioriteit de preventie van infertiliteit en
      preventieve aspecten van de voortplantingsgeneeskunde.
10.   Ofschoon de Raad zich wil beperken tot de onderzoekprogramma’s
      (deelprogramma’s 1, 2 en 3) binnen het programma preventie, constateert
      hij dat er een knelpunt bestaat bij het in de praktijk brengen van bevin-
      dingen uit het onderzoek. Hij sluit zich aan bij de conclusies en aanbeve-
      lingen van de begeleidingscommissie Effectieve Implementatie 5. De Raad
      vindt verder van belang dat er mogelijkheden bestaan voor lokale of
      regionale uitvoeringsprojecten waarin nieuwe inzichten (voortgekomen uit
      onderzoek) in de praktijk worden gebracht en worden getoetst op
      toepasbaarheid. Op dit punt dient afstemming plaats te vinden met het
      programma Gezond Leven.
11.   Interdepartementale samenwerking dient versterkt te worden op de
      gebieden buiten het beleidsterrein van VWS waar preventieve maatrege-
      len mogelijk zijn ter bevordering van de volksgezondheid. Voorbeelden
      van gebieden die zich lenen voor een interdepartementale benadering
      (zogeheten facetbeleid) zijn voeding, openbare hygiëne (bijv. legionella)
      en arbeid en gezondheid. Onderzoek op die terreinen zal niet of nauwe-
      lijks uit het Programma Preventie gefinancierd kunnen worden, omdat
      binnen de onderwerpen op het directe terrein van de volksgezondheid nu
      al sterk geprioriteerd moet worden.
      5
        Deze zijn onder Bijlage 11 opgenomen in het rapport “Kansen voor de
toekomst: Een verkenningstocht naar mogelijkheden voor verbetering van het
Programma Preventie” (uitgave ZON, april 2001).
      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 1

Minivtatia van Volkagaressaid, Welrijn en Boot

Aan da voorzitter van de Raad voor Gezondheidsonderzoek
tas. de heer prof. dr. H.O.M, Rosner

Fastbus 18052

2500 EB DEN HAAG

Daag begraven kh indichnigen Bij Keane hi kisuti er Dan län

GEBGZI POTTI TT G. van “t Bosch (070) JÄOTZT? 1 [M Jom 2000
(at ree pi Dilageini User Briel
Presentiondarzoak,

ähh hear Aooijmans,

In 1336 haett de Raad vaar Gezendheldsenderzeek advies uitgebracht over de prienteiten
voor preventecnderzoek. Dit betref priocitering van prevantieonderzaek tan aanzien “an
primaire en secundaäre preventie binnen de zorgsector en de wijze waarop daaraan
uiteoering gegeven diende te worden.

Made op basis wan dit advies heb ik ZorgÖnderzoek Nederland opdracht werleend voor het
opstellen van een preventjeprogramma met een loopigd van 5 jaar, Het pravantieonderzaat
is conform het AGO-atvies ondergebracht in drie deelprogramma's binnen het Programma
Preventie 1996-2002, Daamaaar bevat het programma cok dealprogramma's vaar
uitwaering en implementatie waardoor sen perspectief ontstaat van onderzoek naar
inplernantatie,

Ik acht het van belang am te zorgen waar comtinuïtels in het onderzoek en de ontwikkeling
van preventie. Daarom heb ik mij voorgenomen om aansluitend aan het huidige Programma
Fravantia 1998-2007 aan nieuwe oporacht ta geven voor een preventiepragramma. Dit
nieuwe programma dient rekening te houden mat nihu ontwakkelingen an “raar mogelgk
qua varm an afbakening aangepas: te worden aan de huidige wensen, Besluitvorming
hierower dient enerzijds gebaseerd te zijn op een (procesmatige) evaluatie van het huidige
programma, Deze wordt momenteel door ZON uitgevoerd. Daarnaast is het nodeg om te
bezien welke inhoudelijke prioritesten voor de periode dat dit nieuwe programma zal oper
gesteld maar warden,

Mat het oog hierop warzoak ik u mij in vervolg op hat adwiaa uit 1996 ta adviseren over de
prioriteiten waar preventieonderzoek in de periode na 2002. Ik werzeek u hierbij rekening 1e
heuden met nieuwse catwikketngen, met onderzaeka- an gtimularingäprogramma's die reeds
lapan en mat onderzoek dat reads is uitgevoerd op dit terrein, zoals de tussentydse analyse
die in opdracht van ZON heaft plaatsgevonden an die geleid heelt tot bestelling van het
Pragramma Fravansie in 1999,

Posthea 70050 [TES LE IL UH Commigo redimniim 1 Ir mi
FROG EI DEN HAAG Patraansusgdein 5 FETT dan het pasa PAAL AF ni
Talstnan (07) JAC 70 11 ZEND WM DEN HAAG mat warraeiding va da

Fan (Ten Zl Ji Ja Balen én het Kenmerk van

Sara briaf.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>4
/
Ministers van Volkagearondhwed, Welzijn an Sparl |
Kiuri
2

Kenmark

GZEIGEZOA TIE 7
In varband met de benodigde wmorbereidingstijd waor de start wan gen nieuw programma in

2003 verzoek ik u om uw advies uit ta brangen in het voorjaar van 2001.

Haagachtend,

de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

Brat

dr. E. Borst-Eilers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 2
SAMENSTELLING         COMMISSIE     PREVENTIEONDERZOEK
Prof. dr. J.A. Knottnerus (voorzitter)        Gezondheidsraad
Prof. dr. H.R. Büller                         AMC
Mw. dr. Y. van der Graaf                      UMC Utrecht
Mw. dr. M. Mootz                              RMO
Prof. dr. C. van Weel                         KUN
Prof.dr. J.W. Wladimiroff                     EUR
Dr. C.H. Langeveld (secretaris)               RGO
Mw. dr. L. van der Voorn (secretaris)         RGO
Drs. H.W. Benneker (waarnemer)                RGO
Prof. dr. H.G.M. Rooijmans (waarnemer)        RGO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 3
GERAADPLEEGDE          PERSONEN
Prof. dr. P.J. van der Maas     EUR
Mw. dr. M.B.J.A. Janssens       ZonMw
Mw. ir. G. van ‘t Bosch         VWS/GZB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 4
PRIORITEITEN        PROGRAMMA PREVENTIE
Dit overzicht geeft de huidige prioriteiten weer, inclusief de prioriteiten die bij
de bijstelling in 1999 zijn geïntroduceerd. De tabel vermeldt de aantallen
gehonoreerde projecten per prioriteit. Een leeg vakje betekent dat het onderwerp
geen prioriteit is in het desbetreffende deelprogramma.
 PRIORITEIT                                                    DEELPROGRAMMA
                                                                1       2     3
 preventie van de ontwikkeling en de verspreiding van           8       2     1*
 resistente micro-organismen, intra- en extramuraal en van
 ziekenhuisinfecties
 ontwikkeling van GVO-strategieën met betrekking tot de         0
 preventie van infectieziekten bij jonge allochtone kinderen
 onderzoek naar nieuwe vaccins                                          3     0*
 onderzoek naar de effecten en kosten van de verschillende              1
 interventies ten aanzien van de preventie, opsporing en
 behandeling van tuberculose
 onderzoek naar de effecten en kosten van vaccinatie tegen              0
 meningokokkeninfectie (serotype B) in Nederland
 implementatieonderzoek met betrekking tot Hepatitis B-                       0*
 vaccinatie
 onderzoek ten behoeve van de ontwikkeling of de verbetering    3
 van screeningsmethoden (tumormarkers, imagingtechnieken)
 voor niet van buitenaf detecteerbare, betrekkelijk veel
 voorkomende vormen van kanker
 onderzoek mogelijkheden van biochemopreventie van kanker       4
 onderzoek naar effecten en kosten van verschillende vormen             7
 van kankerscreening
                                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>PRIORITEIT                                                   DEELPROGRAMMA
                                                              1     2   3
ontwikkeling van nieuwe methoden voor de preventie op         7
grond van genetische kenmerken bij familiaire ziekten
ontwikkeling van GVO-strategieën ten behoeve van              1
allochtonen met betrekking tot erfelijke ziekten en metabole
stoornissen
onderzoek naar de effecten en kosten van verschillende              7
vormen van bevolkingsonderzoek op erfelijke ziekten
onderzoek naar (lange termijn) effecten van vroegtijdige            6
ontdekking en behandeling van diabetes mellitus type II
(NIDDM)
onderzoek naar psychische gezondheidsschade ten gevolge             3
van kennis over de aanwezigheid van genetische risico’s of
over de kans op gezondheidsproblemen
onderzoek naar factoren die de opkomst verklaren bij                    **
screeningsprogramma’s zoals bij antenatale screening op het
syndroom van Down
preventie van psychische en gedragsproblemen bij jeugdigen    9     7
onderzoek ten behoeve van de preventie van psychische         2     6
problemen bij ouderen
onderzoek gericht op de preventie van psychische problemen          2   1*
bij verzorgers van dementerenden en andere chronisch zieken
effecten van GVO ter preventie van sociale uitsluiting en           3
eenzaamheid
vroegtijdige opsporing van schizofrenie, met name bij mensen  1
met een hoog risico
ontwikkeling van strategieën voor primaire en secundaire      1
preventie van seksueel geweld met vooral aandacht voor
specifieke doelgroepen (migranten en jongens/mannen)
      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>PRIORITEIT                                                    DEELPROGRAMMA
                                                               1     2   3
onderzoek naar het effect van verbetering van sociale                5
vaardigheden en stressmanagement ter voorkoming van
psychische morbiditeit
onderzoek naar nieuwe screeningstests voor de vroege           5
opsporing van risicovolle atherosclerotische veranderingen
onderzoek naar het effect van gecombineerde                          4
leefstijlaanpassingen op de preventie van (de gevolgen van
hypertensie)
effectiviteit en doelmatigheid van vroege opsporing van              0
gehoorverlies bij 55-plussers
onderzoek naar nieuwe preventiemogelijkheden van               2
chronische luchtwegaandoeningen
effectiviteits- en doelmatigheidsonderzoek van preventie van         2
decubitus
effecten en kosten van voorlichting en adviezen ter preventie        0
van artrose
onderzoek naar voorlichting en training ter preventie van            3
arbeidsgebonden rugpijn
onderzoek naar de waarde en haalbaarheid van                         6
bevolkingsonderzoek van 70-plussers naar
botmineraaldichtheid
onderzoek implementatie van vitamine D suppletie aan                     0*
chronisch zieken en geïmmobiliseerden
onderzoek naar de mogelijkheden van primaire en secundaire     3
preventie van incontinentie
onderzoek naar de mogelijkheid om de gezondheid van            0
alleenstaande zwangeren en moeders te bevorderen
                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>PRIORITEIT                                                     DEELPROGRAMMA
                                                                1     2    3
onderzoek naar de doelmatigheid van onderdelen van de                 7
preconceptionele en prenatale zorg
onderzoek naar de effectiviteit van onderdelen van de jeugd-         18
gezondheidszorg, inclusief de preventieve jeugdtandzorg
ontwikkeling en toetsing van voorlichtingsinterventies gericht  0     0
tegen het roken in huizen waar zuigelingen wonen
preventie van excessief huilen door babies                      1
onderzoek naar strategieën om de periconceptionele                        ***
foliumzuursuppletie ingang te doen vinden
implementatieonderzoek naar maatregelen om het geven van                  0*
borstvoeding te bevorderen
ontwikkeling van op specifieke doelgroepen gerichte             7
gedragsbeïnvloedende strategieën, met name ten behoeve van
gezondheidsvoorlichting aan groepen met een lage sociaal-
economische status en aan ouderen
onderzoek naar gedrags- en omgevingsdeterminanten die           2
bepaalde jongeren tot alcohol- en druggebruik brengen en
anderen niet
onderzoek van GVO-strategieën gericht op behoud van             2
gezond gedrag (relapse prevention)
onderzoek naar gedragsgerichte preventie via moderne            5     5   0*
communicatietechnologie
ontwikkeling en effectiviteitsonderzoek van mogelijkheden       1     3
voor de gedragsgerichte preventie van ongevallen, met name
gericht op (allochtone) kinderen, jongeren en ouderen en op
settings en, waar mogelijk, met speciale aandacht voor de
‘community-benadering’ als preventiestrategie
onderzoek naar interventies met betrekking tot overgewicht bij  0
jeugdigen en volwassenen
      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>PRIORITEIT                                                     DEELPROGRAMMA
                                                                1     2   3
effectiviteits- en doelmatigheidsonderzoek van                        3
voorlichtingsinterventies over voeding
onderzoek naar de effecten en de kosten van                           6
voorlichtingsinterventies over veilig vrijen bij verschillende
groepen in de bevolking
onderzoek naar GVO-interventies gericht op het niet beginnen         10   1
met roken en het stoppen met roken
evaluatieonderzoek (waaronder effectiviteits- en                     10
doelmatigheidsonderzoek) van publiekscampagnes
ontwikkeling toepassingsmogelijkheden en                        2     9
doelmatigheidsonderzoek van interventies voor primaire en
secundaire preventie van gezondheidsproblemen die vaak
leiden tot ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
onderzoek naar de effecten van oestrogeensuppletie                    5
onderzoek naar de compliance met betrekking tot preventieve     1     4   5
interventies
onderzoek naar verbetering van het bereik van                             5
preventieprogramma’s onder moeilijk bereikbare groepen als:
migranten, zwerfjongeren, dak- en thuislozen
gezondheidseffectscreening (screening van beleid en             1
beleidsvoornemens op potentiële effecten op de gezondheid)
onderzoek naar de ontwikkeling en evaluatie van ‘community      0     7
based’ interventies
evaluatie onderzoek van vormen van programmatische                   14
preventie in de extramurale zorg
ontwikkeling en implementatieonderzoek van instrumenten en      2         0*
checklisten op het gebied van gedragsgerichte interventies
gericht op toepassing van huidige kennis (zoals PREFFI en
Intervention Mapping)
                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  PRIORITEIT                                                        DEELPROGRAMMA
                                                                     1     2     3
  onderzoek naar implementatie-strategieën voor                                  3
  beroepsgroepen om doelmatig en effectief gebleken
  preventieprogramma’s daadwerkelijk in te voeren
  onderzoek naar de ontwikkeling, toepassing en evaluatie van                    2
  bestuurskundige, onderwijskundige en marketing modellen en
  processen ten behoeve van de implementatie van preventieve
  maatregelen in de dagelijkse praktijk
  onderzoek naar de ontwikkeling en evaluatie van interventies                  0*
  gericht op de feitelijke invoering van richtlijnen, procedures en
  effectieve maatregelen in de dagelijkse praktijk
  onderzoek naar de morele aspecten van keuzen tijdens het                       9
  ontwikkelingstraject van preventieve maatregelen, onder
  andere bij de afwegingen met betrekking tot de beslissing
  preventiemaatregelen wel of niet te implementeren
  onderzoek naar de juridische aspecten verbonden aan de                         0
  invoering van effectieve en doelmatige preventieprogramma’s
  onderzoek naar de afbouw van zinloze preventie                                0*
*        In 1999 opgenomen als nieuwe prioriteit.
**       Gewacht wordt op het Gezondheidsraad advies Prenatale screening alvorens top-
         down onderzoek te stimuleren.
***      Onderzoek op deze prioriteit wordt top down gestimuleerd.
         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 5
OVERZICHT    VAN GERAADPLEEGDE RAPPORTAGES
-   Prioriteiten in Preventieonderzoek, Onderzoeksverslag Instituut Maat-
    schappelijke Gezondheidszorg EUR, TNO Preventie en Gezondheid,
    RGO, 1996
-   Prioriteiten voor Preventieonderzoek, advies nr. 13, RGO, april 1996
-   Programma Preventie 1998-2002, ZON, oktober 1997
-   Advies Onderzoek geestelijke gezondheidszorg en geestelijke volksgezond-
    heid, RGO, april 1999
-   Programma Preventie 1998-2002, Bijstelling onderzoeksprioriteiten, ZON,
    juni 1999
-   Interne evaluatie Programma Preventie, ZON, juni 2000
-   Externe evaluatie Programma Preventie, ZON, oktober 2000
-   Nota VWS “Toepassing van genetica in de gezondheidszorg”, december
    2000
-   Programma Gezond Leven, zoektocht naar Vernieuwing, ZON, januari
    2001
-   Advies Onderzoek Sportgezondheidszorg, RGO, maart 2001
-   “Kansen voor de toekomst”: Een verkenningstocht naar mogelijkheden
    voor verbetering van het Programma Preventie’, ZON, april 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 6
LIJST MET AFKORTINGEN
AMC                Academisch Medisch Centrum Amsterdam
EUR                Erasmus Universiteit
GVO                Gezondheidsvoorlichting en opvoeding
KUN                Katholieke Universiteit Nijmegen
RGO                Raad voor Gezondheidsonderzoek
RMO                Raad voor Maatschappelijk Onderzoek
RVZ                Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
UMC Utrecht        Universitair Medisch Centrum Utrecht
ZON                ZorgOnderzoek Nederland
VWS                Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
ZonMw              Het samenwerkingsverband van ZorgOnderzoek
                   Nederland (ZON) met het Gebied Medische We-
                   tenschappen van de Nederlandse Organisatie voor
                   Wetenschappelijk Onderzoek (MW-NWO)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>        De Raad voor Gezondheidsonderzoek      Postadres:
(RGO) heeft tot taak de ministers van Volks-   Raad voor
gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On-    Gezondheidsonderzoek
derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW),     Postbus 16052
en van Economische zaken (EZ) te adviseren     2500 BB Den Haag
over prioriteiten in het gezondheidsonder-
zoek, in het zorgonderzoek en de technologie-  Bezoekadres:
ontwikkeling in deze sector, evenals over de   Parnassusplein 5
daarbij behorende infrastructuur. Het maat-    2511 VX Den Haag
schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO
steeds het uitgangspunt.                       telefoon
        Dit advies gaat in op het preventie-   (070) 340 75 21
onderzoek in Nederland. Het bavat een          fax
beschouwing over het lopende Programma         (070) 340 75 24
Preventie 1998-2002 en doet aanbevelingen      e-mail
voor de vortzetting van het Programma          bureau@rgo.nl
Preventie.                                     website
        De publicaties van de RGO zijn via de  www.rgo.nl
website van de RGO te raadplegen.
RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK                 Publicatie 33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>