<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                          1
Summary                                                               5
1    Inleiding                                                        9
2    Onderzoekdomein sportgezondheidszorg                            13
     2.1    Beschrijving van het onderzoekdomein                     13
     2.1.1 Beschrijving van het werkterrein van de sportarts en
            sportfysiotherapeut                                      14
     2.1.2 Toelichting op het begrip preventie                       15
     2.1.3 Afgrenzing t.a.v. GVO                                     15
     2.2    Werkwijze                                                16
     2.2.1 Indeling onderzoek in de sportgezondheidszorg             17
     2.2.2 Positieve effecten van sporten en bewegen op de
            gezondheid                                               18
     2.2.3 Negatieve effecten van sporten en bewegen op de
            gezondheid                                               19
     2.3    Verwerking van gegevens                                  20
     2.4    Recente ontwikkelingen op het gebied van de
            sportgezondheidszorg                                     20
3           Lopend en gewenst onderzoek op het gebied van de
            sportgezondheidszorg                                     23
     3.1    Inventarisatie van lopend onderzoek in Nederland         23
     3.1.1 Samenvatting van het lopende onderzoek op hoofdlijnen
            per onderzoekinstituut                                   23
     3.1.2 Onderzoek naar de positieve en negatieve effectenvan
            sport en bewegen op de gezondheid                        33
     3.2    Inventarisatie behoefte aan onderzoek                    36
4           Programmering van onderzoek en versterking van
            onderzoekinfrastructuur                                  43
     4.1    De vraag naar wetenschappelijk onderzoek                 43
     4.2    Afstemming van het aanbod aan wetenschappelijk onderzoek
            op de vraag naar onderzoek                               43
     4.3    Programma onderzoek op het gebied van de
            sportgezondheidszorg                                     49
     4.4    Knelpunten in het onderzoek                              52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>       4.5    Versterking onderzoekinfrastructuur                   54
       4.6    Onderzoekprogramma Sportgezondheidszorg               55
       4.7    Afstemming wetenschappelijke onderzoekcentra en
              kenniscentra                                          56
Referenties
Bijlagen
1      Adviesaanvraag
2      Samenstelling van de commissie
3      Notitie reikwijdte advies RGO-commissie Sportgezondheidszorg
4      Geraadpleegde deskundigen
5      Lijst met aandachtspunten wetenschappelijk onderzoek in de
       sportgezondheidszorg
6      Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>SAMENVATTING
De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) ontving op 27 september 1999 een
adviesaanvraag van de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS)
over de programmering van het wetenschappelijk onderzoek in de
sportgezondheidszorg en de versterking van de infrastructuur op dit gebied
(bijlage 1).
De Raad heeft ter voorbereiding van zijn advies een commissie ingesteld
bestaande uit deskundigen (bijlage 2). Onder sportgezondheidszorg wordt in dit
advies verstaan alle gezondheidsproblematiek in relatie tot sportbeoefening c.q.
bewegen. Sporten en bewegen kunnen zowel positieve als negatieve effecten op
de gezondheid hebben: bevordering van de fitheidstoestand en preventie van
bepaalde chronische ziekten enerzijds, maar anderzijds ook schade door
sportspecifieke      letsels.  Het   wetenschappelijk      onderzoek       in     de
sportgezondheidszorg richt zich op beide soorten van effecten. De positieve en
negatieve effecten vormen de leidraad voor het advies. Deze effecten kunnen
optreden bij zowel gezonden (kinderen; volwassenen; ouderen) als bij mensen
met een beperking (chronisch zieken en gehandicapten), door lichamelijke
inactiviteit, recreatief bewegen en het beoefenen van breedtesport of topsport.
Bij het onderzoek naar de positieve effecten wordt specifiek ingegaan op de
onderbouwing van gestructureerde preventieve gezondheidsbevorderende
bewegingsprogramma’s voor bepaalde doelgroepen, zoals mensen met
chronische ziekten (hart- en vaatziekten, diabetes mellitus).
Gezondheidsvoorlichting en opvoeding (GVO) in de zin van massamediale
voorlichting (campagne) is buiten beschouwing gebleven, evenals het onderzoek
op het gebied van de revalidatiegeneeskunde en bedrijfsgeneeskunde
(reïntegratie) (bijlage 3).
Topsport en breedtesport worden beide van belang geacht. Breedtesport krijgt
de meeste aandacht gezien de brede impact op de gezondheidsbevordering en
-bescherming van de algemene populatie. De nadruk ligt op het bevorderen van de
gezondheid door middel van de sport en niet zozeer op het verbeteren van de prestatie
door de sport. Uiteraard zijn onderzoekvraagstellingen bij topsporters van
betekenis voor breedtesporters en patiënten. Tevens wordt meer belang gehecht
aan het sportgezondheidsonderzoek dan aan het sportonderzoek.
Ter voorbereiding van het advies is een inventarisatie gemaakt van het
lopende/huidige wetenschappelijke onderzoek en van lacunes in de
sportgezondheidszorg (de aanbodzijde) en van het gewenste onderzoek op dit
gebied (de vraagzijde). Via gestructureerde interviews bij ruim 40 deskundigen
van zowel vraag- als aanbodzijde (bijlage 4) werd informatie verkregen over het
                                                                           1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>bestaande onderzoek in Nederland, de omvang, financiering en belemmerende
factoren van het onderzoek en de toekomstige behoefte aan onderzoek. De
verkregen informatie werd samengevat aan de hand van tabellen. Deze
samenvatting is beoordeeld op consistentie en samenhang.
Uit de inventarisatie van het lopend onderzoek blijkt dat meer
onderzoekinstituten onderzoek doen naar de positieve effecten van sporten en
bewegen dan naar de negatieve effecten. Bij het onderzoek naar de positieve
effecten van sporten en bewegen richten de meeste onderzoekinstituten zich op
het houdings- en bewegingsapparaat, in iets mindere mate op hart, vaten en
longen en in veel mindere mate op het neuro, immuno-, endocriensysteem en de
tractus digestivus. Lacunes bestaan op het gebied van psychische aandoeningen,
longkanker en borstkanker.
Bij het onderzoek naar de negatieve effecten van sporten en bewegen richten de
meeste onderzoekinstituten zich op letsels aan het houdings- en
bewegingsapparaat, met name de onderste en bovenste extremiteit en in veel
mindere mate op wervelkolom/bekken en hoofd/hals. Geen onderzoek (lacune)
wordt verricht op het gebied van letsels aan borst/buik. Op het gebied van hart,
vaten en longen, neuro-, immuno-, endocriensysteem en tractus digestivus wordt
door weinig onderzoekinstituten onderzoek vericht.
Uit de inventarisatie naar de vraag aan onderzoek blijkt dat er behoefte is aan
onderzoek op de gebieden effectiviteit en doelmatigheid van sporten en bewegen;
overbelasting en blessures; specifieke doelgroepen; implementatie; organisatie
en uitoefening sportgezondheidszorg. Vervolgens is nagegaan in hoeverre vraag
en aanbod van het onderzoek op elkaar zijn afgestemd, door per gebied te bezien
welk onderzoekinstituut hierop onderzoek verricht.
Dit heeft geleid tot een drietal overwegingen aan de hand waarvan opnieuw de
gesignaleerde behoefte is beoordeeld. Deze overwegingen zijn: 1. de
gesignaleerde behoefte aan onderzoek is in redelijke balans met het huidige
onderzoeksaanbod; 2. er is sprake van een duidelijke disbalans tussen
onderzoeksvraag en aanbod en dus is stimulering van dit in essentie
toepassingsgerichte onderzoek gewenst; 3. het betreft onderzoek van meer
fundamentele aard, waarvan concrete toepassingsmogelijkheden voor de
sportgezondheidszorg nog onduidelijk zijn. Dit type onderzoek past niet zo zeer
binnen een op maatschappelijke problematiek georiënteerd RGO-advies.
Het onderzoek dat in disbalans is, wordt als zwaartepunt aangewezen. Dit heeft
geresulteerd in de volgende vijf zwaartepunten voor onderzoek (zie paragraaf
4.3):
1.     effectiviteit en doelmatigheid van sporten en bewegen: a. onderzoek naar
       de effectiviteit van verschillende typen van sporten/bewegen in relatie tot
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>       preventie van aandoeningen/ziekten; b. onderzoek naar de optimale
       relatie tussen bewegen en gezondheid; c. kosten-effectiviteit van
       (maatregelen m.b.t.) sporten en bewegen in termen van gezondheidswinst
       en economische voordelen; d. bewegingsprogramma’s;
2.     overbelasting en blessures: a. preventie sportblessures en klachten; b.
       diagnostiek, prognose en behandeling van sportletsels; c. etiologisch
       onderzoek van overbelastingsblessures;
3.     specifieke doelgroepen: in het bijzonder worden genoemd chronisch
       zieken/gehandicapten, ouderen, werkenden en jongeren;
4.     implementatie van bewegingsprogramma’s, behandelingsrichtlijnen en
       preventierichtlijnen;
5.     organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg: a. onderzoek naar
       opvang, begeleiding en behandeling van (top)sporters/bewegers; b.
       onderzoek naar de kwaliteit van de sportgezondheidskundige
       begeleiding/zorg en zorgverleners; c. onderzoek naar de toepassing en het
       effect van sportkeuringen en begeleiding.
Uit de inventarisatie wordt duidelijk dat het onderzoek op het gebied van de
sportgezondheidszorg wordt verricht aan medische en niet-medische faculteiten
en buitenuniversitaire onderzoekinstituten. De niet-medische faculteiten zijn de
faculteiten bewegingswetenschappen, gezondheidswetenschappen, sociale
wetenschappen en technische wetenschappen. Het totale aantal beschikbare fte
wetenschappelijk personeel op het gebied van sport, bewegen en gezondheid
(circa 115-120 fte wp) is over een groot aantal onderzoekgroepen verspreid.
Geschat wordt dat circa 100 fte wp universitair werkzaam is en circa 18 fte wp
buitenuniversitair. Bij het relatief grote aantal fte wetenschappelijk personeel
dient men te bedenken dat het gaat om een groot onderzoekterrein (sport,
bewegen en gezondheid) en dat het onderzoek nogal versnipperd is.
Het universitaire onderzoek in de sportgezondheidszorg, zoals geïnventariseerd,
wordt voor circa (gemiddeld) 30-35% (range 15%-80%) gefinancierd uit de eerste
geldstroom, de basisfinanciering van de onderzoekinstelling. Dit kan worden
beschouwd als structurele financiering. Het overige onderzoek vindt plaats op
projectbasis. Dit betekent dat onderzoek kortlopend wordt verricht, met
wisselende medewerkers. Het sportgezondheidsonderzoek maakt op ad hoc basis
gebruik van middelen uit fondsen van verschillende instanties, maar er is geen
“eigen” aan sportgezondheidszorg gerelateerde bron van financiering.
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De volgende aanbevelingen worden gedaan:
1.    Het universitaire en buitenuniversitaire onderzoek dient tot enkele
      concentratiepunten te worden gebundeld, die aan de hand van
      leerstoelomschrijvingen kunnen worden geformuleerd. De Raad beveelt
      aan drie leerstoelen in te stellen, met leeropdrachten op geleide van de vijf
      zwaartepunten. Deze leerstoelen dienen te worden ondersteund met een
      vaste staf (3 à 4 fte) en zijn onder te brengen bij medische faculteiten.
      Hiervoor lijken (in willekeurige volgorde ) RUG, UM, UMCU en VU een
      goede uitgangspositie te hebben.
2.    Ter bevordering van coördinatie en afstemming van het onderzoek in de
      sportgezondheidszorg dient een landelijk overlegorgaan te worden
      opgericht. Hierin zouden representanten uit het zorgveld (sportartsen,
      sportfysiotherapeuten, VSG, NVFS, etc.), beoogde leerstoelhouders,
      onderzoekers en het NOC*NSF zitting moeten hebben. Op deze manier
      worden vanuit verschillende invalshoeken gedachten samengebracht over
      het prioriteren van onderzoek, kwaliteitsbewaking van de
      sportgezondheidszorg en van de opleidingen binnen deze zorg.
3.    Een onderzoekprogramma sportgezondheidszorg wordt ingesteld, onder
      te brengen bij ZON, in nauwe samenwerking met MW-NWO. Het in punt
      2 genoemde overlegorgaan geeft voeding aan het programma met
      informatie uit het zorg- en onderzoekveld. Voor de uitvoering van dit
      programma acht de Raad een bedrag van 40 miljoen gulden nodig met
      een stimuleringsperiode van acht jaar. Geadviseerd wordt dit gefaseerd op
      te bouwen, bijvoorbeeld 2 miljoen gulden in 2001 opklimmend tot 5 à 6
      miljoen gulden in de jaren erna. Tevens stelt hij voor de stimulering te
      koppelen aan de eerder genoemde zwaartepunten voor onderzoek. In het
      verlengde hiervan is het noodzakelijk met circa de helft van het
      bovengenoemde         bedrag       de     ontwikkeling    van     genoemde
      concentratiepunten te stimuleren.
4.    Het onderzoek dient zowel top-down als bottom-up aangestuurd te
      worden, omdat het onderzoek op dit terrein versnipperd is. Tevens hecht
      de Raad veel belang aan een goede toegankelijkheid van de
      wetenschappelijke centra, vooral voor sportfysiotherapeuten, trainers en
      begeleiders. Tenslotte acht hij het wenselijk dat er overleg en afstemming
      plaats vindt tussen de wetenschappelijke onderzoekcentra en de reeds
      bestaande of in oprichting zijnde kennis- en disseminatiecentra.
      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>SUMMARY
On September 27 1999, the Advisory Council on Health Research (RGO) was
asked by the Minister of Health, Welfare and Sport (VWS) to prepare a report
on the programming of sports, physical activity and health research and on
possible infrastructural improvements in this field (see Appendix 1).
The Council accordingly formed a committee of experts (see Appendix 2). It was
decided that sports health should be interpreted as including all health issues
relating to sporting activities or exercise/physical activity. Sport and exercise can
have both positive and negative effects on health: increasing fitness and
preventing certain chronic conditions on the one hand, but causing injury on the
other. Effects of both types are regularly the subject of scientific research. The
Council’s report is structured around these positive and negative effects, which
are seen in both healthy individuals of all ages and in people with chronic
illnesses or disabilities, and are associated with physical inactivity, recreational
exercise, recreational sport and top-level sport.
Where research into the positive effects of sport is concerned, special attention
is paid to the scientific basis for structured preventive health programmes for
particular groups, such as people with cardiovascular disease, diabetes mellitus
or other chronic conditions.
The public dissemination of health information via the mass media is not
considered in the report, nor is research into rehabilitative care or occupational
health care (reintegration). (See Appendix 3.)
Both top-level sport and recreational sport are considered important, but the
report gives more attention to the latter because of its greater significance for the
health of the population at large. Emphasis is given to sport as a means of health
promotion rather than to improving performance. Naturally, issues that are the
subjects of research in top-level sport can be relevant for people who do sport at
a lower level and for patients. Furthermore, greater importance is attached to
sports health research than to sports research.
The Council’s first step in preparing the report was to make an inventory of
ongoing research and gaps in sports health care (the supply side) and of the areas
where research is needed (the demand side). Structured interviews with more
than forty experts involved either on the supply side or the demand side (see
Appendix 4) were used to get a picture of the present research situation in the
Netherlands, of the extent and funding of research, of the factors restricting
research and of future research needs. The information thus obtained was
summarised in a number of tables, then assessed for its consistency and
coherence.
                                                                             5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>The inventory of ongoing research revealed that research institutes are more
inclined to investigate the positive effects of sport and exercise than the negative
effects. Studies into the positive effects tended to focus on the musculoskeletal
system and, to a lesser extent, on the cardiovascular and pulmonary systems;
much less research was done in connection with the neurological system,
immune system, endocrine system or digestive system. Gaps exist in relation to
psychiatric illness, lung cancer and breast cancer.
Most researchers looking into the negative effects of sport and exercise were
concerned with injuries to the musculoskeletal system, particularly the upper and
lower extremities and, to a much lesser extent, the spinal column/pelvis and the
head/neck. Few research institutes were doing work into negative effects on
cardiovascular system, pulmonary system, neurological system, immune system,
endocrine system or digestive system.
The demand-side inventory revealed a need for research in the following areas:
the effectiveness and efficiency of sport and exercise; strain and injury; sport and
exercise in relation to particular groups; implementation; and the organisation
and practice of sports health care. The level of correlation between the supply
and demand patterns was assessed by determining which institutes were active
in each field. Next, demand was assessed in relation to three specially defined
descriptors: 1. Current supply and demand are broadly in line; 2. There is a clear
imbalance between supply and demand, making the promotion of this essentially
application-oriented research desirable; 3. The research is of a more fundamental
nature and does not yet have clear applications in sports health care.
Research fields to which descriptor 3 applies are not strictly relevant to the
RGO’s focus area
Research fields in which there is an imbalance were highlighted as priority areas.
Thus, five priority areas were identified (see subsection 4.3.).
1.      The effectiveness and efficiency of sport and exercise, including: a.
        research into the effectiveness of various forms of sport/exercise in
        relation to the prevention of particular conditions/illnesses; b. research
        into the optimal relationship between exercise and health; c. research into
        the cost-effectiveness of (measures involving) sport and exercise in terms
        of health benefits and economic benefits; d. research into exercise
        programmes.
2.      Strain and injury: a. the prevention of sports injuries and sport-related
        problems; b. the diagnosis, prognosis and treatment of sports injuries; c.
        etiological research into strain-related injury.
3.      Specific groups, such as people with chronic illnesses or disabilities, older
        people, working people and young people.
        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>4.      The implementation of exercise programmes, treatment guidelines and
        prevention guidelines.
5.      The organisation and practice of sports health care, including: a. research
        into the support, supervision and treatment of (top-level)
        sportspeople/exercisers; b. research into the quality of sports health care
        and supervision/care and care providers; c. research into the use and effect
        of sports checkups and supervision.
From the inventory made to identify problems in the field of sports health
research, it is clear that research is conducted at universities (in faculties of
medicine and in other faculties) and at non-university research institutes. ‘Other’
university faculties involved in this field include sports science, health science, -
social science and technology. The available academic staff (about 115 to 120
fte’s) which is active in the field of sport, exercise and health, is divided between
a large number of research groups. It is estimated that about a hundred of them
work in universities and about eighteen elsewhere. Although this is quite a large
number of people, the size of the field (sport, exercise and health) needs to be
taken into consideration, as does the fragmented nature of the research activities.
According to the inventory, university research into sports health care is funded
to the tune of 30 to 35 per cent from primary sources (i.e. the university’s basic
budget). This figure is an average, with the range extending from 15 to 80 per
cent. This may be regarded as structural funding. Other research is conducted on
a project basis, i.e. involves short-duration studies carried out by different
researchers. Funding from various bodies is used for sports health research on an
ad hoc basis, but there is no dedicated source of funds for such research.
The Council makes the following recommendations:
1.      University and non-university research should be concentrated in a small
        number of centres with appropriate professorship definitions. Three
        professorships should be created, each with a remit based upon the five
        priority research fields. Each should be supported by a permanent staff of
        three or four fte’s and should be within the medical faculty of a leading
        university. Obvious candidate universities include (in no particular order)
        those of Groningen, Maastricht, Utrecht and the Free University of
        Amsterdam.
2.      It is desirable that a national consultative forum should be established to
        promote the coordination and alignment of sports health research. This
        forum should include people representing carers (sports doctors, sports
        physiotherapists, Association for Sports Medicine (VSG), Netherlands
                                                                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   Association of Sports Physiotherapists (NVFS), etc.), the suggested
   professors of sports health, researchers and the Netherlands Olympic
   Committee*Dutch Sports Federation (NOC*NSF). The forum could
   consider from various angles research priorities and quality control issues
   relating to sports health care and the training of people providing such
   care.
3. A sports health research programme should be established under the
   auspices of the Netherlands Health Research and Development Council
   (ZON) working in close collaboration with the Netherlands Organisation
   for Scientific and Medical Research (NWO-MW). The consultative forum
   referred to in recommendation 2 should support the programme with
   information from the care and research fields. A sum of forty million
   Dutch guilders is considered necessary to fund this programme over an
   eight-year period. A phased build-up of funding, starting at perhaps two
   million in 2001 and rising to five or six million in subsequent years is
   considered advisable. Funding should be targeted particularly on the five
   priority research fields; these fields should receive approximately half of
   the total budget.
4. In view of the present fragmented nature of research activities in the field
   of sports health, research should be driven both top down and bottom up.
   Good access to the academic centres is also considered important,
   particularly for sports physiotherapists, trainers and coaches. Finally,
   consultation and coordination between the scientific research centres and
   existing or planned knowledge and dissemination centres are considered
   desirable.
   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1      INLEIDING
In haar adviesaanvraag van 27 september 1999 vraagt de staatssecretaris van
Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) de Raad voor Gezondheidsonderzoek
(RGO) advies uit te brengen over de programmering van noodzakelijk dan wel
wenselijk onderzoek met betrekking tot de preventieve en curatieve zorg voor
sportbeoefenaren van alle niveaus. Het gaat om - in beginsel alle -
gezondheidsproblematiek die kan optreden als gevolg van sportbeoefening,
zowel van topsport als breedtesport. Met zorg wordt bedoeld: diagnostiek,
behandeling en individueel-preventieve advisering door (sport)artsen en
sportfysiotherapeuten. Daarbij wordt de RGO verzocht om FysioSport -
preventieve groepsgewijze bewegingsprogramma’s onder leiding van
fysiotherapeuten met een aanvullende post HBO-opleiding - te betrekken bij de
advisering. Deze programma’s hebben als doel gezondheid- of
fitheidbevordering, gericht op specifieke doelgroepen met een verhoogd
gezondheidsrisico, zoals mensen met een chronische ziekte.
Tevens wordt de RGO verzocht in dit kader te onderzoeken in hoeverre het
onderzoeksaanbod afgestemd is op de behoefte, alsmede te bezien of het in dat
verband wenselijk is de infrastructuur van het sportgeneeskundig dan wel
sportfysiotherapeutisch wetenschappelijk onderzoek in Nederland te versterken.
Daarbij wordt de RGO verzocht in te gaan op de desbetreffende ontwikkelingen
in de ons omringende landen (zie bijlage 1 voor de adviesaanvraag).
Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad een Commissie ingesteld onder
voorzitterschap van het raadslid dr. W.R.F. Notten, waarin deskundigen zitting
hadden uit zowel het onderzoek als de praktijk van de sportgezondheidszorg (zie
bijlage 2 voor de samenstelling).
Er zijn vijf hoofdpunten in de adviesaanvraag onderscheiden:
1.     De programmering van wetenschappelijk onderzoek specifiek gericht op
       de gezondheidsproblematiek in relatie tot sportbeoefening c.q. bewegen.
       Sport en bewegen kunnen zowel positieve als negatieve effecten op de
       gezondheid hebben: bevordering van de fitheidstoestand en preventie van
       bepaalde chronische ziekten enerzijds, maar anderzijds ook schade door
       sportspecifieke letsels. De beoogde onderzoekprogrammering zal zich
       moeten richten op beide soorten effecten. Deze positieve en negatieve
       effecten vormen de leidraad voor de adviesaanvraag. Ze kunnen optreden
       bij zowel gezonden (kinderen; volwassenen; ouderen) als bij mensen met
       een beperking (chronisch zieken en gehandicapten), als gevolg van
       lichamelijke inactiviteit, van recreatief bewegen, het beoefenen van
       breedtesport of van topsport (zie Figuur 1). Het wetenschappelijk
                                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>       onderzoek op het gebied van de sportgezondheidszorg dient onder meer
       antwoorden op de volgende vragen te ondersteunen: gegeven
       belasting/belastbaarheid hoe kan iemand verantwoord bewegen, hoe
       herstellen van een letsel als gevolg van sporten of bewegen, houden
       klachten verband met verkeerd of te veel bewegen, hoe is een (recidief)
       letsel te voorkómen en hoe kan iemand beter presteren?
       Uit het voorgaande mag duidelijk zijn dat topsport en breedtesport beide
       van belang worden geacht. Het accent ligt echter op de breedtesport,
       omdat die een brede impact heeft op de gezondheidsbevordering en -
       bescherming van de algemene populatie. De meeste nadruk ligt op het
       bevorderen van de gezondheid door middel van de sport en minder op het
       verbeteren van de prestatie door de sport. Uiteraard hebben
       onderzoekvraagstellingen bij topsporters betekenis voor breedtesporters
       en voor patiënten. Het onderzoek in de topsport is voor een deel
       verbonden met het onderzoek in de breedtesport.
Figuur 1: Bij mensen met of zonder een beperking kunnen als gevolg van niet
bewegen, het beoefenen van breedtesport, of topsport positieve en negatieve
effecten op de gezondheid ontstaan. Het uitgangspunt hierbij is het model van de
belasting /belastbaarheid.
2.     De programmering van wetenschappelijk onderzoek m.b.t. de
       onderbouwing van gestructureerde preventieve gezondheidsbevorderende
       bewegingsprogramma’s voor bepaalde doelgroepen, zoals mensen met
       chronische ziekten (hart- en vaatziekten, diabetes mellitus). Het betreft hier
       in algemene zin onderzoek gericht op de ontwikkeling en toepassing van
       kennis, methoden en richtlijnen ter bestudering en beoordeling van de
       doelmatigheid, effectiviteit van dit soort programma’s. Als voorbeeld van
       10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>       bestaande gestructureerde programma’s kunnen de FysioSport, het Fitplan
       en Hart in Beweging (NISB) worden genoemd
3.     De afstemming van het aanbod aan (de beschikbaarheid van)
       wetenschappelijk onderzoek op de vraag naar (de behoefte aan)
       onderzoek.
4.     De infrastructuur van wetenschappelijk onderzoek op dit gebied,
       voorzover dit betrekking heeft op de vraagstellingen 1, 2 en 3.
5.     Ontwikkelingen in de ons omringende landen, waarbij ingegaan wordt op
       die landen, waarbij de sportgezondheidszorg een soortgelijke ontwikkeling
       heeft doorgemaakt als in Nederland.
Gezondheidsvoorlichting en opvoeding (GVO) in de zin van massamediale
voorlichting (campagne) valt buiten het kader van dit advies, als ook het
onderzoek op het gebied van de revalidatiegeneeskunde en arbo-zorg
(reïntegratie) (zie bijlage 3 notitie reikwijdte van de adviesaanvraag).
De opbouw van het voorliggende advies is als volgt. Hoofdstuk 2 geeft een
omschrijving van de gevolgde werkwijze en van de wijze waarop de voor het
advies verlangde gegevens zijn verzameld en verwerkt. Hoofdstuk 3 geeft
enerzijds een overzicht van het in Nederland lopende onderzoek (de
aanbodzijde) en de daarbij ervaren knelpunten, anderzijds wordt de behoefte aan
onderzoek weergegeven (vraagzijde). Op geleide van de bevindingen beschreven
in hoofdstuk 3 worden in hoofdstuk 4 de conclusies inzake de programmering
van onderzoek op het terrein van de sportgezondheidszorg geformuleerd. Tevens
wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de onderzoekinfrastructuur.
De begrippen “sportgeneeskunde” en “sportgezondheidszorg” worden nog al
eens door elkaar gebruikt. In dit advies wordt voor het begrip
“sportgezondheidszorg” gekozen, aangezien dat duidelijker verwijst naar alle
disciplines en zorgverleners werkzaam op dit gebied en niet uitsluitend naar
sportartsen of artsen in de sport.
                                                                         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>12</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>2      ONDERZOEKDOMEIN                      SPORTGEZONDHEIDSZORG
2.1    BESCHRIJVING         VAN HET ONDERZOEKDOMEIN
Het onderzoekdomein waarop de adviesaanvraag betrekking heeft dient ter
ondersteuning van de zorgverlenende disciplines die de sportbeoefenaar (of
diegene die beweegt) ter zijde staan. De omschrijving van het onderzoekdomein
kan worden afgeleid van het vakinhoudelijke domein van deze disciplines.
Belangrijke professionele zorgverleners zijn de sportarts en sportfysiotherapeut
(zie voor een omschrijving van het werkterrein van deze disciplines par. 2.1.1).
Het is echter ook van belang dat andere disciplines voor zover die zorg verlenen
aan de sportbeoefenaar, zoals de EHBO-er, fysiotherapeut, huisarts, internist,
orthopeed, chirurg, cardioloog, diëtist etc., onder de omschrijving van het
onderzoekdomein vallen. Het vakinhoudelijke domein van deze zorgverleners
wordt omschreven aan de hand van de door hen verleende preventie en curatieve
zorg aan beoefenaren van sport en beweging op alle niveaus.
Preventie wordt gegeven in de vorm van individuele of groepsgebonden
voorlichting over de gezondheidsproblematiek in relatie tot (in)activiteit. Dit
gebeurt bijv. ter voorkoming van een (recidief) sportletsel, of als voorlichting
over vormen van bewegen (bewegingsprogramma) die een gunstige werking
hebben bij een bepaalde chronische aandoening of het beste passen bij een
bepaalde leeftijd (advisering over verantwoord bewegen bij bestaande
bewegingsarmoede, zie verder par. 2.1.2).
De curatieve zorg is gericht op het herstellen en waarborgen van de gezondheid
van sportbeoefenaren (of iemand die beweegt). Het omvat de zorg rond een
blessure, ziekte, of het niet fit zijn (topsport). Bij het herstel van een sportletsel tot
en met het oorspronkelijke sportniveau, moet rekening gehouden worden met
de sportspecifieke belasting in relatie tot de belastbaarheid van het individu. Een
sporter kan een acuut letsel krijgen of een letsel dat geleidelijk ontstaat. De
opvang van sportletsels gebeurt momenteel langs verschillende routes. Dit kan
tot verschillende behandelingen leiden. Opvang gebeurt - zo al aanwezig - in de
directe omgeving van het sportgebeuren (eerste hulpverlener, verzorger,
sportmasseur, clubfysiotherapeut, clubarts), en /of in de eerste lijn (huisarts,
fysiotherapeut, sportmedisch adviescentrum (SMA) en /of de tweede lijn
(traumatoloog, chirurg, orthopeed, sportarts (sportmedische instelling (SMI)),
andere specialist).
In de sportgezondheidszorg staat centraal het belang van de sporter/beweger
(met of zonder beperking). Onderzoek op dit gebied streeft dan ook een optimale
                                                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>zorgverlening na (verbetering van de kwaliteit, effectiviteit en doelmatigheid van
die zorg).
Binnen de sportgezondheidszorg wordt op het grensvlak van geneeskunde en
sport samengewerkt tussen verschillende para-medische, medische en andere
disciplines. Het onderzoek kent dan ook raakvlakken met onderzoek op
aanpalende gebieden, zoals de revalidatiegeneeskunde, traumatologie,
orthopedie, cardiologie, inwendige geneeskunde, psychologie, fysiotherapie,
diëtetiek, arbo-zorg en Gezondheidsvoorlichting en opvoeding (GVO).
In dit advies wordt op het revalidatiegeneeskundig onderzoek niet uitgebreid
ingegaan, omdat de RGO hierover reeds in 1997 adviseerde (1). Eveneens wordt
onderzoek op het gebied van de arbo-zorg uitgesloten (bijv. onderzoek naar
reïntegratieprogramma’s). Tenslotte wordt het GVO-onderzoek in de zin van
massamediale voorlichting uitgesloten, omdat dit niet tot het werkterrein behoort
van de zorgverleners in de sportgezondheidszorg. Omdat de afgrenzing van
GVO ten opzichte van de sportgezondheidszorg nogal eens tot misverstanden
leidt, wordt hierop in par. 2.1.3 verder ingegaan.
2.1.1       BESCHRIJVING       VAN HET WERKTERREIN VAN DE
           SPORTARTS EN SPORTFYSIOTHERAPEUT
Door de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) wordt de volgende
(voorlopige)       werkdefinitie      voor     sportgeneeskunde        gehanteerd:
“Sportgeneeskunde is een horizontaal medisch specialisme, dat zich richt op het
herstellen en waarborgen van de gezondheid van deelnemers aan sport en
sportieve activiteiten, door middel van sportgeneeskundig(e) consult, -onderzoek
en -begeleiding, en waarbij uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met de
sportieve belasting in relatie tot de belastbaarheid van het individu” (2).
Door de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapeuten in de Sport-
gezondheidszorg (NVFS) wordt het werkterrein van de sportfysiotherapeut als
volgt omschreven: “De sportfysiotherapeut behandelt een (acute of chronische)
klacht of stoornis van een patiënt sportbeoefenaar. Naast eerste hulp bij sport-
ongevallen en blessurebehandeling geeft de sportfysiotherapeut sportspecifieke
revalidatie, sportblessurepreventie, sportspecifieke begeleiding (individueel en in
groepsverband), advies en voorlichting. De sportfysiotherapeut richt zich op de
individuele sporter, de sportvereniging en de sportbond. Hij/zij streeft naar
herstel tot en met het oorspronkelijke sportniveau. Dit doel is veelal hoger dan
het niveau van functioneren waarop de algemeen fysiotherapeut zich in principe
richt. Aan sportvereniging en sportbond levert de sportfysiotherapeut een
bijdrage op het gebied van het sportmedisch beleid, bijv. preventie (warming-up,
bescherming), advies over trainingsopbouw (in het kader van sportblessure
        14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>preventie, -curatie en revalidatie) en het geven van voorlichting aan
verenigingen” (3).
In dit advies is uitgegaan van deze definities van beide werkterreinen.
2.1.2      TOELICHTING OP HET BEGRIP PREVENTIE
Preventie wordt onderscheiden in primaire, secundaire en tertiaire preventie (4).
Primaire preventie beoogt in te grijpen in het causale netwerk bij het ontstaan van
een gezondheidsprobleem door daaruit een of meer schakels weg te nemen.
Nader onderscheid is mogelijk tussen activiteiten die wel en activiteiten die geen
beslissingen van de afzonderlijke individuen uit de doelgroep vergen. Bij de
eerste gaat het om de gezondheidsbevordering: gedragsbeïnvloeding, die wordt
nagestreefd meestal in de vorm van GVO. Bij de tweede gaat het om
gezondheidsbescherming: preventieve interventies die meestal door of op last
van de overheid worden genomen en gericht zijn op fysische, chemische en
biologische determinanten van ziekte. Gezondheidsbescherming speelt zich
veelal buiten de gezondheidszorg af en is daarmee uitgesloten van de
adviesaanvraag.
Voorbeelden van primaire preventie in de sportgezondheidszorg zijn:
sportkeuring; “warming up”, “stretching exercises” en “cooling down”; “physical
fitness”; cursussen voor trainers t.a.v. oefeningen, fitness en gezondheid; veilige
omgeving bij het sporten; adequate sportuitrusting (beschermend en
instrumenteel); het aanpassen van spelregels; “fair play”; “health education”.
Secundaire preventie heeft betrekking op de vroege opsporing van ziekten met het
oog op tijdige behandeling waardoor prognoseverbetering optreedt (bijv. het
onderzoek op baarmoederhalskanker of borstkanker). Voorbeelden van
secundaire preventie in de sportgezondheidszorg zijn: vroege detectie van het
sportletsel (“reduction of patient’s and doctor’s delay”) of het zo snel mogelijk
toepassen van eerste hulp.
Onder tertiaire preventie wordt verstaan het voorkómen van complicaties en het
verminderen van restverschijnselen, en daarmee het voorkómen van beperkingen
en handicaps, door een reeds aanwezige ziekte. De activiteiten met betrekking tot
tertiaire preventie hangen veelal samen met de behandeling zelf, dus met
curatieve activiteiten. Voorbeelden van tertiaire preventie in de
sportgezondheidszorg zijn: revalidatie, bijv. spierversterkende oefenprogramma’s
bij gewrichtsinstabiliteit, of specifieke informatie aan de sportbeoefenaar ter
voorkoming van een recidief letsel (5).
2.1.3      AFGRENZING T.A.V. GVO
Het centrale doel van GVO is het elimineren van determinanten van gedrag die
de gezondheid bedreigen en het bevorderen van factoren die een gunstige
                                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>uitwerking hebben op het gezondheidsgedrag van de mens. Deze gedrags-
verandering, gericht op het optimaliseren van de “kwaliteit van het bestaan”, wil
men tot stand brengen door met gerichte pogingen het gedrag te beïnvloeden
(door middel van communicatie en voorlichting (6)). De verandering treedt op
via een aantal stappen: allereerst dient de ontvanger aandacht voor de boodschap
te hebben en deze te begrijpen. Dit kan achtereenvolgens leiden tot attitude-
verandering, intentieverandering en tot gedragsverandering. Idealiter is dit
gedrag blijvend (gedragsbehoud).
Voorlichting kan op verschillende manieren worden aangeboden: individueel,
in groepsverband en massamediaal. Deze verschillende manieren hebben een
verschillend effect (7). Een individuele benadering heeft het meeste effect, het kan
leiden tot kennisvermeerdering, attitude- en gedragsverandering. De
groepsgewijze benadering leidt tot kennisvermeerdering en attitudeverandering,
terwijl van massamediale voorlichting alleen kennisvermeerdering kan worden
verwacht.
GVO is een methode van preventie. Zorgverleners binnen de sportgezond-
heidszorg maken veel gebruik van voorlichting, die individueel of in
groepsverband wordt aangeboden. De massamediale voorlichting wordt niet
gerekend tot het werkterrein van de zorgverleners in de sportgezondheidszorg.
2.2     WERKWIJZE
Ter onderbouwing van het advies is informatie ingewonnen bij een aantal
deskundigen die werden geacht een goed overzicht te hebben van
onderzoek(vragen) en/of problemen in de kwaliteit van de zorgverlening aan
sporters of bewegers. Deze deskundigen werden beschouwd als goede
representanten van zowel de vraag- als de aanbodzijde van het onderzoek resp.
instellingen die gebruik maken van onderzoekresultaten en organisaties die
onderzoek uitvoeren (zie bijlage 4 voor de lijst met geraadpleegde deskundigen).
Door middel van gestructureerde interviews is hun gevraagd naar lopend
onderzoek, gewenst onderzoek, onderzoekvragen en problemen in de kwaliteit
van de zorgverlening. Tevens is nagegaan in hoeverre het aanbod (de
beschikbaarheid) van wetenschappelijk onderzoek is afgestemd op de vraag naar
(de behoefte aan) onderzoek en welke knelpunten in het onderzoek worden
ervaren (infrastructureel, beschikbare onderzoekexpertise en/of beschikbare
faciliteiten). Op basis hiervan zijn tenslotte aanbevelingen geformuleerd over te
stimuleren onderzoek en de gewenste onderzoekinfrastructuur.
Voorafgaand aan een interview is een lijst met aandachtspunten toegestuurd
(bijlage 5), waarin vragen werden gesteld over het thema/doel van het lopende
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>en gewenste onderzoek naar zowel de positieve als de negatieve effecten van
sporten en bewegen op de gezondheid (zie par. 2.2.1 tot en met 2.2.3).
2.2.1     INDELING ONDERZOEK IN DE SPORTGEZONDHEIDSZORG
Het onderzoek in de sportgezondheidszorg kan theoretisch worden ingedeeld in
de hiernavolgende thema’s/doelen van onderzoek (1, 8):
1. Verklarend/fundamenteel onderzoek (begrijpen van processen en
   verschijnselen);
   a. (para)medische thema’s (bijv. risicofactoren, relatie belasting-
       belastbaarheid);
   b. gedragswetenschappelijke thema’s (bijv. determinanten bewegingsgedrag,
       determinanten blessures en herstel);
   c. technologische thema’s (bijv. afstelling materiaal, beschermende
       materialen);
   d. bewegingswetenschappelijke thema’s (bijv. bewegingsanalyse).
2. Handelingsgericht/toegepast onderzoek (hoe kan een bepaald doel binnen
   zorgproces bereikt worden):
   a. preventie (bijv. afstemming belasting-belastbaarheid);
   b. diagnostiek (bijv. ontwikkelen en uittesten van meetinstrumenten);
   c. therapie (bijv. effectiviteitsonderzoek behandel- en trainingsprogramma’s);
   d. prognose (bijv. gevolgen blessure voor sporthervatting);
   e. begeleiding (bijv. speciale doelgroepen);
   f. reïntegratie/reconditionering (bijv. terugkeer naar oude sportniveau);
   g. hulpmiddelen (bijv. gebruik en afstelling (beschermende) materialen);
   h. kwaliteit van leven (bijv. invloed van blessures);
   i. aanpassing aan handicap (bijv. andere sport, verandering positie binnen
       sport).
3. Zorgonderzoek/zorgorganisatie onderzoek (m.b.t. het systeem van de
   gezondheidszorg: structuur, organisatie, functioneren en financiering):
   a. epidemiologie (bijv. incidentie sport gerelateerde aandoeningen);
   b. organisatie (bijv. routing-onderzoek);
   c. kwaliteit/doelmatigheid (bijv. evaluatie onderzoek zorgverlening,
       ontwikkeling/gebruik protocollen).
4. Sportgezondheidszorg-relevant onderzoek (onderzoek dat niet binnen de
   sportgezondheidszorg wordt verricht maar wel belangrijke inzichten kan
   opleveren), bijv. afkomstig uit de cardiologie, orthopedie, chirurgie,
   neurologie,     inspanningsfysiologie,      (sport)fysiotherapie,   revalidatie,
                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    bewegingswetenschappen, technische wetenschappen (bewegingstechnologie,
    biomechanica, meet- en regeltechniek), diëtetiek, epidemiologie,
    sportmassage.
2.2.2      POSITIEVE     EFFECTEN VAN SPORTEN EN BEWEGEN OP DE
           GEZONDHEID
Lichamelijke activiteit draagt bij aan lichamelijke fitheid en een goede
gezondheid (9, 10). Actief zijn heeft positieve effecten op tal van
gezondheidsparameters, met name lichaamsgewicht, vetpercentage, HDL/LDL-
cholesterolratio, glucosetolerantie, insulinegevoeligheid en botdichtheid. Ook is
er een verband aangetoond - rechtstreeks of via deze gezondheidsparameters -
tussen lichamelijke activiteit en een kleinere kans op diverse chronische ziekten,
waaronder coronaire hartziekten, diabetes mellitus type II, osteoporose en
colonkanker. Bovendien zijn er aanwijzingen voor een positief effect in het
voorkómen van een vroegtijdige dood, CVA en depressie. Tevens is er bewijs voor
een positief effect van lichamelijke activiteit in het beloop van coronaire
hartziekten, diabetes mellitus type II en zijn er sterke aanwijzingen voor een
positief effect in het beloop van CARA, osteoporose, diabetes mellitus type I,
CVA, depressie, reumatoïde artritis, epilepsie en cystic fibrosis (11, 12). Bij
ouderen heeft lichamelijke activiteit een positief effect op leeftijdsgebonden
parameters (bijv. spierkracht en uithoudingsvermogen) en op het ontstaan dan
wel het beloop van chronische aandoeningen.
Van de andere kant bezien is lichamelijke inactiviteit een belangrijke risicofactor
voor de gezondheid van mensen met of zonder een beperking en
verantwoordelijk voor ruim 8000 (6%) van de in totaal 133.500 sterfgevallen in
Nederland in 1994 (13). Gemiddeld is 34% van de Nederlandse bevolking van
16 jaar en ouder lichamelijk inactief in de vrije tijd (12, 14). Met de leeftijd neemt
het aantal inactieven toe. Zou men er in slagen “Nederland in Beweging” te
krijgen en daarmee de lichamelijke inactiviteit op bevolkingsniveau naar 15%
terug te brengen, dan levert dat volgens de Volksgezondheid Toekomst
Verkenningen naar schatting een reductie op van 4800 sterfgevallen per jaar ten
gevolge van coronaire hartziekten, dikke darmkanker, en suikerziekte (13).
Het is dus van belang mensen met of zonder een beperking in beweging te
krijgen en te houden. Ouderen en chronisch zieken zijn echter beperkt
belastbaar, waardoor het noodzakelijk is verantwoord te bewegen. Er dient
vermeden te worden dat de belasting van de beweging de belastbaarheid van het
individu overtreft (11). Inzicht hierin in relatie tot verschillende (bestaande)
bewegingsprogramma’s is daarom gewenst.
       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Het onderzoeksterrein naar de positieve effecten van sporten/bewegen betreft
daarmee het onderzoek naar de belasting/belastbaarheid in relatie tot gezond-
heidsbevordering, rekening houdend met eventuele bestaande beperkingen.
2.2.3      NEGATIEVE       EFFECTEN VAN SPORTEN EN BEWEGEN OP DE
           GEZONDHEID
Sportletsels zijn het resultaat van een verstoorde balans tussen de fysieke
belasting en belastbaarheid van onderdelen van het menselijk lichaam (bijv. huid,
spieren, pezen en botten). Het meest getroffen daarbij is het houdings- en
bewegingsapparaat. Ook organen kunnen echter beschadigd raken, te denken
valt aan leverbeschadigingen bij boksen, hersenbeschadigingen bij autoracen,
overbelasting van het maag-darmkanaal bij duurinspanning (15).
Sportletsels worden bij voldoende ernst bekeken door verzorgers en/of
(para)medici en zo nodig behandeld. Wie dit doen wordt mede bepaald door de
plaats waar het letsel wordt opgelopen (wel of niet direct bij het sportgebeuren)
en het inzicht dat de sporter heeft in de mogelijkheden voor opvang en
behandeling in de eerste en/of tweede lijn.
Het onderzoekterrein naar de negatieve effecten van sporten/bewegen betreft het
onderzoek naar de (sportspecifieke) belasting/belastbaarheid in relatie tot
(sportspecifieke) gezondheidsschade, rekening houdend met eventuele bestaande
beperkingen.
De Raad wijst daarnaast op de gezondheidsproblematiek als gevolg van het
gebruik van doping in de Nederlandse bevolking op relatief grote schaal. Deze
gezondheidsproblematiek ontstaat als bijkomend verschijnsel van de sport-
beoefening. Sporters in fitnesscentra en sportscholen blijken gevoelig voor het
gebruik van “dopinggeduide” middelen (16). Onderzoek wijst uit dat 6,4% van
de bezoekers van fitnesscentra en sportscholen zich in laat met het gebruik van
deze middelen (17). Voor de specifiekere groep van krachtsporters en
bodybuilders ligt dit percentage aanzienlijk hoger, op 16%. Bovendien blijkt dat
26% van de jeugdige bezoekers van fitnesscentra geïnteresseerd is in gebruik van
deze middelen. Landelijk onderzoek naar het zelf gerapporteerd middelen-
gebruik wijst uit dat tussen de 100.000 en 134.500 personen van 12 jaar en ouder
ooit doping hebben gebruikt (18). Gebruikers van “dopinggeduide” middelen
zoals androgene anabole steroïden, groeihormoon, insuline, clenbuterol en
amfetamine derivaten blijken relatief volhardend en intensief in gebruik. Het
Nederlands Centrum voor Dopingonderzoek (NeCeDo) wil binnenkort
onderzoek gaan doen naar de prevalentie en incidentie van dopinggebruik onder
breedtesporters.
Het onderwerp gezondheidsproblematiek als gevolg van dopinggebruik is als
zodanig niet onderwerp van dit advies geweest.
                                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>2.3     VERWERKING      VAN GEGEVENS
Bij deskundigen van zowel de vraag- als aanbodzijde van het onderzoek in de
sportgezondheidszorg werd zoals gezegd door middel van interviews informatie
verkregen over het lopende onderzoek in Nederland op hoofdlijnen en het naar
hun mening gewenste onderzoek (zie par. 2.2). De verkregen informatie over het
lopende onderzoek werd per onderzoekinstituut samengevat en teruggebracht
naar twee tabellen: een tabel die beschrijft waar het onderzoek naar de positieve
effecten van sporten en bewegen op de gezondheid plaatsvindt en een tabel die
beschrijft waar het onderzoek naar de negatieve effecten plaatsvindt (zie
hoofdstuk 3). Deze informatie werd aangevuld met informatie van rechtstreeks
benaderde onderzoekers.
De door de geïnterviewden aangegeven behoefte aan onderzoek is samengevat
en teruggebracht tot vijf rubrieken: 1. effectiviteit en doelmatigheid
sport/bewegen; 2. overbelasting en blessures; 3. speciale doelgroepen; 4.
implementatie; 5. organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg. De
beoordeelde knelpunten in onderzoek werden samengevat en de gewenste
situatie wordt beschreven in hoofdstuk 4.
2.4     RECENTE      ONTWIKKELINGEN            OP   HET    GEBIED     VAN      DE
        SPORTGEZONDHEIDSZORG
Er hebben zich de laatste tijd enkele belangrijke ontwikkelingen voorgedaan op
het terrein van het onderzoek in de sportgezondheidszorg. In chronologische
volgorde:
- in februari 1999 verscheen van VWS de nota “Kansen voor topsport” (19).
    Hierin worden middelen voor sportwetenschappelijke ondersteuning beschik-
    baar gesteld.
- TNO-PG heeft in juni 1999 projecten en publicaties geïnventariseerd m.b.t.
    de relatie tussen bewegen en gezondheid voor de doelgroepen ouderen,
    chronisch zieken en gehandicapten (20).
- In 1999 hebben de Nederlandse Hartstichting en NOC*NSF in samenwerking
    met TNO (PG en Arbeid) en een aantal universiteiten (UM, RUG, UU, VU)*
    een voorstel voor een onderzoekprogramma uitgebracht m.b.t. lichaams-
    beweging, waaronder sport (“Lichamelijke activiteit en gezondheid”) (21).
    Doel van dit programma is inzicht te verkrijgen over de mate van (in)activiteit
    van subgroepen binnen de Nederlandse bevolking, alsmede van de
    determinanten en de effecten van dit gedrag. Het programma gaat uit van drie
    thema’s, waarbij het derde thema overlap vertoont met de tweede
        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   vraagstelling van de adviesaanvraag. Dit thema betreft onderzoek naar de
   effectiviteit van secundair en tertiair preventieve ziektespecifieke
   bewegingsinterventies bij patiëntenpopulaties. (Het onderzoek richt zich
   hierbij op de ontwikkeling van patiëntspecifieke bewegingsprogramma’s.)
   Dergelijke programma’s dienen samengesteld en geëvalueerd te worden voor
   osteoporose patiënten, patiënten met hart- en vaatstoornissen, patiënten met
   CVA, patiënten met niet-insuline afhankelijke diabetes mellitus, dialyse
   patiënten, colonkanker patiënten en patiënten met lage rug klachten.
   Vervolgens wordt per universiteit en voor TNO de beoogde bijdrage aan dit
   onderzoekprogramma beschreven1.
-  In oktober 1999 verscheen de eindnotitie van het project “Voorbereiding
   Wetenschappelijk Onderzoek” van de VSG (8), waarin een methode is
   ontwikkeld om het lopend en uit te voeren wetenschappelijk onderzoek op
   het gebied van de sportgeneeskunde te inventariseren. In deze notitie werd
   het begrip sportgeneeskunde omschreven en werd analoog aan het RGO-
   advies Revalidatieonderzoek een enquête ontwikkeld om het lopende
   onderzoek op dit gebied te inventariseren. De vraagzijde van het
   sportgeneeskundig onderzoek blijft buiten beschouwing (8).
-  In september 2000 verscheen van het onderzoekbureau Diopter de
   rapportage “Onderzoeksprogrammering in de sport - Knelpunten en kansen
   voor de programmering van sociaal-wetenschappelijk onderzoek op sport-
   gebied”, waarin het sociaal-wetenschappelijk sportonderzoek wordt
   geïnventariseerd (22).
-  In oktober 2000 is door hetzelfde bureau de “Richtlijn sportdeelname-
   onderzoek” uitgebracht die als doel heeft het grootschalig onderzoek naar
   sportdeelname te standaardiseren, zodat de onderzoekresultaten beter
   vergelijkbaar worden (23).
-  In november 2000 is het concept rapport “Effectiviteit van blessurepreven-
   tieve maatregelen” van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV)
   verschenen, een literatuurstudie die werd uitgevoerd als onderdeel van het
   consensustraject sportblessures binnen het programma “Sport Blessure Vrij”
   van NOC*NSF (24).
-  De Gezondheidsraad heeft van VWS een adviesaanvraag ontvangen over
   hersenletsel in de sport, alsmede de preventieve mogelijkheden daaromtrent.
   Eind 2000 is een commissie gevormd die het advies gaat voorbereiden.
-  Begin 2001 zal de nota “Sport en gezondheid” van VWS verschijnen.
       1
         Dit samenwerkingsverband heet SNUON en staat voor Samenwerkende
Nederlandse Universiteiten en Onderzoekinstituten op het gebied van sport, bewegen en
gezondheid.
                                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>22</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>3      LOPEND EN GEWENST ONDERZOEK OP HET GEBIED
       VAN DE SPORTGEZONDHEIDSZORG
3.1    INVENTARISATIE        VAN LOPEND ONDERZOEK IN            NEDERLAND
Het lopend onderzoek in de sportgezondheidszorg, de aanbodzijde, is beschreven
aan de hand van de informatie die werd verkregen van de deskundigen,
aangevuld met (telefonisch) ingewonnen informatie van commissieleden en
onderzoekers. Het overzicht pretendeert niet volledig te zijn, maar wel een
representatief beeld te verschaffen van de onderzoekinspanningen op het
onderhavige gebied in Nederland.
Om een overzicht te krijgen van het lopende onderzoek wordt per
onderzoekinstituut een samenvatting gegeven op hoofdlijnen, het aantal fte wp
dat voor onderzoek wordt ingezet en de geldstroom waaruit het onderzoek
gefinancierd wordt (zie par. 3.1.1). Hierbij is gekeken of het onderzoek voldeed
aan de in het advies gehanteerde beschrijving van onderzoek op het gebied van
de sportgezondheidszorg. Onderzoek op het gebied van de revalidatie-
geneeskunde en bedrijfsgezondheidszorg is zo veel mogelijk buiten beschouwing
gelaten. Op grensgebieden is toch onderzoek opgenomen (bijv. onderzoek naar
bewegingsprogramma’s voor werknemers). Vervolgens wordt in par. 3.1.2 het
lopende onderzoek teruggebracht tot twee tabellen.
Relevante ontwikkelingen in het onderzoek op het gebied van de sportgezond-
heidszorg in het buitenland zijn aan de orde geweest, maar bleken geen
implicaties te hebben voor het advies zodat hierop niet verder is ingegaan.
3.1.1      SAMENVATTING        VAN HET LOPENDE ONDERZOEK OP
           HOOFDLIJNEN PER ONDERZOEKINSTITUUT
Universiteit Maastricht, Faculteit gezondheidswetenschappen, capaciteitsgroep
bewegingswetenschappen (BW)
Het huidige onderzoek van de capaciteitsgroep BW richt zich op de effecten van
lichamelijke (in)activiteit en voeding op skeletspiermetabolisme, -morfologie,
functie en coördinatie. Onderzoek gebeurt op moleculair-, (sub)cellulair-,
weefsel-, spiergroep- en “whole-body” niveau, zowel humaan als dierexperi-
menteel.
Op de afdelingen BW en Humane biologie worden momenteel ongeveer 8 - 10
projecten uitgevoerd (ongeveer 8 - 9 fte wp). Van deze projecten wordt 40%
gefinancierd uit de eerste geldstroom, 20% uit de tweede en 40% uit de derde
geldstroom.
                                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Onderzoek naar het skeletspiermetabolisme valt binnen twee onderzoek-
programma’s (eerste geldstroom): bij CARIM: onderzoek naar het
skeletspiermetabolisme bij coronaire hartziekten en diabetes mellitus; bij
NUTRIM: dit type onderzoek in relatie tot chronisch zieken (obesitas, DM) en
voeding. Overig onderzoek wordt gefinancierd uit tweede en derde geldstroom
(Nederlandse Hartstichting (NHS), Diabetesfonds, Astmafonds) en industrie.
Universiteit Maastricht, Extramurale en Transmurale Gezondheidszorg (EXTRA)
Het onderzoekinstituut EXTRA verricht (epidemiologisch) onderzoek op drie
hoofdlijnen: effectiviteit van medisch handelen; samenhang van eerste- en tweede
lijns gezondheidszorg; kwaliteit van de zorg. Op het gebied van de positieve
effecten van sporten/bewegen doet het onderzoek naar het houdings- en
bewegingsapparaat. Het betreffen RCT’s waarin verschillende bewegings-
programma’s en “graded-activity” programma’s worden geëvalueerd bij patiënten
met artrose, hernia, chronische lage rugklachten en bekkeninstabiliteit. In totaal
vier projecten, circa 10 fte wp, gefinancierd uit de derde geldstroom.
Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Bewegingswetenschappen
Het gehele facultaire onderzoek is opgenomen in een onderzoekschool, die
samen met onderzoekgroepen van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN)
is opgericht onder de naam “Instituut voor Fundamentele en Klinische
Bewegingswetenschappen” (IFKB). IFKB richt zich op drie thema’s:
a. belasting en belastbaarheid van het menselijk bewegingssysteem;
b. energiemetabolisme en vermoeidheid;
c. bewegingscoördinatie.
Het betreft multidisciplinair onderzoek met het accent op de kinesiologie,
biomechanica enerzijds (thema’s a en b) en gedragswetenschappelijk onderzoek
naar bewegingsgedrag anderzijds (thema c). Binnen thema a wordt sport-
gezondheidsonderzoek, sportonderzoek en revalidatiegeneeskundig onderzoek
verricht. Het sportgezondheidsonderzoek vindt plaats bij de afdeling orthopedie
van het AMC en de afdeling fysiologie van de KUN.
Bij de afdeling orthopedie van het AMC is in 1999 het Orthopaedic Research
Centre Amsterdam (ORCA) opgericht, dat deel uitmaakt van het IFKB. Het
ORCA is een multidisciplinair onderzoekinstituut met als aandachtsveld het
bewegingsapparaat. Samenwerking geschiedt met diverse specialismen in het
AMC. Binnen ORCA vindt zowel toegepast, patiëntgebonden onderzoek plaats
als fundamenteel onderzoek. Een deel van het fundamentele onderzoek vindt
plaats binnen het IFKB bij de KUN en de VU. Momenteel werken binnen het
ORCA 5 - 6 fte wp (2,5 fte wp eerste geldstroom, 1 fte wp tweede, 2,5 fte wp
derde en vierde geldstroom). Van de 16 promovendi werken er 8 aan onderzoek
       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>naar de negatieve effecten van sporten/bewegen op het houdings- en
bewegingsapparaat. NWO financiert een fundamenteel onderzoekproject naar
ligamentheling. Zwaartepunten zijn enkelbandletsel, minimaal derangement van
gewrichten, botgenezing en “evidence based medicine”.
Het onderzoek bij de afdeling fysiologie van de KUN richt zich op fysiologische
responses op oefeningen bij mensen met een dwarslaesie. Dit wordt verder
beschreven bij de KUN.
VU medisch centrum (Vrije Universiteit Amsterdam), Instituut voor Extramuraal
Geneeskundig Onderzoek (EMGO-Instituut)
Bij het EMGO-instituut vindt multidisciplinair toegepast onderzoek plaats op het
gebied van de extramurale geneeskunde. Veelal betreft het (klinisch)
epidemiologisch onderzoek gericht op etiologie (incl. preventie), diagnose (incl.
screening), prognose en effectiviteit van therapie of therapeutische interventies.
Daarnaast wordt steeds meer aandacht gegeven aan kosten-effectiviteit van diag-
nostische en therapeutische interventies. Er lopen vier onderzoekprogramma’s:
1. diabetes mellitus (Hoorn studie),
2. common mental disorders,
3. care and prevention,
4. muskuloskeletal disorders.
Met name in het derde en vierde programma staat bewegen of bewegingstherapie
centraal in een groot aantal onderzoekprojecten, die in drie gebieden kunnen
worden onderverdeeld:
a. Beschrijvend en interventieonderzoek op het gebied van bewegen en
    gezondheid, bewegingstherapie en de effectiviteit van fysiotherapeutische
    interventies. Het betreft 16 projecten (20 fte wp), excl. de projecten
    revalidatiegeneeskunde. Het gaat om 5 fte wp eerste geldstroom , 4 fte wp
    tweede en 11 fte wp derde geldstroom.
b. Longitudinaal onderzoek op het gebied van lichamelijke activiteit, voeding,
    fitheid en gezondheid. Het gaat om 7 fte wp (1 fte wp eerste geldstroom, 6 fte
    wp derde en vierde geldstroom). Het betreft in 1976 gestart longitudinaal
    onderzoek in een cohort van ca. 400 mannen en vrouwen die bij de start van
    het onderzoek 12 jaar waren en in 2000 voor het laatst onderzocht zijn op de
    leeftijd van 37 jaar. De herhaalde metingen van lichamelijke activiteit,
    lichamelijke fitheid en gezondheid geven de mogelijkheid de korte en lange
    termijn effecten van lichamelijke activiteit en voeding op fitheid en
    gezondheid te bestuderen.
c. Op het gebied van bewegen, arbeid en gezondheid lopen momenteel 9
    projecten (15 fte wp, 2 fte wp eerste geldstroom, 2 fte wp tweede en 11 fte wp
    derde/vierde geldstroom). Het betreft onderzoek naar de effectiviteit van
                                                                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>    bewegingsinterventies in diverse settings (huisartspraktijk, bedrijfs-
    gezondheidszorg, revalidatiecentra en verzorgingshuizen), onderzoek naar de
    effectiviteit van oefentoltraining op het voorkomen van lateraal
    enkelbandletsel bij volleyballers en onderzoek naar de effectiviteit van
    “graded-activity” programma’s op ziekteverzuim. Er bestaan vergevorderde
    plannen om in 2001 in het EMGO-Instituut binnen deze lijn een
    onderzoekskenniscentrum “Bewegen, Arbeid en Gezondheid” te vestigen.
    Partners in dit kenniscentrum zijn de VU (EMGO-Instituut en TNO (TNO
    Arbeid en TNO-PG)). Het gaat hier om een additionele formatie van 9 fte wp.
Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen, capaciteitsgroep algemene
pedagogiek en orthopedagogiek
Binnen de onderzoekschool Institute for the Study of Education and human
Development (ISED) vindt onderzoek plaats naar de positieve effecten van
sporten en bewegen. Het betreft interventieonderzoek en de onwikkeling van
meetinstrumenten bij astma/COPD, cystic fibrosis en cerebrale parese. Binnen
het onderzoekprogramma “Development of competences in children with
developmental and learning disorders” lopen totaal ongeveer 5 projecten met een
omvang van circa 2,8 fte wp, gefinancierd uit de eerste en derde geldstroom
(verhouding eerste, derde geldstroom is 80 : 20).
Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), afdeling sportgeneeskunde en
inspanningsfysiologie
Het centrale onderzoekthema is “Bewegen en sport, preventie en curatie”. Het
richt zich op zowel de positieve als de negatieve effecten van sporten en
bewegen. Bij de positieve effecten van sporten/bewegen zijn vier
onderzoekprogramma’s te onderscheiden:
1. Sport, bewegen en gezondheid. Onderzoek naar de baten van sport en
    bewegen op het financiële, medische en sociaal-maatschappelijke vlak door
    vergelijking van sporters met niet-sporters. Het betreft zojuist afgerond
    epidemiologisch onderzoek gefinancierd uit de derde geldstroom.
2. Inactiviteit als risicofactor (11). Fundamenteel en toegepast onderzoek (2,1 fte
    wp) naar preventie en curatie van chronische ziekten, in het bijzonder
    chronisch hartfalen, coronaire hartziekten, overige hartziekten en perifeer
    arterieel vaatlijden; anabole/catabole balans en insulinegevoeligheid.
    Financiering uit eerste (0,9 fte wp) en derde geldstroom (1,2 fte wp via de
    NHS).
3. Groeihormoon en inspanning; Toegepast en fundamenteel onderzoek (5.9 fte
    wp) naar de relatie groeihormoon, chronisch hartfalen en inspanning;
    training. Financiering uit eerste (2,5 fte wp) en vierde geldstroom (3,4 fte wp).
        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>4. Tractus digestivus. Colonkanker en maag-darmstoornissen. Toegepast
    onderzoek (2,35 fte wp) naar de effecten van een bewegingsprogramma op de
    preventie van aandoeningen gerelateerd aan een vertraagde colon-passagetijd.
    Financiering uit de eerste (1,0 fte wp), tweede (0,55 fte wp ZON) en derde
    geldstroom (0,8 fte wp Maag-, Lever- en Darm stichting).
De negatieve effecten van sport en bewegen komen in drie onderzoek-
programma’s aan de orde:
5. Sport, bewegen en gezondheid. Toegepast onderzoek: inventariseren van de
    sportieve (in)activiteit van de Nederlandse bevolking, het in kaart brengen
    van de trends in de sportletselproblematiek, en de consequenties van deze
    problematiek op de (sport)gezondheidszorg. Het programma met 0,7 fte wp
    wordt voornamelijk gefinancierd uit de derde geldstroom (NOC*NSF en
    VWS).
6. Autonome regulatie hart. Fundamenteel onderzoek. Rol van door training
    geinduceerde autonome disbalans bij levensbedreigende hartritmestoornissen
    (plotse dood). Financiering 0,5 fte wp eerste geldstroom.
7. Arteriële afwijkingen bij duurinspanning. Fundamenteel en toegepast
    onderzoek naar arteriële doorstromingsbeperkingen bij inspanning:
    diagnostiek en behandeling. Financiering eerste geldstroom 0,5 fte wp.
Het gaat om zeven onderzoekprogramma’s, uitgevoerd met ca. 12 fte wp,
waarvan 45% uit de eerste, 4% uit de tweede, 23% uit de derde en 28% uit de
vierde geldstroom. Daarnaast zijn studenten en stagiaires in het onderzoek
betrokken (10 fte wp).
UMCU, afdeling topsportgeneeskunde
Bij de afdeling topsportgeneeskunde van het UMCU vindt, in samenwerking met
andere afdelingen binnen het ziekenhuis, toegepast onderzoek plaats bij
topsporters op de volgende gebieden:
- “hormonal and haematological profiles in female and male elite athletes”;
- “red blood cell volume and haematocrit in elite athletes from highlands and
    lowlands”;
- beeldvormende diagnostiek bij topsporters;
- voedingsanalyse bij topsporters (vierde geldstroom, Nutricia);
- inspanningsfysiologie bij topsporters in het kader van preventie van
    overtraining, blessure;
- stressfracturen in het onderbeen, i.s.m. afdeling orthopedie, Erasmus
    Universiteit Rotterdam (EUR);
- de jeugdige getalenteerde hockeyer, i.s.m VU-BW en olympisch steunpunt
    Amsterdam (BOK-project).
                                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Het betreft onderzoek op projectbasis. Financiering gebeurt voornamelijk uit
eigen middelen.
Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ)/ UMCU
Het WKZ verricht onderzoek naar de positieve effecten van sporten en bewegen.
Binnen de onderzoekschool “Infectie en immuniteit” van het WKZ wordt een
RCT verricht naar de effecten van aquatraining op de kwaliteit van leven van
kinderen met juveniele chronische artritis en hun zelfstandig functioneren.
Binnen de onderzoeklijn “genen” vindt een RCT plaats naar typen van bewegen
en inspanningstolerantie bij cystic fibrosis.
Rijksuniversiteit Groningen (RUG), Faculteit der Psychologische, Pedagogische en
Sociologische wetenschappen, Instituut voor Bewegingswetenschappen
Het onderzoekprogramma van het Instituut voor Bewegingswetenschappen
"Determinanten van de verandering van bewegingsgedrag" betreft onderzoek
met een sterk interdisciplinair karakter, dat wordt beïnvloed door zowel medisch-
biologische als sociaal-wetenschappelijke inzichten. Doel van het onderzoek is
het beter begrijpen van processen die een rol spelen bij de sturing en uitvoering
van bewegingen en bij het leren en herleren van motorische vaardigheden. De
relatie met de praktijk wordt als een belangrijk uitgangspunt beschouwd. Dit
komt tot uitdrukking in onderzoekprojecten waarin de werking en effecten van
bewegingsprogramma's op motorisch functioneren en het leren en herleren van
motorische vaardigheden centraal staan.
Kenmerkend voor het onderzoek van het Instituut is de samenwerking met
diverse disciplinegroepen (zoals sportgeneeskunde, revalidatiegeneeskunde,
cardiologie en orthopedie) binnen het Academisch Ziekenhuis Groningen.
Vanuit deze samenwerking zal op korte termijn een kenniscentrum over
beweging en gezondheid worden opgericht.
Het onderzoekprogramma is onderverdeeld in drie hooflijnen: 1) veroudering
en vaardigheidsbehoud, 2) sport en 3) stoornissen in de motoriek. Het laatste
thema wordt in dit advies (op 1 project na) buiten beschouwing gelaten.
In totaal worden ongeveer 10 projecten uitgevoerd met ca. 7-8 fte wp, waarvan
2 fte wp eerste geldstroom, 1 fte wp tweede en ca. 4-5 fte wp derde geldstroom;
belangrijkste financiers zijn ZON, VWS en NHS.
RUG, vakgroep huisartsgeneeskunde
De vakgroep huisartsgeneeskunde doet binnen het project “Huisarts en sport”
onderzoek naar niet-acute sportblessures in de huisartspraktijk. Het betreft derde
geldstroom onderzoek (financiering van in totaal 0,6 fte wp door NOC*NSF en
VSG).
       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>KUN, afdeling fysiologie
Hier wordt onderzoek gedaan naar de klinische fysiologie bij bewegen (4 staf-
leden, 2 fte wp voor onderzoek, 6 - 8 promovendi). Alleen onderzoek naar de
positieve effecten van sporten/bewegen. Momenteel lopen er 6 projecten, op het
raakvlak van sportgezondheidszorg en revalidatiegeneeskunde. Het betreft
fundamenteel onderzoek en onderzoek naar therapie, secundaire preventie bij
COPD, dwarslaesie, neuromusculaire ziekten, perifeer arterieel vaatlijden en
artrose. Financiering uit alle geldstromen.
EUR, afdeling orthopedie
Bij de afdeling orthopedie wordt onderzoek verricht naar de negatieve effecten
van sporten en bewegen:
- stressfracturen van het os naviculare. Dit betreft een prospectief onderzoek in
    samenwerking met UMCU, afdeling topsportgeneeskunde, waarin de waarde
    van MRI voor de diagnostiek van de stressfractuur wordt vergeleken met de
    CT scan. Tevens worden de resultaten van operatieve behandeling en de
    histologische bevindingen bij deze stressfractuur geëvalueerd. Er is geen
    bijzondere financiering voor.
- Heupslijtage bij oud profvoetballers. Onderzoek is net afgerond. Het betreft
    onderzoek op projectbasis. Financiering gebeurt veelal uit eigen middelen.
Bij de volgende afdelingen binnen de EUR wordt onderzoek verricht naar de
positieve effecten van sporten en bewegen op de gezondheid: in het laboratorium
van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam (AZR) vindt fundamenteel onderzoek
plaats naar kraakbeen. De afdeling interne geneeskunde verricht onderzoek naar
de invloed van bewegen en de leeftijd op het bot (botstofwisseling,
botontkalking). De afdeling epidemiologie en biostatistiek verricht epidemio-
logisch onderzoek op het gebied van o.a. osteoporose, osteoarthrose, waarbij de
relatie met bewegen niet altijd duidelijk wordt gelegd.
EUR, afdeling biomedische natuurkunde en technologie, Faculteit Geneeskunde en
Gezondheidswetenschappen in samenwerking met de Technische Universiteit Delft, faculteit
ontwerp, constructie en productie, subfaculteit van het industrieel ontwerpen, de sectie
fysieke ergonomie, antropometrie en biomechanica.
Binnen het onderzoekprogramma “bewegingsapparaat” van de Faculteit
Geneeskunde van de EUR en AZR wordt onderzoek verricht naar de positieve
effecten van sporten en bewegen op lage rugpijn en naar de negatieve effecten
op de onderste en bovenste extremiteiten en wervelkolom/bekken. Het betreft
fundamenteel en toegepast onderzoek op het gebied van de biomechanica,
anatomie, ergonomie. Het onderzoek richt zich op het ontwikkelen van een visie
inzake behandeling en preventie van bijv. het piriformissyndroom, de tennis-
                                                                             29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>elleboog en het zwikken van de enkel. Daarnaast richt het onderzoek in Delft
zich op de ontwikkeling van een sportuitrusting (bijv. een klimschoen en schaats-
schoen) en de ontwikkeling van een oefentoestel voor lage rug- en
bekkenklachten. De omvang betreft 9 fte wp (4 fte wp eerste geldstroom, 3 fte wp
tweede, 2 fte wp vierde geldstroom).
Technische Universiteit Eindhoven (TUE), Faculteit technische natuurkunde,
capaciteitsgroep fysische informatica en klinische fysica
Aanjager van het onderzoek op het gebied van de sportgezondheidszorg bij de
TUE is het Sint Joseph Ziekenhuis Veldhoven (de afdeling sportgeneeskunde, het
sport medisch advies centrum en de stichting Cardiosport ). De TUE doet, in
samenwerking met de UMCU en UM, ondersteunend onderzoek op drie
gebieden: methodologische aspecten; kwantitatieve analyse van medische
beelden (ultrageluid en MRI); experimenteel MRI-onderzoek.
Binnen het onderzoekprogramma “Chronisch ziek in beweging” lopen vijf
onderzoekprojecten naar de positieve effecten van sporten en bewegen op de
gezondheid: hartrevalidatie; perifeer vaatlijden; multidisciplinaire transmurale
COPD behandeling; carcinoom en chemotherapie; inspanningstesten met
ademgasanalyse. Het betreft toegepast, effectiviteitsonderzoek naar bewegings-,
trainingsprogramma’s bij patiënten.
Naar de negatieve effecten van sporten en bewegen op de gezondheid lopen
binnen het onderzoekprogramma “Vaatproblemen ten gevolge van sport” twee
onderzoekprojecten: bekkenslagaders en knieslagaders. Het betreft toegepast
onderzoek gericht op diagnostiek en behandeling van vaatafwijkingen bij
(duur)sporters. Daarnaast loopt, binnen het onderzoekprogramma “Cardiologie
en sport”, het onderzoekproject “Cardiale adaptatie aan duursport”. Dit betreft
meer fundamenteel onderzoek naar cardiale (mal)adaptatie aan duursport en
onderzoek naar tijdens sporten gevonden afwijkingen bij patiënten (o.a.
atriumfibrilleren en plotse dood).
In totaal is de TUE bij circa 8 onderzoekprojecten betrokken met een totale
omvang van circa 3,6 fte wp (naar globale schatting wordt gemiddeld 0,3 fte wp
gefinancierd uit de eerste geldstroom, 0,1 fte wp uit de tweede, 1,0 uit de derde
en 2,2 fte wp uit de vierde geldstroom).
Isala Klinieken Zwolle, afdeling sportgeneeskunde
Positieve effecten van sporten en bewegen:
- Onderzoek naar chronische vermoeidheid, een prospectief cohortonderzoek
    naar het effect van (op het individu afgestemde) bewegingsadviezen op
    parameters voor fitheid, hormonen en psychische klachten (0,05 fte wp).
    Zorgverzekeraar vergoedt de basale zorg, maar niet de inspanningstesten.
       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Negatieve effecten van sporten en bewegen: onderzoek naar de onderste en
bovenste extremiteit:
- compartimentdrukmeting. Gekeken wordt naar de betekenis, kwaliteit van
    deze meetmethode/meetapparaat (0,1 fte wp).
- Onderzoek naar het looppatroon op de lopende band versus lopen buiten op
    de weg (student 0,4 fte wp).
- Onderzoek naar de stofwisseling bij lopende band versus lopen buiten op de
    weg (aio 0,2 fte wp).
Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), afdeling reumatologie
Bij de afdeling reumatologie van het LUMC vindt onderzoek plaats naar de
vraag of patiënten met reumatoïde artritis betere functionele status bereiken met
langdurige intensieve oefentherapie/training dan met conventionele fysiotherapie
en of dit leidt tot vermindering van de medische kosten. Ook wordt hierbij
onderzocht de invloed van de ontstekingsactiviteit van de gewrichten, de mate
van gewrichtsdestructie en de botdichtheid. Financiering van circa 1,7 fte wp
gedurende 3 jaar uit het fonds Ontwikkelingsgeneeskunde.
TNO-PG
Bij TNO-PG wordt onderzoek verricht op het gebied van de positieve effecten
van sporten en bewegen op de gezondheid. Momenteel lopen er 11 projecten op
het gebied van bewegen, behoud van mobiliteit en gezondheid bij de
doelgroepen algemene bevolking, ouderen, chronisch zieken en gehandicapten.
De looptijd van de projecten is verschillend: 1 tot 4 jaar of soms continu (bijv. het
trendrapport). Vanuit TNO-PG wordt met 8-10 fte wp gewerkt aan deze
projecten. Financiering gebeurt of intern of vanuit VWS, ZON, SNS, NOC*NSF,
verschillende zorgverzekeraars, EU, NHS, farmaceutische industrie, etc.
TNO Arbeid
Bij TNO Arbeid loopt de onderzoeklijn “Bewegen en Gezondheid”. Binnen deze
onderzoeklijn lopen momenteel 12 projecten, waarbij het accent ligt op bewegen,
bewegingsstimulering, arbeid en gezondheid bij de doelgroepen de Nederlandse
bevolking, het Nederlandse bedrijfsleven en werknemers.
De looptijd van de projecten verschilt van 1-5 jaar tot continu (bijv. monitor
bewegen en gezondheid), 4 fte wp. Financiering gebeurt intern of vanuit VWS,
NOC*NSF, NHS, ZON.
Binnen de programmalijn bewegen en gezondheid zijn twee sublijnen
geformuleerd:
- “Monitoring Bewegen en gezondheid”: informatieverzameling over
    lichamelijke (in)activiteit, gezondheid en determinanten, in de Nederlandse
                                                                          31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    bevolking en het Nederlandse bedrijfsleven als geheel en subgroepen
    daarbinnen (leeftijdsgroepen, werknemers, chronisch zieken, kleine bedrijven
    e.d.).
-   Ontwikkeling, implementatie, evaluatie van bewegingsstimuleringsprogram-
    ma’s, zowel gericht op de algemene bevolking als op specifieke doelgroepen
    (werknemers en bedrijven, leeftijdsgroepen, chronisch zieken e.d.).
RIVM, sector volksgezondheidsonderzoek, centrum voor chronische ziekten en epidemiologie
Onderzoek van het centrum voor Chronische Ziekten Epidemiologie (CZE) richt
zich voornamelijk op a) het monitoren van beïnvloedbare risicofactoren, zoals
lichamelijke activiteit en bloeddruk, en b) het kwantificeren van de potentiële
invloed van deze risicofactoren op de morbiditeit, mortaliteit en kwaliteit van
leven van de Nederlandse bevolking. Hoofdlijnen van het onderzoek t.a.v. de
gunstige aspecten van lichaamsbeweging zijn (totaal: 1 fte wp eerste en 1 fte wp
tweede geldstroom):
- Methodologie ontwikkeling: ontwikkelen en valideren van meetmethoden
    voor lichamelijke activiteit. Er is bijv. een korte vragenlijst ontwikkeld en
    gevalideerd die gebruikt kan worden in gezondheidsenquêtes.
- Monitoren van bewegen in de Nederlandse bevolking, bijv. in het
    MORGEN-project (MOnitoring van Risicofactoren en GEzondheid in Neder-
    land). Uit dergelijk onderzoek kan worden afgeleid hoeveel procent van de
    bevolking voldoende beweegt en bij welke groepen veel bewegingsarmoede
    heerst. Tevens kan worden vastgesteld wat de bijdrage is van lichamelijke
    inactiviteit aan de sterfte aan een aantal chronische ziekten, zoals hart- en
    vaatziekten. Over dit soort informatie wordt in de VTV gerapporteerd.
- Etiologisch onderzoek. De relatie tussen bewegen en een aantal chronische
    ziekten, zoals CVA, lage rugklachten of diabetes mellitus type 2, wordt in
    longitudinaal onderzoek bestudeerd (± 0,2 fte wp tweede en derde geldstroom
    AIO’s).
- Modelleringsonderzoek. Met behulp van modellering wordt een schatting
    gemaakt van de potentiële effecten van een theoretisch interessante
    interventiestrategie.
Stichting Consument en Veiligheid (SCV)
Het concept rapport “Effectiviteit van blessurepreventieve maatregelen” (24) van
de SCV bestaat uit een literatuurstudie die werd uitgevoerd als onderdeel van het
consensustraject sportblessures binnen het programma “Sport Blessure Vrij” van
NOC*NSF (0,4 fte wp gedurende 1 jaar). In ditzelfde programma is begin 2000
een (vragenlijst) onderzoek afgerond naar preventieve maatregelen, spelgedrag
        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>en blessures bij hockeyspelers 8-17 jaar. Financiering van 0,5 fte wp gedurende
16 maanden door NOC*NSF.
SCV doet in samenwerking met het Instituut Bewegingswetenschappen van de
RUG en TNO Industrie een risico-analyse naar materialen en sportruimte bij
senioren fitness 50+, als onderdeel van een meer omvattend onderzoek.
Financiering van 0,1 fte wp gedurende 6 maanden via FIT!VAK.
3.1.2      ONDERZOEK      NAAR DE POSITIEVE EN NEGATIEVE
           EFFECTENVAN SPORT EN BEWEGEN OP DE GEZONDHEID
Het lopende onderzoek, zoals beschreven in de vorige paragraaf, wordt hierna
teruggebracht tot twee tabellen: Tabel 1 beschrijft waar het onderzoek naar de
positieve effecten van sporten en bewegen op de gezondheid plaatsvindt, Tabel
2 beschrijft waar het onderzoek naar de negatieve effecten plaatsvindt. Deze
tabellen zijn ook opgenomen in de lijst met aandachtspunten, die door de
geïnterviewde deskundigen werd ingevuld. De cijfers in de tabellen
corresponderen met de verschillende onderzoekinstituten.
1.     UM, bewegingswetenschappen
2.     UM, EXTRA en UM, capaciteitsgroep neurowetenschappen
3.     VUA, bewegingswetenschappen, IFKB
4.     VU Medisch Centrum, EMGO-Instituut
5.     UU, Faculteit Sociale wetenschappen, capaciteitsgroep algemene
       pedagogiek en orthopedagogiek
6.     UMCU, disciplinegroep medische fysiologie en sportgeneeskunde
7.     UMCU, afdeling topsportgeneeskunde
8.     WKZ / UMCU
9.     RUG, Instituut voor bewegingswetenschappen
10.    RUG, vakgroep huisartsgeneeskunde
11.    KUN, afdeling fysiologie
12.    EUR, afdeling orthopedie
13.    EUR, afdeling biomedische natuurkunde en technologie i.s.m. TU Delft
14.    TUE i.s.m. Sint Joseph Ziekenhuis Veldhoven
15.    Isala-klinieken Zwolle, afdeling sportgeneeskunde
16.    LUMC, afdeling reumatologie
17.    TNO-PG
18.    TNO Arbeid
19.    RIVM, sector volksgezondheidsonderzoek, centrum voor zorgonderzoek
20.    SCV
                                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Tabel 1
 Positieve effecten van sporten/bewegen op:                  Onderzoekinstituten
 Houdings- en bewegingsapparaat
 - artrose                                                   2, 11, 17
 - osteoporose                                               4, 12
 - reumatische aandoeningen                                  8, 16
 - lage rugpijn                                              2, 3, 4, 9, 13, 18, 19
 - algeheel functioneren                                     4, 9, 11, 17, 18, 19
 - anders,
    bekkeninstabiliteit                                      2
       chronische niet-specifieke pijn houdings- en          9
       bewegingsapparaat
       chronische vermoeidheid syndroom                      15
 Hart, vaten en longen
 - coronaire hartziekten                                     1, 4, 6, 14, 19
 - overige hartziekten                                       6, 19
 - perifeer arterieel vaatlijden                             1, 6, 11, 14
 - beroerte/CVA                                              19
 - longkanker
 - astma/COPD                                                1, 5, 11, 14
 - cystic fibrosis                                           5, 8, 9
 - anders,
    .......................................
 Neuro-, immuno-, endocriensysteem
 - neuromusculaire ziekten                                   1, 11
 - diabetes mellitus                                         1, 19
 - anders,
    obesitas                                                 1
       groeihormoon                                          6
       cerebrale parese                                      5
 Tractus digestivus
 - colonkanker                                               1, 6, 9
 - maag- en darmstoornissen                                  1, 6
 - anders,
    chronisch nier falen (CRF)                               9
 Algemene gezondheidstoestand*                               4, 7, 9, 11, 17, 18, 19
 Psychische aandoeningen
 - zoals depressie
 Nog anders
 - zoals borstkanker
 - chronische moeheid na chemotherapie                       14
 - communicatieve disfunctie (slechthorendheid,              9
 spraakgebrek)
 - dwarsleasie                                               11
*Of het algeheel welbevinden, inclusief de kwaliteit van leven.
           34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Tabel 2
  Negatieve effecten van sporten/bewegen op:                 Onderzoekinstituten
  Houdings- en bewegingsapparaat
  - onderste extremiteiten                                   3, 4, 6, 7, 12, 13, 15
  - bovenste extremiteiten                                   3, 4, 6, 13, 15
  - borst/buik
  - wervelkolom/bekken                                       4, 13
  - hoofd/hals                                               6
  - anders,
     ......................................................?
     ................................................?
  Hart, vaten en longen
  - plotse dood                                              6, 14
  - coronair lijden                                          1
  - ritme- en geleidingsstoornis                             6
  - cardiomyopathie
  - inspanningsastma                                         11
  - vaatproblemen tgv sport                                  14
  Neuro-, immuno-, endocriensysteem                          7
  - ontstaan van hersenletsel*                               2
  Tractus digestivus                                         6
  Algemene gezondheidstoestand**                             1
  Nog anders
  - sportletsels in relatie tot gedrag, rol huisarts         6
  - beeldvormende diagnostiek bij topsporters                6, 7, 14
  - voedingsanalyse bij topsporters                          7
* Door bijv. koppen, boksen etc.
** Hierbij wordt gedacht aan het ziek worden of het zich niet fit voelen. De ziekte kan
veroorzaakt worden door het sporten of bewegen. Het zich niet fit voelen kan gezien
worden als een syndroom dat ontstaat als gevolg van overtraining.
Opmerkingen bij de tabellen 1 en 2:
- Het is niet mogelijk uit de tabellen de omvang van het onderzoek af te lezen.
     De tabellen geven slechts weer op welke gebieden onderzoek plaatsvindt bij
                                                                                  35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    welk onderzoekinstituut. De witte vlekken kunnen als lacunes in het
    onderzoek worden beschouwd.
- In de tabellen kon niet al het onderzoek worden ondergebracht. De tabellen
    gaan bijv. niet in op doelgroepen (jongeren, ouderen etc.) of implementatie.
Conclusies die kunnen worden getrokken uit de tabellen 1 en 2:
- Bij het onderzoek naar de positieve effecten van sporten en bewegen zijn
    meer onderzoekinstituten betrokken dan naar de negatieve effecten.
- Bij het onderzoek naar de positieve effecten van sporten en bewegen richten
    de meeste onderzoekinstituten zich op het onderzoek naar het houdings- en
    bewegingsapparaat (met accent op het algehele functioneren en lage rugpijn),
    in iets mindere mate op hart, vaten en longen en in veel mindere mate op het
    neuro-, immuno-, endocriensysteem en de tractus digestivus. Op het gebied
    van de positieve effecten wordt momenteel geen onderzoek (lacune) verricht
    naar psychische aandoeningen, longkanker en borstkanker.
- Bij het onderzoek naar de negatieve effecten van sporten en bewegen richten
    de meeste onderzoekinstituten zich op het houdings- en bewegingsapparaat.
    Binnen deze categorie wordt m.n. onderzoek verricht naar de onderste en
    bovenste extremiteit, weinig onderzoek richt zich op de wervelkolom/bekken
    en hoofd/hals. Geen onderzoek is er nu naar letsels aan borst/buik. Naar de
    overige categorieën: hart, vaten en longen, neuro-, immuno-,
    endocriensysteem en tractus digestivus doen weinig instituten onderzoek.
3.2     INVENTARISATIE       BEHOEFTE AAN ONDERZOEK
De behoefte aan onderzoek in de sportgezondheidszorg, de vraagzijde, is
beschreven aan de hand van de door de deskundigen verstrekte informatie op de
volgende aandachtspunten: onderwerpen voor gewenst onderzoek naar positieve
dan wel negatieve effecten van sporten en bewegen op de gezondheid; onderzoek
naar speciale doelgroepen; specifieke omstandigheden; bewegingsprogramma’s
(de aandachtspunten 3, 7, 9, 10 en 11).
De verkregen informatie is samengevat in vijf rubrieken:
1. effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen;
2. overbelasting en blessures;
3. speciale doelgroepen;
4. implementatie;
5. organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg.
Hieronder zal de behoefte aan onderzoek worden beschreven aan de hand van
een toelichting op deze vijf rubrieken.
        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>1. Effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen
a. Onderzoek naar de effectiviteit van verschillende typen van sporten/bewegen
    - in termen van frequentie, aard en intensiteit - in relatie tot preventie van
    risico-indicatoren voor (chronische) aandoeningen en arbeidsverzuim en de
    behandeling en reïntegratie van specifieke aandoeningen. In het algemeen
    werd gewezen op het belang van onderzoek naar de lange termijn effecten en
    het gebruik van psychologische parameters (maten op het gebied van kwaliteit
    van leven, mentaal welbevinden) naast het gebruik van fysieke parameters.
    Tevens verklarend onderzoek. Onderzoek naar effecten van sporten/bewegen
    op de skeletspier, gewricht; neurologisch en biomechanisch onderzoek.
    Verklarend onderzoek naar fysiotherapeutische interventies op weefsel-, en
    celniveau.
b. Onderzoek naar de optimale relatie van bewegen en gezondheid leidt tot het
    vaststellen van:
- de minimale hoeveelheid activiteit ter preventie van aandoeningen/ziekten,
    bijv. preventie van conditieverval en vaardigheidsverval tijdens langdurige
    opname van patiënten in ziekenhuis of verpleeghuis; schade van (fysieke)
    relatieve inactiviteit, bijv. bedrust.
- De optimale dosis beweging ter preventie van aandoeningen gespecificeerd naar
    welke beweging voor welke aandoening of doelgroep en welke behandeling
    voor welke aandoening. De volgende aandoeningen worden genoemd: hart-
    en longaandoeningen (hartfalen); reumatische aandoeningen; spierziekten;
    hartafwijkingen (kindercardiologie); CVA; kanker; DM; depressie; irritable
    bowel disease; maag-, darmklachten; osteoporose. Naast chronische
    aandoeningen worden de volgende doelgroepen genoemd: gehandicapten,
    ouderen, werkenden, jongeren.
- Normontwikkeling. Behoefte aan het specificeren van de Nederlandse Norm
    Gezond bewegen (25) voor verschillende doelgroepen, bijv. gehandicapten.
c. Kosten-effectiviteit van (maatregelen m.b.t.) sporten en bewegen in termen
    van gezondheidswinst en economische voordelen (arbeidsverzuim, WAO
    etc.). Het betreft zowel de kosten-effectiviteitsanalyses van onderzoek ter
    ondersteuning van beleid als de evaluatie van beleidsmaatregelen. Tevens
    wordt de behoefte aangegeven van een wetenschappelijke onderbouwing in
    economische termen van de meerwaarde van sporten voor de gezondheid in
    algemene zin.
d. Bewegingsprogramma’s.
- Onderzoek naar de inhoud van bewegingsprogramma’s. Twee invalshoeken
    dienen hierbij te worden onderscheiden: de inspanningsfysiologie (trainings-
    effecten van bewegingsprogramma’s) en gedrag en gedragsbestendiging (zie
    verder 4c.). Van belang is een algemeen format te ontwikkelen waaraan een
                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    bewegingsprogramma moet voldoen, incl. een voorlichtingsgedeelte.
    Vervolgens dient bepaald te worden hoe dit te onderzoeken, te denken valt
    aan kwaliteitsindicatoren, kwaliteitscriteria, visitatiesysteem.
-   Hoe gestructureerd zijn de verschillende bewegingsprogramma’s? Standaar-
    disatie door richtlijnen voor FysioSport-consultants, fitnesstrainers etc.
-   Een verdere differentiatie van programma’s naar verschillende doelgroepen
    (werkenden, ouderen, jongeren, gehandicapten) en specialisatie naar
    verschillende chronische ziekten. Vragen t.a.v. de dosis-respons, de aard,
    frequentie en intensiteit van bewegen.
-   Doelmatigheid en doeltreffendheid van bewegingsprogramma’s. Onderzoek
    richten op aandoeningen met bijv. een hoog arbeidsverzuim. Er is behoefte
    aan randomized controlled trials naar twee behandelmodaliteiten met een
    kosten-effectiviteitsanalyse (met als uitkomstmaten medische consumptie en
    arbeidsverzuim).
-   Vooral is onderzoek gewenst naar de positieve maatschappelijke effecten
    (specifiek voor de Nederlandse situatie), zoals de betekenis van sporten bij de
    integratie van minderheden, het functioneren van werknemers en de
    betekenis van grote maatschappelijke issues als productiviteit,
    verzuimbeheersing, een snelle terugkeer in het arbeidsproces en beperking
    van het aantal WAO’ers.
2. Overbelasting en blessures
a. Er is weinig zicht op het verloop van langdurige overbelastingsblessures als
    gevolg van (top)sporten. Er is behoefte aan langdurig prospectief onderzoek
    naar blijvende schade in termen van gewrichtsletsel, instabiliteit en artrose als
    gevolg van het sporten op hoog niveau. Specifiek worden enkel, knie en heup
    genoemd. Daarnaast is verklarend/etiologisch onderzoek naar over-
    belastingsblessures gewenst.
b. Preventie sportblessures en klachten. Inzicht in de factoren die een rol spelen
    bij het ontstaan van sportletsels, op basis waarvan sportletsels kunnen worden
    voorspeld. Hierbij zijn omgevingsgebonden en persoonsgebonden
    determinanten te onderscheiden:
- Omgevingsgebonden determinanten, bijv. de rol van de trainer en het
    ontstaan van sportletsels. Specifiek voor topsporters wordt genoemd:
    onderzoek naar de leefsituatie van de topsporter, d.w.z. woonsituatie, reizen,
    studeren/werken, topsport/trainen, relatie, voeding. Onderzoek naar
    problemen (per tak van sport) bij accommodatiegebruik voor de topsport.
    Onderzoek        naar     specifieke     trainingen      ter   preventie    van
    overbelastingsblessures in de (top)sport.
        38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>-   Persoonsgebonden determinanten, bijv. schouderblessures in de
    gehandicapten rolstoel(top)sport ten gevolge van verplaatsingen (zitvolleybal)
    of onderzoek naar overbelastingsblessures bij stress-patiënten; het ontstaan
    van recidief blessures bij bepaalde sporters en niet bij andere sporters.
- De effectiviteit en doelmatigheid van beschermende middelen. Specifiek
    worden genoemd: sportschoeisel; rackets; gebitsbeschermers; beschermend
    materiaal bij skeeleren; kleding tijdens de sportbeoefening (warmte,
    onderkoeling).
c. Diagnostiek, prognose en behandeling van sportletsels
- Effectiviteit en doelmatigheid van bestaande en nieuwe diagnostische
    methodieken. Hierbij is de vraag hoe effectief te diagnostiseren; kan
    overdiagnostiek in de sportgeneeskunde worden ondervangen door
    richtlijnen; ontwikkelen diagnostische methoden voor onbegrepen
    klachten/letsels/stoornissen (bijv. hoofdpijn).
    Effectiviteit en doelmatigheid van bestaande en nieuwe behandelmethodieken
    (chirurgisch, fysiotherapeutisch, farmacologisch en immobiliserend). Een
    voorwaarde hierbij is een goede samenwerking met aangrenzende disciplines
    (orthopedie, chirurgie, fysiologie etc.). Er is behoefte aan onderzoek naar: het
    gebruik en het effect van hulpmiddelen (braces); de effectiviteit van
    oefentherapie; de effectiviteit van behandelingsprotocollen; de effectiviteit van
    het sportfysiotherapeutisch consult; de relatie tussen belasting in de sport en
    belasting in het werk bij overbelastingsblessures, bijv. de tennissende
    stukadoor (het arbotraject en het sportgeneeskundig traject zijn twee
    gescheiden trajecten); het verschil in effectiviteit van geneesmiddelen die
    worden gebruikt op indicatie van aandoeningen in relatie tot een
    bewegingsadvies/bewegingsprogramma.
- In het bijzonder wordt aandacht gevraagd voor: de behandeling van letsels
    van het houdings- en bewegingsapparaat met ijs, bandages, zwachtels etc.;
    propriocepsis training na een letsel; de relatie tussen de sportbeoefening en
    de klacht (breedte van een fietsstuur; de relatie tussen schoen, hardlopen en
    ondergrond etc.); het functioneel herstel van de sporter post-operatief; de
    doelmatigheid van gebruikte meetapparatuur (bijv. isokinetische
    testapparatuur); de ontwikkeling van nieuwe testmethoden voor de evaluatie
    van de herstelfase.
3. Specifieke doelgroepen.
a. Chronisch zieken/gehandicapten, ouderen en werkenden, met name t.a.v.
    inzicht in en ontwikkeling van op deze doelgroepen afgestemde beweging en
    bewegingsprogramma’s en sporten (zie ook 1 d.).
                                                                           39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>b. Jongeren
- Het Amsterdamse groeionderzoek vervolgt een cohort longitudinaal
    (inmiddels 25 jaar), een uniek databestand (met o.a. data over activiteit) van
    600 kinderen die inmiddels 36 jaar oud zijn. Financiering van dit onderzoek
    blijkt steeds moeilijker, maar is voor de continuering van cruciaal belang.
- Uit het longitudinale groeionderzoek (1995) is gebleken dat de jeugd vanaf 12
    jaar een sterke daling (tot een derde) in algemene dagelijkse levensactiviteiten
    (ADL) laat zien (zoals fietsen, lopen; minder buiten spelen; minder deelname
    aan sport). Op deze onderzoekresultaten is “Jeugd In Beweging” (JIB)
    gebaseerd. De Stichting JIB werd in 1996 opgericht met subsidie (tot 2001)
    van VWS en OCenW. De Stichting streeft ernaar dat jongeren (4-18 jaar)
    blijvend deelnemen aan sport- en bewegingsactiviteiten. Om dit te bereiken
    motiveert en ondersteunt JIB partners uit de sectoren overheid, gezondheid,
    sport en onderwijs verworven inzichten over te dragen en om te zetten in
    duurzaam beleid. Uitgaande hiervan verdient onderzoek naar de
    implementatie van methoden om de jeugd vooral in de leeftijdscategorie van
    12-16 jaar lichamelijk actiever te krijgen prioriteit. Daarnaast het onderzoek
    naar de determinanten die een rol spelen bij de daling in lichamelijke
    activiteit.
- Onderzoek preventieve waarde lichamelijke activiteit in jeugdfase (preventie
    osteoporose). Bij kinderen is duidelijk geworden dat de maximale botmassa
    (piekbotmassa) bereikt wordt tussen de 20 en 30 jaar. Bij jongeren die
    lichamelijk actief zijn is de piekbotmassa hoger dan bij inactieven. De
    botmassa neemt bij het ouder worden bij deze actieven minder snel af. Ten
    gevolge van de dubbele vergrijzing (meer ouderen die ouder worden) zal een
    epidemie van osteoporose ontstaan, met grote consequenties voor de
    gezondheidszorg.
- Onderzoek naar de belastbaarheid van kinderen in de groei, in de puberteit,
    die op hoog niveau sporten. Van deze kinderen wordt (te) veel geëist met als
    gevolg overbelastingsletsels. Bij voetballers van 16 jaar bijv. worden
    knieletsels gezien die enkele jaren geleden bij volwassenen werden gezien.
    Onderzoek naar het kennisniveau van trainers, coaches en begeleiders t.a.v.
    belastbaarheid van kinderen bij (top)sporten. Hebben zij inzicht in de relatie
    groei en (top)sport? M.a.w., is het belangrijk dat kinderen in de groei sporten
    onder deskundige begeleiding ter preventie van schade door overbelasting?
4. Implementatie van bewegingsprogramma’s, behandelingsrichtlijnen en preventie-
richtlijnen:
a. Welke rol kunnen begeleiders en zorgverleners (huisartsen, sportartsen,
    sportfysiotherapeuten, specialisten, GGD’en etc.) spelen? Hoe is hun kennis
        40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>    over bewegingsprogramma’s, behandelings- en preventierichtlijnen? Wat
    gebeurt er in de praktijk? Hoe vaak wordt een advies gegeven en opgevolgd?
b. Onderzoek naar factoren die implementatie bevorderen of belemmeren. Hoe
    doelgroepen/patiënten overhalen tot deelname aan bewegingsprogramma’s?
    Veelal worden nu niet de groepen bereikt die het nodig hebben.
c. Onderzoek gericht op factoren die het “volhouden” van bewegings-
    programma’s helpen bevorderen (gedragsbestendiging). Gedrag en gedrags-
    bestendiging zijn belangrijke invalshoeken bij bewegingsprogramma’s (zie ook
    1d.). Het is de vraag daarbij hoe een bewegingsprogramma aan te bieden
    (bijv. continu aanbieden of intermitterend begeleiden) en hoe het vol te
    houden. De vaardigheden van de fysiotherapeut zijn hierbij van groot belang.
5. Organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg
a. Onderzoek naar de opvang, begeleiding en behandeling van (top)sporters/
    bewegers (routingonderzoek): rol van, alsmede afstemming en samenwerking
    tussen de verschillende actoren (begeleiders en zorgverleners) binnen de
    sportgezondheidszorg, alsmede met aangrenzende disciplines (orthopedie,
    chirurgie, fysiologie, huisartsgeneeskunde, bedrijfsgezondheidszorg, etc.). Hoe
    kan de sportgezondheidszorg goed toegankelijk gemaakt worden voor de
    opvang, behandeling en begeleiding van sportletsels en voor adviezen t.a.v.
    sportbeoefening? Er is behoefte aan meer inzicht in wat er met topsporters
    gebeurt na het stoppen met sporten. Welke gezondheidsklachten (mentaal en
    lichamelijk) treden op?
b. Onderzoek naar de kwaliteit van de sportgezondheidskundige begeleiding/-
    zorg en zorgverleners. Hoe is de organisatie en de beschikbaarheid van de
    zorgverlening? Welke gezondheidsschade en gezondheidsrisico’s lijden (top)-
    sporters door het ontbreken van sportmedische begeleiding door
    gekwalificeerde artsen?
c. Onderzoek naar de toepassing en het effect van sportkeuringen. Een
    inventarisatie van keuringen is gewenst en van de hierbij gehanteerde normen
    en criteria. Onderzoek naar effecten van keuringsadviezen c.q. regels voor
    risicosporten (o.a. duiken). Te denken valt ook aan het grote belang van
    medische keuringen in bijv. het betaald voetbal (grote transfers).
                                                                         41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>42</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>4       PROGRAMMERING                      VAN           ONDERZOEK              EN
        VERSTERKING VAN ONDERZOEKINFRASTRUCTUUR
4.1     DE   VRAAG NAAR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
In par. 3.2 is de geïnventariseerde behoefte aan onderzoek op het gebied van de
sportgezondheidszorg beschreven. Het onderzoek werd samengevat in vijf
rubrieken: 1. effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen; 2. overbelasting en
blessures; 3. speciale doelgroepen; 4. implementatie; 5. organisatie en uitoefening
sportgezondheidszorg. Vervolgens is deze samenvatting geëvalueerd en
beoordeeld op consistentie en samenhang. Vanuit maatschappelijk oogpunt is
aan het bewegen voor iedereen (gezonden, chronisch zieken/gehandicapten,
ouderen, jongeren) en de breedtesport meer prioriteit gegeven dan aan de
topsport. Met andere woorden, er is in de eerste plaats gekozen voor de sport als
middel (vanuit de zorg kijken naar de sport) en niet voor de sport als doel
(prestatie staat voorop). Tevens heeft het sportgezondheidsonderzoek prioriteit
gekregen boven het sportonderzoek.2 Daarbij verdienen de doelgroepen
chronisch zieken/gehandicapten, ouderen, jongeren en werkenden evenveel
aandacht. In Tabel 3 staat de geëvalueerde behoefte aan onderzoek in de
sportgezondheidszorg weergegeven.
4.2     AFSTEMMING         VAN HET AANBOD AAN WETENSCHAPPELIJK
        ONDERZOEK OP DE VRAAG NAAR ONDERZOEK
In deze paragraaf worden de vraag- en aanbodzijde naast elkaar geplaatst. Naast
de behoeften zoals beschreven in de vorige paragraaf, worden in tabel 4 de
organisaties aangegeven die op deze behoeften onderzoek verrichten. In tabel 4
is dus slechts af te lezen óf onderzoek wordt verricht op het gebied van een
gesignaleerde behoefte en waar dat plaats vindt. Uit de tabel is niet af te lezen
met welke omvang dit gebeurt.
        2
         Op het sportonderzoek wordt ingegaan in het rapport “Onderzoeksprogrammering
in de sport; Knelpunten en kansen voor de programmering van sociaal-wetenschappelijk
onderzoek op sportgebied” (22).
                                                                             43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Tabel 3 Vraagzijde
 1. Effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen
 a. Onderzoek effectiviteit verschillende typen van sporten en bewegen (aard,
     intensiteit, frequentie) in relatie tot
     primaire, secundaire en tertiaire preventie van aandoeningen/ziekten
     Tevens verklarend onderzoek naar effecten van sporten/bewegen op houdings-
     en bewegingsapparaat, zenuwstelsel etc.
 b. Onderzoek naar (optimale) relatie tussen bewegen en gezondheid:
     - Inzicht in minimale activiteit ter preventie van ziekten/ aandoeningen
     - Ontwikkeling normen voor gezond bewegen
     - Vaststellen optimale beweging ter preventie c.q. behandeling van specifieke
          aandoeningen
 c. Kosten-effectiviteit van (maatregelen m.b.t.) sporten en bewegen in termen van
     gezondheidswinst en economische voordelen (arbeidsverzuim, WAO etc.)
 d. Bewegingsprogramma’s:
     - Ontwikkeling format (criteria) voor “evidence-based”
          bewegingsprogramma’s.
     - Ontwikkeling richtsnoeren voor standaardisatie
     - Differentiatie van bewegingsprogramma’s naar verschillende doelgroepen
     - Kosten-effectiviteit en doelmatigheid bewegingsprogramma’s
     - Onderzoek naar de positief-maatschappelijke effecten van sport en
          bewegingsprogramma’s (integratie van minderheden, werkenden etc.)
 2. Overbelasting en blessures
 a. Onderzoek naar belasting-overbelasting:
      - Verloop langdurige overbelastingsblessures als gevolg van (top)sport
      - Blijvende schade (heup, knie, enkel) als gevolg van sporten op hoog niveau
      - Verklarend/etiologisch onderzoek overbelastingsblessures (pees, etc.)
 b. Preventie sportblessures en klachten
      - Determinanten voor het ontstaan van sportblessures
      -     Effectiviteit omgevingsgebonden interventies
      -     Effectiviteit persoonsgebonden interventies
      -     Effectiviteit en doelmatigheid van beschermende middelen
 c. Diagnostiek, prognose en behandeling van sportletsels
      -     Effectiviteit en doelmatigheid van hulpmiddelen (braces etc.)
      -     Effectiviteit oefentherapie
      -     Effectiviteit (landelijke transmurale) behandelingsprotocollen
      -     Relatie belasting sport-werk bij de behandeling van overbelastingsblessures
      -     Risico’s van geneesmiddelengebruik bij specifieke ziekten, in combinatie
            met sport/bewegen
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>3.   Specifieke doelgroepen
a.   Chronisch zieken/gehandicapten, ouderen en werkenden, met name t.a.v.
     inzicht in en ontwikkeling van op deze doelgroepen afgestemde beweging en
     bewegingsprogramma’s en sporten
b.   Jongeren
     -     Prospectief onderzoek naar veranderingen in lichamelijke activiteit in de
           tijd (continuering Amsterdamse groei onderzoek)
     -     Onderzoek naar de determinanten van inactieven die actief waren
     -     Ontwikkeling methoden ter stimulering lichamelijke activiteit jeugd
     -     Onderzoek preventieve waarde lichamelijke activiteit in jeugdfase
           (preventie osteoporose etc.)
     -     Onderzoek belastbaarheid jonge (top)sporters
4.   Implementatie
Implementatie van bewegingsprogramma’s, behandelingsrichtlijnen en
preventierichtlijnen:
a.   Rol van begeleiders en zorgverleners (huisartsen, sportartsen,
     sportfysiotherapeuten, specialisten, GGD’en etc.)
b.   Onderzoek naar factoren die implementatie bevorderen of belemmeren
c.   Onderzoek gericht op factoren die het “volhouden” van programma’s helpen
     bevorderen (gedragsbestendiging)
5.   Organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg
a.   Onderzoek naar de opvang, begeleiding en behandeling van
     (top)sporters/bewegers (routingonderzoek): rol van alsmede afstemming en
     samenwerking tussen de verschillende actoren (begeleiders en zorgverleners)
     binnen de sportgezondheidszorg, alsmede met aangrenzende disciplines
     (orthopedie, chirurgie, fysiologie, huisartsgeneeskunde, bedrijfsgezondheidszorg,
     etc.). In het bijzonder richtlijnen en protocollen.
b.   Onderzoek naar de kwaliteit van de sportgezondheidskundige begeleiding/zorg
     en zorgverleners.
c.   Onderzoek naar de toepassing en het effect van sportkeuringen en begeleiding
     Ontwikkeling van normen en criteria voor sportkeuringen.
In alle gevallen geldt als randvoorwaarde voor onderzoek: het monitoren van
sporten/bewegen en sportongevallen
                                                                               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Tabel 4 Vraag- en aanbodzijde
 Prioriteiten/vraag                                Lopend onderzoek/     Over-
                                                    aanbod*              weging**
 1.   Effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen 1a: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 1
 a.   Onderzoek effectiviteit verschillende typen      9, 11, 14, 17,
      van sporten en bewegen (aard; intensiteit;       18, 19, 20
      frequentie) in relatie tot
      primaire, secundaire en tertiaire preventie
      van aandoeningen/ziekten
      Tevens verklarend/etiologisch onderzoek          1, 19             3
      naar effecten van sporten/bewegen op
      houding- en bewegingsapparaat, zenuwstel
      etc.
 b.   Onderzoek naar (optimale) relatie tussen     1b: 4                 2
      bewegen en gezondheid:
      -    Inzicht in minimale activiteit ter
           preventie van ziekten/aandoeningen
      -    Ontwikkeling normen voor gezond
           bewegen
      -    Vaststellen optimale beweging ter
           preventie c.q. behandeling van
           specifieke aandoeningen
 c.   Kosten-effectiviteit van (maatregelen mbt)   1c: 4, 17, 18         2
      sporten en bewegen in termen van
      gezondheidswinst en economische
      voordelen (arbeidsverzuim, WAO, etc.)
 d.   Bewegingsprogramma's                         1d: 1, 4, 9, 14, 16,  1
      -    Ontwikkeling format (criteria) voor         17, 18
           evidence-based bewegings-
           programma's
      -    Ontwikkeling richtsnoeren voor
           standaardisatie
      -    Differentiatie van bewegings-
           programma's naar verschillende
           doelgroepen
      -    Kosten-effectiviteit en doelmatigheid
           bewegingsprogramma's
      -    Onderzoek naar de positief-maat-
           schappelijke effecten van sport en
           bewegingsprogramma's (integratie van
           minderheden, werkenden etc.)
        46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>2. Overbelasting blessures
a. Onderzoek naar belasting-overbelasting:    2a: 3, 7, 12, 14      2
   -   Verloop langdurige overbelastings-
       blessures a.g.v. (top)sport
   -   Blijvende schade (heup; knie; enkel)
       a.g.v. sporten op hoog niveau
   -   Verklarend/etiologisch onderzoek
       overbelastingsblessures (pees, etc.)
b. Preventie sportblessures en klachten       2b: 2, 3, 4, 6, 7, 9, 1
   -   Determinanten voor het ontstaan van        11, 13, 15, 20
       sportblessures
   -   Effectiviteit omgevingsgebonden
       interventies
   -   Effectiviteit persoonsgebonden
       interventies
   -   Effectiviteit en doelmatigheid van
       beschermende middelen
c. Diagnostiek, prognose en behandeling van   2c: 3, 4, 7, 11, 13,  2
   sportletsels                                   14
   -   Effectiviteit en doelmatigheid van
       hulpmiddelen (braces etc.)
   -   Effectiviteit oefentherapie
   -   Effectiviteit (landelijke transmurale)
       behandelingsprotocollen
   -   Relatie belasting sport-werk bij de
       behandeling van overbelastings-
       blessures
   -   Risico's van geneesmiddelengebruik bij
       specifieke ziekten, in combinatie met
       sport/bewegen
                                                                      47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>3.  Specifieke doelgroepen
a.  Chronisch zieken/gehandicapten, ouderen        3a: 1, 4, 6, 9, 11, 2
    en werkenden; met name voor wat betreft            14, 15, 16, 17,
    het inzicht in en ontwikkeling van op deze         18, 19
    doelgroepen afgestemde beweging en
    bewegingsprogramma's en sporten
b.  Jongeren                                       3.b 4, 5, 9         2
    -    Prospectief onderzoek naar
         veranderingen in lichamelijke activiteit
         in de tijd (continuering Amsterdamse
         groei onderzoek)
    -    Onderzoek naar de determinanten van
         inactieven die actief waren
    -    Ontwikkeling methoden ter
         stimulering lichamelijke activiteit jeugd
    -    Onderzoek preventieve waarde
         lichamelijke activiteit in jeugdfase
         (preventie osteoporose etc.)
    -    Onderzoek belastbaarheid jonge
         (top)sporters
4. Implementatie
Implementatie van bewegingsprogramma's ,
behandelingsrichtlijnen en preventierichtlijnen:
a. Rol van begeleiders en zorgverleners            4a: 10, 17          2
    (huisartsen, sportartsen, sportfysio-
    therapeuten, specialisten, GGD'en etc.)
b. Onderzoek naar factoren die de                  4b: 17, 18          2
    implementatie bevorderen of belemmeren
c. Onderzoek gericht op factoren die het           4c: 17              2
    'volhouden' van programma's helpen
    bevorderen (gedragsbestendiging)
      48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>  5.  Organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg
  a.  Onderzoek naar de opvang, begeleiding en        5a: 6, 10       2
      behandeling van (top)sporters/bewegers
      (routingonderzoek): rol van, alsmede
      afstemming en samenwerking tussen de
      verschillende actoren (begeleiders en
      zorgverleners) binnen de
      sportgezondheidszorg, alsmede met
      aangrenzende disciplines (orthopedie,
      chirurgie, fysiologie, huisartsgeneeskunde,
      bedrijfsgezondheidszorg, etc.)
  b.  Onderzoek naar de kwaliteit van de              5b: 17          2
      sportgezondheidskundige begeleiding/zorg
      en zorgverleners
  c.  Onderzoek naar de toepassing en het effect      5c: 7           2
      van sportkeuringen en begeleiding
      Ontwikkeling van normen en criteria voor
      sportkeuringen
  Randvoorwaarden voor onderzoek:
  Het monitoren van sporten/bewegen en
  sportongevallen
*    Een verklaring van de nummers staat op blz. 33
**   Een verklaring van de nummers staat op blz. 50
4.3       PROGRAMMA ONDERZOEK OP HET GEBIED VAN DE SPORTGEZOND-
          HEIDSZORG
Uit tabel 4 blijkt dat op veel onderwerpen onderzoek wordt verricht door
verschillende onderzoekinstituten. Op sommige onderwerpen vindt vrijwel geen
onderzoek plaats, bijv. naar de (optimale) relatie tussen bewegen en gezondheid.
De Raad heeft zich afgevraagd of een onderzoekonderwerp aan prioriteit verliest
als hierop door verschillende instituten al onderzoek wordt verricht; of een
onderzoekonderwerp aan prioriteit wint als hierop in Nederland geen onderzoek
plaatsvindt en of een dergelijk onderwerp, dat geheel moet worden gestart, juist
niet dient te worden gestimuleerd in Nederland. Deze vragen monden uit in een
drietal overwegingen, die zijn gebruikt als leidraad om te komen tot een
kwalitatief gewogen beoordeling over het te stimuleren onderzoek. Het betreft
dus geen kwantitatieve beoordeling. Deze drie overwegingen zijn:
                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>1) De gesignaleerde behoefte aan onderzoek is in redelijke balans met het
     onderzoeksaanbod.
2) Er is sprake van een duidelijke disbalans tussen onderzoeksvraag en aanbod
     van hierop afgestemd onderzoek in Nederland. Stimulering van dit in
     essentie toepassingsgerichte onderzoek, juist ook in de Nederlandse situatie,
     is gewenst.
3) Het betreft onderzoek van meer fundamentele aard. Concrete
     toepassingsmogelijkheden voor de sportgezondheidszorg zijn nog
     onduidelijk c.q. niet direct te verwachten. Het is relevant onderzoek dat
     uitgevoerd dient te worden, maar dat niet zo zeer past binnen een
     toepassingsgericht en maatschappelijk georiënteerd onderzoekadvies van de
     RGO. Vanwege het “universele” karakter is dit onderzoek niet aan
     landgrenzen gebonden.
Aan de hand van deze overwegingen zijn de behoeften aan onderzoek in tabel
4 opnieuw beoordeeld. De overwegingen staan in de laatste kolom van tabel 4
weergegeven (de cijfers 1, 2 en 3 corresponderen met de overwegingen 1, 2 en
3). Het onderzoek dat beoordeeld werd als in disbalans met de vraag (te weinig),
overweging 2 in tabel 4, werd als zwaartepunt aangewezen
  Dit heeft geresulteerd in de volgende zwaartepunten voor onderzoek:
  1       Effectiviteit en doelmatigheid van sport/bewegen. Binnen dit zwaarte-
          punt is het van belang vooral aandacht te schenken aan onderzoek naar
          de (optimale) relatie tussen bewegen en gezondheid, alsmede aan de
          kosten-effectiviteit van (maatregelen m.b.t.) sporten en bewegen in
          termen van gezondheidswinst en economische voordelen.
  2       Overbelasting en blessures. Aanbevolen wordt binnen dit zwaartepunt
          met name onderzoek te stimuleren gericht op belasting-overbelasting
          en de diagnostiek, prognose en behandeling van overbelastingsblessu-
          res.
  3       Specifieke doelgroepen: chronisch zieken/gehandicapten, ouderen en
          werkenden: vooral inzicht in en ontwikkeling van op deze doelgroepen
          afgestemde beweging en bewegingsprogramma’s en sporten. Daarnaast
          de doelgroep jongeren, stimulering van het onderzoek geprofileerd
          rond de volgende items: veranderingen in lichamelijke activiteit in de
          tijd; de determinanten van inactieven die actief waren; ontwikkeling
          van methoden ter stimulering van de lichamelijke activiteit van de
          jeugd; de preventieve waarde van lichamelijke activiteit in de jeugdfa-
          se; en de belastbaarheid van jonge (top)sporters.
        50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>  4      Implementatie van bewegingsprogramma’s, behandelingsrichtlijnen en
         preventierichtlijnen. In het bijzonder is het van belang aandacht te
         schenken aan de rol van begeleiders en zorgverleners, de factoren die
         de implementatie bevorderen of belemmeren en de factoren die het
         “volhouden” van programma’s helpen bevorderen.
  5      De organisatie en uitoefening van de sportgezondheidszorg. Aandacht
         voor onderzoek naar de opvang, begeleiding en behandeling van
         (top)sporters en bewegers; hierbij wordt gedacht aan de rol van,
         alsmede afstemming en samenwerking tussen de verschillende actoren
         (begeleiders en zorgverleners) binnen de sportgezondheidszorg,
         alsmede met aangrenzende disciplines. Tevens wordt binnen dit
         aandachtspunt aandacht gevraagd voor onderzoek naar de kwaliteit
         van de sportgezondheidskundige begeleiding/zorg en zorgverleners,
         alsmede onderzoek naar de toepassing en het effect van sportkeuringen
         en begeleiding.
  Voor alle zwaartepunten geldt tevens het belang van periodieke monitoring
  voor de beoordeling van de effectiviteit van programma’s en richtlijnen.
Bij zwaartepunt 3 wordt de volgende opmerking geplaatst: er vindt al bij een
groot aantal onderzoekinstituten onderzoek plaats naar op chronisch zieken/
gehandicapten, ouderen en werkenden afgestemde beweging, bewegings-
programma’s en sporten. Er bestaan echter nog veel (zowel populatie-gerichte als
patiënt-gebonden) vragen op dit belangrijke onderzoekgebied. Dit overwegende
is besloten dat dit onderwerp zwaartepunt van onderzoek dient te blijven. Omdat
op het gebied van de doelgroep jongeren slechts weinig onderzoekinstituten
werkzaam zijn, is dit onderwerp ook als zwaartepunt aangemerkt.
Door het aanmerken van bovenstaande zwaartepunten kan het aanbod van het
onderzoek in de toekomst gaan veranderen. Dit kan een disbalans tot gevolg
hebben van het onderzoek dat hierboven niet als zwaartepunt werd aangemerkt
(overweging 1). Er dient voor gezorgd te worden dat het onderzoek waarbij vraag
en aanbod momenteel in balans zijn, in balans blijft.
Bij de zwaartepunten effectiviteit en doelmatigheid sport/bewegen;
implementatie en organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg (de
zwaartepunten 1, 4, 5) ligt de nadruk op het populatie-gerichte onderzoek. Bij het
zwaartepunt overbelasting en blessures (zwaartepunt 2) ligt de nadruk op het
individuele of patiënt-gebonden onderzoek. Het zwaartepunt specifieke
doelgroepen omvat zowel het populatie-gerichte als het patiënt-gebonden
onderzoek. Beide invalshoeken dienen in een onderzoekprogramma te worden
opgenomen.
                                                                        51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>4.4      KNELPUNTEN       IN HET ONDERZOEK
In het onderzoek op het gebied van de sportgezondheidszorg is op basis van de
interviews met deskundigen een aantal organisatorische en financiële knelpunten
aan te wijzen die hierna worden beschreven.
1. Organisatie van het onderzoek en opleiding
Het onderzoek op het gebied van de sportgezondheidszorg wordt verricht aan
medische en niet-medische faculteiten en buitenuniversitaire onderzoekinstituten.
De niet-medische faculteiten zijn de faculteiten bewegingswetenschappen,
gezondheidswetenschappen,         sociale    wetenschappen          en    technische
wetenschappen. Het totale aantal beschikbare fte wetenschappelijk personeel op
het gebied van sport, bewegen en gezondheid (circa 115-120 fte wp) is over een
groot aantal onderzoekgroepen verspreid. Geschat wordt dat circa 100 fte wp
universitair werkzaam is en circa 18 fte wp buitenuniversitair. Het relatief grote
aantal fte wp moet gezien worden tegen de achtergrond van een groot
onderzoekterrein (sport, bewegen en gezondheid) en van de versnippering van
het onderzoek.
Er is in Nederland slechts één universitaire vakgroep sportgeneeskunde (12 fte
wp), in het UMCU. Aan deze vakgroep was tot eind 1999 de enige hoogleraar
sportgeneeskunde verbonden. Continuering van deze leerstoel is nog steeds
onderwerp van discussie. Bij het ontbreken van universitaire vakgroepen
sportgeneeskunde met voldoende kritische massa (leerstoelen en vaste staf) dreigt
de aanwas van goed opgeleide onderzoekers in gevaar te komen. De
sportgeneeskunde is evenals andere sociaal geneeskundige disciplines in het
algemeen weinig universitair verankerd. Voor de opleiding wordt gebruik
gemaakt van buitenuniversitaire instituten. Het Nederlands Instituut Opleiding
Sportartsen (NIOS) is een landelijke instelling (stichting) die al bijna veertien jaar
zorg draagt voor het opleiden van artsen tot geregistreerd sportarts bij de Sociaal-
Geneeskundigen Registratie Commissie. De VSG heeft tevergeefs activiteiten
ondernomen om de registratie van sportartsen onder te brengen bij de Medisch-
Specialisten Registratie Commissie.
Ook de post-HBO opleiding tot sportfysiotherapeut, die wordt verzorgd door de
Hogeschool Utrecht in samenwerking met NOC*NSF, is niet universitair
verankerd, hetgeen wel de wens is van de NVFS.
Bij de verschillende onderzoekgroepen is geen duidelijk patroon van
zwaartepunten aan te duiden. Er wordt aan veel verschillende onderwerpen
gewerkt, soms door een enkele onderzoeker. Aan de andere kant wordt ook door
verschillende onderzoekers aan eenzelfde onderwerp gewerkt, waarbij niet altijd
in samenwerking en overleg is voorzien. Er is met andere woorden sprake van
versnippering. Er is geen duidelijk aanspreekpunt en het inzicht in wie wat doet
ontbreekt. De verklaring kan voor een deel gezocht worden in het
multidisciplinaire en horizontale karakter van de sportgezondheidszorg. Het heeft
raakvlakken met aanpalende gebieden zoals de revalidatiegeneeskunde,
        52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>traumatologie, orthopedie, cardiologie, huisartsgeneeskunde, fysiotherapie,
bewegingswetenschappen, diëtetiek, arbo-zorg en GVO. Het multidisciplinaire
karakter stelt hoge eisen aan coördinatie en afstemming van het onderzoek.
Samenwerking vindt voornamelijk plaats op projectbasis. Er is wel een
ontwikkeling van samenwerking en afstemming gaande via de Samenwerking
Nederlandse universiteiten en onderzoekinstituten (SNUON). Deze heeft in 1999
een voorstel voor een interuniversitair onderzoekprogramma gedaan op het
gebied van lichamelijke activiteit en gezondheid. Partners bij de uitvoering van
dit programma zijn UM, RUG; UMCU en VU. Tevens participeren TNO-PG,
TNO Arbeid en NOC*NSF. Het voorgestelde programma richt zich alléén op de
positieve effecten van sporten en bewegen, rond de volgende drie thema’s (21):
- Landelijke survey naar lichamelijke activiteit van de Nederlandse bevolking,
     alsmede naar de determinanten van lichamelijke “activiteitsgedrag”.
- Onderzoek naar de effectiviteit van primair en secundair preventieve
     interventies gericht op het stimuleren van een lichamelijk actieve leefwijze.
- Onderzoek naar de effectiviteit van secundair en tertiair preventieve
     ziektespecifieke bewegingsinterventies bij patiëntenpopulaties.
Deze thema’s komen vrijwel overeen met de in dit advies voorgestelde
zwaartepunten voor onderzoek, met uitzondering van de landelijke survey. Wel
signaleert de Raad als belangrijke randvoorwaarde voor onderzoek de
monitoring van sporten, bewegen en sportongevallen, waarmee een landelijke
survey wordt benaderd. De in dit advies genoemde zwaartepunten dekken de
thema’s in het rapport van SNUON volledig, maar zijn verder uitgewerkt.
2. Financiering van onderzoek
Het universitaire onderzoek sportgezondheidszorg, dat zich richt op sport en
bewegen, zoals geïnventariseerd, wordt voor circa (gemiddeld) 30-35% (range
15%-80%) gefinancierd uit de eerste geldstroom, de basisfinanciering van de
onderzoekinstelling. Dit kan worden beschouwd als structurele financiering. Het
overige universitaire onderzoek vindt niet structureel plaats, maar op
projectbasis. Dit betekent dat onderzoek relatief kortlopend wordt verricht, met
wisselende medewerkers. Het universitaire en buitenuniversitaire onderzoek
maakt op ad hoc basis gebruik van middelen uit fondsen van verschillende
instanties
Het onderzoek naar de positieve effecten van sporten en bewegen voor ouderen
en chronisch zieken is de laatste tijd steeds meer in de belangstelling komen te
staan. VWS, NOC*NSF, ZON en de collectebusfondsen hebben voor
financiering van een aantal projecten gezorgd. Met collectebusfondsen wordt
hiermee vooral gedoeld op de Nederlandse Hartstichting, het Diabetesfonds
Nederland, het Nederlands Astmafonds, de Maag Darm Lever Stichting en het
Nationaal Reumafonds.
Het vinden van financiering van het onderzoek naar de negatieve effecten van
sporten en bewegen is moeilijker. Er bestaat immers geen collectebusfonds voor
de sportgezondheidszorg of het houdings- en bewegingsapparaat. Voor financiering
                                                                        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>hiervan moet men zich richten tot VWS, NOC*NSF, MW-NWO of ZON. Het
NOC*NSF heeft de mogelijkheid kortlopende onderzoekprojecten op het gebied
van topsport en daaraan gerelateerde gezondheidsaspecten te financieren via het
zogeheten programma van de “Body of Knowledge” (BOK). Dit zijn
kleinschalige praktijkrelevante studies die tot doel hebben een brug te slaan
tussen de dagelijkse topsportpraktijk en de wetenschap. Hierbij wordt veelal
samengewerkt met verschillende onderzoekinstellingen. De omvang van het
BOK-programma is circa 500.000 gulden per jaar. Het betreft geld van de
Stichting Nationale Sporttotalisator (SNS) dat door NOC*NSF wordt beheerd en
uitgezet. Bij onderzoekers heerst onvrede over de rol van NOC*NSF, die én het
beleid én de financiering van het topsportonderzoek bepaalt.
Daarnaast is er bij SNS een bedrag van 600.000 gulden per jaar beschikbaar dat
kan worden besteed voor onderzoek naar breedtesport, topsport en algemene
zaken. Alleen sportbonden kunnen onderzoekaanvragen indienen bij SNS,
waarbij NOC*NSF een bemiddelende rol heeft. Het onderzoek dat met SNS-
gelden wordt gefinancierd betreft vooral sportonderzoek en minder het
sportgezondheidsonderzoek.
4.5      VERSTERKING       ONDERZOEKINFRASTRUCTUUR
Naar het oordeel van de Raad is het voor de versterking van de
onderzoekinfrastructuur noodzakelijk het universitaire en buitenuniversitaire
onderzoek te bundelen tot enkele concentratiepunten. Deze concentratiepunten
kunnen worden geformuleerd aan de hand van leerstoelomschrijvingen. In
paragraaf 4.3 zijn de vijf zwaartepunten voor onderzoek aangegeven. In het
verlengde hiervan stelt de Raad voor drie leerstoelen in te stellen op de vijf
zwaartepunten. Hierbij kan gedacht worden aan de combinatie van de
zwaartepunten “effectiviteit en doelmatigheid sport en bewegen” en “specifieke
doelgroepen” (de zwaartpunten 1 en 3) en van de combinatie van de zwaarte-
punten “implementatie” en “organisatie en uitoefening sportgezondheidszorg”
(de zwaartepunten 4 en 5) en het solitaire zwaartepunt “overbelasting en
blessures” (zwaartepunt 2). Uiteraard zijn, mede afhankelijk van de exacte
leeropdrachtomschrijvingen, ook andere combinaties mogelijk. De leerstoelen
dienen te worden ondersteund met een vaste staf (3 à 4 fte wp) en zijn onder te
brengen bij medische faculteiten. De medische faculteiten voorzien in een
koppeling van faculteit naar ziekenhuis, waarmee een relatie tussen theorie en
praktijk wordt gelegd: onderzoekvragen ontstaan meer vanuit de praktijk, het
wetenschappelijk onderzoek vindt plaats in de praktijk en onderzoekresultaten
krijgen een vertaling naar de praktijk. Tevens zijn medische faculteiten
multidisciplinair georganiseerd, een essentiële voorwaarde voor het onderzoek
op dit gebied. De eerste vier jaar zouden dit bijzondere hoogleraarstoelen kunnen
zijn (minimaal 0.5 fte per leerstoel), die vervolgens, -bij goed functioneren- als
niet-bijzondere hoogleraarstoelen structureel worden voortgezet. Voor een
       54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>dergelijke leerstoel lijken de volgende universiteiten (in willekeurige volgorde)
een goede uitgangspositie te hebben: RUG, UM, UMCU en VU. Gelet op de
zwaartepunten houdt de RUG zich momenteel bezig met het zwaartepunt de
effectiviteit van het bewegen c.q. bewegingsprogramma’s bij ouderen; UM met
de effectiviteit van het bewegen bij chronische aandoeningen en het verklarende
onderzoek van het bewegen op het houdings- en bewegingsapparaat; UMCU met
de effectiviteit van het bewegen bij chronische aandoeningen en overbelasting en
blessures; de VU met de effectiviteit en doelmatigheid van het bewegen bij
specifieke doelgroepen (chronisch zieken, jongeren, werkenden).
Het wordt wenselijk geacht dat ter bevordering van coördinatie en afstemming
van het tamelijk versnipperd onderzoek in de sportgezondheidszorg een
nationaal overlegorgaan wordt opgericht. Hierin zouden representanten uit het
zorgveld (sportartsen, sportfysiotherapeuten, VSG en NVFS etc.), beoogde
leerstoelhouders, onderzoekers en NOC*NSF zitting moeten hebben. Op deze
manier worden vanuit verschillende invalshoeken gedachten samengebracht over
het prioriteren van onderzoek, kwaliteitsbewaking van de sportgezondheidszorg
en van de opleidingen binnen deze zorg. Tot de taak van het overlegorgaan valt
tevens te rekenen het bewerkstelligen c.q. faciliteren van het bieden van hulp aan
minder ervaren onderzoekers bij het schrijven van een onderzoekvoorstel.
Eveneens is het van belang dat bovengenoemde leerstoelhouders
(wetenschappelijke centra) en het nationaal overlegorgaan goed toegankelijk zijn
voor bijvoorbeeld (sport)fysiotherapeuten, trainers en begeleiders etc.
Aangezien sportfysiotherapie een post HBO-opleiding is, is de toegankelijkheid
tot de universiteit niet vanzelfsprekend. Met de door de sportfysiotherapie en
NVFS nagestreefde mastersopleiding zou dit probleem zijn verholpen. Totdat
een daadwerkelijke verwezenlijking hiervan gerealiseerd is, is het van belang een
goede relatie tussen het onderzoekveld en de zorgverleners in de breedte te
waarborgen, zodat een transmissie van onderzoek(resultaten) naar de toepassing
in de praktijk kan plaatsvinden.
4.6       ONDERZOEKPROGRAMMA SPORTGEZONDHEIDSZORG
Het ligt voor de hand het onderzoekprogramma Sportgezondheidszorg onder te
brengen bij ZON in nauwe samenwerking met MW-NWO. Zoals eerder
geschetst wordt het onderzoekprogramma gevoed uit het onderzoekers- en
zorgveld door het eerder genoemde nationaal overlegorgaan. Voor de hand ligt
dat de personele samenstelling van de programmacommissie van ZON en MW-
NWO en het overlegorgaan gedurende de stimuleringsperiode gedeeltelijk zal
overlappen. De programmacommissie van ZON en MW-NWO zal na de
stimuleringsperiode ophouden te bestaan. Het overlegorgaan zal ook na de
stimuleringsperiode zijn afstemmende en coördinerende taken dienen voort te
zetten. De Raad benadrukt het belang van voldoende kennis en overzicht van het
                                                                         55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>onderzoekterrein van de sportgezondheidszorg van de instantie die de
projectvoorstellen binnen dit programma gaat beoordelen.
Voor de uitvoering van het in dit advies beschreven programma
sportgezondheidsonderzoek wordt een bedrag van 40 miljoen gulden nodig
geacht met een stimuleringsperiode van acht jaar. Geadviseerd wordt om de
besteding gefaseerd op te bouwen, bijvoorbeeld 2 miljoen in 2001 opklimmend
tot 5 à 6 miljoen in de jaren er na. Aan het begin van deze paragraaf is
geadviseerd het universitaire en buitenuniversitaire onderzoek te bundelen tot
enkele concentratiepunten rond een drietal in te stellen leerstoelen. In het
verlengde hiervan acht de Raad het noodzakelijk om met circa de helft van het
bovengenoemde bedrag de ontwikkeling van genoemde concentratiepunten top-
down te stimuleren (de andere helft van het bedrag is voor de uitvoering van het
bottom-up onderzoekprogramma). De startsubsidies voor de leerstoelen worden
toegedeeld op basis van een door bijvoorbeeld ZON en MW-NWO goed te
keuren onderzoekplan dat in lijn is met het onderhavige advies. De Raad stelt
voor tussentijds de voortgang van het onderzoekprogramma te evalueren,
alsmede de wenselijkheid van een eventuele bijstelling.
4.7     AFSTEMMING        WETENSCHAPPELIJKE ONDERZOEKCENTRA EN
        KENNISCENTRA
De Raad acht het wenselijk dat er overleg plaats vindt tussen wetenschappelijke
onderzoekcentra, zoals eerder geschetst, en de reeds bestaande of in oprichting
zijnde kennis-, disseminatiecentra. De kenniscentra verstrekken informatie en
leggen een relatie tussen vragen uit de praktijk, onderzoekresultaten en de
toepassing in de praktijk.
Bij NOC*NSF bestaat een kenniscentrum voor topsport, het Topsport Expertise
Centrum (TEC), dat beoogt op structurele wijze topsportkennis en -ervaring te
vergaren, te ontwikkelen, te verspreiden en te gebruiken. Binnenkort wordt ook
met een expertisecentrum voor de breedtesport begonnen. De VSG is tevens
voornemens een kenniscentrum op te zetten, dat zich richt op een systematische
overdracht van sportmedische kennis en vaardigheden naar de praktijk van de
sport.
       56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 2
SAMENSTELLING COMMISSIE               SPORTGEZONDHEIDSZORG
dr. W.R.F. Notten, voorzitter             TNO-PG
drs. G.M. Bakker                          WOCZ
dr. F.J.G. Backx                          NOC*NSF
mw. L.M.M.C.J. Dekker-Bakker              NVFS
dr. G.C. van Enst                         Isala Klinieken, Zwolle
dr. M.P. Heijboer                         Acad. Ziekenhuis Dijkzigt
dr. C.R. van den Hoogenband               St. Anna Ziekenhuis, Geldrop
prof. dr. H Kuipers                       UM
prof. dr. W. van Mechelen                 EMGO
prof. dr. W.L. Mosterd                    UMC Utrecht (tot nov. 1999)
drs. W.T.M. Ooijendijk                    TNO-PG
drs. P.C.J. Vergouwen                     UMC Utrecht
dhr. P. Visser                            Sportfysiotherapeut
mw. dr. C.H. Bakker, secretaris           RGO
drs. H.W. Benneker, waarnemer             RGO
mw. J.P.M. Hogenbirk, adviserend lid      VWS
prof. dr. H.G.M. Rooijmans, waarnemer     RGO
                                                                  1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 3
NOTITIE       REIKWIJDTE ADVIES RGO-COMMISSIE
SPORTGEZONDHEIDSZORG
Besproken op 24 januari 2000.
Aanwezig:
mw. dr. C. H. Bakker      secretaris RGO commissie sportgezondheidszorg
drs. M. Koornneef         senior- beleidsmedewerker min. VWS
mw. J. Hogenbirk          senior- beleidsmedewerker min. VWS
INLEIDING
In de eerste vergadering van de RGO-commissie sportgeneeskunde zijn onder
de commissieleden vragen gerezen omtrent de door de staatssecretaris bedoelde
reikwijdte van het advies van de commissie sportgeneeskunde in haar daartoe
opgestelde brief d.d. 27 september 1999. In de desbetreffende vergadering zijn
door het adviserend lid van VWS toelichting en aanvullingen gegeven op de
adviesaanvraag.
Onderhavig overleg dient voor het definitief afhechten van de reikwijdte van het
gevraagde advies. Het definitief afhechten moet echter niet als een absoluut
begrip worden gehanteerd. VWS hecht eraan dat indien de commissie meent
ontwikkelingen te moeten beschrijven en mee te nemen in haar advisering
rondom de programmering van een wetenschappelijk programma, die strict
genomen buiten de reikwijdte vallen, zij daartoe – beargumenteerd - de vrijheid
neemt. Tevens bestaat voor de commissie de vrijheid om – beargumenteerd
(bijvoorbeeld vanwege verzameld materiaal) - ontwikkelingen die binnen de
reikwijdte vallen, doch die bij een eerste inventarisatie ófwel te omvangrijk ófwel
onvoldoende relevant zijn, buiten beschouwing te laten. Deskundigheid van de
RGO-commissieleden op het te beadviseren terrein is daarin het uitgangspunt
voor VWS.
VERTREKPUNT
In de adviesaanvraag van de Staatssecretaris aan de RGO is bedoeld het belang
van de sporter - op alle niveaus – centraal te stellen. Welke behoefte aan
sportgezondheidszorg heeft de sporter en welke oplossingsstrategieën (het
aanbod) krijgt hij daarvoor aangeboden. Vervolgens gaat het erom te constateren
of de geboden oplossingsstategieën kwalitatief volstaan en of zij – en zo ja welke
delen - wetenschappelijk op hun effectiviteit zijn c.q moeten zouden worden
getoetst. Deze inventarisatie moet leiden tot een aanbeveling van de RGO-
                                                                           1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>commissie omtrent de noodzakelijke en/of wenselijke wetenschappelijke
onderzoekprogramma’s op het gebied van de sportgezondheidszorg.
Binnen het totaalaanbod van de sportgezondheidszorg zijn verschillende
beroepsbeoefenaren werkzaam; de RGO-commissie wordt niet gevraagd de
domeindiscussie tussen verschillende aanbieders in de sportgezondheidszorg
nader uit te werken. Met andere woorden het advies hoeft geen antwoord te
geven op de vraag welk beroepsbeoefenaar welk deel van het aanbod van de
sportgezondheidszorg zou moeten aanbieden.
TOELICHTING
Uit de adviesaanvraag heeft met name onderstaande passage bij de RGO-
commissie tot de vraag om nadere toelichting geleid:
“Ik verzoek de RGO een advies uit te brengen over de programmering van
noodzakelijke dan wel wenselijk onderzoek met betrekking tot preventieve en
curatieve zorg voor beoefenaren van alle niveaus (1). Het gaat om – in beginsel
alle – gezondheidsproblematiek die kan optreden als gevolg van sportbeoefening
(2), zowel van topsport als breedtesport. Met de zorg wordt bedoeld: diagnostiek,
behandeling en individueel-preventieve advisering door (sport)artsen en
sportfysiotherapeuten(3). Daarbij verzoek ik de RGO om FysioSport –
preventieve groepsgewijze bewegingsprogramma’s onder leiding van
fysiotherapeuten met een aanvullende post HBO-opleiding(4) – te betrekken bij
de advisering. Deze programma’s hebben als doel gezondheid- of
fitheidsbevordering, gericht op specifieke doelgroepen met een verhoogd
gezondheidsrisico, zoals mensen met een chronische ziekte”.
NADERE TOELICHTING: PASSAGES (1 T/M 4)
1. Beoefenaren van alle niveaus: met beoefenaren worden in dit verband de
    beoefenaren van sport en beweging bedoeld. Met alle niveaus worden in dit
    verband zowel het topsportniveau, het breedtesportniveau als het recreatieve
    niveau bedoeld.
2. – in beginsel alle – gezondheidsproblematiek die kan optreden in relatie tot
    sportbeoefening: voor de klachten voortvloeiend uit sportbeoefening geldt
    dat zij alle organen kunnen betreffen (en zijn derhalve niet beperkt tot
    blessurepreventie en behandeling), zij dienen echter in – vermeend – verband
    met de (eerdere) sportbeoefening te staan. Binnen deze definitie valt
    bijvoorbeeld wél de nazorg van topsporters na de afbouw van hun
    topsportcarrière, echter niet het dopinggebruik dat wel geassocieerd kan
    worden met sportbeoefening doch geen direct gevolg is van sportbeoefening.
3. individueel-preventieve advisering door (sport)artsen en sportfysiothera-
    peuten: hiermee wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van preventieve
    activiteiten in een 1:1 verhouding. Ook de voorlichting van een sportarts/
    sportfysiotherapeut aan één team of andere begrensde populatie wordt
    passend binnen deze definitie van een 1:1 verhouding geacht. Nadrukkelijk
        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>    is niet bedoeld campagneboodschappen te evalueren voorzover het de wijze
    van verpakken van de boodschap betreft (voorlichtingstechnische kant). De
    inhoud van de boodschap ( bijv.rekoefeningen of bandages) kunnen – indien
    van belang geacht - wel tot het domein van advisering worden gerekend.
    Binnen het bestek van de advisering kan ook individueel-preventieve
    advisering door anderen dan (sport)artsen en sportfysiotherapeuten worden
    meegenomen.
 4. hoewel deze passage in principe als voorbeeld is bedoeld en daarmee de
    commissie de vrijheid wordt gegeven ook andere groepsgewijze
    bewegingsprogramma’s in haar advisering te betrekken, wordt tegelijkertijd
    ook het beperkte bestaan van dit soort andere programma’s onderkend
    aangezien reeds eerder beperkingen zijn geduid voor wat betreft de advisering
    in de richting van Arbo-zorg* en GVO-activiteiten**. Bewegen als positieve
    determinant wordt – op basis van eerder onderzoek - als uitgangspunt
    gekozen.
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
Uitgaande van het bovenstaande kunnen de volgende uitgangspunten worden
geformuleerd:
Het advies moet uiteindelijk resulteren in een aanbeveling voor de
programmering van wetenschappelijk onderzoek voor de sportgezondheidszorg.
Onder sportgezondheidszorg wordt verstaan preventie en curatieve zorg die door
zorgverleners wordt aangeboden aan beoefenaren van sport en beweging op alle
niveaus.
Sportgezondheidszorg bevat zowel preventieve alsmede curatieve zorg.
Preventieve zorg binnen dit bestek kent haar begrenzing naar de Arbo-zorg (zoals
bijvoorbeeld activiteiten door de Gezonde zaak) en GVO-activiteiten
(voorlichting waarbij geen sprake is van een 1: 1 relatie, bijvoorbeeld folders,
campagnes). Curatieve zorg kent binnen dit bestek haar begrenzing naar de
revalidatie-geneeskunde, aangezien dit een eigen medisch-specialisme betreft
alsmede dat voor dit specialisme onlangs een RGO-advies omtrent de wenselijke
programmering van wetenschappelijk onderzoek is verschenen en inmiddels ten
uitvoer wordt gebracht.
* Hierdoor valt arbo-reïntegratie zoals aangeboden door De Gezonde Zaak
buiten het bestek van dit advies. Het andere onderdeel uit het aanbod van de De
Gezonde Zaak t.w. preventieve fitness, geïndividualiseerd gedoseerd maar (ook)
in groepsverband te geven, valt binnen het bestek van dit advies.
**Hierdoor vallen landelijke voorlichtingsprogramma’s            en  campagnes
(bijvoorbeeld NIB en SBV) buiten het bestek van dit advies.
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 4
GERAADPLEEGDE            DESKUNDIGEN
Dr. J.C.F.M. Aghina         Vereniging voor Sportgeneeskunde-VSG
                            Bilthoven
Dr. F.J.G. Backx            NOC*NSF Arnhem
Dr. F.C. Bakker             Vrije Universiteit Amsterdam
De heer G. Barsingerhorn    Vereniging FysioSport Nederland Baambrugge
Dr. R. de Bie               Universiteit Maastricht
Prof dr. L.M. Bouter        Instituut Extramuraal Geneeskundig
                            Onderzoek-EMGO Amsterdam
De heer R. van Cingel       NOC*NSF Arnhem
Dr. C.M. van Dijk           Academisch Medisch Centrum Amsterdam
Dr. G.C. van Enst           Isala Klinieken Zwolle
Drs. F. Hartgens            Universiteit Maastricht
Drs. L.P. Heere             Sport Medisch Centrum Arnhem
Dr. M.P. Heijboer           Academisch Ziekenhuis Dijkzigt Rotterdam
Prof. dr. P.J.M. Helders    Universiteit Utrecht Utrecht
Drs. V.H. Hildebrandt       TNO-Arbeid Hoofddorp
Mevrouw J.P.M. Hogenbirk    Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
                            Sport Den Haag
Prof. dr. A.P. Hollander    Vrije Universiteit Amsterdam
Mevrouw Dr. M.T.J. Hopman Katholieke Universiteit Nijmegen
Drs. E. Hulzebos            NVFS Arnhem
Drs. A.A.W. Kalis           Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
                            Sport Den Haag
Dr. H.A. Keizer             Universiteit Maastricht
Prof dr. H.C.G. Kemper      Instituut Extramuraal Geneeskundig
                            Onderzoek-EMGO Amsterdam
Dr. J. de Koning            Vrije Universiteit Amsterdam
Drs. M. Koornneef           DoCoNed Rotterdam
Drs. G. Kroes               Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen
                            Arnhem
Prof. dr. H. Kuipers        Universiteit Maastricht
Dr. K.A.P.M. Lemmink        Rijksuniversiteit Groningen
De heer H. Leutscher        Nederlandse Bond voor Aangepast
                            Sporten-NeBas Bunnik
Drs. A. Martens             Zorgverzekeraars Nederland Zeist
Drs. W. van Montfoort       Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen
                            Arnhem
Prof. dr. W.L. Mosterd      Universitair Medisch Centrum Utrecht
Prof dr. T. Mulder          Rijksuniversiteit Groningen
De heer Rh. van der Oever   CSO Utrecht
Prof. dr. R.A.B. Oostendorp Nederlands Paramedisch Instituut Amersfoort
                                                                  1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Dr. Ir. H.P.F. Peters       Universitair Medisch Centrum Utrecht
Prof. dr. ir. W.H.M. Saris  Universiteit Maastricht
Drs. S.L. Schmikli          Universitair Medisch Centrum Utrecht
Dr. J. Schuit               Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
                            Milieu-RIVM Bilthoven
Drs. P.C.J. Vergouwen       Universitair Medisch Centrum Utrecht
Dr. C. Vervoorn             Academie voor Lichamelijke Opvoeding
                            Amsterdam
Dr. C. Visscher             Rijksuniversiteit Groningen
Prof. dr. Th.B Voorn        Landelijke Huisartsen Vereniging Utrecht
Drs. R. de Vries            Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en
                            Sport Den Haag
Dr. A. de Wijer             NVFS Arnhem
Drs. J.C.M. van Wijngaarden Landelijke Vereniging van GGD'en Utrecht
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 5
LIJST MET AANDACHTSPUNTEN
WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK IN DE SPORTGEZONDHEIDSZORG
                                                 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>AANLEIDING
De minister van VWS heeft de Raad voor Gezondheidszonderzoek (RGO)
gevraagd advies uit te brengen over de programmering van noodzakelijk dan wel
gewenst       wetenschappelijk      onderzoek     op     het   gebied    van    de
gezondheidsproblematiek in relatie tot sportbeoefening c.q. bewegen. Het betreft
onderzoek met als uiteindelijk doel de verbetering van de zorgverlening aan de
sporter / beweger.
Sporten en bewegen kunnen tot zowel positieve als negatieve effecten op de
gezondheid leiden: bevordering van de fitheidstoestand en preventie van
bepaalde chronische ziekten enerzijds, maar anderzijds ook schade door
sportspecifieke letsels. De beoogde onderzoekprogrammering richt zich op beide
soorten effecten. Ze kunnen optreden bij zowel gezonden (kinderen;
volwassenen; ouderen) als bij mensen met een beperking (chronisch zieken en
gehandicapten), door lichamelijke inactiviteit, recreatief bewegen, het beoefenen
van breedtesport of topsport (zie bijlage 1 voor de adviesaanvraag). In de praktijk
van de sportgezondheidszorg resulteert dit in de volgende hulpvragen:
gegeven mijn belasting/ belastbaarheid hoe kan ik verantwoord bewegen, hoe
kan ik herstellen van een letsel als gevolg van sporten of bewegen, hoe kan ik een
(recidief) letsel voorkómen, en hoe kan ik beter presteren? Het wetenschappelijk
onderzoek op het gebied van de sportgezondheidszorg dient dit type vragen te
ondersteunen. In figuur 1 wordt bovenstaand samengevat, waarbij het model van
de belasting/ belastbaarheid centraal staat.
Figuur 1:           Bij mensen met of zonder een beperking kunnen als gevolg
                    van niet bewegen, het beoefenen van breedtesport, of
                    topsport positieve en negatieve effecten op de gezondheid
                    ontstaan. Het uitgangspunt hierbij is het model van de
                    belasting /belastbaarheid.
                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>Globaal kunnen uit figuur 1 reeds de volgende onderzoekonderwerpen worden
afgeleid:
-         Positieve effecten
          - welke vormen van sporten/bewegen, sport- en bewegingsprogramma’s
          zijn van belang ter preventie van aandoeningen. Wat is een
          verantwoorde belasting bij jongeren, volwassenen, ouderen, werkenden,
          etc..
          - welke vormen van sporten/bewegen, sport- en bewegingsprogramma’s
          hebben een positief effect op het houdings- en bewegingsapparaat en
          orgaansystemen (inclusief de gezondheidstoestand in het algemeen, het
          welbevinden en het psychisch functioneren)? Wat is een verantwoorde
          belasting bij chronische aandoeningen?
          Relevante onderzoekvragen: duur en intensiteit van de belasting die een
          positieve invloed heeft op het houdings- en bewegingsapparaat en
          orgaansystemen (optimale dosis-respons). Aard (duur en intensiteit) van
          bewegen in relatie tot aard van de aandoening.
-         Negatieve effecten
          Welke in ernst en frequentie nadelige effecten zijn er in relatie tot de
          specifieke bewegingsvorm / sportbeoefening (overbelasting)?
          Relevante onderzoekvragen: duur en intensiteit van de belasting die een
          negatieve invloed heeft op het houdings- en bewegingsapparaat en
          orgaansystemen. Aard (duur en intensiteit) van bewegen in relatie tot
          specifieke (top)sportbeoefening of bewegingsprogramma.
Ter voorbereiding van zijn advies heeft de RGO een commissie ingesteld
bestaande uit externe deskundigen uit zowel het onderzoek als de praktijk van
de sportgezondheidszorg, onder voorzitterschap van het raadslid dr. W.R.F.
Notten, directeur TNO-Preventie en Gezondheid (zie bijlage 2 voor de
samenstelling van de commissie).
WERKWIJZE        COMMISSIE
De commissie onderscheidt een vraag- en aanbodzijde van het onderzoek:
instellingen die gebruik maken van onderzoekresultaten en organisaties die
onderzoek uitvoeren. Met het oog op een adequate onderbouwing van haar
advies wil zij informatie inwinnen over onderzoekprioriteiten bij een aantal
sleutelpersonen (zie bijlage 4) van deze vraag- en aanbodzijde die naar haar
mening een goed overzicht hebben van onderzoek(vragen) en/of problemen in
de kwaliteit van de zorgverlening aan sporters of bewegers. De commissie heeft
hiervoor uw medewerking gevraagd. Tijdens een interview met dr. Carla H.
Bakker, secretaris van de commissie, zal een lijst van punten worden besproken
die de aandacht verdienen.
De commissie wil tevens nagaan in hoeverre het aanbod aan (de beschikbaarheid
van) wetenschappelijk onderzoek is afgestemd op de vraag naar (de behoefte aan)
        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>onderzoek en welke knelpunten in het wetenschappelijk onderzoek worden
ervaren (infrastuctureel, beschikbare onderzoekexpertise en/of beschikbare
faciliteiten). De resultaten zullen worden getoetst in een workshop, waaraan
sleutelpersonen en commissieleden worden gevraagd deel te nemen. Deze
informatie vormt de basis van het advies aan de minister.
Voor meer informatie over een omschrijving van het onderzoekdomein van de
sportgezondheidszorg, indeling van het onderzoek en achtergrondinformatie over
de positieve en negatieve effecten van sporten en bewegen wordt verwezen naar
hoofdstuk 2.
INSTRUCTIE
Hierna volgt een lijst met twaalf aandachtspunten die in het gesprek, dat dr. Carla
H. Bakker met u heeft, aan de orde komen. Vier punten zijn specifiek gericht op
het wetenschappelijk onderzoek naar positieve effecten van sporten en bewegen
op de gezondheid, vier punten gaan in op de negatieve effecten en vier punten
zijn van meer algemene aard. Wilt u voorgafgaand aan het gesprek deze lijst met
aandachtspunten voorbereiden? Tijdens het gesprek zal op ieder aandachtspunt
worden ingegaan. U kunt in de opengelaten ruimten alvast antwoorden in vullen.
Tijdens het gesprek kan dit worden aangevuld.
                                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 6
LIJST   MET AFKORTINGEN
ADL            Algemene Dagelijkse Levensactiviteiten
AMC            Academisch Medisch Centrum
AZR            Academisch Ziekenhuis Rotterdam
BE             Bovenste extremiteit
BOK            Body of Knowledge
BW             Bewegingswetenschappen
CARA           Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen
COPD           Chronic Obstructive Pulmonary Disease / Chronisch
               Obstructief Longlijden
CRF            Chronic Renal Failure / chronisch nierfalen
CT scan        Computertomografie scan
CVA            Cerebrovasculair accident
CZE            Centrum voor Chronisch Ziekten Epidemiologie van het
               RIVM
DM             Diabetes Mellitus
DoCoNed        Dopingcontrole Nederland
EMGO           Extramuraal Geneeskundig Onderzoek
EHBO           Eerste Hulp Bij Ongevallen
EUR            Erasmus Universiteit Rotterdam
EXTRA          Onderzoekinsituut Extramurale en Transmurale
               Gezondheidszorg
Fit!vak        Branche-organisatie voor fitnesscentra
Fte wp         Full-time equivalent wetenschappelijk personeel
GGD            Gemeentelijke Gezondheidsdienst
GVO            Gezondheidsvoorlichting en opvoeding
HBO            Hoger Beroeps Onderwijs
HDL/LDL        High Density Lipoprotein / Low Density Lipoprotein
IFKB           Instituut voor Fundamentele en Klinische
               Bewegingswetenschappen
ISED           Institute for the study of education and human
               development
JIB            Jeugd In Beweging
KNVB           Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond
KUN            Katholieke Universiteit Nijmegen
LHV            Landelijke Huisartsen Vereniging
LUMC           Leids Universitair Medisch Centrum
MORGEN-project MOnitoring van Risicofactoren en GEzondheid in
               Nederland
MRI            Magnetic Resonance Imaging / Magnetische
               Resonantiebeeldvorming
NEBAS          Nederlandse Bond voor Aangepast Sporten
NeCeDo         Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken
NHG            Nederlands Huisartsen Genootschap
                                                               1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>NHS             Nederlandse Hart Stichting
NIGZ            Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en
                Ziektepreventie
NIOS            Nederlands Instituut Opleiding Sportartsen
NISB            Nationaal Insituut voor Sport en Bewegen
NIVEL           Nederlands Instituut voor Onderzoek van de
                Gezondheidszorg
NOC*NSF         Nederlands Olympisch Comité * Nederlandse Sport
                Federatie
NPI             Nederlands Paramedisch Instituut
NSG             Nederlands Specialisten Genootschap
NVFS            Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de
                Sportgezondheidszorg
NWO-MW          Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
                Onderzoek-Medische Wetenschappen
OCenW           Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OE              Onderste Extremiteit
OIN-registratie Ongevallen in Nederland
ORCA            Orthopaedic Research Centre Amsterdam
RCT’s           Randomized Controlled Trials
RGO             Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIVM            Rijksinsituut voor Volksgezondheid en Milieu
RUG             Rijksuniversiteit Groningen
SCV             Stichting Consument en Veiligheid
SMA             Sport Medisch Adviescentrum
SMI             Sport Medische Instelling
SNS             Stichting de Nationale Sporttotalisator
SNUON           Samenwerkende Nederlandse Universiteiten en
                Onderzoekinstituten
TEC             Topsport Expertise Centrum
TNO-PG           Nederlandse Organisatie voor toegepast-
                 natuurwetenschappelijk onderzoek - Preventie en
                 Gezondheid
TU Delft         Technische Universiteit Delft
TUE              Technische Universiteit Eindhoven
UMCU             Universitair Medisch Centrum Utrecht
UM               Universiteit Maastricht
UU               Universiteit Utrecht
VSG              Vereniging voor Sportgeneeskunde
VU               Vrije Universiteit
VWS              Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAO              Wettelijk Arbeidsongeschikt
WKZ              Wilhelmina KinderZiekenhuis
ZON              ZorgOnderzoek Nederland
      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>REFERENTIES
1.  RGO-advies Revalidatie-onderzoek. Rijswijk, 1997.
2.  Vereniging Sportgeneeskunde: voorlopige werkdefinitie
    sportgeneeskunde. Notitie van C.R. van der Togt, november 1999.
3.  Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie in de Sportgezondheidszorg
    (NVFS): Visiedocument. Arnhem, 1999.
4.  RGO-advies: Prioriteiten in preventie-onderzoek. Den Haag, 1996.
5.  Backx F.J.G.: Sports injuries in youth. Etiology and prevention. Thesis,
    1991.
6.  Van Mechelen W.: Gezondheidsbevordering door voorlichting. In
    Inleiding in de Gezondheidkunde, pag. 302-324. Redactie:
    H.C.G.Kemper, VU uitgeverij, Amsterdam, 1994.
7.  Van Mechelen W., Hlobil H, Kemper H.C.G. et al.: Prevention of
    running injuries by warm-up, cool-down, and stretching exercises. Am J
    Sports Med 21:711-719, 1993.
8.  Ottevanger C.P.G. Eindnotitie ten behoeve van het project
    ‘Voorbereiding wetenshappelijk onderzoek’. Bureau Sportgeneeskunde
    Nederland. Bilthoven, 1999.
9.  Bouchard, C: Physical activity, fitness and health: overview of the
    Consensus Symposium. In: Quinney, A.H., Gauvin L., Wal, T.A. (Eds)
    Toward active living. Human Kinetics Publishers, 1994.
10. Van Mechelen W.: Gezondheid in beweging. Geneeskunde en Sport
    1997, 30, 115-117.
11. Mosterd W.L., Bol E., de Vries W.R., et al. Bewegen gewogen. Utrecht:
    Universiteit Utrecht, 1996.
12. Hildebrandt V.H., Ooijendijk W.T.M., Stiggelbout M.: Trendrapport
    bewegen en gezondheid 1998/1999. Vermande Lelystad, 1999.
13. Ruwaard D., Kramers P.G.N. (red.). Volksgezondheid Toekomst
    Verkenningen (VTV) 1997. De som der delen. Utrecht: Elsevier/De
    Tijdstroom, 1997.
14. Backx F.J.G.: Swinkels H., Bol E. Hoe (in)actief zijn Nederlandse
    volwassenen in hun vrije tijd? Maandbericht Gezondheid (CBS) 1994, 3,
    4-16.
15. Bol E., Backx F.J.G., Van Mechelen W (red.). Epidemiologie van sport en
    gezondheid. Utrecht: De Tijdstroom, 1997.
16. Kernebeek E. Doping & voorlichting. Een gezondheidsvoorlichtingsplan
    over doping en medicijngebruk in de sport. Arnhem/Rotterdam,
    NISG/NeCeDo, 1993
17. Vogels, T, Brugman, B., Coumans, B., Danz, M.J., Hirsaing, R.A., van
    Kernebeek, E. Lijf, sport en middelen. Een verkennend onderzoek naar
    het gebruik van prestatieverhogende middelen bij jonge mensen. Leiden,
    NIPG-TNO/NeCeDo, 1994.
                                                                        1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>18. Abraham MD, Cohen P.D.A., Van Til R.J., De Winter M.A.L.: Licit and
    illicit drug use in the Netherlands, 1997. Centrum voor Drugsonderzoek
    van UvA Amsterdam, 1999.
19. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Kansen voor topsport.
    Het topsportbeleid van de rijksoverheid. Den Haag, 1999.
20. Bewegen en Gezondheid: van jong tot oud. Overzicht van projecten en
    publicaties. Stiggelbout M. et al (red). TNO-PG, juni 1999.
21. Van Mechelen W.L., Bol E.: Lichamelijke activiteit en gezondheid.
    Voorstel voor een onderzoekprogramma. Rapportage van het SNUON,
    uitgegeven door de Nederlandse Hartstichting, 1999.
22. Bottenburg M., Geesink I.: Onderzoeksprogrammering in de Sport.
    Knelpunten en kansen voor de programmering van sociaal-
    wetenschappelijk onderzoek op sportgebied. Uitgegeven door Diopter.
    Den Bosch, september 2000.
23. Richtlijn Sportdeelname-Onderzoek. Standaardmodel voor onderzoek
    naar sportdeelname. Uitgegeven door Diopter. Den Bosch, oktober 2000.
24. Vriend I., Hoofwijk M., den Hertog P.C. Concept-rapportage:
    Effectiviteit van blessurepreventieve maatregelen. Uitgegeven door de
    Stichting Consument en Veiligheid. Amsterdam, november 2000.
25. Kemper H.C.G., Ooijendijk W.T.M., Stiggelbout M., et al: De
    Nederlandse Norm Gezond Bewegen. Verslag van een expert-meeting.
    In: Hildebrandt V.H., Ooijendijk W.T.M. (red.). Trendrapport Bewegen
    en Gezondheid 1998/1999. Koninklijke Vermande, 1999.
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>