<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies Onderzoek in de
Traumazorg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies Onderzoek in de
Traumazorg
Publicatie 37
Den Haag, juli 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR LEZONTHEINSCOONDERZOER

Aan de minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Spar,
mw, dr. E. Borst-Eilers

Posthus 20340

2400 EJ Den Haag

Ons kenmerk: HETE 202.113
Bijlageln}: ]
Datum: juli 2002

Geachte mevrouw Borst,

In juni van het jaar 2000 verzocht u de Raad voor Gezondheidsonderzoek te adviseren over
onderzoek op het terrein van de traumazorg. Meer in het bijzonder vroeg u een advies over de
wijze waarop onderzoek ondersteuning kan geven aan de treumazorg, waarbij u de Raad
tevens verzocht aandacht te besteden aan het onderzoek naar de preventie van ongevalletsel.
Thans hied ik u gaarme het gevraagde advies aun.

Het advies bascert zich op de rapporlage van een door de Bai ingestelde eommissie van
deskundigen. Deze commissie heeft zich gericht op het onderzoek naar de medische en
verpleegkundige hulp bij lichamelijk letsel ten gevolge van een ongeval leidend tot (klinische
of ambulante} behandeling in een ziekenhuis. Daarnaast heeft deze commissie zich
beziggehouden met het onderzoek naar preventie van onnodig letsel,

Het werk van de commissie maakt duidelijk dat weliswaar op het gehele terrein onderzoeks-
activiteiten plaatsvinden, maar dat deze geenszins de behoeften aan onderzoek dekken, Daar
komt bij dat de taumavorg een solide mfrastructuur voor langer lopend en meer grootschalig
onderzoek mist. Naar aanleiding hiervan is de Raad van mening dat, met het oog op de
samenhang en continuïteit van het onderzoek, inhoudelijke stimulering van het onderzoek op
hei terrein de eersikomende jaren gelijk op zou moeten gaan met het versterken van de
anderzoeksinfrastrwctuur.

Omdat de traumacentra een centrale rol toebedacht zijn in het bewaken en bevorderen van de
kwaliteit en doelmatigheid van de zorg, én omdat de traumacentra de mogelijkheid bieden
klinisch werk, opleiding en onderzoek te combineren (werkplaatsfunctie), ligt het volgens de
Raad voor de hand de eerstkomende jaren vooral de traumacentru te steunen in het tod
ontwikkeling brengen van hum onderzoeksinfrastractuur. De Raad adviseert hiertoe
fellowships aan te bieden aan specialisten in opleiding tot (raumatoloog in de verwachting dat
de daarmee verkregen ondermocksexpentise maximaal behouden blijft vaar de traumazorg. Bij
een maximum van tien subsidie-pluatsen in de eerste, en ca. vijf in de laatste vier jaar zou
kunnen worden volstaan met in totaal circa 4,1 miljoen euro.

Postacines Beznekrelrea

Postbus 11052 Parrassuspicin 5

Th BB [ken laag BEI VR Dem Haag
e-mail baren ngo nl q Tete fs O90 - eh 7 21
eran warms ET nl Fax OTO = lib HT 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Wat het trauma-onderzoek zelf betreft meent de Raad dat drie terreinen verdere stimulering
behoeven: het onderzoek naar pathofysiclogische reacties op trauma, het onderzoek naar de
doelmatigheid van de traumazorg en het omdersöek naar innovaties van beeldvormende
diagnostiek, osteosynthese- en fixatiematerialen en revalidatie-technieken. De Raad verwacht
dat met in totaal E miljoen euro, verdeeld over vier rondes van telkens twee jar, een
belangrijk deel van de achterstand in bet onderzoek zal kunnen worden weggewerkt. Voor de
begeleiding van de manvragen voor fellowships en onderzoekssubzidie en de benodigde
follow-up adviseert de Raad hij ZonMw een aparte commissie in te stellen, met inhoudelijke
en onderzoeksmethodalagische deskundigheid.

Ten aanzien van het onderzoek naar de preventie van onnodig letselhandicap is de Raad van
mening dat het schort aan zowel de beschikbaarheid van relevante achtergrondinformatie over
ongevallen en de lange-termijn gevolgen van de verleende zorg, als aan structurele
samenwerking lussen omberzoekers op het terrein van de ongevalspreventic enerzijds en
mediseh onderzoekers anderzijds. Die samenwerking tussen onderzoekers dient zeker te
warden gestimuleerd omdat alleen door samenwerking tussen de onderzoekers mogelijkheden
gevonden kunnen worden ter verbetering van de bestaande registraties,

De Raad heeft zich uitvoerig gebogen over de naadzaak tot stimulering van het preventic-
onderzoek. Dat dit onderzoek mel ts opgenoemen als pooriteit van onderzack betekent niet dat
de Raad dit onderwerp onbelangrijk vindi, De Raad vindi evenwel dat eerst begonnen zou
masten worden met het hierboven aangegeven onderzoek in de traumacentra en het tot stand
brengen van de benodigde samenwerking tussen onderzoekers, om in cen later stadium le
bezien welke onderwerpen voor preventie-onderzoek in aanmerking komen. In dit licht stelt
de Raad vaar de Landelijke Vereniging van Traumatelogen op korte termijn uit te nodigen
tezamen met preventie-onderzoekers concrete voorstellen te ontwikkelen aangaande de wijze
waarop de benedigde informatie kan worden verzameld, alsmede over de onderwerpen die
nader onderzoek behoeven. Voor de uiteindelijke financiering van het onderzoek zouden dan
middelen ter beschikking moeten worden gesteld via het programma Preventie van ZonMw.

Met vriendelijke groet,

|

eh

prof.dr. HCM Rooijmans d 4, Benneker
voorzitter algemeen zecrelans

aa de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
de minister van Economische Zaken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                         3
Summary                                                              7
Inleiding                                                           11
1      Werkwijze                                                    13
       1.1    Uitgangspunten                                        13
       1.2    Werkwijze Commissie                                   14
2      Traumazorg en preventie in Nederland                         17
       2.1    Inleiding                                             17
       2.2    Met zorg verbonden                                    17
       2.3    Preventie                                             21
       2.4    Recente ontwikkelingen                                21
3      Onderzoek traumazorg en onderzoek preventie                  23
       3.1    Lopend onderzoek traumazorg                           23
       3.1.1 Traumacentra: hoofdlijnen van onderzoek                23
       3.1.2 Brandwondencentra: hoofdlijnen van onderzoek           27
       3.1.3 Revalidatiecentra: hoofdlijnen van onderzoek           28
       3.1.4 Afdelingen orthopedie Universitair Medische Centra     29
       3.2    Infrastructuur onderzoek traumazorg                   29
       3.3    Gewenst onderzoek                                     30
       3.4    Lopend onderzoek preventie                            34
       3.5    Behoefte aan registratie van achtergrondinformatie en
              lange-termijn gevolgen                                35
4      Conclusie en aanbevelingen                                   39
Referenties
Lijst met afkortingen
Bijlage 1     Adviesaanvraag
Bijlage 2     Samenstelling Commissie Onderzoek Traumazorg
Bijlage 3     Traumacentra in Nederland
Bijlage 4     Geraadpleegde personen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>SAM E N V ATTI N G
Medio 2000 ontving de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) van de
minister van VWS het verzoek haar te adviseren over het onderzoek in de
traumazorg. In haar verzoek wees de minister erop dat in de afgelopen jaren in
ons land veel vooruitgang is geboekt in de traumazorg door onder meer de
aanwijzing van tien traumacentra en het samengaan van de spoedeisende
medische hulpverlening met de hulpverlening bij grootschalige ongevallen en
rampen. De minister verzocht de RGO haar te adviseren over de wijze waarop
het onderzoek ondersteuning kan geven aan de traumazorg waarbij zij de RGO
ook vroeg aandacht te besteden aan het onderzoek naar de preventie van
ongevalletsel.
Ter voorbereiding van zijn advies heeft de RGO een commissie van
deskundigen ingesteld. Deze commissie heeft zich, onder leiding van prof. dr.
D.J. Gouma, bij de aanvang van haar activiteiten eerst op de hoogte gesteld van
het onderzoek in de traumazorg en het onderzoek naar de preventie van
onnodig letsel en handicap. Hiertoe heeft zij een vragenlijst verstuurd naar de
tien traumacentra, een aantal afdelingen orthopedie, de brandwondencentra,
een aantal grotere revalidatiecentra, alsmede naar een aantal centra die zich
met het preventie-onderzoek bezighouden. Om een indruk te krijgen van de
behoeften aan onderzoek zijn dezelfde instituten een tweede maal benaderd
met de vraag naar onderwerpen/themas waarnaar nader onderzoek gewenst is.
De overzichten van het lopend en het gewenste onderzoek zijn vervolgens
uitvoerig besproken. De conclusie die de commissie daaruit trok luidde dat
weliswaar op het gehele terrein van onderzoek onderzoeksactiviteiten
plaatsvinden, maar dat deze op geen enkele wijze de behoeften aan onderzoek
dekken. Het onderzoek in de traumazorg staat in zekere zin zelfs nog in de
kinderschoenen en mist bovendien een gedegen infrastructuur die langer
lopend onderzoek mogelijk maakt.
De commissie was van mening dat de traumacentra de komende jaren
gesteund zouden moeten worden in het verder ontwikkelen van hun
onderzoeksinfrastructuur. De keuze voor versterking van de infrastructuur van
juist de traumacentra werd ingegeven door de centrale positie die deze
innemen bij het bevorderen van de kwaliteit en de doelmatigheid van de
traumazorg in ons land, alsmede met het oog op de werkplaatsfunctie van de
academische ziekenhuizen waar het merendeel van de centra is ondergebracht.
                                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De commissie was voorts van mening dat het bij het inhoudelijk stimuleren van
het onderzoek vooral moet gaan om onderzoek naar de voor ongevalspatiënten
of de traumazorg specifieke problemen, waarvoor elders geen of slechts in
geringe mate financiering kan worden gevonden. Wat betreft het onderzoek
naar de preventie van onnodig letsel/handicap kan veel winst worden geboekt
door verbetering van de registratie en de samenwerking tussen de op dit terrein
actieve organisaties.
De Raad onderschrijft de conclusies van de commissie en adviseert een voor
het traumaonderzoek apart onderzoeksprogramma in te stellen bij ZonMw. Dit
programma zou zich in zijn ogen op twee zaken moeten richten: het leveren
van een bijdrage aan de opbouw van een gedegen onderzoeksinfrastructuur in
de traumazorg en het stimuleren van onderzoek binnen voor het terrein belang-
rijke themas.
Bij de ondersteuning van de onderzoeksinfrastructuur denkt de Raad aan
persoonsgebonden subsidies voor specialisten in opleiding die zich in hun
opleiding specialiseren op voor de traumatologie relevante terreinen en zich
blijvend willen toeleggen op wetenschappelijk onderzoek. In het onderzoeks-
programma zouden hiervoor de komende acht jaar middelen ter beschikking
gesteld moeten worden, waarvan het grootste gedeelte bij voorkeur in de eerste
helft van de periode verleend zou moeten worden. De aanvragen voor deze
persoonsgebonden subsidie dienen gepaard te gaan met een onderzoeks- en
opleidingsplan en een opgave van de methodologische begeleiding. Bij een
maximum van tien subsidie-plaatsen in de eerste vier jaar en ca. vijf plaatsen in
de laatste vier jaar zou kunnen worden volstaan met een bedrag van in totaal
3,1 miljoen Euro.
Wat het stimuleren van het onderzoek zelf betreft adviseert de Raad de
volgende drie onderwerpen prioriteit te verlenen: onderzoek naar patho-
fysiologische reacties op trauma, onderzoek naar de doelmatigheid van de
traumazorg en onderzoek naar nieuwe beeldvormende diagnostiek, nieuwe
osteosynthese- en fixatiematerialen en nieuwe revalidatie-technieken. Rekening
houdend met de betrekkelijk bescheiden onderzoekscapaciteit in de traumazorg
en het aantal persoonsgebonden subsidies in vooral de eerste periode van het
programma, zou de subsidie voor dit gedeelte van het programma het beste een
oplopende lijn kunnen vertonen. De Raad verwacht dat op deze wijze met in
totaal 8 miljoen Euro, verdeeld over vier rondes van telkens twee jaar, een
belangrijke deel van de achterstand in het onderzoek kan worden weggewerkt.
In combinatie met de persoonsgebonden subsidies kunnen de traumacentra op
deze wijze in staat worden geacht een substantiële bijdrage te leveren aan de
functie als kenniscentrum in de traumazorg. Wat dat laatste betreft geeft de
        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Raad ter overweging ook de brandwondencentra uitdrukkelijk op te dragen -
met gebruikmaking van artikel 8 van de Wet op bijzondere medische
verrichtingen (WBMV) - een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de
functie van kenniscentrum in de traumatologie.
Ten aanzien van het onderzoek naar de preventie van onnodig letsel en
handicap ten gevolge van ongevallen constateert de Raad dat het niet alleen
schort aan de beschikbaarheid van bruikbare achtergrondinformatie over
ongevallen en hun lange-termijn gevolgen, maar ook aan structurele
samenwerking tussen onderzoekers op het terrein van de ongevalspreventie en
medisch onderzoekers. Naar de mening van de Raad zou de Landelijke
Vereniging van Traumacentra (LVT) uitgenodigd moeten worden het
voortouw te nemen bij het verbeteren van de registratie, met name wat betreft
de wijze waarop naast de informatie uit het Letsel-informatie Systeem (LIS),
ook andere relevante informatie vastgelegd kan worden, de wijze waarop deze
informatie ook in de niet-LIS ziekenhuizen verzameld kan worden en de
informatie kan worden geclassificeerd volgens internationale standaarden.
Indien betrokkenen daadwerkelijk in staat blijken de beoogde verbeteringen tot
stand te brengen zouden voor de financiering van het onderzoek middelen ter
beschikking moeten worden gesteld via het programma Preventie van ZonMw.
                                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>6</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>SU M M AR Y
In the summer of 2000, the Minister of Health, Welfare and Sport requested the
Advisory Council on Health Research (Raad voor Gezondheidsonderzoek,
RGO) to report on research in trauma care. In her request, the Minister
referred to the fact that over the past few years considerable progress has been
made in trauma care in The Netherlands, including the establishment of ten
trauma centers and the merger of the emergency medical services with the
large-scale accident and disaster services. The minister requested the RGO to
advise her on how research could support trauma care, at the same time asking
the Council to give consideration to research into the prevention of accident
injuries.
In order to prepare its report, the RGO appointed a committee of experts.
Under the supervision of Professor D.J. Gouma, the committee began its
activities by collecting information on ongoing research in trauma care and on
research into the prevention of unnecessary injury and handicap. To this end it
sent a questionnaire to the ten trauma centers, a number of academic
orthopaedic departments, the burns centers, a number of larger rehabilitation
centers and also to a number of centers involved in prevention research. In
order to gain an impression of the needs for research, the same institutions were
approached a second time with the question as to the subjects/areas for which
further study was necessary and desirable.
All information collected was then discussed in detail. The conclusion at which
the committee arrived was that, while research activities are taking place across
the whole field of research, these do not in any way cover the needs for
research. In a certain sense research into trauma care is still very recent and,
moreover, lacks a thorough infrastructure that would make longer-term
research possible.
According to the committee, trauma centers should be supported in the coming
years to develop their research infrastructure. The decision to enhance the
infrastructure of the trauma centers is prompted by their central position in
promoting the quality and efficiency of trauma care in The Netherlands, as well
as by the tight relationship between clinical work, training and research in the
academic hospitals. Furthermore, stimulation of research should focus on
problems that are specific to trauma patients and trauma care for which little if
any financing can be found elsewhere. In the case of research into the
prevention of unnecessary injury/handicap, much benefit can be gained from
                                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>improving registration and cooperation between the organizations active in the
field.
The Council endorses the conclusions of the committee and recommends
commissioning of a separate research program for trauma research by the
Netherland Organisation for Health Research and Development (ZonMw ). In
its opinion this program should focus on two aspects: contributing to the
construction of a solid research infrastructure in trauma care and promoting
research within a limited number of areas.
In order to support research infrastructure, the Council has in mind personal
subsidies for specialists involved in trauma care and willing to continue en-
gaging in scientific research. In the research program, resources should be
made available for this purpose over the next eight years. Preferably, most of
these resources should be provided in the first half of the period. Applications
for this personal subsidy should be accompanied by a research and training
plan and a plan for the methodological support. With a maximum of ten
subsidized places in the first four years and about five in the last four years, a
sum of about EUR 3.1 million in total should suffice.
In terms of the stimulation of research itself, the Council recommends that the
following three subjects should be given priority: research into
pathophysiological reactions to trauma, research into the efficiency of trauma
care, and research into new imaging diagnostics, new materials for
osteosynthesis and fixation, and new rehabilitation techniques. Taking into
account the relatively modest research capacity in trauma care and the number
of personal subsidies in the first period of the program in particular, the subsidy
for this part of the program might best follow a rising course. The Council
expects that in this way a considerable proportion of the shortfall in research
can be compensated with a total of EUR 8 million, divided into four periods of
two years each. In combination with the personal subsidies, the trauma centers
may then also be considered capable of functioning as centers of knowledge in
trauma care. In this last respect, the Council also suggests to transform the burn
centres into centres of knowledge in traumatology by implementing Article 8
of the Exceptional Medical Procedures Act (WBMV).
With respect to prevention research, the Council concluded that there is both a
lack of information on background information on the long-term consequences
of accidents and related care, as well as of cooperation between medical
researchers and researchers in the field of accident prevention. In the opinion
of the Council, the National Association of Trauma Centers (Landelijke
       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Vereniging van Traumacentra, LVT) should be invited to take the lead in
improving trauma registration and existing registrations such as the National
Injury Information System (Letsel Informatie Systeem, LIS).
If those involved actually display a readiness to engage in activities to this
purpose, the government should consider offering financial support, for
example by means of the Prevention-Research Program of ZonMw .
                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>10</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>INLEIDING
In haar brief van 6 juni 2000 vraagt de minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS) de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) om advies over
de wijze waarop wetenschappelijk onderzoek ondersteuning kan geven aan de
zorg en preventie bij ernstige ongevalspatiënten, c.q. de traumazorg (bijlage 1).
Aanleiding tot haar verzoek is de erkenning van tien ziekenhuizen als centrum
voor traumazorg en de wens de op dit terrein reeds ondernomen onderzoeks-
initiatieven verder te ondersteunen. Wat dit laatste betreft bestaat er, aldus de
minister, een grote bereidheid tot samenwerking, maar desondanks zijn nog
veel inspanningen nodig om een geïntegreerd systeem voor de registratie en
classificatie van ongevalletsels tot stand te brengen.
De minister vraagt de RGO rekening te houden met visies op traumazorg zoals
beschreven in de notas Met zorg verbonden (1997) en de Beleidsvisie
Traumazorg (1998). Ook wijst zij op een aantal relevante activiteiten, zoals die
van het College voor Zorgverzekeringen (CvZ), dat de uitvoering van de
aanwijzing Traumacentrum evalueert, en het onderzoek van het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar de doelmatigheid en de
kwaliteit van de ambulancezorg.
Met het huidige advies geeft de RGO antwoord op het verzoek van de minister.
Na een beknopte beschrijving in de eerste twee hoofdstukken van de gevolgde
werkwijze, de stand van zaken in de traumazorg en het trauma-preventie
onderzoek, komen in hoofdstuk 3 aan de orde de hoofdlijnen van het
onderzoek en de onderzoeksinfrastructuur, alsmede de organisaties die zich met
preventie-onderzoek bezighouden. Ook worden hier de behoeften aan onder-
zoek in de traumazorg besproken, zoals naar voren gebracht door deskundigen
op dit terrein. Tevens wordt stilgestaan bij onderwerpen die apart aandacht
verdienen, te weten het onderzoek dat relevant is voor de preventie van ernstig
ongevalsletsel en de registratie en classificatie van ongevalsletsel. In hoofdstuk 4
tenslotte vat de Raad zijn bevindingen samen en formuleert hij de
aanbevelingen over het onderzoek in de traumazorg en in de preventie.
                                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>12</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>1          WE R K W I J Z E
1.1        UITGANGSPUNTEN
Het onderwerp van het advies betreft het onderzoek in de traumazorg. Onder
traumazorg wordt in dit advies verstaan alle medische en verpleegkundige hulp
bij letsel die leidt tot (klinische of ambulante) behandeling in een ziekenhuis,
waarbij onder letsel wordt verstaan alle lichamelijke schade die het gevolg is
van een acute inwerking van één of meer externe factoren (fysisch, chemisch,
biologisch).[1] Dat wil zeggen dat in dit advies het onderzoek naar psycho-
sociale gevolgen van ongevallen die niet gepaard gaan met lichamelijke schade,
buiten beschouwing wordt gelaten. Naar de wijze van ontstaan kan verder
onderscheid worden gemaakt in privé-ongevallen (inclusief sportletsels),
verkeersongevallen, bedrijfsongevallen, geweldsongevallen en rampen.
De behandeling van ongevalslachtoffers is een terrein van zorg waarop van
oudsher door verschillende medische disciplines wordt samengewerkt[2]. Als
gevolg daarvan kent ook het onderzoek op dit terrein raakvlakken met het
onderzoek van andere specialismen. Onderzoek naar fractuurbehandeling
bijvoorbeeld wordt zowel door traumatologen als door orthopeden uitgevoerd.
Hoewel het onderwerp van het advies raakvlakken vertoont met onderzoek op
aangrenzende terreinen, wordt de aandacht uitdrukkelijk gericht op het
onderzoek naar de zorg voor ongevalsslachtoffers die wordt verleend door of
vanuit de afdelingen voor spoedeisende eerste hulp (SEHs) en de traumacentra
in ons land. Twee onderwerpen zijn buiten beschouwing gelaten: het
onderzoek rond sportletsels en het onderzoek naar letsels ten gevolge van een
bedrijfsongeval. Het eerstgenoemde onderzoek is onlangs onderwerp geweest
van een RGO-advies en een nieuw of aanvullend advies wordt thans niet nodig
geacht.[3] Het onderzoek naar aetiologie, diagnostiek en behandeling van
bedrijfsongevallen wordt buiten beschouwing gelaten, omdat de RGO dit jaar
een advies zal uitbrengen over het onderzoek op het terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde.
Voor een goed inzicht in de traumazorg in ons land zijn betrouwbare gegevens
over aard, omvang en gevolgen van ongevalsletsel, alsmede informatie over de
daarvoor verleende zorg noodzakelijk. Op het terrein van de traumaregistratie
zijn in de afgelopen jaren verschillende initiatieven ontplooid. Daarbij is telkens
gestreefd naar een uniform en landelijk dekkend classificatie- en registratie-
systeem dat bruikbaar is voor zowel de hulpverlening zelf, als voor monitoring
                                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>en wetenschappelijk onderzoek. In hoofdstuk 2 wordt de huidige stand van
zaken op dit terrein beknopt beschreven.
Het tweede onderwerp waarop in dit advies apart wordt ingegaan is het
preventie-onderzoek in de traumazorg waarbij het advies zich beperkt tot de
registratie van ongevallen en letsels en de informatie over hun aard, omvang en
gevolgen. De totstandkoming van bovengenoemde traumaregistratie biedt voor
dit preventie-onderzoek goede mogelijkheden en om deze reden staat de Raad
in hoofdstuk 3 stil bij enkele, voor het preventie-onderzoek belangrijke knel-
punten in de registratie. Aansluitend gaat de Raad in hoofdstuk 4 in op de wijze
waarop deze knelpunten kunnen worden verholpen.
1.2        WERKWIJZE COMMISSIE
Het advies is voorbereid door een door de Raad ingestelde commissie van
deskundigen onder voorzitterschap van prof. dr. D.J. Gouma (bijlage 2). Deze
commissie is haar werkzaamheden begonnen met het nader definiëren van het
domein van het advies, de onderwerpen die daarbij van belang zijn, en het
formuleren van de uitgangspunten.
Om een indruk te krijgen van het thans lopende onderzoek op het terrein van
de traumazorg heeft de commissie de traumacentra schriftelijk benaderd met de
vraag om informatie over het onderzoek dat in of vanuit deze centra wordt
uitgevoerd. Aanvullende informatie over relevant onderzoek is verder
ingewonnen bij de brandwondencentra, een aantal grotere revalidatiecentra en
de afdelingen orthopedie van de academische ziekenhuizen. Tezelfdertijd zijn
enkele onderzoekinstellingen benaderd met de vraag naar het door hen
uitgevoerde preventie-onderzoek.
Na zich aldus op de hoogte te hebben gesteld van het lopende onderzoek heeft
de commissie dezelfde centra opnieuw benaderd, dit keer met de vraag naar
onderwerpen die met voorrang zouden moeten worden onderzocht. Voor
beantwoording kon gebruik worden gemaakt van een vragenlijst waarin
onderscheid werd gemaakt in drie typen onderzoek: pathofysiologisch
onderzoek, doelmatigheidsonderzoek en innovatief onderzoek. Binnen het
pathofysiologisch onderzoek is een nader onderscheid gemaakt tussen
onderzoek naar algemene (systemisch) en lokale processen enerzijds en
biomechanisch onderzoek anderzijds. In het doelmatigheidsonderzoek is een
onderverdeling gemaakt naar de fase van zorg en behandeling: prehospital,
inhospital en posthospital. Bij het innovatieve onderzoek zijn onderzoek naar
nieuwe diagnostische methoden onderscheiden van onderzoek naar nieuwe
vormen van behandeling en onderzoek naar robotgestuurde operatie-
technieken. Volgend op de vraag naar de onderwerpen voor onderzoek is
       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>afsluitend gevraagd aan te geven welke (maximaal drie) onderwerpen de
belangrijkste zijn en prioriteit verdienen.
Aan de hand van de verzamelde informatie heeft de commissie vervolgens
gesproken over de prioriteiten van onderzoek. Een viertal overwegingen was
daarbij van belang: Betreft het onderwerp een probleem dat specifiek is voor
traumapatiënten? Past het onderwerp binnen de opdracht aan de traumacentra
te functioneren als kenniscentra? Is elders financiering mogelijk? Kan met het
voorgestelde onderzoek in de behoefte worden voorzien?
Tenslotte heeft de commissie uitvoerig stilgestaan bij de vraag op welke wijze
bijgedragen kan worden aan de versterking van de infrastructuur van het
onderzoek in de traumazorg.
                                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>16</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>2           TR A U M A Z O R G      EN PREVENTIE IN          NE D E R L A N D
2.1         INLEIDING
Jaarlijks vinden naar schatting 93.000 ziekenhuis-opnames plaats en bezoeken
zon 920.000 mensen een afdeling voor spoedeisende hulp in een ziekenhuis als
gevolg van een ongeval thuis, op het werk, in het verkeer of tijdens het
sporten.[4]
Ongeveer drie kwart van de medisch behandelde ongevallen - inclusief die van
de circa 1.200.000 door de huisarts behandelde ongevalspatiënten - vindt plaats
in de privé-situatie. Privé-ongevallen staan daarmee, samen met luchtweg-
infecties en rugklachten, op de eerste plaats wat betreft de incidentie van
ziekten en lichamelijke afwijkingen.[5]
Naast oorzaak van persoonlijk leed en van soms blijvend lichamelijk letsel zijn
ongevallen ook een belangrijke oorzaak van sterfte. In 2000 waren in ons land
ruim 1000 dodelijke slachtoffers van een verkeersongeluk te betreuren en over-
leden meer dan 2000 personen ten gevolge van een val.[6] Juist bij de dodelijke
ongelukken gaat het nogal eens om kinderen en jong volwassenen; in de
leeftijdscategorie tot 35 jaar is een ongeval zelfs de voornaamste doodsoorzaak.
Gezien dit alles is het niet verwonderlijk dat ongevallen gepaard gaan met hoge
maatschappelijke kosten, zowel wat betreft kosten van behandeling (directe
medische kosten) als wat betreft de kosten door verlies aan economische
productiecapaciteit en immateriële schade. Geschat wordt dat de directe medische
kosten van alle soorten ongevalsletsel bij elkaar (privé, verkeer, sport, werk)
tegen de één miljard Euro bedragen, hetgeen neerkomt op zon drie à vier
procent van het totale zorgbudget.[7] De indirecte kosten van acute lichamelijke
letsels kunnen, op basis van cijfers uit 1988, worden geschat op ca. vier miljard
Euro, waarvan ongeveer 2,5 miljard Euro is gemoeid met de immateriële
kosten van verkeersongevallen.[8] Alle ongevallen tezamen brengen al met al
meer maatschappelijke kosten met zich mee dan chronische aandoeningen als
cardiovasculaire ziekten en kanker.[9]
2.2         MET ZORG VERBONDEN
Een bijzondere vorm van hulp aan ongevalsslachtoffers is de hulp bij
grootschalige ongevallen en rampen. Mede naar aanleiding van de
Bijlmerramp in 1992 onderzochten de Inspectie voor de Gezondheidszorg
(IGZ) en de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding de wijze waarop
deze hulp functioneerde.
                                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Beide inspecties lieten zich in het verslag van hun onderzoek nogal kritisch uit
over de organisatie van de traumazorg in Nederland. Zo concludeerde de IGZ
in haar rapport De keten rammelt (1994) dat het in hoge mate schortte aan
samenwerking tussen de diverse medische sectoren, zowel op het terrein van de
spoedeisende medische hulpverlening (SMH) als op dat van de geneeskundige
hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHR). De Inspectie Brandweerzorg
en Rampenbestrijding concludeerde dat zich op zowel landelijk als regionaal
niveau fundamentele problemen voordeden. De GHR miste onder meer een
gedegen organisatorisch en bestuurlijk fundament en zou onvoldoende zijn
voorbereid en geoefend om adequaat hulp te kunnen verlenen.[10] Beide
inspecties meenden evenwel dat met een goed, geïntegreerd systeem van
traumazorg een aanzienlijke daling van het aantal (dodelijke) slachtoffers en
ernstige restinvaliditeit te bewerkstelligen zou zijn.
Een en ander was in 1997 voor de bewindslieden van VWS en BZK aanleiding
tot het uitbrengen van de gezamenlijke nota Met zorg verbonden. Centraal in
deze nota staan het voornemen de GHR, vallend onder verantwoordelijkheid
van BZK, te integreren met de SMH, vallend onder verantwoordelijkheid van
VWS, in één systeem voor geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en
rampen (GHOR). In grote lijnen zou dit systeem moeten bestaan uit 26 regios
en tien traumacentra die met elkaar een landelijk dekkend netwerk van
spoedeisende medische hulpverlening zouden moeten vormen, dat functioneert
als een  ... slagvaardige, volwaardige en herkenbare geneeskundige partner
binnen de rampenbestrijdingsorganisaties, die in staat is om naadloos op te
schalen van kleinschalig (SMH) naar grootschalig (GHR) optreden.[11]
Ter bevordering van de integratie van de SMH en de GHR was in het jaar
voorafgaand aan het verschijnen van de nota Met zorg verbonden al een
begin gemaakt met het project GHOR. Dit door VWS en BZK geïnitieerde
project kende een brede vertegenwoordiging vanuit het beleid, de organisatie
van de zorg en medici, en richtte zich door middel van vijf deelprojecten op
respectievelijk de kwaliteit van hulpverlening, de informatievoorziening, de
financiering, de regionalisering en proefregios.
Het project GHOR is in 1999 afgerond en heeft geleid tot een groot aantal
activiteiten binnen zowel de hulpverlening als de regionale en landelijke
organisatie en beleid.[12] De belangrijkste daarvan zijn de oprichting van
regionale ambulancediensten (RAVs), de vorming van gemeentelijke
samenwerking in zogeheten GHOR-regios, de aanwijzing van tien regionale
traumacentra en de vorming van regionale traumazorgnetwerken. Voor het
huidige advies zijn hiervan vooral de aanwijzing van de traumacentra en de
        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>opzet van een landelijk registratie- en informatiesysteem voor de traumazorg
van belang.
Traumacentra
Uit voornoemde rapporten van IGZ en de Inspectie Brandweerzorg en
Rampenbestrijding bleek dat ernstige ongevalsslachtoffers, de zogeheten
multi-traumapatiënten, niet altijd in het voor hen meest geschikte ziekenhuis
werden opgenomen. Om deze reden maakten de minister van VWS en de
staatssecretaris van BZK in hun Beleidsvisie Traumazorg van oktober 1998
bekend te streven naar zogeheten traumazorgnetwerken waarin de
ziekenhuizen op regionaal niveau afspreken welke (gespecialiseerde) zorg door
welk ziekenhuis kan worden geleverd.
Naast deze regionale zorgafspraken zouden tien ziekenhuizen als trauma-
centrum worden aangewezen. Deze centra zouden, behalve taken op het
terrein van de zorg voor de meest ernstig gewonden (primaire zorgtaak), een
drietal bijzondere taken moeten vervullen. Ten eerste zouden zij een bijdrage
moeten leveren aan het realiseren van het traumazorgnetwerk (regionale en
landelijke samenwerking) en het verzorgen van een mobiel medisch team
(MMT). Daarnaast zouden de centra moeten samenwerken om op medisch
inhoudelijk gebied richtlijnen en protocollen te ontwikkelen. Ten slotte zouden
de centra zich moeten ontwikkelen tot regionale kenniscentra voor onderzoek,
training en opleiding.
Om voor erkenning als traumacentrum in aanmerking te komen diende het
ziekenhuis evenwel aan een aantal eisen te voldoen. Zo moest het de 24-uurs
paraatheid van een intern traumateam kunnen garanderen, alsmede de snelle
aanwezigheid (binnen 15 minuten) van een aantal medisch specialisten. Ook
zou elk centrum dienen te beschikken over een vergunning voor bijzondere
neurochirurgie en een aantal bijzondere faciliteiten zoals deelname aan een
uniform landelijk registratiesysteem.
Ten tijde van het schrijven van dit advies zijn er in ons land tien traumacentra
actief (bijlage 3).
Ziekenhuizen
De regionalisering van de traumazorg, zoals voorgesteld in de nota met Zorg
verbonden, betekent niet dat ongevalspatiënten alleen in een traumacentrum
geholpen moeten of kunnen worden. De voorgenomen regionalisering
betekent wel dat alle ziekenhuizen in een bepaalde regio afspraken maken met
elkaar, met de diensten voor ambulancevervoer en met het traumacentrum in
de desbetreffende regio over toevoer, opvang en behandeling van ongevals-
slachtoffers. Leidraad hierbij is de ernst van de verwondingen enerzijds en de
                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>behandelmogelijkheden van de ziekenhuizen in de regio anderzijds. Hoewel
noodzakelijk voor een doelmatig functionerende traumazorg zijn deze
afspraken tussen de in een regio betrokken ziekenhuizen tot op heden nog niet
in alle gevallen gerealiseerd.[17]
Registratie
In de beleidsnota Traumazorg geeft de minister van VWS aan de traumacentra
deel te willen laten nemen aan een uniform (landelijk dekkend)
registratiesysteem. Zon systeem zou de evaluatie van de hulpverlening en het
zorgnetwerk mogelijk moeten maken en de centra in staat moeten stellen hun
taak als kenniscentrum naar behoren uit te voeren.
Om de patiënt langs de gehele keten van zorg te kunnen volgen, zou het
systeem de koppeling mogelijk moeten maken tussen de registraties van de
traumacentra, die van de verschillende ziekenhuizen, en de registratie van de
CPA/ambulances.[13] Tevens zouden in het systeem twee soorten informatie
verenigd dienen te worden: a informatie ten behoeve van de hulpverlening
(klinische en preklinische gegevens) en b informatie ten behoeve van beleid en
wetenschappelijk onderzoek.[14] Het project GHOR adviseerde de registratie
zelf en de omvang van de groep te registreren patiënten en incidenten
gefaseerd in te voeren. Wat de registratie betreft zou bij voorkeur moeten
worden begonnen met een minimale set van gegevens, in een later stadium aan
te vullen met extra gegevens. Ook de groep te registreren patiënten zou het
beste stapsgewijs kunnen worden uitgebreid: te beginnen met de groep van
letselpatiënten die arriveren op de afdelingen voor SEH of met in het
ziekenhuis opgenomen patiënten, later uit te breiden met andere groepen
patiënten.
Hoewel de tien traumacentra inmiddels overeenstemming hebben bereikt over
de uitgangspunten van de registratie, de minimaal vereiste gegevens (MTOS+)
en de op te nemen patiëntenpopulatie, is de implementatie van het systeem op
dit moment nog geenszins gerealiseerd. In oktober 2001 hebben de tien
traumacentra aan de minister van VWS een gezamenlijk voorstel voor het
klinische deel van zon geïntegreerd landelijk traumaregistratiesysteem
uitgebracht, inclusief een kostenraming.[15] De minister wordt hierin gevraagd
om (mede-) financiering. De totale kosten van het registratiesysteem worden
geraamd op ca. 2,9 miljoen Euro, exclusief de bijdrage die de traumacentra zelf
zullen leveren (0,34 miljoen Euro).
        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.3        PREVENTIE
Ter ondersteuning van het veiligheidsbeleid in het verkeer en de privé-situatie
kan de overheid gebruik maken van informatie van een aantal organisaties.
Zo beschikt het ministerie van Verkeer en Waterstaat over de Adviesdienst
voor Verkeer en Vervoer (AVV) die zorg draagt voor de kennis en informatie
die het ministerie nodig heeft voor het (rijks)beleid op het terrein van het
personen- en goederenvervoer. Dit ministerie financiert ook de Stichting
Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV), een landelijk
opererend onderzoeksinstituut dat zich ten doel stelt de verkeersveiligheid te
bevorderen met behulp van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek.
Het ministerie van VWS financiert de stichting Consument en Veiligheid
(C&V). C&V verzamelt ten behoeve van het (facet)beleid basisinformatie over
alle ongevalscategorieën, verzorgt voorlichting, en verricht (hoofdzakelijk
toegepast) onderzoek naar oorzaken van privé-ongevallen, de rollen die
betrokkenen in de aanpak van ongevallen kunnen spelen en de werkzaamheid
en doelmatigheid van preventieve maatregelen.
Naast deze twee, voornamelijk door de overheid gesubsidieerde instituten zijn
er nog ander onderzoeksinstellingen die zich op dit terrein actief betonen: het
instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg (iMGZ) van de Erasmus
Universiteit Rotterdam (EUR), TNO, en het instituut voor Extramuraal
Geneeskundig Onderzoek (EMGO) van de Vrije Universiteit Amsterdam
(VUA).
2.4        RECENTE ONTWIKKELINGEN
Onlangs heeft de minister van VWS de Tweede Kamer laten weten de
beleidsnota Met zorg verbonden te willen evalueren. Hiertoe heeft zij
ZonMw opdracht gegeven een onderzoeksprogramma te ontwikkelen dat
inzicht moet verschaffen in de mate waarin de beleidsvoornemens
daadwerkelijk worden gerealiseerd en waarin ze leiden tot kwaliteitsverbetering
van de zorg.[16] Voor de uitvoering van dit tweejarige programma is een bedrag
van 0,9 miljoen Euro per jaar beschikbaar gesteld. Op het moment van het
schrijven van dit advies is een begin gemaakt met het formuleren van de
kwaliteitscriteria die bij de evaluatie kunnen worden gebruikt. Als hierover
overeenstemming is bereikt, kan met de eerste onderzoeksprojecten worden
begonnen. De resultaten van deze beleidsevaluatie kunnen worden tegemoet
gezien in 2003 of 2004. Benadrukt moet worden dat het onderzoek dat uit dit
programma zal voortkomen (en dat gericht is op de evaluatie van beleids-
                                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>voornemens) buiten het domein van het huidige advies valt (onderzoek in de
traumazorg).
In opdracht van VWS heeft het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) onlangs
een onderzoek uitgevoerd naar de wijze waarop de traumacentra hun taken
invullen. Aan de hand van zeven deelvragen komt het CvZ daarin tot de
conclusie dat het in zn algemeenheid ... ontbreekt aan een landelijke
belegging van beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de bijzondere taken op
landelijk niveau.[17] Het CvZ adviseert daarom het Landelijk Beraad
Traumacentra (LBTC) meer bevoegdheden te geven opdat deze meer centraal
sturend en als verantwoordelijke kan optreden bij de uitvoering van de
bijzondere taken van de traumacentra en de totstandkoming van het landelijke
geïntegreerd systeem van traumazorg. Ten aanzien van de traumacentra als
kenniscentra constateert het CvZ dat de registratie voor de meeste centra een
speerpunt is en dat de ontwikkelingen op het vlak van de kenniscentra zich
vooral afspelen op medisch-inhoudelijk vlak, overigens zonder al tot nieuwe
vormen van behandeling te hebben geleid.
Naar aanleiding van dit rapport is het LBTC in maart jl. overgegaan tot
oprichting van de Landelijke Vereniging van Traumacentra (LVT) die samen
met het LBTC uitvoering gaat geven aan de door CvZ geadviseerde
zelfregulering.
Ook in opdracht van VWS onderzocht het RIVM (in samenwerking met de
IGZ en het College voor Tarieven in de Gezondheidszorg) het functioneren
van de ambulancesector. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en wijst uit dat
de kwaliteit van de ambulancezorg redelijk tot goed is, maar dat op onderdelen
verbetering nodig is.[18] Voor die verbeteringen schatten de onderzoekers, is een
bedrag van 10 miljoen Euro nodig. Daarbovenop kan de spreiding van de
voorzieningen over Nederland worden verbeterd. Hierdoor zou het aantal
overschrijdingen van de aanrijtijden aanzienlijk kunnen worden terugge-
drongen. In 1999 arriveerde de ambulance bij 6% van de spoedritten (ca.
20.000) later dan de vereiste 15 minuten na melding. Overigens toont dit
onderzoek nog eens aan hoezeer gegevens over de prehospital-fase noodzakelijk
zijn voor een adequate evaluatie van de traumazorg.
       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>3         ON D E R Z O E K      TRAUMAZORG              EN    ONDERZOEK
          PREVENTIE
Om inzicht te verkrijgen in de behoefte aan stimulering van het onderzoek in
de traumazorg is zowel het in 2000 lopend (het aanbod) als het gewenste
onderzoek (de vraag) door middel van vragenlijsten geïnventariseerd. In dit
hoofdstuk worden de resultaten van deze inventarisatie beknopt gepresenteerd
aan de hand van de hoofdpunten van het onderzoek. In de tabellen 3.1 en 3.2
is de verzamelde informatie samengevat.
3.1       LOPEND ONDERZOEK TRAUMAZORG
3.1.1     TRAUMACENTRA: HOOFDLIJNEN VAN ONDERZOEK
Uit de inventarisatie blijkt dat de traumacentra tezamen een breed scala van
onderzoekingen verrichten (Tabel 3.1).
Pathofysiologisch onderzoek in of vanuit de traumacentra vindt op een aantal
plaatsen plaats. In het Traumacentrum Oost wordt onderzoek verricht (onder
meer via diermodellen) naar het multiple organ dysfunction syndrome (MODS) en
de rol van circulerende ontstekingsmediatoren (met name cytokinen en hun
receptoren). Vanuit het Traumacentrum Noord-West Nederland wordt
gekeken naar de invloed van met aminozuren verrijkte voeding, alsmede naar
de invloed en fysiologie van botgroeifactoren (OP-1) op de snelheid van
botgenezing na trauma. Medewerkers van het Traumacentrum AZG verrichten
onderzoek naar acute, aseptische ontstekingsreacties na trauma.
In de categorie beschrijvend/inventariserend onderzoek vinden we een aantal
projecten die bedoelen de lange-termijn gevolgen van (multi-)trauma in kaart te
brengen. Dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd in het Traumacentrum Oost,
evenals als in het centrum Midden-Nederland en het centrum van het AZG.
Verder is een aantal centra betrokken bij na-onderzoeken van de rampen in
Enschede en Volendam. In de categorie beschrijvend/inventariserend valt
ook het onderzoek van het Traumacentrum Oost naar de kosten van een
mobiel medisch team (MMT) en de intramurale behandeling van multi-
traumapatiënten. Ook registratie- en classificatiesystemen in de traumazorg zijn
een aantal malen onderwerp van onderzoek, zoals onder meer in de
traumacentra Oost en Midden-Nederland en het centrum van het AZG.
Innovatief onderzoek, dat wil zeggen onderzoek naar de werkzaamheid van
nieuwe of nog in ontwikkeling zijnde interventies, betreft vooral
(biomechanisch) onderzoek naar nieuwe stabilisatie- en fixatietechnieken. Dit
onderzoek vindt in verschillende centra plaats.
                                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Voor doelmatigheidsonderzoek beschikken de traumacentra Oost, Zuid-West
Nederland, Midden-Nederland en Zuid-West Nederland over een speciale
onderzoekslijn. Onderwerpen die daarin worden behandeld betreffen niet
alleen de kwaliteit van de traumazorg als geheel (zoals het onderzoek naar
kwaliteitsaspecten in de traumazorg door het traumacentrum Midden-
Nederland), maar ook specifieke onderwerpen, zoals de traumahelicopter
(Traumacentrum Oost) en de logistiek van de opvang (Traumacentrum Zuid-
West Nederland, AMC Amsterdam). Doelmatigheidsonderzoek wordt verder
nog verricht in de traumacentra Oost (verpleegkundige zorg), Zuid-West
Nederland (routineprotocol) en Noord-West Nederland (VUMC: PET; AMC:
HET-studie in de richtlijnen studie Downgrading).
Tabel 3.1         Lopend onderzoek
                                        P ATHOFYSIOLOGISCH
 Traumacentrum Oost: Sepsis en niet-bacteriële, gegeneraliseerde ontsteking: mogelijke oorzaken
 en gevolgen (sepsis en ontsteking: MODS); Inflammatoire mediatoren bij microdialyse bij
 patiënten met ernstig hersenletsel.
 Traumacentrum West-Nederland: Wondgenezing na trauma: acute en chronische wonden.
 Traumacentrum Midden-Nederland: Gestoorde botgenezing/Infectie; Cell signaling bij trauma en
 sepsis (in oprichting).
 Traumacentrum Noord-West Nederland: Ontsteking en cytokinen bij traumatisch hersenletsel;
 Invloed en fysiologie van botgroeifactoren ( OP-1) op snelheid van botgenezing; Katabolie;
 Glutamine en de traumapatiënt; Het effect van voeding verrijkt met aminozuren op morbiditeit
 na trauma.
 Traumacentrum AZG: Acute fase reacties t.g.v. trauma; Biomaterialen (implantaten).
 Brandwondencentrum Beverwijk: Vitamine C ter preventie van post-traumatische dystrofie
 Roessingh: Relatie spieractiviteit en chronisch Whiplash syndroom;
 Afd. Orthopedie AZR: Immunolocalisatie en kwantificatie niet collagene eiwitten in humane
 pseudarthrosen.
 Afd. Orthopedie LUMC: clavicula fracturen.
          24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>                                         B ESCHRIJVEND
Traumacentrum Oost: Informatiebehoefte patiënten t.a.v. maatschappelijke en psychosociale
begeleiding; Letselmechanica/letselpreventie, ontwikkeling educatieve CD-ROM; Ontwikkeling
en implementatie Spoedeisende Hulp Kaart; Lange-termijn beperkingen polytrauma patiënten;
Registratiesysteem t.b.v. evaluatie neuro IC; (Indirecte-) kosten MMT; Intramurale kosten
behandeling multitrauma patiënten; Verpleegkundige zorgverlening aan poli-trauma patiënten.
Traumacentrum West-Nederland: Regionale traumaregistratie.
Traumacentrum Midden-Nederland: Eindpunten resuscitatie; Neurotrauma; Kwaliteitsaspecten
traumazorg; Lange termijn resultaten multitrauma patiënten.
Traumacentrum Noord-West Nederland: Shockroom management; Medisch onderzoek Volendam
(i.s.m. met VUMC, AMC, Brandwondencentra).
Traumacentrum AZG: Epidemiologie van whiplash klachten; Gevolgen van ongevallen en letsels
bij het kind; Bliksemonderzoek.
Medisch Spectrum Twente: Na-onderzoek vuurwerkramp; Na-onderzoek vuurwerkramp met
verandering rampenplan en ketenfuncties; Kniebeeldgang analyse; Fracturen bij kinderen.
Brandwondencentrum Groningen: Prospectief longitudinaal onderzoek naar gevolgen
brandwonden; Schuld en schokverwerking bij ouders van kinderen met brandwonden; Non-
verbale pijnmeting bij kinderen met brandwonden. Voorkomen en verspreiding van
staphylococcus aureus in brandwondencentrum (m.b.v. Pulsed Field Gel Electrophorese).
Brandwondencentrum Beverwijk: Registratie brandwonden.
Brandwondencentrum Rotterdam: Epidemiologie; Patiëntgebonden klinisch onderzoek.
Afd. Revalidatie, AZG: Gevolgen van verkeersongevallen kinderen; Gevolgen van
sportongevallen; Gevolgen van spraakletsels bij kinderen; Gevolgen van paardrij-ongevallen bij
volwassenen; Functioneel resultaat na flexorpeesletsel van de hand; Functioneren na een
wervelfractuur.
Hoogstraat: Gevolgen van major trauma, en de kwaliteit van leven na 15 maanden vanuit
revalidatie-oogpunt; Functionele en ervaren gezondheid van klinische revalidanten na
polytrauma; Polytrauma: betekenis van de Injury Severity Score en patiëntkenmerken voor
ontslagbestemming uit het ziekenhuis.
Roessingh: Neuropsychologische aspecten bij whiplash; Whiplash behoeften onderzoek;
Gevolgen mild-matig traumatisch hersenletsel kinderen.
IRV: Transmurale zorg na revalidatie van dwarslaesiepatiënten; Screening neuropsychologische
gevolgen hersenletsel.
Afd. Revalidatie AZR Dijkzigt: Lange termijn gevolgen traumatisch hersenletsel; Traumatische
dwarslaesie; Trauma bovenste extremiteiten.
Afd. Orthopedie AZR: resultaten PEMF (Orthopulse).
Afd. Orthopedie AZM: Morbiditeit en revalidatie na acetabulum/bekken fracturen.
Afd. Orthopedie LUMC: THA na niet-geslaagde osteosynthese van de proximale femur;
Behandeling tendo calcaneus rupturen; Hemi-arthroplasty bij proximale humerus fracturen;
clavicula fracturen; profylactische chirurchie bij pathologische femur fracturen.
ORCA (AMC): Botgenezing.
Afd. Orthopedie UMC St Radboud: Bekken-, femur- en wervelfracturen; case reports trauma.
                                                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                         I NNOVATIEF
Traumacentrum Oost: Effecten van anti-inflammatoire cytokinen.
Traumacentrum Zuid-West Nederland: Percutane schroeffixatie van SI gewricht.
Traumacentrum Maastricht: Intramedullaire verlengingspen; biomechanische studie humeruspen
(TLN); TLN-pen (femur/tibiafractuur).
Traumacentrum Noord-West Nederland: Computer ondersteunde navigatie; resorbeerbare
interlocking nails; intracerebrale microdialyse; Intramedullary reaming of long bones; Mechanism of
muscle wasting; Computer simulatie en modellering van implantaten d.m.v. klinische
biomechanica.
Traumacentrum AZG: Operatieve behandeling wervelfracturen; Intramedullaire fixatie van
lange pijpbeenderen; Behandeling van distale radius fracturen; Sportletsels; Biomaterialen
(implantaten).
Brandwondencentrum Beverwijk: Toepassing van het dermale substituut ter preventie van
littekens.
Brandwondencentrum Groningen: Behandeling donorplaatsen met wondbedekkers; Gebruik
drukkleding voor behandeling van littekenhypertrofie; Blaas PO2-meting als parameter voor
algehele weefseloxygenatie bij ernstig zieke patiënten.
Roessingh: Herstel handfunctie tetraplegi; Ambulante myofeedback; Spasme-beïnvloeding
incomplete dwarslaesie d.m.v. elektro-stimulatie; Blaasstimulatie bij neurogeen blaaslijden.
IRV: Reorganisatie arm-handfuncties bij hoge dwarslaesie; Mobiliteitsherstel bij
dwarslaesiepatiënten; Strategietraining apraxie.
St. Maartenskliniek (SMK): Ontwikkeling en evaluatie van een val-preventie programma voor
ouderen; Loopgang-analyse Scientific Hip Prosthesis versus Exeter prosthesis.
Afd. Revalidatie AZR Dijkzigt: Lange termijn gevolgen traumatisch hersenletsel; Traumatische
dwarslaesie; Trauma bovenste extremiteiten.
Afd. Orthopedie AZM: TCP/HA formuleringen als vervanger bottransplantaat.
Afd. Orthopedie UMCU: In vivo ballon vertebroplastiek met injecteerbaar calciumfosfaat bij
traumatische wervelfracturen.
Afd. Orthopedie LUMC: Hip trail, RSA/PFN, vertebroplastiek bij A1 wervelfracturen.
Orca (AMC): Derangement van gewrichten.
Afd. Orthopedie UMC St. Radboud: Kraakbeenreconstructie; poreuze elastomeren voor
meniscusreconstructie; Knieband reconstructie.
       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                       D OELMATIGHEID
 Traumacentrum Oost: Doelmatigheid en afstemming verpleegkundige zorg; Evaluatie ATLS;
 Evaluatie traumaheli; Behandeling letsels extremiteiten; Pijnbehandeling bij traumapatiënten.
 Traumacentrum West-Nederland: Behandeling van collumfracturen (PSS trial: i.s.m. AMC
 Adam).
 Traumacentrum Zuid-West Nederland: Het gestandaardiseerde diagnostisch protocol in de
 traumazorg; Kwaliteit van traumazorg; De behandeling van instabiele pertrochanter fracturen;
 Behandeling van bekkenring instabiliteit; Post-partum bekken instabiliteit; PFN versus gamma
 nagel; percutane schroeffixatie van SI gewricht.
 Traumacentrum Midden-Nederland: Kwaliteitsaspecten traumazorg (project).
 Traumacentrum Noord-West Nederland: Vroege PET-diagnostiek bij hersenletsels; De rol van
 glutamate in de diagnostiek van hersenletsel d.m.v. PET; Evaluatie fractuurgenezing d.m.v.
 F18-PET, PSS studie, HET-studie, Downgrading (richtlijn).
 Traumacentrum AZG: Operatieve behandeling wervelfracturen; Intramedullaire fixatie van
 lange pijpbeenderen; Behandeling van distale radius fracturen; Sportletsels; Bliksemonderzoek)
 Biomaterialen (implantaten).
 Projectbureau Traumacentrum Medisch Spectrum Twente: Polsfractuur: fixatie-gips; Distale
 onderbeenfracturen.
 Brandwondencentrum Groningen: Diagnostiek brandwonden m.b.v. Laser Doppler Imaging;
 Behandeling heetwaterverbranding met flamacerium, aquacel of donorhuid.
 Afd. Orthopedie AZR: Behandeling subcapitale humerus fracturen d.m.v. intramedullaire
 techniek; Distale radiusfracturen.
 Afd. Orthopedie AZM: Screw finder.
 Afd. Orthopedie UMCU: Doelmatigheid behandeling traumatische wervelfracturen.
 Orca (AMC): Evidence Based Medicine.
 Afd. Orthopedie St. Radboud: Scopie knie.
3.1.2        BRANDWONDENCENTRA: HOOFDLIJNEN VAN ONDERZOEK
In de drie brandwondencentra in ons land vindt onderzoek plaats dat zich
hoofdzakelijk richt op de pathofysiologie en behandeling van de brandwond.
Tussen de drie centra bestaat een zekere verdeling van onderzoeks-
onderwerpen. Het Rotterdamse centrum richt zich vooral op epidemiologie,
het Beverwijkse centrum doet vooral onderzoek naar weefselvervangende
materialen en celkweek, het Groningse centrum doet vooral onderzoek naar
de psychosociale gevolgen van brandwonden en preklinisch onderzoek. De
drie brandwondencentra werken tezamen met het Traumacentrum Noord-
West Nederland in het onderzoek naar de brand van Volendam.
Een groot deel van het onderzoek van de brandwondencentra vindt plaats in
nauwe samenwerking met de onderzoeksafdeling van de Nederlandse
Brandwonden Stichting (NBS). Deze afdeling beschikt over een eigen
                                                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>laboratorium waarin onderzoek wordt uitgevoerd langs de onderzoekslijnen:
Pathofysiologie, ontstekingsmodulatie en allogene huidtransplantatie en
Huidsubstitutie en littekenmodulatie. In 2001 werden op of vanuit deze
onderzoeksafdeling 13 onderzoeksprojecten uitgevoerd. In samenwerking met
de NBS zijn de brandwondencentra thans doende een nationale registratie van
brandwonden en de behandeling daarvan te ontwikkelen.
3.1.3      REVALIDATIECENTRA: HOOFDLIJNEN VAN ONDERZOEK
Hoewel het onderzoek in de revalidatiecentra zich op veel meer terreinen richt
dan alleen trauma vindt er toch ook onderzoek plaats specifiek gericht op de
revalidatie van traumapatiënten.
Inventarisaties van de (lange-termijn) gevolgen van ongevalsletsel worden
vooral gedaan door de afdelingen Revalidatie van het Academisch Ziekenhuis
Groningen (AZG) en het AZR Dijkzigt, en door onderzoekers in De
Hoogstraat. Zo inventariseert de afdeling Revalidatie van het AZG het
functioneren en de kwaliteit van leven na verkeers- en sportongevallen bij
uiteenlopende categorieën patiënten. De Hoogstraat doet binnen het
onderzoeksthema Outcome of multiple injured patients onderzoek naar de kwaliteit
van leven en de functionele, ervaren gezondheidstoestand na trauma. Op de
afdeling Revalidatie van het AZR Dijkzigt lopen drie onderzoeken naar lange-
termijn gevolgen van traumatisch hersenletsel, traumatisch dwarslaesie en
trauma van de bovenste extremiteiten.
Meer pathofysiologisch en biomechanisch onderzoek wordt verricht bij
Roessingh R&D, bij het IRV en bij de onderzoeksafdeling van de
St.Maartenskliniek.
Binnen Roessingh R&D wordt onderzoek verricht naar het herstel van
lichaamsfuncties na traumatische dwarslaesie en naar preventie en behandeling
van het chronisch whiplash syndroom. Het IRV voert een aantal onderzoeks-
projecten uit die te maken hebben met bewegingssturing en cognitieve
revalidatie. Het (veelal multidisciplinaire) onderzoek van de St Maartenskliniek
is gebundeld in SMK-Research en betreft het houdings- en bewegingsapparaat.
Een klein aantal onderzoeken kan min of meer direct in verband worden
gebracht met trauma, zoals het onderzoek naar de effecten van een val-
preventie programma voor ouderen en het onderzoek naar verschillende typen
totale heupplastiek met behulp van loopgang analyse.
Het instituut Revalidatie van het medisch centrum van de Vrije Universiteit
Amsterdam (VUMC) verricht weliswaar patiëntgebonden onderzoek op het
terrein van de kinderrevalidatie en neurologische aandoeningen, maar doet
geen onderzoek dat zich specifiek richt op de gevolgen van trauma.
       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>3.1.4      AFDELINGEN ORTHOPEDIE UNIVERSITAIR MEDISCHE
           CENTRA
Ook binnen de afdelingen orthopedie wordt onderzoek verricht dat
uitdrukkelijk de zorg en behandeling van traumapatiënten als uitgangspunt
heeft. Vaak vindt dergelijk onderzoek plaats in nauwe samenwerking met
afdelingen traumatologie. Zo wordt op de afdeling Orthopedie van het
Universitair Medisch Utrecht (UMCU) onderzoek verricht naar de behandeling
van traumatische wervelfracturen en naar de resultaten van in vivo ballon
vertebroplastiek met injecteerbaar calcium-fosfaat cement bij traumatische
wervelfracturen. Op de afdeling van het Academisch ziekenhuis Maastricht
(AZM) lopen momenteel een klinische trial naar een implantaat dat het
verwijderen van diep gelegen schroeven vergemakkelijkt, een trial naar de
waarde van TCP/HA als vervanger van bottransplantaat en een studie naar het
postoperatief beloop van bekken- en acetabulumfracturen.
In het Universitair Medisch Centrum Rotterdam (UMCR) lopen twee
onderzoeken naar PEMF (Orthopulse), twee multicentre-trails naar resp. de
behandeling van subcapitale humerus fracturen en distale radiusfracturen bij
kinderen en een pathofysiologische studie naar immunolocalisatie en
kwantificatie van niet-collagene eiwitten in humane pseudo-arthrosen biopten
ter voorspelling van fractuurgenezing.
Het Orthopaedic Research Center Amsterdam (ORCA) van het Academisch
medisch centrum Amsterdam (AMC) voert een onderzoeksprogramma uit dat
uit drie hoofdlijnen bestaat: derangement van gewrichten, botgenezing en
evidence based medicine. Van de in totaal ongeveer 30 projecten zijn er ca. 25
direct gerelateerd aan trauma.
Bij de afdeling Orthopedie van het universitair medische centrum St. Radboud
te Nijmegen wordt tenslotte onderzoek verricht naar kniebandreconstructie,
naar de scopie van de knie, naar poreuze elastomeren voor meniscus-
reconstructie en naar kraakbeenreconstructie. Verder wordt onderzoek verricht
naar herstel en behandeling van bekken-, femur- en wervelfracturen.
3.2        INFRASTRUCTUUR ONDERZOEK TRAUMAZORG
Gelet op de grote maatschappelijke betekenis van de traumazorg valt het
geringe aantal full-time equivalenten (ftes) wetenschappelijk personeel op dat
beschikbaar is voor het trauma-onderzoek. In de traumacentra zelf varieert het
aantal ftes wetenschappelijk personeel van 0,5 tot 4 fte, waarvan bovendien
een deel een tijdelijk dienstverband betreft. In de andere centra
(revalidatiecentra/ brandwondencentra en afdelingen orthopedie) heeft de
                                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>personele omvang dat betrokken is bij trauma-onderzoek een vergelijkbare
omvang (bijlage 4).
Voor de financiering van hun onderzoek maken de traumacentra hoofdzakelijk
gebruik van de eerste geldstroom, en in zeer beperkte mate van de tweede
geldstroom. Geschikte fondsen (derde geldstroom) ontbreken vrijwel volledig.
Gezien de mogelijkheid van onderzoek naar medische hulpmiddelen is
evenwel opmerkelijk dat ook de industrie vrijwel ontbreekt als (mede-)financier
van onderzoek.
De revalidatiecentra financieren hun onderzoek op traumatologisch gebied
voor een aanzienlijk deel met middelen uit de eerste en tweede geldstroom. Het
ZON-programma Revalidatie-onderzoek vormt in deze voor de revalidatie-
centra een belangrijke subsidiebron.
Voor de brandwondencentra ligt de financieringssituatie anders. Daar wordt
juist meer dan driekwart van het onderzoek gefinancierd door subsidie van de
Nederlandse Brandwonden Stichting (NBS). Omdat het bij deze centra gaat om
niet-academische ziekenhuizen, ontbreekt de eerste geldstroom als bron van
onderzoeksfinanciering.
3.3        GEWENST ONDERZOEK
Om de behoefte aan onderzoek in kaart te brengen is aan deskundigen van de
aangeschreven organisaties gevraagd naar onderwerpen die naar hun mening
verder onderzoek behoeven. Hiertoe zijn vier categorieën onderscheiden:
pathofysiologisch onderzoek, innovatief onderzoek, doelmatigheidsonderzoek
en beschrijvend/inventariserend onderzoek.
Pathofysiologisch onderzoek
Het onderwerp in deze categorie dat het meest werd genoemd betreft
onderzoek naar systemische reacties op trauma, zoals het acute respiratory distress
syndrome (ARDS), multiple organ disfunction syndrome (MODS), shock en sepsis. De
onderliggende processen (immunologisch, genetisch, etc.) noch de mediërende
factoren worden tot op heden voldoende begrepen voor een snelle en adequate
behandeling van deze, veelal levensbedreigende reacties.
Voorts is er veel behoefte aan nader onderzoek op het terrein van de wond- en
fractuurgenezing. Ook in de pathofysiologische processen die zich op lokaal
niveau afspelen, ontbreekt nog het nodige inzicht. Onderwerpen in dit kader
worden overigens vaak in verband gebracht met nieuwe, veelbelovende
therapeutische mogelijkheden als botsubstitutie, botgroeistimulatie, resorbeer-
bare osteosynthesematerialen (implantaten) en de behandeling van lokale
ontstekingsreacties (hersentrauma). Tenslotte wordt ook het onderzoek naar de
       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>somatische oorzaken van post-traumatische stress genoemd als een terrein van
onderzoek dat stimulering verdient.
Innovatief onderzoek
Volgens de opgave van de deskundigen doen zich op een drietal terreinen
ontwikkelingen voor die nader onderzoek behoeven.
Ten eerste is onderzoek nodig naar nieuwe osteosynthese- en fixatie-
materialen/methoden, vooral bij osteoporose. Op dit terrein wordt onder meer
onderzoek naar implantaten in de wervel, het bekken en het dijbeen genoemd.
Het tweede terrein betreft nieuwe beeldvormende technieken. In dit kader
worden vooral genoemd de computer geleide navigatie tijdens de operatie en
minimaal invasieve operatietechnieken, al of niet voorafgegaan door computer-
simulatie van de ingreep om implantaten in te brengen.
Tenslotte wordt veel belang gehecht aan onderzoek naar mechanische en
neuroprothetische voorzieningen in de revalidatie.
Doelmatigheidsonderzoek
De onderwerpen binnen deze categorie laten zich in grote lijnen indelen in drie
onderzoeksthemas.
Een eerste thema betreft de doelmatigheid van de zorg in de prehospital-fase.
Binnen dit thema worden vooral onderwerpen genoemd die betrekking hebben
op de doelmatigheid en kwaliteit van de eerste opvang, van de triage- en de
behandelfunctie van het MMT en van de inzet van de traumahelicopter.
Een tweede thema betreft de doelmatigheid van beeldvormende technieken,
zowel die in de eerste 24 uur (PET, MRI, echo, CT, etc.) als gedurende de
operatie. In dit kader verdient volgens velen ook de keuze van röntgen-
diagnostiek bij bepaalde fracturen nader onderzoek.
Een derde thema tenslotte betreft de doelmatigheid van vormen van
fractuurbehandeling en osteosynthesetechnieken.
Beschrijvend onderzoek
Binnen deze categorie blijkt grote behoefte te bestaan aan onderzoek dat kan
helpen het inzicht te vergroten in de uitkomsten van de zorg en de lange-
termijn gevolgen van trauma. In dat kader worden onderwerpen genoemd als
de uitkomsten van resuscitatie, de uitkomsten van behandeling op welbevinden
en functioneren (inclusief het arbeidsfunctioneren) van ongevalsslachtoffers, en
inzicht in de kosten van behandeling. In verband met deze onderwerpen wordt
verder nogal eens gewezen op de noodzaak van een nationale traumaregistratie
en de verdere ontwikkeling en standaardisatie van meetinstrumenten.
Veelvuldig wordt gepleit voor activiteiten die bijdragen aan de verdere
                                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>ontwikkeling en standaardisatie van onderwerpen als (lange-termijn)
invaliditeitsscores en brandwonden dieptegradiëring, maar ook voor de
ontwikkeling en standaardisatie van meetinstrumenten die betrekking hebben
op de (kwaliteit van de) zorg en de kwaliteit van leven.
Tabel 3.2 Behoefte aan onderwerpen voor onderzoek per type onderzoek
                                        P ATHOFYSIOLOGISCH
  Systemische reacties op trauma
           Pathofysiologische (immunologische) processen, inflammatoire mediatoren/systemen
           (genetische) en cellen die leiden tot MODS, ARDS, shock, sepsis, etc.;
           Pathofysiologie van lange-termijn morbiditeit na trauma (chronisch
           vermoeidheidssyndroom); Groeifactoren; Genemotoring.
  Lokale pathofysiologische reacties
           Fractuurgenezing (GH (DPI) en botsubstitutie (Biolon, Cementek); botgroei-stimulatie
           (PEMF), OP-1; Bioengineering of bone peridontium; Nutriënten; Somatische oorzaken
           PTST; Osteosynthese (Resorbeerbare osteosynthese materialen); Katabolie;
           Spierverlies; Zuurstofschuld; Glutamine; Ontsteking en cytokinen in hersentrauma.
           Aminozuren en neurologische schade; littekenhypertrofie brandwonden.
  Biomechanica
                                              I NNOVATIE
  Osteosynthese en fixatie
           Afbreekbare bot- en weefsellijmen. Fixatiematerialen/-technieken. Beenmergboring
           lange beenderen; Implantaten; Stabiliteit implantaten bij wervelkolom chirurgie,
           bekkenchirurgie en proximale femur;Osteosynthese bij osteoporosen.
  Beeldvormende technieken
           MR spectroscopie. Computer ondersteunde chirurgie; Beeldvormende technieken;
           Computer geleide navigatie; Minimaal invasieve technieken; Nieuwe applicatie-
           middelen, zuigprincipes, etc.; Computer simulatie/modelling van biomechanische
           implantaten; Materialen laboratoria.
  Mechanische en neuroprotetische voorzieningen in de revalidatie
           Neurostimulatie technieken in revalidatie; Loopgang analyse; Mobiliteit patiënt in IC-
           bed.
  Overig
           Intracerebrale microdialyse; Brandwondbedekkingsmaterialen/applicatie
           lokaaltherapeutica.
         32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                         D OELMATIGHEID
Doelmatigheid organisatie van zorg (pre-)klinische fase
         Helicopter, ambulancehulpverlening, MMT (inclusief de effecten van
         scholing/training); Meting zorgkwaliteit op plaats van ongeval; Standaardisatie eerste-
         hulp activiteiten bij brandongevallen/rampen; Protocol (richtlijnen) trauma-opvang
         (eerste opvang intramuraal); Management schedeltrauma; Distributie
         brandwondpatiënten onder rampomstandigheden; Communicatie en
         informatieoverdracht. Rampengeneeskunde: triage en behandelfunctie (MMT);
         Regionalisatie opvang.
Beeldvormende diagnostiek
         Diagnostiek en behandeling pols- en heup- fracturen bij de oudere patiënt;
         Diagnostische methoden (CT, MRI, TEA en echografie in de eerste 24 uur;
         Doelmatigheid röntgen van pols bij monotrauma, alsmede X-keuze; Waarde
         aanvullende diagnostiek F-18 PET; PET, CT, MRI en Echo; MRI i.p.v. CT,
         Echografie, CT en MRI); bed-tafel doorlatende radio-diagnostiek ; Geavanceerde
         beeldvorming, 3D peroperatief.
Fractuurbehandeling
         Intramedullaire osteosynthese; Stabiliteit nieuwe implantaten; Geavanceerde
         schroef/plaat combinaties.
Overig
         Opvang trauma, shock en moment van volume therapie; Bewegende traumapatiënt op
         IC; Gespecialiseerde revalidatie; Damage control surgery; Continu bewegende patiënt na
         ongeval; Vroegtijdig inschakelen revalidatie-arts; Meting kwaliteit van zorg van het
         individuele behandelprotocol; Initiële opvang en behandeling van
         brandwondenpatiënten.
                                          B ESCHRIJVEND
Lange termijn gevolgen trauma
         Eindpunten van resuscitatie; Outcome studies, herintreden maatschappij (WAO) en
         kwaliteit van leven; Lange termijn gevolgen trauma (hersenletsel, brandwonden);
         Metingsmomenten aan het einde van herstel; Complicaties bij letselpatiënten;
         Vroegtijdige identificatie problematiek te verrichten in revalidatiefase.
Registratie en standaardisatie
         Landelijke trauma registratie; Brandwonden registratie-systeem; Outcomepredictie
         traumazorg/revalidatie; Standaardisatie eerste-hulp activiteiten onder
         rampomstandigheden; Maatschappelijke kosten en baten van traumaopvang;
         Invaliditeitsscores; Kwaliteit van zorg; Brandwonden dieptegradering. Missers in
         diagnostiek in eerste 24 uur; Determinanten chronisch whiplash syndroom.
                                                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>3.4        LOPEND ONDERZOEK PREVENTIE
Zoals in par. 2.3 is aangegeven, vindt het onderzoek dat voor de preventie van
belang is vooral plaats bij de SWOV, C&V, iMGZ, TNO en het EMGO.
Het onderzoek van de SWOV is ondergebracht in acht onderzoeksthemas en
omvat alle fasen van het ongevalsproces (pre crash/crash/post crash).[19] Voor het
onderzoek naar het ongevalsproces beschikt de SWOV over ca. 30 fte
wetenschappelijk personeel. Voor het huidige advies relevante deelterreinen
omvatten onderzoek naar Preventie van letsel t.g.v. ongeval (crash-
onderzoek), Beperking letselgevolgen (post crash-onderzoek) en
Ongevallen/letsel registratiesystemen. De SWOV werkt in zijn onderzoek
samen met C&V, universiteiten (TUD, RUG, RUL, VU), TNO (TNO TM,
TNO Automotive, en in mindere mate ook TNO PG) en particuliere bureaus.
Voor het verkrijgen van informatie over ongevalsletsel in ons land werkt C&V
nauw samen met organisaties als iMGZ, TNO, SWOV en een aantal
ziekenhuizen. C&V verzamelt basisinformatie (onder andere via het LIS),
ontwikkelt indicatoren voor prioriteitstelling (bijvoorbeeld directe medische
kosten) en ontwikkelt nationale en internationale standaardclassificaties. De
komende jaren gaat voor de interventies op het gebied van de privé-veiligheid
en het bijbehorend onderzoek extra aandacht uit naar de veiligheid van
kinderen in de leeftijd van nul tot vier jaar, veilig wonen en doe-het-zelven, en
de veiligheid van school, sport en vervoer van schoolgaande kinderen. Voor
haar onderzoek naar ongevalspreventie beschikt C&V over circa 16 ftes
wetenschappelijk personeel.
Het iMGZ (EUR) doet onder meer onderzoek naar determinanten van
blijvende beperkingen na ongevalsletsel, ziektelast en de kosten ten gevolge
van ongevallen. Op dit terrein heeft het instituut in het afgelopen jaar zes
onderzoeksprojecten uitgevoerd. Veel van dit onderzoek vindt plaats in
opdracht van C&V.
Bij TNO PG werden in 2000 - in samenwerking met universiteiten en C&V-
dertien onderzoeksprojecten op het terrein van de traumazorg uitgevoerd die
alle betrekking hadden op Ongevallen bij ouderen of Community health and
safety. Binnen TNO vindt verder nog experimenteel onderzoek plaats naar
menselijk gedrag in het verkeer (TNO TM) en bij TNO Automotive naar de
veiligheid van voertuigen en beveiligingsmiddelen (crash-proeven in opdracht
van de industrie) en in depth-onderzoek (met behulp van de verkeersongevallen
registratie) naar het ontstaan van (individuele) ongevallen.
Het EMGO doet op bescheiden schaal onderzoek naar de preventie van
ongevalsletsel. Op dit terrein zijn, deels in samenwerking met C&V, in het
        34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>afgelopen jaar vier onderzoeksprojecten uitgevoerd naar de preventie
(valpreventie) en de behandeling van fracturen, met name bij ouderen.
3.5        BEHOEFTE         AAN    REGISTRATIE        VAN   ACHTERGROND-
           INFORMATIE EN LANGE-TERMIJN GEVOLGEN
Een voorwaarde voor preventie-onderzoek in de traumazorg is een goede
registratie van ongevallen en ongevalsletsel. Uit verschillende studies komt
evenwel naar voren dat nog veel schort aan de beschikbaarheid van
betrouwbare informatie over vooral de achtergrond van trauma en de lange-
termijn gevolgen van ongevallen en ongevalsletsel[20][21][22]. De bestaande
registratiesystemen, waarvan hier de belangrijkste worden genoemd, schieten
nog altijd tekort.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) beheert de Doodsoorzaken-
statistiek dat internationaal (ICD-10) geclassificeerde gegevens bevat over de
oorzaak van overlijden. Sinds enige tijd beschikt het CBS daarnaast over de
statistiek niet-natuurlijke dood die is gebaseerd op gegevens uit de bevolkings-
en overlijdensstatistiek en op onderzoek bij de rechtbanken. Voor de categorie
verkeersdoden wordt mede gebruik gemaakt van de verkeersongevallen
registratie (VOR).
De Landelijke Medische Registratie (LMR) wordt beheerd door Prismant en
bevat medische en administratieve gegevens van patiënten die klinisch of in
dagverpleging opgenomen zijn geweest in een van de Nederlandse zieken-
huizen. De gegevens van de LMR betreffen onder meer kenmerken van de
ziekenhuisopname, verrichtingen en betrokken behandelaars, ontslag en
nazorg.
Het Letsel Informatie Systeem (LIS) wordt beheerd door C&V en registreert
gegevens over patiënten die zich voor hulp wenden tot afdelingen voor
spoedeisende hulp in de algemene ziekenhuizen. Het systeem bestaat uit een
steekproef van veertien ziekenhuizen uit het totaal van ongeveer 120 algemene
en academische ziekenhuizen. Een meerderheid van de ziekenhuizen in de
steekproef registreert àlle SEH-behandelingen; een klein aantal ziekenhuizen
registreert alleen patiënten met letsel. Alle deelnemende ziekenhuizen hebben
de beschikking over hun eigen, lokale database. De gegevens worden centraal
verzameld en geanalyseerd door C&V en omvatten zowel de gegevensset voor
alle patiënten die de SEH-afdeling bezoeken als de set met toedrachtgegevens
voor patiënten met letsel. Ook bevat het centrale databestand per record
gegevens over de directe medische kosten.[23]
Tenslotte kan voor preventie-onderzoek gebruik worden gemaakt van de
enquête Ongevallen en Bewegen in Nederland, waarin continue gegevens
                                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>worden verzameld over aantallen en aard van ongevallen in ons land. Dit
gegevensbestand bevat, anders dan bovenstaande registraties, ook gegevens
over ongevallen die alleen door de huisarts worden behandeld en niet-medisch
behandelde ongevallen.
Hoewel met deze registraties een beeld gegeven kan worden van de
ongevalsproblematiek in ons land, hebben ze voor het preventieonderzoek
enkele fundamentele gebreken.
Ten eerste vertonen de huidige classificatiesystemen onderling grote
verschillen, zowel qua aard van de gehanteerde classificaties als van de
opgenomen gegevens. Een belangrijk gevolg hiervan is dat vergelijkingen van
bijvoorbeeld de gegevens van de CBS-statistiek niet-natuurlijke dood en de
gegevens van het LIS, of tussen VOR en LMR, niet mogelijk zijn. Daar komt
bij dat de meeste systemen niet internationaal geharmoniseerd zijn, hetgeen
internationale vergelijkingen bemoeilijkt.
Belangrijker is evenwel dat in de bovengenoemde registraties voor het
preventie-onderzoek essentiële informatie ontbreekt. In de LMR en de CBS-
statistiek bijvoorbeeld zijn de verschillende ongevalscategorieën niet van elkaar
onderscheiden waardoor in de outcome van een ongeval niet goed kan worden
gediscrimineerd naar de aard van het ongeval. Bovendien ontbreekt informatie
over de lange-termijn gevolgen van ongevalsletsel en de daarvoor verleende
zorg. De fysieke, maar ook psychische en maatschappelijke consequenties van
ongevalsletsel kunnen daardoor niet goed in kaart worden gebracht. Ook de
evaluatie van preventieve maatregelen en activiteiten wordt door het ontbreken
van deze gegevens bemoeilijkt.
Navraag bij bovengenoemde organisaties naar onderwerpen die de komende
jaren extra aandacht behoeven, leert dan ook dat veel belang wordt gehecht
aan het verbeteren van de registratie, waarbij met name wordt gedacht aan
verbetering van de informatie over de achtergronden van ongevallen via de
CBS doodsoorzakenstatistiek en de lange-termijn gevolgen. In lijn hiermee zou
ook het meetinstrumentarium om de benodigde informatie in kaart te kunnen
brengen, verbeterd dienen te worden.
Het verbeteren van de registraties is evenwel niet alleen de taak van deze
organisaties zelf. Zij zijn daarvoor ook afhankelijk van de medewerking van
degenen die de beschikking hebben over de benodigde lange-termijn gegevens
en de registratiesystemen waaruit deze voortkomen. Om die reden dient de
samenwerking tussen bovengenoemde organisaties op het terrein van het
preventie-onderzoek en vooral de medisch onderzoekers te worden bevorderd.
De noodzaak van samenwerking doet zich eens temeer voelen daar zich in het
onderzoek naar de preventie van ongevallen en ongevalsletsel regelmatig
        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>problemen voordoen waarover alleen in nauwe samenwerking met medisch
onderzoekers meer kennis verworven kan worden. Voorbeelden hiervan zijn
het onderzoek naar whiplash, chronische vermoeidheid en slaapproblemen.
Tot dusver evenwel vindt deze samenwerking tussen bovengenoemde instituten
en medisch onderzoekers in de ziekenhuizen en revalidatiecentra weinig plaats.
                                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>38</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>4          CO N C L U S I E  EN AANBEVELINGEN
In het afgelopen decennium is de zorg voor en opvang van ongevalsslachtoffers
veelvuldig in het nieuws geweest, waarbij vooral de organisatie van de
traumazorg nogal eens aanleiding was voor veel kritiek.
In het voorgaande is aangegeven dat met de rapportage van de Inspectie voor
Brandweerzorg en Rampenbestrijding en de IGZ in juist de organisatie van de
traumazorg een aantal ontwikkelingen in gang is gezet die moeten bijdragen
aan een meer slagvaardige traumazorg op zowel kleinschalig niveau als bij
grootschalige rampen en ongevallen. Een aantal van die ontwikkelingen is
reeds gerealiseerd, zoals de oprichting van regionale ambulancediensten, de
vorming van gemeentelijke samenwerking in zogeheten GHOR-regios, de
aanwijzing van tien regionale traumacentra en de vorming van regionale
traumazorgnetwerken. De al eerder genoemde evaluatie van de beleidsvisie
Traumazorg door het CvZ laat zien dat een aantal maatregelen nog niet
volledig is geïmplementeerd.
Hoewel de traumatologie de laatste tien jaar een snelle ontwikkeling heeft
doorgemaakt, en aan een goed functionerende traumazorg toenemend belang
wordt gehecht, is de traumatologie als terrein van onderzoek nog betrekkelijk
jong. Dit blijkt ook wel uit onder meer de geringe omvang van het
wetenschappelijk onderzoek in de traumacentra zelf en de overige centra waar
traumapatiënten worden behandeld. Weliswaar geschiedt er op het gehele vlak
van de traumazorg onderzoek (van pathofysiologisch onderzoek tot
beschrijvend en innovatief onderzoek, en onderzoek naar de doelmatigheid
van interventies en voorzieningen), voor het overgrote merendeel gaat het toch
om losstaande, meest kortlopende projecten. Langer lopende onderzoekslijnen
en multicentre onderzoek zijn vooralsnog uitzondering. Het aantal onderzoekers
dat zich met traumatologisch onderzoek bezighoudt is navenant gering. In de
meeste traumacentra zijn één, hooguit twee wetenschappelijk medewerkers
betrokken bij onderzoek, bovendien vaak in een tijdelijk dienstverband. Ook
de vooralsnog nog niet gerealiseerde pogingen een landelijk en uniform
registratiesysteem tot stand te brengen zijn exemplarisch voor het zich nog
ontwikkelende terrein van onderzoek.
Bij beantwoording van de vraag van de minister om advies over het onderzoek
in de traumazorg is de huidige, nog niet goed ontwikkelde onderzoeksinfra-
structuur dan ook een factor van belang geweest. De Raad is van mening dat
inhoudelijke stimulering van dit terrein, juist met het oog op de samenhang en
                                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>continuïteit van het onderzoek, zeker in de eerstkomende jaren gelijk op zou
moeten gaan met het versterken van de onderzoeksinfrastructuur.
Bij de vraag welke onderwerpen met voorrang voor stimulering in aanmerking
zouden moeten komen, ligt het voor de hand het onderzoek vooral te richten
op onderwerpen die voor de betrokken patiënten en de zorg specifiek zijn.
Hierbij valt dan vooral te denken aan onderzoek naar de pathofysiologie en
behandeling van multitrauma, gegeneraliseerde, systemische reacties op
trauma, en de organisatie van de traumazorg.
Omdat de traumacentra niet alleen zorg bieden, maar van de minister ook de
opdracht hebben gekregen te functioneren als kenniscentrum op het gebied
van de traumatologie, ligt het verder voor de hand voorrang te geven aan
onderzoek dat de centra kan ondersteunen in het uitoefenen van deze functie.
Te denken valt hierbij aan de (landelijke) monitoring van de traumazorg en
onderzoek naar aard, kwaliteit en doelmatigheid van de zorg. Ook onderzoek
dat bedoelt een bijdrage te leveren aan nieuwe ontwikkelingen in de zorg
(zorginnovatie) behoort hiertoe.
Bij het bepalen van de onderwerpen en de prioriteiten is ook de overweging
van belang of voor het onderwerp elders financiering gevonden kan worden.
Is dat het geval, dan ligt het in de rede het onderwerp geen prioriteit te
verlenen. Tenslotte is van belang, of met het bestaande onderzoek tegemoet
kan worden gekomen aan de gesignaleerde behoefte aan onderzoek op het
desbetreffende terrein.
Prioriteiten van onderzoek
Aan de hand van deze overwegingen zijn de informatie over het huidige
onderzoek (aanbod) en de wensen ten aanzien van het onderzoek (vraag) naast
elkaar gezet.
De Raad stelt daarbij vast dat de vraag naar onderzoek de huidige
onderzoeksmogelijkheden verre overtreft, in die zin dat met de bestaande
onderzoeksmogelijkheden in de meeste traumacentra op geen van de
onderzoeksgebieden in de gesignaleerde behoefte kan worden voorzien. Daar
komt bij dat slechts voor weinig onderwerpen ook elders financiering kan
worden gevonden. Extra financieringsmogelijkheden uit de 3e en 4e geldstroom
zijn voor het traumatologisch onderzoek vrijwel afwezig. Weliswaar zou voor
onderzoek naar de lange-termijn effecten van trauma financiering gevonden
kunnen worden in het programma Revalidatie van ZonMw, de specifieke
uitgangspunten van het trauma-onderzoek echter maken financiering vanuit dit
programma minder geschikt. Voor het onderzoek naar de pathofysiologie van
brandwonden daarentegen kan weer wel gebruik worden gemaakt van externe
bronnen, vooral de subsidie van de NBS. Ten aanzien van vragen naar
        40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>onderzoek op het terrein van de kwaliteit en doelmatigheid zou voor de
uitwerking van de aanvragen aansluiting mogelijk zijn bij het ZonMw-
programma Doelmatigheidsonderzoek. De Raad is evenwel van mening dat
de middelen in dit programma bij lange na niet toereikend zijn om de door de
minister toebedeelde bijzondere taken (zoals het samenstellen van het
traumazorgnetwerk en het op wetenschappelijk basis ontwikkelen van medisch
inhoudelijke en organisatorische werkwijzen) adequaat te kunnen vervullen.
Een aparte financiering van het op kwaliteit en doelmatigheid van de
traumazorg gerichte onderzoek in een specifiek op de traumazorg gericht
onderzoeksprogramma is in de ogen van de Raad daarom gerechtvaardigd.
Dit alles overwegend heeft de Raad de volgende prioriteiten van onderzoek in
de traumazorg geformuleerd:
PATHOFYSIOLOGIE VAN TRAUMA
       Multi-trauma leidt in veel gevallen tot levensbedreigende en nog niet
       goed begrepen reacties van het organisme. Hierbij gaat het niet alleen
       om pathofysiologische reacties van afzonderlijke organen of reacties die
       te maken hebben met de genezing van wonden en fracturen, ook
       reacties waarbij verschillende organen/het gehele organisme zijn/is
       betrokken, verdienen nader onderzoek.
       Onderwerpen op dit terrein die onderzoek behoeven betreffen onder
       meer MODS, ARDS, shock, en het ontwikkelen van - algemeen of lokaal
       werkzame - herstelbevorderende middelen als groeifactoren,
       aminozuren, etc.
DOELMATIGHEID
       De huidige organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij
       ongevallen en rampen, alsmede de daaruit voortvloeiende
       voorzieningen, zijn nog onvoldoende op hun merites beoordeeld.
       Onderwerpen die in dit kader onderzoek behoeven betreffen onder
       meer de kwaliteit en doelmatigheid van de eerste opvang van
       enkelvoudige en multi trauma, alsmede van de standaardprotocollen,
       trauma-opvang en MMT.
       Ook over de kwaliteit en doelmatigheid van onderdelen van de zorg (al
       dan niet vastgelegd in zorgprotocollen of standaarden) bestaat veel
       onduidelijkheid. Bijzondere aandacht vragen onder meer de evaluatie
       van fractuurbehandeling en de behandeling van shock. Ook naar de
       waarde van beeldvormende technieken bij eerste opvang en
       behandeling van traumapatiënten is nader doelmatigheidsonderzoek
       nodig.
                                                                     41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>INNOVATIE VAN DE ZORG
       Een aantal technologische innovaties maakt goede kans bij te dragen aan
       het optimaliseren van de zorg voor en de revalidatie van
       traumapatiënten. Op het terrein van de diagnostiek zijn dat vooral de
       beeldvormende technieken en de computer gestuurde technieken voor
       osteosynthese. Aan de optimalisatie van de zorg kan naar verwachting
       ook een belangrijke bijdrage worden geleverd door onderzoek naar
       nieuwe osteosynthese- en fixatiematerialen. Hierbij valt onder meer te
       denken aan onderzoek naar de werkzaamheid van nieuwe implantaten.
       Tenslotte is ten behoeve van de revalidatie van traumaslachtoffers nader
       onderzoek aangewezen naar nieuwe (mechanische) hulpmiddelen en
       neuroprothesen.
Een programma voor onderzoek
De wijze waarop het onderzoek op bovenstaande terreinen gestimuleerd wordt
zal, zoals gezegd, tegelijkertijd ook moeten bijdragen aan het verstevigen van
de onderzoeksinfrastructuur. Vooralsnog lijkt het de Raad raadzaam zich bij het
stimuleren van de infrastructuur de komende jaren vooral te richten op de
onderzoeksinfrastructuur van de traumacentra.
De Raad meent dat dit gerealiseerd kan worden door een bij ZonMw in te
stellen onderzoeksprogramma dat zich in een periode van acht jaren
nadrukkelijk richt op én het stimuleren van het onderzoek én het opbouwen
van de onderzoeksinfrastructuur.
Voor het realiseren van het eerste onderdeel, het uitbouwen van het
onderzoek, adviseert de Raad een bedrag van in totaal 8 miljoen Euro te
reserveren. Met dit bedrag kan in bijvoorbeeld vier rondes van telkens twee
jaar onderzoek opklimmend worden gefinancierd dat, als het voldoet aan de
gebruikelijke methodologische vereisten, past binnen de hierboven
geformuleerde onderzoeksthemas. De Raad beveelt deze periode van acht jaar
aan, omdat in zon periode een belangrijke deel van de achterstand in het
onderzoek kan worden weggewerkt.
Als een bijdrage aan de opbouw van de onderzoeksinfrastructuur zouden de
traumacentra en de brandwondencentra gestimuleerd moeten worden stafleden
in staat te stellen het verrichten van wetenschappelijk onderzoek te combineren
met het klinisch werk. Kennis van en ervaring met klinisch-wetenschappelijke
onderzoek zijn in de ogen van de Raad een belangrijke, zo niet de
belangrijkste, voorwaarde voor een evidence based practise. Met het oog hierop
adviseert de Raad middelen te reserveren voor persoonsgebonden subsidies
voor specialisten in opleiding die zich gedurende hun opleiding specialiseren
op voor de traumatologie relevante terreinen en die zich blijvend willen
       42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>toeleggen op wetenschappelijk onderzoek. De Raad wil de subsidies
uitdrukkelijk beperken tot deze groep, omdat daarmee de onderzoekservaring
behouden blijft voor de traumatologie.
De aanvragen voor deze subsidies zullen aan een aantal voorwaarden moeten
voldoen. Zo zal de aanvraag uitdrukkelijk gekoppeld dienen te zijn aan de
aanwezigheid van een onderzoeksvoorstel dat dient te passen binnen de
genoemde onderzoeksthemas. Ook zal de aanvraag gepaard dienen te gaan
met een opleidingsplan voor de betrokken subsidiënt. Tenslotte vindt de Raad
dat de methodologische begeleiding op het centrum gegarandeerd moet zijn,
ofwel doordat men aantoonbaar de beschikking heeft over een methodologisch
geschoold medewerker, ofwel doordat men een regeling heeft getroffen met
een afdeling met expertise op het gebied van kwantitatief medisch onderzoek.
Vergelijkbaar met persoonlijke subsidies met een overeenkomstige doelstelling
(zoals de klinische fellows in het ZonMw-programma Revalidatie) zou de
subsidie per verzoek maximaal 204.550 Euro moeten bedragen. Uitgaande van
in totaal vijftien gehonoreerde verzoeken in een periode van acht jaar is een
bedrag van 3,1 miljoen Euro noodzakelijk. Omdat versterking van de
onderzoeksinfrastructuur zon belangrijke voorwaarde is voor de ontwikkeling
van het onderzoek op dit terrein, stelt de Raad voor deze subsidies vooral in de
eerste periode toe te kennen. Dit zou kunnen worden gerealiseerd door in de
eerste twee rondes maximaal tien van deze persoonlijke subsidies toe te kennen
en in de laatste twee rondes vijf.
Tabel 4.1      Geadviseerde subsidiebedragen voor onderzoeksvoorstellen en
               stimulering onderzoeksinfrastructuur (bedragen in miljoen Euro)
  Rondes                   1e ronde      2e ronde     3e ronde     4e ronde      Totaal
                            (1e/2e jaar) (3e/4e jaar) (5e/6e jaar) (7e/8e jaar)
  Onderzoeksvoorstellen         1,5          1,5          2,5          2,5          8
  Persoonsgebonden               1            1           0,6          0,5         3,1
  subsidie
Voor de uitvoering en programmering van het onderzoeksprogramma
adviseert de Raad bij ZonMw een commissie in te stellen die bestaat uit zowel
deskundigen in de traumatologie als methodologen en deskundigen op het
gebied van het doelmatigheidsonderzoek. Deze commissie zou niet alleen de
aanvragen voor de tweejaarlijkse rondes kunnen beoordelen, maar ook de
aanvragen voor de persoonsgebonden subsidies. Overigens is de Raad van
                                                                                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>mening dat het centrum waar de aanvrager werkzaam is, daadwerkelijk dient
deel te nemen aan het landelijk registratiesysteem om voor de
persoonsgebonden subsidie in aanmerking te komen.
Brandwondencentra
In de beleidsvisie Traumazorg kondigt de minister van VWS aan om - met
gebruikmaking van artikel 8 van de Wet op de bijzondere medische verrich-
tingen (WBMV) - de traumacentra financieel te ondersteunen voor het uit-
voeren van een aantal bijzondere taken. Tot die bijzondere taken behoort, zoals
gezegd, het zich gezamenlijk ontwikkelen tot kenniscentrum in de trauma-
tologie en in dat kader het ontwikkelen en verspreiden van kennis van en
kunde in de zorg voor traumapatiënten. De adviesaanvraag van de minister en
het huidige advies zijn hier een direct uitvloeisel van.
De Raad vindt het opmerkelijk dat de drie brandwondencentra in dit kader niet
worden genoemd. De brandwondencentra leveren immers niet alleen een
bijzondere vorm van zorg aan traumaslachtoffers, maar verrichten daarnaast -
in samenwerking met de Nederlandse Brandwonden Stichting en haar
researchafdeling - ook een groot deel van het onderzoek op het onderhavige
terrein. De middelen die voor het onderzoek worden ingezet zijn grotendeels
afkomstig van de NBS en zijn bedoeld voor de financiering van het funda-
mentele onderzoek en de infrastructuur daarvan (onderzoekslaboratorium).
Tegen deze achtergrond geeft de Raad ter overweging ook de brandwonden-
centra op te dragen - met gebruikmaking van artikel 8 van de WBMV - een
bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de functie van kenniscentrum in de
traumatologie.
Onderzoek preventie trauma
Onderzoek naar de gevolgen van ongevallen en ongevalsletsel vindt in
verschillende, meest buitenuniversitaire onderzoeksinstituten plaats. Een groot
deel van het onderzoek gebeurt overigens in instituten die worden gefinancierd
door de ministeries van VWS en V&W.
Voor een adequate uitvoering van het onderzoek doen zich naar de mening
van de Raad twee knelpunten voor. Niet alleen schort het aan de beschikbaar-
heid van voor preventie-onderzoek relevante informatie (m.n. achtergrond-
informatie over ongevallen en lange-termijn gevolgen van ongevallen en
ongevalsletsel), ook ontbreekt het aan structurele samenwerking tussen onder-
zoekers op het terrein van de ongevalspreventie en medisch onderzoekers.
Gezien het belang van het preventie-onderzoek adviseert de Raad de
Landelijke Vereniging van Traumacentra (LVT) te verzoeken betrokkenen
(klinisch onderzoekers in de traumazorg, SWOV, C&V en andere instanties die
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>zich met preventie-onderzoek bezighouden) bijeen te brengen teneinde de
registratie voor preventie-doeleinden te verbeteren. De Raad vindt dat de LVT
hierbij de opdracht moet krijgen met betrokkenen concrete voorstellen te
ontwikkelen aangaande de wijze waarop
a.     naast het LIS in de traumaregistratie en andere registraties (zoals de
       CBS-doodsoorzakenstatistiek en de LMR) de voor het preventie-
       onderzoek benodigde basisinformatie vastgelegd kan worden,
b.     de benodigde informatie ook in de niet aan het LIS deelnemende
       ziekenhuizen verzameld kan worden, en
c.     de informatie geclassificeerd kan worden volgens internationale
       standaarden.
Wat het eerste punt betreft wijst de Raad op de mogelijkheid gebruik te maken
van de op Europees niveau ontwikkelde Minimal Data Set on Injuries (MDS-Is)
waarmee beperkte maar relevante informatie over ongevallen en letsels
verzameld kan worden. Voor het onderzoek naar de lange-termijn gevolgen
zullen methoden moeten worden ontwikkeld waarvan de informatie te
koppelen valt aan de informatie over het trauma en de achtergronden ervan.
Omdat bovengenoemde punten in de ogen van de Raad een voorwaarde
vormen voor zinvol onderzoek naar de preventie van onnodig trauma, is de
Raad van mening dat verdere stimulering van het preventie-onderzoek zal
kunnen plaatsvinden als de betrokken organisaties blijk geven samen te werken
aan het verbeteren van de registratie voor onderzoeksdoeleinden. De Raad
geeft ter overweging voor het onderzoek dan middelen ter beschikking te
stellen in het programma Preventie van ZonMw.
                                                                      45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>RE F E R E N T I E S
1.   In de beleidsvisie Traumazorg wordt de traumazorg omschreven als ...
     alle medische hulp aan ongevalsslachtoffers; bij een trauma gaat het om
     lichamelijk letsel, waarvan de ernst van het letsel kan variëren van mini-
     maal tot ernstig letsel.
2.   Specialismen die doorgaans een rol spelen in de behandeling van trau-
     maslachtoffers zijn neurochirurgie, thoraxchirurgie, kaakchirurgie, KNO-
     artsen, urologie, gynaecologie, orthopedie, plastische chirurgie, internis-
     ten, radiodiagnostiek.
3.   Raad voor Gezondheidsonderzoek. Advies Onderzoek Sportgezond-
     heidszorg. Sport en bewegen. Publicatie 27, Den Haag, maart 2001.
4.   Stichting Consument en Veiligheid. Ongevallen in getallen. Amsterdam.
     Consument en veiligheid, 2000.
5.   Ruwaard D., P.G.N. Kramers eds. Volksgezondheid Toekomst Verken-
     ning 1997. De som der delen. Bilthoven, Rijksinstituut voor
     Volksgezondheid en Milieu. 1997.
6.   Centraal Bureau voor de Statistiek, PB01-283, 17 december 2001.
7.   Mulder S., W.J. Meerding, E.F. Beeck. Setting priorities in injury preven-
     tion: the application of an incidence based cost model. Injury prevention
     2002. Accepted for publication.
8.   Weseman P. Kosten van verkeersonveiligheid in Nederland, 1997. Leid-
     schendam: SWOV, 2000.
9.   Beeck E.F., L. van Roijen L., J.P. Mackenbach. Medical costs and econo-
     mic production losses due to injuries in The Netherlands. J. Trauma
     1997; 42;1116-23.
10.  De opbouw van de organisatie voor de geneeskundige hulpverlening bij
     rampen. Hoofdrapport, Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding,
     Inspectie voor de Gezondheidszorg, 1995.
                                                                        1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>11. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris
    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Met zorg verbonden.
    Naar een nieuwe structuur voor ambulancezorg, traumazorg en genees-
    kundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Rijswijk/Den Haag,
    1997.
12. Prismant. Licht op traumazorg. Utrecht, mei 2001.
13. Baar M.E. van, E.F. van Beeck, E. Birnie, J.P. Mackenbach. Haalbaar-
    heidsstudie kosten-effectiviteit verbeteringen in de spoedeisende medi-
    sche hulpverlening, Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg, Eras-
    mus Universiteit Rotterdam, 1999
14. Basisontwerp Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen,
    Project GHOR, juli 1998.
15. Projectvoorstel Landelijke Traumaregistratie vanuit de Traumacentra.
    BMVS Management Consultants, 18 oktober 2001.
16. Brief aan ZonMw van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en
    Sport, 31 juli 2001 (brief nr. GZB/2161485)
17. College voor Zorgverzekeringen, Evaluatie beleidsvisie traumazorg (1e
    inventarisatie), 28 februari 2002.
18. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Niet zonder
    zorg. Een onderzoek naar de doelmatigheid en kwaliteit van de ambu-
    lancezorg. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten, 2001.
19. Onderzoeksthemas van de SWOV zijn: Weggebruikers: de relatie tus-
    sen gedrag, omgeving en ongevallen; Voorwaarden voor veilig gedrag;
    Strategie voor een veilige weg infrastructuur; Het verkeerskundig ont-
    werp en verkeersveiligheid; Voertuigveiligheid; Telematica en veiligheid
    in het wegverkeer; Analyse ontwikkelingen verkeersonveiligheid; Be-
    sluitvorming en Bestuur.
20. Beeck E. van. Acute lichamelijke letsels: een blijvende uitdaging voor de
    volksgezondheid. Academisch proefschrift, Erasmus Universiteit Rotter-
    dam, 1999
    2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>21. Hertog P.C., J.J.M. Geurts, H.M.H. Hendriks, J.M. Hutten, L.T.B. van
    Kampen, S.L. Schmikli, W. Schoots. Ongevallen in Nederland
    1997/1998. Stichting Consument en Veiligheid, Amsterdam, april 2000.
22. Mulder S. Surveillance and priority-setting. Where to start in preventing
    home and leisure accidents? Academisch proefschrift, Vrije Universiteit
    Amsterdam, september 2001.
23. Mulder S., W.J. Meerding, E.F. van Beeck. Setting priorities in injury
    prevention: the application of an incidence based cost model. Inj Prev
    2002 8: 74-78.
                                                                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>LIJST MET AFKORTINGEN
AMC          Academisch Medisch Centrum Amsterdam
ARDS         Aspecifieke respiratoire distress syndrom
AVV          Adviesdienst Verkeer en Vervoer
AZG          Academisch Ziekenhuis Groningen
BZK          Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
C&V          Consument en Veiligheid
CBS          Centraal Bureau voor de Statistiek
CTG          College voor Tarieven in de Gezondheidszorg
CvZ          College voor Zorgverzekeringen
EMGO         Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek
GHOR         Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen
GHR          Geneeskundige hulpverlening bij grootschalige ongevallen
             en rampen
ICD          International Classification of Diseases
IGZ          Inspectie voor de Gezondheidszorg
iMGZ         instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg
iRv          Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap
KOR          Werkgroep Kwaliteit, Onderzoek en Registratie
KUB          Katholieke Universiteit Brabant
LBTC         Landelijk Beraad Traumacentra
LIS          Letsel Informatie Systeem
LMR          Landelijke Medische Registratie
LUMC         Leids Universitair Medisch Centrum
LVT          Landelijke Vereniging van Traumacentra
MMT          Mobiel medisch team
MODS         Multiple organ distress syndrom
MODS         Multiple organs dysfunction sydrom
MTOS         Major Trauma Outcome Study
NBS          Nederlandse Brandwonden Stichting
ORCA         Orthopaedic Research Centre Amsterdam
PLUG         Platform Urgentiegeneeskunde
RAVs        Regionale ambulancediensten
RGO          Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIVM         Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RUG          Rijksuniversiteit Groningen
SMH          Spoedeisende medische hulpverlening
SWOV         Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid
                                                              1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>TNO             Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurweten-
                schappelijk onderzoek
TNO-PG          TNO - Preventie en Gezondheid
TUD             Technische Universiteit Delft
UMC St. Radboud Universitair Medisch Centrum St. Radboud
UMCU            Universitair Medisch Centrum Utrecht
UMCR            Universitair Medisch Centrum Rotterdam
VUMC            Vrije Universiteit Medisch Centrum
VWS             Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
ZonMw           ZorgOnderzoek Nederland Medische Wetenschappen
    2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>BIJLAGE | f

Ministar van Valksgerondhaid, Walzijn am Sport

Aan de voorzitter van de Raad voor Gezondheidsonderroak
Tav, de heer prof, dr, HGM, Aooijmans, voorzitter
Postbus 16057

2500 BA Den Hang

One cemeark Iniichii ngen bij Deo hierar Om Hep
CELEZ- 20 70991 J. Kranenturg 070-34OT54A 0 6 JUNI 2
[ELIEL Hiirte) Uw bral 000

adviesaanvraag traumärztrg onderzoek

Geachte haer Raaijmans,

April 1999 heb ik voor Nederland 10 zekenhuizen aangewezen als traumacentrum, mat als
belangrijke opdracht "het vormgeven van een traumazorijnetwerk’. Deze aanwijzing kant
haar corsprong in de beleidevisia welke is neergelegd in de note “Met zorg verkenden” en
vervolgens lä gecompleteerd mat mijn beleidsvisin Traumazarg.

Sinds begin jaren techtig & door de Stechting Consument & Weilighesd. in oudrecht van het
ministerie van VOWS en in het kader van hel beleid gericht ap da pravenja van angavalen,
imulling en Wien gegeven aan de registratia van ongevallatsels.

Zowel da preventie van ongevaletsel als de traumazorg hebben derhalve sterk mip
aandacht.

Uit de genoemde mata ‘Met zorg verbonden’ en de 'belaldavialn traumazerg blijkt
genoegzaam de nootraak vaar het verbeteren van de traumazorg in Nederland.

Er is binnen het weld grate bereidheid tot samenwerking en afstemming en at lopen goada
ondarzoeksintiatieven, maar er is nag sprake van zeer divergente menirngavormang, LJ haaft
dit knelpunt sak naar woran gebeacht in hat MTA advies (daat 21.

Daarnaast ie ar nog wainay sprake van integrates van de initintieven op het terrein van het
ontwikkelen en mpiementeren van registrabesystemen on letselolassificaieas die ten
bnhonve van ofwel orevenbese ofwel curatieve doelsinden plaalsvindan, hetgeen uiteraard
wel van belang ië voor het onderzoek,

Mat daze brief varzoak ik u mij te advisaran over de wijze waarop onderzoek ondersteuning
kan gevan aan wersterking van de traumazorg .

Hij uw advies verzoek ik u rekening te houden met de im de genoemde documenten
opgenmmen visies en de hieruit voortvloeiende verplichtingen voor partijen, De telat mat
mijn voornemens op het gebeed van de inlermatie-comsumicatie techrotagie in de zorg en
internationale ontwikkekngen is in deze ook wan beleng.

Posthus 20050 Darcatedras: Cormgorndoeniio mitut Kõster tines.
2500 El DOEN HAEG Parsii iuiplemi 5 mrja ki Mul OTIMAA jah TTT AA ml
Tolmlimmn WFO) Jä TE sütt Ws DOE HAAG mer mmm ing van de

Esi JOTOI 140 74 714 dasum an het berrark van

eat bite?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>/
Mirdsteria van Volksgezondheid, Welzijn an Sport (

Fi

Earmark

G58EZ-2070991

Oak ts hat van belang om bij het begin van uw werkzaamheden af te stemmen mat her
College voor Zorgverzekeringen. Dit college heeft de opdracht gekregen da avaluatia van de
“aanwijzing Traumacentrum’ si, art. B Wet Bijzondere Medische Varrichingan ult te vonren,
Daarnaast verdiant het aandacht om al ta stemmean met hat Hijkalnasituut vaar
Volksgezondheid an Millauvraagatukken (RIVA), Zij zijn recent in samenwerking mat de
Inspectie voor da Volksgezondheid (MZ) an het College vaar Taneven in de Gezondheidzorg
CTG aen onderzoek in da aenbulancesector gestart. Hierby wordt gekeken naar de
deolmatigheid en kwaliteit van de ambulancazorg.

Ter oriëntatie op het onderwerp doa ik u hearbij divarga belagen toekomen, Voor overleg of
aanvullende informatie kunt u im sersle instantie contact opnemen met de hoor J.Krananburg
(70-07 644) van diractia Curatieve Samatiache Zorg. Verder zijn ook de heer P_
Tervaaren (070-34070821, wan de directie Curatieve Somatische Zerg en mevrou 1. Than
1070-2408709) van de directie Gezondheidsbeleid betrokken bij deze senvraag.

Haegsch tand,

do Minester van Volksgezondheid,
Welzijn & Sport,

gam

dr. E, Borst- Eilers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 2
SAMENSTELLING COMMISSIE ONDERZOEK TRAUMAZORG
prof. dr. D.J. Gouma (voorzitter)       AMC
dr. F. Th. de Charro                    EUR
prof. dr. H.J.Th.M. Haarman             AZVU
dr. A. van Kampen                       AZN
prof.dr. L.P.H. Leenen                  UMC Utrecht
dr. J.S.K. Luitse                       AMC
mw. Ir. S. Mulder                       Stichting Consument en Veiligheid
mr. P. Wesemann                         SWOV
mw. dr. C.H. Bakker (secretaris)        RGO
dr. R. van der Sande (secretaris)       RGO
Waarnemers:
dhr. J. Kranenburg                      VWS
drs. H.W. Benneker                      RGO
prof.dr. H.G.M. Rooijmans               RGO
mw. L. Bakker                           RGO
(secretariële ondersteuning en lay-out)
                                                                    1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 3
TRAUMACENTRA IN NEDERLAND
 TRAUMACENTRA                  ZIEKENHUIZEN
 Traumacentrum Noord-West      VU Medisch Centrum (VUMC)
 Nederland                     Academisch Medisch Centrum
                               Amsterdam(AMC)
 Traumacentrum Zuid-West       Academisch Ziekenhuis Rotterdam
 Nederland                     Dijkzigt (AZR Dijkzigt)
 Traumacentrum Brabant         St. Elizabeth Ziekenhuis Tilburg
 Traumacentrum Midden-         Universitair medisch centrum Utrecht
 Nederland                     (UMCU)
 Traumacentrum Maastricht      Academisch Ziekenhuis Maastricht
 Traumacentrum AZG             Academisch Ziekenhuis Groningen
 Traumacentrum Isala Klinieken Isala Klinieken Zwolle
 Traumacentrum West-Nederland  Leids Universitair Medisch Centrum
                               (LUMC)
 Projectbureau Traumacentrum   Medisch Spectrum Twente Enschede
 Medisch Spectrum Twente
 Traumacentrum Oost            Universitair Medisch Centrum
                               St.Radboud
                                                                1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>AANTAL FTES                        VAST   TIJDELIJK
TRAUMACENTRA
Traumacentrum Oost                       3          1
Traumacentrum West Nederland           0,5          0
Traumacentrum Zuid-West Nederland        0        2,5
Traumacentrum Midden-Nederland           1          0
Traumacentrum Noord-West Nederland    1,2         2,5
VUMC
Traumacentrum Maastricht               0,6          0
Traumacentrum Noord-West Nederland       0        2,2
Traumacentrum AZG                        0        1,2
Projectbureau Traumacentrum Medisch   0,25      0,25
Spectrum Twente
Traumacentrum Brabant                    0          0
Traumacentrum Isala Klinieken            0          0
REVALIDATIECENTRA
Afdeling Revalidatie, AZG              0,4          1
St. Maartenskliniek                      -          -
De Hoogstraat                        0,25       0,25
Roessingh R&D                         4,8         1,2
Instituut Revalidatie, VUMC              0          0
IRV                                   2,5         2,5
Afd. Revalidatie Erasmus MC            0,7        0,7
BRANDWONDENCENTRA
Martini Ziekenhuis                       1      1,65
Rode Kruis Ziekenhuis                    2          0
Zuiderziekenhuis                         0          1
      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>AANTAL FTES          VAST   TIJDELIJK
AFDELINGEN ORTHOPEDIE
AZM                     1-3        -
AZG                       0            0
UMCU                      2        -
ORCA (AMC)              1,4          1,8
UMC St. Radboud           1        -
VU                         -       -
AZR                       4        -
LUMC                   1,25        -
                                 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 4
GERAADPLEEGDE PERSONEN
prof. dr. R.W. Kreis    Brandwondencentrum Beverwijk
dr. H. Boxma            Brandwondencentrum Rotterdam
dr. I. Oen              Brandwondencentrum Rotterdam
prof. dr. R.J. Kleber   KUB
prof. dr. A.B. van Vugt UMCR
                                                     1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>        De Raad voor Gezondheidsonderzoek       Postadres:
(RGO) heeft tot taak de ministers van Volks-    Raad voor
gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On-     Gezondheidsonderzoek
derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW),      Postbus 16052
en van Economische Zaken (EZ) te adviseren      2500 BB Den Haag
over prioriteiten in het gezondheidsonder-
zoek, in het zorgonderzoek en de technologie-   Bezoekadres:
ontwikkeling in deze sector, evenals over de    Parnassusplein 5
daarbij behorende infrastructuur. Het maat-     2511 VX Den Haag
schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO
steeds het uitgangspunt.                        telefoon
        In dit advies geeft de Raad het advies  (070) 340 75 21
de infrastructuur van het onderzoek te verster- fax
ken en het onderzoek naar aanleiding van een    (070) 340 75 24
beperkt aantal thema’s te stimuleren.           e-mail
        De publicaties van de RGO zijn via de   bureau@rgo.nl
website van de RGO te raadplegen.               website
                                                www.rgo.nl
RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK                  Publicatie 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>